DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.Reeds in den vroegen morgen van den 28stenSeptember heerschte er een buitengewone, maar nochtans een fluisterende, en op deteenenloopende levendigheid in het prachtige doktershuis. De groote schuitmet kostelijke bloemen, sierpotten en guirlandes, de Utrechtsche schuit, waarin zich mede een menigte groote en kleinere ruikers bevonden, was aangekomen, en, onder het oppertoezicht van dokter Helmond zelf, haastte men zich nu om werkelijk zijn nieuwe woning voor een goed deel in een lusthof te herscheppen.Het kon niet anders of het hart moest wel feestelijk kloppen wanneer men de vroege herfstzon, na een avond en nacht van regen en wind, zoo vroolijk zag blinken op de heerlijke heester- en bloemgroepen, die met zooveel smaak in de zalen en kleinere vertrekken van het deftige doch riante doktershuis waren gerangschikt.De Utrechtsche bloemist, die het laatste woord over de aanstaande partij in stilte metmevrouwHelmond had gewisseld, heeft toen gezegd, dat mevrouw het nu alsjeblieft maar eens aan hém moest overlaten. Helmond, die daarvan niets vernomen had, moet nu in stilte erkennen dat de bloemist meer gedaan heeft dan hij had durven verwachten, en de feestelijke geur in zijn woning—waartoe de geraniums en oranjebloesems, de reseda’s en heliotropen, ja zelfs tot in het breede marmeren voorhuis, de guirlandes van fijne dennetakjes samenwerkten—werd er in zijn schatting nog door verhoogd.Eva dient nog een weinig geduld te hebben. De serre die voor het orkest werd ingericht, moet nog eerst met de oranjeboomen en de kleinere heesters aan de binnenzij gemaskeerd worden. Hoe netter alles in orde is vóórdat ze beneden komt, hoe gelukkiger ze wezen zal, en ook—hoe eer ze te bewegen zal zijn om nu zoo spoedig mogelijk aan den wensch van haar man te voldoen en oom Van Barneveld een hartelijken zoen te gaan geven. Meer is er niet noodig; August gelooft het zeker: met dien enkelen zoen koopt ze ooms liefde, en herstelt ze wat andersniet te herstellenzou zijn.—Maar wacht, nu wordt het ook tijd dat hij doet watvooralnoodzakelijk is.Haastig naar zijn kamer gegaan, staat Helmond eenige oogenblikken later met twee bijouteriedoozen in de hand, terwijl hij den inhoud ervan nauwkeurig beschouwt. ’t Zijn de twee stel diamanten die men hem ter keuze voor een paar dagen heeft willen toevertrouwen.—Niet langer gedraald, denkt Helmond in ’t eind: Het verschil in prijs staat niet in evenredigheid tot het onderscheid der beide garnituren. ’t Zou immers mogelijk kunnen zijn dat die kleine broche haar toch niet voldeed. Mevrouw Van Leeuwen is de maatstaf, en ik geloof dat de broche der gravin.... Nee, de indruk dient ineens beslissend te zijn. Oom moet in haar oog een halve verkwister worden. En inderdaad, wat maakt dit bagatel op het geheel! Het garnituur zal betaald worden van hetgeen ik nog bezit, en dan, in ’s hemelsnaam, oom zal dan herstellen wat ik vooreerst bezwaarlijk goedmaken kan.—Komaan, deze laatste dwaasheid zal dienen om terug te komen op den weg van ’t verstand.Alvorens nu haastig de doos met het fraaiste garnituur in papieren te wikkelen en er een pakje van te maken, haalt Helmond eenigszins gejaagd—alsof hij bevreesd was dat men hem bespieden zou—een klein apothekersdoosje uit den zak, en neemt er een drietal pillen uit, die hij even haastig gebruikt.—Goddank, hij blijft toch tamelijk wel, en zijn ziekenbezoeken, die echter in den laatsten tijd nog al zeer zijn verminderd, kon hij dagelijks waarnemen; maar toch, daar woelt iets vanbinnen dat niet goed is.—Doch heden, welzeker! wie zou er in zijn plaats niet fiksch en blij zijn; blij vooral dewijl het de feestdag is van een vrouwtje:Als een gazelle rank;Als teedre lelies blank;Met kluistrend alvermogenIn haar blij lachende oogen;En in haar rozenmondDie hem haar min verkondt:Een hemelsch reinen klank!O Eva mijn engel! Ja, eindloos meerDan een schitterend leven, vol roem en eer,Dan de kronen der wereld, dan de schatten der aardZijt gij, zoeteduive, mij lief en waard.Neen, een dichter is Helmond niet; maar met zulk een bekoorlijk wezen, dat men het zijne mag noemen, met een vrouw zoo vol smaak, gevoel en talent, ja dan moest men wel van steen zijn indien men niet somwijlen warm werd en zong. Nochtans ’t was geen verjaarsgedicht, ’t was al eenige weken geleden dat hij zijn hart zoo eens lucht gaf.Nu is het kleine pakje, waarin geen letter schrift was te vinden, gereed. Op de bovenzij schrijft Helmond, terwijl hij in zijn schrift eenige overeenkomst met de hand van den generaal zoekt te leggen:“Aan Mevrouw E. Helmond,Armelo.Op haar verjaardag.”Met het pakje in den zak begeeft Helmond zich nu naar beneden. Eenige oogenblikken dwaalt hij in den tuin—die straks door den Utrechtschen bloemist voor het feest van dezen avond zal ingericht worden—en begeeft zich dan in de kleine straat waar de tuin in uitkomt.Al spoedig daarna wordt er door een knaap aan de voordeur van het doktershuis gescheld.Bus, die de potaarde van de handen slaat, neemt het pakje aan en vraagt:“Van wie kumt dat, manneke?”“Ja dat mocht ik niet zeggen. ’k Gleuf vanDe Zonsberg.”“Zoo! bestig!”In de kleine ontbijtkamer aan den tuin stond Helmond, met eengroote maar fijne bouquet in de hand, op zijn jarige vrouw te wachten. Hij heeft haar doen weten dat alles gereed was.En zie, daar vliegt Eva met een blos van verrukking op het gelaat, de feestelijk getooide ontbijtkamer binnen en haar glimlachenden echtvriend tegemoet:“Olieve besteAugust!” roept ze, nog voordat hij spreken kan, bijna schreiend van vreugde, terwijl ze zich in zijn armen stort: “Dat is te veel! Ja waarlijk al te veel! O beste heerlijke man, wat ben je toch goed! ’t Is meer dan ik had durven denken!”“Ei lieve kind, wanneer alles zoo naar je zin is dan ben ik dubbel tevreden; maar je bent nu heusch wat al te haastig; je gunt me geen tijd lieve wijfje, om je eerst behoorlijk van harte.... ja van ganscher harte....” Helmond had in dezen stond geen woorden meer. Maar waartoe was het ook noodig? Hij sloot haar in zijn armen en zoende haar. O hij zoende haar zoo lang en zoo teer. En als hij haar niet meer zoent, dan sluit hij haar nóg vaster en nog inniger aan ’t hart alsof.... Neen ’t was kinderachtig, ze zijn immers beiden gezond; welzeker gezond en blij. En zie, de zon schijnt vroolijk op haar feest, en.... Doch die bruine beuk daar in ’t pad, staat somber, ja die beuk geeft een te groote schaduw, die beuk moet daar weg. Waarom trof hem nu juist die bruine beuk?—Maar August dacht dit; hij sprak er niet van, hij kon niet spreken.Welnu, daar behoefden ook waarlijk geen wenschen of woorden meer bij.“’t Is zoo prachtig mijn beste hartelijke man!” zegt Eva weder.“We zijn ook al vroeg aan ’t werk geweest mijn jarig wijfje; maar je hadt eigenlijk nog niets mogen zien.”“Nog niets mogen zien van de versieringen in huis, meenje? Maar manlief! dat deed ik ook niet. Nee, trouw aan m’n woord!” Met klimmende en innige verrukking: “Maar het heerlijk prachtige cadeau van mijn arm lief mannetje, dat, dát mocht ik toch wel zien niewaar, zooals het me gezonden werd in mijn wachtende eenzaamheid? O, engel van ’en man, ’t garnituur is zelfs oneindig veel mooier dan dat van mevrouw Van Leeuwen:Oneindig! ’k zag het dadelijk. Die groote brillanten....”“Maar kindlief, wat meen je? Een garnituur? Ik, nee! Wat ik je geven wou; ziehier: ’t is een kleinigheid; een medaillon, zie je wel Eva, met mijn portret.”Eva heeft het medaillon vluchtig bezien.“Och August, als je me bederven gaat dan moetje zelf er den last van dragen; nu dat aardige dingetje ook nog, en met je goeje oogen er in. Dankje schat van ’en man. Maar dit....” en zij haalt het étui uit haar zak te voorschijn: “dit overheerlijke stel, dat is nu juist.... ja zie, dat is nu letterlijk het eenige wat ik begeerde, en dus....”“Maar Eva, je vergist je; dat garnituur kwam niet van mij.”“Watbliefje.... niet van....?”“Nee nee kind, da’s een abuis.”“Abuis! August wát zeg je? Zou ’t bij abuis.... op bezien....?”Helmond zag Eva bleek worden.“Nee, zóó meen ik het niet. ’t Zal je zeker wel door iemand gegeven zijn, tenminste als het je werd gezonden. Is dat het papier waarin het gezeten heeft? Ei, zie dan maar: Aan Mevrouw E. Helmond, Armelo. Op haar verjaardag.”—Eva haalde weer adem.“Maar die hand is me bekend Eva. Welzeker.”“Geen wonder August; ’k vergis me niet: ik hou die hand op ’t oogenblik in de mijne.”“Maar Eva, als ik je nu verzeker dat je je bedriegt.”“Ja lieverdje, dan bedrieg je mezeker, maar uit liefde en met de voortreffelijkste bedoeling. Het bestearmedoktertje kan zóó iets niet geven....”Eensklaps hem nogmaals om den hals vliegend:“Maar nee, foei, foei! dat verdien je niet mijnalles! Dank August hartelijk dank! O ik ben zoo gelukkig!”“Eva, maar waarlijk, dat present zouikje niet gegeven hebben; het moet van iemand anders komen. Het is....”“Och August, schei daar nu mee uit. Van wien zou zóó iets nu kunnen komen! Ik bid je van wien!”“Ja kind, ik weet het niet; maar, als ik dat adres heel goed bezie.... Ja, mij dunkt, ’t is zoo goed als zeker, dan....”“Dan....?”“Zeer mogelijk,zeermogelijk!” herhaalt Helmond terwijl hij schijnbaar met aandacht het adres blijft beschouwen: “Dat moet van hèm zijn; vanDe Zonsberg. Ik houd het er bepaald voor. Jawel een verrassing van oom.”“O goeje hemel August! Schei uit!” roept Eva, terwijl ze eensklaps in een vroolijk schaterlachen uitbarst, waarbij ze de handen omhoog en ineenslaat: “O hemel August.... dat idee!.... ’t is om te stikken. Van oom, van dien schrielen com.... p....peer!” en nogmaals en telkens weder uitproestend in een welluidenden schaterlach: “Een verrassing van oom! Groote hemel August, hoe kon je ’t verzinnen!”Dokter Helmond stond als verslagen. Wat scheelt hem dan, dat hij niet meer heeft kunnen doordenken! De mogelijkheid dezer wending heeft hij niet eens voorzien; en toch ze was zoo hoogstnatuurlijk.—Wat moet hij doen? Haar tot bedaren brengen, haar met zekeren ernst herhalen dat hij die onderstelling gansch niet belachelijk vindt; haar misleiden door de verzekering dat zoo iets juist in het karakter van oom ligt?—Ja, dit alles—helaas ook het laatste—hij beproeft het, maar tevergeefs.’t Is Eva volstrekt onmogelijk om zulk een kostbaar verjaarsgeschenk een oogenblik “vast te knoopen aan hettelwoord Van Barneveld”.—Nee, August moest nu heusch niet langer zoo droog komiek zijn. Zij is dol- en overgelukkig, want ze weet dat ze dit heerlijke geschenk van den eenige heeft van wien ze het gaarne ontvangt, van hem, die door het haar te geven nu reeds voor de honderdste maal heeft getoond dat al die tobberijen inderdaad geen grond hadden; Goddank, dat het slechtstobberijenwaren, wanttot schriele handelingen was haar lieve trouwe man nog nooit vervallen en ook niet instaat.