DERTIENDE HOOFDSTUK.

DERTIENDE HOOFDSTUK.Op den avond van dienzelfden dag zijn de weduwe Van Hake en haar zoon in het schemerdonker bijeen. Mevrouw Van Hake zit in haar leunstoel. Men ziet van haar niet veel meer dan ’t wit van haar muts en het wit der breikous, waaraan zij met ijver werkt, ’tgeen aan het rusteloos naaldengetiktak te hooren is.Thomas, met den rug naar het venster gekeerd, is in massa wel zichtbaar, maar zijn goedaardig doorgaans vroolijk gelaat is nu—natuurlijk—zoo zwart als de nacht.“We willen er dan maar ’t beste van hopen moedertje, en ik beloof je vast er geen woord van te zullen spreken; maar, neem meniet kwalijk, den eersten keer dat ik weer merk dat ze u voor haarmeidaanziet....”“Stil stil beste Thom, wie heeft dat gezegd, ik....”“Nee, dat hebt u niet gezegd, maar wij beiden hebben het bemerkt moeder; en ik herhaal het: den eersten keer dat zij u op de een of andere wijze weer durft krenken, dan ... ja, dán moet het maar uit zijn!”“Lieve Thom, ’t is zeker je goeje hart dat daar spreekt, maar je hebt me immers moeten toestemmen dat óók de jonge mevrouw getoond heeft een goed hart te bezitten; en daarom, wie weet....”“Nu ja moedertje, maar goeje harten hebben alle menschen. Gisteren hoorde ik nog van een zekeren mijnheer vertellen: dat hij gedurig zijn vrouw sloeg, maar anders au fond eenheel goed harthad.”“Eva heeft zich illusies gemaakt Thomas. De reeds lang loopende Kippelaans-praatjes: dat Helmond voor liefhebberij praktizeert; dat hij van den schatrijken oom zooveel geld kan krijgen als hij verlangt; dat de generaal het mooie huis op de markt voor z’n neef zou koopen, dat alles heeft haar al wat hooger opgewonden dan goed was. Zoolang wij Eva kenden was zij hooghartig, en we weten ook dat ze thuis—vooral sedert haar terugkomst uit Den Haag—door haar familie als een halve godin werd gediend en ontzien. Wellicht heeft dat ziek-zijn er toe bijgedragen; en later toen ze met dokter Helmond geëngageerd was, toen is het er zeker niet op verbeterd. De goede dokter, die haar zoo liefheeft, mag haar mede wel een beetje bedorven hebben.”“Mijn beste moeder weet altijd de verschoonende zij van een karakter op te sporen; maar....”“We willen nu liever zwijgen over dit punt beste Thom. Ik heb heden meer hoop voor de toekomst gekregen; en vergeet het niet, dat we uit dankbaarheid voor onzen lieven dokter toch wel wat geduld mogen hebben.”“Tot het uiterste moeder! Ja! maar ze moeten van ú afblijven! bij God! of anders....”“Stil kind, stil! Maar bedenk dan ook dat je moeder nevens haar wensch omjougelukkig te zien, er geen grooter heeft dan om hier onder dit vreedzaam dak, op de plaats waar ze je braven vader zag werken en lijden, haar dagen te eindigen, en het hoofd neer te leggen, het oog gericht op een betere toekomst.”De massa, die Thom moest wezen, had zich verplaatst, en men zag nu niets, volkomen niets meer in de huiskamer der Van Hakes. Toch, als men scherp keek, dan zag men nog eengrauwevlak—die mevrouw Van Hakes muts moest wezen—zich zeer terzij bewegen, terwijl men niet langer het getiktak der breinaalden, maar een zoet geluid vernam, het bewijs der innigste liefde tusschen moeder en zoon.Uit een eerst bijna onhoorbaar gemurmel worden in ’t eind verstaanbare klanken geboren. Zacht fluisterend klinkt het nu:“Jawel Thom, jawel!”“Nee moeder; nee....!”“Ermoetwel iets wezen Thom; je waart in den laatsten tijd niet zoo vroolijk als anders. ’t Is waar, je hadt veel te doen; en dan de dood van mijnheer Donerie; je dagelijksche orgel-oefeningen in het vroege morgenuur; de zorgen voor moeders toekomst.... ja, ik weet het wel; maar, is er dan niets, niets anders, dat....?”Alsof Thom nog vreesde dat men in ’t donker,witvanroodkon onderscheiden, dook hij met den blonden krulkop achter moeders hals, en terwijl hij—op den arm van haar leunstoel gezeten—haar middel omvatte en haar zoo een zoen in den hals gaf, sprak hij een oogenblik later zeer zacht, maar toch schijnbaar luchtig:“Wil ik je eens een vertelseltje doen moeder? ’t Is heel kort: D’r was eens een boerenjongen en een koning; en de koning had een dochter; en de boerenjongen was een gek. Toen de koningsdochter van ’t paard was gevallen en de boer haar naar ’t paleis had gereden, toen vroeg hij de koningsdochter tot vrouw.”“En....?”“Nou is ’t uit moeder.”“Hoe meen je? Ik begrijp niet....?”“Ik heb u immers gezegd moedertje, dat die boerenjongen eengekwas.”Hoor, daar klonk de schel der apotheekdeur.In één oogwenk was Thom óp, en ter kamer uit.“Hoe vaarje; hoe vaarje?” Klinkt een stem den komenden provisor tegen: “Altijd wél geweest? ’t Is hier drommels donker. Ik heb immers ’t plezier dokter Helmond te zien?”“Je plezier van zienkan zoo groot niet wezen, menheer Kippelaan; maar wacht, ik zal even de aptheek-lamp aansteken. U moet immers in de aptheek zijn?”—O! ah zoo menheer Van Hake, ben u het! Verrukt je te zien.... of.... je zoo straks te zullen.... enfin! Mama welvarend? Komaan, dat doet me ontzettend veel plezier. Al gehoord dat je mama laboreerde. Zondag niet in de kerk geweest. Dokter welvarend en ’t jonge vrouwtje? Allerliefst lief vrouwtje, allerliefst! Altijd een charme van me geweest.Entre-nousgezegd, bepaald vues op gehad; maar zwak, niet gezond. Tenminste.... die ziekte waar ze mee uit den Haag kwam, toen dacht ik: prudent! Voel-je? En ik wachtte; maar tusschentijds is dokter gekomen. Enfin, even goeje vrinden. Je weet Van Hake, dat we om zoo te zeggen boezemvrinden zijn, en dus....”“Moest u dokter hebben, menheer Kippelaan?”“Chut, chut, amice. Je begrijpt wel dat ik mijn reden heb waarom ik hierachterinkom. Mijn vriend Helmond wilde ik spreken; jawel, maar chut! in een teere zaak; heel teere zaak; en dáárom.... A propos, je hebt witte drop,wit? Klaar hé?”“Jawel.—Verkouden menheer Kippelaan?”“Ik, nee nee, pardon, nee, maar er is iemand die.... Enfin, ik wou wel graag een pond witte drop hebben.... mijn neef de professor is vóór witte drop; bepaald!”Van Hake ondanks zich zelven lachend:“Een pond....!?”“Jawel, of tenminste een groote quantiteit, en dan in een prachtdoos; iets énorms—zóó zieje, van die hoogte bijvoorbeeld. Ochentre-nousmenheer Van Hake, jij bent de eenige aan wien ik ’t zeggen zou, maar ’t staat alles in ’t nauwste verband. De reden waarom ik eigenlijk hier kom is een gezondheidsinformatie. Is.... isse dokter vandaag opDe Zonsberggeweest?”“Dokter is er op ’t oogenblik met zijn vrouw.”“Op ’t oogenblik, och-kom, dus niet thuis? Ojee!....” Eensklaps komt hij den provisor, die nog voor de toonbank staat, terzij; omvat met zijn beide handen Van Hakes rechter-onderarm, karnt er met een geweldige hartelijkheid mee op en neer, en vervolgt: “Ik vertrouw je menheer Van Hake; je bent iemand in wien ik fiducie heb, en bovendienik dank je, jawel ik dank je; want ik heb verplichting aan je, groote verplichting; parole!”“voorzichtig menheer Kippelaan, je zult zwarte handen krijgen want mijn jas....”“Niemendalm’n vriend, niemendal;” zegt Kippelaan, ofschoon hij Van Hake loslaat, die zich nu met een snelle wending achter de toonbank verschanst.“Je hebt meer voor me gedaan dan ik zeggen kan,” herneemt Kippelaan: “We zijn hier veilig niewaar?” Hij ziet naar de openstaande gangdeur, doch zonder eenige beweging te maken om haar dicht te doen: “Enfin, op den dag toen mijn geliefde vriend Donerie ’s-avonds gestorven is, toen ben je ’s morgens bij baas Krul geroepen niewaar? En een uur later toen heb je iemand, een zeker iemand, compris, met eenvigilantenaar een zeker landgoed gebracht.... Vatje? Jawel, je vat me.... hé? De generaal heeft het die domme timmermansfamilie zeerzeerkwalijkgenomen dat ze haar als ’t ware gedwongen hadden naar boven te gaan, blootgesteld aan een tooneel dat haar bijna van schrik den dood op het delicate lijf heeft gejaagd. Ze was geheel van zich zelve niewaar?”“U spreekt van.... juffrouw Van Barneveld?”“Chut! chu.... u.... ut, mijn beste vriend. Enfin, wie zou ik anders bedoelen. Jawel, onder ons, ik spreek van Jacoba, en ik ben òvergelukkig dat het toeval mij u, en niet dokter Helmond deed vinden. Je hebt haar op dien morgen gezien, geobserveerd, ge.... enfin door je uitmuntende zorgen haar in ’t leven behouden. Merci, waarachtig Van Hake, van harte merci!”Kippelaan tastte over de toonbank naar handen, die echter niet voor den dag kwamen. Weer omziende: “Nu is het alleen maar de vraag of het.... toevallen zijn of niet....? Men zegt dat ze toevallen heeft. Men zegt! maar men zegt zooveel. Geen verschijnselen—je weet wel.... op den mond niewaar? Mijn neef de professor....”“Zijn ze razend! roept Thomas: “daar is nietsnietsvan waar,” en hij voegt er nog een krachtige bestrijding bij. Die malle Kippelaan was anders wel instaat om te gaan rondventen dat juffrouw Van Barneveld de vallende ziekte had, en als zijn zegsman den intiemenVan Hakete noemen.“Merci, merci hoor!” valt Kippelaan uit: “Ik was er zeker van; ’t was de schrik, de agitatie. Débiel gestel niewaar? Niet vrij van een weinigje aamborstigheid. Goed geobserveerd; jawel! Ik kom er tegenwoordig aan huis. De beide laatste keeren háár echter niet gezien. Débiel gestel. Na die scène zou ’t haar te veel schokken.... ’t Heet nu verkouden; vooralsnog moet ik haar excuseeren. Versta je, vooralsnog!”“Aha, dus bestaan er plannen?” zegt Thomas nu tamelijk laconiek, ofschoon hij zich zonderling voelt geslingerd tusschen uitbundig lachen en “afranselen”!“Chut,chuuuut! Plannen, ja ja. Ben ik te rond geweest, te openhartig, zeg? Ja, ik ben te rond. Maar enfin, ik ben die ik ben. Zieje, ik moest zekerheid hebben; ik wilde.... e.... e.... e.—Geen aanleg voor.... tering?”“Watblief?”“Een idee: een invallend idee. Ik heb een huwelijk gekend dat werd vernietigd door die fatale ziekte. Enfin, vooruit kunnen weten. Maar—zou je denken? aanleg?”Van Hake heeft onwillekeurig den stamper uit den grooten vijzel ter hand genomen, en krijgt nu sterke aanvechting om “dat heer de tanden uit den mond te slaan”.—Zeer laconiek klinkt echter zijn antwoord:“Om dát heel zeker te weten, menheer Kippelaan, zou ik neef den professor eens laten komen.”“Maar.... maar m’n beste vriend, hoe zou die....? Ja! wat zijn capaciteiten betreft; maar hoe zou ik neef bij juffrouw Coba kunnen zenden om haar borst te kunnen onderzoeken.—Doch niewaar, als er iets van aan was, dan zoudt u en mijn vriend Helmond het weten. Zie ’t was een idee. Ieder mensch heeft zoo zijn aanleg voor eenige kwaal.”“Welzeker,” bevestigt Thomas: “zooals men bijvoorbeeld veeldenkende en alles onderzoekende menschen wel eens naar ’t krankzinnigenhuis ziet marcheeren.”“Och-kom!” zegt Kippelaan, terwijl hij onwillekeurig naar zijn hoofd tast. En dan op eenigszins kalmer toon, herhaalt hij zijn innigsten dank voor de allerbelangrijkste inlichtingen. Mijnheer Van Hake zou toch moeten toestemmen dat men opzijnleeftijd—om en bij de dertig—eenigszins met verstand moest te werk gaan. Dood in vertrouwen gezegd was er toch bovendien ’t een en ander, dat.... enfin—Van Hake zou er wel alles van weten.Terwijl Van Hake, peinzend op een afdoend middel om dat individu kwijt te raken, half gedachteloos ontkent, verwringt Kippelaan zijn gelaat tot zulk een uitermate geheimzinnig en vertrouwelijk knipoogje, dat Thom toch met een weinig meer belangstelling zijn ontkenning herhaalt.“Niet!” zegt Kippelaan: “weet je niets van die verstandhouding tusschen den generaal en.... jawel onzen vriend, je uitmuntenden patroon?”“Verstandhouding?” zegt Thomas opziende.“Ja ja! alles behalve wenschelijk. Uit een goede bron. Watblief? Weet je van niets? Ik zou ’t aan niemand vertellen, maar aan u, die me drievoud verplichtte....” En Kippelaan vertelde nu in ’t diepst geheim—Van Hake was reeds de zesde vertrouweling—’tgeen hij volgens zijn verklaring uit een goede bron vernam, maar inderdaad op dien avond, onder den eik en onder het raam van Van Barnevelds kamer heeft afgeluisterd. ’t Was buiten twijfel, verzekerde Kippelaan—die slechts de luidst gesproken woorden heeft kunnen opvangen—dat de generaal in ’t geheel niet zóó met den neef was ingenomen als men dat meende. Nog op den avond vóór zijn huwelijk, had hij hem in hevige woede, terwijl hij somtijds als razend de tafel door vuistslagen deed dreunen, zijn gebrek aan eerbied en onderdanigheid verweten, terwijl hij hem met geheele onterving had bedreigd indien hij daarin geen verandering bracht.Van Hake was nog te zeer onder den indruk van die eerste zotte informaties naar Jacoba’s gezondheid, dan dat hem deze laatste mededeeling ernstig kon treffen. Al wist hij niet dat dit geheele verhaal op een misverstand steunde, dewijl die toorn van den generaal immers geenszins den geliefden neef maar wel diens broeder Philip had gegolden, zoo hield hij de gansche geschiedenis toch aanstonds voor een “Kippelaans-praatje” en, ofschoon hij ook nu nog met zijn vroegere belhamels-natuur te strijden had, en dien babbelaar zeer gaarne een paar blauwe oogen zou hebben geslagen, zoo riepen hem nu al de etiquetten der groote medicijnflesschen toe: dat hij hier zijn verstand moest bewaren, en ’t allerminst in de apotheek van zijn goeden patroon een dwaasheid mocht begaan.Hoe ’t zij, toen Kippelaan ongeveer een kwartier later, maar zonder zijn wit drop, uit Helmonds apotheek in de donkere straat kwam, toen mocht hij wel van geluk spreken, zonder kleerscheuren van achter die toonbank te zijn weggekomen. In ’t eind toch was hij Van Hakes verschansing binnengedrongen, en, terwijl hij de hand had vermeesterd, waarin Thom den stamper hield, en er vol innigheid mee op en neder karnde, verzocht hij “rondement” aan zijn besten vriend, om—met het oog op iets zeer “kortafs” van den generaal, hem een enormen dienst te willen bewijzen. Van Hake zou wel begrijpen wat hij bedoelde, en—nietwaar, de beste vriend was juist de persoon om zoo eens te polsen, want, sedert den morgen dat mijnheer Van Hake juffrouw Jacoba van baas Krul naarDe Zonsbergbracht, is hij immers een paar malen zeer welwillend door den generaal ontvangen.Ja, indien Kippelaan had geweten wat daar omging in Van Hakes borst, dan mocht hij wel van geluk spreken—althans betrekkelijk—zoo heelhuids uit die apotheek te zijn weggekomen, want, zelfs de zware vijzelstamper, die hem eensklaps—voorzeker onwillekeurig door den provisor losgelaten—op den voet is gevallen, die stamper had hem slechts weinig geraakt, tenminste ’t had niets te beteekenen; o niets! nee—heusch.... tenminste.... Bonsoir!VEERTIENDE HOOFDSTUK.Zooals reeds gemeld werd, bevinden Dokter Helmond en zijn vrouw zich dienzelfden avond opDe Zonsberg. Des morgens aan de koffietafel, heeft er inderdaad—en bijna voor ’t eerst—een helder zonnetje in de huiskamer van het jonge echtpaar geschenen. Eva, door het voorgevallene met mevrouw Van Hake, en wel door de overwinning, die zij op zich zelve behaalde in een mildere stemming gebracht, heeft haar echtvriend met een zachten handdruk nog eens de stellige verzekering gegeven, dat ze niet meer zou denken over ’tgeen voorbij was, terwijl zich dan alles voortaan wel schikken zou.—Ja, zij wilde wel gaarne haar best doen om metalleszóó tevreden te zijn als ze het van den beginne afaan met haargeliefdenman is geweest; maar, August kon toch niet verlangen dat zij speelde op een piano, die geheel en al dof en ontstemd van de vocht was, en dat zij haar stem bedierf door te zingen in kamers als deze, waar men den zolder op den neus had, terwijl het klonk als katoen....?—Nee natuurlijk.—Hij kon toch niet verlangen dat zij veinsde en mooi en goed vond wat haar hinderde....?—Nee, dat sprak vanzelf.Nu ja, voor ’t oogenblik was Eva dan ook heel tevreden. En, weinige oogenblikken later, toen die heerlijke verrassing haar was geworden, toen een waarlijk kostbare ovale spiegel in huis gebracht en in de salonkamer was opgehangen, toen stond het vrouwtje weldra met haar August in de teederste omhelzing ervoor, en vertrouwden die beiden volkomen het fraaie Fransche glas ’twelk hun toeblonk en zei: dat ze niet slechts waren een knap, maar ook een hoogstgelukkig paar.—Maar dat geluk, neen, het kon immers niet zoo innig, niet zoo blijvend wezen, indien daar in de naaste omgeving iets was, ’t welk Eva telkens opnieuw moest hinderen wanneer zij eraan dacht.En Helmond heeft ook nu weer zijn vrouw gelijk moeten geven. Ja, ’t was een onaangename verhouding tusschen hen enDe Zonsberg. De korte vrij stijve visite, die oom met tante Hermine aan de jongelieden heeft gebracht, kon niets goedmaken en heeft volstrekt geen licht gegeven waarom men Eva vanDe Zonsbergzocht verwijderd te houden, terwijl Jacoba zich toch altijd, wanneer het te druk werd, op hare kamer terugtrekken kon.’t Een of ’t ander is waar, heeft Eva beweerd, óf oom Van Barneveld en tante Hermine hebben een overdreven zorg voor Coba—misschien een zorg die eer nadeelig dan goed voor haar is, óf—en Eva heeft hier sterk op gedrukt—of oom Van Barneveld toonde maar al te zeer, dat hij was ’tgeen zij reeds vroeger gevreesd heeft: haar tegenstander, haar vijand, hoewel ter wille van den geliefden neef, een vijand met het zwaard in de scheede.—Neen, dit laatste was onwaar, heeft August gezegd. Het verzoek van oom is—hij moet het bekennen—zeervreemdgeweest; maar indien Eva oom Van Barneveld kende zooals hij, dan zou ze begrijpen hoe hij tot zoo iets gekomen is. Oom mag soms zijn opinies hebben en iets zonderlings, maar Eva’s vijand—August weet het beter, zijn woord is er haar borg voor—haarvijandis hij niet.Indien dit dan waar was—en Eva wilde haar lieven man gelooven—dan zou men nog dezen namiddag naarDe Zonsberggaan om zekerheid te bekomen. In geen geval handelde men tegen ooms verlangen indien men er heden heenging, want, juist vandaag is het een week geleden dat oom zoo beleefd was te verzoeken: of Eva haar bezoek nog een acht dagen wilde uitstellen.En, August heeft toegestemd.’t Was ruim zeven uren toen dokter Helmond en zijn vrouw het groote ijzeren hek vanDe Zonsbergbinnenstapten en het breede gazon omgaande, de hooge stoep van het deftige landhuis, ofschoon langzaam, naderden. Nog nooit had Helmond een zoo beklemd gevoel als in deze oogenblikken. Hij, de anders zoo kloeke, handelende man, hij gevoelde zich temoede als een schoolknaap, die den meester onder de oogen zal treden van wien hij een welverdiende berisping verwacht. Neen, ’t was nog een ander gevoel.... Hij kon er geen naam aan geven. ’t Was hem schier alsof dat welbekende huis, ’twelk hij aan de zij van een teerbemind vrouwtje zal binnengaan, een vreemd en vijandig terrein voor hem geworden was; een vesting die hij bij verrassing verschalken moet. En, de kracht van den bevelhebber dier vesting is hem bekend.Of het geknoerp en gekraak van hun schreden in het zware kiezelzand Helmond een geregeld denken belet, althans in dezen stond heeft hij geen helder bewustzijn van zijn verhouding tegenover den.... geliefden pleegvader, en een oogenblik zelfs beschuldigt hij zich van zwakheid en al te groote onderdanigheid, omdat hij zijn vrouwtje gaat wagen aan een mogelijke koelheid van den man die—Eva heeft waarlijk gelijk—haar niet volkomen genegen is; die van den beginne afaan een trotsche houding tegenover de familie Armelo had aangenomen, en de kleine zoo verschoonbare ijdelheden van een prachtig en talentvol meisje steeds in hetongunstigstdaglicht heeft geplaatst. Ware het niet beter geweest indien hij die kinderlijke onderdanigheid en terughouding, terstond na de tehuiskomst van Parijs, had laten varen, en met gepaste vrijmoedigheid zoowel ten opzichte van Jacoba als van Eva, zijn meening blootgelegd en opheldering gevraagd had? Ook tegenover den oom had hij behooren te zijn ’tgeen hij elders is: kordaat en onafhankelijk. Het gold Jacoba’s gezondheid in de eerste, het gold zijn huiselijk geluk in de tweede plaats.—Oom, indien gij Jacoba spoedig wilt zien herstellen dan moet ik haar geheel als mijn patiënt behandelen, anders sta ik u voor de gevolgen niet in.—Oom, indien gij tegen mijn Eva zijt ingenomen, en niet van plan om haar de vriendschap en hartelijkheid te betoonen, zooals ik die steeds van u ontvangen mocht, dan is het beter dat wij elkander niet meer zien, want, ofschoon ik u eeren zal en lief hebben zoolang ik leef,—man en vrouw zijn één.—Zie, zóó had hij behooren te spreken; of althans in dien geest. En nu, is het niet onvoorzichtig dat hij zijn Eva met hare grieven, laat komen voor den man, die wel eens een zeer hoogen toon kon voeren, die niet gewoon is zijn minder gunstig oordeel te verzwijgen, en vooral niet wanneer men zich op een hoogte tegenover hem stelt, of—zij het op zachte wijze—hem ter verantwoording zou willen roepen?—En is August dan zeker dat Eva geen woord zal spreken ’t welk den oom.....?“Nee, nóg niet,” zegt August snel, terwijl Eva’s voet reeds de onderste stoeptrede drukt: “Wacht, laten we liever nog eens hier om het huis naar den achterkant gaan. ’t Is daar zoo’n heerlijk plekje, en.... mij dunkt, nú vooral....”Eva ziet hem vragend aan. Zij bemerkte terstond dat het August geen ernst met dat “heerlijke plekje” is; dat hij iets anders in ’t schild voert; dat hij aarzelt die stoep op te gaan.“Is er zwarigheid August? Ik dacht dat oom mij zoo liefhad; ik meende dat je woord mij daar borg voor was. Hoe nu....?”“Welzeker Eva, zeker! Maar ooms zorg voor Coba! Oom is goed, uitermate, maar....”“Maar.... hij heeft aanmijden oorlog verklaard. Jawel, en daarom aarzel je nu.”“Nee Eva.”“Enfin, we zullen zien.”En de huisschel klonk luid in de breede marmeren gang.Ofschoon Hendrik op uitdrukkelijk verlangen van mijnheer en mevrouw Helmond, hen eerst had aangemeld, zoo was er toch bij hun binnentreden op Van Barnevelds gelaat, terwijl hij langzaam opstaande het naderende echtpaar een paar schreden tegemoet ging, een uitdrukking te bespeuren als van iemand die niet recht weet wie hij de eer heeft.... te zien, of aan welke omstandigheid hij een onverwacht, maar daarom nog juist geen aangenaam bezoek is verschuldigd.“Eva had een groot verlangen om eens hierheen te wandelen oom, en als ’t ware haar entrée opDe Zonsbergte maken;”, zegt August terwijl hij den generaal de hand reikt, en vervolgt: “Nu toch de staat van beleg hier is opgeheven, konden wij er gerust aan voldoen. ’t Was er heerlijk weer voor. Hoe gaat het oom?”Er was iets gekunstelds in den toon van dokter Helmond.“Dankje August.—Aha nicht, hoe vaarje?” zegt Van Barneveld en drukt Eva’s hand die in keurig licht glacé is gesloten: “Ga zitten.—Tante Hermine is juist met Coba naar boven gegaan. Kh’m! Wat meende je met “staat van beleg”?”“Och.... u hadt immers te kennen gegeven dat het beter was indien Eva nog een acht dagen wachtte met hier te komen; en, daar die acht dagen nu juist om zijn....”“Ei zóó! heb ik acht dagen gezegd? Zoo!”“’t Was misschien uw bedoeling mijnheer Van Barneveld, dat ik....”August, vreezend dat Eva reeds terstond in vuur zal geraken, valt haastig in:“’t Was uw bedoeling dat we om Coba’s ongesteldheid, vooreerst nietal te drukzouden komen. Maar, nu alles zoo bijzonder naar wensch gaat, nu meende ik dat het zelfs goed voor haar zou wezen wanneer we ons eens tezamen vertoonden. Watmijbetreft, ik verlang naar Coba, want de beide keeren dat ik in de verloopen week hier was, mocht ik wel heel aangenaam met u de plaats doorwandelen, maar mijn zusje zag ik niet, om redenen....”“Om zeer natuurlijke redenen August.”“Ik moest ze billijken oom, tenminste als....broer; maar, alsdokterniet.”“We hebben datzelfde punt eergisteren op die wandeling met een enkel woord behandeld. Voor ’t oogenblik acht ik het minder gepast. ’t Is niet noodig je te zeggen dat ik je graag zie hierkomen; maar, indien het naar mijn overtuiging beter is dat Coba vooreerst in haar zeer dagelijksche omgeving blijft—terwijl ik er bijvoeg dat ze voor ’t overige zeerzeerwel is, dan, dunkt me, moest men niet aandringen op.... op ontmoetingen....”“Maar wie, wie dringt er....?” zegt Eva snel; doch August valt in:“Een misverstand oom; wij dringen daar volstrekt niet op aan, al zouden we ’t gaarne wenschen. Is het uw bepaalde wil dat Coba vooreerst—vergun me de opmerking: tegen ’t advies van haar dokter—in ’t geheel geen menschen zien zal, dan moet dat gebeuren! dan blijven zelfs wij op den achtergrond, maar niewaar, als we ’t vooraf doen weten, dan zijn we toch immers bij ú altijd van harte welkom?”“Dit is een vraag August, waarop geen antwoord behoeft. Zooeven heb ik nog gezegd dat ik je gaarne zie komen; maar....”“Maar.... menheer Van Barneveld,” zegt Eva met kwalijk bedekte spijt: “wanneer de vrouw van den geliefden neef blieft thuis te blijven, niewaar?”“Beste Eva!” zegt August merkbaar ontsteld. En dan: “Ja ziet u oom....”Maar Van Barneveld begrijpt dat hij alles zeer goed heeft doorzienen nog doorziet.Immers, bij alles wat hem vroeger tegen ’t huwelijk van August met Eva Armelo heeft gestemd, kwam nu nog het pijnlijke, schier tot zekerheid geklommen vermoeden der laatste dagen, dat diezelfde schoone vrouw de oorzaak is van het zielelijden zijner eenige teergeliefde dochter.—Op lossen grond meent hij niet te oordeelen. Zuster Hermine heeft hem getoond dat zij als vrouw, scherper blik bezat om een meisjeshart te doorgronden, dan zelfs de vader die zijn kind van der jeugd afaan als zijn oogappel heeft bewaakt. Had hem ook reeds een heimelijke vrees vervuld, vooral op den morgen toen Coba zooveel bezorgdheid toonde dat de brief, dien zij aan August had geschreven, door hem—haar eigen vader—zou geopend worden;ach, toen zuster Hermine, nadat Coba stadwaarts was gegaan, hem een doormidden gescheurd papier ’twelk zij op Coba’s schrijftafel vond, had doen lezen, toen.... toen heeft hij wel moeten gelooven dat een steeds met kracht verborgen en nu hopelooze liefde voor August, zijn Coba lijden, en, zoo God het niet verhoedde, verkwijnen deed. Immers in haar gejaagden toestand heeft zij, waarschijnlijk ter juistere uitdrukking harer gevoelens een eerst begonnen brief terzij gelegd, en verzuimd de regels te vernietigen, die hem nu gedurig voor den geest staan:“Beste August!“Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken op dien avond toen je mij zoo deelnemend ondervroeg....Och, waarom moest ik huichelen; waarom verbergen wat mij verteert....”Ja, de oude generaal—ofschoon hij ten deele op een dwaalspoor is geraakt—hij gelooft nu alles zeer duidelijk te doorzien. Welzeker: Hermine heeft gelijk. En al wil dan ook Coba zelve, de jonggehuwden, maar vooral August bij zich ontvangen, dat mag en kan vooreerst niet gebeuren. De zaak is van te teederen aard om er zelfs met Helmond anders dan zeerzeervanverre over te spreken; en, zal Jacoba leven en behouden worden, dan moet men gelijktijdig met het versterken van haar zenuwgestel, alles vermijden, wat nieuw voedsel aan dien droeven hartstocht zou kunnen geven.Na Eva’s laatsten uitval heeft Van Barneveld niet zonder groote zelfbeheersching zijn kalmte bewaard. Zulk een toon verdraagt hij niet, van niemand! Slechts de herinnering aan het gebeurde met den jongsten pleegzoon, maar tevens een snel herdenken van ’tgeen hij sprak op den trouwdag; het besef bovendien dat Eva wel inderdaad eenige reden had om zijn ingenomenheid met haar te mistrouwen, en zich nu gekrenkt te gevoelen; dit alles, gevoegd bij een aangeboren hoffelijkheid tegenover de schoone sekse—en Eva was immers zeer schoon—deed den generaal nu zich zelf met kracht beheerschen. Schijnbaar kalm, doch niet zonder klem zegt hij:“Wanneer ik verzeker dat er voor de vrouw, die mijn neef gelukkig wil maken, een ruime plaats in mijn hart is, dan herhaal ik slechts wat ik vroeger sprak, en zou wel gaarne op mijn woord geloofd worden. De welgemeende zoen aan de vrouw van mijn pleegzoon op den dag van haar huwelijk gegeven, moest haar het bewijs zijn geweest van mijn.... welwillendheid.”“Waarlijk oom, Eva is geheel van uw liefde overtuigd. Alleen de hooge prijs, dien zij op uw toegenegenheid stelt, deed haar zoo spreken, en daarom....”“En daarom wil ik haar dan ook alleen maar vragen August: of het voortaan tusschen ons “mijnheer Van Barneveld en mevrouw Helmond” of “oom en nicht” zal wezen?”Voor Eva’s muzikaal gehoor heeft de toon waarop de oude generaal daar sprak, niets welluidends gehad noch iets dat haar roeren kon. De laatste terechtwijzende vraag heeft haar zelfs tamelijk schril in de ooren geklonken; nochtans voor dien uitdagenden blik, door de grauwe en zwaar vooruitkomende wenkbrauwen verdonkerd, slaat zij de oogen neer, en zegt:“De ongewoonte....oom; men kan zich vergissen.”“Ik begreep het Eva, en geloof dat we elkaar op den duur hoe langer hoe beter begrijpen zullen.” Eensklaps zich tot August wendend: “Sedert gisteren heb ik besloten met Coba voor een paar maanden naarDe Godesbergte gaan. Dat besluit zul je wel goedkeuren niewaar?”“De koudwaterkuur heb ik zelf aanbevolen oom; maar....” August beziet schijnbaar zeer aandachtig de toppen zijner vingeren: “maar, zult u haar dáár zoo geheel kunnen isoleeren.... op een badplaats?”Van Barneveld, die op raad van zuster Hermine dit besluit had genomen, heeft niet berekend dat men hem aanstonds op deze inconsequentie betrappen zou. Zich gevangen te gevoelen en door eigen schuld, het maakt den ouden generaal korzelig—narrig! zooals hij het zelf zou noemen:“Ik meen dat men dáár zoowel als overal stil kan leven,” zegt hij tamelijk kortaf, en dan tot Eva wier donkere kijkers hem in deze oogenblikken bepaald hinderen: “Wil je zoo goed zijn nichtje, de honneurs van het theeblad op je te nemen? mijn zuster schijnt nog wat boven te blijven.”“Zou mevrouw niet terugkomen.... oom?”“Ik weet het niet; maar ’t is acht uur geslagen.”Of deze opdracht Eva aangenaam is valt moeielijk te bepalen. Vluchtig denkt ze nochtans aan den morgen en het gebeurde met mevrouw Van Hake. De parelgrijze handschoenen trekt ze schielijk uit, en voldoet aan ooms....bevel.“En denkt u al spoedig te vertrekken?” vraagt August.“Dat zal van het antwoord afhangen. Dezen morgen heb ik erheen geschreven.” Tot Eva, wier bewegingen hij onwillekeurig heeft gevolgd: “Ik geloof dat je de verkeerde bus hebt nichtje; in die grootere is de gewone thee, van de fijne doet Coba er tenminste gewoonlijk maar zeer weinig bij. We zijn onder ons.”Deze oogenschijnlijk onbeduidende aanmerking klonk inderdaad wat vreemd uit den mond van den grijzen ex-generaal. August bracht haar echter onmiddellijk in verband met ooms vroegere opvatting omtrent Eva; en, heeft hij reeds gevoeld dat hun—of althans dat háár bezoek den oom geen welkom bezoek was, hij meent nu in die aanmerking een uit tegenzin geboren toeleg te zien om zijn Eva al dadelijk wat huishouden en zuinigheid te leeren. ’t Was ongepast; ’t was.... Maar neen, met de jaren kon zelfs een ex-generaal wel eens huishoudelijk worden. Oom meent het toch goed, al is hij door het onverwachte en niet gewenschte bezoek, al is hij om redenen, die August niet vermoeden kon, in een minder goede luim. Die aanmerking, zoowel als dat verzoek om thee teschenken, getuigt dat hij Eva als “eigen”, als een lid zijner familie wil beschouwen.—Zijn vrouwtje vriendelijk toelonkend, zegt hij nu met eenige zelfoverwinning:“Je woudt oom zeker eens een heel lekker kopje schenken, niewaar Eva?”“Ik heb daar niet aan gedacht;” antwoordt Eva, over wier wang een snelle blos is gevlogen, en wat ze er zachter bijvoegt, gaat—gelukkig misschien—voor den oom verloren, want, Hendrik die mede licht binnenbrengt, heeft luide het bezoek aangekondigd van den majoor Kartenglimp.Van Barneveld fronst even de wenkbrauwen.Nog slechts weinige dagen geleden is hij heel toevallig met dien majoor Kartenglimp in aanraking gekomen. Bij een wandeling in het Hoenderveldsche bosch, op een afgelegen pad, heeft hij hem voor ’t eerst ontmoet, en het vallen van een dooden tak, die, volgens den majoor, door het gevecht van een kraai en een lijster was afgebroken, en juist tusschen de beide wandelaars is neergekomen, heeft hen eenige woorden doen wisselen. Met de meeste belangstelling had de majoor toen aanstonds naar juffrouw Van Barneveld geïnformeerd, terwijl hij schier in één adem de bijzondere capaciteiten van Dokter Helmond heeft geroemd, dewijl hij hem—Kartenglimp—van een ernstige ongesteldheid zoo spoedig en radicaal genezen had.Van Barneveld heeft bij die ontmoeting in stilte een zeker leedwezen gevoeld dat een opvatting, een mindere sympathie voor ’t uiterlijk van dien man, hem lomp heeft doen zijn, dewijl hij hem—volgens stadsgebruik—bij zijn komst in Romphuizen een visite had behooren te brengen, ’tgeen hij niet heeft gedaan.Dat Kartenglimp hem, zonder eenige gevoeligheid daarover te toonen, in dat bosch zoo beleefd en respectueus heeft toegesproken, ’t moest den generaal wel aangenaam treffen. Immers hij werd toch te oud om zich door vooroordeelen te laten regeeren, of naar praatjes te luisteren, die waarschijnlijk in de kleinsteedsche sociëteit met de el waren uitgemeten. Inderdaad, die majoor was heel vriendelijk, en dewijl hij gezegd heeft dat hij bij zijn komst in de stad, als zooveel jonger in jaren en lager in rang, zeerzeker den generaal het eerst had behooren te complimenteeren, waaraan hij, beter laat dan nooit, nog gevolg hoopte te geven—zoo heeft Van Barneveld wel niet anders dan hoffelijk kunnen buigen, met de verzekering dat zijn bezoek hem zeer aangenaam zou zijn.Maar, nu kwam hij toch bijzonder ongelegen.... of neen, misschien had die komst juist nú haar nuttige zijde. De majoor scheen spraakzaam, en met Dokter Helmond is hij bijzonder ingenomen.Van dit laatste was August in ’t geheel niet overtuigd. Twee malen na zijn terugkomst van de reis, heeft hij getracht den majoor te bezoeken, maar telkens was de patiënt niet thuis, en ’tgeen Van Hake hem heeft gezegd, en wat men later van Kartenglimps waardeering verhaald had, ’t is niet geschikt geweest om hem van ’s mans ingenomenheid met zijn persoon een hoog denkbeeld te geven.