ACHTSTE HOOFDSTUK.Ofschoon dokter Helmond na de afgelegde bezoeken een drukkende hoofdpijn had, zoo wilde hij toch daarom zijn reisplan niet wijzigen, en vertrok nog dienzelfden middag met zijn Eva naar Rotterdam, om den anderen morgen van daar de reis naar Frankrijks hoofdstad te kunnen vervolgen.Eva heeft als een lief en erg meelijdend vrouwtje, zoowel te Amsterdam als later in den trein, en ook in hun logement te Rotterdam, al het mogelijke gedaan om op hare beurt dien geliefden dokter eens spoedig geheel weer beter te maken. Of het baten mocht of niet, ze heeft bijna een fleschje eau de cologne op dat dierbare voorhoofd “verblazen.”Wat keek hij lief maar droevig als hij zoo’n pijn had, die goede dóór en dóór edele August. Eva kon het niet laten om hem een paar malen een zoen op die gesloten oogen te drukken, Wie zou, als hij, zoo óvergoedhartig zijn geweest om bijna een geheelen dag van die reis te willen opofferen, alleen—ja, want daarom is het toch inderdaad geweest—alleen om in een Amsterdamsche achterbuurt,een bezoek te brengen aan een jongeren broeder die zich allerinfaamst gedragen had? Zeker mocht het een bewijs zijn van Helmonds overgroote vergevingsgezindheid en bijna overdreven geringschatting van zich zelven, dat hij de minste heeft willen wezen, en een lichtmis de hand ter verzoening—ja wat méér zegt, zijn hulp enfinancieeleondersteuning had aangeboden. Ofschoon August bij het terugkomen uit dat huis haar nog gevraagd heeft, of ze er niet toe besluiten kon om toch even binnen te gaan, en die menschen als broer en zuster te begroeten, zoo heeft hij ook aanstonds moeten toestemmen, dat hij haar aan zulk een ontmoeting toch niet wagen mocht.—Zij is niet trotsch of hoogmoedig—of het moest op haar besten dokter wezen, want haar “beetje schoonheid is nu immers haar eigendom niet meer,”—maar een vrouw, en vooral een jonggehuwde vrouw, behoort haar weg met bedachtzaamheid te kiezen en zeer omzichtig in de keus van haar gezelschap te zijn.—Die woning in de Tuinstraat was er geen waarin Eva, zonder zeer in ’t oog te loopen, kon binnengaan. En dan, behalve een doldriftigen lichtmis, zou zij er een vrouw vinden die—voortgekomen uit een der laagste en “meest zedelooze” standen der maatschappij,—niet heeft geaarzeld om met opoffering van haar eer, het ongeluk van een onnadenkend jonkman te bewerken.—Nee, August heeft het aanstonds moeten erkennen dat zijn jonge echtgenoote niet, als zuster, de vrouw kon omhelzen, die reeds als meisje tot zulk een peil was gezonken.Uit Helmonds weinige woorden heeft Eva wel kunnen opmaken dat dit bezoek hem niet zoo aangenaam is geweest als hij het zich had voorgesteld; en, ofschoon August beweerde dat ze het zich moest verbeeld hebben, zij vergist zich niet dat ze bij hun wegrijden van die woning, een man voor een der bovenvensters heeft bemerkt die, met verwoede pikzwarte oogen naar beneden zag, en—zij meende het zeker—een dreigende vuist hield opgeheven.’s Anderendaags mocht August in het Badhotel te Rotterdam verkwikt ontwaken, en gevoelde hij zich met een helder hoofd en aan de zij van zijn schoone nu weer lachende Eva, een geheel ander mensch.—Wat hij ten opzichte van Philip heeft kunnen doen, dat heeft hij gedaan. Die overtuiging wischt de droeve herinnering weg aan dien eersten dag na het huwelijksfeest.—Indien Eva had kunnen besluiten er binnen te gaan, dan... Maar neen, ’t zou niet verstandig en zelfs niet kiesch zijn geweest indien hij sterker daarop had aangedrongen. Goddank, die storm is voorbij.—Wat ziet zijn engel er lief en vroolijk uit, terwijl ze hem—bijna ten afreize gereed—met een zoen de kleine reistasch om den schouder hangt. En hij, hij sluit haar in zijn armen en zegt:“Nu zal het dan ernst met Parijs worden mijn heerlijk vrouwtje.” “Hadt je mijn raad gevolgd lieve, dan ware we er al gisteren geweest;” antwoordt Eva, terwijl ze half lachend met den vinger dreigt.Maar hij:“Toch is het zoo beter lief kind.”En Eva—of zij hem niet begreep:“Ik ben tenminste maar blij dat die hoofdpijn verdwenen is.”Geen half uur later snelde het gelukkige echtpaar op de breede vleugels van den stoom de vele genietingen te gemoet, die vooral het jonge vrouwtje reeds van verre toelachten uit die heerlijke wereldstad.Reeds twee volle dagen bevinden zich de echtgenooten te Parijs, en ofschoon Eva vast aan haar ouders beloofde om al spoedig te zullen schrijven, zoo is haar zulks tot nu toe onmogelijk geweest,—althans zij beweert het—omdat ze bij haar aankomst in die groote stad terstond bemerkte dat ze allereerst wat meer werk moest maken van een voegzamer toilet, want met haar achterhoekschen hoed, haar ouderwetsch kapsel, en laarsjes zonder hooge hakken moest ze er voor een Francaise wel uitzienpour se pamer de rire.Nu, na het ontbijt, terwijl August een paar regels aan Van Hake, en een langen brief aan den generaal schrijft, zal Eva zich eindelijk van haar kinderplicht kwijten. Haar pen vliegt over het papier:“Hotel du Helder, Mai 18....“Mes très-chers parents!“Haast zou ik in ’t Fransch vervolgd hebben, want men raakt er hier al spoedig aan gewoon, maar ik weet dat u niet veel Fransch leest, en dus, enfin!—Wij zijn sedert Vrijdag-avond in ons hotel rue du Helder, en ik schrijf nu in de ontbijt- en eetzaal—die niet veel meer is dan een langwerpige, tamelijk sombere roef zonder eenig uitzicht. Wanneer dit begin u den indruk gaf dat ik hier niet op mijn aise zou zijn—nl. in Parijs—dan zoudt ge u zeer vergissen. Ik vind het hierdol. O, als men er niet geweest is dan kan men er zich geen begrip van vormen. ’t Leven heeft hier doorgaans iets van een heerlijken droom—iets wits, blinkends: altijd ruimer, altijd hooger, altijd meer; ik weet het niet anders uit te drukken.—Bij dat alles valt alleen ons hotel erg af. ’t Is een zoogenaamd deftig logement; en ofschoon ik erkennen moet dat ik, om iets te noemen, onder al de Romphuizer jongelui er nooit een zoo chic heb gezien als de garçons in ons hotel—en van den morgen tot den avond,—zoo vind ik het logement zelf toch tamelijk somber, en heb August bepraat om morgen naar het Grand Hotel te verhuizen, waar men, voor weinige franken meer, het Parijsche hotelleven in den volsten zin van ’t woord geniet. Maar van dat alles vertel ik u mondeling nader. Ook kan ik u geen verhaal doen van alles wat wij reeds prachtigs bezichtigden; in den Baedeker dien we meenamen, kunt u later alles lezen. In éen woord, ik vind het hier goddelijk! U hebt geen denkbeeld van al de pracht van bijouteriën in de winkels en vooral in die van het Palais-Royal. Een garnituur, broche en knoppen, heb ik gezien.... nee maar heusch, uhebt er geen idee van. Voor een aardigheid gingen we er eens in:Deux mille trois cent francs! ’t Viel me nog mee. Niet dat Helmond er over dacht; u kunt wel begrijpen dat, al zou hij zoo iets een oogenblik in ’t hoofd hebben gekregen, ik ’t hem zeker afgeraden, ja zelfs zou verboden hebben. Wat zou ik met zulk een garnituur in Romphuizen doen:“De kerk Notre-Dame is ook beeldig, en vooral die miskleeren zijn prachtig; zoo iets rijk geborduurds met goud en edelgesteenten, daar hebt u geen begrip van. Gelukkig dat ik niet begeerig naar al die luxe ben, want aan mijn August heb ik genoeg. O, u weet niet wat een heerlijk leven ik met mijn lieven man heb. Hij is zoo goed. Letterlijk zou hij alles doen om mij genoegen te geven; maar juist dáárom zoek ik op mijn beurt uit te vinden wat hem het aangenaamst is en waar hij het liefst heengaat. De Keizerlijke Bibliotheek en de Morgue daar heeft hij echter op mijn verzoek van afgezien, omdat die bibliotheek voor mij nu heelemaal niets was, en die Morgue zoo akelig is dat ik er van droomen zou. Maar, om hém plezier te doen zijn we toch naar de buitenplaats van Père Lachaise geweest. U weet dat dat het groote Parijsche kerkhof is. Eerst had ik ertegen; want ik dacht fi! een kerkhof op ons huwelijksreisje! Maar ’t is niemendal akelig; ’t viel me tenminste vreeselijk mee. Ten eerste ligt dat kerkhof heel hoog en veel rianter dan eenig kerkhof bij ons; maar ook door al de prachtige mausoleums, de schoone beelden en bas-reliefs, de afwisseling van kransen, bloemen en versiersels bij en op de fraai overdekte graven, dat alles laat niets sombers na, en de Parijzenaars krijgen op hun kerkhof dunkt mij zoo volstrekt geen indruk van het nare denkbeeld “begraven worden”. Papa zal wel zeggen dat ik nu ook weer heel aardsch en zonder nadenken redeneer; nu ja, maar u begrijpt wel hoe ik het meen, en hier in ons hotel, bij de débris van een keurig déjeuner met koude kip, oeufs à la coque, croissants—delicieuze broodjes—horsd’oeuvres, monster-garnalen enz. en heerlijke koffie, hier in een Parijsch hotel, met de voorstelling van een rit in een open rijtuig door ’t Bois de Boulogne, en daarna ’t zien van een steeple-chase enz. in ’t Hippodrôme, kunt u mij niet kwalijk nemen dat ik geen diepzinnige bespiegelingen maak.“Wat ik u nog vertellen wil, ’t is hoe wij het overheerlijk hebben getroffen dat Helmonds vriend monsieur De Musart, in de stad was. Door diens relaties met een zeer voornaam heer die over de theaters—of sommige ervan, gesteld is, kregen we gisteren een paar prachtige plaatsen in het groote Thèâtre de la Gaieté—fauteuils de balcon avant-scène—vlak vooraan op den hoek bij het tooneel. Dat waren letterlijk de eerste plaatsen uit de heele komedie. O, delicieuze fauteuils! en aan de balustrade heeft men vóór zich écrans van groene zij—weet u, die men op en neer kan schuiven om geen hinder van ’t voetlicht te hebben.—We zaten daar, bijvoorbeeld als in den Haag de Koninklijke familie, maar eigenlijk nog veel ruimer en chicker. We konden zoo zien dat ze allemaal dachten dat we zeer voornaam waren. Helmond moest er om lachen zoogedegageerd als ik den meesten tijd in mijn fauteuil lag, en—alsof ik het dagelijks gewoon was, naarmate het voetlicht al dan niet hinderde, dien écran op en neer schoof. Ik ben er zeker van dat een deftig heer, met drie ridderorden, mij voor een barones of zoo iets heeft aangezien, want hij maakte bij ’t binnenkomen, in de afdeeling naast ons, een enorm hoofsche buiging. Nu, wat August betreft, die ziet er ook recht gentlemanlike uit, niewaar, en dat helpt fameus!“Het stuk dat wij gezien hebben was prachtig. Van de élégance der toiletten beste mama, kan men zich geen begrip vormen. Een actrice, die in de rol eener madame Duvanont overheerlijk speelde, en ons een vrouw voorstelde die uit innige liefde voor haren minnaar haar echtgenoot vermoordt; ja zelfs om hem te overtuigen dat zij niemand liefheeft dan hem, aan haar bediende den last geeft om haar kind—spelevarend met een bootje, in den vijver—heimelijk te doen omkomen; die actrice had in datzelfde stuk—ik heb het goed geteld—acht verschillende toiletten. Als wij zulk een vrouw en moeder in de werkelijkheid zagen, wij zouden er natuurlijk van gruwen, maar als men zoo iets op het tooneel ziet, dan geeft het een geheel anderen indruk. Men weet ten eerste dat het niet waar gebeurd is, en bovendien, ’t was een beeldschoone vrouw; en die heerlijke toiletten! en die stem toen ze zoo zei: “Mon Edgard, sans toi le ciel me serait un enfer!” o dat was onuitsprekelijk mooi; en de claque heeft toen ook geapplaudisseerdà l’infini. Waar ik echter het meest naar verlang is de Fransche en vooral de Italiaansche opera. Dezen avond denk ik wel dat mijn beste August tot de eerste besluiten zal; en dan—Patti zal ik in de Italiaansche hooren! In één woord lieve ouders, wij genieten hier met volle teugen, en zullen nog oneindig veel meer genieten! Van de heerlijke boulevards, van de prachtige paleizen met bijna eindelooze danszalen, van dat onbeschrijfelijk prettige sans-gêne ’twelk hier heerscht, en zoo ongeloofelijk gunstig afsteekt bij al wat Hollandsch is; van dat alles schrijf ik u nader, of, zoo ik daartoe geen tijd meer mocht vinden, dan vertel ik er u bij onze terugkomst van. Gelukkig blijven we nog tien volle dagen hier. Denk er aan uw brieven te adresseeren: Grand Hotel. Zet u voor een aardigheid eens op het adres: Madame la Baronne; dat zou.... Maar nee, nee! ik schreef dit uit gekheid; ik zou om die lafheid dezen heelen brief kunnen verscheuren, maar ik heb geen tijd meer om een nieuwen te schrijven, want zoo aanstonds komt het rijtuig. Nu ’t was maar een grapje, dat begrijpt u wel.“Van harte hoop ik dat u en zusje Louise wél zult zijn. Louise zou zich hier niet op haar plaats gevoelen, althans niet als ze in ons gezelschap was. Ik heb voor u allen reeds een souvenir in mijn koffer. De goede August heeft me hier een blauw satijnen japon gekocht, een waar ik dol op was; acht franken de el; maar u moet er niet van spreken, want er zijn altijd menschen, wien het hindert als iemand genoegen heeft en iets meer bezit dan zij; of ook zijn er andere—in vele opzichten misschien goede, maar toch ergschriele menschen, die altijd den angst krijgen dat iemand zijn laatsten stuiver zal uitgeven.“Leeft wel! Vele groeten van mijn August!Uw liefhebbende:Eva Helmond-Armelo.”Terwijl Eva den brief aan haar ouders sluit, herleest Helmond vluchtig het slot van ’tgeen hij aan oom Van Barneveld heeft geschreven.“....Wat mijn lief wijfje betreft, zij is den ganschen dag in verrukking. ’t Spreekt vanzelf dat de smaak eener jonge vrouw van nauwelijks twintig lentes nog al uiteenloopt met dien van een dertiger, wiens lust het zou wezen om behalve in de Keizerlijke Bibliotheek eens een paar dagen in het Anatomisch Museum te snuffelen, of wel eenige hospitalen te bezoeken en de klinieken van Raspail of Nélaton te gaan bijwonen. Nooit in mijn leven heb ik er echter zooveel genoegen in gevonden om mijn eigen wenschen voor die van een ander te vergeten als nu. Maar ook, wat mij vroeger onbeduidend toescheen, ik leer het aan Eva’s zij als voortbrengsels van smaak en industrie, ja soms als kunst waardeeren.—Zeker geloof ik, lieve oom, dat de omgang met een vrouw die een open oog heeft voor het schoone—zelfs voor het schoone dat wij beuzelachtig noemen—zeer weldadig moet werken op een man die zich zooals ik, gewoonlijk slechts in den poel der menschelijke kwalen en ellenden, van het boekenstof kan ontdoen.“Er is iets onverklaarbaar liefs in die ingenomenheid van mijn goed vrouwtje met al het fraais en kostbaars ’twelk ze ziet, zonder het echter voor zich zelve te begeeren.“Hoe langer hoe meer kom ik tot de overtuiging, dat, zoo Eva haar zwakke zijde heeft, die zwakheid haar grond vindt in den adel harer ziel: de zucht naar hooger en beter, de zucht naar volkomenheid. ’t Is dan immers alleszins verklaarbaar dat de jonge vrouw bij haar edel streven—nochtans gebonden aan een stoffelijke wereld—ook te eerder een oogenblik zal stilstaan bij ’tgeen haar in dat stof als edel en volkomener toeblinkt. Hoe diep-gevoelig en lief zij is, het bleek mij nog gisteren toen zij op denBoulevard des Italiens, zeer nabij ons hotel, een schreiend meisje aansprak, en, vernemende dat het een frank had verloren, haar met zich naar het hôtel nam; haar op chocolade tracteerde, en met een vijffrankstuk weer vertrekken liet. In stilte vreesde ik wel dat de bruinoog op een anderen Boulevard, straks nóg eens over ’t verlies van een geldstuk zou gaan schreien, maar de daad van mijn engel was er mij niet te minder om, en met mijn vermoeden kwelde ik haar niet. Ik bid u dan, beste oom, blijf mijn grootsten schat liefhebben zooals zij ’t verdient.—De ondervinding heeft ons immers met mijn armen broeder geleerd, dat eengeringschattingvan de eischen aan zijn stand verschuldigd, niet tot zegen leidt.—Eva heeft ulief als een dochter. Met beminnelijke eenvoudigheid heeft zij mij daarvan op den avond van ons huwelijk de verzekering gegeven. Zóó moet het zijn en blijven. En terwijl Eva mijn goeden oom en weldoener hoe langer hoe meer zal hoogachten en liefhebben, zal ook oom van zijn zijde al de innerlijke schoonheden van mijn kostelijke bloem leeren ontdekken en waardeeren. Dat het Parijsche leven, hoeveel schoons en aanlokkends het door zijn nieuwheid moge hebben, mijn Eva op den duur zou bevallen, betwijfel ik zeer. Reeds gisteren bij het verlaten van het Théâtre de la Gaieté, waar een prachtig gemonteerd maar overigens horrible stuk was opgevoerd, zag ik haar onder een indruk van kwalijk verborgen misnoegen; en ofschoon haar lief karakter gaarne de verschoonende zij wil opmerken, zoo deelde zij toch geheel mijn oordeel: dat zooveel rijkdom van mise-en-scène en toiletten aan iets beters had behooren besteed te zijn.”Het besluit van den brief zou August maar niet nalezen. Men had geen tijd te verliezen, en al spoedig zaten de gelieven in de gemakkelijke open voiture de remise, en rolden en wielden ze langs de vroolijke boulevards, te midden van de honderden op- en neerjagende rijtuigen, karren, vrachtwagens en omnibussen, de laatste inzonderheid met de ronde forsch gebouwde schimmels.Eerst na middernacht keerden de jonge echtgenooten, die den avond in de Fransche opera hadden doorgebracht, in hun logement terug. Bij hun binnentreden werd Helmond, met den sleutel van n°. 59, door den portier een telegram overhandigd, dat reeds op de trap—doch niet zonder weerzin—door hem geopend werd.“Alweer zaken lieve?” vroeg Eva, terwijl ze, vermoeid van den heerlijken dag en het beklimmen van de veertig hoteltrappen tot besluit, op een sofa is neergegleden.“Ja.... kh’m.... ’t is niets.... maar....”“God August.... toch geen kwaad? Je doet me schrikken. Is pa of ma....?”“Nee nee nee! niemendal! Foei, een doktersvrouw moet niet zoo schrikachtig zijn, beste kind. ’t Heeft niets te beteekenen. Tenminste....”“Tenminste....?”“Nu ja, tenminste.... ’t Is over zaken, en dezakenbehoeven ’t vrouwtje niet te verontrusten.”“Als ze dan ’t genot van mijn besten man ook maar niet vergallen.—Zeker weer die nare majoor?”“Nee Eva.”“O gelukkig! Nu, ik ben verder niets nieuwsgierig. Mijn knappe August zal er wel komen zonder ’t hoogwijs advies van zijn wijfje.—Ben ik je lieve wijfje August?”“Beste kind!” zegt August en hij streelt haar de wang.—Maar August is toch erg onder den indruk van die zaken. Hij is zoo verstrooid en ziet zoo.... nee boos is het niet, maar zoo ernstig. Zij trekt hem zachtjes naast zich, en, met den arm om zijn hals, zegt ze:“Wat heb ik weer genoten vandaag, en van avond vooral. Wat zongen Faust en Mephisto overheerlijk. En Siebel’s lied.” Zij zingt:“Faites lui mes aveux,“Portes mez voeux.”“Ja, ’t was alles heel mooi; en ne.... mooi weer was het ook.”“’t Is hier dunkt mealtijdmooi weer.—Zonder gekheid, ik begrijp me haast niet hoe het er hier metslechtweer moet uitzien. Hê August, als jijhiereens dokter waart! hê!—Ja, als ik geen familie in Holland had dan zei ik dadelijk va! ’t Is toch ongelijk verdeeld in de wereld: hier zoo veel, en daar zoo niets! Weet je wat ik iederen avond, inweerwil van al ’t genot, zoo’n nare gedachte vind....? Niet?—Nou, zeg dan eens behoorlijknee, lieve ventje.”“Nee Eva, nee—wat dan?”“Dat die dag alweer om is.—Van morgen schreef ik tien, en nu zijn ’t nog maar negen dagen.—Dit is het laatste nachtje in onze rue du Helder niewaar? Heerlijk, morgen Grand Hotel. Gaan we bijtijds, of....? Mij dunkt we moesten nog vóór het dejeuner vertrekken.”“Ja.... welzeker, maar....”“Je kijkt naar de koffers. O, in een kwartier is mijn boeltje er in. Zoo’n hooge koffer met bakken pakt gemakkelijk, en ’t hoeft nu zoo mooi niet voor dat verhuizen. Aardig, wijverhuizeninParijs! Aardig niewaar?”“Heel aardig. Maar.... dat Grand Hotel.... Ik weet niet, dat Grand Hotel, ’t is....”“Nee August, je moet me niet plagen. Beloofd is beloofd! Hoor eens, of we nu hier zijn of daar, dat scheelt je tout au plus veertig franken; we hebben het immers als ouwe luidjes berekend.”“Ja kindlief, dat weet ik wel; maar toch....”August Helmond blijft nogmaals steken. Hoe kon hij die engel nu zoo eensklaps als wegstooten uit den hemel van haar kinderlijk geluk. Zulk een teleurstelling zal haar te kras zijn. Neen, hij kan en mag haar dezen avond niet bedroeven met het bericht dat men inplaats van naar het Grand Hotel te verhuizen, waarschijnlijk reeds morgen de terugreis naar Nederland zal aannemen. Het telegram was weder van Van Hake, en luidde, in ’t Nederlandsch vertaald, woordelijk aldus:“Generaal hier geweest; scheen zeer bezorgd over Jacoba. Wilde in geen geval schrijven; een ander raadplegen veel minder; vroeg mij een zenuwmiddel. Mocht mijnerzijds u niets verzwijgen. Anders alles wel; behalve Donerie; gevaarlijk ziek.Van Hake.”Neen, Helmond mocht niet dralen.—Oom Van Barneveld maakte zichzeer bezorgdover Coba. Waarschijnlijk had zij opnieuw eenflauwte gehad zooals weinige dagen voor hun vertrek. Zijn plicht, zijn dankbaarheid, zijn liefde voor oom en Coba roepen hem, ja, al ware het zelfs dat oom zich zonder gegronde reden ongerust maakte, Helmonds besluit is genomen: morgen keert hij met Eva zoo spoedig mogelijk naar Romphuizen terug. Maar.... dat engelachtige vrouwtje; dat heerlijke schepsel met haar hemelsch donkerblauwe kijkers, met die glanzig zwarte lokken; dat lieve kind, zoo levenslustig keuvelend aan zijn zij, en zich verheugend op het genoegen, dat haar nog verder in de wereldstad wacht.... kan hij haar nú reeds zeggen....?—En toch, het zal zoo moeten zijn. Wanneer men morgen met deneerstentrein naar Brussel zal vertrekken, dan dienen de koffers dezen avond zooveel mogelijk in orde gebracht, en de afreize aan het dienstdoend hôtelpersoneel te worden bekend gemaakt.