VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Slechts met haar doel voor oogen bemerkte Eva bij haar binnentreden de plotselinge verwarring niet, die er op Kartenglimps gelaat was te lezen.Alsof ze zich straks inderdaad met het voornemen had verwijderd om aanstonds terug te keeren, begeeft ze zich nu, met den snellen tred die zulks bewijzen moet, naar hare plaats, en ofschoon het haar de grootste moeite kost, vraagt ze tevens beleefd om verschooning dat ze mijnheer een oogenblik heeft alleen gelaten.De overgang zijner zwarte of roodvlammende visioenen tot de onverwachte werkelijkheid van Eva’s verschijning, had Kartenglimp zoodanig verrast dat hij niet aanstonds een antwoord gereed heeft, maar nochtans in hetzelfde oogenblik een zeer sterk sprekenden trek van hoffelijkheid op zijn gelaat kan te voorschijn roepen.En Eva zal nu trachten goed te maken wat ze met het oog op dien vreemde misdeed.Ze zegt te hopen dat mijnheer Kartenglimp de afwezigheid der heeren toch zal ten goede houden.—Neen, er is volstrekt geen gevaar; maar de lichte ongesteldheid van nicht Jacoba maakt oom Van Barneveld dikwijls zeer onrustig. Zeker zou hij echter zoo aanstonds terugkomen. Oom Van Barneveld en zijn dochter—zoo luidde het verder—ze waren met de innigste liefde aan elkander gehecht, en geen wonder, Jacoba was een goed zachtaardig meisje, terwijl oom—men behoefde er Helmond slechts naar te vragen—een door en door rechtschapen en edel mensch was, dien men zeerzeker liefkreeg op den duur.Kartenglimp meende, met een goedwillig lachje, dat het altijd aangenaam was wanneer dieduurniet telang duurde. Er waren ook menschen, die men lief en beminnelijk vond van het eerste oogenblik dat men ze kennen leerde.Juist omdat Eva de bedoeling zijner woorden giste, klonken ze haar in dezen stond zeer onaangenaam. Haar verheffing ten koste van den oom in diensafwezigheid, tooverde haar zijn beeld in waardiger trekken voor den geest dan het er tot nu toe gestaan had. Zonder haar overtuiging geweld aan te doen, voelde zij zich eensklaps gedrongen om den heer vanDe Zonsbergin het schoonste daglicht te plaatsen, en, met den lof van vrienden en vereerders op de lippen, haar geliefden August als ’t ware sprekend in te voeren, terwijl ze met de weinig doordachte verklaring besloot, dat haar schermutselingen met den oom op rekening moesten gesteld worden van haar ondeugende zucht om oude heeren te plagen, waarbij ze dan altijd de slechte gewoonte had om de zaken zoo sterk te kleuren als haar mogelijk was.En mijnheer Kartenglimp begreep dat alles zeer goed, en was uitermate beleefd.’t Is nog luttele minuten geleden dat Eva in de kamer terugkwam, maar ze duurden haar reeds verbazend lang. Nu ze haar schuld had geboet, nu kost het haar groote moeite om het gesprek met dien majoor te vervolgen. Toch zal ze volhouden, al dreigt ook de wrevel haar weer te overweldigen, dewijl de man wiens eer ze nu ophoudt, nog steeds op zich wachten laat.Kartenglimp zoekt naar den juisten toon. Hij wenscht een goeden indruk bij het zonderlinge vrouwtje achter te laten, en, gevoelig voor zijn kleine hoffelijkheden is ze niet, ook dán niet wanneer hij haar buitengewone muziek- en zanggaven roemt, waarvan hij “zoo dikwijls met bewondering hoorde spreken”.—En—naar zijn lof over dokter Helmond hoort ze met zichtbaar welgevallen. Maar zie, een blosje kleurt haar gelaat, nu hij eensklaps, half vragend zegt: dat mijnheer haar vader immers nog een afstammeling is van het oud Hollandsch geslacht der graven Van Armeloo? Hij had tot nog toe verzuimd den kapitein er eens naar te vragen.Ofschoon Eva van die grafelijke familie niets anders wist dan dat ze moest bestaan hebben, zoo was het toch alsof een schok, maar vol zoete bedwelming haar getroffen had. Merkbaar in verwarring,geeft ze ten antwoord dat ze.... ja.... gelooft, maar toch niet zeker durft zeggen;—en ze gevoelt terzelfdertijd den blos steeds hooger stijgen, en ’t wordt alsof vonken vuurs haar uit de oogen spatten. Dewijl verlegenheid bij Eva inderdaad een zeldzaam verschijnsel is, kwelt en drukt ze haar nu te sterker. Ze zou zich onzichtbaar willen maken in dezen stond. Ofschoon ze heimelijk hoopt dat men ’t minder aan haar zal kunnen bespeuren dan zij ’t zelve gevoelt, zoo zoekt ze nochtans naar een middel om zich voor een verdere bespieding te vrijwaren, en, ijlings opstaande wendt ze zich naar een pianino, die op eenigen afstand schuin achter haar staat.Straks, terloops over muziek sprekend, had Kartenglimp gevraagd, of dat stuk een Erard was, waarop Eva het antwoord is schuldig gebleven. Nu, in haar verwarring, kwam het haar niet te gezocht voor om fluks het instrument te openen, en, met een blik op het étiquet den naam van den fabrikant te noemen; maar ook, ze gevoelt zich daarna nog te weinig hersteld om nu reeds voor ’t oog van dien man in ’t volle licht terug te keeren, zoodat ze haar toevlucht neemt tot het aanslaan van eenige zeer krachtige accoorden, de introductie van een lied, waaraan ze vluchtig was herinnerd door het vignet van een muziekstuk dat op de piano lag.Fiks! het aanslaan van die accoorden doet reeds goed.Zoo aanstonds zal hij niets meer aan haar bemerken.—Hier begint het lied.—Dat lied tezingen.... voor dien vreemde! Ze zal wel wijzer wezen. Toch kan ze nog even voortspelen; de melodie met de rechterhand.—Forto:“Ach lieber Gott, mein krankes HerzWird brechen bald vom Liebesschmerz.”—Maar straks, ja dan moet zij van dien vreemde méér vernemen.... De graven Van Armeloo....Van Armeloo! In stilte heeft zij wel eens aan zoo iets gedacht.... Ha! een verarmde tak der graven Van.... Diminuendo:Und bricht es in der tiefen Noth;Schau’ denn mein’ Augen weinens roth,Und tausch’ mich in dein Armen, Tod!“Nicht Eva, wil je alsjeblieft niet meer piano spelen? Je weet dat Coba ongesteld is;” zegt Van Barneveld, die bij het klinken der laatste accoorden in de kamer trad.Ondanks den kalmen toon, waarop de generaal zijn verzoek heeft gedaan, was er toch een bijzondere trilling in zijn stem te bemerken, en spreken zijn oogen het stil verwijt: Als men dan den ouden man niet wil sparen, dan moest men althans zijn lijdend kind ontzien.De majoor, die Eva reeds tot op zeer korten afstand was genaderd, heeft bij het binnenkomen van den generaal, onwillekeurig een schrede zijwaarts teruggedaan. Zich spoedig van zekeren schok herstellend,maakt hij nu een beweging met de hand die moet uitdrukken, dat men—hij en zij—daaraan had moeten denken, maar....!“’t Is mijn gewoonte niet mijnheer,” vervolgt Van Barneveld terwijl hij zich tot den majoor wendt, “om menschen die de beleefdheid hebben mij te bezoeken alleen te laten, de ongesteldheid mijner dochter was er nu de oorzaak van. Om u de waarheid te zeggen, liever had ik dezen avondnietontvangen. U zult me deze openhartigheid ten goede houden.”“O generaal, indien ik had geweten.....”“U kondt dat niet weten majoor. Maar.....” en uit den nadruk, dien Van Barneveld op dit laatste woord heeft gelegd, valt gemakkelijk te besluiten dat hij er zou willen bijvoegen; maar—’t zal mij nú aangenaam zijn indien gijvertrekt.Weinige seconden later heeft Kartenglimp het landhuis verlaten. Na een ongezellige wandeling, waarbij hem gedurig zeer zwarte beelden voor den geest zijn gekomen, terwijl niet zelden een geritsel in ’t akkermaalshout of eenig ander geluid hem tot grooteren spoed heeft aangezet; na dien gejaagden tocht is de majoor eindelijk met zekere verruiming het oude stadje binnengestapt, om al spoedig zijn woning te bereiken waar hij zich op zijn kamer met wat grog zal kalmeeren, en eens geregelder zal kunnen nadenken over......Een “Ha!” op vreemden toon, rolt hem straks van de lippen terwijl hij, geheel in zich zelven gekeerd, juffrouw Ketels ronde dienstbode, kokend water in zijn glas ziet schenken, ’t welk ten halve met rum is gevuld. Een gemeenzame lofrede op den klaargemaakten drank, die de deerne, na dat “ha!” meende verschuldigd te zijn, wordt echter door den majoor met een voor haar zeer ongewone ruwheid beantwoord, want, ofschoon door walmen en roode vlammen heen, ziet Kartenglimp nu slechts de slanke en fiere gestalte der beeldschoone doktersvrouw.En in diezelfde oogenblikken staat Eva Helmond, gereed tot vertrekken, vol ongeduld op haar August te wachten.’t Is haar bekend geworden dat Helmond bij Jacoba is geweest, en dat Coba—wier zenuwgestel immers zoo buitengewoon zwak was—op het hooren van het gespeelde lied, waarvan de tonen, ofschoon door het plafond gedempt, toch duidelijk tot haar kamer zijn doorgedrongen, eensklaps klappertandend en straks ook snakkend naar den adem, in Helmonds armen is neergezegen.Meer weet Eva niet. Doch zij heeft genoeg vernomen. ’t Verwijt heeft haar getroffen dat ze door haaronnadenkendheid—jawel, niets meer en niets minder—het zwakke kind, zoo al niet in levensgevaar gebracht, haar dan toch zeker een gevoeligen schok had gegeven. Oom Van Barneveld meende dat Eva nu wel begrijpen zou, wáárom het ontvangen van menschen hem minder raadzaam voorkwam, terwijl hij haar uitdrukkelijk heeft verzocht, om haar bezoeken liefst niet te herhalen voordat Coba geheel en al hersteld zou zijn.De oude generaal, die straks te laat was gekomen om nog een onderhoud van Coba met August—waarvoor hij gevreesd heeft—te kunnen verhinderen, had zuster Hermines redenen, ofschoon met droevig hoofdschudden, moeten aanhooren, terwijl men reeds zoo spoedig de treurige gevolgen van haar onvoorzichtigheid aanschouwen zou. Maar, nú ook bestond er geen schijn van twijfel meer dat Jacoba inderdaad een andere liefde dan zusterliefde voor haar pleegbroeder koesterde, en dat zijn huwelijk met Eva Armelo haar eendiepewond had geslagen. En Van Barneveld aarzelt niet langer, maar voelt zich krachtig gedrongen om in ’t einde rondborstig met zijn pleegzoon te spreken. Helmond, met de oorzaak van Coba’s zielelijden bekend, zal hem raden en steunen in ’t belang van zijn geliefd kind. Ja, wat zou hij, de oude krijgsman, bij zulk een toestand ook langer alleen staan en schijnbaar zorgeloos zijn, zonder den raad en de medewerking in te roepen van hem, die in deze teedere zaak zoo nauw betrokken is!En terwijl Eva vol ongeduld wacht, staan Van Barneveld en August tegenover elkander op de kamer van den generaal.De laatste woelt met de hand in de witte haren, en herhaalt:“Heeft ze niets....nietsanders gezegd?”“Nee oom! Coba heeft me alleen over dat reisplan gesproken, waarbij ze mij dringend verzocht om u daarvan af te brengen, en ik moest haar toestemmen oom, dat ze evengoed opDe Zonsbergals opDe Godesbergherstellen kan; tenminste....”“Ten minste....? Nu spreek dan Helmond.”“Wanneer oom zoo goed wil zijn te begrijpen, dat tante Hermine het veld voor Jacoba’s dokter moet ruimen.”“Er zijn kwalen Helmond, die een vrouw van jaren misschien eerder en juister zal inzien dan een jong dokter, hoe knap hij ook wezen mag.”Van Barneveld neemt een boek van de tafel, en terwijl hij schijnbaar aandachtig den titel beziet, vervolgt hij: “Coba’s zenuwkwaal moet een geheime oorzaak hebben.”“Dat heb ik sedert lang begrepen oom.”Van Barneveld opziende:“Jij, begrepen? Sedertlang? Sedert wanneer August?”“Het eerst op den avond vóór mijn trouwen oom, toen ik na ons gesprek over Coba haar eens nauwkeurig heb ondervraagd.”—Vóór zijn trouwen! August heeft het dan geweten nog eer hij zich en voor immer aan dat ijdele kind verbond! Hij heeft den oorsprong van Coba’s zielelijden gekend, en is geen stap teruggetreden in ’t belang van háár, die hij altijd zijn lieve zusje heeft genoemd. Eigen zin en hartstocht heeft hij gevolgd zonder te bedenken dat hij zijn weldoener met dien moord aan zijn kind een vreeselijken slag ging toebrengen, vreeselijker nog dan die, waarmee Helmonds jongere broeder hem vroeger getroffen had!De oude generaal heeft weder door het opnemen van het boek een afleiding voor zijn ontroering gezocht. Nu is ’t voorbij.—Ben ik dan kindsch geworden of wel een blind egoist, zoo peinst hijvoort gedurende de luttele seconden, waarin het na Helmonds verklaring stil bleef. Kon ik dan verlangen dat August zijn liefde, zijn hart zou dwingen uit dankbaarheid; ter genezing....!?Wiezou de krankzinnigheid hebben om zoo iets te eischen? Maar zeker, altijd heeft August Jacoba liefgehad; zijn bewijzen van teederheid hebben wortels geschoten in haar schuldeloos hart; en toen, toen is een Delila met haar Sirenenzang gekomen, en ze heeft hembedwelmd, zoodat hij blind voor Coba’s liefde en voortreffelijkheden geworden is. Die vermetele! Smaden en trotseeren durft ze nu nog den grijzen pleegvader, en.... haar triumf op zijn engelachtig kind vol zelfverloochenende liefde, komt ze hier schaamteloos vieren met haar.....vervloekt pianospel!Een oogenblik was Van Barneveld zich zelven geen meester; het boek wierp hij met kracht op de tafel, en een paar woorden, ofschoon bij het uiten gesmoord, ze mengden een verbolgenheid in die anders zoo waardige trekken, waaruit schier haat was te lezen.“Oom, wat deert u?”“Niets August.”—Na een oogenblik van krachtige zelfbeheersching herneemt Van Barneveld, uiterlijk kalm: “Zoo, je hebt dus al vóór je trouwen geweten dat Coba.... méér voor je gevoelde dan....”Een vuurrood vliegt over Helmonds gelaat. Hij moet zich aan de tafel vasthouden, want die schok kwam te onverwacht.—Groote God! is dat de oorzaak van Coba’s lijden! zou het teedere zwakke kind....? Maar neen, door woord noch blik heeft ze hem ooit iets meer gezegd dan ’tgeen ze nog dezen avond, met blijdschap over zijn komst herhaalde: hij was haar lieve broeder—dát, maar ookniets meer.“Oom, ik begrijp niet....? U bedoelt....?”“Ik bedoel August, hetgeen je uit mijn woorden hebt begrepen.—De zaak is van teederen aard. Had ik je niet van jongs af aan mijn zoon genoemd, we stonden zeker niet met zulk een verklaring tegenover elkander. Maar nu, ’t is mij om ’t welzijn, om ’t leven van mijn kind te doen. Ik oude man kan niet langer een rol spelen; mij kwellen met verzinsels en vrouwen-intriges om Coba te vrijwaren voor schokken die haar nadeelig zijn; immers Hermine zelve heeft getoond dat de omstandigheden haar te machtig kunnen worden.—August, mijn openhartig spreken is je een vernieuwd bewijs van mijn achting en vertrouwen.—Je hebt de goede Coba lief..... als een broeder. Zeg me wat wij te doen hebben in haar belang?—August! August!!..... Hoor je me niet?”“Ik hoor u oom.—Maar nee, nee! dát kan niet waar zijn!”“Heb je geen brief ontvangen die, waarschijnlijk na je vertrek in Parijs gekomen, van daar is teruggezonden?”’“Nee oom! van wie?”—Zal mij dan niets gespaard worden, zegt Van Barneveld onhoorbaar. En dan overluid, terwijl hij August het papier toont, ’twelk door midden gescheurd op Coba’s schrijftafel werd gevonden:“Lees!—Ik weet dat mijn pleegzoon ons lief heeft, en zwijgen kan.”En Helmond leest de regels door Jacoba op dien bewogen morgen in vreeselijken angst geschreven.—Met strakken blik blijft hij op het onvoltooide epistel staren. Zou het mogelijk zijn?—Maar, geen enkel woord in dat schrift bevestigt zulk een vermoeden. Wat zegt het anders dan ’tgeen Helmond reeds zelf had doorzien: dat Coba namelijk hem deelgenoot wilde maken van een bitter hartzeer, van een zieleleed ’twelk haar lichaam te sloopen dreigde.Eva Helmond loopt in het groote benedenvertrek vol ongeduld op en neer. Met een smadenden blik beschouwt ze vluchtig het sprekend portret van den generaal, ’twelk met dat doordringende oog op haar neerziet. Eensklaps treedt ze op het schelkoord toe en trekt er met kracht aan.Eenige oogenblikken later verschijnt Hendrik.Eva in een voltaire neergegleden, heeft een achtelooze houding aangenomen en zegt:“Wil je mijnheer roepen. Zeg dat ik klaar ben.”“Mevrouw..... belieft.....?”“Je zoudt dokter zeggen dat ik hem wacht.”Hendrik aarzelt.“Mevrouw zal niet kwalijk nemen, maar dokter is op menheers bureau, en toen ik zooeven met de brieven boven kwam, toen zei mevrouw Mansburg, die juist op den overloop was, dat ik niet zou aankloppen maar de brieven hier brengen. Een is er voor dokter bij. Menheer Van Hake had gezegd dat de besteller hem maar mee zou nemen omdat dokterhierwas.”Hendrik legt een paar brieven bij Van Barnevelds plaats op de tafel.“Geef hier!” zegt Eva met een wenk naar de brieven; en dan, als Hendrik aan het bevel heeft voldaan: “Je hebt gehoord wat ik zei niewaar? Je zoudt dokter waarschuwen dat ik klaar ben.”“Tóch naar boven gaan mevrouw?”“’t Komt me voor dat ik het vrij duidelijk heb gezegd Hendrik!”Hendrik meesmuilt in zich zelven, dat die jonge mevrouw van de kale kapiteinsfamilie, nog meer komplementen op ’r lijf hèt dan al de leden der generaalsfamilie te zamen. Zoo’n kommando heeft ie van juffrouw Coba—die zachte engel!—nog nooit gehad. Maar afijn, als ie tegen de orders van den generaal handelt dan zal hij wetenwie’t hem gelastte.Eva beziet de brieven. De ééne—voor den luitenant-generaal Van Barneveld—interesseert haar volstrekt niet; de andere is aan ’t adres van “monsieur le docteur A. Helmond, hotel du Helder, rue du Helder, Paris.” Hé, dat is aardig! Een stempel van het hotel er op, en dáár afgeschreven: “Ronduyse près de la Haye, Hollande!” Kluchtig!Ronduyseprès de la Haye!—Nu ja, wat wist men in die wereldstad ook van een nest als Romphuizen aan ’t eind der aarde; ’t was al mooi dat ze er een stedeke kenden ’twelk men hier de residentie noemt.—Wat al poststempels! Tweemaal Paris—’s Gravenhage—en Romphuizen—’t Is niet deinhoud van den brief, die haar belangstelling wekt, maar de brief, zooals zij hem daar in handen houdt, heeft voor haar zulk een bijzondere aantrekkelijkheid, omdat hij diezelfde heerlijke reis heeft gemaakt, en hun uit die prachtige stad en uit datzelfde hotel, nog als een groet van verre werd nagezonden. Men had hen dáár niet vergeten. Hém niet: le beau docteur, en zeker ook háár niet:la belle Hollandaise—ha! zoo men het geweten had:née comtesse d’Armeloo!Het beschouwen van den brief met de vele postmerken op de voor- en achterzijde, heeft Eva’s gedachten een weinig afgeleid. Zal ze hem openen?—Man en vrouw zijn immers één.—Bah! nieuwsgierigheid past niet in het kader van een fier en edel karakter.—Ze zou dien briefkunnenlezen, maar ze wil het niet.—Toch zal ze zoo vrij zijn om hem in den zak te steken: mijnheer de generaal behoeft de correspondentie van de familie Helmond niet te controleeren.Weinige minuten, nadat dokter Helmond de hem straks getoonde letteren heeft gelezen, zegt Van Barneveld terwijl hij Helmond met zijn doordringendsten blik beschouwt: “Maar ik herhaal je, dat zulk een vermoeden mij en mijn kind beleedigt.”“Enikbehoef u niet te herhalen oom, dat dit vermoeden zeker nooit in mij zou zijn opgekomen wanneer er voor u of Coba—naar mijn innige overtuiging—iets beleedigends in te vinden ware, want....”“August, ga niet voort. ’t Is volstrekt onnoodig dat mijn pleegzoon zich in deze teedere zaak verontschuldigt. Ik weet te goed wat hij voor Coba geweest is. Maar wáárom zich dan ook te verschuilen achter een vermoeden—bah! alsof Coba zich zóó zou hebben vergeten; alsof ze affecties zou hebben gevoeld voor haar....muziekmeester! Zwijg, dat is beleedigend, zeer!”“Als u mij niet vergunt te spreken dan zal ik zwijgen; maar, u hebt ongelijk.”Van Barneveld loopt met afgewend gelaat de kamer op en neer.Helmond herneemt:“Zelfs met uwe begrippen oom, kan mijn vermoeden noch voor u, noch voor de goede Coba beleedigend wezen. Immers door woord noch blik heeft ze ooit doen gissen wat er omging in haar hart.”“Maar ik zeg je dat er in Coba’s hart niets,niets ter wereldomging voor dien man.... een muziekmeester, die....”“Die een uitnemend mensch was, en—die nú rust in het graf oom.”“Wat beteekent die toon! Dat laatste klinkt als een verwijt. Mij dunkt dat er niemand is die de rust van den doode verstoort dan dokter Helmond alleen. Ik heb dat jonge mensch geacht; hij was bescheiden, had talent; maar, zulk een verhaal—wat kon het anders dan mijn weerzin verwekken!”“Oom ik geloof....”“Je gelooft het ongerijmde. Stil! Ik had je raad gevraagd, maar behoef hem niet meer. ’t Kwam mij niet geheel onnatuurlijk voordat een gevoelig kind zich wat al te zeer aan den zoon van mijn vroeg gestorven krijgsmakker had gehecht; maar, dat die broeder—na misschien wat al te veel haar teederheid te hebben opgewekt, haar nu, en tegenover haar vader, durft verdenken; haar durft betichten van een.... gemeene liaison; dát, zie dat is....”“Maar, bij God....!”“Nog ééns, genoeg August! Ik wil mijn kalmte niet verliezen. Stel je gerust: Jacoba zal genezen ook zonder je meewerking.”“Hoe! zou ik dan niet willen meewerken om Coba....”“Wij zullen in geen herhaling treden Helmond. Ons gesprek heeft me meer gekost dan je vermoedt. Ik wilde....”Er wordt vrij luide op de deur geklopt.“Wie daar?” roept Van Barneveld.Hendrik opent de deur en zegt op den drempel:“Menheer, mevrouw Helmond vraagt of dokter beneden wil komen? Mevrouw was klaar om te vertrekken en kon niet langer wachten.”“Zeg aan mijn vrouw of zij nog even....”“Heeft mevrouw Mansburg je niet gezegd dat ik ongestoord wilde blijven?”“Jawel generaal.”“En tóch durf je hierkomen!”“Mevrouw Helmond gelastte me generaal.”“En heb je niet gezegd dat mijn orders....”“Jawel generaal, dat heb ik duidelijk gezegd, maar de jonge mevrouw zei dat dát er niet op aankwam, en dat ik tóch gaan moest.”Een donkerrood bedekt eensklaps het gelaat van den ouden krijgsman.“Zeg aan mevrouw dat ik zal komen zoodra ik kan;” klinkt Helmonds bevel, en hij geeft een gebiedenden wenk aan Hendrik, die daarop aanstonds vertrekt.“De onbeschaamde feeks!” murmelt Van Barneveld, terwijl hij zijn gelaat naar een andere zij heeft gekeerd en de vuisten krampachtig gesloten houdt.Helmond heeft dat laatste gehoord. Het greep hem in ’t hart. Snel werpt hij een blik naar de deur om zich te overtuigen dat hij zich met den pleegvader alleen bevindt, en dan:“U spreekt vanmijn vrouwoom!”“Ja Helmond, ja!”“Maar gevoelt u niet oom....”“Gevoelen! Ha, dat zal waar zijn, meer dan ik zeggen kan. Bleef ik daarom te midden van ’s-vijands lood in duizend gevaren ongedeerd, om mij ’t leven door een paar wijven te doen vergiftigen!”Helmond, doodsbleek geworden, staart met saamgeperste lippen op den grijsaard, die eveneens strak voor zich heen ziet. Bijna fluisterend met een trillende stem, zegt de eerste terwijl hij met de hand op de tafel geleund zich eenigszins naar de zij van zijn pleegvader vooroverbuigt:“U bedoelt.... toch.... niet.... dat mijn Eva....?”Van Barneveld grijpt den rug van een armstoel vast; blijft strak voor zich heen zien, en geeft geen antwoord.“Het kan u geen ernst wezen oom, dat mijn vrouw waarlijk een hinderpaal zou willen zijn voor uw geluk....?”Van Barneveld blijft zwijgen. Met Gods hulp zal hij verder heerschen “over den boozen geest die hem te vervoeren zoekt”.—Helmond vervolgt:“Al moest het waar zijn wat u ten opzichte van Coba hebtvermoed, is het danEva’s schuld dat ik haar tot vrouw koos, terwijl ik de goede Coba toch nooit met zulk een liefde zou hebben bemind? Maar bovendien, de tijd zal het leeren dat mijn huwelijk met Eva Armelo uw kind geen hartzeer heeft berokkend oom. En dan, wat heeft Eva gedaan dat zij door u een onbeschaamde.... een—o het woord is te bitter—eenwijfwordt genoemd, dat.... u het leven.... te.... vergiftigen zoekt.