[illustratie]
[illustratie]
Oom nam weer, maar met een pijnlijk gezicht, want de aap had hem leelijk in zijn tanige kuit gebeten, in zijn huppelende leuningstoel plaats. Hij was nog allerminst met het geschenk van zijn neef ingenomen.
"'t Is heusch een aardig, vriendelijk beest, Oom...."
"Hè, vriendelijk?" bromde Oom. "Dat heb ik gemerkt."
En nogmaals wreef hij zich zijn pijnlijke kuit.
Opeens sprong hij weer uit zijn stoel op en schreeuw de luid:
"Houd hem vast, — houd hem vast, — daar komt hij weer, dat monster!"
Inderdaad was Kees weer van onder den stoel te voorschijn gekropen en hield zijn nijdigen blik op den ouden vrek gevestigd.
"Allo, Kees, — marsch!" gebood Neef, weer met een nijdigen ruk aan den ketting en opgeheven vuist.
Daar had Kees het noodige respect voor en ijlings bracht hij zich weer onder den stoel in veiligheid.
"Ga maar gerust zitten, Oom," zei Neef. "Hij zal je heusch geen kwaad doen."
Oom ging met een angstigen blik naar den aap zitten kijken.
"Wat moet ik met dat monster beginnen?" zei Oom. "Ik wou, dat jij en je aap alle twee weggebleven waren."
"Ho, ho, Oompje," lachte Neef. "Dat meen je niet. Heb je me zelf niet gezegd, toen ik den laatsten keer hier was om goeiëndag te komen zeggen, omdat ik weer voor een paar jaar op reis ging, — heb je me toen zelf niet gezegd, dat je zoo'n last had van de kwajongens, die je de vruchten komen wegkapen?"
"Die rakkers!" bromde de vrek, terwijl hij zijn oogen onafgebroken op den aap gericht hield, wat deze beantwoordde met hem wel tienmaal per minuut afschuwelijk toe te grijnzen.
"En zie je," vervolgde Neef, "om je te toonen, hoe veel ik met mijn Oompje opheb, heb ik dit beest voor je meêgebracht? 'k Heb hem onderweg voor je gekocht en hij heeft me een aardige duit gekost. Ik zal het je niets kwalijk nemen, als je me de kosten vergoedt, Oompje, desnoods met een kleinigheidje van een vijf en twintig gulden toe voor de moeite."
"'k Had niet liever," bromde Oom, die haastig zijn handen op zijn beide zakken legde. — "Hu — Daar komt hij weer....!"
Oom vloog zijn stoel uit, en wel te juister tijd, want de aap nam een sprong, om hem nogmaals in zijn beenen te bijten.
"Mijn huis uit, jij en dat monster!" schreeuwde de vrek verschrikt. "Hij zal me nog vermoorden!"
"Wacht, ik zal jou die kunsten wel afleeren!" riep Neef, terwijl hij den aap ruw heen en weer schudde en hem een geduchte afstraffing gaf.
"Dáár, —" zei hij, — "waag het nu nog eens, onder dien stoel vandaan te komen, — aartsrakker!"
Oom ging weer zitten, maar eerst schoof hij den hobbelenden stoel zoover mogelijk van den aap af.
"Zie je, Oom," hernam Neef, "den aap bindt je des avonds hier of daar in den boomgaard vast, en dan zal geen een jongen het wagen, een hand naar je vruchten uit te steken. 't Is heusch een vriendelijk beest, doch hij is het alleen maar voor zijn baas. Mij zal hij geen kwaad doen, dat ziet u zelf, — alleen anderen vliegt hij aan als een duivel, en zoo een moet je juist hebben. Als hij maar eenmaal een van de vruchtendieven te pakken heeft gehad, zal niemand het meer durven wagen in je tuin te komen, dat staat als een paal boven water."
"Zoo," zei Oom, die wel een beetje zin begon te krijgen, om den aap te houden. "Zou hij hem zoo toetakelen, denk je?"
Oom vond dat zoo'n aangenaam vooruitzicht, dat hij van de voorpret al begon te lachen, maar zijn lachen bestond eigenlijk alleen uit een alleronaangenaamst grinniken.
"Als hij hen eenmaal te pakken krijgt, blijft er geen stuk van hen heel, Oompje," zei Neef ook lachend, want hij vond het prettig, dat Oom zin in het beest kreeg. Hij begon zich meer en meer als den toekomstigen erfgenaam van zijn rijken, gierigen oom te beschouwen.
"Maar hij zal erg duur — hu — daar komt het mormel weer ——!"
Oom vloog weer uit zijn stoel op.
Maar Neef joeg met een schop den aap onder zijn stoel terug.
"Dat mormel!" zei Oom.
"Heusch, Oom, hij doet geen kwaad, ga maar gerust zitten."
Oom deed het.
"Ik zeg, dat hij erg duur in den kost zal wezen," zei Oom, die haast te gierig was, om zelf genoeg te eten.
"Duur?" riep Neef. "Wat duur? 't Beest eet haast niemendal. Aan een overschotje van je eigen eten heeft hij meer dan genoeg, en als je hem een paar noten geeft, is hij zoo blij als een kind. Hier Kees, kom bij den baas!"
Oogenblikkelijk kwam de aap van onder den stoel te voorschijn en sprong den matroos op de knieën. Neef haalde een paar noten uit zijn zak en gaf er een aan Kees.
Ha, dat was Kees naar den zin. Hij greep de noot tusschen zijn vingers en kraakte den dop tusschen zijn tanden. Met welbehagen haalde hij de blanke pit te voorschijn en at die met smaak op.
Vragend keek hij zijn baas aan.
Toen wipte hij met een sprongetje op de tafel en Oom met een gil van angst uit zijn stoel.
