ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK’t Verwonderde Eva dat de jonge Hardenborg, nadat hij over Helmonds afwezigheid zijn leedwezen had te kennen gegeven, zoo afgemeten was. Met geen enkel woord herdenkt hij de partij, die toch waarlijk niet voor het feest opDe Poelheeft ondergedaan.—Maar, hoe kon ze ’t een oogenblik vergeten: ’t zou niet kiesch zijn indien hij ervan sprak. Immers hij was Helmond in die nare oogenblikken te hulp gekomen. Doch waartoe? Zou het inderdaadniet delicater geweest zijn wanneer hij buiten den koepel was gebleven? En dan, hoe kwam hij zoo toevallig achter in den tuin? Had hij haar misschien bespied toen zij zich voortspoedde? Heeft hij haar van ontrouw durven verdenken....?—Weg, weg met die dwaze gedachten! Zij weet wel beter. Helmond heeft haar meermalen gezegd dat Archibald Hardenborg een brave edele jongen was.—Voorzeker, hij heeft op dien avond de waarheid gegist. Hij kende dien Kartenglimp. Later werkte hij er krachtig toe mee, om dien vreeselijken man niet slechts uit hun huis te verwijderen, maar ook om te zorgen dat hij haar goeden naam niet door leugenachtige uitstrooisels in gevaar bracht.—’t Was kiesch van Hardenborg dat hij niet van den feestavond sprak.—Maar nu.... zou ze hem eens om raad vragen! Zal ze hem den inhoud van dat pas ontvangen briefje meedeelen? Onder den indruk ervan is ze zelve minder spraakzaam; ze gevoelt het.—’t Zal haar misschien een goed denkbeeld geven, en tegelijk het gesprek beter doen vlotten:“Ik wil het u niet verbergen luitenant.... daareven kreeg ik....”—Neen neen! toch niet, ze spreekt er niet van: “Ik kreeg....”“Slechte tijding misschien vanDe Zonsbergmevrouw?”—’t Is ook waar, Kaatje is haar, weinige oogenblikken voor Hardenborgs komst, met een bedenkelijk gezicht komen vertellen dat de generaal, volgens Bus, er slecht aan toe was.“Ja, ja juist,heelslechte tijding;” zegt Eva snel.“Toch niet reeds....?”Eva wist niet hoe het kwam; maar toen hij haar aanzag met een gelaat, waarop zooveel vraagteekens geschreven stonden, toen kon ze ’t niet laten om reeds alszekerte stellen ’tgeen toch zeer welmogelijkwas. Ze vond er een zonderling genoegen in om al vast eens te toonen “hoe ontzettend diep dat verlies haar zou schokken....”“De generaal overleden?” zegt Archibald, en de gewoonlijk zoo vroolijke uitdrukking van zijn prettig gelaat is nu geheel verdwenen.—Eva kon ’t niet helpen. Zij heeft letterlijk geen tijd gehad om een reserve te maken. Ofschoon ze slechts door een gelaatsuitdrukking het antwoord heeft gegeven, het speet haar nu reeds dat ze een onwaarheid sprak. En—Maar nee, ze kon niet zoo aanstonds terug.“Die fiksche oude man!” zegt Hardenborg: “Helmond zal zeer bedroefd zijn. Hij hield veel van den generaal.”“O ja.... tenminste....” zegt Eva. En dan; ze wil nu toch zeggen dat de luitenant haar verkeerd heeft begrepen. ’t Is te dwaas dat zij “den ridder vanDe Zonsbergreeds van zijn aardsche schatten losmaakte, terwijl hij misschien nog bestemd was om als een tweede Harpagon op het wereldtooneel te schitteren”. Ze wil hem zeggen bovendien, dat Helmond noch zij, veel reden zouden hebben om zich een mogelijk overlijden van den generaal bijzonder aan te trekken.—Wanneer de luitenant soms door infame praatjes in de meeningwas gebracht, dat men op een erfenis van Helmonds “edelen pleegvader” hoopte, dan kon ze hem verzekeren dat dit een allerliefst misverstand was. Men achtte het beneden zich om aan zoo iets te denken, en gevoelde zich veel te hoog, en van te edele afkomst, om nog op een handvol goud te speculeeren terwijl men, door zelf fortuin te bezitten, dat armzalig gepotte geld gelukkig niet noodig had. Zij wil....Doch zie, daar wordt de deur geopend.—Is het Helmond wel die binnentreedt? Eva schrikt. Wat ziet hij bleek. Wat staan zijn oogen strak. Misschien is hij naarDe Zonsberggeweest, en....Snel vliegt zij haar August tegemoet, en omhelst en kust hem alsof er geen vreemde bij was.Archibald is mede getroffen door Helmonds voorkomen. Hij steekt hem de hand toe en zegt:“Mijn beste Helmond, ik kan me je smart begrijpen. ’t Is hard den ouden boom te zien vallen wanneer men als kind onder zijn lommer mocht spelen, ’t Zal je een droom zijn. Men wist ternauwernood dat hij ernstig ziek was: en—nu aldood!”’t Was Helmond alsof een ijzeren vuist hem inwendig samenwrong.Roerloos stond hij daar en zag den luitenant aan met een blik, waaruit deze echter niet las dan een poging om zijn felle smart te bedwingen.“Dood!Wie meen je? Wat?Wieis dood?”Eva, hevig ontsteld, bekent met een schaamteblos dat er een misverstand is. Mijnheer Hardenborg heeft zeker straks uit haar woorden of houding opgemaakt dat de generaal reeds overleden zou zijn. Eva weet niet meer wat zij gezegd heeft; maar juist had ze den luitenant beter willen inlichten, toen Helmond is binnengekomen. Het spijt haar dat zij onwillekeurig mijnheer Hardenborg in een dwaling en Helmond aan ’t schrikken heeft gebracht. Maar Helmond zelf zou het immers beter weten, want, zij kan het hem aanzien dat hij—al te goedaardig—er weer is heen geweest, en er waarschijnlijk zeer onaangename oogenblikken heeft doorgebracht.—En ja, Helmond wist het beter.... Althans....? Maar hij moet zich nu goedhouden. Ofschoon hij bij ’t binnentreden niet op zulk een nieuwen schok was voorbereid, hij zal de kracht niet missen om zijn gewone kalmte ook nu te bewaren.—Schokken zijn voor Eva in hare omstandigheden hoogstgevaarlijk. Zij heeft een teeder gestel.“Ja, ik schrok ervan Eva; maar gelukkig, ik wist het beter.... tenminste....!” En dan, alsof hij zich aan een sombere droomerij, waarin hij opnieuw dreigt te vervallen, ontrukken wil: “Hoe gaat het opDe Poel, en—opBrouwerscate?”Archibald zou er bijna toe gekomen zijn om, naar aanleiding van die laatste vraag, weer op wat vroolijker toon te beginnen; maar, Helmonds krachtige poging om zich goed te houden ontging hem niet.Er zijn oogenblikken dat een vroolijke toon klinkt als hondengejank te midden van een plechtig adagio. Er zullen er altijd zijn dielachen, maar wie gevoel voor muziek heeft dien snijdt het door de ziel.Hardenborg herinnert zich nu het doel van zijn komst, en, dewijl hij bovendien vernam dat men nog dineeren moest, zou het zeer onbescheiden zijn geweest indien hij de echtgenooten langer bleef ophouden.Met de beste wenschen neemt Archibald afscheid. Alvorens echter de kamer te verlaten—hij rekent erop dat Helmond hem zal uitgeleide doen—moet hij, tegen zijn zin, de schoone Eva nog een oogenblik tot raadsman dienen. Zij zegt hem, dat hij immers wel gaarne zal toestemmen dat Helmond zich zelven en ook háár kwaad doet, met zich den loop der wereldsche zaken zoo aan te trekken. Hardenborg moet beloven, vast beloven, dat hij haar lieven man dikwijls zal komen opzoeken. Men kon dan meteen eens over een plannetje spreken, dat ze—als alles wèl blijft—gevormd heeft; namelijk, om samen dezen winter partij te maken en wekelijks naar Briesborg te gaan als er comedie zou zijn. Ze heeft dezen morgen juist in het Romphuizer blaadje gezien, dat de troep die er speelde dooraanwinstvan een nieuw acteur en actrice zoo bijzonder zal voldoen.“Niewaar luitenant,” besluit Eva: “een dokter die later uit ambitie maar dokteren blijft, ofschoon hij er niet tegen kan—nee, wie zich alles zoo aantrektkaner niet tegen—die dokter moet een contrepoids in afleiding zoeken?”“Wel mogelijk mevrouw;” zegt Archibald: “Maar over dit alles later; ik mag u niet ophouden. Bonsoir!” En, met een buiging verlaat hij de kamer.Archibald vond Eva lang zoo schoon niet als bij vroegere gelegenheden. Maar, hij verkeert onder een indruk. Nu zal hij zekerheid krijgen en zich verruimen meteen:“Nee nee, eventjes moet je met me in je spreekkamer, mijn brave reparateur. Noodzakelijk!”Helmond volgt. ’t Bevreemdt hem niet dat Hardenborg hem iets te zeggen heeft. Hij zou zich op dit oogenblik over niets hebben verwonderd. Wanneer men hem gezegd had dat hij niet bestond, en dat de heele wereld eennietswas, hij zou het niet vreemd hebben gevonden. Já, de heele wereld een ledigniets!Zie, nu luistert hij toch. Ja zelfs aandachtig. Wat is dat? Fonkelen zijn oogen van blijde verrukking; glinstert daar een traan....“Dat is nu alles wat ik je te zeggen heb,” besluit Archibald: “Of de som wat grooter of kleiner is, mijn beste vrind, dat doet er niet toe. Grootpapa Fontayn heeft indertijd zulke goede zaakjes gemaakt, dat men op een enkel briefje van duizend gulden niet behoeft te zien. Komaan Helmond, bedenk je geen oogenblik: als ik raak heb geslagen dan zal het zoo zijn, en beschouw dan de geheele geschiedenis als een herhaalde dankzegging van iemand die blij is dat ie nog leeft.—O wat zou mijn engel hebben aangevangen in de wijde wereld zonder haar dierbaren luitenant op nonactief!”Nu ’t pak hem van ’t hart is ademt Hardenborg weer ruimer.—Had hij vroeger zoo iets kunnen vermoeden, goede hemel, hij zou in overleg met le bon papa al lang die narigheid uit de wereld hebben geholpen. Maar eerst sedert gisteren vernam hij van alle zijden dat de arme vriend zoo rondom in de schuld zat. Begrepen! Het teleurgestelde monster, dat de zwakke zij der schoone vrouw, ter bereiking van zijn lage oogmerk, heeft weten te streelen, namtochzijn wraak.—Ha, begrijpt de laffe domoor dan niet dat Archibald Hardenborg terstond heeft doorzien van wien het ongeteekend schrijven kwam, ’twelk men bij de familie Narwal, als waarschuwing tegen den “tot over de ooren in de schuld stekenden Helmond”, had ontvangen? Moest hij zóó woord houden die zwarte blanke, en inweerwil van de ontvangen krasse waarschuwing!—’t Besluit was aanstonds in stilte genomen: Als papa zou toestemmen, dan reed hij invliegende vaart naar den vriend, om hem, zoo ’t noodig mocht zijn, carte blanche te geven; en vervolgens naar dien “talentvollen acteur” om hem nóg eens te zeggen—maar onbeschrijfelijk kort—wáár ’t op stond tusschen hem en den tweeden luitenant.En nu, ’t is jammer,jammerdat de fielt geen onwaarheid heeft geschreven. De arme Helmond! Maar Goddank, Goddank! dat hij em helpen kan.—Archibald krijgt het warm, zeer warm. Hij voelt zich de hand vatten, die drukken met vuur, en.... Neen, woorden verneemt hij niet. Dat is pijnlijk, verdord! Dat is.... Hij zou geen “schouder geweer!” kunnen roepen als ’t noodig was.“Ben je gek Helmond; je drukt me die hand veel te hard. Weet je wat: je stopt dus, met wat wissels op onzen Amsterdamschen kassier, de scheuren maar heelemaal toe. Met dominees en dokters daar kun je zoo van die grappen mee hebben, zei le bon papa: die beste vrinden repareeren je van binnen en van buiten zoo goed als voor niemendal.—Kom, ben je gek vent; je trekt me de hand uit het lid.”“Archibald, ik ben op dit oogenblik niet instaat....”“Nee dat hoeft ook volstrekt niet.”“Hardenborg,ikmagenkan....”“Mogendaar denken we niet aan,kunnenda’s iets anders; maar om ’t je wat gemakkelijk te maken, heeft papa alvast een stuk of wat van die dingen meegegeven. Zieje, hier. Jij vult van de blanco’s de cijfers maar in, enz. enz. Aan de achterzij je naam. Nu dat is toch zoo’n heksenwerk niet. Tot weerziens; adieu!”Toen Helmond opzag was hij alleen. De voordeur hoorde hij dichtslaan; en, een rijtuig ratelde langs het marktplein voort.—Heeft hij ’t gedroomd!? Toont hem weer een grijnzende sater een schotel vol goud? Neen, hier, hier liggen ze.... de bewijzen. Zie maar.Hahaha, hahaha!!—Stil, dat lachen klinkt akelig; ’t doet hem pijn, ja pijn, pijn overal! Maar toch, hij zou nog eens kunnen lachen.“O God, ik dank u! mijn naam; mijn kind! mijn Eva!”—Eva,—stil, zij mag niets weten. Als zij ’t wist.... en als zij ’tniet wist.... en als de wind tegen den molen blaast dan jagen de wieken elkander als krankzinnigen na, en die vermolmd zijn breken af, en slaan neer en verpletteren het huis met alles wat daarin is.—Waar dacht ik aan?—Ja, ik ben ziek; ik heb koorts. Maar met een vasten wil kan men zich zelf beheerschen. Goddank ik mag weer vrijer ademen. Goddank! nu zal alles vereffend worden, en dan.... Wees kalm Helmond; verontrust nu je zelf en Eva niet. Zie wat te eten. Zij roept je. Hoor:“Er is gediend August, kom!”—Krachtig dan, krachtig!Eva zag wel dat August niet heel fiksch was; dat hij bijna niets gebruikte, en dat er gedurig een vreemde uitdrukking op zijn gelaat kwam, nu eens alsof hij lachte, en dan weer alsof hem de somberste denkbeelden door het brein spookten.—De goede Helmond is al te gevoelig voor een man, denkt Eva: Hij gaat ervreeselijkonder gebukt dat die oude heer ’t commando gaat neerleggen. Enfin, God heeft de wereld geschapen, en den mensch zooals hij is. Maar deze beste overgevoelige mensch werd doormijntoedoen toch zeker nog meer van streek gebracht dan hij ’t reeds was. Die voorbarige condoléance van Hardenborg trof hem geweldig. Ja ’t wasmijnschuld. Misschien kalmeer ik dien goeden man nog het best door mij voor ’t oogenblik maar over mijn grieven heen te zetten; ’t zal hem hinderen dat ik in ’t geheel niet naar dien “dierbaren pleegvader” vraag. Welnu dan:“Was het zoo heel erg met.... den generaal, August?”“Erg, ja Eva, ja. Maar spreek er niet van. Als ik niet beter wist, dan zou ik zeggen dat hij dáár zat, dáár naast je. Ik weet het wel beter, maar....” Helmond ziet weer voor zich neer. Hij wist niet wat hij zeggen wilde. Hij weet gedurende een paar oogenblikken zelfs niet recht waar hij zich bevindt, en wie het is die daar zit.—O ja, nu weet hij ’t weer, dat is zijn dierbare vrouw, die miskend werd en gescholden door een pleegvader, wiens laatste woorden een vervloeking zijn geweest over ’t hoofd van een pleegkind dat hem altijd eerde en liefhad.—Ellendeling!—Wat kijkt hij weer akelig strak, en wat is bij toch bleek; denkt Eva.Opstaande komt ze hem terzij; zoent hem op het voorhoofd, en zegt dan vleiend:“Moet men zich dat zóóvreeselijkaantrekken! Hou je dan waarlijk meer van dien zieke, dan van je Eva, mijn beste man?”“Nee mijn liefste, zekerlijk niet!” zegt Helmond op kalmen toon.—O, die zoete omhelzing deed hem zoo goed. Hij herinnert zich nu weder dat hij in hare tegenwoordigheid onder alle omstandigheden kalm moet blijven. Eva mag niet vermoeden wat er omgaat in zijn binnenste; welke spooksels hem vervolgen, en wat ze hem gedurig al grijnzend toeroepen.“Dan willen we ons maar altijd vaster aaneensluiten mijn August, en wat ons dan ook ontvalle niewaar, twee en één en nog eentjeblijven één, en voor elkander genoeg.—Maar nu, op mijn beurt gaiknu eens voor dokter spelen. Je bent zenuwachtig en erg vermoeid, en daarom heb je weinig gegeten. Als je nu langer opblijft, dan zul je ziek worden, en dat wou ik om geen tien generaa.... ik meen voor geen geld van de wereld. Kom mijn beste; zie me nu eens even wat vroolijker aan.—Zóó ja,—dat gaat nog al. Zwaarmutserij daar doen we niet meer aan; is ’t wel mijn lieve August?—Hé, wat komt daar uit dien zak gluren?Het hoofd terzij houdend, en het papier uit den borstzak van zijn jas een weinig naar boven schuivend, leest ze luide het gedeelte van den wissel, ’t welk nu te voorschijn is gekomen; en dan, dreigend met den vinger:“Ondeugd! Evertje Zwaarmuts!! Nu moet het er één weer wagen om me met zotte babbelpraatjes aan boord te komen! Over jou, over mijn royalen man!—Kom, van avond geen vertoogjes meer! Gauw tot rust komen mijn lieve; en morgen dan hooren we dat die generaal weer voor zes jaren geteekend heeft. Want—onkruid vergaat niet;” voegt ze er onhoorbaar bij. En weder luide: “En dan ben jij een heel ander, een uitgerust kereltje; en dan heb ik je een heeleboel te vertellen; van iets fataals dat me van avond letterlijk een oogenblik van streek bracht, maar dat we vinden zullen, ook in ’t belang van ons schatje, al moet het wezená force d’argent. Nee nee, geen muizenesten meer! We bepalen dan, bij een helder zonneschijntje, den dag waarop we onze equipage gaan halen—met den trein er naar toe, welzeker—en spreken te Briesborg meteen over de plaatsen in de comedie;—natuurlijk als mijnheer Alexander V. B. weer inhuurt, natuurlijk!”’t Was Helmond bij den woordenstroom van Eva alsof er op zijn gloeiend voorhoofd heete droppelen vielen. Hij weet niet wat hij gehoord heeft....—O ja:ons schatje, heeft ze gezegd. Ha! ons schatje! Groote God, is hij toch niet zalig in dezen stond! Zijn gansche wereld van liefdeenheil rust aan zijn hart. Eva streelt hem de wang; zij zoent hem op dat moede hoofd; zij dringt hem om nu te gaan slapen; over niets zal ze meer spreken; geen muisje zal zich bewegen in huis; en, zacht den eersten regel van een wiegelied zingend, dwingt ze hem op te staan terwijl ze alvast met haar fijne vingers hem den halsboord losknoopt, want, ze meent te hebben bespeurd dat de drukking ervan hem zooeven benauwde.NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.Buiten sloeg de torenklok acht.Ofschoon gestadig ten prooi aan de akeligste droomen, heeft Helmond bijna een kwartier geslapen.Nu komt hij eensklaps overeind in zijn leger, opent ijlings deledikantgordijnen, en staart naar het donker onder Eva’s prachtige linnenkast. Ja zie maar, daar steekt een voet onder uit; daar ligt de kerel; hij houdt zich schuil; hij heeft zich daar verborgen om hem zoo aanstonds wanneer hij weer slapen zal, te overrompelen.“Wie is daar! Wie!?”Er komt geen antwoord. Toch—daar wordt gezucht. Hoor, men gromt en zucht geweldig....“Wie, wie is daar,wie!?” roept Helmond weder. Met beide handen bedekt hij nu zijn gelaat.—Neen, daar was niemand. Het zuchten en grommen is het geraas van den wind in den schoorsteen.—Hij roept:“Eva!”Zij komt niet.—Eva zal nog beneden zijn.—Indien zij ’twist dat men hem zoekt; indien ze vermoeden kon dat men het huis omsingelt! Hoor maar, de sabels rinkelen;—men fluistert....—O God, als men Eva dan ook....Helmond is het bed uitgevlogen. In weinige seconden heeft hij zich aangekleed, gedurig starend naar het donker onder Eva’s linnenkast.—Wat doet hij? Opstaan, waarom? Nu weet hij het weer. Hij moet naarDe Zonsberg; geen oogenblik mag hij wachten; misschien heeft de oude man reeds een poeder gebruikt, en ligt hij zieltogend neer.—Aan Jacoba zal hij het zeggen. De lijder moet een tegengif hebben?—Spoed Helmond, eer het te laat is!IJlings, met het blakerlicht in de hand den corridor betredend, ontstelt de dokter hevig. Een lange gedaante trad de deur van zijn kamer uit. Is het een spookse?