—Oom, mijn achting, mijn eerbied voor u, ze eischen toch niet dat ik de vrouw mijner liefde onverdiend zal hooren smaden en beleedigen....?”Van Barneveld wendt zijn gelaat langzaam naar Helmonds zijde, en ’t klinkt schijnbaar kalm op diepen toon:“Zal ik mijn pleegzoon verschooning moeten vragen voor de woorden die hem griefden?—Welaan, het zij zoo, op mijn ouden dag wil ik den oorlog niet.—August, ga nu heen, we hebben niets meer te praten;—neen, niets meer, niets!—Groet je vrouw August. Zeg haar dat het beter zal zijn indien we elkaar niet meer—of wil je—slechts zelden ontmoeten. Ik eisch tenminste rust en vrede wanneer ik dan niet oogsten mag waarop mijn hoop was gebouwd: de liefde van hen die ik.... als eigen zoons heb opgevoed.—Ga nu August.... je vrouw wacht je.”Dokter Helmond staat een oogenblik besluiteloos. Op dien toon heeft hij den pleegvader nog nooit gehoord. Er was een weemoed in zijn stem die geweldiger trof dan ooit zijn toorn het gedaan had. August ziet den ouden man in een leunstoel neerzakken. Met den arm op de tafel ondersteunt hij het sneeuwwitte hoofd. Hoe! blinkt daar een traan in het starende oog,—een traan in het oog, ’t welk men voorheen wel eens “des vijands vlucht” of “Neerlands krachtigst wapen” heeft genoemd?Van Barneveld wendt zijn gelaat van Helmond af; maar de pleegzoon heeft den traan gezien. Met bliksemsnelheid vliegt een blonde jeugd en gelukkige jongelingstijd zijn geest voorbij; al wat hij goeds genoot van dien edelen maar gestrengen pleegvader, het staat daar weer levendig voor zijn herinnering. Zijn waardige lessen of kernspreuken, hoezeer ook somwijlen in tegenspraak met een vrijere, mildere—misschien een jongere—wereldbeschouwing, doch altijd getuigend voor zijn edelen aard en onkreukbare trouw, hij hoort ze opnieuw: “Vrees God! Eer den Koning!”—“Heb je vijanden lief, maar verdelg ze die komen om ’t vaderland te belagen, of hém te bestoken die door God tot opperheer werd gezalfd.”—“Zelfs de rijke werke in zijn jeugd opdat hij met zijn rijkdom niet arm zij in den ouderdom.”—“God heeft standen en rangen verordineerd: wie huwt beneden zijn stand verbreekt de ordonnantiën Gods.”—“Wees gestreng maar rechtvaardig; mild voor wie geen handen heeft of opkrukken gaat.”—“Zwijg als uw meerdere spreekt.”—“Buig het hoofd indien de Heer gebiedt.”—“Kruipen doet het laag gedierte.”—”Knielenzult ge voorGod alleen.”En dan, moest in dit oogenblik het woord niet met gloeiende letters voor Augusts oog geschreven staan: “Vergeet de hand niet die u de veldflesch reikte toen ge snaktet naar water”?“Oom!” barst Helmond uit, terwijl hij de hand van den grijsaard vat: “ik bid u, spreek zoo niet. Heb ik u niet lief als een dankbare zoon?”“’t Is wel August, maar ga nu. Waartoe nog meer! Jevrouwwacht beneden.”“Zou een vrouw mij verhinderen om u te zeggen dat ik u als een eigen vader liefheb?”“Men zal de vrouw boven den vader stellen. Ga nu heen August!”“Maar wij beiden zullen u liefhebben oom; zijzalwijs worden; maar wees niet te gestreng tegen haar!?”Van Barneveld ziet hem eensklaps aan alsof hij wil vragen: wasikgestreng tegen háár? Gij die mij kent, hébt gij van dezen avond mijn zelfbeheersching niet gezien?—Maar, zonder spreken ziet hij weer voor zich neer, en dan:“Ik wenschte nu dat je heengingt August; nóg eens, je vrouw staat te wachten.”“Maar Evazalwachten oom! Zonder de zekerheid dat ik nog altijd uw liefde en achting bezit, kan ik niet heengaan. Waardoor heb ik die liefde verbeurd? Waarin heb ik moedwillig uw hoop bedrogen? Als man van eer verzeker ik u dat ik nooit met Coba’s hart heb gespeeld, en zelfs, tot het oogenblik, waarin u mij uw vermoeden meedeeldet, is het denkbeeld aan demogelijkheidniet eens in mij opgekomen. U gelooft mij oom....? U gelooft me, niewaar?”Van Barneveld antwoordt niet; maar juist in dat zwijgen vindt Helmond zijn vrijbrief. Hij vervolgt:“En,moesthet nu al waarheid wezen dat ik geheel ondanks mij zelven aan uw dierbaar kind een dieper gevoel heb ingeboezemd dan we vermoedden, wat ik u bidden mag, laat mijn Eva dan toch buiten die teedere zaak. Immers, toen ik reeds haar jawoord ontvangen had, toen wist ze ternauwernood dat de lieve Coba bestond. En bovendien, haar aard is te edel om gelukkig te kunnen zijn ten koste van een andere. Is zij dan wat veeleischend misschien, bedenk ook dat Eva geen hart zou hebben aangenomen ’t welk haar niet in den uitgestreksten zin alleen toebehoorde. Verdenk dus mijn Eva niet. Maar ook, om mijnentwil vergeef mijn jonge vrouw, die niet in uw goede leerschool werd grootgebracht, wanneer ze eens vergeet....”Eva gekleed met hoed en sjaal heeft de deur van Van Barnevelds kamer geopend, en den drempel overschrijdend, zegt ze nu tamelijk luid:“Ik geloof August, dat alleen dejonge vrouwiets te vergeven heeft, wanneer men haar gedurende een paar urengeheel en al vergeet.”“Eva....!”Van Barneveld heeft eensklaps met vlammenden blik naar Eva omgezien; doch, nu zegt hij bedaard:“August.... je hebt het gehoord.”“Maar ik had met oom te spreken Eva.”“Leert mijnheer Van Barneveld misschien dat men ter wille van zulk een gesprek, eerst zijnjonge vrouwmet een vreemde, en later in holle kamers bij nachtlicht geheel alleen zal laten?”“Eva, ik verzoek je....”“....Te begrijpen August, dat men zulk een les niet opvolgt, en althans niet wanneer de zeer wellevende leermeester, die vrouwde deur heeft gewezen.”Van Barneveld steeds in zijn armstoel gezeten, grijpt een pen, stoot die eenige malen met kracht op de tafel, en dan, als hij haar gansch gespleten wegwerpt zegt hij zacht doch met klem:“August, je kent me: Ga nu heen.”“Oom, ik kan....”Van Barneveld reikt hem van terzij, met afgewend gelaat, de hand, en ’t klinkt weer zacht:“Laat dit eindigen; om Godswil, ga heen!”Eva komt den generaal een schrede nader, en met een stem die bits kon heeten indien ze niet door een natuurlijke welluidendheid werd getemperd, zegt ze:“Ik heb begrepen mijnheer Van Barneveld, dat het eindigen zou nog vóórdat het begonnen was. Dezen avond wilde ik zekerheid hebben, en....”“Eva, kom, wij gaan.... Bedenk tegen wien....”“Ik bedenk dat zeer goed, en wil dien ouden heer ook volstrekt geen kwaad August; ja zelfs ik zal je niet weerhouden hem lief te hebben zooveel je dat kunt. Maar, heb ik zelve nog straks zijn eer tegenover dien vreemde trachten op te houden; nú tegenover hem zelf, en bij ons laatste samenzijn, nuwilik spreken: Ik heb altijd vermoed mijnheer de generaal, dat het zoo eindigen moest, en wel.... omdat mijn karakter nooit sterker in opstand kwam dan wanneer hettrots, gepaard metschrielheid, ontmoette. Mijn ondervinding....”“Eva zwijg!” roept Helmond hevig: “bij God, dat gaat te ver....”De oude generaal heeft nogmaals en krachtig gestreden, maar ook nogmaals—tegenover eenvrouw, zich zelf overwonnen. Nu opgestaan, zich zijwaarts tot Eva keerend, zonder haar echter aan te zien, zegt hij met een zeer merkbaar gekunstelde bedaardheid:“Wil me uw ervaringen sparen mevrouw. Met mijn leeftijd zou ik driemaal uw vader kunnen zijn. Mijn trots en schrielheid....”“Oom ik bid u, zij bedoelde....”“Zij bedoelde mijntrotsenschrielheidAugust, en daarom.... dáárom....” Doch de grijsaard kon niet verder spreken. Zijn lippen trilden; de stem stokte hem in de keel. Helmond greep zijn hand, maar als hij met de andere ijlings een glas water wil inschenken, dan vermant zich de oude krijgsman voor ’t laatst, en zegt op zachtgebiedenden toon, terwijl August Goddank, nog zijn handdruk gevoelen mag:“Laat me.... nu alleen.... of.... of ik vergeet....—Voort Helmond, voort!”En August, wankelend tusschen den verguisden pleegvader en zijn gekrenkte maar onberaden echtgenoote, werpt een gestrengen blik op Eva, en ze vlucht voor dien blik terug naar de deur. En de grijsaard, neervallend in zijn zetel, bedekt met beide handen het gloeiend gelaat, en murmelt met tranen in zijn heesche stem:“O God, dit alles op mijn ouden dag! Heb ik dat aan hen verdiend! Groote God, moest ik dit nog beleven!”ZESTIENDE HOOFDSTUK.’t Was den jongen dokter bij ’t naar huis keeren alsof de starren hem treurig toeriepen dat de zon voor altijd was ondergegaan.—Ach! is dan de vrouw, die daar aan zijn zijde treedt, de schoone zoetgeurende bloem, die hij op zijn pad gedacht heeft te vinden? Is zij de teedere zachte; de stille bescheidene; de tevredene eenswillende de plooiende nederige levensgezellin, die hij voor ’t eerst met een kwijnende plooi om den fijnbesneden mond onder den meidoorn heeft begroet? Hoe! is dan de vrouw, die daar zonder spreken als een donkere massa nevens hem voortgaat, en van wie het hem goeddeed dat zij straks den noode aangeboden arm versmaadde, is zij dezelfde, wier eerste kus hem voor luttele maanden de grootste zaligheid schonk, wier hemelsche oogen hem spraken van een eeuwigdurende liefde; wier mondje hem zoo dikwijls de zoetste woordjes had toegefluisterd en zoo plechtig verzekerd: dat het eenig geluk zou wezen, met en voor hem te leven!—Heeft hij zich dan zóó bedrogen!?—Welk een aard stak er dan in die schoon gevormde vrouw? Ongevoelig en vermetel, jaonbeschaamdheeft ze den edelen pleegvader grofheden gezegd die.... O God, ’t is ongelooflijk dat zóó iets geschieden kon.—Is het wel waarlijk gebeurd? Heeft geen droom hem begoocheld? Neen, het is geen droom.—Daar gaat ze; nu bijna geheel aan de overzij van den straatweg.—Spreekt ze? Neen, ’t Is het fladderen der zijden linten van haar hoed in den avondwind.—Toch meent hij te hooren....?—Neen, spreken doet ze niet. Is het klappertanden....?“Eva!”Geen antwoord.Hij treedt naar den overkant van den weg haar terzij, en dan, na een oogenblik zwijgens:“Wil je me vasthouden Eva?”Nog geen antwoord; maar duidelijk hoort Helmond nu het gerikkel en het geklepper van haar tanden.“Geef me den arm Eva!”“Ik dank je August;” zegt Eva, bijna onhoorbaar, terwijl ze zich geweld doet om het tandengeklapper te bedwingen.“’t Zou toch gemakkelijker voor je zijn; ’t is nog een heele wandeling.”Eva antwoordt niet, maar denkt: En bij dendierbarenpleegvader staan drie paarden op stal, en zit een koetsier te luieren in de keuken!—Die goede pleegzoon! hij wil mij gaarne den arm geven, bevreesd misschien dat mij hier op den weg iets overkomen zal. Geen nood, zoo erg is het niet. Zou het mij bij zijn aanraking niet zijn alsof ik nogmaals den dolksteek zijner oogen gevoelde? Zulk een blik! Op mij.... zijn “liefste”, zijn “eenige”, zijn “geluk voor altoos”. O! mag dankbaarheid dan zóó verblinden? Zou een man die waarachtig zijn grootsten schat vindt in de liefde zijner jonge vrouw, zou hij zich aanstonds zóó kunnen stellen tegenover haar, en aan de zij van een bekrompen autocraat!“Of ik koud ben August? Ja,koud, verschrikkelijk!”“Ik begrijp het Eva, je hebt....”“Ik heb je ijskoude oogen gezien August. Nee, laat me, ik wil alleen gaan.”“Eva, we hebben onlangs van een kind gelezen, dat bij het naderen van een trein op de rails speelde. De vader schoot toe en greep het kind met ijzeren vuist. Het kind schreide want de vader had het zeergedaan.... Maar zeg, die ijzeren vuist getuigde zij voor de liefde van dien vader.... of....?”Eva antwoordde niet.Had dokter Helmond dan vergeten dat hij zijn patiënten gedurende een heete koorts geen versterkende middelen toedient, en heeft hij niet doordacht dat zijn overtuigend woord in deze oogenblikken zou zijn als olie geworpen in het vuur?—Dat gaat te ver, prevelt Eva binnensmonds. Ei!ikben dus het domme onwijze kind dat zelfs niet weet waar het speelt,ik! terwijl inderdaad de hoogwijze echtgenoot, die zoo beschermend de hand naar de onnoozele uitstrekt, met blindheid is geslagen en ten koste zijner jonge vrouw de partij trekt van een schrielen laatdunkenden voogd!Toen dokter Helmond en zijn vrouw waren thuis gekomen, en mevrouw Van Hake nog eens even naar den welstand van juffrouw Van Barneveld kwam vragen, om meteen zoo ongemerkt te zien of ze Eva ook in ’t een of ander behulpzaam kon wezen, toen bespeurde zij al spoedig dat het bezoek opDe Zonsbergde jonge echtgenooten niet vroolijk gestemd had.Zij achtte het echter verstandig daarvan niet te doen blijken; maar, nadat Helmond nog even in de apotheek was gegaan, zocht ze Eva een weinig te verstrooien door haar op vriendelijken toon over een huishoudelijke aangelegenheid te raadplegen, terwijl ze later, alvorens te vertrekken, een schoteltje aardbeien uit een buffetkastjete voorschijn haalde, met verzoek om dokter met deze eerstelingen eens bij ’t souper te verrassen. Mevrouw Van Hake had ze zelve van een tuinman gekregen aan wiens dochtertje zij ’t naaien leerde. Maar Eva mocht daar niets van zeggen.En het betere, het edele in Eva fonkelde nu weder in haar oog, terwijl ze daar peinst:—De arme ziel! Zij die zoo weinig, neen dienietsbezit in de wereld, zij kon wel aanstonds wegschenken ’tgeen men haar uit dankbaarheid heeft aangeboden. En, niet uithaarnaam moet ik ze geven, maar zij wil dat ik ze August zal voorzetten alsof ik zelve bedacht had hem er mee te verrassen.—O! zeker, ’t is een lief en goed mensch die arme vrouw.—Welk een onderscheid met dien nabob vanDe Zonsberg! Uit haar attentie—hoe gering op zich zelve—spreekt liefde voor ons, en hartelijke gulheid.En, bijna overluid zegt Eva, met de oogen in de richting der deur door welke mevrouw Van Hake zooeven de kamer verliet: Goed schepsel, arme sukkel, je had met je ananas-aardbeien op geen beter moment voor den dag kunnen komen. We zijn vriendinnen hoor, vriendinnen voor altijd! En dan, met een blik op de mooie vruchten: Maar mijnheer Helmond zal van avond geen aardbeien eten. Immers, er was reeds verkoeling genoeg!En Eva borg de heerlijke donkerroode vruchten weer in de kleine buffetkast.Weinige oogenblikken later ziet ze luisterend op. Een rijtuig—in den aanvang nog zeer van verre—komt al nader en nader, en doen de huizen der stille Hoenderveldstraat beven en trillen; verschrikt misschien over zulk een onverwacht bezoek in den laten avond.Hoor, het rijtuig houdt voor de achterdeur stil.Eenige minuten later komt Helmond uit de apotheek terug en zegt:“Mijnheer Debecque laat me opDe Poelhalen Eva. Zijn zoon, die voor een paar dagen was thuisgekomen, is ziek geworden.De Poelis drie kwartier rijdens; ’t zal dus laat worden eer ik terug ben. Jij moet maar naar bed gaan Eva.”“O, als je dat liever hebt.....”“Laat opblijven is niet gezond.”“Och, die gezondheid zal wel zoo schrikkelijk zwaar niet meer wegen.”Helmond ziet haar een oogenblik stilzwijgend aan. Nu gaat hij in de gang; maar komt ook spoedig, met zijn overjas aan en tot vertrekken gereed, in de huiskamer terug:“Slaap wel Eva.”—Neen, die koude duldt ze niet langer. Nu ze den geliefde daar gereed ziet om haar voor ’t eerst op zulk een vergevorderd uur, hoewel slechts voor korten tijd te verlaten, nu komt een zekere avond-weekheid—en vooral na een overspanning als die der laatste uren—zich huwen aan haar liefde voor den echtvriend; en dan, ofschoon met groote zelfoverwinning—want dien ijskoudenblik kan ze niet vergeten—zegt ze, terwijl ze op het gereedstaande avondbrood wijst:“Ik zou toch eerst iets eten Helmond.”“Nee..... dankje. Ik heb geen trek Eva.—Ik zeg..... wacht me niet; ’t kan wel één uur worden eer ik terug ben.”“Dan zou ik toch zeker eerst nog iets eten.”—Zij gaat naar het buffetkastje; opent het, en..... neen, ze doet het weer dicht. Maar zie, als Helmond haar straks is genaderd, en haar een zoen ten afscheid zal geven, omdat.... omdat hij het nu voor ’t allereerst toch niet laten wil, zie, dan heeft ze den kleinen schotel met aardbeien reeds in de hand, en zegt ze met bijzonder welluidende stem:“Als je er van deze wat bijnaamt August, hé? Een klein stukje brood?”“Eva.... hadt je die voor mij.... die prachtige aardbeien?”“Nee August, niet ik....”“O, dan heeft oom ze gezonden.—Al gisteren had Coba gezegd....”Eva legt haar vinger op den mond:“Stil, niet te voorbarig August. Mijnheer Van Barneveld is er waarlijk onschuldig aan.—Nee, ze zijn van eenarmeweduwe, die ze uit haar eigen mond voor je spaarde, en, die zelfs wenschte dat ik haarnaamniet zou noemen.”’t Was een prachtige lente-avond of lentenacht; prachtig inzonderheid voor wie, zooals dokter Helmond, zeer gemakkelijk in het grijs damast eener overheerlijke coupee—gevrijwaard voor de kou, die dit jaar zeer lang bleef aanhouden—zachtkens geschommeld, het schoon daarbuiten genieten mocht.De koetspaarden van mijnheer Debecque vlogen over den straatweg; en, door het portierglas heen zag Helmond, hoe de straks gerezen volle maan hen najoeg als op donzen wiek door het grauw azuur, terwijl ze velden en heuvels en bosschen, al dommelend of slapend in breede schaduwen, hier en ginds met haar phantastisch zilverlicht, deeddroomenvan den klaarlichten dag.En zie, nu Helmond reeds lang heeft getuurd naar die zacht glanzende maan, meest in volle klaarheid voortjagend aan den wolkeloozen hemel, maar gedurig ook wegschuilend achter takken en blaadjes, waardoor zij zoo tooverachtig heenblonk alsof ze oude sprookjes vertellen wilde.... zie, nu giet zij eensklaps haar bleeken glans over den zijmuur van een deftig landhuis, terwijl zij het hooge ijzeren hek aan den straatweg met matte blinklichtjes flikkeren doet.Dat isDe Zonsberg.’t Is niet vreemd dat Helmond eensklaps in levendige trekken het beeld van den grijzen pleegvader voor oogen heeft.En weer,—maar sterker dan te voren, komt de vraag hem bestoken: Bezit die waardige grijsaard dan inderdaad de gebreken waarvan Eva hem zoo overmoedig durft betichten? Is hij dan werkelijk trotsch....?—Neen neen, dat kan niet waar zijn.—En toch, sprak hij nietmeermalen dat woord; Er zijn standen en rangen door God verordineerd. Wie huwt buiten zijn stand verbreekt de ordonnantiën Gods!—En wanneer men dan daarmee zijn houding tegenover den armen Philip in verband brengt! ’t Was toch zijn wil geweest dat de vurige knaap, het meisje aan wie hij reeds zijn woord van trouw, en helaas ook het recht op zijn naam had gegeven, dat hij haar dien naam zou onthouden; dat hij haar verstooten zou omdat— omdat er standen zijn.... ha! rangen, hooger en lager, bepaald naar de geboorte der menschen.—O, den man dien men van kind afaan schier als het middelpunt der wereld, als den edelste der menschen, als den weldoener, den steun van zijn leven leerde beschouwen, zulk een ziet men zoo moeielijk anders dan bij den glans der aureole, waarmee wij hem zelf vol geestdrift tooiden. Maar toch, peinst Helmond voort, reeds zoo dikwijls heeft het mij strijd gekost om het denkbeeld te verjagen, dat er inderdaad op den bodem van dat hart een trots zetelt, die slechts op de gelegenheid wacht om zich naar waarheid te toonen.—Zou dan die vrees voor Eva’s zucht naar grootheid, zouden zijn bedenkingen tegen mijn keuze, inderdaad de uitvloeisels van dien trots zijn geweest, ofschoon hij het steeds te verbergen zoekt? Oom is goed voor iedereen, maar zijn toon klinkt meestal gestreng; tegenspraak duldt hij niet, en gemeenzaam met zijn minderen is hij nooit.—En dat andere....? Maar neen, mijn gansche leven, alles wat ik ben, ’t is immers het klinkendst protest tegen zulk een beschuldiging.—Hij, de weldoener, de grootmoedige, die zelfs twee arme knaapjes tot zich nam, hij zou de kiem in het hart dragen van dien wortel van alle kwaad?Helmond weet niet meer waaraan hij later een geruimen tijd heeft gedacht. Onder ’t voortrijden zag hij wel, dat kleine zwarte wolkjes nu en dan de maan hebben befloerst, maar wánneer dat begonnen is.... hij weet het niet. ’t Is aanstonds een heele boel donkerder wanneer zoo’n wolkje de glanzende nachtvorstin in den weg treedt; doch zie, doorschijnender vluchten de laatste vlokjes reeds heen, en voorzeker, wanneer het dan weer helder en licht is—neen, dan komen weer andere veel grootere vlokken en wolken, en, de maan zal ’t verliezen in den kamp, want..... de lucht gaat betrekken.Straks in de lanen van het landgoedDe Poelwas het,—ofschoon geen donkere nacht, toch in geen geval helder.—Mijn Eva ziet scherp en met onbevangen blik, peinst Helmond, terwijl hij in het dommelig zwart voor zich heen staart: Onverstandig, berispelijk zelfs was haar overmoed; maar ongelijk, inderdaad ongelijk heeft ze niet.Aan een kleinen zwaai van het rijtuig en aan het knoerpen der wielen en paardenhoeven in ’t kiezel zand, bespeurt Helmond dat men den oprit vanDe Poelheeft bereikt. Eenige oogenblikken later stapt hij de coupee uit, en treedt de vestibule van het fraaie landhuis binnen.De oude baron Debecque ontvangt den dokter in de vestibule. Men heeft zijn komst met verlangen tegemoet gezien. Eergisteren is Archibald—de voorzoon van mevrouw Debecque, een charmantejongen, die voor zes jaren geheel vrijwillig, maar zeer tegen den zin zijner familie naar de Oost was gegaan,—met overplaatsing bij het leger in Nederland, uit Indië in de ouderlijke woning teruggekomen.“Vandaag,” zoo geeft Debecque eenigszins gejaagd de verdere inlichting: “vandaag, vooral van avond, zag hij vreeselijk bleek; fameuze pijn in de zij; belemmerde ademhaling; koortsig; mama zeer ongerust, natuurlijk!—Vooral niets laten blijken indien er gevaar mocht wezen.—Jawel op die kamer; ga binnen dokter.”Archibald Hardenborg, omtrent zes en twintig jaren oud, had een bijzonder gunstig voorkomen; men kon hem gerust een type van mannelijke schoonheid noemen. Nú, zooals hij daar met de donkerblonde krulharen om het eenigszins bleek gelaat in het kussen neerligt, nu zal men het eerste wel aanstonds toestemmen, doch waarschijnlijk het tweede niet zoo gereedelijk beamen.Helmond groet mevrouw Debecque, die zwijgend een welkomstteeken heeft gegeven, en gaat dan aanstonds naar het ledikant.“Ah zoo, ben je daar menheer Helmond;” zegt de zieke tamelijk snel, ofschoon het te hooren is dat hij moeite heeft om zoo rad te spreken: “Mama’s troetelgodin, de lieve Hollandsche lente, heeft me leelijk in m’n wiek geschoten.—’t Spijt me dat ik je.... derangeeren moet.—Links in de zij, jawel.—Een pols als een gangklok.... Volstrekt geen kwaad bij.... Hoor je wel mama.... ’t is niemendal!”“Wees zoo goed luitenant! u niet te veel met spreken in te spannen, ’t Valt u moeielijk niewaar?”“Als je me nu vroeg om bijvoorbeeld een “Grace” uit de Robert of zoo iets te zingen, dan ja.... ai!.... Nee nee, ’t is zoo erg niet.”“Heb je weer meer pijn?” vraagt de oude baron, en ziet beurtelings zijn zoon en dokter Helmond aan.