"Houd hem vast — houd hem vast!" schreeuwde hij.
"Hoor eens, Oompje, je bent veel te bang, en daar maakt hij juist gebruik van. Hier Kees, spring over den kop, dan krijg je nog een noot!"
Oogenblikkelijk begon Kees op de tafel kopje te buitelen, wat Oom zoo'n grappig gezicht vond, dat hij zijn mond weer tot aan zijn ooren toe opentrok.
"Dat is aardig!" zei hij, en hij bedacht, dat die aap hem toch wel goed te pas kon komen, als hij eerst wat aan hem gewend was. Ha ja, hij was altijd bang, dat er 's nachts dieven zouden komen, om hem zijn lieve geldje af te stelen, maar als die aap 's nachts in zijn kamer was, zouden zij het wel laten. En de vruchtendieven zou hij ook wel uit den tuin weten te houden. "'t Is toch wèl een aardig beest!" zei hij. "Maar duur in den kost, denk ik."
"Malligheid," zei Neef. "Een restje van je eigen eten is genoeg....."
"Dat zal een beetje zijn," dacht de vrek, die zelf nooit genoeg at en alles tot het laatste kruimeltje toe verstond.
"En een nootje af en toe is een tractatie voor hem," zei Neef.
"Maar noten zijn duur," zei Oom.
"O, ik heb er nog genoeg bij me. Mijn zakken zitten vol. En dat hij je de dieven uit je tuin houdt, mag je wel een kleinigheidje waard zijn, zou ik zoo zeggen."
"Natuurlijk," zei Oom, die zich voornam, de noten van Neef zelf op te eten en er nooit een voor den aap te koopen. "Weet je wat, breng hem maar in de schuur en ik dank wel voor je cadeau."
Oom, Neef en Kees gingen naar de schuur, waar Neef den aap aan een stevigen kram vastbond. En daar Oom hem niet uitnoodigde om te blijven eten, vertrok Neef een uurtje later in de vaste overtuiging, dat hijeen slimmen streekhad uitgehaald en later Oom's lieve geldje wel erven zou.
De vrek begaf zich dus, toen hij de afspraak van de jongens had gehoord, naar het schuurtje met een grijnslach van genoegen op zijn dunne lippen.
"Ha ha, wat zullen ze schrikken," grinnikte hij, "als die aap hen op hun nek springt of in de beenen bijt. — Ho Kees, — hu — o jij leelijkerd!"
Hij begon al vast maar te brommen tegen Kees om hem een beetje bang te maken, want zelf was hij zoo bang als de dood voor den aap, en hij durfde hem niet te genaken.
Kees keek hem grijnzend aan en sjorde aan zijn touw, om los te komen, blijkbaar met de vriendelijke bedoeling, om op zijn nieuwen baas aan te vliegen en hem eens goed met zijn tanden en nagels te bewerken.
Maar het touw was gelukkig nog al sterk.
"O hemel, als het eens brak," mompelde Mulder. "Het monster zou me vermoorden. — Hu, jou leelijkerd! Blijf je zitten! Vort, monster!"
Mulder dreigde den aap met beide vuisten en stampte met zijn klompen op den vloer, om den aap den noodigen schrik in te boezemen, maar hij zorgde wel een eerbiedigen afstand tusschen hen beiden te bewaren, zoodat Kees hem niet bereiken kon.
"Wacht, jou mormel!" dreigde Mulder. Hij haalde een dikken stok uit den hoek te voorschijn en gaf Kees van uit de verte een nijdigen klap. Kees werd woedend. Hij rukte en sjorde uit alle macht om los te komen, en dan zou hij het dien ouden kerel wel eens betaald zetten, dat hij hem durfde slaan.
Maar 't lukte hem niet. Het touw was te sterk.
Weer kreeg hij een gevoeligen klap, veel harder, dan Kees prettig vond.
Kees schrok er van en kroop zoo ver mogelijk achteruit.
"Juist, monster, zoo moet ik je hebben," zei de vrek. "Pas op jij, hoor je, of ik zal je mores leeren!"
En dreigend hief hij weer den stok op.
Kees drong zich uit angst stijf tegen het houten schot. Hij werd blijkbaar bang voor den ouden gierigaard.
Mulder lachte.
"Zoo gaat het goed," zei hij. "En nu zal ik een stukje brood voor hem halen en een paar noten, want hij heeft den heelen middag nog niets gehad en zal dus wel honger hebben. Maar dat is niet erg. Ik heb ook honger en toch eet ik nog niet. 't Is jammer van de heerlijke noten, maar 't kan eenmaal niet anders. En gelukkig heeft Neef een goeden voorraad bij me achter gelaten. Zulke zeelui doen maar net, of het geld geen waarde heeft, ze gooien er compleet meê."
Mulder ging in huis om een sneetje brood te halen en stak eenige noten in zijn zak. Maar hij bedacht zich.
"'t Is zonde van de noten," mompelde hij "Waarom zou ik er vijf aan dat mormel geven? Ik moet hem niet verwennen. Vier is ook wel genoeg."
Hij legde er dus weer een in de kast en wilde de kamer verlaten. Maar bij de deur bedacht hij zich opnieuw.
"Als vier er genoeg zijn, zijn drie er ook genoeg," mompelde hij. En hij legde er nog een in de kast.
"Zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kasteelen," zei Mulder, en hij keerde uit het achterhuis terug en legde nog een noot in de kast.
"Twee is meer dan genoeg," zei hij, terwijl, hij naar de schuur ging.
Thans trad hij niet dreigend op en sloeg hij den aap ook niet.