—Nee stil; hij mocht nu niet verder spreken; als August het schitterend effect van zijn verrassing niet bederven wil, dan moet hij althans van dien somberenZonsbergzwijgen; hij moet....“Maar Eva,” zegt Helmond terwijl zijn hoop—op dien valschen grond gebouwd, hem ten eenenmale ontzinkt: “gestelddan eens dat het van oom was, zeg, zou je dán niet....?”“Dan zou ik denken dat de steenen valsch waren, en, valsch of niet, ik zond ze terug!”Helmond verkeert in de grootste spanning:“Eva, ik moet openhartig met je spreken.—Oom heeft.... ja hij heeft me instaat gesteld om dat cadeau voor je te koopen, want ik, waarachtigikkon het niet. Maar daarom bid ik je, doe nu ook wat mij, wat ons allen gelukkig kan maken: Ga mee naarDe Zonsberg; geef oom Van Barneveld een zoen, een hartelijken zoen.... Eva, het feest zal wel doorgaan dezen avond. Ja zeker, maar doe dan ook wat ik wensch.... mijn Eva?”De doktersvrouw ziet haar echtvriend een oogenblik stilzwijgend aan:“Voor een man, beste August, ben je al te weekhartig. Ik zegweekhartigAugust, met een anderen naam wil ik het niet bestempelen. Jij bent te goed. Wie jou slaat op de linkerwang, dien zou jij letterlijk de rechter toedraaien. Zie, da’s heel mooi in theorie, maar in de praktijk heel lastig. Jij bent vandaaggelukkigevenals ik, en nu zou je de heele wereld wel aan je hart willen drukken, ja zelfs den man die je als een kwajongen behandelt.—Stil,ikben jarig, en mag dus wel spreken: Wat jij nu zoudt willen drukken lieve man, omdat je al te goed bent, dat moet jij weten; maar dat je van zoo’n slecht en ijdel individu als je vrouw is, zulk een tour de force zoudt verlangen, dat is onmogelijk. Jij met je goed gezicht, je zoudt misschien al dadelijk neus aan neus met Herrn General aan ’t ombertje gaan zitten; maar ik—dankje; onmogelijk! Ik zou z’n excellentie—brave beste man, ik weet het, garde d’honneur geweest—’k zou ’em zeggen: Eerst hebben we samen een appeltje te schillen ouwe heer. Ga jij daar eens zitten: “Wijvenenonbeschaamde feeksen” wonen in achterbuurten; maar de vrouw van een man, dien men reeds een paar malen met den rang van professor doodverfde; die—zooals ik pas onlangs mocht hooren, voor zijn doctorale promotie een dissertatie schreef, welke als een meesterstuk moet geroemd zijn, een werk waar de heele wereld van spreekt behalve die talentvolle schrijver alleen....”“Eva waartoe dit alles?”Eva vervolgt: “Die vrouw is veel te trotsch om, niet alleen zichzelve, en haar familie die een gravenkroon kan voeren, te zien minachten; maar vooral om hem, dien ze als een afgod vereert,”—zij nadert Helmond snel en slaat haar armen half schreiend om zijn hals—“als een kind, als een nul te zien behandelen, om hem de les te zien lezen, zooals men ’t nog gisteren met dat zotte ultimatum gedaan heeft.—Zulk een brief bewijst inmijnoog dat de schrijver....”“Eva, dat schrijven was misschien niet geheel doordacht, maar toch....” Eensklaps laat Eva haar August los; gaat een paar schreden achteruit, en dan dreigend met den vinger, half lachend half schreiend:“0 ondeugd, ondeugd! ’k Heb het al meer gezegd: knap ben je, een professor, ja, maar voor de comedie deug je niet. Ei ei, baasjelief, dat potsierlijk geschrift kwamóókvanDe Zonsberg; jawel, precies, maar op dezelfde manier als dat stel diamanten! Kom, als je me nu wéér zulke guitenstreekjes uithaalt, dan zou ik nog moeten denken dat je me maar half gunt wat je me goeds geeft. Stil ventje, stil! dat ultimatum kwam van jou, ja ondeugd vanjou!”Helmond kon niet verder gaan. Al ware Eva niet ter regeling van eenige huiselijke aangelegenheden op dit oogenblik buiten de kamer geroepen en ijlings heengesneld, Helmond zou nu toch geen woorden hebben gevonden om haar op gepaste wijze zulk een onzinnig denkbeeld te ontnemen.—Hijzelf,hijHelmond, zou dien brief geschreven hebben!—O God, waar moet het heen indien Eva niet toestemt! Ach, zal ze dan in haar dankbare stemming volstrekt niet willen voldoen aan zijn vurigsten wensch tot haar eigen heil? Hij wil, ja hij zal....“Is mevrouw niet hier Antje?” vraagt hij eenige oogenblikken later, bij ’t binnentreden van de feestelijk getooide en heerlijk geurende oranje-zaal, aan de dienstbode die hem tegenkwam.—Mevrouw was er niet. In gepeins blijft Helmond staan.—Maar wat zal het baten, zoo denkt hij: Indien ze al hier ware, zou ze juisthierooren hebben voor zijn—straks reeds zoo kras door haar verworpen voorstel! Zal ze toegeven, tenzij hij haar terzelfder tijd wilbezwerendat hij zwak was, ellendig zwak, en heden dwazer dan ooit; dat hij armer is dan de bedelaar, die de aalmoes zijn eigendom kan noemen?—Ha! wanneer hij haar met dien eedvermoordenwil op dezen dag!—Helmonds oog wordt schier terzelfder tijd door de morgenwijnen getrokken, die reeds ginder op ’t buffet gereedstaan. Nee ’t is niet goed; maar toch, één glas port zal geen kwaad doen; hij heeft iets noodig, een kleinen prikkel. Zóó rond te loopen den ganschen dag met die onrust in ’t hart en op ’t gelaat, te midden van groen en bloemen, aan de zij van een gelukkige vrouw, die hij tochhedenzeer zeker sparen moet; neen, zóó rond te loopen dat kon niet. Dat enkele glas port zal zijn stemming wat op helderen.Misschien is hij inderdaad ook wel wat al te zwaartillend. Er zijn zeker menschen genoeg die er om lachen zouden indien ze ’t wisten.... Ja, ja, die zijn erzeker.Half in gedachten schenkt Helmond zich een tweede glas in, en ledigt het, strak voor zich heen ziende, in één teug.—’t Is vreemd, een ander zou hij het afraden, en zelf....! Maar te droes, hij zou immers zulk een engel niet waard zijn indien hij haar eersten jaardag.... als zijn wijfje.... als de aanstaande moeder van zijn kind, kon vieren met een tobberig gezicht.—Zijn kind! Ha! Werktuiglijk schenkt Helmond zich nogmaals in; doch,—halt!dat ging zonder nadenken.—Maar ja, waarom niet, dit halve glas kan hij nog drinken. Het fleurt hem op, en—vroolijk moet hij zijn, ja, vroolijk, uitgelaten. Is het dan niet een dubbele schat, dien hij in Eva bezit, een aangebeden vrouw en de moeder van zijn kind!—Waarachtig, Evert Zwaarmuts, zegt Helmond bijna overluid: waarachtig, je hebt somwijlen iets kleins. Ben je geen zoon van een dapper soldaat die sneuvelde voor zijn vaderland! Tobde die man toen hij twee arme duivels zonder geld in de wereld achterliet?—Wees geen kind August. Al was die heele schuld, alles en alles te zamen een ton.... nee, dat is te gek, een halve.... een kwart ton.... ’t Lijkt er niet naar.... ik zeg, enfinal was ’teen kwart ton, dan zijn er tien, twintig, honderd, duizend middelen om zooveel geld te krijgen. O, als ’t dáárom te doen is: opnemen.... rouge et noir.—Nee nee, dat niet. Debecque wist het: boeken schrijven, populair; honderd duizend middelen zijn er..... voor den professor!Daar kwam Eva.“Ha—haha, ben je daar engel, mijn jarige vrouw! Wel wat drommel, zeg jij me nu eens of je ’t hier niet een hemel vindt, een hemel vol bloemengeur, en een hemel aan mijn hart!?”VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.“Waar gaat u heen pa?”“Ik.....? ik ga uit Coba.”“En ’t is al zoo laat.”“’t Weer is van avond zacht.”“’t Was zoel vandaag; ik vrees dat er storm zal komen. Och, blijf maar thuis lieve pa?”“Nee, ik heb behoefte nog eens de lucht in te gaan; ik wil zien.....” het woord stokte Van Barneveld in de keel, en, als wilde hij zich daarover wreken, stootte hij den zwaren rottingstok met kracht op het marmer van de breede gang.“Pa, ik ga mee.”“Jij gaatnietmee; je blijft thuis.”“Ik wilde....”“Je wilde.... Ik zeg:je blijft thuis.”“Palief, maar ik bid u, u waart dezen middag weer zoo benauwd.”“Dat is nu beter; en juist daarvoor is het goed; ik moet lucht hebben.”Na een oogenblik stilte, terwijl hij zich nu eensklaps naar de zij eener kamerdeur wendt; “Kom eens even hier Jacoba. Ik vergat je te vragen.....”“Wat blieft u pa?” zegt Jacoba die haar vader in de kamer gevolgd is.Van Barneveld tikt met den gouden knop van zijn stok even op Coba’s schouder:“Jij weetzekerdat hun partij niet doorgaat?”“Ik?.... Ja, jawel pa, jawel lieve pa, dat weet ik zeker.”“Dat heb je van....?”“Dat weet ik van dominee Hoogerberg. Jawel pa. Nee ziet u, wat dát betreft dat weet ikheel zeker.”“De dokter is ziek niewaar?”“Juist pa. Ja, de arme August is nog al ziek.... Dominee zei dat hijandersvandaag al stellig zou hier zijn geweest, maar, natuurlijk als men ziek is, niewaar lieve pa?”“Natuurlijk!—Dáárom wou ik je zeggen Coba, dat ik besloten heb mijn zieken pleegzoon een bezoek te gaan brengen.—Tot straks.”Jacoba gevoelt dat de krachten haar dreigen te ontzinken; maar toch, ze houdt zich goed. Is er dan niets te bedenken....?—Ha!“Palief; ik vergat u te zeggen dat ik notaris Zoutenheer heb gesproken; hij zou van avond bij u komen, tenminste....”“Tenminste....?”“Tenminste.... hij dacht....”“Wat dacht hij Jacoba? Dat het nu eindelijk tijd zal worden om het testament te veranderen?—Ik zeg je, hij zalnietkomen omdat ik hemnietliet roepen.—Tot straks.”“Maar pa, om Godswil!”“Gods wil is niet de leugen, Coba. Spaar me. Je weet wat ik, sinds ik dat Liederenboek moest vinden, aan mijn eenig kind te vergeven heb, en dagelijks bid dat de Allerhoogste rechter haar vergeven zal.—Laat me gaan.—Nee, weerhoud me nu niet.”“Och papa, mijn lieve papa!”“God zal je vergeven Coba. Hij trad tusschen beiden door den jonkman weg te nemen. Maar anders, ik zeg je kind, óm dien knaap, óm die passie, zou je bij de geringste tegenkanting van je ouden vader, dien vader hebbengehaat. En wie zijn vader of moeder haat....”—Goede God, heeft zij dan niet altijd,altijdgestreden uit liefde voor dien ouden vader! Een enkele blik, een enkel woord van háár aan dien geliefden Donerie, misschien ware het genoeg geweest om hem.... wie weet!—Maar immers, zelfs tot in die laatste ure heeft zij met kracht gestreden.—Doch nu, zij denkt niet aan zich zelve: Zij beeft slechts bij de gedachte dat haar vader, wanneer hij dien “zieke” bezoeken gaat, het feest zal vinden, dat onzalige feest, in vollen gang:“Maar beste vader....!”“Laat mij Coba, nog eens:laat mij gaan!”Geheel Romphuizen was op de been. ’t Was een ongewone vertooning:alde ramen van het oud-burgemeestershuis waren opengebleven,en van de markt- en straatzijde kon men, op de teenen staande, van buiten alles precies zoo duidelijk zien alsof men er binnen was.—Wat ’en licht in die kamers! Nog veel meer kaarsen dan in de kerk op ouwejaarsavond! En bloemen! “Nou!” zei er een uit de groep: “as ze dat in Den Haag wisten dan wier d’r beslag op geleid.”“Rijk Oostinje!” zei een ander.