“Om u de waarheid te zeggen papa, daar hou ik zoo precies geen boek van. ’t Is in alle geval een allemachtig mooie bestiering, dat een patiënt z’n rantsoen pijn niet voor de heele expeditie opeens.... te.... dragen krijgt.”Bij de laatste woorden, half lachend gesproken, bemerkte Helmond opnieuw dat dit schertsend spreken—waarschijnlijk het gevolg van een doorgaans vroolijken aard, en ter geruststelling zijner moeder—den patiënt meer moeite kost dan hij weten wilde. Archibald wendde het gelaat naar de binnenzij van het ledikant, en Helmond vernam voor niemand dan hém verstaanbaar de woorden:“Een pleuris hé? Zeg aan mama dat het niets te beduiden heeft.”Mevrouw Debecque was een eenigszins vreemd, schichtig, lief leelijk mensch van ruim vijftig jaren.Als de echtgenoot van den steeds galanten en doorgaans opgeruimden ouden baron, diezelfeen goed gevormd gelaat had, waarover iets blank-zilverachtigs verspreid lag; als de echtgenoot van zulk een man, moest mevrouw Debecque, op wie haar voor ’t eerst ontmoette, wel een zonderlingen indruk maken.Ofschoon van patricische, maar niet van adellijke afkomst, hadmevrouw Debecque eenzeerburgerlijk voorkomen. Wat echter de minder schoone weduwe van den kapitein Hardenborg, vooral in de oogen van den baron Debecque tot een zeer wenschelijke partij heeft gemaakt, was de omstandigheid dat mevrouw Hardenborg, geboren Rebecca Fontayn, een zeer groot vermogen bezat; en, dewijl de baron na den dood zijner eerste vrouw—die hem een paar huwbare dochters had nagelaten—zich in groote financieele moeielijkheden bevond, zoo was hij verstandig genoeg geweest om te zorgen “dat hij baron kon blijven” ten einde ook aan zijne dochters, namens de tweede mama, een huwelijksgift te kunnen aanbieden, eenigszins geëvenredigd aan haar stand.Nochtans, hoewel Debecque “baron en vader was in de eerste plaats”, en ofschoon hij nog geenszins ongevoelig mocht heeten voor vrouwelijk schoon, hij was te zeeredelman, om zijn woord van trouw aan de weduwe Hardenborg te schenden, of voor haar toenmaals tienjarig zoontje Archibald, liefde te huichelen, indien hij niet werkelijk dat aardige kind als zijn eigen had liefgekregen.Debecque heeft aan zijn tweede vrouw nooit gezegd dat hij haar “vurig beminde” of dat hij haar “schoon vond”, maar somwijlen slechts dat “die beste lieve Archibald, waarlijk wel wat op zijn moeder geleek”.En immers, zoo iets te hooren, het was voor die moeder reeds meer dan zij wenschen kon.Toen Archibald op twintigjarigen leeftijd officier is geworden, toen heeft mevrouw Debecque de zwaarste slag van haar leven getroffen. Met zijn vurigen aard, had haar jongen rust noch duur gekend eer hij den steeds gekoesterden maar lang verzwegen wensch zag vervuld, om als officier naar Oost-Indië te vertrekken, waar, zooals hij zeide, de nikker-populatie tenminste van tijd tot tijd nog zorgde dat een Nederlandsch officier zich leerde herinneren waarvoor hij den degen droeg. Met de vaste belofte “dat hij juffrouw Insulinde ’t vaarwel zou toeroepen als ze hem soms wat al te chaude werd, of wanneer ze een van z’n ledematen als liefdepand zou hebben geëischt; met ernstige beloften, ook van “schrijven” en “niet vergeten” en “niet roekeloos wagen” en “altijd maar denken” enz., is Archibald vertrokken, zonder dat ook de invloed van papa Debecque hem heeft kunnen bewegen om af te zien van den altijd gekoesterden wensch.Met Archibalds vertrek was voor de goede vrouw de zon uit het landschap verdwenen.—Zij is aan ’t sukkelen geraakt, en terwijl haar schoonheid daardoor in geen geval had mogen winnen, ging bovendien het schichtige van haar blik zich steeds sterker in haar handelingen openbaren, zoodat zij zeer menschenschuw en dikwijls uiterst zwaarmoedig en zwaartillend geworden is.Doch, sedert een half jaar, toen men het bericht uit de Oost ontving dat Archibald zou terugkomen, is mevrouw Debecque oneindig veel beter geworden; zij sliep veel geruster en was, voor den gewonen beschouwer, dan ook niets anders dan.... een eenigszins vreemd, schichtig, lief leelijk mensch.En nu, twee dagen na Archibalds blijde tehuiskomst, werd hij eensklaps ziek; o goede God, en erger ziek dan men bekennen wilde, ja, dat zag de moeder zeer duidelijk.Dokter Helmond heeft zijn recept geschreven, en geeft verder den noodigen raad. Opstaande zegt hij nu:“Tot morgen jonker. Zoodra de middelen er zijn, trouw innemen, hoor!”Door den baron vooruitgegaan en op het portaal gekomen, voelt Helmond zich eensklaps aan ’t pand van zijn jas trekken.“Dokter, zeg, verberg mij niets: is hij vergiftigd misschien? Door een wraakzuchtige in Indië.....? O God, dat zou verschrikkelijk wezen! Een langzaam werkend vergif?”“Vergiftigd?” zegt Helmond zonder verbazing, want hij weet wel dat mevrouw Debecque zeer sombere oogenblikken heeft: “Nee waarlijk, daar is geen quaestie van mevrouw.”“Och waarlijk niet dokter! Maar mijn kind is toch ziek, ernstig ziek. Zal hij beter worden,zeker?”“We zullen ons best doen om den luitenant weer heel gauw op de been te helpen. Maar, als u je ongerust maakt, en de luitenant het bemerkt, dát doet kwaad, natuurlijk.”“Och, ongerust ben ik niet....” Zeer zachtjes: “Maar hij is heel rijk; en ik ben er zeker van dat er zijn die loeren op zijn geld; jawel!—U zult de drankjes zelf en alleen klaarmaken?—Nu ik zal niet angstig zijn; maar hij is mijn eenig kind, en mijn voornaamste erfgenaam—Een klein beetje loeren ze wel dokter,—jawel, jawel!”Terwijl de coupee weer voorkomt, wil mijnheer Debecque volstrekt dat Helmond even in de huiskamer een glas wijn zal drinken.Helmond herhaalt op Debecque’s vragen zijn verzekering: dat het met den luitenant, naar hij vast vertrouwt, wel spoedig zal terecht komen; bovendien hij heeft een krachtig gestel en een vroolijke natuur, maar.... men kan een ziekte niet vooruitloopen.“Doe toch wat je kunt dokter,” dringt de baron: “je weet niet hoe blij ik was toen ik Archibald weer behouden thuis zag. Mijn vrouw scheen letterlijk een geheel ander mensch geworden; over niets niemendal hebben we eenige tobberij gehad. Je begrijpt me.—Zie, voor ’t geluk van mijn vrouw moet ik zorgen zooveel ik kan; maar bovendien, ik houd van Archibald, waarachtig! Allercharmantste jongen! In één woord, doe wat je kunt. ’t Rijtuig blijft om zoo te zeggen voor je ingespannen. Zijn twee visites daags niet te veel van je tijd gevergd, maak er drie. Zijn consulten noodig.... beslis en handel.—Nee nee, ’t is maar omdat ik die arme vrouw dat kind zoo duizendmaal gun; en.... zelf, jazelfheb ik veel liefs van hem ondervonden. Onder ons gezegd amice, ’t was al mijn plan om ’t mooi gelegenHoeverszathevoor hem te koopen; ’t ligt vijf minuten van hier en vlak aan den straatweg. Niewaar, als hij zich dan een lief mooi vrouwtje koos, zooals bijvoorbeeld een mevrouwtje Helmond;—ja ja dokter, dat is charmant, charmant! eere hebbeje smaak. Ik zeg, als Archibald zoo nabij ons kwam wonen; natuurlijk den dienst quitteerde, en al vast over een tien duizend jaarlijks te beschikken kreeg, niewaar, dat zou voor z’n moeder en ook voor mij een waar genot, een.... Ah, daar hoor ik het rijtuig.—Nu, zooals gezegd is; we stellen het onbepaaldst vertrouwen in je. Doe voor den vroolijken snaak wat je kunt; spaar niets, en wat het rijtuig betreft, je bestelt maar zelf en disponeert er over,—als ’t noodig is hoe meer hoe liever. Adieu! Wel thuis! Respect aan je mooie vrouwtje met haar schrander oog.—Jan, zeg aan Karel dat hij rijdt als de drommel!”Toen Helmond een klein half uur later, terwijl de maan geheel achter donkere wolken verborgen bleef, het groote hek van het nu gansch weggedommelde landhuisDe Zonsbergvoorbijreed, toen dacht hij niet meer aan den nieuwen patiënt, wiens toestand hem ook inderdaad geen reden tot bezorgdheid gaf, maar, voor zijn geest stond daar opnieuw en altijd weder het beeld van den pleegvader.—Neen, er is geen twijfel meer: ofschoon Eva in eerbied is te kort geschoten, en niet zacht, niet vrouwelijk, in één woord nietgoedheeft gehandeld, zij heeft toch den generaal bij zijn ware namen genoemd, niet verblind, zooals hij, door het altijd hoog opzien tegen dien krachtigen krijgsman met zijn vaste principes, of verweekt misschien door het voeden van een wat al te kinderlijke onderwerping en dankbaarheid. Ja, niet slechts is hij hoogmoedig en trotsch, maarschrieldaarenboven. Helaas! het is niet anders.—Hoe! als men twee kinderenaanneemt, twee arme weezen, zal men dan het recht hebben om één dier kinderen—alleen omdat hij zich tegen onzen wil verzet, of ons een ongepast, een beleedigend woord naar het hoofd werpt, terug te stooten in den poel van armoede en gebrek?—Neen, dat is waarachtigwreed! dat is.... —Maar zacht, heeft oom Van Barneveld dan toch niet dikwijls getoond....?—Helaas! dat bezoek bij de familie Debecque zou zelfs niet noodig zijn geweest om Helmond te overtuigen dat Eva scherper heeft gezien dan hij. Immers, een paar uren geleden hebben Eva en Helmond—het eigen pleegkind met zijn jonge vrouw—dezen zelfden weg tevoetafgelegd—het eind vanDe Zonsbergtot aan Romphuizen! En ginds: In het belang van een stiefzoon, wiens dood den baron Debecque tot universeelen erfgenaam van het kolossaal fortuin zijner vrouw zou maken, daar zal het rijtuig van mijnheer de baron om zoo te zeggen steeds ingespannen voor den dokter gereed blijven. Niets,nietsmoet er ontzien worden. En dan, welk een vertrouwen op Helmondskunde! ’t Is daar geen geringschatting der geneeskunst—ofschoon helaas, de resultaten der wetenschap nog altijd te luttel en onbevredigend zijn.—Zie, men stelt er een onbepaald vertrouwen in hem als dokter, wanneer hij handelen zal in ’t belang van den patiënt. ’t Is daar geen uithooren slechts, om straks eigendunkelijk voort te leven met hypothesen zonder voorafgegane studie en degelijk onderzoek.—Welk een onderscheid!Inderdaad, wanneer de wereld het wist, men zou zich moeten schamen: Een man als Debecque, die toch tweeeigendochters heeft, hij bedoelt het welzijn van zijn stiefzoon alsof het zijn eigen leven gold; hij wenscht hem gelukkig te zien en steeds nauwer aan zich te verbinden. Een heerlijk en kostbaar landgoed wil hij hem koopen; een lief mooi vrouwtje wenscht hij hem toe, zonder zich door de gedachte aan een zeer mogelijke vermeerdering der familie te doen weerhouden. En dan, een jaarlijksche toelage van tien duizend gulden zal hij hem gaarne bij zijn huwelijk verzekeren.—Tien duizend gulden! O Eva, Eva! ’t is hard maar ’t woord moet er uit: Je hebt gelijk, oom is schriel, verfoeielijkschriel! De zeer vermogende generaal geeft aan den bevoorrechten pleegzoon een jaarlijksche toelage van driedui... ho, van driehonderd, zegge: drie-honderdgulden. En dan, goeje hemel! de vreugde over de geboorte van een kind; de blijdschap over ’t huwelijksheil van zijn beminden pleegzoon, zal door den schatrijken oud-generaal worden gevierd met een geschenk van honderd gulden!Honderdgulden! Waarlijk, zulk een vreugd is al te uitbundig!—Ja, Eva had toch gelijk toen ze bij ’t vernemen van die “schitterende toezegging”, half blozend half glimlachend fluisterde, dat Helmond tegen dien tijd wel zorgen mocht een fiksche brandkast in huis te hebben.—En dan, tweehonderd gulden voor een huwelijksreis, die veertien dagen zou duren, terwijl dat geld hem nog bovendien als honorarium voor zijn eerste consult was aangerekend! Tweehonderd gulden, terwijl Eva—niet meegeteld de diamanten, die hij haar op dien laatsten morgen heeft gekocht—bijna zóóveel besteden moest om in de geboorteplaats der mode, een weinig comme il faut voor den dag te komen.’t Zijn droeve oogenblikken in ’t leven wanneer een illusie der kindsheid ons ontvalt, wanneer de vereering voor ouders of opvoeders moet plaats maken voor den onbevangen blik van het rijper verstand, en die edelen—die heiligen misschien—weggerukt van hun verheven voetstuk, daar staan als zeer gewone menschen met hun dwaasheden en gebreken.Toen Helmond thuisgekomen, aan Thomas zijn recepten had gegeven om ze aanstonds klaar te maken, toen zag hij al spoedig Eva’s rijkgelokt hoofdje om den hoek der apotheekdeur verschijnen terwijl haar schoone oogen—en zonder eenige terughouding—hem vriendelijk toelonkten. O welke heerlijke schrandere oogen! Jaschrandereoogen; die oude baron heeft het goed gezegd.En wat moest dokter Helmond dan gevoelen nu hij na een avond als deze, in ’t holle van den nacht van een zieke teruggekeerd, niet zooals voorheen een kil en zwijgend tehuis, maar,indat huis een prachtige jonge vrouw mag vinden, die.... gedurende een paar lange uren heeft gewaakt en gewacht, alleen om hem te toonen hoe oprecht en teer ze hem bemint; die hem straks zachtjes toefluistert dat ze er waarlijk berouw van heeft dien ouden man wat al te openhartig te hebben toegesproken, omdat.... haar lieve August hem immers zooveel dank is verschuldigd!O! en nu hij haar zijden lokken voelt wiegen langs zijn wang, en haar zoetste kus hem weer verrukt, ja, nu beseft hij dat er inderdaad op de gansche wereld toch geen is, die hem meer ter harte gaat dan zijn Eva; dat hij slechts leven moet vóór en mét haar; dat hij desnoods ieders liefde zal kunnen missen indien hij slechts zooals nu, het moede hoofd mag vleien aan hare borst, wanneer hij maar rusten mag in haren arm. En terwijl nu die schoone oogen, ofschoon ze slechts van liefde spreken, hem herinneren aan den stond toen hij voor God en de menschen betuigde dat hij zijn vrouw zou liefhebben als zijn eigen lichaam, met verstand; dat hij niet bitter tegen haar zou wezen, maar haar de eere geven als het zwakkere deel; nu zegt hij al spoedig in den zaligen roes der min, na zoo vele uren van zieleleed:“En zul je mij dien naren zwarten blik dan ook vergeven, en vast hem vergeten mijn beste wijfje?”En Eva zoent haar echtvriend weder, terwijl haar zachte hand hem een haarlok van het voorhoofd strijkt.En hij: “O, ik wist het Eva, en geloof mij dan ook,voortaanzullen weEENzijn zooals het behoort. Immers wij zijn elkaar het allernaaste. Nee Eva, zeker, ik trek geen partij meer voor wie mijn liefste zou durven beleedigen. Ik zie den schoonen kant van haar fiksch karakter, en stel dien in ’t licht alsof het mij zelven gold. Zie, en wij onderwijzen dan elkander; ik leer van mijn vrouwtje om zaken en personen, ofschoon in een liefderijken geest, te beschouwen zooals ze werkelijk zijn, en zij....”Op dit oogenblik was het Eva echter niet mogelijk naar een reeds bekendsermoente luisteren. De bekentenis van haar August was dan ook al te verrassend. Met een schalksch lachje valt ze nu in, terwijl ze zijn baard om haar blanken vinger doet krullen:“Ei! als het je dan heusch ernst is om zaken en personen te beschouwen zooals ze zijn, komaan mijn lief Augustje, beken jij dan eens volmondig, dat deze zeer geroemde huiskamer zóó ongelukkig laag van verdieping en zóó akelig doodsch is, dat de vrouw die er haar lieven man, dag aan dag en soms ’s-avonds laat vol ongeduld zal wachten, zich er suf in kniezen of wel een tering op den hals halen moet!”—Een tering!—Dat woord treft Helmond pijnlijk. Wat heeft hij gevreesd toen hij Eva voor ’t eerst onder den meidoorn ontmoette? Een tering! En—Eva ziet wat bleek. Van ’t late opzitten misschien?“Komaan August, beschouw de kamer dan eens zooals zij waarlijk is, en spreek.”“Nu ja, ik wil niet zeggen Eva....”“Nee nee,volmondig!”“Vroolijk is anders Eva, welzeker.”—Haar teer omhelzend: “’t Wordt nu tijd tenminste dat we een andere kamer gaan opzoeken: ’t sloeg daarbuiten al twee.”En terwijl ze samen naar boven gaan—zoo heel vertrouwelijk, hand in hand—zegt Eva zachtjes langs zijn schouder heen:“Ik las van avond toevallig in ’t Romphuizer blaadje, dat hetoud-burgemeestershuisover drie weken geveild, en acht dagen later publiek zal worden verkocht. Heusch, bij Siebold in deGouden Arend.”
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Slechts met haar doel voor oogen bemerkte Eva bij haar binnentreden de plotselinge verwarring niet, die er op Kartenglimps gelaat was te lezen.Alsof ze zich straks inderdaad met het voornemen had verwijderd om aanstonds terug te keeren, begeeft ze zich nu, met den snellen tred die zulks bewijzen moet, naar hare plaats, en ofschoon het haar de grootste moeite kost, vraagt ze tevens beleefd om verschooning dat ze mijnheer een oogenblik heeft alleen gelaten.De overgang zijner zwarte of roodvlammende visioenen tot de onverwachte werkelijkheid van Eva’s verschijning, had Kartenglimp zoodanig verrast dat hij niet aanstonds een antwoord gereed heeft, maar nochtans in hetzelfde oogenblik een zeer sterk sprekenden trek van hoffelijkheid op zijn gelaat kan te voorschijn roepen.En Eva zal nu trachten goed te maken wat ze met het oog op dien vreemde misdeed.Ze zegt te hopen dat mijnheer Kartenglimp de afwezigheid der heeren toch zal ten goede houden.—Neen, er is volstrekt geen gevaar; maar de lichte ongesteldheid van nicht Jacoba maakt oom Van Barneveld dikwijls zeer onrustig. Zeker zou hij echter zoo aanstonds terugkomen. Oom Van Barneveld en zijn dochter—zoo luidde het verder—ze waren met de innigste liefde aan elkander gehecht, en geen wonder, Jacoba was een goed zachtaardig meisje, terwijl oom—men behoefde er Helmond slechts naar te vragen—een door en door rechtschapen en edel mensch was, dien men zeerzeker liefkreeg op den duur.Kartenglimp meende, met een goedwillig lachje, dat het altijd aangenaam was wanneer dieduurniet telang duurde. Er waren ook menschen, die men lief en beminnelijk vond van het eerste oogenblik dat men ze kennen leerde.Juist omdat Eva de bedoeling zijner woorden giste, klonken ze haar in dezen stond zeer onaangenaam. Haar verheffing ten koste van den oom in diensafwezigheid, tooverde haar zijn beeld in waardiger trekken voor den geest dan het er tot nu toe gestaan had. Zonder haar overtuiging geweld aan te doen, voelde zij zich eensklaps gedrongen om den heer vanDe Zonsbergin het schoonste daglicht te plaatsen, en, met den lof van vrienden en vereerders op de lippen, haar geliefden August als ’t ware sprekend in te voeren, terwijl ze met de weinig doordachte verklaring besloot, dat haar schermutselingen met den oom op rekening moesten gesteld worden van haar ondeugende zucht om oude heeren te plagen, waarbij ze dan altijd de slechte gewoonte had om de zaken zoo sterk te kleuren als haar mogelijk was.En mijnheer Kartenglimp begreep dat alles zeer goed, en was uitermate beleefd.’t Is nog luttele minuten geleden dat Eva in de kamer terugkwam, maar ze duurden haar reeds verbazend lang. Nu ze haar schuld had geboet, nu kost het haar groote moeite om het gesprek met dien majoor te vervolgen. Toch zal ze volhouden, al dreigt ook de wrevel haar weer te overweldigen, dewijl de man wiens eer ze nu ophoudt, nog steeds op zich wachten laat.Kartenglimp zoekt naar den juisten toon. Hij wenscht een goeden indruk bij het zonderlinge vrouwtje achter te laten, en, gevoelig voor zijn kleine hoffelijkheden is ze niet, ook dán niet wanneer hij haar buitengewone muziek- en zanggaven roemt, waarvan hij “zoo dikwijls met bewondering hoorde spreken”.—En—naar zijn lof over dokter Helmond hoort ze met zichtbaar welgevallen. Maar zie, een blosje kleurt haar gelaat, nu hij eensklaps, half vragend zegt: dat mijnheer haar vader immers nog een afstammeling is van het oud Hollandsch geslacht der graven Van Armeloo? Hij had tot nog toe verzuimd den kapitein er eens naar te vragen.Ofschoon Eva van die grafelijke familie niets anders wist dan dat ze moest bestaan hebben, zoo was het toch alsof een schok, maar vol zoete bedwelming haar getroffen had. Merkbaar in verwarring,geeft ze ten antwoord dat ze.... ja.... gelooft, maar toch niet zeker durft zeggen;—en ze gevoelt terzelfdertijd den blos steeds hooger stijgen, en ’t wordt alsof vonken vuurs haar uit de oogen spatten. Dewijl verlegenheid bij Eva inderdaad een zeldzaam verschijnsel is, kwelt en drukt ze haar nu te sterker. Ze zou zich onzichtbaar willen maken in dezen stond. Ofschoon ze heimelijk hoopt dat men ’t minder aan haar zal kunnen bespeuren dan zij ’t zelve gevoelt, zoo zoekt ze nochtans naar een middel om zich voor een verdere bespieding te vrijwaren, en, ijlings opstaande wendt ze zich naar een pianino, die op eenigen afstand schuin achter haar staat.Straks, terloops over muziek sprekend, had Kartenglimp gevraagd, of dat stuk een Erard was, waarop Eva het antwoord is schuldig gebleven. Nu, in haar verwarring, kwam het haar niet te gezocht voor om fluks het instrument te openen, en, met een blik op het étiquet den naam van den fabrikant te noemen; maar ook, ze gevoelt zich daarna nog te weinig hersteld om nu reeds voor ’t oog van dien man in ’t volle licht terug te keeren, zoodat ze haar toevlucht neemt tot het aanslaan van eenige zeer krachtige accoorden, de introductie van een lied, waaraan ze vluchtig was herinnerd door het vignet van een muziekstuk dat op de piano lag.Fiks! het aanslaan van die accoorden doet reeds goed.Zoo aanstonds zal hij niets meer aan haar bemerken.—Hier begint het lied.—Dat lied tezingen.... voor dien vreemde! Ze zal wel wijzer wezen. Toch kan ze nog even voortspelen; de melodie met de rechterhand.—Forto:“Ach lieber Gott, mein krankes HerzWird brechen bald vom Liebesschmerz.”—Maar straks, ja dan moet zij van dien vreemde méér vernemen.... De graven Van Armeloo....Van Armeloo! In stilte heeft zij wel eens aan zoo iets gedacht.... Ha! een verarmde tak der graven Van.... Diminuendo:Und bricht es in der tiefen Noth;Schau’ denn mein’ Augen weinens roth,Und tausch’ mich in dein Armen, Tod!“Nicht Eva, wil je alsjeblieft niet meer piano spelen? Je weet dat Coba ongesteld is;” zegt Van Barneveld, die bij het klinken der laatste accoorden in de kamer trad.Ondanks den kalmen toon, waarop de generaal zijn verzoek heeft gedaan, was er toch een bijzondere trilling in zijn stem te bemerken, en spreken zijn oogen het stil verwijt: Als men dan den ouden man niet wil sparen, dan moest men althans zijn lijdend kind ontzien.De majoor, die Eva reeds tot op zeer korten afstand was genaderd, heeft bij het binnenkomen van den generaal, onwillekeurig een schrede zijwaarts teruggedaan. Zich spoedig van zekeren schok herstellend,maakt hij nu een beweging met de hand die moet uitdrukken, dat men—hij en zij—daaraan had moeten denken, maar....!“’t Is mijn gewoonte niet mijnheer,” vervolgt Van Barneveld terwijl hij zich tot den majoor wendt, “om menschen die de beleefdheid hebben mij te bezoeken alleen te laten, de ongesteldheid mijner dochter was er nu de oorzaak van. Om u de waarheid te zeggen, liever had ik dezen avondnietontvangen. U zult me deze openhartigheid ten goede houden.”“O generaal, indien ik had geweten.....”