EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.Op het oogenblik dat men Helmond uit de stootende kar hielp, zweepte een nieuwe stormbui een slagregen door de Briesborger straten, zoodat er nu, in den laten avond, geen levend wezen meer te zien was.Alleen voor de deur vanDe Romein—het Briesborger logement bij uitnemendheid, en bovendien het toevluchtsoord voor wie naar publieke genoegens verlangde—zag men nog leven en beweging.Twee groote reiswagens werden er juist ontladen; de laatste koffers of kisten draagt men naar binnen, en de dampende paarden die straks, sterk rillend, het tuig deden kletteren, voeren nu de ledige gele gevaarten door de groote koetshuispoort onder dak.Helmond is bij het afstappen van de kar tot eenig zelfbewustzijn gekomen. Althans hij beseft de noodzakelijkheid om zich niet langer aan dien vreeselijken slagregen te blijven blootstellen. Dat huis aan gene zij van de stadspoort is het logement. Ja; maar niemand zal daar weten wie hij is: “Want de hagel die hem straks in het aangezicht sloeg heeft hem geheel onkenbaar gemaakt.”In de groote gelagkamer van het logement was de kastelein met zijn bediende druk bezig, om een aantal gasten te bedienen, die zooeven met de groote reiswagens waren aangekomen. De meesten hadden het koud en geeuwden.“Nog al plaatsen genomen kastelein?” vroeg een gezet heer die het erg koud scheen te hebben en daarom zijn lange pelsjas nog aanhield.“Dat houdt niet over menheer Baars. Van middag waren er geloof ik vier en twintig; maar, de lijst uit de sociëteitskamer is nog dáár.—Hei Piet, ga jij die lijst eens halen.”“Zóó, vier en twintig!” zegt de tooneeldirecteur, en bromt iets tusschen de tanden.—“Dat heb je van die kleine plaatsen,” herneemt hij: “ze weten niet wat kunst is. Ze motten de poppenkast zien. Gisteren te Zutfen had ik het huis stampend vol!”“’t Kan nog bijspijkeren menheer Baars. Morgen worden de meeste plaatsen genomen; en,” vervolgt de kastelein nu zachtjes: “voor het bericht in het Briesborger weekblaadje is gezorgd. Mijn neef de schoolmeester heeft er geen inkt aan gespaard. Je nieuwe sujetten heeft ie in de lucht gestoken van belang. ’t Zou me niet verwonderen dat er morgen zelfs Romphuizers kwamen. Dat volk is zoo arm dat ze geen lokaal hebben half zoo groot als het mijne. Als het morgen wat beter weer is menheer Baars, dan....”“Tenminste ’t moet heel wat beter worden dan den eersten keer, anders zie je me niet weerom. Laatst kon ik er zestig gulden bij toeleggen; daar sta je geen kou en ellende voor uit.”“Nee zeker niet;” zegt de kastelein, en dan zachtjes, nadat hij den directeur op een bericht in een der groote nieuwsbladen heeft gewezen, met een zijdelingsch knipoogje op een man die met een jonge vrouw ginds aan een tafeltje koffie en brood zit te nuttigen: “Alsdiebijten wou, hê?”“Trotsche kerel!” bromt de tooneeldirecteur: “Ja, alsdiebijten wou!”—Eensklaps zich omwendend tikt hij den zooeven aangeduiden man op den schouder, en zegt terwijl hij hem terzijde wenkt:“Menheer Philippe, ’en woordje alsjeblieft? Pardon mevrouw, één oogenblik maar!”Philippe staat op; neemt een stoel; zet dien bij het tafeltje, en zelf weder plaats nemend, zegt hij: “Ga zitten menheer Baars. Voor mijn vrouw heb ik geen geheimen.”“Ja maar, ik wou je even alleen spreken; ’t is een delicate vraag.”“Daar wil ik juist dat mijn vrouw van profiteeren zal. Zulke vragen komen zelden voor.”“Je toon menheer Philippe, tegenover je directeur is doorgaans onvriendelijk. Ik weet niet waaraan ik dat verdien.”“Dat verdien je menheer, omdat je mijn vrouw wilt dwingen in een stuk op te treden datgemeenis. Maar, voor een onmogelijk wulpsch individu als Alma inDe Glorie der Boulevardszal ze niet spelen!”“Tututu mijn beste jongen....”“Ik ben jejongenniet menheer Baars. Ik heet Philippe. Nog eens, mijn vrouw zal ernietvoor spelen. Neem er juffrouw Lelie voor; ze heeft toch bij uw gezelschap den naam van la Puritaine.”“Ik meen menheer Philippe, dat ons contract....”“Ons contract zal nageleefd worden,” valt Philippe in: “maar wanneer de directeur ons onmogelijke rollen geeft, rollen waarin men zich ten aanschouwe van ’t publiek naakt uitkleeden of ophangen moet, dan is de acteur die ze aanneemt immoreel of krankzinnig.”“Je overdrijft menheer Philippe. De Alma is een coquette, een....”“Mijn vrouw speelt die rolniet! Dit is nu driemaal gezegd; en ik hoop genoeg.”“We zullen zien, we zullen zien menheer! Ik meende dat het een compliment was aan de schoonheid van mevrouw Philippe, dat ik in overeenstemming met den regisseur, haar een rol gaf waar het publiek bepaald plezier in zal hebben.”“Dan is het publiek verachtelijk! Wie een actrice toejuicht, die zulk een rol speelt, zou ik in ’t gezicht willen slaan, ’t Is vreemd menheer, dat je als directeur zoo weinig de roeping van het tooneel begrijpt.”“Ja beste jong.... menheer Philippe,—wat zal ik je zeggen: we moeten dubbeltjes slaan. Enfin, we kunnen er wel zoo’n beetje voor zorgen dat je tevreden zult zijn.—Maaràpropos—wat ik zeggen wou, ’t was mijn plan om je appointement te verhoogen.”“Ei!”“Je ziet ik voorkom je, ofschoon je weer in Zutfen hebt gemerkthoe allemachtig slecht de lui opkomen. Ja menheer je bent een acteur die aanmoediging verdient. Ik geef je zeshonderd gulden meer. Ja, jawel; maar op één conditie.”“En die is?”“Zie, dat had ik nu juist liever onder vier oogen met je behandeld beste jon....”“Philippe, laatmijdan even....” zegt de jonge vrouw terwijl ze opstaat.“Wil je liever vanmijhooren wat menheer Baars me te vragen heeft? Zooals je wilt Virginie.—Nu, wát is de zaak directeur? Als je zacht spreekt dan zijn we hier onder vier oogen.”“Je bent een man van karakter menheer, ja waarachtig, dat heb ik dadelijk gezegd. Zonder karakter is de kunst niemendal, zonder karakter is een talent mij geen knip voor den neus waard.”“De zaak menheer Baars?”“Welnu, de zaak: een man van karakter schuilt niet achter een pseudoniem. Dat doejijbeste jongen, ja waarachtig, jij schuilt achter een pseudoniem, dat weet je bl...... goed. Wilikje wat zeggen: als je je eigen naam op de affiches laat zetten, dan geef ik je zes—ziedaar dan geef ik je samenachthonderdgulden meer.”“Mijn naamisPhilippe.”“Jawel juist, zooals mijn naam Leonard is, maar hetBaarserbij doet de deur toe. Je naam isHelmond; ik weet het; ik wist het al lang. Je moet dat geen liegen heeten mijnheer!”“Wie zegt je dat ik dat liegen heet: Liegen is laag. Ik verzoek je zoo iets niet te herhalen.”“Maar één ding is toch zeker, óf je schaamt je je naam, óf je schaamt je je betrekking menheer Philippe. Het eerste kan niet waar zijn, dat weet ik. U hebt evenalsik, heel wat grootheid in de familie. Maar wat duivel, ik en een ander we komen voor onze namen uit. Ik zeg:Baars! ’t Gezelschap vanBaarsenKogel, wáárom niet!”“Een geslachtsnaam is geen particulier eigendom;” antwoordt Philippe.“Maar men is toch vrij om zijn naam te noemen waar men wil.”“Wie zijn naam onteert, schandvlekt een heele famile.”“Schandvlekken!” zegt Baars heftig. En dan weer kalmer: “Maar nee, ik wil geen ruzie met je maken. Je hebt je rollen met talent gespeeld; en je vr... mevrouw Philippe, speelt lief, jawel, allerliefst. Maar als het je dan waarachtig ernst met de kunst is, en je waarlijk helpen wilt om ons tooneel te releveeren menheer, waarom onthou je ons dan je besten steun, jenaam! Als de menschen meer en meer namen als Baars en Helmond onder de oogen krijgen—van Kogel wil ik niet spreken, diens heele paremantatie was figurant—ik zeg,dánzullen ze begrijpen menheer, dat we van één bloed en nieren zijn. Nu, wát zeg je: achthonderd gulden er nog bij; ’t Is geen kleintje?”“Nee ik moet je bedanken, menheer Baars;” zegt de jongere Helmond,strak voor zich heen ziende—want inderdaad, achthonderd gulden méér, ’t zou hem in staat stellen zijn lieve vrouw en zijn kind....—Maar neen, hij herhaalt op stelligen toon: “Ik dank je.Ik ben en blijf Philippe.”“Achthonderd gulden!” hengelt de directeur: “Watblief, nog een benefiet voor je vrouwtje erbij; een doorloopende vrijkaart voor je heele familie! Watblief, doe ik niet meer dan ik kan?”Philip Helmond ziet den directeur eenige oogenblikken stilzwijgend aan.—Een vrijkaart voor zijn heele familie! Ha, kon het anders of een sarkastische glimlach moest een oogenblik die lippen plooien?—Een vrijkaart voor den generaal Van Barneveld!—Nu is ’t genoeg:“Ik waardeer je goeden wil menheer Baars, maar ik moet weigeren. Wanneer alleen stukken gespeeld werden zonderslijk; zonder acties en volzinnen die den man en vooral de vrouw verlagen, ja dan zou ik met een dwaas vooroordeel willen breken, en door het noemen van mijn naam misschien ook anderen uit mijn stand bewegen om ons tooneel te helpen verheffen. Maar nu, nee!”—Eensklaps opstaande, gaat hij naar zijn vrouw die, niet ver van de deur bij een kleine tafel staat, en de courant inziet, welke er zooeven door den kastelein was neergelegd.—Ofschoon het nieuwsblad aan de schoone Virginie weinig belangstelling inboezemt, zoo las zij toch, op het oogenblik dat Philip haar naderde, met de meeste aandacht.“Ei, zoozeer in de politiek verdiept?” zegt de jongere Helmond.“Philip, zie eens hier, zie....”En hij leest; en een blos overdekt zijn gelaat. Het nieuwsblad bevatte het bericht dat Dr. A. Helmond genoemd werd als candidaat voor de vaceerende betrekking van hoogleeraar in de medische faculteit te L.....“Hij! hij!!” zegt Philip. En dan: “Ha, dat ontbrak er nog aan!”Eensklaps bemerkend dat de directeur hem terzij is gekomen, herneemt hij, terwijl hij op het bericht wijst en hem streng in de oogen ziet:“Ha! was het daarom!”En de directeur zeer kalm:“Ja, welzeker; dat was tenminste een reden te meer. Dat zou waarschijnlijk wat trekken, debroer van den professor! Zeg, wat dunkt je, zullen we er duizend van maken? Duizend meer, duizend blanke guldens boven het tegenwoordige appointement; twee benefieten en drie plaatsen vrij voor menheer den professor....?”“Zwijg, geen woord meer hierover!” zegt Philip met smadenden lach! “Ik veracht mijn familie; maar ik wil niet dat ze reden zal hebben om hetmijte doen. Ik mag haar naam niet blootstellen aan de kans om in één adem met:De Glorie der Boulevardste worden genoemd.”“Des te beter,” zegt Baars: “als je familie zoo verachtelijk is,welnu dan traiter je ze ’tmeest met rondeman voor je naam uit te komen.”Baars vergeet dat hij door het geven van dezen raad, wat al te veel laat doorschemeren dat hij met het aanbieden van de vrijkaarten, den schijn heeft willen aannemen, alsof hij werkelijk meende dat Helmonds familie er zich niet in ’t minst aan ergeren zou wanneer hij onder zijn waren naam ging optreden.Helmond beschouwt den directeur met een bliksemend oog:“Ik veracht mijn familie, ja! maar wien men veracht dientraitertmen niet; men draait hem den rug toe. Bah!”—Philip heeft de daad bij het woord gevoegd, en zijn vrouw bij de hand vattend wil hij met haar zijn plaats gaan hernemen.“Wie is dat? Wie staart hem op eenigen afstand van de halfgeopende deur, uit het vrij donkere voorhuis zoo onbeweeglijk aan. Is dat.... August?—Neen, dat moet verbeelding zijn; natuurlijk; dat is....“Philip! ben jij ’et?” klinkt het fluisterend op bijna angstigen toon.De jongere Helmond twijfelt niet meer. De hand van Virginie beeft in de zijne. Ook zij heeft gezien, en de stem van Philips broeder herkend. Ja, ze weet het nu zeker; daar staat de man wiens naam men zooeven in het nieuwsblad vermeld vond, en die voor haar man een vervloeking is geworden. Daar staat hij de broeder, van wien Philip, sinds dien morgen in de Tuinstraat, rechtstreeks niets meer vernam; maar die—zooals men verhaalde—in afwachting van mijnheer Van Barnevelds dood, zijn praktijk verwaarloost en de ergerlijkste schulden maakt, alleen ter wille van een ijdele vrouw, waaraan hij zich ter kwader ure verbond.—Ja, hij was het wel. Ook Philip is er zeker van. Een doodelijk wit overdekt zijn gelaat. Maar, nog eer dokter Helmond nu de deur kon bereiken, heeft de jongere broeder haar dichtgedaan, en keert hij haastig met zijn vrouw naar het straks verlaten tafeltje terug.De oudere Helmond—uit den fel gezweepten regen en den droevig donkeren October-avond onder een welbekend dak en in “veiligheid” gebracht, mocht bij het staren naar dat bekend gelaat de angstige visioenen, die hem gedurig voor den geest spookten, voor een oogenblik vergeten.—Dat was Philip, de redder van zijn leven toen ze nog knapen waren; dat was de vurige Philip met zijn snel bruisend bloed; maar ook de trouwe, wiens woord een onverbrekelijk zegel was. Daar stond hij, hand aan hand met de schoone vrouw, die hem op dien morgen zoo roerend heeft gezegd: “Ons kindje slaapt!”—Stil, stil dan, het kindje slaapt, heeft dokter Helmond onwillekeuriggefluisterd, waarna hij—om zich te vergewissen dat hij zich niet bedroog, den geliefden broeder bij zijn naam riep.—Maar neen, hij kon het niet zijn. Zie, de deur deed hij dicht.—Als het Philip was, dan.....“Wilt u logeeren menheer?” zegt Piet die voor den patroon de komedielijst uit de sociëteit heeft gehaald, en weer in de gang kwam.“Ja logeeren. Een kamer achteraf waar niemand komt.”“’t Is ook niet vooraan wat er open is menheer. Veel commis-voyageurs met ’t najaar, en de troep van Baars en Kogel. Ga binnen menheer.” Piet strekt de hand naar den deurknop uit, maar voelt zich den arm weerhouden.—Neen, die heer wilde liefst niet binnengaan, ’t Was daar zoo vol, maar er was toch iemand dien hij spreken moest, in ’t geheim; een bleek blond heer—nog jong.“Philippe....?”“Ja ja, Philip; ja juist,” zegt Helmond met schitterende oogen: “maar zeg hem dat ik hem zeer in ’t geheim moet spreken. Hij mag er niemand iets van zeggen. Niemand verstaje.....De schenker beschouwt den gast een oogenblik met meer opmerkzaamheid, en valt dan uit:“Sakkerloot, neem me niet kwalijk menheer, heb ik ’t plezier dokter Helmond uit Romphuizen te zien? Ik kende u warempel zoo gauw niet.”Helmond is op het oogenblik dat Piet hem zoo aanzag en zijn naam noemde, angstig een schrede achteruitgegaan.... O God! Als men hem herkende. Maar hoor, hoor Goddank!—Piet zou hem niet verklappen. Piet begreep er alles van.— Jawel, als dokter hier logeeren wil, zonder dat iemand—behalve die één, jawel, begrepen—er iets van merkte, dan zou hij hem wel helpen. Achter de comediezaal, bij ’t koetshuis, daar was nog een net kamertje:“Kom maar mee dokter,” vervolgt de schenker: “ik vat de reden van uw komst wel.—’t Is menheer zijn eigen broer niewaar? Compris!—De patroon en Baars zijn op één hand; natuurlijk! Maar ik kan me begrijpen dat ’et schandaal-maken is.—Ja ik zal wel zorgen dat u hem ongezien te spreken krijgt; laat dat maar aan Piet uitDe Romeinover.”“Zoo, zul jij zorgen dat niemand,niemandme ziet?” zegt Helmond; en, gedurig rechts en links turend, volgt hij den schenker die met een blaker vooruitgaat, door een zeer lange zijgang, en eindelijk na een plaatsje te zijn overgegaan, en nogmaals een smal gangetje te hebben doorloopen, in een kleine doch nette kamer.’t Was gelukkig voor den armen dokter dat de kleinsteedsche hotelbediende de zaken, zooals hij dat noemde, “altijd zoo juist in hun verband beschouwde.” Piet had het aanstonds begrepen.—heelemaal! Dokter Helmond uit Romphuizen heeft gehoord dat zijn broer—die eigenlijk een gemeen sujet is en z’n zelvers bij Baars en Kogel verengageerd heeft—morgen hier zal meespelen. Jawel en nu komt hij hem uit naam van de heele familie bewegen om z’n eigen toch niet te vergooien. Welzeker, de dokter zal slagenals ie bij z’n broer maar over de brug komt; en, Baars zal woedend zijn; maar dat kan Piet niet schelen. Piet heeft er eigenlijk een hekel aan dat zijn patroon den troep van Baars en Kogel in deRomeinneemt. ’t Was al van ’t minste soort; en toch, al die spullen ’t gaf een behei en geherrie, waardoor ’en mensch altijd uit zijn gewonen doen raakt.—Enfin, geen haan zal er naar kraaien dat de dokter Van Romphuizen,met zulk een doel hier is. Piet moet den directeur geen kans laten om dien Philippe door een hooger bod te winnen. Niemand zal tusschen beiden komen, en als morgen die voorstelling fout loopt—omdat Philippe en z’n vrouw niet meespelen—dán, dan lacht Piet in z’n vuistje, want de troep zal dan zeker hier voor het laatst geweest zijn.—Spoed nu, men wacht op de lijst. Maar stil, eerst met een lucifer de kleine kachel aangestoken, waarin reeds wat spaanders met een vuurmaker op de bezielende vonk hebben gewacht. Dokter scheen het zeer koud te hebben; zijn kleeren waren erg nat. De dokter was afgevallen; althans voordeelig zag hij er niet uit,—Of dokter Helmond ook iets gebruiken zou....... een glas warmen grog!?“Ja ja, dat is goed; maar, noem mijn naam niet; men zal toch hiernaast niet kunnen hooren....?”“Volstrekt niet dokter; geen de minste nood.Als dokter ’t verkiest dan kan hij vertrekken zoo laat en zoo vroeg als hij wil, door ’t achterdeurtje naast de concert- en comediezaal. Dit is het zoogenaamde cachet-kamertje dokter, ’t ligt heel appart.”Eenige oogenblikken later is Piet in de algemeene logementkamer teruggekeerd, en heeft al spoedig den heer Philippe in ’t oor gefluisterd, dat er iemand was die hem noodzakelijk spreken moest; maar in ’t geheim; heel dood in ’t geheim.“Ik ben niet te spreken;” heeft Philippe geantwoord.Piet moest hem toen de duimschroeven aanzetten:“’t Is uw eigen broeder menheer; dokter Helmond uit Romphuizen.”“Wie zegt jou dat ik anders heet dan er op ’t affiche staat?”“Nou!” zegt Piet, met een zeer vrijmoedigen zijdelingschen ruk van het hoofd, en laat er zachtjes op volgen: “Als u z’n eigen broer niet waart, dan zou die goeje dokter zeker niet door zoo’n heidensch weer heelemaal uit Romphuizen komen om u te spreken. Hij heeft iets heel gewichtigs menheer Philippe, en”.... met een knipoogje:“geld als water.”De jongere Helmond ziet den schenker aan alsof hij hem door den grond wilde boren! Die vent is hem geen antwoord waard:“Geef papier en inkt!” zegt hij gebiedend.Piet zet groote oogen.“En inkt....? Asjeblief menheer.”Helmond schrijft:“Men moest niet vergeten dat Philippe Helmond gewoon is zijn woord te houden. Hij houdt het aan een tooneeldirecteur zoowel als aan de vrouw zijner keuze.“Men moest begrijpen dat men zich verachtelijk maakt met openlijk eerbied voor trouw en rechtschapenheid te veinzen, en in ’t geheim den meineed te komen aanvuren. Men moest zich schamen den steen te werpen op een onervaren kind—wier zonde het was dat ze bouwde op een mannenwoord, terwijl men zelf in verwijfden dommel wordt meegesleurd door een Sirene.“Men moest zich bloedrood schamen, slechts dán van zich te doenhooren, wanneer men—zelfs badend in de weelde—week wordt voor een oogenblik; of, door eigenbelang gedreven, wél handen vol gelds zou willen wegwerpen om een naam te redden voor ’t oog der wereld, maar geen stap zal teruggaan op den weg der verguizing.“Dokter Helmond zal bemerken dat ik weet waarom hij mij spreken wil, en dat ik begrijp wat hij mij te vragen heeft. Hem te woord te staan doe ik niet, Maar toch dokter, keer blijmoedig naar huis terug: Ofschoon er acteurs zijn en actrices die ik als vrienden de hand druk,nobele zielen—nobeler helaas, dan het eerste kind onzer moeder,—wees gerust, ik zal den naam van onzen vader niet huwen aan een kunst zoolang ze nog den cancan in haar wapen voert.—Welaan keer met verruimden zin naar de vetpotten van een godzaligen pleegvader, en de omarming eener welopgevoede vrouw terug. Zelfszonderdat men hem behoeft om te koopen zal de neef van een generaal en de broer van een hooggeleerden professor misschien, het geheim zien te bewaren dat hijgemeenacteur is.“Ik eindig.—Philip Helmond bestaat niet meer; maar de acteur Philippe, die geen broeder meer heeft, hij haat den man die al dieper zinkt naarmate hij hooger rijst in de schatting der wereld; hij veracht den man die, misschien uit naam van een grijzen schijnvrome, hem geld komt bieden voor ’t breken van zijn woord.PHILIPPE.”“Lees Virginie,” zegt de jongere Helmond, en geeft haar het schrift.De lange zwarte wimpers der actrice gingen naar beneden. Zij las. Philip bleef haar aanstaren.—Nu zij gelezen heeft zegt ze:“Die brief mag hem niet onder de oogen komen Philip.Ikkon evengoed de Alma spelen, alsjijhem dien brief sturen.”“Wat meen je?”“Je oordeelt en veroordeelt zonder onderzoek.”“Weet ik dan niet....?”“Je weet lieve man, dat de dokterhieris, en dat hij je spreken wil: maar, wàt hij te vragen heeft dat weet jeniet.”“Maar dat spreekt immers van zelf; het heeft geen onderzoek noodig. Ik veracht den afgezant van dien generaal.—Geef me den brief Virginie.”“Als je hem dadelijk wilt verscheuren.... ja, maar anders nee!”De jongere Helmond ziet zijn vrouw eenige oogenblikken met gefronste wenkbrauwen aan:“Laat mij den brief nog eens zien Virginie.”“Als je hem verscheuren wilt, andersNEE!”Na een oogenblik van inwendigen strijd zegt Philip:“Hij zal hemnietlezen. Geef hier.”Zonder de geringste aarzeling reikt Virginie haar man nu den brief toe, en Philip.... nadat hij het geschrift nog eens vluchtig heeft doorloopen, ziet haar aan met een pijnlijk zoeten glimlach, en—verscheurt den brief.Nu roept hij den schenker:“Breng me bij den dokter van Romphuizen. ’k Zal toch den man even spreken.” En tot zijn vrouw: “Virginie ga mee, ik breng je dan met een naar onze kamer.”Het gesprek der jonge echtgenooten zou misschien de aandacht der aanwezigen hebben getrokken, indien niet weinige oogenblikken te voren een reiziger ware binnengekomen, die veler belangstelling had opgewekt. In luidruchtige bewoordingen verhaalde de man hoe hij te Romphuizen den laatsten trein was misgeloopen, en—omdat hij volstrekt vóór middernacht in Utrecht moest wezen, er een rijtuig genomen had. Onderweg, met dat noodweer, was men echter met één armzaligen knol zóó bitter langzaam vooruit gekomen, dat hij den kastelein nu dringend moest verzoeken om hem aanstonds van hier een ander rijtuig met een “uitgeslapen tweespan” te geven.Juist toen Philip en Virginie de gezelschapskamer hebben verlaten, vraagt de kastelein, nadat hij zijn bevelen voor het rijtuig had gegeven, of er dan te Romphuizen inDe Gouden Arendgeen “goed spul” meer te krijgen was. Daarop heeft de vreemde verhaald dat men inDe Arendgeen rijtuig had kunnen geven, want de beide vigilantes waren uit. Er was in het stadje een heele opschudding geweest. Een kolonel, of zoo iets, moest heel subiet overleden zijn; en een dokter die hem vermoedelijk bestolen had, zou de vlucht hebben genomen, hij wist er het rechte niet van, maar ’t heeft hem ook niet kunnen schelen; morgen stond het toch in alle couranten. Voor ’t oogenblik had hij maar één gedachte, namelijk de vrees van te laat in Utrecht te zullen komen.Dokter Helmond zit in zijn afgelegen vertrekje bij de kleine kachel. Achter hem brandt een bougie op de tafel. Helmonds gelaat, ’t welk met een donkerrood is overdekt, valt daardoor weinig te zien. Zijn handen gloeien. Zijn geheele lichaam brandt. Zijn oogen schitteren van koortsvuur.—O God men komt!—“Wie is daar....!?”“Hier is mijnheer Philippe;” zegt de schenker, en wil nog eens even wat hout en turf op de kachel doen.... Maar, de jongere Helmond ziet hem aan en.... kijkt hem de deur uit.“Je woudt me spreken. Wat is er?” zegt Philip.August Helmond blijft in dezelfde houding bij de kachel neerzitten, en ’t klinkt op geheimzinnigen toon:“Ben jij het Philip? Spreek zacht. Als men ons hoorde....”“Niemand hoort ons;” antwoordt Philip, en dan terwijl hij naar de deur gaat en die eensklaps weer opendoet, zoodat hij den luisterenden knecht er bijna mee achterover werpt; “En niemand neemt het in zijn hersens om ons te beluisteren.”—Dan de deur weer dichtdoende vervolgt hij tot August: “Maar wat je mij te zeggen hebt, ’t zal toch taal moeten zijn die iedereen desnoods hooren mag, of anders—zou ik je nog dieper verachten dan ik het nu doe.”August is opgestaan. Bij het schijnsel der kaars kan Philip nueerst dat gloeiend gelaat en het van koortsgloed fonkelend oog beschouwen.De jongere Helmond doet een schrede terug.“Ik zie het wel, je weet het; je schrikt van me niewaar?” fluistert de oudste: “Ja er kleeft bloed aan mijn handen. Daar staat hij, zie zijn oogen puilen uit de kassen.... zie je wel Philip!—O God, en hij heeft ons vervloekt!”“August, wát.... wát zeg je?” stottert Philip, plotseling doodsbleek geworden: “Is hij dood....? Heb jij, jij...?”“Ja, zie je dat niet? Zie je dan niet dat ik zijn moordenaar ben!? O God! daar vliegt mijn kind op me aan. Hou tegen, hou tegen! ’t Steekt met een mes. O Eva, Jezus! God! O! weg, weg!”Eer de jongere Helmond zich van de ontzetting kon herstellen, die hem schier aan den grond heeft genageld, was de oudere broeder uit de kamer gevlucht en sloeg de deur met geweld achter zich toe.’t Was een donker portaaltje waarin de vluchteling zich nu bevond. Rechts is de smalle gang die over het plaatsje, nogmaals door een langere gang naar het voorhuis leidt.—Neen, op dezen weg liggen de gerechtsdienaars in hinderlagen. Voort! Ter linkerzij loopt de smalle gang op een achterdeur uit.—’t Is donker! Waar is de knop van die deur?—Wie heeft den sleutel? Wie houdt haar gegrendeld?—O God, daar komen ze. Hoor maar, paardengetrappel.—Hoor!Nu bonst hij op de deur. “Doe open, doe open!”Daar wordt aan de buitenzij een grendel verschoven. De deur knarst open.Een groote stallantaarn die nevens kartuigen aan een haak tegen den wand hangt, werpt een weifelend licht over een oude kapsjees, een paar hooge gele wagens benevens een kar die met de boomen op den grond rust.—Ter rechterzij is het een zwarte massa, waarin het licht slechts grillige en onbestemde figuren teekent, maar toch duidelijk genoeg twee grauwe koppen boven den nu onzichtbaren lijkwagen doet grijnzen. Een hooi en mestlucht vervult de ruimte.—Nabij de groote deur trappelen paarden. Ze zijn voor een vigilante gespannen. Een man die zooeven hielp om de tuigen te gespen, trekt nu in allerijl een jas met drie lange mantelkragen aan; wischt zich het zweet van het voorhoofd, en trekt zich een bonten nachtpet over de ooren.“Hier Gerrit, geef me de zweep! Vervoerd, dát heet haasten.”“Moet jij naar Utrecht menheer?”“Ik ja, voort! Om Godswil voort!”Het portier der vigilante was reeds geopend. Dokter Helmond verdwijnt in het donkere rijtuig.“Rij maar op Jan!” roept de man die het portier met kracht weer dichtslaat: “D’r zal zeker een goeje fooi op overschieten; er is ’en haast van geweld!”“Vort poppetjes, vort!” zegt Jan op den bok. De paarden trekken aan. Uit het groote koetshuis vanDe Romeinkomt de vigilantein de straat. Jan doet de zweep klappen. En zie de paarden zijn wakker al is het vrij donker daarbuiten; ze schieten in een krassen draf, en verdwijnen al spoedig met het ratelend rijtuig om den hoek der Utrechtsche straat in den stormachtigen nacht.Binnen de algemeene hotelkamer heerschte weinige minuten later een zeer ongewone opschudding.’t Was onmogelijk om het rijtuig nog in te halen, ’t welk door den vreemden reiziger was besteld, doch waarmee de dokter van Romphuizen zich uit de voeten heeft gemaakt.Na al wat men vernam en ’t geen de schenker nu bovendien heeft moeten aan ’t licht brengen, is het zoo goed als zeker dat, met denkoloneldie, volgens den reiziger, in Romphuizen zou vermoord zijn, degeneraalVan Barneveld was bedoeld.—Wat wisten de Romphuizers van ’t militair!—En, meer dan zeker was het ook dat zijn pleegzoon, dokter Helmond, de schuldige moest wezen; immers Piet heeft hem onder andere zelf hooren zeggen:, Spreek zacht Philip; als men ons hoorde!” en later heel duidelijk, ofschoon van verre, nog de woorden: “O God!”, en “moordenaar.”De reiziger, die zulk een haast had, was woedend, maar zou in allerijl op een andere manier worden geholpen. ’t Ergste van alles, zei de kastelein, bleef de ontzettende geschiedenis zelve, waarvan—hoe kon men onschuldig ergens inloopen—het laatste bedrijf nu in het alom geëerde logementDe Romeinwas voorgevallen.De mannen in de gelagkamer spraken luid met gefronste wenkbrauwen, en schudden het hoofd; de vrouwen luisterden, en zagen bleek.“’t Is de broer van Philippe. De broer van den nieuwen trotschen confrère;” zoo luidde het onder de acteurs overal.De commis-voyageurs spitsten de ooren; en die er brieven schreven, stelden postcriptums, waarin ze de ontzettende gebeurtenis vermeldden.Toen August hem straks alleen liet, en hij, hevig ontsteld, hem een oogenblik later wilde opsporen om hem naar het kamertje terug te brengen, toen spoedde hij zich naar het voorhuis, want aan een achterdeur heeft hij niet gedacht. Doch nergens mocht hij hem vinden.—Philip wist niet dat August reeds buiten de stad was, toen hij in ’t eind ook in het koetshuis naar hem kwam onderzoek doen.—Was dan August Helmond—zijnbroeder, een moordenaar; de moordenaar vandien geliefdenpleegvader!?—Wondere menschenwereld!—De lammeren onder hen worden wolven wanneer de nood hen dringt.—Bloeddorstige doggen leggen zichzelf aan den ketting en lijden gebrek!—Ja, ik wist dat hij verachtelijk was, ik wist het! Maar zoo!—Ach God, zou het wel waar zijn!“De commissaris van politie kan met mij meerijden,” zegt devreemde zeer overluid tot den kastelein: “tenminste wanneer hij hier in de sociëteit is. Als hij den moordenaar snapt is zijn fortuin gemaakt.Tot Philip sprak men niet.—Nu is hij verdwenen.—Hij vliegt naar zijn vrouw, en zegt haar zijn plan, en wat háár te doen staat.Een klein kwartier later joegen twee vigilantes in den donkeren nog altijd door zware buien verdeelden voornacht, op den straatweg tusschen Briesborg en Utrecht.In het voorste rijtuig ligt een mensch onbewust dat er een wereld om hem heen is.In het rijtuig dat volgt, zitten twee mannen die over gruwelijke moorden spreken, en over dokter Helmond en zijn ijdele vrouw.Op den bok van dat tweede rijtuig zit, naast den koetsier, een man in een glimmende regenjas. Voor een goede fooi heeft de voerman aan dat heerschap vergund om naast hem mee te rijden. Hij spreekt geen woord; maar telkens als de reiziger die vóór twaalven in Utrecht moet wezen, zijn stem verheft en schreeuwt om wat harder te rijden, dan zegt de man in de regenjas, dat men ter wille van eenmenschzijn paarden toch niet doodjagen mag. De voerman geeft hem gelijk.Omstreeks kwart voor twaalven—ongeveer een half uur later dan de eerst uit Briesborg vertrokken vigilante—rijdt de tweede vigilante de grijze Bisschopsstad in.Teneinde den reiziger, die zulk een haast had, geen oogenblik op te houden en aanstonds te brengen waar hij wezen moest, is men bij het binnenrijden van de stad een geheel anderen weg ingeslagen dan dien naar het kleine logement waar men straks stallen zou, en ’t welk de koetsier met de zweep heeft aangewezen.