"Neen, neen," mompelde hij, "dat zou verkeerd zijn. Eerst heb ik hem schrik ingeboezemd en den heelen middag honger laten lijden, en nu ga ik hem voor mij winnen. En als hij niet vriendelijker wordt, krijgt hij in drie dagen geen kruimel brood en geen droppel water. Dan zal hij wel wat makker worden."
Maar dit paardenmiddel was al niet meer noodig. De aap voelde den laatsten klap, dien Mulder hem gegeven had, nog terdege, en had geen lust den strijd met den ouden man voort te zetten, en ook was hij dolblij, toen de vrek hem een klein stukje brood toewierp, want hij rammelde van den honger.
Haastig raapte hij het van den grond op en begon het smakelijk op te peuzelen. Daarna kwam hij met een paar sprongen zoo dicht bij zijn nieuwen baas, als de lengte van het touw hem toeliet.
"Goede Kees!" vleide de vrek, wiens angst voor den aap aanmerkelijk verminderde. "Beste Kees!"
De aap ging op zijn achterpooten zitten en keek hem vragend aan.
"Hier!" zei Mulder, en hij wierp hem weer een klein stukje toe. Tevens waagde hij zich een paar stapjes dichter bij den aap.
Kees had zijn vijandschap blijkbaar geheel afgelegd.
Daarom waagde Mulder hem het derde stukje met zijn hand aan te reiken, en Kees pakte het voorzichtig van tusschen zijn vingers.
"Ha, ha, — goed zoo, Kees!" lachte Mulder. "Je zoudt niet zeggen, dat jij zoo'n nijdig monster van een beest bent.
Hallo Kees! Over den kop! Over den kop!"
De vrek hield een klein stukje brood in de hoogte, en, gedreven door den honger, gehoorzaamde Kees onmiddellijk. Hij buitelde wel driemaal over den kop, tot groote pret van Mulder, die altijd alleen in huis was en wel schik begon te krijgen in zijn nieuwen huisgenoot.
Spoedig was het sneetje brood in de maag van Kees verdwenen, want het was maar een dun sneetje geweest en Mulder had het laatste stukje nog zelf opgegeten.
Toen besloot Mulder het te wagen, den aap los te maken, om hem in den tuin te brengen. Maar eerst haalde hij een lang stuk touw uit zijn huis, want hij wilde den aap aan een boom in den tuin vastbinden en hem zooveel vrijheid geven, als maar mogelijk was. Kees moest een groot veld kunnen bestrijken, om des te beter in de gelegenheid te wezen, de jongens te bespringen.
Hij kwam in het schuurtje terug en hield een noot in de hoogte.
"Over den kop! Over den kop!" gebood hij.
Nauwelijks had Kees de lekkernij gezien, waarop de baas hem trakteeren zou, of hij buitelde wel tienmaal achter elkander over den vloer rond, tot groot genoegen van Mulder.
Deze raapte al zijn moed bijeen en liep naar den kram, waaraan Kees vastgebonden was. Zijn grootste vrees was wel voorbij, maar hij volgde toch met Argusoogen al de bewegingen van den aap, dien hij niet verder vertrouwde, dan hij hem zag.
Kees vond het flauw, dat hij de noot niet kreeg, Mulder had haar weer in zijn zak gestoken. De gierigaard boog zich voorover, om het touw los te knoopen, en haast was hij er mede klaar, toen de aap hem plotseling met een grooten sprong op zijn rug terecht kwam.
"O, — hè, — o, — hemel!" schreeuwde de vrek, terwijl hij van schrik en door den schok vierkant tegen den grond sloeg.
Alle kleur was van zijn gelaat geweken. Hij zag doodsbleek en beefde over al zijn leden.
Maar toen hij bemerkte, dat de aap hem geen kwaad deed, kroop hij schielijk overeind en stak hem, om hem nog vriendelijker te stemmen, haastig de noot toe. Hij maakte vlug het touw verder los en knoopte het andere er aan vast. Toen spoedde hij zich naar buiten, nog over al zijn leden bevende van den doorgestanen schrik, maar toch min of meer blij, dat de aap hem geen kwaad deed en hem blijkbaar reeds als zijn meester beschouwde. Hij vond het wel ontzettend angstig maar toch ook wel aardig, dat de aap rustig op zijn schouder bleef zitten en met smaak zijn nootje oppeuzelde.
Mulder liep den boomgaard in en bond het touw heel ruim om den boomstam vast, zoodat het meêdraaide, als de aap om den boom heen liep. En het touw was nu zoo lang, dat Kees de aardbei-planten en de frambozenstruiken volkomen beheerschte.
Mulder grinnikte van pleizier.
"Zie zoo," mompelde hij. "Laat de dieven nu maar komen, als het donker is. Ik zou het wel eens graag willen zien, dat die aap hun op den nek vloog, — om je ziek te lachen! Hij krabt hun de oogen uit!"
Kees zat nog altijd op zijn schouder.
"Allo, Kees, er af! Allo!" riep hij den aap toe.
Maar Kees bleef zitten, en Mulder durfde nog niet aan het touw te trekken.
"Allo Kees! Er af! Allo!" riep hij nogmaals, met het eenige gevolg, dat Kees moeite deed, om hem op zijn hoofd te klauteren, tot grooten schrik alweer van Mulder.
Deze haalde met een zucht de andere noot uit zijn zak, want hij had haar voor zichzelven willen bewaren, omdat hij één noot ten slotte voor Kees al voldoende had gevonden, en wierp haar den tuin in.
In een wip had Kees zijn hooge zitplaats verlaten en de noot bemachtigd. Met zeldzame vlugheid klauterde hij den hoogen boom in en ging haar op den hoogsten tak zitten opeten.
Mulder maakte zich haastig uit de voeten, uit vrees, dat Kees anders opnieuw op zijn rug zou springen.