“Eva, als we nu, op ’t toppunt van ons geluk, eens door een onvoorziene omstandigheid van elkander werden gescheiden....?”Eva schrikt inderdaad; maar toch, met een ongeloovig lachje zegt ze:“August, wat meen je?”“Heb je goed gevoeld best wijfje, wat dat wezen zou, zoo’n scheiding!?”“August, spreek zoo niet; ik zou er duizelig van worden.”“Je begrijpt wel lieve dat ik het zóó niet zou gezegd hebben als er eenige quaestie van wezen kon.”“O Goddank!” zegt Eva, en Helmond ziet een paar groote tranen schitteren in haar oogen: “Foei, je rekent wat veel op de sterkte van mijn zenuwen. Wij scheiden!—Wij? Nee dát nooit. Dan liever sterven August!”“Dus als ik morgen eens ter wille van een patiënt naar Romphuizen terug moest, dan ging je mee niewaar, liever dan alleen hier te blijven?”Er zijn naturen die bij het zien van een groot gevaar—na een eerste en verklaarbare ontsteltenis—zich krachtig gevoelen; die op den brullenden leeuw zouden inhouwen, doch—angstig wijken, wanneer diezelfde leeuw zich eensklaps in een muis veranderen kon.Helmond ziet Eva wit worden.Na zijn laatste woorden had zij aanstonds het ontvangen telegram in verband met het gesprokene gebracht. Ze doorziet nu zijn bedoeling om haar, door een voorstelling van het ergste, voor te bereiden op geringer leed of teleurstelling; en, in den waan dat August haar omtrent Kartenglimp de waarheid verzweeg, zegt ze eensklaps, met het hoofd een weinig naar achter:“Zou ’t mogelijk wezen dat tóch die majoor....!”“Nee lieve vrouwtje, dat niet; ik heb het immers gezegd. Maar ja, hoe allerverdrietigst en ongelukkig het moge treffen, toch moeten we morgen....”“Moeten! August, je spot er mee. Naar Romphuizen moeten! nú, morgen al! Nee, dat is niet waar! Nee nee, dat is gekheid; ik zie het wel aan je gezicht, je wilt me weer in ’t nauw jagen. Je speelt de Fransche acteurs al prachtig na.” Luide lachend: “Morgen eerstnaar ’t Grand Hotel en dan naar Versailles niewaar? dat is wat anders, mijn ondeugd!”“’t Zou me waarlijk niets helpen lieve kind, wanneer ik je nog een poosje in die meening liet. ’t Kost me meer dan ik zeggen kan mijn besluit te moeten volgen.”“Maar dat zou eendol, eenakeligbesluit zijn! Hoor eens, dat kan niet; nee nee nee, dat kan en dat mag niet!” Bijna schreiend: “Voor iemand die misschien wat kou heeft gevat.... om daarvoor.... Nee, we zullen niet gaan niewaar? Zeg, zou je me zoo’n schrikkelijk verdriet doen, zeg?”“Wijfjelief! hou jewezenlijkvan me? Herinner je je alles wat je me plechtig beloofd hebt?”“Ach ja August, ja! maar we gaan tochmorgennog niet!” En of de bron die slechts zelden vliette nu gemakkelijker vloeide, dewijl zich straks, na die eerste stoute aanspraak, een paar groote tranen op den dorpel der schoone oogen hebben vertoond, zeker is het dat ze thans overvloedig stroomen, doch het zijn nu kleine, zeerkleinetranen.’t Was een harde beproeving voor den jongen man; maar Eva’s schreien, haar vleiend vragen, ja bijna haar smeeken, baatte niet. Boven alles gevoelde hij zijn plicht. Ware misschien een zijner gewone patiënten ongesteld geworden, en had men er zelfs “om zeer bijzondere redenen” op aangedrongen dat hij zijn reis zou bekorten, hij zou, evenals met den majoor, volkomen vrijheid hebben gevonden om nietaanstondstoe te geven aan een verlangen, vaak kranker dan het lichaam zelf.Doch, waar het een zieke gold als Jacoba, de eenige dochter van zijn weldoener, waar hij dien weldoener ondanks zijn gewone minachting voor de geneeskunst en warsheid van medicijnen, nuzelf, maar zeker in ’t geheim, zag sluipen naar de apotheek om er een geringe afleiding te vinden voor de onrust die hem vervulde; nu Helmond weet dat de man aan wien hij alles is verschuldigd, misschien de uren en minuten telt die er nog moeten verloopen eer hij den neef “weer zoo eens terloops” zal kunnen consulteeren; nu is er geen macht instaat om hem terug te houden, en zelfs hebben diekleinetranen geen vat op hem.Halt! dat is zoo niet. Ze kwellen, ja ze folteren hem, al zullen ze het vast genomen besluit niet meer doen wankelen. Wat hem hindert bovenal, ’t is de koelheid waarmede dat anders zoo aanminnige vrouwtje hem nu bejegent.Maar Eva heeft toch reden ook. Hij laadt, bij de verdenking eener ongemotiveerde tirannie, nog het verwijt van achterhoudendheid op zich, door volstandig te weigeren haar het telegram te laten lezen, ja zelfs door haar niet te zeggen wie de patiënt is, die zijn hulp verwacht.Neen, haar ouders zijn het niet, noch haar zuster Louise; maar voor ’t overige moet zij niet vragen.—Helmond beseft terecht, dat het noemen van Jacoba en den generaal, de grief tegen den laatste plotseling zal doen herleven, en misschien een weerzin tegen hem verwekken, die niet meer zoo gemakkelijk te, overwinnen zal zijn.Later, als hij haar door ’t een en ander met deze teleurstelling zal verzoend hebben, dan zal hij haar volkomen doen begrijpen dat het niet anders wezen kon, terwijl zij, indien ze nú het telegram had gelezen, ongetwijfeld Helmonds spoedig vertrek een dwaasheid zou noemen. Immers, met dat bericht in handen kon men Van Hake gemakkelijk van overdreven ijver beschuldigen.Hoe ’t zij, Helmond weet wat hem te doen staat, en zijn besluit is onwrikbaar vast genomen.De bougies, die in het Hotel du Helder niet dagelijks werden vernieuwd, teerden op haar laatste kracht en hadden Helmond reeds genoopt om het was-nachtlicht te ontsteken.Terwijl ze zich ontkleedde, heeft Eva niet meer gesproken of geschreid, maar August kon zeer goed bemerken dat zijn vrouwtje het onherroepelijke van zijn besluit had ingezien, dewijl ze, ofschoon met weerzin, meer zorg aan het inpakken van haar koffer besteedde dan ze zich had voorgenomen.Terwijl ze nog in den koffer bezig is, en over den tweeden hoog opgevulden bak een witten doek spreidt, is Helmond haar van achteren genaderd, en den arm om haar middel slaande fluistert hij een paar zoete woorden.“Stil, laat me nu pakken Helmond; ik moet op bevel van mijnheer immers morgen klaar zijn. Och wees nu niet zoo lief en aanhalig; ik vind dat ronduit gezegd in deze oogenblikken laf en ongepast.”“Maar Eva, je gelooft toch....”“Ik geloof Helmond, dat alle menschen hun gebreken hebben, maar dat jij in ’t bijzonder er één hebt dat onuitstaanbaar is voor een vrouw: despotisme! geweld! ruwe kracht! onuitstaanbaar!”“Ik geloof dat je gelijk hebt Eva, tenminste dat het er allen schijn van heeft.”“Nee—haal me niet aan.—Zeg,gaanwe morgen of blijven we hier?”“WegaanEva, zeker!—Maar luister dan toch. Als het nu werkelijk mijn plicht is....”“Je plicht! jawel,plicht, basta!”“Zou het niet jou plicht zijn Eva—nee, je bepaaldewilom aanstonds te vertrekken, als een van je ouders stervende was?”“Maar dat is nu zoo niet; en, ware mij zoo iets gemeld ik zou het jezeggen. Voor mij is ’t echter genoeg dat Mijnheerbeveeltte gaan. Maar als hij dan aan zijn eigen vrouw de reden blieft te verzwijgen, waarom dat fatale besluit wordt genomen; wanneer hij zijn vrouw alle verstand ontzegt, en haar niet waardig acht om over ’t geldige van dien plicht te oordeelen; wanneer het bewaren van de goede verstandhouding, het één zijn in alles, reeds op den zesden dag van ’t huwelijk zoo prachtig wordt nageleefd, dan....”“Eva, ik heb je gezegd dat de schijn tegen mij is; en ofschoon het waarlijk beter zou wezen dat ik zweeg, om je te toonen dat ik ’t allerminst voor mijn wijfje een tiran of een despoot wil zijn—och je weet dat ook wel beter—zie dan hier; mij dunkt de drielaatste woorden van Van Hake’s telegram zullen je doen gevoelen dat er reden genoeg is om nu te vertrekken, en een langer verblijf in Parijs eens tot later uit te stellen.”Terwijl Eva hettot later uitstellenmet een ongeloovig schouderophalen beantwoordt, toont Helmond haar het omgevouwen telegram.Maar het sprak vanzelf dat Eva haar hoofd houdt afgewend: ze behoefde nu volstrekt geen opheldering meer. August kwam er een beetje al te laat mee. Trachtte hij nu door zulk een halfheid haar liefkozingen te herwinnen!“Dankje Helmond; dankje wel. ’t Is me nu totaal onverschillig.”“Maar Eva, als je me waarlijk liefhebt, lees dan, en oordeel of dit laatste niet reeds genoeg is.”Met zachten dwang doet hij haar het hoofd naar de zij van het papier wenden, en, ofschoon nog onwillig leest Eva nu de woorden:“Donerie dangereusement malade!”Een vuurrood overtoog eensklaps haar schoon gelaat. Ze gist zelfs van verre niet dat zij omtrent de ware reden van hun aanstaand vertrek door Helmond op een dwaalspoor is gebracht. Ze denkt er niet aan—ofschoon ze het weten kon—dat Donerie een ander tot dokter had.In de eerste oogenblikken staat haar slechts die gevaarlijk zieke jonkman voor den geest, en dan, dan ziet ze daar Helmond aan haar zij: In haar blos heeft hij toch niets kunnen lezen—neen, want slechts een voorbijgaand medelijden, een plotselinge ontsteltenis, de verrassing heeft haar dat rood op de wangen gelegd. En, nu vlijt ze zich weder aan zijn borst, en als hij haar vaster aan het hart sluit dan fluistert hij:“Dat blosje heeft me genoeg gezegd. O lief meelijdend wezen, als je nu altijd maar gelooven wilt dat ik geen tiran ben....”“Stil August, stil, niets meer! Mijn lieve mankentzijn plicht en ik nu den mijne!”’s Anderendaags reeds vroeg in den morgen verliet een fiacre met de koffers van Nº. 59 erop, het Hotel du Helder.De eerste garçon die zooeven in de porte-cochèro zijn gelaat tot een recommandatiekaart verwerkte, en meesterlijk uitdrukte dat het vertrek der beide gasten zoowel voor zijn persoon als voor het hôtel een onherstelbaar verlies zou wezen, de garçon herinnert den commissionair die, bij het wegrollen der fiacre zich er aan vast klemt en op den bok springt, nog haastig: “Rue Lafayette vingtsix, Bassot bijoutier-joaillier;” waarna hij in het hôtel terugkeerend, den half duttenden portier voorbijgaat, en dan met een wenk van het hoofd naar buiten:“Ça vaut la peine Gérard! Belle hollandaise!” en, rammelend met een paar vijffrankstukken in den zak: “Coquin de mari! C’est monsieur Bassot qui rira le dernier, hein!”NEGENDE HOOFDSTUK.Jacoba Van Barneveld weet niet dat August en Eva zich reeds op hun terugreis bevinden. Ze heeft uitgerekend dat er nog twaalf volle dagen vóór hun thuiskomst moeten verloopen.Op haar schrijftafel ligt een blad papier gereed. Ze moet August schrijven. Ze heeft er eindelijk toe besloten. Nog wacht ze een oogenblik ofschoon het reeds halfelf is, en de brieven voor Parijs uiterlijk te één uur op het postkantoor moeten bezorgd zijn. Ja ze kan nog even wachten. Hendrik zal immers zoo aanstonds uit de stad terugkomen, want, behalve een boodschap bij de naaister, had hij niets te doen dan even bij baas Krul naar Donerie te vragen.Jacoba luistert. Ze meende iemand bij haar kamerdeur te hooren.... maar ze heeft zich vergist.—’t Is vreemd dat Hendrik zoo schrikkelijk lang uitblijft. Doch neen, de pendule zegt haar dat hij nauwelijks twintig minuten geleden vertrokken is.Jacoba bladert in Longfellows gedichten. Dat mag een paar minuten duren, maar dan, dan staat ze weer op. Zichtbaar onrustig gaat ze naar de schrijftafel; een oogenblik later staat ze bij ’t venster, waardoor ze het uitzicht heeft op het prachtige landschap met den zilveren Rijn; doch—geen seconde later is ze bij haar schrijftafel terug, en neergegleden in den gemakkelijk ronden stoel die er vóór staat, vat ze de pen om.... Maar neen, sneller dan ze zitten ging is ze weer opgestaan, en gaat nu de kamer uit.Aan ’t eind van den breeden corridor kan ze door het venster op ’t hek van den straatweg zien. Nú kon Hendrik toch wel terug zijn.“Ben je daar Coba?” vraagt een dame van omstreeks zestig zomermaanden, die uit de deur der groote groene logeerkamer op den corridor komt, en reeds gekleed voor het tweede ontbijt zich met hoed en parasol heeft gewapend om eerst nog een kleine wandeling op het boventerrein vanDe Zonsbergte doen.“Ja tante. Hé, ik had u niet gezien.”“Wacht je iemand?”“Hendrik zou inkt meebrengen tante. Hij blijft vreeselijk lang weg.”“Hé, inkt. Je pa heeft altijd een heel kruikje.... Was dat leeg misschien? Wacht, er is nog wel wat op mijn kamer; je hebt zeker zoo heel veel niet noodig?”“Een paar velletjes tante.”“Velletjes?”“O, ik meen.... Maar Hendrik zal wel dadelijk komen. Dank u tante.”“Coba-lief kom eens hier; wat scheelt er aan?”“Mij tante!?”“Ja lieve kind, kom jij nu eens eventjes hier bij tante op de logeerkamer. Jawel, eens eventjes.”“Tante ik heb waarlijk geen tijd. Ik wacht op Hendrik, en ik moet me nog kleeden ook.”“Ja maar zoolang Hendrik er nog niet is, kun je wel even bij tante Hermine komen niewaar? We hebben uit mijn kamer juist het oog op het hek aan den straatweg. Voel je je weer niet zoo fiks Coba?”“Jawel tante, ik voelde me juist van morgen weer heel flink.”“Och kom, is dat waarlijk zoo? Ik dacht dat je het maar aan je pa zei om hem gerust te stellen. Je bent toch erg bleek, lieve kind.”“Vindt u tante; ik benaltijdbleek, dat is mijn natuurlijke kleur.”“Ja maar Coba, je oogen staan waarlijk een beetje flets. Papa merkte het gelukkig niet, maar ik kon wel zien dat je geschreid hadt toen je van morgen beneden kwaamt.”“Geschreid! ik!? Lieve hemel tante, geschreid! ik zou niet weten waarom.”“Nee ik ook niet Coba. Wie zou gelooven kunnen dat een meisje, dat zoo alles en alles heeft, en krijgen kan wat ze begeert, reden zou hebben om te schreien, maar....”“’t Zou bespottelijk zijn tante.”Na dit gezegd te hebben wendt Jacoba zich van haar tante af en gaat weer haastig naar de deur.“Jacoba hoor eens.”“Riept u?”“Ja beste kind, kom nog eens even hier.—Zou je me een groot genoegen willen doen?”“Als ik kan, zeker!”Mevrouw Mansburg vat Jacoba’s fijne hand, en haar vriendelijk aanziende zegt ze zeer overredend:“Och, dan wou ik zoo graag dat je tante eens je vertrouwen schonkt. Er is iets dat je hindert. Jawel Coba; een vrouw van jaren en ondervinding zooals ik, ziet scherper dan een man, al is hij ook tienmaal een vader zooals je beste pa.—Je pa maakt zich erg ongerust over je gezondheid, veel meer dan hij weten wil.”“Maar ik verzeker u dat hij vandaag heel gerust is tante. Nadat ik gisteren zoo trouw ingenomen en van nacht zoo heerlijk geslapen heb, moest ik mij wel beter gevoelen. Ik heb het pa plechtig verzekerd, want ook hij heeft me in ’t verhoor genomen.”“Heb je waarlijkwaarlijkzoo heerlijk geslapen Coba?”“Tante, ik vind het erg verdrietig en compleet om iemand ziek te maken als men zich wél gevoelt, en iedereen ons dan telkens wil opdringen dat we slecht geslapen hebben, er slecht uitzien en zekerlijk ziek zijn. Er zijn immers voorbeelden van dat men gezonde maar aantrekkelijke personen zóó een ziekte op ’t lijf heeft gepraat.—Ik vind u waarlijk heel lief tante, en ik hou ook heel veel van u, maar u moest mij heusch niet altijd zoo vragen, en—zooals u gisteren en van morgen telkens deedt—mij zoo van terzijde zitten aankijken. Ja ik weet wel dat het belangstelling is, maar ik voel dat het mij bepaald kwaad zou doen.”Mevrouw Mansburg begrijpt nu dat ze een krasse wending moet wagen om in ’t belang van dat bleeke kind haar vertrouwde te worden:“Op gevaar af dat je me lastig zult noemen, beantwoord mij deze ééne vraag: Is er iemand op de wereld dien je liever hebt dan papa?”Of Jacoba op iets dergelijks heeft gerekend, althans haar gelaat teekent geen de minste ontroering.“Dat is een zonderlinge vraag tante. Nee, zekerlijk is er niemand dien ikzóóliefheb als mijn besten vader.—Ha daar komt Hendrik het hek in! Tot straks tante; bonjour!”Mevrouw Mansburg heeft haar doel niet bereikt. Twee dagen na Helmonds huwelijk kwam ze bij haar broeder Van Barneveld opDe Zonsberglogeeren. Aanstonds heeft het haar getroffen zoo zwak en lijdend als Coba er uitzag; en, aanstonds had zij tevens Van Barnevelds onrust bemerkt, hoezeer hij die ook te verbergen zocht. En, zij heeft die onrust gedeeld, vooral den dag na haar aankomst, toen Jacoba—nadat men onder het theedrinken tamelijk druk over August en zijn jonge vrouw had gesproken—een soort van flauwte heeft gekregen met een zonderling benauwde ademhaling. Ofschoon mevrouw Mansburg die plotselinge ongesteldheid volstrekt niet voor gevaarlijk hield, en haar ondervinding schier dezelfde verklaring gaf als vroeger dokter Helmond heeft gegeven, zoo moest zij op Van Barnevelds krachtige maar wellicht slechts uitlokkende verzekering: dat het volstrektnietste beteekenen had, toch opmerken, dat Alexander het niet al te licht moest tellen, want—mevrouw sprak wel eens in beelden—dat er nooit een deur van zelf dichtging; was er geen hand die het deed dan deed het een tocht of rukwind misschien.’t Is reeds bekend dat Van Barnevelds heimelijke onrust, door de herhaling dier zenuw-attaque, en waarschijnlijk door het advies van zijne schoonzuster, aanmerkelijk was toegenomen; en, hoewel met tegenzin, heeft hij op het vragen der zuster langer over dat punt gesproken dan hem lief is geweest. ’t Was zeer verklaarbaar dat hij mede de onderstelling heeft herhaald, of ook Helmonds huwelijk eenigen invloed op Coba’s zenuwgestel kon hebben uitgeoefend. Ofschoon Coba bijna tien jaren jonger was dan hij, zoo waren ze toch, vóórdat August naar de academie ging, in Van Barnevelds huis als kinderen te zamen geweest. August hield bijzonder veel van zijn “klein bleekneusje;” en later als hij met vacanties over was, o wat kon hij haar dan mokkelen de aardige speelpop, het achtjarige zusje; rijden met haar op zijn knie de heele wereld rond, of straks op den rug door het gansche huis—en ’t was een groot mooi huis in Den Haag—naar boven, de breede trappen op, al de kamers door, van de eene in de andere, de trappen weer af, totdat hij er doodmoe bij neerviel.Ook later heeft August altijd getoond dat hij veel van Coba hield. Toen Helmond dokter te Romphuizen is geworden, en Van Barneveld daarna opDe Zonsbergkwam wonen, ging Helmond—vooral in den beginne, toen de praktijk niet zoo druk liep—erheel veel heen. Natuurlijk is dat later wel iets verminderd, maar geregeld kwam hij er toch een paar malen ’s weeks dineeren, en, dan hadden die twee het altijd druk, zóó zelfs dat papa wel eens tweemaal aan “zijn partijtje” moest herinneren, want, van kwart over achten tot halftien speelde de generaal graag een ombertje en famille.Ja, Coba hield veel van broeder August.—En, in de laatste twee jaren is er bovendien veel gebeurd. In die sombere dagen toen Philip door zijn schandelijk gedrag den oom en weldoener zulk een smaad had aangedaan, toen heeft haar zenuwgestel een sterken schok gekregen.Van Barneveld wil het niet ontkennen dat hij Jacoba’s voorspraak toen wel wat ruw heeft afgewezen. ’t Is den eenigen keer geweest dat hij zijn kind harde woorden heeft toegevoegd, maar ze moest het gevoelen, dat de generaal Van Barneveld, van elk ander dan zijn pleegkind, bloed zou hebben geëischt voor zulk een smaad, en gevoelen ook dat men door het zoeken van zijn minderen, zooals Philip had gedaan met dat trouwen ver beneden zijn stand, tot alles instaat raakt, zelfs tot het verguizen, het beleedigen van hen aan wie men het meest is verschuldigd.Jacoba heeft het begrepen; maar dat ze bij die droeve gebeurtenis alweder aan de zij van broeder August heeft gestaan, en niet eerder dan hij heeft willen berusten in het harde vonnis, ’twelk haar vader over Philip had uitgesproken, het pleitte opnieuw voor de genegenheid, die zij haar pleegbroeder toedroeg en de waarde die ze aan zijn zienswijze hechtte.En dan, is Coba niet telkens weer zijn krachtige voorspraak geweest, wanneer de vader haar—en misschien wat al te veel—met zijn grieven over het huwelijk van August had lastiggevallen? Ja, Helmonds keuze heeft hem in den aanvang zeer gehinderd. Een oogenblik zelfs was het voornemen bij hem opgekomen om zijn toestemming te weigeren—voor zooverre die weigering beteekenis had,—en Jacoba zal er onder hebben geleden zooals zij telkens Helmonds voorspraak heeft moeten zijn. Immers, August had haar gezegd dat hij zoo onuitsprekelijk veel van Eva Armelo hield, en toch de liefde van zijn braven pleegvader zoo noode verliezen zou. Al wat ze kon heeft ze gedaan om haar vader met dat huwelijk te verzoenen. Ze heeft er aan herinnerd dat Eva’s ouders, ofschoon ze van geringe afkomst waren, toch nu, door den rang van mijnheer, tot den “fatsoenlijken stand” behoorden; ze heeft de omstandigheid dat de kapitein om bijzondere redenen zoo vroeg is gepensioneerd,—redenen die Van Barneveld kende—weten te vergoelijken, door er op te wijzen hoe men nu—en zelfs in Romphuizen—er toch nooit meer van hoorde dat de familie en vooral mevrouw Armelo, dépenses maakte, die haar krachten te boven gingen. Wat Eva betrof, Jacoba heeft haar zeer geroemd, althans voor zooveel ze dat kon. Ze was zoo schoon, ze had zulk een slank figuur, zulk glanzend zwart haar, en daarbij zulke mooie donkerblauwe oogen. Wat speelde ze prachtig en wat zong ze overheerlijk!Welnu, papa Van Barneveld heeft dan immers ook toegegeven. August moest het weten. In den aanvang had hij hem wel zijn bedenkingen gemaakt, en hem volgens zijn overtuiging, op de zwakke zij van Eva’s karakter gewezen, maar—men weet het—ten laatste heeft hij toch “zooveel mogelijk het zijne gedaan om de onderlinge vrede en liefde te bewaren”.Inderdaad, er is genoeg geweest om een teeder gestel als dat van Jacoba te ondermijnen. En wanneer men nu Coba’s zusterlijk gevoel voor August in rekening brengt, dewijl het toch vanzelf spreekt dat Helmond veel minder dan vroeger opDe Zonsbergzal kunnen zijn, en althans niet meer onverdeeld zooals vroeger, dan meent de generaal wel grond te hebben voor zijn overtuiging, dat dit huwelijk bij Jacoba zwaarder heeft gewogen dan hij het zich heeft voorgesteld, en dat het zijn plicht zal wezen om, zoodra August en Eva terug zullen komen—ofschoon met verstand, en steeds tegenover Helmonds vrouw met de leuze: “eenvoud en zuinigheid”—het veelvuldig samenzijn, vooral ter wille van Coba, zooveel mogelijk te bevorderen.Driemaal achtereen heeft mevrouw Mansburg, na een veelbeteekenend ophalen van de wenkbrauwen, dat laatste besluit van haar zwager met een “Ja maar!” beantwoord, en ze dacht er bij: Mijn goede Van Barneveld, al ben je misschien een man die alleen door de juistheid van je blik de sterkste vesting zoudt nemen of een overmachtig leger verslaan, het vrouwenhart doorzie jeniet!Ja maar! er kon iets anders zijn. Er kon iets anders leven in Coba’s boezem! En, ’tgeen mevrouw niet heeft uitgesproken, dat heeft Van Barneveld toch aanstonds moeten raden;—Hoe, wat! zou zoo iets mogelijk wezen....!?En zuster Hermine heeft nogmaals zeer sterk, zoowel haar schouders als wenkbrauwen naar boven getrokken. En, zij zou er zekerheid van hebben, dat beloofde ze vast. Maar inweerwil van haar goede bedoeling, en inweerwil van haar tact, mevrouw Mansburg heeft nóg geen zekerheid gekregen, ofschoon ze er “des ondanks” nog zekerder van is dan den vorigen dag.