—De man in de regenjas is dáár—en alzoo in de nabijheid van het logement waar het eerste rijtuig zeker reeds was aangekomen—van den bok gesprongen.Mijnheer Hagel, de commissaris uit Briesborg, is echter in het rijtuig gebleven, om, na den vreemde op de plaats zijner bestemming te hebben gebracht, even bij het politiebureel aan te rijden en er een paar agenten te verzoeken om eens even met hem mee te gaan.Toen—weinige seconden na de aankomst der tweede vigilante in Utrecht, een heer in een glimmende regenjas het kleine logement is binnengestapt, toen heeft hij op zijn vragen, van een half slapenden schenker ten antwoord gekregen, dat er, jawel, met het rijtuig uit Briesborg een heer was aangekomen, die onderweg zwaar ziek moet zijn geworden, want, zoo wit als een lijk had hij in den wagen gelegen.De juffrouw-eigenaresse van dit logement had eerst zwarigheid gemaakt om hem op te nemen, maar hij had er zoo akelig en toch zoo goedaardig uitgezien dat zij heeft toegegeven; en nu geloofde de schenker dat er iemand naar ’t gasthuis was gegaan om een dokter te halen, hoewel het al op slag van twaalven is.—Hê!—Of de knecht dan niet begreep dat hij—de man in de regenjas—de dokter zelf was’? Men behoefde niet meer naar’t gasthuis te zenden. Hij heeft geweten dat deze heer hier komen zou.—O, ahzoo; of dokter dan maar bliefde mee te komen? Hier beneden in het tuinkamertje was de zieke menheer. In nummer drie.—In de hevigste onrust staat Philip Helmond eenige oogenblikken later bij de kleine sofa, waarop de oudere broeder als wezenloos neerligt.—Philip ziet naar de deur. Hij vergat haar te sluiten. IJlings snelt hij terug naar de deur, luistert, en draait den sleutel om.—Maar nu, wat moet hij beginnen? Slechts door een snelle ademhaling geeft August teekenen van leven; doch, wat Philip ook beproeft om hem te doen ontwaken en hem op de wijze zooals hij zijn plan maakte, tot een spoedige vlucht te bewegen, neen—dat gelukt hem niet.—Kan die ongelukkige dan hier blijven terwijl binnen weinige minuten de commissaris in dit logement het allereerst naar hem zal onderzoek doen!“August, August! in ’s-hemelsnaam, keer toch tot je zelf. Verman je, August. Men zal je vatten. Sta op, ik ondersteun je. ’t Zijn geen twintig schreden tot buiten de deur, en dan nog een paar stappen tot om den hoek der straat. August in Godsnaam word wakker!”Maar ’t is vergeefs. Zijn krachten schijnen uitgeput. Een pijnlijke glimlach speelt er om zijn mond.—Doch nu, eensklaps opent hij de oogen, en fluistert met een akelige stem: “Vergif, vergif! Pas op Eva. Voort! weg!”“Ja waarachtig voort!” zegt Philip.—O mijn God, maarhoedan! en hij werpt een angstigen blik naar de deur. Immers, hij kan den ongelukkige toch niet door de gang het huis uitdragen. Wat zou men denken als men ’t zag! Ha, wanneer die kleine glazendeur uitkwam op een tuintje, waarmee men in een achterstraat kon komen....! In een oogwenk is Philip bij die deur. Zij is goed gesloten; hij trekt en wringt.Openzalze, openmoetze.—Neen neen, hijkanniet—neen!—Ha, den pook bij de kleine kachel!—Hij luistert.—Nadert daar een rijtuig—-? Ja, o God, men komt, het is te laat!—Welnu, met dien pook zal hij hem verdedigen; den eerste die de band naar den armen drommel durft uitsteken, dien vermorzelt hij den kop.—Hoor het rijtuig is.... neen.... het rolt voorbij.—Goddank, hij heeft nog tijd.Philip mag een oogenblik herademen.—Wacht, met dien pook kan hij toch die tuindeur dwingen. Fiks! krachtig!—Ha, met een weerspannig geschrijn barst het slot vaneen.—De deur is open. Hij ziet naar buiten. Inweerwil van de duisternis bemerkt hij dat het werkelijk een ten deele geplaveid tuintje is. Scherper ziende bespeurt hij eenig oud vaat- en mandenwerk, ’t welk naast steenkolen en wijnflesschenhokken bijeenstaat, en door de verhagelde en afgewaaide bladeren van een kastanjeboom overdekt wordt.—Is daar een uitgang? Hij bespeurt er geen. Wat zal hij nu beginnen! ’t Ware nóg beter in de kamer te blijven, dan August ginds in een dier hokken of achter die manden te verbergen. Immers men zou hem er aanstonds vinden, en dan....! Philip voelt zich eensklaps als met een ijsbad overgoten.“Wie daar! Wat mot je?” roept een schrille stem uit een keukendeur in het tuintje uitkomende.De jongere Helmond heeft zich geheel hersteld. Wie weet..... het geluk had hem straks in de gedaante van een halfslapenden huisknecht gediend.“De zieke moet lucht hebben mevrouw;” klinkt zijn antwoord: “’t Is noodig, volstrekt.”“Ben uwe de dokter....? Ahzoo. Maar was die tuindeur dan niet gesloten? Wel lieve hemel, u deed me schrikken. M’n eerste denkbeeld was dat ze hier inbraken. Is die passagier zoo erg, dokter?”“Ik vrees.... dat zijn benauwdheden op een rotkoorts zullen uitloopen.”“Maar mijn hemel, dan hou ik hem geen uur in m’n huis. Rotkoorts! God beware!”“Zoodra ik hem zag,” herneemt de vermeende dokter snel doch schijnbaar kalm: “begreep ik dat je hem niet houden kondt.”“Nee, nee!” schudt de dikke dame, en volgt den dokter aarzelend in de tuinkamer.“’t Was aanstonds mijn plan om hem mee naar het gasthuis te nemen, maar ik liet toevallig mijn koetsje hier aan de achterzij van je huis staan; en....”Philips hart sloeg met felle slagen. Immers hij wist niet of er werkelijk een straat achter dat tuinmuurtje was; bovendien gevoelde hij de ongerijmdheid dat hij als dokter, nog na middernacht zijn eigen rijtuig zou rijden, en zoo ja, dan niet tot voor de deur der woning waar hij wezen moest.“O, hierachter op ’t Singel; jawel, wat buiten den wind,” helpt de hospita: “Ik wou dat j’em d’r in hadt dokter; de ziekte is ’em wel duidelijk aan te zien.”“Kan ik hierachter door den tuin op het Singel komen?” vraagt Philip terwijl zijn hart nog feller bonst voor een mogelijkNeen!—Maar, God zij dank:“Welzeker;” klinkt het antwoord. En dan: “Ja dokter, als je hem meenam dat zou me een pak van het hart zijn. Morgen met de markt dan wist ik geen raad. Verbeelje, rotkoorts in huis. Lieve hemel!”“Als ik er jepleziermee doe....?” zegt Philip.—Maar dan; hoe zal hij alleen dien machteloozen mensch naar buiten krijgen?—De juffrouw zou haar knecht roepen.—Nee,nee,—er was geen oogenblik tijd te verliezen,—dat moet zij niet doen. De knecht moest liever niet weten dat de juffrouw zoo’n haast had gemaakt om een ongelukkigen zieke kwijt te raken. ’t Was niet goed voor haar naam. Och, indien zij den armen man, die nu heel stil was, en nog wel een uur zoo zou blijven—jawel dat kon bij haar vast verzekeren—indien ze hem nu even aan den anderen kant wilde ondersteunen, dan kon men hem gemakkelijk op ’t Singel buiten de tuindeur brengen. Die deur was immers open.....!?—Nee, de juffrouw moest die eerst losgrendelen.De oogenblikken waren voor den angstig wachtenden broeder zoo vele uren.Hij meent nu weer heel in de verte een rijtuig te hooren.Ja, jawel, ’t komt nader....“Mevrouw, mevrouw!” roept Philip naar buiten.“Hier ben ik dokter. De poortdeur ging wat moeielijk open.”“Als ú hem nu aan dien kant onder den arm woudt nemen mevrouw.—Komaan Augu....—Komaan menheer; u moet je wat meegeven. We zullen je goed en wel in ’t gasthuis brengen.—Asjeblief mevrouw. Geheel alleen zou ’t mij onmogelijk zijn.”Het rijtuig kwam al nader en nader.“Ja, maar rotkoorts dokter ... U moet me niet kwalijk nemen; om nu een mensch met rotkoorts aan te vatten ... nee ...”Het rijtuig kon slechts weinige huizen meer van de woning verwijderd zijn.“Maar hijheeftze nog niet. Als u weigert dan blijft hij hier. Ik heb haast.”De dikke juffrouw aarzelt, en dan....Maar neen, ’t was niet noodig. De lijder staat eensklaps overeind.... O God, wat ziet hij haar aan.“Neem dat gif weg Thom! Weg er mee!—Zes grein!—Eva, Eva, voort, voort!”“Dat is de koorts die komt opzetten;” zegt de jongere Helmond, en vat zijn broeder onder den arm; en diens laatste woorden herhalend, dwingt hij hem naar de zij der geopende tuindeur.—Hoor! O goede God, het rijtuig houdt reeds stil voor de deur. Men komt.—Philip wil haastig voortgaan.August Helmond rukt zich eensklaps los en, in de kamer terugkeerend en met angstig gebaar naar de hospita wijzend, fluistert hij schril: “Zeg haar dat zij ons kind het mes moet afnemen, zie je niet....? Zie, dat, dát, dát moorddadige mes!”Philip hoort gerucht in de gang; voetstappen van meer dan één persoon.Met overspanning van krachten grijpt hij den broeder onder den arm. Zoo kalm als ’t hem mogelijk is, zegt hij: “Goeden avond mevrouw!” en, straks de tuindeur van de buitenzij dichtwerpend, voert hij met vreeselijke gejaagdheid den ijlenden broeder tot buiten de tuinpoort op den verlaten singel.Ofschoon het terrein hem geheel onbekend is, toch zou Philip al spoedig bemerken dat het doel, ’t welk hij zich voorstelde, zal bewerkt worden. Slechts weinige schreden voorbij dien muur, ziet hij links in de vaart weer de trekschuit die men straks is voorbijgereden en waarvan de voerman heeft gezegd dat het de nachtschuit op Amsterdam was. Om twaalf uren, ruim, voer ze af.De groote Domklok bromt twaalf.De hospita uit het kleine logement, niet weinig ontroerd door het gebeurde, en straks geheel van streek door hetgeen ze uit den mond der politie zal vernemen, ze zegt in gemoede: dat die vluchteling zich werkelijkzóóziek heeft weten te houden dat zelfs dedokter erdupevan werd en hem mee naar het gasthuis heeft genomen. Den naam heeft ze niet gevraagd; maar ’t was de dokter van ’t gasthuis.En terwijl nu de Briesborger commissaris vol ijver zijn nasporingen in de Utrechtsche gasthuizen begint, om echter al spoedig andere vermoedens te koesteren—glijdt de nachtschuit op Amsterdam langs de laatste gaslantaarns en woningen buiten de stad. Aan het roer staat de schipper, en, als hij even in de voorkajuit duikt om zijn kort eindje pijp op te steken, dan slaat hij zijdelings een oog op de beide passagiers die—“ter wille van een vrouw die erg ziek is, zoo haastig naar Amsterdam moeten.”Bij het schijnsel der wiegende hanglamp kan hij hen zien, daar ginds in den hoek der kajuit; en hij twijfelt er niet aan of het moet al een heel erg geval wezen, want, de oudste dier beide mannen is mede geheel van streek.—Zie maar, als een geest zoo wit ligt hij achterover, en tegen den schouder van den jongste, die hem het liggen al zachter en gemakkelijker maakt, terwijl die jongste zelf zich gedurig het zweet van de slapen wischt.TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.Toen Eva Helmond uit haar verdooving ontwaakte, toen wist ze niet wat er met haar was voorgevallen. Ze begreep niet hoe het kwam dat mevrouw Van Hake zoo bij haar naast de canapé zat....“Wat doet ú hier?”“Ik ben gekomen om misschien van dienst te kunnen zijn lieve Eva!”Eva strijkt zich met de hand over de oogen en dan, haastig opziende:“Waar is August?”“Dokter is uit, Eva; hij zal.... waarschijnlijk wel gauw terugkomen....”“Waarschijnlijk....? Je zegtwaarschijnlijk!? En waarom lig ik dan hier; en waarom....?” Eensklaps komt ze overeind en snelt naar de deur, roepend ja bijna gillend: “August, August! Helmond! waar ben je!?”Mevrouw Van Hake komt Eva terzij:“Als dokterhierwas Eva, dan zou hij zeggen: Kindlief je moet je kalm houden; er zijn omstandigheden....”Eva hoort haar niet. Zij staart strak naar den grond. En dan:“Waar is dat briefje? Ik vraag waar dat briefje is! Was ergeenbriefje?—Jawel, ik weet hetzeker.Ik heb het gelezen..... ik heb....”“Eva, hou je van Helmond?”“Houden! Mensch, je maakt me krankzinnig.—Ik wil dat briefjezien. Ik wil weten.... Geef hier. Jij hebt het. Jawel,jawel, jij hebt het!”“Eva, in je eigen—nee, indoktersbelang bid ik je kalm te zijn.”“Maar die brief, die brief!” roept Eva in dreigend smeekende houding: “Ik weet het maar al te goed. Ik wilde zien of hij sliep. Hij was er niet meer, En op zijn kamer vond ik toen dat schrift.... van een krankzinnige; en zijn naam stond er onder. Jazijnnaam. Ik wil dien brief zien. Laat mij toch gaan; ik wil nu.... ikwilnaar boven! Hoor je dan niet!”Mevrouw Van Hake haalt het geschrift te voorschijn. ’t Zou zeker—nu de eerste schok was doorstaan—het verstandigste wezen om Eva zooveel mogelijk de waarheid in het aangezicht te doen zien, en, terwijl men haar bad om zich kalm te houden, een beroep te doen op haar verstand en haar waarachtige liefde voor haar man:“Hier is de brief die je zoo treffen moest Eva. Maar ik verwacht dan ook dat je je krachtig zult toonen....”Eva hoort haar niet; zij siddert, terwijl ze nogmaals die vreemde volzinnen leest, waarin August haar schrijft dat hij haar bedrogen heeft; dat een som—hij weet niet hoe groot—zijn schuld is; dat hij aan gene zijde van de zee duizenden menschen van de gele koorts zal genezen en tienduizendmaal het slachtoffer ervan worden wil; datzij, Eva, er het brood zal kneden en doen....Eva kan niet verder lezen. Maar die vrouw in haar rouwkleed, wat eischt ze dat ze bedaard zal blijven! Voelt het mensch dan niet dat deze groote kamer haar te eng is; dat zij weten wil waar die man—zooals ze zegt, in zijn ijlende koorts—is heengegaan; waar hij toeft in dezen stormachtigen avond, terwijl de hagelsteenen met zulk een vreeselijk geweld tegen de ramen kletteren! Begrijpt ze dan niet dat ze hem achterna wil, dewijl niemand hem beter en eerder zal vinden dan zij! Beseft ze niet dat een vrouw rust noch duur heeft aleer.... O God, had ze zóó iets kunnen vermoeden toen ze meende dat hij slechts wat vermoeid en overspannen naar bed ging. Evawil, Evamoetnaar buiten!Het kostte mevrouw Van Hake de grootste inspanning om Eva te doen beseffen dat haar liefde-ijver nu onverstandig was. Waar immers zou zij hem zoeken in den stormachtigen avond! Zij, in hare omstandigheden, zou ze zich wagen daarbuiten aan een tasten in ’t blinde! Bovendien: alles wordt er gedaan om den lieven zieke zoo spoedig mogelijk in zijn huis en in ’t warme bed terug te brengen. Wanneer dokter—’tgeen men niet voor onmogelijk hield—nog met den laatsten trein naar Amsterdam was vertrokken, dán zelfs kon men tamelijk gerust wezen; men zou dan in den trein al spoedig bemerken dat hij ongesteld was, en bij aankomst zeker voor hem zorgen.Helaas, mevrouw Van Hake wist wel dat zij Eva met deze hoop misleidde, doch, haar taak was geen lichte.—Eva vloog immers gedurig weer op van haar stoel, en wilde hem zoeken; zijmoesthem vinden; ja, wie eerder danzij! Neen, zij heeft het wel toegegevendat zij haar ouders niet vóór den nacht verontrusten wil, immers men wist zeker dat de dokter er dezen avond niet geweest is; maar opDe Zonsberg! Ja, ’t waarschijnlijkste is toch dat hij, in zijn ijlende razernij, nog eens naarDe Zonsbergis gegaan.—Men heeft hem er niet gevonden, maar door de duisternis misleid, kon hij gemakkelijk van den weg zijn gedwaald. O, misschien ligt hij nu in doodsgevaar op een dier naargeestige kronkelpaden van het erf, waar een verwaten gierigaard, nog aan den rand van het graf, den goeden zieke durfde vervloeken, terwijl deze ten koste van eigen gezondheid hem redden en behouden wil.“Jawel, op de Zonsberger paden zal ik hem vinden!” barst Eva na een korte stilte weer los: “En als hij ernietwezen mocht, dan vlieg ik naar den woekerenden trotschaard, en zal hem zeggen dat zijn lage vervloeking slechts kan terugkeeren op zijn eigen grijs en zondig hoofd; dat hij dien goeden man heeft mishandeld door beleediging op beleediging; dat hij hem heeftvermoord; hem en mij, ja, hém en mij, en het kind onzer liefde.”“Zoover is het nog niet gekomen Eva. Men zal den goeden dokter gemakkelijk vinden. Thom was hem, zooals hij bij ’t heengaan zeide, immers reeds op ’t spoor. Dokter zal òf in de buurt wezen en gevonden worden, of—’t zij dan wat verder af—welwillend zijn opgenomen, en waarschijnlijk toch spoedig terug zijn.”“Waarschijnlijk! altijdwaarschijnlijk!” roept Eva: “Maar als... o God! als men hemnietvond, wanneer hem in zijn ijlende koorts daarbuiten een onheil was overkomen! Zeg, mensch vol flegma, vol verstand en wijsheid, zeg, is dán die gierigaard ginds, zijn moordenaar niet? En ook, is hij de oorzaak niet van den angst die mij huiveren doet en de minuten tot eeuwigheden maakt!”Mevrouw Van Hake ziet haar liefdevol aan en blijft het stilzwijgen bewaren.“Maar spreek dan, spreek!” zegt Eva, doch op minder heftigen toon, want de liefdevolle blik der zwijgende vrouw heeft haar zonderling getroffen.“Ik weet het niet Eva. We willen daar nu niet naar vragen. Het eenige wat ons vervult is toch de hoop dat we den goeden dokter spoedig zullen terugzien; en—dan zullen wij hem oppassen en verzorgen en alles doen om, met de hulp van God, zijn dierbaar leven te behouden.”“Ja! ja!” zegt Eva snel, en dan, na een oogenblik van stilte: “Och, waarom bleef ik niet bij hem toen hij naar bed was gegaan!” Schreiend, doch straks weer heftig: “Maar ik wist niet dat het zoo erg was. Nee nee, ik wist het niet! Wie zal zeggen datikhem niet liefhad; wie!? ’t Is alles de schuld van dien oude, dien schijnheiligen man!”“Eva,” zegt mevrouw Van Hake met zachte stem: “weet je wel lieve,wieik in deze oogenblikken het meest beschuldig?”Eva ziet haar niet aan.“Ik beschuldig waarlijkmij zelvehet meest.” Nu ziet Eva haar aan:“U, ú beschuldigt....”“Mij zelve. Ja Eva, ja!”“Maar ik begrijp niet....?”“Eva, ik heb in den laatsten tijd zijn weldaden aangenomen, ofschoon ik er bijna zeker van was dat hij de middelen om ze te kunnen verleenen niet meer bezat.”Een vuurrood vliegt over Eva’s gelaat. Zij spreekt niet, maar blijft met angstig gespannen blik mevrouw Van Hake aanstaren.“Ik bewoonde zijn huis,” herneemt de weduwe: “en at zijn brood, en had hem lief als een moeder, en toch ... ik deed slechts een zwakke poging om hem terug te brengen van een weg, die ik vreezen moest dat op uw beider verderf zou uitloopen.—Lieve Eva, als gijiemandbeschuldigt, doe het danmij.—De man dien ge uw vijand noemt heeft immers gewaarschuwd; misschien te krachtig gewaarschuwd, maargewaarschuwd!”“Ik weet niet wat je zegt;” roept Eva, en slaat de handen voor de oogen. En dan, dan loopt zij de groote kamer op en neer, en bijna kermend klinkt het iets later:“Zou alles danwaarzijn! Alles, alles!? En heeft hemdátspooksel benauwd en verdreven!—Maar nee, nee! dat is onmogelijk!” vervolgt ze terwijl zij eensklaps voor de weduwe blijft staan: “Heeft hij dan zelf niet door zijn daden getoond, en met zijn woorden bevestigd....”“Eva,” valt mevrouw Van Hake in, en ziet haar onbeschrijfelijk liefdevol aan: “ja, die al te goede man toonde door zijn daden wat de wenschen van zijn geliefde waren, en sprak de woorden die zij het liefst van hem hoorde.—Eva, ik zie het, nú voor het eerst geloof je dewaarheid!”—Dewaarheid!?—Ach, hoe zou het mogelijk zijn dat ze nú de volle waarheid reeds geheel doorzag!—Was dan alles een leugen; alles wat haar omgaf in den laatsten tijd? Dit huis, die meubels, de diamanten, die familiepapieren, alles leugen, leugen!—Maar gerechte hemel! wat zijn blinkende meubels of schitterende steenen bij den doodsangst die haar weer eensklaps overstelpt en benauwt? O! men kan haar vrij dat alles ontnemen, ja, alles,alles, indien hij maar terugkomt; wanneer ze maar weet dat die arme kranke niet langer omdoolt in de gure lucht; wanneer ze hem maar aanstonds mocht sluiten in haar koesterende armen!—Zie, het pakket familiepapieren ligt daar nog op haar schrijftafel. Nu roert ze het aan; maar neen, toch neemt ze het niet, om aan die vluchtige opwelling te voldoen en alles in ’t vuur te werpen.—Zij luistert.... Daar buiten klonken stemmen. Ha, God! men komt, ha!Reeds is Eva de gang ingevlogen, en heeft ze de voordeur geopend.Met luidruchtig gepraat nadert van de Hoenderveldsche straatzijde een langzaam voortgaande menigte. Een kleine handwagen ratelt in haar midden.—Hoor! Een vrouwenstem klinkt luide van de hooge stoep naar beneden en tegen den snijdenden hagelwind in.Men weet niet wat zij vraagt.—Dokter Helmond? O nee, dien hadden ze niet, en moesten ze ook niet hebben. Dokter Helmond mocht de champagne nog in ’t hoofd zitten, en slapen misschien in den zijden sleep van zijn vrouws japon!—Nee, ze gingen met den armen majoor, dien ze na lang tobben uit de gracht hadden gehaald, regelrecht mee naar ’t huis van dokter Biermans.... dokter Biermans die er al dadelijk was bijgehaald:“Vooruit maar jongens; vooruit, eer dat ie genachtsamen zeit! Van ’en schotjelos kruit: Wie zou ’t gelooven!”Eva weet niet wat men nog verder in ’t voorbijtrekken zegt.Nu bevindt zij zich weer in de groote huiskamer. Een ontzettende angst doet haar als ineenkrimpen terwijl ze klappertandend bij het vlammende vuur staat.—Haar haren, die buiten nat zijn geworden, hangen sluik langs de bleeke wangen neer. Strakker en strakker staart ze, totdat ze eensklaps opziende half luide mompelt:“Ik wist het, ja ik wist het! Hij heeft het mij dikwijls gezegd; en nu....”Haar oog viel in datzelfde oogenblik weder op het pak “familiepapieren”, en, Eva grijpt het weg van de tafel, en—werpt het in den breeden haard.En de hoog opflikkerende vlam doet een rooden gloed spelen op het rose kleed ’t welk Eva nog in den vooravond tegen het zwarte heeft verwisseld.—O God, het had dan toch een zwart, een rouwkleed moeten zijn! En als het vuur nog hooger opvlamt en ter rechterzij haar schier verstorven wang met zachten gloed komt streelen, en zij, klappertandend, met saamgeperste handen murmelt: “Ik wist het; ja mijn God, maar ik geloofde het niet!” dan, o dàn gevoelt zij eensklaps een nóg weldadiger gloed aan de zij van het hart haar verwarmen: Een moeder was er niet om haar kind te troosten: maar toch, zie, nu rust en nu schreit en nu snikt ze..... aan de moederlijke borst van een trouwe vriendin.De nacht van storm en hagel die door Eva Helmond in duizend angsten is doorwaakt, moest toch in ’t einde wijken voor een kalmeren morgen. De October-zon dook vriendelijk op uit haar valen sluier, en terwijl ze al spoedig haar kracht zou beproeven aan den hier en ginds langs velden en wegen bijeengegrienzelden hagel, zond ze ook een zachten straal in het vertrek waar de grijze Van Barneveld op zijn hard leger, met gesloten oogen en saamgevouwen handen neerlag. Daar ging de deur open. Zachtjes, zeer zachtjes.En zie, Goddank, nu gaan die oogleden open en keeren zich zijn oogen naar het licht.—En het zonnetje ’t welk door de deur naar binnen kwam, werkte misschien nog weldadiger dan het hemellicht, ’t welk door het venster er in blijft gluren.“Alweer Jacoba! Als je je volstrekt geen rust gunt dan zul je ziek worden. Ik had niets noodig kind!”“Maarikhad behoefte beste pa, om weer eens even te zien hoe het u ging, en u nog een glaasje melk te komen brengen. O, sinds de tuinman mij gezegd heeft dat er voor die nare benauwdhedenniets zoo goed is als melk, zal ik er u mee vervolgen totdat u weer heelemaal beter zult zijn.”“Ei Coba, zou je denken datmelkvoor zoo’n kwaal....?”“O ja, jawel papa, welzeker; melk moet daar heel goed voor zijn. ’t Is ook zoo natuurlijk, zoo iets van een dier.Melkhé ja, dat vind ik nuergnatuurlijk!”“Och, als je ’t graag hebt lieve kind....” Van Barneveld drinkt, en Jacoba houdt er van terzij het oog op gevestigd.“’t Is alweer hetzelfde!” zegt Van Barneveld.“U bedoelt....”“De vreemde smaak.”“Vreemd; hé, dat begrijp ik toch niet.”“Niet Coba....? ’t Is me telkens alsof ik iets van amandelen drink.”Jacoba heeft het glas aangenomen en proeft de laatst ingebleven droppels:“Hé dat moet toch verbeelding zijn lieve pa. Ik proef.... nee, ik proef er niemendal van.”“Diezelfde smaak was gisterenmiddag ook aan de....”“Aan de rijst. O ja, dat hebt u gezegd. Maar het zal toch aan uw smaak liggen: of dat er misschien iets aan de melk is....”“Wat zou er aan de melk zijn Coba?”“O, weet u wát ik denk: de koe zal buiten langs den stalmuur zijn gegaan, en daar aan de perzikbladeren hebben geknabbeld. Dat lusten de koeien wel, nietwaar pa?”“Doe je er suiker in Coba?”“In de melk? O ja, een heelheelklein beetje.”“Zoo—dan is die suiker slecht. Er is altijd een bezinksel.”“Och, tegenwoordig wordt alles vervalscht. Ik vrees dat er geen betere te krijgen is. Maar—die melk met een bijsmaak en wat slechte suiker heeft u toch geen kwaad gedaan lieve beste vader. Nee, ze heeft u veelveelbeter gemaakt, niewaar?”“Dat heeftGodgedaan Jacoba.”“Maar God gaf ook die melk, mijn beste papa.”“En Hij geeft mij mijn lieve kind, en....”De grijsaard sloeg wel den arm om haar fijne middel heen, doch het gelaat wendde hij naar de zij van den muur. Zij mocht het niet zien dat zijn oogen met tranen zijn gevuld.—Een oogenblik later richt de oude krijgsman zich in zijn bed overeind, en zegt, terwijl de zware knevel boven zijn lippen trilt, en hij Jacoba strak maar toch met liefde beschouwt:“Ik weet nu zelf niet Coba, of je liegenzondeofdeugdis.”Jacoba’s bleek gezichtje is bloedrood geworden.“Ik weet het niet!” herhaalt de oude man. En een oogenblik later zegt hij: “Jacoba, geef mij de poeders in ’t vervolg zonder rijst of melk. Ze hebben mijmisschiengoed gedaan. Als kind heb ik eens geproefd van de medicijn die je grootmoeder moest gebruiken. Dien smaak vergat ik niet.”Jacoba schreide aan de borst van haar grijzen vader.“Och lieve papa, u zoudt het goede middel anders niet hebben ingenomen, en u ziet toch dat soms een vooroordeel....”Maar zij vervolgde niet.—Misschien was zij reeds te ver gegaan; althans er vloog een donkere wolk over haars vaders voorhoofd.Vooroordeel!Neen, van dien vereeuwigden geliefde heeft ze niet willen spreken; dat was voorbij.—Maar kon ze het dan nu niet wagen om nog één enkel woord te doen hooren in ’t belang van haar dierbaren pleegbroeder? Was het dan óók geen vooroordeel om een zoon te haten, die zich na zulk een vervloeking wreekt: door aanstonds het beste middel uit te denken ’t welk ter genezing kan worden aangewend, zonder dat het zich voor den man, die geen medicijnen wil gebruiken, door een te hevig bitter verraadt?“Zwijg Jacoba, niets meer over hem;” zegt Van Barneveld een oogenblik later: “Mijn kind moet mij niet willen leeren wat mijn plicht is.”“Beste papa, dat was mijn bedoeling niet.”“Het had er allen schijn van Coba.—Nu, mijn kleine meisje, wees niet bang, en schrei niet langer. Wie heeft gezegd dat dokter Helmondten eenenmaleeen verworpeling is voor God!?—Ik niet!—Zoodra hij den moed zal hebben om zijn vrouw den kanker van ons volksbestaan, die bij haar reeds een verpestenden stank heeft, uit de borst te snijden, dan.... Maar wij spreken hierover niet meer.—Ga nu nog wat slapen Coba. Jawel, en slaap maar gerust. Nooitnooitwil ik hem weerzien; maar, met de helft van het onze, zal tóch, mettertijd, dokter Helmonds geneesmiddel betaald worden. Is het nu goed klein meisje? Ga nu en slaap nog wat.”Op het oogenblik dat Jacoba de kamer zal verlaten, hoort ze zich terugroepen. Van Barneveld ligt weder met het aangezicht naar den muur gekeerd; doch met de hand naar Coba’s zijde tastend, herneemt hij:“Als er soms nog iets voor dat monument mocht noodig zijn, zeg dan aan tante datik....”Jacoba zinkt eensklaps voor het ijzeren bed op hare knieën neer; vat de hand van dien grijzen vader, drukt er haar voorhoofd in, en schreit.—O God, ze schreit; maar toch, een oogenblik zóó zalig alsdit, ze had het nog niet beleefd.“Bedaar, bedaar, klein onverstandig meisje. Kom, ga nu gauw wat rusten. Den ganschen nacht heb jij voor je vader gezorgd, maar hij, niewaar mijn goed kind,hijheeft toch ook demelk gedronken.”Zoodra de October-zon dien morgen de luiken en blinden binnen Romphuizen voor ’t meerendeel heeft doen openen, heerschte er een buitengewone levendigheid op het kantoor van den Rijkstelegraaf. Het gerikketik klonk er bijna zonder ophouden. De metalen draad naar de zij van Briesborg en Utrecht had geen oogenblik rust.En zeker, het groote Romphuizer Hondsbosch vermoedde niet dat er door den dunnen draad die—den kronkel van den straatweg volgend, langs zijn takken gespannen was, een aantal vragen en antwoorden vlogen, voor ’t meerendeel met betrekking tot den mandie gisteren in den guren avond tusschen zijn stammen en struiken heeft rondgedwaald.De beide spreeuwen die zooeven uit het boschje op den grauwen draad waren neergestreken, ze vlogen er nu eensklaps van weg. Hadden zij ’t gevoeld dat onder hun teere pootjes de vraag van de Briesborger zijde als een bliksemstraal heenschoot:“Is generaal Van Barneveld vergiftigd? Reeds overleden? Vermoedens op dokter Helmond?”Natuurlijk die diertjes gevoelden het niet. Vroolijk in den zonneschijn vlogen ze stoeiend en zwenkend voort.... tot op het dak vanHet Roode Zoodje, en trippelden daar op het verweerde riet, en gebruikten straks in den voerbak, die voor de deur stond, hun ontbijt, zóó luchtig en opgeruimd, alsof ze ’t nu toch werkelijk vermoedden dat daarboven, door dien draad langs de palen, het antwoord gleed:“Generaal Van Barneveld bijzonder wel. Van vergiftiging in Romphuizen geen sprake. Zekere majoor Kartenglimp dood.—Dokter Helmond vermoedelijk ziek.”’t Was misgeschoten. Toen grauwe Toon straks buiten kwam en een vijftal lijsters, die juist de laatste roode bessen aan gindschen hoek van het bosch hadden genuttigd, op den telegraafdraad hun siësta zag houden, toen heeft hij de verzoeking niet kunnen weerstaan, en.... paf! Maar, een ondeelbaar oogenblik te voren was het vijftal den draad ontvloden.... Zou het mogelijk zijn dat het bericht ’t welk—rapper dan hun vleugels—onder hen heenvlood hen heeft geschokt:“Mevrouw Helmond in doodsangst; Zet onderzoek voort in haar belang.—Spoed, Spoed!”En de dépêches, die in Romphuizen werden aangeboden en moesten bezorgd worden, gunden het personeel aan den Rijkstelegraaf gedurende den ganschen voormiddag geen rustig oogenblik.“Goddank menheer,” zei de besteller tot den telegrafist toen deze in den namiddag het kantoor sloot: “Goddank, dat we nu toch weten dat ie in Amsterdam zit, en—dat het hier beperkte dagdienst is.—O ja, complement van menheer Kippelaan,” vervolgde de man: “en of u van avond na sluiting plezier hadt om een kopje thee bij hem te komen drinken?”

EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.Op het oogenblik dat men Helmond uit de stootende kar hielp, zweepte een nieuwe stormbui een slagregen door de Briesborger straten, zoodat er nu, in den laten avond, geen levend wezen meer te zien was.Alleen voor de deur vanDe Romein—het Briesborger logement bij uitnemendheid, en bovendien het toevluchtsoord voor wie naar publieke genoegens verlangde—zag men nog leven en beweging.Twee groote reiswagens werden er juist ontladen; de laatste koffers of kisten draagt men naar binnen, en de dampende paarden die straks, sterk rillend, het tuig deden kletteren, voeren nu de ledige gele gevaarten door de groote koetshuispoort onder dak.Helmond is bij het afstappen van de kar tot eenig zelfbewustzijn gekomen. Althans hij beseft de noodzakelijkheid om zich niet langer aan dien vreeselijken slagregen te blijven blootstellen. Dat huis aan gene zij van de stadspoort is het logement. Ja; maar niemand zal daar weten wie hij is: “Want de hagel die hem straks in het aangezicht sloeg heeft hem geheel onkenbaar gemaakt.”In de groote gelagkamer van het logement was de kastelein met zijn bediende druk bezig, om een aantal gasten te bedienen, die zooeven met de groote reiswagens waren aangekomen. De meesten hadden het koud en geeuwden.“Nog al plaatsen genomen kastelein?” vroeg een gezet heer die het erg koud scheen te hebben en daarom zijn lange pelsjas nog aanhield.“Dat houdt niet over menheer Baars. Van middag waren er geloof ik vier en twintig; maar, de lijst uit de sociëteitskamer is nog dáár.—Hei Piet, ga jij die lijst eens halen.”“Zóó, vier en twintig!” zegt de tooneeldirecteur, en bromt iets tusschen de tanden.—“Dat heb je van die kleine plaatsen,” herneemt hij: “ze weten niet wat kunst is. Ze motten de poppenkast zien. Gisteren te Zutfen had ik het huis stampend vol!”“’t Kan nog bijspijkeren menheer Baars. Morgen worden de meeste plaatsen genomen; en,” vervolgt de kastelein nu zachtjes: “voor het bericht in het Briesborger weekblaadje is gezorgd. Mijn neef de schoolmeester heeft er geen inkt aan gespaard. Je nieuwe sujetten heeft ie in de lucht gestoken van belang. ’t Zou me niet verwonderen dat er morgen zelfs Romphuizers kwamen. Dat volk is zoo arm dat ze geen lokaal hebben half zoo groot als het mijne. Als het morgen wat beter weer is menheer Baars, dan....”“Tenminste ’t moet heel wat beter worden dan den eersten keer, anders zie je me niet weerom. Laatst kon ik er zestig gulden bij toeleggen; daar sta je geen kou en ellende voor uit.”“Nee zeker niet;” zegt de kastelein, en dan zachtjes, nadat hij den directeur op een bericht in een der groote nieuwsbladen heeft gewezen, met een zijdelingsch knipoogje op een man die met een jonge vrouw ginds aan een tafeltje koffie en brood zit te nuttigen: “Alsdiebijten wou, hê?”“Trotsche kerel!” bromt de tooneeldirecteur: “Ja, alsdiebijten wou!”—Eensklaps zich omwendend tikt hij den zooeven aangeduiden man op den schouder, en zegt terwijl hij hem terzijde wenkt:“Menheer Philippe, ’en woordje alsjeblieft? Pardon mevrouw, één oogenblik maar!”Philippe staat op; neemt een stoel; zet dien bij het tafeltje, en zelf weder plaats nemend, zegt hij: “Ga zitten menheer Baars. Voor mijn vrouw heb ik geen geheimen.”“Ja maar, ik wou je even alleen spreken; ’t is een delicate vraag.”“Daar wil ik juist dat mijn vrouw van profiteeren zal. Zulke vragen komen zelden voor.”“Je toon menheer Philippe, tegenover je directeur is doorgaans onvriendelijk. Ik weet niet waaraan ik dat verdien.”“Dat verdien je menheer, omdat je mijn vrouw wilt dwingen in een stuk op te treden datgemeenis. Maar, voor een onmogelijk wulpsch individu als Alma inDe Glorie der Boulevardszal ze niet spelen!”“Tututu mijn beste jongen....”“Ik ben jejongenniet menheer Baars. Ik heet Philippe. Nog eens, mijn vrouw zal ernietvoor spelen. Neem er juffrouw Lelie voor; ze heeft toch bij uw gezelschap den naam van la Puritaine.”“Ik meen menheer Philippe, dat ons contract....”“Ons contract zal nageleefd worden,” valt Philippe in: “maar wanneer de directeur ons onmogelijke rollen geeft, rollen waarin men zich ten aanschouwe van ’t publiek naakt uitkleeden of ophangen moet, dan is de acteur die ze aanneemt immoreel of krankzinnig.”“Je overdrijft menheer Philippe. De Alma is een coquette, een....”“Mijn vrouw speelt die rolniet! Dit is nu driemaal gezegd; en ik hoop genoeg.”“We zullen zien, we zullen zien menheer! Ik meende dat het een compliment was aan de schoonheid van mevrouw Philippe, dat ik in overeenstemming met den regisseur, haar een rol gaf waar het publiek bepaald plezier in zal hebben.”“Dan is het publiek verachtelijk! Wie een actrice toejuicht, die zulk een rol speelt, zou ik in ’t gezicht willen slaan, ’t Is vreemd menheer, dat je als directeur zoo weinig de roeping van het tooneel begrijpt.”“Ja beste jong.... menheer Philippe,—wat zal ik je zeggen: we moeten dubbeltjes slaan. Enfin, we kunnen er wel zoo’n beetje voor zorgen dat je tevreden zult zijn.—Maaràpropos—wat ik zeggen wou, ’t was mijn plan om je appointement te verhoogen.”“Ei!”“Je ziet ik voorkom je, ofschoon je weer in Zutfen hebt gemerkthoe allemachtig slecht de lui opkomen. Ja menheer je bent een acteur die aanmoediging verdient. Ik geef je zeshonderd gulden meer. Ja, jawel; maar op één conditie.”“En die is?”“Zie, dat had ik nu juist liever onder vier oogen met je behandeld beste jon....”“Philippe, laatmijdan even....” zegt de jonge vrouw terwijl ze opstaat.“Wil je liever vanmijhooren wat menheer Baars me te vragen heeft? Zooals je wilt Virginie.—Nu, wát is de zaak directeur? Als je zacht spreekt dan zijn we hier onder vier oogen.”“Je bent een man van karakter menheer, ja waarachtig, dat heb ik dadelijk gezegd. Zonder karakter is de kunst niemendal, zonder karakter is een talent mij geen knip voor den neus waard.”“De zaak menheer Baars?”“Welnu, de zaak: een man van karakter schuilt niet achter een pseudoniem. Dat doejijbeste jongen, ja waarachtig, jij schuilt achter een pseudoniem, dat weet je bl...... goed. Wilikje wat zeggen: als je je eigen naam op de affiches laat zetten, dan geef ik je zes—ziedaar dan geef ik je samenachthonderdgulden meer.”“Mijn naamisPhilippe.”“Jawel juist, zooals mijn naam Leonard is, maar hetBaarserbij doet de deur toe. Je naam isHelmond; ik weet het; ik wist het al lang. Je moet dat geen liegen heeten mijnheer!”“Wie zegt je dat ik dat liegen heet: Liegen is laag. Ik verzoek je zoo iets niet te herhalen.”“Maar één ding is toch zeker, óf je schaamt je je naam, óf je schaamt je je betrekking menheer Philippe. Het eerste kan niet waar zijn, dat weet ik. U hebt evenalsik, heel wat grootheid in de familie. Maar wat duivel, ik en een ander we komen voor onze namen uit. Ik zeg:Baars! ’t Gezelschap vanBaarsenKogel, wáárom niet!”“Een geslachtsnaam is geen particulier eigendom;” antwoordt Philippe.“Maar men is toch vrij om zijn naam te noemen waar men wil.”“Wie zijn naam onteert, schandvlekt een heele famile.”“Schandvlekken!” zegt Baars heftig. En dan weer kalmer: “Maar nee, ik wil geen ruzie met je maken. Je hebt je rollen met talent gespeeld; en je vr... mevrouw Philippe, speelt lief, jawel, allerliefst. Maar als het je dan waarachtig ernst met de kunst is, en je waarlijk helpen wilt om ons tooneel te releveeren menheer, waarom onthou je ons dan je besten steun, jenaam! Als de menschen meer en meer namen als Baars en Helmond onder de oogen krijgen—van Kogel wil ik niet spreken, diens heele paremantatie was figurant—ik zeg,dánzullen ze begrijpen menheer, dat we van één bloed en nieren zijn. Nu, wát zeg je: achthonderd gulden er nog bij; ’t Is geen kleintje?”“Nee ik moet je bedanken, menheer Baars;” zegt de jongere Helmond,strak voor zich heen ziende—want inderdaad, achthonderd gulden méér, ’t zou hem in staat stellen zijn lieve vrouw en zijn kind....—Maar neen, hij herhaalt op stelligen toon: “Ik dank je.Ik ben en blijf Philippe.”“Achthonderd gulden!” hengelt de directeur: “Watblief, nog een benefiet voor je vrouwtje erbij; een doorloopende vrijkaart voor je heele familie! Watblief, doe ik niet meer dan ik kan?”Philip Helmond ziet den directeur eenige oogenblikken stilzwijgend aan.—Een vrijkaart voor zijn heele familie! Ha, kon het anders of een sarkastische glimlach moest een oogenblik die lippen plooien?—Een vrijkaart voor den generaal Van Barneveld!—Nu is ’t genoeg:“Ik waardeer je goeden wil menheer Baars, maar ik moet weigeren. Wanneer alleen stukken gespeeld werden zonderslijk; zonder acties en volzinnen die den man en vooral de vrouw verlagen, ja dan zou ik met een dwaas vooroordeel willen breken, en door het noemen van mijn naam misschien ook anderen uit mijn stand bewegen om ons tooneel te helpen verheffen. Maar nu, nee!”—Eensklaps opstaande, gaat hij naar zijn vrouw die, niet ver van de deur bij een kleine tafel staat, en de courant inziet, welke er zooeven door den kastelein was neergelegd.—Ofschoon het nieuwsblad aan de schoone Virginie weinig belangstelling inboezemt, zoo las zij toch, op het oogenblik dat Philip haar naderde, met de meeste aandacht.“Ei, zoozeer in de politiek verdiept?” zegt de jongere Helmond.“Philip, zie eens hier, zie....”En hij leest; en een blos overdekt zijn gelaat. Het nieuwsblad bevatte het bericht dat Dr. A. Helmond genoemd werd als candidaat voor de vaceerende betrekking van hoogleeraar in de medische faculteit te L.....“Hij! hij!!” zegt Philip. En dan: “Ha, dat ontbrak er nog aan!”Eensklaps bemerkend dat de directeur hem terzij is gekomen, herneemt hij, terwijl hij op het bericht wijst en hem streng in de oogen ziet:“Ha! was het daarom!”En de directeur zeer kalm:“Ja, welzeker; dat was tenminste een reden te meer. Dat zou waarschijnlijk wat trekken, debroer van den professor! Zeg, wat dunkt je, zullen we er duizend van maken? Duizend meer, duizend blanke guldens boven het tegenwoordige appointement; twee benefieten en drie plaatsen vrij voor menheer den professor....?”“Zwijg, geen woord meer hierover!” zegt Philip met smadenden lach! “Ik veracht mijn familie; maar ik wil niet dat ze reden zal hebben om hetmijte doen. Ik mag haar naam niet blootstellen aan de kans om in één adem met:De Glorie der Boulevardste worden genoemd.”“Des te beter,” zegt Baars: “als je familie zoo verachtelijk is,welnu dan traiter je ze ’tmeest met rondeman voor je naam uit te komen.”Baars vergeet dat hij door het geven van dezen raad, wat al te veel laat doorschemeren dat hij met het aanbieden van de vrijkaarten, den schijn heeft willen aannemen, alsof hij werkelijk meende dat Helmonds familie er zich niet in ’t minst aan ergeren zou wanneer hij onder zijn waren naam ging optreden.Helmond beschouwt den directeur met een bliksemend oog:“Ik veracht mijn familie, ja! maar wien men veracht dientraitertmen niet; men draait hem den rug toe. Bah!”—Philip heeft de daad bij het woord gevoegd, en zijn vrouw bij de hand vattend wil hij met haar zijn plaats gaan hernemen.“Wie is dat? Wie staart hem op eenigen afstand van de halfgeopende deur, uit het vrij donkere voorhuis zoo onbeweeglijk aan. Is dat.... August?—Neen, dat moet verbeelding zijn; natuurlijk; dat is....“Philip! ben jij ’et?” klinkt het fluisterend op bijna angstigen toon.De jongere Helmond twijfelt niet meer. De hand van Virginie beeft in de zijne. Ook zij heeft gezien, en de stem van Philips broeder herkend. Ja, ze weet het nu zeker; daar staat de man wiens naam men zooeven in het nieuwsblad vermeld vond, en die voor haar man een vervloeking is geworden. Daar staat hij de broeder, van wien Philip, sinds dien morgen in de Tuinstraat, rechtstreeks niets meer vernam; maar die—zooals men verhaalde—in afwachting van mijnheer Van Barnevelds dood, zijn praktijk verwaarloost en de ergerlijkste schulden maakt, alleen ter wille van een ijdele vrouw, waaraan hij zich ter kwader ure verbond.—Ja, hij was het wel. Ook Philip is er zeker van. Een doodelijk wit overdekt zijn gelaat. Maar, nog eer dokter Helmond nu de deur kon bereiken, heeft de jongere broeder haar dichtgedaan, en keert hij haastig met zijn vrouw naar het straks verlaten tafeltje terug.De oudere Helmond—uit den fel gezweepten regen en den droevig donkeren October-avond onder een welbekend dak en in “veiligheid” gebracht, mocht bij het staren naar dat bekend gelaat de angstige visioenen, die hem gedurig voor den geest spookten, voor een oogenblik vergeten.—Dat was Philip, de redder van zijn leven toen ze nog knapen waren; dat was de vurige Philip met zijn snel bruisend bloed; maar ook de trouwe, wiens woord een onverbrekelijk zegel was. Daar stond hij, hand aan hand met de schoone vrouw, die hem op dien morgen zoo roerend heeft gezegd: “Ons kindje slaapt!”—Stil, stil dan, het kindje slaapt, heeft dokter Helmond onwillekeuriggefluisterd, waarna hij—om zich te vergewissen dat hij zich niet bedroog, den geliefden broeder bij zijn naam riep.—Maar neen, hij kon het niet zijn. Zie, de deur deed hij dicht.—Als het Philip was, dan.....“Wilt u logeeren menheer?” zegt Piet die voor den patroon de komedielijst uit de sociëteit heeft gehaald, en weer in de gang kwam.“Ja logeeren. Een kamer achteraf waar niemand komt.”“’t Is ook niet vooraan wat er open is menheer. Veel commis-voyageurs met ’t najaar, en de troep van Baars en Kogel. Ga binnen menheer.” Piet strekt de hand naar den deurknop uit, maar voelt zich den arm weerhouden.—Neen, die heer wilde liefst niet binnengaan, ’t Was daar zoo vol, maar er was toch iemand dien hij spreken moest, in ’t geheim; een bleek blond heer—nog jong.“Philippe....?”“Ja ja, Philip; ja juist,” zegt Helmond met schitterende oogen: “maar zeg hem dat ik hem zeer in ’t geheim moet spreken. Hij mag er niemand iets van zeggen. Niemand verstaje.....De schenker beschouwt den gast een oogenblik met meer opmerkzaamheid, en valt dan uit:“Sakkerloot, neem me niet kwalijk menheer, heb ik ’t plezier dokter Helmond uit Romphuizen te zien? Ik kende u warempel zoo gauw niet.”Helmond is op het oogenblik dat Piet hem zoo aanzag en zijn naam noemde, angstig een schrede achteruitgegaan.... O God! Als men hem herkende. Maar hoor, hoor Goddank!—Piet zou hem niet verklappen. Piet begreep er alles van.— Jawel, als dokter hier logeeren wil, zonder dat iemand—behalve die één, jawel, begrepen—er iets van merkte, dan zou hij hem wel helpen. Achter de comediezaal, bij ’t koetshuis, daar was nog een net kamertje:“Kom maar mee dokter,” vervolgt de schenker: “ik vat de reden van uw komst wel.—’t Is menheer zijn eigen broer niewaar? Compris!—De patroon en Baars zijn op één hand; natuurlijk! Maar ik kan me begrijpen dat ’et schandaal-maken is.—Ja ik zal wel zorgen dat u hem ongezien te spreken krijgt; laat dat maar aan Piet uitDe Romeinover.”“Zoo, zul jij zorgen dat niemand,niemandme ziet?” zegt Helmond; en, gedurig rechts en links turend, volgt hij den schenker die met een blaker vooruitgaat, door een zeer lange zijgang, en eindelijk na een plaatsje te zijn overgegaan, en nogmaals een smal gangetje te hebben doorloopen, in een kleine doch nette kamer.’t Was gelukkig voor den armen dokter dat de kleinsteedsche hotelbediende de zaken, zooals hij dat noemde, “altijd zoo juist in hun verband beschouwde.” Piet had het aanstonds begrepen.—heelemaal! Dokter Helmond uit Romphuizen heeft gehoord dat zijn broer—die eigenlijk een gemeen sujet is en z’n zelvers bij Baars en Kogel verengageerd heeft—morgen hier zal meespelen. Jawel en nu komt hij hem uit naam van de heele familie bewegen om z’n eigen toch niet te vergooien. Welzeker, de dokter zal slagenals ie bij z’n broer maar over de brug komt; en, Baars zal woedend zijn; maar dat kan Piet niet schelen. Piet heeft er eigenlijk een hekel aan dat zijn patroon den troep van Baars en Kogel in deRomeinneemt. ’t Was al van ’t minste soort; en toch, al die spullen ’t gaf een behei en geherrie, waardoor ’en mensch altijd uit zijn gewonen doen raakt.—Enfin, geen haan zal er naar kraaien dat de dokter Van Romphuizen,met zulk een doel hier is. Piet moet den directeur geen kans laten om dien Philippe door een hooger bod te winnen. Niemand zal tusschen beiden komen, en als morgen die voorstelling fout loopt—omdat Philippe en z’n vrouw niet meespelen—dán, dan lacht Piet in z’n vuistje, want de troep zal dan zeker hier voor het laatst geweest zijn.—Spoed nu, men wacht op de lijst. Maar stil, eerst met een lucifer de kleine kachel aangestoken, waarin reeds wat spaanders met een vuurmaker op de bezielende vonk hebben gewacht. Dokter scheen het zeer koud te hebben; zijn kleeren waren erg nat. De dokter was afgevallen; althans voordeelig zag hij er niet uit,—Of dokter Helmond ook iets gebruiken zou....... een glas warmen grog!?“Ja ja, dat is goed; maar, noem mijn naam niet; men zal toch hiernaast niet kunnen hooren....?”“Volstrekt niet dokter; geen de minste nood.Als dokter ’t verkiest dan kan hij vertrekken zoo laat en zoo vroeg als hij wil, door ’t achterdeurtje naast de concert- en comediezaal. Dit is het zoogenaamde cachet-kamertje dokter, ’t ligt heel appart.”Eenige oogenblikken later is Piet in de algemeene logementkamer teruggekeerd, en heeft al spoedig den heer Philippe in ’t oor gefluisterd, dat er iemand was die hem noodzakelijk spreken moest; maar in ’t geheim; heel dood in ’t geheim.“Ik ben niet te spreken;” heeft Philippe geantwoord.Piet moest hem toen de duimschroeven aanzetten:“’t Is uw eigen broeder menheer; dokter Helmond uit Romphuizen.”“Wie zegt jou dat ik anders heet dan er op ’t affiche staat?”“Nou!” zegt Piet, met een zeer vrijmoedigen zijdelingschen ruk van het hoofd, en laat er zachtjes op volgen: “Als u z’n eigen broer niet waart, dan zou die goeje dokter zeker niet door zoo’n heidensch weer heelemaal uit Romphuizen komen om u te spreken. Hij heeft iets heel gewichtigs menheer Philippe, en”.... met een knipoogje:“geld als water.”De jongere Helmond ziet den schenker aan alsof hij hem door den grond wilde boren! Die vent is hem geen antwoord waard:“Geef papier en inkt!” zegt hij gebiedend.Piet zet groote oogen.“En inkt....? Asjeblief menheer.”Helmond schrijft:“Men moest niet vergeten dat Philippe Helmond gewoon is zijn woord te houden. Hij houdt het aan een tooneeldirecteur zoowel als aan de vrouw zijner keuze.“Men moest begrijpen dat men zich verachtelijk maakt met openlijk eerbied voor trouw en rechtschapenheid te veinzen, en in ’t geheim den meineed te komen aanvuren. Men moest zich schamen den steen te werpen op een onervaren kind—wier zonde het was dat ze bouwde op een mannenwoord, terwijl men zelf in verwijfden dommel wordt meegesleurd door een Sirene.“Men moest zich bloedrood schamen, slechts dán van zich te doenhooren, wanneer men—zelfs badend in de weelde—week wordt voor een oogenblik; of, door eigenbelang gedreven, wél handen vol gelds zou willen wegwerpen om een naam te redden voor ’t oog der wereld, maar geen stap zal teruggaan op den weg der verguizing.“Dokter Helmond zal bemerken dat ik weet waarom hij mij spreken wil, en dat ik begrijp wat hij mij te vragen heeft. Hem te woord te staan doe ik niet, Maar toch dokter, keer blijmoedig naar huis terug: Ofschoon er acteurs zijn en actrices die ik als vrienden de hand druk,nobele zielen—nobeler helaas, dan het eerste kind onzer moeder,—wees gerust, ik zal den naam van onzen vader niet huwen aan een kunst zoolang ze nog den cancan in haar wapen voert.—Welaan keer met verruimden zin naar de vetpotten van een godzaligen pleegvader, en de omarming eener welopgevoede vrouw terug. Zelfszonderdat men hem behoeft om te koopen zal de neef van een generaal en de broer van een hooggeleerden professor misschien, het geheim zien te bewaren dat hijgemeenacteur is.“Ik eindig.—Philip Helmond bestaat niet meer; maar de acteur Philippe, die geen broeder meer heeft, hij haat den man die al dieper zinkt naarmate hij hooger rijst in de schatting der wereld; hij veracht den man die, misschien uit naam van een grijzen schijnvrome, hem geld komt bieden voor ’t breken van zijn woord.PHILIPPE.”“Lees Virginie,” zegt de jongere Helmond, en geeft haar het schrift.De lange zwarte wimpers der actrice gingen naar beneden. Zij las. Philip bleef haar aanstaren.—Nu zij gelezen heeft zegt ze:“Die brief mag hem niet onder de oogen komen Philip.Ikkon evengoed de Alma spelen, alsjijhem dien brief sturen.”“Wat meen je?”“Je oordeelt en veroordeelt zonder onderzoek.”“Weet ik dan niet....?”“Je weet lieve man, dat de dokterhieris, en dat hij je spreken wil: maar, wàt hij te vragen heeft dat weet jeniet.”“Maar dat spreekt immers van zelf; het heeft geen onderzoek noodig. Ik veracht den afgezant van dien generaal.