"Zie zoo," mompelde hij, terwijl hij zich vergenoegd de handen wreef, "dat is tot zoover in orde. Maar nu ga ik ook Flipsen nog waarschuwen. Ik zal het die kwajongens nu ééns en voor altijd afleeren."
Hij deed zijn huisdeur zorgvuldig op slot, want hij was altijd bang, dat de dieven tijdens zijn afwezigheid met zijn lieve geldje aan den haal zouden gaan, en liep het dorp in, naar het huis van den veldwachter.
Flipsen zat met zijn vrouw op de bank een pijpje te rooken. Zijn vrouw zat naast hem.
"Daar komt die vervelende Mulder aan. Die kerel heeft altijd wat te zaniken," mompelde hij. "Ik hoop niet, dat hij hier moet wezen."
Zijn vrouw keek van haar naaiwerk op.
"Ja wel," zei ze, "hij draait op het hekje af. Zie je wel, daar komt hij."
Mulder liep het voortuintje in.
"Goeden avond samen," zei hij. "Wel, hoe gaat het?"
Flipsen schoof een eindje op, om een plaatsje voor Mulder vrij te maken, en zei:
"Ook goeden avond, Mulder. Ga zitten. Moest je me spreken?"
"Ja," zei Mulder, "dat moest ik. Mooi weêrtje, hè, van-avond."
"Mooi weertje," zei Flipsen. "En wat had je?"
"Wel, dat zal ik je zeggen, man. Ik was een uurtje geleden achter in mijn tuin, je weet wel, dicht bij de Vaart..."
"Jawel," zei Flipsen.
"En daar waren de dorpsjongens aan het zwemmen."
"Ha zoo, en wie al zoo?"
"Och, die jongens van Jansen, en Piet van Dril en Dik Trom..."
"Natuurlijk, — Dik Trom ook. En toen?"
"Wel," vervolgde Mulder, "de jongens konden mij niet zien, want er groeit aardig wat kreupelhout achter in mijn tuin, en toen hoorde ik hen afspreken, om vanavond eens goed achter mijn aardbeien en frambozen heen te zitten. Ze wilden het eerst al dadelijk doen, maar die Dik Trom vond, dat het eerst goed donker moest worden en dat het nog te vroeg was. En toen zijn ze slootje gaan springen, want Dik Trom had een polsstok bij zich, en ze spraken af, om terug te komen, als het goed donker geworden was. En daarom kom ik je waarschuwen, zie je...."
[illustratie][Illustratie: Flipsen zat met zijn vrouw op de bank een pijpje te rooken. (Bladz. 96)]
[illustratie][Illustratie: Flipsen zat met zijn vrouw op de bank een pijpje te rooken. (Bladz. 96)]
"Zoo, — 't zijn tochmijnaardbeien en frambozen niet," bromde Flipsen, die juist van plan geweest was, dien avond eens rustig thuis te blijven.
"Neen," zei Mulder, "'t zijn de mijne..."
"Pas er dan zelf op!" bromde Flipsen.
"Och, als je er geen zin in hebt, dan moet je 't maar zeggen, Flipsen. Dan ga ik even naar den burgemeester, om te vragen, of hij niet een ander mannetje heeft, om op de dieven te passen."
"Ik zeg niet, dat ik niet wil," bromde Flipsen, die niet graag zou zien, dat Mulder aan zijn plan gevolg gaf. Wat moest de burgemeester dan wel van hem denken? "Ik zeg niet, dat ik niet wil," herhaalde hij, en hij liet er op volgen: "Maar je moet niet denken, dat het zoo'n hapje is om den heelen avond in je tuin te zitten. Zoo is er altijd wat, en nooit kan ik eens een avondje rustig thuis blijven en mijn pijpje rooken. Ik ben ook een mensch, Mulder."
"Wel man, doe het dan niet, zeg ik je immers. Ik wil met alle pleizier aan den burgemeester gaan vragen, of hij niet een ander mannetje voor me heeft...."
"'t Zou me een mooie boodschap wezen," bromde Flipsen nijdig. "Ik zal komen, hoor Mulder, dat beloof ik je, en ik zal mijn gummi-stok meebrengen. Wee den kwajongen, die mij in handen valt. Hij zal er ongenadig van lusten. Dat gezanik! Geen avond heb ik vrij!" Hij klopte zijn pijp zoo nijdig uit, dat zij in tweeën brak.
"Zoo, dat ook nog! Mijn mooie doorrooker in gruzels!" bromde hij
"Dat is dan afgesproken," zei Mulder. "Ja, dat is goed: breng je gummi-stok maar meê dan zullen die kwajongens hun streken wel afleeren. Goeden-avond samen."
"Dag Mulder," zei vrouw Flipsen.
Maar Flipsen zei niets. Hij was nijdig op Mulder, en nog nijdiger op Dik Trom en de andere jongens, die hem van zijn vrijen avond beroofden.
Hij nam zich voor hen geducht onder handen te nemen. 't Moest nu maar eens voor goed uit zijn met die pret.
image: versiering
image: versiering
image: hoofdstuk-versiering
image: hoofdstuk-versiering
M
Mulder keerde naar huis terug. Hij was bijzonder in zijn nopjes, wat hem duidelijk aan te zien was, want af en toe grinnikte hij van pleizier en herhaaldelijk liep hij binnensmonds te prevelen. Ja, een paar maal wreef hij zich vergenoegd de handen.