“Welke boodschap heb je?” roept Jacoba den knecht toe die naar boven komt.Hendrik wipt snel eenige trappen hooger en zegt dan:“Compliment, nog hetzelfde juffrouw.”“Ik meen van de naaister?”“O, dat ze zorgen zou dat het naar uw zin zou wezen juffrouw.”“En van de zij? En zou ze het vooral netjes doen?”“O, zij had ze genoeg, en jawel, de juffrouw zou heel tevreden zijn.”“Heb je de taf?”“Jawel juffrouw.—Alsjeblief.”“Best Hendrik!”—In het teruggaan zich even omwendend: “Niets beter met mijnheer Donerie?”Hendrik, in ’t naar beneden gaan stilstaande en omziende: “Nee juffrouw; ’tzelfde; eer minder, was de boodschap.”“Zoo!”Op haar kamer gekomen sluit Jacoba de deur zeer zachtjes van binnen op het slot.Van haar waschtafel neemt ze den flacon; doet een overvloedigen scheut eau de cologne in het water, dat ze zich in de waschkom heeft geschonken; dompelt er haar polsen in, en verfrischt daarna drie, vier keeren haar hoofd.Nu zit ze weder voor haar papier. Een wijle tuurt ze op de kleine buste van Mendelssohn—in wiens trekken ze steeds een zekere overeenkomst met hem.... meent te zien; en dan, na een paar malen de pen te hebben opgenomen en weer weggeworpen; na nogmaals te zijn opgestaan, en ginder eenige oogenblikken op den stoel bij het venster te hebben gezeten, neemt ze eindelijk weer plaats voor het papier, en schrijft met bevende hand:“Beste August!“Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken toen je mij op dien avond zoo deelnemend ondervroegt. Ik wist toen reeds wat ik vreezen moest, maar kon niet denken dat mijn gevoel op zulk een harde proef zou worden gesteld. Och waarom moest ik huichelen; waarom je verbergen wat mij verteert....”—Verbergen wat mij verteert? Hoe is het mogelijk dat deze woorden aan mijn pen zijn ontsnapt, denkt Jacoba; en dan, nadat ze de geschreven regels heeft herlezen:—Nee, dat alles is bespottelijk; dat mag en dat kan zoo niet. Het papier wordt nu ijlings door midden gescheurd; en, op een ander blaadje schrijft ze:“August!“Bij papa’s letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij, ofschoon zelve best in orde, zeer ernstig ongerust maak....”—Maar dit kan evenmin blijven. Neen, ook August mag niet weten, niet vermoeden zelfs....Weder staart Jacoba eenige oogenblikken in gedachten op Mendelssohns buste, terwijl ze het geschrevene in kleine stukjes scheurt.—Ha! die inval komt als een lichtstraal. Ja, dát heeft haar wel voor den geest geschemerd, maar nu eensklaps is het helder geworden. Nogmaals neemt ze een ander blaadje en schrijft dan snel:“Lieve August!“Bij papa’s letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij ernstiger ongesteld gevoel dan ik hem bekennen wil. Herhaalde flauwtes, binnenkoortsen en slapelooze nachten doen mijvreezen dat ik binnenkort onherstelbaar wezen zal indien, ja August, indien je niet spoedig terugkomt en mij behandelt zooals je dat voornemens waart. Om papa niet ongerust te maken heb ik hem gezegd dat ik mij zelfs beter gevoelde dan vóór je vertrek, en hem uit het hoofd gepraat om je over mij te schrijven, zooals hij een oogenblik van plan scheen, ten einde je te kennen te geven dat een spoediger terugkomst hem aangenaam wezen zou. Waartoe behoeft papa meer of langer in onrust te zijn dan noodzakelijk is. Doch om zijnentwil evenzeer, voelde ik mij verplicht je wel degelijk zelve te schrijven. Mij te verliezen zou hem zwaar vallen. Je gevoelt dat ik in geen geval zoo spreken zou indien wij—al ware het op een paar uren afstand—een goeden dokter hadden. Biermans, die onlangs Loovers kindje als klierachtig behandelde, totdat jij, er bijgeroepen, verklaarde dat het een hersenontsteking was, die man is òf afgeleefd òf nooit te vertrouwen geweest. Stel je waarlijk eenig belang in je zusje, August, keer dan aanstonds terug; ik zal je die liefde duizendmaal trachten te vergelden; maar ook, lieve broeder, laat in ’shemelsnaam niet blijken dat ik je zoo geschreven heb. Behandel mijn ziekte voor ’t oog van papa maar luchtig, en geef als reden van die overhaaste terugkomst op, dat er hier een ernstige zieke was, die volstrekt onder je behandeling wilde zijn. Het treft in zooverre gelukkig dat er juist zulk een zieke is, hoewel het mij voor den armen sukkel spijt. Mijnheer Donerie is, zooals ik vernam, na den dag van je trouwen weer veel erger geworden, en om nu alles voor papa heel natuurlijk te maken, zal ik wel zorgen dat Biermans bij mijnheer Donerie zijn congé krijgt, of zelf verklaart een consult met je te wenschen. Och lieve August, wat verlang ik naar je komst; stel het niet uit want je ziet aan mijn schrift hoe ik beef van zwakte, en ik geloof zeker dat jij me beter zult maken. Wist ik niet dat je liefde voor je kleine zusje reeds voldoende zou zijn om je over alle bezwaren te doen heenstappen, de kans om den Romphuizer muziekmeester, den waarlijk niet ontalentvollen stumper, die in de kerk nog zoo zijn best deed, meteen weer beter te maken, die kans zou alleen reeds genoeg zijn om mijn geliefden broeder tot een spoedige terugkomst te bewegen. Donerie’s ziekte komt in zooverre goed zegt pa, dat ik nu aan geen muziek kan doen.“August, ik tel de uren, de minuten. De koorts verheft zich.....UweJacoba.”Of Jacoba inderdaad koorts heeft, of, dat haar stemming iets koortsachtigs had, zooveel is zeker dat een ongewoon blosje haar wangen kleurde toen zij den brief vouwde en, na hetcouvertte hebben dichtgeplakt, nog een tamelijk breed lak er op deed, om eindelijk het eenvoudige adres te schrijven: “Aan August.”Nu gaat ze naar haars vaders “bureau”.“Hier is mijn epistel voor onzen zwierbol, pa.”“Ah zoo Coba,” zegt Van Barneveld die aan ’t schrijven was: “ik dacht al, ’t is kwartier voor twaalven; ’t werd tijd. Om twaalf uur moet Hendrik er mee weg.”“Hendrik komt pas uit de stad terug pa. Ik wou ’m zelf even brengen. De uwe is immers klaar?”Van Barneveld ziet haar verwonderd aan:“Ja, hier is mijn brief, maar wou jij dien naar de stad brengen? Eer Willem de paarden klaar heeft, zal...”“Nee ik wou te voet gaan.”“Te voet! Nú te voet.... jij! Heeft tante je daartoe bepraat?”“Nee pa, maar August heeft wandelen zeer aangeraden.—Ik moet bij de naaister zijn. Hendrik heeft iets vergeten.”“Je schijnt vandaag bijzonder wèl te wezen, beste meid.”“O, ik ben weer heel flink!” Zij zoent den vader op zijn hooge voorhoofd: “Toe, sluit u nu mijn epistel in; ’t wordt immers tijd beste pa?”“Maar wat een vreeselijk lak Coba. Dat couvert dient er af.... Wil ik maar even?”Jacoba ontneemt hem onverhoeds haar brief:“O nee, wacht.... dat mag ik niet vergen, wacht!”.... En met den brief snelt ze voort.“Niet vergen! ha ha ha, niet vergen!” lacht Van Barneveld haar achterna: “dat noem ik discretie....!”Maar eensklaps betrekt zijn gelaat. Jacoba’s goed uiterlijk en haar vroolijke stemming hebben hem voor een oogenblik doen vergeten, ’tgeen hem toch sedert het gesprek met zijn schoonzuster gedurig als een akelig spooksel voor den geest heeft gestaan.Zoo dat schrijven aan August op zich zelf niets beduiden mocht, dat zonderlinge wantrouwige wegrukken van den brief toen hij het couvert er af wilde doen, dat zegt iets meer.... ja! dat zegt veelveelmeer:“Ah zoo Coba, is er nu een ander couvert om?”“Ja zonder lak.—Ik had het heele couvert kunnen weglaten omdat u hem insluit; maar, nu het er weer om is, nu kan het zoo blijven niewaar?”“’t Couvert verzwaart een heelen boel; als het je ’tzelfde is dan liet ik het er toch liever af; mij dunkt....”“Nee nee!” zegt Coba haastig, en als Van Barneveld—alsof hij die zekere vrees niet verklaren kan—haar vragend aanziet, dan herneemt ze heel luchtig, met een glimlach:“Als men bestellingen in Parijs doet dan kan men redenen hebben waarom zelfs.... un très-cher général”—zij strijkt hem zachtjes met het magere vingertje langs den neus—“heel discreet moet wezen. Kom pa’tje-lief, nu wat spoedig, want u hebt zelf gezegd: beter drie kwartier te vroeg bezorgd dan één seconde te laat. Bovendien ik ben niet van plan om mij te overloopen, maar denk het doodbedaard te doen.”Terwijl Van Barneveld Coba’s brief in den zijne sluit, en, nog eens naar haar opziende, weder dat lachje om haar lippen bemerkt; nuhij plotseling een geheim in dien brief vermoedt, ’t welk op een verrassing voor hem zal uitloopen, nu kan hij toch niet anders dan in stilte erkennen, dat er sedert gisteren—wie weet, na dat getrouwer innemen en dat heerlijke slapen—iets in die bleeke kleur is gekomen wat menlevenmag noemen.Ja, die vroolijke trek om hare lippen doet eensklaps het vreeselijke denkbeeld verdwijnen ’t welk hem in de laatste uren zoozeer beangst, en, zijn zorg voor de gezondheid der dierbare is schier geheel naar den achtergrond gedrongen. ’t Was hem plotseling alsof er in ’t geheel geen reden tot vreeze meer bestond, en terwijl nu dehoopzijn liefde voor dat kind te sterker doet opvlammen, legt hij, straks opgestaan, zijn beide handen op Coba’s teedere schouders, en zegt met de innigste verrukking, ofschoon uiterlijk kalm:“Ik geloof waarlijk dat je eenheelen boelbeter bent Coba. Nu dat dacht ik ook wel.—Ja komaan, waarom zou je niet wandelen als je er lust in hebt; een kwartiertje heen en een kwartiertje terug.—Ei, wat zou je ervan zeggen als papa eens meeging, hé?—Maar kindlief, hoe beef je zoo?”“Uw handen drukken wat zwaar pa.”“O popje, popje! Hij zoent haar op de wang: “Kom kruidje-roer-me-niet, dan gauw maar den hoed opgezet. Hier heb ik den mijne. Tante zullen we natuurlijk vragen om van de partij te wezen.”“Hoor eens pa-lief. ’t Zou mij waarlijk geneeren als u en tante meegingt. Ik heb allerlei met Elsje te bepraten. Laten we van middag te zamen naar den boschwachter rijden, en dáár wandelen; maar nu, naar de stad om mijn commissies te doen, waarlijk, nú ga ik lieveralleen!”
ACHTSTE HOOFDSTUK.Ofschoon dokter Helmond na de afgelegde bezoeken een drukkende hoofdpijn had, zoo wilde hij toch daarom zijn reisplan niet wijzigen, en vertrok nog dienzelfden middag met zijn Eva naar Rotterdam, om den anderen morgen van daar de reis naar Frankrijks hoofdstad te kunnen vervolgen.Eva heeft als een lief en erg meelijdend vrouwtje, zoowel te Amsterdam als later in den trein, en ook in hun logement te Rotterdam, al het mogelijke gedaan om op hare beurt dien geliefden dokter eens spoedig geheel weer beter te maken. Of het baten mocht of niet, ze heeft bijna een fleschje eau de cologne op dat dierbare voorhoofd “verblazen.”Wat keek hij lief maar droevig als hij zoo’n pijn had, die goede dóór en dóór edele August. Eva kon het niet laten om hem een paar malen een zoen op die gesloten oogen te drukken, Wie zou, als hij, zoo óvergoedhartig zijn geweest om bijna een geheelen dag van die reis te willen opofferen, alleen—ja, want daarom is het toch inderdaad geweest—alleen om in een Amsterdamsche achterbuurt,een bezoek te brengen aan een jongeren broeder die zich allerinfaamst gedragen had? Zeker mocht het een bewijs zijn van Helmonds overgroote vergevingsgezindheid en bijna overdreven geringschatting van zich zelven, dat hij de minste heeft willen wezen, en een lichtmis de hand ter verzoening—ja wat méér zegt, zijn hulp enfinancieeleondersteuning had aangeboden. Ofschoon August bij het terugkomen uit dat huis haar nog gevraagd heeft, of ze er niet toe besluiten kon om toch even binnen te gaan, en die menschen als broer en zuster te begroeten, zoo heeft hij ook aanstonds moeten toestemmen, dat hij haar aan zulk een ontmoeting toch niet wagen mocht.—Zij is niet trotsch of hoogmoedig—of het moest op haar besten dokter wezen, want haar “beetje schoonheid is nu immers haar eigendom niet meer,”—maar een vrouw, en vooral een jonggehuwde vrouw, behoort haar weg met bedachtzaamheid te kiezen en zeer omzichtig in de keus van haar gezelschap te zijn.—Die woning in de Tuinstraat was er geen waarin Eva, zonder zeer in ’t oog te loopen, kon binnengaan. En dan, behalve een doldriftigen lichtmis, zou zij er een vrouw vinden die—voortgekomen uit een der laagste en “meest zedelooze” standen der maatschappij,—niet heeft geaarzeld om met opoffering van haar eer, het ongeluk van een onnadenkend jonkman te bewerken.—Nee, August heeft het aanstonds moeten erkennen dat zijn jonge echtgenoote niet, als zuster, de vrouw kon omhelzen, die reeds als meisje tot zulk een peil was gezonken.Uit Helmonds weinige woorden heeft Eva wel kunnen opmaken dat dit bezoek hem niet zoo aangenaam is geweest als hij het zich had voorgesteld; en, ofschoon August beweerde dat ze het zich moest verbeeld hebben, zij vergist zich niet dat ze bij hun wegrijden van die woning, een man voor een der bovenvensters heeft bemerkt die, met verwoede pikzwarte oogen naar beneden zag, en—zij meende het zeker—een dreigende vuist hield opgeheven.’s Anderendaags mocht August in het Badhotel te Rotterdam verkwikt ontwaken, en gevoelde hij zich met een helder hoofd en aan de zij van zijn schoone nu weer lachende Eva, een geheel ander mensch.—Wat hij ten opzichte van Philip heeft kunnen doen, dat heeft hij gedaan. Die overtuiging wischt de droeve herinnering weg aan dien eersten dag na het huwelijksfeest.—Indien Eva had kunnen besluiten er binnen te gaan, dan... Maar neen, ’t zou niet verstandig en zelfs niet kiesch zijn geweest indien hij sterker daarop had aangedrongen. Goddank, die storm is voorbij.—Wat ziet zijn engel er lief en vroolijk uit, terwijl ze hem—bijna ten afreize gereed—met een zoen de kleine reistasch om den schouder hangt. En hij, hij sluit haar in zijn armen en zegt:“Nu zal het dan ernst met Parijs worden mijn heerlijk vrouwtje.” “Hadt je mijn raad gevolgd lieve, dan ware we er al gisteren geweest;” antwoordt Eva, terwijl ze half lachend met den vinger dreigt.Maar hij:“Toch is het zoo beter lief kind.”En Eva—of zij hem niet begreep:“Ik ben tenminste maar blij dat die hoofdpijn verdwenen is.”Geen half uur later snelde het gelukkige echtpaar op de breede vleugels van den stoom de vele genietingen te gemoet, die vooral het jonge vrouwtje reeds van verre toelachten uit die heerlijke wereldstad.Reeds twee volle dagen bevinden zich de echtgenooten te Parijs, en ofschoon Eva vast aan haar ouders beloofde om al spoedig te zullen schrijven, zoo is haar zulks tot nu toe onmogelijk geweest,—althans zij beweert het—omdat ze bij haar aankomst in die groote stad terstond bemerkte dat ze allereerst wat meer werk moest maken van een voegzamer toilet, want met haar achterhoekschen hoed, haar ouderwetsch kapsel, en laarsjes zonder hooge hakken moest ze er voor een Francaise wel uitzienpour se pamer de rire.Nu, na het ontbijt, terwijl August een paar regels aan Van Hake, en een langen brief aan den generaal schrijft, zal Eva zich eindelijk van haar kinderplicht kwijten. Haar pen vliegt over het papier:“Hotel du Helder, Mai 18....“Mes très-chers parents!“Haast zou ik in ’t Fransch vervolgd hebben, want men raakt er hier al spoedig aan gewoon, maar ik weet dat u niet veel Fransch leest, en dus, enfin!—Wij zijn sedert Vrijdag-avond in ons hotel rue du Helder, en ik schrijf nu in de ontbijt- en eetzaal—die niet veel meer is dan een langwerpige, tamelijk sombere roef zonder eenig uitzicht. Wanneer dit begin u den indruk gaf dat ik hier niet op mijn aise zou zijn—nl. in Parijs—dan zoudt ge u zeer vergissen. Ik vind het hierdol. O, als men er niet geweest is dan kan men er zich geen begrip van vormen. ’t Leven heeft hier doorgaans iets van een heerlijken droom—iets wits, blinkends: altijd ruimer, altijd hooger, altijd meer; ik weet het niet anders uit te drukken.—Bij dat alles valt alleen ons hotel erg af. ’t Is een zoogenaamd deftig logement; en ofschoon ik erkennen moet dat ik, om iets te noemen, onder al de Romphuizer jongelui er nooit een zoo chic heb gezien als de garçons in ons hotel—en van den morgen tot den avond,—zoo vind ik het logement zelf toch tamelijk somber, en heb August bepraat om morgen naar het Grand Hotel te verhuizen, waar men, voor weinige franken meer, het Parijsche hotelleven in den volsten zin van ’t woord geniet. Maar van dat alles vertel ik u mondeling nader. Ook kan ik u geen verhaal doen van alles wat wij reeds prachtigs bezichtigden; in den Baedeker dien we meenamen, kunt u later alles lezen. In éen woord, ik vind het hier goddelijk! U hebt geen denkbeeld van al de pracht van bijouteriën in de winkels en vooral in die van het Palais-Royal. Een garnituur, broche en knoppen, heb ik gezien.... nee maar heusch, uhebt er geen idee van. Voor een aardigheid gingen we er eens in:Deux mille trois cent francs! ’t Viel me nog mee. Niet dat Helmond er over dacht; u kunt wel begrijpen dat, al zou hij zoo iets een oogenblik in ’t hoofd hebben gekregen, ik ’t hem zeker afgeraden, ja zelfs zou verboden hebben. Wat zou ik met zulk een garnituur in Romphuizen doen:“De kerk Notre-Dame is ook beeldig, en vooral die miskleeren zijn prachtig; zoo iets rijk geborduurds met goud en edelgesteenten, daar hebt u geen begrip van. Gelukkig dat ik niet begeerig naar al die luxe ben, want aan mijn August heb ik genoeg. O, u weet niet wat een heerlijk leven ik met mijn lieven man heb. Hij is zoo goed. Letterlijk zou hij alles doen om mij genoegen te geven; maar juist dáárom zoek ik op mijn beurt uit te vinden wat hem het aangenaamst is en waar hij het liefst heengaat. De Keizerlijke Bibliotheek en de Morgue daar heeft hij echter op mijn verzoek van afgezien, omdat die bibliotheek voor mij nu heelemaal niets was, en die Morgue zoo akelig is dat ik er van droomen zou. Maar, om hém plezier te doen zijn we toch naar de buitenplaats van Père Lachaise geweest. U weet dat dat het groote Parijsche kerkhof is. Eerst had ik ertegen; want ik dacht fi! een kerkhof op ons huwelijksreisje! Maar ’t is niemendal akelig; ’t viel me tenminste vreeselijk mee. Ten eerste ligt dat kerkhof heel hoog en veel rianter dan eenig kerkhof bij ons; maar ook door al de prachtige mausoleums, de schoone beelden en bas-reliefs, de afwisseling van kransen, bloemen en versiersels bij en op de fraai overdekte graven, dat alles laat niets sombers na, en de Parijzenaars krijgen op hun kerkhof dunkt mij zoo volstrekt geen indruk van het nare denkbeeld “begraven worden”. Papa zal wel zeggen dat ik nu ook weer heel aardsch en zonder nadenken redeneer; nu ja, maar u begrijpt wel hoe ik het meen, en hier in ons hotel, bij de débris van een keurig déjeuner met koude kip, oeufs à la coque, croissants—delicieuze broodjes—horsd’oeuvres, monster-garnalen enz. en heerlijke koffie, hier in een Parijsch hotel, met de voorstelling van een rit in een open rijtuig door ’t Bois de Boulogne, en daarna ’t zien van een steeple-chase enz. in ’t Hippodrôme, kunt u mij niet kwalijk nemen dat ik geen diepzinnige bespiegelingen maak.“Wat ik u nog vertellen wil, ’t is hoe wij het overheerlijk hebben getroffen dat Helmonds vriend monsieur De Musart, in de stad was. Door diens relaties met een zeer voornaam heer die over de theaters—of sommige ervan, gesteld is, kregen we gisteren een paar prachtige plaatsen in het groote Thèâtre de la Gaieté—fauteuils de balcon avant-scène—vlak vooraan op den hoek bij het tooneel. Dat waren letterlijk de eerste plaatsen uit de heele komedie. O, delicieuze fauteuils! en aan de balustrade heeft men vóór zich écrans van groene zij—weet u, die men op en neer kan schuiven om geen hinder van ’t voetlicht te hebben.—We zaten daar, bijvoorbeeld als in den Haag de Koninklijke familie, maar eigenlijk nog veel ruimer en chicker. We konden zoo zien dat ze allemaal dachten dat we zeer voornaam waren. Helmond moest er om lachen zoogedegageerd als ik den meesten tijd in mijn fauteuil lag, en—alsof ik het dagelijks gewoon was, naarmate het voetlicht al dan niet hinderde, dien écran op en neer schoof. Ik ben er zeker van dat een deftig heer, met drie ridderorden, mij voor een barones of zoo iets heeft aangezien, want hij maakte bij ’t binnenkomen, in de afdeeling naast ons, een enorm hoofsche buiging. Nu, wat August betreft, die ziet er ook recht gentlemanlike uit, niewaar, en dat helpt fameus!