—Doch zie, ’t bleek alweer dat men de woorden van een patiënt die wat bang voor vriend Hein is, niet al te letterlijk moest opvatten, en, dat de later uitgestrooide praatjes eenvoudig Kippelaanspraatjes zijn geweest. Althans nadat Kartenglimp mevrouw Helmond en den generaal begroet en naar de gezondheid van juffrouw Van Barneveld heeft gevraagd, drukt hij zijn dokter met warmte de hand. Met een klein excuus over “dat telegrafeeren”, ’tgeen hij zegt volkomen juist door dokter te zijn opgevat en beantwoord—buigt hij nogmaals voor Eva, en terwijl hij haar, na een sierlijke geste, met de zeer belangrijke lotsverwisseling van harte gelukwenscht—iets, waarin hij vroeger door zijn ziekte is verhinderd geworden, en waarmee hij nu gemeend heeft te moeten wachten totdat de familie geheel op orde zou zijn—neemt hij toch alvast met veel genoegen deze bijzondere gelegenheid te baat, om zich ook in mevrouw Helmonds vriendschap ten zeerste aan te bevelen.Dat klonk heel anders dan Helmond verwacht heeft. Niet, dat al de mooie woorden van den majoor bij hem alsbewijzenvan hartelijke belangstelling golden, terwijl Kartenglimps persoonlijkheid hem nooit bijzonder heeft aangetrokken, zoo kon het hem toch niet anders dan aangenaam zijn te mogen bemerken dat Kartenglimp niets tegen hem had, en, wat men van zijn grieven verhaalde, slechts uitstrooisels zijn geweest.Nu de majoor zijn excusen heeft gemaakt dat dit eerste bezoek een avondbezoek is, waarvoor hij echter verschoonende redenen bijbrengt, wordt de ontmoeting in het Hoenderveldsche bosch als de aanleiding er toe herdacht. De majoor beweert dat het waarlijk origineel is dat het vallen van een dooden tak moest meewerken om hem een lang verzuimden plicht te doen herstellen—althans voor zooveel dit mogelijk was—want ja, “ja waarlijk generaal,” zoo besloot hij: “’t was mijn plicht als oud-militair om het eerst bij u mijn opwachting te maken.Van Barneveld beantwoordde deze herhaling van Kartenglimps beleefdheid met een welwillende geste, en wilde juist vragen of de majoor inderdaadgoedhad gezien dat een kraai, telkens het nest van den lijster voorbijscherend, een sterken vleugelslag aan den wakkeren verdediger gaf, waardoor in ’t eind het doode stuk tak moest zijn afgebroken; toen Eva, zich over het theeblad vooroverbuigend, zacht maar toch goed verstaanbaar de vraag tot hem richtte: of oom verlangde dat ze ook nu—met het bezoek van.... mijnheer!—maar alleen van degoedkoopethee zou gebruiken?Van Barneveld schijnt haar niet te verstaan, althans zonder te antwoorden wendt hij zich met zijn vraag—welke hem echter eensklaps geheel onverschillig is geworden—tot den majoor. Deze heeft met een oogopslag een zeer verschillende uitdrukking op de drie aangezichten gelezen, en tevens bemerkt dat Helmond, die zeer nabij zijn vrouw was gezeten, haar snel maar zacht met de knie heeft aangestooten.“Jawel je excellentie, ik heb dat zeer goed gezien. Door het breken van den tak—zooals wij zagen juist een paar vingerbreedvóór het nest—is de kraai zeer verschrikt weggevlogen, en niet teruggekomen, tenminste zoolang wij er waren.”“Ahzoo, ja juist; ’t deed me plezier dat het nest niet mee naar omlaag kwam;” zegt de generaal, en kan zich niet weerhouden om tegelijkertijd een zijdelingschen blik op Eva te werpen.“Zeker generaal, recht gelukkig!” zegt Kartenglimp, en dan, zich tot Eva wendend, terwijl hij zijn donkere oogen slechts bij tusschenpoozen op haar bekoorlijke trekken gevestigd houdt:“De eerste maal dat ik u vluchtig mocht ontmoeten, waart u zeer ongesteld mevrouw. Zeker had de Haagsche lucht u geen goed gedaan. Er is, als ik ’t zeggen mag, bepaald eenige sympathie tusschen ons: die kille temperatuur in den Haag was mij—vooral omdat ik uit Indië kwam—mede zeer onaangenaam, en, dat wij beiden onze spoedige herstelling aan denzelfden vriend te danken hebben, nietwaar....?”“Dan toch altijd naast God,” zegt Van Barneveld, die in geen stemming verkeert om “menschenvergoding” te dulden, en nog twee malen als tersluiks een blik langs de groote moderateurlamp op Eva geworpen heeft.“Natuurlijk, natuurlijk je excellentie, we erkennen dat stilzwijgend.—En wat ziet mevrouw er geheel anders uit dan toen. Dat was in Maart als ik me niet bedrieg. Men scheen destijds eenigszins bevreesd te zijn..... nietwaar? Tenminste onze goede vriend Donerie sprak er, indien ik mij wel herinner, met de meeste belangstelling over. Ja waarlijk, ik moet zeggen, dokter heeft er alle eer van.... althansnaast God.”De laatste woorden klonken den generaal, uit dien mond, zeer zonderling gemaakt in de ooren.Helmond zegt dat Eva inderdaad tegenwoordig gezonder is dan ooit, en te hopen dat het doktersvrouwtje een uithangbord voor de affaire zal blijven.De majoor merkt met bescheidenheid aan dat dit beeld van den dokter, voor zijn jonge vrouw niet al te flatteus is; maar hij gelooft niet dat dokter Helmond inderdaad een zoo schitterend uithangbord zal behoeven; men beweert immers met recht dat het den neef van den generaal Van Barneveld niet zoo bijzonder ernst met een al te uitgebreide praktijk kan wezen; zijn jonge vrouw en de geëerde familie vanDe Zonsbergzouden daar zeker nog al op tegen hebben.“In ’t geheel niet!” zegt Van Barneveld snel en met klem: “Het kan de vrouw en de familie van mijn neef niet anders dan aangenaam wezen wanneer de zieken die er zijn en geneeskundige hulp verlangen, hem, zooveel mogelijk, hun vertrouwen schenken. De schoorsteen zal ervan moeten rooken.”De majoor Kartenglimp lacht bescheiden met ongeloovig ophalen der wenkbrauwen; en, heeft hij al straks bemerkt dat de jonge vrouw den blik van haar oom zocht te ontwijken, nu zag hij bij diens laatste woorden een donkere blos haar gelaat overtrekken.Helmond weet met tact het gesprek een andere wending tegeven. Zelfs Eva, door de spraakzaamheid van den galanten majoor daartoe uitgelokt, mengt er zich een enkele maal in, en was op het punt haar bittere grieven te vergeten—want de “hatelijke woorden” van Helmonds pleegvader en “de verregaande schrielheid van dien nabob in zijn somber paleis” hebben haar als een doorn in het hart gestoken—toen Kartenglimp de eenvoudige vraag tot haar richtte: of zij zich in haar nieuwe woning reeds wat thuis gevoelde.Eva aarzelde een oogenblik, maar toen, bemerkend dat Helmond het antwoord wilde geven, zegt ze snel met kwalijk verborgen wrevel:“Ik zou onoprecht zijn majoor, wanneer ik zei dat het huis mij bevalt. ’t Is er somber en gedrukt. Aan de voorzij zit men achter een dijk, en aan de.....”“Ja, aan de straatzijde valt zeker niet veel te zien;” zegt Kartenglimp hoofdknikkend.“Maar we zien er elkaar, niewaar wijfjelief?” valt Helmond in: “en dat is ons ’t voornaamste. Aan een huis moet men wennen evenals aan een nieuw kleedingstuk.”“Als het kleed niet past August, dan zendt men het terug.”Kartenglimp geeft hoofdknikkend het teeken dat hij de opmerking der jonge mevrouw zeer ad-rem vindt.“Men had al gezegd dat u de woning aan den wal zoudt verlaten om het leegstaande huis op de markt ervoor in plaats te nemen. Ik geloof generaal, dat de jonge mevrouw in het zoogenaamde oud-burgemeestershuis meer haar aisances zou gevonden hebben.—Nog altijd te koop je excellentie.”Op Eva’s gelaat was—voor wie in haar ziel had gelezen—een oogenblik van triumf te bespeuren.Van Barneveld die bij het hooren van den majoor, telkens sterker den tegenzin voelde herleven, welke vroeger door dat brutale donkere oog en de vreemde plooi om dien mond bij hem was opgewekt, meende, ondanks den strijd, dien hij inwendig moest voeren, dat het zijn plicht was om vis-à-vis dien man door geen enkel woord meer te verraden dat de harmonie tusschen hem en de jonge echtgenooten nog iets te wenschen overliet.“Ja juist majoor, dat huis is nog te koop, maar ik geloof niet dat mijn neef er plan op heeft. Is ’t wel August?”Nadat Helmond ontkend, en Kartonglimp Eva’s vraag betreffende zijn verkiezing van suiker en melk in de thee met een bijzondere hoffelijkheid heeft beantwoord—waarbij hij haar voor ’t eerst rechtstreeks in de schoone oogen zag; na een snellen blik dien de generaal zijn neef heeft toegeworpen en waarmee hij dien bezoeker als geenszins van zijn gading, zocht te teekenen, zegt Eva tamelijk zacht maar toch met nadruk:“U gebruikt zekergeensuiker in de thee.... oom?”Kartenglimps oogen waren naar het fraai gestukadoorde plafond gekeerd, maar toch heeft hij op het hooge voorhoofd van den oom een trilling gezien als die van den effen vloed, wanneer een geworpensteen hem beroert, terwijl hem evenmin de half angstige half verwijtende blik van den jongen man is ontgaan, de blik waarmee hij als ’t ware zijn Eva smeekte om toch niet roekeloos vonken naar buskruit te werpen.“Maar ik begrijp volstrekt niet tante, waarom ik niet naar beneden zou gaan; we weten nu immers dat het August en Eva zijn die zich lieten aandienen,” zegt Jacoba terwijl ze mevrouw Mansburg met haar zachte oogen vriendelijk aanziet: “Wat zou mij nu meer goed kunnen doen dan eens met mijn besten August te praten, al moet ik hem ook beknorren dat hij de geheele week nog niet naar mij omzag.”“Papa vindt het beter dat je alle mogelijke drukte vermijdt Coba, je weet het, en daarom....”“Als papa geweten had wie het waren, die door Hendrik werden binnengelaten, dan had hij mij zeker niet verzocht naar boven te gaan.”“Ik geloof het wel Coba; maar we zitten hier immers ook heel prettig en gezellig op je lieve kamer. Tante zal heel graag bij je blijven.”—O die vermoeiende goedheid! zucht Coba bij zich zelve. Ja, tante Hermine is inderdaad een voorbeeld van deelnemende liefde; maar deelneming kan ook zoo bitter drukkend worden, en inzonderheid wanneer men telkens middelen ter genezing komt aanwenden, terwijl de wonde niet meer te heelen is.—Neen, de wonde aan het hart is niet meer te heelen; maar Gode zij dank, indien men haar nu rustig liet, en niet zoo telkens pijnigde door haar aan zich zelve te herinneren, en af te houden van hen, die haar nog lief zijn op de wereld, ja, dan gevoelt ze wel dat het zwakke lichaam langzamerhand zijn vroegere veerkracht zal hernemen, en dat ze weer zal kunnen leven, geheel en al, voor den beminden vader. O voorzeker, nu God zelf met den dood is tusschenbeiden getreden, nu moest ze het wel verstaan dat ze een dwaas, misschien een zondig kind is geweest. Het voegt immers een meisje niet om in stilte lief te hebben; om in stilte te wenschen—te bidden aan God misschien—dat de edele jongeling haar zal kiezen tot de gezellin van zijn leven....? Maar immers nooit, neen nooit, door woord noch blik, heeft zij verraden wat daar woelde en soms zoo pijnlijk brandde in de borst. God is haar getuige hoe zij fel heeft gestreden, en reeds den strijd had gewonnen; hoe ze Herman Donerie in ’t eind heeft beschouwd als een vriend, en de tijd reeds gekomen was dat ze hem naderen zag en gaan, niet slechts met een kalmen blik, maar ook met een rustig hart.—Toen is de dreigende wolk komen opzetten.—Herman Donerie—zoo luidde het—was ongesteld. Ja toch, hij kwam nog les geven; maar hij zag zeer bleek; en toen, toen is hij niet teruggekomen; en, nú eens heeft men gezegd dat hij zeer ziek, en dan weer dat hij geheel beter was. En zij is in een vreemdespanning en tweestrijd geraakt. Somwijlen was het alsof de borst haar te eng werd, alsof hoofd en hart werden saamgenepen.—Maar Goddank! op dien morgen van regen en storm, toen heeft ze in de kerk toch gehoord dat Donerie’s kracht niet was gebroken. Heerlijke dag van Helmonds trouwverbond: Hermans volle orgeltonen zijn als koele droppelen gevallen op den dorstenden bodem van haar hart. Ja, die dag was haar een dag van zegen: ze kon haar vrienden een blij gelaat toonen.—Maar ach! kort daarna is hetzeerduister geworden.—En toen; neen ’t is haar niet mogelijk geweest om haar goeden vader, hoe innig lief ze hem had, een blik in haar hart te laten slaan, zelfs niet nu de dood voor altijd een scheiding heeft gemaakt tusschen dien jongen “muziekmeester” en Jacoba Van Barneveld. Immers het geringste woord van verwijt of zelfs een enkele uitdrukking in tegenspraak met de stille vereering, die zij den geliefden doode bleef toewijden, zou haar een wreede dolksteek zijn geweest, en had een scheidsmuur kunnen opwerpen tusschen haar en den lieven, haar zoo innig dierbaren vader.En, als ze dan zelfs aan dien beminden grijsaard de oorzaak van haar zenuwlijden niet openbaren kan, hoe zal ze dan tot iemand anders—bijvoorbeeld tot een tante Hermine—daarover spreken! Maar dit laatste is haar ook geen oogenblik met ernst in de gedachte gekomen. Wat ze gewenscht en gedroomd heeft met een schuldeloos hart, zij zal het met zich nemen in het zwijgende graf. Neen, zelfs August, voor wien ze in die dagen van hevige spanning, bijna haar hart had uitgestort, of die, zoo Herman nog langer met den dood had moeten worstelen, de waarheid wel in haar oog zou hebben gelezen, ook hij zal nimmer vernemen wat haar heeft beroerd. Maar tóch, ze zou hem nu zoo graag eens spreken, haar lieven broeder!“Ben ie nu weer verdrietig goede Coba, omdat ik je tot je bestwil raad, geheel in overeenstemming met je pa? Jawel, ik zie het aan je oogen, je bent er verdrietig om.”“Wel mogelijk tante, maar ofschoon ik herhaal dat ik ’t veel beter voor mij zou vinden, indien ik nu bijvoorbeeld beneden kon wezen, zoo moet ik mij onderwerpen. ’t Is vreemd dat pa het zoo geheel met u eens is.”“Nee, niet vreemd Coba, in ’t geheel niet....”“En waarom dan toch tante?”“Waarom....? Wel lieve kind, weet je dan niet dat je na dien schrik—nee nee, ik spreek er niet van, ik wil alleen maar zeggen dat menheer Van Hake toen al dadelijk rust en vermijding van alle drukte heeft aanbevolen. Helmonds vrouw is bijzonder levendig, en je zoudt zeker een slechten nacht hebben indien je zoo van allerlei moest hooren, en over alles zoudt meespreken misschien.”Jacoba antwoord niet meer.Tante Hermine is er blij om. Op uitdrukkelijk verlangen van broeder Alexander, mag zij zelfs in de verste verte niet laten doorschemeren dat men de allerdroevigste oorzaak van Coba’s toestand heeft ontdekt. ’t Zou voor het arme kind, dat zich tot zelfs op dendag van Helmonds huwelijk zoo boven alle beschrijving krachtig heeft gehouden, misschien de noodlottigste gevolgen kunnen hebben. De zwaarste strijd was nu zonder twijfel gestreden. ’t Zal haar triumf wezen dat ze geheel alleen haar smart heeft gedragen, en, moest men dus alles in ’t werk stellen om te voorkomen dat de wond, die vermoedelijk reeds aan ’t heelen was, telkens weer door een vertrouwelijken omgang met den vriend werd opengereten; in geen geval moest men die wonde nog geweldiger aandoen door Coba te toonen, dat het bitter geheim van haar schuldeloos hart geen geheim was gebleven.Met zulke overleggingen uit een valsch vermoeden ontstaan, moest Coba’s zwijgen der goede dame wel genoegen doen.—Het lieve kind gevoelt in stilte dat we haar ten beste raden, denkt ze, terwijl ze Coba vriendelijk toeknikt, om vervolgens alvorens de honderd en elfde rozet van haar sprei-deken te haken, een streng katoen, die erg in de war zat, te gaan afhaspelen.... Heel “prettig en gezellig” voor Coba.Jacoba zweeg; de herinnering aan dien “schrik” heeft haar feller getroffen dan zij ’t zich zelve bekennen wil. Ja, dat was het laatste geweest; een schrikkelijk einde. Nóg ziet ze hem daar van verre; de zwarte krulharen woest golvend om dat doodsbleek gelaat; de holle van koortsgloed vlammende oogen eensklaps strak, angstig strak op haar gericht, terwijl hij met angstige bijna schreiende stem de woorden gilde: “Laat los! hoort ge niet! Zij is de mijne!”—Dezijne....?Jacoba voelt een inwendig beven.—Dat is niet goed; dat mag niet! Zij moet en wil immers krachtig zijn. Maar, hoe is dat mogelijk op den duur, wanneer men haar uit kwalijk begrepen voorzorg, niet als vroeger haar natuurlijken vrijen gang laat gaan; indien men haar hier van iedereen, zelfs van den lieven broeder terughoudt om nochtans—o zonderlinge tegenstrijdigheid—haar straks voor te spiegelen dat het leven aan een woelige badplaats haar weldadig zal zijn!Inweerwil van tantes beweren dat papa het alles zoo goedvindt ja nadrukkelijk verkiest, gelooft Coba dat het inderdaad tante Hermine is die, ofschoon met de beste bedoelingen, haar physiek en moreel te kerkeren zoekt.In dit oogenblik heeft Coba een onweerstaanbare behoefte om uit dien kerker bevrijd te worden.En, de goede papa zal er niet tegen zijn.“De lust om August eens weer te zien tante, bekruipt me zóó sterk dat ik ze beneden nu toch maar eens even verrassen wilde;” zegt Jacoba terwijl ze eensklaps opstaat.“Jacoba-lief, dat kan niet; heusch dat zou onverstandig wezen;” antwoord mevrouw Mansburg ontsteld.“Ieder mensch heeft wel eens zijn onverstandige buien tante. Nee, weerhoud mij niet. Mocht het minder goed voor me zijn, welnu dan moet ik er zelve de gevolgen van ondervinden. Maar, geen nood lieve tante.”De belangstellende dame, die haar nichtje op hartelijken toon tot andere gedachte zoekt te brengen, terwijl ze haar zachtkens met papa’s misnoegen dreigt, vreest reeds dat ze op die wijze niets winnen zal, toen het klinken der huisschel haar eensklaps een krachtiger wapen in handen gaf.—Nietwaar, dat bezoek van een vreemde zou Jacoba nu wel van besluit doen veranderen?“Dat is te zeggen tante; als het dan waarlijk beter zal zijn dat ik niet naar binnen ga, dan wilde ik August laten vragen of hij bijmijwil komen. Ik verlang zoo naar August.”—Arm kind! zucht de oude dame bij zich zelve. Maar nú vooral moet tante zich kranig toonen, en het klinkt schier bevelend:“Jacoba, je doodelijke bleekheid en je opgewonden stemming ontraden je bepaald om iemand te zien van avond.”“Maar als ik nu gevoel dat juist een gesprek met August mij weldadig zal wezen, omdat hij mij goeden raad zal geven lieve tante, zoudt u mij dan nog ontraden of verhinderen eenconsult met mijn dokterte nemen?”Haar dokter! dat arme kind!“Maar Coba, Alexander..... je pa.... hij zal....”“U voelt toch wel tante, dat niets ter wereld mijn gestel zoo nadeelig moet zijn als het gemis van mijn vrijheid. Ik heb nu een gevoel alsof ik een onschuldig-gevangene ben.... en dat ú....”“En dat ik....”“Nee tante, zoo bedoel ik het niet. U bij een gevangenbewaarder te vergelijken dat zou toch wat al te dwaas en onvriendelijk zijn. Ik weet wel dat u alleen uit belangstellende liefde handelt”—Op zoeten toon: “Maar beste tante, ik wilde August zoo heel heel graag eens even spreken; iets vragen....?”—Arm, arm kind! denkt de dame. Wat bitter zielelijden moet dat toch wezen! Niet slechts den geliefde gelukkig te weten aan de zij eener andere; maar, nu zoo nabij hem in dezelfde woning te zijn, en hem niet te kunnen zien of spreken; weerhouden te worden door een tante die.... Maar neen, zij is geen gevangenbewaarster, dat is een ondraaglijk denkbeeld! Heeft zij dan geen medelijden met zulk een lief en teeder, maar ongelukkig kind....?Ofschoon mevrouw Mansburg zelve aan haar broeder den goeden raad—en zonder eenig voorbehoud—heeft gegeven, dat men Coba toch alle gelegenheid zou benemen om August, en vooral afzonderlijk, te ontmoeten, zoo hebben Coba’s laatste woorden een zonderlinge gevoeligheid bij haar opgewekt. Zij,zijwordt beschouwd als een gevangenbewaarster, als iemand met een sleutelbos en handboeien, en dat, ter bewaking—niet van een schuldig wezen, maar van een lieve arme lijderes, wier eenige misdaad het is geweest dat ze heeft bemind zonder wederbemind te worden. Een gevangenbewaarster! nog eens, dat denkbeeld is mevrouw Mansburg onverdraaglijk!Juist op het oogenblik dat Eva van haar echtgenoot den half angstigen half verwijtenden blik ontving—nadat zij, toegevendaan haar kwade luim, den generaal nogmaals op zoo weinig bedekte wijze deed gevoelen, dat ze hem van schrielheid verdacht, trad mevrouw Mansburg de kamer binnen.—Haar komst geeft een weldadige afleiding. Terwijl Kartenglimp en de jongelieden opstaan om haar te groeten, en Van Barneveld vluchtig den majoor aan zijn zuster voorstelt, vergeet hij—althans voor eenige oogenblikken—de “zonderling kwetsende maar toch waarschijnlijk verkeerd begrepen woorden van dat mooie duiveltje”—zooals hij Eva reeds bij zich zelven heeft genoemd—om aanstonds Hermines komst met Coba’s welstand in verband te brengen, en met inwendige onrust doch schijnbaar kalm te zeggen:“Toch wél boven, Hermine?”Mevrouw Mansburg geeft een zeer bevredigend antwoord. Zij heeft neef Helmond iets te vragen.De vraag werd zacht gedaan.Om niet onbescheiden te zijn, knoopt Kartenglimp een gesprek met Eva aan, over Parijs en muziek en zang.Van Barneveld begrijpt niet welk een bijzondere vraag zijn zuster aan Helmond heeft te doen, en terwijl hij zijdelings het oog op haar mond houdt gevestigd, als wilde hij zien wat ze sprak, zegt hij nog eens:“Is er misschien iets.... dat....?”“Volstrekt niet Alexander. ’t Geldt mij zelve.” Zij wijst op haar hoofd.—Hermine zal weer last van hoofdpijn hebben, en geen rust aleer ze met neef de heele apotheek is doorgewandeld, denkt de generaal: à la bonne heure!—Ei zie, daar schijnen nog meer confidenties te moeten plaats hebben.—Helmond zegt dat men hem even zal excuseeren.—Mevrouw Hermine groet het gezelschap—wel wat vreemd, enpassant, meent Van Barneveld—en beiden verlaten de kamer.De herinnering aan Parijs heeft Eva’s kwade luim in een soort van overmoed doen ontaarden. Nu August de kamer verlaten had, nu was het alsof zij het geschikte oogenblik gekomen zag om den oom—al moest het in presentie van dien vreemde wezen—eens nadrukkelijk te doen gevoelen dat zij als Helmonds vrouw, ja zelfs als de nicht van den generaal Van Barneveld, zich op den duur niet ongestraft zal laten beleedigen.Bij het luide roemen der genietingen in “die heerlijke stad”, moest het telkens uitkomen dat men dáár zooveel breeder en gezonder opvatting van het leven had dan hier in het “achterlijke Nederland”. ’t Was daar aan alles te zien dat men er het dwaze stelsel niet huldigde: om door ontbering of gemis te leeren waardeeren. Neen, men genoot er wat betamelijk was.Pottersenschrapersvond men dan ook in Parijs, ja zelfs in geheel Frankrijk niet.—Monsieur De Musard had het zelf gezegd: Men leefde er, en liet er leven! De minste werkman dronk er zijn flesch wijn en niemand bespaarde er een vijffrankstuk tot na zijn dood, indien hij er de levenden mee vroolijk kon maken.Kartenglimp lachte gedurig zeer hoffelijk om de dikwijls niet onaardig klinkende phrasen van het jonge mooie vrouwtje, doch was tevens zoo vrij—met het oog op dien zwijgenden, meestal ernstig voor zich heen zienden generaal—om een paar malen beminnelijk met den vinger te dreigen, en iets van “Hollandsche degelijkheid” of “rijperen leeftijd” in ’t midden te brengen, terwijl hij zelfs ten slotte den generaal met een: “nietwaar je excellentie?” tot de bevestiging zijner meer degelijke gevoelens te bewegen zocht.“O ja majoor! men kan dat alles uit een zeer verschillend oogpunt beschouwen;” heeft de generaal geantwoord, en de toon, waarop hij dat antwoord gaf, verried niets, of althans zeer weinig van hetgeen er omging in zijne borst. De man met een open rondborstig karakter heeft zeker den zwaarsten strijd om zijn toorn te bedwingen. En nochtans beheerschte Van Barneveld zich op waardige wijze.Neen, die majoor, wiens gemaakte manieren, wiens vreemde hoffelijkheid en dikwijls zonderling vleiende toon hem hoe langer hoe meer tegenstonden, de man wiens bezoeken opDe Zonsberg niet zullen herhaald worden,—hij zou geen getuige zijn van een scène de famille!De oude generaal zal de waardigheid van zijn rang tegenover dien inférieur niet te grabbelen gooien, en zelfs in zijn tegenwoordigheid dat dartele kind een vernederende terechtwijzing besparen, hoewel ze die zeer noodzakelijk verdient.Of Van Barnevelds opstaan, zijn vluchtig rechts en links zien alsof hij iets zocht, en daarop een tamelijk snel verlaten van de kamer, zonder hierover eenige verontschuldiging te hebben gemaakt, alleen op rekening van den inwendigen strijd moesten gesteld worden, of ook dat het lange wegblijven van August nogmaals zijn heimelijke onrust over Jacoba had opgewekt, zeker was het dat Eva, in het heengaan van dien oom, alweder geenszins het bewijs vond dat haar persoon en gezelschap hem zoo bijzonder lief waren, maar wel—en met heimelijk genoegen—dat zij het “inhalige van zijn karakter juist heeft beoordeeld, en dat haar zijdelings afgeschoten pijlen raak zijn geweest”.Kartenglimp, die in een ondeelbaar oogenblik een flikkering van triumf in dat schoone oog heeft gezien, werpt nog een blik naar de nu weder gesloten deur, en maakt dan op bijzonder hoffelijken toon een half beschuldigende half verschoonende opmerking over het heengaan “der heeren”, maar zegt ten slotte, dat hij zich niet te beklagen heeft zoolang het lief gezelschap van mevrouw Helmond hem voor dat gemis blijft schadeloos stellen.Eva had er nog niet aan gedacht, dat zij als ’t ware alleen is gelaten om dien vreemden majoor gezelschap te houden. Ze ziet hem na zijne vleiende woorden vluchtig doch met zekeren weerzin aan.Straks heeft ze dien man een enkele maal gebruikt als.... den telegraafdraad, waarlangs men zijn gedachten aan het bedoelde adres zendt, als den biljartband, om van terzij een carambole te kunnen maken. Maar nu, nú heeft hij uitgediend! Zijn hoffelijkheid op diengemaakt fatsoenlijken toon, stuit haar tegen de borst. Ofschoon zij het heengaan van den oom—ook met het oog op dien vreemde—lomp en hatelijk vindt, het komt echter niet te pas dat die man er zoo op zinspelen durft; ’t voegt hem niet dat hij August, een der heeren noemt die het aan háár overlaten, om hem—dien man—“met haar lief gezelschap voor dat gemis schadeloos te stellen”.—Wat verbeeldt zich die oude dwaas! En mijnheer Van Barneveld? Denkt hij misschien dat Helmonds vrouw, omdat ze aanstonds toegaf en zich gewillig voor het theeblad plaatste, dat ze hier juffrouw van gezelschap of huishoudster is geworden?Indien de heele familie, uit welke oorzaak dan ook, er geen bezwaar in ziet om de kamer te verlaten, en mijnheer Van Barneveld het zelfs niet noodzakelijk acht in ’t gezelschap van menschen te blijven, die hem bezoeken, dan voelt Eva zich wel ’t allerminst geroepen om de honneurs van zijn huis waar te nemen, en zal die majoor haar althans geen beletsel zijn om mede heen te gaan wanneer zij zulks verkiest.“Oom begrijpt zeker niet waar Helmond blijft,” zegt ze snel, en dan, opstaande: “Ik vrees dat mijn nichtje weer minder is geworden.—U zult mij permitteeren....?”Niet zonder verbazing en een vreemde plooi om den mond, ziet nu Kartenglimp die jonge schoone vrouw insgelijks en met haastigen tred de kamer verlaten. Ternauwernood smoort hij een verwensching terwijl hij haar naoogt; doch, niet zoodra is de deur achter haar gesloten en bevindt hij zich in die groote kamer geheel alleen, of hij weerhoudt den vloek niet, die hem op de lippen brandt, en balt hij zijn vuist, en verwenscht bij zich zelven een familie die zich niet ontziet om hem—den majoor Kartenglimp—als een kwajongen te behandelen....als eenniets, als eennul!Eensklaps—alsof een pijnlijke herinnering hem treft, fronst Kartenglimp de zwartgeverfde wenkbrauwen.—Ja.... indien men had vernomen....? Maar dat is onmogelijk.—Bij die toevallige ontmoeting in ’t bosch is het hem duidelijk gebleken dat ook de generaal met die zaak geheel onbekend was. En,hoekon ’t hem, of iemand anders ook ter oore zijn gekomen! Hebben de vier officieren, die te Soerabaya in de zaak waren betrokken niet hun woord gegeven dat ze zwijgen zouden, en, althans zooveel mogelijk, de zaak geheim te houden of te smoren, indien hij terstond zijn ontslag uit den dienst wilde nemen, naar ’t moederland vertrekken en er zich nimmer in eenige garnizoensplaats vestigen zou? Neen, ’t is niet mogelijk dat die oud-kameraden hun woord hebben gebroken.—Dat zij hem steeds met hun dwazen haat vervolgen, en zelfs nog over den wijden oceaan het oog op hem gevestigd houden, ’t is hem gebleken toen hij te ’sGravenhage vóór zijn vertrek naar Romphuizen, dien scherpen brief ontving, met bevel om zich onmiddellijk uit de residentie te verwijderen, indien hij wenschte dat het voorgevallene onbekend bleef. Maar juist deze bedreiging is hem weder het bewijs geweest dat men, zonder aanleiding van zijn kant, het gegeven woord niet zou breken, en, dewijl hij nu het kleine Romphuizen—waar volstrektgeen garnizoen was—tot zijn vaste woonplaats had gekozen, zoo is er immers van die zijde geen de minste reden tot vrees. Neen, zelfs hier heeft hij uit alle voorzichtigheid de conversatie met den oud-kapitein Armelo maar weinig gezocht, en er tot heden geen werk van gemaakt om den generaal te ontmoeten, ofschoon een verkeer met oud-officieren buiten een garnizoensplaats hem geenszins verboden was.—Verboden! ha! Zal hij zich dan nooit kunnen wreken op dat viertal, op dat ellendig eedgespan? Neen, elke poging ertoe zou slechts uitloopen op zijn eigen vernedering. ’t Ware het zekere middel om hem bekend te doen worden voor de geheele wereld, en zich gebannen te zien uit elken kring waar hij nu zijn genoegen vindt.En toch, soms kookt en bruist het met geweld in zijn borst, en schept zijn wrekende verbeelding zich een schitterende zegepraal. Dan, dan ziet hij ze ginder.... dáár in een kleine ontredderde boot, meegesleurd door den woest opgezweepten oceaan, kampen met de schuimende golven.En met den storm van zijn haat stuwt hij het zwakke vaartuig voort, door de felle branding naar gindsche klip, en ha! het stoot er in splinters vaneen, en—vier verminkte lijken, gebeukt tegen de naakte rots, ze worden door ’t schuim bedolven.Of ook:Zie, daar ginder snellen ze voort, met opgeblazen moed; ze zullen een vijandelijke benting bestormen. Maar stil, stil! een hinderlaag, kunstig met bamboes en palm en aarde bedekt, ze schuilt daar weg op hun pad als een adder onder ’t gras. En zie, daar stormen ze heen; ze bereiken de plek. Ha! met dreunenden doffen klank storten er vier neder op de spiesen en palissaden, en, gillende kreten stijgen er op uit de diepten waar ’t bloed spat in ’t ronde.—Doch, wat baat hem zulk een gewaande wraak? Staat hij niet machteloos tegenover hun geweld?—Maarhier, waar men Kartenglimp slechts kent als den gepensioneerden majoor; waar men hem de eer aan zijn rang is verschuldigd, hier kan en zal hij zich wreken zoo men beleedigen durft!—Opgestaan, met de linkerhand op den stoelknop gedrukt, balt de majoor nu nogmaals de vuist, en vlamt zijn oog de kamer in ’t rond. Zie, een bijna levensgroot portret van den generaal treft eensklaps zijn blik, en uit den halfdonkeren toon aan den wand ziet het hem met wijd geopende oogen gestreng en onbeweeglijk aan.Dat oog, zoo doordringend op hem gericht, hij weerstaat het niet. Wanneer zulk een blik hem in de werkelijkheid trof, het zou hem zijn alsof men hem had doorgrond, alsof men hem kende als den man, “onwaardig den degen te dragen, onwaardig zelfs den naam uit te spreken van eenfatsoenlijkevrouw”.—Maar dat is gelogen! Indien er werkelijk vrouwen zijn die zulk een schoonen naam verdienen, die eerzamen, ze hebben zich nooit over hem te beklagen gehad. En wat het eerste betreft, heeft hij dan in den Bandjermassinschen krijg den dood niet onder de oogen gezien? ’t is waar, steeds goed gedekt, met de rumflesch terzij ende zweetdroppels op het aangezicht, maar “’t gaat er immers duizenden zóó”!—Wie wil sterven!? Niemand! De krankzinnige alleen, omdat hij.... krankzinnig is; of de grijsaard misschien omdat zijn levenslust vervloog en hij niet meer genieten kan.—Maar hij—Kartenglimp—hij wil leven en genieten zoolang het hem mogelijk is. En daarom ook, ofschoon dokter Helmond zijn wrok heeft gewekt, hij zal hem nu te vriend houden. Immers dat niet terugkomen na het ontvangen van het telegram, ’t heeft juist bij de uitkomst bewezen hoe goed hij zijn gestel reeds kende, en dat hij een uitmuntend dokter is.—Ja hij, wil leven en genieten!—De ontdekking dat er door zijn verre vijanden geen scheidsmuur was geworpen tusschen hém en dien vermogenden luitenant-generaal; de zekerheid dat hij nu welwillend opDe Zonsbergzou worden ontvangen; de hoop in ’t eind dat men hem in dien kring zou waardeeren en trekken; dat hij er dikwijls de schoone doktersvrouw ontmoeten, en met de jonge teedere erfgename op een goeden voet zal komen, dat alles heeft hem met zonderlingen glans in ’t oog geblonken. Ha, nu zou hij voortaan den rechten toon wel treffen. Ofschoon nog jong van hart en van kracht, men werd toch wat kalmer met de jaren. Welzeker, dieZonsbergzou voor hem een bron worden van genot, en de vriendschap van den generaal wel mogelijk meteen het bolwerk tegen “valsche geruchten”.Schuin terzij ziende, ontmoet Kartenglimp nu nogmaals dien strengen blik aan den wand.—En moet die blik nu de bevestiging zijn dat hij heeft misgerekend; de bevestiging van ’tgeen hij inderdaad inweerwil van zijn gekoesterde verwachting, sedert het eerste oogenblik zijner komst in dit sombere vertrek, als onwillekeurig gevoelde, namelijk: dat zijn bezoek een onwelkom bezoek, en zijn hoop op de vriendschap in dit huis een illusie was?—’t Zij zoo; de tijd moet het leeren; men kan zich bedriegen; maar, indien dát waar is, dan—en een zware vervloeking knoerpt er tusschen zijn blank gebit—dan, ja, dan heeft de duivel reeds zelf voor brandstof gezorgd.—De wauwelaar van het stadje had ditmaal toch waarheid gesproken. Kartenglimp heeft het nu zelf gezien: het vuur ligt te smeulen; soms spat het al vonken, en—langs de palm van zijn hand behoeft hij onbespied slechts zachtkens te blazen om den breeden vuurstroom te doen opgaan. Ha, dat zou een lust zijn om te aanschouwen; en in ’t eind zal hij van verre zich zelf nog kunnen koesteren aan den fellen gloed! Ha!Kartenglimp schrikt.—Eensklaps werd de deur geopend en de vrouw aan wie hij daar juist heeft gedacht, trad onverzeld de kamer weer binnen.Straks in de marmeren gang gekomen, heeft Eva—die zich in de woning van haar nieuwen oom nog op vreemd terrein bevond—inderdaad niet geweten waarheen ze zich begeven zou. Ze heeft rechts en links gezien, even aan de trap geluisterd, in de hoop dat August komen mocht, en, terwijl ze nog luisterend op het koele marmer staarde, is het haar eensklaps geworden alsof een loodendruk, een pijnlijk vuur haar van den boezem werd weggenomen. Ook nu heeft het betere in haar gesproken, ofschoon met zachte zoet-vleiende stem.—Zij is te ver gegaan!—Ja, maar veinzen dát kon ze ook niet, en dáárom heeft ze den oom moeten toonen wie hij aan Eva hebben zou en hoe ze hem beoordeelt. Doch wanneer zijn plotseling heengaan, en zonder dat hij een enkel woord heeft gesproken, dan eens het bewijs mocht zijn dat ze haar doel had getroffen; wanneer de rijke oom nu inderdaad gevoeld heeft wat hij aan den geliefden neef is verschuldigd, en hoe de aangenomen houding tegenover Helmonds jonge vrouw hun aller leven niet anders dan verbitteren kon;indienhet dan waar is dat hij door haar “overtuigende redenen” reeds zoo spoedig tot een mildere zienswijze geraakte, dan moest zij bij kalmer beschouwing wel leed gevoelen dat ze zich zoo weinig beheerschte. In tegenwoordigheid vaneen vreemde, vierde ze immers haar onwil den vrijen teugel; in het bijzijn van hem, die met zijn vorschend oog ongetwijfeld geheel haar toeleg doorzag, heeft ze Helmonds oom moedwillig vernederd.Een vuurrood bedekte Eva’s gelaat.—Zij is te ver gegaan, veel te ver! Wát er mag wezen, de generaal Van Barneveld is ookhaaroom.—En zal nu die vreemde—gekrenkt, dewijl men hem geheel alleen heeft gelaten—met den ontvangen indruk van hier gaan, om naar goedvinden te verhalen van ’tgeen hij ter kwader ure heeft opgevangen? Neen, dat kan en mag niet wezen; de gemaakte indruk moet worden uitgewischt; ze is het verplicht; en bovendien, de eer der familie is ook háár eer. Terug dan Eva, terug naar dien vreemde!