—Geef me den brief Virginie.”“Als je hem dadelijk wilt verscheuren.... ja, maar anders nee!”De jongere Helmond ziet zijn vrouw eenige oogenblikken met gefronste wenkbrauwen aan:“Laat mij den brief nog eens zien Virginie.”“Als je hem verscheuren wilt, andersNEE!”Na een oogenblik van inwendigen strijd zegt Philip:“Hij zal hemnietlezen. Geef hier.”Zonder de geringste aarzeling reikt Virginie haar man nu den brief toe, en Philip.... nadat hij het geschrift nog eens vluchtig heeft doorloopen, ziet haar aan met een pijnlijk zoeten glimlach, en—verscheurt den brief.Nu roept hij den schenker:“Breng me bij den dokter van Romphuizen. ’k Zal toch den man even spreken.” En tot zijn vrouw: “Virginie ga mee, ik breng je dan met een naar onze kamer.”Het gesprek der jonge echtgenooten zou misschien de aandacht der aanwezigen hebben getrokken, indien niet weinige oogenblikken te voren een reiziger ware binnengekomen, die veler belangstelling had opgewekt. In luidruchtige bewoordingen verhaalde de man hoe hij te Romphuizen den laatsten trein was misgeloopen, en—omdat hij volstrekt vóór middernacht in Utrecht moest wezen, er een rijtuig genomen had. Onderweg, met dat noodweer, was men echter met één armzaligen knol zóó bitter langzaam vooruit gekomen, dat hij den kastelein nu dringend moest verzoeken om hem aanstonds van hier een ander rijtuig met een “uitgeslapen tweespan” te geven.Juist toen Philip en Virginie de gezelschapskamer hebben verlaten, vraagt de kastelein, nadat hij zijn bevelen voor het rijtuig had gegeven, of er dan te Romphuizen inDe Gouden Arendgeen “goed spul” meer te krijgen was. Daarop heeft de vreemde verhaald dat men inDe Arendgeen rijtuig had kunnen geven, want de beide vigilantes waren uit. Er was in het stadje een heele opschudding geweest. Een kolonel, of zoo iets, moest heel subiet overleden zijn; en een dokter die hem vermoedelijk bestolen had, zou de vlucht hebben genomen, hij wist er het rechte niet van, maar ’t heeft hem ook niet kunnen schelen; morgen stond het toch in alle couranten. Voor ’t oogenblik had hij maar één gedachte, namelijk de vrees van te laat in Utrecht te zullen komen.Dokter Helmond zit in zijn afgelegen vertrekje bij de kleine kachel. Achter hem brandt een bougie op de tafel. Helmonds gelaat, ’t welk met een donkerrood is overdekt, valt daardoor weinig te zien. Zijn handen gloeien. Zijn geheele lichaam brandt. Zijn oogen schitteren van koortsvuur.—O God men komt!—“Wie is daar....!?”“Hier is mijnheer Philippe;” zegt de schenker, en wil nog eens even wat hout en turf op de kachel doen.... Maar, de jongere Helmond ziet hem aan en.... kijkt hem de deur uit.“Je woudt me spreken. Wat is er?” zegt Philip.August Helmond blijft in dezelfde houding bij de kachel neerzitten, en ’t klinkt op geheimzinnigen toon:“Ben jij het Philip? Spreek zacht. Als men ons hoorde....”“Niemand hoort ons;” antwoordt Philip, en dan terwijl hij naar de deur gaat en die eensklaps weer opendoet, zoodat hij den luisterenden knecht er bijna mee achterover werpt; “En niemand neemt het in zijn hersens om ons te beluisteren.”—Dan de deur weer dichtdoende vervolgt hij tot August: “Maar wat je mij te zeggen hebt, ’t zal toch taal moeten zijn die iedereen desnoods hooren mag, of anders—zou ik je nog dieper verachten dan ik het nu doe.”August is opgestaan. Bij het schijnsel der kaars kan Philip nueerst dat gloeiend gelaat en het van koortsgloed fonkelend oog beschouwen.De jongere Helmond doet een schrede terug.“Ik zie het wel, je weet het; je schrikt van me niewaar?” fluistert de oudste: “Ja er kleeft bloed aan mijn handen. Daar staat hij, zie zijn oogen puilen uit de kassen.... zie je wel Philip!—O God, en hij heeft ons vervloekt!”“August, wát.... wát zeg je?” stottert Philip, plotseling doodsbleek geworden: “Is hij dood....? Heb jij, jij...?”“Ja, zie je dat niet? Zie je dan niet dat ik zijn moordenaar ben!? O God! daar vliegt mijn kind op me aan. Hou tegen, hou tegen! ’t Steekt met een mes. O Eva, Jezus! God! O! weg, weg!”Eer de jongere Helmond zich van de ontzetting kon herstellen, die hem schier aan den grond heeft genageld, was de oudere broeder uit de kamer gevlucht en sloeg de deur met geweld achter zich toe.’t Was een donker portaaltje waarin de vluchteling zich nu bevond. Rechts is de smalle gang die over het plaatsje, nogmaals door een langere gang naar het voorhuis leidt.—Neen, op dezen weg liggen de gerechtsdienaars in hinderlagen. Voort! Ter linkerzij loopt de smalle gang op een achterdeur uit.—’t Is donker! Waar is de knop van die deur?—Wie heeft den sleutel? Wie houdt haar gegrendeld?—O God, daar komen ze. Hoor maar, paardengetrappel.—Hoor!Nu bonst hij op de deur. “Doe open, doe open!”Daar wordt aan de buitenzij een grendel verschoven. De deur knarst open.Een groote stallantaarn die nevens kartuigen aan een haak tegen den wand hangt, werpt een weifelend licht over een oude kapsjees, een paar hooge gele wagens benevens een kar die met de boomen op den grond rust.—Ter rechterzij is het een zwarte massa, waarin het licht slechts grillige en onbestemde figuren teekent, maar toch duidelijk genoeg twee grauwe koppen boven den nu onzichtbaren lijkwagen doet grijnzen. Een hooi en mestlucht vervult de ruimte.—Nabij de groote deur trappelen paarden. Ze zijn voor een vigilante gespannen. Een man die zooeven hielp om de tuigen te gespen, trekt nu in allerijl een jas met drie lange mantelkragen aan; wischt zich het zweet van het voorhoofd, en trekt zich een bonten nachtpet over de ooren.“Hier Gerrit, geef me de zweep! Vervoerd, dát heet haasten.”“Moet jij naar Utrecht menheer?”“Ik ja, voort! Om Godswil voort!”Het portier der vigilante was reeds geopend. Dokter Helmond verdwijnt in het donkere rijtuig.“Rij maar op Jan!” roept de man die het portier met kracht weer dichtslaat: “D’r zal zeker een goeje fooi op overschieten; er is ’en haast van geweld!”“Vort poppetjes, vort!” zegt Jan op den bok. De paarden trekken aan. Uit het groote koetshuis vanDe Romeinkomt de vigilantein de straat. Jan doet de zweep klappen. En zie de paarden zijn wakker al is het vrij donker daarbuiten; ze schieten in een krassen draf, en verdwijnen al spoedig met het ratelend rijtuig om den hoek der Utrechtsche straat in den stormachtigen nacht.Binnen de algemeene hotelkamer heerschte weinige minuten later een zeer ongewone opschudding.’t Was onmogelijk om het rijtuig nog in te halen, ’t welk door den vreemden reiziger was besteld, doch waarmee de dokter van Romphuizen zich uit de voeten heeft gemaakt.Na al wat men vernam en ’t geen de schenker nu bovendien heeft moeten aan ’t licht brengen, is het zoo goed als zeker dat, met denkoloneldie, volgens den reiziger, in Romphuizen zou vermoord zijn, degeneraalVan Barneveld was bedoeld.—Wat wisten de Romphuizers van ’t militair!—En, meer dan zeker was het ook dat zijn pleegzoon, dokter Helmond, de schuldige moest wezen; immers Piet heeft hem onder andere zelf hooren zeggen:, Spreek zacht Philip; als men ons hoorde!” en later heel duidelijk, ofschoon van verre, nog de woorden: “O God!”, en “moordenaar.”De reiziger, die zulk een haast had, was woedend, maar zou in allerijl op een andere manier worden geholpen. ’t Ergste van alles, zei de kastelein, bleef de ontzettende geschiedenis zelve, waarvan—hoe kon men onschuldig ergens inloopen—het laatste bedrijf nu in het alom geëerde logementDe Romeinwas voorgevallen.De mannen in de gelagkamer spraken luid met gefronste wenkbrauwen, en schudden het hoofd; de vrouwen luisterden, en zagen bleek.“’t Is de broer van Philippe. De broer van den nieuwen trotschen confrère;” zoo luidde het onder de acteurs overal.De commis-voyageurs spitsten de ooren; en die er brieven schreven, stelden postcriptums, waarin ze de ontzettende gebeurtenis vermeldden.Toen August hem straks alleen liet, en hij, hevig ontsteld, hem een oogenblik later wilde opsporen om hem naar het kamertje terug te brengen, toen spoedde hij zich naar het voorhuis, want aan een achterdeur heeft hij niet gedacht. Doch nergens mocht hij hem vinden.—Philip wist niet dat August reeds buiten de stad was, toen hij in ’t eind ook in het koetshuis naar hem kwam onderzoek doen.—Was dan August Helmond—zijnbroeder, een moordenaar; de moordenaar vandien geliefdenpleegvader!?—Wondere menschenwereld!—De lammeren onder hen worden wolven wanneer de nood hen dringt.—Bloeddorstige doggen leggen zichzelf aan den ketting en lijden gebrek!—Ja, ik wist dat hij verachtelijk was, ik wist het! Maar zoo!—Ach God, zou het wel waar zijn!“De commissaris van politie kan met mij meerijden,” zegt devreemde zeer overluid tot den kastelein: “tenminste wanneer hij hier in de sociëteit is. Als hij den moordenaar snapt is zijn fortuin gemaakt.Tot Philip sprak men niet.—Nu is hij verdwenen.—Hij vliegt naar zijn vrouw, en zegt haar zijn plan, en wat háár te doen staat.Een klein kwartier later joegen twee vigilantes in den donkeren nog altijd door zware buien verdeelden voornacht, op den straatweg tusschen Briesborg en Utrecht.In het voorste rijtuig ligt een mensch onbewust dat er een wereld om hem heen is.In het rijtuig dat volgt, zitten twee mannen die over gruwelijke moorden spreken, en over dokter Helmond en zijn ijdele vrouw.Op den bok van dat tweede rijtuig zit, naast den koetsier, een man in een glimmende regenjas. Voor een goede fooi heeft de voerman aan dat heerschap vergund om naast hem mee te rijden. Hij spreekt geen woord; maar telkens als de reiziger die vóór twaalven in Utrecht moet wezen, zijn stem verheft en schreeuwt om wat harder te rijden, dan zegt de man in de regenjas, dat men ter wille van eenmenschzijn paarden toch niet doodjagen mag. De voerman geeft hem gelijk.Omstreeks kwart voor twaalven—ongeveer een half uur later dan de eerst uit Briesborg vertrokken vigilante—rijdt de tweede vigilante de grijze Bisschopsstad in.Teneinde den reiziger, die zulk een haast had, geen oogenblik op te houden en aanstonds te brengen waar hij wezen moest, is men bij het binnenrijden van de stad een geheel anderen weg ingeslagen dan dien naar het kleine logement waar men straks stallen zou, en ’t welk de koetsier met de zweep heeft aangewezen.—De man in de regenjas is dáár—en alzoo in de nabijheid van het logement waar het eerste rijtuig zeker reeds was aangekomen—van den bok gesprongen.Mijnheer Hagel, de commissaris uit Briesborg, is echter in het rijtuig gebleven, om, na den vreemde op de plaats zijner bestemming te hebben gebracht, even bij het politiebureel aan te rijden en er een paar agenten te verzoeken om eens even met hem mee te gaan.Toen—weinige seconden na de aankomst der tweede vigilante in Utrecht, een heer in een glimmende regenjas het kleine logement is binnengestapt, toen heeft hij op zijn vragen, van een half slapenden schenker ten antwoord gekregen, dat er, jawel, met het rijtuig uit Briesborg een heer was aangekomen, die onderweg zwaar ziek moet zijn geworden, want, zoo wit als een lijk had hij in den wagen gelegen.De juffrouw-eigenaresse van dit logement had eerst zwarigheid gemaakt om hem op te nemen, maar hij had er zoo akelig en toch zoo goedaardig uitgezien dat zij heeft toegegeven; en nu geloofde de schenker dat er iemand naar ’t gasthuis was gegaan om een dokter te halen, hoewel het al op slag van twaalven is.—Hê!—Of de knecht dan niet begreep dat hij—de man in de regenjas—de dokter zelf was’? Men behoefde niet meer naar’t gasthuis te zenden. Hij heeft geweten dat deze heer hier komen zou.—O, ahzoo; of dokter dan maar bliefde mee te komen? Hier beneden in het tuinkamertje was de zieke menheer. In nummer drie.—In de hevigste onrust staat Philip Helmond eenige oogenblikken later bij de kleine sofa, waarop de oudere broeder als wezenloos neerligt.—Philip ziet naar de deur. Hij vergat haar te sluiten. IJlings snelt hij terug naar de deur, luistert, en draait den sleutel om.—Maar nu, wat moet hij beginnen? Slechts door een snelle ademhaling geeft August teekenen van leven; doch, wat Philip ook beproeft om hem te doen ontwaken en hem op de wijze zooals hij zijn plan maakte, tot een spoedige vlucht te bewegen, neen—dat gelukt hem niet.—Kan die ongelukkige dan hier blijven terwijl binnen weinige minuten de commissaris in dit logement het allereerst naar hem zal onderzoek doen!“August, August! in ’s-hemelsnaam, keer toch tot je zelf. Verman je, August. Men zal je vatten. Sta op, ik ondersteun je. ’t Zijn geen twintig schreden tot buiten de deur, en dan nog een paar stappen tot om den hoek der straat. August in Godsnaam word wakker!”Maar ’t is vergeefs. Zijn krachten schijnen uitgeput. Een pijnlijke glimlach speelt er om zijn mond.—Doch nu, eensklaps opent hij de oogen, en fluistert met een akelige stem: “Vergif, vergif! Pas op Eva. Voort! weg!”“Ja waarachtig voort!” zegt Philip.—O mijn God, maarhoedan! en hij werpt een angstigen blik naar de deur. Immers, hij kan den ongelukkige toch niet door de gang het huis uitdragen. Wat zou men denken als men ’t zag! Ha, wanneer die kleine glazendeur uitkwam op een tuintje, waarmee men in een achterstraat kon komen....! In een oogwenk is Philip bij die deur. Zij is goed gesloten; hij trekt en wringt.Openzalze, openmoetze.—Neen neen, hijkanniet—neen!—Ha, den pook bij de kleine kachel!—Hij luistert.—Nadert daar een rijtuig—-? Ja, o God, men komt, het is te laat!—Welnu, met dien pook zal hij hem verdedigen; den eerste die de band naar den armen drommel durft uitsteken, dien vermorzelt hij den kop.—Hoor het rijtuig is.... neen.... het rolt voorbij.—Goddank, hij heeft nog tijd.Philip mag een oogenblik herademen.—Wacht, met dien pook kan hij toch die tuindeur dwingen. Fiks! krachtig!—Ha, met een weerspannig geschrijn barst het slot vaneen.—De deur is open. Hij ziet naar buiten. Inweerwil van de duisternis bemerkt hij dat het werkelijk een ten deele geplaveid tuintje is. Scherper ziende bespeurt hij eenig oud vaat- en mandenwerk, ’t welk naast steenkolen en wijnflesschenhokken bijeenstaat, en door de verhagelde en afgewaaide bladeren van een kastanjeboom overdekt wordt.—Is daar een uitgang? Hij bespeurt er geen. Wat zal hij nu beginnen! ’t Ware nóg beter in de kamer te blijven, dan August ginds in een dier hokken of achter die manden te verbergen. Immers men zou hem er aanstonds vinden, en dan....! Philip voelt zich eensklaps als met een ijsbad overgoten.“Wie daar! Wat mot je?” roept een schrille stem uit een keukendeur in het tuintje uitkomende.De jongere Helmond heeft zich geheel hersteld. Wie weet..... het geluk had hem straks in de gedaante van een halfslapenden huisknecht gediend.“De zieke moet lucht hebben mevrouw;” klinkt zijn antwoord: “’t Is noodig, volstrekt.”“Ben uwe de dokter....? Ahzoo. Maar was die tuindeur dan niet gesloten? Wel lieve hemel, u deed me schrikken. M’n eerste denkbeeld was dat ze hier inbraken. Is die passagier zoo erg, dokter?”“Ik vrees.... dat zijn benauwdheden op een rotkoorts zullen uitloopen.”“Maar mijn hemel, dan hou ik hem geen uur in m’n huis. Rotkoorts! God beware!”“Zoodra ik hem zag,” herneemt de vermeende dokter snel doch schijnbaar kalm: “begreep ik dat je hem niet houden kondt.”“Nee, nee!” schudt de dikke dame, en volgt den dokter aarzelend in de tuinkamer.“’t Was aanstonds mijn plan om hem mee naar het gasthuis te nemen, maar ik liet toevallig mijn koetsje hier aan de achterzij van je huis staan; en....”Philips hart sloeg met felle slagen. Immers hij wist niet of er werkelijk een straat achter dat tuinmuurtje was; bovendien gevoelde hij de ongerijmdheid dat hij als dokter, nog na middernacht zijn eigen rijtuig zou rijden, en zoo ja, dan niet tot voor de deur der woning waar hij wezen moest.“O, hierachter op ’t Singel; jawel, wat buiten den wind,” helpt de hospita: “Ik wou dat j’em d’r in hadt dokter; de ziekte is ’em wel duidelijk aan te zien.”“Kan ik hierachter door den tuin op het Singel komen?” vraagt Philip terwijl zijn hart nog feller bonst voor een mogelijkNeen!—Maar, God zij dank:“Welzeker;” klinkt het antwoord. En dan: “Ja dokter, als je hem meenam dat zou me een pak van het hart zijn. Morgen met de markt dan wist ik geen raad. Verbeelje, rotkoorts in huis. Lieve hemel!”“Als ik er jepleziermee doe....?” zegt Philip.—Maar dan; hoe zal hij alleen dien machteloozen mensch naar buiten krijgen?—De juffrouw zou haar knecht roepen.—Nee,nee,—er was geen oogenblik tijd te verliezen,—dat moet zij niet doen. De knecht moest liever niet weten dat de juffrouw zoo’n haast had gemaakt om een ongelukkigen zieke kwijt te raken. ’t Was niet goed voor haar naam. Och, indien zij den armen man, die nu heel stil was, en nog wel een uur zoo zou blijven—jawel dat kon bij haar vast verzekeren—indien ze hem nu even aan den anderen kant wilde ondersteunen, dan kon men hem gemakkelijk op ’t Singel buiten de tuindeur brengen. Die deur was immers open.....!?—Nee, de juffrouw moest die eerst losgrendelen.De oogenblikken waren voor den angstig wachtenden broeder zoo vele uren.Hij meent nu weer heel in de verte een rijtuig te hooren.Ja, jawel, ’t komt nader....“Mevrouw, mevrouw!” roept Philip naar buiten.“Hier ben ik dokter. De poortdeur ging wat moeielijk open.”“Als ú hem nu aan dien kant onder den arm woudt nemen mevrouw.—Komaan Augu....—Komaan menheer; u moet je wat meegeven. We zullen je goed en wel in ’t gasthuis brengen.—Asjeblief mevrouw. Geheel alleen zou ’t mij onmogelijk zijn.”Het rijtuig kwam al nader en nader.“Ja, maar rotkoorts dokter ... U moet me niet kwalijk nemen; om nu een mensch met rotkoorts aan te vatten ... nee ...”Het rijtuig kon slechts weinige huizen meer van de woning verwijderd zijn.“Maar hijheeftze nog niet. Als u weigert dan blijft hij hier. Ik heb haast.”De dikke juffrouw aarzelt, en dan....Maar neen, ’t was niet noodig. De lijder staat eensklaps overeind.... O God, wat ziet hij haar aan.“Neem dat gif weg Thom! Weg er mee!—Zes grein!—Eva, Eva, voort, voort!”“Dat is de koorts die komt opzetten;” zegt de jongere Helmond, en vat zijn broeder onder den arm; en diens laatste woorden herhalend, dwingt hij hem naar de zij der geopende tuindeur.—Hoor! O goede God, het rijtuig houdt reeds stil voor de deur. Men komt.—Philip wil haastig voortgaan.August Helmond rukt zich eensklaps los en, in de kamer terugkeerend en met angstig gebaar naar de hospita wijzend, fluistert hij schril: “Zeg haar dat zij ons kind het mes moet afnemen, zie je niet....? Zie, dat, dát, dát moorddadige mes!”Philip hoort gerucht in de gang; voetstappen van meer dan één persoon.Met overspanning van krachten grijpt hij den broeder onder den arm. Zoo kalm als ’t hem mogelijk is, zegt hij: “Goeden avond mevrouw!” en, straks de tuindeur van de buitenzij dichtwerpend, voert hij met vreeselijke gejaagdheid den ijlenden broeder tot buiten de tuinpoort op den verlaten singel.Ofschoon het terrein hem geheel onbekend is, toch zou Philip al spoedig bemerken dat het doel, ’t welk hij zich voorstelde, zal bewerkt worden. Slechts weinige schreden voorbij dien muur, ziet hij links in de vaart weer de trekschuit die men straks is voorbijgereden en waarvan de voerman heeft gezegd dat het de nachtschuit op Amsterdam was. Om twaalf uren, ruim, voer ze af.De groote Domklok bromt twaalf.De hospita uit het kleine logement, niet weinig ontroerd door het gebeurde, en straks geheel van streek door hetgeen ze uit den mond der politie zal vernemen, ze zegt in gemoede: dat die vluchteling zich werkelijkzóóziek heeft weten te houden dat zelfs dedokter erdupevan werd en hem mee naar het gasthuis heeft genomen. Den naam heeft ze niet gevraagd; maar ’t was de dokter van ’t gasthuis.En terwijl nu de Briesborger commissaris vol ijver zijn nasporingen in de Utrechtsche gasthuizen begint, om echter al spoedig andere vermoedens te koesteren—glijdt de nachtschuit op Amsterdam langs de laatste gaslantaarns en woningen buiten de stad. Aan het roer staat de schipper, en, als hij even in de voorkajuit duikt om zijn kort eindje pijp op te steken, dan slaat hij zijdelings een oog op de beide passagiers die—“ter wille van een vrouw die erg ziek is, zoo haastig naar Amsterdam moeten.”Bij het schijnsel der wiegende hanglamp kan hij hen zien, daar ginds in den hoek der kajuit; en hij twijfelt er niet aan of het moet al een heel erg geval wezen, want, de oudste dier beide mannen is mede geheel van streek.—Zie maar, als een geest zoo wit ligt hij achterover, en tegen den schouder van den jongste, die hem het liggen al zachter en gemakkelijker maakt, terwijl die jongste zelf zich gedurig het zweet van de slapen wischt.