“U kondt dat niet weten majoor. Maar.....” en uit den nadruk, dien Van Barneveld op dit laatste woord heeft gelegd, valt gemakkelijk te besluiten dat hij er zou willen bijvoegen; maar—’t zal mij nú aangenaam zijn indien gijvertrekt.Weinige seconden later heeft Kartenglimp het landhuis verlaten. Na een ongezellige wandeling, waarbij hem gedurig zeer zwarte beelden voor den geest zijn gekomen, terwijl niet zelden een geritsel in ’t akkermaalshout of eenig ander geluid hem tot grooteren spoed heeft aangezet; na dien gejaagden tocht is de majoor eindelijk met zekere verruiming het oude stadje binnengestapt, om al spoedig zijn woning te bereiken waar hij zich op zijn kamer met wat grog zal kalmeeren, en eens geregelder zal kunnen nadenken over......Een “Ha!” op vreemden toon, rolt hem straks van de lippen terwijl hij, geheel in zich zelven gekeerd, juffrouw Ketels ronde dienstbode, kokend water in zijn glas ziet schenken, ’t welk ten halve met rum is gevuld. Een gemeenzame lofrede op den klaargemaakten drank, die de deerne, na dat “ha!” meende verschuldigd te zijn, wordt echter door den majoor met een voor haar zeer ongewone ruwheid beantwoord, want, ofschoon door walmen en roode vlammen heen, ziet Kartenglimp nu slechts de slanke en fiere gestalte der beeldschoone doktersvrouw.En in diezelfde oogenblikken staat Eva Helmond, gereed tot vertrekken, vol ongeduld op haar August te wachten.’t Is haar bekend geworden dat Helmond bij Jacoba is geweest, en dat Coba—wier zenuwgestel immers zoo buitengewoon zwak was—op het hooren van het gespeelde lied, waarvan de tonen, ofschoon door het plafond gedempt, toch duidelijk tot haar kamer zijn doorgedrongen, eensklaps klappertandend en straks ook snakkend naar den adem, in Helmonds armen is neergezegen.Meer weet Eva niet. Doch zij heeft genoeg vernomen. ’t Verwijt heeft haar getroffen dat ze door haaronnadenkendheid—jawel, niets meer en niets minder—het zwakke kind, zoo al niet in levensgevaar gebracht, haar dan toch zeker een gevoeligen schok had gegeven. Oom Van Barneveld meende dat Eva nu wel begrijpen zou, wáárom het ontvangen van menschen hem minder raadzaam voorkwam, terwijl hij haar uitdrukkelijk heeft verzocht, om haar bezoeken liefst niet te herhalen voordat Coba geheel en al hersteld zou zijn.De oude generaal, die straks te laat was gekomen om nog een onderhoud van Coba met August—waarvoor hij gevreesd heeft—te kunnen verhinderen, had zuster Hermines redenen, ofschoon met droevig hoofdschudden, moeten aanhooren, terwijl men reeds zoo spoedig de treurige gevolgen van haar onvoorzichtigheid aanschouwen zou. Maar, nú ook bestond er geen schijn van twijfel meer dat Jacoba inderdaad een andere liefde dan zusterliefde voor haar pleegbroeder koesterde, en dat zijn huwelijk met Eva Armelo haar eendiepewond had geslagen. En Van Barneveld aarzelt niet langer, maar voelt zich krachtig gedrongen om in ’t einde rondborstig met zijn pleegzoon te spreken. Helmond, met de oorzaak van Coba’s zielelijden bekend, zal hem raden en steunen in ’t belang van zijn geliefd kind. Ja, wat zou hij, de oude krijgsman, bij zulk een toestand ook langer alleen staan en schijnbaar zorgeloos zijn, zonder den raad en de medewerking in te roepen van hem, die in deze teedere zaak zoo nauw betrokken is!En terwijl Eva vol ongeduld wacht, staan Van Barneveld en August tegenover elkander op de kamer van den generaal.De laatste woelt met de hand in de witte haren, en herhaalt:“Heeft ze niets....nietsanders gezegd?”“Nee oom! Coba heeft me alleen over dat reisplan gesproken, waarbij ze mij dringend verzocht om u daarvan af te brengen, en ik moest haar toestemmen oom, dat ze evengoed opDe Zonsbergals opDe Godesbergherstellen kan; tenminste....”“Ten minste....? Nu spreek dan Helmond.”“Wanneer oom zoo goed wil zijn te begrijpen, dat tante Hermine het veld voor Jacoba’s dokter moet ruimen.”“Er zijn kwalen Helmond, die een vrouw van jaren misschien eerder en juister zal inzien dan een jong dokter, hoe knap hij ook wezen mag.”Van Barneveld neemt een boek van de tafel, en terwijl hij schijnbaar aandachtig den titel beziet, vervolgt hij: “Coba’s zenuwkwaal moet een geheime oorzaak hebben.”“Dat heb ik sedert lang begrepen oom.”Van Barneveld opziende:“Jij, begrepen? Sedertlang? Sedert wanneer August?”“Het eerst op den avond vóór mijn trouwen oom, toen ik na ons gesprek over Coba haar eens nauwkeurig heb ondervraagd.”—Vóór zijn trouwen! August heeft het dan geweten nog eer hij zich en voor immer aan dat ijdele kind verbond! Hij heeft den oorsprong van Coba’s zielelijden gekend, en is geen stap teruggetreden in ’t belang van háár, die hij altijd zijn lieve zusje heeft genoemd. Eigen zin en hartstocht heeft hij gevolgd zonder te bedenken dat hij zijn weldoener met dien moord aan zijn kind een vreeselijken slag ging toebrengen, vreeselijker nog dan die, waarmee Helmonds jongere broeder hem vroeger getroffen had!De oude generaal heeft weder door het opnemen van het boek een afleiding voor zijn ontroering gezocht. Nu is ’t voorbij.—Ben ik dan kindsch geworden of wel een blind egoist, zoo peinst hijvoort gedurende de luttele seconden, waarin het na Helmonds verklaring stil bleef. Kon ik dan verlangen dat August zijn liefde, zijn hart zou dwingen uit dankbaarheid; ter genezing....!?Wiezou de krankzinnigheid hebben om zoo iets te eischen? Maar zeker, altijd heeft August Jacoba liefgehad; zijn bewijzen van teederheid hebben wortels geschoten in haar schuldeloos hart; en toen, toen is een Delila met haar Sirenenzang gekomen, en ze heeft hembedwelmd, zoodat hij blind voor Coba’s liefde en voortreffelijkheden geworden is. Die vermetele! Smaden en trotseeren durft ze nu nog den grijzen pleegvader, en.... haar triumf op zijn engelachtig kind vol zelfverloochenende liefde, komt ze hier schaamteloos vieren met haar.....vervloekt pianospel!Een oogenblik was Van Barneveld zich zelven geen meester; het boek wierp hij met kracht op de tafel, en een paar woorden, ofschoon bij het uiten gesmoord, ze mengden een verbolgenheid in die anders zoo waardige trekken, waaruit schier haat was te lezen.“Oom, wat deert u?”“Niets August.”—Na een oogenblik van krachtige zelfbeheersching herneemt Van Barneveld, uiterlijk kalm: “Zoo, je hebt dus al vóór je trouwen geweten dat Coba.... méér voor je gevoelde dan....”Een vuurrood vliegt over Helmonds gelaat. Hij moet zich aan de tafel vasthouden, want die schok kwam te onverwacht.—Groote God! is dat de oorzaak van Coba’s lijden! zou het teedere zwakke kind....? Maar neen, door woord noch blik heeft ze hem ooit iets meer gezegd dan ’tgeen ze nog dezen avond, met blijdschap over zijn komst herhaalde: hij was haar lieve broeder—dát, maar ookniets meer.“Oom, ik begrijp niet....? U bedoelt....?”“Ik bedoel August, hetgeen je uit mijn woorden hebt begrepen.—De zaak is van teederen aard. Had ik je niet van jongs af aan mijn zoon genoemd, we stonden zeker niet met zulk een verklaring tegenover elkander. Maar nu, ’t is mij om ’t welzijn, om ’t leven van mijn kind te doen. Ik oude man kan niet langer een rol spelen; mij kwellen met verzinsels en vrouwen-intriges om Coba te vrijwaren voor schokken die haar nadeelig zijn; immers Hermine zelve heeft getoond dat de omstandigheden haar te machtig kunnen worden.—August, mijn openhartig spreken is je een vernieuwd bewijs van mijn achting en vertrouwen.—Je hebt de goede Coba lief..... als een broeder. Zeg me wat wij te doen hebben in haar belang?—August! August!!..... Hoor je me niet?”“Ik hoor u oom.—Maar nee, nee! dát kan niet waar zijn!”“Heb je geen brief ontvangen die, waarschijnlijk na je vertrek in Parijs gekomen, van daar is teruggezonden?”’“Nee oom! van wie?”—Zal mij dan niets gespaard worden, zegt Van Barneveld onhoorbaar. En dan overluid, terwijl hij August het papier toont, ’twelk door midden gescheurd op Coba’s schrijftafel werd gevonden:“Lees!—Ik weet dat mijn pleegzoon ons lief heeft, en zwijgen kan.”En Helmond leest de regels door Jacoba op dien bewogen morgen in vreeselijken angst geschreven.—Met strakken blik blijft hij op het onvoltooide epistel staren. Zou het mogelijk zijn?—Maar, geen enkel woord in dat schrift bevestigt zulk een vermoeden. Wat zegt het anders dan ’tgeen Helmond reeds zelf had doorzien: dat Coba namelijk hem deelgenoot wilde maken van een bitter hartzeer, van een zieleleed ’twelk haar lichaam te sloopen dreigde.Eva Helmond loopt in het groote benedenvertrek vol ongeduld op en neer. Met een smadenden blik beschouwt ze vluchtig het sprekend portret van den generaal, ’twelk met dat doordringende oog op haar neerziet. Eensklaps treedt ze op het schelkoord toe en trekt er met kracht aan.Eenige oogenblikken later verschijnt Hendrik.Eva in een voltaire neergegleden, heeft een achtelooze houding aangenomen en zegt:“Wil je mijnheer roepen. Zeg dat ik klaar ben.”“Mevrouw..... belieft.....?”“Je zoudt dokter zeggen dat ik hem wacht.”Hendrik aarzelt.“Mevrouw zal niet kwalijk nemen, maar dokter is op menheers bureau, en toen ik zooeven met de brieven boven kwam, toen zei mevrouw Mansburg, die juist op den overloop was, dat ik niet zou aankloppen maar de brieven hier brengen. Een is er voor dokter bij. Menheer Van Hake had gezegd dat de besteller hem maar mee zou nemen omdat dokterhierwas.”Hendrik legt een paar brieven bij Van Barnevelds plaats op de tafel.“Geef hier!” zegt Eva met een wenk naar de brieven; en dan, als Hendrik aan het bevel heeft voldaan: “Je hebt gehoord wat ik zei niewaar? Je zoudt dokter waarschuwen dat ik klaar ben.”“Tóch naar boven gaan mevrouw?”“’t Komt me voor dat ik het vrij duidelijk heb gezegd Hendrik!”Hendrik meesmuilt in zich zelven, dat die jonge mevrouw van de kale kapiteinsfamilie, nog meer komplementen op ’r lijf hèt dan al de leden der generaalsfamilie te zamen. Zoo’n kommando heeft ie van juffrouw Coba—die zachte engel!—nog nooit gehad. Maar afijn, als ie tegen de orders van den generaal handelt dan zal hij wetenwie’t hem gelastte.Eva beziet de brieven. De ééne—voor den luitenant-generaal Van Barneveld—interesseert haar volstrekt niet; de andere is aan ’t adres van “monsieur le docteur A. Helmond, hotel du Helder, rue du Helder, Paris.” Hé, dat is aardig! Een stempel van het hotel er op, en dáár afgeschreven: “Ronduyse près de la Haye, Hollande!” Kluchtig!Ronduyseprès de la Haye!—Nu ja, wat wist men in die wereldstad ook van een nest als Romphuizen aan ’t eind der aarde; ’t was al mooi dat ze er een stedeke kenden ’twelk men hier de residentie noemt.—Wat al poststempels! Tweemaal Paris—’s Gravenhage—en Romphuizen—’t Is niet deinhoud van den brief, die haar belangstelling wekt, maar de brief, zooals zij hem daar in handen houdt, heeft voor haar zulk een bijzondere aantrekkelijkheid, omdat hij diezelfde heerlijke reis heeft gemaakt, en hun uit die prachtige stad en uit datzelfde hotel, nog als een groet van verre werd nagezonden. Men had hen dáár niet vergeten. Hém niet: le beau docteur, en zeker ook háár niet:la belle Hollandaise—ha! zoo men het geweten had:née comtesse d’Armeloo!Het beschouwen van den brief met de vele postmerken op de voor- en achterzijde, heeft Eva’s gedachten een weinig afgeleid. Zal ze hem openen?—Man en vrouw zijn immers één.—Bah! nieuwsgierigheid past niet in het kader van een fier en edel karakter.—Ze zou dien briefkunnenlezen, maar ze wil het niet.—Toch zal ze zoo vrij zijn om hem in den zak te steken: mijnheer de generaal behoeft de correspondentie van de familie Helmond niet te controleeren.Weinige minuten, nadat dokter Helmond de hem straks getoonde letteren heeft gelezen, zegt Van Barneveld terwijl hij Helmond met zijn doordringendsten blik beschouwt: “Maar ik herhaal je, dat zulk een vermoeden mij en mijn kind beleedigt.”“Enikbehoef u niet te herhalen oom, dat dit vermoeden zeker nooit in mij zou zijn opgekomen wanneer er voor u of Coba—naar mijn innige overtuiging—iets beleedigends in te vinden ware, want....”“August, ga niet voort. ’t Is volstrekt onnoodig dat mijn pleegzoon zich in deze teedere zaak verontschuldigt. Ik weet te goed wat hij voor Coba geweest is. Maar wáárom zich dan ook te verschuilen achter een vermoeden—bah! alsof Coba zich zóó zou hebben vergeten; alsof ze affecties zou hebben gevoeld voor haar....muziekmeester! Zwijg, dat is beleedigend, zeer!”“Als u mij niet vergunt te spreken dan zal ik zwijgen; maar, u hebt ongelijk.”Van Barneveld loopt met afgewend gelaat de kamer op en neer.Helmond herneemt:“Zelfs met uwe begrippen oom, kan mijn vermoeden noch voor u, noch voor de goede Coba beleedigend wezen. Immers door woord noch blik heeft ze ooit doen gissen wat er omging in haar hart.”“Maar ik zeg je dat er in Coba’s hart niets,niets ter wereldomging voor dien man.... een muziekmeester, die....”“Die een uitnemend mensch was, en—die nú rust in het graf oom.”“Wat beteekent die toon! Dat laatste klinkt als een verwijt. Mij dunkt dat er niemand is die de rust van den doode verstoort dan dokter Helmond alleen. Ik heb dat jonge mensch geacht; hij was bescheiden, had talent; maar, zulk een verhaal—wat kon het anders dan mijn weerzin verwekken!”“Oom ik geloof....”“Je gelooft het ongerijmde. Stil! Ik had je raad gevraagd, maar behoef hem niet meer. ’t Kwam mij niet geheel onnatuurlijk voordat een gevoelig kind zich wat al te zeer aan den zoon van mijn vroeg gestorven krijgsmakker had gehecht; maar, dat die broeder—na misschien wat al te veel haar teederheid te hebben opgewekt, haar nu, en tegenover haar vader, durft verdenken; haar durft betichten van een.... gemeene liaison; dát, zie dat is....”“Maar, bij God....!”“Nog ééns, genoeg August! Ik wil mijn kalmte niet verliezen. Stel je gerust: Jacoba zal genezen ook zonder je meewerking.”“Hoe! zou ik dan niet willen meewerken om Coba....”“Wij zullen in geen herhaling treden Helmond. Ons gesprek heeft me meer gekost dan je vermoedt. Ik wilde....”Er wordt vrij luide op de deur geklopt.“Wie daar?” roept Van Barneveld.Hendrik opent de deur en zegt op den drempel:“Menheer, mevrouw Helmond vraagt of dokter beneden wil komen? Mevrouw was klaar om te vertrekken en kon niet langer wachten.”“Zeg aan mijn vrouw of zij nog even....”“Heeft mevrouw Mansburg je niet gezegd dat ik ongestoord wilde blijven?”“Jawel generaal.”“En tóch durf je hierkomen!”“Mevrouw Helmond gelastte me generaal.”“En heb je niet gezegd dat mijn orders....”“Jawel generaal, dat heb ik duidelijk gezegd, maar de jonge mevrouw zei dat dát er niet op aankwam, en dat ik tóch gaan moest.”Een donkerrood bedekt eensklaps het gelaat van den ouden krijgsman.“Zeg aan mevrouw dat ik zal komen zoodra ik kan;” klinkt Helmonds bevel, en hij geeft een gebiedenden wenk aan Hendrik, die daarop aanstonds vertrekt.“De onbeschaamde feeks!” murmelt Van Barneveld, terwijl hij zijn gelaat naar een andere zij heeft gekeerd en de vuisten krampachtig gesloten houdt.Helmond heeft dat laatste gehoord. Het greep hem in ’t hart. Snel werpt hij een blik naar de deur om zich te overtuigen dat hij zich met den pleegvader alleen bevindt, en dan:“U spreekt vanmijn vrouwoom!”“Ja Helmond, ja!”“Maar gevoelt u niet oom....”“Gevoelen! Ha, dat zal waar zijn, meer dan ik zeggen kan. Bleef ik daarom te midden van ’s-vijands lood in duizend gevaren ongedeerd, om mij ’t leven door een paar wijven te doen vergiftigen!”Helmond, doodsbleek geworden, staart met saamgeperste lippen op den grijsaard, die eveneens strak voor zich heen ziet. Bijna fluisterend met een trillende stem, zegt de eerste terwijl hij met de hand op de tafel geleund zich eenigszins naar de zij van zijn pleegvader vooroverbuigt:“U bedoelt.... toch.... niet.... dat mijn Eva....?”Van Barneveld grijpt den rug van een armstoel vast; blijft strak voor zich heen zien, en geeft geen antwoord.“Het kan u geen ernst wezen oom, dat mijn vrouw waarlijk een hinderpaal zou willen zijn voor uw geluk....?”Van Barneveld blijft zwijgen. Met Gods hulp zal hij verder heerschen “over den boozen geest die hem te vervoeren zoekt”.—Helmond vervolgt:“Al moest het waar zijn wat u ten opzichte van Coba hebtvermoed, is het danEva’s schuld dat ik haar tot vrouw koos, terwijl ik de goede Coba toch nooit met zulk een liefde zou hebben bemind? Maar bovendien, de tijd zal het leeren dat mijn huwelijk met Eva Armelo uw kind geen hartzeer heeft berokkend oom. En dan, wat heeft Eva gedaan dat zij door u een onbeschaamde.... een—o het woord is te bitter—eenwijfwordt genoemd, dat.... u het leven.... te.... vergiftigen zoekt.—Oom, mijn achting, mijn eerbied voor u, ze eischen toch niet dat ik de vrouw mijner liefde onverdiend zal hooren smaden en beleedigen....?”Van Barneveld wendt zijn gelaat langzaam naar Helmonds zijde, en ’t klinkt schijnbaar kalm op diepen toon:“Zal ik mijn pleegzoon verschooning moeten vragen voor de woorden die hem griefden?—Welaan, het zij zoo, op mijn ouden dag wil ik den oorlog niet.—August, ga nu heen, we hebben niets meer te praten;—neen, niets meer, niets!—Groet je vrouw August. Zeg haar dat het beter zal zijn indien we elkaar niet meer—of wil je—slechts zelden ontmoeten. Ik eisch tenminste rust en vrede wanneer ik dan niet oogsten mag waarop mijn hoop was gebouwd: de liefde van hen die ik.... als eigen zoons heb opgevoed.—Ga nu August.... je vrouw wacht je.”Dokter Helmond staat een oogenblik besluiteloos. Op dien toon heeft hij den pleegvader nog nooit gehoord. Er was een weemoed in zijn stem die geweldiger trof dan ooit zijn toorn het gedaan had. August ziet den ouden man in een leunstoel neerzakken. Met den arm op de tafel ondersteunt hij het sneeuwwitte hoofd. Hoe! blinkt daar een traan in het starende oog,—een traan in het oog, ’t welk men voorheen wel eens “des vijands vlucht” of “Neerlands krachtigst wapen” heeft genoemd?Van Barneveld wendt zijn gelaat van Helmond af; maar de pleegzoon heeft den traan gezien. Met bliksemsnelheid vliegt een blonde jeugd en gelukkige jongelingstijd zijn geest voorbij; al wat hij goeds genoot van dien edelen maar gestrengen pleegvader, het staat daar weer levendig voor zijn herinnering. Zijn waardige lessen of kernspreuken, hoezeer ook somwijlen in tegenspraak met een vrijere, mildere—misschien een jongere—wereldbeschouwing, doch altijd getuigend voor zijn edelen aard en onkreukbare trouw, hij hoort ze opnieuw: “Vrees God! Eer den Koning!”—“Heb je vijanden lief, maar verdelg ze die komen om ’t vaderland te belagen, of hém te bestoken die door God tot opperheer werd gezalfd.”—“Zelfs de rijke werke in zijn jeugd opdat hij met zijn rijkdom niet arm zij in den ouderdom.”—“God heeft standen en rangen verordineerd: wie huwt beneden zijn stand verbreekt de ordonnantiën Gods.”—“Wees gestreng maar rechtvaardig; mild voor wie geen handen heeft of opkrukken gaat.”—“Zwijg als uw meerdere spreekt.”—“Buig het hoofd indien de Heer gebiedt.”—“Kruipen doet het laag gedierte.”—”Knielenzult ge voorGod alleen.”En dan, moest in dit oogenblik het woord niet met gloeiende letters voor Augusts oog geschreven staan: “Vergeet de hand niet die u de veldflesch reikte toen ge snaktet naar water”?“Oom!” barst Helmond uit, terwijl hij de hand van den grijsaard vat: “ik bid u, spreek zoo niet. Heb ik u niet lief als een dankbare zoon?”“’t Is wel August, maar ga nu. Waartoe nog meer! Jevrouwwacht beneden.”“Zou een vrouw mij verhinderen om u te zeggen dat ik u als een eigen vader liefheb?”“Men zal de vrouw boven den vader stellen. Ga nu heen August!”“Maar wij beiden zullen u liefhebben oom; zijzalwijs worden; maar wees niet te gestreng tegen haar!?”Van Barneveld ziet hem eensklaps aan alsof hij wil vragen: wasikgestreng tegen háár? Gij die mij kent, hébt gij van dezen avond mijn zelfbeheersching niet gezien?—Maar, zonder spreken ziet hij weer voor zich neer, en dan:“Ik wenschte nu dat je heengingt August; nóg eens, je vrouw staat te wachten.”“Maar Evazalwachten oom! Zonder de zekerheid dat ik nog altijd uw liefde en achting bezit, kan ik niet heengaan. Waardoor heb ik die liefde verbeurd? Waarin heb ik moedwillig uw hoop bedrogen? Als man van eer verzeker ik u dat ik nooit met Coba’s hart heb gespeeld, en zelfs, tot het oogenblik, waarin u mij uw vermoeden meedeeldet, is het denkbeeld aan demogelijkheidniet eens in mij opgekomen. U gelooft mij oom....? U gelooft me, niewaar?”Van Barneveld antwoordt niet; maar juist in dat zwijgen vindt Helmond zijn vrijbrief. Hij vervolgt:“En,moesthet nu al waarheid wezen dat ik geheel ondanks mij zelven aan uw dierbaar kind een dieper gevoel heb ingeboezemd dan we vermoedden, wat ik u bidden mag, laat mijn Eva dan toch buiten die teedere zaak. Immers, toen ik reeds haar jawoord ontvangen had, toen wist ze ternauwernood dat de lieve Coba bestond. En bovendien, haar aard is te edel om gelukkig te kunnen zijn ten koste van een andere. Is zij dan wat veeleischend misschien, bedenk ook dat Eva geen hart zou hebben aangenomen ’t welk haar niet in den uitgestreksten zin alleen toebehoorde. Verdenk dus mijn Eva niet. Maar ook, om mijnentwil vergeef mijn jonge vrouw, die niet in uw goede leerschool werd grootgebracht, wanneer ze eens vergeet....”Eva gekleed met hoed en sjaal heeft de deur van Van Barnevelds kamer geopend, en den drempel overschrijdend, zegt ze nu tamelijk luid:“Ik geloof August, dat alleen dejonge vrouwiets te vergeven heeft, wanneer men haar gedurende een paar urengeheel en al vergeet.”“Eva....!”Van Barneveld heeft eensklaps met vlammenden blik naar Eva omgezien; doch, nu zegt hij bedaard:“August.... je hebt het gehoord.”“Maar ik had met oom te spreken Eva.”“Leert mijnheer Van Barneveld misschien dat men ter wille van zulk een gesprek, eerst zijnjonge vrouwmet een vreemde, en later in holle kamers bij nachtlicht geheel alleen zal laten?”“Eva, ik verzoek je....”“....Te begrijpen August, dat men zulk een les niet opvolgt, en althans niet wanneer de zeer wellevende leermeester, die vrouwde deur heeft gewezen.”Van Barneveld steeds in zijn armstoel gezeten, grijpt een pen, stoot die eenige malen met kracht op de tafel, en dan, als hij haar gansch gespleten wegwerpt zegt hij zacht doch met klem:“August, je kent me: Ga nu heen.”“Oom, ik kan....”Van Barneveld reikt hem van terzij, met afgewend gelaat, de hand, en ’t klinkt weer zacht:“Laat dit eindigen; om Godswil, ga heen!”Eva komt den generaal een schrede nader, en met een stem die bits kon heeten indien ze niet door een natuurlijke welluidendheid werd getemperd, zegt ze:“Ik heb begrepen mijnheer Van Barneveld, dat het eindigen zou nog vóórdat het begonnen was. Dezen avond wilde ik zekerheid hebben, en....”“Eva, kom, wij gaan.... Bedenk tegen wien....”“Ik bedenk dat zeer goed, en wil dien ouden heer ook volstrekt geen kwaad August; ja zelfs ik zal je niet weerhouden hem lief te hebben zooveel je dat kunt. Maar, heb ik zelve nog straks zijn eer tegenover dien vreemde trachten op te houden; nú tegenover hem zelf, en bij ons laatste samenzijn, nuwilik spreken: Ik heb altijd vermoed mijnheer de generaal, dat het zoo eindigen moest, en wel.... omdat mijn karakter nooit sterker in opstand kwam dan wanneer hettrots, gepaard metschrielheid, ontmoette. Mijn ondervinding....”“Eva zwijg!” roept Helmond hevig: “bij God, dat gaat te ver....”De oude generaal heeft nogmaals en krachtig gestreden, maar ook nogmaals—tegenover eenvrouw, zich zelf overwonnen. Nu opgestaan, zich zijwaarts tot Eva keerend, zonder haar echter aan te zien, zegt hij met een zeer merkbaar gekunstelde bedaardheid:“Wil me uw ervaringen sparen mevrouw. Met mijn leeftijd zou ik driemaal uw vader kunnen zijn. Mijn trots en schrielheid....”“Oom ik bid u, zij bedoelde....”“Zij bedoelde mijntrotsenschrielheidAugust, en daarom.... dáárom....” Doch de grijsaard kon niet verder spreken. Zijn lippen trilden; de stem stokte hem in de keel. Helmond greep zijn hand, maar als hij met de andere ijlings een glas water wil inschenken, dan vermant zich de oude krijgsman voor ’t laatst, en zegt op zachtgebiedenden toon, terwijl August Goddank, nog zijn handdruk gevoelen mag:“Laat me.... nu alleen.... of.... of ik vergeet....—Voort Helmond, voort!”En August, wankelend tusschen den verguisden pleegvader en zijn gekrenkte maar onberaden echtgenoote, werpt een gestrengen blik op Eva, en ze vlucht voor dien blik terug naar de deur. En de grijsaard, neervallend in zijn zetel, bedekt met beide handen het gloeiend gelaat, en murmelt met tranen in zijn heesche stem:“O God, dit alles op mijn ouden dag! Heb ik dat aan hen verdiend! Groote God, moest ik dit nog beleven!”