DERTIENDE HOOFDSTUK.Op den avond van dienzelfden dag zijn de weduwe Van Hake en haar zoon in het schemerdonker bijeen. Mevrouw Van Hake zit in haar leunstoel. Men ziet van haar niet veel meer dan ’t wit van haar muts en het wit der breikous, waaraan zij met ijver werkt, ’tgeen aan het rusteloos naaldengetiktak te hooren is.Thomas, met den rug naar het venster gekeerd, is in massa wel zichtbaar, maar zijn goedaardig doorgaans vroolijk gelaat is nu—natuurlijk—zoo zwart als de nacht.“We willen er dan maar ’t beste van hopen moedertje, en ik beloof je vast er geen woord van te zullen spreken; maar, neem meniet kwalijk, den eersten keer dat ik weer merk dat ze u voor haarmeidaanziet....”“Stil stil beste Thom, wie heeft dat gezegd, ik....”“Nee, dat hebt u niet gezegd, maar wij beiden hebben het bemerkt moeder; en ik herhaal het: den eersten keer dat zij u op de een of andere wijze weer durft krenken, dan ... ja, dán moet het maar uit zijn!”“Lieve Thom, ’t is zeker je goeje hart dat daar spreekt, maar je hebt me immers moeten toestemmen dat óók de jonge mevrouw getoond heeft een goed hart te bezitten; en daarom, wie weet....”“Nu ja moedertje, maar goeje harten hebben alle menschen. Gisteren hoorde ik nog van een zekeren mijnheer vertellen: dat hij gedurig zijn vrouw sloeg, maar anders au fond eenheel goed harthad.”“Eva heeft zich illusies gemaakt Thomas. De reeds lang loopende Kippelaans-praatjes: dat Helmond voor liefhebberij praktizeert; dat hij van den schatrijken oom zooveel geld kan krijgen als hij verlangt; dat de generaal het mooie huis op de markt voor z’n neef zou koopen, dat alles heeft haar al wat hooger opgewonden dan goed was. Zoolang wij Eva kenden was zij hooghartig, en we weten ook dat ze thuis—vooral sedert haar terugkomst uit Den Haag—door haar familie als een halve godin werd gediend en ontzien. Wellicht heeft dat ziek-zijn er toe bijgedragen; en later toen ze met dokter Helmond geëngageerd was, toen is het er zeker niet op verbeterd. De goede dokter, die haar zoo liefheeft, mag haar mede wel een beetje bedorven hebben.”“Mijn beste moeder weet altijd de verschoonende zij van een karakter op te sporen; maar....”“We willen nu liever zwijgen over dit punt beste Thom. Ik heb heden meer hoop voor de toekomst gekregen; en vergeet het niet, dat we uit dankbaarheid voor onzen lieven dokter toch wel wat geduld mogen hebben.”“Tot het uiterste moeder! Ja! maar ze moeten van ú afblijven! bij God! of anders....”“Stil kind, stil! Maar bedenk dan ook dat je moeder nevens haar wensch omjougelukkig te zien, er geen grooter heeft dan om hier onder dit vreedzaam dak, op de plaats waar ze je braven vader zag werken en lijden, haar dagen te eindigen, en het hoofd neer te leggen, het oog gericht op een betere toekomst.”De massa, die Thom moest wezen, had zich verplaatst, en men zag nu niets, volkomen niets meer in de huiskamer der Van Hakes. Toch, als men scherp keek, dan zag men nog eengrauwevlak—die mevrouw Van Hakes muts moest wezen—zich zeer terzij bewegen, terwijl men niet langer het getiktak der breinaalden, maar een zoet geluid vernam, het bewijs der innigste liefde tusschen moeder en zoon.Uit een eerst bijna onhoorbaar gemurmel worden in ’t eind verstaanbare klanken geboren. Zacht fluisterend klinkt het nu:“Jawel Thom, jawel!”“Nee moeder; nee....!”“Ermoetwel iets wezen Thom; je waart in den laatsten tijd niet zoo vroolijk als anders. ’t Is waar, je hadt veel te doen; en dan de dood van mijnheer Donerie; je dagelijksche orgel-oefeningen in het vroege morgenuur; de zorgen voor moeders toekomst.... ja, ik weet het wel; maar, is er dan niets, niets anders, dat....?”Alsof Thom nog vreesde dat men in ’t donker,witvanroodkon onderscheiden, dook hij met den blonden krulkop achter moeders hals, en terwijl hij—op den arm van haar leunstoel gezeten—haar middel omvatte en haar zoo een zoen in den hals gaf, sprak hij een oogenblik later zeer zacht, maar toch schijnbaar luchtig:“Wil ik je eens een vertelseltje doen moeder? ’t Is heel kort: D’r was eens een boerenjongen en een koning; en de koning had een dochter; en de boerenjongen was een gek. Toen de koningsdochter van ’t paard was gevallen en de boer haar naar ’t paleis had gereden, toen vroeg hij de koningsdochter tot vrouw.”“En....?”“Nou is ’t uit moeder.”“Hoe meen je? Ik begrijp niet....?”“Ik heb u immers gezegd moedertje, dat die boerenjongen eengekwas.”Hoor, daar klonk de schel der apotheekdeur.In één oogwenk was Thom óp, en ter kamer uit.“Hoe vaarje; hoe vaarje?” Klinkt een stem den komenden provisor tegen: “Altijd wél geweest? ’t Is hier drommels donker. Ik heb immers ’t plezier dokter Helmond te zien?”“Je plezier van zienkan zoo groot niet wezen, menheer Kippelaan; maar wacht, ik zal even de aptheek-lamp aansteken. U moet immers in de aptheek zijn?”—O! ah zoo menheer Van Hake, ben u het! Verrukt je te zien.... of.... je zoo straks te zullen.... enfin! Mama welvarend? Komaan, dat doet me ontzettend veel plezier. Al gehoord dat je mama laboreerde. Zondag niet in de kerk geweest. Dokter welvarend en ’t jonge vrouwtje? Allerliefst lief vrouwtje, allerliefst! Altijd een charme van me geweest.Entre-nousgezegd, bepaald vues op gehad; maar zwak, niet gezond. Tenminste.... die ziekte waar ze mee uit den Haag kwam, toen dacht ik: prudent! Voel-je? En ik wachtte; maar tusschentijds is dokter gekomen. Enfin, even goeje vrinden. Je weet Van Hake, dat we om zoo te zeggen boezemvrinden zijn, en dus....”“Moest u dokter hebben, menheer Kippelaan?”“Chut, chut, amice. Je begrijpt wel dat ik mijn reden heb waarom ik hierachterinkom. Mijn vriend Helmond wilde ik spreken; jawel, maar chut! in een teere zaak; heel teere zaak; en dáárom.... A propos, je hebt witte drop,wit? Klaar hé?”“Jawel.—Verkouden menheer Kippelaan?”“Ik, nee nee, pardon, nee, maar er is iemand die.... Enfin, ik wou wel graag een pond witte drop hebben.... mijn neef de professor is vóór witte drop; bepaald!”Van Hake ondanks zich zelven lachend:“Een pond....!?”“Jawel, of tenminste een groote quantiteit, en dan in een prachtdoos; iets énorms—zóó zieje, van die hoogte bijvoorbeeld. Ochentre-nousmenheer Van Hake, jij bent de eenige aan wien ik ’t zeggen zou, maar ’t staat alles in ’t nauwste verband. De reden waarom ik eigenlijk hier kom is een gezondheidsinformatie. Is.... isse dokter vandaag opDe Zonsberggeweest?”“Dokter is er op ’t oogenblik met zijn vrouw.”“Op ’t oogenblik, och-kom, dus niet thuis? Ojee!....” Eensklaps komt hij den provisor, die nog voor de toonbank staat, terzij; omvat met zijn beide handen Van Hakes rechter-onderarm, karnt er met een geweldige hartelijkheid mee op en neer, en vervolgt: “Ik vertrouw je menheer Van Hake; je bent iemand in wien ik fiducie heb, en bovendienik dank je, jawel ik dank je; want ik heb verplichting aan je, groote verplichting; parole!”“voorzichtig menheer Kippelaan, je zult zwarte handen krijgen want mijn jas....”“Niemendalm’n vriend, niemendal;” zegt Kippelaan, ofschoon hij Van Hake loslaat, die zich nu met een snelle wending achter de toonbank verschanst.“Je hebt meer voor me gedaan dan ik zeggen kan,” herneemt Kippelaan: “We zijn hier veilig niewaar?” Hij ziet naar de openstaande gangdeur, doch zonder eenige beweging te maken om haar dicht te doen: “Enfin, op den dag toen mijn geliefde vriend Donerie ’s-avonds gestorven is, toen ben je ’s morgens bij baas Krul geroepen niewaar? En een uur later toen heb je iemand, een zeker iemand, compris, met eenvigilantenaar een zeker landgoed gebracht.... Vatje? Jawel, je vat me.... hé? De generaal heeft het die domme timmermansfamilie zeerzeerkwalijkgenomen dat ze haar als ’t ware gedwongen hadden naar boven te gaan, blootgesteld aan een tooneel dat haar bijna van schrik den dood op het delicate lijf heeft gejaagd. Ze was geheel van zich zelve niewaar?”“U spreekt van.... juffrouw Van Barneveld?”“Chut! chu.... u.... ut, mijn beste vriend. Enfin, wie zou ik anders bedoelen. Jawel, onder ons, ik spreek van Jacoba, en ik ben òvergelukkig dat het toeval mij u, en niet dokter Helmond deed vinden. Je hebt haar op dien morgen gezien, geobserveerd, ge.... enfin door je uitmuntende zorgen haar in ’t leven behouden. Merci, waarachtig Van Hake, van harte merci!”Kippelaan tastte over de toonbank naar handen, die echter niet voor den dag kwamen. Weer omziende: “Nu is het alleen maar de vraag of het.... toevallen zijn of niet....? Men zegt dat ze toevallen heeft. Men zegt! maar men zegt zooveel. Geen verschijnselen—je weet wel.... op den mond niewaar? Mijn neef de professor....”“Zijn ze razend! roept Thomas: “daar is nietsnietsvan waar,” en hij voegt er nog een krachtige bestrijding bij. Die malle Kippelaan was anders wel instaat om te gaan rondventen dat juffrouw Van Barneveld de vallende ziekte had, en als zijn zegsman den intiemenVan Hakete noemen.“Merci, merci hoor!” valt Kippelaan uit: “Ik was er zeker van; ’t was de schrik, de agitatie. Débiel gestel niewaar? Niet vrij van een weinigje aamborstigheid. Goed geobserveerd; jawel! Ik kom er tegenwoordig aan huis. De beide laatste keeren háár echter niet gezien. Débiel gestel. Na die scène zou ’t haar te veel schokken.... ’t Heet nu verkouden; vooralsnog moet ik haar excuseeren. Versta je, vooralsnog!”“Aha, dus bestaan er plannen?” zegt Thomas nu tamelijk laconiek, ofschoon hij zich zonderling voelt geslingerd tusschen uitbundig lachen en “afranselen”!“Chut,chuuuut! Plannen, ja ja. Ben ik te rond geweest, te openhartig, zeg? Ja, ik ben te rond. Maar enfin, ik ben die ik ben. Zieje, ik moest zekerheid hebben; ik wilde.... e.... e.... e.—Geen aanleg voor.... tering?”“Watblief?”“Een idee: een invallend idee. Ik heb een huwelijk gekend dat werd vernietigd door die fatale ziekte. Enfin, vooruit kunnen weten. Maar—zou je denken? aanleg?”Van Hake heeft onwillekeurig den stamper uit den grooten vijzel ter hand genomen, en krijgt nu sterke aanvechting om “dat heer de tanden uit den mond te slaan”.—Zeer laconiek klinkt echter zijn antwoord:“Om dát heel zeker te weten, menheer Kippelaan, zou ik neef den professor eens laten komen.”“Maar.... maar m’n beste vriend, hoe zou die....? Ja! wat zijn capaciteiten betreft; maar hoe zou ik neef bij juffrouw Coba kunnen zenden om haar borst te kunnen onderzoeken.—Doch niewaar, als er iets van aan was, dan zoudt u en mijn vriend Helmond het weten. Zie ’t was een idee. Ieder mensch heeft zoo zijn aanleg voor eenige kwaal.”“Welzeker,” bevestigt Thomas: “zooals men bijvoorbeeld veeldenkende en alles onderzoekende menschen wel eens naar ’t krankzinnigenhuis ziet marcheeren.”“Och-kom!” zegt Kippelaan, terwijl hij onwillekeurig naar zijn hoofd tast. En dan op eenigszins kalmer toon, herhaalt hij zijn innigsten dank voor de allerbelangrijkste inlichtingen. Mijnheer Van Hake zou toch moeten toestemmen dat men opzijnleeftijd—om en bij de dertig—eenigszins met verstand moest te werk gaan. Dood in vertrouwen gezegd was er toch bovendien ’t een en ander, dat.... enfin—Van Hake zou er wel alles van weten.Terwijl Van Hake, peinzend op een afdoend middel om dat individu kwijt te raken, half gedachteloos ontkent, verwringt Kippelaan zijn gelaat tot zulk een uitermate geheimzinnig en vertrouwelijk knipoogje, dat Thom toch met een weinig meer belangstelling zijn ontkenning herhaalt.“Niet!” zegt Kippelaan: “weet je niets van die verstandhouding tusschen den generaal en.... jawel onzen vriend, je uitmuntenden patroon?”“Verstandhouding?” zegt Thomas opziende.“Ja ja! alles behalve wenschelijk. Uit een goede bron. Watblief? Weet je van niets? Ik zou ’t aan niemand vertellen, maar aan u, die me drievoud verplichtte....” En Kippelaan vertelde nu in ’t diepst geheim—Van Hake was reeds de zesde vertrouweling—’tgeen hij volgens zijn verklaring uit een goede bron vernam, maar inderdaad op dien avond, onder den eik en onder het raam van Van Barnevelds kamer heeft afgeluisterd. ’t Was buiten twijfel, verzekerde Kippelaan—die slechts de luidst gesproken woorden heeft kunnen opvangen—dat de generaal in ’t geheel niet zóó met den neef was ingenomen als men dat meende. Nog op den avond vóór zijn huwelijk, had hij hem in hevige woede, terwijl hij somtijds als razend de tafel door vuistslagen deed dreunen, zijn gebrek aan eerbied en onderdanigheid verweten, terwijl hij hem met geheele onterving had bedreigd indien hij daarin geen verandering bracht.Van Hake was nog te zeer onder den indruk van die eerste zotte informaties naar Jacoba’s gezondheid, dan dat hem deze laatste mededeeling ernstig kon treffen. Al wist hij niet dat dit geheele verhaal op een misverstand steunde, dewijl die toorn van den generaal immers geenszins den geliefden neef maar wel diens broeder Philip had gegolden, zoo hield hij de gansche geschiedenis toch aanstonds voor een “Kippelaans-praatje” en, ofschoon hij ook nu nog met zijn vroegere belhamels-natuur te strijden had, en dien babbelaar zeer gaarne een paar blauwe oogen zou hebben geslagen, zoo riepen hem nu al de etiquetten der groote medicijnflesschen toe: dat hij hier zijn verstand moest bewaren, en ’t allerminst in de apotheek van zijn goeden patroon een dwaasheid mocht begaan.Hoe ’t zij, toen Kippelaan ongeveer een kwartier later, maar zonder zijn wit drop, uit Helmonds apotheek in de donkere straat kwam, toen mocht hij wel van geluk spreken, zonder kleerscheuren van achter die toonbank te zijn weggekomen. In ’t eind toch was hij Van Hakes verschansing binnengedrongen, en, terwijl hij de hand had vermeesterd, waarin Thom den stamper hield, en er vol innigheid mee op en neder karnde, verzocht hij “rondement” aan zijn besten vriend, om—met het oog op iets zeer “kortafs” van den generaal, hem een enormen dienst te willen bewijzen. Van Hake zou wel begrijpen wat hij bedoelde, en—nietwaar, de beste vriend was juist de persoon om zoo eens te polsen, want, sedert den morgen dat mijnheer Van Hake juffrouw Jacoba van baas Krul naarDe Zonsbergbracht, is hij immers een paar malen zeer welwillend door den generaal ontvangen.Ja, indien Kippelaan had geweten wat daar omging in Van Hakes borst, dan mocht hij wel van geluk spreken—althans betrekkelijk—zoo heelhuids uit die apotheek te zijn weggekomen, want, zelfs de zware vijzelstamper, die hem eensklaps—voorzeker onwillekeurig door den provisor losgelaten—op den voet is gevallen, die stamper had hem slechts weinig geraakt, tenminste ’t had niets te beteekenen; o niets! nee—heusch.... tenminste.... Bonsoir!