Op het oogenblik dat men Helmond uit de stootende kar hielp, zweepte een nieuwe stormbui een slagregen door de Briesborger straten, zoodat er nu, in den laten avond, geen levend wezen meer te zien was.

Alleen voor de deur vanDe Romein—het Briesborger logement bij uitnemendheid, en bovendien het toevluchtsoord voor wie naar publieke genoegens verlangde—zag men nog leven en beweging.

Twee groote reiswagens werden er juist ontladen; de laatste koffers of kisten draagt men naar binnen, en de dampende paarden die straks, sterk rillend, het tuig deden kletteren, voeren nu de ledige gele gevaarten door de groote koetshuispoort onder dak.

Helmond is bij het afstappen van de kar tot eenig zelfbewustzijn gekomen. Althans hij beseft de noodzakelijkheid om zich niet langer aan dien vreeselijken slagregen te blijven blootstellen. Dat huis aan gene zij van de stadspoort is het logement. Ja; maar niemand zal daar weten wie hij is: “Want de hagel die hem straks in het aangezicht sloeg heeft hem geheel onkenbaar gemaakt.”

In de groote gelagkamer van het logement was de kastelein met zijn bediende druk bezig, om een aantal gasten te bedienen, die zooeven met de groote reiswagens waren aangekomen. De meesten hadden het koud en geeuwden.

“Nog al plaatsen genomen kastelein?” vroeg een gezet heer die het erg koud scheen te hebben en daarom zijn lange pelsjas nog aanhield.

“Dat houdt niet over menheer Baars. Van middag waren er geloof ik vier en twintig; maar, de lijst uit de sociëteitskamer is nog dáár.—Hei Piet, ga jij die lijst eens halen.”

“Zóó, vier en twintig!” zegt de tooneeldirecteur, en bromt iets tusschen de tanden.—“Dat heb je van die kleine plaatsen,” herneemt hij: “ze weten niet wat kunst is. Ze motten de poppenkast zien. Gisteren te Zutfen had ik het huis stampend vol!”

“’t Kan nog bijspijkeren menheer Baars. Morgen worden de meeste plaatsen genomen; en,” vervolgt de kastelein nu zachtjes: “voor het bericht in het Briesborger weekblaadje is gezorgd. Mijn neef de schoolmeester heeft er geen inkt aan gespaard. Je nieuwe sujetten heeft ie in de lucht gestoken van belang. ’t Zou me niet verwonderen dat er morgen zelfs Romphuizers kwamen. Dat volk is zoo arm dat ze geen lokaal hebben half zoo groot als het mijne. Als het morgen wat beter weer is menheer Baars, dan....”

“Tenminste ’t moet heel wat beter worden dan den eersten keer, anders zie je me niet weerom. Laatst kon ik er zestig gulden bij toeleggen; daar sta je geen kou en ellende voor uit.”

“Nee zeker niet;” zegt de kastelein, en dan zachtjes, nadat hij den directeur op een bericht in een der groote nieuwsbladen heeft gewezen, met een zijdelingsch knipoogje op een man die met een jonge vrouw ginds aan een tafeltje koffie en brood zit te nuttigen: “Alsdiebijten wou, hê?”

“Trotsche kerel!” bromt de tooneeldirecteur: “Ja, alsdiebijten wou!”—Eensklaps zich omwendend tikt hij den zooeven aangeduiden man op den schouder, en zegt terwijl hij hem terzijde wenkt:

“Menheer Philippe, ’en woordje alsjeblieft? Pardon mevrouw, één oogenblik maar!”

Philippe staat op; neemt een stoel; zet dien bij het tafeltje, en zelf weder plaats nemend, zegt hij: “Ga zitten menheer Baars. Voor mijn vrouw heb ik geen geheimen.”

“Ja maar, ik wou je even alleen spreken; ’t is een delicate vraag.”

“Daar wil ik juist dat mijn vrouw van profiteeren zal. Zulke vragen komen zelden voor.”

“Je toon menheer Philippe, tegenover je directeur is doorgaans onvriendelijk. Ik weet niet waaraan ik dat verdien.”

“Dat verdien je menheer, omdat je mijn vrouw wilt dwingen in een stuk op te treden datgemeenis. Maar, voor een onmogelijk wulpsch individu als Alma inDe Glorie der Boulevardszal ze niet spelen!”

“Tututu mijn beste jongen....”

“Ik ben jejongenniet menheer Baars. Ik heet Philippe. Nog eens, mijn vrouw zal ernietvoor spelen. Neem er juffrouw Lelie voor; ze heeft toch bij uw gezelschap den naam van la Puritaine.”

“Ik meen menheer Philippe, dat ons contract....”

“Ons contract zal nageleefd worden,” valt Philippe in: “maar wanneer de directeur ons onmogelijke rollen geeft, rollen waarin men zich ten aanschouwe van ’t publiek naakt uitkleeden of ophangen moet, dan is de acteur die ze aanneemt immoreel of krankzinnig.”

“Je overdrijft menheer Philippe. De Alma is een coquette, een....”

“Mijn vrouw speelt die rolniet! Dit is nu driemaal gezegd; en ik hoop genoeg.”

“We zullen zien, we zullen zien menheer! Ik meende dat het een compliment was aan de schoonheid van mevrouw Philippe, dat ik in overeenstemming met den regisseur, haar een rol gaf waar het publiek bepaald plezier in zal hebben.”

“Dan is het publiek verachtelijk! Wie een actrice toejuicht, die zulk een rol speelt, zou ik in ’t gezicht willen slaan, ’t Is vreemd menheer, dat je als directeur zoo weinig de roeping van het tooneel begrijpt.”

“Ja beste jong.... menheer Philippe,—wat zal ik je zeggen: we moeten dubbeltjes slaan. Enfin, we kunnen er wel zoo’n beetje voor zorgen dat je tevreden zult zijn.—Maaràpropos—wat ik zeggen wou, ’t was mijn plan om je appointement te verhoogen.”

“Ei!”

“Je ziet ik voorkom je, ofschoon je weer in Zutfen hebt gemerkthoe allemachtig slecht de lui opkomen. Ja menheer je bent een acteur die aanmoediging verdient. Ik geef je zeshonderd gulden meer. Ja, jawel; maar op één conditie.”

“En die is?”

“Zie, dat had ik nu juist liever onder vier oogen met je behandeld beste jon....”

“Philippe, laatmijdan even....” zegt de jonge vrouw terwijl ze opstaat.

“Wil je liever vanmijhooren wat menheer Baars me te vragen heeft? Zooals je wilt Virginie.—Nu, wát is de zaak directeur? Als je zacht spreekt dan zijn we hier onder vier oogen.”

“Je bent een man van karakter menheer, ja waarachtig, dat heb ik dadelijk gezegd. Zonder karakter is de kunst niemendal, zonder karakter is een talent mij geen knip voor den neus waard.”

“De zaak menheer Baars?”

“Welnu, de zaak: een man van karakter schuilt niet achter een pseudoniem. Dat doejijbeste jongen, ja waarachtig, jij schuilt achter een pseudoniem, dat weet je bl...... goed. Wilikje wat zeggen: als je je eigen naam op de affiches laat zetten, dan geef ik je zes—ziedaar dan geef ik je samenachthonderdgulden meer.”

“Mijn naamisPhilippe.”

“Jawel juist, zooals mijn naam Leonard is, maar hetBaarserbij doet de deur toe. Je naam isHelmond; ik weet het; ik wist het al lang. Je moet dat geen liegen heeten mijnheer!”

“Wie zegt je dat ik dat liegen heet: Liegen is laag. Ik verzoek je zoo iets niet te herhalen.”

“Maar één ding is toch zeker, óf je schaamt je je naam, óf je schaamt je je betrekking menheer Philippe. Het eerste kan niet waar zijn, dat weet ik. U hebt evenalsik, heel wat grootheid in de familie. Maar wat duivel, ik en een ander we komen voor onze namen uit. Ik zeg:Baars! ’t Gezelschap vanBaarsenKogel, wáárom niet!”

“Een geslachtsnaam is geen particulier eigendom;” antwoordt Philippe.

“Maar men is toch vrij om zijn naam te noemen waar men wil.”

“Wie zijn naam onteert, schandvlekt een heele famile.”

“Schandvlekken!” zegt Baars heftig. En dan weer kalmer: “Maar nee, ik wil geen ruzie met je maken. Je hebt je rollen met talent gespeeld; en je vr... mevrouw Philippe, speelt lief, jawel, allerliefst. Maar als het je dan waarachtig ernst met de kunst is, en je waarlijk helpen wilt om ons tooneel te releveeren menheer, waarom onthou je ons dan je besten steun, jenaam! Als de menschen meer en meer namen als Baars en Helmond onder de oogen krijgen—van Kogel wil ik niet spreken, diens heele paremantatie was figurant—ik zeg,dánzullen ze begrijpen menheer, dat we van één bloed en nieren zijn. Nu, wát zeg je: achthonderd gulden er nog bij; ’t Is geen kleintje?”

“Nee ik moet je bedanken, menheer Baars;” zegt de jongere Helmond,strak voor zich heen ziende—want inderdaad, achthonderd gulden méér, ’t zou hem in staat stellen zijn lieve vrouw en zijn kind....

—Maar neen, hij herhaalt op stelligen toon: “Ik dank je.Ik ben en blijf Philippe.”

“Achthonderd gulden!” hengelt de directeur: “Watblief, nog een benefiet voor je vrouwtje erbij; een doorloopende vrijkaart voor je heele familie! Watblief, doe ik niet meer dan ik kan?”

Philip Helmond ziet den directeur eenige oogenblikken stilzwijgend aan.—Een vrijkaart voor zijn heele familie! Ha, kon het anders of een sarkastische glimlach moest een oogenblik die lippen plooien?

—Een vrijkaart voor den generaal Van Barneveld!—Nu is ’t genoeg:

“Ik waardeer je goeden wil menheer Baars, maar ik moet weigeren. Wanneer alleen stukken gespeeld werden zonderslijk; zonder acties en volzinnen die den man en vooral de vrouw verlagen, ja dan zou ik met een dwaas vooroordeel willen breken, en door het noemen van mijn naam misschien ook anderen uit mijn stand bewegen om ons tooneel te helpen verheffen. Maar nu, nee!”—Eensklaps opstaande, gaat hij naar zijn vrouw die, niet ver van de deur bij een kleine tafel staat, en de courant inziet, welke er zooeven door den kastelein was neergelegd.—Ofschoon het nieuwsblad aan de schoone Virginie weinig belangstelling inboezemt, zoo las zij toch, op het oogenblik dat Philip haar naderde, met de meeste aandacht.

“Ei, zoozeer in de politiek verdiept?” zegt de jongere Helmond.

“Philip, zie eens hier, zie....”

En hij leest; en een blos overdekt zijn gelaat. Het nieuwsblad bevatte het bericht dat Dr. A. Helmond genoemd werd als candidaat voor de vaceerende betrekking van hoogleeraar in de medische faculteit te L.....

“Hij! hij!!” zegt Philip. En dan: “Ha, dat ontbrak er nog aan!”

Eensklaps bemerkend dat de directeur hem terzij is gekomen, herneemt hij, terwijl hij op het bericht wijst en hem streng in de oogen ziet:

“Ha! was het daarom!”

En de directeur zeer kalm:

“Ja, welzeker; dat was tenminste een reden te meer. Dat zou waarschijnlijk wat trekken, debroer van den professor! Zeg, wat dunkt je, zullen we er duizend van maken? Duizend meer, duizend blanke guldens boven het tegenwoordige appointement; twee benefieten en drie plaatsen vrij voor menheer den professor....?”

“Zwijg, geen woord meer hierover!” zegt Philip met smadenden lach! “Ik veracht mijn familie; maar ik wil niet dat ze reden zal hebben om hetmijte doen. Ik mag haar naam niet blootstellen aan de kans om in één adem met:De Glorie der Boulevardste worden genoemd.”

“Des te beter,” zegt Baars: “als je familie zoo verachtelijk is,welnu dan traiter je ze ’tmeest met rondeman voor je naam uit te komen.”

Baars vergeet dat hij door het geven van dezen raad, wat al te veel laat doorschemeren dat hij met het aanbieden van de vrijkaarten, den schijn heeft willen aannemen, alsof hij werkelijk meende dat Helmonds familie er zich niet in ’t minst aan ergeren zou wanneer hij onder zijn waren naam ging optreden.

Helmond beschouwt den directeur met een bliksemend oog:

“Ik veracht mijn familie, ja! maar wien men veracht dientraitertmen niet; men draait hem den rug toe. Bah!”—Philip heeft de daad bij het woord gevoegd, en zijn vrouw bij de hand vattend wil hij met haar zijn plaats gaan hernemen.

“Wie is dat? Wie staart hem op eenigen afstand van de halfgeopende deur, uit het vrij donkere voorhuis zoo onbeweeglijk aan. Is dat.... August?—Neen, dat moet verbeelding zijn; natuurlijk; dat is....

“Philip! ben jij ’et?” klinkt het fluisterend op bijna angstigen toon.

De jongere Helmond twijfelt niet meer. De hand van Virginie beeft in de zijne. Ook zij heeft gezien, en de stem van Philips broeder herkend. Ja, ze weet het nu zeker; daar staat de man wiens naam men zooeven in het nieuwsblad vermeld vond, en die voor haar man een vervloeking is geworden. Daar staat hij de broeder, van wien Philip, sinds dien morgen in de Tuinstraat, rechtstreeks niets meer vernam; maar die—zooals men verhaalde—in afwachting van mijnheer Van Barnevelds dood, zijn praktijk verwaarloost en de ergerlijkste schulden maakt, alleen ter wille van een ijdele vrouw, waaraan hij zich ter kwader ure verbond.

—Ja, hij was het wel. Ook Philip is er zeker van. Een doodelijk wit overdekt zijn gelaat. Maar, nog eer dokter Helmond nu de deur kon bereiken, heeft de jongere broeder haar dichtgedaan, en keert hij haastig met zijn vrouw naar het straks verlaten tafeltje terug.

De oudere Helmond—uit den fel gezweepten regen en den droevig donkeren October-avond onder een welbekend dak en in “veiligheid” gebracht, mocht bij het staren naar dat bekend gelaat de angstige visioenen, die hem gedurig voor den geest spookten, voor een oogenblik vergeten.

—Dat was Philip, de redder van zijn leven toen ze nog knapen waren; dat was de vurige Philip met zijn snel bruisend bloed; maar ook de trouwe, wiens woord een onverbrekelijk zegel was. Daar stond hij, hand aan hand met de schoone vrouw, die hem op dien morgen zoo roerend heeft gezegd: “Ons kindje slaapt!”

—Stil, stil dan, het kindje slaapt, heeft dokter Helmond onwillekeuriggefluisterd, waarna hij—om zich te vergewissen dat hij zich niet bedroog, den geliefden broeder bij zijn naam riep.

—Maar neen, hij kon het niet zijn. Zie, de deur deed hij dicht.—Als het Philip was, dan.....

“Wilt u logeeren menheer?” zegt Piet die voor den patroon de komedielijst uit de sociëteit heeft gehaald, en weer in de gang kwam.

“Ja logeeren. Een kamer achteraf waar niemand komt.”

“’t Is ook niet vooraan wat er open is menheer. Veel commis-voyageurs met ’t najaar, en de troep van Baars en Kogel. Ga binnen menheer.” Piet strekt de hand naar den deurknop uit, maar voelt zich den arm weerhouden.—Neen, die heer wilde liefst niet binnengaan, ’t Was daar zoo vol, maar er was toch iemand dien hij spreken moest, in ’t geheim; een bleek blond heer—nog jong.

“Philippe....?”

“Ja ja, Philip; ja juist,” zegt Helmond met schitterende oogen: “maar zeg hem dat ik hem zeer in ’t geheim moet spreken. Hij mag er niemand iets van zeggen. Niemand verstaje.....