“Bus, ben jij het?”Bus, nog meer dan zijn meester ontsteld, slaat de oogen neer, en antwoordt met trillende stem: “Jawel dokter.”Helmond keert tot zijn volle bewustzijn terug:“Wat dee je in mijn kamer?”De arme lange Bus geeft stotterend maar naar waarheid verslag van ’tgeen hij er deed: Sinds den morgen na de partij bij mijnheer Debecque—toen hij dokters rok had schoongemaakt—heeft hij geen rustig uur meer gehad. Och de verzoeking was zoo groot geweest. In den linker-achterrokzak had hij zoo heel toevallig twee banknoten van honderd gulden in een couvert gevonden. Och en als men dan zooveel rijkdom ziet, en mevrouw dan zelve aan den kleermaker zegt dat het geld er niet op aankwam als de livrei maar mooi was; ja, als men dan een arme moeder en twee zusters zoo mager als palingen had, niewaar....? Och, maar God was zijn getuige hoe hij gestreden, en het niet gewaagd heeft om er een cent van uit te geven. Goddank, toen hij van morgen bij het trouwen van Huibert en Geurtje, dominee Hoogerberg zoo roerend hoorde zeggen: “Kinderen, vergeet uw eerste gelofte niet”, toen—de arme Bus kon haast niet verder spreken—toen heeft hij zich voorgenomen om de briefjes stilletjes op dokters kamer neer te leggen, en zie, dat had hij nu naar waarheid gedaan.—Twee banknoten van honderd gulden!—Helmond weet wel dat hij droomt. ’t Is een droom dat Bus daar voor hem staat; ’t is een droom dat Archibald hem die wissels op Druter en Comp. heeft gegeven. ....Neen toch niet, zie, de wissels steken nog hier in den jaszak.“Waar heb je dat geld dan gelaten Bus?”“’t Ligt op m’nheers schrijftafel.”Helmond gaat haastig zijn kamer in: “Wacht daar.”——Ja zie, het is zoo; hier heeft hij de beide banknoten.Helmond begrijpt niet vanwaar dat geld kwam. Het allerminst denkt hij nu aan zijn brief aan Woudberg, waarop hij geen antwoord ontving, en waarvan, volgens den Romphuizer postdirecteur bezwaarlijk iets terecht zou komen. ’t Was, volgens dien laatste, zeer wel mogelijk geweest dat dokters dienstbode op dien morgen een brief naar Amsterdamgefrankeerdheeft, maar zeer zeker had zij er geen latenaanteekenen.Op dit oogenblik herinnert Helmond zich echter niets van dat alles. Zooals reeds meermalen in de laatste dagen had hij nu een grooten draaienden cirkel voor oogen; en in dien cirkel wierpen zich de negen cijfers; en slingerend vereenigden ze zich, en vormden, in ’t ronde en lange, grillige figuren en onnoembare getallen, terwijl dan eensklaps dat alles tezamen smolt tot een bloedroode nul, eenniets, sissend en sarrend als een uitdruilend vuurrad.Wàt zijn duizenden! Wat zijn tweehonderd gulden! Helmond weet het niet.—Maar hier die wissels, die duizenden, roepen ze hem niet toe: We zijn een aalmoes!?—Dwaze man! ijdele lichtzinnige vrouw!—Ha, wie durfthaarbeschimpen? Niemand is schuldig dan hij. Hoor, hoor:“Als een kind grijpt naar de vlam eener kaars, dan trekt men dat kind terug; denk daaraan, en heb haar lief.”—Wie heeft dat gezegd?Helmond schrikt achteruit.—Die het gezegd heeft, ligt hij daar niet te worstelen met den dood? Neen, dat is verbeelding. Maar toch,als het te laat was! Spoed dan, spoed!“Riept u dokter?” zegt Bus om den hoek der deur.Helmond ziet den man eenige oogenblikken met verwondering aan, en zegt dan snel:“Ja, je vliegt naarDe Arend, en laat de vigilante inspannen. Binnen vijf minuten zal ik daar zijn; maar,” hij ziet geheimzinnig rond: “aan niemand in huis er een woord van zeggen! Je begrijpt wel waarom: Ik moet naarDe Zonsberg.”Bus beschouwt zijn meester met bekommering. Hij deed zoo vreemd; hij sprak zoo gejaagd.—O, ’t was zeker, ofschoon die oude generaal hem in den laatsten tijd niet best moest behandeld hebben, zijn edele natuur streed er toch mee dat hij nu waarschijnlijk ging afreizen. Ach ja, die brave dokter, wat was hij goed, geen enkel hard woord over dat geld komt er zelfs over zijn lippen.Lange Bus treedt zijn meester nu zeer nabij; vat zijn hand, enmet een traan in de oogen zegt hij: “God zal je zegenen dokter, en je behouden wat je lief is. Zie, als de baas van de pannenfabriek me nou weer durft zeggen dat jij dokter, op het geld van den ouden generaal loert, dan, zoo waarachtig als ik Bus heet, dan sla ik hem met een van z’n eigen pannen de hersenpan in.—Ja ja dokter, ik vlieg!”’t Was Helmond gedurende eenige minuten alsof hij een zeereis maakte; hij voelde het slingeren van ’t schip, en ’t was hem alsof hij door het blinkend want, in een tintelend blauw staarde.—Hij weet niet meer hoe hij op dat denkbeeld kwam. Hoor! Wie zegt daar: “dat hij een bedelaar is, ’t geraamte van een edel mensch!”—Neen, dat is gelogen. Een Helmond wordt geen bedelaar. Welke démon heeft hem er dan toegebracht om zijn hand voor een aalmoes te openen? Hoe kon hij zich zóó vergeten!In een oogenblik heeft Helmond, met tamelijk vaste hand, de wissels die hij van Hardenborg ontving in een groot couvert gedaan, en bij het adres: “Aan Archibald Hardenborg,” de woorden gevoegd: “In dank terug van Helmond.”Dan—ja, hij weet net nu weer.... dat schip!... Nu schrijft bij:“Eva, ik heb je bedrogen: wij zijn arm! Een som van hoeveel duizenden guldens, ik weet het niet, is mijn schuld. Toch zijn wij rijk! Aan gene zij van den Oceaan zal mijn kracht herleven.—Bij duizenden zal ik ze redden van de gele koorts, al moest ik tienduizendmaal het slachtoffer ervan worden. Neen, jij zult niet zingen in ’t publiek;alleenwil ik werken en slaven en zwoegen, omdat ik niet langer zwak en ellendig wil zijn. Maar jij Eva, je zult er het brood kneden, en het bakken in den oven, en het maal bereiden. En dan zul jij, voor mij alleen verstaanbaar, zingen: “Brengt Peter met een kus aan jou....” Je kent het verder. En—dan vervloekt hij mij niet meer. En in ’t eind bevrachten wij datzelfde schip, en zenden onzen jongen—je weet wel—naar die oude schuldeischers, en naar den grijzen man die mij vervloekte, en ze zullen zeggen: Hij was dood en is levend geworden,Neehij was toch waarachtig geen zwak en ellendig man.“Vaarwel! Je eeuwig liefhebbende:August.”—Wat is dat? Wie komen daar?Angstig ziet de arme koortslijder naar den donkersten hoek van het groote vertrek.—Bedriegt hij zich niet?.... Men is daar bezig met boer Dirksen te begraven. En zie, het lijk richt zich eensklaps overeind, en terwijl het hem verachtelijk aanziet, wijst het op hém—Nu zinkt het lijk achterover.—En daar, meer van nabij, daar ziet hij een doodsbleeke vrouw. Ja hij kent haar wel, ’t is de vrouw van den kuiper Sturk. Zij slaapt—den eeuwigen slaap. Zie, ook zij richt zich op, en.... Neen, Goddank, Goddank! zij stapt van het leger af; zij lacht hem vriendelijk toe; zij groet hem nog metde hand en.... verdwijnt in de diepe duisternis.—Ja zie, daar roert alweder iets van verre.—Men schreeuwt—O God! aandien manheeft hij in een paar jaren niet gedacht.... dat is die oude pleegvader. Zie, men heeft zijn lichaam geopend; men onderzoekt zijn ingewanden; zie maar en al de koppen van Rembrandts Ontleedkundige Les ze staren hem aan alsof ze vragen.... “Ben jij de moordenaar....??”—“O mijn God!” roept Helmond als in doodsangst nog eens. Aan dien grijsaard heeft hij straks niet gedacht. Maar, ja, de kleine lamp met de groene kap brandde boven op den lessenaar in de apotheek; en toen.... toen is er een schot gevallen.—Maar, hij zal nog niet dood zijn. O als hij dood was! Neenneen, dat kan niet! Voort dan, voort, naarDe Zonsberg!Een oogenblik later slaat Helmond de hand aan den deurknop. Hij zal zich uit zijn woning verwijderen zonder dat iemand het bemerkt. Eva zou hem weerhouden.—Maar,hoekomt hij erheen? Ha, hij heeft immers een rijtuig besteld. Ja hij herinnert het zich: Bus was zooeven hier en.... Bus heeft hem tweehonderd gulden gegeven die hij verloren had; en dat geld....—O Goddank, dat hij het zich mede herinnert:Donerie’s monument! Dat is de eenige smet; dat geld moet nog aangezuiverd, dat moet aanstonds worden afgedaan!Weinige oogenblikken later heeft Helmond zijn kamer verlaten.En ’t was stil, doodelijk stil in huis.Eva zit in de Oranjezaal aan haar keurig bewerkte schrijftafel.Haar besluit was genomen: Zij schrijft:“Aan den Weledelgestr. Heer Van Dubbe,Kantonrechter alhier.“Weledelgestr. Heer en Vriend!“De majoor Kartenglimp vordert van mij familiepapieren terug, vermoedelijk op grond dat hij zich eenige moeite gaf om die van elders te doen komen. Een opvatting tegen mijn echtgenoot, aangezien deze hem na het ongeval op onze partij, nietzelfmee naar huis bracht, ’twelk hem echter als gastheer onmogelijk was, heeft den majoor een zoo hostile houding doen aannemen.—Ik wensch daarin volstrekt geen verandering te zien gebracht. Wie mijn echtgenoot beleedigt door hem het eens geschonken vertrouwen te ontnemen—hij wordt mij eenindividu!“Intusschen wensch ik van UEdelgestr. te vernemen, of ik geen recht heb om papieren, die mij inderdaad werdenaangeboden—zij het tegen een belooning—als mijn eigendom te beschouwen.“Het recht eener familie op haar familiepapieren kanmijnsinziens niet twijfelachtig zijn.“Indien UEdelgestr. mij als rechter en als vriend het bezit der genoemde papieren—liefst zonder openbaarmaking—wildet waarborgen, het zou mij zeer aangenaam wezen. Mocht het noodig zijn daarvoor kosten te maken, dan geef ik u gaarne carte blanche. Inde hoop dat gij u in deze zaak voor mij partij zult willen stellen, noem ik mij, enz., enz....”—Goed zoo! denkt Eva met vergenoegden lach: Ik zal je bij de rechterlijke macht vóórkomen, monstermensch! En, mocht de zaak op den breeden weg moeten, welnu, mijn beste man draagt wissels van duizenden in den zak.En terwijl zij nu den brief sluit, zingt ze—eerst zeer zacht, maar al spoedig luider:“Tra lálala!Tra lálala!Daar komt hij de graaf van Tourloyette,Vite donc, chapeaux bas;Vite donc, placez vous là;Daar komt hij de graaf met zijn jeune eega!”—Chut, chut! schrikt Eva eensklaps van haar eigen zang. Die dwaze roulades mochten eens tot boven doordringen en den armen goeden August wakker maken. Stil, hij is zoo bedroefd; en, ondanks zich zelve zingt ze toch weder, doch nu binnensmonds:“Tra lálala!Tra lálala!Daar komt hij de graaf van Tourloyette,Vite donc, chapeaux bas;Criez un vif hourah!Daar komt hij de graaf met zijn jeuneEvá.”—Men zou zich kunnen laten inhalen. Ja, waarom niet!En Helmond sloop met ingehouden adem door het holle reeds donkere voorhuis; en hij hoorde.... haar zingen.—Ha! zij zingt.—Goed, zij zingt!Buiten was de wind koel. Ondanks zijn poging om de deur zeer zachtjes toe te trekken.... ontstelt Eva van een plotselingen slag.Maar, er was niets in het voorhuis. De wind zal een luik hebben dichtgeslagen.—Foei, hoe kon een onnoozele speling van den wind haar zoo doen ontstellen, foei!—En nu naar den lieven man!“Tra lálala!Tra lálala!Daar komt hij de graaf van Tourloyette.”Eva verdween in de donkere gang.Ternauwernood is Helmond buiten gekomen, of een naderend rumoer doet hem zijn haastigen tred verkorten.—Wie komen daar?Wat wil men van hem....? Neen, in de duisternis bemerkt men hem niet. Hoor:“.... Ze zeggen dat ie al dood is; geweldig om zóó aan z’n eind te komen.”“Ga jij naar Biermans, ik loop naar den kantonrechter.”Een benauwde kreet ontsnapt er aan Helmond lippen; maar men hoorde hem niet. De wind speelde met den ijzeren ketting van den lepel aan de stadspomp.—O God! daar komen ze! De handboeien houden ze gereed. Dood!dood!dood!Een lijk!—Et satan conduit le bal.—Voort! vlucht! Ellendige moordenaar,vlucht!—En, Helmond verdwijnt in de donkere straat.VEERTIGSTE HOOFDSTUK.Naar den kant van Briesborg aan de westelijke zij van het stadje, wanneer men de laatste boerenhoeve voorbij is, wordt de weg zeer eenzaam. De straatweg klimt dan tot aan het zoogenaamde Romphuizer Hondsbosch, en gaat er vervolgens met een kleine kromming doorheen. Aan gene zij van het bosch ziet men links van den straatweg nog een armoedige hut, ofschoon de voerbak die er vóór staat moet aankondigen, dat men binnenHet Roode Zoodjetoch wel eens “opsteken” kan. Is men de hut aan den zoom van het bosch voorbijgegaan, dan heeft men, na het kleine tuintje, met zijn luttele kromgegroeide appel- en pruimeboomen in ’t midden van wat kool en andijvieplanten, niets meer te zien dan een eindeloos breede heivlakte. Ter rechter- en linkerzij van den straatweg golft die vlakte voort, hier en daar slechts afgebroken door een kronkelend karrespoor, of een jachtpaal naast een grooten steen met wat braamstruiken, of ginds door een lager gelegen waterplas met de duizenden indruksels van schapepootjes er in ’t ronde, terwijl men recht voor zich uit, op een twintig minuten afstands, het zoogenaamde Briesborger Kattenbosch ziet, waarachter het stadje Briesborg zich verschuilt.Sinds de mist tegen den avond was opgetrokken, hebben er zich in ’t Noordwesten zwarte legermachten saamgepakt. Straks zullen ze zich in beweging stellen; legioen voor legioen. Ze zijn reeds in aantocht. Ha, ze zullen vrij spel hebben dezen nacht. Over de breede hei gaat het onverlet op woud en steden los.Trompetters vooruit! Den aanval geblazen!Dat was een schrikkelijke bui!Grauwe Toon uitHet Roode Zoodjezette het geweer, ’twelk hij oppoetste, in een hoek, en keek naar de vuurplaat waarop de hagelsteenen, zoo groot als erwten en bikkels, kletterend neervielen om straks te sissen in ’t vuur onder den pot met kokende aardappels.Met een ruwen vloek zei grauwe Toon, dat Onzelieveheers hagel lang zoo best niet was als de zijne.De vrouw, die naar de aardappels kwam zien, lachte om de “geestigheid” van Toon, en zei te vreezen dat het morgen met dat ruwe weer een slechte dag voor de jacht zou worden. En dan, eensklaps opziende:“Ik hoor wat! Ze kloppen aan ’t raam. Smijt die hazen en hoenders in ’t hok.”Grauwe Toon nam een zestal hazen en eenige patrijzen van den grond en wierp ze in ’t aangewezen hok.“’t Zal Jaap zelf zijn om het zootje van vandaag,” zegt hij: “misschien is ’t buiten zoo donker dat hij de deur niet kan vinden.”Een vreeselijke stormwind joeg naar binnen toen de man de deur opende om eens even te gaan zien.“Is daar iemand?” schreeuwde Toon naar buiten in de richting van het raam.Twee mannen kwamen al spoedig den hoek der hut om.Zelfs toen ze binnentraden zagen Toon en z’n vrouw niet wie het waren; de wind had de lamp uitgedoofd. Toen de deur gesloten was en de lamp weer brandde, vroeg de man op wat minder ruwen toon dan hij gewoonlijk sprak, wat menheer verlangde, want, ofschoon de menheer er niet erg voornaam uitzag, hij had een knecht in livrei bij zich. Die vreemden kwamen Toon wel bekend voor, maar thuisbrengen kon hij ze niet.—Ah! nu is hij er achter. En Toon en zijn vrouw geneerden zich niet, ze schaterden van ’t lachen:“Ben jij Bus, de lange pijp drop! O lieve heer, in een apen- en hondenrok! Goeje hemel!” Toon hield zich den buik vast van ’t lachen. Het wijf meende te bezwijken, want zie, een pand van die livrei-jas hing als een flard naar beneden.Bus wreef aan z’n langen neus; de hagelsteenen hadden hem ouwerwets geraakt; ’t water droop hem van ’t lijf, en hij rilde van kou. Toen hij nu dat lachen hoorde, en zag dat het wijf naar het pand van zijn jas wees, keek hij over den schouder naar beneden en nam het afhangende flard onder den arm.“Ah zoo” zegt Toon nog lachend: “ben jij Van Hake, de winkelknecht van dien knoeier!”Bus wist niet wat hij wringen zou, en wrong aan het flard van zijn livrei-jas.Thomas Van Hake trilt over zijn gansche lichaam; doch, hij houdt zich in; hij begreep dat het parels voor de zwijnen zouden zijn om hier Helmonds eer te gaan verdedigen.“Ik vraag je Toon, of je ons helpen wilt om den dokter te zoeken?Jekent de wegen in ’t bosch.”“Hêt z’n mooie zoetelief ’em de deur uitgeschopt? Wel, óf ze gelijk had; zoo’n domme kinkel! Als ie geen centen had en toch en gebraaien haan wou uithangen, waarom dan niet dien ouwen lands-palfrenier vanDe Zonsberggoejen nacht gezeid! Nou, alsof jelui er nietalle dageneenigen voor grof geld naar de eeuwigheid helpt! Alsikhet een schraal konijn doe, dan roepen ze moord en brand; maar zoo’n stommen dokter, sakkerhelp! dien laten ze z’n gang maar gaan!”Van Hakes oogen fonkelden. In een oogenblik was hij nabij den haard, waar Toon straks zijn jachtgeweer heeft neergezet. Hij grijpt het; neemt het met beide handen bij den loop; en dan, de kolf omhoogheffend, roept hij in woede:“Schelm! trek je woorden in, of in je eigen nest verpletter ik je den grauwen kop!”Bus liet het pand van zijn jas los en greep naar een stoel.—Toons vrouw gilde weer van ’t lachen. De strooper keek vergenoegd. Met zijn kolossale hand vatte hij het jachtgeweer bij de kolf, en—slechts een kleine draai was voldoende om het Thomas uit de hand te wringen.“Waarachtig, jij bevalt me!” grinnikt Toon: “Nou zie ik dat je pit in je ziel hebt, aldat je een pil bent en verkleumd van de kou. Griet, lach niet meer en tap drie borrels klare. De lange heer met z’n bedorven goud op ’t lijf is er goed voor.—Ei zeg, en wàt wou je dan nou?”Toon vanHet Roode Zoodjezal niet alles vernemen. De vreeselijke vermoedens die Thomas koesterde, ofschoon hij ze gedurig met kracht van zich afstiet, ze zullen hem niet over de lippen. Zelfs Bus,—ofschoon hij de aanleidende oorzaak is dat men den dokter zoekt op te sporen,—hij zal niet vernemen wat Thomas vreest ofschoon hij ’t zelf niet gelooven kan.—Bus weet dat dokter zonderling had gepraat, precies als iemand die.... in de war is. De vigilante, die hij op dokters bevel heeft moeten bestellen, had volgens order aan den stal gewacht; vijf—tien—twintig—dertig minuten; en, toen is men naar ’t doktershuis gereden. Nadat men daar een oogenblik was vóór geweest, is Kaatje komen aanhollen met de boodschap, dat ze mevrouw met een papier in de hand, stijf van haar zelve op menheers kamer gevonden heeft, en de dokter was dan ook nergens te zien, ofschoon hij een half uur geleden naar bed was gegaan.Vliegend is men toen naar Van Hake gereden. De provisor was daarop ijlings met zijn moeder naar het doktershuis gegaan, en heeft Bus met de vigilante naarDe Zonsberggezonden om te zien of dokter dáár soms wezen mocht.