Op den avond van dienzelfden dag zijn de weduwe Van Hake en haar zoon in het schemerdonker bijeen. Mevrouw Van Hake zit in haar leunstoel. Men ziet van haar niet veel meer dan ’t wit van haar muts en het wit der breikous, waaraan zij met ijver werkt, ’tgeen aan het rusteloos naaldengetiktak te hooren is.

Thomas, met den rug naar het venster gekeerd, is in massa wel zichtbaar, maar zijn goedaardig doorgaans vroolijk gelaat is nu—natuurlijk—zoo zwart als de nacht.

“We willen er dan maar ’t beste van hopen moedertje, en ik beloof je vast er geen woord van te zullen spreken; maar, neem meniet kwalijk, den eersten keer dat ik weer merk dat ze u voor haarmeidaanziet....”

“Stil stil beste Thom, wie heeft dat gezegd, ik....”

“Nee, dat hebt u niet gezegd, maar wij beiden hebben het bemerkt moeder; en ik herhaal het: den eersten keer dat zij u op de een of andere wijze weer durft krenken, dan ... ja, dán moet het maar uit zijn!”

“Lieve Thom, ’t is zeker je goeje hart dat daar spreekt, maar je hebt me immers moeten toestemmen dat óók de jonge mevrouw getoond heeft een goed hart te bezitten; en daarom, wie weet....”

“Nu ja moedertje, maar goeje harten hebben alle menschen. Gisteren hoorde ik nog van een zekeren mijnheer vertellen: dat hij gedurig zijn vrouw sloeg, maar anders au fond eenheel goed harthad.”

“Eva heeft zich illusies gemaakt Thomas. De reeds lang loopende Kippelaans-praatjes: dat Helmond voor liefhebberij praktizeert; dat hij van den schatrijken oom zooveel geld kan krijgen als hij verlangt; dat de generaal het mooie huis op de markt voor z’n neef zou koopen, dat alles heeft haar al wat hooger opgewonden dan goed was. Zoolang wij Eva kenden was zij hooghartig, en we weten ook dat ze thuis—vooral sedert haar terugkomst uit Den Haag—door haar familie als een halve godin werd gediend en ontzien. Wellicht heeft dat ziek-zijn er toe bijgedragen; en later toen ze met dokter Helmond geëngageerd was, toen is het er zeker niet op verbeterd. De goede dokter, die haar zoo liefheeft, mag haar mede wel een beetje bedorven hebben.”

“Mijn beste moeder weet altijd de verschoonende zij van een karakter op te sporen; maar....”

“We willen nu liever zwijgen over dit punt beste Thom. Ik heb heden meer hoop voor de toekomst gekregen; en vergeet het niet, dat we uit dankbaarheid voor onzen lieven dokter toch wel wat geduld mogen hebben.”

“Tot het uiterste moeder! Ja! maar ze moeten van ú afblijven! bij God! of anders....”

“Stil kind, stil! Maar bedenk dan ook dat je moeder nevens haar wensch omjougelukkig te zien, er geen grooter heeft dan om hier onder dit vreedzaam dak, op de plaats waar ze je braven vader zag werken en lijden, haar dagen te eindigen, en het hoofd neer te leggen, het oog gericht op een betere toekomst.”

De massa, die Thom moest wezen, had zich verplaatst, en men zag nu niets, volkomen niets meer in de huiskamer der Van Hakes. Toch, als men scherp keek, dan zag men nog eengrauwevlak—die mevrouw Van Hakes muts moest wezen—zich zeer terzij bewegen, terwijl men niet langer het getiktak der breinaalden, maar een zoet geluid vernam, het bewijs der innigste liefde tusschen moeder en zoon.

Uit een eerst bijna onhoorbaar gemurmel worden in ’t eind verstaanbare klanken geboren. Zacht fluisterend klinkt het nu:

“Jawel Thom, jawel!”

“Nee moeder; nee....!”

“Ermoetwel iets wezen Thom; je waart in den laatsten tijd niet zoo vroolijk als anders. ’t Is waar, je hadt veel te doen; en dan de dood van mijnheer Donerie; je dagelijksche orgel-oefeningen in het vroege morgenuur; de zorgen voor moeders toekomst.... ja, ik weet het wel; maar, is er dan niets, niets anders, dat....?”

Alsof Thom nog vreesde dat men in ’t donker,witvanroodkon onderscheiden, dook hij met den blonden krulkop achter moeders hals, en terwijl hij—op den arm van haar leunstoel gezeten—haar middel omvatte en haar zoo een zoen in den hals gaf, sprak hij een oogenblik later zeer zacht, maar toch schijnbaar luchtig:

“Wil ik je eens een vertelseltje doen moeder? ’t Is heel kort: D’r was eens een boerenjongen en een koning; en de koning had een dochter; en de boerenjongen was een gek. Toen de koningsdochter van ’t paard was gevallen en de boer haar naar ’t paleis had gereden, toen vroeg hij de koningsdochter tot vrouw.”

“En....?”

“Nou is ’t uit moeder.”

“Hoe meen je? Ik begrijp niet....?”

“Ik heb u immers gezegd moedertje, dat die boerenjongen eengekwas.”

Hoor, daar klonk de schel der apotheekdeur.

In één oogwenk was Thom óp, en ter kamer uit.

“Hoe vaarje; hoe vaarje?” Klinkt een stem den komenden provisor tegen: “Altijd wél geweest? ’t Is hier drommels donker. Ik heb immers ’t plezier dokter Helmond te zien?”

“Je plezier van zienkan zoo groot niet wezen, menheer Kippelaan; maar wacht, ik zal even de aptheek-lamp aansteken. U moet immers in de aptheek zijn?”

—O! ah zoo menheer Van Hake, ben u het! Verrukt je te zien.... of.... je zoo straks te zullen.... enfin! Mama welvarend? Komaan, dat doet me ontzettend veel plezier. Al gehoord dat je mama laboreerde. Zondag niet in de kerk geweest. Dokter welvarend en ’t jonge vrouwtje? Allerliefst lief vrouwtje, allerliefst! Altijd een charme van me geweest.Entre-nousgezegd, bepaald vues op gehad; maar zwak, niet gezond. Tenminste.... die ziekte waar ze mee uit den Haag kwam, toen dacht ik: prudent! Voel-je? En ik wachtte; maar tusschentijds is dokter gekomen. Enfin, even goeje vrinden. Je weet Van Hake, dat we om zoo te zeggen boezemvrinden zijn, en dus....”

“Moest u dokter hebben, menheer Kippelaan?”

“Chut, chut, amice. Je begrijpt wel dat ik mijn reden heb waarom ik hierachterinkom. Mijn vriend Helmond wilde ik spreken; jawel, maar chut! in een teere zaak; heel teere zaak; en dáárom.... A propos, je hebt witte drop,wit? Klaar hé?”

“Jawel.—Verkouden menheer Kippelaan?”

“Ik, nee nee, pardon, nee, maar er is iemand die.... Enfin, ik wou wel graag een pond witte drop hebben.... mijn neef de professor is vóór witte drop; bepaald!”

Van Hake ondanks zich zelven lachend:

“Een pond....!?”

“Jawel, of tenminste een groote quantiteit, en dan in een prachtdoos; iets énorms—zóó zieje, van die hoogte bijvoorbeeld. Ochentre-nousmenheer Van Hake, jij bent de eenige aan wien ik ’t zeggen zou, maar ’t staat alles in ’t nauwste verband. De reden waarom ik eigenlijk hier kom is een gezondheidsinformatie. Is.... isse dokter vandaag opDe Zonsberggeweest?”

“Dokter is er op ’t oogenblik met zijn vrouw.”

“Op ’t oogenblik, och-kom, dus niet thuis? Ojee!....” Eensklaps komt hij den provisor, die nog voor de toonbank staat, terzij; omvat met zijn beide handen Van Hakes rechter-onderarm, karnt er met een geweldige hartelijkheid mee op en neer, en vervolgt: “Ik vertrouw je menheer Van Hake; je bent iemand in wien ik fiducie heb, en bovendienik dank je, jawel ik dank je; want ik heb verplichting aan je, groote verplichting; parole!”

“voorzichtig menheer Kippelaan, je zult zwarte handen krijgen want mijn jas....”

“Niemendalm’n vriend, niemendal;” zegt Kippelaan, ofschoon hij Van Hake loslaat, die zich nu met een snelle wending achter de toonbank verschanst.

“Je hebt meer voor me gedaan dan ik zeggen kan,” herneemt Kippelaan: “We zijn hier veilig niewaar?” Hij ziet naar de openstaande gangdeur, doch zonder eenige beweging te maken om haar dicht te doen: “Enfin, op den dag toen mijn geliefde vriend Donerie ’s-avonds gestorven is, toen ben je ’s morgens bij baas Krul geroepen niewaar? En een uur later toen heb je iemand, een zeker iemand, compris, met eenvigilantenaar een zeker landgoed gebracht.... Vatje? Jawel, je vat me.... hé? De generaal heeft het die domme timmermansfamilie zeerzeerkwalijkgenomen dat ze haar als ’t ware gedwongen hadden naar boven te gaan, blootgesteld aan een tooneel dat haar bijna van schrik den dood op het delicate lijf heeft gejaagd. Ze was geheel van zich zelve niewaar?”

“U spreekt van.... juffrouw Van Barneveld?”

“Chut! chu.... u.... ut, mijn beste vriend. Enfin, wie zou ik anders bedoelen. Jawel, onder ons, ik spreek van Jacoba, en ik ben òvergelukkig dat het toeval mij u, en niet dokter Helmond deed vinden. Je hebt haar op dien morgen gezien, geobserveerd, ge.... enfin door je uitmuntende zorgen haar in ’t leven behouden. Merci, waarachtig Van Hake, van harte merci!”

Kippelaan tastte over de toonbank naar handen, die echter niet voor den dag kwamen. Weer omziende: “Nu is het alleen maar de vraag of het.... toevallen zijn of niet....? Men zegt dat ze toevallen heeft. Men zegt! maar men zegt zooveel. Geen verschijnselen—je weet wel.... op den mond niewaar? Mijn neef de professor....”

“Zijn ze razend! roept Thomas: “daar is nietsnietsvan waar,” en hij voegt er nog een krachtige bestrijding bij. Die malle Kippelaan was anders wel instaat om te gaan rondventen dat juffrouw Van Barneveld de vallende ziekte had, en als zijn zegsman den intiemenVan Hakete noemen.

“Merci, merci hoor!” valt Kippelaan uit: “Ik was er zeker van; ’t was de schrik, de agitatie. Débiel gestel niewaar? Niet vrij van een weinigje aamborstigheid. Goed geobserveerd; jawel! Ik kom er tegenwoordig aan huis. De beide laatste keeren háár echter niet gezien. Débiel gestel. Na die scène zou ’t haar te veel schokken.... ’t Heet nu verkouden; vooralsnog moet ik haar excuseeren. Versta je, vooralsnog!”

“Aha, dus bestaan er plannen?” zegt Thomas nu tamelijk laconiek, ofschoon hij zich zonderling voelt geslingerd tusschen uitbundig lachen en “afranselen”!

“Chut,chuuuut! Plannen, ja ja. Ben ik te rond geweest, te openhartig, zeg? Ja, ik ben te rond. Maar enfin, ik ben die ik ben. Zieje, ik moest zekerheid hebben; ik wilde.... e.... e.... e.—Geen aanleg voor.... tering?”

“Watblief?”

“Een idee: een invallend idee. Ik heb een huwelijk gekend dat werd vernietigd door die fatale ziekte. Enfin, vooruit kunnen weten. Maar—zou je denken? aanleg?”

Van Hake heeft onwillekeurig den stamper uit den grooten vijzel ter hand genomen, en krijgt nu sterke aanvechting om “dat heer de tanden uit den mond te slaan”.—Zeer laconiek klinkt echter zijn antwoord:

“Om dát heel zeker te weten, menheer Kippelaan, zou ik neef den professor eens laten komen.”

“Maar.... maar m’n beste vriend, hoe zou die....? Ja! wat zijn capaciteiten betreft; maar hoe zou ik neef bij juffrouw Coba kunnen zenden om haar borst te kunnen onderzoeken.—Doch niewaar, als er iets van aan was, dan zoudt u en mijn vriend Helmond het weten. Zie ’t was een idee. Ieder mensch heeft zoo zijn aanleg voor eenige kwaal.”

“Welzeker,” bevestigt Thomas: “zooals men bijvoorbeeld veeldenkende en alles onderzoekende menschen wel eens naar ’t krankzinnigenhuis ziet marcheeren.”

“Och-kom!” zegt Kippelaan, terwijl hij onwillekeurig naar zijn hoofd tast. En dan op eenigszins kalmer toon, herhaalt hij zijn innigsten dank voor de allerbelangrijkste inlichtingen. Mijnheer Van Hake zou toch moeten toestemmen dat men opzijnleeftijd—om en bij de dertig—eenigszins met verstand moest te werk gaan. Dood in vertrouwen gezegd was er toch bovendien ’t een en ander, dat.... enfin—Van Hake zou er wel alles van weten.

Terwijl Van Hake, peinzend op een afdoend middel om dat individu kwijt te raken, half gedachteloos ontkent, verwringt Kippelaan zijn gelaat tot zulk een uitermate geheimzinnig en vertrouwelijk knipoogje, dat Thom toch met een weinig meer belangstelling zijn ontkenning herhaalt.

“Niet!” zegt Kippelaan: “weet je niets van die verstandhouding tusschen den generaal en.... jawel onzen vriend, je uitmuntenden patroon?”

“Verstandhouding?” zegt Thomas opziende.

“Ja ja! alles behalve wenschelijk. Uit een goede bron. Watblief? Weet je van niets? Ik zou ’t aan niemand vertellen, maar aan u, die me drievoud verplichtte....” En Kippelaan vertelde nu in ’t diepst geheim—Van Hake was reeds de zesde vertrouweling—’tgeen hij volgens zijn verklaring uit een goede bron vernam, maar inderdaad op dien avond, onder den eik en onder het raam van Van Barnevelds kamer heeft afgeluisterd. ’t Was buiten twijfel, verzekerde Kippelaan—die slechts de luidst gesproken woorden heeft kunnen opvangen—dat de generaal in ’t geheel niet zóó met den neef was ingenomen als men dat meende. Nog op den avond vóór zijn huwelijk, had hij hem in hevige woede, terwijl hij somtijds als razend de tafel door vuistslagen deed dreunen, zijn gebrek aan eerbied en onderdanigheid verweten, terwijl hij hem met geheele onterving had bedreigd indien hij daarin geen verandering bracht.

Van Hake was nog te zeer onder den indruk van die eerste zotte informaties naar Jacoba’s gezondheid, dan dat hem deze laatste mededeeling ernstig kon treffen. Al wist hij niet dat dit geheele verhaal op een misverstand steunde, dewijl die toorn van den generaal immers geenszins den geliefden neef maar wel diens broeder Philip had gegolden, zoo hield hij de gansche geschiedenis toch aanstonds voor een “Kippelaans-praatje” en, ofschoon hij ook nu nog met zijn vroegere belhamels-natuur te strijden had, en dien babbelaar zeer gaarne een paar blauwe oogen zou hebben geslagen, zoo riepen hem nu al de etiquetten der groote medicijnflesschen toe: dat hij hier zijn verstand moest bewaren, en ’t allerminst in de apotheek van zijn goeden patroon een dwaasheid mocht begaan.

Hoe ’t zij, toen Kippelaan ongeveer een kwartier later, maar zonder zijn wit drop, uit Helmonds apotheek in de donkere straat kwam, toen mocht hij wel van geluk spreken, zonder kleerscheuren van achter die toonbank te zijn weggekomen. In ’t eind toch was hij Van Hakes verschansing binnengedrongen, en, terwijl hij de hand had vermeesterd, waarin Thom den stamper hield, en er vol innigheid mee op en neder karnde, verzocht hij “rondement” aan zijn besten vriend, om—met het oog op iets zeer “kortafs” van den generaal, hem een enormen dienst te willen bewijzen. Van Hake zou wel begrijpen wat hij bedoelde, en—nietwaar, de beste vriend was juist de persoon om zoo eens te polsen, want, sedert den morgen dat mijnheer Van Hake juffrouw Jacoba van baas Krul naarDe Zonsbergbracht, is hij immers een paar malen zeer welwillend door den generaal ontvangen.

Ja, indien Kippelaan had geweten wat daar omging in Van Hakes borst, dan mocht hij wel van geluk spreken—althans betrekkelijk—zoo heelhuids uit die apotheek te zijn weggekomen, want, zelfs de zware vijzelstamper, die hem eensklaps—voorzeker onwillekeurig door den provisor losgelaten—op den voet is gevallen, die stamper had hem slechts weinig geraakt, tenminste ’t had niets te beteekenen; o niets! nee—heusch.... tenminste.... Bonsoir!