“Baldadigheid zoo’n rikdom!” riep een straatjongen, en sloeg een ondermeester van de armenschool, die zich juist op de toonen verhief, den hoed over de oogen.’t Was een ongewone avond voor de buitenwacht: Gerij en gevlieg. Parade voor de groote lui achter de verlichte glazen. Muziek!—Ja hoor maar, ’t schetterde de heele markt over.“Heerejee,” zei slanke Elsje van den molen tegen haar Jan: “we konden hier op ’et plein wel ’en anevandeu slaan.” Maar Jan zei, dat ie op klompen was.—Hé, ’t leek dan toch prachtig daarbinnen.—Ja prachtig; en ’en schik dat ze hadden! Zie, zie, daar was de doktersvrouw.“Wat ’en staatsie!”“En kiek, dóár is dokter ook.”—“Jawel, zie!”—“Kiek, nou drinken ze, kiek! Allemoal sampanje!”“Geld dat ze hebben!—Tenminste te wachten! Of....!?”“Stil, dring dan zoo niet!”Men kon het niet helpen. Aan de linkerzijde van de groep was plotseling een beweging ontstaan. Men wilde zich verplaatsen. Geen wonder. Ginds aan ’t einde van ’t marktplein bij de Hoenderveldsche straat was een kleine oploop. Men zou alweer wat nieuws zien; en ’t stroomde er met troepen heen. Nochtans, de verwachting van velen werd teleurgesteld. Men zou niet zien; slechts vernemen.Geen vijf minuten geleden was een oud heer, uit de richting van ’t nieuwe doktershuis, het plein afgekomen, en terwijl hij hier even stilgestaan en naar het doktershuis had omgezien, was hij plotseling ineengezakt. Op deze zelfde stoep had ie gezeten.—Gelukkig was de man niet heelemaal van z’n montanen geraakt; en Aalbers en Jut hebben hem onder den arm genomen en naar de apotheek van Van Hake gebracht. Spreken kon ie niet, maar hier had ie gelegen of gezeten, hier opdeze eigenste stoep.—En wie het geweest was?—Ja, dat wist men niet met zekerheid te zeggen. Een van de grootheid buiten de stad, dat was zeker, en naar den ouderdom te rekenen kon het menheer vanDe Zonsbergwel geweest zijn. Alevel, men moest dat weder betwijfelen, want naar alle gedachten zou zoo iemand toch wel bij zijn “naaste bloed wezen als er een vette mond te halen was”.Dirk de slager was echter beter ingelicht. Toen menheer Kippelaan eergisteren lamsbout bij hem bestelde, toen had hij hem in vertrouwen meegedeeld, dat de generaal—die een particuliere vriend van menheer Kippelaan was—schrikkelijk op dokter Helmond moest gebeten zijn, aangezien de generaal het eerst door hém—Kippelaan—had vernomen dat dokter het oud-burgemeestershuis gekocht had. En o jee, er was een heeleboel meer: Dokter hield het op de hand van een broer, die zich slecht gedroeg en gemeenauteurwas geworden.—Men ziet dat Kippelaan den brief aan Woudberg wat haastig had gelezen.—En de majoor Kartenglimp had—mede volgens Kippelaan—gezegd, dat ie heel bang was dat het nog eens slecht met den dokter eindigen zou.—Ja, ja, dat alles kwam goed overeen.—’t Was een rare geschiedenis met dien dokter. God wist of ie dat feest niet van gestolen geld gaf; dat ie misschien zoo’ngeneraalhad bestolen; God wist ’et!—Tenminste zooveel licht als daar brandde in die kamers van het doktershuis, dat was overdaad en waarachtig geen pinksterlicht.De generaal Van Barneveld gevoelt zich—zooals hij zegt—weer geheel beter. Althans hij verlangt nu te vertrekken met de vigilante, die hem tot aan het hek vanDe Zonsbergzal terugbrengen: Niet verder, want bij vreest zijn dochter onnoodig te doen schrikken.De oude generaal maakt zoo flink mogelijk een buiging voor mevrouw Van Hake, en zegt te hopen dat hij haar niet te veel derangeerde. Daarna zich tot Thomas wendend, moet hij mijnheer Van Hake nogmaals zeer bepaald verzoeken om dokter Helmond volstrekt niet van dit ongeval te spreken, en, zoo hij door anderen reeds werd ingelicht, hem ten sterkste een belangstellend bezoek te ontraden: “Ik zou je dezen last niet opdragen menheer,” besloot de generaal: “wanneer ik voor eenige weken niet bespeurd had dat dokter Helmond u zijn intiemste geheimen toevertrouwt. Zeg hem.... dat ik verandering van lucht behoef, en den notaris dezen avond aan zijn feest moest onttrekken om eenige beschikkingen te maken, mede tot verkoop vanDe Zonsberg.”Mevrouw Van Hake aarzelt, maar treedt dan haastig den vertrekkenden grijsaard terzij: doch, als zij spreken wil, dan blijft hij staan; ziet haar met zijn donkergrijze oogen zeer ernstig aan en zegt beleefd:“Het zou mij onaangenaam zijn u iets te moeten weigeren mevrouw.” En dan, op gestrengen toon: “Er was geen genade bij God voor den man, die door een eerste Eva het Paradijs verloor. God zond Zijn Engel met het vlammende zwaard.” En wat zachter: “Ik wensch u toe, vreugde te beleven aan uw eenigen zoon mevrouw.— Goeden nacht!”Toen Van Barneveld door Thomas in het rijtuig werd geholpen, klonken de vroolijke walstonen uit het nieuwe doktershuis over het marktplein tot in de Hoenderveldsche straat; en nadat het portier was gesloten en de paarden in vluggen draf den wal opreden, wierp de grijsaard zich achterover in den hoek van het rijtuig, en sloot de oogen, en drukte de hand op het pijnlijk kloppende hart, terwijl hij bij zich zelven de woorden herhaalde: “Goeden nacht! Ja, goeden nacht!”Eva Helmond had er voor gezorgd dat haar feest niet voor hetfeest der Debecque’s zou onderdoen. Indien zij ’t alles op den lieven August had laten aankomen—ja dán; maar, zij heeft gezorgd; in stilte. Men moest met iemand als Helmond—uit de school van “een gulden heeft tweehonderd halve centen”—niet al te veel redeneeren; men kwam dan aan geen eind. Wanneer August vooruit moest zeggen of men bijvoorbeeld bougies van de zes of vier zou nemen, dan was men zeker dat hij de kleinste kaarsen koos. Altijd goed genoeg! Maar later als het licht dan wat te zwak zou zijn, dan voorzeker, dan zou August er misschien nog meer over tobben dan zij. Met de bloemen heeft Eva al gemerkt dat zij maar heel goed heeft gedaan. August had niets gezegd, en scheen zeer tevreden.—Nu ja, ’t geen hij besteld had, ’t zou ook wat al te armoedig zijn geweest. Zeerzeker, Eva heeft den besten man, die haar nog dezen morgen zoo prachtig verraste—want voor háár berekent hij zoo niet—zij heeft hem heel wat hoofdbrekens bespaard en hem daardoor dezen avond al menig genoeglijke verrassing bezorgd.—De twee nieuwe kronen in de beide zalen, hij vond ze prachtig. Nu ja, gehuurd, maar als ze er ééns hangen; niewaar—!? En dan de vier ombertafeltjes, en de Oostindische fiesjes-doozen! ’t Was immers noodig, want hier, waar geen groot park was, hier wilden de heeren misschien wel graag een partijtje maken, en de beide oude tafeltjes—jawel die zijn uitmuntend voor de gelagkamer inDe Gouden Arend.“Allerliefst! dat is à l’instar de Frascati te Amsterdam. Frisch, delicieus!” zegt mevrouw Narwal, en doopt haar fijn geborduurden zakdoek in de kleine eau-de-cologne-fontein, die de bloemist-decorateur zeer smaakvol tusschen de fijnste potbloemen bij een grooten spiegel heeft aangebracht.“Mevrouw de gravin Van Leeuwen kan nu moeielijk met haar mooie flacon pronken;” fluistert de oudste freule Blankenberge, half lachend maar toch spijtig, terwijl ze behendig het tamelijk groote stopsel van haar ingedoopt zakdoekje voor vlugge oogen onzichtbaar maakt.—Och die povere Blankenbergjes! denkt Eva die het stopsel gezien heeft.“Mevrouw Van Leeuwen is stil;”meent een der nabijstaande heeren.“Ze heeft wat migraine naar ik hoorde;” zegt freule Rosa Narwal, en ziet tegelijk met een spotachtig lachje naar de diamanten broche, waarmee de gastvrouw schittert.Eva zag in den spiegel dat ze ondanks zich zelve bloosde. Ei! de puissant rijke gravin Van Leeuwen had migraine; ei! Dát moet ze aan August vertellen.—Ha! mevrouw Van Leeuwen is stil en heeft migraine!“Volstrekt nietcomme il faut;” zegt de gravin Van Leeuwen zeer zacht tot den Oostindischen majoor Kartenglimp, die dezen avond in uniform de partij met zijn tegenwoordigheid vereert: “’t Vrouwtje is mooi en jong, maar bijzonder geéduqueerd is ze niet. Als gastvrouw zoekt men niet te schitteren zooals zij.”“Ja!” zegt Kartenglimp met een bijzonderen ophaal: “Ja! wat zal ik u antwoorden mevrouw; ik vrees.....”“U vreest.... majoor?”“O, niets anders dan ’t geen u zooeven bedoelde mevrouw.”“Ik?”“’t Geeniedereenvreest. Ik beklaag hem. Jawel, iedereen beklaagt hem. Bon homme!—Ze speelde al een rare rol in Den Haag. Naar men zegt,enfin, naar men zegt....!”“U bedoelt? Ik herinner me niet juist....”“Ja men haalt die zaken liever niet op, maar....”“Nee natuurlijk; maar....?”“Ze moet toen zeer veel geconverseerd hebben met een zekeren jonker Lasure, later getrouwd met een freule Leeuwenhuis. Enfin, juffrouw Armelo kwam toen ziek in Romphuizen terug.”“Ziek....?”“’t Heette toen tering.—Enfin, als hetkindmaar een naam heeft.”“U zegt een k....—O, maar dat zou affreus, dat zou... zoo iets kan ik niet gelooven majoor; nee, wat coquette en jong, zeer jong, maar zóó iets, nee, dat moet laster zijn.”Kartenglimp was te ver gegaan. Ofschoon het doktersvrouwtje in de schatting der gravin Van Leeuwen dezen avond zeer gedaald was;ofschoonde gravin migraine had en zich verveelde, zóó iets wilde ze toch van zulk een bevallig vrouwtje niet gelooven. Die majoor begon haar onaangenaam te worden. Een vrouw van geboorte verdraagt net niet dat een vreemde man haar sekse in een ongunstig daglicht plaatst, en vooral niet iemand op wie die sekse heeft roem gedragen, terwijl die iemand nog daarenboven voor het oogenblik haargastvrouwis.—Ja, Kartenglimp was te ver gegaan; hij heeft vergeten dat hij, wèl naast een praatgrage misschien wat zeer ijdele vijftigjarige vrouw zat, maar niet onder zijn kornuiten.—Nu hij echteraheeft gezegd moet hij ookbzeggen. ’t Zou onverstandig zijn indien hij dit verzuimde.En, terwijl de majoor eenige minuten later—nadat hij de nieuwsgierigheid der gravin zeer gevoelig heeft weten te prikkelen—haar in een hoekje terzij van eenige schoone waaiervormige planten heeft gebracht, mag hij haar onbespied een briefje op rosé papier toonen, een geparfumeerd briefje waaronder zeer duidelijk te lezen staat: “Uw Eva Helmond Van Armeloo,” en waarvan het adres luidt: “Aan den Majoor Kartenglimp.”“Prachtig! prachtig!” riepen al de gasten als uit één mond: “Bis, bis!” drong men van alle zijden.Mijnheer Kippelaan wrong zich letterlijk door de heeren en dames heen, en——Enfin, hij kwam te laat. Eva had zich reeds bereid verklaard om van de idylle, getiteld;Peters-wijfje, nogmaals het slotcouplet te zingen. En, als er weder een ademlooze stilte heerscht,dan klinkt het opnieuw schier betooverend schoon en toch zoo hoogst eenvoudig:“En bij den zomer-avondglans,Als ’t rood nog fonkelt aan den trans.Dan tuurt zijn wijfje. En zie, van verreDaar flikkert spade of zeis als waar’ ’t een gouden sterre,En roept haar vroolijk toe:Hier komt hij kind, van d’arbeid moe;Zet jij nu fluks de brij maar klaar;En straks, mijn beste brave vrouw,Brengt Peter met een kus aan jouZijn dank aan God d’Alzegenaar!”Toen de eerste indruk, dien dat heerlijk welluidend zingen gemaakt had, een weinig voorbij was, toen waren er sommigen die in stilte de keus van dat lied niet bijzonder gelukkig noemden, ’t Nederlandsch klonk zoo plat; datjoubijvoorbeeld en diebrij klaarzetten, Nee!