—Doch tevergeefs. Een half uur later zat Thom in de vigilante, en Bus naast Jozef uitDe Arendop den bok, om dokter Helmond zoo mogelijk in de richting van Briesborg te vinden. Op raad van mevrouw Van Hake, zou men aan het onderzoek de minstmogelijke ruchtbaarheid geven. Men kon immers zeggen niet zeker te weten welken patiënt de dokter nog buitenaf heeft moeten bezoeken, en dat men hem nu een vigilantezond, omdat het weer zoo guur was geworden. Alvorens naar den kant van Briesborg te rijden, was Thomas haastig naar het station gegaan, teneinde, zonder rechtstreeks te vragen, er zich te vergewissen of Helmond niet misschien met den trein—omstreeks een kwartier geleden—vertrokken was. Nadat hij daar bemerken mocht dat men den dokter in ’t geheel niet gezien had, werd hij al spoedig overtuigd dat Helmond zich werkelijk in de richting van Briesborg op weg had begeven. Op zijn terugweg, nog even vóór de Zijperbrug, heeft hij Hanna vanDe Schebbelaaraan den arm van naar vrijer ontmoet. Ach, Hanna had het heel naar gevonden dat dokter in den laten avond, met dat slechte weer, nog zoo ver weg naar een zieke moest. Ja, een minuut of tien geleden was zij hem tegengekomen, en ofschoon dokter erge haast scheen te hebben, hij had háár en Evert toch ieder nog een hand gegeven en vast beloofd dat hij tegen ’t voorjaar op hun bruiloft zou komen: “Zoo’n best en zoo’n nederig man!”Weinige oogenblikken nadat Toon uitHet Roode Zoodjezijn vraag heeft gedaan weet hij in hoofdzaak, wat het geval en waar het om te doen is. Dokter Helmond, die ziek te bed had gelegen, was, waarschijnlijk in een ijlende koorts, opgestaan, en zonder dat iemand het bemerkte, dezen weg opgeloopen. Zoo spoedig mogelijk is men hem met de vigilante nagereden. Op een paar honderd schreden afstands van hier, heeft men—nog even vóór dien geweldigen hagelslag—ondanks de duisternis in ’t bosch, een persoon gezien die, bij het vernemen van een naderend rijtuig ijlings ter linkerzijde van den weg het bosch was ingegaan. Bus heeft het voor zeker gehouden dat het de dokter geweest is—“precies zoo’n figuur”.—Aanstonds hebben Van Hake en Bus toen het rijtuig verlaten, en den meester en vriend bij zijn naam geroepen zoo hard als ze konden; maar, die vreeselijke bui heeft gewis hun schreeuwen overstemd. Door struiken en bramen heen, hadden ze zich een weg gebaand, en ondanks de duisternis, getracht den zieken man te ontdekken; doch, toen ze eindelijk met gehavende kleeren hier aan den zoom van het boschje zijn gekomen, toen waren ze bitter teleurgesteld; ze hadden niets gevonden, en zoover als hun oog over de hei nog reikte, ook niets bespeurd wat op een menschelijk wezen geleek. Ze hebben hier aangeklopt in de hoop dat Toon, die met de kleinste paadjes in het bosch en op de hei bekend was, hen tegen een goede belooning zou willen behulpzaam zijn, en in alle geval een lantaarn leenen, waaraan men in het bosch de grootste behoefte had.De zwarte wolken-kolonne, die met vliegende vaandels en donderend gekletter is voorbijgegaan, laat een oogenblik het laatste kwartier der maan in het hagelijs blinken, ’twelk hier en ginds de wijde heivlakte bedekt.Angstig omziende naar het donkere bosch waarin men “om een moordenaar te vatten van alle zijden is binnengedrongen,” daalt Helmond, terwijl hij zich een weg door struik- en braamgewas baant,een kleine helling af, en spoedt zich nu voort op de breede hei. Het vluchtige licht der maan wijst hem een zandweg.—Dien moet hij kiezen, want als hij een anderen weg neemt dan verdwaalt hij in ’t duister en overrompelt men hem. O, indien hij maar wist dat ze hem ineens zouden treffen in ’t hart, ja, dan zou hij wel terug willen keeren naar dat bosch, waarin ze hem schreeuwend opjaagden als een wild dier. Maar dat doen ze niet: Ze leggen hem handboeien aan, en dan bouwen ze een schavot, en dan.... Hu! wat is dat? Welk een vurig oog flikkert daar achter hem over de hei? O God, het schiet bliksemende stralen uit! Dat is het oog van de slang uit het paradijs; en, drie zwarte wezens verspreiden zich.—Voort dan, voort!Buiten de deur der hut op een kleine verhevenheid gekomen, heeft Toon de lantaarn in de hoogte gehouden en, over de donkere hei ziende, beweerd, dat hij niets kon ontdekken; maar ook, dat de dokter, als hij met z’n zieke lichaam het bosch was ingegaan, er nóg wel wezen zou.Van Hake meende echter heel in de verte iets zwarts te hebben gezien.“Ik zeg je van nee!” beweerde Toon: “hij zit in het bosch.”“En ik wil zekerheid hebben!” riep Van Hake, en greep den forschen man, die daarop niet voorbedacht was, de lantaarn uit de hand, en spoedde zich voort in de richting waar hij meende dat zich iets zwarts had bewogen.“Jammer dat die kerel ’en pil is!” grinnikte Toon: “Vooruit dan lange livrei-dragonder!” en hij gaf Bus een slag op den schouder zoodat deze hevig schrok, en nog minder plezier in den tocht had dan straks toen hij met den provisor alleen was.“Wat ’en lucht komt er weer opzetten;” zei Bus, die nog maar half van den schrik was bekomen. En dan, dan ziet hij in de richting van den straatweg, waar Jozef zeker nog op dezelfde plaats in ’t bosch met de vigilante zal wachten.—Toen hij straks op dien bok zat, ja toen was hij niemendal bang; maar nu!—Die Toon moest bovendien een slechte vent wezen. Er liep een verhaal dat hier eens een weggevluchte juffrouw uit Briesborg zou verdwenen zijn—spoorloos.—Lieve hemel! En menheer van Hake rende daar de hei op, alsof er geen eenzaamheid en geen nacht en geen gevaar in de wereld was.“Ben jij bang?” roept Toon die Bus ziet achterblijven.“Bang! nee nee, volstrekt niet.” Maar, Bus wasdubbelbang, én voor zich zelf, én voor zijn goeden meester.Een vreeselijk wolkenheer heeft nogmaals hemel en aarde in een nacht gehuld, zwarter dan het gesloten graf. Met woedend stormgeloei rukte het tweede legioen aan, en spelt dood en vernietiging aan ’t rijk van den zomer.—Een ontzettende hagelslag snort door de lucht en rakkelt op de hei, en doet het haas en konijn opschrikken en de lepels spitsen in hun onderaardsche legers.Geen mensch is instaat om tegen zulk een gezweepten steenregenhet hoofd en den schouder te zetten. Toon zegt dat het tempeest hem de baas zou worden; maar niemand hoort hem, want Bus, die het afgescheurde flard nu boven zijn hoofd houdt, bevindt zich reeds op den terugweg in de richting van de hut, en—Van Hakes licht flikkert een gansch eind verder al flauwer en flauwer.... zie, nú is het uit.“Is daar iemand?” schreeuwt Thomas met geweld, want hij meent op korten afstand iets zwarts te zien bewegen, en ’t is hem toch bijna onmogelijk om tegen dien hagelslag in, nog verder te gaan of zich naar eisch te doen hooren.Een geweldig groote hagelsteen sloeg juist op dat oogenblik een der lantaarnruiten aan stuk, en het flikkerende licht was aanstonds uitgedoofd.—Thom aarzelt. Nu roept hij weder; maar krijgt geen antwoord. Toch wil hij weten of hij zich vergiste. Zóó vóórtgaan kan hij echter niet. IJlings trekt hij de jas uit en bedekt er het hoofd en ten deele het aangezicht mee.Ach, hoe bitter moest Thoms teleurstelling wezen: Reeds meende hij zich zeker van zijn zaak, toen de zwarte massa, die hij nu werkelijk genaderd was, hem op zeer laconischen toon ten antwoord gaf: dat ie zich vergiste als ie meende dat hier ’en dokter Helmond was. Hij was niks meer als Jochem van den boer van ’t Kraaiennest achter Briesborg. Met den mist die ’s-middags gevallen was, had hij een jong schaap verloren, en, nu hij “den rakker” hier juist bezijden den plas achter het opschot van wat struikhout heeft teruggevonden, nu wilde hij liefst zoo gauw mogelijk naar huis, “want,” zoo besloot hij: “Onze Lieve Heer zal van nacht den duuvel ’en strop um den hals hoalen!”Blê, riep het schaap, Mêêê! En de man voor Thomas onverstaanbaar: “Stil stil kleine rakker; ’k zal oe kriegen a’j wéér wegloopen durft!”En naarmate de slang met het bliksemend oog—het schijnsel van Thoms lantaarn—den armen Helmond straks al sterker achtervolgde, ja een paar malen schier op geen honderd schreden afstands was nabijgekomen, klom zijn geestverwarring tot den hoogsten trap: ’t Was Satan zelf die hem achtervolgde, en God steenigde hem.—Met een nauwelijks hoorbaren kreet is hij neergezegen op den killen, met hagelijs overdekten grond. Toen viel er een nacht, een korte maar misschien een weldadige nacht over dien vermoeiden geest.De tweede bui, die de hevigste van dien avond zou wezen, was voorbij.Het laatste kwartier gluurde weer vluchtig naar beneden, en spiegelde zich even in den kleinen plas, die straks geschuimd heeft terwijl het noodweer hem zweepte en voedde.En niet verre van daar toont ook somwijlen het maanlicht de plek, waar het bleek gelaat van een slapende de hagelsteenen, die hem ten hoofdkussen strekken, langzaam smelten doet..... Hoor, daar schreit een kind. Neen, het lacht en zie, nu speelt het met een blatend schaap.—Eva in een paars katoenenkleed, komt daar de voordeur van het huis aan den wal uit; en ze ziet naar het smalle perk met rozen; en zij plukt een bloem; en roept het kind, en liefkoost en kust hem; en versiert dan het schaapje met de bloem die ze plukte. Maar zie, het jongske trekt de roos weer uit den halsband, en vliegt er mee naar.... hém; ja naar hém; en kust hem, en trekt zijn Ma’tje erbij, en omstrengelt ze beiden, zijn vader en moeder.En—ginds van verre staat het schaapje en blaat als schreiend: Mê blê, mê blê!Jochem van ’t Kraaiennest was geschrokken.—En “mansmins” voor je voet te vinden op de hei, en in den laten avond, daar zou de “trankielste z’n eigen over verdoen.”—Nochtans, hij bracht dien vond al spoedig in verband met de ontmoeting die hij daar straks heeft gehad: ’t Was zeker de dokter van Romphuizen die verdwaald moest zijn.Helmond is wakker geworden, maar, hij weet niet waar hij zich bevindt en wat er met hem is voorgevallen. En terwijl hij eenige oogenblikken later met dien man naar de zij van den straatweg voortgaat, is het hem alsof hij zooeven nabijDe Schebbelaarvan een paard is gevallen. Maar ofschoon hij een vreeslijke pijn door al zijn leden gevoelt, en bijna niet voort kan,—toch zal hij zich goedhouden; immers hij moet een zieke te Briesborg bezoeken, en den zieke zal hij dood vinden, evenals boer Dirksen met vergif om het leven gebracht, door hém. Stil, niemand mag dat vermoeden, stil!Weinige oogenblikken later heeft men den dokter op de kleine kar geholpen, waarmee een boerenarbeider den schaapherder op den straatweg heeft gewacht. En als Helmond er neerzit naast het lam, en het voertuig voortboldert over de steenen, dan weet hij niet wat er met hem gebeurt.—Is het de aarde die gestadig dreunt, en, ratelt de donder zonder ophouden voort?—En, O God, zie.... het lieve kind speelt daar nog altijd voort op de glooiing van den wal met het blanke schaap. Hoor maar, hoor hoe het blaat! “Eva, om Godswil,” roept Helmond angstig: “neem ons jongske weg. Eva, voorzichtig, een slang!.... Eva!”Jochem de scheper, die naast den boerenarbeider op het voorbankje van de stortkar zit, meent dat de dokter iets zegt, en omziende, beweert hij dat menheer het maar goed heeft getroffen; op dat stroo “zat ie naast den kleinen rakker krek als op moeders schoot. De kar stootte wel een beetje maar dat was niets voor de kou. Als het goed was dan zou ie menheer te Briesborg, vlak voor de stad, van het karretje laten, want zóó op een mestkar mee binnen te rijden dat ging toch niet. In alle geval zou ie menheer den raad geven om z’n eigen naar Romphuizen met een rijtuig weerom te laten brengen. ’En mins was net as ’en schoap. ’t Gebeurt soms dat ie afdwoalt en ’t spoor biester roakt, moar—’en scheper weet ’et te vinden.”
ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK’t Verwonderde Eva dat de jonge Hardenborg, nadat hij over Helmonds afwezigheid zijn leedwezen had te kennen gegeven, zoo afgemeten was. Met geen enkel woord herdenkt hij de partij, die toch waarlijk niet voor het feest opDe Poelheeft ondergedaan.—Maar, hoe kon ze ’t een oogenblik vergeten: ’t zou niet kiesch zijn indien hij ervan sprak. Immers hij was Helmond in die nare oogenblikken te hulp gekomen. Doch waartoe? Zou het inderdaadniet delicater geweest zijn wanneer hij buiten den koepel was gebleven? En dan, hoe kwam hij zoo toevallig achter in den tuin? Had hij haar misschien bespied toen zij zich voortspoedde? Heeft hij haar van ontrouw durven verdenken....?—Weg, weg met die dwaze gedachten! Zij weet wel beter. Helmond heeft haar meermalen gezegd dat Archibald Hardenborg een brave edele jongen was.—Voorzeker, hij heeft op dien avond de waarheid gegist. Hij kende dien Kartenglimp. Later werkte hij er krachtig toe mee, om dien vreeselijken man niet slechts uit hun huis te verwijderen, maar ook om te zorgen dat hij haar goeden naam niet door leugenachtige uitstrooisels in gevaar bracht.—’t Was kiesch van Hardenborg dat hij niet van den feestavond sprak.—Maar nu.... zou ze hem eens om raad vragen! Zal ze hem den inhoud van dat pas ontvangen briefje meedeelen? Onder den indruk ervan is ze zelve minder spraakzaam; ze gevoelt het.—’t Zal haar misschien een goed denkbeeld geven, en tegelijk het gesprek beter doen vlotten:“Ik wil het u niet verbergen luitenant.... daareven kreeg ik....”—Neen neen! toch niet, ze spreekt er niet van: “Ik kreeg....”“Slechte tijding misschien vanDe Zonsbergmevrouw?”—’t Is ook waar, Kaatje is haar, weinige oogenblikken voor Hardenborgs komst, met een bedenkelijk gezicht komen vertellen dat de generaal, volgens Bus, er slecht aan toe was.“Ja, ja juist,heelslechte tijding;” zegt Eva snel.“Toch niet reeds....?”Eva wist niet hoe het kwam; maar toen hij haar aanzag met een gelaat, waarop zooveel vraagteekens geschreven stonden, toen kon ze ’t niet laten om reeds alszekerte stellen ’tgeen toch zeer welmogelijkwas. Ze vond er een zonderling genoegen in om al vast eens te toonen “hoe ontzettend diep dat verlies haar zou schokken....”“De generaal overleden?” zegt Archibald, en de gewoonlijk zoo vroolijke uitdrukking van zijn prettig gelaat is nu geheel verdwenen.—Eva kon ’t niet helpen. Zij heeft letterlijk geen tijd gehad om een reserve te maken. Ofschoon ze slechts door een gelaatsuitdrukking het antwoord heeft gegeven, het speet haar nu reeds dat ze een onwaarheid sprak. En—Maar nee, ze kon niet zoo aanstonds terug.“Die fiksche oude man!” zegt Hardenborg: “Helmond zal zeer bedroefd zijn. Hij hield veel van den generaal.”“O ja.... tenminste....” zegt Eva. En dan; ze wil nu toch zeggen dat de luitenant haar verkeerd heeft begrepen. ’t Is te dwaas dat zij “den ridder vanDe Zonsbergreeds van zijn aardsche schatten losmaakte, terwijl hij misschien nog bestemd was om als een tweede Harpagon op het wereldtooneel te schitteren”. Ze wil hem zeggen bovendien, dat Helmond noch zij, veel reden zouden hebben om zich een mogelijk overlijden van den generaal bijzonder aan te trekken.—Wanneer de luitenant soms door infame praatjes in de meeningwas gebracht, dat men op een erfenis van Helmonds “edelen pleegvader” hoopte, dan kon ze hem verzekeren dat dit een allerliefst misverstand was. Men achtte het beneden zich om aan zoo iets te denken, en gevoelde zich veel te hoog, en van te edele afkomst, om nog op een handvol goud te speculeeren terwijl men, door zelf fortuin te bezitten, dat armzalig gepotte geld gelukkig niet noodig had. Zij wil....Doch zie, daar wordt de deur geopend.—Is het Helmond wel die binnentreedt? Eva schrikt. Wat ziet hij bleek. Wat staan zijn oogen strak. Misschien is hij naarDe Zonsberggeweest, en....Snel vliegt zij haar August tegemoet, en omhelst en kust hem alsof er geen vreemde bij was.Archibald is mede getroffen door Helmonds voorkomen. Hij steekt hem de hand toe en zegt:“Mijn beste Helmond, ik kan me je smart begrijpen. ’t Is hard den ouden boom te zien vallen wanneer men als kind onder zijn lommer mocht spelen, ’t Zal je een droom zijn. Men wist ternauwernood dat hij ernstig ziek was: en—nu aldood!”’t Was Helmond alsof een ijzeren vuist hem inwendig samenwrong.Roerloos stond hij daar en zag den luitenant aan met een blik, waaruit deze echter niet las dan een poging om zijn felle smart te bedwingen.“Dood!Wie meen je? Wat?Wieis dood?”Eva, hevig ontsteld, bekent met een schaamteblos dat er een misverstand is. Mijnheer Hardenborg heeft zeker straks uit haar woorden of houding opgemaakt dat de generaal reeds overleden zou zijn. Eva weet niet meer wat zij gezegd heeft; maar juist had ze den luitenant beter willen inlichten, toen Helmond is binnengekomen. Het spijt haar dat zij onwillekeurig mijnheer Hardenborg in een dwaling en Helmond aan ’t schrikken heeft gebracht. Maar Helmond zelf zou het immers beter weten, want, zij kan het hem aanzien dat hij—al te goedaardig—er weer is heen geweest, en er waarschijnlijk zeer onaangename oogenblikken heeft doorgebracht.—En ja, Helmond wist het beter.... Althans....? Maar hij moet zich nu goedhouden. Ofschoon hij bij ’t binnentreden niet op zulk een nieuwen schok was voorbereid, hij zal de kracht niet missen om zijn gewone kalmte ook nu te bewaren.—Schokken zijn voor Eva in hare omstandigheden hoogstgevaarlijk. Zij heeft een teeder gestel.“Ja, ik schrok ervan Eva; maar gelukkig, ik wist het beter.... tenminste....!” En dan, alsof hij zich aan een sombere droomerij, waarin hij opnieuw dreigt te vervallen, ontrukken wil: “Hoe gaat het opDe Poel, en—opBrouwerscate?”Archibald zou er bijna toe gekomen zijn om, naar aanleiding van die laatste vraag, weer op wat vroolijker toon te beginnen; maar, Helmonds krachtige poging om zich goed te houden ontging hem niet.Er zijn oogenblikken dat een vroolijke toon klinkt als hondengejank te midden van een plechtig adagio. Er zullen er altijd zijn dielachen, maar wie gevoel voor muziek heeft dien snijdt het door de ziel.Hardenborg herinnert zich nu het doel van zijn komst, en, dewijl hij bovendien vernam dat men nog dineeren moest, zou het zeer onbescheiden zijn geweest indien hij de echtgenooten langer bleef ophouden.Met de beste wenschen neemt Archibald afscheid. Alvorens echter de kamer te verlaten—hij rekent erop dat Helmond hem zal uitgeleide doen—moet hij, tegen zijn zin, de schoone Eva nog een oogenblik tot raadsman dienen. Zij zegt hem, dat hij immers wel gaarne zal toestemmen dat Helmond zich zelven en ook háár kwaad doet, met zich den loop der wereldsche zaken zoo aan te trekken. Hardenborg moet beloven, vast beloven, dat hij haar lieven man dikwijls zal komen opzoeken. Men kon dan meteen eens over een plannetje spreken, dat ze—als alles wèl blijft—gevormd heeft; namelijk, om samen dezen winter partij te maken en wekelijks naar Briesborg te gaan als er comedie zou zijn. Ze heeft dezen morgen juist in het Romphuizer blaadje gezien, dat de troep die er speelde dooraanwinstvan een nieuw acteur en actrice zoo bijzonder zal voldoen.