"Hè — hè — hè — hè, — wat was hij nijdig, die Flipsen," zei hij. "Hij wou zoo graag eens een avondje rustig thuis zijn pijpje rooken, zei hij, — maar dat is niet noodig. Een veldwachter hoeft geen pijpjes bij zijn vrouw te zitten rooken, hij moet op de dieven passen, zeg ik maar. Wat drommel, daar wordt hij immers voor betaald, daar betaal ik toch ook mijn lieve belastingcentjes voor. En dan pijpjes zitten rooken, — jawel, we zullen hem pijpjes laten rooken. Hij had er geen zin in, dat was duidelijk, maar — hè — hè — hè — hè, — wat veranderde hij gauw toen ik zei, dat ik dan even naar den burgemeester zou gaan en om een ander mannetje vragen zou, die geen pijpjes wil zitten rooken.
Hè — hè — hè — hè! — En nijdig, — goed, laat hem nijdig wezen. Hoe nijdiger, hoe liever, — des te harder slaat hij er op, als hij zoo'n kwajongen te pakken krijgt. Ha, ik hoor hen al schreeuwen!"
Mulder wreef weer in zijn handen van pleizier.
"En hij zal zijn gummi-stok meebrengen," prevelde hij. "Net goed! Zoo'n gummistok slaat ze de beenderen haast stuk, heb ik wel eens hooren zeggen. Net goed! Voor mijn part slaat hij ze dood, dien Dik Trom in de eerste plaats. Ja ja, als hij er één te pakken krijgt, hoop ik, dat het die Dik Trom is en dat hij hem dan met dien gummi-stok een pak ransel geeft, dat hij niet meer loopen kan. Hè — hè — hè, en dat hij, als hij kruipende van tusschen de frambozenstruiken weggaat, — dat dan Kees hem nog op zijn nek springt en hem de ooren van het hoofd afbijt. Hè — hè — hè — hè, — ik gooi mijn geld niet weg, maar het zou me toch nog wel een kwartje waard zijn, om dàt te zien. — Kijk, het begint al mooi donker te worden, en over een half uurtje kunnen de kwajongens hun gang gaan. Als Flipsen er dan maar is, laat de lieverdjes dan maar komen. Of verbeeld je nu eens, dat Flipsen in het geheel niet kwam, — maar dàt zou ik hem betaald zetten, hoor, dat zou ik hem betaald zetten!"
Mulder had zijn huisje bereikt en liep den boomgaard in om nog even naar Kees te gaan kijken.
"Kees! Kees! Waar ben je?" riep hij.
Ha, Kees zat nog op dezelfde plaats ongeveer, — boven in den boom. Hij keek even naar Mulder en nam verder geen notitie van hem.
"Kees! Kees! Kom hier! Kom bij den baas!" riep Mulder. En grinnikend om zijn eigen aardigheid, liet hij er op volgen:
"Kom hier, Kees, dan krijg je geen nootje, — hè — hè — hè — hè!"
Maar Kees kwam niet.
[illustratie]
"De baas lust ze zelf wel, Kees!" zei Mulder. — "Kom hier, Kees! Wil je wel eens komen!"
Hij greep het touw en rukte er aan met al zijn kracht.
Toen zag Mulder, waarom Kees hem niet gehoorzaamde.
Het touw zat boven in den boom om een paar takken vastgedraaid en Kees had alle vrijheid van beweging verloren.
Hij kon naar boven, noch naar beneden.
"Zoo, dat is mooi slim van me geweest. Ik had hem niet aan een boom moeten vastbinden, maar aan den kalen paal, die daar ginds staat; dan had het touw niet in de takken verward kunnen raken. Hoe krijg ik dat mormel nu naar beneden? Ik bedank er voor, om in den boom te klimmen. Die aap zou me naar mijn keel kunnen vliegen en mij den strot afbijten. Dank je! Hu, — verbeeld je eens, dat dàt gebeurde! Weet je wat, als Flipsen straks komt, zal ik het hèm laten doen. Flipsen weet niet, dat het zoo'n kwaadaardig monster is. Als hij dat wist, deed hij het vast en zeker niet. — Maar neen, Flipsen zal er tòch wel voor bedanken. Hij is op 't oogenblik veel te nijdig en zal zeggen, dat hij als veldwachter wel verplicht is, om op de dieven te passen, maar niet, om een kwaadaardigen aap boven uit een boom te halen. — Enfin, Kees moet er dan vannacht maar blijven zitten, dan zullen we morgen wel zien, wat er aan te doen is. Desnoods schiet ik hem dood. — Gelukkig, dat ik Flipsen gewaarschuwd heb. Die kan het zaakje met zijn gummi-stok trouwens best alleen opknappen, — zonder dien aap."
Mulder begaf zich naar zijn huisje. Hij ontsloot de deur en stapte binnen, maar hij deed er den grendel weer op, want 's avonds had hij zijn deur altijd op slot.
Toen stak hij de lamp op.
"'t Is zonde van de olie," mompelde de vrek. "Maar de jongens moeten kunnen zien, dat ik in huis ben, en daaruit opmaken, dat zij vrij spel hebben."
Hij deed de luiken voor het raam, maar in elk luik was een opening gezaagd in den vorm van een hart. Door die openingen boven in de luiken drong het licht van de lamp naar buiten.
"Zie zoo, alles is klaar," mompelde de vrek. "Nu eerst een stukje brood eten en dan maar rustig afwachten, wat er gebeuren zal."
Hij sneed zich een paar dunne boterhammen en smeerde er spaarzaam wat boter op, maar eigenlijk vond hij dat toch zonde van de kostelijke boter. Daarom schraapte hij er die met zijn mes zoo goed mogelijk weer af.
"Overdaad is niet noodig!" mompelde de vrek, terwijl hij de boter weer in het oude, gebarsten vlootje deed. "Er zit zoo genoeg op." — Hij had honger en beet gretig in zijn brood.