Slechts met haar doel voor oogen bemerkte Eva bij haar binnentreden de plotselinge verwarring niet, die er op Kartenglimps gelaat was te lezen.
Alsof ze zich straks inderdaad met het voornemen had verwijderd om aanstonds terug te keeren, begeeft ze zich nu, met den snellen tred die zulks bewijzen moet, naar hare plaats, en ofschoon het haar de grootste moeite kost, vraagt ze tevens beleefd om verschooning dat ze mijnheer een oogenblik heeft alleen gelaten.
De overgang zijner zwarte of roodvlammende visioenen tot de onverwachte werkelijkheid van Eva’s verschijning, had Kartenglimp zoodanig verrast dat hij niet aanstonds een antwoord gereed heeft, maar nochtans in hetzelfde oogenblik een zeer sterk sprekenden trek van hoffelijkheid op zijn gelaat kan te voorschijn roepen.
En Eva zal nu trachten goed te maken wat ze met het oog op dien vreemde misdeed.
Ze zegt te hopen dat mijnheer Kartenglimp de afwezigheid der heeren toch zal ten goede houden.—Neen, er is volstrekt geen gevaar; maar de lichte ongesteldheid van nicht Jacoba maakt oom Van Barneveld dikwijls zeer onrustig. Zeker zou hij echter zoo aanstonds terugkomen. Oom Van Barneveld en zijn dochter—zoo luidde het verder—ze waren met de innigste liefde aan elkander gehecht, en geen wonder, Jacoba was een goed zachtaardig meisje, terwijl oom—men behoefde er Helmond slechts naar te vragen—een door en door rechtschapen en edel mensch was, dien men zeerzeker liefkreeg op den duur.
Kartenglimp meende, met een goedwillig lachje, dat het altijd aangenaam was wanneer dieduurniet telang duurde. Er waren ook menschen, die men lief en beminnelijk vond van het eerste oogenblik dat men ze kennen leerde.
Juist omdat Eva de bedoeling zijner woorden giste, klonken ze haar in dezen stond zeer onaangenaam. Haar verheffing ten koste van den oom in diensafwezigheid, tooverde haar zijn beeld in waardiger trekken voor den geest dan het er tot nu toe gestaan had. Zonder haar overtuiging geweld aan te doen, voelde zij zich eensklaps gedrongen om den heer vanDe Zonsbergin het schoonste daglicht te plaatsen, en, met den lof van vrienden en vereerders op de lippen, haar geliefden August als ’t ware sprekend in te voeren, terwijl ze met de weinig doordachte verklaring besloot, dat haar schermutselingen met den oom op rekening moesten gesteld worden van haar ondeugende zucht om oude heeren te plagen, waarbij ze dan altijd de slechte gewoonte had om de zaken zoo sterk te kleuren als haar mogelijk was.
En mijnheer Kartenglimp begreep dat alles zeer goed, en was uitermate beleefd.
’t Is nog luttele minuten geleden dat Eva in de kamer terugkwam, maar ze duurden haar reeds verbazend lang. Nu ze haar schuld had geboet, nu kost het haar groote moeite om het gesprek met dien majoor te vervolgen. Toch zal ze volhouden, al dreigt ook de wrevel haar weer te overweldigen, dewijl de man wiens eer ze nu ophoudt, nog steeds op zich wachten laat.
Kartenglimp zoekt naar den juisten toon. Hij wenscht een goeden indruk bij het zonderlinge vrouwtje achter te laten, en, gevoelig voor zijn kleine hoffelijkheden is ze niet, ook dán niet wanneer hij haar buitengewone muziek- en zanggaven roemt, waarvan hij “zoo dikwijls met bewondering hoorde spreken”.—En—naar zijn lof over dokter Helmond hoort ze met zichtbaar welgevallen. Maar zie, een blosje kleurt haar gelaat, nu hij eensklaps, half vragend zegt: dat mijnheer haar vader immers nog een afstammeling is van het oud Hollandsch geslacht der graven Van Armeloo? Hij had tot nog toe verzuimd den kapitein er eens naar te vragen.
Ofschoon Eva van die grafelijke familie niets anders wist dan dat ze moest bestaan hebben, zoo was het toch alsof een schok, maar vol zoete bedwelming haar getroffen had. Merkbaar in verwarring,geeft ze ten antwoord dat ze.... ja.... gelooft, maar toch niet zeker durft zeggen;—en ze gevoelt terzelfdertijd den blos steeds hooger stijgen, en ’t wordt alsof vonken vuurs haar uit de oogen spatten. Dewijl verlegenheid bij Eva inderdaad een zeldzaam verschijnsel is, kwelt en drukt ze haar nu te sterker. Ze zou zich onzichtbaar willen maken in dezen stond. Ofschoon ze heimelijk hoopt dat men ’t minder aan haar zal kunnen bespeuren dan zij ’t zelve gevoelt, zoo zoekt ze nochtans naar een middel om zich voor een verdere bespieding te vrijwaren, en, ijlings opstaande wendt ze zich naar een pianino, die op eenigen afstand schuin achter haar staat.
Straks, terloops over muziek sprekend, had Kartenglimp gevraagd, of dat stuk een Erard was, waarop Eva het antwoord is schuldig gebleven. Nu, in haar verwarring, kwam het haar niet te gezocht voor om fluks het instrument te openen, en, met een blik op het étiquet den naam van den fabrikant te noemen; maar ook, ze gevoelt zich daarna nog te weinig hersteld om nu reeds voor ’t oog van dien man in ’t volle licht terug te keeren, zoodat ze haar toevlucht neemt tot het aanslaan van eenige zeer krachtige accoorden, de introductie van een lied, waaraan ze vluchtig was herinnerd door het vignet van een muziekstuk dat op de piano lag.
Fiks! het aanslaan van die accoorden doet reeds goed.
Zoo aanstonds zal hij niets meer aan haar bemerken.—Hier begint het lied.—Dat lied tezingen.... voor dien vreemde! Ze zal wel wijzer wezen. Toch kan ze nog even voortspelen; de melodie met de rechterhand.—Forto:
“Ach lieber Gott, mein krankes HerzWird brechen bald vom Liebesschmerz.”
“Ach lieber Gott, mein krankes Herz
Wird brechen bald vom Liebesschmerz.”
—Maar straks, ja dan moet zij van dien vreemde méér vernemen.... De graven Van Armeloo....Van Armeloo! In stilte heeft zij wel eens aan zoo iets gedacht.... Ha! een verarmde tak der graven Van.... Diminuendo:
Und bricht es in der tiefen Noth;Schau’ denn mein’ Augen weinens roth,Und tausch’ mich in dein Armen, Tod!
Und bricht es in der tiefen Noth;
Schau’ denn mein’ Augen weinens roth,
Und tausch’ mich in dein Armen, Tod!
“Nicht Eva, wil je alsjeblieft niet meer piano spelen? Je weet dat Coba ongesteld is;” zegt Van Barneveld, die bij het klinken der laatste accoorden in de kamer trad.
Ondanks den kalmen toon, waarop de generaal zijn verzoek heeft gedaan, was er toch een bijzondere trilling in zijn stem te bemerken, en spreken zijn oogen het stil verwijt: Als men dan den ouden man niet wil sparen, dan moest men althans zijn lijdend kind ontzien.
De majoor, die Eva reeds tot op zeer korten afstand was genaderd, heeft bij het binnenkomen van den generaal, onwillekeurig een schrede zijwaarts teruggedaan. Zich spoedig van zekeren schok herstellend,maakt hij nu een beweging met de hand die moet uitdrukken, dat men—hij en zij—daaraan had moeten denken, maar....!
“’t Is mijn gewoonte niet mijnheer,” vervolgt Van Barneveld terwijl hij zich tot den majoor wendt, “om menschen die de beleefdheid hebben mij te bezoeken alleen te laten, de ongesteldheid mijner dochter was er nu de oorzaak van. Om u de waarheid te zeggen, liever had ik dezen avondnietontvangen. U zult me deze openhartigheid ten goede houden.”
“O generaal, indien ik had geweten.....”
“U kondt dat niet weten majoor. Maar.....” en uit den nadruk, dien Van Barneveld op dit laatste woord heeft gelegd, valt gemakkelijk te besluiten dat hij er zou willen bijvoegen; maar—’t zal mij nú aangenaam zijn indien gijvertrekt.
Weinige seconden later heeft Kartenglimp het landhuis verlaten. Na een ongezellige wandeling, waarbij hem gedurig zeer zwarte beelden voor den geest zijn gekomen, terwijl niet zelden een geritsel in ’t akkermaalshout of eenig ander geluid hem tot grooteren spoed heeft aangezet; na dien gejaagden tocht is de majoor eindelijk met zekere verruiming het oude stadje binnengestapt, om al spoedig zijn woning te bereiken waar hij zich op zijn kamer met wat grog zal kalmeeren, en eens geregelder zal kunnen nadenken over......
Een “Ha!” op vreemden toon, rolt hem straks van de lippen terwijl hij, geheel in zich zelven gekeerd, juffrouw Ketels ronde dienstbode, kokend water in zijn glas ziet schenken, ’t welk ten halve met rum is gevuld. Een gemeenzame lofrede op den klaargemaakten drank, die de deerne, na dat “ha!” meende verschuldigd te zijn, wordt echter door den majoor met een voor haar zeer ongewone ruwheid beantwoord, want, ofschoon door walmen en roode vlammen heen, ziet Kartenglimp nu slechts de slanke en fiere gestalte der beeldschoone doktersvrouw.
En in diezelfde oogenblikken staat Eva Helmond, gereed tot vertrekken, vol ongeduld op haar August te wachten.
’t Is haar bekend geworden dat Helmond bij Jacoba is geweest, en dat Coba—wier zenuwgestel immers zoo buitengewoon zwak was—op het hooren van het gespeelde lied, waarvan de tonen, ofschoon door het plafond gedempt, toch duidelijk tot haar kamer zijn doorgedrongen, eensklaps klappertandend en straks ook snakkend naar den adem, in Helmonds armen is neergezegen.
Meer weet Eva niet. Doch zij heeft genoeg vernomen. ’t Verwijt heeft haar getroffen dat ze door haaronnadenkendheid—jawel, niets meer en niets minder—het zwakke kind, zoo al niet in levensgevaar gebracht, haar dan toch zeker een gevoeligen schok had gegeven. Oom Van Barneveld meende dat Eva nu wel begrijpen zou, wáárom het ontvangen van menschen hem minder raadzaam voorkwam, terwijl hij haar uitdrukkelijk heeft verzocht, om haar bezoeken liefst niet te herhalen voordat Coba geheel en al hersteld zou zijn.
De oude generaal, die straks te laat was gekomen om nog een onderhoud van Coba met August—waarvoor hij gevreesd heeft—te kunnen verhinderen, had zuster Hermines redenen, ofschoon met droevig hoofdschudden, moeten aanhooren, terwijl men reeds zoo spoedig de treurige gevolgen van haar onvoorzichtigheid aanschouwen zou. Maar, nú ook bestond er geen schijn van twijfel meer dat Jacoba inderdaad een andere liefde dan zusterliefde voor haar pleegbroeder koesterde, en dat zijn huwelijk met Eva Armelo haar eendiepewond had geslagen. En Van Barneveld aarzelt niet langer, maar voelt zich krachtig gedrongen om in ’t einde rondborstig met zijn pleegzoon te spreken. Helmond, met de oorzaak van Coba’s zielelijden bekend, zal hem raden en steunen in ’t belang van zijn geliefd kind. Ja, wat zou hij, de oude krijgsman, bij zulk een toestand ook langer alleen staan en schijnbaar zorgeloos zijn, zonder den raad en de medewerking in te roepen van hem, die in deze teedere zaak zoo nauw betrokken is!
En terwijl Eva vol ongeduld wacht, staan Van Barneveld en August tegenover elkander op de kamer van den generaal.
De laatste woelt met de hand in de witte haren, en herhaalt:
“Heeft ze niets....nietsanders gezegd?”
“Nee oom! Coba heeft me alleen over dat reisplan gesproken, waarbij ze mij dringend verzocht om u daarvan af te brengen, en ik moest haar toestemmen oom, dat ze evengoed opDe Zonsbergals opDe Godesbergherstellen kan; tenminste....”
“Ten minste....? Nu spreek dan Helmond.”
“Wanneer oom zoo goed wil zijn te begrijpen, dat tante Hermine het veld voor Jacoba’s dokter moet ruimen.”
“Er zijn kwalen Helmond, die een vrouw van jaren misschien eerder en juister zal inzien dan een jong dokter, hoe knap hij ook wezen mag.”
Van Barneveld neemt een boek van de tafel, en terwijl hij schijnbaar aandachtig den titel beziet, vervolgt hij: “Coba’s zenuwkwaal moet een geheime oorzaak hebben.”
“Dat heb ik sedert lang begrepen oom.”
Van Barneveld opziende:
“Jij, begrepen? Sedertlang? Sedert wanneer August?”
“Het eerst op den avond vóór mijn trouwen oom, toen ik na ons gesprek over Coba haar eens nauwkeurig heb ondervraagd.”
—Vóór zijn trouwen! August heeft het dan geweten nog eer hij zich en voor immer aan dat ijdele kind verbond! Hij heeft den oorsprong van Coba’s zielelijden gekend, en is geen stap teruggetreden in ’t belang van háár, die hij altijd zijn lieve zusje heeft genoemd. Eigen zin en hartstocht heeft hij gevolgd zonder te bedenken dat hij zijn weldoener met dien moord aan zijn kind een vreeselijken slag ging toebrengen, vreeselijker nog dan die, waarmee Helmonds jongere broeder hem vroeger getroffen had!
De oude generaal heeft weder door het opnemen van het boek een afleiding voor zijn ontroering gezocht. Nu is ’t voorbij.—Ben ik dan kindsch geworden of wel een blind egoist, zoo peinst hijvoort gedurende de luttele seconden, waarin het na Helmonds verklaring stil bleef. Kon ik dan verlangen dat August zijn liefde, zijn hart zou dwingen uit dankbaarheid; ter genezing....!?Wiezou de krankzinnigheid hebben om zoo iets te eischen? Maar zeker, altijd heeft August Jacoba liefgehad; zijn bewijzen van teederheid hebben wortels geschoten in haar schuldeloos hart; en toen, toen is een Delila met haar Sirenenzang gekomen, en ze heeft hembedwelmd, zoodat hij blind voor Coba’s liefde en voortreffelijkheden geworden is. Die vermetele! Smaden en trotseeren durft ze nu nog den grijzen pleegvader, en.... haar triumf op zijn engelachtig kind vol zelfverloochenende liefde, komt ze hier schaamteloos vieren met haar.....vervloekt pianospel!
Een oogenblik was Van Barneveld zich zelven geen meester; het boek wierp hij met kracht op de tafel, en een paar woorden, ofschoon bij het uiten gesmoord, ze mengden een verbolgenheid in die anders zoo waardige trekken, waaruit schier haat was te lezen.
“Oom, wat deert u?”
“Niets August.”—Na een oogenblik van krachtige zelfbeheersching herneemt Van Barneveld, uiterlijk kalm: “Zoo, je hebt dus al vóór je trouwen geweten dat Coba.... méér voor je gevoelde dan....”
Een vuurrood vliegt over Helmonds gelaat. Hij moet zich aan de tafel vasthouden, want die schok kwam te onverwacht.—Groote God! is dat de oorzaak van Coba’s lijden! zou het teedere zwakke kind....? Maar neen, door woord noch blik heeft ze hem ooit iets meer gezegd dan ’tgeen ze nog dezen avond, met blijdschap over zijn komst herhaalde: hij was haar lieve broeder—dát, maar ookniets meer.
“Oom, ik begrijp niet....? U bedoelt....?”
“Ik bedoel August, hetgeen je uit mijn woorden hebt begrepen.—
De zaak is van teederen aard. Had ik je niet van jongs af aan mijn zoon genoemd, we stonden zeker niet met zulk een verklaring tegenover elkander. Maar nu, ’t is mij om ’t welzijn, om ’t leven van mijn kind te doen. Ik oude man kan niet langer een rol spelen; mij kwellen met verzinsels en vrouwen-intriges om Coba te vrijwaren voor schokken die haar nadeelig zijn; immers Hermine zelve heeft getoond dat de omstandigheden haar te machtig kunnen worden.—August, mijn openhartig spreken is je een vernieuwd bewijs van mijn achting en vertrouwen.—Je hebt de goede Coba lief..... als een broeder. Zeg me wat wij te doen hebben in haar belang?—August! August!!..... Hoor je me niet?”
“Ik hoor u oom.—Maar nee, nee! dát kan niet waar zijn!”
“Heb je geen brief ontvangen die, waarschijnlijk na je vertrek in Parijs gekomen, van daar is teruggezonden?”’
“Nee oom! van wie?”
—Zal mij dan niets gespaard worden, zegt Van Barneveld onhoorbaar. En dan overluid, terwijl hij August het papier toont, ’twelk door midden gescheurd op Coba’s schrijftafel werd gevonden:
“Lees!—Ik weet dat mijn pleegzoon ons lief heeft, en zwijgen kan.”
En Helmond leest de regels door Jacoba op dien bewogen morgen in vreeselijken angst geschreven.—Met strakken blik blijft hij op het onvoltooide epistel staren. Zou het mogelijk zijn?—Maar, geen enkel woord in dat schrift bevestigt zulk een vermoeden. Wat zegt het anders dan ’tgeen Helmond reeds zelf had doorzien: dat Coba namelijk hem deelgenoot wilde maken van een bitter hartzeer, van een zieleleed ’twelk haar lichaam te sloopen dreigde.
Eva Helmond loopt in het groote benedenvertrek vol ongeduld op en neer. Met een smadenden blik beschouwt ze vluchtig het sprekend portret van den generaal, ’twelk met dat doordringende oog op haar neerziet. Eensklaps treedt ze op het schelkoord toe en trekt er met kracht aan.
Eenige oogenblikken later verschijnt Hendrik.
Eva in een voltaire neergegleden, heeft een achtelooze houding aangenomen en zegt:
“Wil je mijnheer roepen. Zeg dat ik klaar ben.”
“Mevrouw..... belieft.....?”
“Je zoudt dokter zeggen dat ik hem wacht.”
Hendrik aarzelt.
“Mevrouw zal niet kwalijk nemen, maar dokter is op menheers bureau, en toen ik zooeven met de brieven boven kwam, toen zei mevrouw Mansburg, die juist op den overloop was, dat ik niet zou aankloppen maar de brieven hier brengen. Een is er voor dokter bij. Menheer Van Hake had gezegd dat de besteller hem maar mee zou nemen omdat dokterhierwas.”
Hendrik legt een paar brieven bij Van Barnevelds plaats op de tafel.
“Geef hier!” zegt Eva met een wenk naar de brieven; en dan, als Hendrik aan het bevel heeft voldaan: “Je hebt gehoord wat ik zei niewaar? Je zoudt dokter waarschuwen dat ik klaar ben.”
“Tóch naar boven gaan mevrouw?”
“’t Komt me voor dat ik het vrij duidelijk heb gezegd Hendrik!”
Hendrik meesmuilt in zich zelven, dat die jonge mevrouw van de kale kapiteinsfamilie, nog meer komplementen op ’r lijf hèt dan al de leden der generaalsfamilie te zamen. Zoo’n kommando heeft ie van juffrouw Coba—die zachte engel!—nog nooit gehad. Maar afijn, als ie tegen de orders van den generaal handelt dan zal hij wetenwie’t hem gelastte.
Eva beziet de brieven. De ééne—voor den luitenant-generaal Van Barneveld—interesseert haar volstrekt niet; de andere is aan ’t adres van “monsieur le docteur A. Helmond, hotel du Helder, rue du Helder, Paris.” Hé, dat is aardig! Een stempel van het hotel er op, en dáár afgeschreven: “Ronduyse près de la Haye, Hollande!” Kluchtig!Ronduyseprès de la Haye!—Nu ja, wat wist men in die wereldstad ook van een nest als Romphuizen aan ’t eind der aarde; ’t was al mooi dat ze er een stedeke kenden ’twelk men hier de residentie noemt.—Wat al poststempels! Tweemaal Paris—’s Gravenhage—en Romphuizen—’t Is niet deinhoud van den brief, die haar belangstelling wekt, maar de brief, zooals zij hem daar in handen houdt, heeft voor haar zulk een bijzondere aantrekkelijkheid, omdat hij diezelfde heerlijke reis heeft gemaakt, en hun uit die prachtige stad en uit datzelfde hotel, nog als een groet van verre werd nagezonden. Men had hen dáár niet vergeten. Hém niet: le beau docteur, en zeker ook háár niet:la belle Hollandaise—ha! zoo men het geweten had:née comtesse d’Armeloo!
Het beschouwen van den brief met de vele postmerken op de voor- en achterzijde, heeft Eva’s gedachten een weinig afgeleid. Zal ze hem openen?—Man en vrouw zijn immers één.—Bah! nieuwsgierigheid past niet in het kader van een fier en edel karakter.—Ze zou dien briefkunnenlezen, maar ze wil het niet.—Toch zal ze zoo vrij zijn om hem in den zak te steken: mijnheer de generaal behoeft de correspondentie van de familie Helmond niet te controleeren.
Weinige minuten, nadat dokter Helmond de hem straks getoonde letteren heeft gelezen, zegt Van Barneveld terwijl hij Helmond met zijn doordringendsten blik beschouwt: “Maar ik herhaal je, dat zulk een vermoeden mij en mijn kind beleedigt.”
“Enikbehoef u niet te herhalen oom, dat dit vermoeden zeker nooit in mij zou zijn opgekomen wanneer er voor u of Coba—naar mijn innige overtuiging—iets beleedigends in te vinden ware, want....”
“August, ga niet voort. ’t Is volstrekt onnoodig dat mijn pleegzoon zich in deze teedere zaak verontschuldigt. Ik weet te goed wat hij voor Coba geweest is. Maar wáárom zich dan ook te verschuilen achter een vermoeden—bah! alsof Coba zich zóó zou hebben vergeten; alsof ze affecties zou hebben gevoeld voor haar....muziekmeester! Zwijg, dat is beleedigend, zeer!”
“Als u mij niet vergunt te spreken dan zal ik zwijgen; maar, u hebt ongelijk.”
Van Barneveld loopt met afgewend gelaat de kamer op en neer.
Helmond herneemt:
“Zelfs met uwe begrippen oom, kan mijn vermoeden noch voor u, noch voor de goede Coba beleedigend wezen. Immers door woord noch blik heeft ze ooit doen gissen wat er omging in haar hart.”
“Maar ik zeg je dat er in Coba’s hart niets,niets ter wereldomging voor dien man.... een muziekmeester, die....”
“Die een uitnemend mensch was, en—die nú rust in het graf oom.”
“Wat beteekent die toon! Dat laatste klinkt als een verwijt. Mij dunkt dat er niemand is die de rust van den doode verstoort dan dokter Helmond alleen. Ik heb dat jonge mensch geacht; hij was bescheiden, had talent; maar, zulk een verhaal—wat kon het anders dan mijn weerzin verwekken!”
“Oom ik geloof....”
“Je gelooft het ongerijmde. Stil! Ik had je raad gevraagd, maar behoef hem niet meer. ’t Kwam mij niet geheel onnatuurlijk voordat een gevoelig kind zich wat al te zeer aan den zoon van mijn vroeg gestorven krijgsmakker had gehecht; maar, dat die broeder—na misschien wat al te veel haar teederheid te hebben opgewekt, haar nu, en tegenover haar vader, durft verdenken; haar durft betichten van een.... gemeene liaison; dát, zie dat is....”
“Maar, bij God....!”
“Nog ééns, genoeg August! Ik wil mijn kalmte niet verliezen. Stel je gerust: Jacoba zal genezen ook zonder je meewerking.”
“Hoe! zou ik dan niet willen meewerken om Coba....”
“Wij zullen in geen herhaling treden Helmond. Ons gesprek heeft me meer gekost dan je vermoedt. Ik wilde....”
Er wordt vrij luide op de deur geklopt.
“Wie daar?” roept Van Barneveld.
Hendrik opent de deur en zegt op den drempel:
“Menheer, mevrouw Helmond vraagt of dokter beneden wil komen? Mevrouw was klaar om te vertrekken en kon niet langer wachten.”
“Zeg aan mijn vrouw of zij nog even....”
“Heeft mevrouw Mansburg je niet gezegd dat ik ongestoord wilde blijven?”
“Jawel generaal.”
“En tóch durf je hierkomen!”
“Mevrouw Helmond gelastte me generaal.”
“En heb je niet gezegd dat mijn orders....”
“Jawel generaal, dat heb ik duidelijk gezegd, maar de jonge mevrouw zei dat dát er niet op aankwam, en dat ik tóch gaan moest.”
Een donkerrood bedekt eensklaps het gelaat van den ouden krijgsman.
“Zeg aan mevrouw dat ik zal komen zoodra ik kan;” klinkt Helmonds bevel, en hij geeft een gebiedenden wenk aan Hendrik, die daarop aanstonds vertrekt.
“De onbeschaamde feeks!” murmelt Van Barneveld, terwijl hij zijn gelaat naar een andere zij heeft gekeerd en de vuisten krampachtig gesloten houdt.
Helmond heeft dat laatste gehoord. Het greep hem in ’t hart. Snel werpt hij een blik naar de deur om zich te overtuigen dat hij zich met den pleegvader alleen bevindt, en dan:
“U spreekt vanmijn vrouwoom!”
“Ja Helmond, ja!”
“Maar gevoelt u niet oom....”
“Gevoelen! Ha, dat zal waar zijn, meer dan ik zeggen kan. Bleef ik daarom te midden van ’s-vijands lood in duizend gevaren ongedeerd, om mij ’t leven door een paar wijven te doen vergiftigen!”
Helmond, doodsbleek geworden, staart met saamgeperste lippen op den grijsaard, die eveneens strak voor zich heen ziet. Bijna fluisterend met een trillende stem, zegt de eerste terwijl hij met de hand op de tafel geleund zich eenigszins naar de zij van zijn pleegvader vooroverbuigt:
“U bedoelt.... toch.... niet.... dat mijn Eva....?”
