TIENDE HOOFDSTUK.

TIENDE HOOFDSTUK.’t Sloeg op den Romphuizer toren juist halféén toen Jacoba Van Barneveld den brief aan ’t adres van “Monsieur le docteur A Helmond, Hotel du Helder, rue du Helder, Paris,” zorgvuldig in de brievenbus liet glijden. Om van het postkantoor naar de woning van Elsje de naaister te komen, moest zij de eerste straat rechts nemen. Maar Jacoba kiest haar weg ter linkerzij. De groote kerk langs gaande, vermindert zij een oogenblik haar tred, terwijl ze het oog slaat op een der hooge kruisramen, en straks op het kleine poortje dat—zooals dikwijls voor bijzondere catechisaties in de consistoriekamer—ook nu openstaat. Toch vervolgt ze haar weg. Aan ’t eind der Korte Kerkstraat gekomen, loopt ze den timmerwinkel van baas Krul voorbij. Zes huizen verder staat ze stil. Wie haar gadesloeg zou op haar gelaat een uitdrukking bespeurd hebbenalsof zij zich iets herinnerde ’t geen ze bijna vergeten had.—Een oogenblik later staat ze in de werkplaats van Baas Krul, en verzoekt hem opDe Zonsbergte komen teneinde er iets aan een van haar meubels te veranderen:“Dat kun je immers wel, baas?”“Kunnen, ja juffrouw, wat dat betreft, zoo goed als de beste; maar omdat ik nooit voor menheer den ginderaal heb gewerkt, zoo ben ik een beetje schrompiljeus om Kraals het brood uit den mond te stooten.”“O werk jij nooit voor pa; ik dacht het. Nee, dan.... dan.... Ik wist dat niet. Maar in alle geval kun je voor mij wel iets maken, bijvoorbeeld, een kistje niewaar? Zieje, voor mij. Jawel, zoo’n vierkant kistje.”“Meent uwe zoo’n soort van naaidoosje zal ik maar zeggen?”“Precies, zooals je d’r wel meer hebt gemaakt.”“Wel meer? wel meer? O ja, uwe meent misschien iets zooals voor Mietje Ten Hoed?”“Ja baas, zoo iets bedoel ik juist, maar dan heel netjes.”“Nou, dat mot de juffrouw maar aan me overlaten. Als de juffrouw de astrantigheid wil hebben is eventjes mee achter te komen, dan kan ze eigens is zien wat baas Krul met den fijnen beitel al knutselen kan. Kom maar mee asjeblief.—Ga binnen juffrouw.—Dat is de freule vanDe Zonsberg, moeder; die wou ik eens eventjes m’n kleine poppe-lindekastje laten zien.—Wacht, zet jij die wieg is opzij.... Nou watbliefje? Al dat kleine snijwerk dat gaat uit de hand, niewaar moeder? Ja juffrouw, wat de stakker die boven leit me d’r over vercomplimenteerd hêt dat zal ik niet navertellen; maar die was d’r gek na, en weet je wat ik en de vrouw al gezeid hebben: als ie weer beter wordt dan....”“Wien meen je?” vraagt Jacoba.“Wien ik meen? Weet de juffrouw dan niet dat de muziekmeester Donerie hier bijmijnwoont? Och hemel, welzeker! ik dacht dat je dat wist omdat de knecht nog strakjes....”“O ja, nu je ’t zegt, ja, nu weet ik ook wel dat de muziekmeester hier boven woont; bij een timmerman—jawel!”“Al zeven jaren answiet m’n lieve mensch! Maar wat ik zeggen wou: als ie door Gods goedheid weer beter mocht worden, dan ware ik en de vrouw overeenkomstig geworden om menheer Donerie dat kastje voor zooveel als een muziekkastje op z’n kamer te zetten. Och ’t is zoo’n gemoedsvol man.”“Ja zeker dat is ie,” zucht de vrouw: “en nou leit ie daar als ’en geraamte.—Zoek ie ’t een of ander juffrouw....? Och ja, ik begrijp wel, ’t zal je zeker aandoen, want de juffrouw is immers ook van menheers eeleeves, en de heele grootheid van Romphuizen laat naar ’m vragen.”“Dat doet de ginderaal net zoowel vrouw.”“Ik strij ’et niet tegen Krul, daarvan niet; maar ik zeg alleen dat ie veul vriendschap uit de stad ondervindt; al die vruchten en zeleitjes; maar och heere, wat zon ie gebruiken!”“Is het zoo.... erg met menheer Donerie?”“Lieve juffrouw, als je d’r mijn naar vraagt, dan zeg ik....” De vrouw zegt niets, maar haalt de schouders op en zet een zeer bedenkelijk gezicht.“Maar wat scheelt hem eigenlijk?”“Ja, dat is de affaire juffrouw. Dokter Biermans zei dit, maar menheer Van Hake die gisteren hier was, heeft—zoo van achteren op—laten blijken dat ie den drank liever niet nemen moest, omdat....”“Hei hola vrouw! nou ga je buiten je boekje; menheer Van Hake zeinadrukkelijkdat ie dat heel onder de roos zei, want anders ging ie z’n kompetensie te buiten.”“Nou Krul, we benne immers onder de roos, want de juffrouw zal d’r niet van spreken niewaar?”“En gebruikt menheer Donerie nu in ’t geheel geen medicijnen?” vraagt Jacoba.Man en vrouw Krul zien elkander veelbeteekenend aan:“Wel nee juffrouw. Neezekerlijkniet!” zegt vrouw Krul.“Hoor is Antje, laten we nou voor God en ons geweten niet liegen. Als de juffrouw d’r niet van gesproken had dan zouwen we gezwegen hebben, maar in stilte—jawel vrouw, waarheid bovenal—ziet u, in stilte heeft menheer Van Hake....”Vrouw Krul, die op Jacoba’s gelaat iets zag voorbijgaan ’twelk ze voor een teeken van bijzondere goedkeuring hield, valt haar man in de rede.“Jawel, toen heeft menheer Van Hake ’s avonds ’t een of ander uit de aptheek gebrocht, en we hebben van nacht met bloedzuigers getobd, och Heere! en ofschoon ’t niet beter is, menheer Van Hake zei strakjes nog,—altijd onder de roos—dat ie zonder dat alles den dag niet gehaald had.”“’t Zou heel jammer zijn geweest;” zegt Jacoba terwijl ze zich omwendt en naar de deur gaat: “Ik hoop er het beste van!”Juffrouw Krul maakte bij zich zelve de opmerking dat het gevoel dergrootheidtoch gauw bekoelde. Hoe koud was dat antwoord.Krul heeft iets dergelijks gevoeld; ’tgeen hem te meer trof omdat de juffrouw niemendal van zijn poppe-lindekastje heeft gezegd, geen boe of ba:“Jammer! ja, als je d’r jammer van zeggen kunt, dan zeg ik dat het krek jammer zou zijn; en dan het adee dat zoo’n mensch—onder ons gezeid en gezwegen—verknoeid is.”Jacoba blijft bij de deur staan, en omziende zegt ze als viel haar wat in:“Als dokter Helmond hem behandeld had dan zou het zoo erg misschien niet geworden zijn?”“Net wat we samen gezeid hebben juffrouw,” herneemt Krul: “en ’t ergste is dat hij nu juist op reis moest wezen, en zoo wijd van hier; want om je de waarheid te zeggen, dat ie menheer Helmond uwes broer of neef, niewaar, beter vertrouwde dan den ouwen Biermans, dat kon je al lang merken; niewaar Antje?”“Ja. Ojee! als ie ielde dan was het schering en inslag: Helmond, Helmond, en allerlei; maar van Biermans hoorde je nooit.”“Als menheer Donerie er zoo op aandrong dan is het toch vreemd dat jelui dokter Helmond niet hebt laten telegrafeeren.”Krul ziet zijn vrouw met beteekenis aan:“Nou Antje, wat heb ik gezeid?”“Jij, nee wat hebikgezeid!Ik! En daarom heb ik menheer Van Hake ook eigenlijk gesproken; maar die wou d’r niet aan; die durfde voor een patiënt van Biermans geen telegraaf sturen; dat kon en mocht hij niet doen. Zieje juffrouw, dat het aan ons niet lee....!”“Maar mij dunkt, jelui zult er toch de naasten toe wezen. Ik heb er mij niet mee te bemoeien, maar de verantwoording zou me wat zwaar zijn.”“Ja waarachtig Antje, de juffrouw heeft gelijk. Ziet u, als we wisten, niewaar, dat dokter zou komen; en waar ie ergens bezeild was, dan....”“Ja Krul—maar zoo’n telegraaf.... en....”“Eigenlijk heb ik geen tijd,” zegt Coba, meer naderbij komend: “maar als jelui d’r zoo op gesteld bent, dan wil ik wel even zoo’n telegram opschrijven; om je plezier te doen natuurlijk, en omdat menheer boven er zoo op aandringt.”“Aandringen; nu ja, aandringen is de rechte benaming wel niet, maar....”“Jawel Krul, dat roepen: Helmond, Helmond, dat noem ik aandringen.”“In één woord, als jelui er bijmijop aandringt, geeft dan maar een stukje papier....”Krul en de vrouw zien rond alsof ze het gevraagde op den vloer zouden vinden, maar eindelijk zegt Antje:“Je zakboek Krul!”“Ah ja Juist!—Wacht.”—Hij scheurt er een blad uit en biedt het met zijn timmermanspotlood Jacoba aan.“Heb je geen inkt?”Weer zien de echtgenooten hun kamertje rond.—Nee, in dat glazen fleschje, waaruit een vuil stompje ganzepen steekt, is niets dan een weinig verdroogd zwart te ontdekken.“Zie dat is nou spijtig, maar inkt hebben we niet in huis;” zegt Krul.Jacoba met het oog op een “Onze Vader” in sierlijk schrift aan den muur, vraagt, blijkbaar afgetrokken maar toch met een bijzonderen nadruk op het voorlaatste woord:“Hé! geen inkt in hetheelehuis!”“Wel Krul, nou zou je niet eens aanbovendenken;” zegt de vrouw: “Op de voorkamer van meneer is een heele toestel.”“Accoord, dat wou ik net zeggen!” herneemt de man: “loop jij maar eventjes naar boven en haal het hier.”“Maar dan moet je den zieke storen;” zegt Coba met eenige trilling in de stem, terwijl ze steeds het “Onze Vader” ziet.“Nee, excuus juffrouw, menheer leit achter.”“Ah—zoo—heeft ie een vóór- en achterkamertje?”’“Kamertje!!” vallen Krul en de vrouw schier gelijktijdig uit, en de laatste vervolgt: “Nou ’t benne in ’t geheel geen kamertjes, maar zuiverekamershoor! en heelemaal op z’n grootelui’s gemeubieljeerd. Nee, als de juffrouw ze zien wil, kom dan maar is mee—asjeblief?”Jacoba met den rug naar de echtgenooten Krul, wijdt haar bijzondere aandacht aan een paar zwarte knipsels naar reeds overleden Romphuizer dominee’s.“En als de juffrouw van schilderijen houdt, zooals ik zie dat ze doet,” zegt Krul: “dan kan ze daar nog m’n eigen vrouws vader en moeder in miliatuur zien hangen, dat was ook grootheid, niewaar moeder?”Vrouw Krul blijft niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen. De herinnering aan die—altijd eenigszins betrekkelijke grootheid, verlevendigt haar wensch dat de juffrouw vanDe Zonsbergeens zien zal, hoe haar eigen huis er boven uitziet, en niet langer zal denken dat het zoo min is.In ’t einde zal ze echter dien wensch moeten opgeven. Juffrouw Van Barneveld schijnt niets nieuwsgierig te zijn.“Nou Antje,” zegt Krul gemoedelijk: “we moeten de juffrouw niet forceeren. Ik zal maar eventjes dat inktpotje halen; de trap is ook nog al stik voor de juffrouw.”“Och nee, wat dat betreft,” zegt Coba: “als je erop gesteld bent, och dan wil ik waarlijk wel eventjes meegaan.”’t Was goed dat vrouw Krul op de trap achteraan kwam—een oogenblik werd Coba zoo raar, doch ’t duurde één oogenblik slechts, en zonder dat de timmermansvrouw er iets van behoefde te merken, kwam Coba boven.“Hier juffrouw asjeblieft: hier heb je nou de voorkamer. Dáár, die deur, dat is de slaapkamer. Ik spreek wat zachtjes omdat de stakker daar leit, weet u, en als ie me hoort dan wil ie me graag hebben ook.”“Ligt ie dan alleen, heel alleen?” zegt Jacoba zeer snel.“Dat is te zeggen, nee, m’n oudste dochtertje, zoo’n aankomeling, die zit bij ’em, en past ’em op, alsikof m’n man d’r niet bij benne. Wacht, gaat uwe nou hier maar in. Hé, dat hadt je zoo niet verwacht! Riant niewaar? Prebeer die stoelen maar eens, ekfetief paardenhaar! Onderwijl zal ik toch is eventjes kijken of ie nog slaapt. Och als ’et maar rust was!”Na deze woorden verlaat vrouw Krul het zooeven binnengetreden vertrek; ontdoet zich op het portaal van haar pantoffels, en gaat op de kousen het slaapkamertje van Donerie in.Jacoba is alleen.—Zou het mogelijk zijn dat iemand het kloppen hoorde van mijn hart, denkt ze, terwijl ze de eene hand erop houdt gedrukt en die vluchtig aan het voorhoofd brengt: Wat heb ik gedaan! Hier te komen, hier!—Zie, dat moet zijn piano wezen.—Dat vrouwenkopje er boven....?—Zou dat misschien het portret zijn van eene.... die....?Met een snellen blik heeft Jacoba zich overtuigd dat het bedoelde portret een gravure is. Maar, ’t is de zeer fraaie gravure van een beeldschoon meisje.—Een huivering overvalt Van Barnevelds dochter. Toevallig heeft ze haar eigen bleek en mager gezichtje in den spiegel gezien.—Stil, daar komt de vrouw terug:“Goddank!” zegt ze: “ofschoon hij niet slaapt, hij ligt toch rustig. Och lieve God, de stakker! Maartje zei dat ie straks nog driemaal in ’t ielen Helmond riep: en dan van den kapitein Armelo en z’n familie ielt ie ook. Maar omdat ie den dokter noemt, blijf ik er bij dat we dokter met de telegraaf moeten hier halen. Wacht, hier is inkt in overvloed, als je nou schrijven wilt...?—Je bent d’r toch óók ontdaan van juffrouw; ik zie ’et aan je bevende hand.”Jacoba verklaarde wel bewogen te zijn en wel medelijden met den zieke te hebben, maar dat beven kwam toch van iets anders ... de trap was tamelijk steil; en zie, terwijl ze schreef lag haar pols op den scherpen rand der tafel.... Doch, nu beeft ze niet meer....—Ja tóch, nu wel, Maar o God, wie zou er ooknietgebeefd hebben van dien droeven kreet.Met een ontsteld gezicht vertoont zich Maartje op den drempel en wenkt hare moeder.Nogmaals blijft Jacoba alleen.—Zij luistert.... Bitter pijnlijke kreten doen zich telkens hooren. Aan een onduldbaar lijden moet die arme kranke ten prooi zijn. Terwijl de moeder met haar kind de deur der ziekenkamer opent en er binnengaat, snijdt een schrikkelijke wanhoopskreet de luisterende Jacoba door de ziel.—Nu klinken die kreten weer doffer. Men had de deur gesloten. Nochtans de woorden, die hij somwijlen met verheffing uitgalmt, zijn wel verstaanbaar te midden van een klankenvloed zonder samenhang—treffend gelijk plotselinge ratelslagen bij het doffer dondergerommel van verre.Jacoba’s hart bonst met pijnlijk geweld. Op den drempel der voorkamer, starend in de richting der deur van Donerie’s slaapvertrek, staat ze met het hoofd voorovergebogen en zich vastklemmend aan den deurpost.O God! zóó erg heeft ze niet gedacht dat het wezen zou. Daar moet aanstonds,aanstondshulp komen: een professor uit Utrecht! O, dat is een vreeselijke ijlkoorts. Hoor:“Laat mij!!—Laat los!!” zoo klinkt het: “Ik wil haar grijpen! Zij vliegt over de daken. Zie maar, verscheurd door een tijger...! Laat los! ik ben een tijger!... Heisa! Laat los! ik moet haar vangen! In de secretaire. Ho! ho! pakt hem! pakt hem! Helmond! O, o! Helmond!”In hetzelfde oogenblik stormt het kind van den timmerman angstig geworden ter ziekenkamer uit.“Vader! vader! help!” roept het gillend aan de trap.Jacoba weet niet meer waar ze zich bevindt; het donkere portaal is haar als een graf; maar altijd hoort ze toch die kreten; ja, ondanks haar verdooving nu zelfs sterker dan te voren. O, wat klaaglijkgesteun. Wat vreeselijke smart in dien toon.—Ha, nu weet ze weer waar ze zich bevindt. Ginder ligt de jonkman wiens dierbaar beeld haar geheele ziel vervult. Daar ginder ijlt en lijdt hij; en ruwe handen verzwaren zijn lijden misschien! En zij, wat moet, wat mag ze doen? Zal ze haar zachte handen drukken op dat schoone, nu kranke voorhoofd? Hem zoete woorden toefluisteren, om zoo mogelijk kalmte te brengen in dat verhitte brein? Met koud water die blanke slapen bevochtigen; immer koelend totdat een zachte slaap zijn oogleden sluit; en dan waken aan zijn sponde, en den doodsengel verjagen door de innigste gebeden? Hem met haar adem bijstaan als de zijne te ontvlieden dreigt; hem liefkoozen ... zoenen op die bleeke lippen...!?Neen! neen!! O groote God, neen! dat heeft Jacoba niet gezegd; zelfs nietgedachtin dezen stond.—Al rijten die vreeselijke kreten haar ook den boezem vaneen, geen schrede mag zij verder. Daar is een krachtige stem in haar binnenste die ’t haar verbiedt; en immers, voor haar verbeelding staat daar een dreigende vader, die vertwijfelen zou indien hij vermoeden kon wat er omgaat in het hart van zijn teergeliefde eenige dochter.Van hier dan Jacoba! Spoed! Verzend dat telegram, of, doe nóg sneller hulp opdagen, de beste die te bekomen is. Maar voort, van hier!—En toch, moet zij de stem van dien arme dan hooren, zoo angstig, zoo radeloos bijwijlen, en zonder hem te zien? O God, al is hij dan niet meer gelijk voorheen, zooals hij dikwijls naast haar zat, met de glimmend zwarte krulharen en den fijnen knevel scherp geteekend tegen het mannelijk blank van zijn edel welgevormd gelaat; al zijn die donkerbruine oogen, nú de oogen vol geestdrift niet wanneer hij met den fijnbesneden mond aan zijn gretig luisterende leerlinge van den kunstroem der klassieken sprak; al moet de schoone kloeke jonkman, nu ten prooi aan de vreeselijkste ijlkoortsen, slechts de schaduw zijn van ’t geen hij zoo kort geleden nog was, ach, kan zij dan vanhier gaan zonder een enkelen blik te werpen in dat vertrek; zonder den juisten indruk te hebben van zijn toestand; zonder hem nog eens, o God! misschien voor ’tlaatstte hebben aanschouwd?Zie, de deur der ziekenkamer staat op een kier. Met bonzend hart en op de toonen zachtkens voorwaarts komend, doet ze een schrede in de richting dier kamer ... een tweede ... een.... Neen, eensklaps deinst ze terug:“Laat los! Hoor je niet, los!” roept Donerie weder; en akelig klinkt zijn hijgende stem: “Zij is de mijne!—Ha! Op de voorkamer is ze. Laat los! of ze vliegt het raam uit; over de daken. Ha: heisa! los!”Een dreun, een slag heeft Jacoba nog gehoord. Toen is het nacht voor haar geworden, heelemaal nacht.ELFDE HOOFDSTUK.’t Is een oud, misschien een goed gebruik in het stadje Romphuizen, dat de torenklok der gemeente verkondigt wanneer er een doode naar zijn laatste rustplaats wordt gevoerd. De klok had echter heden niet noodig haar droef “memento mori” te doen klinken, want reeds voordat ze haar stem verhief, was er veel volk op de been. Geen wonder, er zal wat bijzonders te zien en te hooren zijn.Ginder, buiten de zoogenaamde Zijperpoort, trekt de zwarte stoet langzaam voorwaarts, en de zware lindenlaan in, op wier helft het groote kerkhofhek reeds geopend staat.De zon lacht en spartelt zoo vroolijk in de breede laan alsof het een feeststoet ware, die zich onder de vallende bloesems voortbewoog.Spotte zij misschien met den vreeselijken huilebalk wanneer zij tusschen de bladeren door, snelle lichten op dat zinlooze hoofddeksel kantte? Lachte zij met den terugstootenden lijkwagen als ze vonken spatte op die doodshoofden en gekruiste beenderen, op de doodskoppen vooral, die natuurlijk niet zien kunnen—dat er een zon aan den hemel, en het heelal met ontelbare werelden doorzaaid is.Wanneer men op de Zijperbrug bleef staan en van daar de laan inzag, dan was er nochtans iets plechtigs, ja iets aangrijpends in dien optocht.Onder het tintelend groen der zware linden, verloor de hooge koets zich van lieverlede in een fijn-blauwe tint. Zoo van verre had die lijkwagen wel eenige overeenkomst met een monument, een vierkant grafgesteente met een urn er boven op.En zie, aan den voet van dat monument verheft zich, boven de golvende menigte, een zilverwit voorwerp—juist blinkend in een zonnestraal. ’t Is de kleine zilveren harp boven de rooskleurige banier der muziek- en zangvereeniging “Koning David”. Het rood satijn der banier met zijn zilveren letters is door een zwart floers omgeven, maar nochtans komt die kleur—evenals die blinkende harpknop erboven—steeds zeer duidelijk uit tegen den vaalblauwen toon van dat monument, den langzaam wegschuivenden wagen.En de golvende schaar, wier aanblik het hart met weemoedigen ernst vervult, zij getuigt het mede dat er in dezen lentemorgen geen gewone begrafenis plaats heeft. Immers, ’t zijn niet enkel mannen en jongelingen die den wagen volgen. Neen, meer dan dertig meisjes en jonge vrouwen gaan met kloppende harten mede, om aan een afgestorvene, die haar zoo lief was, nog een laatste hulde te brengen, en straks bij de versch gedolven groeve saam te stemmen in het lied waarvan de slotzang luidt:Slaap zacht!Op den krans dien we u vlochten,Slaap zacht!Tot den morgen die u wacht.Goeden nacht! Goeden nacht!Hoor, het geboem-bam der torenklok dreunt nog voort. En zie, de lijkkist van de zwarte sprei ontdaan, staat reeds boven de groeve.Met bevende hand heeft een der meisjes een frisschen lauwerkrans op het deksel der kist gelegd, terwijl een jonge vrouw van de andere zijde genaderd, er eene van immortellen daarnevens plaatst.’t Is nu dominee Hoogerberg die op de lijkkist toetreedt en straks, na een korte inleiding, zijn hartelijke toespraak aldus vervolgt:“Ja, een wolk nam hem weg van deze aarde. Nog ruischt ons de Hymme in de ooren, die hij deed klinken toen twee geliefden zich voor het oog des Almachtigen hadden vereenigd, en hij, instemmend met hun blijdschap, als een andere David heerlijke tonen lokte uit zijn verheven speeltuig. En,—dat die tonen de laatste zouden zijn! Velen onzer wisten het ternauwernood dat hij zich ongesteld gevoelde op dien morgen, en geen enkele was er die vermoeden kon dat reeds de kille hand des doods hem had aangegrepen toen nog zijn vingeren het orgel deden juichen: “Loof, loof den Heer mijne ziel!”“Hij is niet meer! De man die op het gebied der heerlijke toonkunst zulk een leven in onzen doodsslaap wekte; die gedurende een zevental jaren ons en onze kinderen voorging waar het de verhevenste der kunsten gold; hij is van ons heengegaan: een wolk nam hem weg voor onze oogen.—Dat hij leeft of leven zal in een betere wereld, ter eindelooze volmaking, het is onze hoop, ons blij vertrouwen. Maar, als ik de tranen zie, jongelingen en maagden, de tranen die u vloeien langs de wangen, terwijl wij ouderen ze zelfs met moeite bedwingen of niet bedwingen kunnen, dan zeg ik met u: ’t is ons niet genoeg te hopen, noch zelfs zeker te weten dat een dierbare broeder of zuster leeft in hoogeren werkkring; immers wij missen, wij betreuren hem, wij dragen rouw over hem. Maar wél dan, indien we bij een blijmoedig: Daar zal licht zijn aan gene zij van het graf! ook kunnen roemen van hem of van haar die stierf: Onze broeder of zuster leeftnog op aarde!“En onze vriend, onze leidsman in het rijk der tonen, hij leeft en zal met ons leven, ofschoon wij hem missen zullen, heden en telkens weer. Hij leeft, ook voor ons! Wat hij goeds stichtte dat blijft, dat zal voortleven in ons en in de kinderen die hem liefhadden.—Ziet onze banier:Koning David!—Neen, de groote koning isnietgestorven ofschoon er eeuwen over zijn graf zijn gegaan. Is het omdat hij tot koning werd gezalfd, of, omdat uit zijn geslacht de Eenige onder de menschen is voortgekomen? Neen, hij leeft bovenal, omdat hij dichter was, omdat hij liederen zong vol gloed en bezieling; hij leeft als de harpenaar, en zijn vorstelijk paleis is nu de gansche wereld.“In bescheidener huis dan een David zal onze ontslapen vriend woning behouden op aarde: Inonzeharten, inonzedankbareherinneringzal hij gehuisvest zijn.“Mijn vrienden! Werke hij dan in reiner oorden, naar des Almachtigen welbehagen, ookhierzal zijn geest wonen, ook hier zal hij met ons leven. Amen! Amen!!”En na deze woorden, op diepgeroerden toon gesproken, valt het koor in, en zingen Donerie’s vrienden:VROUWEN.Nog was zijn lente niet gevloden,Toen hem des maaiers sikkel trof.MANNEN EN VROUWEN.Nu bergen wij zijn dierbaar stofVol weemoed in den stillen hof,Te midden onzer lieve dooden.MANNEN.Zijn kunstnaars-ziel vol reine klankenOntvonkte in ons den zin voor ’t schoon.SOLOsopraan.Welluidender werd steeds de toonIn onzen kring.TRIOsopraan, tenor, bas.Helaas! tot loonOntvangt hij nu, in ’t somber grafWaaraan de dood hem overgaf,Ons diep weemoedig danken.SOLOtenor.Luister: “Treurt niet over mij,”Zoo ruischt zijn stem in ’t suizend koeltje ons toe:“De toonkunst, ’t rijk der melodij“Was reeds van eeuwigheid. Ze is de adem Gods!SOLOsopraan.Ja, blij te moe“Zal zelfs het vogeltje in ’t woud bij ’t uchtendpralen,“U dat zoet schallende verhalen.SOLOtenor.“Waartoe dan rouwe nu! Wie heeft er mij te danken!