"'t Is niet te veel, — maar te veel schaadt en is nadeelig voor de gezondheid," dacht hij. "'t Is niet nodig, dat ik dik en vet word, Je hebt er maar last van. Jammer toch wel, dat Kees in den boom gevangen zit. Ik had er me zooveel genoegen van voorgesteld, als hij die jongens het vleesch van de beenen scheurde."
[illustratie]
[illustratie]
Mulder wist op dit oogenblik niet, dat Kees al niet meer in den boom zat. Toen hij bemerkte, dat hij in zijn eigen touw verward geraakt was en al zijn rukken en sjorren hem de vrijheid niet terug gaf, had hij met zijn beide handen het touw aangegrepen en aan zijn mond gebracht. Met zijn sterke tanden had hij het spoedig doorgebeten, en toen was hij dood op zijn gemak den boom uitgeklauterd en den tuin ingewandeld. Een klein stukje touw, niet veel meer dan een halsband, was er maar van overgeschoten. De rest zat nog in en om de takken van den boom.
Kees snuffelde den heelen tuin door om te zien, of er niets van zijn gading was en hij hield zonder eenig gewetensbezwaar geducht huis onder de vruchten van zijn baas. 't Speet hem wel, dat hij nergens noten kon vinden, maar de andere vruchten versmaadde hij geenszins. Hij at er zijn buikje rond en dik van, ging toen, niet ver van de aardbei- en frambozebedden in een boom zitten, goed verscholen tusschen het dichte loover, zoodat hij zoo goed als onzichtbaar was, kneep zijn oogen dicht en viel in slaap.
Maar dat alles wist Mulder niet. Deze zocht de kruimeltjes brood op, die op de tafel gevallen waren en at ze op. Toen keek hij hongerig naar de kast, want hij had nog lang niet genoeg.
"Zou ik nog een dun, — dun sneetje nemen?" mompelde hij begeerig, en hij likte zijn dunne lippen.
Hij stond op en ging naar de kast.
Ja, daar lag het brood.
Hij strekte de handen uit, — maar plotseling trok hij ze terug, wierp de deur dicht en ging op zijn stoel bij de tafel zitten.
"Neen," mompelde hij: "Niet doen, — 'k heb genoeg gegeten. Waarom zou ik..."
"Tik — tik — tik!" klonk het tegen de ruiten.
"Hè — ho — hu! Wat is dat!" mompelde de vrek verschrikt.
"Ben je daar, Mulder?" klonk een gedempte stem.
"Geen antwoord geven!" prevelde Mulder. "'t Kon wel een dief wezen."
"Tik — tik — tik!" klonk het nogmaals. "Ben je daar, Mulder?"
Ha, 't was de stem van Flipsen; Mulder herkende haar duidelijk.
"Ja, — wie daar?" riep hij.
"Ik ben het, ik, Flipsen!" werd er geroepen. "'k Wil je maar even zeggen, dat ik er bèn!"
"Ha ja — juist, ja ja — dat is goed, Flipsen. — En — enne — en heb je den gummi-stok meêgebracht?"
"Laat dat maar aan mij over!" bromde Flipsen. "Als ik er een in handen krijg, zal hij zijn besten dag niet hebben, — dat beloof ik hem."
"Goed zoo — hè — hè — hè!" grinnikte Mulder. "Ga je gang maar! Hoe harder hoe liever!"
Flipsen verwijderde zich van het raam en verschool zich ergens tusschen het geboomte, dicht bij de aardbeiën en frambozen. En Mulder zat met open ooren te luisteren, of er nog geen angstgeschrei van een of anderen kwajongen tot hem doordrong.
"Ik ben nieuwsgierig, wien van hen hij te pakken zal krijgen," dacht Mulder.
"Allemaal tegelijk, — neen, dat zal niet gaan. Enfin, als hij er maar ééntje goed zijn portie geeft, dan zal de schrik er bij de anderen ook wel in komen. Ik hoop maar, dat het die Dik Trom is." —
Hij hield zijn blik op de klok gericht. De groote wijzer ging langzaam, maar zeker verder.
En Mulder hoorde nog maar niet het angstgeschrei van den een of anderen jongen, tot zijn grooten spijt.
Dat kon trouwens ook niet, want de jongens waren nog diep in het land aan het polsstokspringen. Zij amuseerden zich kostelijk, want Jan van Bakel had zijn sprong te kort genomen en dientengevolge twee natte voeten opgeloopen, en Arie Klaro was zijdelings in de sloot terecht gekomen, waardoor zijn linkerarm, linkerdij en linkerbeen een frisch bad hadden ondergaan. Hij zag er wel een beetje tegenop om thuis te komen, maar alle anderen hadden groote pret. En de een durfde nog meer te wagen dan de ander, hoewel het al erg donker geworden was.
"Durf jij hier over dezen hoek te springen, Dik?" vroeg Jan Vos op een plek, waar twee slooten elkander onder een rechten hoek ontmoetten.
"Wel ja, waarom niet?" zei Dik. "Geef den stok maar hier. Maar jullie moeten het mij nadoen, hoor!"
[illustratie]
[illustratie]
Dik spuugde in zijn handen, wat hij altijd deed, als de zaken kritiek werden, trok de klep van zijn pet diep in zijn nek, boog een paar maal achter- en voorover, en nam toen zijn sprong.
Ha, 't scheelde maar een haartje, of hij was er toch.
"Wat zeg je daarvan?" riep hij een beetje trotsch den anderen toe. Hij wierp den stok over en vervolgde:
"Nu jij, Jan Vos! 't Is jouw beurt."
"Jongen, jongen," zei Jan weifelend, terwijl hij zich achter zijn oor krabde.
"'t is zoo'n sprong! Zou ik het wel wagen?"