“Het stuk dat wij gezien hebben was prachtig. Van de élégance der toiletten beste mama, kan men zich geen begrip vormen. Een actrice, die in de rol eener madame Duvanont overheerlijk speelde, en ons een vrouw voorstelde die uit innige liefde voor haren minnaar haar echtgenoot vermoordt; ja zelfs om hem te overtuigen dat zij niemand liefheeft dan hem, aan haar bediende den last geeft om haar kind—spelevarend met een bootje, in den vijver—heimelijk te doen omkomen; die actrice had in datzelfde stuk—ik heb het goed geteld—acht verschillende toiletten. Als wij zulk een vrouw en moeder in de werkelijkheid zagen, wij zouden er natuurlijk van gruwen, maar als men zoo iets op het tooneel ziet, dan geeft het een geheel anderen indruk. Men weet ten eerste dat het niet waar gebeurd is, en bovendien, ’t was een beeldschoone vrouw; en die heerlijke toiletten! en die stem toen ze zoo zei: “Mon Edgard, sans toi le ciel me serait un enfer!” o dat was onuitsprekelijk mooi; en de claque heeft toen ook geapplaudisseerdà l’infini. Waar ik echter het meest naar verlang is de Fransche en vooral de Italiaansche opera. Dezen avond denk ik wel dat mijn beste August tot de eerste besluiten zal; en dan—Patti zal ik in de Italiaansche hooren! In één woord lieve ouders, wij genieten hier met volle teugen, en zullen nog oneindig veel meer genieten! Van de heerlijke boulevards, van de prachtige paleizen met bijna eindelooze danszalen, van dat onbeschrijfelijk prettige sans-gêne ’twelk hier heerscht, en zoo ongeloofelijk gunstig afsteekt bij al wat Hollandsch is; van dat alles schrijf ik u nader, of, zoo ik daartoe geen tijd meer mocht vinden, dan vertel ik er u bij onze terugkomst van. Gelukkig blijven we nog tien volle dagen hier. Denk er aan uw brieven te adresseeren: Grand Hotel. Zet u voor een aardigheid eens op het adres: Madame la Baronne; dat zou.... Maar nee, nee! ik schreef dit uit gekheid; ik zou om die lafheid dezen heelen brief kunnen verscheuren, maar ik heb geen tijd meer om een nieuwen te schrijven, want zoo aanstonds komt het rijtuig. Nu ’t was maar een grapje, dat begrijpt u wel.“Van harte hoop ik dat u en zusje Louise wél zult zijn. Louise zou zich hier niet op haar plaats gevoelen, althans niet als ze in ons gezelschap was. Ik heb voor u allen reeds een souvenir in mijn koffer. De goede August heeft me hier een blauw satijnen japon gekocht, een waar ik dol op was; acht franken de el; maar u moet er niet van spreken, want er zijn altijd menschen, wien het hindert als iemand genoegen heeft en iets meer bezit dan zij; of ook zijn er andere—in vele opzichten misschien goede, maar toch ergschriele menschen, die altijd den angst krijgen dat iemand zijn laatsten stuiver zal uitgeven.“Leeft wel! Vele groeten van mijn August!Uw liefhebbende:Eva Helmond-Armelo.”Terwijl Eva den brief aan haar ouders sluit, herleest Helmond vluchtig het slot van ’tgeen hij aan oom Van Barneveld heeft geschreven.“....Wat mijn lief wijfje betreft, zij is den ganschen dag in verrukking. ’t Spreekt vanzelf dat de smaak eener jonge vrouw van nauwelijks twintig lentes nog al uiteenloopt met dien van een dertiger, wiens lust het zou wezen om behalve in de Keizerlijke Bibliotheek eens een paar dagen in het Anatomisch Museum te snuffelen, of wel eenige hospitalen te bezoeken en de klinieken van Raspail of Nélaton te gaan bijwonen. Nooit in mijn leven heb ik er echter zooveel genoegen in gevonden om mijn eigen wenschen voor die van een ander te vergeten als nu. Maar ook, wat mij vroeger onbeduidend toescheen, ik leer het aan Eva’s zij als voortbrengsels van smaak en industrie, ja soms als kunst waardeeren.—Zeker geloof ik, lieve oom, dat de omgang met een vrouw die een open oog heeft voor het schoone—zelfs voor het schoone dat wij beuzelachtig noemen—zeer weldadig moet werken op een man die zich zooals ik, gewoonlijk slechts in den poel der menschelijke kwalen en ellenden, van het boekenstof kan ontdoen.“Er is iets onverklaarbaar liefs in die ingenomenheid van mijn goed vrouwtje met al het fraais en kostbaars ’twelk ze ziet, zonder het echter voor zich zelve te begeeren.“Hoe langer hoe meer kom ik tot de overtuiging, dat, zoo Eva haar zwakke zijde heeft, die zwakheid haar grond vindt in den adel harer ziel: de zucht naar hooger en beter, de zucht naar volkomenheid. ’t Is dan immers alleszins verklaarbaar dat de jonge vrouw bij haar edel streven—nochtans gebonden aan een stoffelijke wereld—ook te eerder een oogenblik zal stilstaan bij ’tgeen haar in dat stof als edel en volkomener toeblinkt. Hoe diep-gevoelig en lief zij is, het bleek mij nog gisteren toen zij op denBoulevard des Italiens, zeer nabij ons hotel, een schreiend meisje aansprak, en, vernemende dat het een frank had verloren, haar met zich naar het hôtel nam; haar op chocolade tracteerde, en met een vijffrankstuk weer vertrekken liet. In stilte vreesde ik wel dat de bruinoog op een anderen Boulevard, straks nóg eens over ’t verlies van een geldstuk zou gaan schreien, maar de daad van mijn engel was er mij niet te minder om, en met mijn vermoeden kwelde ik haar niet. Ik bid u dan, beste oom, blijf mijn grootsten schat liefhebben zooals zij ’t verdient.—De ondervinding heeft ons immers met mijn armen broeder geleerd, dat eengeringschattingvan de eischen aan zijn stand verschuldigd, niet tot zegen leidt.—Eva heeft ulief als een dochter. Met beminnelijke eenvoudigheid heeft zij mij daarvan op den avond van ons huwelijk de verzekering gegeven. Zóó moet het zijn en blijven. En terwijl Eva mijn goeden oom en weldoener hoe langer hoe meer zal hoogachten en liefhebben, zal ook oom van zijn zijde al de innerlijke schoonheden van mijn kostelijke bloem leeren ontdekken en waardeeren. Dat het Parijsche leven, hoeveel schoons en aanlokkends het door zijn nieuwheid moge hebben, mijn Eva op den duur zou bevallen, betwijfel ik zeer. Reeds gisteren bij het verlaten van het Théâtre de la Gaieté, waar een prachtig gemonteerd maar overigens horrible stuk was opgevoerd, zag ik haar onder een indruk van kwalijk verborgen misnoegen; en ofschoon haar lief karakter gaarne de verschoonende zij wil opmerken, zoo deelde zij toch geheel mijn oordeel: dat zooveel rijkdom van mise-en-scène en toiletten aan iets beters had behooren besteed te zijn.”Het besluit van den brief zou August maar niet nalezen. Men had geen tijd te verliezen, en al spoedig zaten de gelieven in de gemakkelijke open voiture de remise, en rolden en wielden ze langs de vroolijke boulevards, te midden van de honderden op- en neerjagende rijtuigen, karren, vrachtwagens en omnibussen, de laatste inzonderheid met de ronde forsch gebouwde schimmels.Eerst na middernacht keerden de jonge echtgenooten, die den avond in de Fransche opera hadden doorgebracht, in hun logement terug. Bij hun binnentreden werd Helmond, met den sleutel van n°. 59, door den portier een telegram overhandigd, dat reeds op de trap—doch niet zonder weerzin—door hem geopend werd.“Alweer zaken lieve?” vroeg Eva, terwijl ze, vermoeid van den heerlijken dag en het beklimmen van de veertig hoteltrappen tot besluit, op een sofa is neergegleden.“Ja.... kh’m.... ’t is niets.... maar....”“God August.... toch geen kwaad? Je doet me schrikken. Is pa of ma....?”“Nee nee nee! niemendal! Foei, een doktersvrouw moet niet zoo schrikachtig zijn, beste kind. ’t Heeft niets te beteekenen. Tenminste....”“Tenminste....?”“Nu ja, tenminste.... ’t Is over zaken, en dezakenbehoeven ’t vrouwtje niet te verontrusten.”“Als ze dan ’t genot van mijn besten man ook maar niet vergallen.—Zeker weer die nare majoor?”“Nee Eva.”“O gelukkig! Nu, ik ben verder niets nieuwsgierig. Mijn knappe August zal er wel komen zonder ’t hoogwijs advies van zijn wijfje.—Ben ik je lieve wijfje August?”“Beste kind!” zegt August en hij streelt haar de wang.—Maar August is toch erg onder den indruk van die zaken. Hij is zoo verstrooid en ziet zoo.... nee boos is het niet, maar zoo ernstig. Zij trekt hem zachtjes naast zich, en, met den arm om zijn hals, zegt ze:“Wat heb ik weer genoten vandaag, en van avond vooral. Wat zongen Faust en Mephisto overheerlijk. En Siebel’s lied.” Zij zingt:“Faites lui mes aveux,“Portes mez voeux.”“Ja, ’t was alles heel mooi; en ne.... mooi weer was het ook.”“’t Is hier dunkt mealtijdmooi weer.—Zonder gekheid, ik begrijp me haast niet hoe het er hier metslechtweer moet uitzien. Hê August, als jijhiereens dokter waart! hê!—Ja, als ik geen familie in Holland had dan zei ik dadelijk va! ’t Is toch ongelijk verdeeld in de wereld: hier zoo veel, en daar zoo niets! Weet je wat ik iederen avond, inweerwil van al ’t genot, zoo’n nare gedachte vind....? Niet?—Nou, zeg dan eens behoorlijknee, lieve ventje.”“Nee Eva, nee—wat dan?”“Dat die dag alweer om is.—Van morgen schreef ik tien, en nu zijn ’t nog maar negen dagen.—Dit is het laatste nachtje in onze rue du Helder niewaar? Heerlijk, morgen Grand Hotel. Gaan we bijtijds, of....? Mij dunkt we moesten nog vóór het dejeuner vertrekken.”“Ja.... welzeker, maar....”“Je kijkt naar de koffers. O, in een kwartier is mijn boeltje er in. Zoo’n hooge koffer met bakken pakt gemakkelijk, en ’t hoeft nu zoo mooi niet voor dat verhuizen. Aardig, wijverhuizeninParijs! Aardig niewaar?”“Heel aardig. Maar.... dat Grand Hotel.... Ik weet niet, dat Grand Hotel, ’t is....”“Nee August, je moet me niet plagen. Beloofd is beloofd! Hoor eens, of we nu hier zijn of daar, dat scheelt je tout au plus veertig franken; we hebben het immers als ouwe luidjes berekend.”“Ja kindlief, dat weet ik wel; maar toch....”August Helmond blijft nogmaals steken. Hoe kon hij die engel nu zoo eensklaps als wegstooten uit den hemel van haar kinderlijk geluk. Zulk een teleurstelling zal haar te kras zijn. Neen, hij kan en mag haar dezen avond niet bedroeven met het bericht dat men inplaats van naar het Grand Hotel te verhuizen, waarschijnlijk reeds morgen de terugreis naar Nederland zal aannemen. Het telegram was weder van Van Hake, en luidde, in ’t Nederlandsch vertaald, woordelijk aldus:“Generaal hier geweest; scheen zeer bezorgd over Jacoba. Wilde in geen geval schrijven; een ander raadplegen veel minder; vroeg mij een zenuwmiddel. Mocht mijnerzijds u niets verzwijgen. Anders alles wel; behalve Donerie; gevaarlijk ziek.Van Hake.”Neen, Helmond mocht niet dralen.—Oom Van Barneveld maakte zichzeer bezorgdover Coba. Waarschijnlijk had zij opnieuw eenflauwte gehad zooals weinige dagen voor hun vertrek. Zijn plicht, zijn dankbaarheid, zijn liefde voor oom en Coba roepen hem, ja, al ware het zelfs dat oom zich zonder gegronde reden ongerust maakte, Helmonds besluit is genomen: morgen keert hij met Eva zoo spoedig mogelijk naar Romphuizen terug. Maar.... dat engelachtige vrouwtje; dat heerlijke schepsel met haar hemelsch donkerblauwe kijkers, met die glanzig zwarte lokken; dat lieve kind, zoo levenslustig keuvelend aan zijn zij, en zich verheugend op het genoegen, dat haar nog verder in de wereldstad wacht.... kan hij haar nú reeds zeggen....?—En toch, het zal zoo moeten zijn. Wanneer men morgen met deneerstentrein naar Brussel zal vertrekken, dan dienen de koffers dezen avond zooveel mogelijk in orde gebracht, en de afreize aan het dienstdoend hôtelpersoneel te worden bekend gemaakt.“Eva, als we nu, op ’t toppunt van ons geluk, eens door een onvoorziene omstandigheid van elkander werden gescheiden....?”Eva schrikt inderdaad; maar toch, met een ongeloovig lachje zegt ze:“August, wat meen je?”“Heb je goed gevoeld best wijfje, wat dat wezen zou, zoo’n scheiding!?”“August, spreek zoo niet; ik zou er duizelig van worden.”“Je begrijpt wel lieve dat ik het zóó niet zou gezegd hebben als er eenige quaestie van wezen kon.”“O Goddank!” zegt Eva, en Helmond ziet een paar groote tranen schitteren in haar oogen: “Foei, je rekent wat veel op de sterkte van mijn zenuwen. Wij scheiden!—Wij? Nee dát nooit. Dan liever sterven August!”“Dus als ik morgen eens ter wille van een patiënt naar Romphuizen terug moest, dan ging je mee niewaar, liever dan alleen hier te blijven?”Er zijn naturen die bij het zien van een groot gevaar—na een eerste en verklaarbare ontsteltenis—zich krachtig gevoelen; die op den brullenden leeuw zouden inhouwen, doch—angstig wijken, wanneer diezelfde leeuw zich eensklaps in een muis veranderen kon.Helmond ziet Eva wit worden.Na zijn laatste woorden had zij aanstonds het ontvangen telegram in verband met het gesprokene gebracht. Ze doorziet nu zijn bedoeling om haar, door een voorstelling van het ergste, voor te bereiden op geringer leed of teleurstelling; en, in den waan dat August haar omtrent Kartenglimp de waarheid verzweeg, zegt ze eensklaps, met het hoofd een weinig naar achter:“Zou ’t mogelijk wezen dat tóch die majoor....!”“Nee lieve vrouwtje, dat niet; ik heb het immers gezegd. Maar ja, hoe allerverdrietigst en ongelukkig het moge treffen, toch moeten we morgen....”“Moeten! August, je spot er mee. Naar Romphuizen moeten! nú, morgen al! Nee, dat is niet waar! Nee nee, dat is gekheid; ik zie het wel aan je gezicht, je wilt me weer in ’t nauw jagen. Je speelt de Fransche acteurs al prachtig na.” Luide lachend: “Morgen eerstnaar ’t Grand Hotel en dan naar Versailles niewaar? dat is wat anders, mijn ondeugd!”“’t Zou me waarlijk niets helpen lieve kind, wanneer ik je nog een poosje in die meening liet. ’t Kost me meer dan ik zeggen kan mijn besluit te moeten volgen.”“Maar dat zou eendol, eenakeligbesluit zijn! Hoor eens, dat kan niet; nee nee nee, dat kan en dat mag niet!” Bijna schreiend: “Voor iemand die misschien wat kou heeft gevat.... om daarvoor.... Nee, we zullen niet gaan niewaar? Zeg, zou je me zoo’n schrikkelijk verdriet doen, zeg?”“Wijfjelief! hou jewezenlijkvan me? Herinner je je alles wat je me plechtig beloofd hebt?”“Ach ja August, ja! maar we gaan tochmorgennog niet!” En of de bron die slechts zelden vliette nu gemakkelijker vloeide, dewijl zich straks, na die eerste stoute aanspraak, een paar groote tranen op den dorpel der schoone oogen hebben vertoond, zeker is het dat ze thans overvloedig stroomen, doch het zijn nu kleine, zeerkleinetranen.’t Was een harde beproeving voor den jongen man; maar Eva’s schreien, haar vleiend vragen, ja bijna haar smeeken, baatte niet. Boven alles gevoelde hij zijn plicht. Ware misschien een zijner gewone patiënten ongesteld geworden, en had men er zelfs “om zeer bijzondere redenen” op aangedrongen dat hij zijn reis zou bekorten, hij zou, evenals met den majoor, volkomen vrijheid hebben gevonden om nietaanstondstoe te geven aan een verlangen, vaak kranker dan het lichaam zelf.Doch, waar het een zieke gold als Jacoba, de eenige dochter van zijn weldoener, waar hij dien weldoener ondanks zijn gewone minachting voor de geneeskunst en warsheid van medicijnen, nuzelf, maar zeker in ’t geheim, zag sluipen naar de apotheek om er een geringe afleiding te vinden voor de onrust die hem vervulde; nu Helmond weet dat de man aan wien hij alles is verschuldigd, misschien de uren en minuten telt die er nog moeten verloopen eer hij den neef “weer zoo eens terloops” zal kunnen consulteeren; nu is er geen macht instaat om hem terug te houden, en zelfs hebben diekleinetranen geen vat op hem.Halt! dat is zoo niet. Ze kwellen, ja ze folteren hem, al zullen ze het vast genomen besluit niet meer doen wankelen. Wat hem hindert bovenal, ’t is de koelheid waarmede dat anders zoo aanminnige vrouwtje hem nu bejegent.Maar Eva heeft toch reden ook. Hij laadt, bij de verdenking eener ongemotiveerde tirannie, nog het verwijt van achterhoudendheid op zich, door volstandig te weigeren haar het telegram te laten lezen, ja zelfs door haar niet te zeggen wie de patiënt is, die zijn hulp verwacht.Neen, haar ouders zijn het niet, noch haar zuster Louise; maar voor ’t overige moet zij niet vragen.—Helmond beseft terecht, dat het noemen van Jacoba en den generaal, de grief tegen den laatste plotseling zal doen herleven, en misschien een weerzin tegen hem verwekken, die niet meer zoo gemakkelijk te, overwinnen zal zijn.Later, als hij haar door ’t een en ander met deze teleurstelling zal verzoend hebben, dan zal hij haar volkomen doen begrijpen dat het niet anders wezen kon, terwijl zij, indien ze nú het telegram had gelezen, ongetwijfeld Helmonds spoedig vertrek een dwaasheid zou noemen. Immers, met dat bericht in handen kon men Van Hake gemakkelijk van overdreven ijver beschuldigen.Hoe ’t zij, Helmond weet wat hem te doen staat, en zijn besluit is onwrikbaar vast genomen.De bougies, die in het Hotel du Helder niet dagelijks werden vernieuwd, teerden op haar laatste kracht en hadden Helmond reeds genoopt om het was-nachtlicht te ontsteken.Terwijl ze zich ontkleedde, heeft Eva niet meer gesproken of geschreid, maar August kon zeer goed bemerken dat zijn vrouwtje het onherroepelijke van zijn besluit had ingezien, dewijl ze, ofschoon met weerzin, meer zorg aan het inpakken van haar koffer besteedde dan ze zich had voorgenomen.Terwijl ze nog in den koffer bezig is, en over den tweeden hoog opgevulden bak een witten doek spreidt, is Helmond haar van achteren genaderd, en den arm om haar middel slaande fluistert hij een paar zoete woorden.“Stil, laat me nu pakken Helmond; ik moet op bevel van mijnheer immers morgen klaar zijn. Och wees nu niet zoo lief en aanhalig; ik vind dat ronduit gezegd in deze oogenblikken laf en ongepast.”“Maar Eva, je gelooft toch....”“Ik geloof Helmond, dat alle menschen hun gebreken hebben, maar dat jij in ’t bijzonder er één hebt dat onuitstaanbaar is voor een vrouw: despotisme! geweld! ruwe kracht! onuitstaanbaar!”“Ik geloof dat je gelijk hebt Eva, tenminste dat het er allen schijn van heeft.”“Nee—haal me niet aan.—Zeg,gaanwe morgen of blijven we hier?”“WegaanEva, zeker!—Maar luister dan toch. Als het nu werkelijk mijn plicht is....”“Je plicht! jawel,plicht, basta!”“Zou het niet jou plicht zijn Eva—nee, je bepaaldewilom aanstonds te vertrekken, als een van je ouders stervende was?”“Maar dat is nu zoo niet; en, ware mij zoo iets gemeld ik zou het jezeggen. Voor mij is ’t echter genoeg dat Mijnheerbeveeltte gaan. Maar als hij dan aan zijn eigen vrouw de reden blieft te verzwijgen, waarom dat fatale besluit wordt genomen; wanneer hij zijn vrouw alle verstand ontzegt, en haar niet waardig acht om over ’t geldige van dien plicht te oordeelen; wanneer het bewaren van de goede verstandhouding, het één zijn in alles, reeds op den zesden dag van ’t huwelijk zoo prachtig wordt nageleefd, dan....”“Eva, ik heb je gezegd dat de schijn tegen mij is; en ofschoon het waarlijk beter zou wezen dat ik zweeg, om je te toonen dat ik ’t allerminst voor mijn wijfje een tiran of een despoot wil zijn—och je weet dat ook wel beter—zie dan hier; mij dunkt de drielaatste woorden van Van Hake’s telegram zullen je doen gevoelen dat er reden genoeg is om nu te vertrekken, en een langer verblijf in Parijs eens tot later uit te stellen.”Terwijl Eva hettot later uitstellenmet een ongeloovig schouderophalen beantwoordt, toont Helmond haar het omgevouwen telegram.Maar het sprak vanzelf dat Eva haar hoofd houdt afgewend: ze behoefde nu volstrekt geen opheldering meer. August kwam er een beetje al te laat mee. Trachtte hij nu door zulk een halfheid haar liefkozingen te herwinnen!“Dankje Helmond; dankje wel. ’t Is me nu totaal onverschillig.”“Maar Eva, als je me waarlijk liefhebt, lees dan, en oordeel of dit laatste niet reeds genoeg is.”Met zachten dwang doet hij haar het hoofd naar de zij van het papier wenden, en, ofschoon nog onwillig leest Eva nu de woorden:“Donerie dangereusement malade!”Een vuurrood overtoog eensklaps haar schoon gelaat. Ze gist zelfs van verre niet dat zij omtrent de ware reden van hun aanstaand vertrek door Helmond op een dwaalspoor is gebracht. Ze denkt er niet aan—ofschoon ze het weten kon—dat Donerie een ander tot dokter had.In de eerste oogenblikken staat haar slechts die gevaarlijk zieke jonkman voor den geest, en dan, dan ziet ze daar Helmond aan haar zij: In haar blos heeft hij toch niets kunnen lezen—neen, want slechts een voorbijgaand medelijden, een plotselinge ontsteltenis, de verrassing heeft haar dat rood op de wangen gelegd. En, nu vlijt ze zich weder aan zijn borst, en als hij haar vaster aan het hart sluit dan fluistert hij:“Dat blosje heeft me genoeg gezegd. O lief meelijdend wezen, als je nu altijd maar gelooven wilt dat ik geen tiran ben....”“Stil August, stil, niets meer! Mijn lieve mankentzijn plicht en ik nu den mijne!”’s Anderendaags reeds vroeg in den morgen verliet een fiacre met de koffers van Nº. 59 erop, het Hotel du Helder.De eerste garçon die zooeven in de porte-cochèro zijn gelaat tot een recommandatiekaart verwerkte, en meesterlijk uitdrukte dat het vertrek der beide gasten zoowel voor zijn persoon als voor het hôtel een onherstelbaar verlies zou wezen, de garçon herinnert den commissionair die, bij het wegrollen der fiacre zich er aan vast klemt en op den bok springt, nog haastig: “Rue Lafayette vingtsix, Bassot bijoutier-joaillier;” waarna hij in het hôtel terugkeerend, den half duttenden portier voorbijgaat, en dan met een wenk van het hoofd naar buiten:“Ça vaut la peine Gérard! Belle hollandaise!” en, rammelend met een paar vijffrankstukken in den zak: “Coquin de mari! C’est monsieur Bassot qui rira le dernier, hein!”
Ofschoon dokter Helmond na de afgelegde bezoeken een drukkende hoofdpijn had, zoo wilde hij toch daarom zijn reisplan niet wijzigen, en vertrok nog dienzelfden middag met zijn Eva naar Rotterdam, om den anderen morgen van daar de reis naar Frankrijks hoofdstad te kunnen vervolgen.
Eva heeft als een lief en erg meelijdend vrouwtje, zoowel te Amsterdam als later in den trein, en ook in hun logement te Rotterdam, al het mogelijke gedaan om op hare beurt dien geliefden dokter eens spoedig geheel weer beter te maken. Of het baten mocht of niet, ze heeft bijna een fleschje eau de cologne op dat dierbare voorhoofd “verblazen.”