“In ’t Heiligdom der klanken“ZijnvelePriesters. Op dan! Op! Weent bij hun assche niet;“Onsterflijk is de harp, onsterflijk is het lied!”MANNEN EN VROUWEN.Een priester vol reinheid, hém geldt onze rouw:Een priester rechtschapen, in ’t minste getrouw.Den kunstnaar zoo needrig en klein bij zijn kracht,Dienpriester, dienmenschgeldt ons weenend: slaap zacht!VROUWEN.Slaap zacht,Op den krans dien we u vlochten!Slaapt zachtTot den morgen die u wacht!MANNEN EN VROUWEN.Goeden nacht! Goeden nacht!In welluidenden toon klonk nog drie malen, telkens stiller, dat aandoenlijk: Goeden nacht! en de laatste droeve klank stierf langzaam weg op den doodenakker, terwijl het stoffelijk overschot vanHerman Doneriein de groeve werd neergelaten.TWAALFDE HOOFDSTUK.’t Is de derde dag na dien, waarop de beschreven plechtigheid had plaats gehad, en de achtste na de overhaaste terugkomst der jonge echtgenooten.In de kleine achterkamer van het doktershuis aan de straatzijde, onmiddellijk grenzend aan de apotheek, zit Eva in een keurig morgentoilet, bij de overblijfsels van het ontbijt, dat ze reeds meer dan een uur geleden met haar August gebruikte.Zooals ze daar zit, gracieus en toch ongekunsteld achteroverliggend in haar stoel, de donkere lokken van onder het guitige morgenmutsje dartel wégvluchtend naar de ronde schouders; met een nieuwsblad van ongewonen vorm in de blanke handen, vertoont er zich op Eva’s schoon gelaat zulk een glans van innige verrukking, dat August, indien hij haar zóó had mogen bespieden, geen oogenblik getoefd, maar haar aanstonds met kussen van blijdschap zou hebben overladen.Wát—wát ter wereld wilde hij ook liever dan zijn aangebeden vrouwtje, zijn eenige Eva, gelukkig zien; gelukkig, zooals hij het is met haar.Maar August ziet haar nu niet met dien trek van welbehagenop het gelaat. Straks toen hij heenging, stonden die mooie oogen strak, zeer strak. Ja, zij heeft hem wel een zoen gegeven, maar ’t is geen zoen geweest die.... haar geliefden man iets zeggen moest; niets—of het moest iets geweest zijn dat maar beter gezwegen was.Eva heeft teleurstellingen gehad; ’t is waar. Inplaats van een groote veertien dagen in Parijs te zijn, is zij er slechts een paar dagen geweest. Instede van zoo ontzaglijk veel te zien waarop ze zich verheugde, is ze, uit deernis met haar vroegeren leermeester, teruggekeerd, maar, zonder de voldoening te smaken dat haar opoffering van eenig nut is geweest. Immers, toen August den kranken Donerie zoo spoedig mogelijk na zijn thuiskomst heeft bezocht, toen moest hij hem helaas, reeds stervende vinden.Ja, Helmond gevoelde wel dat Eva in deze dagen niet zijn kon zooals hij het zich, met een vroolijk oog in de toekomst, had voorgesteld.—Moe van het reizen, zoo heeft hij gedacht, verzadigd van het zien en bewonderen, zal zij, bij ’t allereerst bezitten van eeneigenhuis—al mag die woning haar dan ook niet in alle opzichten voldoen—er toch spoedig een zekerder genot vinden dan die wereldstad haar schenken kon. O, in zijn verbeelding zag hij Eva al schikken en verplaatsen en beredderen, en de teugels opnemen van het huishoudelijk bestier, met al den ijver, waarmee een jonge vrouw gewoonlijk de teugels van haar bewind aanvaardt.—Maar nu, onvoldaan en geenszins van het zien verzadigd, is Eva teruggekeerd. In haar nieuwe woning, waar men op die onverwachte komst niet was voorbereid, ontbraken bijna al de kleine geriefelijkheden, waaraan zeker op den eerstbepaalden dag van terugkomst, door de goede zorg van mevrouw Van Hake, niets zou ontbroken hebben. Om slechts iets te noemen: niet vroeger dan morgen konden de ledikant- en meubelgordijnen bezorgd en opgehangen worden, zoodat men zich nu reeds acht dagen zonder die gordijnen heeft moeten behelpen. De dood van Donerie, die toch een goed vriend van Eva is geweest, en van wien ze altijd met zooveel achting als haar leermeester sprak—heeft ook niet meegewerkt om haar over de teleurstelling heen te zetten en vroolijk te stemmen. Zeer veel verdriet heeft ze bovendien van de “hulde” gehad, welke men hem aan zijn graf heeft gebracht. Ja, ’t moest haar wel zenuwachtig maken, zooals men haar gedwongen heeft mee te zingen. Helmond is krachtig tusschenbeiden gekomen. ’t Was niet kiesch dat men een jonggehuwde vrouw kwam geweld doen om zich aan een graf te doen hooren. En dan—zij had gelijk—men moest ook begrijpen dat Eva Helmond, niet meer Eva Armelo was. In één woord, die geschiedenis heeft het goede kind zeker nog veel meer aangedaan dan ze blijken liet, terwijl ze zich toch de moeite heeft getroost om op dringend verzoek van ’t gezelschap “Koning David”, een compositie van Donerie, welke op den laatsten oudejaarsavond in de kerk is gezongen en nu met kleine wijzigingen, bij andere woorden in denzelfden rythmus, zou gebruikt worden, te helpen in orde brengen, zoodat de kleine Cantate door die hulp dan ook zeer goed voldaan heeft.Eva had zich daaraan niet willen en kunnen onttrekken, maar, dit alles moet haar stemming verklaren, een stemming die door het zonderlinge verzoek van oom Van Barneveld, om vooreerst haar visite opDe Zonsbergnog wat uit te stellen, er zeker niet op verbeterd was.—’t Is natuurlijk, denkt Helmond onder ’t wandelen voort: het kind heeft reden om niet zoo vroolijk en opgeruimd te wezen als ik het wenschen zou; ik zie het nu duidelijk in.—De een zet zich gemakkelijker over ’t leed en de teleurstellingen der wereld heen dan de ander.—Immers, ook hij zelf heeft zijn teleurstellingen gehad. Reeds in het eerste uur na hun aankomst, kreeg hij aan Donerie’s sterfbed de zekerheid dat zijn kunst op den armen lijder niets meer vermocht; en—nog in datzelfde uur bevond hij zich in de woning van zijn oom, waar hem een nieuwe teleurstelling wachtte.Zonder den schijnbaar kalmen pleegvader te doen bemerken dat diens onrust over Jacoba de oorzaak van hun overhaaste terugkomst is geweest; voorgevend dat Donerie’s hoogstgevaarlijke toestand hem er toe besluiten deed, heeft August getracht den geliefden oom al aanstonds zooveel mogelijk gerust te stellen, door, bij het terugzien en ondervragen van Jacoba, een zoo luchtigen toon aan te slaan als de omstandigheden het gedoogden.En gelukkig, met de meeste gerustheid heeft Helmond zijn vroeger gegeven woord kunnen herhalen: dat Jacoba’s toestand, volgens zijn vaste overtuiging, voor ’t oogenblik geen de minste reden tot bezorgdheid gaf. Haar zenuwgestel was wel uiterst zwak, zoodat schrikken als in de woning van Krul haar allernadeeligst waren, maar indien men zijn voorschriften nu eens getrouw wilde volgen, dan twijfelde hij niet of zijn lieve zusje zou nog dezen zomer weer veel flinker en krachtiger zijn.En Van Barneveld heeft na die verklaring, zoodra hij zich met den neef alleen bevond, met zekere ongewone koelheid gezegd, dat de verhaaste terugkomst ter wille van den reeds stervenden muziekmeester, hem mede genoegen deed, omdatzuster Herminezich over Coba wat bezorgd had gemaakt, en met de herhaling van zulke vapeurtjes inderdaad wel eens weten wilde of men er notitie van diende te nemen ja of neen. Doch.... Helmond moest die ongesteldheid heel en passant behandelen. Ware die laatste schrik er niet bijgekomen, dan zou Coba nu zeker reeds geheel beter zijn, want tante Hermine kon getuigen, hoe ze op den morgen, toen ze zoo ongelukkig bij den timmerman verzeild geraakte, bijzonder wel en zelfs zeer opgewekt was geweest.—Welzeker, Helmonds voorschriften, en vooral van de koudwaterbaden, zouden zoo nauwkeurig mogelijk worden opgevolgd, maar hij zelf moest nu vooreerst wat op den achtergrond blijven. Hoe minder Coba aan haar ongesteldheid werd herinnerd, en ook aan de personen die ze in den laatsten tijd had ontmoet, zooveel te beter scheen ze zich te gevoelen. Bezoeken waren haar alles behalve dienstig, en dáárom ook zou Eva—ofschoon men haar natuurlijk gaarne ontving—beter doen om haar bezoek opDe Zonsbergnog een acht dagen uit te stellen.Zoo heeft oom bij het eerste bezoek gesproken. En August.... wat heeft hij kunnen antwoorden! Ofschoon hij in Coba’s toestand inderdaad geen reden tot oogenblikkelijke bezorgdheid vond, zoo geloofde hij toch dat men den vijand met kracht moest bestrijden. Hij heeft zich voorgesteld dagelijks zijn geliefde pleegzuster te zullen bezoeken en met de meeste opmerkzaamheid gade te slaan, teneinde den oorsprong van haar kwaal te ontdekken, en alzoo te spoediger tot haar herstelling te geraken. Dat een geheim verdriet haar kwelde had August reeds vermoed, en krachtig werd hij in die meening versterkt nu hij Coba heeft weergezien. En wat moest hij dan antwoorden? Zou hij ooms onrust niet onnoodig prikkelen indien hij na zijn verklaring—die ter geruststelling, helaas, wat al te rooskleurig geweest is—tóch op een geregelde behandeling bleef aandringen? Hij kent den oom, en wil tot geen prijs—ook in Coba’s belang—zijn vertrouwen verliezen. Maar zie, dewijl hij den vader niet noodeloos heeft willen bezorgd maken, wordt nu zijn persoonlijke hulp, zijn geregeld praktizeeren over het goede pleegzusje, als geheel onnoodig versmaad. Was hij dan niet alleen uit belangstellende liefde voor Coba zoo haastig teruggekeerd! En instede van blijdschap daarover, heeft hij een zonderlinge koelheid bespeurd, terwijl ooms bepaald verzoek: dat Eva vooreerst niet opDe Zonsbergzou komen, de maat heeft volgemeten. Ja, met reden mocht ook August over teleurstelling klagen. Die overhaaste terugreis, wat heeft zij goeds gesticht....? Niets! Een enkel recept, een enkelen raad heeft hij aan Coba mogen geven, dat was alles! En Donerie is gestorven; en Eva was ontevreden, en.... Maar komaan, heeft Helmond in ’t einde gezegd, men moet zijn verstand gebruiken: ooms aangeboren weerzin tegen den “medicijnwinkel” en een “praktizeerend dokter over den vloer”, hebben hem zóó doen besluiten. Den dokter moet hij weren zoolang het hem mogelijk is. Doch, ofschoon voor het oogenblik gerustgesteld, oom zal het koudwatermiddel—’t welk blijkbaar zijn goedkeuring heeft weggedragen—zeker geregeld doen aanwenden; August kan nu de werking daarvan afwachten, en, mocht Coba’s toestand onverhoopt den armen oom in nieuwe spanning brengen en hem toch weder tot den dokter zijn toevlucht doen nemen, dan—dán zal die dokter wat geslotener en ook wat voorzichtiger zijn. En nu, Helmond zal zich over die wereldsche teleurstellingen heenzetten. ’t Is jammer dat Eva daar niet even gemakkelijk toe besluiten zal. Maar geduld, met den tijd zal dat beter worden. Eva is nog zoo jong; pas even twintig jaren!—Zeker, het zou de grootste dwaasheid zijn geweest, indien hij had toegestemd om nu, nú aanstonds reeds, die reis te hervatten: maar Eva zal het zelve spoedig inzien, en als ze dan van dat denkbeeld is teruggekomen, dan zal ze weer lief en vroolijk zijn. Ja! en als dan de mooie ovale spiegel komt waar ze zoo’n zin in had, dan zal ze wel blij verrast en tevreden lachen. Alle leed is dan vergeten, en we maken weer plannen voor de toekomst, en reizen al vast eens achter den haard, om later, later misschien.... Och, ’t is zoo’n goed en lief en prachtig vrouwtje. Indienzij dat andere, die zekere zucht naar grootheid maar wat onderdrukken kon, dan....................—Ho ho, dokter Helmond, dat is immers “het kenmerk van den adeldom der ziel”.—Nu ja, zoo is het, en hij zal ook met zijn lachende Eva gelukkig wezen. Zeker, van morgen—van overmorgen afaan, geheel en al, en juist “door wijsheid te mengen in zijn vurige liefde”.Zoo dacht August bij tusschenpoozen terwijl hij zijn patiënten bezocht, en telkens bij die bezoeken, waar het pas gaf, roemde in zijn geluk, en roemde over de lieve vrouw, die “ook zoo gelukkig en zoo hoogsttevreden in haar nieuwe woning was”.En inderdaad, indien August zijn vrouw in de straks beschreven houding had kunnen gadeslaan, dan zou hij immers geheel overtuigd zijn geworden—of althans een oogenblik geloofd hebben, dat hij waarheid sprak.’t Werd reeds gezegd dat het nieuwsblad, waarin Eva leest, een bijzonderen vorm heeft, ’t IsLe Grand Hotel, Gazette des Etrangers. Heden, juist negen dagen geleden, heeft August dat blad op denBoulevard des Italiensgekocht. Men had wel reeds vernomen dat er dien avond in de groote opera Gounods Faust zou gegeven worden, doch de Gazette heeft het bevestigd, en Helmond had er aanstonds werk van gemaakt om zijn “lieve nachtegaal” het genot van dien avond te verzekeren.Welk een heerlijke avond is dat geweest! Met haar eigen zangkennis en talent, was er zeker niemand in de zaal, die meer dan Eva genoot; en ofschoon zij zeker het allermeest door de voortreffelijke uitvoering van Gounods meesterstuk was opgetogen, zoo hebben de gouden schalen, waarop men haar de vrucht had aangeboden, en het altijd wederkeerende bewustzijn zich in den Parijschen lusthof te bevinden, er toch krachtig toe meegewerkt, om haar dien avond te doen zijn als een, doorgebracht in een tooverwereld, in een hemel, in iets.... onuitsprekelijks!—August was gul—ja men kon er niet over klagen—maar, in kleinigheden was hij soms.... enfin, misschien had hij gelijk! Hoe ’t zij, toen men: “Le Programme, Le Programme détaillé!” en “l’Entr’acte!’” riep, en zij, in deStalles d’orchestregezeten, hem verzocht heeft een dier bladen te koopen, toen haalde hij de ’s morgens gekochte Gazette te voorschijn, en beweerde dat dit blad evengoed was, en zeker nog meer nieuws dan de tooneelbladen bevatte.En Eva heeft dan opdien avondin datzelfdeblad gelezen, of er althans, zoo nu en dan, gedurende de pauzen eens in gesnuffeld. Zie maar, op de plaats waar met stellige zekerheid het gerucht werd bevestigd, dat “Mlle. Patti ferait sa rentrée mardi prochain dans La Somnambule,” daar is nog de kleine scheur te zien, die ze in het papier maakte toen ze August dat goede nieuws wilde wijzen en met haar pink wat sterk erop drukte. Die kleine scheur heeft ze toen gemaakt, toen op den avond, die haar nóg als een zalige droom voor den geest staat. En onwillekeurig bevondEva zich nogmaals, terwijl ze weder dezelfde reclames en bulletins en programmas doorliep, in den toovercirkel van grootheid en glans, welke haar zoo geweldig had aangetrokken. Het Grand Hotel, ’t welk ze op het blad zag afgebeeld, werd haar als iets dat naar een hemel zweefde: een ruimte met onafzienbare zalen, waar alles van wit was met goud!” Ja, bij ’t gedurig al lezend ontmoeten der namen van boulevards en straten, die ze aan Helmonds zij, in een rijtuig was langs- en doorgevlogen, of ook die ze betreden had met het oog op een wereld vol rijkdom en pracht, telkens klonken die namen haar nu als de welluidendste tonen in de ooren.En daarom, ’t was niet vreemd dat er op Eva’s schoon gelaat een glans van innige verrukking stond te lezen, terwijl ze zich met dat blad in handen nogmaals baden mocht in de schitterendste herinneringen.Doch die glans van genot bij ’t lezen van de oude Gazette, zal sneller vergaan dan hij gekomen is. Door het geraas van een hondenkar gewekt, ziet Eva op, en terwijl de Gazette des Etrangers nu eensklaps ritselend neerglijdt langs haar schoot, is het een schampere lach die haar schoonen mond komt ontsieren.—Hondenkar! zegt ze bijna overluid: ’t Is allerliefst, welzeker;hierschrikt men op van een hondenkar! Zouden er ooit dommer creaturen zijn geweest dan zij, die op den inval kwamen om steden als Romphuizen te bouwen, met huizen en kamers als deze! Zie, uit dit doodsch vertrek,—hemel ja, precies een doodkist: langwerpig, smal, donker, vochtig, bah! uit deze kamer, met een eeuwigdurende ziekenlucht van die nare apotheek, hier heb je ’t uitzicht op een touwwinkeltje en een blinden muur aan den overkant, met de passage van zes kippen en wat zieke lui die om een drank komen.—Nee, in deze dompige la is ’t op den duur niet uit te houden. Vóór—hoe ellendig men er ook in een kuil zit—vóór zie je tenminste nog een bloem en een enkel fatsoenlijk mensch in de hoogte voorbijgaan; maar hier is ’t om te verkniezen!—Pruttelen! zegt August: pruttelen! Nu ja, maar als ik bedenk dat ik hier reeds acht dagen gevangen zit,—ja zekergevangen, want al ware dit huis zoo somber en akelig niet, dan zou het nu toch een gevangenis voor me wezen, terwijl ik op ditzelfde oogenblik nog in Parijs moest zijn, zooals mijvastwas beloofd.... ’t Is waar, dat droeve bericht van Herman kwam er tusschen. Zeker, als ik den armen jongen met mijn thuiskomst en hier-zijn ’t leven had kunnen redden, ja, dán.... Ik heb het getoond.—’t Heeft me erg getroffen; telkens ben ik er nog zenuwachtig van, want gedurig staat hij zoo voor me, zoo.... Maar nee, nee! ik had hem nooit iets te kennen gegeven, nooit!—Als August vermoeden kon hoe me die gedachte soms een oogenblik kan beklemmen, dan.... Maar juist daarom ook zou het ter afleiding veel beter zijn, om nu—nu alles toch is afgeloopen—nog eens van huis te gaan. Ja, al was ’t maar naar Brussel, ’t Is hier zoo aller-aller-akeligst en doodsch, he in vergelijking van daar, in dat brillante Parijs.—Als ik er nu was in dat Grand Hotel—en ik moest er wezen—nú zou ik bijvoorbeeld, liggend in zoo’n heerlijke cauzeuse, den garçon dien naren ontbijt-trommel dáár laten wegnemen.—Zelfs thuis stak ik geen hand naar die dingen uit. Ma of Louise deden het gaarne.—Hoe! is ’t al elf uur! En om twaalf komt August voor de koffie terug.Haastig opstaande schelt Eva.—Eenige oogenblikken later treedt een boersch dienstmeisje van vijftien a zestien jaren de kamer in.“Gerritje, je moest dat ontbijt eens aan kant maken.”“Van kant moaken juffer?“Afwasschen bedoel ik.”“De kummekes wisschen juffer?”“Ja, alles; en dan voor de koffie weer klaarzetten.”“Da’ kan’k niet juffer.”“Kun je dát niet? Goeje hemel!—Roep mevrouw Van Hake.”“Mevrouw Van Oake roepen? Best juffer.”“Hier! Hoor eens Gerritje.”“Juffer?”“Weet je wel tegen wie je spreekt?”“Joawel, tegenoejuffer.”’“Dan zou ik in ’t vervolg behoorlijkmevrouwzeggen hoorje; de mevrouw hier in huis is de vrouw van dokter Helmond.—Versta je me?”“Joawel, doof bin ik niet juffer, iens geheel niet.—Alsdat ik mevrouw Van Oake zou roepen, niewoar juffer?”“En, en.... en.... dat je tegen mij niet meer juffer zult zeggen, maarmevrouw!”“Bestig ma-juf-vrouw.”“Goeje morgen lieve Eva, heb je me geroepen? Is er ’t een of ander waarmee ik je helpen kan?” vraagt mevrouw Van Hake, die vriendelijk groetend binnentreedt.“Morgen mevrouw. Och ja, wilt u alsjeblieft hier eens omwasschen? ’t Is laat geworden; ik wou me kleeden voor de koffie. Helmond komt om twaalf uur weer thuis.”“Omwasschen?” herhaalt mevrouw Van Hake, en moet zich geweld doen om een zekere ontroering te verbergen.“Ja,” zegt Eva: “dat kleine boerenperceel kan noch het een noch het ander. Dát is toch geen meid voor mij zou ik denken.”“Misschien niet heelemaal Eva; maar met geduld....”“Ja maar, neem me niet kwalijk, om nu idioten op te voeden dat laat ik aan de liefhebbers over. Misschien is het extra dom van me, maar tusschen een boer of boerin en idioten zie ik geen onderscheid.”“Wou je graag dat ik dit van morgen eens voor je omwaschte, Eva?”“Och ja; wil je?”“... Eva... ik ben... ik had gehoopt...”“Och mijn beste mevrouw, ik weet niet wat je bedoelt, maar als er iemand is die op dingen heeft gehoopt die niet gebeurd zijn, dan, geloof me, benikhet.—Hebt u een reis gemaakt na uw trouwen?”“Ja Eva,Van Hakewasóók dokter.”“Dat weet ik. Hoe lang bent u uit geweest?”“We waren veertien dagen uit en thuis. Och ja, eerst gingen we....”“Veertien dagen! Zieje!—Zoudt u, als je man gezegd had “we moeten om zaken met den vierden dag naar huis,” niet de scha hebben willen inhalen zoodra die zaak was afgedaan?”“Ik weet waar je op doelt Eva. Maar luister eens: als je brave verstandige Helmond het nu minder goedkeurt om in de gegeven omstandigheden aanstonds weer op reis te gaan, zou het dan van zijn vrouwtje niet verstandiger wezen om....”“Mevrouw Van Hake,” zegt Eva zich verheffend: “van uw lessen, hoe goed ook gemeend, zou ik nu liefst verschoond blijven. Ik ben de jonge juffrouwEvavan vroeger niet meer. Sedert was ik lang in Den Haag, en nú ben ikMevrouw Helmond. Men dient hier in huis toch te weten wie het hoofd is,—zoo dunkt me!”Na deze woorden verlaat Eva haastig de kamer. De weduwe, die reeds het haar opgedragen werk had aanvaard, weerhoudt de tranen niet die haar opwellen in de oogen, terwijl ze hoofdschuddend, de jonge vrouw ziet verdwijnen. Ofschoon zelve een paar malen gevoelig door Eva’s woorden gekrenkt, vervult haar nu toch een andere smart. O, wat ze in stilte wel eens heeft vermoed, dat werd voor haar in de weinige dagen dat Helmonds echtgenoote onder het altijd zoo vreedzame dak verkeerde, reeds zekerheid: de goede dokter zou met die vrouw niet gelukkig wezen; en de dagen, die de bedroefde weduwe nog in de woning van den weldoener zal doorbrengen, zijn zeker geteld.Terwijl de doktersweduwe het werk verricht dat dienstbodenwerk moet heeten wanneer het zóó wordt opgedragen; terwijl ze afwascht, en weder gereedzet, en de tranen gedurig langs de wangen rollen, is Eva in haar onrustige stemming naar haar slaapkamer gegaan. Daar gekomen blijft ze eensklaps staan. Met één oogopslag ziet zij welk een verandering er heeft plaats gehad, sedert ze een paar uur geleden die kamers verliet. Een keurig frisch-groen behangsel met nette kwasten is er om den hemel van haar echtkoets gehangen.In weinige seconden was Eva beneden, en bevond ze zich in de voorkamer der suite, die het uitzicht op den wal heeft. Zie, ’t was er donkerder geworden, maar waarlijk ja, daar hingen ze ook, de nette overgordijnen, met zorg geplooid en ongebonden.—Dat stond goed, ja dat stond heel goed; dat gaf waarlijk iets salonachtigs; iets niet-communs.—Wat is er ook burgerlijkers te bedenken dan ramen zonder meubelgordijnen.—Jawel, ze zijn zóó heelheelordentelijk, besluit Eva, terwijl ze de nieuwe gordijnen nog eens op een afstand en dan van nabij beschouwt.—’t Is aardig; dat moet mevrouw Van Hake van morgen gedaan hebben na ’t ontbijt.—’t Is eigenlijk toch een goed mensch. Een beetje saai. Maar, och lieve hemel, wie zou er ook in Romphuizennietsaai worden. Ja waarlijk, ze heeft erg veel liefs.... Zie, daar staat dat mooie zilveren beeldje onder ’t stolpje ook nog. ’t Was eigenlijk een mal cadeau; je kondt er een voltaire of zoo iets voor gehad hebben, maar, ’t bewijst toch dat ze een goedhart heeft. Ik geloof dat ze me die kleine terechtwijzing een klein beetje kwalijk nam; misschien omdat ze juist was bezig geweest met me een verrassing te bezorgen. Nu ja, maar men moet toch begrijpen wie hier in huis nummer één is. Zedenpreeken aan te hooren van menschen, die men letterlijk en zonder eenige verwantschap ’t genadebrood geeft; nee nee, daar bedanken we voor; en.... Maar ze staan heel netjes die gordijnen. Och hemel, ik liet de goeje sloof nog omwasschen ook; misschien was ze daar ook wel wat knak over. ’t Zou me toch spijten indien ik haar leed had gedaan....Een geruimen tijd stond Eva nog in de voorkamer, straks met de hand nog op haar boezem. Er was strijd daarbinnen: Nee ja, nee ja.... nee.... ja! En—nu is ze voort; bij de deur der ontbijtkamer aarzelt ze nog, maar, tóch gaat ze erbinnen.Een laatste overwinning heeft er plaats; en dan, dan vat ze eensklaps de oude dame, die Eva met blijde verbazing beschouwt, vertrouwelijk bij de hand, en zegt:“Als ik een hard woord heb gesproken, lieve mevrouw, och wil het mij dan vergeven; u waart zoo goed en hebt alweer zooveel moeite gedaan. Och, ik was ondankbaar....”“Spreek zoo niet.... mevrouw Helmond. Ik gevoel....”“Zeg dan Eva,Eva! Immers straks nog was ik onverstandig als een kind? Vergeef mij dan als ik u leed heb gedaan! Uw tranen maken mij beschaamd.”Juist op het oogenblik dat Eva de oude dame een zoen op de wang drukt, treedt Helmond de kamer in:“Ei ei, zóó mag ik het zien,” zegt hij met blijde verrassing: “dat is nu een zoen, die mij niet jaloersch zal maken.—Maar hoe, ik zie tranen? Is er iets dat u bedroefd heeft mevrouw...?”“Men kan immers ook schreien beste dokter,” antwoordt de weduwe met innige ontroering, “als het hart weldadig wordt aangedaan.”