"Ha ha, Jantje is bang!" tergde Dik.
"Kom Jan, durf je niet?"
"Laat mij maar eerst!" riep Piet van Dril, terwijl hij Jan den stok uit de handen nam. "Ik durf wèl! Wat Dik kan, kan ik ook."
"Houd je goed, Piet," zei Dik. "Neem je sprong niet te kort, want de onderkant is hier slap, hoor. Je zakt er in weg."
"Hoepla, daar gaat hij!" riep Piet.
En met een prachtigen sprong kwam hij aan den overkant terecht.
"Goed gedaan, Piet!" zei Dik. "Nu jij, Jan Vos!"
"Maar ik ga naar huis," riep een van de jongens.
"Kijk eens, hoe donker het al wordt. 'k Wed, dat het al aardig laat is."
"Dan ga ik meê," riepen een paar anderen. "Ik mag zoo erg laat niet thuiskomen."
"Ik ga ook naar huis," zei Jan Vos, die niet veel lust had op den laten avond nog een nat pak te halen.
"Jantje durft niet!" zei Dik.
"Neen, Jantje durft niet!" zei ook Piet.
"Dàt zal ik je laten zien," zei Jan Vos, die de spotternij van zijn twee vrienden niet langer wilde aanhooren.
Piet wierp hem den stok toe, en Jan nam hem stevig tusschen zijn beide handen.
"Dáár dan!" riep hij. "Een — twee — drie!"
Hij nam zijn sprong, en kwam triomfantelijk tusschen Dik en Piet aan den overkant.
"Zie je wel, dat ik durf!" riep hij hun toe.
"Of je durft," zei Dik. "Maar dat wist ik ook wel. Kijk, de anderen gaan naar huis. 't Wordt onze tijd langzamerhand ook, hè?"
"Ja, laten we gaan," zei Piet.
De drie jongens sprongen over een smaller gedeelte terug, waar zij geen gevaar hadden om in de sloot terecht te komen. Dik wierp den polsstok over zijn schouder, floot aan Kolos, die op eenigen afstand een rattenhol openkrabde, en toen sloegen ook zij den weg naar huis in.
Mulder zat intusschen nog trouw te wachten en met opengesperde ooren te luisteren, maar nog altijd was er geen angstgeschrei tot hem doorgedrongen. De jongens waren er zeker nog niet.
Hij tuurde wel tienmaal per minuut naar de klok.
"Ze blijven lang weg," mompelde hij. "Ze zullen toch niet gemerkt hebben, dat ik naar Flipsen gegaan ben? Of misschien hebben gezien, dat Flipsen hier kwam? Maar neen, dat kan niet, — dat is onmogelijk. Ze zullen wel komen en wachten eerst, dat het goed donker geworden is.
Hoewel, donker is het al genoeg. Hè — hè — hè, die gummi-stok, die gummi-stok, — wat is dat een goed idée geweest van Flipsen. Hij slaat ze de beenderen er mede stuk — hè — hè — hè! Wat heb ik daar een schik in!"
Weer wachtte Mulder een kwartier, en nog waren de jongens niet gekomen.
Toen, — opeens betrok het gelaat van den vrek.
"Ja, dat moest hij eens probeeren," prevelde hij. "Flipsen moest het eens wagen, zelf mijn aardbeiën en frambozen op te eten, terwijl hij daar op de loer ligt. Hij moest het eens wagen!
Maar toch, — hij is er best toe in staat! Zoo'n brave jongen zal hij in zijn jeugd ook wel niet geweest zijn, daar ziet hij niet naar uit, en hij zal nòg wel een aardbeitje en een framboosje lusten. Ha, als hij daar het hart eens toe had, ik zou hem aanklagen bij den burgemeester en dan kostte het hem zijn betrekking, zoo vast als tweemaal twee vier. — En wie weet, hoeveel de kerel er wel opeet, al was het alleen maar om mij te plagen en zich op mij te wreken, want hij was méér dan nijdig, dat zag ik duidelijk."
Mulder stond op en liep ongedurig door de kamer heen en weer. Hij balde zijn vuisten, en zei:
"O, — 't is niet om uit te staan! Hij zal van mijn vruchten afblijven, of ik zal het hem duur betaald zetten. Wie weet, hoeveel hij er al opheeft! En die jongens hoor ik nog maar niet. — Zoo'n dief! Die past op de anderen, en zelf doet hij misschien niet anders, dan mijn vruchten stelen! Waarom komt hij nog niet eens aan de ruiten tikken, ten teeken, dat hij niet aan mijn frambozen zit? Maar dat houd ik niet langer uit! Ik wil zekerheid hebben! Ik laat mij mijn kostelijke vruchten maar niet goedsmoeds afhandig maken. Besluipen zal ik hem, en wee Flipsen, als hij mij bedriegt! Dan zal het hem bezuren!"
De vrek begaf zich naar het achterhuis en schoof voorzichtig den grendel van de deur. Onhoorbaar zacht deed hij deze op een kier en kroop op handen en voeten den tuin in. De deur trok hij achter zich dicht. Alles ging zoo stil in zijn werk, dat Flipsen het onmogelijk gehoord kon hebben, of hij had al in de onmiddellijke nabijheid van de deur moeten zijn. En daar was hij niet.
"Wat is het ellendig donker," bromde de vrek. "Aanstonds kruip ik nog met mijn hoofd tegen een boom aan. Maar beloeren zal ik hem, en als hij mij bedriegt, zal hem aanklagen, — zoo'n dief!"
Voorzichtig, voetje voor voetje, of eigenlijk knietje voor knietje kroop hij verder in de richting van de plaats, waar de aardbeiën en frambozen groeiden, en hij zorgde er wel voor, zoo dicht mogelijk onder het kreupelhout te blijven, want daar liep hij het minste gevaar, gezien te worden.