Van Barneveld grijpt den rug van een armstoel vast; blijft strak voor zich heen zien, en geeft geen antwoord.
“Het kan u geen ernst wezen oom, dat mijn vrouw waarlijk een hinderpaal zou willen zijn voor uw geluk....?”
Van Barneveld blijft zwijgen. Met Gods hulp zal hij verder heerschen “over den boozen geest die hem te vervoeren zoekt”.—Helmond vervolgt:
“Al moest het waar zijn wat u ten opzichte van Coba hebtvermoed, is het danEva’s schuld dat ik haar tot vrouw koos, terwijl ik de goede Coba toch nooit met zulk een liefde zou hebben bemind? Maar bovendien, de tijd zal het leeren dat mijn huwelijk met Eva Armelo uw kind geen hartzeer heeft berokkend oom. En dan, wat heeft Eva gedaan dat zij door u een onbeschaamde.... een—o het woord is te bitter—eenwijfwordt genoemd, dat.... u het leven.... te.... vergiftigen zoekt.—Oom, mijn achting, mijn eerbied voor u, ze eischen toch niet dat ik de vrouw mijner liefde onverdiend zal hooren smaden en beleedigen....?”
Van Barneveld wendt zijn gelaat langzaam naar Helmonds zijde, en ’t klinkt schijnbaar kalm op diepen toon:
“Zal ik mijn pleegzoon verschooning moeten vragen voor de woorden die hem griefden?—Welaan, het zij zoo, op mijn ouden dag wil ik den oorlog niet.—August, ga nu heen, we hebben niets meer te praten;—neen, niets meer, niets!—Groet je vrouw August. Zeg haar dat het beter zal zijn indien we elkaar niet meer—of wil je—slechts zelden ontmoeten. Ik eisch tenminste rust en vrede wanneer ik dan niet oogsten mag waarop mijn hoop was gebouwd: de liefde van hen die ik.... als eigen zoons heb opgevoed.—Ga nu August.... je vrouw wacht je.”
Dokter Helmond staat een oogenblik besluiteloos. Op dien toon heeft hij den pleegvader nog nooit gehoord. Er was een weemoed in zijn stem die geweldiger trof dan ooit zijn toorn het gedaan had. August ziet den ouden man in een leunstoel neerzakken. Met den arm op de tafel ondersteunt hij het sneeuwwitte hoofd. Hoe! blinkt daar een traan in het starende oog,—een traan in het oog, ’t welk men voorheen wel eens “des vijands vlucht” of “Neerlands krachtigst wapen” heeft genoemd?
Van Barneveld wendt zijn gelaat van Helmond af; maar de pleegzoon heeft den traan gezien. Met bliksemsnelheid vliegt een blonde jeugd en gelukkige jongelingstijd zijn geest voorbij; al wat hij goeds genoot van dien edelen maar gestrengen pleegvader, het staat daar weer levendig voor zijn herinnering. Zijn waardige lessen of kernspreuken, hoezeer ook somwijlen in tegenspraak met een vrijere, mildere—misschien een jongere—wereldbeschouwing, doch altijd getuigend voor zijn edelen aard en onkreukbare trouw, hij hoort ze opnieuw: “Vrees God! Eer den Koning!”—“Heb je vijanden lief, maar verdelg ze die komen om ’t vaderland te belagen, of hém te bestoken die door God tot opperheer werd gezalfd.”—“Zelfs de rijke werke in zijn jeugd opdat hij met zijn rijkdom niet arm zij in den ouderdom.”—“God heeft standen en rangen verordineerd: wie huwt beneden zijn stand verbreekt de ordonnantiën Gods.”—“Wees gestreng maar rechtvaardig; mild voor wie geen handen heeft of opkrukken gaat.”—“Zwijg als uw meerdere spreekt.”—“Buig het hoofd indien de Heer gebiedt.”—“Kruipen doet het laag gedierte.”—”Knielenzult ge voorGod alleen.”
En dan, moest in dit oogenblik het woord niet met gloeiende letters voor Augusts oog geschreven staan: “Vergeet de hand niet die u de veldflesch reikte toen ge snaktet naar water”?
“Oom!” barst Helmond uit, terwijl hij de hand van den grijsaard vat: “ik bid u, spreek zoo niet. Heb ik u niet lief als een dankbare zoon?”
“’t Is wel August, maar ga nu. Waartoe nog meer! Jevrouwwacht beneden.”
“Zou een vrouw mij verhinderen om u te zeggen dat ik u als een eigen vader liefheb?”
“Men zal de vrouw boven den vader stellen. Ga nu heen August!”
“Maar wij beiden zullen u liefhebben oom; zijzalwijs worden; maar wees niet te gestreng tegen haar!?”
Van Barneveld ziet hem eensklaps aan alsof hij wil vragen: wasikgestreng tegen háár? Gij die mij kent, hébt gij van dezen avond mijn zelfbeheersching niet gezien?—Maar, zonder spreken ziet hij weer voor zich neer, en dan:
“Ik wenschte nu dat je heengingt August; nóg eens, je vrouw staat te wachten.”
“Maar Evazalwachten oom! Zonder de zekerheid dat ik nog altijd uw liefde en achting bezit, kan ik niet heengaan. Waardoor heb ik die liefde verbeurd? Waarin heb ik moedwillig uw hoop bedrogen? Als man van eer verzeker ik u dat ik nooit met Coba’s hart heb gespeeld, en zelfs, tot het oogenblik, waarin u mij uw vermoeden meedeeldet, is het denkbeeld aan demogelijkheidniet eens in mij opgekomen. U gelooft mij oom....? U gelooft me, niewaar?”
Van Barneveld antwoordt niet; maar juist in dat zwijgen vindt Helmond zijn vrijbrief. Hij vervolgt:
“En,moesthet nu al waarheid wezen dat ik geheel ondanks mij zelven aan uw dierbaar kind een dieper gevoel heb ingeboezemd dan we vermoedden, wat ik u bidden mag, laat mijn Eva dan toch buiten die teedere zaak. Immers, toen ik reeds haar jawoord ontvangen had, toen wist ze ternauwernood dat de lieve Coba bestond. En bovendien, haar aard is te edel om gelukkig te kunnen zijn ten koste van een andere. Is zij dan wat veeleischend misschien, bedenk ook dat Eva geen hart zou hebben aangenomen ’t welk haar niet in den uitgestreksten zin alleen toebehoorde. Verdenk dus mijn Eva niet. Maar ook, om mijnentwil vergeef mijn jonge vrouw, die niet in uw goede leerschool werd grootgebracht, wanneer ze eens vergeet....”
Eva gekleed met hoed en sjaal heeft de deur van Van Barnevelds kamer geopend, en den drempel overschrijdend, zegt ze nu tamelijk luid:
“Ik geloof August, dat alleen dejonge vrouwiets te vergeven heeft, wanneer men haar gedurende een paar urengeheel en al vergeet.”
“Eva....!”
Van Barneveld heeft eensklaps met vlammenden blik naar Eva omgezien; doch, nu zegt hij bedaard:
“August.... je hebt het gehoord.”
“Maar ik had met oom te spreken Eva.”
“Leert mijnheer Van Barneveld misschien dat men ter wille van zulk een gesprek, eerst zijnjonge vrouwmet een vreemde, en later in holle kamers bij nachtlicht geheel alleen zal laten?”
“Eva, ik verzoek je....”
“....Te begrijpen August, dat men zulk een les niet opvolgt, en althans niet wanneer de zeer wellevende leermeester, die vrouwde deur heeft gewezen.”
Van Barneveld steeds in zijn armstoel gezeten, grijpt een pen, stoot die eenige malen met kracht op de tafel, en dan, als hij haar gansch gespleten wegwerpt zegt hij zacht doch met klem:
“August, je kent me: Ga nu heen.”
“Oom, ik kan....”
Van Barneveld reikt hem van terzij, met afgewend gelaat, de hand, en ’t klinkt weer zacht:
“Laat dit eindigen; om Godswil, ga heen!”
Eva komt den generaal een schrede nader, en met een stem die bits kon heeten indien ze niet door een natuurlijke welluidendheid werd getemperd, zegt ze:
“Ik heb begrepen mijnheer Van Barneveld, dat het eindigen zou nog vóórdat het begonnen was. Dezen avond wilde ik zekerheid hebben, en....”
“Eva, kom, wij gaan.... Bedenk tegen wien....”
“Ik bedenk dat zeer goed, en wil dien ouden heer ook volstrekt geen kwaad August; ja zelfs ik zal je niet weerhouden hem lief te hebben zooveel je dat kunt. Maar, heb ik zelve nog straks zijn eer tegenover dien vreemde trachten op te houden; nú tegenover hem zelf, en bij ons laatste samenzijn, nuwilik spreken: Ik heb altijd vermoed mijnheer de generaal, dat het zoo eindigen moest, en wel.... omdat mijn karakter nooit sterker in opstand kwam dan wanneer hettrots, gepaard metschrielheid, ontmoette. Mijn ondervinding....”
“Eva zwijg!” roept Helmond hevig: “bij God, dat gaat te ver....”
De oude generaal heeft nogmaals en krachtig gestreden, maar ook nogmaals—tegenover eenvrouw, zich zelf overwonnen. Nu opgestaan, zich zijwaarts tot Eva keerend, zonder haar echter aan te zien, zegt hij met een zeer merkbaar gekunstelde bedaardheid:
“Wil me uw ervaringen sparen mevrouw. Met mijn leeftijd zou ik driemaal uw vader kunnen zijn. Mijn trots en schrielheid....”
“Oom ik bid u, zij bedoelde....”
“Zij bedoelde mijntrotsenschrielheidAugust, en daarom.... dáárom....” Doch de grijsaard kon niet verder spreken. Zijn lippen trilden; de stem stokte hem in de keel. Helmond greep zijn hand, maar als hij met de andere ijlings een glas water wil inschenken, dan vermant zich de oude krijgsman voor ’t laatst, en zegt op zachtgebiedenden toon, terwijl August Goddank, nog zijn handdruk gevoelen mag:
“Laat me.... nu alleen.... of.... of ik vergeet....—Voort Helmond, voort!”
En August, wankelend tusschen den verguisden pleegvader en zijn gekrenkte maar onberaden echtgenoote, werpt een gestrengen blik op Eva, en ze vlucht voor dien blik terug naar de deur. En de grijsaard, neervallend in zijn zetel, bedekt met beide handen het gloeiend gelaat, en murmelt met tranen in zijn heesche stem:
“O God, dit alles op mijn ouden dag! Heb ik dat aan hen verdiend! Groote God, moest ik dit nog beleven!”
ZESTIENDE HOOFDSTUK.’t Was den jongen dokter bij ’t naar huis keeren alsof de starren hem treurig toeriepen dat de zon voor altijd was ondergegaan.—Ach! is dan de vrouw, die daar aan zijn zijde treedt, de schoone zoetgeurende bloem, die hij op zijn pad gedacht heeft te vinden? Is zij de teedere zachte; de stille bescheidene; de tevredene eenswillende de plooiende nederige levensgezellin, die hij voor ’t eerst met een kwijnende plooi om den fijnbesneden mond onder den meidoorn heeft begroet? Hoe! is dan de vrouw, die daar zonder spreken als een donkere massa nevens hem voortgaat, en van wie het hem goeddeed dat zij straks den noode aangeboden arm versmaadde, is zij dezelfde, wier eerste kus hem voor luttele maanden de grootste zaligheid schonk, wier hemelsche oogen hem spraken van een eeuwigdurende liefde; wier mondje hem zoo dikwijls de zoetste woordjes had toegefluisterd en zoo plechtig verzekerd: dat het eenig geluk zou wezen, met en voor hem te leven!—Heeft hij zich dan zóó bedrogen!?—Welk een aard stak er dan in die schoon gevormde vrouw? Ongevoelig en vermetel, jaonbeschaamdheeft ze den edelen pleegvader grofheden gezegd die.... O God, ’t is ongelooflijk dat zóó iets geschieden kon.—Is het wel waarlijk gebeurd? Heeft geen droom hem begoocheld? Neen, het is geen droom.—Daar gaat ze; nu bijna geheel aan de overzij van den straatweg.—Spreekt ze? Neen, ’t Is het fladderen der zijden linten van haar hoed in den avondwind.—Toch meent hij te hooren....?—Neen, spreken doet ze niet. Is het klappertanden....?“Eva!”Geen antwoord.Hij treedt naar den overkant van den weg haar terzij, en dan, na een oogenblik zwijgens:“Wil je me vasthouden Eva?”Nog geen antwoord; maar duidelijk hoort Helmond nu het gerikkel en het geklepper van haar tanden.“Geef me den arm Eva!”“Ik dank je August;” zegt Eva, bijna onhoorbaar, terwijl ze zich geweld doet om het tandengeklapper te bedwingen.“’t Zou toch gemakkelijker voor je zijn; ’t is nog een heele wandeling.”Eva antwoordt niet, maar denkt: En bij dendierbarenpleegvader staan drie paarden op stal, en zit een koetsier te luieren in de keuken!—Die goede pleegzoon! hij wil mij gaarne den arm geven, bevreesd misschien dat mij hier op den weg iets overkomen zal. Geen nood, zoo erg is het niet. Zou het mij bij zijn aanraking niet zijn alsof ik nogmaals den dolksteek zijner oogen gevoelde? Zulk een blik! Op mij.... zijn “liefste”, zijn “eenige”, zijn “geluk voor altoos”. O! mag dankbaarheid dan zóó verblinden? Zou een man die waarachtig zijn grootsten schat vindt in de liefde zijner jonge vrouw, zou hij zich aanstonds zóó kunnen stellen tegenover haar, en aan de zij van een bekrompen autocraat!“Of ik koud ben August? Ja,koud, verschrikkelijk!”“Ik begrijp het Eva, je hebt....”“Ik heb je ijskoude oogen gezien August. Nee, laat me, ik wil alleen gaan.”“Eva, we hebben onlangs van een kind gelezen, dat bij het naderen van een trein op de rails speelde. De vader schoot toe en greep het kind met ijzeren vuist. Het kind schreide want de vader had het zeergedaan.... Maar zeg, die ijzeren vuist getuigde zij voor de liefde van dien vader.... of....?”Eva antwoordde niet.Had dokter Helmond dan vergeten dat hij zijn patiënten gedurende een heete koorts geen versterkende middelen toedient, en heeft hij niet doordacht dat zijn overtuigend woord in deze oogenblikken zou zijn als olie geworpen in het vuur?—Dat gaat te ver, prevelt Eva binnensmonds. Ei!ikben dus het domme onwijze kind dat zelfs niet weet waar het speelt,ik! terwijl inderdaad de hoogwijze echtgenoot, die zoo beschermend de hand naar de onnoozele uitstrekt, met blindheid is geslagen en ten koste zijner jonge vrouw de partij trekt van een schrielen laatdunkenden voogd!Toen dokter Helmond en zijn vrouw waren thuis gekomen, en mevrouw Van Hake nog eens even naar den welstand van juffrouw Van Barneveld kwam vragen, om meteen zoo ongemerkt te zien of ze Eva ook in ’t een of ander behulpzaam kon wezen, toen bespeurde zij al spoedig dat het bezoek opDe Zonsbergde jonge echtgenooten niet vroolijk gestemd had.Zij achtte het echter verstandig daarvan niet te doen blijken; maar, nadat Helmond nog even in de apotheek was gegaan, zocht ze Eva een weinig te verstrooien door haar op vriendelijken toon over een huishoudelijke aangelegenheid te raadplegen, terwijl ze later, alvorens te vertrekken, een schoteltje aardbeien uit een buffetkastjete voorschijn haalde, met verzoek om dokter met deze eerstelingen eens bij ’t souper te verrassen. Mevrouw Van Hake had ze zelve van een tuinman gekregen aan wiens dochtertje zij ’t naaien leerde. Maar Eva mocht daar niets van zeggen.En het betere, het edele in Eva fonkelde nu weder in haar oog, terwijl ze daar peinst:—De arme ziel! Zij die zoo weinig, neen dienietsbezit in de wereld, zij kon wel aanstonds wegschenken ’tgeen men haar uit dankbaarheid heeft aangeboden. En, niet uithaarnaam moet ik ze geven, maar zij wil dat ik ze August zal voorzetten alsof ik zelve bedacht had hem er mee te verrassen.—O! zeker, ’t is een lief en goed mensch die arme vrouw.—Welk een onderscheid met dien nabob vanDe Zonsberg! Uit haar attentie—hoe gering op zich zelve—spreekt liefde voor ons, en hartelijke gulheid.En, bijna overluid zegt Eva, met de oogen in de richting der deur door welke mevrouw Van Hake zooeven de kamer verliet: Goed schepsel, arme sukkel, je had met je ananas-aardbeien op geen beter moment voor den dag kunnen komen. We zijn vriendinnen hoor, vriendinnen voor altijd! En dan, met een blik op de mooie vruchten: Maar mijnheer Helmond zal van avond geen aardbeien eten. Immers, er was reeds verkoeling genoeg!En Eva borg de heerlijke donkerroode vruchten weer in de kleine buffetkast.Weinige oogenblikken later ziet ze luisterend op. Een rijtuig—in den aanvang nog zeer van verre—komt al nader en nader, en doen de huizen der stille Hoenderveldstraat beven en trillen; verschrikt misschien over zulk een onverwacht bezoek in den laten avond.Hoor, het rijtuig houdt voor de achterdeur stil.Eenige minuten later komt Helmond uit de apotheek terug en zegt:“Mijnheer Debecque laat me opDe Poelhalen Eva. Zijn zoon, die voor een paar dagen was thuisgekomen, is ziek geworden.De Poelis drie kwartier rijdens; ’t zal dus laat worden eer ik terug ben. Jij moet maar naar bed gaan Eva.”“O, als je dat liever hebt.....”“Laat opblijven is niet gezond.”“Och, die gezondheid zal wel zoo schrikkelijk zwaar niet meer wegen.”Helmond ziet haar een oogenblik stilzwijgend aan. Nu gaat hij in de gang; maar komt ook spoedig, met zijn overjas aan en tot vertrekken gereed, in de huiskamer terug:“Slaap wel Eva.”—Neen, die koude duldt ze niet langer. Nu ze den geliefde daar gereed ziet om haar voor ’t eerst op zulk een vergevorderd uur, hoewel slechts voor korten tijd te verlaten, nu komt een zekere avond-weekheid—en vooral na een overspanning als die der laatste uren—zich huwen aan haar liefde voor den echtvriend; en dan, ofschoon met groote zelfoverwinning—want dien ijskoudenblik kan ze niet vergeten—zegt ze, terwijl ze op het gereedstaande avondbrood wijst:“Ik zou toch eerst iets eten Helmond.”“Nee..... dankje. Ik heb geen trek Eva.—Ik zeg..... wacht me niet; ’t kan wel één uur worden eer ik terug ben.”“Dan zou ik toch zeker eerst nog iets eten.”—Zij gaat naar het buffetkastje; opent het, en..... neen, ze doet het weer dicht. Maar zie, als Helmond haar straks is genaderd, en haar een zoen ten afscheid zal geven, omdat.... omdat hij het nu voor ’t allereerst toch niet laten wil, zie, dan heeft ze den kleinen schotel met aardbeien reeds in de hand, en zegt ze met bijzonder welluidende stem:“Als je er van deze wat bijnaamt August, hé? Een klein stukje brood?”“Eva.... hadt je die voor mij.... die prachtige aardbeien?”“Nee August, niet ik....”“O, dan heeft oom ze gezonden.—Al gisteren had Coba gezegd....”Eva legt haar vinger op den mond:“Stil, niet te voorbarig August. Mijnheer Van Barneveld is er waarlijk onschuldig aan.—Nee, ze zijn van eenarmeweduwe, die ze uit haar eigen mond voor je spaarde, en, die zelfs wenschte dat ik haarnaamniet zou noemen.”’t Was een prachtige lente-avond of lentenacht; prachtig inzonderheid voor wie, zooals dokter Helmond, zeer gemakkelijk in het grijs damast eener overheerlijke coupee—gevrijwaard voor de kou, die dit jaar zeer lang bleef aanhouden—zachtkens geschommeld, het schoon daarbuiten genieten mocht.De koetspaarden van mijnheer Debecque vlogen over den straatweg; en, door het portierglas heen zag Helmond, hoe de straks gerezen volle maan hen najoeg als op donzen wiek door het grauw azuur, terwijl ze velden en heuvels en bosschen, al dommelend of slapend in breede schaduwen, hier en ginds met haar phantastisch zilverlicht, deeddroomenvan den klaarlichten dag.En zie, nu Helmond reeds lang heeft getuurd naar die zacht glanzende maan, meest in volle klaarheid voortjagend aan den wolkeloozen hemel, maar gedurig ook wegschuilend achter takken en blaadjes, waardoor zij zoo tooverachtig heenblonk alsof ze oude sprookjes vertellen wilde.... zie, nu giet zij eensklaps haar bleeken glans over den zijmuur van een deftig landhuis, terwijl zij het hooge ijzeren hek aan den straatweg met matte blinklichtjes flikkeren doet.Dat isDe Zonsberg.’t Is niet vreemd dat Helmond eensklaps in levendige trekken het beeld van den grijzen pleegvader voor oogen heeft.En weer,—maar sterker dan te voren, komt de vraag hem bestoken: Bezit die waardige grijsaard dan inderdaad de gebreken waarvan Eva hem zoo overmoedig durft betichten? Is hij dan werkelijk trotsch....?—Neen neen, dat kan niet waar zijn.—En toch, sprak hij nietmeermalen dat woord; Er zijn standen en rangen door God verordineerd. Wie huwt buiten zijn stand verbreekt de ordonnantiën Gods!—En wanneer men dan daarmee zijn houding tegenover den armen Philip in verband brengt! ’t Was toch zijn wil geweest dat de vurige knaap, het meisje aan wie hij reeds zijn woord van trouw, en helaas ook het recht op zijn naam had gegeven, dat hij haar dien naam zou onthouden; dat hij haar verstooten zou omdat— omdat er standen zijn.... ha! rangen, hooger en lager, bepaald naar de geboorte der menschen.—O, den man dien men van kind afaan schier als het middelpunt der wereld, als den edelste der menschen, als den weldoener, den steun van zijn leven leerde beschouwen, zulk een ziet men zoo moeielijk anders dan bij den glans der aureole, waarmee wij hem zelf vol geestdrift tooiden. Maar toch, peinst Helmond voort, reeds zoo dikwijls heeft het mij strijd gekost om het denkbeeld te verjagen, dat er inderdaad op den bodem van dat hart een trots zetelt, die slechts op de gelegenheid wacht om zich naar waarheid te toonen.—Zou dan die vrees voor Eva’s zucht naar grootheid, zouden zijn bedenkingen tegen mijn keuze, inderdaad de uitvloeisels van dien trots zijn geweest, ofschoon hij het steeds te verbergen zoekt? Oom is goed voor iedereen, maar zijn toon klinkt meestal gestreng; tegenspraak duldt hij niet, en gemeenzaam met zijn minderen is hij nooit.—En dat andere....? Maar neen, mijn gansche leven, alles wat ik ben, ’t is immers het klinkendst protest tegen zulk een beschuldiging.—Hij, de weldoener, de grootmoedige, die zelfs twee arme knaapjes tot zich nam, hij zou de kiem in het hart dragen van dien wortel van alle kwaad?Helmond weet niet meer waaraan hij later een geruimen tijd heeft gedacht. Onder ’t voortrijden zag hij wel, dat kleine zwarte wolkjes nu en dan de maan hebben befloerst, maar wánneer dat begonnen is.... hij weet het niet. ’t Is aanstonds een heele boel donkerder wanneer zoo’n wolkje de glanzende nachtvorstin in den weg treedt; doch zie, doorschijnender vluchten de laatste vlokjes reeds heen, en voorzeker, wanneer het dan weer helder en licht is—neen, dan komen weer andere veel grootere vlokken en wolken, en, de maan zal ’t verliezen in den kamp, want..... de lucht gaat betrekken.Straks in de lanen van het landgoedDe Poelwas het,—ofschoon geen donkere nacht, toch in geen geval helder.—Mijn Eva ziet scherp en met onbevangen blik, peinst Helmond, terwijl hij in het dommelig zwart voor zich heen staart: Onverstandig, berispelijk zelfs was haar overmoed; maar ongelijk, inderdaad ongelijk heeft ze niet.Aan een kleinen zwaai van het rijtuig en aan het knoerpen der wielen en paardenhoeven in ’t kiezel zand, bespeurt Helmond dat men den oprit vanDe Poelheeft bereikt. Eenige oogenblikken later stapt hij de coupee uit, en treedt de vestibule van het fraaie landhuis binnen.De oude baron Debecque ontvangt den dokter in de vestibule. Men heeft zijn komst met verlangen tegemoet gezien. Eergisteren is Archibald—de voorzoon van mevrouw Debecque, een charmantejongen, die voor zes jaren geheel vrijwillig, maar zeer tegen den zin zijner familie naar de Oost was gegaan,—met overplaatsing bij het leger in Nederland, uit Indië in de ouderlijke woning teruggekomen.“Vandaag,” zoo geeft Debecque eenigszins gejaagd de verdere inlichting: “vandaag, vooral van avond, zag hij vreeselijk bleek; fameuze pijn in de zij; belemmerde ademhaling; koortsig; mama zeer ongerust, natuurlijk!—Vooral niets laten blijken indien er gevaar mocht wezen.—Jawel op die kamer; ga binnen dokter.”Archibald Hardenborg, omtrent zes en twintig jaren oud, had een bijzonder gunstig voorkomen; men kon hem gerust een type van mannelijke schoonheid noemen. Nú, zooals hij daar met de donkerblonde krulharen om het eenigszins bleek gelaat in het kussen neerligt, nu zal men het eerste wel aanstonds toestemmen, doch waarschijnlijk het tweede niet zoo gereedelijk beamen.Helmond groet mevrouw Debecque, die zwijgend een welkomstteeken heeft gegeven, en gaat dan aanstonds naar het ledikant.“Ah zoo, ben je daar menheer Helmond;” zegt de zieke tamelijk snel, ofschoon het te hooren is dat hij moeite heeft om zoo rad te spreken: “Mama’s troetelgodin, de lieve Hollandsche lente, heeft me leelijk in m’n wiek geschoten.—’t Spijt me dat ik je.... derangeeren moet.—Links in de zij, jawel.—Een pols als een gangklok.... Volstrekt geen kwaad bij.... Hoor je wel mama.... ’t is niemendal!”“Wees zoo goed luitenant! u niet te veel met spreken in te spannen, ’t Valt u moeielijk niewaar?”“Als je me nu vroeg om bijvoorbeeld een “Grace” uit de Robert of zoo iets te zingen, dan ja.... ai!.... Nee nee, ’t is zoo erg niet.”