TIENDE HOOFDSTUK.’t Sloeg op den Romphuizer toren juist halféén toen Jacoba Van Barneveld den brief aan ’t adres van “Monsieur le docteur A Helmond, Hotel du Helder, rue du Helder, Paris,” zorgvuldig in de brievenbus liet glijden. Om van het postkantoor naar de woning van Elsje de naaister te komen, moest zij de eerste straat rechts nemen. Maar Jacoba kiest haar weg ter linkerzij. De groote kerk langs gaande, vermindert zij een oogenblik haar tred, terwijl ze het oog slaat op een der hooge kruisramen, en straks op het kleine poortje dat—zooals dikwijls voor bijzondere catechisaties in de consistoriekamer—ook nu openstaat. Toch vervolgt ze haar weg. Aan ’t eind der Korte Kerkstraat gekomen, loopt ze den timmerwinkel van baas Krul voorbij. Zes huizen verder staat ze stil. Wie haar gadesloeg zou op haar gelaat een uitdrukking bespeurd hebbenalsof zij zich iets herinnerde ’t geen ze bijna vergeten had.—Een oogenblik later staat ze in de werkplaats van Baas Krul, en verzoekt hem opDe Zonsbergte komen teneinde er iets aan een van haar meubels te veranderen:“Dat kun je immers wel, baas?”“Kunnen, ja juffrouw, wat dat betreft, zoo goed als de beste; maar omdat ik nooit voor menheer den ginderaal heb gewerkt, zoo ben ik een beetje schrompiljeus om Kraals het brood uit den mond te stooten.”“O werk jij nooit voor pa; ik dacht het. Nee, dan.... dan.... Ik wist dat niet. Maar in alle geval kun je voor mij wel iets maken, bijvoorbeeld, een kistje niewaar? Zieje, voor mij. Jawel, zoo’n vierkant kistje.”“Meent uwe zoo’n soort van naaidoosje zal ik maar zeggen?”“Precies, zooals je d’r wel meer hebt gemaakt.”“Wel meer? wel meer? O ja, uwe meent misschien iets zooals voor Mietje Ten Hoed?”“Ja baas, zoo iets bedoel ik juist, maar dan heel netjes.”“Nou, dat mot de juffrouw maar aan me overlaten. Als de juffrouw de astrantigheid wil hebben is eventjes mee achter te komen, dan kan ze eigens is zien wat baas Krul met den fijnen beitel al knutselen kan. Kom maar mee asjeblief.—Ga binnen juffrouw.—Dat is de freule vanDe Zonsberg, moeder; die wou ik eens eventjes m’n kleine poppe-lindekastje laten zien.—Wacht, zet jij die wieg is opzij.... Nou watbliefje? Al dat kleine snijwerk dat gaat uit de hand, niewaar moeder? Ja juffrouw, wat de stakker die boven leit me d’r over vercomplimenteerd hêt dat zal ik niet navertellen; maar die was d’r gek na, en weet je wat ik en de vrouw al gezeid hebben: als ie weer beter wordt dan....”“Wien meen je?” vraagt Jacoba.“Wien ik meen? Weet de juffrouw dan niet dat de muziekmeester Donerie hier bijmijnwoont? Och hemel, welzeker! ik dacht dat je dat wist omdat de knecht nog strakjes....”“O ja, nu je ’t zegt, ja, nu weet ik ook wel dat de muziekmeester hier boven woont; bij een timmerman—jawel!”“Al zeven jaren answiet m’n lieve mensch! Maar wat ik zeggen wou: als ie door Gods goedheid weer beter mocht worden, dan ware ik en de vrouw overeenkomstig geworden om menheer Donerie dat kastje voor zooveel als een muziekkastje op z’n kamer te zetten. Och ’t is zoo’n gemoedsvol man.”“Ja zeker dat is ie,” zucht de vrouw: “en nou leit ie daar als ’en geraamte.—Zoek ie ’t een of ander juffrouw....? Och ja, ik begrijp wel, ’t zal je zeker aandoen, want de juffrouw is immers ook van menheers eeleeves, en de heele grootheid van Romphuizen laat naar ’m vragen.”“Dat doet de ginderaal net zoowel vrouw.”“Ik strij ’et niet tegen Krul, daarvan niet; maar ik zeg alleen dat ie veul vriendschap uit de stad ondervindt; al die vruchten en zeleitjes; maar och heere, wat zon ie gebruiken!”“Is het zoo.... erg met menheer Donerie?”“Lieve juffrouw, als je d’r mijn naar vraagt, dan zeg ik....” De vrouw zegt niets, maar haalt de schouders op en zet een zeer bedenkelijk gezicht.“Maar wat scheelt hem eigenlijk?”“Ja, dat is de affaire juffrouw. Dokter Biermans zei dit, maar menheer Van Hake die gisteren hier was, heeft—zoo van achteren op—laten blijken dat ie den drank liever niet nemen moest, omdat....”“Hei hola vrouw! nou ga je buiten je boekje; menheer Van Hake zeinadrukkelijkdat ie dat heel onder de roos zei, want anders ging ie z’n kompetensie te buiten.”“Nou Krul, we benne immers onder de roos, want de juffrouw zal d’r niet van spreken niewaar?”“En gebruikt menheer Donerie nu in ’t geheel geen medicijnen?” vraagt Jacoba.Man en vrouw Krul zien elkander veelbeteekenend aan:“Wel nee juffrouw. Neezekerlijkniet!” zegt vrouw Krul.“Hoor is Antje, laten we nou voor God en ons geweten niet liegen. Als de juffrouw d’r niet van gesproken had dan zouwen we gezwegen hebben, maar in stilte—jawel vrouw, waarheid bovenal—ziet u, in stilte heeft menheer Van Hake....”Vrouw Krul, die op Jacoba’s gelaat iets zag voorbijgaan ’twelk ze voor een teeken van bijzondere goedkeuring hield, valt haar man in de rede.“Jawel, toen heeft menheer Van Hake ’s avonds ’t een of ander uit de aptheek gebrocht, en we hebben van nacht met bloedzuigers getobd, och Heere! en ofschoon ’t niet beter is, menheer Van Hake zei strakjes nog,—altijd onder de roos—dat ie zonder dat alles den dag niet gehaald had.”“’t Zou heel jammer zijn geweest;” zegt Jacoba terwijl ze zich omwendt en naar de deur gaat: “Ik hoop er het beste van!”Juffrouw Krul maakte bij zich zelve de opmerking dat het gevoel dergrootheidtoch gauw bekoelde. Hoe koud was dat antwoord.Krul heeft iets dergelijks gevoeld; ’tgeen hem te meer trof omdat de juffrouw niemendal van zijn poppe-lindekastje heeft gezegd, geen boe of ba:“Jammer! ja, als je d’r jammer van zeggen kunt, dan zeg ik dat het krek jammer zou zijn; en dan het adee dat zoo’n mensch—onder ons gezeid en gezwegen—verknoeid is.”Jacoba blijft bij de deur staan, en omziende zegt ze als viel haar wat in:“Als dokter Helmond hem behandeld had dan zou het zoo erg misschien niet geworden zijn?”“Net wat we samen gezeid hebben juffrouw,” herneemt Krul: “en ’t ergste is dat hij nu juist op reis moest wezen, en zoo wijd van hier; want om je de waarheid te zeggen, dat ie menheer Helmond uwes broer of neef, niewaar, beter vertrouwde dan den ouwen Biermans, dat kon je al lang merken; niewaar Antje?”“Ja. Ojee! als ie ielde dan was het schering en inslag: Helmond, Helmond, en allerlei; maar van Biermans hoorde je nooit.”“Als menheer Donerie er zoo op aandrong dan is het toch vreemd dat jelui dokter Helmond niet hebt laten telegrafeeren.”Krul ziet zijn vrouw met beteekenis aan:“Nou Antje, wat heb ik gezeid?”“Jij, nee wat hebikgezeid!Ik! En daarom heb ik menheer Van Hake ook eigenlijk gesproken; maar die wou d’r niet aan; die durfde voor een patiënt van Biermans geen telegraaf sturen; dat kon en mocht hij niet doen. Zieje juffrouw, dat het aan ons niet lee....!”“Maar mij dunkt, jelui zult er toch de naasten toe wezen. Ik heb er mij niet mee te bemoeien, maar de verantwoording zou me wat zwaar zijn.”“Ja waarachtig Antje, de juffrouw heeft gelijk. Ziet u, als we wisten, niewaar, dat dokter zou komen; en waar ie ergens bezeild was, dan....”“Ja Krul—maar zoo’n telegraaf.... en....”“Eigenlijk heb ik geen tijd,” zegt Coba, meer naderbij komend: “maar als jelui d’r zoo op gesteld bent, dan wil ik wel even zoo’n telegram opschrijven; om je plezier te doen natuurlijk, en omdat menheer boven er zoo op aandringt.”“Aandringen; nu ja, aandringen is de rechte benaming wel niet, maar....”“Jawel Krul, dat roepen: Helmond, Helmond, dat noem ik aandringen.”“In één woord, als jelui er bijmijop aandringt, geeft dan maar een stukje papier....”Krul en de vrouw zien rond alsof ze het gevraagde op den vloer zouden vinden, maar eindelijk zegt Antje:“Je zakboek Krul!”“Ah ja Juist!—Wacht.”—Hij scheurt er een blad uit en biedt het met zijn timmermanspotlood Jacoba aan.“Heb je geen inkt?”Weer zien de echtgenooten hun kamertje rond.—Nee, in dat glazen fleschje, waaruit een vuil stompje ganzepen steekt, is niets dan een weinig verdroogd zwart te ontdekken.“Zie dat is nou spijtig, maar inkt hebben we niet in huis;” zegt Krul.Jacoba met het oog op een “Onze Vader” in sierlijk schrift aan den muur, vraagt, blijkbaar afgetrokken maar toch met een bijzonderen nadruk op het voorlaatste woord:“Hé! geen inkt in hetheelehuis!”“Wel Krul, nou zou je niet eens aanbovendenken;” zegt de vrouw: “Op de voorkamer van meneer is een heele toestel.”“Accoord, dat wou ik net zeggen!” herneemt de man: “loop jij maar eventjes naar boven en haal het hier.”“Maar dan moet je den zieke storen;” zegt Coba met eenige trilling in de stem, terwijl ze steeds het “Onze Vader” ziet.“Nee, excuus juffrouw, menheer leit achter.”“Ah—zoo—heeft ie een vóór- en achterkamertje?”’“Kamertje!!” vallen Krul en de vrouw schier gelijktijdig uit, en de laatste vervolgt: “Nou ’t benne in ’t geheel geen kamertjes, maar zuiverekamershoor! en heelemaal op z’n grootelui’s gemeubieljeerd. Nee, als de juffrouw ze zien wil, kom dan maar is mee—asjeblief?”Jacoba met den rug naar de echtgenooten Krul, wijdt haar bijzondere aandacht aan een paar zwarte knipsels naar reeds overleden Romphuizer dominee’s.“En als de juffrouw van schilderijen houdt, zooals ik zie dat ze doet,” zegt Krul: “dan kan ze daar nog m’n eigen vrouws vader en moeder in miliatuur zien hangen, dat was ook grootheid, niewaar moeder?”Vrouw Krul blijft niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen. De herinnering aan die—altijd eenigszins betrekkelijke grootheid, verlevendigt haar wensch dat de juffrouw vanDe Zonsbergeens zien zal, hoe haar eigen huis er boven uitziet, en niet langer zal denken dat het zoo min is.In ’t einde zal ze echter dien wensch moeten opgeven. Juffrouw Van Barneveld schijnt niets nieuwsgierig te zijn.“Nou Antje,” zegt Krul gemoedelijk: “we moeten de juffrouw niet forceeren. Ik zal maar eventjes dat inktpotje halen; de trap is ook nog al stik voor de juffrouw.”“Och nee, wat dat betreft,” zegt Coba: “als je erop gesteld bent, och dan wil ik waarlijk wel eventjes meegaan.”’t Was goed dat vrouw Krul op de trap achteraan kwam—een oogenblik werd Coba zoo raar, doch ’t duurde één oogenblik slechts, en zonder dat de timmermansvrouw er iets van behoefde te merken, kwam Coba boven.“Hier juffrouw asjeblieft: hier heb je nou de voorkamer. Dáár, die deur, dat is de slaapkamer. Ik spreek wat zachtjes omdat de stakker daar leit, weet u, en als ie me hoort dan wil ie me graag hebben ook.”“Ligt ie dan alleen, heel alleen?” zegt Jacoba zeer snel.“Dat is te zeggen, nee, m’n oudste dochtertje, zoo’n aankomeling, die zit bij ’em, en past ’em op, alsikof m’n man d’r niet bij benne. Wacht, gaat uwe nou hier maar in. Hé, dat hadt je zoo niet verwacht! Riant niewaar? Prebeer die stoelen maar eens, ekfetief paardenhaar! Onderwijl zal ik toch is eventjes kijken of ie nog slaapt. Och als ’et maar rust was!”Na deze woorden verlaat vrouw Krul het zooeven binnengetreden vertrek; ontdoet zich op het portaal van haar pantoffels, en gaat op de kousen het slaapkamertje van Donerie in.Jacoba is alleen.—Zou het mogelijk zijn dat iemand het kloppen hoorde van mijn hart, denkt ze, terwijl ze de eene hand erop houdt gedrukt en die vluchtig aan het voorhoofd brengt: Wat heb ik gedaan! Hier te komen, hier!—Zie, dat moet zijn piano wezen.—Dat vrouwenkopje er boven....?—Zou dat misschien het portret zijn van eene.... die....?Met een snellen blik heeft Jacoba zich overtuigd dat het bedoelde portret een gravure is. Maar, ’t is de zeer fraaie gravure van een beeldschoon meisje.—Een huivering overvalt Van Barnevelds dochter. Toevallig heeft ze haar eigen bleek en mager gezichtje in den spiegel gezien.—Stil, daar komt de vrouw terug:“Goddank!” zegt ze: “ofschoon hij niet slaapt, hij ligt toch rustig. Och lieve God, de stakker! Maartje zei dat ie straks nog driemaal in ’t ielen Helmond riep: en dan van den kapitein Armelo en z’n familie ielt ie ook. Maar omdat ie den dokter noemt, blijf ik er bij dat we dokter met de telegraaf moeten hier halen. Wacht, hier is inkt in overvloed, als je nou schrijven wilt...?—Je bent d’r toch óók ontdaan van juffrouw; ik zie ’et aan je bevende hand.”Jacoba verklaarde wel bewogen te zijn en wel medelijden met den zieke te hebben, maar dat beven kwam toch van iets anders ... de trap was tamelijk steil; en zie, terwijl ze schreef lag haar pols op den scherpen rand der tafel.... Doch, nu beeft ze niet meer....—Ja tóch, nu wel, Maar o God, wie zou er ooknietgebeefd hebben van dien droeven kreet.Met een ontsteld gezicht vertoont zich Maartje op den drempel en wenkt hare moeder.Nogmaals blijft Jacoba alleen.—Zij luistert.... Bitter pijnlijke kreten doen zich telkens hooren. Aan een onduldbaar lijden moet die arme kranke ten prooi zijn. Terwijl de moeder met haar kind de deur der ziekenkamer opent en er binnengaat, snijdt een schrikkelijke wanhoopskreet de luisterende Jacoba door de ziel.—Nu klinken die kreten weer doffer. Men had de deur gesloten. Nochtans de woorden, die hij somwijlen met verheffing uitgalmt, zijn wel verstaanbaar te midden van een klankenvloed zonder samenhang—treffend gelijk plotselinge ratelslagen bij het doffer dondergerommel van verre.Jacoba’s hart bonst met pijnlijk geweld. Op den drempel der voorkamer, starend in de richting der deur van Donerie’s slaapvertrek, staat ze met het hoofd voorovergebogen en zich vastklemmend aan den deurpost.O God! zóó erg heeft ze niet gedacht dat het wezen zou. Daar moet aanstonds,aanstondshulp komen: een professor uit Utrecht! O, dat is een vreeselijke ijlkoorts. Hoor:“Laat mij!!—Laat los!!” zoo klinkt het: “Ik wil haar grijpen! Zij vliegt over de daken. Zie maar, verscheurd door een tijger...! Laat los! ik ben een tijger!... Heisa! Laat los! ik moet haar vangen! In de secretaire. Ho! ho! pakt hem! pakt hem! Helmond! O, o! Helmond!”In hetzelfde oogenblik stormt het kind van den timmerman angstig geworden ter ziekenkamer uit.“Vader! vader! help!” roept het gillend aan de trap.Jacoba weet niet meer waar ze zich bevindt; het donkere portaal is haar als een graf; maar altijd hoort ze toch die kreten; ja, ondanks haar verdooving nu zelfs sterker dan te voren. O, wat klaaglijkgesteun. Wat vreeselijke smart in dien toon.—Ha, nu weet ze weer waar ze zich bevindt. Ginder ligt de jonkman wiens dierbaar beeld haar geheele ziel vervult. Daar ginder ijlt en lijdt hij; en ruwe handen verzwaren zijn lijden misschien! En zij, wat moet, wat mag ze doen? Zal ze haar zachte handen drukken op dat schoone, nu kranke voorhoofd? Hem zoete woorden toefluisteren, om zoo mogelijk kalmte te brengen in dat verhitte brein? Met koud water die blanke slapen bevochtigen; immer koelend totdat een zachte slaap zijn oogleden sluit; en dan waken aan zijn sponde, en den doodsengel verjagen door de innigste gebeden? Hem met haar adem bijstaan als de zijne te ontvlieden dreigt; hem liefkoozen ... zoenen op die bleeke lippen...!?Neen! neen!! O groote God, neen! dat heeft Jacoba niet gezegd; zelfs nietgedachtin dezen stond.—Al rijten die vreeselijke kreten haar ook den boezem vaneen, geen schrede mag zij verder. Daar is een krachtige stem in haar binnenste die ’t haar verbiedt; en immers, voor haar verbeelding staat daar een dreigende vader, die vertwijfelen zou indien hij vermoeden kon wat er omgaat in het hart van zijn teergeliefde eenige dochter.Van hier dan Jacoba! Spoed! Verzend dat telegram, of, doe nóg sneller hulp opdagen, de beste die te bekomen is. Maar voort, van hier!—En toch, moet zij de stem van dien arme dan hooren, zoo angstig, zoo radeloos bijwijlen, en zonder hem te zien? O God, al is hij dan niet meer gelijk voorheen, zooals hij dikwijls naast haar zat, met de glimmend zwarte krulharen en den fijnen knevel scherp geteekend tegen het mannelijk blank van zijn edel welgevormd gelaat; al zijn die donkerbruine oogen, nú de oogen vol geestdrift niet wanneer hij met den fijnbesneden mond aan zijn gretig luisterende leerlinge van den kunstroem der klassieken sprak; al moet de schoone kloeke jonkman, nu ten prooi aan de vreeselijkste ijlkoortsen, slechts de schaduw zijn van ’t geen hij zoo kort geleden nog was, ach, kan zij dan vanhier gaan zonder een enkelen blik te werpen in dat vertrek; zonder den juisten indruk te hebben van zijn toestand; zonder hem nog eens, o God! misschien voor ’tlaatstte hebben aanschouwd?Zie, de deur der ziekenkamer staat op een kier. Met bonzend hart en op de toonen zachtkens voorwaarts komend, doet ze een schrede in de richting dier kamer ... een tweede ... een.... Neen, eensklaps deinst ze terug:“Laat los! Hoor je niet, los!” roept Donerie weder; en akelig klinkt zijn hijgende stem: “Zij is de mijne!—Ha! Op de voorkamer is ze. Laat los! of ze vliegt het raam uit; over de daken. Ha: heisa! los!”Een dreun, een slag heeft Jacoba nog gehoord. Toen is het nacht voor haar geworden, heelemaal nacht.