Wat keek hij lief maar droevig als hij zoo’n pijn had, die goede dóór en dóór edele August. Eva kon het niet laten om hem een paar malen een zoen op die gesloten oogen te drukken, Wie zou, als hij, zoo óvergoedhartig zijn geweest om bijna een geheelen dag van die reis te willen opofferen, alleen—ja, want daarom is het toch inderdaad geweest—alleen om in een Amsterdamsche achterbuurt,een bezoek te brengen aan een jongeren broeder die zich allerinfaamst gedragen had? Zeker mocht het een bewijs zijn van Helmonds overgroote vergevingsgezindheid en bijna overdreven geringschatting van zich zelven, dat hij de minste heeft willen wezen, en een lichtmis de hand ter verzoening—ja wat méér zegt, zijn hulp enfinancieeleondersteuning had aangeboden. Ofschoon August bij het terugkomen uit dat huis haar nog gevraagd heeft, of ze er niet toe besluiten kon om toch even binnen te gaan, en die menschen als broer en zuster te begroeten, zoo heeft hij ook aanstonds moeten toestemmen, dat hij haar aan zulk een ontmoeting toch niet wagen mocht.—Zij is niet trotsch of hoogmoedig—of het moest op haar besten dokter wezen, want haar “beetje schoonheid is nu immers haar eigendom niet meer,”—maar een vrouw, en vooral een jonggehuwde vrouw, behoort haar weg met bedachtzaamheid te kiezen en zeer omzichtig in de keus van haar gezelschap te zijn.—Die woning in de Tuinstraat was er geen waarin Eva, zonder zeer in ’t oog te loopen, kon binnengaan. En dan, behalve een doldriftigen lichtmis, zou zij er een vrouw vinden die—voortgekomen uit een der laagste en “meest zedelooze” standen der maatschappij,—niet heeft geaarzeld om met opoffering van haar eer, het ongeluk van een onnadenkend jonkman te bewerken.—Nee, August heeft het aanstonds moeten erkennen dat zijn jonge echtgenoote niet, als zuster, de vrouw kon omhelzen, die reeds als meisje tot zulk een peil was gezonken.
Uit Helmonds weinige woorden heeft Eva wel kunnen opmaken dat dit bezoek hem niet zoo aangenaam is geweest als hij het zich had voorgesteld; en, ofschoon August beweerde dat ze het zich moest verbeeld hebben, zij vergist zich niet dat ze bij hun wegrijden van die woning, een man voor een der bovenvensters heeft bemerkt die, met verwoede pikzwarte oogen naar beneden zag, en—zij meende het zeker—een dreigende vuist hield opgeheven.
’s Anderendaags mocht August in het Badhotel te Rotterdam verkwikt ontwaken, en gevoelde hij zich met een helder hoofd en aan de zij van zijn schoone nu weer lachende Eva, een geheel ander mensch.
—Wat hij ten opzichte van Philip heeft kunnen doen, dat heeft hij gedaan. Die overtuiging wischt de droeve herinnering weg aan dien eersten dag na het huwelijksfeest.—Indien Eva had kunnen besluiten er binnen te gaan, dan... Maar neen, ’t zou niet verstandig en zelfs niet kiesch zijn geweest indien hij sterker daarop had aangedrongen. Goddank, die storm is voorbij.
—Wat ziet zijn engel er lief en vroolijk uit, terwijl ze hem—bijna ten afreize gereed—met een zoen de kleine reistasch om den schouder hangt. En hij, hij sluit haar in zijn armen en zegt:
“Nu zal het dan ernst met Parijs worden mijn heerlijk vrouwtje.” “Hadt je mijn raad gevolgd lieve, dan ware we er al gisteren geweest;” antwoordt Eva, terwijl ze half lachend met den vinger dreigt.
Maar hij:
“Toch is het zoo beter lief kind.”
En Eva—of zij hem niet begreep:
“Ik ben tenminste maar blij dat die hoofdpijn verdwenen is.”
Geen half uur later snelde het gelukkige echtpaar op de breede vleugels van den stoom de vele genietingen te gemoet, die vooral het jonge vrouwtje reeds van verre toelachten uit die heerlijke wereldstad.
Reeds twee volle dagen bevinden zich de echtgenooten te Parijs, en ofschoon Eva vast aan haar ouders beloofde om al spoedig te zullen schrijven, zoo is haar zulks tot nu toe onmogelijk geweest,—althans zij beweert het—omdat ze bij haar aankomst in die groote stad terstond bemerkte dat ze allereerst wat meer werk moest maken van een voegzamer toilet, want met haar achterhoekschen hoed, haar ouderwetsch kapsel, en laarsjes zonder hooge hakken moest ze er voor een Francaise wel uitzienpour se pamer de rire.
Nu, na het ontbijt, terwijl August een paar regels aan Van Hake, en een langen brief aan den generaal schrijft, zal Eva zich eindelijk van haar kinderplicht kwijten. Haar pen vliegt over het papier:
“Hotel du Helder, Mai 18....“Mes très-chers parents!“Haast zou ik in ’t Fransch vervolgd hebben, want men raakt er hier al spoedig aan gewoon, maar ik weet dat u niet veel Fransch leest, en dus, enfin!—Wij zijn sedert Vrijdag-avond in ons hotel rue du Helder, en ik schrijf nu in de ontbijt- en eetzaal—die niet veel meer is dan een langwerpige, tamelijk sombere roef zonder eenig uitzicht. Wanneer dit begin u den indruk gaf dat ik hier niet op mijn aise zou zijn—nl. in Parijs—dan zoudt ge u zeer vergissen. Ik vind het hierdol. O, als men er niet geweest is dan kan men er zich geen begrip van vormen. ’t Leven heeft hier doorgaans iets van een heerlijken droom—iets wits, blinkends: altijd ruimer, altijd hooger, altijd meer; ik weet het niet anders uit te drukken.—Bij dat alles valt alleen ons hotel erg af. ’t Is een zoogenaamd deftig logement; en ofschoon ik erkennen moet dat ik, om iets te noemen, onder al de Romphuizer jongelui er nooit een zoo chic heb gezien als de garçons in ons hotel—en van den morgen tot den avond,—zoo vind ik het logement zelf toch tamelijk somber, en heb August bepraat om morgen naar het Grand Hotel te verhuizen, waar men, voor weinige franken meer, het Parijsche hotelleven in den volsten zin van ’t woord geniet. Maar van dat alles vertel ik u mondeling nader. Ook kan ik u geen verhaal doen van alles wat wij reeds prachtigs bezichtigden; in den Baedeker dien we meenamen, kunt u later alles lezen. In éen woord, ik vind het hier goddelijk! U hebt geen denkbeeld van al de pracht van bijouteriën in de winkels en vooral in die van het Palais-Royal. Een garnituur, broche en knoppen, heb ik gezien.... nee maar heusch, uhebt er geen idee van. Voor een aardigheid gingen we er eens in:Deux mille trois cent francs! ’t Viel me nog mee. Niet dat Helmond er over dacht; u kunt wel begrijpen dat, al zou hij zoo iets een oogenblik in ’t hoofd hebben gekregen, ik ’t hem zeker afgeraden, ja zelfs zou verboden hebben. Wat zou ik met zulk een garnituur in Romphuizen doen:“De kerk Notre-Dame is ook beeldig, en vooral die miskleeren zijn prachtig; zoo iets rijk geborduurds met goud en edelgesteenten, daar hebt u geen begrip van. Gelukkig dat ik niet begeerig naar al die luxe ben, want aan mijn August heb ik genoeg. O, u weet niet wat een heerlijk leven ik met mijn lieven man heb. Hij is zoo goed. Letterlijk zou hij alles doen om mij genoegen te geven; maar juist dáárom zoek ik op mijn beurt uit te vinden wat hem het aangenaamst is en waar hij het liefst heengaat. De Keizerlijke Bibliotheek en de Morgue daar heeft hij echter op mijn verzoek van afgezien, omdat die bibliotheek voor mij nu heelemaal niets was, en die Morgue zoo akelig is dat ik er van droomen zou. Maar, om hém plezier te doen zijn we toch naar de buitenplaats van Père Lachaise geweest. U weet dat dat het groote Parijsche kerkhof is. Eerst had ik ertegen; want ik dacht fi! een kerkhof op ons huwelijksreisje! Maar ’t is niemendal akelig; ’t viel me tenminste vreeselijk mee. Ten eerste ligt dat kerkhof heel hoog en veel rianter dan eenig kerkhof bij ons; maar ook door al de prachtige mausoleums, de schoone beelden en bas-reliefs, de afwisseling van kransen, bloemen en versiersels bij en op de fraai overdekte graven, dat alles laat niets sombers na, en de Parijzenaars krijgen op hun kerkhof dunkt mij zoo volstrekt geen indruk van het nare denkbeeld “begraven worden”. Papa zal wel zeggen dat ik nu ook weer heel aardsch en zonder nadenken redeneer; nu ja, maar u begrijpt wel hoe ik het meen, en hier in ons hotel, bij de débris van een keurig déjeuner met koude kip, oeufs à la coque, croissants—delicieuze broodjes—horsd’oeuvres, monster-garnalen enz. en heerlijke koffie, hier in een Parijsch hotel, met de voorstelling van een rit in een open rijtuig door ’t Bois de Boulogne, en daarna ’t zien van een steeple-chase enz. in ’t Hippodrôme, kunt u mij niet kwalijk nemen dat ik geen diepzinnige bespiegelingen maak.“Wat ik u nog vertellen wil, ’t is hoe wij het overheerlijk hebben getroffen dat Helmonds vriend monsieur De Musart, in de stad was. Door diens relaties met een zeer voornaam heer die over de theaters—of sommige ervan, gesteld is, kregen we gisteren een paar prachtige plaatsen in het groote Thèâtre de la Gaieté—fauteuils de balcon avant-scène—vlak vooraan op den hoek bij het tooneel. Dat waren letterlijk de eerste plaatsen uit de heele komedie. O, delicieuze fauteuils! en aan de balustrade heeft men vóór zich écrans van groene zij—weet u, die men op en neer kan schuiven om geen hinder van ’t voetlicht te hebben.—We zaten daar, bijvoorbeeld als in den Haag de Koninklijke familie, maar eigenlijk nog veel ruimer en chicker. We konden zoo zien dat ze allemaal dachten dat we zeer voornaam waren. Helmond moest er om lachen zoogedegageerd als ik den meesten tijd in mijn fauteuil lag, en—alsof ik het dagelijks gewoon was, naarmate het voetlicht al dan niet hinderde, dien écran op en neer schoof. Ik ben er zeker van dat een deftig heer, met drie ridderorden, mij voor een barones of zoo iets heeft aangezien, want hij maakte bij ’t binnenkomen, in de afdeeling naast ons, een enorm hoofsche buiging. Nu, wat August betreft, die ziet er ook recht gentlemanlike uit, niewaar, en dat helpt fameus!“Het stuk dat wij gezien hebben was prachtig. Van de élégance der toiletten beste mama, kan men zich geen begrip vormen. Een actrice, die in de rol eener madame Duvanont overheerlijk speelde, en ons een vrouw voorstelde die uit innige liefde voor haren minnaar haar echtgenoot vermoordt; ja zelfs om hem te overtuigen dat zij niemand liefheeft dan hem, aan haar bediende den last geeft om haar kind—spelevarend met een bootje, in den vijver—heimelijk te doen omkomen; die actrice had in datzelfde stuk—ik heb het goed geteld—acht verschillende toiletten. Als wij zulk een vrouw en moeder in de werkelijkheid zagen, wij zouden er natuurlijk van gruwen, maar als men zoo iets op het tooneel ziet, dan geeft het een geheel anderen indruk. Men weet ten eerste dat het niet waar gebeurd is, en bovendien, ’t was een beeldschoone vrouw; en die heerlijke toiletten! en die stem toen ze zoo zei: “Mon Edgard, sans toi le ciel me serait un enfer!” o dat was onuitsprekelijk mooi; en de claque heeft toen ook geapplaudisseerdà l’infini. Waar ik echter het meest naar verlang is de Fransche en vooral de Italiaansche opera. Dezen avond denk ik wel dat mijn beste August tot de eerste besluiten zal; en dan—Patti zal ik in de Italiaansche hooren! In één woord lieve ouders, wij genieten hier met volle teugen, en zullen nog oneindig veel meer genieten! Van de heerlijke boulevards, van de prachtige paleizen met bijna eindelooze danszalen, van dat onbeschrijfelijk prettige sans-gêne ’twelk hier heerscht, en zoo ongeloofelijk gunstig afsteekt bij al wat Hollandsch is; van dat alles schrijf ik u nader, of, zoo ik daartoe geen tijd meer mocht vinden, dan vertel ik er u bij onze terugkomst van. Gelukkig blijven we nog tien volle dagen hier. Denk er aan uw brieven te adresseeren: Grand Hotel. Zet u voor een aardigheid eens op het adres: Madame la Baronne; dat zou.... Maar nee, nee! ik schreef dit uit gekheid; ik zou om die lafheid dezen heelen brief kunnen verscheuren, maar ik heb geen tijd meer om een nieuwen te schrijven, want zoo aanstonds komt het rijtuig. Nu ’t was maar een grapje, dat begrijpt u wel.“Van harte hoop ik dat u en zusje Louise wél zult zijn. Louise zou zich hier niet op haar plaats gevoelen, althans niet als ze in ons gezelschap was. Ik heb voor u allen reeds een souvenir in mijn koffer. De goede August heeft me hier een blauw satijnen japon gekocht, een waar ik dol op was; acht franken de el; maar u moet er niet van spreken, want er zijn altijd menschen, wien het hindert als iemand genoegen heeft en iets meer bezit dan zij; of ook zijn er andere—in vele opzichten misschien goede, maar toch ergschriele menschen, die altijd den angst krijgen dat iemand zijn laatsten stuiver zal uitgeven.“Leeft wel! Vele groeten van mijn August!Uw liefhebbende:Eva Helmond-Armelo.”
“Hotel du Helder, Mai 18....
“Mes très-chers parents!
“Haast zou ik in ’t Fransch vervolgd hebben, want men raakt er hier al spoedig aan gewoon, maar ik weet dat u niet veel Fransch leest, en dus, enfin!—Wij zijn sedert Vrijdag-avond in ons hotel rue du Helder, en ik schrijf nu in de ontbijt- en eetzaal—die niet veel meer is dan een langwerpige, tamelijk sombere roef zonder eenig uitzicht. Wanneer dit begin u den indruk gaf dat ik hier niet op mijn aise zou zijn—nl. in Parijs—dan zoudt ge u zeer vergissen. Ik vind het hierdol. O, als men er niet geweest is dan kan men er zich geen begrip van vormen. ’t Leven heeft hier doorgaans iets van een heerlijken droom—iets wits, blinkends: altijd ruimer, altijd hooger, altijd meer; ik weet het niet anders uit te drukken.—Bij dat alles valt alleen ons hotel erg af. ’t Is een zoogenaamd deftig logement; en ofschoon ik erkennen moet dat ik, om iets te noemen, onder al de Romphuizer jongelui er nooit een zoo chic heb gezien als de garçons in ons hotel—en van den morgen tot den avond,—zoo vind ik het logement zelf toch tamelijk somber, en heb August bepraat om morgen naar het Grand Hotel te verhuizen, waar men, voor weinige franken meer, het Parijsche hotelleven in den volsten zin van ’t woord geniet. Maar van dat alles vertel ik u mondeling nader. Ook kan ik u geen verhaal doen van alles wat wij reeds prachtigs bezichtigden; in den Baedeker dien we meenamen, kunt u later alles lezen. In éen woord, ik vind het hier goddelijk! U hebt geen denkbeeld van al de pracht van bijouteriën in de winkels en vooral in die van het Palais-Royal. Een garnituur, broche en knoppen, heb ik gezien.... nee maar heusch, uhebt er geen idee van. Voor een aardigheid gingen we er eens in:Deux mille trois cent francs! ’t Viel me nog mee. Niet dat Helmond er over dacht; u kunt wel begrijpen dat, al zou hij zoo iets een oogenblik in ’t hoofd hebben gekregen, ik ’t hem zeker afgeraden, ja zelfs zou verboden hebben. Wat zou ik met zulk een garnituur in Romphuizen doen:
“De kerk Notre-Dame is ook beeldig, en vooral die miskleeren zijn prachtig; zoo iets rijk geborduurds met goud en edelgesteenten, daar hebt u geen begrip van. Gelukkig dat ik niet begeerig naar al die luxe ben, want aan mijn August heb ik genoeg. O, u weet niet wat een heerlijk leven ik met mijn lieven man heb. Hij is zoo goed. Letterlijk zou hij alles doen om mij genoegen te geven; maar juist dáárom zoek ik op mijn beurt uit te vinden wat hem het aangenaamst is en waar hij het liefst heengaat. De Keizerlijke Bibliotheek en de Morgue daar heeft hij echter op mijn verzoek van afgezien, omdat die bibliotheek voor mij nu heelemaal niets was, en die Morgue zoo akelig is dat ik er van droomen zou. Maar, om hém plezier te doen zijn we toch naar de buitenplaats van Père Lachaise geweest. U weet dat dat het groote Parijsche kerkhof is. Eerst had ik ertegen; want ik dacht fi! een kerkhof op ons huwelijksreisje! Maar ’t is niemendal akelig; ’t viel me tenminste vreeselijk mee. Ten eerste ligt dat kerkhof heel hoog en veel rianter dan eenig kerkhof bij ons; maar ook door al de prachtige mausoleums, de schoone beelden en bas-reliefs, de afwisseling van kransen, bloemen en versiersels bij en op de fraai overdekte graven, dat alles laat niets sombers na, en de Parijzenaars krijgen op hun kerkhof dunkt mij zoo volstrekt geen indruk van het nare denkbeeld “begraven worden”. Papa zal wel zeggen dat ik nu ook weer heel aardsch en zonder nadenken redeneer; nu ja, maar u begrijpt wel hoe ik het meen, en hier in ons hotel, bij de débris van een keurig déjeuner met koude kip, oeufs à la coque, croissants—delicieuze broodjes—horsd’oeuvres, monster-garnalen enz. en heerlijke koffie, hier in een Parijsch hotel, met de voorstelling van een rit in een open rijtuig door ’t Bois de Boulogne, en daarna ’t zien van een steeple-chase enz. in ’t Hippodrôme, kunt u mij niet kwalijk nemen dat ik geen diepzinnige bespiegelingen maak.
“Wat ik u nog vertellen wil, ’t is hoe wij het overheerlijk hebben getroffen dat Helmonds vriend monsieur De Musart, in de stad was. Door diens relaties met een zeer voornaam heer die over de theaters—of sommige ervan, gesteld is, kregen we gisteren een paar prachtige plaatsen in het groote Thèâtre de la Gaieté—fauteuils de balcon avant-scène—vlak vooraan op den hoek bij het tooneel. Dat waren letterlijk de eerste plaatsen uit de heele komedie. O, delicieuze fauteuils! en aan de balustrade heeft men vóór zich écrans van groene zij—weet u, die men op en neer kan schuiven om geen hinder van ’t voetlicht te hebben.—We zaten daar, bijvoorbeeld als in den Haag de Koninklijke familie, maar eigenlijk nog veel ruimer en chicker. We konden zoo zien dat ze allemaal dachten dat we zeer voornaam waren. Helmond moest er om lachen zoogedegageerd als ik den meesten tijd in mijn fauteuil lag, en—alsof ik het dagelijks gewoon was, naarmate het voetlicht al dan niet hinderde, dien écran op en neer schoof. Ik ben er zeker van dat een deftig heer, met drie ridderorden, mij voor een barones of zoo iets heeft aangezien, want hij maakte bij ’t binnenkomen, in de afdeeling naast ons, een enorm hoofsche buiging. Nu, wat August betreft, die ziet er ook recht gentlemanlike uit, niewaar, en dat helpt fameus!
“Het stuk dat wij gezien hebben was prachtig. Van de élégance der toiletten beste mama, kan men zich geen begrip vormen. Een actrice, die in de rol eener madame Duvanont overheerlijk speelde, en ons een vrouw voorstelde die uit innige liefde voor haren minnaar haar echtgenoot vermoordt; ja zelfs om hem te overtuigen dat zij niemand liefheeft dan hem, aan haar bediende den last geeft om haar kind—spelevarend met een bootje, in den vijver—heimelijk te doen omkomen; die actrice had in datzelfde stuk—ik heb het goed geteld—acht verschillende toiletten. Als wij zulk een vrouw en moeder in de werkelijkheid zagen, wij zouden er natuurlijk van gruwen, maar als men zoo iets op het tooneel ziet, dan geeft het een geheel anderen indruk. Men weet ten eerste dat het niet waar gebeurd is, en bovendien, ’t was een beeldschoone vrouw; en die heerlijke toiletten! en die stem toen ze zoo zei: “Mon Edgard, sans toi le ciel me serait un enfer!” o dat was onuitsprekelijk mooi; en de claque heeft toen ook geapplaudisseerdà l’infini. Waar ik echter het meest naar verlang is de Fransche en vooral de Italiaansche opera. Dezen avond denk ik wel dat mijn beste August tot de eerste besluiten zal; en dan—Patti zal ik in de Italiaansche hooren! In één woord lieve ouders, wij genieten hier met volle teugen, en zullen nog oneindig veel meer genieten! Van de heerlijke boulevards, van de prachtige paleizen met bijna eindelooze danszalen, van dat onbeschrijfelijk prettige sans-gêne ’twelk hier heerscht, en zoo ongeloofelijk gunstig afsteekt bij al wat Hollandsch is; van dat alles schrijf ik u nader, of, zoo ik daartoe geen tijd meer mocht vinden, dan vertel ik er u bij onze terugkomst van. Gelukkig blijven we nog tien volle dagen hier. Denk er aan uw brieven te adresseeren: Grand Hotel. Zet u voor een aardigheid eens op het adres: Madame la Baronne; dat zou.... Maar nee, nee! ik schreef dit uit gekheid; ik zou om die lafheid dezen heelen brief kunnen verscheuren, maar ik heb geen tijd meer om een nieuwen te schrijven, want zoo aanstonds komt het rijtuig. Nu ’t was maar een grapje, dat begrijpt u wel.
“Van harte hoop ik dat u en zusje Louise wél zult zijn. Louise zou zich hier niet op haar plaats gevoelen, althans niet als ze in ons gezelschap was. Ik heb voor u allen reeds een souvenir in mijn koffer. De goede August heeft me hier een blauw satijnen japon gekocht, een waar ik dol op was; acht franken de el; maar u moet er niet van spreken, want er zijn altijd menschen, wien het hindert als iemand genoegen heeft en iets meer bezit dan zij; of ook zijn er andere—in vele opzichten misschien goede, maar toch ergschriele menschen, die altijd den angst krijgen dat iemand zijn laatsten stuiver zal uitgeven.
“Leeft wel! Vele groeten van mijn August!
Uw liefhebbende:Eva Helmond-Armelo.”
Terwijl Eva den brief aan haar ouders sluit, herleest Helmond vluchtig het slot van ’tgeen hij aan oom Van Barneveld heeft geschreven.
“....Wat mijn lief wijfje betreft, zij is den ganschen dag in verrukking. ’t Spreekt vanzelf dat de smaak eener jonge vrouw van nauwelijks twintig lentes nog al uiteenloopt met dien van een dertiger, wiens lust het zou wezen om behalve in de Keizerlijke Bibliotheek eens een paar dagen in het Anatomisch Museum te snuffelen, of wel eenige hospitalen te bezoeken en de klinieken van Raspail of Nélaton te gaan bijwonen. Nooit in mijn leven heb ik er echter zooveel genoegen in gevonden om mijn eigen wenschen voor die van een ander te vergeten als nu. Maar ook, wat mij vroeger onbeduidend toescheen, ik leer het aan Eva’s zij als voortbrengsels van smaak en industrie, ja soms als kunst waardeeren.—Zeker geloof ik, lieve oom, dat de omgang met een vrouw die een open oog heeft voor het schoone—zelfs voor het schoone dat wij beuzelachtig noemen—zeer weldadig moet werken op een man die zich zooals ik, gewoonlijk slechts in den poel der menschelijke kwalen en ellenden, van het boekenstof kan ontdoen.
“Er is iets onverklaarbaar liefs in die ingenomenheid van mijn goed vrouwtje met al het fraais en kostbaars ’twelk ze ziet, zonder het echter voor zich zelve te begeeren.
“Hoe langer hoe meer kom ik tot de overtuiging, dat, zoo Eva haar zwakke zijde heeft, die zwakheid haar grond vindt in den adel harer ziel: de zucht naar hooger en beter, de zucht naar volkomenheid. ’t Is dan immers alleszins verklaarbaar dat de jonge vrouw bij haar edel streven—nochtans gebonden aan een stoffelijke wereld—ook te eerder een oogenblik zal stilstaan bij ’tgeen haar in dat stof als edel en volkomener toeblinkt. Hoe diep-gevoelig en lief zij is, het bleek mij nog gisteren toen zij op denBoulevard des Italiens, zeer nabij ons hotel, een schreiend meisje aansprak, en, vernemende dat het een frank had verloren, haar met zich naar het hôtel nam; haar op chocolade tracteerde, en met een vijffrankstuk weer vertrekken liet. In stilte vreesde ik wel dat de bruinoog op een anderen Boulevard, straks nóg eens over ’t verlies van een geldstuk zou gaan schreien, maar de daad van mijn engel was er mij niet te minder om, en met mijn vermoeden kwelde ik haar niet. Ik bid u dan, beste oom, blijf mijn grootsten schat liefhebben zooals zij ’t verdient.—De ondervinding heeft ons immers met mijn armen broeder geleerd, dat eengeringschattingvan de eischen aan zijn stand verschuldigd, niet tot zegen leidt.—Eva heeft ulief als een dochter. Met beminnelijke eenvoudigheid heeft zij mij daarvan op den avond van ons huwelijk de verzekering gegeven. Zóó moet het zijn en blijven. En terwijl Eva mijn goeden oom en weldoener hoe langer hoe meer zal hoogachten en liefhebben, zal ook oom van zijn zijde al de innerlijke schoonheden van mijn kostelijke bloem leeren ontdekken en waardeeren. Dat het Parijsche leven, hoeveel schoons en aanlokkends het door zijn nieuwheid moge hebben, mijn Eva op den duur zou bevallen, betwijfel ik zeer. Reeds gisteren bij het verlaten van het Théâtre de la Gaieté, waar een prachtig gemonteerd maar overigens horrible stuk was opgevoerd, zag ik haar onder een indruk van kwalijk verborgen misnoegen; en ofschoon haar lief karakter gaarne de verschoonende zij wil opmerken, zoo deelde zij toch geheel mijn oordeel: dat zooveel rijkdom van mise-en-scène en toiletten aan iets beters had behooren besteed te zijn.”