't Was doodstil in den tuin.
"Waar zou Flipsen wezen?" dacht de vrek. "O, natuurlijk, bij de vruchten, net zooals ik al dacht. Waar wou hij anders zijn, die dief? Maar berouwen zal het hem, berouwen zal het hem."
Ha, hij had de frambozen thans bereikt. Zou Flipsen tusschen de struiken liggen en zich aan de sappige vruchten te goed doen?
Met zijn oogen trachtte hij de duisternis te doorboren.
Maar dat trachtte Flipsen ook te doen.
Hoor, klonk daar niet eenig geritsel?
Flipsen spitste de ooren.
Zouden de jongens dan toch in aantocht zijn? Hij had hen niet hooren komen. Maar dat was ook niet noodig. Als hij hen nù maar hoorde, nu zij dicht bij de frambozen kwamen.
Flipsen klemde den gummi-stok tusschen zijn vingers, en luisterde met inspanning.
Zijn oogen begonnen te fonkelen.
O, — maar hij bedroog zich niet, — neen, neen, de jongens waren hem niet te glad af. Hij hoorde duidelijk het geschuifel van iemand, die zich voortbewoog in de richting van de aardbeiën en frambozen. Zijn lang geduld zou dan toch worden beloond.
Hoor, — 't was duidelijk, en ja, — daar zag hij ongetwijfeld de gestalte van iemand, die over den grond kroop.
Als een kat, die op een muis loert, maakte Flipsen zich gereed voor den sprong.
Hij stond met gebogen rug, de kin vooruit.
En op 't volgende oogenblik wierp hij zich op den dief, die de frambozen nu ongeveer bereikt had.
Hij drukte den dief tegen den grond, zette hem de linkerknie op den rug, hief hij zijn gummi-stok omhoog, en sloeg onbarmhartig op zijn gevangene los.
Mulder wist het eerste oogenblik, toen Flipsen hem op zijn rug sprong, niet, wat er aan de hand was. Hij werd plat op den grond gedrukt en kermde van schrik en ontsteltenis. Maar toen daalde plotseling een regen van slagen op hem neer, waarvan de eene nog meer pijn veroorzaakte dan de andere. En Flipsen liet in zijn woede zijn slagen met zooveel geschreeuw gepaard gaan, dat hij van den dief geen woord verstond. 't kon hem trouwens ook niets schelen, wat deze zeide of deed. Hij zou hem dat stelen ééns en voor altijd op afdoende wijze afleeren en al den anderen den lust ontnemen, om het ooit weer te probeeren.
't Hagelde slagen met den gummi-stok op den vrek, die op den grond lag te krimpen van de pijn.
"Dáár! — Dáár! — Dáár! — Dáár!" schreeuwde Flipsen, en zijn gummistok ging zonder ophouden omhoog, om weer striemend op zijn slachtoffer neer te dalen.
"O, — o, — de gummi-stok, — de ellendige gummistok," kermde de gierigaard. "O, Flipsen, houd toch op, — ik ben het, — ik, Mulder, — houd toch op ——"
"Dáár! — Dáár! — Daar!" — schreeuwde Flipsen die van geen ophouden wist. "Jou leelijke vruchtendief! Waag het nu nog eens, — dáár! Dáár! Daar!"
"Flipsen," kermde Mulder, krimpend van de pijn, — "ik sterf! O, die gummi-stok, — die gum — mi- — o, o, au, au, — o, houd toch op!"
"Dáár! — Daar! — Dá... o, mijn hemel, wat is dat?" schreeuwde Flipsen ontsteld. Hij voelde, hoe een groot voorwerp hem op zijn rug sprong en hem de nagels in zijn hals groefde, en hem krabde en beet op alle plaatsen, waar hij maar gekrabd en gebeten kon worden. 't Veroorzaakte hem helsche pijn, en hij kroop op den grond rond, zonder haast te weten, wat hij deed.
"Wat is dat? Wat — o, o, — wat een pijn — wie doet dat — o!"
Kees zat den veldwachter bovenop zijn rug en vierde aan al zijn booze neigingen bot. Hij beet en krabde zonder ophouden, tot Flipsen eindelijk, schreeuwende van de pijn al zijn geestkracht verzamelde, het ongure beest van zich afschudde en, met achterlating van zijn gummi-stok, haastig op de vlucht sloeg.
Hij en de vrek kermden om het hardst en de aap maakte ook de erbarmelijkste geluiden, zoodat Dik Trom en de andere jongens, die op den terugweg naar huis den landweg afliepen langs den tuin van Mulder, niet wisten, wat zij hoorden.
Zij dachten er al niet eens meer aan, om vruchten te gaan stelen, want zij hadden zich veel te goed vermaakt met het springen.
"Wat is hier te doen? Hoor dat gekerm eens!" zei Dik.
En allen stonden stil om te luisteren.
Opeens zagen zij Flipsen het hek doorsnellen, met zijn handen achter tegen zijn hals.
"O, o, o, Wat een pijn! Wat een pijn!" kermde hij. En haastig sloeg hij den weg in naar huis.
"Ook een rare geschiedenis!" zei Dik. "Rara — wat is dat?"
Maar niemand wist het, en zij vervolgden hun weg.
Mulder kroop kermend naar zijn huisje.
"O, die gummi-stok, — die gummi-stok!" kermde hij.
Hij deed de deur open, richtte zich aan de klink met groote moeite omhoog, ontkleedde zich zoo goed en zoo kwaad als het ging, en kroop in bed.
Den volgenden morgen zag hij bont en blauw, en toen Flipsen zijn gummi-stok kwam halen, zat diens hals in een dik verband.