’t Sloeg op den Romphuizer toren juist halféén toen Jacoba Van Barneveld den brief aan ’t adres van “Monsieur le docteur A Helmond, Hotel du Helder, rue du Helder, Paris,” zorgvuldig in de brievenbus liet glijden. Om van het postkantoor naar de woning van Elsje de naaister te komen, moest zij de eerste straat rechts nemen. Maar Jacoba kiest haar weg ter linkerzij. De groote kerk langs gaande, vermindert zij een oogenblik haar tred, terwijl ze het oog slaat op een der hooge kruisramen, en straks op het kleine poortje dat—zooals dikwijls voor bijzondere catechisaties in de consistoriekamer—ook nu openstaat. Toch vervolgt ze haar weg. Aan ’t eind der Korte Kerkstraat gekomen, loopt ze den timmerwinkel van baas Krul voorbij. Zes huizen verder staat ze stil. Wie haar gadesloeg zou op haar gelaat een uitdrukking bespeurd hebbenalsof zij zich iets herinnerde ’t geen ze bijna vergeten had.—Een oogenblik later staat ze in de werkplaats van Baas Krul, en verzoekt hem opDe Zonsbergte komen teneinde er iets aan een van haar meubels te veranderen:

“Dat kun je immers wel, baas?”

“Kunnen, ja juffrouw, wat dat betreft, zoo goed als de beste; maar omdat ik nooit voor menheer den ginderaal heb gewerkt, zoo ben ik een beetje schrompiljeus om Kraals het brood uit den mond te stooten.”

“O werk jij nooit voor pa; ik dacht het. Nee, dan.... dan.... Ik wist dat niet. Maar in alle geval kun je voor mij wel iets maken, bijvoorbeeld, een kistje niewaar? Zieje, voor mij. Jawel, zoo’n vierkant kistje.”

“Meent uwe zoo’n soort van naaidoosje zal ik maar zeggen?”

“Precies, zooals je d’r wel meer hebt gemaakt.”

“Wel meer? wel meer? O ja, uwe meent misschien iets zooals voor Mietje Ten Hoed?”

“Ja baas, zoo iets bedoel ik juist, maar dan heel netjes.”

“Nou, dat mot de juffrouw maar aan me overlaten. Als de juffrouw de astrantigheid wil hebben is eventjes mee achter te komen, dan kan ze eigens is zien wat baas Krul met den fijnen beitel al knutselen kan. Kom maar mee asjeblief.—Ga binnen juffrouw.—Dat is de freule vanDe Zonsberg, moeder; die wou ik eens eventjes m’n kleine poppe-lindekastje laten zien.—Wacht, zet jij die wieg is opzij.... Nou watbliefje? Al dat kleine snijwerk dat gaat uit de hand, niewaar moeder? Ja juffrouw, wat de stakker die boven leit me d’r over vercomplimenteerd hêt dat zal ik niet navertellen; maar die was d’r gek na, en weet je wat ik en de vrouw al gezeid hebben: als ie weer beter wordt dan....”

“Wien meen je?” vraagt Jacoba.

“Wien ik meen? Weet de juffrouw dan niet dat de muziekmeester Donerie hier bijmijnwoont? Och hemel, welzeker! ik dacht dat je dat wist omdat de knecht nog strakjes....”

“O ja, nu je ’t zegt, ja, nu weet ik ook wel dat de muziekmeester hier boven woont; bij een timmerman—jawel!”

“Al zeven jaren answiet m’n lieve mensch! Maar wat ik zeggen wou: als ie door Gods goedheid weer beter mocht worden, dan ware ik en de vrouw overeenkomstig geworden om menheer Donerie dat kastje voor zooveel als een muziekkastje op z’n kamer te zetten. Och ’t is zoo’n gemoedsvol man.”

“Ja zeker dat is ie,” zucht de vrouw: “en nou leit ie daar als ’en geraamte.—Zoek ie ’t een of ander juffrouw....? Och ja, ik begrijp wel, ’t zal je zeker aandoen, want de juffrouw is immers ook van menheers eeleeves, en de heele grootheid van Romphuizen laat naar ’m vragen.”

“Dat doet de ginderaal net zoowel vrouw.”

“Ik strij ’et niet tegen Krul, daarvan niet; maar ik zeg alleen dat ie veul vriendschap uit de stad ondervindt; al die vruchten en zeleitjes; maar och heere, wat zon ie gebruiken!”

“Is het zoo.... erg met menheer Donerie?”

“Lieve juffrouw, als je d’r mijn naar vraagt, dan zeg ik....” De vrouw zegt niets, maar haalt de schouders op en zet een zeer bedenkelijk gezicht.

“Maar wat scheelt hem eigenlijk?”

“Ja, dat is de affaire juffrouw. Dokter Biermans zei dit, maar menheer Van Hake die gisteren hier was, heeft—zoo van achteren op—laten blijken dat ie den drank liever niet nemen moest, omdat....”

“Hei hola vrouw! nou ga je buiten je boekje; menheer Van Hake zeinadrukkelijkdat ie dat heel onder de roos zei, want anders ging ie z’n kompetensie te buiten.”

“Nou Krul, we benne immers onder de roos, want de juffrouw zal d’r niet van spreken niewaar?”

“En gebruikt menheer Donerie nu in ’t geheel geen medicijnen?” vraagt Jacoba.

Man en vrouw Krul zien elkander veelbeteekenend aan:

“Wel nee juffrouw. Neezekerlijkniet!” zegt vrouw Krul.

“Hoor is Antje, laten we nou voor God en ons geweten niet liegen. Als de juffrouw d’r niet van gesproken had dan zouwen we gezwegen hebben, maar in stilte—jawel vrouw, waarheid bovenal—ziet u, in stilte heeft menheer Van Hake....”

Vrouw Krul, die op Jacoba’s gelaat iets zag voorbijgaan ’twelk ze voor een teeken van bijzondere goedkeuring hield, valt haar man in de rede.

“Jawel, toen heeft menheer Van Hake ’s avonds ’t een of ander uit de aptheek gebrocht, en we hebben van nacht met bloedzuigers getobd, och Heere! en ofschoon ’t niet beter is, menheer Van Hake zei strakjes nog,—altijd onder de roos—dat ie zonder dat alles den dag niet gehaald had.”

“’t Zou heel jammer zijn geweest;” zegt Jacoba terwijl ze zich omwendt en naar de deur gaat: “Ik hoop er het beste van!”

Juffrouw Krul maakte bij zich zelve de opmerking dat het gevoel dergrootheidtoch gauw bekoelde. Hoe koud was dat antwoord.

Krul heeft iets dergelijks gevoeld; ’tgeen hem te meer trof omdat de juffrouw niemendal van zijn poppe-lindekastje heeft gezegd, geen boe of ba:

“Jammer! ja, als je d’r jammer van zeggen kunt, dan zeg ik dat het krek jammer zou zijn; en dan het adee dat zoo’n mensch—onder ons gezeid en gezwegen—verknoeid is.”

Jacoba blijft bij de deur staan, en omziende zegt ze als viel haar wat in:

“Als dokter Helmond hem behandeld had dan zou het zoo erg misschien niet geworden zijn?”

“Net wat we samen gezeid hebben juffrouw,” herneemt Krul: “en ’t ergste is dat hij nu juist op reis moest wezen, en zoo wijd van hier; want om je de waarheid te zeggen, dat ie menheer Helmond uwes broer of neef, niewaar, beter vertrouwde dan den ouwen Biermans, dat kon je al lang merken; niewaar Antje?”

“Ja. Ojee! als ie ielde dan was het schering en inslag: Helmond, Helmond, en allerlei; maar van Biermans hoorde je nooit.”

“Als menheer Donerie er zoo op aandrong dan is het toch vreemd dat jelui dokter Helmond niet hebt laten telegrafeeren.”

Krul ziet zijn vrouw met beteekenis aan:

“Nou Antje, wat heb ik gezeid?”

“Jij, nee wat hebikgezeid!Ik! En daarom heb ik menheer Van Hake ook eigenlijk gesproken; maar die wou d’r niet aan; die durfde voor een patiënt van Biermans geen telegraaf sturen; dat kon en mocht hij niet doen. Zieje juffrouw, dat het aan ons niet lee....!”

“Maar mij dunkt, jelui zult er toch de naasten toe wezen. Ik heb er mij niet mee te bemoeien, maar de verantwoording zou me wat zwaar zijn.”

“Ja waarachtig Antje, de juffrouw heeft gelijk. Ziet u, als we wisten, niewaar, dat dokter zou komen; en waar ie ergens bezeild was, dan....”

“Ja Krul—maar zoo’n telegraaf.... en....”