De schenker beschouwt den gast een oogenblik met meer opmerkzaamheid, en valt dan uit:

“Sakkerloot, neem me niet kwalijk menheer, heb ik ’t plezier dokter Helmond uit Romphuizen te zien? Ik kende u warempel zoo gauw niet.”

Helmond is op het oogenblik dat Piet hem zoo aanzag en zijn naam noemde, angstig een schrede achteruitgegaan.... O God! Als men hem herkende. Maar hoor, hoor Goddank!

—Piet zou hem niet verklappen. Piet begreep er alles van.— Jawel, als dokter hier logeeren wil, zonder dat iemand—behalve die één, jawel, begrepen—er iets van merkte, dan zou hij hem wel helpen. Achter de comediezaal, bij ’t koetshuis, daar was nog een net kamertje:

“Kom maar mee dokter,” vervolgt de schenker: “ik vat de reden van uw komst wel.—’t Is menheer zijn eigen broer niewaar? Compris!—De patroon en Baars zijn op één hand; natuurlijk! Maar ik kan me begrijpen dat ’et schandaal-maken is.—Ja ik zal wel zorgen dat u hem ongezien te spreken krijgt; laat dat maar aan Piet uitDe Romeinover.”

“Zoo, zul jij zorgen dat niemand,niemandme ziet?” zegt Helmond; en, gedurig rechts en links turend, volgt hij den schenker die met een blaker vooruitgaat, door een zeer lange zijgang, en eindelijk na een plaatsje te zijn overgegaan, en nogmaals een smal gangetje te hebben doorloopen, in een kleine doch nette kamer.

’t Was gelukkig voor den armen dokter dat de kleinsteedsche hotelbediende de zaken, zooals hij dat noemde, “altijd zoo juist in hun verband beschouwde.” Piet had het aanstonds begrepen.—heelemaal! Dokter Helmond uit Romphuizen heeft gehoord dat zijn broer—die eigenlijk een gemeen sujet is en z’n zelvers bij Baars en Kogel verengageerd heeft—morgen hier zal meespelen. Jawel en nu komt hij hem uit naam van de heele familie bewegen om z’n eigen toch niet te vergooien. Welzeker, de dokter zal slagenals ie bij z’n broer maar over de brug komt; en, Baars zal woedend zijn; maar dat kan Piet niet schelen. Piet heeft er eigenlijk een hekel aan dat zijn patroon den troep van Baars en Kogel in deRomeinneemt. ’t Was al van ’t minste soort; en toch, al die spullen ’t gaf een behei en geherrie, waardoor ’en mensch altijd uit zijn gewonen doen raakt.

—Enfin, geen haan zal er naar kraaien dat de dokter Van Romphuizen,met zulk een doel hier is. Piet moet den directeur geen kans laten om dien Philippe door een hooger bod te winnen. Niemand zal tusschen beiden komen, en als morgen die voorstelling fout loopt—omdat Philippe en z’n vrouw niet meespelen—dán, dan lacht Piet in z’n vuistje, want de troep zal dan zeker hier voor het laatst geweest zijn.—Spoed nu, men wacht op de lijst. Maar stil, eerst met een lucifer de kleine kachel aangestoken, waarin reeds wat spaanders met een vuurmaker op de bezielende vonk hebben gewacht. Dokter scheen het zeer koud te hebben; zijn kleeren waren erg nat. De dokter was afgevallen; althans voordeelig zag hij er niet uit,—Of dokter Helmond ook iets gebruiken zou....... een glas warmen grog!?

“Ja ja, dat is goed; maar, noem mijn naam niet; men zal toch hiernaast niet kunnen hooren....?”

“Volstrekt niet dokter; geen de minste nood.Als dokter ’t verkiest dan kan hij vertrekken zoo laat en zoo vroeg als hij wil, door ’t achterdeurtje naast de concert- en comediezaal. Dit is het zoogenaamde cachet-kamertje dokter, ’t ligt heel appart.”

Eenige oogenblikken later is Piet in de algemeene logementkamer teruggekeerd, en heeft al spoedig den heer Philippe in ’t oor gefluisterd, dat er iemand was die hem noodzakelijk spreken moest; maar in ’t geheim; heel dood in ’t geheim.

“Ik ben niet te spreken;” heeft Philippe geantwoord.

Piet moest hem toen de duimschroeven aanzetten:

“’t Is uw eigen broeder menheer; dokter Helmond uit Romphuizen.”

“Wie zegt jou dat ik anders heet dan er op ’t affiche staat?”

“Nou!” zegt Piet, met een zeer vrijmoedigen zijdelingschen ruk van het hoofd, en laat er zachtjes op volgen: “Als u z’n eigen broer niet waart, dan zou die goeje dokter zeker niet door zoo’n heidensch weer heelemaal uit Romphuizen komen om u te spreken. Hij heeft iets heel gewichtigs menheer Philippe, en”.... met een knipoogje:“geld als water.”

De jongere Helmond ziet den schenker aan alsof hij hem door den grond wilde boren! Die vent is hem geen antwoord waard:

“Geef papier en inkt!” zegt hij gebiedend.

Piet zet groote oogen.

“En inkt....? Asjeblief menheer.”

Helmond schrijft:

“Men moest niet vergeten dat Philippe Helmond gewoon is zijn woord te houden. Hij houdt het aan een tooneeldirecteur zoowel als aan de vrouw zijner keuze.“Men moest begrijpen dat men zich verachtelijk maakt met openlijk eerbied voor trouw en rechtschapenheid te veinzen, en in ’t geheim den meineed te komen aanvuren. Men moest zich schamen den steen te werpen op een onervaren kind—wier zonde het was dat ze bouwde op een mannenwoord, terwijl men zelf in verwijfden dommel wordt meegesleurd door een Sirene.“Men moest zich bloedrood schamen, slechts dán van zich te doenhooren, wanneer men—zelfs badend in de weelde—week wordt voor een oogenblik; of, door eigenbelang gedreven, wél handen vol gelds zou willen wegwerpen om een naam te redden voor ’t oog der wereld, maar geen stap zal teruggaan op den weg der verguizing.“Dokter Helmond zal bemerken dat ik weet waarom hij mij spreken wil, en dat ik begrijp wat hij mij te vragen heeft. Hem te woord te staan doe ik niet, Maar toch dokter, keer blijmoedig naar huis terug: Ofschoon er acteurs zijn en actrices die ik als vrienden de hand druk,nobele zielen—nobeler helaas, dan het eerste kind onzer moeder,—wees gerust, ik zal den naam van onzen vader niet huwen aan een kunst zoolang ze nog den cancan in haar wapen voert.—Welaan keer met verruimden zin naar de vetpotten van een godzaligen pleegvader, en de omarming eener welopgevoede vrouw terug. Zelfszonderdat men hem behoeft om te koopen zal de neef van een generaal en de broer van een hooggeleerden professor misschien, het geheim zien te bewaren dat hijgemeenacteur is.“Ik eindig.—Philip Helmond bestaat niet meer; maar de acteur Philippe, die geen broeder meer heeft, hij haat den man die al dieper zinkt naarmate hij hooger rijst in de schatting der wereld; hij veracht den man die, misschien uit naam van een grijzen schijnvrome, hem geld komt bieden voor ’t breken van zijn woord.PHILIPPE.”

“Men moest niet vergeten dat Philippe Helmond gewoon is zijn woord te houden. Hij houdt het aan een tooneeldirecteur zoowel als aan de vrouw zijner keuze.

“Men moest begrijpen dat men zich verachtelijk maakt met openlijk eerbied voor trouw en rechtschapenheid te veinzen, en in ’t geheim den meineed te komen aanvuren. Men moest zich schamen den steen te werpen op een onervaren kind—wier zonde het was dat ze bouwde op een mannenwoord, terwijl men zelf in verwijfden dommel wordt meegesleurd door een Sirene.

“Men moest zich bloedrood schamen, slechts dán van zich te doenhooren, wanneer men—zelfs badend in de weelde—week wordt voor een oogenblik; of, door eigenbelang gedreven, wél handen vol gelds zou willen wegwerpen om een naam te redden voor ’t oog der wereld, maar geen stap zal teruggaan op den weg der verguizing.

“Dokter Helmond zal bemerken dat ik weet waarom hij mij spreken wil, en dat ik begrijp wat hij mij te vragen heeft. Hem te woord te staan doe ik niet, Maar toch dokter, keer blijmoedig naar huis terug: Ofschoon er acteurs zijn en actrices die ik als vrienden de hand druk,nobele zielen—nobeler helaas, dan het eerste kind onzer moeder,—wees gerust, ik zal den naam van onzen vader niet huwen aan een kunst zoolang ze nog den cancan in haar wapen voert.—Welaan keer met verruimden zin naar de vetpotten van een godzaligen pleegvader, en de omarming eener welopgevoede vrouw terug. Zelfszonderdat men hem behoeft om te koopen zal de neef van een generaal en de broer van een hooggeleerden professor misschien, het geheim zien te bewaren dat hijgemeenacteur is.

“Ik eindig.—Philip Helmond bestaat niet meer; maar de acteur Philippe, die geen broeder meer heeft, hij haat den man die al dieper zinkt naarmate hij hooger rijst in de schatting der wereld; hij veracht den man die, misschien uit naam van een grijzen schijnvrome, hem geld komt bieden voor ’t breken van zijn woord.

PHILIPPE.”

“Lees Virginie,” zegt de jongere Helmond, en geeft haar het schrift.

De lange zwarte wimpers der actrice gingen naar beneden. Zij las. Philip bleef haar aanstaren.—Nu zij gelezen heeft zegt ze:

“Die brief mag hem niet onder de oogen komen Philip.Ikkon evengoed de Alma spelen, alsjijhem dien brief sturen.”

“Wat meen je?”

“Je oordeelt en veroordeelt zonder onderzoek.”

“Weet ik dan niet....?”

“Je weet lieve man, dat de dokterhieris, en dat hij je spreken wil: maar, wàt hij te vragen heeft dat weet jeniet.”

“Maar dat spreekt immers van zelf; het heeft geen onderzoek noodig. Ik veracht den afgezant van dien generaal.—Geef me den brief Virginie.”

“Als je hem dadelijk wilt verscheuren.... ja, maar anders nee!”

De jongere Helmond ziet zijn vrouw eenige oogenblikken met gefronste wenkbrauwen aan:

“Laat mij den brief nog eens zien Virginie.”

“Als je hem verscheuren wilt, andersNEE!”

Na een oogenblik van inwendigen strijd zegt Philip:

“Hij zal hemnietlezen. Geef hier.”

Zonder de geringste aarzeling reikt Virginie haar man nu den brief toe, en Philip.... nadat hij het geschrift nog eens vluchtig heeft doorloopen, ziet haar aan met een pijnlijk zoeten glimlach, en—verscheurt den brief.

Nu roept hij den schenker:

“Breng me bij den dokter van Romphuizen. ’k Zal toch den man even spreken.” En tot zijn vrouw: “Virginie ga mee, ik breng je dan met een naar onze kamer.”

Het gesprek der jonge echtgenooten zou misschien de aandacht der aanwezigen hebben getrokken, indien niet weinige oogenblikken te voren een reiziger ware binnengekomen, die veler belangstelling had opgewekt. In luidruchtige bewoordingen verhaalde de man hoe hij te Romphuizen den laatsten trein was misgeloopen, en—omdat hij volstrekt vóór middernacht in Utrecht moest wezen, er een rijtuig genomen had. Onderweg, met dat noodweer, was men echter met één armzaligen knol zóó bitter langzaam vooruit gekomen, dat hij den kastelein nu dringend moest verzoeken om hem aanstonds van hier een ander rijtuig met een “uitgeslapen tweespan” te geven.

Juist toen Philip en Virginie de gezelschapskamer hebben verlaten, vraagt de kastelein, nadat hij zijn bevelen voor het rijtuig had gegeven, of er dan te Romphuizen inDe Gouden Arendgeen “goed spul” meer te krijgen was. Daarop heeft de vreemde verhaald dat men inDe Arendgeen rijtuig had kunnen geven, want de beide vigilantes waren uit. Er was in het stadje een heele opschudding geweest. Een kolonel, of zoo iets, moest heel subiet overleden zijn; en een dokter die hem vermoedelijk bestolen had, zou de vlucht hebben genomen, hij wist er het rechte niet van, maar ’t heeft hem ook niet kunnen schelen; morgen stond het toch in alle couranten. Voor ’t oogenblik had hij maar één gedachte, namelijk de vrees van te laat in Utrecht te zullen komen.

Dokter Helmond zit in zijn afgelegen vertrekje bij de kleine kachel. Achter hem brandt een bougie op de tafel. Helmonds gelaat, ’t welk met een donkerrood is overdekt, valt daardoor weinig te zien. Zijn handen gloeien. Zijn geheele lichaam brandt. Zijn oogen schitteren van koortsvuur.

—O God men komt!—“Wie is daar....!?”

“Hier is mijnheer Philippe;” zegt de schenker, en wil nog eens even wat hout en turf op de kachel doen.... Maar, de jongere Helmond ziet hem aan en.... kijkt hem de deur uit.

“Je woudt me spreken. Wat is er?” zegt Philip.

August Helmond blijft in dezelfde houding bij de kachel neerzitten, en ’t klinkt op geheimzinnigen toon:

“Ben jij het Philip? Spreek zacht. Als men ons hoorde....”

“Niemand hoort ons;” antwoordt Philip, en dan terwijl hij naar de deur gaat en die eensklaps weer opendoet, zoodat hij den luisterenden knecht er bijna mee achterover werpt; “En niemand neemt het in zijn hersens om ons te beluisteren.”—Dan de deur weer dichtdoende vervolgt hij tot August: “Maar wat je mij te zeggen hebt, ’t zal toch taal moeten zijn die iedereen desnoods hooren mag, of anders—zou ik je nog dieper verachten dan ik het nu doe.”

August is opgestaan. Bij het schijnsel der kaars kan Philip nueerst dat gloeiend gelaat en het van koortsgloed fonkelend oog beschouwen.

De jongere Helmond doet een schrede terug.

“Ik zie het wel, je weet het; je schrikt van me niewaar?” fluistert de oudste: “Ja er kleeft bloed aan mijn handen. Daar staat hij, zie zijn oogen puilen uit de kassen.... zie je wel Philip!—O God, en hij heeft ons vervloekt!”

“August, wát.... wát zeg je?” stottert Philip, plotseling doodsbleek geworden: “Is hij dood....? Heb jij, jij...?”

“Ja, zie je dat niet? Zie je dan niet dat ik zijn moordenaar ben!? O God! daar vliegt mijn kind op me aan. Hou tegen, hou tegen! ’t Steekt met een mes. O Eva, Jezus! God! O! weg, weg!”

Eer de jongere Helmond zich van de ontzetting kon herstellen, die hem schier aan den grond heeft genageld, was de oudere broeder uit de kamer gevlucht en sloeg de deur met geweld achter zich toe.

’t Was een donker portaaltje waarin de vluchteling zich nu bevond. Rechts is de smalle gang die over het plaatsje, nogmaals door een langere gang naar het voorhuis leidt.—Neen, op dezen weg liggen de gerechtsdienaars in hinderlagen. Voort! Ter linkerzij loopt de smalle gang op een achterdeur uit.—’t Is donker! Waar is de knop van die deur?—Wie heeft den sleutel? Wie houdt haar gegrendeld?—O God, daar komen ze. Hoor maar, paardengetrappel.—Hoor!

Nu bonst hij op de deur. “Doe open, doe open!”

Daar wordt aan de buitenzij een grendel verschoven. De deur knarst open.

Een groote stallantaarn die nevens kartuigen aan een haak tegen den wand hangt, werpt een weifelend licht over een oude kapsjees, een paar hooge gele wagens benevens een kar die met de boomen op den grond rust.—Ter rechterzij is het een zwarte massa, waarin het licht slechts grillige en onbestemde figuren teekent, maar toch duidelijk genoeg twee grauwe koppen boven den nu onzichtbaren lijkwagen doet grijnzen. Een hooi en mestlucht vervult de ruimte.—Nabij de groote deur trappelen paarden. Ze zijn voor een vigilante gespannen. Een man die zooeven hielp om de tuigen te gespen, trekt nu in allerijl een jas met drie lange mantelkragen aan; wischt zich het zweet van het voorhoofd, en trekt zich een bonten nachtpet over de ooren.

“Hier Gerrit, geef me de zweep! Vervoerd, dát heet haasten.”

“Moet jij naar Utrecht menheer?”

“Ik ja, voort! Om Godswil voort!”

Het portier der vigilante was reeds geopend. Dokter Helmond verdwijnt in het donkere rijtuig.

“Rij maar op Jan!” roept de man die het portier met kracht weer dichtslaat: “D’r zal zeker een goeje fooi op overschieten; er is ’en haast van geweld!”

“Vort poppetjes, vort!” zegt Jan op den bok. De paarden trekken aan. Uit het groote koetshuis vanDe Romeinkomt de vigilantein de straat. Jan doet de zweep klappen. En zie de paarden zijn wakker al is het vrij donker daarbuiten; ze schieten in een krassen draf, en verdwijnen al spoedig met het ratelend rijtuig om den hoek der Utrechtsche straat in den stormachtigen nacht.

Binnen de algemeene hotelkamer heerschte weinige minuten later een zeer ongewone opschudding.

’t Was onmogelijk om het rijtuig nog in te halen, ’t welk door den vreemden reiziger was besteld, doch waarmee de dokter van Romphuizen zich uit de voeten heeft gemaakt.

Na al wat men vernam en ’t geen de schenker nu bovendien heeft moeten aan ’t licht brengen, is het zoo goed als zeker dat, met denkoloneldie, volgens den reiziger, in Romphuizen zou vermoord zijn, degeneraalVan Barneveld was bedoeld.—Wat wisten de Romphuizers van ’t militair!—En, meer dan zeker was het ook dat zijn pleegzoon, dokter Helmond, de schuldige moest wezen; immers Piet heeft hem onder andere zelf hooren zeggen:, Spreek zacht Philip; als men ons hoorde!” en later heel duidelijk, ofschoon van verre, nog de woorden: “O God!”, en “moordenaar.”

De reiziger, die zulk een haast had, was woedend, maar zou in allerijl op een andere manier worden geholpen. ’t Ergste van alles, zei de kastelein, bleef de ontzettende geschiedenis zelve, waarvan—hoe kon men onschuldig ergens inloopen—het laatste bedrijf nu in het alom geëerde logementDe Romeinwas voorgevallen.

De mannen in de gelagkamer spraken luid met gefronste wenkbrauwen, en schudden het hoofd; de vrouwen luisterden, en zagen bleek.

“’t Is de broer van Philippe. De broer van den nieuwen trotschen confrère;” zoo luidde het onder de acteurs overal.

De commis-voyageurs spitsten de ooren; en die er brieven schreven, stelden postcriptums, waarin ze de ontzettende gebeurtenis vermeldden.

Toen August hem straks alleen liet, en hij, hevig ontsteld, hem een oogenblik later wilde opsporen om hem naar het kamertje terug te brengen, toen spoedde hij zich naar het voorhuis, want aan een achterdeur heeft hij niet gedacht. Doch nergens mocht hij hem vinden.—Philip wist niet dat August reeds buiten de stad was, toen hij in ’t eind ook in het koetshuis naar hem kwam onderzoek doen.

—Was dan August Helmond—zijnbroeder, een moordenaar; de moordenaar vandien geliefdenpleegvader!?

—Wondere menschenwereld!

—De lammeren onder hen worden wolven wanneer de nood hen dringt.

—Bloeddorstige doggen leggen zichzelf aan den ketting en lijden gebrek!

—Ja, ik wist dat hij verachtelijk was, ik wist het! Maar zoo!—Ach God, zou het wel waar zijn!

“De commissaris van politie kan met mij meerijden,” zegt devreemde zeer overluid tot den kastelein: “tenminste wanneer hij hier in de sociëteit is. Als hij den moordenaar snapt is zijn fortuin gemaakt.

Tot Philip sprak men niet.—Nu is hij verdwenen.—Hij vliegt naar zijn vrouw, en zegt haar zijn plan, en wat háár te doen staat.

Een klein kwartier later joegen twee vigilantes in den donkeren nog altijd door zware buien verdeelden voornacht, op den straatweg tusschen Briesborg en Utrecht.

In het voorste rijtuig ligt een mensch onbewust dat er een wereld om hem heen is.

In het rijtuig dat volgt, zitten twee mannen die over gruwelijke moorden spreken, en over dokter Helmond en zijn ijdele vrouw.

Op den bok van dat tweede rijtuig zit, naast den koetsier, een man in een glimmende regenjas. Voor een goede fooi heeft de voerman aan dat heerschap vergund om naast hem mee te rijden. Hij spreekt geen woord; maar telkens als de reiziger die vóór twaalven in Utrecht moet wezen, zijn stem verheft en schreeuwt om wat harder te rijden, dan zegt de man in de regenjas, dat men ter wille van eenmenschzijn paarden toch niet doodjagen mag. De voerman geeft hem gelijk.

Omstreeks kwart voor twaalven—ongeveer een half uur later dan de eerst uit Briesborg vertrokken vigilante—rijdt de tweede vigilante de grijze Bisschopsstad in.

Teneinde den reiziger, die zulk een haast had, geen oogenblik op te houden en aanstonds te brengen waar hij wezen moest, is men bij het binnenrijden van de stad een geheel anderen weg ingeslagen dan dien naar het kleine logement waar men straks stallen zou, en ’t welk de koetsier met de zweep heeft aangewezen.—De man in de regenjas is dáár—en alzoo in de nabijheid van het logement waar het eerste rijtuig zeker reeds was aangekomen—van den bok gesprongen.

Mijnheer Hagel, de commissaris uit Briesborg, is echter in het rijtuig gebleven, om, na den vreemde op de plaats zijner bestemming te hebben gebracht, even bij het politiebureel aan te rijden en er een paar agenten te verzoeken om eens even met hem mee te gaan.

Toen—weinige seconden na de aankomst der tweede vigilante in Utrecht, een heer in een glimmende regenjas het kleine logement is binnengestapt, toen heeft hij op zijn vragen, van een half slapenden schenker ten antwoord gekregen, dat er, jawel, met het rijtuig uit Briesborg een heer was aangekomen, die onderweg zwaar ziek moet zijn geworden, want, zoo wit als een lijk had hij in den wagen gelegen.

De juffrouw-eigenaresse van dit logement had eerst zwarigheid gemaakt om hem op te nemen, maar hij had er zoo akelig en toch zoo goedaardig uitgezien dat zij heeft toegegeven; en nu geloofde de schenker dat er iemand naar ’t gasthuis was gegaan om een dokter te halen, hoewel het al op slag van twaalven is.

—Hê!—Of de knecht dan niet begreep dat hij—de man in de regenjas—de dokter zelf was’? Men behoefde niet meer naar’t gasthuis te zenden. Hij heeft geweten dat deze heer hier komen zou.

—O, ahzoo; of dokter dan maar bliefde mee te komen? Hier beneden in het tuinkamertje was de zieke menheer. In nummer drie.

—In de hevigste onrust staat Philip Helmond eenige oogenblikken later bij de kleine sofa, waarop de oudere broeder als wezenloos neerligt.—Philip ziet naar de deur. Hij vergat haar te sluiten. IJlings snelt hij terug naar de deur, luistert, en draait den sleutel om.—Maar nu, wat moet hij beginnen? Slechts door een snelle ademhaling geeft August teekenen van leven; doch, wat Philip ook beproeft om hem te doen ontwaken en hem op de wijze zooals hij zijn plan maakte, tot een spoedige vlucht te bewegen, neen—dat gelukt hem niet.—Kan die ongelukkige dan hier blijven terwijl binnen weinige minuten de commissaris in dit logement het allereerst naar hem zal onderzoek doen!

“August, August! in ’s-hemelsnaam, keer toch tot je zelf. Verman je, August. Men zal je vatten. Sta op, ik ondersteun je. ’t Zijn geen twintig schreden tot buiten de deur, en dan nog een paar stappen tot om den hoek der straat. August in Godsnaam word wakker!”

Maar ’t is vergeefs. Zijn krachten schijnen uitgeput. Een pijnlijke glimlach speelt er om zijn mond.—Doch nu, eensklaps opent hij de oogen, en fluistert met een akelige stem: “Vergif, vergif! Pas op Eva. Voort! weg!”

“Ja waarachtig voort!” zegt Philip.—O mijn God, maarhoedan! en hij werpt een angstigen blik naar de deur. Immers, hij kan den ongelukkige toch niet door de gang het huis uitdragen. Wat zou men denken als men ’t zag! Ha, wanneer die kleine glazendeur uitkwam op een tuintje, waarmee men in een achterstraat kon komen....! In een oogwenk is Philip bij die deur. Zij is goed gesloten; hij trekt en wringt.Openzalze, openmoetze.—Neen neen, hijkanniet—neen!—Ha, den pook bij de kleine kachel!—Hij luistert.—Nadert daar een rijtuig—-? Ja, o God, men komt, het is te laat!—Welnu, met dien pook zal hij hem verdedigen; den eerste die de band naar den armen drommel durft uitsteken, dien vermorzelt hij den kop.—Hoor het rijtuig is.... neen.... het rolt voorbij.—Goddank, hij heeft nog tijd.

Philip mag een oogenblik herademen.—Wacht, met dien pook kan hij toch die tuindeur dwingen. Fiks! krachtig!—Ha, met een weerspannig geschrijn barst het slot vaneen.—De deur is open. Hij ziet naar buiten. Inweerwil van de duisternis bemerkt hij dat het werkelijk een ten deele geplaveid tuintje is. Scherper ziende bespeurt hij eenig oud vaat- en mandenwerk, ’t welk naast steenkolen en wijnflesschenhokken bijeenstaat, en door de verhagelde en afgewaaide bladeren van een kastanjeboom overdekt wordt.

—Is daar een uitgang? Hij bespeurt er geen. Wat zal hij nu beginnen! ’t Ware nóg beter in de kamer te blijven, dan August ginds in een dier hokken of achter die manden te verbergen. Immers men zou hem er aanstonds vinden, en dan....! Philip voelt zich eensklaps als met een ijsbad overgoten.

“Wie daar! Wat mot je?” roept een schrille stem uit een keukendeur in het tuintje uitkomende.

De jongere Helmond heeft zich geheel hersteld. Wie weet..... het geluk had hem straks in de gedaante van een halfslapenden huisknecht gediend.