“Niewaar luitenant,” besluit Eva: “een dokter die later uit ambitie maar dokteren blijft, ofschoon hij er niet tegen kan—nee, wie zich alles zoo aantrektkaner niet tegen—die dokter moet een contrepoids in afleiding zoeken?”“Wel mogelijk mevrouw;” zegt Archibald: “Maar over dit alles later; ik mag u niet ophouden. Bonsoir!” En, met een buiging verlaat hij de kamer.Archibald vond Eva lang zoo schoon niet als bij vroegere gelegenheden. Maar, hij verkeert onder een indruk. Nu zal hij zekerheid krijgen en zich verruimen meteen:“Nee nee, eventjes moet je met me in je spreekkamer, mijn brave reparateur. Noodzakelijk!”Helmond volgt. ’t Bevreemdt hem niet dat Hardenborg hem iets te zeggen heeft. Hij zou zich op dit oogenblik over niets hebben verwonderd. Wanneer men hem gezegd had dat hij niet bestond, en dat de heele wereld eennietswas, hij zou het niet vreemd hebben gevonden. Já, de heele wereld een ledigniets!Zie, nu luistert hij toch. Ja zelfs aandachtig. Wat is dat? Fonkelen zijn oogen van blijde verrukking; glinstert daar een traan....“Dat is nu alles wat ik je te zeggen heb,” besluit Archibald: “Of de som wat grooter of kleiner is, mijn beste vrind, dat doet er niet toe. Grootpapa Fontayn heeft indertijd zulke goede zaakjes gemaakt, dat men op een enkel briefje van duizend gulden niet behoeft te zien. Komaan Helmond, bedenk je geen oogenblik: als ik raak heb geslagen dan zal het zoo zijn, en beschouw dan de geheele geschiedenis als een herhaalde dankzegging van iemand die blij is dat ie nog leeft.—O wat zou mijn engel hebben aangevangen in de wijde wereld zonder haar dierbaren luitenant op nonactief!”Nu ’t pak hem van ’t hart is ademt Hardenborg weer ruimer.—Had hij vroeger zoo iets kunnen vermoeden, goede hemel, hij zou in overleg met le bon papa al lang die narigheid uit de wereld hebben geholpen. Maar eerst sedert gisteren vernam hij van alle zijden dat de arme vriend zoo rondom in de schuld zat. Begrepen! Het teleurgestelde monster, dat de zwakke zij der schoone vrouw, ter bereiking van zijn lage oogmerk, heeft weten te streelen, namtochzijn wraak.—Ha, begrijpt de laffe domoor dan niet dat Archibald Hardenborg terstond heeft doorzien van wien het ongeteekend schrijven kwam, ’twelk men bij de familie Narwal, als waarschuwing tegen den “tot over de ooren in de schuld stekenden Helmond”, had ontvangen? Moest hij zóó woord houden die zwarte blanke, en inweerwil van de ontvangen krasse waarschuwing!—’t Besluit was aanstonds in stilte genomen: Als papa zou toestemmen, dan reed hij invliegende vaart naar den vriend, om hem, zoo ’t noodig mocht zijn, carte blanche te geven; en vervolgens naar dien “talentvollen acteur” om hem nóg eens te zeggen—maar onbeschrijfelijk kort—wáár ’t op stond tusschen hem en den tweeden luitenant.En nu, ’t is jammer,jammerdat de fielt geen onwaarheid heeft geschreven. De arme Helmond! Maar Goddank, Goddank! dat hij em helpen kan.—Archibald krijgt het warm, zeer warm. Hij voelt zich de hand vatten, die drukken met vuur, en.... Neen, woorden verneemt hij niet. Dat is pijnlijk, verdord! Dat is.... Hij zou geen “schouder geweer!” kunnen roepen als ’t noodig was.“Ben je gek Helmond; je drukt me die hand veel te hard. Weet je wat: je stopt dus, met wat wissels op onzen Amsterdamschen kassier, de scheuren maar heelemaal toe. Met dominees en dokters daar kun je zoo van die grappen mee hebben, zei le bon papa: die beste vrinden repareeren je van binnen en van buiten zoo goed als voor niemendal.—Kom, ben je gek vent; je trekt me de hand uit het lid.”“Archibald, ik ben op dit oogenblik niet instaat....”“Nee dat hoeft ook volstrekt niet.”“Hardenborg,ikmagenkan....”“Mogendaar denken we niet aan,kunnenda’s iets anders; maar om ’t je wat gemakkelijk te maken, heeft papa alvast een stuk of wat van die dingen meegegeven. Zieje, hier. Jij vult van de blanco’s de cijfers maar in, enz. enz. Aan de achterzij je naam. Nu dat is toch zoo’n heksenwerk niet. Tot weerziens; adieu!”Toen Helmond opzag was hij alleen. De voordeur hoorde hij dichtslaan; en, een rijtuig ratelde langs het marktplein voort.—Heeft hij ’t gedroomd!? Toont hem weer een grijnzende sater een schotel vol goud? Neen, hier, hier liggen ze.... de bewijzen. Zie maar.Hahaha, hahaha!!—Stil, dat lachen klinkt akelig; ’t doet hem pijn, ja pijn, pijn overal! Maar toch, hij zou nog eens kunnen lachen.“O God, ik dank u! mijn naam; mijn kind! mijn Eva!”—Eva,—stil, zij mag niets weten. Als zij ’t wist.... en als zij ’tniet wist.... en als de wind tegen den molen blaast dan jagen de wieken elkander als krankzinnigen na, en die vermolmd zijn breken af, en slaan neer en verpletteren het huis met alles wat daarin is.—Waar dacht ik aan?—Ja, ik ben ziek; ik heb koorts. Maar met een vasten wil kan men zich zelf beheerschen. Goddank ik mag weer vrijer ademen. Goddank! nu zal alles vereffend worden, en dan.... Wees kalm Helmond; verontrust nu je zelf en Eva niet. Zie wat te eten. Zij roept je. Hoor:“Er is gediend August, kom!”—Krachtig dan, krachtig!Eva zag wel dat August niet heel fiksch was; dat hij bijna niets gebruikte, en dat er gedurig een vreemde uitdrukking op zijn gelaat kwam, nu eens alsof hij lachte, en dan weer alsof hem de somberste denkbeelden door het brein spookten.—De goede Helmond is al te gevoelig voor een man, denkt Eva: Hij gaat ervreeselijkonder gebukt dat die oude heer ’t commando gaat neerleggen. Enfin, God heeft de wereld geschapen, en den mensch zooals hij is. Maar deze beste overgevoelige mensch werd doormijntoedoen toch zeker nog meer van streek gebracht dan hij ’t reeds was. Die voorbarige condoléance van Hardenborg trof hem geweldig. Ja ’t wasmijnschuld. Misschien kalmeer ik dien goeden man nog het best door mij voor ’t oogenblik maar over mijn grieven heen te zetten; ’t zal hem hinderen dat ik in ’t geheel niet naar dien “dierbaren pleegvader” vraag. Welnu dan:“Was het zoo heel erg met.... den generaal, August?”“Erg, ja Eva, ja. Maar spreek er niet van. Als ik niet beter wist, dan zou ik zeggen dat hij dáár zat, dáár naast je. Ik weet het wel beter, maar....” Helmond ziet weer voor zich neer. Hij wist niet wat hij zeggen wilde. Hij weet gedurende een paar oogenblikken zelfs niet recht waar hij zich bevindt, en wie het is die daar zit.—O ja, nu weet hij ’t weer, dat is zijn dierbare vrouw, die miskend werd en gescholden door een pleegvader, wiens laatste woorden een vervloeking zijn geweest over ’t hoofd van een pleegkind dat hem altijd eerde en liefhad.—Ellendeling!—Wat kijkt hij weer akelig strak, en wat is bij toch bleek; denkt Eva.Opstaande komt ze hem terzij; zoent hem op het voorhoofd, en zegt dan vleiend:“Moet men zich dat zóóvreeselijkaantrekken! Hou je dan waarlijk meer van dien zieke, dan van je Eva, mijn beste man?”“Nee mijn liefste, zekerlijk niet!” zegt Helmond op kalmen toon.—O, die zoete omhelzing deed hem zoo goed. Hij herinnert zich nu weder dat hij in hare tegenwoordigheid onder alle omstandigheden kalm moet blijven. Eva mag niet vermoeden wat er omgaat in zijn binnenste; welke spooksels hem vervolgen, en wat ze hem gedurig al grijnzend toeroepen.“Dan willen we ons maar altijd vaster aaneensluiten mijn August, en wat ons dan ook ontvalle niewaar, twee en één en nog eentjeblijven één, en voor elkander genoeg.—Maar nu, op mijn beurt gaiknu eens voor dokter spelen. Je bent zenuwachtig en erg vermoeid, en daarom heb je weinig gegeten. Als je nu langer opblijft, dan zul je ziek worden, en dat wou ik om geen tien generaa.... ik meen voor geen geld van de wereld. Kom mijn beste; zie me nu eens even wat vroolijker aan.—Zóó ja,—dat gaat nog al. Zwaarmutserij daar doen we niet meer aan; is ’t wel mijn lieve August?—Hé, wat komt daar uit dien zak gluren?Het hoofd terzij houdend, en het papier uit den borstzak van zijn jas een weinig naar boven schuivend, leest ze luide het gedeelte van den wissel, ’t welk nu te voorschijn is gekomen; en dan, dreigend met den vinger:“Ondeugd! Evertje Zwaarmuts!! Nu moet het er één weer wagen om me met zotte babbelpraatjes aan boord te komen! Over jou, over mijn royalen man!—Kom, van avond geen vertoogjes meer! Gauw tot rust komen mijn lieve; en morgen dan hooren we dat die generaal weer voor zes jaren geteekend heeft. Want—onkruid vergaat niet;” voegt ze er onhoorbaar bij. En weder luide: “En dan ben jij een heel ander, een uitgerust kereltje; en dan heb ik je een heeleboel te vertellen; van iets fataals dat me van avond letterlijk een oogenblik van streek bracht, maar dat we vinden zullen, ook in ’t belang van ons schatje, al moet het wezená force d’argent. Nee nee, geen muizenesten meer! We bepalen dan, bij een helder zonneschijntje, den dag waarop we onze equipage gaan halen—met den trein er naar toe, welzeker—en spreken te Briesborg meteen over de plaatsen in de comedie;—natuurlijk als mijnheer Alexander V. B. weer inhuurt, natuurlijk!”’t Was Helmond bij den woordenstroom van Eva alsof er op zijn gloeiend voorhoofd heete droppelen vielen. Hij weet niet wat hij gehoord heeft....—O ja:ons schatje, heeft ze gezegd. Ha! ons schatje! Groote God, is hij toch niet zalig in dezen stond! Zijn gansche wereld van liefdeenheil rust aan zijn hart. Eva streelt hem de wang; zij zoent hem op dat moede hoofd; zij dringt hem om nu te gaan slapen; over niets zal ze meer spreken; geen muisje zal zich bewegen in huis; en, zacht den eersten regel van een wiegelied zingend, dwingt ze hem op te staan terwijl ze alvast met haar fijne vingers hem den halsboord losknoopt, want, ze meent te hebben bespeurd dat de drukking ervan hem zooeven benauwde.
’t Verwonderde Eva dat de jonge Hardenborg, nadat hij over Helmonds afwezigheid zijn leedwezen had te kennen gegeven, zoo afgemeten was. Met geen enkel woord herdenkt hij de partij, die toch waarlijk niet voor het feest opDe Poelheeft ondergedaan.—Maar, hoe kon ze ’t een oogenblik vergeten: ’t zou niet kiesch zijn indien hij ervan sprak. Immers hij was Helmond in die nare oogenblikken te hulp gekomen. Doch waartoe? Zou het inderdaadniet delicater geweest zijn wanneer hij buiten den koepel was gebleven? En dan, hoe kwam hij zoo toevallig achter in den tuin? Had hij haar misschien bespied toen zij zich voortspoedde? Heeft hij haar van ontrouw durven verdenken....?
—Weg, weg met die dwaze gedachten! Zij weet wel beter. Helmond heeft haar meermalen gezegd dat Archibald Hardenborg een brave edele jongen was.
—Voorzeker, hij heeft op dien avond de waarheid gegist. Hij kende dien Kartenglimp. Later werkte hij er krachtig toe mee, om dien vreeselijken man niet slechts uit hun huis te verwijderen, maar ook om te zorgen dat hij haar goeden naam niet door leugenachtige uitstrooisels in gevaar bracht.
—’t Was kiesch van Hardenborg dat hij niet van den feestavond sprak.—Maar nu.... zou ze hem eens om raad vragen! Zal ze hem den inhoud van dat pas ontvangen briefje meedeelen? Onder den indruk ervan is ze zelve minder spraakzaam; ze gevoelt het.—’t Zal haar misschien een goed denkbeeld geven, en tegelijk het gesprek beter doen vlotten:
“Ik wil het u niet verbergen luitenant.... daareven kreeg ik....”—Neen neen! toch niet, ze spreekt er niet van: “Ik kreeg....”
“Slechte tijding misschien vanDe Zonsbergmevrouw?”
—’t Is ook waar, Kaatje is haar, weinige oogenblikken voor Hardenborgs komst, met een bedenkelijk gezicht komen vertellen dat de generaal, volgens Bus, er slecht aan toe was.
“Ja, ja juist,heelslechte tijding;” zegt Eva snel.
“Toch niet reeds....?”
Eva wist niet hoe het kwam; maar toen hij haar aanzag met een gelaat, waarop zooveel vraagteekens geschreven stonden, toen kon ze ’t niet laten om reeds alszekerte stellen ’tgeen toch zeer welmogelijkwas. Ze vond er een zonderling genoegen in om al vast eens te toonen “hoe ontzettend diep dat verlies haar zou schokken....”
“De generaal overleden?” zegt Archibald, en de gewoonlijk zoo vroolijke uitdrukking van zijn prettig gelaat is nu geheel verdwenen.
—Eva kon ’t niet helpen. Zij heeft letterlijk geen tijd gehad om een reserve te maken. Ofschoon ze slechts door een gelaatsuitdrukking het antwoord heeft gegeven, het speet haar nu reeds dat ze een onwaarheid sprak. En—Maar nee, ze kon niet zoo aanstonds terug.
“Die fiksche oude man!” zegt Hardenborg: “Helmond zal zeer bedroefd zijn. Hij hield veel van den generaal.”
“O ja.... tenminste....” zegt Eva. En dan; ze wil nu toch zeggen dat de luitenant haar verkeerd heeft begrepen. ’t Is te dwaas dat zij “den ridder vanDe Zonsbergreeds van zijn aardsche schatten losmaakte, terwijl hij misschien nog bestemd was om als een tweede Harpagon op het wereldtooneel te schitteren”. Ze wil hem zeggen bovendien, dat Helmond noch zij, veel reden zouden hebben om zich een mogelijk overlijden van den generaal bijzonder aan te trekken.
—Wanneer de luitenant soms door infame praatjes in de meeningwas gebracht, dat men op een erfenis van Helmonds “edelen pleegvader” hoopte, dan kon ze hem verzekeren dat dit een allerliefst misverstand was. Men achtte het beneden zich om aan zoo iets te denken, en gevoelde zich veel te hoog, en van te edele afkomst, om nog op een handvol goud te speculeeren terwijl men, door zelf fortuin te bezitten, dat armzalig gepotte geld gelukkig niet noodig had. Zij wil....
Doch zie, daar wordt de deur geopend.—Is het Helmond wel die binnentreedt? Eva schrikt. Wat ziet hij bleek. Wat staan zijn oogen strak. Misschien is hij naarDe Zonsberggeweest, en....
Snel vliegt zij haar August tegemoet, en omhelst en kust hem alsof er geen vreemde bij was.
Archibald is mede getroffen door Helmonds voorkomen. Hij steekt hem de hand toe en zegt:
“Mijn beste Helmond, ik kan me je smart begrijpen. ’t Is hard den ouden boom te zien vallen wanneer men als kind onder zijn lommer mocht spelen, ’t Zal je een droom zijn. Men wist ternauwernood dat hij ernstig ziek was: en—nu aldood!”
’t Was Helmond alsof een ijzeren vuist hem inwendig samenwrong.
Roerloos stond hij daar en zag den luitenant aan met een blik, waaruit deze echter niet las dan een poging om zijn felle smart te bedwingen.
“Dood!Wie meen je? Wat?Wieis dood?”
Eva, hevig ontsteld, bekent met een schaamteblos dat er een misverstand is. Mijnheer Hardenborg heeft zeker straks uit haar woorden of houding opgemaakt dat de generaal reeds overleden zou zijn. Eva weet niet meer wat zij gezegd heeft; maar juist had ze den luitenant beter willen inlichten, toen Helmond is binnengekomen. Het spijt haar dat zij onwillekeurig mijnheer Hardenborg in een dwaling en Helmond aan ’t schrikken heeft gebracht. Maar Helmond zelf zou het immers beter weten, want, zij kan het hem aanzien dat hij—al te goedaardig—er weer is heen geweest, en er waarschijnlijk zeer onaangename oogenblikken heeft doorgebracht.
—En ja, Helmond wist het beter.... Althans....? Maar hij moet zich nu goedhouden. Ofschoon hij bij ’t binnentreden niet op zulk een nieuwen schok was voorbereid, hij zal de kracht niet missen om zijn gewone kalmte ook nu te bewaren.—Schokken zijn voor Eva in hare omstandigheden hoogstgevaarlijk. Zij heeft een teeder gestel.
“Ja, ik schrok ervan Eva; maar gelukkig, ik wist het beter.... tenminste....!” En dan, alsof hij zich aan een sombere droomerij, waarin hij opnieuw dreigt te vervallen, ontrukken wil: “Hoe gaat het opDe Poel, en—opBrouwerscate?”
Archibald zou er bijna toe gekomen zijn om, naar aanleiding van die laatste vraag, weer op wat vroolijker toon te beginnen; maar, Helmonds krachtige poging om zich goed te houden ontging hem niet.
Er zijn oogenblikken dat een vroolijke toon klinkt als hondengejank te midden van een plechtig adagio. Er zullen er altijd zijn dielachen, maar wie gevoel voor muziek heeft dien snijdt het door de ziel.
Hardenborg herinnert zich nu het doel van zijn komst, en, dewijl hij bovendien vernam dat men nog dineeren moest, zou het zeer onbescheiden zijn geweest indien hij de echtgenooten langer bleef ophouden.
Met de beste wenschen neemt Archibald afscheid. Alvorens echter de kamer te verlaten—hij rekent erop dat Helmond hem zal uitgeleide doen—moet hij, tegen zijn zin, de schoone Eva nog een oogenblik tot raadsman dienen. Zij zegt hem, dat hij immers wel gaarne zal toestemmen dat Helmond zich zelven en ook háár kwaad doet, met zich den loop der wereldsche zaken zoo aan te trekken. Hardenborg moet beloven, vast beloven, dat hij haar lieven man dikwijls zal komen opzoeken. Men kon dan meteen eens over een plannetje spreken, dat ze—als alles wèl blijft—gevormd heeft; namelijk, om samen dezen winter partij te maken en wekelijks naar Briesborg te gaan als er comedie zou zijn. Ze heeft dezen morgen juist in het Romphuizer blaadje gezien, dat de troep die er speelde dooraanwinstvan een nieuw acteur en actrice zoo bijzonder zal voldoen.
“Niewaar luitenant,” besluit Eva: “een dokter die later uit ambitie maar dokteren blijft, ofschoon hij er niet tegen kan—nee, wie zich alles zoo aantrektkaner niet tegen—die dokter moet een contrepoids in afleiding zoeken?”
“Wel mogelijk mevrouw;” zegt Archibald: “Maar over dit alles later; ik mag u niet ophouden. Bonsoir!” En, met een buiging verlaat hij de kamer.
Archibald vond Eva lang zoo schoon niet als bij vroegere gelegenheden. Maar, hij verkeert onder een indruk. Nu zal hij zekerheid krijgen en zich verruimen meteen:
“Nee nee, eventjes moet je met me in je spreekkamer, mijn brave reparateur. Noodzakelijk!”
Helmond volgt. ’t Bevreemdt hem niet dat Hardenborg hem iets te zeggen heeft. Hij zou zich op dit oogenblik over niets hebben verwonderd. Wanneer men hem gezegd had dat hij niet bestond, en dat de heele wereld eennietswas, hij zou het niet vreemd hebben gevonden. Já, de heele wereld een ledigniets!
Zie, nu luistert hij toch. Ja zelfs aandachtig. Wat is dat? Fonkelen zijn oogen van blijde verrukking; glinstert daar een traan....
“Dat is nu alles wat ik je te zeggen heb,” besluit Archibald: “Of de som wat grooter of kleiner is, mijn beste vrind, dat doet er niet toe. Grootpapa Fontayn heeft indertijd zulke goede zaakjes gemaakt, dat men op een enkel briefje van duizend gulden niet behoeft te zien. Komaan Helmond, bedenk je geen oogenblik: als ik raak heb geslagen dan zal het zoo zijn, en beschouw dan de geheele geschiedenis als een herhaalde dankzegging van iemand die blij is dat ie nog leeft.—O wat zou mijn engel hebben aangevangen in de wijde wereld zonder haar dierbaren luitenant op nonactief!”