“Eigenlijk heb ik geen tijd,” zegt Coba, meer naderbij komend: “maar als jelui d’r zoo op gesteld bent, dan wil ik wel even zoo’n telegram opschrijven; om je plezier te doen natuurlijk, en omdat menheer boven er zoo op aandringt.”

“Aandringen; nu ja, aandringen is de rechte benaming wel niet, maar....”

“Jawel Krul, dat roepen: Helmond, Helmond, dat noem ik aandringen.”

“In één woord, als jelui er bijmijop aandringt, geeft dan maar een stukje papier....”

Krul en de vrouw zien rond alsof ze het gevraagde op den vloer zouden vinden, maar eindelijk zegt Antje:

“Je zakboek Krul!”

“Ah ja Juist!—Wacht.”—Hij scheurt er een blad uit en biedt het met zijn timmermanspotlood Jacoba aan.

“Heb je geen inkt?”

Weer zien de echtgenooten hun kamertje rond.—Nee, in dat glazen fleschje, waaruit een vuil stompje ganzepen steekt, is niets dan een weinig verdroogd zwart te ontdekken.

“Zie dat is nou spijtig, maar inkt hebben we niet in huis;” zegt Krul.

Jacoba met het oog op een “Onze Vader” in sierlijk schrift aan den muur, vraagt, blijkbaar afgetrokken maar toch met een bijzonderen nadruk op het voorlaatste woord:

“Hé! geen inkt in hetheelehuis!”

“Wel Krul, nou zou je niet eens aanbovendenken;” zegt de vrouw: “Op de voorkamer van meneer is een heele toestel.”

“Accoord, dat wou ik net zeggen!” herneemt de man: “loop jij maar eventjes naar boven en haal het hier.”

“Maar dan moet je den zieke storen;” zegt Coba met eenige trilling in de stem, terwijl ze steeds het “Onze Vader” ziet.

“Nee, excuus juffrouw, menheer leit achter.”

“Ah—zoo—heeft ie een vóór- en achterkamertje?”’

“Kamertje!!” vallen Krul en de vrouw schier gelijktijdig uit, en de laatste vervolgt: “Nou ’t benne in ’t geheel geen kamertjes, maar zuiverekamershoor! en heelemaal op z’n grootelui’s gemeubieljeerd. Nee, als de juffrouw ze zien wil, kom dan maar is mee—asjeblief?”

Jacoba met den rug naar de echtgenooten Krul, wijdt haar bijzondere aandacht aan een paar zwarte knipsels naar reeds overleden Romphuizer dominee’s.

“En als de juffrouw van schilderijen houdt, zooals ik zie dat ze doet,” zegt Krul: “dan kan ze daar nog m’n eigen vrouws vader en moeder in miliatuur zien hangen, dat was ook grootheid, niewaar moeder?”

Vrouw Krul blijft niet in gebreke om dit volmondig toe te stemmen. De herinnering aan die—altijd eenigszins betrekkelijke grootheid, verlevendigt haar wensch dat de juffrouw vanDe Zonsbergeens zien zal, hoe haar eigen huis er boven uitziet, en niet langer zal denken dat het zoo min is.

In ’t einde zal ze echter dien wensch moeten opgeven. Juffrouw Van Barneveld schijnt niets nieuwsgierig te zijn.

“Nou Antje,” zegt Krul gemoedelijk: “we moeten de juffrouw niet forceeren. Ik zal maar eventjes dat inktpotje halen; de trap is ook nog al stik voor de juffrouw.”

“Och nee, wat dat betreft,” zegt Coba: “als je erop gesteld bent, och dan wil ik waarlijk wel eventjes meegaan.”

’t Was goed dat vrouw Krul op de trap achteraan kwam—een oogenblik werd Coba zoo raar, doch ’t duurde één oogenblik slechts, en zonder dat de timmermansvrouw er iets van behoefde te merken, kwam Coba boven.

“Hier juffrouw asjeblieft: hier heb je nou de voorkamer. Dáár, die deur, dat is de slaapkamer. Ik spreek wat zachtjes omdat de stakker daar leit, weet u, en als ie me hoort dan wil ie me graag hebben ook.”

“Ligt ie dan alleen, heel alleen?” zegt Jacoba zeer snel.

“Dat is te zeggen, nee, m’n oudste dochtertje, zoo’n aankomeling, die zit bij ’em, en past ’em op, alsikof m’n man d’r niet bij benne. Wacht, gaat uwe nou hier maar in. Hé, dat hadt je zoo niet verwacht! Riant niewaar? Prebeer die stoelen maar eens, ekfetief paardenhaar! Onderwijl zal ik toch is eventjes kijken of ie nog slaapt. Och als ’et maar rust was!”

Na deze woorden verlaat vrouw Krul het zooeven binnengetreden vertrek; ontdoet zich op het portaal van haar pantoffels, en gaat op de kousen het slaapkamertje van Donerie in.

Jacoba is alleen.

—Zou het mogelijk zijn dat iemand het kloppen hoorde van mijn hart, denkt ze, terwijl ze de eene hand erop houdt gedrukt en die vluchtig aan het voorhoofd brengt: Wat heb ik gedaan! Hier te komen, hier!—Zie, dat moet zijn piano wezen.—Dat vrouwenkopje er boven....?—Zou dat misschien het portret zijn van eene.... die....?

Met een snellen blik heeft Jacoba zich overtuigd dat het bedoelde portret een gravure is. Maar, ’t is de zeer fraaie gravure van een beeldschoon meisje.—Een huivering overvalt Van Barnevelds dochter. Toevallig heeft ze haar eigen bleek en mager gezichtje in den spiegel gezien.

—Stil, daar komt de vrouw terug:

“Goddank!” zegt ze: “ofschoon hij niet slaapt, hij ligt toch rustig. Och lieve God, de stakker! Maartje zei dat ie straks nog driemaal in ’t ielen Helmond riep: en dan van den kapitein Armelo en z’n familie ielt ie ook. Maar omdat ie den dokter noemt, blijf ik er bij dat we dokter met de telegraaf moeten hier halen. Wacht, hier is inkt in overvloed, als je nou schrijven wilt...?—Je bent d’r toch óók ontdaan van juffrouw; ik zie ’et aan je bevende hand.”

Jacoba verklaarde wel bewogen te zijn en wel medelijden met den zieke te hebben, maar dat beven kwam toch van iets anders ... de trap was tamelijk steil; en zie, terwijl ze schreef lag haar pols op den scherpen rand der tafel.... Doch, nu beeft ze niet meer....

—Ja tóch, nu wel, Maar o God, wie zou er ooknietgebeefd hebben van dien droeven kreet.

Met een ontsteld gezicht vertoont zich Maartje op den drempel en wenkt hare moeder.

Nogmaals blijft Jacoba alleen.—Zij luistert.... Bitter pijnlijke kreten doen zich telkens hooren. Aan een onduldbaar lijden moet die arme kranke ten prooi zijn. Terwijl de moeder met haar kind de deur der ziekenkamer opent en er binnengaat, snijdt een schrikkelijke wanhoopskreet de luisterende Jacoba door de ziel.—Nu klinken die kreten weer doffer. Men had de deur gesloten. Nochtans de woorden, die hij somwijlen met verheffing uitgalmt, zijn wel verstaanbaar te midden van een klankenvloed zonder samenhang—treffend gelijk plotselinge ratelslagen bij het doffer dondergerommel van verre.

Jacoba’s hart bonst met pijnlijk geweld. Op den drempel der voorkamer, starend in de richting der deur van Donerie’s slaapvertrek, staat ze met het hoofd voorovergebogen en zich vastklemmend aan den deurpost.

O God! zóó erg heeft ze niet gedacht dat het wezen zou. Daar moet aanstonds,aanstondshulp komen: een professor uit Utrecht! O, dat is een vreeselijke ijlkoorts. Hoor:

“Laat mij!!—Laat los!!” zoo klinkt het: “Ik wil haar grijpen! Zij vliegt over de daken. Zie maar, verscheurd door een tijger...! Laat los! ik ben een tijger!... Heisa! Laat los! ik moet haar vangen! In de secretaire. Ho! ho! pakt hem! pakt hem! Helmond! O, o! Helmond!”

In hetzelfde oogenblik stormt het kind van den timmerman angstig geworden ter ziekenkamer uit.

“Vader! vader! help!” roept het gillend aan de trap.

Jacoba weet niet meer waar ze zich bevindt; het donkere portaal is haar als een graf; maar altijd hoort ze toch die kreten; ja, ondanks haar verdooving nu zelfs sterker dan te voren. O, wat klaaglijkgesteun. Wat vreeselijke smart in dien toon.—Ha, nu weet ze weer waar ze zich bevindt. Ginder ligt de jonkman wiens dierbaar beeld haar geheele ziel vervult. Daar ginder ijlt en lijdt hij; en ruwe handen verzwaren zijn lijden misschien! En zij, wat moet, wat mag ze doen? Zal ze haar zachte handen drukken op dat schoone, nu kranke voorhoofd? Hem zoete woorden toefluisteren, om zoo mogelijk kalmte te brengen in dat verhitte brein? Met koud water die blanke slapen bevochtigen; immer koelend totdat een zachte slaap zijn oogleden sluit; en dan waken aan zijn sponde, en den doodsengel verjagen door de innigste gebeden? Hem met haar adem bijstaan als de zijne te ontvlieden dreigt; hem liefkoozen ... zoenen op die bleeke lippen...!?

Neen! neen!! O groote God, neen! dat heeft Jacoba niet gezegd; zelfs nietgedachtin dezen stond.—Al rijten die vreeselijke kreten haar ook den boezem vaneen, geen schrede mag zij verder. Daar is een krachtige stem in haar binnenste die ’t haar verbiedt; en immers, voor haar verbeelding staat daar een dreigende vader, die vertwijfelen zou indien hij vermoeden kon wat er omgaat in het hart van zijn teergeliefde eenige dochter.

Van hier dan Jacoba! Spoed! Verzend dat telegram, of, doe nóg sneller hulp opdagen, de beste die te bekomen is. Maar voort, van hier!—En toch, moet zij de stem van dien arme dan hooren, zoo angstig, zoo radeloos bijwijlen, en zonder hem te zien? O God, al is hij dan niet meer gelijk voorheen, zooals hij dikwijls naast haar zat, met de glimmend zwarte krulharen en den fijnen knevel scherp geteekend tegen het mannelijk blank van zijn edel welgevormd gelaat; al zijn die donkerbruine oogen, nú de oogen vol geestdrift niet wanneer hij met den fijnbesneden mond aan zijn gretig luisterende leerlinge van den kunstroem der klassieken sprak; al moet de schoone kloeke jonkman, nu ten prooi aan de vreeselijkste ijlkoortsen, slechts de schaduw zijn van ’t geen hij zoo kort geleden nog was, ach, kan zij dan vanhier gaan zonder een enkelen blik te werpen in dat vertrek; zonder den juisten indruk te hebben van zijn toestand; zonder hem nog eens, o God! misschien voor ’tlaatstte hebben aanschouwd?

Zie, de deur der ziekenkamer staat op een kier. Met bonzend hart en op de toonen zachtkens voorwaarts komend, doet ze een schrede in de richting dier kamer ... een tweede ... een.... Neen, eensklaps deinst ze terug:

“Laat los! Hoor je niet, los!” roept Donerie weder; en akelig klinkt zijn hijgende stem: “Zij is de mijne!—Ha! Op de voorkamer is ze. Laat los! of ze vliegt het raam uit; over de daken. Ha: heisa! los!”

Een dreun, een slag heeft Jacoba nog gehoord. Toen is het nacht voor haar geworden, heelemaal nacht.

ELFDE HOOFDSTUK.’t Is een oud, misschien een goed gebruik in het stadje Romphuizen, dat de torenklok der gemeente verkondigt wanneer er een doode naar zijn laatste rustplaats wordt gevoerd. De klok had echter heden niet noodig haar droef “memento mori” te doen klinken, want reeds voordat ze haar stem verhief, was er veel volk op de been. Geen wonder, er zal wat bijzonders te zien en te hooren zijn.Ginder, buiten de zoogenaamde Zijperpoort, trekt de zwarte stoet langzaam voorwaarts, en de zware lindenlaan in, op wier helft het groote kerkhofhek reeds geopend staat.De zon lacht en spartelt zoo vroolijk in de breede laan alsof het een feeststoet ware, die zich onder de vallende bloesems voortbewoog.Spotte zij misschien met den vreeselijken huilebalk wanneer zij tusschen de bladeren door, snelle lichten op dat zinlooze hoofddeksel kantte? Lachte zij met den terugstootenden lijkwagen als ze vonken spatte op die doodshoofden en gekruiste beenderen, op de doodskoppen vooral, die natuurlijk niet zien kunnen—dat er een zon aan den hemel, en het heelal met ontelbare werelden doorzaaid is.Wanneer men op de Zijperbrug bleef staan en van daar de laan inzag, dan was er nochtans iets plechtigs, ja iets aangrijpends in dien optocht.Onder het tintelend groen der zware linden, verloor de hooge koets zich van lieverlede in een fijn-blauwe tint. Zoo van verre had die lijkwagen wel eenige overeenkomst met een monument, een vierkant grafgesteente met een urn er boven op.En zie, aan den voet van dat monument verheft zich, boven de golvende menigte, een zilverwit voorwerp—juist blinkend in een zonnestraal. ’t Is de kleine zilveren harp boven de rooskleurige banier der muziek- en zangvereeniging “Koning David”. Het rood satijn der banier met zijn zilveren letters is door een zwart floers omgeven, maar nochtans komt die kleur—evenals die blinkende harpknop erboven—steeds zeer duidelijk uit tegen den vaalblauwen toon van dat monument, den langzaam wegschuivenden wagen.En de golvende schaar, wier aanblik het hart met weemoedigen ernst vervult, zij getuigt het mede dat er in dezen lentemorgen geen gewone begrafenis plaats heeft. Immers, ’t zijn niet enkel mannen en jongelingen die den wagen volgen. Neen, meer dan dertig meisjes en jonge vrouwen gaan met kloppende harten mede, om aan een afgestorvene, die haar zoo lief was, nog een laatste hulde te brengen, en straks bij de versch gedolven groeve saam te stemmen in het lied waarvan de slotzang luidt:Slaap zacht!Op den krans dien we u vlochten,Slaap zacht!Tot den morgen die u wacht.Goeden nacht! Goeden nacht!Hoor, het geboem-bam der torenklok dreunt nog voort. En zie, de lijkkist van de zwarte sprei ontdaan, staat reeds boven de groeve.Met bevende hand heeft een der meisjes een frisschen lauwerkrans op het deksel der kist gelegd, terwijl een jonge vrouw van de andere zijde genaderd, er eene van immortellen daarnevens plaatst.’t Is nu dominee Hoogerberg die op de lijkkist toetreedt en straks, na een korte inleiding, zijn hartelijke toespraak aldus vervolgt:“Ja, een wolk nam hem weg van deze aarde. Nog ruischt ons de Hymme in de ooren, die hij deed klinken toen twee geliefden zich voor het oog des Almachtigen hadden vereenigd, en hij, instemmend met hun blijdschap, als een andere David heerlijke tonen lokte uit zijn verheven speeltuig. En,—dat die tonen de laatste zouden zijn! Velen onzer wisten het ternauwernood dat hij zich ongesteld gevoelde op dien morgen, en geen enkele was er die vermoeden kon dat reeds de kille hand des doods hem had aangegrepen toen nog zijn vingeren het orgel deden juichen: “Loof, loof den Heer mijne ziel!”“Hij is niet meer! De man die op het gebied der heerlijke toonkunst zulk een leven in onzen doodsslaap wekte; die gedurende een zevental jaren ons en onze kinderen voorging waar het de verhevenste der kunsten gold; hij is van ons heengegaan: een wolk nam hem weg voor onze oogen.—Dat hij leeft of leven zal in een betere wereld, ter eindelooze volmaking, het is onze hoop, ons blij vertrouwen. Maar, als ik de tranen zie, jongelingen en maagden, de tranen die u vloeien langs de wangen, terwijl wij ouderen ze zelfs met moeite bedwingen of niet bedwingen kunnen, dan zeg ik met u: ’t is ons niet genoeg te hopen, noch zelfs zeker te weten dat een dierbare broeder of zuster leeft in hoogeren werkkring; immers wij missen, wij betreuren hem, wij dragen rouw over hem. Maar wél dan, indien we bij een blijmoedig: Daar zal licht zijn aan gene zij van het graf! ook kunnen roemen van hem of van haar die stierf: Onze broeder of zuster leeftnog op aarde!“En onze vriend, onze leidsman in het rijk der tonen, hij leeft en zal met ons leven, ofschoon wij hem missen zullen, heden en telkens weer. Hij leeft, ook voor ons! Wat hij goeds stichtte dat blijft, dat zal voortleven in ons en in de kinderen die hem liefhadden.—Ziet onze banier:Koning David!—Neen, de groote koning isnietgestorven ofschoon er eeuwen over zijn graf zijn gegaan. Is het omdat hij tot koning werd gezalfd, of, omdat uit zijn geslacht de Eenige onder de menschen is voortgekomen? Neen, hij leeft bovenal, omdat hij dichter was, omdat hij liederen zong vol gloed en bezieling; hij leeft als de harpenaar, en zijn vorstelijk paleis is nu de gansche wereld.“In bescheidener huis dan een David zal onze ontslapen vriend woning behouden op aarde: Inonzeharten, inonzedankbareherinneringzal hij gehuisvest zijn.“Mijn vrienden! Werke hij dan in reiner oorden, naar des Almachtigen welbehagen, ookhierzal zijn geest wonen, ook hier zal hij met ons leven. Amen! Amen!!”En na deze woorden, op diepgeroerden toon gesproken, valt het koor in, en zingen Donerie’s vrienden:VROUWEN.Nog was zijn lente niet gevloden,Toen hem des maaiers sikkel trof.MANNEN EN VROUWEN.Nu bergen wij zijn dierbaar stofVol weemoed in den stillen hof,Te midden onzer lieve dooden.MANNEN.Zijn kunstnaars-ziel vol reine klankenOntvonkte in ons den zin voor ’t schoon.SOLOsopraan.Welluidender werd steeds de toonIn onzen kring.TRIOsopraan, tenor, bas.Helaas! tot loonOntvangt hij nu, in ’t somber grafWaaraan de dood hem overgaf,Ons diep weemoedig danken.SOLOtenor.Luister: “Treurt niet over mij,”Zoo ruischt zijn stem in ’t suizend koeltje ons toe:“De toonkunst, ’t rijk der melodij“Was reeds van eeuwigheid. Ze is de adem Gods!SOLOsopraan.Ja, blij te moe“Zal zelfs het vogeltje in ’t woud bij ’t uchtendpralen,“U dat zoet schallende verhalen.SOLOtenor.“Waartoe dan rouwe nu! Wie heeft er mij te danken!“In ’t Heiligdom der klanken“ZijnvelePriesters. Op dan! Op! Weent bij hun assche niet;“Onsterflijk is de harp, onsterflijk is het lied!”MANNEN EN VROUWEN.Een priester vol reinheid, hém geldt onze rouw:Een priester rechtschapen, in ’t minste getrouw.Den kunstnaar zoo needrig en klein bij zijn kracht,Dienpriester, dienmenschgeldt ons weenend: slaap zacht!VROUWEN.Slaap zacht,Op den krans dien we u vlochten!Slaapt zachtTot den morgen die u wacht!MANNEN EN VROUWEN.Goeden nacht! Goeden nacht!In welluidenden toon klonk nog drie malen, telkens stiller, dat aandoenlijk: Goeden nacht! en de laatste droeve klank stierf langzaam weg op den doodenakker, terwijl het stoffelijk overschot vanHerman Doneriein de groeve werd neergelaten.

’t Is een oud, misschien een goed gebruik in het stadje Romphuizen, dat de torenklok der gemeente verkondigt wanneer er een doode naar zijn laatste rustplaats wordt gevoerd. De klok had echter heden niet noodig haar droef “memento mori” te doen klinken, want reeds voordat ze haar stem verhief, was er veel volk op de been. Geen wonder, er zal wat bijzonders te zien en te hooren zijn.

Ginder, buiten de zoogenaamde Zijperpoort, trekt de zwarte stoet langzaam voorwaarts, en de zware lindenlaan in, op wier helft het groote kerkhofhek reeds geopend staat.

De zon lacht en spartelt zoo vroolijk in de breede laan alsof het een feeststoet ware, die zich onder de vallende bloesems voortbewoog.

Spotte zij misschien met den vreeselijken huilebalk wanneer zij tusschen de bladeren door, snelle lichten op dat zinlooze hoofddeksel kantte? Lachte zij met den terugstootenden lijkwagen als ze vonken spatte op die doodshoofden en gekruiste beenderen, op de doodskoppen vooral, die natuurlijk niet zien kunnen—dat er een zon aan den hemel, en het heelal met ontelbare werelden doorzaaid is.