VEERTIENDE HOOFDSTUK.Zooals reeds gemeld werd, bevinden Dokter Helmond en zijn vrouw zich dienzelfden avond opDe Zonsberg. Des morgens aan de koffietafel, heeft er inderdaad—en bijna voor ’t eerst—een helder zonnetje in de huiskamer van het jonge echtpaar geschenen. Eva, door het voorgevallene met mevrouw Van Hake, en wel door de overwinning, die zij op zich zelve behaalde in een mildere stemming gebracht, heeft haar echtvriend met een zachten handdruk nog eens de stellige verzekering gegeven, dat ze niet meer zou denken over ’tgeen voorbij was, terwijl zich dan alles voortaan wel schikken zou.—Ja, zij wilde wel gaarne haar best doen om metalleszóó tevreden te zijn als ze het van den beginne afaan met haargeliefdenman is geweest; maar, August kon toch niet verlangen dat zij speelde op een piano, die geheel en al dof en ontstemd van de vocht was, en dat zij haar stem bedierf door te zingen in kamers als deze, waar men den zolder op den neus had, terwijl het klonk als katoen....?—Nee natuurlijk.—Hij kon toch niet verlangen dat zij veinsde en mooi en goed vond wat haar hinderde....?—Nee, dat sprak vanzelf.Nu ja, voor ’t oogenblik was Eva dan ook heel tevreden. En, weinige oogenblikken later, toen die heerlijke verrassing haar was geworden, toen een waarlijk kostbare ovale spiegel in huis gebracht en in de salonkamer was opgehangen, toen stond het vrouwtje weldra met haar August in de teederste omhelzing ervoor, en vertrouwden die beiden volkomen het fraaie Fransche glas ’twelk hun toeblonk en zei: dat ze niet slechts waren een knap, maar ook een hoogstgelukkig paar.—Maar dat geluk, neen, het kon immers niet zoo innig, niet zoo blijvend wezen, indien daar in de naaste omgeving iets was, ’t welk Eva telkens opnieuw moest hinderen wanneer zij eraan dacht.En Helmond heeft ook nu weer zijn vrouw gelijk moeten geven. Ja, ’t was een onaangename verhouding tusschen hen enDe Zonsberg. De korte vrij stijve visite, die oom met tante Hermine aan de jongelieden heeft gebracht, kon niets goedmaken en heeft volstrekt geen licht gegeven waarom men Eva vanDe Zonsbergzocht verwijderd te houden, terwijl Jacoba zich toch altijd, wanneer het te druk werd, op hare kamer terugtrekken kon.’t Een of ’t ander is waar, heeft Eva beweerd, óf oom Van Barneveld en tante Hermine hebben een overdreven zorg voor Coba—misschien een zorg die eer nadeelig dan goed voor haar is, óf—en Eva heeft hier sterk op gedrukt—of oom Van Barneveld toonde maar al te zeer, dat hij was ’tgeen zij reeds vroeger gevreesd heeft: haar tegenstander, haar vijand, hoewel ter wille van den geliefden neef, een vijand met het zwaard in de scheede.—Neen, dit laatste was onwaar, heeft August gezegd. Het verzoek van oom is—hij moet het bekennen—zeervreemdgeweest; maar indien Eva oom Van Barneveld kende zooals hij, dan zou ze begrijpen hoe hij tot zoo iets gekomen is. Oom mag soms zijn opinies hebben en iets zonderlings, maar Eva’s vijand—August weet het beter, zijn woord is er haar borg voor—haarvijandis hij niet.Indien dit dan waar was—en Eva wilde haar lieven man gelooven—dan zou men nog dezen namiddag naarDe Zonsberggaan om zekerheid te bekomen. In geen geval handelde men tegen ooms verlangen indien men er heden heenging, want, juist vandaag is het een week geleden dat oom zoo beleefd was te verzoeken: of Eva haar bezoek nog een acht dagen wilde uitstellen.En, August heeft toegestemd.’t Was ruim zeven uren toen dokter Helmond en zijn vrouw het groote ijzeren hek vanDe Zonsbergbinnenstapten en het breede gazon omgaande, de hooge stoep van het deftige landhuis, ofschoon langzaam, naderden. Nog nooit had Helmond een zoo beklemd gevoel als in deze oogenblikken. Hij, de anders zoo kloeke, handelende man, hij gevoelde zich temoede als een schoolknaap, die den meester onder de oogen zal treden van wien hij een welverdiende berisping verwacht. Neen, ’t was nog een ander gevoel.... Hij kon er geen naam aan geven. ’t Was hem schier alsof dat welbekende huis, ’twelk hij aan de zij van een teerbemind vrouwtje zal binnengaan, een vreemd en vijandig terrein voor hem geworden was; een vesting die hij bij verrassing verschalken moet. En, de kracht van den bevelhebber dier vesting is hem bekend.Of het geknoerp en gekraak van hun schreden in het zware kiezelzand Helmond een geregeld denken belet, althans in dezen stond heeft hij geen helder bewustzijn van zijn verhouding tegenover den.... geliefden pleegvader, en een oogenblik zelfs beschuldigt hij zich van zwakheid en al te groote onderdanigheid, omdat hij zijn vrouwtje gaat wagen aan een mogelijke koelheid van den man die—Eva heeft waarlijk gelijk—haar niet volkomen genegen is; die van den beginne afaan een trotsche houding tegenover de familie Armelo had aangenomen, en de kleine zoo verschoonbare ijdelheden van een prachtig en talentvol meisje steeds in hetongunstigstdaglicht heeft geplaatst. Ware het niet beter geweest indien hij die kinderlijke onderdanigheid en terughouding, terstond na de tehuiskomst van Parijs, had laten varen, en met gepaste vrijmoedigheid zoowel ten opzichte van Jacoba als van Eva, zijn meening blootgelegd en opheldering gevraagd had? Ook tegenover den oom had hij behooren te zijn ’tgeen hij elders is: kordaat en onafhankelijk. Het gold Jacoba’s gezondheid in de eerste, het gold zijn huiselijk geluk in de tweede plaats.—Oom, indien gij Jacoba spoedig wilt zien herstellen dan moet ik haar geheel als mijn patiënt behandelen, anders sta ik u voor de gevolgen niet in.—Oom, indien gij tegen mijn Eva zijt ingenomen, en niet van plan om haar de vriendschap en hartelijkheid te betoonen, zooals ik die steeds van u ontvangen mocht, dan is het beter dat wij elkander niet meer zien, want, ofschoon ik u eeren zal en lief hebben zoolang ik leef,—man en vrouw zijn één.—Zie, zóó had hij behooren te spreken; of althans in dien geest. En nu, is het niet onvoorzichtig dat hij zijn Eva met hare grieven, laat komen voor den man, die wel eens een zeer hoogen toon kon voeren, die niet gewoon is zijn minder gunstig oordeel te verzwijgen, en vooral niet wanneer men zich op een hoogte tegenover hem stelt, of—zij het op zachte wijze—hem ter verantwoording zou willen roepen?—En is August dan zeker dat Eva geen woord zal spreken ’t welk den oom.....?“Nee, nóg niet,” zegt August snel, terwijl Eva’s voet reeds de onderste stoeptrede drukt: “Wacht, laten we liever nog eens hier om het huis naar den achterkant gaan. ’t Is daar zoo’n heerlijk plekje, en.... mij dunkt, nú vooral....”Eva ziet hem vragend aan. Zij bemerkte terstond dat het August geen ernst met dat “heerlijke plekje” is; dat hij iets anders in ’t schild voert; dat hij aarzelt die stoep op te gaan.“Is er zwarigheid August? Ik dacht dat oom mij zoo liefhad; ik meende dat je woord mij daar borg voor was. Hoe nu....?”“Welzeker Eva, zeker! Maar ooms zorg voor Coba! Oom is goed, uitermate, maar....”“Maar.... hij heeft aanmijden oorlog verklaard. Jawel, en daarom aarzel je nu.”“Nee Eva.”“Enfin, we zullen zien.”En de huisschel klonk luid in de breede marmeren gang.Ofschoon Hendrik op uitdrukkelijk verlangen van mijnheer en mevrouw Helmond, hen eerst had aangemeld, zoo was er toch bij hun binnentreden op Van Barnevelds gelaat, terwijl hij langzaam opstaande het naderende echtpaar een paar schreden tegemoet ging, een uitdrukking te bespeuren als van iemand die niet recht weet wie hij de eer heeft.... te zien, of aan welke omstandigheid hij een onverwacht, maar daarom nog juist geen aangenaam bezoek is verschuldigd.“Eva had een groot verlangen om eens hierheen te wandelen oom, en als ’t ware haar entrée opDe Zonsbergte maken;”, zegt August terwijl hij den generaal de hand reikt, en vervolgt: “Nu toch de staat van beleg hier is opgeheven, konden wij er gerust aan voldoen. ’t Was er heerlijk weer voor. Hoe gaat het oom?”Er was iets gekunstelds in den toon van dokter Helmond.“Dankje August.—Aha nicht, hoe vaarje?” zegt Van Barneveld en drukt Eva’s hand die in keurig licht glacé is gesloten: “Ga zitten.—Tante Hermine is juist met Coba naar boven gegaan. Kh’m! Wat meende je met “staat van beleg”?”“Och.... u hadt immers te kennen gegeven dat het beter was indien Eva nog een acht dagen wachtte met hier te komen; en, daar die acht dagen nu juist om zijn....”“Ei zóó! heb ik acht dagen gezegd? Zoo!”“’t Was misschien uw bedoeling mijnheer Van Barneveld, dat ik....”August, vreezend dat Eva reeds terstond in vuur zal geraken, valt haastig in:“’t Was uw bedoeling dat we om Coba’s ongesteldheid, vooreerst nietal te drukzouden komen. Maar, nu alles zoo bijzonder naar wensch gaat, nu meende ik dat het zelfs goed voor haar zou wezen wanneer we ons eens tezamen vertoonden. Watmijbetreft, ik verlang naar Coba, want de beide keeren dat ik in de verloopen week hier was, mocht ik wel heel aangenaam met u de plaats doorwandelen, maar mijn zusje zag ik niet, om redenen....”“Om zeer natuurlijke redenen August.”“Ik moest ze billijken oom, tenminste als....broer; maar, alsdokterniet.”“We hebben datzelfde punt eergisteren op die wandeling met een enkel woord behandeld. Voor ’t oogenblik acht ik het minder gepast. ’t Is niet noodig je te zeggen dat ik je graag zie hierkomen; maar, indien het naar mijn overtuiging beter is dat Coba vooreerst in haar zeer dagelijksche omgeving blijft—terwijl ik er bijvoeg dat ze voor ’t overige zeerzeerwel is, dan, dunkt me, moest men niet aandringen op.... op ontmoetingen....”“Maar wie, wie dringt er....?” zegt Eva snel; doch August valt in:“Een misverstand oom; wij dringen daar volstrekt niet op aan, al zouden we ’t gaarne wenschen. Is het uw bepaalde wil dat Coba vooreerst—vergun me de opmerking: tegen ’t advies van haar dokter—in ’t geheel geen menschen zien zal, dan moet dat gebeuren! dan blijven zelfs wij op den achtergrond, maar niewaar, als we ’t vooraf doen weten, dan zijn we toch immers bij ú altijd van harte welkom?”“Dit is een vraag August, waarop geen antwoord behoeft. Zooeven heb ik nog gezegd dat ik je gaarne zie komen; maar....”“Maar.... menheer Van Barneveld,” zegt Eva met kwalijk bedekte spijt: “wanneer de vrouw van den geliefden neef blieft thuis te blijven, niewaar?”“Beste Eva!” zegt August merkbaar ontsteld. En dan: “Ja ziet u oom....”Maar Van Barneveld begrijpt dat hij alles zeer goed heeft doorzienen nog doorziet.Immers, bij alles wat hem vroeger tegen ’t huwelijk van August met Eva Armelo heeft gestemd, kwam nu nog het pijnlijke, schier tot zekerheid geklommen vermoeden der laatste dagen, dat diezelfde schoone vrouw de oorzaak is van het zielelijden zijner eenige teergeliefde dochter.—Op lossen grond meent hij niet te oordeelen. Zuster Hermine heeft hem getoond dat zij als vrouw, scherper blik bezat om een meisjeshart te doorgronden, dan zelfs de vader die zijn kind van der jeugd afaan als zijn oogappel heeft bewaakt. Had hem ook reeds een heimelijke vrees vervuld, vooral op den morgen toen Coba zooveel bezorgdheid toonde dat de brief, dien zij aan August had geschreven, door hem—haar eigen vader—zou geopend worden;ach, toen zuster Hermine, nadat Coba stadwaarts was gegaan, hem een doormidden gescheurd papier ’twelk zij op Coba’s schrijftafel vond, had doen lezen, toen.... toen heeft hij wel moeten gelooven dat een steeds met kracht verborgen en nu hopelooze liefde voor August, zijn Coba lijden, en, zoo God het niet verhoedde, verkwijnen deed. Immers in haar gejaagden toestand heeft zij, waarschijnlijk ter juistere uitdrukking harer gevoelens een eerst begonnen brief terzij gelegd, en verzuimd de regels te vernietigen, die hem nu gedurig voor den geest staan:“Beste August!“Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken op dien avond toen je mij zoo deelnemend ondervroeg....Och, waarom moest ik huichelen; waarom verbergen wat mij verteert....”Ja, de oude generaal—ofschoon hij ten deele op een dwaalspoor is geraakt—hij gelooft nu alles zeer duidelijk te doorzien. Welzeker: Hermine heeft gelijk. En al wil dan ook Coba zelve, de jonggehuwden, maar vooral August bij zich ontvangen, dat mag en kan vooreerst niet gebeuren. De zaak is van te teederen aard om er zelfs met Helmond anders dan zeerzeervanverre over te spreken; en, zal Jacoba leven en behouden worden, dan moet men gelijktijdig met het versterken van haar zenuwgestel, alles vermijden, wat nieuw voedsel aan dien droeven hartstocht zou kunnen geven.Na Eva’s laatsten uitval heeft Van Barneveld niet zonder groote zelfbeheersching zijn kalmte bewaard. Zulk een toon verdraagt hij niet, van niemand! Slechts de herinnering aan het gebeurde met den jongsten pleegzoon, maar tevens een snel herdenken van ’tgeen hij sprak op den trouwdag; het besef bovendien dat Eva wel inderdaad eenige reden had om zijn ingenomenheid met haar te mistrouwen, en zich nu gekrenkt te gevoelen; dit alles, gevoegd bij een aangeboren hoffelijkheid tegenover de schoone sekse—en Eva was immers zeer schoon—deed den generaal nu zich zelf met kracht beheerschen. Schijnbaar kalm, doch niet zonder klem zegt hij:“Wanneer ik verzeker dat er voor de vrouw, die mijn neef gelukkig wil maken, een ruime plaats in mijn hart is, dan herhaal ik slechts wat ik vroeger sprak, en zou wel gaarne op mijn woord geloofd worden. De welgemeende zoen aan de vrouw van mijn pleegzoon op den dag van haar huwelijk gegeven, moest haar het bewijs zijn geweest van mijn.... welwillendheid.”“Waarlijk oom, Eva is geheel van uw liefde overtuigd. Alleen de hooge prijs, dien zij op uw toegenegenheid stelt, deed haar zoo spreken, en daarom....”“En daarom wil ik haar dan ook alleen maar vragen August: of het voortaan tusschen ons “mijnheer Van Barneveld en mevrouw Helmond” of “oom en nicht” zal wezen?”Voor Eva’s muzikaal gehoor heeft de toon waarop de oude generaal daar sprak, niets welluidends gehad noch iets dat haar roeren kon. De laatste terechtwijzende vraag heeft haar zelfs tamelijk schril in de ooren geklonken; nochtans voor dien uitdagenden blik, door de grauwe en zwaar vooruitkomende wenkbrauwen verdonkerd, slaat zij de oogen neer, en zegt:“De ongewoonte....oom; men kan zich vergissen.”“Ik begreep het Eva, en geloof dat we elkaar op den duur hoe langer hoe beter begrijpen zullen.” Eensklaps zich tot August wendend: “Sedert gisteren heb ik besloten met Coba voor een paar maanden naarDe Godesbergte gaan. Dat besluit zul je wel goedkeuren niewaar?”“De koudwaterkuur heb ik zelf aanbevolen oom; maar....” August beziet schijnbaar zeer aandachtig de toppen zijner vingeren: “maar, zult u haar dáár zoo geheel kunnen isoleeren.... op een badplaats?”Van Barneveld, die op raad van zuster Hermine dit besluit had genomen, heeft niet berekend dat men hem aanstonds op deze inconsequentie betrappen zou. Zich gevangen te gevoelen en door eigen schuld, het maakt den ouden generaal korzelig—narrig! zooals hij het zelf zou noemen:“Ik meen dat men dáár zoowel als overal stil kan leven,” zegt hij tamelijk kortaf, en dan tot Eva wier donkere kijkers hem in deze oogenblikken bepaald hinderen: “Wil je zoo goed zijn nichtje, de honneurs van het theeblad op je te nemen? mijn zuster schijnt nog wat boven te blijven.”“Zou mevrouw niet terugkomen.... oom?”“Ik weet het niet; maar ’t is acht uur geslagen.”Of deze opdracht Eva aangenaam is valt moeielijk te bepalen. Vluchtig denkt ze nochtans aan den morgen en het gebeurde met mevrouw Van Hake. De parelgrijze handschoenen trekt ze schielijk uit, en voldoet aan ooms....bevel.“En denkt u al spoedig te vertrekken?” vraagt August.“Dat zal van het antwoord afhangen. Dezen morgen heb ik erheen geschreven.” Tot Eva, wier bewegingen hij onwillekeurig heeft gevolgd: “Ik geloof dat je de verkeerde bus hebt nichtje; in die grootere is de gewone thee, van de fijne doet Coba er tenminste gewoonlijk maar zeer weinig bij. We zijn onder ons.”Deze oogenschijnlijk onbeduidende aanmerking klonk inderdaad wat vreemd uit den mond van den grijzen ex-generaal. August bracht haar echter onmiddellijk in verband met ooms vroegere opvatting omtrent Eva; en, heeft hij reeds gevoeld dat hun—of althans dat háár bezoek den oom geen welkom bezoek was, hij meent nu in die aanmerking een uit tegenzin geboren toeleg te zien om zijn Eva al dadelijk wat huishouden en zuinigheid te leeren. ’t Was ongepast; ’t was.... Maar neen, met de jaren kon zelfs een ex-generaal wel eens huishoudelijk worden. Oom meent het toch goed, al is hij door het onverwachte en niet gewenschte bezoek, al is hij om redenen, die August niet vermoeden kon, in een minder goede luim. Die aanmerking, zoowel als dat verzoek om thee teschenken, getuigt dat hij Eva als “eigen”, als een lid zijner familie wil beschouwen.—Zijn vrouwtje vriendelijk toelonkend, zegt hij nu met eenige zelfoverwinning:“Je woudt oom zeker eens een heel lekker kopje schenken, niewaar Eva?”“Ik heb daar niet aan gedacht;” antwoordt Eva, over wier wang een snelle blos is gevlogen, en wat ze er zachter bijvoegt, gaat—gelukkig misschien—voor den oom verloren, want, Hendrik die mede licht binnenbrengt, heeft luide het bezoek aangekondigd van den majoor Kartenglimp.Van Barneveld fronst even de wenkbrauwen.Nog slechts weinige dagen geleden is hij heel toevallig met dien majoor Kartenglimp in aanraking gekomen. Bij een wandeling in het Hoenderveldsche bosch, op een afgelegen pad, heeft hij hem voor ’t eerst ontmoet, en het vallen van een dooden tak, die, volgens den majoor, door het gevecht van een kraai en een lijster was afgebroken, en juist tusschen de beide wandelaars is neergekomen, heeft hen eenige woorden doen wisselen. Met de meeste belangstelling had de majoor toen aanstonds naar juffrouw Van Barneveld geïnformeerd, terwijl hij schier in één adem de bijzondere capaciteiten van Dokter Helmond heeft geroemd, dewijl hij hem—Kartenglimp—van een ernstige ongesteldheid zoo spoedig en radicaal genezen had.Van Barneveld heeft bij die ontmoeting in stilte een zeker leedwezen gevoeld dat een opvatting, een mindere sympathie voor ’t uiterlijk van dien man, hem lomp heeft doen zijn, dewijl hij hem—volgens stadsgebruik—bij zijn komst in Romphuizen een visite had behooren te brengen, ’tgeen hij niet heeft gedaan.Dat Kartenglimp hem, zonder eenige gevoeligheid daarover te toonen, in dat bosch zoo beleefd en respectueus heeft toegesproken, ’t moest den generaal wel aangenaam treffen. Immers hij werd toch te oud om zich door vooroordeelen te laten regeeren, of naar praatjes te luisteren, die waarschijnlijk in de kleinsteedsche sociëteit met de el waren uitgemeten. Inderdaad, die majoor was heel vriendelijk, en dewijl hij gezegd heeft dat hij bij zijn komst in de stad, als zooveel jonger in jaren en lager in rang, zeerzeker den generaal het eerst had behooren te complimenteeren, waaraan hij, beter laat dan nooit, nog gevolg hoopte te geven—zoo heeft Van Barneveld wel niet anders dan hoffelijk kunnen buigen, met de verzekering dat zijn bezoek hem zeer aangenaam zou zijn.Maar, nu kwam hij toch bijzonder ongelegen.... of neen, misschien had die komst juist nú haar nuttige zijde. De majoor scheen spraakzaam, en met Dokter Helmond is hij bijzonder ingenomen.Van dit laatste was August in ’t geheel niet overtuigd. Twee malen na zijn terugkomst van de reis, heeft hij getracht den majoor te bezoeken, maar telkens was de patiënt niet thuis, en ’tgeen Van Hake hem heeft gezegd, en wat men later van Kartenglimps waardeering verhaald had, ’t is niet geschikt geweest om hem van ’s mans ingenomenheid met zijn persoon een hoog denkbeeld te geven.—Doch zie, ’t bleek alweer dat men de woorden van een patiënt die wat bang voor vriend Hein is, niet al te letterlijk moest opvatten, en, dat de later uitgestrooide praatjes eenvoudig Kippelaanspraatjes zijn geweest. Althans nadat Kartenglimp mevrouw Helmond en den generaal begroet en naar de gezondheid van juffrouw Van Barneveld heeft gevraagd, drukt hij zijn dokter met warmte de hand. Met een klein excuus over “dat telegrafeeren”, ’tgeen hij zegt volkomen juist door dokter te zijn opgevat en beantwoord—buigt hij nogmaals voor Eva, en terwijl hij haar, na een sierlijke geste, met de zeer belangrijke lotsverwisseling van harte gelukwenscht—iets, waarin hij vroeger door zijn ziekte is verhinderd geworden, en waarmee hij nu gemeend heeft te moeten wachten totdat de familie geheel op orde zou zijn—neemt hij toch alvast met veel genoegen deze bijzondere gelegenheid te baat, om zich ook in mevrouw Helmonds vriendschap ten zeerste aan te bevelen.Dat klonk heel anders dan Helmond verwacht heeft. Niet, dat al de mooie woorden van den majoor bij hem alsbewijzenvan hartelijke belangstelling golden, terwijl Kartenglimps persoonlijkheid hem nooit bijzonder heeft aangetrokken, zoo kon het hem toch niet anders dan aangenaam zijn te mogen bemerken dat Kartenglimp niets tegen hem had, en, wat men van zijn grieven verhaalde, slechts uitstrooisels zijn geweest.Nu de majoor zijn excusen heeft gemaakt dat dit eerste bezoek een avondbezoek is, waarvoor hij echter verschoonende redenen bijbrengt, wordt de ontmoeting in het Hoenderveldsche bosch als de aanleiding er toe herdacht. De majoor beweert dat het waarlijk origineel is dat het vallen van een dooden tak moest meewerken om hem een lang verzuimden plicht te doen herstellen—althans voor zooveel dit mogelijk was—want ja, “ja waarlijk generaal,” zoo besloot hij: “’t was mijn plicht als oud-militair om het eerst bij u mijn opwachting te maken.Van Barneveld beantwoordde deze herhaling van Kartenglimps beleefdheid met een welwillende geste, en wilde juist vragen of de majoor inderdaadgoedhad gezien dat een kraai, telkens het nest van den lijster voorbijscherend, een sterken vleugelslag aan den wakkeren verdediger gaf, waardoor in ’t eind het doode stuk tak moest zijn afgebroken; toen Eva, zich over het theeblad vooroverbuigend, zacht maar toch goed verstaanbaar de vraag tot hem richtte: of oom verlangde dat ze ook nu—met het bezoek van.... mijnheer!—maar alleen van degoedkoopethee zou gebruiken?Van Barneveld schijnt haar niet te verstaan, althans zonder te antwoorden wendt hij zich met zijn vraag—welke hem echter eensklaps geheel onverschillig is geworden—tot den majoor. Deze heeft met een oogopslag een zeer verschillende uitdrukking op de drie aangezichten gelezen, en tevens bemerkt dat Helmond, die zeer nabij zijn vrouw was gezeten, haar snel maar zacht met de knie heeft aangestooten.“Jawel je excellentie, ik heb dat zeer goed gezien. Door het breken van den tak—zooals wij zagen juist een paar vingerbreedvóór het nest—is de kraai zeer verschrikt weggevlogen, en niet teruggekomen, tenminste zoolang wij er waren.”“Ahzoo, ja juist; ’t deed me plezier dat het nest niet mee naar omlaag kwam;” zegt de generaal, en kan zich niet weerhouden om tegelijkertijd een zijdelingschen blik op Eva te werpen.“Zeker generaal, recht gelukkig!” zegt Kartenglimp, en dan, zich tot Eva wendend, terwijl hij zijn donkere oogen slechts bij tusschenpoozen op haar bekoorlijke trekken gevestigd houdt:“De eerste maal dat ik u vluchtig mocht ontmoeten, waart u zeer ongesteld mevrouw. Zeker had de Haagsche lucht u geen goed gedaan. Er is, als ik ’t zeggen mag, bepaald eenige sympathie tusschen ons: die kille temperatuur in den Haag was mij—vooral omdat ik uit Indië kwam—mede zeer onaangenaam, en, dat wij beiden onze spoedige herstelling aan denzelfden vriend te danken hebben, nietwaar....?”“Dan toch altijd naast God,” zegt Van Barneveld, die in geen stemming verkeert om “menschenvergoding” te dulden, en nog twee malen als tersluiks een blik langs de groote moderateurlamp op Eva geworpen heeft.“Natuurlijk, natuurlijk je excellentie, we erkennen dat stilzwijgend.—En wat ziet mevrouw er geheel anders uit dan toen. Dat was in Maart als ik me niet bedrieg. Men scheen destijds eenigszins bevreesd te zijn..... nietwaar? Tenminste onze goede vriend Donerie sprak er, indien ik mij wel herinner, met de meeste belangstelling over. Ja waarlijk, ik moet zeggen, dokter heeft er alle eer van.... althansnaast God.”De laatste woorden klonken den generaal, uit dien mond, zeer zonderling gemaakt in de ooren.Helmond zegt dat Eva inderdaad tegenwoordig gezonder is dan ooit, en te hopen dat het doktersvrouwtje een uithangbord voor de affaire zal blijven.De majoor merkt met bescheidenheid aan dat dit beeld van den dokter, voor zijn jonge vrouw niet al te flatteus is; maar hij gelooft niet dat dokter Helmond inderdaad een zoo schitterend uithangbord zal behoeven; men beweert immers met recht dat het den neef van den generaal Van Barneveld niet zoo bijzonder ernst met een al te uitgebreide praktijk kan wezen; zijn jonge vrouw en de geëerde familie vanDe Zonsbergzouden daar zeker nog al op tegen hebben.“In ’t geheel niet!” zegt Van Barneveld snel en met klem: “Het kan de vrouw en de familie van mijn neef niet anders dan aangenaam wezen wanneer de zieken die er zijn en geneeskundige hulp verlangen, hem, zooveel mogelijk, hun vertrouwen schenken. De schoorsteen zal ervan moeten rooken.”De majoor Kartenglimp lacht bescheiden met ongeloovig ophalen der wenkbrauwen; en, heeft hij al straks bemerkt dat de jonge vrouw den blik van haar oom zocht te ontwijken, nu zag hij bij diens laatste woorden een donkere blos haar gelaat overtrekken.Helmond weet met tact het gesprek een andere wending tegeven. Zelfs Eva, door de spraakzaamheid van den galanten majoor daartoe uitgelokt, mengt er zich een enkele maal in, en was op het punt haar bittere grieven te vergeten—want de “hatelijke woorden” van Helmonds pleegvader en “de verregaande schrielheid van dien nabob in zijn somber paleis” hebben haar als een doorn in het hart gestoken—toen Kartenglimp de eenvoudige vraag tot haar richtte: of zij zich in haar nieuwe woning reeds wat thuis gevoelde.Eva aarzelde een oogenblik, maar toen, bemerkend dat Helmond het antwoord wilde geven, zegt ze snel met kwalijk verborgen wrevel:“Ik zou onoprecht zijn majoor, wanneer ik zei dat het huis mij bevalt. ’t Is er somber en gedrukt. Aan de voorzij zit men achter een dijk, en aan de.....”“Ja, aan de straatzijde valt zeker niet veel te zien;” zegt Kartenglimp hoofdknikkend.“Maar we zien er elkaar, niewaar wijfjelief?” valt Helmond in: “en dat is ons ’t voornaamste. Aan een huis moet men wennen evenals aan een nieuw kleedingstuk.”“Als het kleed niet past August, dan zendt men het terug.”Kartenglimp geeft hoofdknikkend het teeken dat hij de opmerking der jonge mevrouw zeer ad-rem vindt.“Men had al gezegd dat u de woning aan den wal zoudt verlaten om het leegstaande huis op de markt ervoor in plaats te nemen. Ik geloof generaal, dat de jonge mevrouw in het zoogenaamde oud-burgemeestershuis meer haar aisances zou gevonden hebben.—Nog altijd te koop je excellentie.”Op Eva’s gelaat was—voor wie in haar ziel had gelezen—een oogenblik van triumf te bespeuren.Van Barneveld die bij het hooren van den majoor, telkens sterker den tegenzin voelde herleven, welke vroeger door dat brutale donkere oog en de vreemde plooi om dien mond bij hem was opgewekt, meende, ondanks den strijd, dien hij inwendig moest voeren, dat het zijn plicht was om vis-à-vis dien man door geen enkel woord meer te verraden dat de harmonie tusschen hem en de jonge echtgenooten nog iets te wenschen overliet.“Ja juist majoor, dat huis is nog te koop, maar ik geloof niet dat mijn neef er plan op heeft. Is ’t wel August?”Nadat Helmond ontkend, en Kartonglimp Eva’s vraag betreffende zijn verkiezing van suiker en melk in de thee met een bijzondere hoffelijkheid heeft beantwoord—waarbij hij haar voor ’t eerst rechtstreeks in de schoone oogen zag; na een snellen blik dien de generaal zijn neef heeft toegeworpen en waarmee hij dien bezoeker als geenszins van zijn gading, zocht te teekenen, zegt Eva tamelijk zacht maar toch met nadruk:“U gebruikt zekergeensuiker in de thee.... oom?”Kartenglimps oogen waren naar het fraai gestukadoorde plafond gekeerd, maar toch heeft hij op het hooge voorhoofd van den oom een trilling gezien als die van den effen vloed, wanneer een geworpensteen hem beroert, terwijl hem evenmin de half angstige half verwijtende blik van den jongen man is ontgaan, de blik waarmee hij als ’t ware zijn Eva smeekte om toch niet roekeloos vonken naar buskruit te werpen.“Maar ik begrijp volstrekt niet tante, waarom ik niet naar beneden zou gaan; we weten nu immers dat het August en Eva zijn die zich lieten aandienen,” zegt Jacoba terwijl ze mevrouw Mansburg met haar zachte oogen vriendelijk aanziet: “Wat zou mij nu meer goed kunnen doen dan eens met mijn besten August te praten, al moet ik hem ook beknorren dat hij de geheele week nog niet naar mij omzag.”“Papa vindt het beter dat je alle mogelijke drukte vermijdt Coba, je weet het, en daarom....”“Als papa geweten had wie het waren, die door Hendrik werden binnengelaten, dan had hij mij zeker niet verzocht naar boven te gaan.”“Ik geloof het wel Coba; maar we zitten hier immers ook heel prettig en gezellig op je lieve kamer. Tante zal heel graag bij je blijven.”—O die vermoeiende goedheid! zucht Coba bij zich zelve. Ja, tante Hermine is inderdaad een voorbeeld van deelnemende liefde; maar deelneming kan ook zoo bitter drukkend worden, en inzonderheid wanneer men telkens middelen ter genezing komt aanwenden, terwijl de wonde niet meer te heelen is.—Neen, de wonde aan het hart is niet meer te heelen; maar Gode zij dank, indien men haar nu rustig liet, en niet zoo telkens pijnigde door haar aan zich zelve te herinneren, en af te houden van hen, die haar nog lief zijn op de wereld, ja, dan gevoelt ze wel dat het zwakke lichaam langzamerhand zijn vroegere veerkracht zal hernemen, en dat ze weer zal kunnen leven, geheel en al, voor den beminden vader. O voorzeker, nu God zelf met den dood is tusschenbeiden getreden, nu moest ze het wel verstaan dat ze een dwaas, misschien een zondig kind is geweest. Het voegt immers een meisje niet om in stilte lief te hebben; om in stilte te wenschen—te bidden aan God misschien—dat de edele jongeling haar zal kiezen tot de gezellin van zijn leven....? Maar immers nooit, neen nooit, door woord noch blik, heeft zij verraden wat daar woelde en soms zoo pijnlijk brandde in de borst. God is haar getuige hoe zij fel heeft gestreden, en reeds den strijd had gewonnen; hoe ze Herman Donerie in ’t eind heeft beschouwd als een vriend, en de tijd reeds gekomen was dat ze hem naderen zag en gaan, niet slechts met een kalmen blik, maar ook met een rustig hart.—Toen is de dreigende wolk komen opzetten.—Herman Donerie—zoo luidde het—was ongesteld. Ja toch, hij kwam nog les geven; maar hij zag zeer bleek; en toen, toen is hij niet teruggekomen; en, nú eens heeft men gezegd dat hij zeer ziek, en dan weer dat hij geheel beter was. En zij is in een vreemdespanning en tweestrijd geraakt. Somwijlen was het alsof de borst haar te eng werd, alsof hoofd en hart werden saamgenepen.—Maar Goddank! op dien morgen van regen en storm, toen heeft ze in de kerk toch gehoord dat Donerie’s kracht niet was gebroken. Heerlijke dag van Helmonds trouwverbond: Hermans volle orgeltonen zijn als koele droppelen gevallen op den dorstenden bodem van haar hart. Ja, die dag was haar een dag van zegen: ze kon haar vrienden een blij gelaat toonen.—Maar ach! kort daarna is hetzeerduister geworden.—En toen; neen ’t is haar niet mogelijk geweest om haar goeden vader, hoe innig lief ze hem had, een blik in haar hart te laten slaan, zelfs niet nu de dood voor altijd een scheiding heeft gemaakt tusschen dien jongen “muziekmeester” en Jacoba Van Barneveld. Immers het geringste woord van verwijt of zelfs een enkele uitdrukking in tegenspraak met de stille vereering, die zij den geliefden doode bleef toewijden, zou haar een wreede dolksteek zijn geweest, en had een scheidsmuur kunnen opwerpen tusschen haar en den lieven, haar zoo innig dierbaren vader.En, als ze dan zelfs aan dien beminden grijsaard de oorzaak van haar zenuwlijden niet openbaren kan, hoe zal ze dan tot iemand anders—bijvoorbeeld tot een tante Hermine—daarover spreken! Maar dit laatste is haar ook geen oogenblik met ernst in de gedachte gekomen. Wat ze gewenscht en gedroomd heeft met een schuldeloos hart, zij zal het met zich nemen in het zwijgende graf. Neen, zelfs August, voor wien ze in die dagen van hevige spanning, bijna haar hart had uitgestort, of die, zoo Herman nog langer met den dood had moeten worstelen, de waarheid wel in haar oog zou hebben gelezen, ook hij zal nimmer vernemen wat haar heeft beroerd. Maar tóch, ze zou hem nu zoo graag eens spreken, haar lieven broeder!“Ben ie nu weer verdrietig goede Coba, omdat ik je tot je bestwil raad, geheel in overeenstemming met je pa? Jawel, ik zie het aan je oogen, je bent er verdrietig om.”“Wel mogelijk tante, maar ofschoon ik herhaal dat ik ’t veel beter voor mij zou vinden, indien ik nu bijvoorbeeld beneden kon wezen, zoo moet ik mij onderwerpen. ’t Is vreemd dat pa het zoo geheel met u eens is.”“Nee, niet vreemd Coba, in ’t geheel niet....”“En waarom dan toch tante?”“Waarom....? Wel lieve kind, weet je dan niet dat je na dien schrik—nee nee, ik spreek er niet van, ik wil alleen maar zeggen dat menheer Van Hake toen al dadelijk rust en vermijding van alle drukte heeft aanbevolen. Helmonds vrouw is bijzonder levendig, en je zoudt zeker een slechten nacht hebben indien je zoo van allerlei moest hooren, en over alles zoudt meespreken misschien.”Jacoba antwoord niet meer.Tante Hermine is er blij om. Op uitdrukkelijk verlangen van broeder Alexander, mag zij zelfs in de verste verte niet laten doorschemeren dat men de allerdroevigste oorzaak van Coba’s toestand heeft ontdekt. ’t Zou voor het arme kind, dat zich tot zelfs op dendag van Helmonds huwelijk zoo boven alle beschrijving krachtig heeft gehouden, misschien de noodlottigste gevolgen kunnen hebben. De zwaarste strijd was nu zonder twijfel gestreden. ’t Zal haar triumf wezen dat ze geheel alleen haar smart heeft gedragen, en, moest men dus alles in ’t werk stellen om te voorkomen dat de wond, die vermoedelijk reeds aan ’t heelen was, telkens weer door een vertrouwelijken omgang met den vriend werd opengereten; in geen geval moest men die wonde nog geweldiger aandoen door Coba te toonen, dat het bitter geheim van haar schuldeloos hart geen geheim was gebleven.Met zulke overleggingen uit een valsch vermoeden ontstaan, moest Coba’s zwijgen der goede dame wel genoegen doen.—Het lieve kind gevoelt in stilte dat we haar ten beste raden, denkt ze, terwijl ze Coba vriendelijk toeknikt, om vervolgens alvorens de honderd en elfde rozet van haar sprei-deken te haken, een streng katoen, die erg in de war zat, te gaan afhaspelen.... Heel “prettig en gezellig” voor Coba.Jacoba zweeg; de herinnering aan dien “schrik” heeft haar feller getroffen dan zij ’t zich zelve bekennen wil. Ja, dat was het laatste geweest; een schrikkelijk einde. Nóg ziet ze hem daar van verre; de zwarte krulharen woest golvend om dat doodsbleek gelaat; de holle van koortsgloed vlammende oogen eensklaps strak, angstig strak op haar gericht, terwijl hij met angstige bijna schreiende stem de woorden gilde: “Laat los! hoort ge niet! Zij is de mijne!”—Dezijne....?Jacoba voelt een inwendig beven.—Dat is niet goed; dat mag niet! Zij moet en wil immers krachtig zijn. Maar, hoe is dat mogelijk op den duur, wanneer men haar uit kwalijk begrepen voorzorg, niet als vroeger haar natuurlijken vrijen gang laat gaan; indien men haar hier van iedereen, zelfs van den lieven broeder terughoudt om nochtans—o zonderlinge tegenstrijdigheid—haar straks voor te spiegelen dat het leven aan een woelige badplaats haar weldadig zal zijn!Inweerwil van tantes beweren dat papa het alles zoo goedvindt ja nadrukkelijk verkiest, gelooft Coba dat het inderdaad tante Hermine is die, ofschoon met de beste bedoelingen, haar physiek en moreel te kerkeren zoekt.In dit oogenblik heeft Coba een onweerstaanbare behoefte om uit dien kerker bevrijd te worden.En, de goede papa zal er niet tegen zijn.“De lust om August eens weer te zien tante, bekruipt me zóó sterk dat ik ze beneden nu toch maar eens even verrassen wilde;” zegt Jacoba terwijl ze eensklaps opstaat.“Jacoba-lief, dat kan niet; heusch dat zou onverstandig wezen;” antwoord mevrouw Mansburg ontsteld.“Ieder mensch heeft wel eens zijn onverstandige buien tante. Nee, weerhoud mij niet. Mocht het minder goed voor me zijn, welnu dan moet ik er zelve de gevolgen van ondervinden. Maar, geen nood lieve tante.”De belangstellende dame, die haar nichtje op hartelijken toon tot andere gedachte zoekt te brengen, terwijl ze haar zachtkens met papa’s misnoegen dreigt, vreest reeds dat ze op die wijze niets winnen zal, toen het klinken der huisschel haar eensklaps een krachtiger wapen in handen gaf.—Nietwaar, dat bezoek van een vreemde zou Jacoba nu wel van besluit doen veranderen?“Dat is te zeggen tante; als het dan waarlijk beter zal zijn dat ik niet naar binnen ga, dan wilde ik August laten vragen of hij bijmijwil komen. Ik verlang zoo naar August.”—Arm kind! zucht de oude dame bij zich zelve. Maar nú vooral moet tante zich kranig toonen, en het klinkt schier bevelend:“Jacoba, je doodelijke bleekheid en je opgewonden stemming ontraden je bepaald om iemand te zien van avond.”“Maar als ik nu gevoel dat juist een gesprek met August mij weldadig zal wezen, omdat hij mij goeden raad zal geven lieve tante, zoudt u mij dan nog ontraden of verhinderen eenconsult met mijn dokterte nemen?”Haar dokter! dat arme kind!“Maar Coba, Alexander..... je pa.... hij zal....”“U voelt toch wel tante, dat niets ter wereld mijn gestel zoo nadeelig moet zijn als het gemis van mijn vrijheid. Ik heb nu een gevoel alsof ik een onschuldig-gevangene ben.... en dat ú....”“En dat ik....”“Nee tante, zoo bedoel ik het niet. U bij een gevangenbewaarder te vergelijken dat zou toch wat al te dwaas en onvriendelijk zijn. Ik weet wel dat u alleen uit belangstellende liefde handelt”—Op zoeten toon: “Maar beste tante, ik wilde August zoo heel heel graag eens even spreken; iets vragen....?”—Arm, arm kind! denkt de dame. Wat bitter zielelijden moet dat toch wezen! Niet slechts den geliefde gelukkig te weten aan de zij eener andere; maar, nu zoo nabij hem in dezelfde woning te zijn, en hem niet te kunnen zien of spreken; weerhouden te worden door een tante die.... Maar neen, zij is geen gevangenbewaarster, dat is een ondraaglijk denkbeeld! Heeft zij dan geen medelijden met zulk een lief en teeder, maar ongelukkig kind....?Ofschoon mevrouw Mansburg zelve aan haar broeder den goeden raad—en zonder eenig voorbehoud—heeft gegeven, dat men Coba toch alle gelegenheid zou benemen om August, en vooral afzonderlijk, te ontmoeten, zoo hebben Coba’s laatste woorden een zonderlinge gevoeligheid bij haar opgewekt. Zij,zijwordt beschouwd als een gevangenbewaarster, als iemand met een sleutelbos en handboeien, en dat, ter bewaking—niet van een schuldig wezen, maar van een lieve arme lijderes, wier eenige misdaad het is geweest dat ze heeft bemind zonder wederbemind te worden. Een gevangenbewaarster! nog eens, dat denkbeeld is mevrouw Mansburg onverdraaglijk!Juist op het oogenblik dat Eva van haar echtgenoot den half angstigen half verwijtenden blik ontving—nadat zij, toegevendaan haar kwade luim, den generaal nogmaals op zoo weinig bedekte wijze deed gevoelen, dat ze hem van schrielheid verdacht, trad mevrouw Mansburg de kamer binnen.—Haar komst geeft een weldadige afleiding. Terwijl Kartenglimp en de jongelieden opstaan om haar te groeten, en Van Barneveld vluchtig den majoor aan zijn zuster voorstelt, vergeet hij—althans voor eenige oogenblikken—de “zonderling kwetsende maar toch waarschijnlijk verkeerd begrepen woorden van dat mooie duiveltje”—zooals hij Eva reeds bij zich zelven heeft genoemd—om aanstonds Hermines komst met Coba’s welstand in verband te brengen, en met inwendige onrust doch schijnbaar kalm te zeggen:“Toch wél boven, Hermine?”Mevrouw Mansburg geeft een zeer bevredigend antwoord. Zij heeft neef Helmond iets te vragen.De vraag werd zacht gedaan.Om niet onbescheiden te zijn, knoopt Kartenglimp een gesprek met Eva aan, over Parijs en muziek en zang.Van Barneveld begrijpt niet welk een bijzondere vraag zijn zuster aan Helmond heeft te doen, en terwijl hij zijdelings het oog op haar mond houdt gevestigd, als wilde hij zien wat ze sprak, zegt hij nog eens:“Is er misschien iets.... dat....?”“Volstrekt niet Alexander. ’t Geldt mij zelve.” Zij wijst op haar hoofd.—Hermine zal weer last van hoofdpijn hebben, en geen rust aleer ze met neef de heele apotheek is doorgewandeld, denkt de generaal: à la bonne heure!—Ei zie, daar schijnen nog meer confidenties te moeten plaats hebben.—Helmond zegt dat men hem even zal excuseeren.—Mevrouw Hermine groet het gezelschap—wel wat vreemd, enpassant, meent Van Barneveld—en beiden verlaten de kamer.De herinnering aan Parijs heeft Eva’s kwade luim in een soort van overmoed doen ontaarden. Nu August de kamer verlaten had, nu was het alsof zij het geschikte oogenblik gekomen zag om den oom—al moest het in presentie van dien vreemde wezen—eens nadrukkelijk te doen gevoelen dat zij als Helmonds vrouw, ja zelfs als de nicht van den generaal Van Barneveld, zich op den duur niet ongestraft zal laten beleedigen.Bij het luide roemen der genietingen in “die heerlijke stad”, moest het telkens uitkomen dat men dáár zooveel breeder en gezonder opvatting van het leven had dan hier in het “achterlijke Nederland”. ’t Was daar aan alles te zien dat men er het dwaze stelsel niet huldigde: om door ontbering of gemis te leeren waardeeren. Neen, men genoot er wat betamelijk was.Pottersenschrapersvond men dan ook in Parijs, ja zelfs in geheel Frankrijk niet.—Monsieur De Musard had het zelf gezegd: Men leefde er, en liet er leven! De minste werkman dronk er zijn flesch wijn en niemand bespaarde er een vijffrankstuk tot na zijn dood, indien hij er de levenden mee vroolijk kon maken.Kartenglimp lachte gedurig zeer hoffelijk om de dikwijls niet onaardig klinkende phrasen van het jonge mooie vrouwtje, doch was tevens zoo vrij—met het oog op dien zwijgenden, meestal ernstig voor zich heen zienden generaal—om een paar malen beminnelijk met den vinger te dreigen, en iets van “Hollandsche degelijkheid” of “rijperen leeftijd” in ’t midden te brengen, terwijl hij zelfs ten slotte den generaal met een: “nietwaar je excellentie?” tot de bevestiging zijner meer degelijke gevoelens te bewegen zocht.“O ja majoor! men kan dat alles uit een zeer verschillend oogpunt beschouwen;” heeft de generaal geantwoord, en de toon, waarop hij dat antwoord gaf, verried niets, of althans zeer weinig van hetgeen er omging in zijne borst. De man met een open rondborstig karakter heeft zeker den zwaarsten strijd om zijn toorn te bedwingen. En nochtans beheerschte Van Barneveld zich op waardige wijze.Neen, die majoor, wiens gemaakte manieren, wiens vreemde hoffelijkheid en dikwijls zonderling vleiende toon hem hoe langer hoe meer tegenstonden, de man wiens bezoeken opDe Zonsberg niet zullen herhaald worden,—hij zou geen getuige zijn van een scène de famille!De oude generaal zal de waardigheid van zijn rang tegenover dien inférieur niet te grabbelen gooien, en zelfs in zijn tegenwoordigheid dat dartele kind een vernederende terechtwijzing besparen, hoewel ze die zeer noodzakelijk verdient.Of Van Barnevelds opstaan, zijn vluchtig rechts en links zien alsof hij iets zocht, en daarop een tamelijk snel verlaten van de kamer, zonder hierover eenige verontschuldiging te hebben gemaakt, alleen op rekening van den inwendigen strijd moesten gesteld worden, of ook dat het lange wegblijven van August nogmaals zijn heimelijke onrust over Jacoba had opgewekt, zeker was het dat Eva, in het heengaan van dien oom, alweder geenszins het bewijs vond dat haar persoon en gezelschap hem zoo bijzonder lief waren, maar wel—en met heimelijk genoegen—dat zij het “inhalige van zijn karakter juist heeft beoordeeld, en dat haar zijdelings afgeschoten pijlen raak zijn geweest”.Kartenglimp, die in een ondeelbaar oogenblik een flikkering van triumf in dat schoone oog heeft gezien, werpt nog een blik naar de nu weder gesloten deur, en maakt dan op bijzonder hoffelijken toon een half beschuldigende half verschoonende opmerking over het heengaan “der heeren”, maar zegt ten slotte, dat hij zich niet te beklagen heeft zoolang het lief gezelschap van mevrouw Helmond hem voor dat gemis blijft schadeloos stellen.Eva had er nog niet aan gedacht, dat zij als ’t ware alleen is gelaten om dien vreemden majoor gezelschap te houden. Ze ziet hem na zijne vleiende woorden vluchtig doch met zekeren weerzin aan.Straks heeft ze dien man een enkele maal gebruikt als.... den telegraafdraad, waarlangs men zijn gedachten aan het bedoelde adres zendt, als den biljartband, om van terzij een carambole te kunnen maken. Maar nu, nú heeft hij uitgediend! Zijn hoffelijkheid op diengemaakt fatsoenlijken toon, stuit haar tegen de borst. Ofschoon zij het heengaan van den oom—ook met het oog op dien vreemde—lomp en hatelijk vindt, het komt echter niet te pas dat die man er zoo op zinspelen durft; ’t voegt hem niet dat hij August, een der heeren noemt die het aan háár overlaten, om hem—dien man—“met haar lief gezelschap voor dat gemis schadeloos te stellen”.—Wat verbeeldt zich die oude dwaas! En mijnheer Van Barneveld? Denkt hij misschien dat Helmonds vrouw, omdat ze aanstonds toegaf en zich gewillig voor het theeblad plaatste, dat ze hier juffrouw van gezelschap of huishoudster is geworden?Indien de heele familie, uit welke oorzaak dan ook, er geen bezwaar in ziet om de kamer te verlaten, en mijnheer Van Barneveld het zelfs niet noodzakelijk acht in ’t gezelschap van menschen te blijven, die hem bezoeken, dan voelt Eva zich wel ’t allerminst geroepen om de honneurs van zijn huis waar te nemen, en zal die majoor haar althans geen beletsel zijn om mede heen te gaan wanneer zij zulks verkiest.“Oom begrijpt zeker niet waar Helmond blijft,” zegt ze snel, en dan, opstaande: “Ik vrees dat mijn nichtje weer minder is geworden.—U zult mij permitteeren....?”Niet zonder verbazing en een vreemde plooi om den mond, ziet nu Kartenglimp die jonge schoone vrouw insgelijks en met haastigen tred de kamer verlaten. Ternauwernood smoort hij een verwensching terwijl hij haar naoogt; doch, niet zoodra is de deur achter haar gesloten en bevindt hij zich in die groote kamer geheel alleen, of hij weerhoudt den vloek niet, die hem op de lippen brandt, en balt hij zijn vuist, en verwenscht bij zich zelven een familie die zich niet ontziet om hem—den majoor Kartenglimp—als een kwajongen te behandelen....als eenniets, als eennul!Eensklaps—alsof een pijnlijke herinnering hem treft, fronst Kartenglimp de zwartgeverfde wenkbrauwen.—Ja.... indien men had vernomen....? Maar dat is onmogelijk.—Bij die toevallige ontmoeting in ’t bosch is het hem duidelijk gebleken dat ook de generaal met die zaak geheel onbekend was. En,hoekon ’t hem, of iemand anders ook ter oore zijn gekomen! Hebben de vier officieren, die te Soerabaya in de zaak waren betrokken niet hun woord gegeven dat ze zwijgen zouden, en, althans zooveel mogelijk, de zaak geheim te houden of te smoren, indien hij terstond zijn ontslag uit den dienst wilde nemen, naar ’t moederland vertrekken en er zich nimmer in eenige garnizoensplaats vestigen zou? Neen, ’t is niet mogelijk dat die oud-kameraden hun woord hebben gebroken.—Dat zij hem steeds met hun dwazen haat vervolgen, en zelfs nog over den wijden oceaan het oog op hem gevestigd houden, ’t is hem gebleken toen hij te ’sGravenhage vóór zijn vertrek naar Romphuizen, dien scherpen brief ontving, met bevel om zich onmiddellijk uit de residentie te verwijderen, indien hij wenschte dat het voorgevallene onbekend bleef. Maar juist deze bedreiging is hem weder het bewijs geweest dat men, zonder aanleiding van zijn kant, het gegeven woord niet zou breken, en, dewijl hij nu het kleine Romphuizen—waar volstrektgeen garnizoen was—tot zijn vaste woonplaats had gekozen, zoo is er immers van die zijde geen de minste reden tot vrees. Neen, zelfs hier heeft hij uit alle voorzichtigheid de conversatie met den oud-kapitein Armelo maar weinig gezocht, en er tot heden geen werk van gemaakt om den generaal te ontmoeten, ofschoon een verkeer met oud-officieren buiten een garnizoensplaats hem geenszins verboden was.—Verboden! ha! Zal hij zich dan nooit kunnen wreken op dat viertal, op dat ellendig eedgespan? Neen, elke poging ertoe zou slechts uitloopen op zijn eigen vernedering. ’t Ware het zekere middel om hem bekend te doen worden voor de geheele wereld, en zich gebannen te zien uit elken kring waar hij nu zijn genoegen vindt.En toch, soms kookt en bruist het met geweld in zijn borst, en schept zijn wrekende verbeelding zich een schitterende zegepraal. Dan, dan ziet hij ze ginder.... dáár in een kleine ontredderde boot, meegesleurd door den woest opgezweepten oceaan, kampen met de schuimende golven.En met den storm van zijn haat stuwt hij het zwakke vaartuig voort, door de felle branding naar gindsche klip, en ha! het stoot er in splinters vaneen, en—vier verminkte lijken, gebeukt tegen de naakte rots, ze worden door ’t schuim bedolven.Of ook:Zie, daar ginder snellen ze voort, met opgeblazen moed; ze zullen een vijandelijke benting bestormen. Maar stil, stil! een hinderlaag, kunstig met bamboes en palm en aarde bedekt, ze schuilt daar weg op hun pad als een adder onder ’t gras. En zie, daar stormen ze heen; ze bereiken de plek. Ha! met dreunenden doffen klank storten er vier neder op de spiesen en palissaden, en, gillende kreten stijgen er op uit de diepten waar ’t bloed spat in ’t ronde.—Doch, wat baat hem zulk een gewaande wraak? Staat hij niet machteloos tegenover hun geweld?—Maarhier, waar men Kartenglimp slechts kent als den gepensioneerden majoor; waar men hem de eer aan zijn rang is verschuldigd, hier kan en zal hij zich wreken zoo men beleedigen durft!—Opgestaan, met de linkerhand op den stoelknop gedrukt, balt de majoor nu nogmaals de vuist, en vlamt zijn oog de kamer in ’t rond. Zie, een bijna levensgroot portret van den generaal treft eensklaps zijn blik, en uit den halfdonkeren toon aan den wand ziet het hem met wijd geopende oogen gestreng en onbeweeglijk aan.Dat oog, zoo doordringend op hem gericht, hij weerstaat het niet. Wanneer zulk een blik hem in de werkelijkheid trof, het zou hem zijn alsof men hem had doorgrond, alsof men hem kende als den man, “onwaardig den degen te dragen, onwaardig zelfs den naam uit te spreken van eenfatsoenlijkevrouw”.—Maar dat is gelogen! Indien er werkelijk vrouwen zijn die zulk een schoonen naam verdienen, die eerzamen, ze hebben zich nooit over hem te beklagen gehad. En wat het eerste betreft, heeft hij dan in den Bandjermassinschen krijg den dood niet onder de oogen gezien? ’t is waar, steeds goed gedekt, met de rumflesch terzij ende zweetdroppels op het aangezicht, maar “’t gaat er immers duizenden zóó”!—Wie wil sterven!? Niemand! De krankzinnige alleen, omdat hij.... krankzinnig is; of de grijsaard misschien omdat zijn levenslust vervloog en hij niet meer genieten kan.—Maar hij—Kartenglimp—hij wil leven en genieten zoolang het hem mogelijk is. En daarom ook, ofschoon dokter Helmond zijn wrok heeft gewekt, hij zal hem nu te vriend houden. Immers dat niet terugkomen na het ontvangen van het telegram, ’t heeft juist bij de uitkomst bewezen hoe goed hij zijn gestel reeds kende, en dat hij een uitmuntend dokter is.—Ja hij, wil leven en genieten!—De ontdekking dat er door zijn verre vijanden geen scheidsmuur was geworpen tusschen hém en dien vermogenden luitenant-generaal; de zekerheid dat hij nu welwillend opDe Zonsbergzou worden ontvangen; de hoop in ’t eind dat men hem in dien kring zou waardeeren en trekken; dat hij er dikwijls de schoone doktersvrouw ontmoeten, en met de jonge teedere erfgename op een goeden voet zal komen, dat alles heeft hem met zonderlingen glans in ’t oog geblonken. Ha, nu zou hij voortaan den rechten toon wel treffen. Ofschoon nog jong van hart en van kracht, men werd toch wat kalmer met de jaren. Welzeker, dieZonsbergzou voor hem een bron worden van genot, en de vriendschap van den generaal wel mogelijk meteen het bolwerk tegen “valsche geruchten”.Schuin terzij ziende, ontmoet Kartenglimp nu nogmaals dien strengen blik aan den wand.—En moet die blik nu de bevestiging zijn dat hij heeft misgerekend; de bevestiging van ’tgeen hij inderdaad inweerwil van zijn gekoesterde verwachting, sedert het eerste oogenblik zijner komst in dit sombere vertrek, als onwillekeurig gevoelde, namelijk: dat zijn bezoek een onwelkom bezoek, en zijn hoop op de vriendschap in dit huis een illusie was?—’t Zij zoo; de tijd moet het leeren; men kan zich bedriegen; maar, indien dát waar is, dan—en een zware vervloeking knoerpt er tusschen zijn blank gebit—dan, ja, dan heeft de duivel reeds zelf voor brandstof gezorgd.—De wauwelaar van het stadje had ditmaal toch waarheid gesproken. Kartenglimp heeft het nu zelf gezien: het vuur ligt te smeulen; soms spat het al vonken, en—langs de palm van zijn hand behoeft hij onbespied slechts zachtkens te blazen om den breeden vuurstroom te doen opgaan. Ha, dat zou een lust zijn om te aanschouwen; en in ’t eind zal hij van verre zich zelf nog kunnen koesteren aan den fellen gloed! Ha!Kartenglimp schrikt.—Eensklaps werd de deur geopend en de vrouw aan wie hij daar juist heeft gedacht, trad onverzeld de kamer weer binnen.Straks in de marmeren gang gekomen, heeft Eva—die zich in de woning van haar nieuwen oom nog op vreemd terrein bevond—inderdaad niet geweten waarheen ze zich begeven zou. Ze heeft rechts en links gezien, even aan de trap geluisterd, in de hoop dat August komen mocht, en, terwijl ze nog luisterend op het koele marmer staarde, is het haar eensklaps geworden alsof een loodendruk, een pijnlijk vuur haar van den boezem werd weggenomen. Ook nu heeft het betere in haar gesproken, ofschoon met zachte zoet-vleiende stem.—Zij is te ver gegaan!—Ja, maar veinzen dát kon ze ook niet, en dáárom heeft ze den oom moeten toonen wie hij aan Eva hebben zou en hoe ze hem beoordeelt. Doch wanneer zijn plotseling heengaan, en zonder dat hij een enkel woord heeft gesproken, dan eens het bewijs mocht zijn dat ze haar doel had getroffen; wanneer de rijke oom nu inderdaad gevoeld heeft wat hij aan den geliefden neef is verschuldigd, en hoe de aangenomen houding tegenover Helmonds jonge vrouw hun aller leven niet anders dan verbitteren kon;indienhet dan waar is dat hij door haar “overtuigende redenen” reeds zoo spoedig tot een mildere zienswijze geraakte, dan moest zij bij kalmer beschouwing wel leed gevoelen dat ze zich zoo weinig beheerschte. In tegenwoordigheid vaneen vreemde, vierde ze immers haar onwil den vrijen teugel; in het bijzijn van hem, die met zijn vorschend oog ongetwijfeld geheel haar toeleg doorzag, heeft ze Helmonds oom moedwillig vernederd.Een vuurrood bedekte Eva’s gelaat.—Zij is te ver gegaan, veel te ver! Wát er mag wezen, de generaal Van Barneveld is ookhaaroom.—En zal nu die vreemde—gekrenkt, dewijl men hem geheel alleen heeft gelaten—met den ontvangen indruk van hier gaan, om naar goedvinden te verhalen van ’tgeen hij ter kwader ure heeft opgevangen? Neen, dat kan en mag niet wezen; de gemaakte indruk moet worden uitgewischt; ze is het verplicht; en bovendien, de eer der familie is ook háár eer. Terug dan Eva, terug naar dien vreemde!