“Welzeker, dat zeg ik mijn dochter zoo dikwijls;” zegt mevrouw Armelo op haar innemendsten toon: “Ik hou óók niet van Hollandsche liedjes; die vindt men altijd op de orgels. Maar een mooie stem dat heeft ze. Ja, ik zeg maar mevrouw de barones, als men er bovendien rondom zoo dik inzit als mevrouw mijn dochter, dan.....”Mevrouw de barones Narwal werd juist door Debecque aangesproken, en zag er geen bezwaar in om met een gedistingueerd lachje de moeder der gastvrouw verder aan ’t gezelschap van een der freules Van Winteren over te laten.De laatste zal nu met de meeste welwillendheid vernemen, ’t geen de aanstaande gravin Van Armeloo alzoo meer op het hart heeft, en vooral hoe het haar een opoffering is geweest om aan den grooten drang van mevrouw haar dochter te voldoen en de partij bij te wonen, dewijl de kapitein en freule Louise, tot hun onbeschrijfelijk leedwezen door een zeer lichte ongesteldheid zijn verhinderd geworden om mee te gaan: “Och,” besloot mevrouw Armelo na een lang vertoog—waarin ook nog vermeld werd dat haar zijden kleedheelemaaluit Parijs was gekomen enmaar eventjesvier en een half de el kostte: “Och, mijn dochter liet niet af, en, wat zal ik je zeggen freule Van Winteren,”—Mevrouw drukte haar hand boven den boezem: “Een moeder doet veel, zeer veel voor haar kind!”“Verrukkelijk! Prachtig!” roept Hardenborg nogmaals vol enthousiasme over den heerlijken zang dien men zooeven hoorde: en terwijl hij Helmonds arm neemt, vervolgt hij: “Weet jij wel amice, dat die stem onbetaalbaar is? Als zoo iets in ’t publiek was te hooren men sloeg elkander dood om een plaats.”Eva heeft van terzijde ookdezelofspraak gehoord, maar is daarom niet minder gevoelig voor de eer dat mevrouw Van Leeuwen—die migraine heeft, en—natuurlijk onwillekeurig—den uitgespreidenwaaier voor haar buste houd, een zeer vleiend woord spreekt over de allerliefst lieve stem van haar gastvrouw.Van tijd tot tijd moest Eva zich zelve als met geweld herinneren dat deze schitterende partij inderdaad doorhaarwerd gegeven; dat deze rijkgetooide zalen de hare, en al de gasten—waaronder zoo velen van adel—werkelijkharegasten zijn.—En toch het is zoo, en onder die allen is er zeker geen enkele, die zich zóó gelukkig gevoelt als zij.—Neen het deert haar zelfs weinig dat mevrouw de gravin met zulk een bijzondere belangstelling naar ’t een en ander van vroeger informeert, en straks—met iets zonderlings om de lippen—haar vraagt of haar mama misschien geparenteerd was aan de familie Lyderick van Zevenkerken? Zij meent den naam Lyderick te hebben gehoord. De oude graaf Lyderick had een paar germain nichten gehad, maar....”“Mama is een geboren freule Lieder,” heeft Eva snel met een blosje geantwoord.—Wel ja, waarom niet? ’t Was te gek om mama zoo uit te sluiten. Bovendien, in ’t Duitsch wasalles Fräulein. —Mama heeft zeker iets gezegd dat wat vreemd klonk, want dat lachje van mevrouw Van Leeuwen.... enfin, ’t heeft Eva slechts een enkel oogenblik gehinderd, want o, zij was meer dan gelukkig. En straks, na het soupee, wanneer het tweede deel van ’t balprogramma zal begonnen zijn, dan wordt haar de vreugdebeker ten boorde toe gevuld. Ja, ja zeker, de majoor heeft het haar toegezegd, nog dezen avond zal hij haar, als verjaringsgeschenk, het onwederlegbaar bewijs overhandigen dat Eva is: een geboren gravinne Van Armeloo.“Ei majoor,” zegt Eva, terwijl ze hem nadert met een—misschien wel eenigszins gekunsteld vriendelijk lachje: “ik ben er door vereerd dat u onze eenvoudige soirée in tenue de guerre, ofschoon zeker niet in vijandige stemming hebt willen bijwonen.”“Bekoorlijke gastvrouw, ik had mij voorgenomen geen uniform meer te dragen tenzij ik nogmaals de eer mocht hebben aan ’t Hof te worden verzocht.... maar, dezen avond....!”“Zeer beleefd majoor;” herneemt Eva met een gevoelig neerslaan der oogen, en dan met den blik naar den spiegelgladden vloer: “Het spijt mij dat ge u nog zooveel moeite moet geven. Zou niet een der bedienden... die boodschap naar uw woning kunnen doen?”De majoor schijnt niet aanstonds te begrijpen wat de vraagster zeggen wil. Hij staart—zooals men dat doen kan—onwillekeurig strak voor zich uit, en heeft er zeker geen erg in dat zijn oog als bij toeval rust op Eva’s blanken boezem, die—ofschoon het haar zelf geneerde—veel in ’t oogmoestvallen, aangezien volgens plechtige verzekering van de Utrechtsche modiste, “het Hof nog tot drie en vier centimeters lager ging.”Echter, dat staren bevalt Eva niet. Zij maakt een zijdelingsche beweging, alsof zij den sleep van haar prachtig lila satijnen kleed wil wenden, en zegt dan snel:“Ik bedoel dat men die stukken voor u kon halen majoor.”“Ah zoo!” Maar de schoone gastvrouw zou begrijpen dat menzulke papieren van hooge waarde toch niet ter visie van iedereen liet liggen. Om haar genoegen te doen, ontzag hij zich geen moeite, ofschoon deze gering was.—Het bleef bij de afspraak: Onder den tweeden dans, na het soupee, zal hij bij den koepel in den “sierlijk verlichten tuin”, haar het begeerde verjaringsgeschenk overhandigen. Ja, natuurlijk aan haar alleen; gansch alleen; want de majoor moet het herhalen: hij is zonder eenige rancune; maar bij zich zelven heeft hij gezworen, dat hij slechts op bepaald verzoek van de beminnelijke doktersvrouw zou kunnen besluiten om aan de kapiteinsfamilie het document te geven, ’twelk men zonder zijn hulp nimmer zou hebben gevonden.“Waarlijk een prachtige vole;” zegt de gastheer tot een der heeren quadrilleurs, terwijl hij aan den arm van Archibald even bij een der speeltafeltjes stilstaat.“’t Eerste mooie spel sedert de notaris werd weggehaald;” is het antwoord.“Ja, dat Romphuizer notariaat is een geldwinning;” zegt mevrouw Lens: “U hebt de lavage mijnheer de kantonrechter.”“Is het tegenwoordig ton dat gastheer en gastvrouw ronddwalen zonder mee te spelen?” vraagt aan een ander tafeltje de oudste juffrouw Van Berge, die voor een ombertje letterlijk “geprest was.”“Welzeker juffrouw,” bevestigt de burgemeester: “je bent hier heelemaalvrij. Ze noemen datpartie libre.—Harten troef. Hij ziet er bleekjes uit.”“Je sans-prendre burgemeester?”“Nee, ik bedoel onzen gastheer. Beste vent, maar.... Jawel, harten troef.—Juffrouw Lens, aan u alsjeblieft!”“Zonder eenige quaestie Helmond, ’t verjaringsfeest van je prachtige vrouw is mijn jour de gloire. Ja, ik moest je hier hebben, hier in dezen hoek achter die mooie camelia’s; eventjes, want ik wou je zeggen....”“Mag ik je feliciteeren Hardenborg?”“Man, druk jij noudezehand eens. Me dunkt, jij polsenvoeler van je ambacht, je zult er nog iets bijzonders aan merken; deze zelfde hand had op ’t oogenblik dat jou wijfje zoo betooverend zong, ongezien een kleiner dito aan boord, en die handen hebben elkaar iets herhaald:“En straks mijn beste brave vrouw,Brengt Peter met een kus aan jouZijn dank aan God d’Alzegenaar!”“Ei ei,” zegt Helmond terwijl hij den luitenant hartelijk de hand drukt. En vragend: “Freule Marie?”“Nummer één van de drie!” rijmt Hardenborg lachend: “Jij bent de eerste die ’t weet.—Er ons niet op aankijken hoorje.—Gelukkig dat ze van avond in ’t rose is. Op één na de mooiste! Je ziet dat de liefde me nog niet blind maakt. Je wijfje is een Hebevan avond. Maar die vent....! Kijk, zie je hem wel, dáár, langs die varenplant heen, in de kleine zaal? Hij presenteert haar den arm.—Bah! ’t spijt me dat ze hem aanneemt.”“Eva is een klein beetje verguld met het mooie pak dat de majoor heeft aangetrokken. Ze kan hem moeielijk weigeren. De man is altijd beleefd.”“Weet jij heel zeker Helmond, dat ie geen Ronner heet?”“Wel ja! Tenminste....”“Ik moet je zeggen dat ik me anders ook niet begrijpen zou hoe hij ’t in z’n hersens kon nemen om z’n mooie plunje aan te trekken. De gelijkenis met dien Ronner wordt er bepaald frappant door. ’k Heb naar Indië om informatie geschreven.Alsie ’t was, dan.... verdord!”“Maar wát was er dan met dien Ronner?” zegt Helmond, terwijl hij Eva eensklaps den arm van Kartenglimp ziet loslaten, en zich voegen bij de gasten, die een der heeren hebben bewogen om zich bij de piano te doen hooren.“Dat kan niet in ’t volle licht verteld worden,” zegt Archibald: “Kom even mee in de vestibule; we hebben er koelte bij noodig.”“Maar als die man zulk een schoelje was dan kon hij zich hier niet zoo lang een fatsoenlijk.... enfin als een tamelijk fatsoenlijk man hebben gedragen. Bovendien was hij destijds kapitein, en is met den rang van majoor gepensioneerd: mij dunkt....”“Sedert hij die afschuwelijke rol speelde en zich niet slechts voor een goed deel het vermogen van dienvriend—men beweert vrij zeker door valsch hazardspel, had toegeëigend, maar hem tevens op zoo schaamtelooze wijze de eer van zijn jonge vrouw had ontroofd; toen hij den armen stakker er nog bovendien toe gebracht had om zijn leven in een der Indische pestspelonken—een amfioenkit—te gaan vernietigen, toen zag die ellendeling naar nieuwe slachtoffers uit. Al spoedig wist hij de vrouw van een zijner kameraden—een schoone inlandsche—het arme hoofd op hol te brengen, en, zooals ik je zeide, toen heeft dat fameuse duel plaats gehad waaruit hij als de laagste hond werd voortgeschopt.”“Maar ik zeg, de majoor Kartenglimp draagt immers....!”“Ik spreek vanRonner. Jawel, Kartenglimp draagt de majoorsuniform; maar ’t is bekend dat Ronnervrijwilligzijn ontslag uit den dienst heeft genomen, en dat hem—natuurlijk zonder bezwaar van ’s-Rijks schatkist of eenig pensioen—ontslag is verleend met den titel van majoor en het recht om de activiteitsuniform te blijven dragen. De zaak is, naar men zegt, om familieredenen geheim gehouden en gesust, maar je begrijpt dat de hoofdfeiten toch moesten uitlekken.”“Hardenborg, neem me niet kwalijk, ’t is niet rechtvaardig om iemand zonder bewijs te veroordeelen. De gelijkenis tusschen twee personen is niet voldoende om de laagheden van den een op rekening van den ander te stellen. Kartenglimp is....”“Hij is je gast; zeker! dat mag ik niet vergeten. En jij bent eennobele vent, Helmond! Weet je wát ik doen zal, ik zal eerst eens het antwoord uit Indië afwachten, of Ronner al of niet te Romphuizen woont. Dat weten zijnvrienden, ’k ben er zeker van. Tot zoolang schorten we ons oordeel op, maar zal ikmijnschatje toch al vast verzoeken om dat heer te mijden, want indien hij werkelijk is voor wien ik hem houd, dan is zijn aanblik zelfs een beleediging; het is devetvlekop een rein blad papier, of de vingerdruk op een prachtigen vlinder.
DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.Reeds in den vroegen morgen van den 28stenSeptember heerschte er een buitengewone, maar nochtans een fluisterende, en op deteenenloopende levendigheid in het prachtige doktershuis. De groote schuitmet kostelijke bloemen, sierpotten en guirlandes, de Utrechtsche schuit, waarin zich mede een menigte groote en kleinere ruikers bevonden, was aangekomen, en, onder het oppertoezicht van dokter Helmond zelf, haastte men zich nu om werkelijk zijn nieuwe woning voor een goed deel in een lusthof te herscheppen.Het kon niet anders of het hart moest wel feestelijk kloppen wanneer men de vroege herfstzon, na een avond en nacht van regen en wind, zoo vroolijk zag blinken op de heerlijke heester- en bloemgroepen, die met zooveel smaak in de zalen en kleinere vertrekken van het deftige doch riante doktershuis waren gerangschikt.De Utrechtsche bloemist, die het laatste woord over de aanstaande partij in stilte metmevrouwHelmond had gewisseld, heeft toen gezegd, dat mevrouw het nu alsjeblieft maar eens aan hém moest overlaten. Helmond, die daarvan niets vernomen had, moet nu in stilte erkennen dat de bloemist meer gedaan heeft dan hij had durven verwachten, en de feestelijke geur in zijn woning—waartoe de geraniums en oranjebloesems, de reseda’s en heliotropen, ja zelfs tot in het breede marmeren voorhuis, de guirlandes van fijne dennetakjes samenwerkten—werd er in zijn schatting nog door verhoogd.Eva dient nog een weinig geduld te hebben. De serre die voor het orkest werd ingericht, moet nog eerst met de oranjeboomen en de kleinere heesters aan de binnenzij gemaskeerd worden. Hoe netter alles in orde is vóórdat ze beneden komt, hoe gelukkiger ze wezen zal, en ook—hoe eer ze te bewegen zal zijn om nu zoo spoedig mogelijk aan den wensch van haar man te voldoen en oom Van Barneveld een hartelijken zoen te gaan geven. Meer is er niet noodig; August gelooft het zeker: met dien enkelen zoen koopt ze ooms liefde, en herstelt ze wat andersniet te herstellenzou zijn.—Maar wacht, nu wordt het ook tijd dat hij doet watvooralnoodzakelijk is.Haastig naar zijn kamer gegaan, staat Helmond eenige oogenblikken later met twee bijouteriedoozen in de hand, terwijl hij den inhoud ervan nauwkeurig beschouwt. ’t Zijn de twee stel diamanten die men hem ter keuze voor een paar dagen heeft willen toevertrouwen.—Niet langer gedraald, denkt Helmond in ’t eind: Het verschil in prijs staat niet in evenredigheid tot het onderscheid der beide garnituren. ’t Zou immers mogelijk kunnen zijn dat die kleine broche haar toch niet voldeed. Mevrouw Van Leeuwen is de maatstaf, en ik geloof dat de broche der gravin.... Nee, de indruk dient ineens beslissend te zijn. Oom moet in haar oog een halve verkwister worden. En inderdaad, wat maakt dit bagatel op het geheel! Het garnituur zal betaald worden van hetgeen ik nog bezit, en dan, in ’s hemelsnaam, oom zal dan herstellen wat ik vooreerst bezwaarlijk goedmaken kan.—Komaan, deze laatste dwaasheid zal dienen om terug te komen op den weg van ’t verstand.Alvorens nu haastig de doos met het fraaiste garnituur in papieren te wikkelen en er een pakje van te maken, haalt Helmond eenigszins gejaagd—alsof hij bevreesd was dat men hem bespieden zou—een klein apothekersdoosje uit den zak, en neemt er een drietal pillen uit, die hij even haastig gebruikt.—Goddank, hij blijft toch tamelijk wel, en zijn ziekenbezoeken, die echter in den laatsten tijd nog al zeer zijn verminderd, kon hij dagelijks waarnemen; maar toch, daar woelt iets vanbinnen dat niet goed is.—Doch heden, welzeker! wie zou er in zijn plaats niet fiksch en blij zijn; blij vooral dewijl het de feestdag is van een vrouwtje:Als een gazelle rank;Als teedre lelies blank;Met kluistrend alvermogenIn haar blij lachende oogen;En in haar rozenmondDie hem haar min verkondt:Een hemelsch reinen klank!O Eva mijn engel! Ja, eindloos meerDan een schitterend leven, vol roem en eer,Dan de kronen der wereld, dan de schatten der aardZijt gij, zoeteduive, mij lief en waard.Neen, een dichter is Helmond niet; maar met zulk een bekoorlijk wezen, dat men het zijne mag noemen, met een vrouw zoo vol smaak, gevoel en talent, ja dan moest men wel van steen zijn indien men niet somwijlen warm werd en zong. Nochtans ’t was geen verjaarsgedicht, ’t was al eenige weken geleden dat hij zijn hart zoo eens lucht gaf.Nu is het kleine pakje, waarin geen letter schrift was te vinden, gereed. Op de bovenzij schrijft Helmond, terwijl hij in zijn schrift eenige overeenkomst met de hand van den generaal zoekt te leggen:“Aan Mevrouw E. Helmond,Armelo.Op haar verjaardag.”Met het pakje in den zak begeeft Helmond zich nu naar beneden. Eenige oogenblikken dwaalt hij in den tuin—die straks door den Utrechtschen bloemist voor het feest van dezen avond zal ingericht worden—en begeeft zich dan in de kleine straat waar de tuin in uitkomt.Al spoedig daarna wordt er door een knaap aan de voordeur van het doktershuis gescheld.Bus, die de potaarde van de handen slaat, neemt het pakje aan en vraagt:“Van wie kumt dat, manneke?”“Ja dat mocht ik niet zeggen. ’k Gleuf vanDe Zonsberg.”“Zoo! bestig!”In de kleine ontbijtkamer aan den tuin stond Helmond, met eengroote maar fijne bouquet in de hand, op zijn jarige vrouw te wachten. Hij heeft haar doen weten dat alles gereed was.En zie, daar vliegt Eva met een blos van verrukking op het gelaat, de feestelijk getooide ontbijtkamer binnen en haar glimlachenden echtvriend tegemoet:“Olieve besteAugust!” roept ze, nog voordat hij spreken kan, bijna schreiend van vreugde, terwijl ze zich in zijn armen stort: “Dat is te veel! Ja waarlijk al te veel! O beste heerlijke man, wat ben je toch goed! ’t Is meer dan ik had durven denken!”“Ei lieve kind, wanneer alles zoo naar je zin is dan ben ik dubbel tevreden; maar je bent nu heusch wat al te haastig; je gunt me geen tijd lieve wijfje, om je eerst behoorlijk van harte.... ja van ganscher harte....” Helmond had in dezen stond geen woorden meer. Maar waartoe was het ook noodig? Hij sloot haar in zijn armen en zoende haar. O hij zoende haar zoo lang en zoo teer. En als hij haar niet meer zoent, dan sluit hij haar nóg vaster en nog inniger aan ’t hart alsof.... Neen ’t was kinderachtig, ze zijn immers beiden gezond; welzeker gezond en blij. En zie, de zon schijnt vroolijk op haar feest, en.... Doch die bruine beuk daar in ’t pad, staat somber, ja die beuk geeft een te groote schaduw, die beuk moet daar weg. Waarom trof hem nu juist die bruine beuk?—Maar August dacht dit; hij sprak er niet van, hij kon niet spreken.Welnu, daar behoefden ook waarlijk geen wenschen of woorden meer bij.“’t Is zoo prachtig mijn beste hartelijke man!” zegt Eva weder.“We zijn ook al vroeg aan ’t werk geweest mijn jarig wijfje; maar je hadt eigenlijk nog niets mogen zien.”“Nog niets mogen zien van de versieringen in huis, meenje? Maar manlief! dat deed ik ook niet. Nee, trouw aan m’n woord!” Met klimmende en innige verrukking: “Maar het heerlijk prachtige cadeau van mijn arm lief mannetje, dat, dát mocht ik toch wel zien niewaar, zooals het me gezonden werd in mijn wachtende eenzaamheid? O, engel van ’en man, ’t garnituur is zelfs oneindig veel mooier dan dat van mevrouw Van Leeuwen:Oneindig! ’k zag het dadelijk. Die groote brillanten....”“Maar kindlief, wat meen je? Een garnituur? Ik, nee! Wat ik je geven wou; ziehier: ’t is een kleinigheid; een medaillon, zie je wel Eva, met mijn portret.”Eva heeft het medaillon vluchtig bezien.“Och August, als je me bederven gaat dan moetje zelf er den last van dragen; nu dat aardige dingetje ook nog, en met je goeje oogen er in. Dankje schat van ’en man. Maar dit....” en zij haalt het étui uit haar zak te voorschijn: “dit overheerlijke stel, dat is nu juist.... ja zie, dat is nu letterlijk het eenige wat ik begeerde, en dus....”“Maar Eva, je vergist je; dat garnituur kwam niet van mij.”“Watbliefje.... niet van....?”“Nee nee kind, da’s een abuis.”“Abuis! August wát zeg je? Zou ’t bij abuis.... op bezien....?”Helmond zag Eva bleek worden.“Nee, zóó meen ik het niet. ’t Zal je zeker wel door iemand gegeven zijn, tenminste als het je werd gezonden. Is dat het papier waarin het gezeten heeft? Ei, zie dan maar: Aan Mevrouw E. Helmond, Armelo. Op haar verjaardag.”—Eva haalde weer adem.“Maar die hand is me bekend Eva. Welzeker.”“Geen wonder August; ’k vergis me niet: ik hou die hand op ’t oogenblik in de mijne.”“Maar Eva, als ik je nu verzeker dat je je bedriegt.”“Ja lieverdje, dan bedrieg je mezeker, maar uit liefde en met de voortreffelijkste bedoeling. Het bestearmedoktertje kan zóó iets niet geven....”Eensklaps hem nogmaals om den hals vliegend:“Maar nee, foei, foei! dat verdien je niet mijnalles! Dank August hartelijk dank! O ik ben zoo gelukkig!”“Eva, maar waarlijk, dat present zouikje niet gegeven hebben; het moet van iemand anders komen. Het is....”“Och August, schei daar nu mee uit. Van wien zou zóó iets nu kunnen komen! Ik bid je van wien!”“Ja kind, ik weet het niet; maar, als ik dat adres heel goed bezie.... Ja, mij dunkt, ’t is zoo goed als zeker, dan....”“Dan....?”“Zeer mogelijk,zeermogelijk!” herhaalt Helmond terwijl hij schijnbaar met aandacht het adres blijft beschouwen: “Dat moet van hèm zijn; vanDe Zonsberg. Ik houd het er bepaald voor. Jawel een verrassing van oom.”“O goeje hemel August! Schei uit!” roept Eva, terwijl ze eensklaps in een vroolijk schaterlachen uitbarst, waarbij ze de handen omhoog en ineenslaat: “O hemel August.... dat idee!.... ’t is om te stikken. Van oom, van dien schrielen com.... p....peer!” en nogmaals en telkens weder uitproestend in een welluidenden schaterlach: “Een verrassing van oom! Groote hemel August, hoe kon je ’t verzinnen!”Dokter Helmond stond als verslagen. Wat scheelt hem dan, dat hij niet meer heeft kunnen doordenken! De mogelijkheid dezer wending heeft hij niet eens voorzien; en toch ze was zoo hoogstnatuurlijk.—Wat moet hij doen? Haar tot bedaren brengen, haar met zekeren ernst herhalen dat hij die onderstelling gansch niet belachelijk vindt; haar misleiden door de verzekering dat zoo iets juist in het karakter van oom ligt?—Ja, dit alles—helaas ook het laatste—hij beproeft het, maar tevergeefs.’t Is Eva volstrekt onmogelijk om zulk een kostbaar verjaarsgeschenk een oogenblik “vast te knoopen aan hettelwoord Van Barneveld”.