Wanneer men op de Zijperbrug bleef staan en van daar de laan inzag, dan was er nochtans iets plechtigs, ja iets aangrijpends in dien optocht.

Onder het tintelend groen der zware linden, verloor de hooge koets zich van lieverlede in een fijn-blauwe tint. Zoo van verre had die lijkwagen wel eenige overeenkomst met een monument, een vierkant grafgesteente met een urn er boven op.

En zie, aan den voet van dat monument verheft zich, boven de golvende menigte, een zilverwit voorwerp—juist blinkend in een zonnestraal. ’t Is de kleine zilveren harp boven de rooskleurige banier der muziek- en zangvereeniging “Koning David”. Het rood satijn der banier met zijn zilveren letters is door een zwart floers omgeven, maar nochtans komt die kleur—evenals die blinkende harpknop erboven—steeds zeer duidelijk uit tegen den vaalblauwen toon van dat monument, den langzaam wegschuivenden wagen.

En de golvende schaar, wier aanblik het hart met weemoedigen ernst vervult, zij getuigt het mede dat er in dezen lentemorgen geen gewone begrafenis plaats heeft. Immers, ’t zijn niet enkel mannen en jongelingen die den wagen volgen. Neen, meer dan dertig meisjes en jonge vrouwen gaan met kloppende harten mede, om aan een afgestorvene, die haar zoo lief was, nog een laatste hulde te brengen, en straks bij de versch gedolven groeve saam te stemmen in het lied waarvan de slotzang luidt:

Slaap zacht!Op den krans dien we u vlochten,Slaap zacht!Tot den morgen die u wacht.Goeden nacht! Goeden nacht!

Slaap zacht!

Op den krans dien we u vlochten,

Slaap zacht!

Tot den morgen die u wacht.

Goeden nacht! Goeden nacht!

Hoor, het geboem-bam der torenklok dreunt nog voort. En zie, de lijkkist van de zwarte sprei ontdaan, staat reeds boven de groeve.

Met bevende hand heeft een der meisjes een frisschen lauwerkrans op het deksel der kist gelegd, terwijl een jonge vrouw van de andere zijde genaderd, er eene van immortellen daarnevens plaatst.

’t Is nu dominee Hoogerberg die op de lijkkist toetreedt en straks, na een korte inleiding, zijn hartelijke toespraak aldus vervolgt:

“Ja, een wolk nam hem weg van deze aarde. Nog ruischt ons de Hymme in de ooren, die hij deed klinken toen twee geliefden zich voor het oog des Almachtigen hadden vereenigd, en hij, instemmend met hun blijdschap, als een andere David heerlijke tonen lokte uit zijn verheven speeltuig. En,—dat die tonen de laatste zouden zijn! Velen onzer wisten het ternauwernood dat hij zich ongesteld gevoelde op dien morgen, en geen enkele was er die vermoeden kon dat reeds de kille hand des doods hem had aangegrepen toen nog zijn vingeren het orgel deden juichen: “Loof, loof den Heer mijne ziel!”

“Hij is niet meer! De man die op het gebied der heerlijke toonkunst zulk een leven in onzen doodsslaap wekte; die gedurende een zevental jaren ons en onze kinderen voorging waar het de verhevenste der kunsten gold; hij is van ons heengegaan: een wolk nam hem weg voor onze oogen.—Dat hij leeft of leven zal in een betere wereld, ter eindelooze volmaking, het is onze hoop, ons blij vertrouwen. Maar, als ik de tranen zie, jongelingen en maagden, de tranen die u vloeien langs de wangen, terwijl wij ouderen ze zelfs met moeite bedwingen of niet bedwingen kunnen, dan zeg ik met u: ’t is ons niet genoeg te hopen, noch zelfs zeker te weten dat een dierbare broeder of zuster leeft in hoogeren werkkring; immers wij missen, wij betreuren hem, wij dragen rouw over hem. Maar wél dan, indien we bij een blijmoedig: Daar zal licht zijn aan gene zij van het graf! ook kunnen roemen van hem of van haar die stierf: Onze broeder of zuster leeftnog op aarde!

“En onze vriend, onze leidsman in het rijk der tonen, hij leeft en zal met ons leven, ofschoon wij hem missen zullen, heden en telkens weer. Hij leeft, ook voor ons! Wat hij goeds stichtte dat blijft, dat zal voortleven in ons en in de kinderen die hem liefhadden.—Ziet onze banier:Koning David!—Neen, de groote koning isnietgestorven ofschoon er eeuwen over zijn graf zijn gegaan. Is het omdat hij tot koning werd gezalfd, of, omdat uit zijn geslacht de Eenige onder de menschen is voortgekomen? Neen, hij leeft bovenal, omdat hij dichter was, omdat hij liederen zong vol gloed en bezieling; hij leeft als de harpenaar, en zijn vorstelijk paleis is nu de gansche wereld.

“In bescheidener huis dan een David zal onze ontslapen vriend woning behouden op aarde: Inonzeharten, inonzedankbareherinneringzal hij gehuisvest zijn.

“Mijn vrienden! Werke hij dan in reiner oorden, naar des Almachtigen welbehagen, ookhierzal zijn geest wonen, ook hier zal hij met ons leven. Amen! Amen!!”

En na deze woorden, op diepgeroerden toon gesproken, valt het koor in, en zingen Donerie’s vrienden:

VROUWEN.

Nog was zijn lente niet gevloden,Toen hem des maaiers sikkel trof.

Nog was zijn lente niet gevloden,

Toen hem des maaiers sikkel trof.

MANNEN EN VROUWEN.

Nu bergen wij zijn dierbaar stofVol weemoed in den stillen hof,Te midden onzer lieve dooden.

Nu bergen wij zijn dierbaar stof

Vol weemoed in den stillen hof,

Te midden onzer lieve dooden.

MANNEN.

Zijn kunstnaars-ziel vol reine klankenOntvonkte in ons den zin voor ’t schoon.

Zijn kunstnaars-ziel vol reine klanken

Ontvonkte in ons den zin voor ’t schoon.

SOLOsopraan.

Welluidender werd steeds de toonIn onzen kring.

Welluidender werd steeds de toon

In onzen kring.

TRIOsopraan, tenor, bas.

Helaas! tot loonOntvangt hij nu, in ’t somber grafWaaraan de dood hem overgaf,Ons diep weemoedig danken.

Helaas! tot loon

Ontvangt hij nu, in ’t somber graf

Waaraan de dood hem overgaf,

Ons diep weemoedig danken.

SOLOtenor.

Luister: “Treurt niet over mij,”Zoo ruischt zijn stem in ’t suizend koeltje ons toe:“De toonkunst, ’t rijk der melodij“Was reeds van eeuwigheid. Ze is de adem Gods!

Luister: “Treurt niet over mij,”

Zoo ruischt zijn stem in ’t suizend koeltje ons toe:

“De toonkunst, ’t rijk der melodij

“Was reeds van eeuwigheid. Ze is de adem Gods!

SOLOsopraan.

Ja, blij te moe“Zal zelfs het vogeltje in ’t woud bij ’t uchtendpralen,“U dat zoet schallende verhalen.

Ja, blij te moe

“Zal zelfs het vogeltje in ’t woud bij ’t uchtendpralen,

“U dat zoet schallende verhalen.

SOLOtenor.

“Waartoe dan rouwe nu! Wie heeft er mij te danken!“In ’t Heiligdom der klanken“ZijnvelePriesters. Op dan! Op! Weent bij hun assche niet;“Onsterflijk is de harp, onsterflijk is het lied!”

“Waartoe dan rouwe nu! Wie heeft er mij te danken!

“In ’t Heiligdom der klanken

“ZijnvelePriesters. Op dan! Op! Weent bij hun assche niet;

“Onsterflijk is de harp, onsterflijk is het lied!”

MANNEN EN VROUWEN.

Een priester vol reinheid, hém geldt onze rouw:Een priester rechtschapen, in ’t minste getrouw.Den kunstnaar zoo needrig en klein bij zijn kracht,Dienpriester, dienmenschgeldt ons weenend: slaap zacht!

Een priester vol reinheid, hém geldt onze rouw:

Een priester rechtschapen, in ’t minste getrouw.

Den kunstnaar zoo needrig en klein bij zijn kracht,

Dienpriester, dienmenschgeldt ons weenend: slaap zacht!

VROUWEN.

Slaap zacht,Op den krans dien we u vlochten!Slaapt zachtTot den morgen die u wacht!

Slaap zacht,

Op den krans dien we u vlochten!

Slaapt zacht

Tot den morgen die u wacht!

MANNEN EN VROUWEN.

Goeden nacht! Goeden nacht!

Goeden nacht! Goeden nacht!

In welluidenden toon klonk nog drie malen, telkens stiller, dat aandoenlijk: Goeden nacht! en de laatste droeve klank stierf langzaam weg op den doodenakker, terwijl het stoffelijk overschot vanHerman Doneriein de groeve werd neergelaten.