“Heb je weer meer pijn?” vraagt de oude baron, en ziet beurtelings zijn zoon en dokter Helmond aan.“Om u de waarheid te zeggen papa, daar hou ik zoo precies geen boek van. ’t Is in alle geval een allemachtig mooie bestiering, dat een patiënt z’n rantsoen pijn niet voor de heele expeditie opeens.... te.... dragen krijgt.”Bij de laatste woorden, half lachend gesproken, bemerkte Helmond opnieuw dat dit schertsend spreken—waarschijnlijk het gevolg van een doorgaans vroolijken aard, en ter geruststelling zijner moeder—den patiënt meer moeite kost dan hij weten wilde. Archibald wendde het gelaat naar de binnenzij van het ledikant, en Helmond vernam voor niemand dan hém verstaanbaar de woorden:“Een pleuris hé? Zeg aan mama dat het niets te beduiden heeft.”Mevrouw Debecque was een eenigszins vreemd, schichtig, lief leelijk mensch van ruim vijftig jaren.Als de echtgenoot van den steeds galanten en doorgaans opgeruimden ouden baron, diezelfeen goed gevormd gelaat had, waarover iets blank-zilverachtigs verspreid lag; als de echtgenoot van zulk een man, moest mevrouw Debecque, op wie haar voor ’t eerst ontmoette, wel een zonderlingen indruk maken.Ofschoon van patricische, maar niet van adellijke afkomst, hadmevrouw Debecque eenzeerburgerlijk voorkomen. Wat echter de minder schoone weduwe van den kapitein Hardenborg, vooral in de oogen van den baron Debecque tot een zeer wenschelijke partij heeft gemaakt, was de omstandigheid dat mevrouw Hardenborg, geboren Rebecca Fontayn, een zeer groot vermogen bezat; en, dewijl de baron na den dood zijner eerste vrouw—die hem een paar huwbare dochters had nagelaten—zich in groote financieele moeielijkheden bevond, zoo was hij verstandig genoeg geweest om te zorgen “dat hij baron kon blijven” ten einde ook aan zijne dochters, namens de tweede mama, een huwelijksgift te kunnen aanbieden, eenigszins geëvenredigd aan haar stand.Nochtans, hoewel Debecque “baron en vader was in de eerste plaats”, en ofschoon hij nog geenszins ongevoelig mocht heeten voor vrouwelijk schoon, hij was te zeeredelman, om zijn woord van trouw aan de weduwe Hardenborg te schenden, of voor haar toenmaals tienjarig zoontje Archibald, liefde te huichelen, indien hij niet werkelijk dat aardige kind als zijn eigen had liefgekregen.Debecque heeft aan zijn tweede vrouw nooit gezegd dat hij haar “vurig beminde” of dat hij haar “schoon vond”, maar somwijlen slechts dat “die beste lieve Archibald, waarlijk wel wat op zijn moeder geleek”.En immers, zoo iets te hooren, het was voor die moeder reeds meer dan zij wenschen kon.Toen Archibald op twintigjarigen leeftijd officier is geworden, toen heeft mevrouw Debecque de zwaarste slag van haar leven getroffen. Met zijn vurigen aard, had haar jongen rust noch duur gekend eer hij den steeds gekoesterden maar lang verzwegen wensch zag vervuld, om als officier naar Oost-Indië te vertrekken, waar, zooals hij zeide, de nikker-populatie tenminste van tijd tot tijd nog zorgde dat een Nederlandsch officier zich leerde herinneren waarvoor hij den degen droeg. Met de vaste belofte “dat hij juffrouw Insulinde ’t vaarwel zou toeroepen als ze hem soms wat al te chaude werd, of wanneer ze een van z’n ledematen als liefdepand zou hebben geëischt; met ernstige beloften, ook van “schrijven” en “niet vergeten” en “niet roekeloos wagen” en “altijd maar denken” enz., is Archibald vertrokken, zonder dat ook de invloed van papa Debecque hem heeft kunnen bewegen om af te zien van den altijd gekoesterden wensch.Met Archibalds vertrek was voor de goede vrouw de zon uit het landschap verdwenen.—Zij is aan ’t sukkelen geraakt, en terwijl haar schoonheid daardoor in geen geval had mogen winnen, ging bovendien het schichtige van haar blik zich steeds sterker in haar handelingen openbaren, zoodat zij zeer menschenschuw en dikwijls uiterst zwaarmoedig en zwaartillend geworden is.Doch, sedert een half jaar, toen men het bericht uit de Oost ontving dat Archibald zou terugkomen, is mevrouw Debecque oneindig veel beter geworden; zij sliep veel geruster en was, voor den gewonen beschouwer, dan ook niets anders dan.... een eenigszins vreemd, schichtig, lief leelijk mensch.En nu, twee dagen na Archibalds blijde tehuiskomst, werd hij eensklaps ziek; o goede God, en erger ziek dan men bekennen wilde, ja, dat zag de moeder zeer duidelijk.Dokter Helmond heeft zijn recept geschreven, en geeft verder den noodigen raad. Opstaande zegt hij nu:“Tot morgen jonker. Zoodra de middelen er zijn, trouw innemen, hoor!”Door den baron vooruitgegaan en op het portaal gekomen, voelt Helmond zich eensklaps aan ’t pand van zijn jas trekken.“Dokter, zeg, verberg mij niets: is hij vergiftigd misschien? Door een wraakzuchtige in Indië.....? O God, dat zou verschrikkelijk wezen! Een langzaam werkend vergif?”“Vergiftigd?” zegt Helmond zonder verbazing, want hij weet wel dat mevrouw Debecque zeer sombere oogenblikken heeft: “Nee waarlijk, daar is geen quaestie van mevrouw.”“Och waarlijk niet dokter! Maar mijn kind is toch ziek, ernstig ziek. Zal hij beter worden,zeker?”“We zullen ons best doen om den luitenant weer heel gauw op de been te helpen. Maar, als u je ongerust maakt, en de luitenant het bemerkt, dát doet kwaad, natuurlijk.”“Och, ongerust ben ik niet....” Zeer zachtjes: “Maar hij is heel rijk; en ik ben er zeker van dat er zijn die loeren op zijn geld; jawel!—U zult de drankjes zelf en alleen klaarmaken?—Nu ik zal niet angstig zijn; maar hij is mijn eenig kind, en mijn voornaamste erfgenaam—Een klein beetje loeren ze wel dokter,—jawel, jawel!”Terwijl de coupee weer voorkomt, wil mijnheer Debecque volstrekt dat Helmond even in de huiskamer een glas wijn zal drinken.Helmond herhaalt op Debecque’s vragen zijn verzekering: dat het met den luitenant, naar hij vast vertrouwt, wel spoedig zal terecht komen; bovendien hij heeft een krachtig gestel en een vroolijke natuur, maar.... men kan een ziekte niet vooruitloopen.“Doe toch wat je kunt dokter,” dringt de baron: “je weet niet hoe blij ik was toen ik Archibald weer behouden thuis zag. Mijn vrouw scheen letterlijk een geheel ander mensch geworden; over niets niemendal hebben we eenige tobberij gehad. Je begrijpt me.—Zie, voor ’t geluk van mijn vrouw moet ik zorgen zooveel ik kan; maar bovendien, ik houd van Archibald, waarachtig! Allercharmantste jongen! In één woord, doe wat je kunt. ’t Rijtuig blijft om zoo te zeggen voor je ingespannen. Zijn twee visites daags niet te veel van je tijd gevergd, maak er drie. Zijn consulten noodig.... beslis en handel.—Nee nee, ’t is maar omdat ik die arme vrouw dat kind zoo duizendmaal gun; en.... zelf, jazelfheb ik veel liefs van hem ondervonden. Onder ons gezegd amice, ’t was al mijn plan om ’t mooi gelegenHoeverszathevoor hem te koopen; ’t ligt vijf minuten van hier en vlak aan den straatweg. Niewaar, als hij zich dan een lief mooi vrouwtje koos, zooals bijvoorbeeld een mevrouwtje Helmond;—ja ja dokter, dat is charmant, charmant! eere hebbeje smaak. Ik zeg, als Archibald zoo nabij ons kwam wonen; natuurlijk den dienst quitteerde, en al vast over een tien duizend jaarlijks te beschikken kreeg, niewaar, dat zou voor z’n moeder en ook voor mij een waar genot, een.... Ah, daar hoor ik het rijtuig.—Nu, zooals gezegd is; we stellen het onbepaaldst vertrouwen in je. Doe voor den vroolijken snaak wat je kunt; spaar niets, en wat het rijtuig betreft, je bestelt maar zelf en disponeert er over,—als ’t noodig is hoe meer hoe liever. Adieu! Wel thuis! Respect aan je mooie vrouwtje met haar schrander oog.—Jan, zeg aan Karel dat hij rijdt als de drommel!”Toen Helmond een klein half uur later, terwijl de maan geheel achter donkere wolken verborgen bleef, het groote hek van het nu gansch weggedommelde landhuisDe Zonsbergvoorbijreed, toen dacht hij niet meer aan den nieuwen patiënt, wiens toestand hem ook inderdaad geen reden tot bezorgdheid gaf, maar, voor zijn geest stond daar opnieuw en altijd weder het beeld van den pleegvader.—Neen, er is geen twijfel meer: ofschoon Eva in eerbied is te kort geschoten, en niet zacht, niet vrouwelijk, in één woord nietgoedheeft gehandeld, zij heeft toch den generaal bij zijn ware namen genoemd, niet verblind, zooals hij, door het altijd hoog opzien tegen dien krachtigen krijgsman met zijn vaste principes, of verweekt misschien door het voeden van een wat al te kinderlijke onderwerping en dankbaarheid. Ja, niet slechts is hij hoogmoedig en trotsch, maarschrieldaarenboven. Helaas! het is niet anders.—Hoe! als men twee kinderenaanneemt, twee arme weezen, zal men dan het recht hebben om één dier kinderen—alleen omdat hij zich tegen onzen wil verzet, of ons een ongepast, een beleedigend woord naar het hoofd werpt, terug te stooten in den poel van armoede en gebrek?—Neen, dat is waarachtigwreed! dat is.... —Maar zacht, heeft oom Van Barneveld dan toch niet dikwijls getoond....?—Helaas! dat bezoek bij de familie Debecque zou zelfs niet noodig zijn geweest om Helmond te overtuigen dat Eva scherper heeft gezien dan hij. Immers, een paar uren geleden hebben Eva en Helmond—het eigen pleegkind met zijn jonge vrouw—dezen zelfden weg tevoetafgelegd—het eind vanDe Zonsbergtot aan Romphuizen! En ginds: In het belang van een stiefzoon, wiens dood den baron Debecque tot universeelen erfgenaam van het kolossaal fortuin zijner vrouw zou maken, daar zal het rijtuig van mijnheer de baron om zoo te zeggen steeds ingespannen voor den dokter gereed blijven. Niets,nietsmoet er ontzien worden. En dan, welk een vertrouwen op Helmondskunde! ’t Is daar geen geringschatting der geneeskunst—ofschoon helaas, de resultaten der wetenschap nog altijd te luttel en onbevredigend zijn.—Zie, men stelt er een onbepaald vertrouwen in hem als dokter, wanneer hij handelen zal in ’t belang van den patiënt. ’t Is daar geen uithooren slechts, om straks eigendunkelijk voort te leven met hypothesen zonder voorafgegane studie en degelijk onderzoek.—Welk een onderscheid!Inderdaad, wanneer de wereld het wist, men zou zich moeten schamen: Een man als Debecque, die toch tweeeigendochters heeft, hij bedoelt het welzijn van zijn stiefzoon alsof het zijn eigen leven gold; hij wenscht hem gelukkig te zien en steeds nauwer aan zich te verbinden. Een heerlijk en kostbaar landgoed wil hij hem koopen; een lief mooi vrouwtje wenscht hij hem toe, zonder zich door de gedachte aan een zeer mogelijke vermeerdering der familie te doen weerhouden. En dan, een jaarlijksche toelage van tien duizend gulden zal hij hem gaarne bij zijn huwelijk verzekeren.—Tien duizend gulden! O Eva, Eva! ’t is hard maar ’t woord moet er uit: Je hebt gelijk, oom is schriel, verfoeielijkschriel! De zeer vermogende generaal geeft aan den bevoorrechten pleegzoon een jaarlijksche toelage van driedui... ho, van driehonderd, zegge: drie-honderdgulden. En dan, goeje hemel! de vreugde over de geboorte van een kind; de blijdschap over ’t huwelijksheil van zijn beminden pleegzoon, zal door den schatrijken oud-generaal worden gevierd met een geschenk van honderd gulden!Honderdgulden! Waarlijk, zulk een vreugd is al te uitbundig!—Ja, Eva had toch gelijk toen ze bij ’t vernemen van die “schitterende toezegging”, half blozend half glimlachend fluisterde, dat Helmond tegen dien tijd wel zorgen mocht een fiksche brandkast in huis te hebben.—En dan, tweehonderd gulden voor een huwelijksreis, die veertien dagen zou duren, terwijl dat geld hem nog bovendien als honorarium voor zijn eerste consult was aangerekend! Tweehonderd gulden, terwijl Eva—niet meegeteld de diamanten, die hij haar op dien laatsten morgen heeft gekocht—bijna zóóveel besteden moest om in de geboorteplaats der mode, een weinig comme il faut voor den dag te komen.’t Zijn droeve oogenblikken in ’t leven wanneer een illusie der kindsheid ons ontvalt, wanneer de vereering voor ouders of opvoeders moet plaats maken voor den onbevangen blik van het rijper verstand, en die edelen—die heiligen misschien—weggerukt van hun verheven voetstuk, daar staan als zeer gewone menschen met hun dwaasheden en gebreken.Toen Helmond thuisgekomen, aan Thomas zijn recepten had gegeven om ze aanstonds klaar te maken, toen zag hij al spoedig Eva’s rijkgelokt hoofdje om den hoek der apotheekdeur verschijnen terwijl haar schoone oogen—en zonder eenige terughouding—hem vriendelijk toelonkten. O welke heerlijke schrandere oogen! Jaschrandereoogen; die oude baron heeft het goed gezegd.En wat moest dokter Helmond dan gevoelen nu hij na een avond als deze, in ’t holle van den nacht van een zieke teruggekeerd, niet zooals voorheen een kil en zwijgend tehuis, maar,indat huis een prachtige jonge vrouw mag vinden, die.... gedurende een paar lange uren heeft gewaakt en gewacht, alleen om hem te toonen hoe oprecht en teer ze hem bemint; die hem straks zachtjes toefluistert dat ze er waarlijk berouw van heeft dien ouden man wat al te openhartig te hebben toegesproken, omdat.... haar lieve August hem immers zooveel dank is verschuldigd!O! en nu hij haar zijden lokken voelt wiegen langs zijn wang, en haar zoetste kus hem weer verrukt, ja, nu beseft hij dat er inderdaad op de gansche wereld toch geen is, die hem meer ter harte gaat dan zijn Eva; dat hij slechts leven moet vóór en mét haar; dat hij desnoods ieders liefde zal kunnen missen indien hij slechts zooals nu, het moede hoofd mag vleien aan hare borst, wanneer hij maar rusten mag in haren arm. En terwijl nu die schoone oogen, ofschoon ze slechts van liefde spreken, hem herinneren aan den stond toen hij voor God en de menschen betuigde dat hij zijn vrouw zou liefhebben als zijn eigen lichaam, met verstand; dat hij niet bitter tegen haar zou wezen, maar haar de eere geven als het zwakkere deel; nu zegt hij al spoedig in den zaligen roes der min, na zoo vele uren van zieleleed:“En zul je mij dien naren zwarten blik dan ook vergeven, en vast hem vergeten mijn beste wijfje?”En Eva zoent haar echtvriend weder, terwijl haar zachte hand hem een haarlok van het voorhoofd strijkt.En hij: “O, ik wist het Eva, en geloof mij dan ook,voortaanzullen weEENzijn zooals het behoort. Immers wij zijn elkaar het allernaaste. Nee Eva, zeker, ik trek geen partij meer voor wie mijn liefste zou durven beleedigen. Ik zie den schoonen kant van haar fiksch karakter, en stel dien in ’t licht alsof het mij zelven gold. Zie, en wij onderwijzen dan elkander; ik leer van mijn vrouwtje om zaken en personen, ofschoon in een liefderijken geest, te beschouwen zooals ze werkelijk zijn, en zij....”Op dit oogenblik was het Eva echter niet mogelijk naar een reeds bekendsermoente luisteren. De bekentenis van haar August was dan ook al te verrassend. Met een schalksch lachje valt ze nu in, terwijl ze zijn baard om haar blanken vinger doet krullen:“Ei! als het je dan heusch ernst is om zaken en personen te beschouwen zooals ze zijn, komaan mijn lief Augustje, beken jij dan eens volmondig, dat deze zeer geroemde huiskamer zóó ongelukkig laag van verdieping en zóó akelig doodsch is, dat de vrouw die er haar lieven man, dag aan dag en soms ’s-avonds laat vol ongeduld zal wachten, zich er suf in kniezen of wel een tering op den hals halen moet!”—Een tering!—Dat woord treft Helmond pijnlijk. Wat heeft hij gevreesd toen hij Eva voor ’t eerst onder den meidoorn ontmoette? Een tering! En—Eva ziet wat bleek. Van ’t late opzitten misschien?“Komaan August, beschouw de kamer dan eens zooals zij waarlijk is, en spreek.”“Nu ja, ik wil niet zeggen Eva....”“Nee nee,volmondig!”“Vroolijk is anders Eva, welzeker.”—Haar teer omhelzend: “’t Wordt nu tijd tenminste dat we een andere kamer gaan opzoeken: ’t sloeg daarbuiten al twee.”En terwijl ze samen naar boven gaan—zoo heel vertrouwelijk, hand in hand—zegt Eva zachtjes langs zijn schouder heen:“Ik las van avond toevallig in ’t Romphuizer blaadje, dat hetoud-burgemeestershuisover drie weken geveild, en acht dagen later publiek zal worden verkocht. Heusch, bij Siebold in deGouden Arend.”
’t Was den jongen dokter bij ’t naar huis keeren alsof de starren hem treurig toeriepen dat de zon voor altijd was ondergegaan.—Ach! is dan de vrouw, die daar aan zijn zijde treedt, de schoone zoetgeurende bloem, die hij op zijn pad gedacht heeft te vinden? Is zij de teedere zachte; de stille bescheidene; de tevredene eenswillende de plooiende nederige levensgezellin, die hij voor ’t eerst met een kwijnende plooi om den fijnbesneden mond onder den meidoorn heeft begroet? Hoe! is dan de vrouw, die daar zonder spreken als een donkere massa nevens hem voortgaat, en van wie het hem goeddeed dat zij straks den noode aangeboden arm versmaadde, is zij dezelfde, wier eerste kus hem voor luttele maanden de grootste zaligheid schonk, wier hemelsche oogen hem spraken van een eeuwigdurende liefde; wier mondje hem zoo dikwijls de zoetste woordjes had toegefluisterd en zoo plechtig verzekerd: dat het eenig geluk zou wezen, met en voor hem te leven!
—Heeft hij zich dan zóó bedrogen!?
—Welk een aard stak er dan in die schoon gevormde vrouw? Ongevoelig en vermetel, jaonbeschaamdheeft ze den edelen pleegvader grofheden gezegd die.... O God, ’t is ongelooflijk dat zóó iets geschieden kon.—Is het wel waarlijk gebeurd? Heeft geen droom hem begoocheld? Neen, het is geen droom.—Daar gaat ze; nu bijna geheel aan de overzij van den straatweg.—Spreekt ze? Neen, ’t Is het fladderen der zijden linten van haar hoed in den avondwind.—Toch meent hij te hooren....?—Neen, spreken doet ze niet. Is het klappertanden....?
“Eva!”
Geen antwoord.
Hij treedt naar den overkant van den weg haar terzij, en dan, na een oogenblik zwijgens:
“Wil je me vasthouden Eva?”
Nog geen antwoord; maar duidelijk hoort Helmond nu het gerikkel en het geklepper van haar tanden.
“Geef me den arm Eva!”
“Ik dank je August;” zegt Eva, bijna onhoorbaar, terwijl ze zich geweld doet om het tandengeklapper te bedwingen.
“’t Zou toch gemakkelijker voor je zijn; ’t is nog een heele wandeling.”
Eva antwoordt niet, maar denkt: En bij dendierbarenpleegvader staan drie paarden op stal, en zit een koetsier te luieren in de keuken!—Die goede pleegzoon! hij wil mij gaarne den arm geven, bevreesd misschien dat mij hier op den weg iets overkomen zal. Geen nood, zoo erg is het niet. Zou het mij bij zijn aanraking niet zijn alsof ik nogmaals den dolksteek zijner oogen gevoelde? Zulk een blik! Op mij.... zijn “liefste”, zijn “eenige”, zijn “geluk voor altoos”. O! mag dankbaarheid dan zóó verblinden? Zou een man die waarachtig zijn grootsten schat vindt in de liefde zijner jonge vrouw, zou hij zich aanstonds zóó kunnen stellen tegenover haar, en aan de zij van een bekrompen autocraat!
“Of ik koud ben August? Ja,koud, verschrikkelijk!”
“Ik begrijp het Eva, je hebt....”
“Ik heb je ijskoude oogen gezien August. Nee, laat me, ik wil alleen gaan.”
“Eva, we hebben onlangs van een kind gelezen, dat bij het naderen van een trein op de rails speelde. De vader schoot toe en greep het kind met ijzeren vuist. Het kind schreide want de vader had het zeergedaan.... Maar zeg, die ijzeren vuist getuigde zij voor de liefde van dien vader.... of....?”
Eva antwoordde niet.
Had dokter Helmond dan vergeten dat hij zijn patiënten gedurende een heete koorts geen versterkende middelen toedient, en heeft hij niet doordacht dat zijn overtuigend woord in deze oogenblikken zou zijn als olie geworpen in het vuur?
—Dat gaat te ver, prevelt Eva binnensmonds. Ei!ikben dus het domme onwijze kind dat zelfs niet weet waar het speelt,ik! terwijl inderdaad de hoogwijze echtgenoot, die zoo beschermend de hand naar de onnoozele uitstrekt, met blindheid is geslagen en ten koste zijner jonge vrouw de partij trekt van een schrielen laatdunkenden voogd!
Toen dokter Helmond en zijn vrouw waren thuis gekomen, en mevrouw Van Hake nog eens even naar den welstand van juffrouw Van Barneveld kwam vragen, om meteen zoo ongemerkt te zien of ze Eva ook in ’t een of ander behulpzaam kon wezen, toen bespeurde zij al spoedig dat het bezoek opDe Zonsbergde jonge echtgenooten niet vroolijk gestemd had.
Zij achtte het echter verstandig daarvan niet te doen blijken; maar, nadat Helmond nog even in de apotheek was gegaan, zocht ze Eva een weinig te verstrooien door haar op vriendelijken toon over een huishoudelijke aangelegenheid te raadplegen, terwijl ze later, alvorens te vertrekken, een schoteltje aardbeien uit een buffetkastjete voorschijn haalde, met verzoek om dokter met deze eerstelingen eens bij ’t souper te verrassen. Mevrouw Van Hake had ze zelve van een tuinman gekregen aan wiens dochtertje zij ’t naaien leerde. Maar Eva mocht daar niets van zeggen.
En het betere, het edele in Eva fonkelde nu weder in haar oog, terwijl ze daar peinst:
—De arme ziel! Zij die zoo weinig, neen dienietsbezit in de wereld, zij kon wel aanstonds wegschenken ’tgeen men haar uit dankbaarheid heeft aangeboden. En, niet uithaarnaam moet ik ze geven, maar zij wil dat ik ze August zal voorzetten alsof ik zelve bedacht had hem er mee te verrassen.—O! zeker, ’t is een lief en goed mensch die arme vrouw.—Welk een onderscheid met dien nabob vanDe Zonsberg! Uit haar attentie—hoe gering op zich zelve—spreekt liefde voor ons, en hartelijke gulheid.
En, bijna overluid zegt Eva, met de oogen in de richting der deur door welke mevrouw Van Hake zooeven de kamer verliet: Goed schepsel, arme sukkel, je had met je ananas-aardbeien op geen beter moment voor den dag kunnen komen. We zijn vriendinnen hoor, vriendinnen voor altijd! En dan, met een blik op de mooie vruchten: Maar mijnheer Helmond zal van avond geen aardbeien eten. Immers, er was reeds verkoeling genoeg!
En Eva borg de heerlijke donkerroode vruchten weer in de kleine buffetkast.
Weinige oogenblikken later ziet ze luisterend op. Een rijtuig—in den aanvang nog zeer van verre—komt al nader en nader, en doen de huizen der stille Hoenderveldstraat beven en trillen; verschrikt misschien over zulk een onverwacht bezoek in den laten avond.
Hoor, het rijtuig houdt voor de achterdeur stil.
Eenige minuten later komt Helmond uit de apotheek terug en zegt:
“Mijnheer Debecque laat me opDe Poelhalen Eva. Zijn zoon, die voor een paar dagen was thuisgekomen, is ziek geworden.De Poelis drie kwartier rijdens; ’t zal dus laat worden eer ik terug ben. Jij moet maar naar bed gaan Eva.”
“O, als je dat liever hebt.....”
“Laat opblijven is niet gezond.”
“Och, die gezondheid zal wel zoo schrikkelijk zwaar niet meer wegen.”
Helmond ziet haar een oogenblik stilzwijgend aan. Nu gaat hij in de gang; maar komt ook spoedig, met zijn overjas aan en tot vertrekken gereed, in de huiskamer terug:
“Slaap wel Eva.”
—Neen, die koude duldt ze niet langer. Nu ze den geliefde daar gereed ziet om haar voor ’t eerst op zulk een vergevorderd uur, hoewel slechts voor korten tijd te verlaten, nu komt een zekere avond-weekheid—en vooral na een overspanning als die der laatste uren—zich huwen aan haar liefde voor den echtvriend; en dan, ofschoon met groote zelfoverwinning—want dien ijskoudenblik kan ze niet vergeten—zegt ze, terwijl ze op het gereedstaande avondbrood wijst:
“Ik zou toch eerst iets eten Helmond.”