—Nee, August moest nu heusch niet langer zoo droog komiek zijn. Zij is dol- en overgelukkig, want ze weet dat ze dit heerlijke geschenk van den eenige heeft van wien ze het gaarne ontvangt, van hem, die door het haar te geven nu reeds voor de honderdste maal heeft getoond dat al die tobberijen inderdaad geen grond hadden; Goddank, dat het slechtstobberijenwaren, wanttot schriele handelingen was haar lieve trouwe man nog nooit vervallen en ook niet instaat.—Nee stil; hij mocht nu niet verder spreken; als August het schitterend effect van zijn verrassing niet bederven wil, dan moet hij althans van dien somberenZonsbergzwijgen; hij moet....“Maar Eva,” zegt Helmond terwijl zijn hoop—op dien valschen grond gebouwd, hem ten eenenmale ontzinkt: “gestelddan eens dat het van oom was, zeg, zou je dán niet....?”“Dan zou ik denken dat de steenen valsch waren, en, valsch of niet, ik zond ze terug!”Helmond verkeert in de grootste spanning:“Eva, ik moet openhartig met je spreken.—Oom heeft.... ja hij heeft me instaat gesteld om dat cadeau voor je te koopen, want ik, waarachtigikkon het niet. Maar daarom bid ik je, doe nu ook wat mij, wat ons allen gelukkig kan maken: Ga mee naarDe Zonsberg; geef oom Van Barneveld een zoen, een hartelijken zoen.... Eva, het feest zal wel doorgaan dezen avond. Ja zeker, maar doe dan ook wat ik wensch.... mijn Eva?”De doktersvrouw ziet haar echtvriend een oogenblik stilzwijgend aan:“Voor een man, beste August, ben je al te weekhartig. Ik zegweekhartigAugust, met een anderen naam wil ik het niet bestempelen. Jij bent te goed. Wie jou slaat op de linkerwang, dien zou jij letterlijk de rechter toedraaien. Zie, da’s heel mooi in theorie, maar in de praktijk heel lastig. Jij bent vandaaggelukkigevenals ik, en nu zou je de heele wereld wel aan je hart willen drukken, ja zelfs den man die je als een kwajongen behandelt.—Stil,ikben jarig, en mag dus wel spreken: Wat jij nu zoudt willen drukken lieve man, omdat je al te goed bent, dat moet jij weten; maar dat je van zoo’n slecht en ijdel individu als je vrouw is, zulk een tour de force zoudt verlangen, dat is onmogelijk. Jij met je goed gezicht, je zoudt misschien al dadelijk neus aan neus met Herrn General aan ’t ombertje gaan zitten; maar ik—dankje; onmogelijk! Ik zou z’n excellentie—brave beste man, ik weet het, garde d’honneur geweest—’k zou ’em zeggen: Eerst hebben we samen een appeltje te schillen ouwe heer. Ga jij daar eens zitten: “Wijvenenonbeschaamde feeksen” wonen in achterbuurten; maar de vrouw van een man, dien men reeds een paar malen met den rang van professor doodverfde; die—zooals ik pas onlangs mocht hooren, voor zijn doctorale promotie een dissertatie schreef, welke als een meesterstuk moet geroemd zijn, een werk waar de heele wereld van spreekt behalve die talentvolle schrijver alleen....”“Eva waartoe dit alles?”Eva vervolgt: “Die vrouw is veel te trotsch om, niet alleen zichzelve, en haar familie die een gravenkroon kan voeren, te zien minachten; maar vooral om hem, dien ze als een afgod vereert,”—zij nadert Helmond snel en slaat haar armen half schreiend om zijn hals—“als een kind, als een nul te zien behandelen, om hem de les te zien lezen, zooals men ’t nog gisteren met dat zotte ultimatum gedaan heeft.—Zulk een brief bewijst inmijnoog dat de schrijver....”“Eva, dat schrijven was misschien niet geheel doordacht, maar toch....” Eensklaps laat Eva haar August los; gaat een paar schreden achteruit, en dan dreigend met den vinger, half lachend half schreiend:“0 ondeugd, ondeugd! ’k Heb het al meer gezegd: knap ben je, een professor, ja, maar voor de comedie deug je niet. Ei ei, baasjelief, dat potsierlijk geschrift kwamóókvanDe Zonsberg; jawel, precies, maar op dezelfde manier als dat stel diamanten! Kom, als je me nu wéér zulke guitenstreekjes uithaalt, dan zou ik nog moeten denken dat je me maar half gunt wat je me goeds geeft. Stil ventje, stil! dat ultimatum kwam van jou, ja ondeugd vanjou!”Helmond kon niet verder gaan. Al ware Eva niet ter regeling van eenige huiselijke aangelegenheden op dit oogenblik buiten de kamer geroepen en ijlings heengesneld, Helmond zou nu toch geen woorden hebben gevonden om haar op gepaste wijze zulk een onzinnig denkbeeld te ontnemen.—Hijzelf,hijHelmond, zou dien brief geschreven hebben!—O God, waar moet het heen indien Eva niet toestemt! Ach, zal ze dan in haar dankbare stemming volstrekt niet willen voldoen aan zijn vurigsten wensch tot haar eigen heil? Hij wil, ja hij zal....“Is mevrouw niet hier Antje?” vraagt hij eenige oogenblikken later, bij ’t binnentreden van de feestelijk getooide en heerlijk geurende oranje-zaal, aan de dienstbode die hem tegenkwam.—Mevrouw was er niet. In gepeins blijft Helmond staan.—Maar wat zal het baten, zoo denkt hij: Indien ze al hier ware, zou ze juisthierooren hebben voor zijn—straks reeds zoo kras door haar verworpen voorstel! Zal ze toegeven, tenzij hij haar terzelfder tijd wilbezwerendat hij zwak was, ellendig zwak, en heden dwazer dan ooit; dat hij armer is dan de bedelaar, die de aalmoes zijn eigendom kan noemen?—Ha! wanneer hij haar met dien eedvermoordenwil op dezen dag!—Helmonds oog wordt schier terzelfder tijd door de morgenwijnen getrokken, die reeds ginder op ’t buffet gereedstaan. Nee ’t is niet goed; maar toch, één glas port zal geen kwaad doen; hij heeft iets noodig, een kleinen prikkel. Zóó rond te loopen den ganschen dag met die onrust in ’t hart en op ’t gelaat, te midden van groen en bloemen, aan de zij van een gelukkige vrouw, die hij tochhedenzeer zeker sparen moet; neen, zóó rond te loopen dat kon niet. Dat enkele glas port zal zijn stemming wat op helderen.Misschien is hij inderdaad ook wel wat al te zwaartillend. Er zijn zeker menschen genoeg die er om lachen zouden indien ze ’t wisten.... Ja, ja, die zijn erzeker.Half in gedachten schenkt Helmond zich een tweede glas in, en ledigt het, strak voor zich heen ziende, in één teug.—’t Is vreemd, een ander zou hij het afraden, en zelf....! Maar te droes, hij zou immers zulk een engel niet waard zijn indien hij haar eersten jaardag.... als zijn wijfje.... als de aanstaande moeder van zijn kind, kon vieren met een tobberig gezicht.—Zijn kind! Ha! Werktuiglijk schenkt Helmond zich nogmaals in; doch,—halt!dat ging zonder nadenken.—Maar ja, waarom niet, dit halve glas kan hij nog drinken. Het fleurt hem op, en—vroolijk moet hij zijn, ja, vroolijk, uitgelaten. Is het dan niet een dubbele schat, dien hij in Eva bezit, een aangebeden vrouw en de moeder van zijn kind!—Waarachtig, Evert Zwaarmuts, zegt Helmond bijna overluid: waarachtig, je hebt somwijlen iets kleins. Ben je geen zoon van een dapper soldaat die sneuvelde voor zijn vaderland! Tobde die man toen hij twee arme duivels zonder geld in de wereld achterliet?—Wees geen kind August. Al was die heele schuld, alles en alles te zamen een ton.... nee, dat is te gek, een halve.... een kwart ton.... ’t Lijkt er niet naar.... ik zeg, enfinal was ’teen kwart ton, dan zijn er tien, twintig, honderd, duizend middelen om zooveel geld te krijgen. O, als ’t dáárom te doen is: opnemen.... rouge et noir.—Nee nee, dat niet. Debecque wist het: boeken schrijven, populair; honderd duizend middelen zijn er..... voor den professor!Daar kwam Eva.“Ha—haha, ben je daar engel, mijn jarige vrouw! Wel wat drommel, zeg jij me nu eens of je ’t hier niet een hemel vindt, een hemel vol bloemengeur, en een hemel aan mijn hart!?”
Reeds in den vroegen morgen van den 28stenSeptember heerschte er een buitengewone, maar nochtans een fluisterende, en op deteenenloopende levendigheid in het prachtige doktershuis. De groote schuitmet kostelijke bloemen, sierpotten en guirlandes, de Utrechtsche schuit, waarin zich mede een menigte groote en kleinere ruikers bevonden, was aangekomen, en, onder het oppertoezicht van dokter Helmond zelf, haastte men zich nu om werkelijk zijn nieuwe woning voor een goed deel in een lusthof te herscheppen.
Het kon niet anders of het hart moest wel feestelijk kloppen wanneer men de vroege herfstzon, na een avond en nacht van regen en wind, zoo vroolijk zag blinken op de heerlijke heester- en bloemgroepen, die met zooveel smaak in de zalen en kleinere vertrekken van het deftige doch riante doktershuis waren gerangschikt.
De Utrechtsche bloemist, die het laatste woord over de aanstaande partij in stilte metmevrouwHelmond had gewisseld, heeft toen gezegd, dat mevrouw het nu alsjeblieft maar eens aan hém moest overlaten. Helmond, die daarvan niets vernomen had, moet nu in stilte erkennen dat de bloemist meer gedaan heeft dan hij had durven verwachten, en de feestelijke geur in zijn woning—waartoe de geraniums en oranjebloesems, de reseda’s en heliotropen, ja zelfs tot in het breede marmeren voorhuis, de guirlandes van fijne dennetakjes samenwerkten—werd er in zijn schatting nog door verhoogd.
Eva dient nog een weinig geduld te hebben. De serre die voor het orkest werd ingericht, moet nog eerst met de oranjeboomen en de kleinere heesters aan de binnenzij gemaskeerd worden. Hoe netter alles in orde is vóórdat ze beneden komt, hoe gelukkiger ze wezen zal, en ook—hoe eer ze te bewegen zal zijn om nu zoo spoedig mogelijk aan den wensch van haar man te voldoen en oom Van Barneveld een hartelijken zoen te gaan geven. Meer is er niet noodig; August gelooft het zeker: met dien enkelen zoen koopt ze ooms liefde, en herstelt ze wat andersniet te herstellenzou zijn.—Maar wacht, nu wordt het ook tijd dat hij doet watvooralnoodzakelijk is.
Haastig naar zijn kamer gegaan, staat Helmond eenige oogenblikken later met twee bijouteriedoozen in de hand, terwijl hij den inhoud ervan nauwkeurig beschouwt. ’t Zijn de twee stel diamanten die men hem ter keuze voor een paar dagen heeft willen toevertrouwen.
—Niet langer gedraald, denkt Helmond in ’t eind: Het verschil in prijs staat niet in evenredigheid tot het onderscheid der beide garnituren. ’t Zou immers mogelijk kunnen zijn dat die kleine broche haar toch niet voldeed. Mevrouw Van Leeuwen is de maatstaf, en ik geloof dat de broche der gravin.... Nee, de indruk dient ineens beslissend te zijn. Oom moet in haar oog een halve verkwister worden. En inderdaad, wat maakt dit bagatel op het geheel! Het garnituur zal betaald worden van hetgeen ik nog bezit, en dan, in ’s hemelsnaam, oom zal dan herstellen wat ik vooreerst bezwaarlijk goedmaken kan.—Komaan, deze laatste dwaasheid zal dienen om terug te komen op den weg van ’t verstand.