TWAALFDE HOOFDSTUK.’t Is de derde dag na dien, waarop de beschreven plechtigheid had plaats gehad, en de achtste na de overhaaste terugkomst der jonge echtgenooten.In de kleine achterkamer van het doktershuis aan de straatzijde, onmiddellijk grenzend aan de apotheek, zit Eva in een keurig morgentoilet, bij de overblijfsels van het ontbijt, dat ze reeds meer dan een uur geleden met haar August gebruikte.Zooals ze daar zit, gracieus en toch ongekunsteld achteroverliggend in haar stoel, de donkere lokken van onder het guitige morgenmutsje dartel wégvluchtend naar de ronde schouders; met een nieuwsblad van ongewonen vorm in de blanke handen, vertoont er zich op Eva’s schoon gelaat zulk een glans van innige verrukking, dat August, indien hij haar zóó had mogen bespieden, geen oogenblik getoefd, maar haar aanstonds met kussen van blijdschap zou hebben overladen.Wát—wát ter wereld wilde hij ook liever dan zijn aangebeden vrouwtje, zijn eenige Eva, gelukkig zien; gelukkig, zooals hij het is met haar.Maar August ziet haar nu niet met dien trek van welbehagenop het gelaat. Straks toen hij heenging, stonden die mooie oogen strak, zeer strak. Ja, zij heeft hem wel een zoen gegeven, maar ’t is geen zoen geweest die.... haar geliefden man iets zeggen moest; niets—of het moest iets geweest zijn dat maar beter gezwegen was.Eva heeft teleurstellingen gehad; ’t is waar. Inplaats van een groote veertien dagen in Parijs te zijn, is zij er slechts een paar dagen geweest. Instede van zoo ontzaglijk veel te zien waarop ze zich verheugde, is ze, uit deernis met haar vroegeren leermeester, teruggekeerd, maar, zonder de voldoening te smaken dat haar opoffering van eenig nut is geweest. Immers, toen August den kranken Donerie zoo spoedig mogelijk na zijn thuiskomst heeft bezocht, toen moest hij hem helaas, reeds stervende vinden.Ja, Helmond gevoelde wel dat Eva in deze dagen niet zijn kon zooals hij het zich, met een vroolijk oog in de toekomst, had voorgesteld.—Moe van het reizen, zoo heeft hij gedacht, verzadigd van het zien en bewonderen, zal zij, bij ’t allereerst bezitten van eeneigenhuis—al mag die woning haar dan ook niet in alle opzichten voldoen—er toch spoedig een zekerder genot vinden dan die wereldstad haar schenken kon. O, in zijn verbeelding zag hij Eva al schikken en verplaatsen en beredderen, en de teugels opnemen van het huishoudelijk bestier, met al den ijver, waarmee een jonge vrouw gewoonlijk de teugels van haar bewind aanvaardt.—Maar nu, onvoldaan en geenszins van het zien verzadigd, is Eva teruggekeerd. In haar nieuwe woning, waar men op die onverwachte komst niet was voorbereid, ontbraken bijna al de kleine geriefelijkheden, waaraan zeker op den eerstbepaalden dag van terugkomst, door de goede zorg van mevrouw Van Hake, niets zou ontbroken hebben. Om slechts iets te noemen: niet vroeger dan morgen konden de ledikant- en meubelgordijnen bezorgd en opgehangen worden, zoodat men zich nu reeds acht dagen zonder die gordijnen heeft moeten behelpen. De dood van Donerie, die toch een goed vriend van Eva is geweest, en van wien ze altijd met zooveel achting als haar leermeester sprak—heeft ook niet meegewerkt om haar over de teleurstelling heen te zetten en vroolijk te stemmen. Zeer veel verdriet heeft ze bovendien van de “hulde” gehad, welke men hem aan zijn graf heeft gebracht. Ja, ’t moest haar wel zenuwachtig maken, zooals men haar gedwongen heeft mee te zingen. Helmond is krachtig tusschenbeiden gekomen. ’t Was niet kiesch dat men een jonggehuwde vrouw kwam geweld doen om zich aan een graf te doen hooren. En dan—zij had gelijk—men moest ook begrijpen dat Eva Helmond, niet meer Eva Armelo was. In één woord, die geschiedenis heeft het goede kind zeker nog veel meer aangedaan dan ze blijken liet, terwijl ze zich toch de moeite heeft getroost om op dringend verzoek van ’t gezelschap “Koning David”, een compositie van Donerie, welke op den laatsten oudejaarsavond in de kerk is gezongen en nu met kleine wijzigingen, bij andere woorden in denzelfden rythmus, zou gebruikt worden, te helpen in orde brengen, zoodat de kleine Cantate door die hulp dan ook zeer goed voldaan heeft.Eva had zich daaraan niet willen en kunnen onttrekken, maar, dit alles moet haar stemming verklaren, een stemming die door het zonderlinge verzoek van oom Van Barneveld, om vooreerst haar visite opDe Zonsbergnog wat uit te stellen, er zeker niet op verbeterd was.—’t Is natuurlijk, denkt Helmond onder ’t wandelen voort: het kind heeft reden om niet zoo vroolijk en opgeruimd te wezen als ik het wenschen zou; ik zie het nu duidelijk in.—De een zet zich gemakkelijker over ’t leed en de teleurstellingen der wereld heen dan de ander.—Immers, ook hij zelf heeft zijn teleurstellingen gehad. Reeds in het eerste uur na hun aankomst, kreeg hij aan Donerie’s sterfbed de zekerheid dat zijn kunst op den armen lijder niets meer vermocht; en—nog in datzelfde uur bevond hij zich in de woning van zijn oom, waar hem een nieuwe teleurstelling wachtte.Zonder den schijnbaar kalmen pleegvader te doen bemerken dat diens onrust over Jacoba de oorzaak van hun overhaaste terugkomst is geweest; voorgevend dat Donerie’s hoogstgevaarlijke toestand hem er toe besluiten deed, heeft August getracht den geliefden oom al aanstonds zooveel mogelijk gerust te stellen, door, bij het terugzien en ondervragen van Jacoba, een zoo luchtigen toon aan te slaan als de omstandigheden het gedoogden.En gelukkig, met de meeste gerustheid heeft Helmond zijn vroeger gegeven woord kunnen herhalen: dat Jacoba’s toestand, volgens zijn vaste overtuiging, voor ’t oogenblik geen de minste reden tot bezorgdheid gaf. Haar zenuwgestel was wel uiterst zwak, zoodat schrikken als in de woning van Krul haar allernadeeligst waren, maar indien men zijn voorschriften nu eens getrouw wilde volgen, dan twijfelde hij niet of zijn lieve zusje zou nog dezen zomer weer veel flinker en krachtiger zijn.En Van Barneveld heeft na die verklaring, zoodra hij zich met den neef alleen bevond, met zekere ongewone koelheid gezegd, dat de verhaaste terugkomst ter wille van den reeds stervenden muziekmeester, hem mede genoegen deed, omdatzuster Herminezich over Coba wat bezorgd had gemaakt, en met de herhaling van zulke vapeurtjes inderdaad wel eens weten wilde of men er notitie van diende te nemen ja of neen. Doch.... Helmond moest die ongesteldheid heel en passant behandelen. Ware die laatste schrik er niet bijgekomen, dan zou Coba nu zeker reeds geheel beter zijn, want tante Hermine kon getuigen, hoe ze op den morgen, toen ze zoo ongelukkig bij den timmerman verzeild geraakte, bijzonder wel en zelfs zeer opgewekt was geweest.—Welzeker, Helmonds voorschriften, en vooral van de koudwaterbaden, zouden zoo nauwkeurig mogelijk worden opgevolgd, maar hij zelf moest nu vooreerst wat op den achtergrond blijven. Hoe minder Coba aan haar ongesteldheid werd herinnerd, en ook aan de personen die ze in den laatsten tijd had ontmoet, zooveel te beter scheen ze zich te gevoelen. Bezoeken waren haar alles behalve dienstig, en dáárom ook zou Eva—ofschoon men haar natuurlijk gaarne ontving—beter doen om haar bezoek opDe Zonsbergnog een acht dagen uit te stellen.Zoo heeft oom bij het eerste bezoek gesproken. En August.... wat heeft hij kunnen antwoorden! Ofschoon hij in Coba’s toestand inderdaad geen reden tot oogenblikkelijke bezorgdheid vond, zoo geloofde hij toch dat men den vijand met kracht moest bestrijden. Hij heeft zich voorgesteld dagelijks zijn geliefde pleegzuster te zullen bezoeken en met de meeste opmerkzaamheid gade te slaan, teneinde den oorsprong van haar kwaal te ontdekken, en alzoo te spoediger tot haar herstelling te geraken. Dat een geheim verdriet haar kwelde had August reeds vermoed, en krachtig werd hij in die meening versterkt nu hij Coba heeft weergezien. En wat moest hij dan antwoorden? Zou hij ooms onrust niet onnoodig prikkelen indien hij na zijn verklaring—die ter geruststelling, helaas, wat al te rooskleurig geweest is—tóch op een geregelde behandeling bleef aandringen? Hij kent den oom, en wil tot geen prijs—ook in Coba’s belang—zijn vertrouwen verliezen. Maar zie, dewijl hij den vader niet noodeloos heeft willen bezorgd maken, wordt nu zijn persoonlijke hulp, zijn geregeld praktizeeren over het goede pleegzusje, als geheel onnoodig versmaad. Was hij dan niet alleen uit belangstellende liefde voor Coba zoo haastig teruggekeerd! En instede van blijdschap daarover, heeft hij een zonderlinge koelheid bespeurd, terwijl ooms bepaald verzoek: dat Eva vooreerst niet opDe Zonsbergzou komen, de maat heeft volgemeten. Ja, met reden mocht ook August over teleurstelling klagen. Die overhaaste terugreis, wat heeft zij goeds gesticht....? Niets! Een enkel recept, een enkelen raad heeft hij aan Coba mogen geven, dat was alles! En Donerie is gestorven; en Eva was ontevreden, en.... Maar komaan, heeft Helmond in ’t einde gezegd, men moet zijn verstand gebruiken: ooms aangeboren weerzin tegen den “medicijnwinkel” en een “praktizeerend dokter over den vloer”, hebben hem zóó doen besluiten. Den dokter moet hij weren zoolang het hem mogelijk is. Doch, ofschoon voor het oogenblik gerustgesteld, oom zal het koudwatermiddel—’t welk blijkbaar zijn goedkeuring heeft weggedragen—zeker geregeld doen aanwenden; August kan nu de werking daarvan afwachten, en, mocht Coba’s toestand onverhoopt den armen oom in nieuwe spanning brengen en hem toch weder tot den dokter zijn toevlucht doen nemen, dan—dán zal die dokter wat geslotener en ook wat voorzichtiger zijn. En nu, Helmond zal zich over die wereldsche teleurstellingen heenzetten. ’t Is jammer dat Eva daar niet even gemakkelijk toe besluiten zal. Maar geduld, met den tijd zal dat beter worden. Eva is nog zoo jong; pas even twintig jaren!—Zeker, het zou de grootste dwaasheid zijn geweest, indien hij had toegestemd om nu, nú aanstonds reeds, die reis te hervatten: maar Eva zal het zelve spoedig inzien, en als ze dan van dat denkbeeld is teruggekomen, dan zal ze weer lief en vroolijk zijn. Ja! en als dan de mooie ovale spiegel komt waar ze zoo’n zin in had, dan zal ze wel blij verrast en tevreden lachen. Alle leed is dan vergeten, en we maken weer plannen voor de toekomst, en reizen al vast eens achter den haard, om later, later misschien.... Och, ’t is zoo’n goed en lief en prachtig vrouwtje. Indienzij dat andere, die zekere zucht naar grootheid maar wat onderdrukken kon, dan....................—Ho ho, dokter Helmond, dat is immers “het kenmerk van den adeldom der ziel”.—Nu ja, zoo is het, en hij zal ook met zijn lachende Eva gelukkig wezen. Zeker, van morgen—van overmorgen afaan, geheel en al, en juist “door wijsheid te mengen in zijn vurige liefde”.Zoo dacht August bij tusschenpoozen terwijl hij zijn patiënten bezocht, en telkens bij die bezoeken, waar het pas gaf, roemde in zijn geluk, en roemde over de lieve vrouw, die “ook zoo gelukkig en zoo hoogsttevreden in haar nieuwe woning was”.En inderdaad, indien August zijn vrouw in de straks beschreven houding had kunnen gadeslaan, dan zou hij immers geheel overtuigd zijn geworden—of althans een oogenblik geloofd hebben, dat hij waarheid sprak.’t Werd reeds gezegd dat het nieuwsblad, waarin Eva leest, een bijzonderen vorm heeft, ’t IsLe Grand Hotel, Gazette des Etrangers. Heden, juist negen dagen geleden, heeft August dat blad op denBoulevard des Italiensgekocht. Men had wel reeds vernomen dat er dien avond in de groote opera Gounods Faust zou gegeven worden, doch de Gazette heeft het bevestigd, en Helmond had er aanstonds werk van gemaakt om zijn “lieve nachtegaal” het genot van dien avond te verzekeren.Welk een heerlijke avond is dat geweest! Met haar eigen zangkennis en talent, was er zeker niemand in de zaal, die meer dan Eva genoot; en ofschoon zij zeker het allermeest door de voortreffelijke uitvoering van Gounods meesterstuk was opgetogen, zoo hebben de gouden schalen, waarop men haar de vrucht had aangeboden, en het altijd wederkeerende bewustzijn zich in den Parijschen lusthof te bevinden, er toch krachtig toe meegewerkt, om haar dien avond te doen zijn als een, doorgebracht in een tooverwereld, in een hemel, in iets.... onuitsprekelijks!—August was gul—ja men kon er niet over klagen—maar, in kleinigheden was hij soms.... enfin, misschien had hij gelijk! Hoe ’t zij, toen men: “Le Programme, Le Programme détaillé!” en “l’Entr’acte!’” riep, en zij, in deStalles d’orchestregezeten, hem verzocht heeft een dier bladen te koopen, toen haalde hij de ’s morgens gekochte Gazette te voorschijn, en beweerde dat dit blad evengoed was, en zeker nog meer nieuws dan de tooneelbladen bevatte.En Eva heeft dan opdien avondin datzelfdeblad gelezen, of er althans, zoo nu en dan, gedurende de pauzen eens in gesnuffeld. Zie maar, op de plaats waar met stellige zekerheid het gerucht werd bevestigd, dat “Mlle. Patti ferait sa rentrée mardi prochain dans La Somnambule,” daar is nog de kleine scheur te zien, die ze in het papier maakte toen ze August dat goede nieuws wilde wijzen en met haar pink wat sterk erop drukte. Die kleine scheur heeft ze toen gemaakt, toen op den avond, die haar nóg als een zalige droom voor den geest staat. En onwillekeurig bevondEva zich nogmaals, terwijl ze weder dezelfde reclames en bulletins en programmas doorliep, in den toovercirkel van grootheid en glans, welke haar zoo geweldig had aangetrokken. Het Grand Hotel, ’t welk ze op het blad zag afgebeeld, werd haar als iets dat naar een hemel zweefde: een ruimte met onafzienbare zalen, waar alles van wit was met goud!” Ja, bij ’t gedurig al lezend ontmoeten der namen van boulevards en straten, die ze aan Helmonds zij, in een rijtuig was langs- en doorgevlogen, of ook die ze betreden had met het oog op een wereld vol rijkdom en pracht, telkens klonken die namen haar nu als de welluidendste tonen in de ooren.En daarom, ’t was niet vreemd dat er op Eva’s schoon gelaat een glans van innige verrukking stond te lezen, terwijl ze zich met dat blad in handen nogmaals baden mocht in de schitterendste herinneringen.Doch die glans van genot bij ’t lezen van de oude Gazette, zal sneller vergaan dan hij gekomen is. Door het geraas van een hondenkar gewekt, ziet Eva op, en terwijl de Gazette des Etrangers nu eensklaps ritselend neerglijdt langs haar schoot, is het een schampere lach die haar schoonen mond komt ontsieren.—Hondenkar! zegt ze bijna overluid: ’t Is allerliefst, welzeker;hierschrikt men op van een hondenkar! Zouden er ooit dommer creaturen zijn geweest dan zij, die op den inval kwamen om steden als Romphuizen te bouwen, met huizen en kamers als deze! Zie, uit dit doodsch vertrek,—hemel ja, precies een doodkist: langwerpig, smal, donker, vochtig, bah! uit deze kamer, met een eeuwigdurende ziekenlucht van die nare apotheek, hier heb je ’t uitzicht op een touwwinkeltje en een blinden muur aan den overkant, met de passage van zes kippen en wat zieke lui die om een drank komen.—Nee, in deze dompige la is ’t op den duur niet uit te houden. Vóór—hoe ellendig men er ook in een kuil zit—vóór zie je tenminste nog een bloem en een enkel fatsoenlijk mensch in de hoogte voorbijgaan; maar hier is ’t om te verkniezen!—Pruttelen! zegt August: pruttelen! Nu ja, maar als ik bedenk dat ik hier reeds acht dagen gevangen zit,—ja zekergevangen, want al ware dit huis zoo somber en akelig niet, dan zou het nu toch een gevangenis voor me wezen, terwijl ik op ditzelfde oogenblik nog in Parijs moest zijn, zooals mijvastwas beloofd.... ’t Is waar, dat droeve bericht van Herman kwam er tusschen. Zeker, als ik den armen jongen met mijn thuiskomst en hier-zijn ’t leven had kunnen redden, ja, dán.... Ik heb het getoond.—’t Heeft me erg getroffen; telkens ben ik er nog zenuwachtig van, want gedurig staat hij zoo voor me, zoo.... Maar nee, nee! ik had hem nooit iets te kennen gegeven, nooit!—Als August vermoeden kon hoe me die gedachte soms een oogenblik kan beklemmen, dan.... Maar juist daarom ook zou het ter afleiding veel beter zijn, om nu—nu alles toch is afgeloopen—nog eens van huis te gaan. Ja, al was ’t maar naar Brussel, ’t Is hier zoo aller-aller-akeligst en doodsch, he in vergelijking van daar, in dat brillante Parijs.—Als ik er nu was in dat Grand Hotel—en ik moest er wezen—nú zou ik bijvoorbeeld, liggend in zoo’n heerlijke cauzeuse, den garçon dien naren ontbijt-trommel dáár laten wegnemen.—Zelfs thuis stak ik geen hand naar die dingen uit. Ma of Louise deden het gaarne.—Hoe! is ’t al elf uur! En om twaalf komt August voor de koffie terug.Haastig opstaande schelt Eva.—Eenige oogenblikken later treedt een boersch dienstmeisje van vijftien a zestien jaren de kamer in.“Gerritje, je moest dat ontbijt eens aan kant maken.”“Van kant moaken juffer?“Afwasschen bedoel ik.”“De kummekes wisschen juffer?”“Ja, alles; en dan voor de koffie weer klaarzetten.”“Da’ kan’k niet juffer.”“Kun je dát niet? Goeje hemel!—Roep mevrouw Van Hake.”“Mevrouw Van Oake roepen? Best juffer.”“Hier! Hoor eens Gerritje.”“Juffer?”“Weet je wel tegen wie je spreekt?”“Joawel, tegenoejuffer.”’“Dan zou ik in ’t vervolg behoorlijkmevrouwzeggen hoorje; de mevrouw hier in huis is de vrouw van dokter Helmond.—Versta je me?”“Joawel, doof bin ik niet juffer, iens geheel niet.—Alsdat ik mevrouw Van Oake zou roepen, niewoar juffer?”“En, en.... en.... dat je tegen mij niet meer juffer zult zeggen, maarmevrouw!”“Bestig ma-juf-vrouw.”“Goeje morgen lieve Eva, heb je me geroepen? Is er ’t een of ander waarmee ik je helpen kan?” vraagt mevrouw Van Hake, die vriendelijk groetend binnentreedt.“Morgen mevrouw. Och ja, wilt u alsjeblieft hier eens omwasschen? ’t Is laat geworden; ik wou me kleeden voor de koffie. Helmond komt om twaalf uur weer thuis.”“Omwasschen?” herhaalt mevrouw Van Hake, en moet zich geweld doen om een zekere ontroering te verbergen.“Ja,” zegt Eva: “dat kleine boerenperceel kan noch het een noch het ander. Dát is toch geen meid voor mij zou ik denken.”“Misschien niet heelemaal Eva; maar met geduld....”“Ja maar, neem me niet kwalijk, om nu idioten op te voeden dat laat ik aan de liefhebbers over. Misschien is het extra dom van me, maar tusschen een boer of boerin en idioten zie ik geen onderscheid.”“Wou je graag dat ik dit van morgen eens voor je omwaschte, Eva?”“Och ja; wil je?”“... Eva... ik ben... ik had gehoopt...”“Och mijn beste mevrouw, ik weet niet wat je bedoelt, maar als er iemand is die op dingen heeft gehoopt die niet gebeurd zijn, dan, geloof me, benikhet.—Hebt u een reis gemaakt na uw trouwen?”“Ja Eva,Van Hakewasóók dokter.”“Dat weet ik. Hoe lang bent u uit geweest?”“We waren veertien dagen uit en thuis. Och ja, eerst gingen we....”“Veertien dagen! Zieje!—Zoudt u, als je man gezegd had “we moeten om zaken met den vierden dag naar huis,” niet de scha hebben willen inhalen zoodra die zaak was afgedaan?”“Ik weet waar je op doelt Eva. Maar luister eens: als je brave verstandige Helmond het nu minder goedkeurt om in de gegeven omstandigheden aanstonds weer op reis te gaan, zou het dan van zijn vrouwtje niet verstandiger wezen om....”“Mevrouw Van Hake,” zegt Eva zich verheffend: “van uw lessen, hoe goed ook gemeend, zou ik nu liefst verschoond blijven. Ik ben de jonge juffrouwEvavan vroeger niet meer. Sedert was ik lang in Den Haag, en nú ben ikMevrouw Helmond. Men dient hier in huis toch te weten wie het hoofd is,—zoo dunkt me!”Na deze woorden verlaat Eva haastig de kamer. De weduwe, die reeds het haar opgedragen werk had aanvaard, weerhoudt de tranen niet die haar opwellen in de oogen, terwijl ze hoofdschuddend, de jonge vrouw ziet verdwijnen. Ofschoon zelve een paar malen gevoelig door Eva’s woorden gekrenkt, vervult haar nu toch een andere smart. O, wat ze in stilte wel eens heeft vermoed, dat werd voor haar in de weinige dagen dat Helmonds echtgenoote onder het altijd zoo vreedzame dak verkeerde, reeds zekerheid: de goede dokter zou met die vrouw niet gelukkig wezen; en de dagen, die de bedroefde weduwe nog in de woning van den weldoener zal doorbrengen, zijn zeker geteld.Terwijl de doktersweduwe het werk verricht dat dienstbodenwerk moet heeten wanneer het zóó wordt opgedragen; terwijl ze afwascht, en weder gereedzet, en de tranen gedurig langs de wangen rollen, is Eva in haar onrustige stemming naar haar slaapkamer gegaan. Daar gekomen blijft ze eensklaps staan. Met één oogopslag ziet zij welk een verandering er heeft plaats gehad, sedert ze een paar uur geleden die kamers verliet. Een keurig frisch-groen behangsel met nette kwasten is er om den hemel van haar echtkoets gehangen.In weinige seconden was Eva beneden, en bevond ze zich in de voorkamer der suite, die het uitzicht op den wal heeft. Zie, ’t was er donkerder geworden, maar waarlijk ja, daar hingen ze ook, de nette overgordijnen, met zorg geplooid en ongebonden.—Dat stond goed, ja dat stond heel goed; dat gaf waarlijk iets salonachtigs; iets niet-communs.—Wat is er ook burgerlijkers te bedenken dan ramen zonder meubelgordijnen.—Jawel, ze zijn zóó heelheelordentelijk, besluit Eva, terwijl ze de nieuwe gordijnen nog eens op een afstand en dan van nabij beschouwt.—’t Is aardig; dat moet mevrouw Van Hake van morgen gedaan hebben na ’t ontbijt.—’t Is eigenlijk toch een goed mensch. Een beetje saai. Maar, och lieve hemel, wie zou er ook in Romphuizennietsaai worden. Ja waarlijk, ze heeft erg veel liefs.... Zie, daar staat dat mooie zilveren beeldje onder ’t stolpje ook nog. ’t Was eigenlijk een mal cadeau; je kondt er een voltaire of zoo iets voor gehad hebben, maar, ’t bewijst toch dat ze een goedhart heeft. Ik geloof dat ze me die kleine terechtwijzing een klein beetje kwalijk nam; misschien omdat ze juist was bezig geweest met me een verrassing te bezorgen. Nu ja, maar men moet toch begrijpen wie hier in huis nummer één is. Zedenpreeken aan te hooren van menschen, die men letterlijk en zonder eenige verwantschap ’t genadebrood geeft; nee nee, daar bedanken we voor; en.... Maar ze staan heel netjes die gordijnen. Och hemel, ik liet de goeje sloof nog omwasschen ook; misschien was ze daar ook wel wat knak over. ’t Zou me toch spijten indien ik haar leed had gedaan....Een geruimen tijd stond Eva nog in de voorkamer, straks met de hand nog op haar boezem. Er was strijd daarbinnen: Nee ja, nee ja.... nee.... ja! En—nu is ze voort; bij de deur der ontbijtkamer aarzelt ze nog, maar, tóch gaat ze erbinnen.Een laatste overwinning heeft er plaats; en dan, dan vat ze eensklaps de oude dame, die Eva met blijde verbazing beschouwt, vertrouwelijk bij de hand, en zegt:“Als ik een hard woord heb gesproken, lieve mevrouw, och wil het mij dan vergeven; u waart zoo goed en hebt alweer zooveel moeite gedaan. Och, ik was ondankbaar....”“Spreek zoo niet.... mevrouw Helmond. Ik gevoel....”“Zeg dan Eva,Eva! Immers straks nog was ik onverstandig als een kind? Vergeef mij dan als ik u leed heb gedaan! Uw tranen maken mij beschaamd.”Juist op het oogenblik dat Eva de oude dame een zoen op de wang drukt, treedt Helmond de kamer in:“Ei ei, zóó mag ik het zien,” zegt hij met blijde verrassing: “dat is nu een zoen, die mij niet jaloersch zal maken.—Maar hoe, ik zie tranen? Is er iets dat u bedroefd heeft mevrouw...?”“Men kan immers ook schreien beste dokter,” antwoordt de weduwe met innige ontroering, “als het hart weldadig wordt aangedaan.”

’t Is de derde dag na dien, waarop de beschreven plechtigheid had plaats gehad, en de achtste na de overhaaste terugkomst der jonge echtgenooten.

In de kleine achterkamer van het doktershuis aan de straatzijde, onmiddellijk grenzend aan de apotheek, zit Eva in een keurig morgentoilet, bij de overblijfsels van het ontbijt, dat ze reeds meer dan een uur geleden met haar August gebruikte.

Zooals ze daar zit, gracieus en toch ongekunsteld achteroverliggend in haar stoel, de donkere lokken van onder het guitige morgenmutsje dartel wégvluchtend naar de ronde schouders; met een nieuwsblad van ongewonen vorm in de blanke handen, vertoont er zich op Eva’s schoon gelaat zulk een glans van innige verrukking, dat August, indien hij haar zóó had mogen bespieden, geen oogenblik getoefd, maar haar aanstonds met kussen van blijdschap zou hebben overladen.

Wát—wát ter wereld wilde hij ook liever dan zijn aangebeden vrouwtje, zijn eenige Eva, gelukkig zien; gelukkig, zooals hij het is met haar.

Maar August ziet haar nu niet met dien trek van welbehagenop het gelaat. Straks toen hij heenging, stonden die mooie oogen strak, zeer strak. Ja, zij heeft hem wel een zoen gegeven, maar ’t is geen zoen geweest die.... haar geliefden man iets zeggen moest; niets—of het moest iets geweest zijn dat maar beter gezwegen was.

Eva heeft teleurstellingen gehad; ’t is waar. Inplaats van een groote veertien dagen in Parijs te zijn, is zij er slechts een paar dagen geweest. Instede van zoo ontzaglijk veel te zien waarop ze zich verheugde, is ze, uit deernis met haar vroegeren leermeester, teruggekeerd, maar, zonder de voldoening te smaken dat haar opoffering van eenig nut is geweest. Immers, toen August den kranken Donerie zoo spoedig mogelijk na zijn thuiskomst heeft bezocht, toen moest hij hem helaas, reeds stervende vinden.

Ja, Helmond gevoelde wel dat Eva in deze dagen niet zijn kon zooals hij het zich, met een vroolijk oog in de toekomst, had voorgesteld.—Moe van het reizen, zoo heeft hij gedacht, verzadigd van het zien en bewonderen, zal zij, bij ’t allereerst bezitten van eeneigenhuis—al mag die woning haar dan ook niet in alle opzichten voldoen—er toch spoedig een zekerder genot vinden dan die wereldstad haar schenken kon. O, in zijn verbeelding zag hij Eva al schikken en verplaatsen en beredderen, en de teugels opnemen van het huishoudelijk bestier, met al den ijver, waarmee een jonge vrouw gewoonlijk de teugels van haar bewind aanvaardt.

—Maar nu, onvoldaan en geenszins van het zien verzadigd, is Eva teruggekeerd. In haar nieuwe woning, waar men op die onverwachte komst niet was voorbereid, ontbraken bijna al de kleine geriefelijkheden, waaraan zeker op den eerstbepaalden dag van terugkomst, door de goede zorg van mevrouw Van Hake, niets zou ontbroken hebben. Om slechts iets te noemen: niet vroeger dan morgen konden de ledikant- en meubelgordijnen bezorgd en opgehangen worden, zoodat men zich nu reeds acht dagen zonder die gordijnen heeft moeten behelpen. De dood van Donerie, die toch een goed vriend van Eva is geweest, en van wien ze altijd met zooveel achting als haar leermeester sprak—heeft ook niet meegewerkt om haar over de teleurstelling heen te zetten en vroolijk te stemmen. Zeer veel verdriet heeft ze bovendien van de “hulde” gehad, welke men hem aan zijn graf heeft gebracht. Ja, ’t moest haar wel zenuwachtig maken, zooals men haar gedwongen heeft mee te zingen. Helmond is krachtig tusschenbeiden gekomen. ’t Was niet kiesch dat men een jonggehuwde vrouw kwam geweld doen om zich aan een graf te doen hooren. En dan—zij had gelijk—men moest ook begrijpen dat Eva Helmond, niet meer Eva Armelo was. In één woord, die geschiedenis heeft het goede kind zeker nog veel meer aangedaan dan ze blijken liet, terwijl ze zich toch de moeite heeft getroost om op dringend verzoek van ’t gezelschap “Koning David”, een compositie van Donerie, welke op den laatsten oudejaarsavond in de kerk is gezongen en nu met kleine wijzigingen, bij andere woorden in denzelfden rythmus, zou gebruikt worden, te helpen in orde brengen, zoodat de kleine Cantate door die hulp dan ook zeer goed voldaan heeft.

Eva had zich daaraan niet willen en kunnen onttrekken, maar, dit alles moet haar stemming verklaren, een stemming die door het zonderlinge verzoek van oom Van Barneveld, om vooreerst haar visite opDe Zonsbergnog wat uit te stellen, er zeker niet op verbeterd was.

—’t Is natuurlijk, denkt Helmond onder ’t wandelen voort: het kind heeft reden om niet zoo vroolijk en opgeruimd te wezen als ik het wenschen zou; ik zie het nu duidelijk in.—De een zet zich gemakkelijker over ’t leed en de teleurstellingen der wereld heen dan de ander.—Immers, ook hij zelf heeft zijn teleurstellingen gehad. Reeds in het eerste uur na hun aankomst, kreeg hij aan Donerie’s sterfbed de zekerheid dat zijn kunst op den armen lijder niets meer vermocht; en—nog in datzelfde uur bevond hij zich in de woning van zijn oom, waar hem een nieuwe teleurstelling wachtte.

Zonder den schijnbaar kalmen pleegvader te doen bemerken dat diens onrust over Jacoba de oorzaak van hun overhaaste terugkomst is geweest; voorgevend dat Donerie’s hoogstgevaarlijke toestand hem er toe besluiten deed, heeft August getracht den geliefden oom al aanstonds zooveel mogelijk gerust te stellen, door, bij het terugzien en ondervragen van Jacoba, een zoo luchtigen toon aan te slaan als de omstandigheden het gedoogden.