Zooals reeds gemeld werd, bevinden Dokter Helmond en zijn vrouw zich dienzelfden avond opDe Zonsberg. Des morgens aan de koffietafel, heeft er inderdaad—en bijna voor ’t eerst—een helder zonnetje in de huiskamer van het jonge echtpaar geschenen. Eva, door het voorgevallene met mevrouw Van Hake, en wel door de overwinning, die zij op zich zelve behaalde in een mildere stemming gebracht, heeft haar echtvriend met een zachten handdruk nog eens de stellige verzekering gegeven, dat ze niet meer zou denken over ’tgeen voorbij was, terwijl zich dan alles voortaan wel schikken zou.—Ja, zij wilde wel gaarne haar best doen om metalleszóó tevreden te zijn als ze het van den beginne afaan met haargeliefdenman is geweest; maar, August kon toch niet verlangen dat zij speelde op een piano, die geheel en al dof en ontstemd van de vocht was, en dat zij haar stem bedierf door te zingen in kamers als deze, waar men den zolder op den neus had, terwijl het klonk als katoen....?

—Nee natuurlijk.

—Hij kon toch niet verlangen dat zij veinsde en mooi en goed vond wat haar hinderde....?

—Nee, dat sprak vanzelf.

Nu ja, voor ’t oogenblik was Eva dan ook heel tevreden. En, weinige oogenblikken later, toen die heerlijke verrassing haar was geworden, toen een waarlijk kostbare ovale spiegel in huis gebracht en in de salonkamer was opgehangen, toen stond het vrouwtje weldra met haar August in de teederste omhelzing ervoor, en vertrouwden die beiden volkomen het fraaie Fransche glas ’twelk hun toeblonk en zei: dat ze niet slechts waren een knap, maar ook een hoogstgelukkig paar.

—Maar dat geluk, neen, het kon immers niet zoo innig, niet zoo blijvend wezen, indien daar in de naaste omgeving iets was, ’t welk Eva telkens opnieuw moest hinderen wanneer zij eraan dacht.

En Helmond heeft ook nu weer zijn vrouw gelijk moeten geven. Ja, ’t was een onaangename verhouding tusschen hen enDe Zonsberg. De korte vrij stijve visite, die oom met tante Hermine aan de jongelieden heeft gebracht, kon niets goedmaken en heeft volstrekt geen licht gegeven waarom men Eva vanDe Zonsbergzocht verwijderd te houden, terwijl Jacoba zich toch altijd, wanneer het te druk werd, op hare kamer terugtrekken kon.

’t Een of ’t ander is waar, heeft Eva beweerd, óf oom Van Barneveld en tante Hermine hebben een overdreven zorg voor Coba—misschien een zorg die eer nadeelig dan goed voor haar is, óf—en Eva heeft hier sterk op gedrukt—of oom Van Barneveld toonde maar al te zeer, dat hij was ’tgeen zij reeds vroeger gevreesd heeft: haar tegenstander, haar vijand, hoewel ter wille van den geliefden neef, een vijand met het zwaard in de scheede.

—Neen, dit laatste was onwaar, heeft August gezegd. Het verzoek van oom is—hij moet het bekennen—zeervreemdgeweest; maar indien Eva oom Van Barneveld kende zooals hij, dan zou ze begrijpen hoe hij tot zoo iets gekomen is. Oom mag soms zijn opinies hebben en iets zonderlings, maar Eva’s vijand—August weet het beter, zijn woord is er haar borg voor—haarvijandis hij niet.

Indien dit dan waar was—en Eva wilde haar lieven man gelooven—dan zou men nog dezen namiddag naarDe Zonsberggaan om zekerheid te bekomen. In geen geval handelde men tegen ooms verlangen indien men er heden heenging, want, juist vandaag is het een week geleden dat oom zoo beleefd was te verzoeken: of Eva haar bezoek nog een acht dagen wilde uitstellen.