Nu ’t pak hem van ’t hart is ademt Hardenborg weer ruimer.—Had hij vroeger zoo iets kunnen vermoeden, goede hemel, hij zou in overleg met le bon papa al lang die narigheid uit de wereld hebben geholpen. Maar eerst sedert gisteren vernam hij van alle zijden dat de arme vriend zoo rondom in de schuld zat. Begrepen! Het teleurgestelde monster, dat de zwakke zij der schoone vrouw, ter bereiking van zijn lage oogmerk, heeft weten te streelen, namtochzijn wraak.
—Ha, begrijpt de laffe domoor dan niet dat Archibald Hardenborg terstond heeft doorzien van wien het ongeteekend schrijven kwam, ’twelk men bij de familie Narwal, als waarschuwing tegen den “tot over de ooren in de schuld stekenden Helmond”, had ontvangen? Moest hij zóó woord houden die zwarte blanke, en inweerwil van de ontvangen krasse waarschuwing!—’t Besluit was aanstonds in stilte genomen: Als papa zou toestemmen, dan reed hij invliegende vaart naar den vriend, om hem, zoo ’t noodig mocht zijn, carte blanche te geven; en vervolgens naar dien “talentvollen acteur” om hem nóg eens te zeggen—maar onbeschrijfelijk kort—wáár ’t op stond tusschen hem en den tweeden luitenant.
En nu, ’t is jammer,jammerdat de fielt geen onwaarheid heeft geschreven. De arme Helmond! Maar Goddank, Goddank! dat hij em helpen kan.—Archibald krijgt het warm, zeer warm. Hij voelt zich de hand vatten, die drukken met vuur, en.... Neen, woorden verneemt hij niet. Dat is pijnlijk, verdord! Dat is.... Hij zou geen “schouder geweer!” kunnen roepen als ’t noodig was.
“Ben je gek Helmond; je drukt me die hand veel te hard. Weet je wat: je stopt dus, met wat wissels op onzen Amsterdamschen kassier, de scheuren maar heelemaal toe. Met dominees en dokters daar kun je zoo van die grappen mee hebben, zei le bon papa: die beste vrinden repareeren je van binnen en van buiten zoo goed als voor niemendal.—Kom, ben je gek vent; je trekt me de hand uit het lid.”
“Archibald, ik ben op dit oogenblik niet instaat....”
“Nee dat hoeft ook volstrekt niet.”
“Hardenborg,ikmagenkan....”
“Mogendaar denken we niet aan,kunnenda’s iets anders; maar om ’t je wat gemakkelijk te maken, heeft papa alvast een stuk of wat van die dingen meegegeven. Zieje, hier. Jij vult van de blanco’s de cijfers maar in, enz. enz. Aan de achterzij je naam. Nu dat is toch zoo’n heksenwerk niet. Tot weerziens; adieu!”
Toen Helmond opzag was hij alleen. De voordeur hoorde hij dichtslaan; en, een rijtuig ratelde langs het marktplein voort.
—Heeft hij ’t gedroomd!? Toont hem weer een grijnzende sater een schotel vol goud? Neen, hier, hier liggen ze.... de bewijzen. Zie maar.Hahaha, hahaha!!—Stil, dat lachen klinkt akelig; ’t doet hem pijn, ja pijn, pijn overal! Maar toch, hij zou nog eens kunnen lachen.
“O God, ik dank u! mijn naam; mijn kind! mijn Eva!”
—Eva,—stil, zij mag niets weten. Als zij ’t wist.... en als zij ’tniet wist.... en als de wind tegen den molen blaast dan jagen de wieken elkander als krankzinnigen na, en die vermolmd zijn breken af, en slaan neer en verpletteren het huis met alles wat daarin is.—Waar dacht ik aan?—Ja, ik ben ziek; ik heb koorts. Maar met een vasten wil kan men zich zelf beheerschen. Goddank ik mag weer vrijer ademen. Goddank! nu zal alles vereffend worden, en dan.... Wees kalm Helmond; verontrust nu je zelf en Eva niet. Zie wat te eten. Zij roept je. Hoor:
“Er is gediend August, kom!”
—Krachtig dan, krachtig!
Eva zag wel dat August niet heel fiksch was; dat hij bijna niets gebruikte, en dat er gedurig een vreemde uitdrukking op zijn gelaat kwam, nu eens alsof hij lachte, en dan weer alsof hem de somberste denkbeelden door het brein spookten.
—De goede Helmond is al te gevoelig voor een man, denkt Eva: Hij gaat ervreeselijkonder gebukt dat die oude heer ’t commando gaat neerleggen. Enfin, God heeft de wereld geschapen, en den mensch zooals hij is. Maar deze beste overgevoelige mensch werd doormijntoedoen toch zeker nog meer van streek gebracht dan hij ’t reeds was. Die voorbarige condoléance van Hardenborg trof hem geweldig. Ja ’t wasmijnschuld. Misschien kalmeer ik dien goeden man nog het best door mij voor ’t oogenblik maar over mijn grieven heen te zetten; ’t zal hem hinderen dat ik in ’t geheel niet naar dien “dierbaren pleegvader” vraag. Welnu dan:
“Was het zoo heel erg met.... den generaal, August?”
“Erg, ja Eva, ja. Maar spreek er niet van. Als ik niet beter wist, dan zou ik zeggen dat hij dáár zat, dáár naast je. Ik weet het wel beter, maar....” Helmond ziet weer voor zich neer. Hij wist niet wat hij zeggen wilde. Hij weet gedurende een paar oogenblikken zelfs niet recht waar hij zich bevindt, en wie het is die daar zit.—O ja, nu weet hij ’t weer, dat is zijn dierbare vrouw, die miskend werd en gescholden door een pleegvader, wiens laatste woorden een vervloeking zijn geweest over ’t hoofd van een pleegkind dat hem altijd eerde en liefhad.—Ellendeling!
—Wat kijkt hij weer akelig strak, en wat is bij toch bleek; denkt Eva.
Opstaande komt ze hem terzij; zoent hem op het voorhoofd, en zegt dan vleiend:
“Moet men zich dat zóóvreeselijkaantrekken! Hou je dan waarlijk meer van dien zieke, dan van je Eva, mijn beste man?”
“Nee mijn liefste, zekerlijk niet!” zegt Helmond op kalmen toon.—O, die zoete omhelzing deed hem zoo goed. Hij herinnert zich nu weder dat hij in hare tegenwoordigheid onder alle omstandigheden kalm moet blijven. Eva mag niet vermoeden wat er omgaat in zijn binnenste; welke spooksels hem vervolgen, en wat ze hem gedurig al grijnzend toeroepen.
“Dan willen we ons maar altijd vaster aaneensluiten mijn August, en wat ons dan ook ontvalle niewaar, twee en één en nog eentjeblijven één, en voor elkander genoeg.—Maar nu, op mijn beurt gaiknu eens voor dokter spelen. Je bent zenuwachtig en erg vermoeid, en daarom heb je weinig gegeten. Als je nu langer opblijft, dan zul je ziek worden, en dat wou ik om geen tien generaa.... ik meen voor geen geld van de wereld. Kom mijn beste; zie me nu eens even wat vroolijker aan.—Zóó ja,—dat gaat nog al. Zwaarmutserij daar doen we niet meer aan; is ’t wel mijn lieve August?—Hé, wat komt daar uit dien zak gluren?
Het hoofd terzij houdend, en het papier uit den borstzak van zijn jas een weinig naar boven schuivend, leest ze luide het gedeelte van den wissel, ’t welk nu te voorschijn is gekomen; en dan, dreigend met den vinger:
“Ondeugd! Evertje Zwaarmuts!! Nu moet het er één weer wagen om me met zotte babbelpraatjes aan boord te komen! Over jou, over mijn royalen man!—Kom, van avond geen vertoogjes meer! Gauw tot rust komen mijn lieve; en morgen dan hooren we dat die generaal weer voor zes jaren geteekend heeft. Want—onkruid vergaat niet;” voegt ze er onhoorbaar bij. En weder luide: “En dan ben jij een heel ander, een uitgerust kereltje; en dan heb ik je een heeleboel te vertellen; van iets fataals dat me van avond letterlijk een oogenblik van streek bracht, maar dat we vinden zullen, ook in ’t belang van ons schatje, al moet het wezená force d’argent. Nee nee, geen muizenesten meer! We bepalen dan, bij een helder zonneschijntje, den dag waarop we onze equipage gaan halen—met den trein er naar toe, welzeker—en spreken te Briesborg meteen over de plaatsen in de comedie;—natuurlijk als mijnheer Alexander V. B. weer inhuurt, natuurlijk!”
’t Was Helmond bij den woordenstroom van Eva alsof er op zijn gloeiend voorhoofd heete droppelen vielen. Hij weet niet wat hij gehoord heeft....—O ja:ons schatje, heeft ze gezegd. Ha! ons schatje! Groote God, is hij toch niet zalig in dezen stond! Zijn gansche wereld van liefdeenheil rust aan zijn hart. Eva streelt hem de wang; zij zoent hem op dat moede hoofd; zij dringt hem om nu te gaan slapen; over niets zal ze meer spreken; geen muisje zal zich bewegen in huis; en, zacht den eersten regel van een wiegelied zingend, dwingt ze hem op te staan terwijl ze alvast met haar fijne vingers hem den halsboord losknoopt, want, ze meent te hebben bespeurd dat de drukking ervan hem zooeven benauwde.
NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.Buiten sloeg de torenklok acht.Ofschoon gestadig ten prooi aan de akeligste droomen, heeft Helmond bijna een kwartier geslapen.Nu komt hij eensklaps overeind in zijn leger, opent ijlings deledikantgordijnen, en staart naar het donker onder Eva’s prachtige linnenkast. Ja zie maar, daar steekt een voet onder uit; daar ligt de kerel; hij houdt zich schuil; hij heeft zich daar verborgen om hem zoo aanstonds wanneer hij weer slapen zal, te overrompelen.“Wie is daar! Wie!?”Er komt geen antwoord. Toch—daar wordt gezucht. Hoor, men gromt en zucht geweldig....“Wie, wie is daar,wie!?” roept Helmond weder. Met beide handen bedekt hij nu zijn gelaat.—Neen, daar was niemand. Het zuchten en grommen is het geraas van den wind in den schoorsteen.—Hij roept:“Eva!”Zij komt niet.—Eva zal nog beneden zijn.—Indien zij ’twist dat men hem zoekt; indien ze vermoeden kon dat men het huis omsingelt! Hoor maar, de sabels rinkelen;—men fluistert....—O God, als men Eva dan ook....Helmond is het bed uitgevlogen. In weinige seconden heeft hij zich aangekleed, gedurig starend naar het donker onder Eva’s linnenkast.—Wat doet hij? Opstaan, waarom? Nu weet hij het weer. Hij moet naarDe Zonsberg; geen oogenblik mag hij wachten; misschien heeft de oude man reeds een poeder gebruikt, en ligt hij zieltogend neer.—Aan Jacoba zal hij het zeggen. De lijder moet een tegengif hebben?—Spoed Helmond, eer het te laat is!IJlings, met het blakerlicht in de hand den corridor betredend, ontstelt de dokter hevig. Een lange gedaante trad de deur van zijn kamer uit. Is het een spookse?“Bus, ben jij het?”Bus, nog meer dan zijn meester ontsteld, slaat de oogen neer, en antwoordt met trillende stem: “Jawel dokter.”Helmond keert tot zijn volle bewustzijn terug:“Wat dee je in mijn kamer?”De arme lange Bus geeft stotterend maar naar waarheid verslag van ’tgeen hij er deed: Sinds den morgen na de partij bij mijnheer Debecque—toen hij dokters rok had schoongemaakt—heeft hij geen rustig uur meer gehad. Och de verzoeking was zoo groot geweest. In den linker-achterrokzak had hij zoo heel toevallig twee banknoten van honderd gulden in een couvert gevonden. Och en als men dan zooveel rijkdom ziet, en mevrouw dan zelve aan den kleermaker zegt dat het geld er niet op aankwam als de livrei maar mooi was; ja, als men dan een arme moeder en twee zusters zoo mager als palingen had, niewaar....? Och, maar God was zijn getuige hoe hij gestreden, en het niet gewaagd heeft om er een cent van uit te geven. Goddank, toen hij van morgen bij het trouwen van Huibert en Geurtje, dominee Hoogerberg zoo roerend hoorde zeggen: “Kinderen, vergeet uw eerste gelofte niet”, toen—de arme Bus kon haast niet verder spreken—toen heeft hij zich voorgenomen om de briefjes stilletjes op dokters kamer neer te leggen, en zie, dat had hij nu naar waarheid gedaan.—Twee banknoten van honderd gulden!—Helmond weet wel dat hij droomt. ’t Is een droom dat Bus daar voor hem staat; ’t is een droom dat Archibald hem die wissels op Druter en Comp. heeft gegeven. ....Neen toch niet, zie, de wissels steken nog hier in den jaszak.“Waar heb je dat geld dan gelaten Bus?”“’t Ligt op m’nheers schrijftafel.”Helmond gaat haastig zijn kamer in: “Wacht daar.”——Ja zie, het is zoo; hier heeft hij de beide banknoten.Helmond begrijpt niet vanwaar dat geld kwam. Het allerminst denkt hij nu aan zijn brief aan Woudberg, waarop hij geen antwoord ontving, en waarvan, volgens den Romphuizer postdirecteur bezwaarlijk iets terecht zou komen. ’t Was, volgens dien laatste, zeer wel mogelijk geweest dat dokters dienstbode op dien morgen een brief naar Amsterdamgefrankeerdheeft, maar zeer zeker had zij er geen latenaanteekenen.Op dit oogenblik herinnert Helmond zich echter niets van dat alles. Zooals reeds meermalen in de laatste dagen had hij nu een grooten draaienden cirkel voor oogen; en in dien cirkel wierpen zich de negen cijfers; en slingerend vereenigden ze zich, en vormden, in ’t ronde en lange, grillige figuren en onnoembare getallen, terwijl dan eensklaps dat alles tezamen smolt tot een bloedroode nul, eenniets, sissend en sarrend als een uitdruilend vuurrad.Wàt zijn duizenden! Wat zijn tweehonderd gulden! Helmond weet het niet.—Maar hier die wissels, die duizenden, roepen ze hem niet toe: We zijn een aalmoes!?—Dwaze man! ijdele lichtzinnige vrouw!—Ha, wie durfthaarbeschimpen? Niemand is schuldig dan hij. Hoor, hoor:“Als een kind grijpt naar de vlam eener kaars, dan trekt men dat kind terug; denk daaraan, en heb haar lief.”—Wie heeft dat gezegd?Helmond schrikt achteruit.—Die het gezegd heeft, ligt hij daar niet te worstelen met den dood? Neen, dat is verbeelding. Maar toch,als het te laat was! Spoed dan, spoed!“Riept u dokter?” zegt Bus om den hoek der deur.Helmond ziet den man eenige oogenblikken met verwondering aan, en zegt dan snel:“Ja, je vliegt naarDe Arend, en laat de vigilante inspannen. Binnen vijf minuten zal ik daar zijn; maar,” hij ziet geheimzinnig rond: “aan niemand in huis er een woord van zeggen! Je begrijpt wel waarom: Ik moet naarDe Zonsberg.”Bus beschouwt zijn meester met bekommering. Hij deed zoo vreemd; hij sprak zoo gejaagd.—O, ’t was zeker, ofschoon die oude generaal hem in den laatsten tijd niet best moest behandeld hebben, zijn edele natuur streed er toch mee dat hij nu waarschijnlijk ging afreizen. Ach ja, die brave dokter, wat was hij goed, geen enkel hard woord over dat geld komt er zelfs over zijn lippen.Lange Bus treedt zijn meester nu zeer nabij; vat zijn hand, enmet een traan in de oogen zegt hij: “God zal je zegenen dokter, en je behouden wat je lief is. Zie, als de baas van de pannenfabriek me nou weer durft zeggen dat jij dokter, op het geld van den ouden generaal loert, dan, zoo waarachtig als ik Bus heet, dan sla ik hem met een van z’n eigen pannen de hersenpan in.—Ja ja dokter, ik vlieg!”’t Was Helmond gedurende eenige minuten alsof hij een zeereis maakte; hij voelde het slingeren van ’t schip, en ’t was hem alsof hij door het blinkend want, in een tintelend blauw staarde.—Hij weet niet meer hoe hij op dat denkbeeld kwam. Hoor! Wie zegt daar: “dat hij een bedelaar is, ’t geraamte van een edel mensch!”—Neen, dat is gelogen. Een Helmond wordt geen bedelaar. Welke démon heeft hem er dan toegebracht om zijn hand voor een aalmoes te openen? Hoe kon hij zich zóó vergeten!In een oogenblik heeft Helmond, met tamelijk vaste hand, de wissels die hij van Hardenborg ontving in een groot couvert gedaan, en bij het adres: “Aan Archibald Hardenborg,” de woorden gevoegd: “In dank terug van Helmond.”Dan—ja, hij weet net nu weer.... dat schip!... Nu schrijft bij:“Eva, ik heb je bedrogen: wij zijn arm! Een som van hoeveel duizenden guldens, ik weet het niet, is mijn schuld. Toch zijn wij rijk! Aan gene zij van den Oceaan zal mijn kracht herleven.—Bij duizenden zal ik ze redden van de gele koorts, al moest ik tienduizendmaal het slachtoffer ervan worden. Neen, jij zult niet zingen in ’t publiek;alleenwil ik werken en slaven en zwoegen, omdat ik niet langer zwak en ellendig wil zijn. Maar jij Eva, je zult er het brood kneden, en het bakken in den oven, en het maal bereiden. En dan zul jij, voor mij alleen verstaanbaar, zingen: “Brengt Peter met een kus aan jou....” Je kent het verder. En—dan vervloekt hij mij niet meer. En in ’t eind bevrachten wij datzelfde schip, en zenden onzen jongen—je weet wel—naar die oude schuldeischers, en naar den grijzen man die mij vervloekte, en ze zullen zeggen: Hij was dood en is levend geworden,Neehij was toch waarachtig geen zwak en ellendig man.“Vaarwel! Je eeuwig liefhebbende:August.”—Wat is dat? Wie komen daar?Angstig ziet de arme koortslijder naar den donkersten hoek van het groote vertrek.—Bedriegt hij zich niet?.... Men is daar bezig met boer Dirksen te begraven. En zie, het lijk richt zich eensklaps overeind, en terwijl het hem verachtelijk aanziet, wijst het op hém—Nu zinkt het lijk achterover.—En daar, meer van nabij, daar ziet hij een doodsbleeke vrouw. Ja hij kent haar wel, ’t is de vrouw van den kuiper Sturk. Zij slaapt—den eeuwigen slaap. Zie, ook zij richt zich op, en.... Neen, Goddank, Goddank! zij stapt van het leger af; zij lacht hem vriendelijk toe; zij groet hem nog metde hand en.... verdwijnt in de diepe duisternis.—Ja zie, daar roert alweder iets van verre.—Men schreeuwt—O God! aandien manheeft hij in een paar jaren niet gedacht.... dat is die oude pleegvader. Zie, men heeft zijn lichaam geopend; men onderzoekt zijn ingewanden; zie maar en al de koppen van Rembrandts Ontleedkundige Les ze staren hem aan alsof ze vragen.... “Ben jij de moordenaar....??”—“O mijn God!” roept Helmond als in doodsangst nog eens. Aan dien grijsaard heeft hij straks niet gedacht. Maar, ja, de kleine lamp met de groene kap brandde boven op den lessenaar in de apotheek; en toen.... toen is er een schot gevallen.—Maar, hij zal nog niet dood zijn. O als hij dood was! Neenneen, dat kan niet! Voort dan, voort, naarDe Zonsberg!Een oogenblik later slaat Helmond de hand aan den deurknop. Hij zal zich uit zijn woning verwijderen zonder dat iemand het bemerkt. Eva zou hem weerhouden.—Maar,hoekomt hij erheen? Ha, hij heeft immers een rijtuig besteld. Ja hij herinnert het zich: Bus was zooeven hier en.... Bus heeft hem tweehonderd gulden gegeven die hij verloren had; en dat geld....—O Goddank, dat hij het zich mede herinnert:Donerie’s monument! Dat is de eenige smet; dat geld moet nog aangezuiverd, dat moet aanstonds worden afgedaan!Weinige oogenblikken later heeft Helmond zijn kamer verlaten.En ’t was stil, doodelijk stil in huis.Eva zit in de Oranjezaal aan haar keurig bewerkte schrijftafel.Haar besluit was genomen: Zij schrijft:“Aan den Weledelgestr. Heer Van Dubbe,Kantonrechter alhier.“Weledelgestr. Heer en Vriend!“De majoor Kartenglimp vordert van mij familiepapieren terug, vermoedelijk op grond dat hij zich eenige moeite gaf om die van elders te doen komen. Een opvatting tegen mijn echtgenoot, aangezien deze hem na het ongeval op onze partij, nietzelfmee naar huis bracht, ’twelk hem echter als gastheer onmogelijk was, heeft den majoor een zoo hostile houding doen aannemen.—Ik wensch daarin volstrekt geen verandering te zien gebracht. Wie mijn echtgenoot beleedigt door hem het eens geschonken vertrouwen te ontnemen—hij wordt mij eenindividu!“Intusschen wensch ik van UEdelgestr. te vernemen, of ik geen recht heb om papieren, die mij inderdaad werdenaangeboden—zij het tegen een belooning—als mijn eigendom te beschouwen.“Het recht eener familie op haar familiepapieren kanmijnsinziens niet twijfelachtig zijn.“Indien UEdelgestr. mij als rechter en als vriend het bezit der genoemde papieren—liefst zonder openbaarmaking—wildet waarborgen, het zou mij zeer aangenaam wezen. Mocht het noodig zijn daarvoor kosten te maken, dan geef ik u gaarne carte blanche. Inde hoop dat gij u in deze zaak voor mij partij zult willen stellen, noem ik mij, enz., enz....”—Goed zoo! denkt Eva met vergenoegden lach: Ik zal je bij de rechterlijke macht vóórkomen, monstermensch! En, mocht de zaak op den breeden weg moeten, welnu, mijn beste man draagt wissels van duizenden in den zak.En terwijl zij nu den brief sluit, zingt ze—eerst zeer zacht, maar al spoedig luider:“Tra lálala!Tra lálala!Daar komt hij de graaf van Tourloyette,Vite donc, chapeaux bas;Vite donc, placez vous là;Daar komt hij de graaf met zijn jeune eega!”—Chut, chut! schrikt Eva eensklaps van haar eigen zang. Die dwaze roulades mochten eens tot boven doordringen en den armen goeden August wakker maken. Stil, hij is zoo bedroefd; en, ondanks zich zelve zingt ze toch weder, doch nu binnensmonds:“Tra lálala!Tra lálala!Daar komt hij de graaf van Tourloyette,Vite donc, chapeaux bas;Criez un vif hourah!Daar komt hij de graaf met zijn jeuneEvá.”—Men zou zich kunnen laten inhalen. Ja, waarom niet!En Helmond sloop met ingehouden adem door het holle reeds donkere voorhuis; en hij hoorde.... haar zingen.—Ha! zij zingt.—Goed, zij zingt!Buiten was de wind koel. Ondanks zijn poging om de deur zeer zachtjes toe te trekken.... ontstelt Eva van een plotselingen slag.Maar, er was niets in het voorhuis. De wind zal een luik hebben dichtgeslagen.—Foei, hoe kon een onnoozele speling van den wind haar zoo doen ontstellen, foei!—En nu naar den lieven man!“Tra lálala!Tra lálala!Daar komt hij de graaf van Tourloyette.”Eva verdween in de donkere gang.Ternauwernood is Helmond buiten gekomen, of een naderend rumoer doet hem zijn haastigen tred verkorten.—Wie komen daar?Wat wil men van hem....? Neen, in de duisternis bemerkt men hem niet. Hoor:“.... Ze zeggen dat ie al dood is; geweldig om zóó aan z’n eind te komen.”“Ga jij naar Biermans, ik loop naar den kantonrechter.”Een benauwde kreet ontsnapt er aan Helmond lippen; maar men hoorde hem niet. De wind speelde met den ijzeren ketting van den lepel aan de stadspomp.—O God! daar komen ze! De handboeien houden ze gereed. Dood!dood!dood!Een lijk!—Et satan conduit le bal.—Voort! vlucht! Ellendige moordenaar,vlucht!—En, Helmond verdwijnt in de donkere straat.