Het besluit van den brief zou August maar niet nalezen. Men had geen tijd te verliezen, en al spoedig zaten de gelieven in de gemakkelijke open voiture de remise, en rolden en wielden ze langs de vroolijke boulevards, te midden van de honderden op- en neerjagende rijtuigen, karren, vrachtwagens en omnibussen, de laatste inzonderheid met de ronde forsch gebouwde schimmels.
Eerst na middernacht keerden de jonge echtgenooten, die den avond in de Fransche opera hadden doorgebracht, in hun logement terug. Bij hun binnentreden werd Helmond, met den sleutel van n°. 59, door den portier een telegram overhandigd, dat reeds op de trap—doch niet zonder weerzin—door hem geopend werd.
“Alweer zaken lieve?” vroeg Eva, terwijl ze, vermoeid van den heerlijken dag en het beklimmen van de veertig hoteltrappen tot besluit, op een sofa is neergegleden.
“Ja.... kh’m.... ’t is niets.... maar....”
“God August.... toch geen kwaad? Je doet me schrikken. Is pa of ma....?”
“Nee nee nee! niemendal! Foei, een doktersvrouw moet niet zoo schrikachtig zijn, beste kind. ’t Heeft niets te beteekenen. Tenminste....”
“Tenminste....?”
“Nu ja, tenminste.... ’t Is over zaken, en dezakenbehoeven ’t vrouwtje niet te verontrusten.”
“Als ze dan ’t genot van mijn besten man ook maar niet vergallen.—Zeker weer die nare majoor?”
“Nee Eva.”
“O gelukkig! Nu, ik ben verder niets nieuwsgierig. Mijn knappe August zal er wel komen zonder ’t hoogwijs advies van zijn wijfje.—Ben ik je lieve wijfje August?”
“Beste kind!” zegt August en hij streelt haar de wang.
—Maar August is toch erg onder den indruk van die zaken. Hij is zoo verstrooid en ziet zoo.... nee boos is het niet, maar zoo ernstig. Zij trekt hem zachtjes naast zich, en, met den arm om zijn hals, zegt ze:
“Wat heb ik weer genoten vandaag, en van avond vooral. Wat zongen Faust en Mephisto overheerlijk. En Siebel’s lied.” Zij zingt:
“Faites lui mes aveux,“Portes mez voeux.”
“Faites lui mes aveux,
“Portes mez voeux.”
“Ja, ’t was alles heel mooi; en ne.... mooi weer was het ook.”
“’t Is hier dunkt mealtijdmooi weer.—Zonder gekheid, ik begrijp me haast niet hoe het er hier metslechtweer moet uitzien. Hê August, als jijhiereens dokter waart! hê!—Ja, als ik geen familie in Holland had dan zei ik dadelijk va! ’t Is toch ongelijk verdeeld in de wereld: hier zoo veel, en daar zoo niets! Weet je wat ik iederen avond, inweerwil van al ’t genot, zoo’n nare gedachte vind....? Niet?—Nou, zeg dan eens behoorlijknee, lieve ventje.”
“Nee Eva, nee—wat dan?”
“Dat die dag alweer om is.—Van morgen schreef ik tien, en nu zijn ’t nog maar negen dagen.—Dit is het laatste nachtje in onze rue du Helder niewaar? Heerlijk, morgen Grand Hotel. Gaan we bijtijds, of....? Mij dunkt we moesten nog vóór het dejeuner vertrekken.”
“Ja.... welzeker, maar....”
“Je kijkt naar de koffers. O, in een kwartier is mijn boeltje er in. Zoo’n hooge koffer met bakken pakt gemakkelijk, en ’t hoeft nu zoo mooi niet voor dat verhuizen. Aardig, wijverhuizeninParijs! Aardig niewaar?”
“Heel aardig. Maar.... dat Grand Hotel.... Ik weet niet, dat Grand Hotel, ’t is....”
“Nee August, je moet me niet plagen. Beloofd is beloofd! Hoor eens, of we nu hier zijn of daar, dat scheelt je tout au plus veertig franken; we hebben het immers als ouwe luidjes berekend.”
“Ja kindlief, dat weet ik wel; maar toch....”
August Helmond blijft nogmaals steken. Hoe kon hij die engel nu zoo eensklaps als wegstooten uit den hemel van haar kinderlijk geluk. Zulk een teleurstelling zal haar te kras zijn. Neen, hij kan en mag haar dezen avond niet bedroeven met het bericht dat men inplaats van naar het Grand Hotel te verhuizen, waarschijnlijk reeds morgen de terugreis naar Nederland zal aannemen. Het telegram was weder van Van Hake, en luidde, in ’t Nederlandsch vertaald, woordelijk aldus:
“Generaal hier geweest; scheen zeer bezorgd over Jacoba. Wilde in geen geval schrijven; een ander raadplegen veel minder; vroeg mij een zenuwmiddel. Mocht mijnerzijds u niets verzwijgen. Anders alles wel; behalve Donerie; gevaarlijk ziek.Van Hake.”
“Generaal hier geweest; scheen zeer bezorgd over Jacoba. Wilde in geen geval schrijven; een ander raadplegen veel minder; vroeg mij een zenuwmiddel. Mocht mijnerzijds u niets verzwijgen. Anders alles wel; behalve Donerie; gevaarlijk ziek.
Van Hake.”
Neen, Helmond mocht niet dralen.—Oom Van Barneveld maakte zichzeer bezorgdover Coba. Waarschijnlijk had zij opnieuw eenflauwte gehad zooals weinige dagen voor hun vertrek. Zijn plicht, zijn dankbaarheid, zijn liefde voor oom en Coba roepen hem, ja, al ware het zelfs dat oom zich zonder gegronde reden ongerust maakte, Helmonds besluit is genomen: morgen keert hij met Eva zoo spoedig mogelijk naar Romphuizen terug. Maar.... dat engelachtige vrouwtje; dat heerlijke schepsel met haar hemelsch donkerblauwe kijkers, met die glanzig zwarte lokken; dat lieve kind, zoo levenslustig keuvelend aan zijn zij, en zich verheugend op het genoegen, dat haar nog verder in de wereldstad wacht.... kan hij haar nú reeds zeggen....?
—En toch, het zal zoo moeten zijn. Wanneer men morgen met deneerstentrein naar Brussel zal vertrekken, dan dienen de koffers dezen avond zooveel mogelijk in orde gebracht, en de afreize aan het dienstdoend hôtelpersoneel te worden bekend gemaakt.
“Eva, als we nu, op ’t toppunt van ons geluk, eens door een onvoorziene omstandigheid van elkander werden gescheiden....?”
Eva schrikt inderdaad; maar toch, met een ongeloovig lachje zegt ze:
“August, wat meen je?”
“Heb je goed gevoeld best wijfje, wat dat wezen zou, zoo’n scheiding!?”
“August, spreek zoo niet; ik zou er duizelig van worden.”
“Je begrijpt wel lieve dat ik het zóó niet zou gezegd hebben als er eenige quaestie van wezen kon.”
“O Goddank!” zegt Eva, en Helmond ziet een paar groote tranen schitteren in haar oogen: “Foei, je rekent wat veel op de sterkte van mijn zenuwen. Wij scheiden!—Wij? Nee dát nooit. Dan liever sterven August!”
“Dus als ik morgen eens ter wille van een patiënt naar Romphuizen terug moest, dan ging je mee niewaar, liever dan alleen hier te blijven?”
Er zijn naturen die bij het zien van een groot gevaar—na een eerste en verklaarbare ontsteltenis—zich krachtig gevoelen; die op den brullenden leeuw zouden inhouwen, doch—angstig wijken, wanneer diezelfde leeuw zich eensklaps in een muis veranderen kon.
Helmond ziet Eva wit worden.
Na zijn laatste woorden had zij aanstonds het ontvangen telegram in verband met het gesprokene gebracht. Ze doorziet nu zijn bedoeling om haar, door een voorstelling van het ergste, voor te bereiden op geringer leed of teleurstelling; en, in den waan dat August haar omtrent Kartenglimp de waarheid verzweeg, zegt ze eensklaps, met het hoofd een weinig naar achter:
“Zou ’t mogelijk wezen dat tóch die majoor....!”
“Nee lieve vrouwtje, dat niet; ik heb het immers gezegd. Maar ja, hoe allerverdrietigst en ongelukkig het moge treffen, toch moeten we morgen....”
“Moeten! August, je spot er mee. Naar Romphuizen moeten! nú, morgen al! Nee, dat is niet waar! Nee nee, dat is gekheid; ik zie het wel aan je gezicht, je wilt me weer in ’t nauw jagen. Je speelt de Fransche acteurs al prachtig na.” Luide lachend: “Morgen eerstnaar ’t Grand Hotel en dan naar Versailles niewaar? dat is wat anders, mijn ondeugd!”
“’t Zou me waarlijk niets helpen lieve kind, wanneer ik je nog een poosje in die meening liet. ’t Kost me meer dan ik zeggen kan mijn besluit te moeten volgen.”
“Maar dat zou eendol, eenakeligbesluit zijn! Hoor eens, dat kan niet; nee nee nee, dat kan en dat mag niet!” Bijna schreiend: “Voor iemand die misschien wat kou heeft gevat.... om daarvoor.... Nee, we zullen niet gaan niewaar? Zeg, zou je me zoo’n schrikkelijk verdriet doen, zeg?”
“Wijfjelief! hou jewezenlijkvan me? Herinner je je alles wat je me plechtig beloofd hebt?”
“Ach ja August, ja! maar we gaan tochmorgennog niet!” En of de bron die slechts zelden vliette nu gemakkelijker vloeide, dewijl zich straks, na die eerste stoute aanspraak, een paar groote tranen op den dorpel der schoone oogen hebben vertoond, zeker is het dat ze thans overvloedig stroomen, doch het zijn nu kleine, zeerkleinetranen.
’t Was een harde beproeving voor den jongen man; maar Eva’s schreien, haar vleiend vragen, ja bijna haar smeeken, baatte niet. Boven alles gevoelde hij zijn plicht. Ware misschien een zijner gewone patiënten ongesteld geworden, en had men er zelfs “om zeer bijzondere redenen” op aangedrongen dat hij zijn reis zou bekorten, hij zou, evenals met den majoor, volkomen vrijheid hebben gevonden om nietaanstondstoe te geven aan een verlangen, vaak kranker dan het lichaam zelf.
Doch, waar het een zieke gold als Jacoba, de eenige dochter van zijn weldoener, waar hij dien weldoener ondanks zijn gewone minachting voor de geneeskunst en warsheid van medicijnen, nuzelf, maar zeker in ’t geheim, zag sluipen naar de apotheek om er een geringe afleiding te vinden voor de onrust die hem vervulde; nu Helmond weet dat de man aan wien hij alles is verschuldigd, misschien de uren en minuten telt die er nog moeten verloopen eer hij den neef “weer zoo eens terloops” zal kunnen consulteeren; nu is er geen macht instaat om hem terug te houden, en zelfs hebben diekleinetranen geen vat op hem.
Halt! dat is zoo niet. Ze kwellen, ja ze folteren hem, al zullen ze het vast genomen besluit niet meer doen wankelen. Wat hem hindert bovenal, ’t is de koelheid waarmede dat anders zoo aanminnige vrouwtje hem nu bejegent.
Maar Eva heeft toch reden ook. Hij laadt, bij de verdenking eener ongemotiveerde tirannie, nog het verwijt van achterhoudendheid op zich, door volstandig te weigeren haar het telegram te laten lezen, ja zelfs door haar niet te zeggen wie de patiënt is, die zijn hulp verwacht.
Neen, haar ouders zijn het niet, noch haar zuster Louise; maar voor ’t overige moet zij niet vragen.—Helmond beseft terecht, dat het noemen van Jacoba en den generaal, de grief tegen den laatste plotseling zal doen herleven, en misschien een weerzin tegen hem verwekken, die niet meer zoo gemakkelijk te, overwinnen zal zijn.Later, als hij haar door ’t een en ander met deze teleurstelling zal verzoend hebben, dan zal hij haar volkomen doen begrijpen dat het niet anders wezen kon, terwijl zij, indien ze nú het telegram had gelezen, ongetwijfeld Helmonds spoedig vertrek een dwaasheid zou noemen. Immers, met dat bericht in handen kon men Van Hake gemakkelijk van overdreven ijver beschuldigen.
Hoe ’t zij, Helmond weet wat hem te doen staat, en zijn besluit is onwrikbaar vast genomen.
De bougies, die in het Hotel du Helder niet dagelijks werden vernieuwd, teerden op haar laatste kracht en hadden Helmond reeds genoopt om het was-nachtlicht te ontsteken.
Terwijl ze zich ontkleedde, heeft Eva niet meer gesproken of geschreid, maar August kon zeer goed bemerken dat zijn vrouwtje het onherroepelijke van zijn besluit had ingezien, dewijl ze, ofschoon met weerzin, meer zorg aan het inpakken van haar koffer besteedde dan ze zich had voorgenomen.
Terwijl ze nog in den koffer bezig is, en over den tweeden hoog opgevulden bak een witten doek spreidt, is Helmond haar van achteren genaderd, en den arm om haar middel slaande fluistert hij een paar zoete woorden.
“Stil, laat me nu pakken Helmond; ik moet op bevel van mijnheer immers morgen klaar zijn. Och wees nu niet zoo lief en aanhalig; ik vind dat ronduit gezegd in deze oogenblikken laf en ongepast.”
“Maar Eva, je gelooft toch....”
“Ik geloof Helmond, dat alle menschen hun gebreken hebben, maar dat jij in ’t bijzonder er één hebt dat onuitstaanbaar is voor een vrouw: despotisme! geweld! ruwe kracht! onuitstaanbaar!”
“Ik geloof dat je gelijk hebt Eva, tenminste dat het er allen schijn van heeft.”
“Nee—haal me niet aan.—Zeg,gaanwe morgen of blijven we hier?”
“WegaanEva, zeker!—Maar luister dan toch. Als het nu werkelijk mijn plicht is....”
“Je plicht! jawel,plicht, basta!”
“Zou het niet jou plicht zijn Eva—nee, je bepaaldewilom aanstonds te vertrekken, als een van je ouders stervende was?”
“Maar dat is nu zoo niet; en, ware mij zoo iets gemeld ik zou het jezeggen. Voor mij is ’t echter genoeg dat Mijnheerbeveeltte gaan. Maar als hij dan aan zijn eigen vrouw de reden blieft te verzwijgen, waarom dat fatale besluit wordt genomen; wanneer hij zijn vrouw alle verstand ontzegt, en haar niet waardig acht om over ’t geldige van dien plicht te oordeelen; wanneer het bewaren van de goede verstandhouding, het één zijn in alles, reeds op den zesden dag van ’t huwelijk zoo prachtig wordt nageleefd, dan....”
“Eva, ik heb je gezegd dat de schijn tegen mij is; en ofschoon het waarlijk beter zou wezen dat ik zweeg, om je te toonen dat ik ’t allerminst voor mijn wijfje een tiran of een despoot wil zijn—och je weet dat ook wel beter—zie dan hier; mij dunkt de drielaatste woorden van Van Hake’s telegram zullen je doen gevoelen dat er reden genoeg is om nu te vertrekken, en een langer verblijf in Parijs eens tot later uit te stellen.”
Terwijl Eva hettot later uitstellenmet een ongeloovig schouderophalen beantwoordt, toont Helmond haar het omgevouwen telegram.
Maar het sprak vanzelf dat Eva haar hoofd houdt afgewend: ze behoefde nu volstrekt geen opheldering meer. August kwam er een beetje al te laat mee. Trachtte hij nu door zulk een halfheid haar liefkozingen te herwinnen!
“Dankje Helmond; dankje wel. ’t Is me nu totaal onverschillig.”
“Maar Eva, als je me waarlijk liefhebt, lees dan, en oordeel of dit laatste niet reeds genoeg is.”
Met zachten dwang doet hij haar het hoofd naar de zij van het papier wenden, en, ofschoon nog onwillig leest Eva nu de woorden:
“Donerie dangereusement malade!”
Een vuurrood overtoog eensklaps haar schoon gelaat. Ze gist zelfs van verre niet dat zij omtrent de ware reden van hun aanstaand vertrek door Helmond op een dwaalspoor is gebracht. Ze denkt er niet aan—ofschoon ze het weten kon—dat Donerie een ander tot dokter had.
In de eerste oogenblikken staat haar slechts die gevaarlijk zieke jonkman voor den geest, en dan, dan ziet ze daar Helmond aan haar zij: In haar blos heeft hij toch niets kunnen lezen—neen, want slechts een voorbijgaand medelijden, een plotselinge ontsteltenis, de verrassing heeft haar dat rood op de wangen gelegd. En, nu vlijt ze zich weder aan zijn borst, en als hij haar vaster aan het hart sluit dan fluistert hij:
“Dat blosje heeft me genoeg gezegd. O lief meelijdend wezen, als je nu altijd maar gelooven wilt dat ik geen tiran ben....”
“Stil August, stil, niets meer! Mijn lieve mankentzijn plicht en ik nu den mijne!”
’s Anderendaags reeds vroeg in den morgen verliet een fiacre met de koffers van Nº. 59 erop, het Hotel du Helder.
De eerste garçon die zooeven in de porte-cochèro zijn gelaat tot een recommandatiekaart verwerkte, en meesterlijk uitdrukte dat het vertrek der beide gasten zoowel voor zijn persoon als voor het hôtel een onherstelbaar verlies zou wezen, de garçon herinnert den commissionair die, bij het wegrollen der fiacre zich er aan vast klemt en op den bok springt, nog haastig: “Rue Lafayette vingtsix, Bassot bijoutier-joaillier;” waarna hij in het hôtel terugkeerend, den half duttenden portier voorbijgaat, en dan met een wenk van het hoofd naar buiten:
“Ça vaut la peine Gérard! Belle hollandaise!” en, rammelend met een paar vijffrankstukken in den zak: “Coquin de mari! C’est monsieur Bassot qui rira le dernier, hein!”