En gelukkig, met de meeste gerustheid heeft Helmond zijn vroeger gegeven woord kunnen herhalen: dat Jacoba’s toestand, volgens zijn vaste overtuiging, voor ’t oogenblik geen de minste reden tot bezorgdheid gaf. Haar zenuwgestel was wel uiterst zwak, zoodat schrikken als in de woning van Krul haar allernadeeligst waren, maar indien men zijn voorschriften nu eens getrouw wilde volgen, dan twijfelde hij niet of zijn lieve zusje zou nog dezen zomer weer veel flinker en krachtiger zijn.

En Van Barneveld heeft na die verklaring, zoodra hij zich met den neef alleen bevond, met zekere ongewone koelheid gezegd, dat de verhaaste terugkomst ter wille van den reeds stervenden muziekmeester, hem mede genoegen deed, omdatzuster Herminezich over Coba wat bezorgd had gemaakt, en met de herhaling van zulke vapeurtjes inderdaad wel eens weten wilde of men er notitie van diende te nemen ja of neen. Doch.... Helmond moest die ongesteldheid heel en passant behandelen. Ware die laatste schrik er niet bijgekomen, dan zou Coba nu zeker reeds geheel beter zijn, want tante Hermine kon getuigen, hoe ze op den morgen, toen ze zoo ongelukkig bij den timmerman verzeild geraakte, bijzonder wel en zelfs zeer opgewekt was geweest.—Welzeker, Helmonds voorschriften, en vooral van de koudwaterbaden, zouden zoo nauwkeurig mogelijk worden opgevolgd, maar hij zelf moest nu vooreerst wat op den achtergrond blijven. Hoe minder Coba aan haar ongesteldheid werd herinnerd, en ook aan de personen die ze in den laatsten tijd had ontmoet, zooveel te beter scheen ze zich te gevoelen. Bezoeken waren haar alles behalve dienstig, en dáárom ook zou Eva—ofschoon men haar natuurlijk gaarne ontving—beter doen om haar bezoek opDe Zonsbergnog een acht dagen uit te stellen.

Zoo heeft oom bij het eerste bezoek gesproken. En August.... wat heeft hij kunnen antwoorden! Ofschoon hij in Coba’s toestand inderdaad geen reden tot oogenblikkelijke bezorgdheid vond, zoo geloofde hij toch dat men den vijand met kracht moest bestrijden. Hij heeft zich voorgesteld dagelijks zijn geliefde pleegzuster te zullen bezoeken en met de meeste opmerkzaamheid gade te slaan, teneinde den oorsprong van haar kwaal te ontdekken, en alzoo te spoediger tot haar herstelling te geraken. Dat een geheim verdriet haar kwelde had August reeds vermoed, en krachtig werd hij in die meening versterkt nu hij Coba heeft weergezien. En wat moest hij dan antwoorden? Zou hij ooms onrust niet onnoodig prikkelen indien hij na zijn verklaring—die ter geruststelling, helaas, wat al te rooskleurig geweest is—tóch op een geregelde behandeling bleef aandringen? Hij kent den oom, en wil tot geen prijs—ook in Coba’s belang—zijn vertrouwen verliezen. Maar zie, dewijl hij den vader niet noodeloos heeft willen bezorgd maken, wordt nu zijn persoonlijke hulp, zijn geregeld praktizeeren over het goede pleegzusje, als geheel onnoodig versmaad. Was hij dan niet alleen uit belangstellende liefde voor Coba zoo haastig teruggekeerd! En instede van blijdschap daarover, heeft hij een zonderlinge koelheid bespeurd, terwijl ooms bepaald verzoek: dat Eva vooreerst niet opDe Zonsbergzou komen, de maat heeft volgemeten. Ja, met reden mocht ook August over teleurstelling klagen. Die overhaaste terugreis, wat heeft zij goeds gesticht....? Niets! Een enkel recept, een enkelen raad heeft hij aan Coba mogen geven, dat was alles! En Donerie is gestorven; en Eva was ontevreden, en.... Maar komaan, heeft Helmond in ’t einde gezegd, men moet zijn verstand gebruiken: ooms aangeboren weerzin tegen den “medicijnwinkel” en een “praktizeerend dokter over den vloer”, hebben hem zóó doen besluiten. Den dokter moet hij weren zoolang het hem mogelijk is. Doch, ofschoon voor het oogenblik gerustgesteld, oom zal het koudwatermiddel—’t welk blijkbaar zijn goedkeuring heeft weggedragen—zeker geregeld doen aanwenden; August kan nu de werking daarvan afwachten, en, mocht Coba’s toestand onverhoopt den armen oom in nieuwe spanning brengen en hem toch weder tot den dokter zijn toevlucht doen nemen, dan—dán zal die dokter wat geslotener en ook wat voorzichtiger zijn. En nu, Helmond zal zich over die wereldsche teleurstellingen heenzetten. ’t Is jammer dat Eva daar niet even gemakkelijk toe besluiten zal. Maar geduld, met den tijd zal dat beter worden. Eva is nog zoo jong; pas even twintig jaren!—Zeker, het zou de grootste dwaasheid zijn geweest, indien hij had toegestemd om nu, nú aanstonds reeds, die reis te hervatten: maar Eva zal het zelve spoedig inzien, en als ze dan van dat denkbeeld is teruggekomen, dan zal ze weer lief en vroolijk zijn. Ja! en als dan de mooie ovale spiegel komt waar ze zoo’n zin in had, dan zal ze wel blij verrast en tevreden lachen. Alle leed is dan vergeten, en we maken weer plannen voor de toekomst, en reizen al vast eens achter den haard, om later, later misschien.... Och, ’t is zoo’n goed en lief en prachtig vrouwtje. Indienzij dat andere, die zekere zucht naar grootheid maar wat onderdrukken kon, dan....................

—Ho ho, dokter Helmond, dat is immers “het kenmerk van den adeldom der ziel”.—Nu ja, zoo is het, en hij zal ook met zijn lachende Eva gelukkig wezen. Zeker, van morgen—van overmorgen afaan, geheel en al, en juist “door wijsheid te mengen in zijn vurige liefde”.

Zoo dacht August bij tusschenpoozen terwijl hij zijn patiënten bezocht, en telkens bij die bezoeken, waar het pas gaf, roemde in zijn geluk, en roemde over de lieve vrouw, die “ook zoo gelukkig en zoo hoogsttevreden in haar nieuwe woning was”.

En inderdaad, indien August zijn vrouw in de straks beschreven houding had kunnen gadeslaan, dan zou hij immers geheel overtuigd zijn geworden—of althans een oogenblik geloofd hebben, dat hij waarheid sprak.

’t Werd reeds gezegd dat het nieuwsblad, waarin Eva leest, een bijzonderen vorm heeft, ’t IsLe Grand Hotel, Gazette des Etrangers. Heden, juist negen dagen geleden, heeft August dat blad op denBoulevard des Italiensgekocht. Men had wel reeds vernomen dat er dien avond in de groote opera Gounods Faust zou gegeven worden, doch de Gazette heeft het bevestigd, en Helmond had er aanstonds werk van gemaakt om zijn “lieve nachtegaal” het genot van dien avond te verzekeren.

Welk een heerlijke avond is dat geweest! Met haar eigen zangkennis en talent, was er zeker niemand in de zaal, die meer dan Eva genoot; en ofschoon zij zeker het allermeest door de voortreffelijke uitvoering van Gounods meesterstuk was opgetogen, zoo hebben de gouden schalen, waarop men haar de vrucht had aangeboden, en het altijd wederkeerende bewustzijn zich in den Parijschen lusthof te bevinden, er toch krachtig toe meegewerkt, om haar dien avond te doen zijn als een, doorgebracht in een tooverwereld, in een hemel, in iets.... onuitsprekelijks!

—August was gul—ja men kon er niet over klagen—maar, in kleinigheden was hij soms.... enfin, misschien had hij gelijk! Hoe ’t zij, toen men: “Le Programme, Le Programme détaillé!” en “l’Entr’acte!’” riep, en zij, in deStalles d’orchestregezeten, hem verzocht heeft een dier bladen te koopen, toen haalde hij de ’s morgens gekochte Gazette te voorschijn, en beweerde dat dit blad evengoed was, en zeker nog meer nieuws dan de tooneelbladen bevatte.

En Eva heeft dan opdien avondin datzelfdeblad gelezen, of er althans, zoo nu en dan, gedurende de pauzen eens in gesnuffeld. Zie maar, op de plaats waar met stellige zekerheid het gerucht werd bevestigd, dat “Mlle. Patti ferait sa rentrée mardi prochain dans La Somnambule,” daar is nog de kleine scheur te zien, die ze in het papier maakte toen ze August dat goede nieuws wilde wijzen en met haar pink wat sterk erop drukte. Die kleine scheur heeft ze toen gemaakt, toen op den avond, die haar nóg als een zalige droom voor den geest staat. En onwillekeurig bevondEva zich nogmaals, terwijl ze weder dezelfde reclames en bulletins en programmas doorliep, in den toovercirkel van grootheid en glans, welke haar zoo geweldig had aangetrokken. Het Grand Hotel, ’t welk ze op het blad zag afgebeeld, werd haar als iets dat naar een hemel zweefde: een ruimte met onafzienbare zalen, waar alles van wit was met goud!” Ja, bij ’t gedurig al lezend ontmoeten der namen van boulevards en straten, die ze aan Helmonds zij, in een rijtuig was langs- en doorgevlogen, of ook die ze betreden had met het oog op een wereld vol rijkdom en pracht, telkens klonken die namen haar nu als de welluidendste tonen in de ooren.

En daarom, ’t was niet vreemd dat er op Eva’s schoon gelaat een glans van innige verrukking stond te lezen, terwijl ze zich met dat blad in handen nogmaals baden mocht in de schitterendste herinneringen.

Doch die glans van genot bij ’t lezen van de oude Gazette, zal sneller vergaan dan hij gekomen is. Door het geraas van een hondenkar gewekt, ziet Eva op, en terwijl de Gazette des Etrangers nu eensklaps ritselend neerglijdt langs haar schoot, is het een schampere lach die haar schoonen mond komt ontsieren.

—Hondenkar! zegt ze bijna overluid: ’t Is allerliefst, welzeker;hierschrikt men op van een hondenkar! Zouden er ooit dommer creaturen zijn geweest dan zij, die op den inval kwamen om steden als Romphuizen te bouwen, met huizen en kamers als deze! Zie, uit dit doodsch vertrek,—hemel ja, precies een doodkist: langwerpig, smal, donker, vochtig, bah! uit deze kamer, met een eeuwigdurende ziekenlucht van die nare apotheek, hier heb je ’t uitzicht op een touwwinkeltje en een blinden muur aan den overkant, met de passage van zes kippen en wat zieke lui die om een drank komen.—Nee, in deze dompige la is ’t op den duur niet uit te houden. Vóór—hoe ellendig men er ook in een kuil zit—vóór zie je tenminste nog een bloem en een enkel fatsoenlijk mensch in de hoogte voorbijgaan; maar hier is ’t om te verkniezen!

—Pruttelen! zegt August: pruttelen! Nu ja, maar als ik bedenk dat ik hier reeds acht dagen gevangen zit,—ja zekergevangen, want al ware dit huis zoo somber en akelig niet, dan zou het nu toch een gevangenis voor me wezen, terwijl ik op ditzelfde oogenblik nog in Parijs moest zijn, zooals mijvastwas beloofd.... ’t Is waar, dat droeve bericht van Herman kwam er tusschen. Zeker, als ik den armen jongen met mijn thuiskomst en hier-zijn ’t leven had kunnen redden, ja, dán.... Ik heb het getoond.—’t Heeft me erg getroffen; telkens ben ik er nog zenuwachtig van, want gedurig staat hij zoo voor me, zoo.... Maar nee, nee! ik had hem nooit iets te kennen gegeven, nooit!—Als August vermoeden kon hoe me die gedachte soms een oogenblik kan beklemmen, dan.... Maar juist daarom ook zou het ter afleiding veel beter zijn, om nu—nu alles toch is afgeloopen—nog eens van huis te gaan. Ja, al was ’t maar naar Brussel, ’t Is hier zoo aller-aller-akeligst en doodsch, he in vergelijking van daar, in dat brillante Parijs.—Als ik er nu was in dat Grand Hotel—en ik moest er wezen—nú zou ik bijvoorbeeld, liggend in zoo’n heerlijke cauzeuse, den garçon dien naren ontbijt-trommel dáár laten wegnemen.—Zelfs thuis stak ik geen hand naar die dingen uit. Ma of Louise deden het gaarne.—Hoe! is ’t al elf uur! En om twaalf komt August voor de koffie terug.

Haastig opstaande schelt Eva.—Eenige oogenblikken later treedt een boersch dienstmeisje van vijftien a zestien jaren de kamer in.

“Gerritje, je moest dat ontbijt eens aan kant maken.”

“Van kant moaken juffer?

“Afwasschen bedoel ik.”

“De kummekes wisschen juffer?”

“Ja, alles; en dan voor de koffie weer klaarzetten.”

“Da’ kan’k niet juffer.”

“Kun je dát niet? Goeje hemel!—Roep mevrouw Van Hake.”

“Mevrouw Van Oake roepen? Best juffer.”

“Hier! Hoor eens Gerritje.”

“Juffer?”

“Weet je wel tegen wie je spreekt?”

“Joawel, tegenoejuffer.”’

“Dan zou ik in ’t vervolg behoorlijkmevrouwzeggen hoorje; de mevrouw hier in huis is de vrouw van dokter Helmond.—Versta je me?”

“Joawel, doof bin ik niet juffer, iens geheel niet.—Alsdat ik mevrouw Van Oake zou roepen, niewoar juffer?”

“En, en.... en.... dat je tegen mij niet meer juffer zult zeggen, maarmevrouw!”

“Bestig ma-juf-vrouw.”

“Goeje morgen lieve Eva, heb je me geroepen? Is er ’t een of ander waarmee ik je helpen kan?” vraagt mevrouw Van Hake, die vriendelijk groetend binnentreedt.

“Morgen mevrouw. Och ja, wilt u alsjeblieft hier eens omwasschen? ’t Is laat geworden; ik wou me kleeden voor de koffie. Helmond komt om twaalf uur weer thuis.”

“Omwasschen?” herhaalt mevrouw Van Hake, en moet zich geweld doen om een zekere ontroering te verbergen.

“Ja,” zegt Eva: “dat kleine boerenperceel kan noch het een noch het ander. Dát is toch geen meid voor mij zou ik denken.”

“Misschien niet heelemaal Eva; maar met geduld....”

“Ja maar, neem me niet kwalijk, om nu idioten op te voeden dat laat ik aan de liefhebbers over. Misschien is het extra dom van me, maar tusschen een boer of boerin en idioten zie ik geen onderscheid.”

“Wou je graag dat ik dit van morgen eens voor je omwaschte, Eva?”

“Och ja; wil je?”

“... Eva... ik ben... ik had gehoopt...”

“Och mijn beste mevrouw, ik weet niet wat je bedoelt, maar als er iemand is die op dingen heeft gehoopt die niet gebeurd zijn, dan, geloof me, benikhet.—Hebt u een reis gemaakt na uw trouwen?”

“Ja Eva,Van Hakewasóók dokter.”

“Dat weet ik. Hoe lang bent u uit geweest?”

“We waren veertien dagen uit en thuis. Och ja, eerst gingen we....”

“Veertien dagen! Zieje!—Zoudt u, als je man gezegd had “we moeten om zaken met den vierden dag naar huis,” niet de scha hebben willen inhalen zoodra die zaak was afgedaan?”

“Ik weet waar je op doelt Eva. Maar luister eens: als je brave verstandige Helmond het nu minder goedkeurt om in de gegeven omstandigheden aanstonds weer op reis te gaan, zou het dan van zijn vrouwtje niet verstandiger wezen om....”

“Mevrouw Van Hake,” zegt Eva zich verheffend: “van uw lessen, hoe goed ook gemeend, zou ik nu liefst verschoond blijven. Ik ben de jonge juffrouwEvavan vroeger niet meer. Sedert was ik lang in Den Haag, en nú ben ikMevrouw Helmond. Men dient hier in huis toch te weten wie het hoofd is,—zoo dunkt me!”

Na deze woorden verlaat Eva haastig de kamer. De weduwe, die reeds het haar opgedragen werk had aanvaard, weerhoudt de tranen niet die haar opwellen in de oogen, terwijl ze hoofdschuddend, de jonge vrouw ziet verdwijnen. Ofschoon zelve een paar malen gevoelig door Eva’s woorden gekrenkt, vervult haar nu toch een andere smart. O, wat ze in stilte wel eens heeft vermoed, dat werd voor haar in de weinige dagen dat Helmonds echtgenoote onder het altijd zoo vreedzame dak verkeerde, reeds zekerheid: de goede dokter zou met die vrouw niet gelukkig wezen; en de dagen, die de bedroefde weduwe nog in de woning van den weldoener zal doorbrengen, zijn zeker geteld.

Terwijl de doktersweduwe het werk verricht dat dienstbodenwerk moet heeten wanneer het zóó wordt opgedragen; terwijl ze afwascht, en weder gereedzet, en de tranen gedurig langs de wangen rollen, is Eva in haar onrustige stemming naar haar slaapkamer gegaan. Daar gekomen blijft ze eensklaps staan. Met één oogopslag ziet zij welk een verandering er heeft plaats gehad, sedert ze een paar uur geleden die kamers verliet. Een keurig frisch-groen behangsel met nette kwasten is er om den hemel van haar echtkoets gehangen.

In weinige seconden was Eva beneden, en bevond ze zich in de voorkamer der suite, die het uitzicht op den wal heeft. Zie, ’t was er donkerder geworden, maar waarlijk ja, daar hingen ze ook, de nette overgordijnen, met zorg geplooid en ongebonden.—Dat stond goed, ja dat stond heel goed; dat gaf waarlijk iets salonachtigs; iets niet-communs.—Wat is er ook burgerlijkers te bedenken dan ramen zonder meubelgordijnen.—Jawel, ze zijn zóó heelheelordentelijk, besluit Eva, terwijl ze de nieuwe gordijnen nog eens op een afstand en dan van nabij beschouwt.—’t Is aardig; dat moet mevrouw Van Hake van morgen gedaan hebben na ’t ontbijt.—’t Is eigenlijk toch een goed mensch. Een beetje saai. Maar, och lieve hemel, wie zou er ook in Romphuizennietsaai worden. Ja waarlijk, ze heeft erg veel liefs.... Zie, daar staat dat mooie zilveren beeldje onder ’t stolpje ook nog. ’t Was eigenlijk een mal cadeau; je kondt er een voltaire of zoo iets voor gehad hebben, maar, ’t bewijst toch dat ze een goedhart heeft. Ik geloof dat ze me die kleine terechtwijzing een klein beetje kwalijk nam; misschien omdat ze juist was bezig geweest met me een verrassing te bezorgen. Nu ja, maar men moet toch begrijpen wie hier in huis nummer één is. Zedenpreeken aan te hooren van menschen, die men letterlijk en zonder eenige verwantschap ’t genadebrood geeft; nee nee, daar bedanken we voor; en.... Maar ze staan heel netjes die gordijnen. Och hemel, ik liet de goeje sloof nog omwasschen ook; misschien was ze daar ook wel wat knak over. ’t Zou me toch spijten indien ik haar leed had gedaan....

Een geruimen tijd stond Eva nog in de voorkamer, straks met de hand nog op haar boezem. Er was strijd daarbinnen: Nee ja, nee ja.... nee.... ja! En—nu is ze voort; bij de deur der ontbijtkamer aarzelt ze nog, maar, tóch gaat ze erbinnen.

Een laatste overwinning heeft er plaats; en dan, dan vat ze eensklaps de oude dame, die Eva met blijde verbazing beschouwt, vertrouwelijk bij de hand, en zegt:

“Als ik een hard woord heb gesproken, lieve mevrouw, och wil het mij dan vergeven; u waart zoo goed en hebt alweer zooveel moeite gedaan. Och, ik was ondankbaar....”

“Spreek zoo niet.... mevrouw Helmond. Ik gevoel....”

“Zeg dan Eva,Eva! Immers straks nog was ik onverstandig als een kind? Vergeef mij dan als ik u leed heb gedaan! Uw tranen maken mij beschaamd.”

Juist op het oogenblik dat Eva de oude dame een zoen op de wang drukt, treedt Helmond de kamer in:

“Ei ei, zóó mag ik het zien,” zegt hij met blijde verrassing: “dat is nu een zoen, die mij niet jaloersch zal maken.—Maar hoe, ik zie tranen? Is er iets dat u bedroefd heeft mevrouw...?”

“Men kan immers ook schreien beste dokter,” antwoordt de weduwe met innige ontroering, “als het hart weldadig wordt aangedaan.”


Back to IndexNext