Buiten sloeg de torenklok acht.
Ofschoon gestadig ten prooi aan de akeligste droomen, heeft Helmond bijna een kwartier geslapen.
Nu komt hij eensklaps overeind in zijn leger, opent ijlings deledikantgordijnen, en staart naar het donker onder Eva’s prachtige linnenkast. Ja zie maar, daar steekt een voet onder uit; daar ligt de kerel; hij houdt zich schuil; hij heeft zich daar verborgen om hem zoo aanstonds wanneer hij weer slapen zal, te overrompelen.
“Wie is daar! Wie!?”
Er komt geen antwoord. Toch—daar wordt gezucht. Hoor, men gromt en zucht geweldig....
“Wie, wie is daar,wie!?” roept Helmond weder. Met beide handen bedekt hij nu zijn gelaat.—Neen, daar was niemand. Het zuchten en grommen is het geraas van den wind in den schoorsteen.—Hij roept:
“Eva!”
Zij komt niet.—Eva zal nog beneden zijn.—Indien zij ’twist dat men hem zoekt; indien ze vermoeden kon dat men het huis omsingelt! Hoor maar, de sabels rinkelen;—men fluistert....
—O God, als men Eva dan ook....
Helmond is het bed uitgevlogen. In weinige seconden heeft hij zich aangekleed, gedurig starend naar het donker onder Eva’s linnenkast.
—Wat doet hij? Opstaan, waarom? Nu weet hij het weer. Hij moet naarDe Zonsberg; geen oogenblik mag hij wachten; misschien heeft de oude man reeds een poeder gebruikt, en ligt hij zieltogend neer.—Aan Jacoba zal hij het zeggen. De lijder moet een tegengif hebben?—Spoed Helmond, eer het te laat is!
IJlings, met het blakerlicht in de hand den corridor betredend, ontstelt de dokter hevig. Een lange gedaante trad de deur van zijn kamer uit. Is het een spookse?
“Bus, ben jij het?”
Bus, nog meer dan zijn meester ontsteld, slaat de oogen neer, en antwoordt met trillende stem: “Jawel dokter.”
Helmond keert tot zijn volle bewustzijn terug:
“Wat dee je in mijn kamer?”
De arme lange Bus geeft stotterend maar naar waarheid verslag van ’tgeen hij er deed: Sinds den morgen na de partij bij mijnheer Debecque—toen hij dokters rok had schoongemaakt—heeft hij geen rustig uur meer gehad. Och de verzoeking was zoo groot geweest. In den linker-achterrokzak had hij zoo heel toevallig twee banknoten van honderd gulden in een couvert gevonden. Och en als men dan zooveel rijkdom ziet, en mevrouw dan zelve aan den kleermaker zegt dat het geld er niet op aankwam als de livrei maar mooi was; ja, als men dan een arme moeder en twee zusters zoo mager als palingen had, niewaar....? Och, maar God was zijn getuige hoe hij gestreden, en het niet gewaagd heeft om er een cent van uit te geven. Goddank, toen hij van morgen bij het trouwen van Huibert en Geurtje, dominee Hoogerberg zoo roerend hoorde zeggen: “Kinderen, vergeet uw eerste gelofte niet”, toen—de arme Bus kon haast niet verder spreken—toen heeft hij zich voorgenomen om de briefjes stilletjes op dokters kamer neer te leggen, en zie, dat had hij nu naar waarheid gedaan.
—Twee banknoten van honderd gulden!—Helmond weet wel dat hij droomt. ’t Is een droom dat Bus daar voor hem staat; ’t is een droom dat Archibald hem die wissels op Druter en Comp. heeft gegeven. ....Neen toch niet, zie, de wissels steken nog hier in den jaszak.
“Waar heb je dat geld dan gelaten Bus?”
“’t Ligt op m’nheers schrijftafel.”
Helmond gaat haastig zijn kamer in: “Wacht daar.”—
—Ja zie, het is zoo; hier heeft hij de beide banknoten.
Helmond begrijpt niet vanwaar dat geld kwam. Het allerminst denkt hij nu aan zijn brief aan Woudberg, waarop hij geen antwoord ontving, en waarvan, volgens den Romphuizer postdirecteur bezwaarlijk iets terecht zou komen. ’t Was, volgens dien laatste, zeer wel mogelijk geweest dat dokters dienstbode op dien morgen een brief naar Amsterdamgefrankeerdheeft, maar zeer zeker had zij er geen latenaanteekenen.
Op dit oogenblik herinnert Helmond zich echter niets van dat alles. Zooals reeds meermalen in de laatste dagen had hij nu een grooten draaienden cirkel voor oogen; en in dien cirkel wierpen zich de negen cijfers; en slingerend vereenigden ze zich, en vormden, in ’t ronde en lange, grillige figuren en onnoembare getallen, terwijl dan eensklaps dat alles tezamen smolt tot een bloedroode nul, eenniets, sissend en sarrend als een uitdruilend vuurrad.
Wàt zijn duizenden! Wat zijn tweehonderd gulden! Helmond weet het niet.—Maar hier die wissels, die duizenden, roepen ze hem niet toe: We zijn een aalmoes!?
—Dwaze man! ijdele lichtzinnige vrouw!
—Ha, wie durfthaarbeschimpen? Niemand is schuldig dan hij. Hoor, hoor:
“Als een kind grijpt naar de vlam eener kaars, dan trekt men dat kind terug; denk daaraan, en heb haar lief.”—Wie heeft dat gezegd?
Helmond schrikt achteruit.—Die het gezegd heeft, ligt hij daar niet te worstelen met den dood? Neen, dat is verbeelding. Maar toch,als het te laat was! Spoed dan, spoed!
“Riept u dokter?” zegt Bus om den hoek der deur.
Helmond ziet den man eenige oogenblikken met verwondering aan, en zegt dan snel:
“Ja, je vliegt naarDe Arend, en laat de vigilante inspannen. Binnen vijf minuten zal ik daar zijn; maar,” hij ziet geheimzinnig rond: “aan niemand in huis er een woord van zeggen! Je begrijpt wel waarom: Ik moet naarDe Zonsberg.”
Bus beschouwt zijn meester met bekommering. Hij deed zoo vreemd; hij sprak zoo gejaagd.—O, ’t was zeker, ofschoon die oude generaal hem in den laatsten tijd niet best moest behandeld hebben, zijn edele natuur streed er toch mee dat hij nu waarschijnlijk ging afreizen. Ach ja, die brave dokter, wat was hij goed, geen enkel hard woord over dat geld komt er zelfs over zijn lippen.
Lange Bus treedt zijn meester nu zeer nabij; vat zijn hand, enmet een traan in de oogen zegt hij: “God zal je zegenen dokter, en je behouden wat je lief is. Zie, als de baas van de pannenfabriek me nou weer durft zeggen dat jij dokter, op het geld van den ouden generaal loert, dan, zoo waarachtig als ik Bus heet, dan sla ik hem met een van z’n eigen pannen de hersenpan in.—Ja ja dokter, ik vlieg!”
’t Was Helmond gedurende eenige minuten alsof hij een zeereis maakte; hij voelde het slingeren van ’t schip, en ’t was hem alsof hij door het blinkend want, in een tintelend blauw staarde.—Hij weet niet meer hoe hij op dat denkbeeld kwam. Hoor! Wie zegt daar: “dat hij een bedelaar is, ’t geraamte van een edel mensch!”
—Neen, dat is gelogen. Een Helmond wordt geen bedelaar. Welke démon heeft hem er dan toegebracht om zijn hand voor een aalmoes te openen? Hoe kon hij zich zóó vergeten!
In een oogenblik heeft Helmond, met tamelijk vaste hand, de wissels die hij van Hardenborg ontving in een groot couvert gedaan, en bij het adres: “Aan Archibald Hardenborg,” de woorden gevoegd: “In dank terug van Helmond.”
Dan—ja, hij weet net nu weer.... dat schip!... Nu schrijft bij:
“Eva, ik heb je bedrogen: wij zijn arm! Een som van hoeveel duizenden guldens, ik weet het niet, is mijn schuld. Toch zijn wij rijk! Aan gene zij van den Oceaan zal mijn kracht herleven.—Bij duizenden zal ik ze redden van de gele koorts, al moest ik tienduizendmaal het slachtoffer ervan worden. Neen, jij zult niet zingen in ’t publiek;alleenwil ik werken en slaven en zwoegen, omdat ik niet langer zwak en ellendig wil zijn. Maar jij Eva, je zult er het brood kneden, en het bakken in den oven, en het maal bereiden. En dan zul jij, voor mij alleen verstaanbaar, zingen: “Brengt Peter met een kus aan jou....” Je kent het verder. En—dan vervloekt hij mij niet meer. En in ’t eind bevrachten wij datzelfde schip, en zenden onzen jongen—je weet wel—naar die oude schuldeischers, en naar den grijzen man die mij vervloekte, en ze zullen zeggen: Hij was dood en is levend geworden,Neehij was toch waarachtig geen zwak en ellendig man.“Vaarwel! Je eeuwig liefhebbende:August.”
“Eva, ik heb je bedrogen: wij zijn arm! Een som van hoeveel duizenden guldens, ik weet het niet, is mijn schuld. Toch zijn wij rijk! Aan gene zij van den Oceaan zal mijn kracht herleven.—Bij duizenden zal ik ze redden van de gele koorts, al moest ik tienduizendmaal het slachtoffer ervan worden. Neen, jij zult niet zingen in ’t publiek;alleenwil ik werken en slaven en zwoegen, omdat ik niet langer zwak en ellendig wil zijn. Maar jij Eva, je zult er het brood kneden, en het bakken in den oven, en het maal bereiden. En dan zul jij, voor mij alleen verstaanbaar, zingen: “Brengt Peter met een kus aan jou....” Je kent het verder. En—dan vervloekt hij mij niet meer. En in ’t eind bevrachten wij datzelfde schip, en zenden onzen jongen—je weet wel—naar die oude schuldeischers, en naar den grijzen man die mij vervloekte, en ze zullen zeggen: Hij was dood en is levend geworden,Neehij was toch waarachtig geen zwak en ellendig man.
“Vaarwel! Je eeuwig liefhebbende:
August.”
—Wat is dat? Wie komen daar?
Angstig ziet de arme koortslijder naar den donkersten hoek van het groote vertrek.—Bedriegt hij zich niet?.... Men is daar bezig met boer Dirksen te begraven. En zie, het lijk richt zich eensklaps overeind, en terwijl het hem verachtelijk aanziet, wijst het op hém—Nu zinkt het lijk achterover.—En daar, meer van nabij, daar ziet hij een doodsbleeke vrouw. Ja hij kent haar wel, ’t is de vrouw van den kuiper Sturk. Zij slaapt—den eeuwigen slaap. Zie, ook zij richt zich op, en.... Neen, Goddank, Goddank! zij stapt van het leger af; zij lacht hem vriendelijk toe; zij groet hem nog metde hand en.... verdwijnt in de diepe duisternis.—Ja zie, daar roert alweder iets van verre.—Men schreeuwt—O God! aandien manheeft hij in een paar jaren niet gedacht.... dat is die oude pleegvader. Zie, men heeft zijn lichaam geopend; men onderzoekt zijn ingewanden; zie maar en al de koppen van Rembrandts Ontleedkundige Les ze staren hem aan alsof ze vragen.... “Ben jij de moordenaar....??”—“O mijn God!” roept Helmond als in doodsangst nog eens. Aan dien grijsaard heeft hij straks niet gedacht. Maar, ja, de kleine lamp met de groene kap brandde boven op den lessenaar in de apotheek; en toen.... toen is er een schot gevallen.—Maar, hij zal nog niet dood zijn. O als hij dood was! Neenneen, dat kan niet! Voort dan, voort, naarDe Zonsberg!
Een oogenblik later slaat Helmond de hand aan den deurknop. Hij zal zich uit zijn woning verwijderen zonder dat iemand het bemerkt. Eva zou hem weerhouden.—Maar,hoekomt hij erheen? Ha, hij heeft immers een rijtuig besteld. Ja hij herinnert het zich: Bus was zooeven hier en.... Bus heeft hem tweehonderd gulden gegeven die hij verloren had; en dat geld....—O Goddank, dat hij het zich mede herinnert:Donerie’s monument! Dat is de eenige smet; dat geld moet nog aangezuiverd, dat moet aanstonds worden afgedaan!
Weinige oogenblikken later heeft Helmond zijn kamer verlaten.
En ’t was stil, doodelijk stil in huis.
Eva zit in de Oranjezaal aan haar keurig bewerkte schrijftafel.
Haar besluit was genomen: Zij schrijft:
“Aan den Weledelgestr. Heer Van Dubbe,Kantonrechter alhier.“Weledelgestr. Heer en Vriend!“De majoor Kartenglimp vordert van mij familiepapieren terug, vermoedelijk op grond dat hij zich eenige moeite gaf om die van elders te doen komen. Een opvatting tegen mijn echtgenoot, aangezien deze hem na het ongeval op onze partij, nietzelfmee naar huis bracht, ’twelk hem echter als gastheer onmogelijk was, heeft den majoor een zoo hostile houding doen aannemen.—Ik wensch daarin volstrekt geen verandering te zien gebracht. Wie mijn echtgenoot beleedigt door hem het eens geschonken vertrouwen te ontnemen—hij wordt mij eenindividu!“Intusschen wensch ik van UEdelgestr. te vernemen, of ik geen recht heb om papieren, die mij inderdaad werdenaangeboden—zij het tegen een belooning—als mijn eigendom te beschouwen.“Het recht eener familie op haar familiepapieren kanmijnsinziens niet twijfelachtig zijn.“Indien UEdelgestr. mij als rechter en als vriend het bezit der genoemde papieren—liefst zonder openbaarmaking—wildet waarborgen, het zou mij zeer aangenaam wezen. Mocht het noodig zijn daarvoor kosten te maken, dan geef ik u gaarne carte blanche. Inde hoop dat gij u in deze zaak voor mij partij zult willen stellen, noem ik mij, enz., enz....”
“Aan den Weledelgestr. Heer Van Dubbe,Kantonrechter alhier.
“Weledelgestr. Heer en Vriend!
“De majoor Kartenglimp vordert van mij familiepapieren terug, vermoedelijk op grond dat hij zich eenige moeite gaf om die van elders te doen komen. Een opvatting tegen mijn echtgenoot, aangezien deze hem na het ongeval op onze partij, nietzelfmee naar huis bracht, ’twelk hem echter als gastheer onmogelijk was, heeft den majoor een zoo hostile houding doen aannemen.—Ik wensch daarin volstrekt geen verandering te zien gebracht. Wie mijn echtgenoot beleedigt door hem het eens geschonken vertrouwen te ontnemen—hij wordt mij eenindividu!
“Intusschen wensch ik van UEdelgestr. te vernemen, of ik geen recht heb om papieren, die mij inderdaad werdenaangeboden—zij het tegen een belooning—als mijn eigendom te beschouwen.
“Het recht eener familie op haar familiepapieren kanmijnsinziens niet twijfelachtig zijn.
“Indien UEdelgestr. mij als rechter en als vriend het bezit der genoemde papieren—liefst zonder openbaarmaking—wildet waarborgen, het zou mij zeer aangenaam wezen. Mocht het noodig zijn daarvoor kosten te maken, dan geef ik u gaarne carte blanche. Inde hoop dat gij u in deze zaak voor mij partij zult willen stellen, noem ik mij, enz., enz....”
—Goed zoo! denkt Eva met vergenoegden lach: Ik zal je bij de rechterlijke macht vóórkomen, monstermensch! En, mocht de zaak op den breeden weg moeten, welnu, mijn beste man draagt wissels van duizenden in den zak.
En terwijl zij nu den brief sluit, zingt ze—eerst zeer zacht, maar al spoedig luider:
“Tra lálala!Tra lálala!Daar komt hij de graaf van Tourloyette,Vite donc, chapeaux bas;Vite donc, placez vous là;Daar komt hij de graaf met zijn jeune eega!”
“Tra lálala!
Tra lálala!
Daar komt hij de graaf van Tourloyette,
Vite donc, chapeaux bas;
Vite donc, placez vous là;
Daar komt hij de graaf met zijn jeune eega!”
—Chut, chut! schrikt Eva eensklaps van haar eigen zang. Die dwaze roulades mochten eens tot boven doordringen en den armen goeden August wakker maken. Stil, hij is zoo bedroefd; en, ondanks zich zelve zingt ze toch weder, doch nu binnensmonds:
“Tra lálala!Tra lálala!Daar komt hij de graaf van Tourloyette,Vite donc, chapeaux bas;Criez un vif hourah!Daar komt hij de graaf met zijn jeuneEvá.”
“Tra lálala!
Tra lálala!
Daar komt hij de graaf van Tourloyette,
Vite donc, chapeaux bas;
Criez un vif hourah!
Daar komt hij de graaf met zijn jeuneEvá.”
—Men zou zich kunnen laten inhalen. Ja, waarom niet!
En Helmond sloop met ingehouden adem door het holle reeds donkere voorhuis; en hij hoorde.... haar zingen.
—Ha! zij zingt.—Goed, zij zingt!
Buiten was de wind koel. Ondanks zijn poging om de deur zeer zachtjes toe te trekken.... ontstelt Eva van een plotselingen slag.
Maar, er was niets in het voorhuis. De wind zal een luik hebben dichtgeslagen.—Foei, hoe kon een onnoozele speling van den wind haar zoo doen ontstellen, foei!—En nu naar den lieven man!