“Nee..... dankje. Ik heb geen trek Eva.—Ik zeg..... wacht me niet; ’t kan wel één uur worden eer ik terug ben.”
“Dan zou ik toch zeker eerst nog iets eten.”—Zij gaat naar het buffetkastje; opent het, en..... neen, ze doet het weer dicht. Maar zie, als Helmond haar straks is genaderd, en haar een zoen ten afscheid zal geven, omdat.... omdat hij het nu voor ’t allereerst toch niet laten wil, zie, dan heeft ze den kleinen schotel met aardbeien reeds in de hand, en zegt ze met bijzonder welluidende stem:
“Als je er van deze wat bijnaamt August, hé? Een klein stukje brood?”
“Eva.... hadt je die voor mij.... die prachtige aardbeien?”
“Nee August, niet ik....”
“O, dan heeft oom ze gezonden.—Al gisteren had Coba gezegd....”
Eva legt haar vinger op den mond:
“Stil, niet te voorbarig August. Mijnheer Van Barneveld is er waarlijk onschuldig aan.—Nee, ze zijn van eenarmeweduwe, die ze uit haar eigen mond voor je spaarde, en, die zelfs wenschte dat ik haarnaamniet zou noemen.”
’t Was een prachtige lente-avond of lentenacht; prachtig inzonderheid voor wie, zooals dokter Helmond, zeer gemakkelijk in het grijs damast eener overheerlijke coupee—gevrijwaard voor de kou, die dit jaar zeer lang bleef aanhouden—zachtkens geschommeld, het schoon daarbuiten genieten mocht.
De koetspaarden van mijnheer Debecque vlogen over den straatweg; en, door het portierglas heen zag Helmond, hoe de straks gerezen volle maan hen najoeg als op donzen wiek door het grauw azuur, terwijl ze velden en heuvels en bosschen, al dommelend of slapend in breede schaduwen, hier en ginds met haar phantastisch zilverlicht, deeddroomenvan den klaarlichten dag.
En zie, nu Helmond reeds lang heeft getuurd naar die zacht glanzende maan, meest in volle klaarheid voortjagend aan den wolkeloozen hemel, maar gedurig ook wegschuilend achter takken en blaadjes, waardoor zij zoo tooverachtig heenblonk alsof ze oude sprookjes vertellen wilde.... zie, nu giet zij eensklaps haar bleeken glans over den zijmuur van een deftig landhuis, terwijl zij het hooge ijzeren hek aan den straatweg met matte blinklichtjes flikkeren doet.
Dat isDe Zonsberg.
’t Is niet vreemd dat Helmond eensklaps in levendige trekken het beeld van den grijzen pleegvader voor oogen heeft.
En weer,—maar sterker dan te voren, komt de vraag hem bestoken: Bezit die waardige grijsaard dan inderdaad de gebreken waarvan Eva hem zoo overmoedig durft betichten? Is hij dan werkelijk trotsch....?
—Neen neen, dat kan niet waar zijn.—En toch, sprak hij nietmeermalen dat woord; Er zijn standen en rangen door God verordineerd. Wie huwt buiten zijn stand verbreekt de ordonnantiën Gods!—En wanneer men dan daarmee zijn houding tegenover den armen Philip in verband brengt! ’t Was toch zijn wil geweest dat de vurige knaap, het meisje aan wie hij reeds zijn woord van trouw, en helaas ook het recht op zijn naam had gegeven, dat hij haar dien naam zou onthouden; dat hij haar verstooten zou omdat— omdat er standen zijn.... ha! rangen, hooger en lager, bepaald naar de geboorte der menschen.—O, den man dien men van kind afaan schier als het middelpunt der wereld, als den edelste der menschen, als den weldoener, den steun van zijn leven leerde beschouwen, zulk een ziet men zoo moeielijk anders dan bij den glans der aureole, waarmee wij hem zelf vol geestdrift tooiden. Maar toch, peinst Helmond voort, reeds zoo dikwijls heeft het mij strijd gekost om het denkbeeld te verjagen, dat er inderdaad op den bodem van dat hart een trots zetelt, die slechts op de gelegenheid wacht om zich naar waarheid te toonen.—Zou dan die vrees voor Eva’s zucht naar grootheid, zouden zijn bedenkingen tegen mijn keuze, inderdaad de uitvloeisels van dien trots zijn geweest, ofschoon hij het steeds te verbergen zoekt? Oom is goed voor iedereen, maar zijn toon klinkt meestal gestreng; tegenspraak duldt hij niet, en gemeenzaam met zijn minderen is hij nooit.—En dat andere....? Maar neen, mijn gansche leven, alles wat ik ben, ’t is immers het klinkendst protest tegen zulk een beschuldiging.—Hij, de weldoener, de grootmoedige, die zelfs twee arme knaapjes tot zich nam, hij zou de kiem in het hart dragen van dien wortel van alle kwaad?
Helmond weet niet meer waaraan hij later een geruimen tijd heeft gedacht. Onder ’t voortrijden zag hij wel, dat kleine zwarte wolkjes nu en dan de maan hebben befloerst, maar wánneer dat begonnen is.... hij weet het niet. ’t Is aanstonds een heele boel donkerder wanneer zoo’n wolkje de glanzende nachtvorstin in den weg treedt; doch zie, doorschijnender vluchten de laatste vlokjes reeds heen, en voorzeker, wanneer het dan weer helder en licht is—neen, dan komen weer andere veel grootere vlokken en wolken, en, de maan zal ’t verliezen in den kamp, want..... de lucht gaat betrekken.
Straks in de lanen van het landgoedDe Poelwas het,—ofschoon geen donkere nacht, toch in geen geval helder.
—Mijn Eva ziet scherp en met onbevangen blik, peinst Helmond, terwijl hij in het dommelig zwart voor zich heen staart: Onverstandig, berispelijk zelfs was haar overmoed; maar ongelijk, inderdaad ongelijk heeft ze niet.
Aan een kleinen zwaai van het rijtuig en aan het knoerpen der wielen en paardenhoeven in ’t kiezel zand, bespeurt Helmond dat men den oprit vanDe Poelheeft bereikt. Eenige oogenblikken later stapt hij de coupee uit, en treedt de vestibule van het fraaie landhuis binnen.
De oude baron Debecque ontvangt den dokter in de vestibule. Men heeft zijn komst met verlangen tegemoet gezien. Eergisteren is Archibald—de voorzoon van mevrouw Debecque, een charmantejongen, die voor zes jaren geheel vrijwillig, maar zeer tegen den zin zijner familie naar de Oost was gegaan,—met overplaatsing bij het leger in Nederland, uit Indië in de ouderlijke woning teruggekomen.
“Vandaag,” zoo geeft Debecque eenigszins gejaagd de verdere inlichting: “vandaag, vooral van avond, zag hij vreeselijk bleek; fameuze pijn in de zij; belemmerde ademhaling; koortsig; mama zeer ongerust, natuurlijk!—Vooral niets laten blijken indien er gevaar mocht wezen.—Jawel op die kamer; ga binnen dokter.”
Archibald Hardenborg, omtrent zes en twintig jaren oud, had een bijzonder gunstig voorkomen; men kon hem gerust een type van mannelijke schoonheid noemen. Nú, zooals hij daar met de donkerblonde krulharen om het eenigszins bleek gelaat in het kussen neerligt, nu zal men het eerste wel aanstonds toestemmen, doch waarschijnlijk het tweede niet zoo gereedelijk beamen.
Helmond groet mevrouw Debecque, die zwijgend een welkomstteeken heeft gegeven, en gaat dan aanstonds naar het ledikant.
“Ah zoo, ben je daar menheer Helmond;” zegt de zieke tamelijk snel, ofschoon het te hooren is dat hij moeite heeft om zoo rad te spreken: “Mama’s troetelgodin, de lieve Hollandsche lente, heeft me leelijk in m’n wiek geschoten.—’t Spijt me dat ik je.... derangeeren moet.—Links in de zij, jawel.—Een pols als een gangklok.... Volstrekt geen kwaad bij.... Hoor je wel mama.... ’t is niemendal!”
“Wees zoo goed luitenant! u niet te veel met spreken in te spannen, ’t Valt u moeielijk niewaar?”
“Als je me nu vroeg om bijvoorbeeld een “Grace” uit de Robert of zoo iets te zingen, dan ja.... ai!.... Nee nee, ’t is zoo erg niet.”
“Heb je weer meer pijn?” vraagt de oude baron, en ziet beurtelings zijn zoon en dokter Helmond aan.
“Om u de waarheid te zeggen papa, daar hou ik zoo precies geen boek van. ’t Is in alle geval een allemachtig mooie bestiering, dat een patiënt z’n rantsoen pijn niet voor de heele expeditie opeens.... te.... dragen krijgt.”
Bij de laatste woorden, half lachend gesproken, bemerkte Helmond opnieuw dat dit schertsend spreken—waarschijnlijk het gevolg van een doorgaans vroolijken aard, en ter geruststelling zijner moeder—den patiënt meer moeite kost dan hij weten wilde. Archibald wendde het gelaat naar de binnenzij van het ledikant, en Helmond vernam voor niemand dan hém verstaanbaar de woorden:
“Een pleuris hé? Zeg aan mama dat het niets te beduiden heeft.”
Mevrouw Debecque was een eenigszins vreemd, schichtig, lief leelijk mensch van ruim vijftig jaren.
Als de echtgenoot van den steeds galanten en doorgaans opgeruimden ouden baron, diezelfeen goed gevormd gelaat had, waarover iets blank-zilverachtigs verspreid lag; als de echtgenoot van zulk een man, moest mevrouw Debecque, op wie haar voor ’t eerst ontmoette, wel een zonderlingen indruk maken.
Ofschoon van patricische, maar niet van adellijke afkomst, hadmevrouw Debecque eenzeerburgerlijk voorkomen. Wat echter de minder schoone weduwe van den kapitein Hardenborg, vooral in de oogen van den baron Debecque tot een zeer wenschelijke partij heeft gemaakt, was de omstandigheid dat mevrouw Hardenborg, geboren Rebecca Fontayn, een zeer groot vermogen bezat; en, dewijl de baron na den dood zijner eerste vrouw—die hem een paar huwbare dochters had nagelaten—zich in groote financieele moeielijkheden bevond, zoo was hij verstandig genoeg geweest om te zorgen “dat hij baron kon blijven” ten einde ook aan zijne dochters, namens de tweede mama, een huwelijksgift te kunnen aanbieden, eenigszins geëvenredigd aan haar stand.
Nochtans, hoewel Debecque “baron en vader was in de eerste plaats”, en ofschoon hij nog geenszins ongevoelig mocht heeten voor vrouwelijk schoon, hij was te zeeredelman, om zijn woord van trouw aan de weduwe Hardenborg te schenden, of voor haar toenmaals tienjarig zoontje Archibald, liefde te huichelen, indien hij niet werkelijk dat aardige kind als zijn eigen had liefgekregen.
Debecque heeft aan zijn tweede vrouw nooit gezegd dat hij haar “vurig beminde” of dat hij haar “schoon vond”, maar somwijlen slechts dat “die beste lieve Archibald, waarlijk wel wat op zijn moeder geleek”.
En immers, zoo iets te hooren, het was voor die moeder reeds meer dan zij wenschen kon.
Toen Archibald op twintigjarigen leeftijd officier is geworden, toen heeft mevrouw Debecque de zwaarste slag van haar leven getroffen. Met zijn vurigen aard, had haar jongen rust noch duur gekend eer hij den steeds gekoesterden maar lang verzwegen wensch zag vervuld, om als officier naar Oost-Indië te vertrekken, waar, zooals hij zeide, de nikker-populatie tenminste van tijd tot tijd nog zorgde dat een Nederlandsch officier zich leerde herinneren waarvoor hij den degen droeg. Met de vaste belofte “dat hij juffrouw Insulinde ’t vaarwel zou toeroepen als ze hem soms wat al te chaude werd, of wanneer ze een van z’n ledematen als liefdepand zou hebben geëischt; met ernstige beloften, ook van “schrijven” en “niet vergeten” en “niet roekeloos wagen” en “altijd maar denken” enz., is Archibald vertrokken, zonder dat ook de invloed van papa Debecque hem heeft kunnen bewegen om af te zien van den altijd gekoesterden wensch.
Met Archibalds vertrek was voor de goede vrouw de zon uit het landschap verdwenen.—Zij is aan ’t sukkelen geraakt, en terwijl haar schoonheid daardoor in geen geval had mogen winnen, ging bovendien het schichtige van haar blik zich steeds sterker in haar handelingen openbaren, zoodat zij zeer menschenschuw en dikwijls uiterst zwaarmoedig en zwaartillend geworden is.
Doch, sedert een half jaar, toen men het bericht uit de Oost ontving dat Archibald zou terugkomen, is mevrouw Debecque oneindig veel beter geworden; zij sliep veel geruster en was, voor den gewonen beschouwer, dan ook niets anders dan.... een eenigszins vreemd, schichtig, lief leelijk mensch.
En nu, twee dagen na Archibalds blijde tehuiskomst, werd hij eensklaps ziek; o goede God, en erger ziek dan men bekennen wilde, ja, dat zag de moeder zeer duidelijk.
Dokter Helmond heeft zijn recept geschreven, en geeft verder den noodigen raad. Opstaande zegt hij nu:
“Tot morgen jonker. Zoodra de middelen er zijn, trouw innemen, hoor!”
Door den baron vooruitgegaan en op het portaal gekomen, voelt Helmond zich eensklaps aan ’t pand van zijn jas trekken.
“Dokter, zeg, verberg mij niets: is hij vergiftigd misschien? Door een wraakzuchtige in Indië.....? O God, dat zou verschrikkelijk wezen! Een langzaam werkend vergif?”
“Vergiftigd?” zegt Helmond zonder verbazing, want hij weet wel dat mevrouw Debecque zeer sombere oogenblikken heeft: “Nee waarlijk, daar is geen quaestie van mevrouw.”
“Och waarlijk niet dokter! Maar mijn kind is toch ziek, ernstig ziek. Zal hij beter worden,zeker?”
“We zullen ons best doen om den luitenant weer heel gauw op de been te helpen. Maar, als u je ongerust maakt, en de luitenant het bemerkt, dát doet kwaad, natuurlijk.”
“Och, ongerust ben ik niet....” Zeer zachtjes: “Maar hij is heel rijk; en ik ben er zeker van dat er zijn die loeren op zijn geld; jawel!—U zult de drankjes zelf en alleen klaarmaken?—Nu ik zal niet angstig zijn; maar hij is mijn eenig kind, en mijn voornaamste erfgenaam—Een klein beetje loeren ze wel dokter,—jawel, jawel!”
Terwijl de coupee weer voorkomt, wil mijnheer Debecque volstrekt dat Helmond even in de huiskamer een glas wijn zal drinken.
Helmond herhaalt op Debecque’s vragen zijn verzekering: dat het met den luitenant, naar hij vast vertrouwt, wel spoedig zal terecht komen; bovendien hij heeft een krachtig gestel en een vroolijke natuur, maar.... men kan een ziekte niet vooruitloopen.
“Doe toch wat je kunt dokter,” dringt de baron: “je weet niet hoe blij ik was toen ik Archibald weer behouden thuis zag. Mijn vrouw scheen letterlijk een geheel ander mensch geworden; over niets niemendal hebben we eenige tobberij gehad. Je begrijpt me.—Zie, voor ’t geluk van mijn vrouw moet ik zorgen zooveel ik kan; maar bovendien, ik houd van Archibald, waarachtig! Allercharmantste jongen! In één woord, doe wat je kunt. ’t Rijtuig blijft om zoo te zeggen voor je ingespannen. Zijn twee visites daags niet te veel van je tijd gevergd, maak er drie. Zijn consulten noodig.... beslis en handel.—Nee nee, ’t is maar omdat ik die arme vrouw dat kind zoo duizendmaal gun; en.... zelf, jazelfheb ik veel liefs van hem ondervonden. Onder ons gezegd amice, ’t was al mijn plan om ’t mooi gelegenHoeverszathevoor hem te koopen; ’t ligt vijf minuten van hier en vlak aan den straatweg. Niewaar, als hij zich dan een lief mooi vrouwtje koos, zooals bijvoorbeeld een mevrouwtje Helmond;—ja ja dokter, dat is charmant, charmant! eere hebbeje smaak. Ik zeg, als Archibald zoo nabij ons kwam wonen; natuurlijk den dienst quitteerde, en al vast over een tien duizend jaarlijks te beschikken kreeg, niewaar, dat zou voor z’n moeder en ook voor mij een waar genot, een.... Ah, daar hoor ik het rijtuig.—Nu, zooals gezegd is; we stellen het onbepaaldst vertrouwen in je. Doe voor den vroolijken snaak wat je kunt; spaar niets, en wat het rijtuig betreft, je bestelt maar zelf en disponeert er over,—als ’t noodig is hoe meer hoe liever. Adieu! Wel thuis! Respect aan je mooie vrouwtje met haar schrander oog.—Jan, zeg aan Karel dat hij rijdt als de drommel!”
Toen Helmond een klein half uur later, terwijl de maan geheel achter donkere wolken verborgen bleef, het groote hek van het nu gansch weggedommelde landhuisDe Zonsbergvoorbijreed, toen dacht hij niet meer aan den nieuwen patiënt, wiens toestand hem ook inderdaad geen reden tot bezorgdheid gaf, maar, voor zijn geest stond daar opnieuw en altijd weder het beeld van den pleegvader.
—Neen, er is geen twijfel meer: ofschoon Eva in eerbied is te kort geschoten, en niet zacht, niet vrouwelijk, in één woord nietgoedheeft gehandeld, zij heeft toch den generaal bij zijn ware namen genoemd, niet verblind, zooals hij, door het altijd hoog opzien tegen dien krachtigen krijgsman met zijn vaste principes, of verweekt misschien door het voeden van een wat al te kinderlijke onderwerping en dankbaarheid. Ja, niet slechts is hij hoogmoedig en trotsch, maarschrieldaarenboven. Helaas! het is niet anders.
—Hoe! als men twee kinderenaanneemt, twee arme weezen, zal men dan het recht hebben om één dier kinderen—alleen omdat hij zich tegen onzen wil verzet, of ons een ongepast, een beleedigend woord naar het hoofd werpt, terug te stooten in den poel van armoede en gebrek?—Neen, dat is waarachtigwreed! dat is.... —Maar zacht, heeft oom Van Barneveld dan toch niet dikwijls getoond....?
—Helaas! dat bezoek bij de familie Debecque zou zelfs niet noodig zijn geweest om Helmond te overtuigen dat Eva scherper heeft gezien dan hij. Immers, een paar uren geleden hebben Eva en Helmond—het eigen pleegkind met zijn jonge vrouw—dezen zelfden weg tevoetafgelegd—het eind vanDe Zonsbergtot aan Romphuizen! En ginds: In het belang van een stiefzoon, wiens dood den baron Debecque tot universeelen erfgenaam van het kolossaal fortuin zijner vrouw zou maken, daar zal het rijtuig van mijnheer de baron om zoo te zeggen steeds ingespannen voor den dokter gereed blijven. Niets,nietsmoet er ontzien worden. En dan, welk een vertrouwen op Helmondskunde! ’t Is daar geen geringschatting der geneeskunst—ofschoon helaas, de resultaten der wetenschap nog altijd te luttel en onbevredigend zijn.—Zie, men stelt er een onbepaald vertrouwen in hem als dokter, wanneer hij handelen zal in ’t belang van den patiënt. ’t Is daar geen uithooren slechts, om straks eigendunkelijk voort te leven met hypothesen zonder voorafgegane studie en degelijk onderzoek.—Welk een onderscheid!Inderdaad, wanneer de wereld het wist, men zou zich moeten schamen: Een man als Debecque, die toch tweeeigendochters heeft, hij bedoelt het welzijn van zijn stiefzoon alsof het zijn eigen leven gold; hij wenscht hem gelukkig te zien en steeds nauwer aan zich te verbinden. Een heerlijk en kostbaar landgoed wil hij hem koopen; een lief mooi vrouwtje wenscht hij hem toe, zonder zich door de gedachte aan een zeer mogelijke vermeerdering der familie te doen weerhouden. En dan, een jaarlijksche toelage van tien duizend gulden zal hij hem gaarne bij zijn huwelijk verzekeren.—Tien duizend gulden! O Eva, Eva! ’t is hard maar ’t woord moet er uit: Je hebt gelijk, oom is schriel, verfoeielijkschriel! De zeer vermogende generaal geeft aan den bevoorrechten pleegzoon een jaarlijksche toelage van driedui... ho, van driehonderd, zegge: drie-honderdgulden. En dan, goeje hemel! de vreugde over de geboorte van een kind; de blijdschap over ’t huwelijksheil van zijn beminden pleegzoon, zal door den schatrijken oud-generaal worden gevierd met een geschenk van honderd gulden!Honderdgulden! Waarlijk, zulk een vreugd is al te uitbundig!—Ja, Eva had toch gelijk toen ze bij ’t vernemen van die “schitterende toezegging”, half blozend half glimlachend fluisterde, dat Helmond tegen dien tijd wel zorgen mocht een fiksche brandkast in huis te hebben.
—En dan, tweehonderd gulden voor een huwelijksreis, die veertien dagen zou duren, terwijl dat geld hem nog bovendien als honorarium voor zijn eerste consult was aangerekend! Tweehonderd gulden, terwijl Eva—niet meegeteld de diamanten, die hij haar op dien laatsten morgen heeft gekocht—bijna zóóveel besteden moest om in de geboorteplaats der mode, een weinig comme il faut voor den dag te komen.
’t Zijn droeve oogenblikken in ’t leven wanneer een illusie der kindsheid ons ontvalt, wanneer de vereering voor ouders of opvoeders moet plaats maken voor den onbevangen blik van het rijper verstand, en die edelen—die heiligen misschien—weggerukt van hun verheven voetstuk, daar staan als zeer gewone menschen met hun dwaasheden en gebreken.
Toen Helmond thuisgekomen, aan Thomas zijn recepten had gegeven om ze aanstonds klaar te maken, toen zag hij al spoedig Eva’s rijkgelokt hoofdje om den hoek der apotheekdeur verschijnen terwijl haar schoone oogen—en zonder eenige terughouding—hem vriendelijk toelonkten. O welke heerlijke schrandere oogen! Jaschrandereoogen; die oude baron heeft het goed gezegd.
En wat moest dokter Helmond dan gevoelen nu hij na een avond als deze, in ’t holle van den nacht van een zieke teruggekeerd, niet zooals voorheen een kil en zwijgend tehuis, maar,indat huis een prachtige jonge vrouw mag vinden, die.... gedurende een paar lange uren heeft gewaakt en gewacht, alleen om hem te toonen hoe oprecht en teer ze hem bemint; die hem straks zachtjes toefluistert dat ze er waarlijk berouw van heeft dien ouden man wat al te openhartig te hebben toegesproken, omdat.... haar lieve August hem immers zooveel dank is verschuldigd!
O! en nu hij haar zijden lokken voelt wiegen langs zijn wang, en haar zoetste kus hem weer verrukt, ja, nu beseft hij dat er inderdaad op de gansche wereld toch geen is, die hem meer ter harte gaat dan zijn Eva; dat hij slechts leven moet vóór en mét haar; dat hij desnoods ieders liefde zal kunnen missen indien hij slechts zooals nu, het moede hoofd mag vleien aan hare borst, wanneer hij maar rusten mag in haren arm. En terwijl nu die schoone oogen, ofschoon ze slechts van liefde spreken, hem herinneren aan den stond toen hij voor God en de menschen betuigde dat hij zijn vrouw zou liefhebben als zijn eigen lichaam, met verstand; dat hij niet bitter tegen haar zou wezen, maar haar de eere geven als het zwakkere deel; nu zegt hij al spoedig in den zaligen roes der min, na zoo vele uren van zieleleed:
“En zul je mij dien naren zwarten blik dan ook vergeven, en vast hem vergeten mijn beste wijfje?”
En Eva zoent haar echtvriend weder, terwijl haar zachte hand hem een haarlok van het voorhoofd strijkt.
En hij: “O, ik wist het Eva, en geloof mij dan ook,voortaanzullen weEENzijn zooals het behoort. Immers wij zijn elkaar het allernaaste. Nee Eva, zeker, ik trek geen partij meer voor wie mijn liefste zou durven beleedigen. Ik zie den schoonen kant van haar fiksch karakter, en stel dien in ’t licht alsof het mij zelven gold. Zie, en wij onderwijzen dan elkander; ik leer van mijn vrouwtje om zaken en personen, ofschoon in een liefderijken geest, te beschouwen zooals ze werkelijk zijn, en zij....”
Op dit oogenblik was het Eva echter niet mogelijk naar een reeds bekendsermoente luisteren. De bekentenis van haar August was dan ook al te verrassend. Met een schalksch lachje valt ze nu in, terwijl ze zijn baard om haar blanken vinger doet krullen:
“Ei! als het je dan heusch ernst is om zaken en personen te beschouwen zooals ze zijn, komaan mijn lief Augustje, beken jij dan eens volmondig, dat deze zeer geroemde huiskamer zóó ongelukkig laag van verdieping en zóó akelig doodsch is, dat de vrouw die er haar lieven man, dag aan dag en soms ’s-avonds laat vol ongeduld zal wachten, zich er suf in kniezen of wel een tering op den hals halen moet!”
—Een tering!—Dat woord treft Helmond pijnlijk. Wat heeft hij gevreesd toen hij Eva voor ’t eerst onder den meidoorn ontmoette? Een tering! En—Eva ziet wat bleek. Van ’t late opzitten misschien?
“Komaan August, beschouw de kamer dan eens zooals zij waarlijk is, en spreek.”
“Nu ja, ik wil niet zeggen Eva....”
“Nee nee,volmondig!”
“Vroolijk is anders Eva, welzeker.”—Haar teer omhelzend: “’t Wordt nu tijd tenminste dat we een andere kamer gaan opzoeken: ’t sloeg daarbuiten al twee.”
En terwijl ze samen naar boven gaan—zoo heel vertrouwelijk, hand in hand—zegt Eva zachtjes langs zijn schouder heen:
“Ik las van avond toevallig in ’t Romphuizer blaadje, dat hetoud-burgemeestershuisover drie weken geveild, en acht dagen later publiek zal worden verkocht. Heusch, bij Siebold in deGouden Arend.”