Alvorens nu haastig de doos met het fraaiste garnituur in papieren te wikkelen en er een pakje van te maken, haalt Helmond eenigszins gejaagd—alsof hij bevreesd was dat men hem bespieden zou—een klein apothekersdoosje uit den zak, en neemt er een drietal pillen uit, die hij even haastig gebruikt.—Goddank, hij blijft toch tamelijk wel, en zijn ziekenbezoeken, die echter in den laatsten tijd nog al zeer zijn verminderd, kon hij dagelijks waarnemen; maar toch, daar woelt iets vanbinnen dat niet goed is.
—Doch heden, welzeker! wie zou er in zijn plaats niet fiksch en blij zijn; blij vooral dewijl het de feestdag is van een vrouwtje:
Als een gazelle rank;Als teedre lelies blank;Met kluistrend alvermogenIn haar blij lachende oogen;En in haar rozenmondDie hem haar min verkondt:Een hemelsch reinen klank!O Eva mijn engel! Ja, eindloos meerDan een schitterend leven, vol roem en eer,Dan de kronen der wereld, dan de schatten der aardZijt gij, zoeteduive, mij lief en waard.
Als een gazelle rank;
Als teedre lelies blank;
Met kluistrend alvermogen
In haar blij lachende oogen;
En in haar rozenmond
Die hem haar min verkondt:
Een hemelsch reinen klank!
O Eva mijn engel! Ja, eindloos meer
Dan een schitterend leven, vol roem en eer,
Dan de kronen der wereld, dan de schatten der aard
Zijt gij, zoeteduive, mij lief en waard.
Neen, een dichter is Helmond niet; maar met zulk een bekoorlijk wezen, dat men het zijne mag noemen, met een vrouw zoo vol smaak, gevoel en talent, ja dan moest men wel van steen zijn indien men niet somwijlen warm werd en zong. Nochtans ’t was geen verjaarsgedicht, ’t was al eenige weken geleden dat hij zijn hart zoo eens lucht gaf.
Nu is het kleine pakje, waarin geen letter schrift was te vinden, gereed. Op de bovenzij schrijft Helmond, terwijl hij in zijn schrift eenige overeenkomst met de hand van den generaal zoekt te leggen:
“Aan Mevrouw E. Helmond,Armelo.Op haar verjaardag.”
“Aan Mevrouw E. Helmond,
Armelo.
Op haar verjaardag.”
Met het pakje in den zak begeeft Helmond zich nu naar beneden. Eenige oogenblikken dwaalt hij in den tuin—die straks door den Utrechtschen bloemist voor het feest van dezen avond zal ingericht worden—en begeeft zich dan in de kleine straat waar de tuin in uitkomt.
Al spoedig daarna wordt er door een knaap aan de voordeur van het doktershuis gescheld.
Bus, die de potaarde van de handen slaat, neemt het pakje aan en vraagt:
“Van wie kumt dat, manneke?”
“Ja dat mocht ik niet zeggen. ’k Gleuf vanDe Zonsberg.”
“Zoo! bestig!”
In de kleine ontbijtkamer aan den tuin stond Helmond, met eengroote maar fijne bouquet in de hand, op zijn jarige vrouw te wachten. Hij heeft haar doen weten dat alles gereed was.
En zie, daar vliegt Eva met een blos van verrukking op het gelaat, de feestelijk getooide ontbijtkamer binnen en haar glimlachenden echtvriend tegemoet:
“Olieve besteAugust!” roept ze, nog voordat hij spreken kan, bijna schreiend van vreugde, terwijl ze zich in zijn armen stort: “Dat is te veel! Ja waarlijk al te veel! O beste heerlijke man, wat ben je toch goed! ’t Is meer dan ik had durven denken!”
“Ei lieve kind, wanneer alles zoo naar je zin is dan ben ik dubbel tevreden; maar je bent nu heusch wat al te haastig; je gunt me geen tijd lieve wijfje, om je eerst behoorlijk van harte.... ja van ganscher harte....” Helmond had in dezen stond geen woorden meer. Maar waartoe was het ook noodig? Hij sloot haar in zijn armen en zoende haar. O hij zoende haar zoo lang en zoo teer. En als hij haar niet meer zoent, dan sluit hij haar nóg vaster en nog inniger aan ’t hart alsof.... Neen ’t was kinderachtig, ze zijn immers beiden gezond; welzeker gezond en blij. En zie, de zon schijnt vroolijk op haar feest, en.... Doch die bruine beuk daar in ’t pad, staat somber, ja die beuk geeft een te groote schaduw, die beuk moet daar weg. Waarom trof hem nu juist die bruine beuk?—Maar August dacht dit; hij sprak er niet van, hij kon niet spreken.
Welnu, daar behoefden ook waarlijk geen wenschen of woorden meer bij.
“’t Is zoo prachtig mijn beste hartelijke man!” zegt Eva weder.
“We zijn ook al vroeg aan ’t werk geweest mijn jarig wijfje; maar je hadt eigenlijk nog niets mogen zien.”
“Nog niets mogen zien van de versieringen in huis, meenje? Maar manlief! dat deed ik ook niet. Nee, trouw aan m’n woord!” Met klimmende en innige verrukking: “Maar het heerlijk prachtige cadeau van mijn arm lief mannetje, dat, dát mocht ik toch wel zien niewaar, zooals het me gezonden werd in mijn wachtende eenzaamheid? O, engel van ’en man, ’t garnituur is zelfs oneindig veel mooier dan dat van mevrouw Van Leeuwen:Oneindig! ’k zag het dadelijk. Die groote brillanten....”
“Maar kindlief, wat meen je? Een garnituur? Ik, nee! Wat ik je geven wou; ziehier: ’t is een kleinigheid; een medaillon, zie je wel Eva, met mijn portret.”
Eva heeft het medaillon vluchtig bezien.
“Och August, als je me bederven gaat dan moetje zelf er den last van dragen; nu dat aardige dingetje ook nog, en met je goeje oogen er in. Dankje schat van ’en man. Maar dit....” en zij haalt het étui uit haar zak te voorschijn: “dit overheerlijke stel, dat is nu juist.... ja zie, dat is nu letterlijk het eenige wat ik begeerde, en dus....”
“Maar Eva, je vergist je; dat garnituur kwam niet van mij.”
“Watbliefje.... niet van....?”
“Nee nee kind, da’s een abuis.”
“Abuis! August wát zeg je? Zou ’t bij abuis.... op bezien....?”
Helmond zag Eva bleek worden.
“Nee, zóó meen ik het niet. ’t Zal je zeker wel door iemand gegeven zijn, tenminste als het je werd gezonden. Is dat het papier waarin het gezeten heeft? Ei, zie dan maar: Aan Mevrouw E. Helmond, Armelo. Op haar verjaardag.”—Eva haalde weer adem.
“Maar die hand is me bekend Eva. Welzeker.”
“Geen wonder August; ’k vergis me niet: ik hou die hand op ’t oogenblik in de mijne.”
“Maar Eva, als ik je nu verzeker dat je je bedriegt.”
“Ja lieverdje, dan bedrieg je mezeker, maar uit liefde en met de voortreffelijkste bedoeling. Het bestearmedoktertje kan zóó iets niet geven....”
Eensklaps hem nogmaals om den hals vliegend:
“Maar nee, foei, foei! dat verdien je niet mijnalles! Dank August hartelijk dank! O ik ben zoo gelukkig!”
“Eva, maar waarlijk, dat present zouikje niet gegeven hebben; het moet van iemand anders komen. Het is....”
“Och August, schei daar nu mee uit. Van wien zou zóó iets nu kunnen komen! Ik bid je van wien!”
“Ja kind, ik weet het niet; maar, als ik dat adres heel goed bezie.... Ja, mij dunkt, ’t is zoo goed als zeker, dan....”
“Dan....?”
“Zeer mogelijk,zeermogelijk!” herhaalt Helmond terwijl hij schijnbaar met aandacht het adres blijft beschouwen: “Dat moet van hèm zijn; vanDe Zonsberg. Ik houd het er bepaald voor. Jawel een verrassing van oom.”
“O goeje hemel August! Schei uit!” roept Eva, terwijl ze eensklaps in een vroolijk schaterlachen uitbarst, waarbij ze de handen omhoog en ineenslaat: “O hemel August.... dat idee!.... ’t is om te stikken. Van oom, van dien schrielen com.... p....peer!” en nogmaals en telkens weder uitproestend in een welluidenden schaterlach: “Een verrassing van oom! Groote hemel August, hoe kon je ’t verzinnen!”
Dokter Helmond stond als verslagen. Wat scheelt hem dan, dat hij niet meer heeft kunnen doordenken! De mogelijkheid dezer wending heeft hij niet eens voorzien; en toch ze was zoo hoogstnatuurlijk.—Wat moet hij doen? Haar tot bedaren brengen, haar met zekeren ernst herhalen dat hij die onderstelling gansch niet belachelijk vindt; haar misleiden door de verzekering dat zoo iets juist in het karakter van oom ligt?—Ja, dit alles—helaas ook het laatste—hij beproeft het, maar tevergeefs.
’t Is Eva volstrekt onmogelijk om zulk een kostbaar verjaarsgeschenk een oogenblik “vast te knoopen aan hettelwoord Van Barneveld”.—Nee, August moest nu heusch niet langer zoo droog komiek zijn. Zij is dol- en overgelukkig, want ze weet dat ze dit heerlijke geschenk van den eenige heeft van wien ze het gaarne ontvangt, van hem, die door het haar te geven nu reeds voor de honderdste maal heeft getoond dat al die tobberijen inderdaad geen grond hadden; Goddank, dat het slechtstobberijenwaren, wanttot schriele handelingen was haar lieve trouwe man nog nooit vervallen en ook niet instaat.
—Nee stil; hij mocht nu niet verder spreken; als August het schitterend effect van zijn verrassing niet bederven wil, dan moet hij althans van dien somberenZonsbergzwijgen; hij moet....
“Maar Eva,” zegt Helmond terwijl zijn hoop—op dien valschen grond gebouwd, hem ten eenenmale ontzinkt: “gestelddan eens dat het van oom was, zeg, zou je dán niet....?”
“Dan zou ik denken dat de steenen valsch waren, en, valsch of niet, ik zond ze terug!”
Helmond verkeert in de grootste spanning:
“Eva, ik moet openhartig met je spreken.—Oom heeft.... ja hij heeft me instaat gesteld om dat cadeau voor je te koopen, want ik, waarachtigikkon het niet. Maar daarom bid ik je, doe nu ook wat mij, wat ons allen gelukkig kan maken: Ga mee naarDe Zonsberg; geef oom Van Barneveld een zoen, een hartelijken zoen.... Eva, het feest zal wel doorgaan dezen avond. Ja zeker, maar doe dan ook wat ik wensch.... mijn Eva?”
De doktersvrouw ziet haar echtvriend een oogenblik stilzwijgend aan:
“Voor een man, beste August, ben je al te weekhartig. Ik zegweekhartigAugust, met een anderen naam wil ik het niet bestempelen. Jij bent te goed. Wie jou slaat op de linkerwang, dien zou jij letterlijk de rechter toedraaien. Zie, da’s heel mooi in theorie, maar in de praktijk heel lastig. Jij bent vandaaggelukkigevenals ik, en nu zou je de heele wereld wel aan je hart willen drukken, ja zelfs den man die je als een kwajongen behandelt.—Stil,ikben jarig, en mag dus wel spreken: Wat jij nu zoudt willen drukken lieve man, omdat je al te goed bent, dat moet jij weten; maar dat je van zoo’n slecht en ijdel individu als je vrouw is, zulk een tour de force zoudt verlangen, dat is onmogelijk. Jij met je goed gezicht, je zoudt misschien al dadelijk neus aan neus met Herrn General aan ’t ombertje gaan zitten; maar ik—dankje; onmogelijk! Ik zou z’n excellentie—brave beste man, ik weet het, garde d’honneur geweest—’k zou ’em zeggen: Eerst hebben we samen een appeltje te schillen ouwe heer. Ga jij daar eens zitten: “Wijvenenonbeschaamde feeksen” wonen in achterbuurten; maar de vrouw van een man, dien men reeds een paar malen met den rang van professor doodverfde; die—zooals ik pas onlangs mocht hooren, voor zijn doctorale promotie een dissertatie schreef, welke als een meesterstuk moet geroemd zijn, een werk waar de heele wereld van spreekt behalve die talentvolle schrijver alleen....”
“Eva waartoe dit alles?”