En, August heeft toegestemd.

’t Was ruim zeven uren toen dokter Helmond en zijn vrouw het groote ijzeren hek vanDe Zonsbergbinnenstapten en het breede gazon omgaande, de hooge stoep van het deftige landhuis, ofschoon langzaam, naderden. Nog nooit had Helmond een zoo beklemd gevoel als in deze oogenblikken. Hij, de anders zoo kloeke, handelende man, hij gevoelde zich temoede als een schoolknaap, die den meester onder de oogen zal treden van wien hij een welverdiende berisping verwacht. Neen, ’t was nog een ander gevoel.... Hij kon er geen naam aan geven. ’t Was hem schier alsof dat welbekende huis, ’twelk hij aan de zij van een teerbemind vrouwtje zal binnengaan, een vreemd en vijandig terrein voor hem geworden was; een vesting die hij bij verrassing verschalken moet. En, de kracht van den bevelhebber dier vesting is hem bekend.

Of het geknoerp en gekraak van hun schreden in het zware kiezelzand Helmond een geregeld denken belet, althans in dezen stond heeft hij geen helder bewustzijn van zijn verhouding tegenover den.... geliefden pleegvader, en een oogenblik zelfs beschuldigt hij zich van zwakheid en al te groote onderdanigheid, omdat hij zijn vrouwtje gaat wagen aan een mogelijke koelheid van den man die—Eva heeft waarlijk gelijk—haar niet volkomen genegen is; die van den beginne afaan een trotsche houding tegenover de familie Armelo had aangenomen, en de kleine zoo verschoonbare ijdelheden van een prachtig en talentvol meisje steeds in hetongunstigstdaglicht heeft geplaatst. Ware het niet beter geweest indien hij die kinderlijke onderdanigheid en terughouding, terstond na de tehuiskomst van Parijs, had laten varen, en met gepaste vrijmoedigheid zoowel ten opzichte van Jacoba als van Eva, zijn meening blootgelegd en opheldering gevraagd had? Ook tegenover den oom had hij behooren te zijn ’tgeen hij elders is: kordaat en onafhankelijk. Het gold Jacoba’s gezondheid in de eerste, het gold zijn huiselijk geluk in de tweede plaats.

—Oom, indien gij Jacoba spoedig wilt zien herstellen dan moet ik haar geheel als mijn patiënt behandelen, anders sta ik u voor de gevolgen niet in.

—Oom, indien gij tegen mijn Eva zijt ingenomen, en niet van plan om haar de vriendschap en hartelijkheid te betoonen, zooals ik die steeds van u ontvangen mocht, dan is het beter dat wij elkander niet meer zien, want, ofschoon ik u eeren zal en lief hebben zoolang ik leef,—man en vrouw zijn één.—Zie, zóó had hij behooren te spreken; of althans in dien geest. En nu, is het niet onvoorzichtig dat hij zijn Eva met hare grieven, laat komen voor den man, die wel eens een zeer hoogen toon kon voeren, die niet gewoon is zijn minder gunstig oordeel te verzwijgen, en vooral niet wanneer men zich op een hoogte tegenover hem stelt, of—zij het op zachte wijze—hem ter verantwoording zou willen roepen?

—En is August dan zeker dat Eva geen woord zal spreken ’t welk den oom.....?

“Nee, nóg niet,” zegt August snel, terwijl Eva’s voet reeds de onderste stoeptrede drukt: “Wacht, laten we liever nog eens hier om het huis naar den achterkant gaan. ’t Is daar zoo’n heerlijk plekje, en.... mij dunkt, nú vooral....”

Eva ziet hem vragend aan. Zij bemerkte terstond dat het August geen ernst met dat “heerlijke plekje” is; dat hij iets anders in ’t schild voert; dat hij aarzelt die stoep op te gaan.

“Is er zwarigheid August? Ik dacht dat oom mij zoo liefhad; ik meende dat je woord mij daar borg voor was. Hoe nu....?”

“Welzeker Eva, zeker! Maar ooms zorg voor Coba! Oom is goed, uitermate, maar....”

“Maar.... hij heeft aanmijden oorlog verklaard. Jawel, en daarom aarzel je nu.”

“Nee Eva.”

“Enfin, we zullen zien.”

En de huisschel klonk luid in de breede marmeren gang.

Ofschoon Hendrik op uitdrukkelijk verlangen van mijnheer en mevrouw Helmond, hen eerst had aangemeld, zoo was er toch bij hun binnentreden op Van Barnevelds gelaat, terwijl hij langzaam opstaande het naderende echtpaar een paar schreden tegemoet ging, een uitdrukking te bespeuren als van iemand die niet recht weet wie hij de eer heeft.... te zien, of aan welke omstandigheid hij een onverwacht, maar daarom nog juist geen aangenaam bezoek is verschuldigd.

“Eva had een groot verlangen om eens hierheen te wandelen oom, en als ’t ware haar entrée opDe Zonsbergte maken;”, zegt August terwijl hij den generaal de hand reikt, en vervolgt: “Nu toch de staat van beleg hier is opgeheven, konden wij er gerust aan voldoen. ’t Was er heerlijk weer voor. Hoe gaat het oom?”

Er was iets gekunstelds in den toon van dokter Helmond.

“Dankje August.—Aha nicht, hoe vaarje?” zegt Van Barneveld en drukt Eva’s hand die in keurig licht glacé is gesloten: “Ga zitten.—Tante Hermine is juist met Coba naar boven gegaan. Kh’m! Wat meende je met “staat van beleg”?”

“Och.... u hadt immers te kennen gegeven dat het beter was indien Eva nog een acht dagen wachtte met hier te komen; en, daar die acht dagen nu juist om zijn....”

“Ei zóó! heb ik acht dagen gezegd? Zoo!”

“’t Was misschien uw bedoeling mijnheer Van Barneveld, dat ik....”

August, vreezend dat Eva reeds terstond in vuur zal geraken, valt haastig in:

“’t Was uw bedoeling dat we om Coba’s ongesteldheid, vooreerst nietal te drukzouden komen. Maar, nu alles zoo bijzonder naar wensch gaat, nu meende ik dat het zelfs goed voor haar zou wezen wanneer we ons eens tezamen vertoonden. Watmijbetreft, ik verlang naar Coba, want de beide keeren dat ik in de verloopen week hier was, mocht ik wel heel aangenaam met u de plaats doorwandelen, maar mijn zusje zag ik niet, om redenen....”

“Om zeer natuurlijke redenen August.”

“Ik moest ze billijken oom, tenminste als....broer; maar, alsdokterniet.”

“We hebben datzelfde punt eergisteren op die wandeling met een enkel woord behandeld. Voor ’t oogenblik acht ik het minder gepast. ’t Is niet noodig je te zeggen dat ik je graag zie hierkomen; maar, indien het naar mijn overtuiging beter is dat Coba vooreerst in haar zeer dagelijksche omgeving blijft—terwijl ik er bijvoeg dat ze voor ’t overige zeerzeerwel is, dan, dunkt me, moest men niet aandringen op.... op ontmoetingen....”

“Maar wie, wie dringt er....?” zegt Eva snel; doch August valt in:

“Een misverstand oom; wij dringen daar volstrekt niet op aan, al zouden we ’t gaarne wenschen. Is het uw bepaalde wil dat Coba vooreerst—vergun me de opmerking: tegen ’t advies van haar dokter—in ’t geheel geen menschen zien zal, dan moet dat gebeuren! dan blijven zelfs wij op den achtergrond, maar niewaar, als we ’t vooraf doen weten, dan zijn we toch immers bij ú altijd van harte welkom?”

“Dit is een vraag August, waarop geen antwoord behoeft. Zooeven heb ik nog gezegd dat ik je gaarne zie komen; maar....”

“Maar.... menheer Van Barneveld,” zegt Eva met kwalijk bedekte spijt: “wanneer de vrouw van den geliefden neef blieft thuis te blijven, niewaar?”

“Beste Eva!” zegt August merkbaar ontsteld. En dan: “Ja ziet u oom....”

Maar Van Barneveld begrijpt dat hij alles zeer goed heeft doorzienen nog doorziet.

Immers, bij alles wat hem vroeger tegen ’t huwelijk van August met Eva Armelo heeft gestemd, kwam nu nog het pijnlijke, schier tot zekerheid geklommen vermoeden der laatste dagen, dat diezelfde schoone vrouw de oorzaak is van het zielelijden zijner eenige teergeliefde dochter.—Op lossen grond meent hij niet te oordeelen. Zuster Hermine heeft hem getoond dat zij als vrouw, scherper blik bezat om een meisjeshart te doorgronden, dan zelfs de vader die zijn kind van der jeugd afaan als zijn oogappel heeft bewaakt. Had hem ook reeds een heimelijke vrees vervuld, vooral op den morgen toen Coba zooveel bezorgdheid toonde dat de brief, dien zij aan August had geschreven, door hem—haar eigen vader—zou geopend worden;ach, toen zuster Hermine, nadat Coba stadwaarts was gegaan, hem een doormidden gescheurd papier ’twelk zij op Coba’s schrijftafel vond, had doen lezen, toen.... toen heeft hij wel moeten gelooven dat een steeds met kracht verborgen en nu hopelooze liefde voor August, zijn Coba lijden, en, zoo God het niet verhoedde, verkwijnen deed. Immers in haar gejaagden toestand heeft zij, waarschijnlijk ter juistere uitdrukking harer gevoelens een eerst begonnen brief terzij gelegd, en verzuimd de regels te vernietigen, die hem nu gedurig voor den geest staan:

“Beste August!“Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken op dien avond toen je mij zoo deelnemend ondervroeg....Och, waarom moest ik huichelen; waarom verbergen wat mij verteert....”

“Beste August!

“Altijd heb ik je liefgehad en vertrouwd als een dierbaren vriend. Sedert den dag van je vertrek had ik geen rustig uur. O, waarom heb ik niet gesproken op dien avond toen je mij zoo deelnemend ondervroeg....

Och, waarom moest ik huichelen; waarom verbergen wat mij verteert....”

Ja, de oude generaal—ofschoon hij ten deele op een dwaalspoor is geraakt—hij gelooft nu alles zeer duidelijk te doorzien. Welzeker: Hermine heeft gelijk. En al wil dan ook Coba zelve, de jonggehuwden, maar vooral August bij zich ontvangen, dat mag en kan vooreerst niet gebeuren. De zaak is van te teederen aard om er zelfs met Helmond anders dan zeerzeervanverre over te spreken; en, zal Jacoba leven en behouden worden, dan moet men gelijktijdig met het versterken van haar zenuwgestel, alles vermijden, wat nieuw voedsel aan dien droeven hartstocht zou kunnen geven.

Na Eva’s laatsten uitval heeft Van Barneveld niet zonder groote zelfbeheersching zijn kalmte bewaard. Zulk een toon verdraagt hij niet, van niemand! Slechts de herinnering aan het gebeurde met den jongsten pleegzoon, maar tevens een snel herdenken van ’tgeen hij sprak op den trouwdag; het besef bovendien dat Eva wel inderdaad eenige reden had om zijn ingenomenheid met haar te mistrouwen, en zich nu gekrenkt te gevoelen; dit alles, gevoegd bij een aangeboren hoffelijkheid tegenover de schoone sekse—en Eva was immers zeer schoon—deed den generaal nu zich zelf met kracht beheerschen. Schijnbaar kalm, doch niet zonder klem zegt hij:

“Wanneer ik verzeker dat er voor de vrouw, die mijn neef gelukkig wil maken, een ruime plaats in mijn hart is, dan herhaal ik slechts wat ik vroeger sprak, en zou wel gaarne op mijn woord geloofd worden. De welgemeende zoen aan de vrouw van mijn pleegzoon op den dag van haar huwelijk gegeven, moest haar het bewijs zijn geweest van mijn.... welwillendheid.”

“Waarlijk oom, Eva is geheel van uw liefde overtuigd. Alleen de hooge prijs, dien zij op uw toegenegenheid stelt, deed haar zoo spreken, en daarom....”

“En daarom wil ik haar dan ook alleen maar vragen August: of het voortaan tusschen ons “mijnheer Van Barneveld en mevrouw Helmond” of “oom en nicht” zal wezen?”

Voor Eva’s muzikaal gehoor heeft de toon waarop de oude generaal daar sprak, niets welluidends gehad noch iets dat haar roeren kon. De laatste terechtwijzende vraag heeft haar zelfs tamelijk schril in de ooren geklonken; nochtans voor dien uitdagenden blik, door de grauwe en zwaar vooruitkomende wenkbrauwen verdonkerd, slaat zij de oogen neer, en zegt:

“De ongewoonte....oom; men kan zich vergissen.”

“Ik begreep het Eva, en geloof dat we elkaar op den duur hoe langer hoe beter begrijpen zullen.” Eensklaps zich tot August wendend: “Sedert gisteren heb ik besloten met Coba voor een paar maanden naarDe Godesbergte gaan. Dat besluit zul je wel goedkeuren niewaar?”

“De koudwaterkuur heb ik zelf aanbevolen oom; maar....” August beziet schijnbaar zeer aandachtig de toppen zijner vingeren: “maar, zult u haar dáár zoo geheel kunnen isoleeren.... op een badplaats?”

Van Barneveld, die op raad van zuster Hermine dit besluit had genomen, heeft niet berekend dat men hem aanstonds op deze inconsequentie betrappen zou. Zich gevangen te gevoelen en door eigen schuld, het maakt den ouden generaal korzelig—narrig! zooals hij het zelf zou noemen:

“Ik meen dat men dáár zoowel als overal stil kan leven,” zegt hij tamelijk kortaf, en dan tot Eva wier donkere kijkers hem in deze oogenblikken bepaald hinderen: “Wil je zoo goed zijn nichtje, de honneurs van het theeblad op je te nemen? mijn zuster schijnt nog wat boven te blijven.”

“Zou mevrouw niet terugkomen.... oom?”

“Ik weet het niet; maar ’t is acht uur geslagen.”

Of deze opdracht Eva aangenaam is valt moeielijk te bepalen. Vluchtig denkt ze nochtans aan den morgen en het gebeurde met mevrouw Van Hake. De parelgrijze handschoenen trekt ze schielijk uit, en voldoet aan ooms....bevel.

“En denkt u al spoedig te vertrekken?” vraagt August.

“Dat zal van het antwoord afhangen. Dezen morgen heb ik erheen geschreven.” Tot Eva, wier bewegingen hij onwillekeurig heeft gevolgd: “Ik geloof dat je de verkeerde bus hebt nichtje; in die grootere is de gewone thee, van de fijne doet Coba er tenminste gewoonlijk maar zeer weinig bij. We zijn onder ons.”

Deze oogenschijnlijk onbeduidende aanmerking klonk inderdaad wat vreemd uit den mond van den grijzen ex-generaal. August bracht haar echter onmiddellijk in verband met ooms vroegere opvatting omtrent Eva; en, heeft hij reeds gevoeld dat hun—of althans dat háár bezoek den oom geen welkom bezoek was, hij meent nu in die aanmerking een uit tegenzin geboren toeleg te zien om zijn Eva al dadelijk wat huishouden en zuinigheid te leeren. ’t Was ongepast; ’t was.... Maar neen, met de jaren kon zelfs een ex-generaal wel eens huishoudelijk worden. Oom meent het toch goed, al is hij door het onverwachte en niet gewenschte bezoek, al is hij om redenen, die August niet vermoeden kon, in een minder goede luim. Die aanmerking, zoowel als dat verzoek om thee teschenken, getuigt dat hij Eva als “eigen”, als een lid zijner familie wil beschouwen.—Zijn vrouwtje vriendelijk toelonkend, zegt hij nu met eenige zelfoverwinning:

“Je woudt oom zeker eens een heel lekker kopje schenken, niewaar Eva?”

“Ik heb daar niet aan gedacht;” antwoordt Eva, over wier wang een snelle blos is gevlogen, en wat ze er zachter bijvoegt, gaat—gelukkig misschien—voor den oom verloren, want, Hendrik die mede licht binnenbrengt, heeft luide het bezoek aangekondigd van den majoor Kartenglimp.

Van Barneveld fronst even de wenkbrauwen.

Nog slechts weinige dagen geleden is hij heel toevallig met dien majoor Kartenglimp in aanraking gekomen. Bij een wandeling in het Hoenderveldsche bosch, op een afgelegen pad, heeft hij hem voor ’t eerst ontmoet, en het vallen van een dooden tak, die, volgens den majoor, door het gevecht van een kraai en een lijster was afgebroken, en juist tusschen de beide wandelaars is neergekomen, heeft hen eenige woorden doen wisselen. Met de meeste belangstelling had de majoor toen aanstonds naar juffrouw Van Barneveld geïnformeerd, terwijl hij schier in één adem de bijzondere capaciteiten van Dokter Helmond heeft geroemd, dewijl hij hem—Kartenglimp—van een ernstige ongesteldheid zoo spoedig en radicaal genezen had.

Van Barneveld heeft bij die ontmoeting in stilte een zeker leedwezen gevoeld dat een opvatting, een mindere sympathie voor ’t uiterlijk van dien man, hem lomp heeft doen zijn, dewijl hij hem—volgens stadsgebruik—bij zijn komst in Romphuizen een visite had behooren te brengen, ’tgeen hij niet heeft gedaan.

Dat Kartenglimp hem, zonder eenige gevoeligheid daarover te toonen, in dat bosch zoo beleefd en respectueus heeft toegesproken, ’t moest den generaal wel aangenaam treffen. Immers hij werd toch te oud om zich door vooroordeelen te laten regeeren, of naar praatjes te luisteren, die waarschijnlijk in de kleinsteedsche sociëteit met de el waren uitgemeten. Inderdaad, die majoor was heel vriendelijk, en dewijl hij gezegd heeft dat hij bij zijn komst in de stad, als zooveel jonger in jaren en lager in rang, zeerzeker den generaal het eerst had behooren te complimenteeren, waaraan hij, beter laat dan nooit, nog gevolg hoopte te geven—zoo heeft Van Barneveld wel niet anders dan hoffelijk kunnen buigen, met de verzekering dat zijn bezoek hem zeer aangenaam zou zijn.

Maar, nu kwam hij toch bijzonder ongelegen.... of neen, misschien had die komst juist nú haar nuttige zijde. De majoor scheen spraakzaam, en met Dokter Helmond is hij bijzonder ingenomen.

Van dit laatste was August in ’t geheel niet overtuigd. Twee malen na zijn terugkomst van de reis, heeft hij getracht den majoor te bezoeken, maar telkens was de patiënt niet thuis, en ’tgeen Van Hake hem heeft gezegd, en wat men later van Kartenglimps waardeering verhaald had, ’t is niet geschikt geweest om hem van ’s mans ingenomenheid met zijn persoon een hoog denkbeeld te geven.

—Doch zie, ’t bleek alweer dat men de woorden van een patiënt die wat bang voor vriend Hein is, niet al te letterlijk moest opvatten, en, dat de later uitgestrooide praatjes eenvoudig Kippelaanspraatjes zijn geweest. Althans nadat Kartenglimp mevrouw Helmond en den generaal begroet en naar de gezondheid van juffrouw Van Barneveld heeft gevraagd, drukt hij zijn dokter met warmte de hand. Met een klein excuus over “dat telegrafeeren”, ’tgeen hij zegt volkomen juist door dokter te zijn opgevat en beantwoord—buigt hij nogmaals voor Eva, en terwijl hij haar, na een sierlijke geste, met de zeer belangrijke lotsverwisseling van harte gelukwenscht—iets, waarin hij vroeger door zijn ziekte is verhinderd geworden, en waarmee hij nu gemeend heeft te moeten wachten totdat de familie geheel op orde zou zijn—neemt hij toch alvast met veel genoegen deze bijzondere gelegenheid te baat, om zich ook in mevrouw Helmonds vriendschap ten zeerste aan te bevelen.

Dat klonk heel anders dan Helmond verwacht heeft. Niet, dat al de mooie woorden van den majoor bij hem alsbewijzenvan hartelijke belangstelling golden, terwijl Kartenglimps persoonlijkheid hem nooit bijzonder heeft aangetrokken, zoo kon het hem toch niet anders dan aangenaam zijn te mogen bemerken dat Kartenglimp niets tegen hem had, en, wat men van zijn grieven verhaalde, slechts uitstrooisels zijn geweest.

Nu de majoor zijn excusen heeft gemaakt dat dit eerste bezoek een avondbezoek is, waarvoor hij echter verschoonende redenen bijbrengt, wordt de ontmoeting in het Hoenderveldsche bosch als de aanleiding er toe herdacht. De majoor beweert dat het waarlijk origineel is dat het vallen van een dooden tak moest meewerken om hem een lang verzuimden plicht te doen herstellen—althans voor zooveel dit mogelijk was—want ja, “ja waarlijk generaal,” zoo besloot hij: “’t was mijn plicht als oud-militair om het eerst bij u mijn opwachting te maken.

Van Barneveld beantwoordde deze herhaling van Kartenglimps beleefdheid met een welwillende geste, en wilde juist vragen of de majoor inderdaadgoedhad gezien dat een kraai, telkens het nest van den lijster voorbijscherend, een sterken vleugelslag aan den wakkeren verdediger gaf, waardoor in ’t eind het doode stuk tak moest zijn afgebroken; toen Eva, zich over het theeblad vooroverbuigend, zacht maar toch goed verstaanbaar de vraag tot hem richtte: of oom verlangde dat ze ook nu—met het bezoek van.... mijnheer!—maar alleen van degoedkoopethee zou gebruiken?

Van Barneveld schijnt haar niet te verstaan, althans zonder te antwoorden wendt hij zich met zijn vraag—welke hem echter eensklaps geheel onverschillig is geworden—tot den majoor. Deze heeft met een oogopslag een zeer verschillende uitdrukking op de drie aangezichten gelezen, en tevens bemerkt dat Helmond, die zeer nabij zijn vrouw was gezeten, haar snel maar zacht met de knie heeft aangestooten.

“Jawel je excellentie, ik heb dat zeer goed gezien. Door het breken van den tak—zooals wij zagen juist een paar vingerbreedvóór het nest—is de kraai zeer verschrikt weggevlogen, en niet teruggekomen, tenminste zoolang wij er waren.”

“Ahzoo, ja juist; ’t deed me plezier dat het nest niet mee naar omlaag kwam;” zegt de generaal, en kan zich niet weerhouden om tegelijkertijd een zijdelingschen blik op Eva te werpen.

“Zeker generaal, recht gelukkig!” zegt Kartenglimp, en dan, zich tot Eva wendend, terwijl hij zijn donkere oogen slechts bij tusschenpoozen op haar bekoorlijke trekken gevestigd houdt:

“De eerste maal dat ik u vluchtig mocht ontmoeten, waart u zeer ongesteld mevrouw. Zeker had de Haagsche lucht u geen goed gedaan. Er is, als ik ’t zeggen mag, bepaald eenige sympathie tusschen ons: die kille temperatuur in den Haag was mij—vooral omdat ik uit Indië kwam—mede zeer onaangenaam, en, dat wij beiden onze spoedige herstelling aan denzelfden vriend te danken hebben, nietwaar....?”

“Dan toch altijd naast God,” zegt Van Barneveld, die in geen stemming verkeert om “menschenvergoding” te dulden, en nog twee malen als tersluiks een blik langs de groote moderateurlamp op Eva geworpen heeft.

“Natuurlijk, natuurlijk je excellentie, we erkennen dat stilzwijgend.—En wat ziet mevrouw er geheel anders uit dan toen. Dat was in Maart als ik me niet bedrieg. Men scheen destijds eenigszins bevreesd te zijn..... nietwaar? Tenminste onze goede vriend Donerie sprak er, indien ik mij wel herinner, met de meeste belangstelling over. Ja waarlijk, ik moet zeggen, dokter heeft er alle eer van.... althansnaast God.”

De laatste woorden klonken den generaal, uit dien mond, zeer zonderling gemaakt in de ooren.

Helmond zegt dat Eva inderdaad tegenwoordig gezonder is dan ooit, en te hopen dat het doktersvrouwtje een uithangbord voor de affaire zal blijven.

De majoor merkt met bescheidenheid aan dat dit beeld van den dokter, voor zijn jonge vrouw niet al te flatteus is; maar hij gelooft niet dat dokter Helmond inderdaad een zoo schitterend uithangbord zal behoeven; men beweert immers met recht dat het den neef van den generaal Van Barneveld niet zoo bijzonder ernst met een al te uitgebreide praktijk kan wezen; zijn jonge vrouw en de geëerde familie vanDe Zonsbergzouden daar zeker nog al op tegen hebben.

“In ’t geheel niet!” zegt Van Barneveld snel en met klem: “Het kan de vrouw en de familie van mijn neef niet anders dan aangenaam wezen wanneer de zieken die er zijn en geneeskundige hulp verlangen, hem, zooveel mogelijk, hun vertrouwen schenken. De schoorsteen zal ervan moeten rooken.”

De majoor Kartenglimp lacht bescheiden met ongeloovig ophalen der wenkbrauwen; en, heeft hij al straks bemerkt dat de jonge vrouw den blik van haar oom zocht te ontwijken, nu zag hij bij diens laatste woorden een donkere blos haar gelaat overtrekken.

Helmond weet met tact het gesprek een andere wending tegeven. Zelfs Eva, door de spraakzaamheid van den galanten majoor daartoe uitgelokt, mengt er zich een enkele maal in, en was op het punt haar bittere grieven te vergeten—want de “hatelijke woorden” van Helmonds pleegvader en “de verregaande schrielheid van dien nabob in zijn somber paleis” hebben haar als een doorn in het hart gestoken—toen Kartenglimp de eenvoudige vraag tot haar richtte: of zij zich in haar nieuwe woning reeds wat thuis gevoelde.

Eva aarzelde een oogenblik, maar toen, bemerkend dat Helmond het antwoord wilde geven, zegt ze snel met kwalijk verborgen wrevel:

“Ik zou onoprecht zijn majoor, wanneer ik zei dat het huis mij bevalt. ’t Is er somber en gedrukt. Aan de voorzij zit men achter een dijk, en aan de.....”

“Ja, aan de straatzijde valt zeker niet veel te zien;” zegt Kartenglimp hoofdknikkend.

“Maar we zien er elkaar, niewaar wijfjelief?” valt Helmond in: “en dat is ons ’t voornaamste. Aan een huis moet men wennen evenals aan een nieuw kleedingstuk.”

“Als het kleed niet past August, dan zendt men het terug.”

Kartenglimp geeft hoofdknikkend het teeken dat hij de opmerking der jonge mevrouw zeer ad-rem vindt.

“Men had al gezegd dat u de woning aan den wal zoudt verlaten om het leegstaande huis op de markt ervoor in plaats te nemen. Ik geloof generaal, dat de jonge mevrouw in het zoogenaamde oud-burgemeestershuis meer haar aisances zou gevonden hebben.—Nog altijd te koop je excellentie.”

Op Eva’s gelaat was—voor wie in haar ziel had gelezen—een oogenblik van triumf te bespeuren.

Van Barneveld die bij het hooren van den majoor, telkens sterker den tegenzin voelde herleven, welke vroeger door dat brutale donkere oog en de vreemde plooi om dien mond bij hem was opgewekt, meende, ondanks den strijd, dien hij inwendig moest voeren, dat het zijn plicht was om vis-à-vis dien man door geen enkel woord meer te verraden dat de harmonie tusschen hem en de jonge echtgenooten nog iets te wenschen overliet.

“Ja juist majoor, dat huis is nog te koop, maar ik geloof niet dat mijn neef er plan op heeft. Is ’t wel August?”

Nadat Helmond ontkend, en Kartonglimp Eva’s vraag betreffende zijn verkiezing van suiker en melk in de thee met een bijzondere hoffelijkheid heeft beantwoord—waarbij hij haar voor ’t eerst rechtstreeks in de schoone oogen zag; na een snellen blik dien de generaal zijn neef heeft toegeworpen en waarmee hij dien bezoeker als geenszins van zijn gading, zocht te teekenen, zegt Eva tamelijk zacht maar toch met nadruk:

“U gebruikt zekergeensuiker in de thee.... oom?”

Kartenglimps oogen waren naar het fraai gestukadoorde plafond gekeerd, maar toch heeft hij op het hooge voorhoofd van den oom een trilling gezien als die van den effen vloed, wanneer een geworpensteen hem beroert, terwijl hem evenmin de half angstige half verwijtende blik van den jongen man is ontgaan, de blik waarmee hij als ’t ware zijn Eva smeekte om toch niet roekeloos vonken naar buskruit te werpen.

“Maar ik begrijp volstrekt niet tante, waarom ik niet naar beneden zou gaan; we weten nu immers dat het August en Eva zijn die zich lieten aandienen,” zegt Jacoba terwijl ze mevrouw Mansburg met haar zachte oogen vriendelijk aanziet: “Wat zou mij nu meer goed kunnen doen dan eens met mijn besten August te praten, al moet ik hem ook beknorren dat hij de geheele week nog niet naar mij omzag.”

“Papa vindt het beter dat je alle mogelijke drukte vermijdt Coba, je weet het, en daarom....”

“Als papa geweten had wie het waren, die door Hendrik werden binnengelaten, dan had hij mij zeker niet verzocht naar boven te gaan.”

“Ik geloof het wel Coba; maar we zitten hier immers ook heel prettig en gezellig op je lieve kamer. Tante zal heel graag bij je blijven.”