NEGENDE HOOFDSTUK.Jacoba Van Barneveld weet niet dat August en Eva zich reeds op hun terugreis bevinden. Ze heeft uitgerekend dat er nog twaalf volle dagen vóór hun thuiskomst moeten verloopen.Op haar schrijftafel ligt een blad papier gereed. Ze moet August schrijven. Ze heeft er eindelijk toe besloten. Nog wacht ze een oogenblik ofschoon het reeds halfelf is, en de brieven voor Parijs uiterlijk te één uur op het postkantoor moeten bezorgd zijn. Ja ze kan nog even wachten. Hendrik zal immers zoo aanstonds uit de stad terugkomen, want, behalve een boodschap bij de naaister, had hij niets te doen dan even bij baas Krul naar Donerie te vragen.Jacoba luistert. Ze meende iemand bij haar kamerdeur te hooren.... maar ze heeft zich vergist.—’t Is vreemd dat Hendrik zoo schrikkelijk lang uitblijft. Doch neen, de pendule zegt haar dat hij nauwelijks twintig minuten geleden vertrokken is.Jacoba bladert in Longfellows gedichten. Dat mag een paar minuten duren, maar dan, dan staat ze weer op. Zichtbaar onrustig gaat ze naar de schrijftafel; een oogenblik later staat ze bij ’t venster, waardoor ze het uitzicht heeft op het prachtige landschap met den zilveren Rijn; doch—geen seconde later is ze bij haar schrijftafel terug, en neergegleden in den gemakkelijk ronden stoel die er vóór staat, vat ze de pen om.... Maar neen, sneller dan ze zitten ging is ze weer opgestaan, en gaat nu de kamer uit.Aan ’t eind van den breeden corridor kan ze door het venster op ’t hek van den straatweg zien. Nú kon Hendrik toch wel terug zijn.“Ben je daar Coba?” vraagt een dame van omstreeks zestig zomermaanden, die uit de deur der groote groene logeerkamer op den corridor komt, en reeds gekleed voor het tweede ontbijt zich met hoed en parasol heeft gewapend om eerst nog een kleine wandeling op het boventerrein vanDe Zonsbergte doen.“Ja tante. Hé, ik had u niet gezien.”“Wacht je iemand?”“Hendrik zou inkt meebrengen tante. Hij blijft vreeselijk lang weg.”“Hé, inkt. Je pa heeft altijd een heel kruikje.... Was dat leeg misschien? Wacht, er is nog wel wat op mijn kamer; je hebt zeker zoo heel veel niet noodig?”“Een paar velletjes tante.”“Velletjes?”“O, ik meen.... Maar Hendrik zal wel dadelijk komen. Dank u tante.”“Coba-lief kom eens hier; wat scheelt er aan?”“Mij tante!?”“Ja lieve kind, kom jij nu eens eventjes hier bij tante op de logeerkamer. Jawel, eens eventjes.”“Tante ik heb waarlijk geen tijd. Ik wacht op Hendrik, en ik moet me nog kleeden ook.”“Ja maar zoolang Hendrik er nog niet is, kun je wel even bij tante Hermine komen niewaar? We hebben uit mijn kamer juist het oog op het hek aan den straatweg. Voel je je weer niet zoo fiks Coba?”“Jawel tante, ik voelde me juist van morgen weer heel flink.”“Och kom, is dat waarlijk zoo? Ik dacht dat je het maar aan je pa zei om hem gerust te stellen. Je bent toch erg bleek, lieve kind.”“Vindt u tante; ik benaltijdbleek, dat is mijn natuurlijke kleur.”“Ja maar Coba, je oogen staan waarlijk een beetje flets. Papa merkte het gelukkig niet, maar ik kon wel zien dat je geschreid hadt toen je van morgen beneden kwaamt.”“Geschreid! ik!? Lieve hemel tante, geschreid! ik zou niet weten waarom.”“Nee ik ook niet Coba. Wie zou gelooven kunnen dat een meisje, dat zoo alles en alles heeft, en krijgen kan wat ze begeert, reden zou hebben om te schreien, maar....”“’t Zou bespottelijk zijn tante.”Na dit gezegd te hebben wendt Jacoba zich van haar tante af en gaat weer haastig naar de deur.“Jacoba hoor eens.”“Riept u?”“Ja beste kind, kom nog eens even hier.—Zou je me een groot genoegen willen doen?”“Als ik kan, zeker!”Mevrouw Mansburg vat Jacoba’s fijne hand, en haar vriendelijk aanziende zegt ze zeer overredend:“Och, dan wou ik zoo graag dat je tante eens je vertrouwen schonkt. Er is iets dat je hindert. Jawel Coba; een vrouw van jaren en ondervinding zooals ik, ziet scherper dan een man, al is hij ook tienmaal een vader zooals je beste pa.—Je pa maakt zich erg ongerust over je gezondheid, veel meer dan hij weten wil.”“Maar ik verzeker u dat hij vandaag heel gerust is tante. Nadat ik gisteren zoo trouw ingenomen en van nacht zoo heerlijk geslapen heb, moest ik mij wel beter gevoelen. Ik heb het pa plechtig verzekerd, want ook hij heeft me in ’t verhoor genomen.”“Heb je waarlijkwaarlijkzoo heerlijk geslapen Coba?”“Tante, ik vind het erg verdrietig en compleet om iemand ziek te maken als men zich wél gevoelt, en iedereen ons dan telkens wil opdringen dat we slecht geslapen hebben, er slecht uitzien en zekerlijk ziek zijn. Er zijn immers voorbeelden van dat men gezonde maar aantrekkelijke personen zóó een ziekte op ’t lijf heeft gepraat.—Ik vind u waarlijk heel lief tante, en ik hou ook heel veel van u, maar u moest mij heusch niet altijd zoo vragen, en—zooals u gisteren en van morgen telkens deedt—mij zoo van terzijde zitten aankijken. Ja ik weet wel dat het belangstelling is, maar ik voel dat het mij bepaald kwaad zou doen.”Mevrouw Mansburg begrijpt nu dat ze een krasse wending moet wagen om in ’t belang van dat bleeke kind haar vertrouwde te worden:“Op gevaar af dat je me lastig zult noemen, beantwoord mij deze ééne vraag: Is er iemand op de wereld dien je liever hebt dan papa?”Of Jacoba op iets dergelijks heeft gerekend, althans haar gelaat teekent geen de minste ontroering.“Dat is een zonderlinge vraag tante. Nee, zekerlijk is er niemand dien ikzóóliefheb als mijn besten vader.—Ha daar komt Hendrik het hek in! Tot straks tante; bonjour!”Mevrouw Mansburg heeft haar doel niet bereikt. Twee dagen na Helmonds huwelijk kwam ze bij haar broeder Van Barneveld opDe Zonsberglogeeren. Aanstonds heeft het haar getroffen zoo zwak en lijdend als Coba er uitzag; en, aanstonds had zij tevens Van Barnevelds onrust bemerkt, hoezeer hij die ook te verbergen zocht. En, zij heeft die onrust gedeeld, vooral den dag na haar aankomst, toen Jacoba—nadat men onder het theedrinken tamelijk druk over August en zijn jonge vrouw had gesproken—een soort van flauwte heeft gekregen met een zonderling benauwde ademhaling. Ofschoon mevrouw Mansburg die plotselinge ongesteldheid volstrekt niet voor gevaarlijk hield, en haar ondervinding schier dezelfde verklaring gaf als vroeger dokter Helmond heeft gegeven, zoo moest zij op Van Barnevelds krachtige maar wellicht slechts uitlokkende verzekering: dat het volstrektnietste beteekenen had, toch opmerken, dat Alexander het niet al te licht moest tellen, want—mevrouw sprak wel eens in beelden—dat er nooit een deur van zelf dichtging; was er geen hand die het deed dan deed het een tocht of rukwind misschien.’t Is reeds bekend dat Van Barnevelds heimelijke onrust, door de herhaling dier zenuw-attaque, en waarschijnlijk door het advies van zijne schoonzuster, aanmerkelijk was toegenomen; en, hoewel met tegenzin, heeft hij op het vragen der zuster langer over dat punt gesproken dan hem lief is geweest. ’t Was zeer verklaarbaar dat hij mede de onderstelling heeft herhaald, of ook Helmonds huwelijk eenigen invloed op Coba’s zenuwgestel kon hebben uitgeoefend. Ofschoon Coba bijna tien jaren jonger was dan hij, zoo waren ze toch, vóórdat August naar de academie ging, in Van Barnevelds huis als kinderen te zamen geweest. August hield bijzonder veel van zijn “klein bleekneusje;” en later als hij met vacanties over was, o wat kon hij haar dan mokkelen de aardige speelpop, het achtjarige zusje; rijden met haar op zijn knie de heele wereld rond, of straks op den rug door het gansche huis—en ’t was een groot mooi huis in Den Haag—naar boven, de breede trappen op, al de kamers door, van de eene in de andere, de trappen weer af, totdat hij er doodmoe bij neerviel.Ook later heeft August altijd getoond dat hij veel van Coba hield. Toen Helmond dokter te Romphuizen is geworden, en Van Barneveld daarna opDe Zonsbergkwam wonen, ging Helmond—vooral in den beginne, toen de praktijk niet zoo druk liep—erheel veel heen. Natuurlijk is dat later wel iets verminderd, maar geregeld kwam hij er toch een paar malen ’s weeks dineeren, en, dan hadden die twee het altijd druk, zóó zelfs dat papa wel eens tweemaal aan “zijn partijtje” moest herinneren, want, van kwart over achten tot halftien speelde de generaal graag een ombertje en famille.Ja, Coba hield veel van broeder August.—En, in de laatste twee jaren is er bovendien veel gebeurd. In die sombere dagen toen Philip door zijn schandelijk gedrag den oom en weldoener zulk een smaad had aangedaan, toen heeft haar zenuwgestel een sterken schok gekregen.Van Barneveld wil het niet ontkennen dat hij Jacoba’s voorspraak toen wel wat ruw heeft afgewezen. ’t Is den eenigen keer geweest dat hij zijn kind harde woorden heeft toegevoegd, maar ze moest het gevoelen, dat de generaal Van Barneveld, van elk ander dan zijn pleegkind, bloed zou hebben geëischt voor zulk een smaad, en gevoelen ook dat men door het zoeken van zijn minderen, zooals Philip had gedaan met dat trouwen ver beneden zijn stand, tot alles instaat raakt, zelfs tot het verguizen, het beleedigen van hen aan wie men het meest is verschuldigd.Jacoba heeft het begrepen; maar dat ze bij die droeve gebeurtenis alweder aan de zij van broeder August heeft gestaan, en niet eerder dan hij heeft willen berusten in het harde vonnis, ’twelk haar vader over Philip had uitgesproken, het pleitte opnieuw voor de genegenheid, die zij haar pleegbroeder toedroeg en de waarde die ze aan zijn zienswijze hechtte.En dan, is Coba niet telkens weer zijn krachtige voorspraak geweest, wanneer de vader haar—en misschien wat al te veel—met zijn grieven over het huwelijk van August had lastiggevallen? Ja, Helmonds keuze heeft hem in den aanvang zeer gehinderd. Een oogenblik zelfs was het voornemen bij hem opgekomen om zijn toestemming te weigeren—voor zooverre die weigering beteekenis had,—en Jacoba zal er onder hebben geleden zooals zij telkens Helmonds voorspraak heeft moeten zijn. Immers, August had haar gezegd dat hij zoo onuitsprekelijk veel van Eva Armelo hield, en toch de liefde van zijn braven pleegvader zoo noode verliezen zou. Al wat ze kon heeft ze gedaan om haar vader met dat huwelijk te verzoenen. Ze heeft er aan herinnerd dat Eva’s ouders, ofschoon ze van geringe afkomst waren, toch nu, door den rang van mijnheer, tot den “fatsoenlijken stand” behoorden; ze heeft de omstandigheid dat de kapitein om bijzondere redenen zoo vroeg is gepensioneerd,—redenen die Van Barneveld kende—weten te vergoelijken, door er op te wijzen hoe men nu—en zelfs in Romphuizen—er toch nooit meer van hoorde dat de familie en vooral mevrouw Armelo, dépenses maakte, die haar krachten te boven gingen. Wat Eva betrof, Jacoba heeft haar zeer geroemd, althans voor zooveel ze dat kon. Ze was zoo schoon, ze had zulk een slank figuur, zulk glanzend zwart haar, en daarbij zulke mooie donkerblauwe oogen. Wat speelde ze prachtig en wat zong ze overheerlijk!Welnu, papa Van Barneveld heeft dan immers ook toegegeven. August moest het weten. In den aanvang had hij hem wel zijn bedenkingen gemaakt, en hem volgens zijn overtuiging, op de zwakke zij van Eva’s karakter gewezen, maar—men weet het—ten laatste heeft hij toch “zooveel mogelijk het zijne gedaan om de onderlinge vrede en liefde te bewaren”.Inderdaad, er is genoeg geweest om een teeder gestel als dat van Jacoba te ondermijnen. En wanneer men nu Coba’s zusterlijk gevoel voor August in rekening brengt, dewijl het toch vanzelf spreekt dat Helmond veel minder dan vroeger opDe Zonsbergzal kunnen zijn, en althans niet meer onverdeeld zooals vroeger, dan meent de generaal wel grond te hebben voor zijn overtuiging, dat dit huwelijk bij Jacoba zwaarder heeft gewogen dan hij het zich heeft voorgesteld, en dat het zijn plicht zal wezen om, zoodra August en Eva terug zullen komen—ofschoon met verstand, en steeds tegenover Helmonds vrouw met de leuze: “eenvoud en zuinigheid”—het veelvuldig samenzijn, vooral ter wille van Coba, zooveel mogelijk te bevorderen.Driemaal achtereen heeft mevrouw Mansburg, na een veelbeteekenend ophalen van de wenkbrauwen, dat laatste besluit van haar zwager met een “Ja maar!” beantwoord, en ze dacht er bij: Mijn goede Van Barneveld, al ben je misschien een man die alleen door de juistheid van je blik de sterkste vesting zoudt nemen of een overmachtig leger verslaan, het vrouwenhart doorzie jeniet!Ja maar! er kon iets anders zijn. Er kon iets anders leven in Coba’s boezem! En, ’tgeen mevrouw niet heeft uitgesproken, dat heeft Van Barneveld toch aanstonds moeten raden;—Hoe, wat! zou zoo iets mogelijk wezen....!?En zuster Hermine heeft nogmaals zeer sterk, zoowel haar schouders als wenkbrauwen naar boven getrokken. En, zij zou er zekerheid van hebben, dat beloofde ze vast. Maar inweerwil van haar goede bedoeling, en inweerwil van haar tact, mevrouw Mansburg heeft nóg geen zekerheid gekregen, ofschoon ze er “des ondanks” nog zekerder van is dan den vorigen dag.“Welke boodschap heb je?” roept Jacoba den knecht toe die naar boven komt.Hendrik wipt snel eenige trappen hooger en zegt dan:“Compliment, nog hetzelfde juffrouw.”“Ik meen van de naaister?”“O, dat ze zorgen zou dat het naar uw zin zou wezen juffrouw.”“En van de zij? En zou ze het vooral netjes doen?”“O, zij had ze genoeg, en jawel, de juffrouw zou heel tevreden zijn.”“Heb je de taf?”“Jawel juffrouw.—Alsjeblief.”“Best Hendrik!”—In het teruggaan zich even omwendend: “Niets beter met mijnheer Donerie?”Hendrik, in ’t naar beneden gaan stilstaande en omziende: “Nee juffrouw; ’tzelfde; eer minder, was de boodschap.”“Zoo!”Op haar kamer gekomen sluit Jacoba de deur zeer zachtjes van binnen op het slot.Van haar waschtafel neemt ze den flacon; doet een overvloedigen scheut eau de cologne in het water, dat ze zich in de waschkom heeft geschonken; dompelt er haar polsen in, en verfrischt daarna drie, vier keeren haar hoofd.Nu zit ze weder voor haar papier. Een wijle tuurt ze op de kleine buste van Mendelssohn—in wiens trekken ze steeds een zekere overeenkomst met hem.... meent te zien; en dan, na een paar malen de pen te hebben opgenomen en weer weggeworpen; na nogmaals te zijn opgestaan, en ginder eenige oogenblikken op den stoel bij het venster te hebben gezeten, neemt ze eindelijk weer plaats voor het papier, en schrijft met bevende hand:“Beste August!“Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken toen je mij op dien avond zoo deelnemend ondervroegt. Ik wist toen reeds wat ik vreezen moest, maar kon niet denken dat mijn gevoel op zulk een harde proef zou worden gesteld. Och waarom moest ik huichelen; waarom je verbergen wat mij verteert....”—Verbergen wat mij verteert? Hoe is het mogelijk dat deze woorden aan mijn pen zijn ontsnapt, denkt Jacoba; en dan, nadat ze de geschreven regels heeft herlezen:—Nee, dat alles is bespottelijk; dat mag en dat kan zoo niet. Het papier wordt nu ijlings door midden gescheurd; en, op een ander blaadje schrijft ze:“August!“Bij papa’s letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij, ofschoon zelve best in orde, zeer ernstig ongerust maak....”—Maar dit kan evenmin blijven. Neen, ook August mag niet weten, niet vermoeden zelfs....Weder staart Jacoba eenige oogenblikken in gedachten op Mendelssohns buste, terwijl ze het geschrevene in kleine stukjes scheurt.—Ha! die inval komt als een lichtstraal. Ja, dát heeft haar wel voor den geest geschemerd, maar nu eensklaps is het helder geworden. Nogmaals neemt ze een ander blaadje en schrijft dan snel:“Lieve August!“Bij papa’s letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij ernstiger ongesteld gevoel dan ik hem bekennen wil. Herhaalde flauwtes, binnenkoortsen en slapelooze nachten doen mijvreezen dat ik binnenkort onherstelbaar wezen zal indien, ja August, indien je niet spoedig terugkomt en mij behandelt zooals je dat voornemens waart. Om papa niet ongerust te maken heb ik hem gezegd dat ik mij zelfs beter gevoelde dan vóór je vertrek, en hem uit het hoofd gepraat om je over mij te schrijven, zooals hij een oogenblik van plan scheen, ten einde je te kennen te geven dat een spoediger terugkomst hem aangenaam wezen zou. Waartoe behoeft papa meer of langer in onrust te zijn dan noodzakelijk is. Doch om zijnentwil evenzeer, voelde ik mij verplicht je wel degelijk zelve te schrijven. Mij te verliezen zou hem zwaar vallen. Je gevoelt dat ik in geen geval zoo spreken zou indien wij—al ware het op een paar uren afstand—een goeden dokter hadden. Biermans, die onlangs Loovers kindje als klierachtig behandelde, totdat jij, er bijgeroepen, verklaarde dat het een hersenontsteking was, die man is òf afgeleefd òf nooit te vertrouwen geweest. Stel je waarlijk eenig belang in je zusje, August, keer dan aanstonds terug; ik zal je die liefde duizendmaal trachten te vergelden; maar ook, lieve broeder, laat in ’shemelsnaam niet blijken dat ik je zoo geschreven heb. Behandel mijn ziekte voor ’t oog van papa maar luchtig, en geef als reden van die overhaaste terugkomst op, dat er hier een ernstige zieke was, die volstrekt onder je behandeling wilde zijn. Het treft in zooverre gelukkig dat er juist zulk een zieke is, hoewel het mij voor den armen sukkel spijt. Mijnheer Donerie is, zooals ik vernam, na den dag van je trouwen weer veel erger geworden, en om nu alles voor papa heel natuurlijk te maken, zal ik wel zorgen dat Biermans bij mijnheer Donerie zijn congé krijgt, of zelf verklaart een consult met je te wenschen. Och lieve August, wat verlang ik naar je komst; stel het niet uit want je ziet aan mijn schrift hoe ik beef van zwakte, en ik geloof zeker dat jij me beter zult maken. Wist ik niet dat je liefde voor je kleine zusje reeds voldoende zou zijn om je over alle bezwaren te doen heenstappen, de kans om den Romphuizer muziekmeester, den waarlijk niet ontalentvollen stumper, die in de kerk nog zoo zijn best deed, meteen weer beter te maken, die kans zou alleen reeds genoeg zijn om mijn geliefden broeder tot een spoedige terugkomst te bewegen. Donerie’s ziekte komt in zooverre goed zegt pa, dat ik nu aan geen muziek kan doen.“August, ik tel de uren, de minuten. De koorts verheft zich.....UweJacoba.”Of Jacoba inderdaad koorts heeft, of, dat haar stemming iets koortsachtigs had, zooveel is zeker dat een ongewoon blosje haar wangen kleurde toen zij den brief vouwde en, na hetcouvertte hebben dichtgeplakt, nog een tamelijk breed lak er op deed, om eindelijk het eenvoudige adres te schrijven: “Aan August.”Nu gaat ze naar haars vaders “bureau”.“Hier is mijn epistel voor onzen zwierbol, pa.”“Ah zoo Coba,” zegt Van Barneveld die aan ’t schrijven was: “ik dacht al, ’t is kwartier voor twaalven; ’t werd tijd. Om twaalf uur moet Hendrik er mee weg.”“Hendrik komt pas uit de stad terug pa. Ik wou ’m zelf even brengen. De uwe is immers klaar?”Van Barneveld ziet haar verwonderd aan:“Ja, hier is mijn brief, maar wou jij dien naar de stad brengen? Eer Willem de paarden klaar heeft, zal...”“Nee ik wou te voet gaan.”“Te voet! Nú te voet.... jij! Heeft tante je daartoe bepraat?”“Nee pa, maar August heeft wandelen zeer aangeraden.—Ik moet bij de naaister zijn. Hendrik heeft iets vergeten.”“Je schijnt vandaag bijzonder wèl te wezen, beste meid.”“O, ik ben weer heel flink!” Zij zoent den vader op zijn hooge voorhoofd: “Toe, sluit u nu mijn epistel in; ’t wordt immers tijd beste pa?”“Maar wat een vreeselijk lak Coba. Dat couvert dient er af.... Wil ik maar even?”Jacoba ontneemt hem onverhoeds haar brief:“O nee, wacht.... dat mag ik niet vergen, wacht!”.... En met den brief snelt ze voort.“Niet vergen! ha ha ha, niet vergen!” lacht Van Barneveld haar achterna: “dat noem ik discretie....!”Maar eensklaps betrekt zijn gelaat. Jacoba’s goed uiterlijk en haar vroolijke stemming hebben hem voor een oogenblik doen vergeten, ’tgeen hem toch sedert het gesprek met zijn schoonzuster gedurig als een akelig spooksel voor den geest heeft gestaan.Zoo dat schrijven aan August op zich zelf niets beduiden mocht, dat zonderlinge wantrouwige wegrukken van den brief toen hij het couvert er af wilde doen, dat zegt iets meer.... ja! dat zegt veelveelmeer:“Ah zoo Coba, is er nu een ander couvert om?”“Ja zonder lak.—Ik had het heele couvert kunnen weglaten omdat u hem insluit; maar, nu het er weer om is, nu kan het zoo blijven niewaar?”“’t Couvert verzwaart een heelen boel; als het je ’tzelfde is dan liet ik het er toch liever af; mij dunkt....”“Nee nee!” zegt Coba haastig, en als Van Barneveld—alsof hij die zekere vrees niet verklaren kan—haar vragend aanziet, dan herneemt ze heel luchtig, met een glimlach:“Als men bestellingen in Parijs doet dan kan men redenen hebben waarom zelfs.... un très-cher général”—zij strijkt hem zachtjes met het magere vingertje langs den neus—“heel discreet moet wezen. Kom pa’tje-lief, nu wat spoedig, want u hebt zelf gezegd: beter drie kwartier te vroeg bezorgd dan één seconde te laat. Bovendien ik ben niet van plan om mij te overloopen, maar denk het doodbedaard te doen.”Terwijl Van Barneveld Coba’s brief in den zijne sluit, en, nog eens naar haar opziende, weder dat lachje om haar lippen bemerkt; nuhij plotseling een geheim in dien brief vermoedt, ’t welk op een verrassing voor hem zal uitloopen, nu kan hij toch niet anders dan in stilte erkennen, dat er sedert gisteren—wie weet, na dat getrouwer innemen en dat heerlijke slapen—iets in die bleeke kleur is gekomen wat menlevenmag noemen.Ja, die vroolijke trek om hare lippen doet eensklaps het vreeselijke denkbeeld verdwijnen ’t welk hem in de laatste uren zoozeer beangst, en, zijn zorg voor de gezondheid der dierbare is schier geheel naar den achtergrond gedrongen. ’t Was hem plotseling alsof er in ’t geheel geen reden tot vreeze meer bestond, en terwijl nu dehoopzijn liefde voor dat kind te sterker doet opvlammen, legt hij, straks opgestaan, zijn beide handen op Coba’s teedere schouders, en zegt met de innigste verrukking, ofschoon uiterlijk kalm:“Ik geloof waarlijk dat je eenheelen boelbeter bent Coba. Nu dat dacht ik ook wel.—Ja komaan, waarom zou je niet wandelen als je er lust in hebt; een kwartiertje heen en een kwartiertje terug.—Ei, wat zou je ervan zeggen als papa eens meeging, hé?—Maar kindlief, hoe beef je zoo?”“Uw handen drukken wat zwaar pa.”“O popje, popje! Hij zoent haar op de wang: “Kom kruidje-roer-me-niet, dan gauw maar den hoed opgezet. Hier heb ik den mijne. Tante zullen we natuurlijk vragen om van de partij te wezen.”“Hoor eens pa-lief. ’t Zou mij waarlijk geneeren als u en tante meegingt. Ik heb allerlei met Elsje te bepraten. Laten we van middag te zamen naar den boschwachter rijden, en dáár wandelen; maar nu, naar de stad om mijn commissies te doen, waarlijk, nú ga ik lieveralleen!”
Jacoba Van Barneveld weet niet dat August en Eva zich reeds op hun terugreis bevinden. Ze heeft uitgerekend dat er nog twaalf volle dagen vóór hun thuiskomst moeten verloopen.
Op haar schrijftafel ligt een blad papier gereed. Ze moet August schrijven. Ze heeft er eindelijk toe besloten. Nog wacht ze een oogenblik ofschoon het reeds halfelf is, en de brieven voor Parijs uiterlijk te één uur op het postkantoor moeten bezorgd zijn. Ja ze kan nog even wachten. Hendrik zal immers zoo aanstonds uit de stad terugkomen, want, behalve een boodschap bij de naaister, had hij niets te doen dan even bij baas Krul naar Donerie te vragen.
Jacoba luistert. Ze meende iemand bij haar kamerdeur te hooren.... maar ze heeft zich vergist.
—’t Is vreemd dat Hendrik zoo schrikkelijk lang uitblijft. Doch neen, de pendule zegt haar dat hij nauwelijks twintig minuten geleden vertrokken is.
Jacoba bladert in Longfellows gedichten. Dat mag een paar minuten duren, maar dan, dan staat ze weer op. Zichtbaar onrustig gaat ze naar de schrijftafel; een oogenblik later staat ze bij ’t venster, waardoor ze het uitzicht heeft op het prachtige landschap met den zilveren Rijn; doch—geen seconde later is ze bij haar schrijftafel terug, en neergegleden in den gemakkelijk ronden stoel die er vóór staat, vat ze de pen om.... Maar neen, sneller dan ze zitten ging is ze weer opgestaan, en gaat nu de kamer uit.
Aan ’t eind van den breeden corridor kan ze door het venster op ’t hek van den straatweg zien. Nú kon Hendrik toch wel terug zijn.
“Ben je daar Coba?” vraagt een dame van omstreeks zestig zomermaanden, die uit de deur der groote groene logeerkamer op den corridor komt, en reeds gekleed voor het tweede ontbijt zich met hoed en parasol heeft gewapend om eerst nog een kleine wandeling op het boventerrein vanDe Zonsbergte doen.
“Ja tante. Hé, ik had u niet gezien.”
“Wacht je iemand?”
“Hendrik zou inkt meebrengen tante. Hij blijft vreeselijk lang weg.”
“Hé, inkt. Je pa heeft altijd een heel kruikje.... Was dat leeg misschien? Wacht, er is nog wel wat op mijn kamer; je hebt zeker zoo heel veel niet noodig?”
“Een paar velletjes tante.”
“Velletjes?”
“O, ik meen.... Maar Hendrik zal wel dadelijk komen. Dank u tante.”
“Coba-lief kom eens hier; wat scheelt er aan?”
“Mij tante!?”
“Ja lieve kind, kom jij nu eens eventjes hier bij tante op de logeerkamer. Jawel, eens eventjes.”
“Tante ik heb waarlijk geen tijd. Ik wacht op Hendrik, en ik moet me nog kleeden ook.”
“Ja maar zoolang Hendrik er nog niet is, kun je wel even bij tante Hermine komen niewaar? We hebben uit mijn kamer juist het oog op het hek aan den straatweg. Voel je je weer niet zoo fiks Coba?”
“Jawel tante, ik voelde me juist van morgen weer heel flink.”
“Och kom, is dat waarlijk zoo? Ik dacht dat je het maar aan je pa zei om hem gerust te stellen. Je bent toch erg bleek, lieve kind.”
“Vindt u tante; ik benaltijdbleek, dat is mijn natuurlijke kleur.”
“Ja maar Coba, je oogen staan waarlijk een beetje flets. Papa merkte het gelukkig niet, maar ik kon wel zien dat je geschreid hadt toen je van morgen beneden kwaamt.”
“Geschreid! ik!? Lieve hemel tante, geschreid! ik zou niet weten waarom.”
“Nee ik ook niet Coba. Wie zou gelooven kunnen dat een meisje, dat zoo alles en alles heeft, en krijgen kan wat ze begeert, reden zou hebben om te schreien, maar....”
“’t Zou bespottelijk zijn tante.”
Na dit gezegd te hebben wendt Jacoba zich van haar tante af en gaat weer haastig naar de deur.
“Jacoba hoor eens.”
“Riept u?”
“Ja beste kind, kom nog eens even hier.—Zou je me een groot genoegen willen doen?”
“Als ik kan, zeker!”
Mevrouw Mansburg vat Jacoba’s fijne hand, en haar vriendelijk aanziende zegt ze zeer overredend:
“Och, dan wou ik zoo graag dat je tante eens je vertrouwen schonkt. Er is iets dat je hindert. Jawel Coba; een vrouw van jaren en ondervinding zooals ik, ziet scherper dan een man, al is hij ook tienmaal een vader zooals je beste pa.—Je pa maakt zich erg ongerust over je gezondheid, veel meer dan hij weten wil.”