“Tra lálala!Tra lálala!Daar komt hij de graaf van Tourloyette.”
“Tra lálala!
Tra lálala!
Daar komt hij de graaf van Tourloyette.”
Eva verdween in de donkere gang.
Ternauwernood is Helmond buiten gekomen, of een naderend rumoer doet hem zijn haastigen tred verkorten.—Wie komen daar?Wat wil men van hem....? Neen, in de duisternis bemerkt men hem niet. Hoor:
“.... Ze zeggen dat ie al dood is; geweldig om zóó aan z’n eind te komen.”
“Ga jij naar Biermans, ik loop naar den kantonrechter.”
Een benauwde kreet ontsnapt er aan Helmond lippen; maar men hoorde hem niet. De wind speelde met den ijzeren ketting van den lepel aan de stadspomp.
—O God! daar komen ze! De handboeien houden ze gereed. Dood!dood!dood!Een lijk!—Et satan conduit le bal.—Voort! vlucht! Ellendige moordenaar,vlucht!—En, Helmond verdwijnt in de donkere straat.
VEERTIGSTE HOOFDSTUK.Naar den kant van Briesborg aan de westelijke zij van het stadje, wanneer men de laatste boerenhoeve voorbij is, wordt de weg zeer eenzaam. De straatweg klimt dan tot aan het zoogenaamde Romphuizer Hondsbosch, en gaat er vervolgens met een kleine kromming doorheen. Aan gene zij van het bosch ziet men links van den straatweg nog een armoedige hut, ofschoon de voerbak die er vóór staat moet aankondigen, dat men binnenHet Roode Zoodjetoch wel eens “opsteken” kan. Is men de hut aan den zoom van het bosch voorbijgegaan, dan heeft men, na het kleine tuintje, met zijn luttele kromgegroeide appel- en pruimeboomen in ’t midden van wat kool en andijvieplanten, niets meer te zien dan een eindeloos breede heivlakte. Ter rechter- en linkerzij van den straatweg golft die vlakte voort, hier en daar slechts afgebroken door een kronkelend karrespoor, of een jachtpaal naast een grooten steen met wat braamstruiken, of ginds door een lager gelegen waterplas met de duizenden indruksels van schapepootjes er in ’t ronde, terwijl men recht voor zich uit, op een twintig minuten afstands, het zoogenaamde Briesborger Kattenbosch ziet, waarachter het stadje Briesborg zich verschuilt.Sinds de mist tegen den avond was opgetrokken, hebben er zich in ’t Noordwesten zwarte legermachten saamgepakt. Straks zullen ze zich in beweging stellen; legioen voor legioen. Ze zijn reeds in aantocht. Ha, ze zullen vrij spel hebben dezen nacht. Over de breede hei gaat het onverlet op woud en steden los.Trompetters vooruit! Den aanval geblazen!Dat was een schrikkelijke bui!Grauwe Toon uitHet Roode Zoodjezette het geweer, ’twelk hij oppoetste, in een hoek, en keek naar de vuurplaat waarop de hagelsteenen, zoo groot als erwten en bikkels, kletterend neervielen om straks te sissen in ’t vuur onder den pot met kokende aardappels.Met een ruwen vloek zei grauwe Toon, dat Onzelieveheers hagel lang zoo best niet was als de zijne.De vrouw, die naar de aardappels kwam zien, lachte om de “geestigheid” van Toon, en zei te vreezen dat het morgen met dat ruwe weer een slechte dag voor de jacht zou worden. En dan, eensklaps opziende:“Ik hoor wat! Ze kloppen aan ’t raam. Smijt die hazen en hoenders in ’t hok.”Grauwe Toon nam een zestal hazen en eenige patrijzen van den grond en wierp ze in ’t aangewezen hok.“’t Zal Jaap zelf zijn om het zootje van vandaag,” zegt hij: “misschien is ’t buiten zoo donker dat hij de deur niet kan vinden.”Een vreeselijke stormwind joeg naar binnen toen de man de deur opende om eens even te gaan zien.“Is daar iemand?” schreeuwde Toon naar buiten in de richting van het raam.Twee mannen kwamen al spoedig den hoek der hut om.Zelfs toen ze binnentraden zagen Toon en z’n vrouw niet wie het waren; de wind had de lamp uitgedoofd. Toen de deur gesloten was en de lamp weer brandde, vroeg de man op wat minder ruwen toon dan hij gewoonlijk sprak, wat menheer verlangde, want, ofschoon de menheer er niet erg voornaam uitzag, hij had een knecht in livrei bij zich. Die vreemden kwamen Toon wel bekend voor, maar thuisbrengen kon hij ze niet.—Ah! nu is hij er achter. En Toon en zijn vrouw geneerden zich niet, ze schaterden van ’t lachen:“Ben jij Bus, de lange pijp drop! O lieve heer, in een apen- en hondenrok! Goeje hemel!” Toon hield zich den buik vast van ’t lachen. Het wijf meende te bezwijken, want zie, een pand van die livrei-jas hing als een flard naar beneden.Bus wreef aan z’n langen neus; de hagelsteenen hadden hem ouwerwets geraakt; ’t water droop hem van ’t lijf, en hij rilde van kou. Toen hij nu dat lachen hoorde, en zag dat het wijf naar het pand van zijn jas wees, keek hij over den schouder naar beneden en nam het afhangende flard onder den arm.“Ah zoo” zegt Toon nog lachend: “ben jij Van Hake, de winkelknecht van dien knoeier!”Bus wist niet wat hij wringen zou, en wrong aan het flard van zijn livrei-jas.Thomas Van Hake trilt over zijn gansche lichaam; doch, hij houdt zich in; hij begreep dat het parels voor de zwijnen zouden zijn om hier Helmonds eer te gaan verdedigen.“Ik vraag je Toon, of je ons helpen wilt om den dokter te zoeken?Jekent de wegen in ’t bosch.”“Hêt z’n mooie zoetelief ’em de deur uitgeschopt? Wel, óf ze gelijk had; zoo’n domme kinkel! Als ie geen centen had en toch en gebraaien haan wou uithangen, waarom dan niet dien ouwen lands-palfrenier vanDe Zonsberggoejen nacht gezeid! Nou, alsof jelui er nietalle dageneenigen voor grof geld naar de eeuwigheid helpt! Alsikhet een schraal konijn doe, dan roepen ze moord en brand; maar zoo’n stommen dokter, sakkerhelp! dien laten ze z’n gang maar gaan!”Van Hakes oogen fonkelden. In een oogenblik was hij nabij den haard, waar Toon straks zijn jachtgeweer heeft neergezet. Hij grijpt het; neemt het met beide handen bij den loop; en dan, de kolf omhoogheffend, roept hij in woede:“Schelm! trek je woorden in, of in je eigen nest verpletter ik je den grauwen kop!”Bus liet het pand van zijn jas los en greep naar een stoel.—Toons vrouw gilde weer van ’t lachen. De strooper keek vergenoegd. Met zijn kolossale hand vatte hij het jachtgeweer bij de kolf, en—slechts een kleine draai was voldoende om het Thomas uit de hand te wringen.“Waarachtig, jij bevalt me!” grinnikt Toon: “Nou zie ik dat je pit in je ziel hebt, aldat je een pil bent en verkleumd van de kou. Griet, lach niet meer en tap drie borrels klare. De lange heer met z’n bedorven goud op ’t lijf is er goed voor.—Ei zeg, en wàt wou je dan nou?”Toon vanHet Roode Zoodjezal niet alles vernemen. De vreeselijke vermoedens die Thomas koesterde, ofschoon hij ze gedurig met kracht van zich afstiet, ze zullen hem niet over de lippen. Zelfs Bus,—ofschoon hij de aanleidende oorzaak is dat men den dokter zoekt op te sporen,—hij zal niet vernemen wat Thomas vreest ofschoon hij ’t zelf niet gelooven kan.—Bus weet dat dokter zonderling had gepraat, precies als iemand die.... in de war is. De vigilante, die hij op dokters bevel heeft moeten bestellen, had volgens order aan den stal gewacht; vijf—tien—twintig—dertig minuten; en, toen is men naar ’t doktershuis gereden. Nadat men daar een oogenblik was vóór geweest, is Kaatje komen aanhollen met de boodschap, dat ze mevrouw met een papier in de hand, stijf van haar zelve op menheers kamer gevonden heeft, en de dokter was dan ook nergens te zien, ofschoon hij een half uur geleden naar bed was gegaan.Vliegend is men toen naar Van Hake gereden. De provisor was daarop ijlings met zijn moeder naar het doktershuis gegaan, en heeft Bus met de vigilante naarDe Zonsberggezonden om te zien of dokter dáár soms wezen mocht.—Doch tevergeefs. Een half uur later zat Thom in de vigilante, en Bus naast Jozef uitDe Arendop den bok, om dokter Helmond zoo mogelijk in de richting van Briesborg te vinden. Op raad van mevrouw Van Hake, zou men aan het onderzoek de minstmogelijke ruchtbaarheid geven. Men kon immers zeggen niet zeker te weten welken patiënt de dokter nog buitenaf heeft moeten bezoeken, en dat men hem nu een vigilantezond, omdat het weer zoo guur was geworden. Alvorens naar den kant van Briesborg te rijden, was Thomas haastig naar het station gegaan, teneinde, zonder rechtstreeks te vragen, er zich te vergewissen of Helmond niet misschien met den trein—omstreeks een kwartier geleden—vertrokken was. Nadat hij daar bemerken mocht dat men den dokter in ’t geheel niet gezien had, werd hij al spoedig overtuigd dat Helmond zich werkelijk in de richting van Briesborg op weg had begeven. Op zijn terugweg, nog even vóór de Zijperbrug, heeft hij Hanna vanDe Schebbelaaraan den arm van naar vrijer ontmoet. Ach, Hanna had het heel naar gevonden dat dokter in den laten avond, met dat slechte weer, nog zoo ver weg naar een zieke moest. Ja, een minuut of tien geleden was zij hem tegengekomen, en ofschoon dokter erge haast scheen te hebben, hij had háár en Evert toch ieder nog een hand gegeven en vast beloofd dat hij tegen ’t voorjaar op hun bruiloft zou komen: “Zoo’n best en zoo’n nederig man!”Weinige oogenblikken nadat Toon uitHet Roode Zoodjezijn vraag heeft gedaan weet hij in hoofdzaak, wat het geval en waar het om te doen is. Dokter Helmond, die ziek te bed had gelegen, was, waarschijnlijk in een ijlende koorts, opgestaan, en zonder dat iemand het bemerkte, dezen weg opgeloopen. Zoo spoedig mogelijk is men hem met de vigilante nagereden. Op een paar honderd schreden afstands van hier, heeft men—nog even vóór dien geweldigen hagelslag—ondanks de duisternis in ’t bosch, een persoon gezien die, bij het vernemen van een naderend rijtuig ijlings ter linkerzijde van den weg het bosch was ingegaan. Bus heeft het voor zeker gehouden dat het de dokter geweest is—“precies zoo’n figuur”.—Aanstonds hebben Van Hake en Bus toen het rijtuig verlaten, en den meester en vriend bij zijn naam geroepen zoo hard als ze konden; maar, die vreeselijke bui heeft gewis hun schreeuwen overstemd. Door struiken en bramen heen, hadden ze zich een weg gebaand, en ondanks de duisternis, getracht den zieken man te ontdekken; doch, toen ze eindelijk met gehavende kleeren hier aan den zoom van het boschje zijn gekomen, toen waren ze bitter teleurgesteld; ze hadden niets gevonden, en zoover als hun oog over de hei nog reikte, ook niets bespeurd wat op een menschelijk wezen geleek. Ze hebben hier aangeklopt in de hoop dat Toon, die met de kleinste paadjes in het bosch en op de hei bekend was, hen tegen een goede belooning zou willen behulpzaam zijn, en in alle geval een lantaarn leenen, waaraan men in het bosch de grootste behoefte had.De zwarte wolken-kolonne, die met vliegende vaandels en donderend gekletter is voorbijgegaan, laat een oogenblik het laatste kwartier der maan in het hagelijs blinken, ’twelk hier en ginds de wijde heivlakte bedekt.Angstig omziende naar het donkere bosch waarin men “om een moordenaar te vatten van alle zijden is binnengedrongen,” daalt Helmond, terwijl hij zich een weg door struik- en braamgewas baant,een kleine helling af, en spoedt zich nu voort op de breede hei. Het vluchtige licht der maan wijst hem een zandweg.—Dien moet hij kiezen, want als hij een anderen weg neemt dan verdwaalt hij in ’t duister en overrompelt men hem. O, indien hij maar wist dat ze hem ineens zouden treffen in ’t hart, ja, dan zou hij wel terug willen keeren naar dat bosch, waarin ze hem schreeuwend opjaagden als een wild dier. Maar dat doen ze niet: Ze leggen hem handboeien aan, en dan bouwen ze een schavot, en dan.... Hu! wat is dat? Welk een vurig oog flikkert daar achter hem over de hei? O God, het schiet bliksemende stralen uit! Dat is het oog van de slang uit het paradijs; en, drie zwarte wezens verspreiden zich.—Voort dan, voort!Buiten de deur der hut op een kleine verhevenheid gekomen, heeft Toon de lantaarn in de hoogte gehouden en, over de donkere hei ziende, beweerd, dat hij niets kon ontdekken; maar ook, dat de dokter, als hij met z’n zieke lichaam het bosch was ingegaan, er nóg wel wezen zou.Van Hake meende echter heel in de verte iets zwarts te hebben gezien.“Ik zeg je van nee!” beweerde Toon: “hij zit in het bosch.”“En ik wil zekerheid hebben!” riep Van Hake, en greep den forschen man, die daarop niet voorbedacht was, de lantaarn uit de hand, en spoedde zich voort in de richting waar hij meende dat zich iets zwarts had bewogen.“Jammer dat die kerel ’en pil is!” grinnikte Toon: “Vooruit dan lange livrei-dragonder!” en hij gaf Bus een slag op den schouder zoodat deze hevig schrok, en nog minder plezier in den tocht had dan straks toen hij met den provisor alleen was.“Wat ’en lucht komt er weer opzetten;” zei Bus, die nog maar half van den schrik was bekomen. En dan, dan ziet hij in de richting van den straatweg, waar Jozef zeker nog op dezelfde plaats in ’t bosch met de vigilante zal wachten.—Toen hij straks op dien bok zat, ja toen was hij niemendal bang; maar nu!—Die Toon moest bovendien een slechte vent wezen. Er liep een verhaal dat hier eens een weggevluchte juffrouw uit Briesborg zou verdwenen zijn—spoorloos.—Lieve hemel! En menheer van Hake rende daar de hei op, alsof er geen eenzaamheid en geen nacht en geen gevaar in de wereld was.“Ben jij bang?” roept Toon die Bus ziet achterblijven.“Bang! nee nee, volstrekt niet.” Maar, Bus wasdubbelbang, én voor zich zelf, én voor zijn goeden meester.Een vreeselijk wolkenheer heeft nogmaals hemel en aarde in een nacht gehuld, zwarter dan het gesloten graf. Met woedend stormgeloei rukte het tweede legioen aan, en spelt dood en vernietiging aan ’t rijk van den zomer.—Een ontzettende hagelslag snort door de lucht en rakkelt op de hei, en doet het haas en konijn opschrikken en de lepels spitsen in hun onderaardsche legers.Geen mensch is instaat om tegen zulk een gezweepten steenregenhet hoofd en den schouder te zetten. Toon zegt dat het tempeest hem de baas zou worden; maar niemand hoort hem, want Bus, die het afgescheurde flard nu boven zijn hoofd houdt, bevindt zich reeds op den terugweg in de richting van de hut, en—Van Hakes licht flikkert een gansch eind verder al flauwer en flauwer.... zie, nú is het uit.“Is daar iemand?” schreeuwt Thomas met geweld, want hij meent op korten afstand iets zwarts te zien bewegen, en ’t is hem toch bijna onmogelijk om tegen dien hagelslag in, nog verder te gaan of zich naar eisch te doen hooren.Een geweldig groote hagelsteen sloeg juist op dat oogenblik een der lantaarnruiten aan stuk, en het flikkerende licht was aanstonds uitgedoofd.—Thom aarzelt. Nu roept hij weder; maar krijgt geen antwoord. Toch wil hij weten of hij zich vergiste. Zóó vóórtgaan kan hij echter niet. IJlings trekt hij de jas uit en bedekt er het hoofd en ten deele het aangezicht mee.Ach, hoe bitter moest Thoms teleurstelling wezen: Reeds meende hij zich zeker van zijn zaak, toen de zwarte massa, die hij nu werkelijk genaderd was, hem op zeer laconischen toon ten antwoord gaf: dat ie zich vergiste als ie meende dat hier ’en dokter Helmond was. Hij was niks meer als Jochem van den boer van ’t Kraaiennest achter Briesborg. Met den mist die ’s-middags gevallen was, had hij een jong schaap verloren, en, nu hij “den rakker” hier juist bezijden den plas achter het opschot van wat struikhout heeft teruggevonden, nu wilde hij liefst zoo gauw mogelijk naar huis, “want,” zoo besloot hij: “Onze Lieve Heer zal van nacht den duuvel ’en strop um den hals hoalen!”Blê, riep het schaap, Mêêê! En de man voor Thomas onverstaanbaar: “Stil stil kleine rakker; ’k zal oe kriegen a’j wéér wegloopen durft!”En naarmate de slang met het bliksemend oog—het schijnsel van Thoms lantaarn—den armen Helmond straks al sterker achtervolgde, ja een paar malen schier op geen honderd schreden afstands was nabijgekomen, klom zijn geestverwarring tot den hoogsten trap: ’t Was Satan zelf die hem achtervolgde, en God steenigde hem.—Met een nauwelijks hoorbaren kreet is hij neergezegen op den killen, met hagelijs overdekten grond. Toen viel er een nacht, een korte maar misschien een weldadige nacht over dien vermoeiden geest.De tweede bui, die de hevigste van dien avond zou wezen, was voorbij.Het laatste kwartier gluurde weer vluchtig naar beneden, en spiegelde zich even in den kleinen plas, die straks geschuimd heeft terwijl het noodweer hem zweepte en voedde.En niet verre van daar toont ook somwijlen het maanlicht de plek, waar het bleek gelaat van een slapende de hagelsteenen, die hem ten hoofdkussen strekken, langzaam smelten doet..... Hoor, daar schreit een kind. Neen, het lacht en zie, nu speelt het met een blatend schaap.—Eva in een paars katoenenkleed, komt daar de voordeur van het huis aan den wal uit; en ze ziet naar het smalle perk met rozen; en zij plukt een bloem; en roept het kind, en liefkoost en kust hem; en versiert dan het schaapje met de bloem die ze plukte. Maar zie, het jongske trekt de roos weer uit den halsband, en vliegt er mee naar.... hém; ja naar hém; en kust hem, en trekt zijn Ma’tje erbij, en omstrengelt ze beiden, zijn vader en moeder.En—ginds van verre staat het schaapje en blaat als schreiend: Mê blê, mê blê!Jochem van ’t Kraaiennest was geschrokken.—En “mansmins” voor je voet te vinden op de hei, en in den laten avond, daar zou de “trankielste z’n eigen over verdoen.”—Nochtans, hij bracht dien vond al spoedig in verband met de ontmoeting die hij daar straks heeft gehad: ’t Was zeker de dokter van Romphuizen die verdwaald moest zijn.Helmond is wakker geworden, maar, hij weet niet waar hij zich bevindt en wat er met hem is voorgevallen. En terwijl hij eenige oogenblikken later met dien man naar de zij van den straatweg voortgaat, is het hem alsof hij zooeven nabijDe Schebbelaarvan een paard is gevallen. Maar ofschoon hij een vreeslijke pijn door al zijn leden gevoelt, en bijna niet voort kan,—toch zal hij zich goedhouden; immers hij moet een zieke te Briesborg bezoeken, en den zieke zal hij dood vinden, evenals boer Dirksen met vergif om het leven gebracht, door hém. Stil, niemand mag dat vermoeden, stil!Weinige oogenblikken later heeft men den dokter op de kleine kar geholpen, waarmee een boerenarbeider den schaapherder op den straatweg heeft gewacht. En als Helmond er neerzit naast het lam, en het voertuig voortboldert over de steenen, dan weet hij niet wat er met hem gebeurt.—Is het de aarde die gestadig dreunt, en, ratelt de donder zonder ophouden voort?—En, O God, zie.... het lieve kind speelt daar nog altijd voort op de glooiing van den wal met het blanke schaap. Hoor maar, hoor hoe het blaat! “Eva, om Godswil,” roept Helmond angstig: “neem ons jongske weg. Eva, voorzichtig, een slang!.... Eva!”Jochem de scheper, die naast den boerenarbeider op het voorbankje van de stortkar zit, meent dat de dokter iets zegt, en omziende, beweert hij dat menheer het maar goed heeft getroffen; op dat stroo “zat ie naast den kleinen rakker krek als op moeders schoot. De kar stootte wel een beetje maar dat was niets voor de kou. Als het goed was dan zou ie menheer te Briesborg, vlak voor de stad, van het karretje laten, want zóó op een mestkar mee binnen te rijden dat ging toch niet. In alle geval zou ie menheer den raad geven om z’n eigen naar Romphuizen met een rijtuig weerom te laten brengen. ’En mins was net as ’en schoap. ’t Gebeurt soms dat ie afdwoalt en ’t spoor biester roakt, moar—’en scheper weet ’et te vinden.”