—O die vermoeiende goedheid! zucht Coba bij zich zelve. Ja, tante Hermine is inderdaad een voorbeeld van deelnemende liefde; maar deelneming kan ook zoo bitter drukkend worden, en inzonderheid wanneer men telkens middelen ter genezing komt aanwenden, terwijl de wonde niet meer te heelen is.

—Neen, de wonde aan het hart is niet meer te heelen; maar Gode zij dank, indien men haar nu rustig liet, en niet zoo telkens pijnigde door haar aan zich zelve te herinneren, en af te houden van hen, die haar nog lief zijn op de wereld, ja, dan gevoelt ze wel dat het zwakke lichaam langzamerhand zijn vroegere veerkracht zal hernemen, en dat ze weer zal kunnen leven, geheel en al, voor den beminden vader. O voorzeker, nu God zelf met den dood is tusschenbeiden getreden, nu moest ze het wel verstaan dat ze een dwaas, misschien een zondig kind is geweest. Het voegt immers een meisje niet om in stilte lief te hebben; om in stilte te wenschen—te bidden aan God misschien—dat de edele jongeling haar zal kiezen tot de gezellin van zijn leven....? Maar immers nooit, neen nooit, door woord noch blik, heeft zij verraden wat daar woelde en soms zoo pijnlijk brandde in de borst. God is haar getuige hoe zij fel heeft gestreden, en reeds den strijd had gewonnen; hoe ze Herman Donerie in ’t eind heeft beschouwd als een vriend, en de tijd reeds gekomen was dat ze hem naderen zag en gaan, niet slechts met een kalmen blik, maar ook met een rustig hart.

—Toen is de dreigende wolk komen opzetten.

—Herman Donerie—zoo luidde het—was ongesteld. Ja toch, hij kwam nog les geven; maar hij zag zeer bleek; en toen, toen is hij niet teruggekomen; en, nú eens heeft men gezegd dat hij zeer ziek, en dan weer dat hij geheel beter was. En zij is in een vreemdespanning en tweestrijd geraakt. Somwijlen was het alsof de borst haar te eng werd, alsof hoofd en hart werden saamgenepen.

—Maar Goddank! op dien morgen van regen en storm, toen heeft ze in de kerk toch gehoord dat Donerie’s kracht niet was gebroken. Heerlijke dag van Helmonds trouwverbond: Hermans volle orgeltonen zijn als koele droppelen gevallen op den dorstenden bodem van haar hart. Ja, die dag was haar een dag van zegen: ze kon haar vrienden een blij gelaat toonen.

—Maar ach! kort daarna is hetzeerduister geworden.—En toen; neen ’t is haar niet mogelijk geweest om haar goeden vader, hoe innig lief ze hem had, een blik in haar hart te laten slaan, zelfs niet nu de dood voor altijd een scheiding heeft gemaakt tusschen dien jongen “muziekmeester” en Jacoba Van Barneveld. Immers het geringste woord van verwijt of zelfs een enkele uitdrukking in tegenspraak met de stille vereering, die zij den geliefden doode bleef toewijden, zou haar een wreede dolksteek zijn geweest, en had een scheidsmuur kunnen opwerpen tusschen haar en den lieven, haar zoo innig dierbaren vader.

En, als ze dan zelfs aan dien beminden grijsaard de oorzaak van haar zenuwlijden niet openbaren kan, hoe zal ze dan tot iemand anders—bijvoorbeeld tot een tante Hermine—daarover spreken! Maar dit laatste is haar ook geen oogenblik met ernst in de gedachte gekomen. Wat ze gewenscht en gedroomd heeft met een schuldeloos hart, zij zal het met zich nemen in het zwijgende graf. Neen, zelfs August, voor wien ze in die dagen van hevige spanning, bijna haar hart had uitgestort, of die, zoo Herman nog langer met den dood had moeten worstelen, de waarheid wel in haar oog zou hebben gelezen, ook hij zal nimmer vernemen wat haar heeft beroerd. Maar tóch, ze zou hem nu zoo graag eens spreken, haar lieven broeder!

“Ben ie nu weer verdrietig goede Coba, omdat ik je tot je bestwil raad, geheel in overeenstemming met je pa? Jawel, ik zie het aan je oogen, je bent er verdrietig om.”

“Wel mogelijk tante, maar ofschoon ik herhaal dat ik ’t veel beter voor mij zou vinden, indien ik nu bijvoorbeeld beneden kon wezen, zoo moet ik mij onderwerpen. ’t Is vreemd dat pa het zoo geheel met u eens is.”

“Nee, niet vreemd Coba, in ’t geheel niet....”

“En waarom dan toch tante?”

“Waarom....? Wel lieve kind, weet je dan niet dat je na dien schrik—nee nee, ik spreek er niet van, ik wil alleen maar zeggen dat menheer Van Hake toen al dadelijk rust en vermijding van alle drukte heeft aanbevolen. Helmonds vrouw is bijzonder levendig, en je zoudt zeker een slechten nacht hebben indien je zoo van allerlei moest hooren, en over alles zoudt meespreken misschien.”

Jacoba antwoord niet meer.

Tante Hermine is er blij om. Op uitdrukkelijk verlangen van broeder Alexander, mag zij zelfs in de verste verte niet laten doorschemeren dat men de allerdroevigste oorzaak van Coba’s toestand heeft ontdekt. ’t Zou voor het arme kind, dat zich tot zelfs op dendag van Helmonds huwelijk zoo boven alle beschrijving krachtig heeft gehouden, misschien de noodlottigste gevolgen kunnen hebben. De zwaarste strijd was nu zonder twijfel gestreden. ’t Zal haar triumf wezen dat ze geheel alleen haar smart heeft gedragen, en, moest men dus alles in ’t werk stellen om te voorkomen dat de wond, die vermoedelijk reeds aan ’t heelen was, telkens weer door een vertrouwelijken omgang met den vriend werd opengereten; in geen geval moest men die wonde nog geweldiger aandoen door Coba te toonen, dat het bitter geheim van haar schuldeloos hart geen geheim was gebleven.

Met zulke overleggingen uit een valsch vermoeden ontstaan, moest Coba’s zwijgen der goede dame wel genoegen doen.

—Het lieve kind gevoelt in stilte dat we haar ten beste raden, denkt ze, terwijl ze Coba vriendelijk toeknikt, om vervolgens alvorens de honderd en elfde rozet van haar sprei-deken te haken, een streng katoen, die erg in de war zat, te gaan afhaspelen.... Heel “prettig en gezellig” voor Coba.

Jacoba zweeg; de herinnering aan dien “schrik” heeft haar feller getroffen dan zij ’t zich zelve bekennen wil. Ja, dat was het laatste geweest; een schrikkelijk einde. Nóg ziet ze hem daar van verre; de zwarte krulharen woest golvend om dat doodsbleek gelaat; de holle van koortsgloed vlammende oogen eensklaps strak, angstig strak op haar gericht, terwijl hij met angstige bijna schreiende stem de woorden gilde: “Laat los! hoort ge niet! Zij is de mijne!”

—Dezijne....?

Jacoba voelt een inwendig beven.—Dat is niet goed; dat mag niet! Zij moet en wil immers krachtig zijn. Maar, hoe is dat mogelijk op den duur, wanneer men haar uit kwalijk begrepen voorzorg, niet als vroeger haar natuurlijken vrijen gang laat gaan; indien men haar hier van iedereen, zelfs van den lieven broeder terughoudt om nochtans—o zonderlinge tegenstrijdigheid—haar straks voor te spiegelen dat het leven aan een woelige badplaats haar weldadig zal zijn!

Inweerwil van tantes beweren dat papa het alles zoo goedvindt ja nadrukkelijk verkiest, gelooft Coba dat het inderdaad tante Hermine is die, ofschoon met de beste bedoelingen, haar physiek en moreel te kerkeren zoekt.

In dit oogenblik heeft Coba een onweerstaanbare behoefte om uit dien kerker bevrijd te worden.

En, de goede papa zal er niet tegen zijn.

“De lust om August eens weer te zien tante, bekruipt me zóó sterk dat ik ze beneden nu toch maar eens even verrassen wilde;” zegt Jacoba terwijl ze eensklaps opstaat.

“Jacoba-lief, dat kan niet; heusch dat zou onverstandig wezen;” antwoord mevrouw Mansburg ontsteld.

“Ieder mensch heeft wel eens zijn onverstandige buien tante. Nee, weerhoud mij niet. Mocht het minder goed voor me zijn, welnu dan moet ik er zelve de gevolgen van ondervinden. Maar, geen nood lieve tante.”

De belangstellende dame, die haar nichtje op hartelijken toon tot andere gedachte zoekt te brengen, terwijl ze haar zachtkens met papa’s misnoegen dreigt, vreest reeds dat ze op die wijze niets winnen zal, toen het klinken der huisschel haar eensklaps een krachtiger wapen in handen gaf.

—Nietwaar, dat bezoek van een vreemde zou Jacoba nu wel van besluit doen veranderen?

“Dat is te zeggen tante; als het dan waarlijk beter zal zijn dat ik niet naar binnen ga, dan wilde ik August laten vragen of hij bijmijwil komen. Ik verlang zoo naar August.”

—Arm kind! zucht de oude dame bij zich zelve. Maar nú vooral moet tante zich kranig toonen, en het klinkt schier bevelend:

“Jacoba, je doodelijke bleekheid en je opgewonden stemming ontraden je bepaald om iemand te zien van avond.”

“Maar als ik nu gevoel dat juist een gesprek met August mij weldadig zal wezen, omdat hij mij goeden raad zal geven lieve tante, zoudt u mij dan nog ontraden of verhinderen eenconsult met mijn dokterte nemen?”

Haar dokter! dat arme kind!

“Maar Coba, Alexander..... je pa.... hij zal....”

“U voelt toch wel tante, dat niets ter wereld mijn gestel zoo nadeelig moet zijn als het gemis van mijn vrijheid. Ik heb nu een gevoel alsof ik een onschuldig-gevangene ben.... en dat ú....”

“En dat ik....”

“Nee tante, zoo bedoel ik het niet. U bij een gevangenbewaarder te vergelijken dat zou toch wat al te dwaas en onvriendelijk zijn. Ik weet wel dat u alleen uit belangstellende liefde handelt”—Op zoeten toon: “Maar beste tante, ik wilde August zoo heel heel graag eens even spreken; iets vragen....?”

—Arm, arm kind! denkt de dame. Wat bitter zielelijden moet dat toch wezen! Niet slechts den geliefde gelukkig te weten aan de zij eener andere; maar, nu zoo nabij hem in dezelfde woning te zijn, en hem niet te kunnen zien of spreken; weerhouden te worden door een tante die.... Maar neen, zij is geen gevangenbewaarster, dat is een ondraaglijk denkbeeld! Heeft zij dan geen medelijden met zulk een lief en teeder, maar ongelukkig kind....?

Ofschoon mevrouw Mansburg zelve aan haar broeder den goeden raad—en zonder eenig voorbehoud—heeft gegeven, dat men Coba toch alle gelegenheid zou benemen om August, en vooral afzonderlijk, te ontmoeten, zoo hebben Coba’s laatste woorden een zonderlinge gevoeligheid bij haar opgewekt. Zij,zijwordt beschouwd als een gevangenbewaarster, als iemand met een sleutelbos en handboeien, en dat, ter bewaking—niet van een schuldig wezen, maar van een lieve arme lijderes, wier eenige misdaad het is geweest dat ze heeft bemind zonder wederbemind te worden. Een gevangenbewaarster! nog eens, dat denkbeeld is mevrouw Mansburg onverdraaglijk!

Juist op het oogenblik dat Eva van haar echtgenoot den half angstigen half verwijtenden blik ontving—nadat zij, toegevendaan haar kwade luim, den generaal nogmaals op zoo weinig bedekte wijze deed gevoelen, dat ze hem van schrielheid verdacht, trad mevrouw Mansburg de kamer binnen.—Haar komst geeft een weldadige afleiding. Terwijl Kartenglimp en de jongelieden opstaan om haar te groeten, en Van Barneveld vluchtig den majoor aan zijn zuster voorstelt, vergeet hij—althans voor eenige oogenblikken—de “zonderling kwetsende maar toch waarschijnlijk verkeerd begrepen woorden van dat mooie duiveltje”—zooals hij Eva reeds bij zich zelven heeft genoemd—om aanstonds Hermines komst met Coba’s welstand in verband te brengen, en met inwendige onrust doch schijnbaar kalm te zeggen:

“Toch wél boven, Hermine?”

Mevrouw Mansburg geeft een zeer bevredigend antwoord. Zij heeft neef Helmond iets te vragen.

De vraag werd zacht gedaan.

Om niet onbescheiden te zijn, knoopt Kartenglimp een gesprek met Eva aan, over Parijs en muziek en zang.

Van Barneveld begrijpt niet welk een bijzondere vraag zijn zuster aan Helmond heeft te doen, en terwijl hij zijdelings het oog op haar mond houdt gevestigd, als wilde hij zien wat ze sprak, zegt hij nog eens:

“Is er misschien iets.... dat....?”

“Volstrekt niet Alexander. ’t Geldt mij zelve.” Zij wijst op haar hoofd.

—Hermine zal weer last van hoofdpijn hebben, en geen rust aleer ze met neef de heele apotheek is doorgewandeld, denkt de generaal: à la bonne heure!—Ei zie, daar schijnen nog meer confidenties te moeten plaats hebben.—Helmond zegt dat men hem even zal excuseeren.—Mevrouw Hermine groet het gezelschap—wel wat vreemd, enpassant, meent Van Barneveld—en beiden verlaten de kamer.

De herinnering aan Parijs heeft Eva’s kwade luim in een soort van overmoed doen ontaarden. Nu August de kamer verlaten had, nu was het alsof zij het geschikte oogenblik gekomen zag om den oom—al moest het in presentie van dien vreemde wezen—eens nadrukkelijk te doen gevoelen dat zij als Helmonds vrouw, ja zelfs als de nicht van den generaal Van Barneveld, zich op den duur niet ongestraft zal laten beleedigen.

Bij het luide roemen der genietingen in “die heerlijke stad”, moest het telkens uitkomen dat men dáár zooveel breeder en gezonder opvatting van het leven had dan hier in het “achterlijke Nederland”. ’t Was daar aan alles te zien dat men er het dwaze stelsel niet huldigde: om door ontbering of gemis te leeren waardeeren. Neen, men genoot er wat betamelijk was.Pottersenschrapersvond men dan ook in Parijs, ja zelfs in geheel Frankrijk niet.—Monsieur De Musard had het zelf gezegd: Men leefde er, en liet er leven! De minste werkman dronk er zijn flesch wijn en niemand bespaarde er een vijffrankstuk tot na zijn dood, indien hij er de levenden mee vroolijk kon maken.

Kartenglimp lachte gedurig zeer hoffelijk om de dikwijls niet onaardig klinkende phrasen van het jonge mooie vrouwtje, doch was tevens zoo vrij—met het oog op dien zwijgenden, meestal ernstig voor zich heen zienden generaal—om een paar malen beminnelijk met den vinger te dreigen, en iets van “Hollandsche degelijkheid” of “rijperen leeftijd” in ’t midden te brengen, terwijl hij zelfs ten slotte den generaal met een: “nietwaar je excellentie?” tot de bevestiging zijner meer degelijke gevoelens te bewegen zocht.

“O ja majoor! men kan dat alles uit een zeer verschillend oogpunt beschouwen;” heeft de generaal geantwoord, en de toon, waarop hij dat antwoord gaf, verried niets, of althans zeer weinig van hetgeen er omging in zijne borst. De man met een open rondborstig karakter heeft zeker den zwaarsten strijd om zijn toorn te bedwingen. En nochtans beheerschte Van Barneveld zich op waardige wijze.

Neen, die majoor, wiens gemaakte manieren, wiens vreemde hoffelijkheid en dikwijls zonderling vleiende toon hem hoe langer hoe meer tegenstonden, de man wiens bezoeken opDe Zonsberg niet zullen herhaald worden,—hij zou geen getuige zijn van een scène de famille!

De oude generaal zal de waardigheid van zijn rang tegenover dien inférieur niet te grabbelen gooien, en zelfs in zijn tegenwoordigheid dat dartele kind een vernederende terechtwijzing besparen, hoewel ze die zeer noodzakelijk verdient.

Of Van Barnevelds opstaan, zijn vluchtig rechts en links zien alsof hij iets zocht, en daarop een tamelijk snel verlaten van de kamer, zonder hierover eenige verontschuldiging te hebben gemaakt, alleen op rekening van den inwendigen strijd moesten gesteld worden, of ook dat het lange wegblijven van August nogmaals zijn heimelijke onrust over Jacoba had opgewekt, zeker was het dat Eva, in het heengaan van dien oom, alweder geenszins het bewijs vond dat haar persoon en gezelschap hem zoo bijzonder lief waren, maar wel—en met heimelijk genoegen—dat zij het “inhalige van zijn karakter juist heeft beoordeeld, en dat haar zijdelings afgeschoten pijlen raak zijn geweest”.

Kartenglimp, die in een ondeelbaar oogenblik een flikkering van triumf in dat schoone oog heeft gezien, werpt nog een blik naar de nu weder gesloten deur, en maakt dan op bijzonder hoffelijken toon een half beschuldigende half verschoonende opmerking over het heengaan “der heeren”, maar zegt ten slotte, dat hij zich niet te beklagen heeft zoolang het lief gezelschap van mevrouw Helmond hem voor dat gemis blijft schadeloos stellen.

Eva had er nog niet aan gedacht, dat zij als ’t ware alleen is gelaten om dien vreemden majoor gezelschap te houden. Ze ziet hem na zijne vleiende woorden vluchtig doch met zekeren weerzin aan.

Straks heeft ze dien man een enkele maal gebruikt als.... den telegraafdraad, waarlangs men zijn gedachten aan het bedoelde adres zendt, als den biljartband, om van terzij een carambole te kunnen maken. Maar nu, nú heeft hij uitgediend! Zijn hoffelijkheid op diengemaakt fatsoenlijken toon, stuit haar tegen de borst. Ofschoon zij het heengaan van den oom—ook met het oog op dien vreemde—lomp en hatelijk vindt, het komt echter niet te pas dat die man er zoo op zinspelen durft; ’t voegt hem niet dat hij August, een der heeren noemt die het aan háár overlaten, om hem—dien man—“met haar lief gezelschap voor dat gemis schadeloos te stellen”.—Wat verbeeldt zich die oude dwaas! En mijnheer Van Barneveld? Denkt hij misschien dat Helmonds vrouw, omdat ze aanstonds toegaf en zich gewillig voor het theeblad plaatste, dat ze hier juffrouw van gezelschap of huishoudster is geworden?

Indien de heele familie, uit welke oorzaak dan ook, er geen bezwaar in ziet om de kamer te verlaten, en mijnheer Van Barneveld het zelfs niet noodzakelijk acht in ’t gezelschap van menschen te blijven, die hem bezoeken, dan voelt Eva zich wel ’t allerminst geroepen om de honneurs van zijn huis waar te nemen, en zal die majoor haar althans geen beletsel zijn om mede heen te gaan wanneer zij zulks verkiest.

“Oom begrijpt zeker niet waar Helmond blijft,” zegt ze snel, en dan, opstaande: “Ik vrees dat mijn nichtje weer minder is geworden.—U zult mij permitteeren....?”

Niet zonder verbazing en een vreemde plooi om den mond, ziet nu Kartenglimp die jonge schoone vrouw insgelijks en met haastigen tred de kamer verlaten. Ternauwernood smoort hij een verwensching terwijl hij haar naoogt; doch, niet zoodra is de deur achter haar gesloten en bevindt hij zich in die groote kamer geheel alleen, of hij weerhoudt den vloek niet, die hem op de lippen brandt, en balt hij zijn vuist, en verwenscht bij zich zelven een familie die zich niet ontziet om hem—den majoor Kartenglimp—als een kwajongen te behandelen....als eenniets, als eennul!

Eensklaps—alsof een pijnlijke herinnering hem treft, fronst Kartenglimp de zwartgeverfde wenkbrauwen.—Ja.... indien men had vernomen....? Maar dat is onmogelijk.—Bij die toevallige ontmoeting in ’t bosch is het hem duidelijk gebleken dat ook de generaal met die zaak geheel onbekend was. En,hoekon ’t hem, of iemand anders ook ter oore zijn gekomen! Hebben de vier officieren, die te Soerabaya in de zaak waren betrokken niet hun woord gegeven dat ze zwijgen zouden, en, althans zooveel mogelijk, de zaak geheim te houden of te smoren, indien hij terstond zijn ontslag uit den dienst wilde nemen, naar ’t moederland vertrekken en er zich nimmer in eenige garnizoensplaats vestigen zou? Neen, ’t is niet mogelijk dat die oud-kameraden hun woord hebben gebroken.—Dat zij hem steeds met hun dwazen haat vervolgen, en zelfs nog over den wijden oceaan het oog op hem gevestigd houden, ’t is hem gebleken toen hij te ’sGravenhage vóór zijn vertrek naar Romphuizen, dien scherpen brief ontving, met bevel om zich onmiddellijk uit de residentie te verwijderen, indien hij wenschte dat het voorgevallene onbekend bleef. Maar juist deze bedreiging is hem weder het bewijs geweest dat men, zonder aanleiding van zijn kant, het gegeven woord niet zou breken, en, dewijl hij nu het kleine Romphuizen—waar volstrektgeen garnizoen was—tot zijn vaste woonplaats had gekozen, zoo is er immers van die zijde geen de minste reden tot vrees. Neen, zelfs hier heeft hij uit alle voorzichtigheid de conversatie met den oud-kapitein Armelo maar weinig gezocht, en er tot heden geen werk van gemaakt om den generaal te ontmoeten, ofschoon een verkeer met oud-officieren buiten een garnizoensplaats hem geenszins verboden was.—Verboden! ha! Zal hij zich dan nooit kunnen wreken op dat viertal, op dat ellendig eedgespan? Neen, elke poging ertoe zou slechts uitloopen op zijn eigen vernedering. ’t Ware het zekere middel om hem bekend te doen worden voor de geheele wereld, en zich gebannen te zien uit elken kring waar hij nu zijn genoegen vindt.

En toch, soms kookt en bruist het met geweld in zijn borst, en schept zijn wrekende verbeelding zich een schitterende zegepraal. Dan, dan ziet hij ze ginder.... dáár in een kleine ontredderde boot, meegesleurd door den woest opgezweepten oceaan, kampen met de schuimende golven.

En met den storm van zijn haat stuwt hij het zwakke vaartuig voort, door de felle branding naar gindsche klip, en ha! het stoot er in splinters vaneen, en—vier verminkte lijken, gebeukt tegen de naakte rots, ze worden door ’t schuim bedolven.

Of ook:

Zie, daar ginder snellen ze voort, met opgeblazen moed; ze zullen een vijandelijke benting bestormen. Maar stil, stil! een hinderlaag, kunstig met bamboes en palm en aarde bedekt, ze schuilt daar weg op hun pad als een adder onder ’t gras. En zie, daar stormen ze heen; ze bereiken de plek. Ha! met dreunenden doffen klank storten er vier neder op de spiesen en palissaden, en, gillende kreten stijgen er op uit de diepten waar ’t bloed spat in ’t ronde.

—Doch, wat baat hem zulk een gewaande wraak? Staat hij niet machteloos tegenover hun geweld?

—Maarhier, waar men Kartenglimp slechts kent als den gepensioneerden majoor; waar men hem de eer aan zijn rang is verschuldigd, hier kan en zal hij zich wreken zoo men beleedigen durft!

—Opgestaan, met de linkerhand op den stoelknop gedrukt, balt de majoor nu nogmaals de vuist, en vlamt zijn oog de kamer in ’t rond. Zie, een bijna levensgroot portret van den generaal treft eensklaps zijn blik, en uit den halfdonkeren toon aan den wand ziet het hem met wijd geopende oogen gestreng en onbeweeglijk aan.

Dat oog, zoo doordringend op hem gericht, hij weerstaat het niet. Wanneer zulk een blik hem in de werkelijkheid trof, het zou hem zijn alsof men hem had doorgrond, alsof men hem kende als den man, “onwaardig den degen te dragen, onwaardig zelfs den naam uit te spreken van eenfatsoenlijkevrouw”.

—Maar dat is gelogen! Indien er werkelijk vrouwen zijn die zulk een schoonen naam verdienen, die eerzamen, ze hebben zich nooit over hem te beklagen gehad. En wat het eerste betreft, heeft hij dan in den Bandjermassinschen krijg den dood niet onder de oogen gezien? ’t is waar, steeds goed gedekt, met de rumflesch terzij ende zweetdroppels op het aangezicht, maar “’t gaat er immers duizenden zóó”!—Wie wil sterven!? Niemand! De krankzinnige alleen, omdat hij.... krankzinnig is; of de grijsaard misschien omdat zijn levenslust vervloog en hij niet meer genieten kan.

—Maar hij—Kartenglimp—hij wil leven en genieten zoolang het hem mogelijk is. En daarom ook, ofschoon dokter Helmond zijn wrok heeft gewekt, hij zal hem nu te vriend houden. Immers dat niet terugkomen na het ontvangen van het telegram, ’t heeft juist bij de uitkomst bewezen hoe goed hij zijn gestel reeds kende, en dat hij een uitmuntend dokter is.—Ja hij, wil leven en genieten!—De ontdekking dat er door zijn verre vijanden geen scheidsmuur was geworpen tusschen hém en dien vermogenden luitenant-generaal; de zekerheid dat hij nu welwillend opDe Zonsbergzou worden ontvangen; de hoop in ’t eind dat men hem in dien kring zou waardeeren en trekken; dat hij er dikwijls de schoone doktersvrouw ontmoeten, en met de jonge teedere erfgename op een goeden voet zal komen, dat alles heeft hem met zonderlingen glans in ’t oog geblonken. Ha, nu zou hij voortaan den rechten toon wel treffen. Ofschoon nog jong van hart en van kracht, men werd toch wat kalmer met de jaren. Welzeker, dieZonsbergzou voor hem een bron worden van genot, en de vriendschap van den generaal wel mogelijk meteen het bolwerk tegen “valsche geruchten”.

Schuin terzij ziende, ontmoet Kartenglimp nu nogmaals dien strengen blik aan den wand.

—En moet die blik nu de bevestiging zijn dat hij heeft misgerekend; de bevestiging van ’tgeen hij inderdaad inweerwil van zijn gekoesterde verwachting, sedert het eerste oogenblik zijner komst in dit sombere vertrek, als onwillekeurig gevoelde, namelijk: dat zijn bezoek een onwelkom bezoek, en zijn hoop op de vriendschap in dit huis een illusie was?

—’t Zij zoo; de tijd moet het leeren; men kan zich bedriegen; maar, indien dát waar is, dan—en een zware vervloeking knoerpt er tusschen zijn blank gebit—dan, ja, dan heeft de duivel reeds zelf voor brandstof gezorgd.—De wauwelaar van het stadje had ditmaal toch waarheid gesproken. Kartenglimp heeft het nu zelf gezien: het vuur ligt te smeulen; soms spat het al vonken, en—langs de palm van zijn hand behoeft hij onbespied slechts zachtkens te blazen om den breeden vuurstroom te doen opgaan. Ha, dat zou een lust zijn om te aanschouwen; en in ’t eind zal hij van verre zich zelf nog kunnen koesteren aan den fellen gloed! Ha!

Kartenglimp schrikt.—Eensklaps werd de deur geopend en de vrouw aan wie hij daar juist heeft gedacht, trad onverzeld de kamer weer binnen.

Straks in de marmeren gang gekomen, heeft Eva—die zich in de woning van haar nieuwen oom nog op vreemd terrein bevond—inderdaad niet geweten waarheen ze zich begeven zou. Ze heeft rechts en links gezien, even aan de trap geluisterd, in de hoop dat August komen mocht, en, terwijl ze nog luisterend op het koele marmer staarde, is het haar eensklaps geworden alsof een loodendruk, een pijnlijk vuur haar van den boezem werd weggenomen. Ook nu heeft het betere in haar gesproken, ofschoon met zachte zoet-vleiende stem.—Zij is te ver gegaan!—Ja, maar veinzen dát kon ze ook niet, en dáárom heeft ze den oom moeten toonen wie hij aan Eva hebben zou en hoe ze hem beoordeelt. Doch wanneer zijn plotseling heengaan, en zonder dat hij een enkel woord heeft gesproken, dan eens het bewijs mocht zijn dat ze haar doel had getroffen; wanneer de rijke oom nu inderdaad gevoeld heeft wat hij aan den geliefden neef is verschuldigd, en hoe de aangenomen houding tegenover Helmonds jonge vrouw hun aller leven niet anders dan verbitteren kon;indienhet dan waar is dat hij door haar “overtuigende redenen” reeds zoo spoedig tot een mildere zienswijze geraakte, dan moest zij bij kalmer beschouwing wel leed gevoelen dat ze zich zoo weinig beheerschte. In tegenwoordigheid vaneen vreemde, vierde ze immers haar onwil den vrijen teugel; in het bijzijn van hem, die met zijn vorschend oog ongetwijfeld geheel haar toeleg doorzag, heeft ze Helmonds oom moedwillig vernederd.

Een vuurrood bedekte Eva’s gelaat.—Zij is te ver gegaan, veel te ver! Wát er mag wezen, de generaal Van Barneveld is ookhaaroom.—En zal nu die vreemde—gekrenkt, dewijl men hem geheel alleen heeft gelaten—met den ontvangen indruk van hier gaan, om naar goedvinden te verhalen van ’tgeen hij ter kwader ure heeft opgevangen? Neen, dat kan en mag niet wezen; de gemaakte indruk moet worden uitgewischt; ze is het verplicht; en bovendien, de eer der familie is ook háár eer. Terug dan Eva, terug naar dien vreemde!


Back to IndexNext