“De zieke moet lucht hebben mevrouw;” klinkt zijn antwoord: “’t Is noodig, volstrekt.”

“Ben uwe de dokter....? Ahzoo. Maar was die tuindeur dan niet gesloten? Wel lieve hemel, u deed me schrikken. M’n eerste denkbeeld was dat ze hier inbraken. Is die passagier zoo erg, dokter?”

“Ik vrees.... dat zijn benauwdheden op een rotkoorts zullen uitloopen.”

“Maar mijn hemel, dan hou ik hem geen uur in m’n huis. Rotkoorts! God beware!”

“Zoodra ik hem zag,” herneemt de vermeende dokter snel doch schijnbaar kalm: “begreep ik dat je hem niet houden kondt.”

“Nee, nee!” schudt de dikke dame, en volgt den dokter aarzelend in de tuinkamer.

“’t Was aanstonds mijn plan om hem mee naar het gasthuis te nemen, maar ik liet toevallig mijn koetsje hier aan de achterzij van je huis staan; en....”

Philips hart sloeg met felle slagen. Immers hij wist niet of er werkelijk een straat achter dat tuinmuurtje was; bovendien gevoelde hij de ongerijmdheid dat hij als dokter, nog na middernacht zijn eigen rijtuig zou rijden, en zoo ja, dan niet tot voor de deur der woning waar hij wezen moest.

“O, hierachter op ’t Singel; jawel, wat buiten den wind,” helpt de hospita: “Ik wou dat j’em d’r in hadt dokter; de ziekte is ’em wel duidelijk aan te zien.”

“Kan ik hierachter door den tuin op het Singel komen?” vraagt Philip terwijl zijn hart nog feller bonst voor een mogelijkNeen!

—Maar, God zij dank:

“Welzeker;” klinkt het antwoord. En dan: “Ja dokter, als je hem meenam dat zou me een pak van het hart zijn. Morgen met de markt dan wist ik geen raad. Verbeelje, rotkoorts in huis. Lieve hemel!”

“Als ik er jepleziermee doe....?” zegt Philip.

—Maar dan; hoe zal hij alleen dien machteloozen mensch naar buiten krijgen?

—De juffrouw zou haar knecht roepen.

—Nee,nee,—er was geen oogenblik tijd te verliezen,—dat moet zij niet doen. De knecht moest liever niet weten dat de juffrouw zoo’n haast had gemaakt om een ongelukkigen zieke kwijt te raken. ’t Was niet goed voor haar naam. Och, indien zij den armen man, die nu heel stil was, en nog wel een uur zoo zou blijven—jawel dat kon bij haar vast verzekeren—indien ze hem nu even aan den anderen kant wilde ondersteunen, dan kon men hem gemakkelijk op ’t Singel buiten de tuindeur brengen. Die deur was immers open.....!?

—Nee, de juffrouw moest die eerst losgrendelen.

De oogenblikken waren voor den angstig wachtenden broeder zoo vele uren.

Hij meent nu weer heel in de verte een rijtuig te hooren.Ja, jawel, ’t komt nader....

“Mevrouw, mevrouw!” roept Philip naar buiten.

“Hier ben ik dokter. De poortdeur ging wat moeielijk open.”

“Als ú hem nu aan dien kant onder den arm woudt nemen mevrouw.—Komaan Augu....—Komaan menheer; u moet je wat meegeven. We zullen je goed en wel in ’t gasthuis brengen.—Asjeblief mevrouw. Geheel alleen zou ’t mij onmogelijk zijn.”

Het rijtuig kwam al nader en nader.

“Ja, maar rotkoorts dokter ... U moet me niet kwalijk nemen; om nu een mensch met rotkoorts aan te vatten ... nee ...”

Het rijtuig kon slechts weinige huizen meer van de woning verwijderd zijn.

“Maar hijheeftze nog niet. Als u weigert dan blijft hij hier. Ik heb haast.”

De dikke juffrouw aarzelt, en dan....

Maar neen, ’t was niet noodig. De lijder staat eensklaps overeind.... O God, wat ziet hij haar aan.

“Neem dat gif weg Thom! Weg er mee!—Zes grein!—Eva, Eva, voort, voort!”

“Dat is de koorts die komt opzetten;” zegt de jongere Helmond, en vat zijn broeder onder den arm; en diens laatste woorden herhalend, dwingt hij hem naar de zij der geopende tuindeur.

—Hoor! O goede God, het rijtuig houdt reeds stil voor de deur. Men komt.—Philip wil haastig voortgaan.

August Helmond rukt zich eensklaps los en, in de kamer terugkeerend en met angstig gebaar naar de hospita wijzend, fluistert hij schril: “Zeg haar dat zij ons kind het mes moet afnemen, zie je niet....? Zie, dat, dát, dát moorddadige mes!”

Philip hoort gerucht in de gang; voetstappen van meer dan één persoon.

Met overspanning van krachten grijpt hij den broeder onder den arm. Zoo kalm als ’t hem mogelijk is, zegt hij: “Goeden avond mevrouw!” en, straks de tuindeur van de buitenzij dichtwerpend, voert hij met vreeselijke gejaagdheid den ijlenden broeder tot buiten de tuinpoort op den verlaten singel.

Ofschoon het terrein hem geheel onbekend is, toch zou Philip al spoedig bemerken dat het doel, ’t welk hij zich voorstelde, zal bewerkt worden. Slechts weinige schreden voorbij dien muur, ziet hij links in de vaart weer de trekschuit die men straks is voorbijgereden en waarvan de voerman heeft gezegd dat het de nachtschuit op Amsterdam was. Om twaalf uren, ruim, voer ze af.

De groote Domklok bromt twaalf.

De hospita uit het kleine logement, niet weinig ontroerd door het gebeurde, en straks geheel van streek door hetgeen ze uit den mond der politie zal vernemen, ze zegt in gemoede: dat die vluchteling zich werkelijkzóóziek heeft weten te houden dat zelfs dedokter erdupevan werd en hem mee naar het gasthuis heeft genomen. Den naam heeft ze niet gevraagd; maar ’t was de dokter van ’t gasthuis.

En terwijl nu de Briesborger commissaris vol ijver zijn nasporingen in de Utrechtsche gasthuizen begint, om echter al spoedig andere vermoedens te koesteren—glijdt de nachtschuit op Amsterdam langs de laatste gaslantaarns en woningen buiten de stad. Aan het roer staat de schipper, en, als hij even in de voorkajuit duikt om zijn kort eindje pijp op te steken, dan slaat hij zijdelings een oog op de beide passagiers die—“ter wille van een vrouw die erg ziek is, zoo haastig naar Amsterdam moeten.”

Bij het schijnsel der wiegende hanglamp kan hij hen zien, daar ginds in den hoek der kajuit; en hij twijfelt er niet aan of het moet al een heel erg geval wezen, want, de oudste dier beide mannen is mede geheel van streek.—Zie maar, als een geest zoo wit ligt hij achterover, en tegen den schouder van den jongste, die hem het liggen al zachter en gemakkelijker maakt, terwijl die jongste zelf zich gedurig het zweet van de slapen wischt.

TWEE EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.Toen Eva Helmond uit haar verdooving ontwaakte, toen wist ze niet wat er met haar was voorgevallen. Ze begreep niet hoe het kwam dat mevrouw Van Hake zoo bij haar naast de canapé zat....“Wat doet ú hier?”“Ik ben gekomen om misschien van dienst te kunnen zijn lieve Eva!”Eva strijkt zich met de hand over de oogen en dan, haastig opziende:“Waar is August?”“Dokter is uit, Eva; hij zal.... waarschijnlijk wel gauw terugkomen....”“Waarschijnlijk....? Je zegtwaarschijnlijk!? En waarom lig ik dan hier; en waarom....?” Eensklaps komt ze overeind en snelt naar de deur, roepend ja bijna gillend: “August, August! Helmond! waar ben je!?”Mevrouw Van Hake komt Eva terzij:“Als dokterhierwas Eva, dan zou hij zeggen: Kindlief je moet je kalm houden; er zijn omstandigheden....”Eva hoort haar niet. Zij staart strak naar den grond. En dan:“Waar is dat briefje? Ik vraag waar dat briefje is! Was ergeenbriefje?—Jawel, ik weet hetzeker.Ik heb het gelezen..... ik heb....”“Eva, hou je van Helmond?”“Houden! Mensch, je maakt me krankzinnig.—Ik wil dat briefjezien. Ik wil weten.... Geef hier. Jij hebt het. Jawel,jawel, jij hebt het!”“Eva, in je eigen—nee, indoktersbelang bid ik je kalm te zijn.”“Maar die brief, die brief!” roept Eva in dreigend smeekende houding: “Ik weet het maar al te goed. Ik wilde zien of hij sliep. Hij was er niet meer, En op zijn kamer vond ik toen dat schrift.... van een krankzinnige; en zijn naam stond er onder. Jazijnnaam. Ik wil dien brief zien. Laat mij toch gaan; ik wil nu.... ikwilnaar boven! Hoor je dan niet!”Mevrouw Van Hake haalt het geschrift te voorschijn. ’t Zou zeker—nu de eerste schok was doorstaan—het verstandigste wezen om Eva zooveel mogelijk de waarheid in het aangezicht te doen zien, en, terwijl men haar bad om zich kalm te houden, een beroep te doen op haar verstand en haar waarachtige liefde voor haar man:“Hier is de brief die je zoo treffen moest Eva. Maar ik verwacht dan ook dat je je krachtig zult toonen....”Eva hoort haar niet; zij siddert, terwijl ze nogmaals die vreemde volzinnen leest, waarin August haar schrijft dat hij haar bedrogen heeft; dat een som—hij weet niet hoe groot—zijn schuld is; dat hij aan gene zijde van de zee duizenden menschen van de gele koorts zal genezen en tienduizendmaal het slachtoffer ervan worden wil; datzij, Eva, er het brood zal kneden en doen....Eva kan niet verder lezen. Maar die vrouw in haar rouwkleed, wat eischt ze dat ze bedaard zal blijven! Voelt het mensch dan niet dat deze groote kamer haar te eng is; dat zij weten wil waar die man—zooals ze zegt, in zijn ijlende koorts—is heengegaan; waar hij toeft in dezen stormachtigen avond, terwijl de hagelsteenen met zulk een vreeselijk geweld tegen de ramen kletteren! Begrijpt ze dan niet dat ze hem achterna wil, dewijl niemand hem beter en eerder zal vinden dan zij! Beseft ze niet dat een vrouw rust noch duur heeft aleer.... O God, had ze zóó iets kunnen vermoeden toen ze meende dat hij slechts wat vermoeid en overspannen naar bed ging. Evawil, Evamoetnaar buiten!Het kostte mevrouw Van Hake de grootste inspanning om Eva te doen beseffen dat haar liefde-ijver nu onverstandig was. Waar immers zou zij hem zoeken in den stormachtigen avond! Zij, in hare omstandigheden, zou ze zich wagen daarbuiten aan een tasten in ’t blinde! Bovendien: alles wordt er gedaan om den lieven zieke zoo spoedig mogelijk in zijn huis en in ’t warme bed terug te brengen. Wanneer dokter—’tgeen men niet voor onmogelijk hield—nog met den laatsten trein naar Amsterdam was vertrokken, dán zelfs kon men tamelijk gerust wezen; men zou dan in den trein al spoedig bemerken dat hij ongesteld was, en bij aankomst zeker voor hem zorgen.Helaas, mevrouw Van Hake wist wel dat zij Eva met deze hoop misleidde, doch, haar taak was geen lichte.—Eva vloog immers gedurig weer op van haar stoel, en wilde hem zoeken; zijmoesthem vinden; ja, wie eerder danzij! Neen, zij heeft het wel toegegevendat zij haar ouders niet vóór den nacht verontrusten wil, immers men wist zeker dat de dokter er dezen avond niet geweest is; maar opDe Zonsberg! Ja, ’t waarschijnlijkste is toch dat hij, in zijn ijlende razernij, nog eens naarDe Zonsbergis gegaan.—Men heeft hem er niet gevonden, maar door de duisternis misleid, kon hij gemakkelijk van den weg zijn gedwaald. O, misschien ligt hij nu in doodsgevaar op een dier naargeestige kronkelpaden van het erf, waar een verwaten gierigaard, nog aan den rand van het graf, den goeden zieke durfde vervloeken, terwijl deze ten koste van eigen gezondheid hem redden en behouden wil.“Jawel, op de Zonsberger paden zal ik hem vinden!” barst Eva na een korte stilte weer los: “En als hij ernietwezen mocht, dan vlieg ik naar den woekerenden trotschaard, en zal hem zeggen dat zijn lage vervloeking slechts kan terugkeeren op zijn eigen grijs en zondig hoofd; dat hij dien goeden man heeft mishandeld door beleediging op beleediging; dat hij hem heeftvermoord; hem en mij, ja, hém en mij, en het kind onzer liefde.”“Zoover is het nog niet gekomen Eva. Men zal den goeden dokter gemakkelijk vinden. Thom was hem, zooals hij bij ’t heengaan zeide, immers reeds op ’t spoor. Dokter zal òf in de buurt wezen en gevonden worden, of—’t zij dan wat verder af—welwillend zijn opgenomen, en waarschijnlijk toch spoedig terug zijn.”“Waarschijnlijk! altijdwaarschijnlijk!” roept Eva: “Maar als... o God! als men hemnietvond, wanneer hem in zijn ijlende koorts daarbuiten een onheil was overkomen! Zeg, mensch vol flegma, vol verstand en wijsheid, zeg, is dán die gierigaard ginds, zijn moordenaar niet? En ook, is hij de oorzaak niet van den angst die mij huiveren doet en de minuten tot eeuwigheden maakt!”Mevrouw Van Hake ziet haar liefdevol aan en blijft het stilzwijgen bewaren.“Maar spreek dan, spreek!” zegt Eva, doch op minder heftigen toon, want de liefdevolle blik der zwijgende vrouw heeft haar zonderling getroffen.“Ik weet het niet Eva. We willen daar nu niet naar vragen. Het eenige wat ons vervult is toch de hoop dat we den goeden dokter spoedig zullen terugzien; en—dan zullen wij hem oppassen en verzorgen en alles doen om, met de hulp van God, zijn dierbaar leven te behouden.”“Ja! ja!” zegt Eva snel, en dan, na een oogenblik van stilte: “Och, waarom bleef ik niet bij hem toen hij naar bed was gegaan!” Schreiend, doch straks weer heftig: “Maar ik wist niet dat het zoo erg was. Nee nee, ik wist het niet! Wie zal zeggen datikhem niet liefhad; wie!? ’t Is alles de schuld van dien oude, dien schijnheiligen man!”“Eva,” zegt mevrouw Van Hake met zachte stem: “weet je wel lieve,wieik in deze oogenblikken het meest beschuldig?”Eva ziet haar niet aan.“Ik beschuldig waarlijkmij zelvehet meest.” Nu ziet Eva haar aan:“U, ú beschuldigt....”“Mij zelve. Ja Eva, ja!”“Maar ik begrijp niet....?”“Eva, ik heb in den laatsten tijd zijn weldaden aangenomen, ofschoon ik er bijna zeker van was dat hij de middelen om ze te kunnen verleenen niet meer bezat.”Een vuurrood vliegt over Eva’s gelaat. Zij spreekt niet, maar blijft met angstig gespannen blik mevrouw Van Hake aanstaren.“Ik bewoonde zijn huis,” herneemt de weduwe: “en at zijn brood, en had hem lief als een moeder, en toch ... ik deed slechts een zwakke poging om hem terug te brengen van een weg, die ik vreezen moest dat op uw beider verderf zou uitloopen.—Lieve Eva, als gijiemandbeschuldigt, doe het danmij.—De man dien ge uw vijand noemt heeft immers gewaarschuwd; misschien te krachtig gewaarschuwd, maargewaarschuwd!”“Ik weet niet wat je zegt;” roept Eva, en slaat de handen voor de oogen. En dan, dan loopt zij de groote kamer op en neer, en bijna kermend klinkt het iets later:“Zou alles danwaarzijn! Alles, alles!? En heeft hemdátspooksel benauwd en verdreven!—Maar nee, nee! dat is onmogelijk!” vervolgt ze terwijl zij eensklaps voor de weduwe blijft staan: “Heeft hij dan zelf niet door zijn daden getoond, en met zijn woorden bevestigd....”“Eva,” valt mevrouw Van Hake in, en ziet haar onbeschrijfelijk liefdevol aan: “ja, die al te goede man toonde door zijn daden wat de wenschen van zijn geliefde waren, en sprak de woorden die zij het liefst van hem hoorde.—Eva, ik zie het, nú voor het eerst geloof je dewaarheid!”—Dewaarheid!?—Ach, hoe zou het mogelijk zijn dat ze nú de volle waarheid reeds geheel doorzag!—Was dan alles een leugen; alles wat haar omgaf in den laatsten tijd? Dit huis, die meubels, de diamanten, die familiepapieren, alles leugen, leugen!—Maar gerechte hemel! wat zijn blinkende meubels of schitterende steenen bij den doodsangst die haar weer eensklaps overstelpt en benauwt? O! men kan haar vrij dat alles ontnemen, ja, alles,alles, indien hij maar terugkomt; wanneer ze maar weet dat die arme kranke niet langer omdoolt in de gure lucht; wanneer ze hem maar aanstonds mocht sluiten in haar koesterende armen!—Zie, het pakket familiepapieren ligt daar nog op haar schrijftafel. Nu roert ze het aan; maar neen, toch neemt ze het niet, om aan die vluchtige opwelling te voldoen en alles in ’t vuur te werpen.—Zij luistert.... Daar buiten klonken stemmen. Ha, God! men komt, ha!Reeds is Eva de gang ingevlogen, en heeft ze de voordeur geopend.Met luidruchtig gepraat nadert van de Hoenderveldsche straatzijde een langzaam voortgaande menigte. Een kleine handwagen ratelt in haar midden.—Hoor! Een vrouwenstem klinkt luide van de hooge stoep naar beneden en tegen den snijdenden hagelwind in.Men weet niet wat zij vraagt.—Dokter Helmond? O nee, dien hadden ze niet, en moesten ze ook niet hebben. Dokter Helmond mocht de champagne nog in ’t hoofd zitten, en slapen misschien in den zijden sleep van zijn vrouws japon!—Nee, ze gingen met den armen majoor, dien ze na lang tobben uit de gracht hadden gehaald, regelrecht mee naar ’t huis van dokter Biermans.... dokter Biermans die er al dadelijk was bijgehaald:“Vooruit maar jongens; vooruit, eer dat ie genachtsamen zeit! Van ’en schotjelos kruit: Wie zou ’t gelooven!”Eva weet niet wat men nog verder in ’t voorbijtrekken zegt.Nu bevindt zij zich weer in de groote huiskamer. Een ontzettende angst doet haar als ineenkrimpen terwijl ze klappertandend bij het vlammende vuur staat.—Haar haren, die buiten nat zijn geworden, hangen sluik langs de bleeke wangen neer. Strakker en strakker staart ze, totdat ze eensklaps opziende half luide mompelt:“Ik wist het, ja ik wist het! Hij heeft het mij dikwijls gezegd; en nu....”Haar oog viel in datzelfde oogenblik weder op het pak “familiepapieren”, en, Eva grijpt het weg van de tafel, en—werpt het in den breeden haard.En de hoog opflikkerende vlam doet een rooden gloed spelen op het rose kleed ’t welk Eva nog in den vooravond tegen het zwarte heeft verwisseld.—O God, het had dan toch een zwart, een rouwkleed moeten zijn! En als het vuur nog hooger opvlamt en ter rechterzij haar schier verstorven wang met zachten gloed komt streelen, en zij, klappertandend, met saamgeperste handen murmelt: “Ik wist het; ja mijn God, maar ik geloofde het niet!” dan, o dàn gevoelt zij eensklaps een nóg weldadiger gloed aan de zij van het hart haar verwarmen: Een moeder was er niet om haar kind te troosten: maar toch, zie, nu rust en nu schreit en nu snikt ze..... aan de moederlijke borst van een trouwe vriendin.De nacht van storm en hagel die door Eva Helmond in duizend angsten is doorwaakt, moest toch in ’t einde wijken voor een kalmeren morgen. De October-zon dook vriendelijk op uit haar valen sluier, en terwijl ze al spoedig haar kracht zou beproeven aan den hier en ginds langs velden en wegen bijeengegrienzelden hagel, zond ze ook een zachten straal in het vertrek waar de grijze Van Barneveld op zijn hard leger, met gesloten oogen en saamgevouwen handen neerlag. Daar ging de deur open. Zachtjes, zeer zachtjes.En zie, Goddank, nu gaan die oogleden open en keeren zich zijn oogen naar het licht.—En het zonnetje ’t welk door de deur naar binnen kwam, werkte misschien nog weldadiger dan het hemellicht, ’t welk door het venster er in blijft gluren.“Alweer Jacoba! Als je je volstrekt geen rust gunt dan zul je ziek worden. Ik had niets noodig kind!”“Maarikhad behoefte beste pa, om weer eens even te zien hoe het u ging, en u nog een glaasje melk te komen brengen. O, sinds de tuinman mij gezegd heeft dat er voor die nare benauwdhedenniets zoo goed is als melk, zal ik er u mee vervolgen totdat u weer heelemaal beter zult zijn.”“Ei Coba, zou je denken datmelkvoor zoo’n kwaal....?”“O ja, jawel papa, welzeker; melk moet daar heel goed voor zijn. ’t Is ook zoo natuurlijk, zoo iets van een dier.Melkhé ja, dat vind ik nuergnatuurlijk!”“Och, als je ’t graag hebt lieve kind....” Van Barneveld drinkt, en Jacoba houdt er van terzij het oog op gevestigd.“’t Is alweer hetzelfde!” zegt Van Barneveld.“U bedoelt....”“De vreemde smaak.”“Vreemd; hé, dat begrijp ik toch niet.”“Niet Coba....? ’t Is me telkens alsof ik iets van amandelen drink.”Jacoba heeft het glas aangenomen en proeft de laatst ingebleven droppels:“Hé dat moet toch verbeelding zijn lieve pa. Ik proef.... nee, ik proef er niemendal van.”“Diezelfde smaak was gisterenmiddag ook aan de....”“Aan de rijst. O ja, dat hebt u gezegd. Maar het zal toch aan uw smaak liggen: of dat er misschien iets aan de melk is....”“Wat zou er aan de melk zijn Coba?”“O, weet u wát ik denk: de koe zal buiten langs den stalmuur zijn gegaan, en daar aan de perzikbladeren hebben geknabbeld. Dat lusten de koeien wel, nietwaar pa?”“Doe je er suiker in Coba?”“In de melk? O ja, een heelheelklein beetje.”“Zoo—dan is die suiker slecht. Er is altijd een bezinksel.”“Och, tegenwoordig wordt alles vervalscht. Ik vrees dat er geen betere te krijgen is. Maar—die melk met een bijsmaak en wat slechte suiker heeft u toch geen kwaad gedaan lieve beste vader. Nee, ze heeft u veelveelbeter gemaakt, niewaar?”“Dat heeftGodgedaan Jacoba.”“Maar God gaf ook die melk, mijn beste papa.”“En Hij geeft mij mijn lieve kind, en....”De grijsaard sloeg wel den arm om haar fijne middel heen, doch het gelaat wendde hij naar de zij van den muur. Zij mocht het niet zien dat zijn oogen met tranen zijn gevuld.—Een oogenblik later richt de oude krijgsman zich in zijn bed overeind, en zegt, terwijl de zware knevel boven zijn lippen trilt, en hij Jacoba strak maar toch met liefde beschouwt:“Ik weet nu zelf niet Coba, of je liegenzondeofdeugdis.”Jacoba’s bleek gezichtje is bloedrood geworden.“Ik weet het niet!” herhaalt de oude man. En een oogenblik later zegt hij: “Jacoba, geef mij de poeders in ’t vervolg zonder rijst of melk. Ze hebben mijmisschiengoed gedaan. Als kind heb ik eens geproefd van de medicijn die je grootmoeder moest gebruiken. Dien smaak vergat ik niet.”Jacoba schreide aan de borst van haar grijzen vader.“Och lieve papa, u zoudt het goede middel anders niet hebben ingenomen, en u ziet toch dat soms een vooroordeel....”Maar zij vervolgde niet.—Misschien was zij reeds te ver gegaan; althans er vloog een donkere wolk over haars vaders voorhoofd.Vooroordeel!Neen, van dien vereeuwigden geliefde heeft ze niet willen spreken; dat was voorbij.—Maar kon ze het dan nu niet wagen om nog één enkel woord te doen hooren in ’t belang van haar dierbaren pleegbroeder? Was het dan óók geen vooroordeel om een zoon te haten, die zich na zulk een vervloeking wreekt: door aanstonds het beste middel uit te denken ’t welk ter genezing kan worden aangewend, zonder dat het zich voor den man, die geen medicijnen wil gebruiken, door een te hevig bitter verraadt?“Zwijg Jacoba, niets meer over hem;” zegt Van Barneveld een oogenblik later: “Mijn kind moet mij niet willen leeren wat mijn plicht is.”“Beste papa, dat was mijn bedoeling niet.”“Het had er allen schijn van Coba.—Nu, mijn kleine meisje, wees niet bang, en schrei niet langer. Wie heeft gezegd dat dokter Helmondten eenenmaleeen verworpeling is voor God!?—Ik niet!—Zoodra hij den moed zal hebben om zijn vrouw den kanker van ons volksbestaan, die bij haar reeds een verpestenden stank heeft, uit de borst te snijden, dan.... Maar wij spreken hierover niet meer.—Ga nu nog wat slapen Coba. Jawel, en slaap maar gerust. Nooitnooitwil ik hem weerzien; maar, met de helft van het onze, zal tóch, mettertijd, dokter Helmonds geneesmiddel betaald worden. Is het nu goed klein meisje? Ga nu en slaap nog wat.”Op het oogenblik dat Jacoba de kamer zal verlaten, hoort ze zich terugroepen. Van Barneveld ligt weder met het aangezicht naar den muur gekeerd; doch met de hand naar Coba’s zijde tastend, herneemt hij:“Als er soms nog iets voor dat monument mocht noodig zijn, zeg dan aan tante datik....”Jacoba zinkt eensklaps voor het ijzeren bed op hare knieën neer; vat de hand van dien grijzen vader, drukt er haar voorhoofd in, en schreit.—O God, ze schreit; maar toch, een oogenblik zóó zalig alsdit, ze had het nog niet beleefd.“Bedaar, bedaar, klein onverstandig meisje. Kom, ga nu gauw wat rusten. Den ganschen nacht heb jij voor je vader gezorgd, maar hij, niewaar mijn goed kind,hijheeft toch ook demelk gedronken.”Zoodra de October-zon dien morgen de luiken en blinden binnen Romphuizen voor ’t meerendeel heeft doen openen, heerschte er een buitengewone levendigheid op het kantoor van den Rijkstelegraaf. Het gerikketik klonk er bijna zonder ophouden. De metalen draad naar de zij van Briesborg en Utrecht had geen oogenblik rust.En zeker, het groote Romphuizer Hondsbosch vermoedde niet dat er door den dunnen draad die—den kronkel van den straatweg volgend, langs zijn takken gespannen was, een aantal vragen en antwoorden vlogen, voor ’t meerendeel met betrekking tot den mandie gisteren in den guren avond tusschen zijn stammen en struiken heeft rondgedwaald.De beide spreeuwen die zooeven uit het boschje op den grauwen draad waren neergestreken, ze vlogen er nu eensklaps van weg. Hadden zij ’t gevoeld dat onder hun teere pootjes de vraag van de Briesborger zijde als een bliksemstraal heenschoot:“Is generaal Van Barneveld vergiftigd? Reeds overleden? Vermoedens op dokter Helmond?”Natuurlijk die diertjes gevoelden het niet. Vroolijk in den zonneschijn vlogen ze stoeiend en zwenkend voort.... tot op het dak vanHet Roode Zoodje, en trippelden daar op het verweerde riet, en gebruikten straks in den voerbak, die voor de deur stond, hun ontbijt, zóó luchtig en opgeruimd, alsof ze ’t nu toch werkelijk vermoedden dat daarboven, door dien draad langs de palen, het antwoord gleed:“Generaal Van Barneveld bijzonder wel. Van vergiftiging in Romphuizen geen sprake. Zekere majoor Kartenglimp dood.—Dokter Helmond vermoedelijk ziek.”’t Was misgeschoten. Toen grauwe Toon straks buiten kwam en een vijftal lijsters, die juist de laatste roode bessen aan gindschen hoek van het bosch hadden genuttigd, op den telegraafdraad hun siësta zag houden, toen heeft hij de verzoeking niet kunnen weerstaan, en.... paf! Maar, een ondeelbaar oogenblik te voren was het vijftal den draad ontvloden.... Zou het mogelijk zijn dat het bericht ’t welk—rapper dan hun vleugels—onder hen heenvlood hen heeft geschokt:“Mevrouw Helmond in doodsangst; Zet onderzoek voort in haar belang.—Spoed, Spoed!”En de dépêches, die in Romphuizen werden aangeboden en moesten bezorgd worden, gunden het personeel aan den Rijkstelegraaf gedurende den ganschen voormiddag geen rustig oogenblik.“Goddank menheer,” zei de besteller tot den telegrafist toen deze in den namiddag het kantoor sloot: “Goddank, dat we nu toch weten dat ie in Amsterdam zit, en—dat het hier beperkte dagdienst is.—O ja, complement van menheer Kippelaan,” vervolgde de man: “en of u van avond na sluiting plezier hadt om een kopje thee bij hem te komen drinken?”