“Maar ik verzeker u dat hij vandaag heel gerust is tante. Nadat ik gisteren zoo trouw ingenomen en van nacht zoo heerlijk geslapen heb, moest ik mij wel beter gevoelen. Ik heb het pa plechtig verzekerd, want ook hij heeft me in ’t verhoor genomen.”
“Heb je waarlijkwaarlijkzoo heerlijk geslapen Coba?”
“Tante, ik vind het erg verdrietig en compleet om iemand ziek te maken als men zich wél gevoelt, en iedereen ons dan telkens wil opdringen dat we slecht geslapen hebben, er slecht uitzien en zekerlijk ziek zijn. Er zijn immers voorbeelden van dat men gezonde maar aantrekkelijke personen zóó een ziekte op ’t lijf heeft gepraat.—Ik vind u waarlijk heel lief tante, en ik hou ook heel veel van u, maar u moest mij heusch niet altijd zoo vragen, en—zooals u gisteren en van morgen telkens deedt—mij zoo van terzijde zitten aankijken. Ja ik weet wel dat het belangstelling is, maar ik voel dat het mij bepaald kwaad zou doen.”
Mevrouw Mansburg begrijpt nu dat ze een krasse wending moet wagen om in ’t belang van dat bleeke kind haar vertrouwde te worden:
“Op gevaar af dat je me lastig zult noemen, beantwoord mij deze ééne vraag: Is er iemand op de wereld dien je liever hebt dan papa?”
Of Jacoba op iets dergelijks heeft gerekend, althans haar gelaat teekent geen de minste ontroering.
“Dat is een zonderlinge vraag tante. Nee, zekerlijk is er niemand dien ikzóóliefheb als mijn besten vader.—Ha daar komt Hendrik het hek in! Tot straks tante; bonjour!”
Mevrouw Mansburg heeft haar doel niet bereikt. Twee dagen na Helmonds huwelijk kwam ze bij haar broeder Van Barneveld opDe Zonsberglogeeren. Aanstonds heeft het haar getroffen zoo zwak en lijdend als Coba er uitzag; en, aanstonds had zij tevens Van Barnevelds onrust bemerkt, hoezeer hij die ook te verbergen zocht. En, zij heeft die onrust gedeeld, vooral den dag na haar aankomst, toen Jacoba—nadat men onder het theedrinken tamelijk druk over August en zijn jonge vrouw had gesproken—een soort van flauwte heeft gekregen met een zonderling benauwde ademhaling. Ofschoon mevrouw Mansburg die plotselinge ongesteldheid volstrekt niet voor gevaarlijk hield, en haar ondervinding schier dezelfde verklaring gaf als vroeger dokter Helmond heeft gegeven, zoo moest zij op Van Barnevelds krachtige maar wellicht slechts uitlokkende verzekering: dat het volstrektnietste beteekenen had, toch opmerken, dat Alexander het niet al te licht moest tellen, want—mevrouw sprak wel eens in beelden—dat er nooit een deur van zelf dichtging; was er geen hand die het deed dan deed het een tocht of rukwind misschien.
’t Is reeds bekend dat Van Barnevelds heimelijke onrust, door de herhaling dier zenuw-attaque, en waarschijnlijk door het advies van zijne schoonzuster, aanmerkelijk was toegenomen; en, hoewel met tegenzin, heeft hij op het vragen der zuster langer over dat punt gesproken dan hem lief is geweest. ’t Was zeer verklaarbaar dat hij mede de onderstelling heeft herhaald, of ook Helmonds huwelijk eenigen invloed op Coba’s zenuwgestel kon hebben uitgeoefend. Ofschoon Coba bijna tien jaren jonger was dan hij, zoo waren ze toch, vóórdat August naar de academie ging, in Van Barnevelds huis als kinderen te zamen geweest. August hield bijzonder veel van zijn “klein bleekneusje;” en later als hij met vacanties over was, o wat kon hij haar dan mokkelen de aardige speelpop, het achtjarige zusje; rijden met haar op zijn knie de heele wereld rond, of straks op den rug door het gansche huis—en ’t was een groot mooi huis in Den Haag—naar boven, de breede trappen op, al de kamers door, van de eene in de andere, de trappen weer af, totdat hij er doodmoe bij neerviel.
Ook later heeft August altijd getoond dat hij veel van Coba hield. Toen Helmond dokter te Romphuizen is geworden, en Van Barneveld daarna opDe Zonsbergkwam wonen, ging Helmond—vooral in den beginne, toen de praktijk niet zoo druk liep—erheel veel heen. Natuurlijk is dat later wel iets verminderd, maar geregeld kwam hij er toch een paar malen ’s weeks dineeren, en, dan hadden die twee het altijd druk, zóó zelfs dat papa wel eens tweemaal aan “zijn partijtje” moest herinneren, want, van kwart over achten tot halftien speelde de generaal graag een ombertje en famille.
Ja, Coba hield veel van broeder August.—En, in de laatste twee jaren is er bovendien veel gebeurd. In die sombere dagen toen Philip door zijn schandelijk gedrag den oom en weldoener zulk een smaad had aangedaan, toen heeft haar zenuwgestel een sterken schok gekregen.
Van Barneveld wil het niet ontkennen dat hij Jacoba’s voorspraak toen wel wat ruw heeft afgewezen. ’t Is den eenigen keer geweest dat hij zijn kind harde woorden heeft toegevoegd, maar ze moest het gevoelen, dat de generaal Van Barneveld, van elk ander dan zijn pleegkind, bloed zou hebben geëischt voor zulk een smaad, en gevoelen ook dat men door het zoeken van zijn minderen, zooals Philip had gedaan met dat trouwen ver beneden zijn stand, tot alles instaat raakt, zelfs tot het verguizen, het beleedigen van hen aan wie men het meest is verschuldigd.
Jacoba heeft het begrepen; maar dat ze bij die droeve gebeurtenis alweder aan de zij van broeder August heeft gestaan, en niet eerder dan hij heeft willen berusten in het harde vonnis, ’twelk haar vader over Philip had uitgesproken, het pleitte opnieuw voor de genegenheid, die zij haar pleegbroeder toedroeg en de waarde die ze aan zijn zienswijze hechtte.
En dan, is Coba niet telkens weer zijn krachtige voorspraak geweest, wanneer de vader haar—en misschien wat al te veel—met zijn grieven over het huwelijk van August had lastiggevallen? Ja, Helmonds keuze heeft hem in den aanvang zeer gehinderd. Een oogenblik zelfs was het voornemen bij hem opgekomen om zijn toestemming te weigeren—voor zooverre die weigering beteekenis had,—en Jacoba zal er onder hebben geleden zooals zij telkens Helmonds voorspraak heeft moeten zijn. Immers, August had haar gezegd dat hij zoo onuitsprekelijk veel van Eva Armelo hield, en toch de liefde van zijn braven pleegvader zoo noode verliezen zou. Al wat ze kon heeft ze gedaan om haar vader met dat huwelijk te verzoenen. Ze heeft er aan herinnerd dat Eva’s ouders, ofschoon ze van geringe afkomst waren, toch nu, door den rang van mijnheer, tot den “fatsoenlijken stand” behoorden; ze heeft de omstandigheid dat de kapitein om bijzondere redenen zoo vroeg is gepensioneerd,—redenen die Van Barneveld kende—weten te vergoelijken, door er op te wijzen hoe men nu—en zelfs in Romphuizen—er toch nooit meer van hoorde dat de familie en vooral mevrouw Armelo, dépenses maakte, die haar krachten te boven gingen. Wat Eva betrof, Jacoba heeft haar zeer geroemd, althans voor zooveel ze dat kon. Ze was zoo schoon, ze had zulk een slank figuur, zulk glanzend zwart haar, en daarbij zulke mooie donkerblauwe oogen. Wat speelde ze prachtig en wat zong ze overheerlijk!
Welnu, papa Van Barneveld heeft dan immers ook toegegeven. August moest het weten. In den aanvang had hij hem wel zijn bedenkingen gemaakt, en hem volgens zijn overtuiging, op de zwakke zij van Eva’s karakter gewezen, maar—men weet het—ten laatste heeft hij toch “zooveel mogelijk het zijne gedaan om de onderlinge vrede en liefde te bewaren”.
Inderdaad, er is genoeg geweest om een teeder gestel als dat van Jacoba te ondermijnen. En wanneer men nu Coba’s zusterlijk gevoel voor August in rekening brengt, dewijl het toch vanzelf spreekt dat Helmond veel minder dan vroeger opDe Zonsbergzal kunnen zijn, en althans niet meer onverdeeld zooals vroeger, dan meent de generaal wel grond te hebben voor zijn overtuiging, dat dit huwelijk bij Jacoba zwaarder heeft gewogen dan hij het zich heeft voorgesteld, en dat het zijn plicht zal wezen om, zoodra August en Eva terug zullen komen—ofschoon met verstand, en steeds tegenover Helmonds vrouw met de leuze: “eenvoud en zuinigheid”—het veelvuldig samenzijn, vooral ter wille van Coba, zooveel mogelijk te bevorderen.
Driemaal achtereen heeft mevrouw Mansburg, na een veelbeteekenend ophalen van de wenkbrauwen, dat laatste besluit van haar zwager met een “Ja maar!” beantwoord, en ze dacht er bij: Mijn goede Van Barneveld, al ben je misschien een man die alleen door de juistheid van je blik de sterkste vesting zoudt nemen of een overmachtig leger verslaan, het vrouwenhart doorzie jeniet!
Ja maar! er kon iets anders zijn. Er kon iets anders leven in Coba’s boezem! En, ’tgeen mevrouw niet heeft uitgesproken, dat heeft Van Barneveld toch aanstonds moeten raden;
—Hoe, wat! zou zoo iets mogelijk wezen....!?
En zuster Hermine heeft nogmaals zeer sterk, zoowel haar schouders als wenkbrauwen naar boven getrokken. En, zij zou er zekerheid van hebben, dat beloofde ze vast. Maar inweerwil van haar goede bedoeling, en inweerwil van haar tact, mevrouw Mansburg heeft nóg geen zekerheid gekregen, ofschoon ze er “des ondanks” nog zekerder van is dan den vorigen dag.
“Welke boodschap heb je?” roept Jacoba den knecht toe die naar boven komt.
Hendrik wipt snel eenige trappen hooger en zegt dan:
“Compliment, nog hetzelfde juffrouw.”
“Ik meen van de naaister?”
“O, dat ze zorgen zou dat het naar uw zin zou wezen juffrouw.”
“En van de zij? En zou ze het vooral netjes doen?”
“O, zij had ze genoeg, en jawel, de juffrouw zou heel tevreden zijn.”
“Heb je de taf?”
“Jawel juffrouw.—Alsjeblief.”
“Best Hendrik!”—In het teruggaan zich even omwendend: “Niets beter met mijnheer Donerie?”
Hendrik, in ’t naar beneden gaan stilstaande en omziende: “Nee juffrouw; ’tzelfde; eer minder, was de boodschap.”
“Zoo!”
Op haar kamer gekomen sluit Jacoba de deur zeer zachtjes van binnen op het slot.
Van haar waschtafel neemt ze den flacon; doet een overvloedigen scheut eau de cologne in het water, dat ze zich in de waschkom heeft geschonken; dompelt er haar polsen in, en verfrischt daarna drie, vier keeren haar hoofd.
Nu zit ze weder voor haar papier. Een wijle tuurt ze op de kleine buste van Mendelssohn—in wiens trekken ze steeds een zekere overeenkomst met hem.... meent te zien; en dan, na een paar malen de pen te hebben opgenomen en weer weggeworpen; na nogmaals te zijn opgestaan, en ginder eenige oogenblikken op den stoel bij het venster te hebben gezeten, neemt ze eindelijk weer plaats voor het papier, en schrijft met bevende hand:
“Beste August!“Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken toen je mij op dien avond zoo deelnemend ondervroegt. Ik wist toen reeds wat ik vreezen moest, maar kon niet denken dat mijn gevoel op zulk een harde proef zou worden gesteld. Och waarom moest ik huichelen; waarom je verbergen wat mij verteert....”
“Beste August!
“Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken toen je mij op dien avond zoo deelnemend ondervroegt. Ik wist toen reeds wat ik vreezen moest, maar kon niet denken dat mijn gevoel op zulk een harde proef zou worden gesteld. Och waarom moest ik huichelen; waarom je verbergen wat mij verteert....”
—Verbergen wat mij verteert? Hoe is het mogelijk dat deze woorden aan mijn pen zijn ontsnapt, denkt Jacoba; en dan, nadat ze de geschreven regels heeft herlezen:
—Nee, dat alles is bespottelijk; dat mag en dat kan zoo niet. Het papier wordt nu ijlings door midden gescheurd; en, op een ander blaadje schrijft ze:
“August!“Bij papa’s letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij, ofschoon zelve best in orde, zeer ernstig ongerust maak....”
“August!
“Bij papa’s letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij, ofschoon zelve best in orde, zeer ernstig ongerust maak....”
—Maar dit kan evenmin blijven. Neen, ook August mag niet weten, niet vermoeden zelfs....
Weder staart Jacoba eenige oogenblikken in gedachten op Mendelssohns buste, terwijl ze het geschrevene in kleine stukjes scheurt.
—Ha! die inval komt als een lichtstraal. Ja, dát heeft haar wel voor den geest geschemerd, maar nu eensklaps is het helder geworden. Nogmaals neemt ze een ander blaadje en schrijft dan snel:
“Lieve August!“Bij papa’s letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij ernstiger ongesteld gevoel dan ik hem bekennen wil. Herhaalde flauwtes, binnenkoortsen en slapelooze nachten doen mijvreezen dat ik binnenkort onherstelbaar wezen zal indien, ja August, indien je niet spoedig terugkomt en mij behandelt zooals je dat voornemens waart. Om papa niet ongerust te maken heb ik hem gezegd dat ik mij zelfs beter gevoelde dan vóór je vertrek, en hem uit het hoofd gepraat om je over mij te schrijven, zooals hij een oogenblik van plan scheen, ten einde je te kennen te geven dat een spoediger terugkomst hem aangenaam wezen zou. Waartoe behoeft papa meer of langer in onrust te zijn dan noodzakelijk is. Doch om zijnentwil evenzeer, voelde ik mij verplicht je wel degelijk zelve te schrijven. Mij te verliezen zou hem zwaar vallen. Je gevoelt dat ik in geen geval zoo spreken zou indien wij—al ware het op een paar uren afstand—een goeden dokter hadden. Biermans, die onlangs Loovers kindje als klierachtig behandelde, totdat jij, er bijgeroepen, verklaarde dat het een hersenontsteking was, die man is òf afgeleefd òf nooit te vertrouwen geweest. Stel je waarlijk eenig belang in je zusje, August, keer dan aanstonds terug; ik zal je die liefde duizendmaal trachten te vergelden; maar ook, lieve broeder, laat in ’shemelsnaam niet blijken dat ik je zoo geschreven heb. Behandel mijn ziekte voor ’t oog van papa maar luchtig, en geef als reden van die overhaaste terugkomst op, dat er hier een ernstige zieke was, die volstrekt onder je behandeling wilde zijn. Het treft in zooverre gelukkig dat er juist zulk een zieke is, hoewel het mij voor den armen sukkel spijt. Mijnheer Donerie is, zooals ik vernam, na den dag van je trouwen weer veel erger geworden, en om nu alles voor papa heel natuurlijk te maken, zal ik wel zorgen dat Biermans bij mijnheer Donerie zijn congé krijgt, of zelf verklaart een consult met je te wenschen. Och lieve August, wat verlang ik naar je komst; stel het niet uit want je ziet aan mijn schrift hoe ik beef van zwakte, en ik geloof zeker dat jij me beter zult maken. Wist ik niet dat je liefde voor je kleine zusje reeds voldoende zou zijn om je over alle bezwaren te doen heenstappen, de kans om den Romphuizer muziekmeester, den waarlijk niet ontalentvollen stumper, die in de kerk nog zoo zijn best deed, meteen weer beter te maken, die kans zou alleen reeds genoeg zijn om mijn geliefden broeder tot een spoedige terugkomst te bewegen. Donerie’s ziekte komt in zooverre goed zegt pa, dat ik nu aan geen muziek kan doen.“August, ik tel de uren, de minuten. De koorts verheft zich.....UweJacoba.”
“Lieve August!
“Bij papa’s letteren voeg ik een paar woorden om je te zeggen dat ik mij ernstiger ongesteld gevoel dan ik hem bekennen wil. Herhaalde flauwtes, binnenkoortsen en slapelooze nachten doen mijvreezen dat ik binnenkort onherstelbaar wezen zal indien, ja August, indien je niet spoedig terugkomt en mij behandelt zooals je dat voornemens waart. Om papa niet ongerust te maken heb ik hem gezegd dat ik mij zelfs beter gevoelde dan vóór je vertrek, en hem uit het hoofd gepraat om je over mij te schrijven, zooals hij een oogenblik van plan scheen, ten einde je te kennen te geven dat een spoediger terugkomst hem aangenaam wezen zou. Waartoe behoeft papa meer of langer in onrust te zijn dan noodzakelijk is. Doch om zijnentwil evenzeer, voelde ik mij verplicht je wel degelijk zelve te schrijven. Mij te verliezen zou hem zwaar vallen. Je gevoelt dat ik in geen geval zoo spreken zou indien wij—al ware het op een paar uren afstand—een goeden dokter hadden. Biermans, die onlangs Loovers kindje als klierachtig behandelde, totdat jij, er bijgeroepen, verklaarde dat het een hersenontsteking was, die man is òf afgeleefd òf nooit te vertrouwen geweest. Stel je waarlijk eenig belang in je zusje, August, keer dan aanstonds terug; ik zal je die liefde duizendmaal trachten te vergelden; maar ook, lieve broeder, laat in ’shemelsnaam niet blijken dat ik je zoo geschreven heb. Behandel mijn ziekte voor ’t oog van papa maar luchtig, en geef als reden van die overhaaste terugkomst op, dat er hier een ernstige zieke was, die volstrekt onder je behandeling wilde zijn. Het treft in zooverre gelukkig dat er juist zulk een zieke is, hoewel het mij voor den armen sukkel spijt. Mijnheer Donerie is, zooals ik vernam, na den dag van je trouwen weer veel erger geworden, en om nu alles voor papa heel natuurlijk te maken, zal ik wel zorgen dat Biermans bij mijnheer Donerie zijn congé krijgt, of zelf verklaart een consult met je te wenschen. Och lieve August, wat verlang ik naar je komst; stel het niet uit want je ziet aan mijn schrift hoe ik beef van zwakte, en ik geloof zeker dat jij me beter zult maken. Wist ik niet dat je liefde voor je kleine zusje reeds voldoende zou zijn om je over alle bezwaren te doen heenstappen, de kans om den Romphuizer muziekmeester, den waarlijk niet ontalentvollen stumper, die in de kerk nog zoo zijn best deed, meteen weer beter te maken, die kans zou alleen reeds genoeg zijn om mijn geliefden broeder tot een spoedige terugkomst te bewegen. Donerie’s ziekte komt in zooverre goed zegt pa, dat ik nu aan geen muziek kan doen.
“August, ik tel de uren, de minuten. De koorts verheft zich.....
UweJacoba.”
Of Jacoba inderdaad koorts heeft, of, dat haar stemming iets koortsachtigs had, zooveel is zeker dat een ongewoon blosje haar wangen kleurde toen zij den brief vouwde en, na hetcouvertte hebben dichtgeplakt, nog een tamelijk breed lak er op deed, om eindelijk het eenvoudige adres te schrijven: “Aan August.”
Nu gaat ze naar haars vaders “bureau”.
“Hier is mijn epistel voor onzen zwierbol, pa.”
“Ah zoo Coba,” zegt Van Barneveld die aan ’t schrijven was: “ik dacht al, ’t is kwartier voor twaalven; ’t werd tijd. Om twaalf uur moet Hendrik er mee weg.”
“Hendrik komt pas uit de stad terug pa. Ik wou ’m zelf even brengen. De uwe is immers klaar?”
Van Barneveld ziet haar verwonderd aan:
“Ja, hier is mijn brief, maar wou jij dien naar de stad brengen? Eer Willem de paarden klaar heeft, zal...”
“Nee ik wou te voet gaan.”
“Te voet! Nú te voet.... jij! Heeft tante je daartoe bepraat?”
“Nee pa, maar August heeft wandelen zeer aangeraden.—Ik moet bij de naaister zijn. Hendrik heeft iets vergeten.”
“Je schijnt vandaag bijzonder wèl te wezen, beste meid.”
“O, ik ben weer heel flink!” Zij zoent den vader op zijn hooge voorhoofd: “Toe, sluit u nu mijn epistel in; ’t wordt immers tijd beste pa?”
“Maar wat een vreeselijk lak Coba. Dat couvert dient er af.... Wil ik maar even?”
Jacoba ontneemt hem onverhoeds haar brief:
“O nee, wacht.... dat mag ik niet vergen, wacht!”.... En met den brief snelt ze voort.
“Niet vergen! ha ha ha, niet vergen!” lacht Van Barneveld haar achterna: “dat noem ik discretie....!”
Maar eensklaps betrekt zijn gelaat. Jacoba’s goed uiterlijk en haar vroolijke stemming hebben hem voor een oogenblik doen vergeten, ’tgeen hem toch sedert het gesprek met zijn schoonzuster gedurig als een akelig spooksel voor den geest heeft gestaan.
Zoo dat schrijven aan August op zich zelf niets beduiden mocht, dat zonderlinge wantrouwige wegrukken van den brief toen hij het couvert er af wilde doen, dat zegt iets meer.... ja! dat zegt veelveelmeer:
“Ah zoo Coba, is er nu een ander couvert om?”
“Ja zonder lak.—Ik had het heele couvert kunnen weglaten omdat u hem insluit; maar, nu het er weer om is, nu kan het zoo blijven niewaar?”
“’t Couvert verzwaart een heelen boel; als het je ’tzelfde is dan liet ik het er toch liever af; mij dunkt....”
“Nee nee!” zegt Coba haastig, en als Van Barneveld—alsof hij die zekere vrees niet verklaren kan—haar vragend aanziet, dan herneemt ze heel luchtig, met een glimlach:
“Als men bestellingen in Parijs doet dan kan men redenen hebben waarom zelfs.... un très-cher général”—zij strijkt hem zachtjes met het magere vingertje langs den neus—“heel discreet moet wezen. Kom pa’tje-lief, nu wat spoedig, want u hebt zelf gezegd: beter drie kwartier te vroeg bezorgd dan één seconde te laat. Bovendien ik ben niet van plan om mij te overloopen, maar denk het doodbedaard te doen.”
Terwijl Van Barneveld Coba’s brief in den zijne sluit, en, nog eens naar haar opziende, weder dat lachje om haar lippen bemerkt; nuhij plotseling een geheim in dien brief vermoedt, ’t welk op een verrassing voor hem zal uitloopen, nu kan hij toch niet anders dan in stilte erkennen, dat er sedert gisteren—wie weet, na dat getrouwer innemen en dat heerlijke slapen—iets in die bleeke kleur is gekomen wat menlevenmag noemen.
Ja, die vroolijke trek om hare lippen doet eensklaps het vreeselijke denkbeeld verdwijnen ’t welk hem in de laatste uren zoozeer beangst, en, zijn zorg voor de gezondheid der dierbare is schier geheel naar den achtergrond gedrongen. ’t Was hem plotseling alsof er in ’t geheel geen reden tot vreeze meer bestond, en terwijl nu dehoopzijn liefde voor dat kind te sterker doet opvlammen, legt hij, straks opgestaan, zijn beide handen op Coba’s teedere schouders, en zegt met de innigste verrukking, ofschoon uiterlijk kalm:
“Ik geloof waarlijk dat je eenheelen boelbeter bent Coba. Nu dat dacht ik ook wel.—Ja komaan, waarom zou je niet wandelen als je er lust in hebt; een kwartiertje heen en een kwartiertje terug.—Ei, wat zou je ervan zeggen als papa eens meeging, hé?—Maar kindlief, hoe beef je zoo?”
“Uw handen drukken wat zwaar pa.”
“O popje, popje! Hij zoent haar op de wang: “Kom kruidje-roer-me-niet, dan gauw maar den hoed opgezet. Hier heb ik den mijne. Tante zullen we natuurlijk vragen om van de partij te wezen.”
“Hoor eens pa-lief. ’t Zou mij waarlijk geneeren als u en tante meegingt. Ik heb allerlei met Elsje te bepraten. Laten we van middag te zamen naar den boschwachter rijden, en dáár wandelen; maar nu, naar de stad om mijn commissies te doen, waarlijk, nú ga ik lieveralleen!”