Naar den kant van Briesborg aan de westelijke zij van het stadje, wanneer men de laatste boerenhoeve voorbij is, wordt de weg zeer eenzaam. De straatweg klimt dan tot aan het zoogenaamde Romphuizer Hondsbosch, en gaat er vervolgens met een kleine kromming doorheen. Aan gene zij van het bosch ziet men links van den straatweg nog een armoedige hut, ofschoon de voerbak die er vóór staat moet aankondigen, dat men binnenHet Roode Zoodjetoch wel eens “opsteken” kan. Is men de hut aan den zoom van het bosch voorbijgegaan, dan heeft men, na het kleine tuintje, met zijn luttele kromgegroeide appel- en pruimeboomen in ’t midden van wat kool en andijvieplanten, niets meer te zien dan een eindeloos breede heivlakte. Ter rechter- en linkerzij van den straatweg golft die vlakte voort, hier en daar slechts afgebroken door een kronkelend karrespoor, of een jachtpaal naast een grooten steen met wat braamstruiken, of ginds door een lager gelegen waterplas met de duizenden indruksels van schapepootjes er in ’t ronde, terwijl men recht voor zich uit, op een twintig minuten afstands, het zoogenaamde Briesborger Kattenbosch ziet, waarachter het stadje Briesborg zich verschuilt.
Sinds de mist tegen den avond was opgetrokken, hebben er zich in ’t Noordwesten zwarte legermachten saamgepakt. Straks zullen ze zich in beweging stellen; legioen voor legioen. Ze zijn reeds in aantocht. Ha, ze zullen vrij spel hebben dezen nacht. Over de breede hei gaat het onverlet op woud en steden los.
Trompetters vooruit! Den aanval geblazen!
Dat was een schrikkelijke bui!
Grauwe Toon uitHet Roode Zoodjezette het geweer, ’twelk hij oppoetste, in een hoek, en keek naar de vuurplaat waarop de hagelsteenen, zoo groot als erwten en bikkels, kletterend neervielen om straks te sissen in ’t vuur onder den pot met kokende aardappels.
Met een ruwen vloek zei grauwe Toon, dat Onzelieveheers hagel lang zoo best niet was als de zijne.
De vrouw, die naar de aardappels kwam zien, lachte om de “geestigheid” van Toon, en zei te vreezen dat het morgen met dat ruwe weer een slechte dag voor de jacht zou worden. En dan, eensklaps opziende:
“Ik hoor wat! Ze kloppen aan ’t raam. Smijt die hazen en hoenders in ’t hok.”
Grauwe Toon nam een zestal hazen en eenige patrijzen van den grond en wierp ze in ’t aangewezen hok.
“’t Zal Jaap zelf zijn om het zootje van vandaag,” zegt hij: “misschien is ’t buiten zoo donker dat hij de deur niet kan vinden.”
Een vreeselijke stormwind joeg naar binnen toen de man de deur opende om eens even te gaan zien.
“Is daar iemand?” schreeuwde Toon naar buiten in de richting van het raam.
Twee mannen kwamen al spoedig den hoek der hut om.
Zelfs toen ze binnentraden zagen Toon en z’n vrouw niet wie het waren; de wind had de lamp uitgedoofd. Toen de deur gesloten was en de lamp weer brandde, vroeg de man op wat minder ruwen toon dan hij gewoonlijk sprak, wat menheer verlangde, want, ofschoon de menheer er niet erg voornaam uitzag, hij had een knecht in livrei bij zich. Die vreemden kwamen Toon wel bekend voor, maar thuisbrengen kon hij ze niet.
—Ah! nu is hij er achter. En Toon en zijn vrouw geneerden zich niet, ze schaterden van ’t lachen:
“Ben jij Bus, de lange pijp drop! O lieve heer, in een apen- en hondenrok! Goeje hemel!” Toon hield zich den buik vast van ’t lachen. Het wijf meende te bezwijken, want zie, een pand van die livrei-jas hing als een flard naar beneden.
Bus wreef aan z’n langen neus; de hagelsteenen hadden hem ouwerwets geraakt; ’t water droop hem van ’t lijf, en hij rilde van kou. Toen hij nu dat lachen hoorde, en zag dat het wijf naar het pand van zijn jas wees, keek hij over den schouder naar beneden en nam het afhangende flard onder den arm.
“Ah zoo” zegt Toon nog lachend: “ben jij Van Hake, de winkelknecht van dien knoeier!”
Bus wist niet wat hij wringen zou, en wrong aan het flard van zijn livrei-jas.
Thomas Van Hake trilt over zijn gansche lichaam; doch, hij houdt zich in; hij begreep dat het parels voor de zwijnen zouden zijn om hier Helmonds eer te gaan verdedigen.
“Ik vraag je Toon, of je ons helpen wilt om den dokter te zoeken?Jekent de wegen in ’t bosch.”
“Hêt z’n mooie zoetelief ’em de deur uitgeschopt? Wel, óf ze gelijk had; zoo’n domme kinkel! Als ie geen centen had en toch en gebraaien haan wou uithangen, waarom dan niet dien ouwen lands-palfrenier vanDe Zonsberggoejen nacht gezeid! Nou, alsof jelui er nietalle dageneenigen voor grof geld naar de eeuwigheid helpt! Alsikhet een schraal konijn doe, dan roepen ze moord en brand; maar zoo’n stommen dokter, sakkerhelp! dien laten ze z’n gang maar gaan!”
Van Hakes oogen fonkelden. In een oogenblik was hij nabij den haard, waar Toon straks zijn jachtgeweer heeft neergezet. Hij grijpt het; neemt het met beide handen bij den loop; en dan, de kolf omhoogheffend, roept hij in woede:
“Schelm! trek je woorden in, of in je eigen nest verpletter ik je den grauwen kop!”
Bus liet het pand van zijn jas los en greep naar een stoel.—Toons vrouw gilde weer van ’t lachen. De strooper keek vergenoegd. Met zijn kolossale hand vatte hij het jachtgeweer bij de kolf, en—slechts een kleine draai was voldoende om het Thomas uit de hand te wringen.
“Waarachtig, jij bevalt me!” grinnikt Toon: “Nou zie ik dat je pit in je ziel hebt, aldat je een pil bent en verkleumd van de kou. Griet, lach niet meer en tap drie borrels klare. De lange heer met z’n bedorven goud op ’t lijf is er goed voor.—Ei zeg, en wàt wou je dan nou?”
Toon vanHet Roode Zoodjezal niet alles vernemen. De vreeselijke vermoedens die Thomas koesterde, ofschoon hij ze gedurig met kracht van zich afstiet, ze zullen hem niet over de lippen. Zelfs Bus,—ofschoon hij de aanleidende oorzaak is dat men den dokter zoekt op te sporen,—hij zal niet vernemen wat Thomas vreest ofschoon hij ’t zelf niet gelooven kan.—Bus weet dat dokter zonderling had gepraat, precies als iemand die.... in de war is. De vigilante, die hij op dokters bevel heeft moeten bestellen, had volgens order aan den stal gewacht; vijf—tien—twintig—dertig minuten; en, toen is men naar ’t doktershuis gereden. Nadat men daar een oogenblik was vóór geweest, is Kaatje komen aanhollen met de boodschap, dat ze mevrouw met een papier in de hand, stijf van haar zelve op menheers kamer gevonden heeft, en de dokter was dan ook nergens te zien, ofschoon hij een half uur geleden naar bed was gegaan.
Vliegend is men toen naar Van Hake gereden. De provisor was daarop ijlings met zijn moeder naar het doktershuis gegaan, en heeft Bus met de vigilante naarDe Zonsberggezonden om te zien of dokter dáár soms wezen mocht.—Doch tevergeefs. Een half uur later zat Thom in de vigilante, en Bus naast Jozef uitDe Arendop den bok, om dokter Helmond zoo mogelijk in de richting van Briesborg te vinden. Op raad van mevrouw Van Hake, zou men aan het onderzoek de minstmogelijke ruchtbaarheid geven. Men kon immers zeggen niet zeker te weten welken patiënt de dokter nog buitenaf heeft moeten bezoeken, en dat men hem nu een vigilantezond, omdat het weer zoo guur was geworden. Alvorens naar den kant van Briesborg te rijden, was Thomas haastig naar het station gegaan, teneinde, zonder rechtstreeks te vragen, er zich te vergewissen of Helmond niet misschien met den trein—omstreeks een kwartier geleden—vertrokken was. Nadat hij daar bemerken mocht dat men den dokter in ’t geheel niet gezien had, werd hij al spoedig overtuigd dat Helmond zich werkelijk in de richting van Briesborg op weg had begeven. Op zijn terugweg, nog even vóór de Zijperbrug, heeft hij Hanna vanDe Schebbelaaraan den arm van naar vrijer ontmoet. Ach, Hanna had het heel naar gevonden dat dokter in den laten avond, met dat slechte weer, nog zoo ver weg naar een zieke moest. Ja, een minuut of tien geleden was zij hem tegengekomen, en ofschoon dokter erge haast scheen te hebben, hij had háár en Evert toch ieder nog een hand gegeven en vast beloofd dat hij tegen ’t voorjaar op hun bruiloft zou komen: “Zoo’n best en zoo’n nederig man!”
Weinige oogenblikken nadat Toon uitHet Roode Zoodjezijn vraag heeft gedaan weet hij in hoofdzaak, wat het geval en waar het om te doen is. Dokter Helmond, die ziek te bed had gelegen, was, waarschijnlijk in een ijlende koorts, opgestaan, en zonder dat iemand het bemerkte, dezen weg opgeloopen. Zoo spoedig mogelijk is men hem met de vigilante nagereden. Op een paar honderd schreden afstands van hier, heeft men—nog even vóór dien geweldigen hagelslag—ondanks de duisternis in ’t bosch, een persoon gezien die, bij het vernemen van een naderend rijtuig ijlings ter linkerzijde van den weg het bosch was ingegaan. Bus heeft het voor zeker gehouden dat het de dokter geweest is—“precies zoo’n figuur”.—Aanstonds hebben Van Hake en Bus toen het rijtuig verlaten, en den meester en vriend bij zijn naam geroepen zoo hard als ze konden; maar, die vreeselijke bui heeft gewis hun schreeuwen overstemd. Door struiken en bramen heen, hadden ze zich een weg gebaand, en ondanks de duisternis, getracht den zieken man te ontdekken; doch, toen ze eindelijk met gehavende kleeren hier aan den zoom van het boschje zijn gekomen, toen waren ze bitter teleurgesteld; ze hadden niets gevonden, en zoover als hun oog over de hei nog reikte, ook niets bespeurd wat op een menschelijk wezen geleek. Ze hebben hier aangeklopt in de hoop dat Toon, die met de kleinste paadjes in het bosch en op de hei bekend was, hen tegen een goede belooning zou willen behulpzaam zijn, en in alle geval een lantaarn leenen, waaraan men in het bosch de grootste behoefte had.
De zwarte wolken-kolonne, die met vliegende vaandels en donderend gekletter is voorbijgegaan, laat een oogenblik het laatste kwartier der maan in het hagelijs blinken, ’twelk hier en ginds de wijde heivlakte bedekt.
Angstig omziende naar het donkere bosch waarin men “om een moordenaar te vatten van alle zijden is binnengedrongen,” daalt Helmond, terwijl hij zich een weg door struik- en braamgewas baant,een kleine helling af, en spoedt zich nu voort op de breede hei. Het vluchtige licht der maan wijst hem een zandweg.—Dien moet hij kiezen, want als hij een anderen weg neemt dan verdwaalt hij in ’t duister en overrompelt men hem. O, indien hij maar wist dat ze hem ineens zouden treffen in ’t hart, ja, dan zou hij wel terug willen keeren naar dat bosch, waarin ze hem schreeuwend opjaagden als een wild dier. Maar dat doen ze niet: Ze leggen hem handboeien aan, en dan bouwen ze een schavot, en dan.... Hu! wat is dat? Welk een vurig oog flikkert daar achter hem over de hei? O God, het schiet bliksemende stralen uit! Dat is het oog van de slang uit het paradijs; en, drie zwarte wezens verspreiden zich.—Voort dan, voort!
Buiten de deur der hut op een kleine verhevenheid gekomen, heeft Toon de lantaarn in de hoogte gehouden en, over de donkere hei ziende, beweerd, dat hij niets kon ontdekken; maar ook, dat de dokter, als hij met z’n zieke lichaam het bosch was ingegaan, er nóg wel wezen zou.
Van Hake meende echter heel in de verte iets zwarts te hebben gezien.
“Ik zeg je van nee!” beweerde Toon: “hij zit in het bosch.”
“En ik wil zekerheid hebben!” riep Van Hake, en greep den forschen man, die daarop niet voorbedacht was, de lantaarn uit de hand, en spoedde zich voort in de richting waar hij meende dat zich iets zwarts had bewogen.
“Jammer dat die kerel ’en pil is!” grinnikte Toon: “Vooruit dan lange livrei-dragonder!” en hij gaf Bus een slag op den schouder zoodat deze hevig schrok, en nog minder plezier in den tocht had dan straks toen hij met den provisor alleen was.
“Wat ’en lucht komt er weer opzetten;” zei Bus, die nog maar half van den schrik was bekomen. En dan, dan ziet hij in de richting van den straatweg, waar Jozef zeker nog op dezelfde plaats in ’t bosch met de vigilante zal wachten.—Toen hij straks op dien bok zat, ja toen was hij niemendal bang; maar nu!—Die Toon moest bovendien een slechte vent wezen. Er liep een verhaal dat hier eens een weggevluchte juffrouw uit Briesborg zou verdwenen zijn—spoorloos.—Lieve hemel! En menheer van Hake rende daar de hei op, alsof er geen eenzaamheid en geen nacht en geen gevaar in de wereld was.
“Ben jij bang?” roept Toon die Bus ziet achterblijven.
“Bang! nee nee, volstrekt niet.” Maar, Bus wasdubbelbang, én voor zich zelf, én voor zijn goeden meester.
Een vreeselijk wolkenheer heeft nogmaals hemel en aarde in een nacht gehuld, zwarter dan het gesloten graf. Met woedend stormgeloei rukte het tweede legioen aan, en spelt dood en vernietiging aan ’t rijk van den zomer.—Een ontzettende hagelslag snort door de lucht en rakkelt op de hei, en doet het haas en konijn opschrikken en de lepels spitsen in hun onderaardsche legers.
Geen mensch is instaat om tegen zulk een gezweepten steenregenhet hoofd en den schouder te zetten. Toon zegt dat het tempeest hem de baas zou worden; maar niemand hoort hem, want Bus, die het afgescheurde flard nu boven zijn hoofd houdt, bevindt zich reeds op den terugweg in de richting van de hut, en—Van Hakes licht flikkert een gansch eind verder al flauwer en flauwer.... zie, nú is het uit.
“Is daar iemand?” schreeuwt Thomas met geweld, want hij meent op korten afstand iets zwarts te zien bewegen, en ’t is hem toch bijna onmogelijk om tegen dien hagelslag in, nog verder te gaan of zich naar eisch te doen hooren.
Een geweldig groote hagelsteen sloeg juist op dat oogenblik een der lantaarnruiten aan stuk, en het flikkerende licht was aanstonds uitgedoofd.—Thom aarzelt. Nu roept hij weder; maar krijgt geen antwoord. Toch wil hij weten of hij zich vergiste. Zóó vóórtgaan kan hij echter niet. IJlings trekt hij de jas uit en bedekt er het hoofd en ten deele het aangezicht mee.
Ach, hoe bitter moest Thoms teleurstelling wezen: Reeds meende hij zich zeker van zijn zaak, toen de zwarte massa, die hij nu werkelijk genaderd was, hem op zeer laconischen toon ten antwoord gaf: dat ie zich vergiste als ie meende dat hier ’en dokter Helmond was. Hij was niks meer als Jochem van den boer van ’t Kraaiennest achter Briesborg. Met den mist die ’s-middags gevallen was, had hij een jong schaap verloren, en, nu hij “den rakker” hier juist bezijden den plas achter het opschot van wat struikhout heeft teruggevonden, nu wilde hij liefst zoo gauw mogelijk naar huis, “want,” zoo besloot hij: “Onze Lieve Heer zal van nacht den duuvel ’en strop um den hals hoalen!”
Blê, riep het schaap, Mêêê! En de man voor Thomas onverstaanbaar: “Stil stil kleine rakker; ’k zal oe kriegen a’j wéér wegloopen durft!”
En naarmate de slang met het bliksemend oog—het schijnsel van Thoms lantaarn—den armen Helmond straks al sterker achtervolgde, ja een paar malen schier op geen honderd schreden afstands was nabijgekomen, klom zijn geestverwarring tot den hoogsten trap: ’t Was Satan zelf die hem achtervolgde, en God steenigde hem.—Met een nauwelijks hoorbaren kreet is hij neergezegen op den killen, met hagelijs overdekten grond. Toen viel er een nacht, een korte maar misschien een weldadige nacht over dien vermoeiden geest.
De tweede bui, die de hevigste van dien avond zou wezen, was voorbij.
Het laatste kwartier gluurde weer vluchtig naar beneden, en spiegelde zich even in den kleinen plas, die straks geschuimd heeft terwijl het noodweer hem zweepte en voedde.
En niet verre van daar toont ook somwijlen het maanlicht de plek, waar het bleek gelaat van een slapende de hagelsteenen, die hem ten hoofdkussen strekken, langzaam smelten doet.
.... Hoor, daar schreit een kind. Neen, het lacht en zie, nu speelt het met een blatend schaap.—Eva in een paars katoenenkleed, komt daar de voordeur van het huis aan den wal uit; en ze ziet naar het smalle perk met rozen; en zij plukt een bloem; en roept het kind, en liefkoost en kust hem; en versiert dan het schaapje met de bloem die ze plukte. Maar zie, het jongske trekt de roos weer uit den halsband, en vliegt er mee naar.... hém; ja naar hém; en kust hem, en trekt zijn Ma’tje erbij, en omstrengelt ze beiden, zijn vader en moeder.
En—ginds van verre staat het schaapje en blaat als schreiend: Mê blê, mê blê!
Jochem van ’t Kraaiennest was geschrokken.—En “mansmins” voor je voet te vinden op de hei, en in den laten avond, daar zou de “trankielste z’n eigen over verdoen.”—Nochtans, hij bracht dien vond al spoedig in verband met de ontmoeting die hij daar straks heeft gehad: ’t Was zeker de dokter van Romphuizen die verdwaald moest zijn.
Helmond is wakker geworden, maar, hij weet niet waar hij zich bevindt en wat er met hem is voorgevallen. En terwijl hij eenige oogenblikken later met dien man naar de zij van den straatweg voortgaat, is het hem alsof hij zooeven nabijDe Schebbelaarvan een paard is gevallen. Maar ofschoon hij een vreeslijke pijn door al zijn leden gevoelt, en bijna niet voort kan,—toch zal hij zich goedhouden; immers hij moet een zieke te Briesborg bezoeken, en den zieke zal hij dood vinden, evenals boer Dirksen met vergif om het leven gebracht, door hém. Stil, niemand mag dat vermoeden, stil!
Weinige oogenblikken later heeft men den dokter op de kleine kar geholpen, waarmee een boerenarbeider den schaapherder op den straatweg heeft gewacht. En als Helmond er neerzit naast het lam, en het voertuig voortboldert over de steenen, dan weet hij niet wat er met hem gebeurt.—Is het de aarde die gestadig dreunt, en, ratelt de donder zonder ophouden voort?
—En, O God, zie.... het lieve kind speelt daar nog altijd voort op de glooiing van den wal met het blanke schaap. Hoor maar, hoor hoe het blaat! “Eva, om Godswil,” roept Helmond angstig: “neem ons jongske weg. Eva, voorzichtig, een slang!.... Eva!”
Jochem de scheper, die naast den boerenarbeider op het voorbankje van de stortkar zit, meent dat de dokter iets zegt, en omziende, beweert hij dat menheer het maar goed heeft getroffen; op dat stroo “zat ie naast den kleinen rakker krek als op moeders schoot. De kar stootte wel een beetje maar dat was niets voor de kou. Als het goed was dan zou ie menheer te Briesborg, vlak voor de stad, van het karretje laten, want zóó op een mestkar mee binnen te rijden dat ging toch niet. In alle geval zou ie menheer den raad geven om z’n eigen naar Romphuizen met een rijtuig weerom te laten brengen. ’En mins was net as ’en schoap. ’t Gebeurt soms dat ie afdwoalt en ’t spoor biester roakt, moar—’en scheper weet ’et te vinden.”