Toen Eva Helmond uit haar verdooving ontwaakte, toen wist ze niet wat er met haar was voorgevallen. Ze begreep niet hoe het kwam dat mevrouw Van Hake zoo bij haar naast de canapé zat....

“Wat doet ú hier?”

“Ik ben gekomen om misschien van dienst te kunnen zijn lieve Eva!”

Eva strijkt zich met de hand over de oogen en dan, haastig opziende:

“Waar is August?”

“Dokter is uit, Eva; hij zal.... waarschijnlijk wel gauw terugkomen....”

“Waarschijnlijk....? Je zegtwaarschijnlijk!? En waarom lig ik dan hier; en waarom....?” Eensklaps komt ze overeind en snelt naar de deur, roepend ja bijna gillend: “August, August! Helmond! waar ben je!?”

Mevrouw Van Hake komt Eva terzij:

“Als dokterhierwas Eva, dan zou hij zeggen: Kindlief je moet je kalm houden; er zijn omstandigheden....”

Eva hoort haar niet. Zij staart strak naar den grond. En dan:

“Waar is dat briefje? Ik vraag waar dat briefje is! Was ergeenbriefje?—Jawel, ik weet hetzeker.Ik heb het gelezen..... ik heb....”

“Eva, hou je van Helmond?”

“Houden! Mensch, je maakt me krankzinnig.—Ik wil dat briefjezien. Ik wil weten.... Geef hier. Jij hebt het. Jawel,jawel, jij hebt het!”

“Eva, in je eigen—nee, indoktersbelang bid ik je kalm te zijn.”

“Maar die brief, die brief!” roept Eva in dreigend smeekende houding: “Ik weet het maar al te goed. Ik wilde zien of hij sliep. Hij was er niet meer, En op zijn kamer vond ik toen dat schrift.... van een krankzinnige; en zijn naam stond er onder. Jazijnnaam. Ik wil dien brief zien. Laat mij toch gaan; ik wil nu.... ikwilnaar boven! Hoor je dan niet!”

Mevrouw Van Hake haalt het geschrift te voorschijn. ’t Zou zeker—nu de eerste schok was doorstaan—het verstandigste wezen om Eva zooveel mogelijk de waarheid in het aangezicht te doen zien, en, terwijl men haar bad om zich kalm te houden, een beroep te doen op haar verstand en haar waarachtige liefde voor haar man:

“Hier is de brief die je zoo treffen moest Eva. Maar ik verwacht dan ook dat je je krachtig zult toonen....”

Eva hoort haar niet; zij siddert, terwijl ze nogmaals die vreemde volzinnen leest, waarin August haar schrijft dat hij haar bedrogen heeft; dat een som—hij weet niet hoe groot—zijn schuld is; dat hij aan gene zijde van de zee duizenden menschen van de gele koorts zal genezen en tienduizendmaal het slachtoffer ervan worden wil; datzij, Eva, er het brood zal kneden en doen....

Eva kan niet verder lezen. Maar die vrouw in haar rouwkleed, wat eischt ze dat ze bedaard zal blijven! Voelt het mensch dan niet dat deze groote kamer haar te eng is; dat zij weten wil waar die man—zooals ze zegt, in zijn ijlende koorts—is heengegaan; waar hij toeft in dezen stormachtigen avond, terwijl de hagelsteenen met zulk een vreeselijk geweld tegen de ramen kletteren! Begrijpt ze dan niet dat ze hem achterna wil, dewijl niemand hem beter en eerder zal vinden dan zij! Beseft ze niet dat een vrouw rust noch duur heeft aleer.... O God, had ze zóó iets kunnen vermoeden toen ze meende dat hij slechts wat vermoeid en overspannen naar bed ging. Evawil, Evamoetnaar buiten!

Het kostte mevrouw Van Hake de grootste inspanning om Eva te doen beseffen dat haar liefde-ijver nu onverstandig was. Waar immers zou zij hem zoeken in den stormachtigen avond! Zij, in hare omstandigheden, zou ze zich wagen daarbuiten aan een tasten in ’t blinde! Bovendien: alles wordt er gedaan om den lieven zieke zoo spoedig mogelijk in zijn huis en in ’t warme bed terug te brengen. Wanneer dokter—’tgeen men niet voor onmogelijk hield—nog met den laatsten trein naar Amsterdam was vertrokken, dán zelfs kon men tamelijk gerust wezen; men zou dan in den trein al spoedig bemerken dat hij ongesteld was, en bij aankomst zeker voor hem zorgen.

Helaas, mevrouw Van Hake wist wel dat zij Eva met deze hoop misleidde, doch, haar taak was geen lichte.—Eva vloog immers gedurig weer op van haar stoel, en wilde hem zoeken; zijmoesthem vinden; ja, wie eerder danzij! Neen, zij heeft het wel toegegevendat zij haar ouders niet vóór den nacht verontrusten wil, immers men wist zeker dat de dokter er dezen avond niet geweest is; maar opDe Zonsberg! Ja, ’t waarschijnlijkste is toch dat hij, in zijn ijlende razernij, nog eens naarDe Zonsbergis gegaan.—Men heeft hem er niet gevonden, maar door de duisternis misleid, kon hij gemakkelijk van den weg zijn gedwaald. O, misschien ligt hij nu in doodsgevaar op een dier naargeestige kronkelpaden van het erf, waar een verwaten gierigaard, nog aan den rand van het graf, den goeden zieke durfde vervloeken, terwijl deze ten koste van eigen gezondheid hem redden en behouden wil.

“Jawel, op de Zonsberger paden zal ik hem vinden!” barst Eva na een korte stilte weer los: “En als hij ernietwezen mocht, dan vlieg ik naar den woekerenden trotschaard, en zal hem zeggen dat zijn lage vervloeking slechts kan terugkeeren op zijn eigen grijs en zondig hoofd; dat hij dien goeden man heeft mishandeld door beleediging op beleediging; dat hij hem heeftvermoord; hem en mij, ja, hém en mij, en het kind onzer liefde.”

“Zoover is het nog niet gekomen Eva. Men zal den goeden dokter gemakkelijk vinden. Thom was hem, zooals hij bij ’t heengaan zeide, immers reeds op ’t spoor. Dokter zal òf in de buurt wezen en gevonden worden, of—’t zij dan wat verder af—welwillend zijn opgenomen, en waarschijnlijk toch spoedig terug zijn.”

“Waarschijnlijk! altijdwaarschijnlijk!” roept Eva: “Maar als... o God! als men hemnietvond, wanneer hem in zijn ijlende koorts daarbuiten een onheil was overkomen! Zeg, mensch vol flegma, vol verstand en wijsheid, zeg, is dán die gierigaard ginds, zijn moordenaar niet? En ook, is hij de oorzaak niet van den angst die mij huiveren doet en de minuten tot eeuwigheden maakt!”

Mevrouw Van Hake ziet haar liefdevol aan en blijft het stilzwijgen bewaren.

“Maar spreek dan, spreek!” zegt Eva, doch op minder heftigen toon, want de liefdevolle blik der zwijgende vrouw heeft haar zonderling getroffen.

“Ik weet het niet Eva. We willen daar nu niet naar vragen. Het eenige wat ons vervult is toch de hoop dat we den goeden dokter spoedig zullen terugzien; en—dan zullen wij hem oppassen en verzorgen en alles doen om, met de hulp van God, zijn dierbaar leven te behouden.”

“Ja! ja!” zegt Eva snel, en dan, na een oogenblik van stilte: “Och, waarom bleef ik niet bij hem toen hij naar bed was gegaan!” Schreiend, doch straks weer heftig: “Maar ik wist niet dat het zoo erg was. Nee nee, ik wist het niet! Wie zal zeggen datikhem niet liefhad; wie!? ’t Is alles de schuld van dien oude, dien schijnheiligen man!”

“Eva,” zegt mevrouw Van Hake met zachte stem: “weet je wel lieve,wieik in deze oogenblikken het meest beschuldig?”

Eva ziet haar niet aan.

“Ik beschuldig waarlijkmij zelvehet meest.” Nu ziet Eva haar aan:

“U, ú beschuldigt....”

“Mij zelve. Ja Eva, ja!”

“Maar ik begrijp niet....?”

“Eva, ik heb in den laatsten tijd zijn weldaden aangenomen, ofschoon ik er bijna zeker van was dat hij de middelen om ze te kunnen verleenen niet meer bezat.”

Een vuurrood vliegt over Eva’s gelaat. Zij spreekt niet, maar blijft met angstig gespannen blik mevrouw Van Hake aanstaren.

“Ik bewoonde zijn huis,” herneemt de weduwe: “en at zijn brood, en had hem lief als een moeder, en toch ... ik deed slechts een zwakke poging om hem terug te brengen van een weg, die ik vreezen moest dat op uw beider verderf zou uitloopen.—Lieve Eva, als gijiemandbeschuldigt, doe het danmij.—De man dien ge uw vijand noemt heeft immers gewaarschuwd; misschien te krachtig gewaarschuwd, maargewaarschuwd!”

“Ik weet niet wat je zegt;” roept Eva, en slaat de handen voor de oogen. En dan, dan loopt zij de groote kamer op en neer, en bijna kermend klinkt het iets later:

“Zou alles danwaarzijn! Alles, alles!? En heeft hemdátspooksel benauwd en verdreven!—Maar nee, nee! dat is onmogelijk!” vervolgt ze terwijl zij eensklaps voor de weduwe blijft staan: “Heeft hij dan zelf niet door zijn daden getoond, en met zijn woorden bevestigd....”

“Eva,” valt mevrouw Van Hake in, en ziet haar onbeschrijfelijk liefdevol aan: “ja, die al te goede man toonde door zijn daden wat de wenschen van zijn geliefde waren, en sprak de woorden die zij het liefst van hem hoorde.—Eva, ik zie het, nú voor het eerst geloof je dewaarheid!”

—Dewaarheid!?—Ach, hoe zou het mogelijk zijn dat ze nú de volle waarheid reeds geheel doorzag!

—Was dan alles een leugen; alles wat haar omgaf in den laatsten tijd? Dit huis, die meubels, de diamanten, die familiepapieren, alles leugen, leugen!

—Maar gerechte hemel! wat zijn blinkende meubels of schitterende steenen bij den doodsangst die haar weer eensklaps overstelpt en benauwt? O! men kan haar vrij dat alles ontnemen, ja, alles,alles, indien hij maar terugkomt; wanneer ze maar weet dat die arme kranke niet langer omdoolt in de gure lucht; wanneer ze hem maar aanstonds mocht sluiten in haar koesterende armen!—Zie, het pakket familiepapieren ligt daar nog op haar schrijftafel. Nu roert ze het aan; maar neen, toch neemt ze het niet, om aan die vluchtige opwelling te voldoen en alles in ’t vuur te werpen.—Zij luistert.... Daar buiten klonken stemmen. Ha, God! men komt, ha!

Reeds is Eva de gang ingevlogen, en heeft ze de voordeur geopend.

Met luidruchtig gepraat nadert van de Hoenderveldsche straatzijde een langzaam voortgaande menigte. Een kleine handwagen ratelt in haar midden.

—Hoor! Een vrouwenstem klinkt luide van de hooge stoep naar beneden en tegen den snijdenden hagelwind in.

Men weet niet wat zij vraagt.

—Dokter Helmond? O nee, dien hadden ze niet, en moesten ze ook niet hebben. Dokter Helmond mocht de champagne nog in ’t hoofd zitten, en slapen misschien in den zijden sleep van zijn vrouws japon!—Nee, ze gingen met den armen majoor, dien ze na lang tobben uit de gracht hadden gehaald, regelrecht mee naar ’t huis van dokter Biermans.... dokter Biermans die er al dadelijk was bijgehaald:

“Vooruit maar jongens; vooruit, eer dat ie genachtsamen zeit! Van ’en schotjelos kruit: Wie zou ’t gelooven!”

Eva weet niet wat men nog verder in ’t voorbijtrekken zegt.

Nu bevindt zij zich weer in de groote huiskamer. Een ontzettende angst doet haar als ineenkrimpen terwijl ze klappertandend bij het vlammende vuur staat.—Haar haren, die buiten nat zijn geworden, hangen sluik langs de bleeke wangen neer. Strakker en strakker staart ze, totdat ze eensklaps opziende half luide mompelt:

“Ik wist het, ja ik wist het! Hij heeft het mij dikwijls gezegd; en nu....”

Haar oog viel in datzelfde oogenblik weder op het pak “familiepapieren”, en, Eva grijpt het weg van de tafel, en—werpt het in den breeden haard.

En de hoog opflikkerende vlam doet een rooden gloed spelen op het rose kleed ’t welk Eva nog in den vooravond tegen het zwarte heeft verwisseld.—O God, het had dan toch een zwart, een rouwkleed moeten zijn! En als het vuur nog hooger opvlamt en ter rechterzij haar schier verstorven wang met zachten gloed komt streelen, en zij, klappertandend, met saamgeperste handen murmelt: “Ik wist het; ja mijn God, maar ik geloofde het niet!” dan, o dàn gevoelt zij eensklaps een nóg weldadiger gloed aan de zij van het hart haar verwarmen: Een moeder was er niet om haar kind te troosten: maar toch, zie, nu rust en nu schreit en nu snikt ze..... aan de moederlijke borst van een trouwe vriendin.

De nacht van storm en hagel die door Eva Helmond in duizend angsten is doorwaakt, moest toch in ’t einde wijken voor een kalmeren morgen. De October-zon dook vriendelijk op uit haar valen sluier, en terwijl ze al spoedig haar kracht zou beproeven aan den hier en ginds langs velden en wegen bijeengegrienzelden hagel, zond ze ook een zachten straal in het vertrek waar de grijze Van Barneveld op zijn hard leger, met gesloten oogen en saamgevouwen handen neerlag. Daar ging de deur open. Zachtjes, zeer zachtjes.

En zie, Goddank, nu gaan die oogleden open en keeren zich zijn oogen naar het licht.—En het zonnetje ’t welk door de deur naar binnen kwam, werkte misschien nog weldadiger dan het hemellicht, ’t welk door het venster er in blijft gluren.

“Alweer Jacoba! Als je je volstrekt geen rust gunt dan zul je ziek worden. Ik had niets noodig kind!”

“Maarikhad behoefte beste pa, om weer eens even te zien hoe het u ging, en u nog een glaasje melk te komen brengen. O, sinds de tuinman mij gezegd heeft dat er voor die nare benauwdhedenniets zoo goed is als melk, zal ik er u mee vervolgen totdat u weer heelemaal beter zult zijn.”

“Ei Coba, zou je denken datmelkvoor zoo’n kwaal....?”

“O ja, jawel papa, welzeker; melk moet daar heel goed voor zijn. ’t Is ook zoo natuurlijk, zoo iets van een dier.Melkhé ja, dat vind ik nuergnatuurlijk!”

“Och, als je ’t graag hebt lieve kind....” Van Barneveld drinkt, en Jacoba houdt er van terzij het oog op gevestigd.

“’t Is alweer hetzelfde!” zegt Van Barneveld.

“U bedoelt....”

“De vreemde smaak.”

“Vreemd; hé, dat begrijp ik toch niet.”

“Niet Coba....? ’t Is me telkens alsof ik iets van amandelen drink.”

Jacoba heeft het glas aangenomen en proeft de laatst ingebleven droppels:

“Hé dat moet toch verbeelding zijn lieve pa. Ik proef.... nee, ik proef er niemendal van.”

“Diezelfde smaak was gisterenmiddag ook aan de....”

“Aan de rijst. O ja, dat hebt u gezegd. Maar het zal toch aan uw smaak liggen: of dat er misschien iets aan de melk is....”

“Wat zou er aan de melk zijn Coba?”

“O, weet u wát ik denk: de koe zal buiten langs den stalmuur zijn gegaan, en daar aan de perzikbladeren hebben geknabbeld. Dat lusten de koeien wel, nietwaar pa?”

“Doe je er suiker in Coba?”

“In de melk? O ja, een heelheelklein beetje.”

“Zoo—dan is die suiker slecht. Er is altijd een bezinksel.”

“Och, tegenwoordig wordt alles vervalscht. Ik vrees dat er geen betere te krijgen is. Maar—die melk met een bijsmaak en wat slechte suiker heeft u toch geen kwaad gedaan lieve beste vader. Nee, ze heeft u veelveelbeter gemaakt, niewaar?”

“Dat heeftGodgedaan Jacoba.”

“Maar God gaf ook die melk, mijn beste papa.”

“En Hij geeft mij mijn lieve kind, en....”

De grijsaard sloeg wel den arm om haar fijne middel heen, doch het gelaat wendde hij naar de zij van den muur. Zij mocht het niet zien dat zijn oogen met tranen zijn gevuld.—Een oogenblik later richt de oude krijgsman zich in zijn bed overeind, en zegt, terwijl de zware knevel boven zijn lippen trilt, en hij Jacoba strak maar toch met liefde beschouwt:

“Ik weet nu zelf niet Coba, of je liegenzondeofdeugdis.”

Jacoba’s bleek gezichtje is bloedrood geworden.

“Ik weet het niet!” herhaalt de oude man. En een oogenblik later zegt hij: “Jacoba, geef mij de poeders in ’t vervolg zonder rijst of melk. Ze hebben mijmisschiengoed gedaan. Als kind heb ik eens geproefd van de medicijn die je grootmoeder moest gebruiken. Dien smaak vergat ik niet.”

Jacoba schreide aan de borst van haar grijzen vader.

“Och lieve papa, u zoudt het goede middel anders niet hebben ingenomen, en u ziet toch dat soms een vooroordeel....”

Maar zij vervolgde niet.—Misschien was zij reeds te ver gegaan; althans er vloog een donkere wolk over haars vaders voorhoofd.

Vooroordeel!Neen, van dien vereeuwigden geliefde heeft ze niet willen spreken; dat was voorbij.—Maar kon ze het dan nu niet wagen om nog één enkel woord te doen hooren in ’t belang van haar dierbaren pleegbroeder? Was het dan óók geen vooroordeel om een zoon te haten, die zich na zulk een vervloeking wreekt: door aanstonds het beste middel uit te denken ’t welk ter genezing kan worden aangewend, zonder dat het zich voor den man, die geen medicijnen wil gebruiken, door een te hevig bitter verraadt?

“Zwijg Jacoba, niets meer over hem;” zegt Van Barneveld een oogenblik later: “Mijn kind moet mij niet willen leeren wat mijn plicht is.”

“Beste papa, dat was mijn bedoeling niet.”

“Het had er allen schijn van Coba.—Nu, mijn kleine meisje, wees niet bang, en schrei niet langer. Wie heeft gezegd dat dokter Helmondten eenenmaleeen verworpeling is voor God!?—Ik niet!—Zoodra hij den moed zal hebben om zijn vrouw den kanker van ons volksbestaan, die bij haar reeds een verpestenden stank heeft, uit de borst te snijden, dan.... Maar wij spreken hierover niet meer.—Ga nu nog wat slapen Coba. Jawel, en slaap maar gerust. Nooitnooitwil ik hem weerzien; maar, met de helft van het onze, zal tóch, mettertijd, dokter Helmonds geneesmiddel betaald worden. Is het nu goed klein meisje? Ga nu en slaap nog wat.”

Op het oogenblik dat Jacoba de kamer zal verlaten, hoort ze zich terugroepen. Van Barneveld ligt weder met het aangezicht naar den muur gekeerd; doch met de hand naar Coba’s zijde tastend, herneemt hij:

“Als er soms nog iets voor dat monument mocht noodig zijn, zeg dan aan tante datik....”

Jacoba zinkt eensklaps voor het ijzeren bed op hare knieën neer; vat de hand van dien grijzen vader, drukt er haar voorhoofd in, en schreit.

—O God, ze schreit; maar toch, een oogenblik zóó zalig alsdit, ze had het nog niet beleefd.

“Bedaar, bedaar, klein onverstandig meisje. Kom, ga nu gauw wat rusten. Den ganschen nacht heb jij voor je vader gezorgd, maar hij, niewaar mijn goed kind,hijheeft toch ook demelk gedronken.”

Zoodra de October-zon dien morgen de luiken en blinden binnen Romphuizen voor ’t meerendeel heeft doen openen, heerschte er een buitengewone levendigheid op het kantoor van den Rijkstelegraaf. Het gerikketik klonk er bijna zonder ophouden. De metalen draad naar de zij van Briesborg en Utrecht had geen oogenblik rust.

En zeker, het groote Romphuizer Hondsbosch vermoedde niet dat er door den dunnen draad die—den kronkel van den straatweg volgend, langs zijn takken gespannen was, een aantal vragen en antwoorden vlogen, voor ’t meerendeel met betrekking tot den mandie gisteren in den guren avond tusschen zijn stammen en struiken heeft rondgedwaald.

De beide spreeuwen die zooeven uit het boschje op den grauwen draad waren neergestreken, ze vlogen er nu eensklaps van weg. Hadden zij ’t gevoeld dat onder hun teere pootjes de vraag van de Briesborger zijde als een bliksemstraal heenschoot:

“Is generaal Van Barneveld vergiftigd? Reeds overleden? Vermoedens op dokter Helmond?”

Natuurlijk die diertjes gevoelden het niet. Vroolijk in den zonneschijn vlogen ze stoeiend en zwenkend voort.... tot op het dak vanHet Roode Zoodje, en trippelden daar op het verweerde riet, en gebruikten straks in den voerbak, die voor de deur stond, hun ontbijt, zóó luchtig en opgeruimd, alsof ze ’t nu toch werkelijk vermoedden dat daarboven, door dien draad langs de palen, het antwoord gleed:

“Generaal Van Barneveld bijzonder wel. Van vergiftiging in Romphuizen geen sprake. Zekere majoor Kartenglimp dood.—Dokter Helmond vermoedelijk ziek.”

’t Was misgeschoten. Toen grauwe Toon straks buiten kwam en een vijftal lijsters, die juist de laatste roode bessen aan gindschen hoek van het bosch hadden genuttigd, op den telegraafdraad hun siësta zag houden, toen heeft hij de verzoeking niet kunnen weerstaan, en.... paf! Maar, een ondeelbaar oogenblik te voren was het vijftal den draad ontvloden.... Zou het mogelijk zijn dat het bericht ’t welk—rapper dan hun vleugels—onder hen heenvlood hen heeft geschokt:

“Mevrouw Helmond in doodsangst; Zet onderzoek voort in haar belang.—Spoed, Spoed!”

En de dépêches, die in Romphuizen werden aangeboden en moesten bezorgd worden, gunden het personeel aan den Rijkstelegraaf gedurende den ganschen voormiddag geen rustig oogenblik.

“Goddank menheer,” zei de besteller tot den telegrafist toen deze in den namiddag het kantoor sloot: “Goddank, dat we nu toch weten dat ie in Amsterdam zit, en—dat het hier beperkte dagdienst is.—O ja, complement van menheer Kippelaan,” vervolgde de man: “en of u van avond na sluiting plezier hadt om een kopje thee bij hem te komen drinken?”


Back to IndexNext