Eva vervolgt: “Die vrouw is veel te trotsch om, niet alleen zichzelve, en haar familie die een gravenkroon kan voeren, te zien minachten; maar vooral om hem, dien ze als een afgod vereert,”—zij nadert Helmond snel en slaat haar armen half schreiend om zijn hals—“als een kind, als een nul te zien behandelen, om hem de les te zien lezen, zooals men ’t nog gisteren met dat zotte ultimatum gedaan heeft.—Zulk een brief bewijst inmijnoog dat de schrijver....”
“Eva, dat schrijven was misschien niet geheel doordacht, maar toch....” Eensklaps laat Eva haar August los; gaat een paar schreden achteruit, en dan dreigend met den vinger, half lachend half schreiend:
“0 ondeugd, ondeugd! ’k Heb het al meer gezegd: knap ben je, een professor, ja, maar voor de comedie deug je niet. Ei ei, baasjelief, dat potsierlijk geschrift kwamóókvanDe Zonsberg; jawel, precies, maar op dezelfde manier als dat stel diamanten! Kom, als je me nu wéér zulke guitenstreekjes uithaalt, dan zou ik nog moeten denken dat je me maar half gunt wat je me goeds geeft. Stil ventje, stil! dat ultimatum kwam van jou, ja ondeugd vanjou!”
Helmond kon niet verder gaan. Al ware Eva niet ter regeling van eenige huiselijke aangelegenheden op dit oogenblik buiten de kamer geroepen en ijlings heengesneld, Helmond zou nu toch geen woorden hebben gevonden om haar op gepaste wijze zulk een onzinnig denkbeeld te ontnemen.
—Hijzelf,hijHelmond, zou dien brief geschreven hebben!—O God, waar moet het heen indien Eva niet toestemt! Ach, zal ze dan in haar dankbare stemming volstrekt niet willen voldoen aan zijn vurigsten wensch tot haar eigen heil? Hij wil, ja hij zal....
“Is mevrouw niet hier Antje?” vraagt hij eenige oogenblikken later, bij ’t binnentreden van de feestelijk getooide en heerlijk geurende oranje-zaal, aan de dienstbode die hem tegenkwam.—Mevrouw was er niet. In gepeins blijft Helmond staan.—Maar wat zal het baten, zoo denkt hij: Indien ze al hier ware, zou ze juisthierooren hebben voor zijn—straks reeds zoo kras door haar verworpen voorstel! Zal ze toegeven, tenzij hij haar terzelfder tijd wilbezwerendat hij zwak was, ellendig zwak, en heden dwazer dan ooit; dat hij armer is dan de bedelaar, die de aalmoes zijn eigendom kan noemen?
—Ha! wanneer hij haar met dien eedvermoordenwil op dezen dag!—Helmonds oog wordt schier terzelfder tijd door de morgenwijnen getrokken, die reeds ginder op ’t buffet gereedstaan. Nee ’t is niet goed; maar toch, één glas port zal geen kwaad doen; hij heeft iets noodig, een kleinen prikkel. Zóó rond te loopen den ganschen dag met die onrust in ’t hart en op ’t gelaat, te midden van groen en bloemen, aan de zij van een gelukkige vrouw, die hij tochhedenzeer zeker sparen moet; neen, zóó rond te loopen dat kon niet. Dat enkele glas port zal zijn stemming wat op helderen.Misschien is hij inderdaad ook wel wat al te zwaartillend. Er zijn zeker menschen genoeg die er om lachen zouden indien ze ’t wisten.... Ja, ja, die zijn erzeker.
Half in gedachten schenkt Helmond zich een tweede glas in, en ledigt het, strak voor zich heen ziende, in één teug.
—’t Is vreemd, een ander zou hij het afraden, en zelf....! Maar te droes, hij zou immers zulk een engel niet waard zijn indien hij haar eersten jaardag.... als zijn wijfje.... als de aanstaande moeder van zijn kind, kon vieren met een tobberig gezicht.—Zijn kind! Ha! Werktuiglijk schenkt Helmond zich nogmaals in; doch,—halt!dat ging zonder nadenken.—Maar ja, waarom niet, dit halve glas kan hij nog drinken. Het fleurt hem op, en—vroolijk moet hij zijn, ja, vroolijk, uitgelaten. Is het dan niet een dubbele schat, dien hij in Eva bezit, een aangebeden vrouw en de moeder van zijn kind!
—Waarachtig, Evert Zwaarmuts, zegt Helmond bijna overluid: waarachtig, je hebt somwijlen iets kleins. Ben je geen zoon van een dapper soldaat die sneuvelde voor zijn vaderland! Tobde die man toen hij twee arme duivels zonder geld in de wereld achterliet?—Wees geen kind August. Al was die heele schuld, alles en alles te zamen een ton.... nee, dat is te gek, een halve.... een kwart ton.... ’t Lijkt er niet naar.... ik zeg, enfinal was ’teen kwart ton, dan zijn er tien, twintig, honderd, duizend middelen om zooveel geld te krijgen. O, als ’t dáárom te doen is: opnemen.... rouge et noir.—Nee nee, dat niet. Debecque wist het: boeken schrijven, populair; honderd duizend middelen zijn er..... voor den professor!
Daar kwam Eva.
“Ha—haha, ben je daar engel, mijn jarige vrouw! Wel wat drommel, zeg jij me nu eens of je ’t hier niet een hemel vindt, een hemel vol bloemengeur, en een hemel aan mijn hart!?”
VIER EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.“Waar gaat u heen pa?”“Ik.....? ik ga uit Coba.”“En ’t is al zoo laat.”“’t Weer is van avond zacht.”“’t Was zoel vandaag; ik vrees dat er storm zal komen. Och, blijf maar thuis lieve pa?”“Nee, ik heb behoefte nog eens de lucht in te gaan; ik wil zien.....” het woord stokte Van Barneveld in de keel, en, als wilde hij zich daarover wreken, stootte hij den zwaren rottingstok met kracht op het marmer van de breede gang.“Pa, ik ga mee.”“Jij gaatnietmee; je blijft thuis.”“Ik wilde....”“Je wilde.... Ik zeg:je blijft thuis.”“Palief, maar ik bid u, u waart dezen middag weer zoo benauwd.”“Dat is nu beter; en juist daarvoor is het goed; ik moet lucht hebben.”Na een oogenblik stilte, terwijl hij zich nu eensklaps naar de zij eener kamerdeur wendt; “Kom eens even hier Jacoba. Ik vergat je te vragen.....”“Wat blieft u pa?” zegt Jacoba die haar vader in de kamer gevolgd is.Van Barneveld tikt met den gouden knop van zijn stok even op Coba’s schouder:“Jij weetzekerdat hun partij niet doorgaat?”“Ik?.... Ja, jawel pa, jawel lieve pa, dat weet ik zeker.”“Dat heb je van....?”“Dat weet ik van dominee Hoogerberg. Jawel pa. Nee ziet u, wat dát betreft dat weet ikheel zeker.”“De dokter is ziek niewaar?”“Juist pa. Ja, de arme August is nog al ziek.... Dominee zei dat hijandersvandaag al stellig zou hier zijn geweest, maar, natuurlijk als men ziek is, niewaar lieve pa?”“Natuurlijk!—Dáárom wou ik je zeggen Coba, dat ik besloten heb mijn zieken pleegzoon een bezoek te gaan brengen.—Tot straks.”Jacoba gevoelt dat de krachten haar dreigen te ontzinken; maar toch, ze houdt zich goed. Is er dan niets te bedenken....?—Ha!“Palief; ik vergat u te zeggen dat ik notaris Zoutenheer heb gesproken; hij zou van avond bij u komen, tenminste....”“Tenminste....?”“Tenminste.... hij dacht....”“Wat dacht hij Jacoba? Dat het nu eindelijk tijd zal worden om het testament te veranderen?—Ik zeg je, hij zalnietkomen omdat ik hemnietliet roepen.—Tot straks.”“Maar pa, om Godswil!”“Gods wil is niet de leugen, Coba. Spaar me. Je weet wat ik, sinds ik dat Liederenboek moest vinden, aan mijn eenig kind te vergeven heb, en dagelijks bid dat de Allerhoogste rechter haar vergeven zal.—Laat me gaan.—Nee, weerhoud me nu niet.”“Och papa, mijn lieve papa!”“God zal je vergeven Coba. Hij trad tusschen beiden door den jonkman weg te nemen. Maar anders, ik zeg je kind, óm dien knaap, óm die passie, zou je bij de geringste tegenkanting van je ouden vader, dien vader hebbengehaat. En wie zijn vader of moeder haat....”—Goede God, heeft zij dan niet altijd,altijdgestreden uit liefde voor dien ouden vader! Een enkele blik, een enkel woord van háár aan dien geliefden Donerie, misschien ware het genoeg geweest om hem.... wie weet!—Maar immers, zelfs tot in die laatste ure heeft zij met kracht gestreden.—Doch nu, zij denkt niet aan zich zelve: Zij beeft slechts bij de gedachte dat haar vader, wanneer hij dien “zieke” bezoeken gaat, het feest zal vinden, dat onzalige feest, in vollen gang:“Maar beste vader....!”“Laat mij Coba, nog eens:laat mij gaan!”Geheel Romphuizen was op de been. ’t Was een ongewone vertooning:alde ramen van het oud-burgemeestershuis waren opengebleven,en van de markt- en straatzijde kon men, op de teenen staande, van buiten alles precies zoo duidelijk zien alsof men er binnen was.—Wat ’en licht in die kamers! Nog veel meer kaarsen dan in de kerk op ouwejaarsavond! En bloemen! “Nou!” zei er een uit de groep: “as ze dat in Den Haag wisten dan wier d’r beslag op geleid.”“Rijk Oostinje!” zei een ander.“Baldadigheid zoo’n rikdom!” riep een straatjongen, en sloeg een ondermeester van de armenschool, die zich juist op de toonen verhief, den hoed over de oogen.’t Was een ongewone avond voor de buitenwacht: Gerij en gevlieg. Parade voor de groote lui achter de verlichte glazen. Muziek!—Ja hoor maar, ’t schetterde de heele markt over.“Heerejee,” zei slanke Elsje van den molen tegen haar Jan: “we konden hier op ’et plein wel ’en anevandeu slaan.” Maar Jan zei, dat ie op klompen was.—Hé, ’t leek dan toch prachtig daarbinnen.—Ja prachtig; en ’en schik dat ze hadden! Zie, zie, daar was de doktersvrouw.“Wat ’en staatsie!”“En kiek, dóár is dokter ook.”—“Jawel, zie!”—“Kiek, nou drinken ze, kiek! Allemoal sampanje!”“Geld dat ze hebben!—Tenminste te wachten! Of....!?”“Stil, dring dan zoo niet!”Men kon het niet helpen. Aan de linkerzijde van de groep was plotseling een beweging ontstaan. Men wilde zich verplaatsen. Geen wonder. Ginds aan ’t einde van ’t marktplein bij de Hoenderveldsche straat was een kleine oploop. Men zou alweer wat nieuws zien; en ’t stroomde er met troepen heen. Nochtans, de verwachting van velen werd teleurgesteld. Men zou niet zien; slechts vernemen.Geen vijf minuten geleden was een oud heer, uit de richting van ’t nieuwe doktershuis, het plein afgekomen, en terwijl hij hier even stilgestaan en naar het doktershuis had omgezien, was hij plotseling ineengezakt. Op deze zelfde stoep had ie gezeten.—Gelukkig was de man niet heelemaal van z’n montanen geraakt; en Aalbers en Jut hebben hem onder den arm genomen en naar de apotheek van Van Hake gebracht. Spreken kon ie niet, maar hier had ie gelegen of gezeten, hier opdeze eigenste stoep.—En wie het geweest was?—Ja, dat wist men niet met zekerheid te zeggen. Een van de grootheid buiten de stad, dat was zeker, en naar den ouderdom te rekenen kon het menheer vanDe Zonsbergwel geweest zijn. Alevel, men moest dat weder betwijfelen, want naar alle gedachten zou zoo iemand toch wel bij zijn “naaste bloed wezen als er een vette mond te halen was”.Dirk de slager was echter beter ingelicht. Toen menheer Kippelaan eergisteren lamsbout bij hem bestelde, toen had hij hem in vertrouwen meegedeeld, dat de generaal—die een particuliere vriend van menheer Kippelaan was—schrikkelijk op dokter Helmond moest gebeten zijn, aangezien de generaal het eerst door hém—Kippelaan—had vernomen dat dokter het oud-burgemeestershuis gekocht had. En o jee, er was een heeleboel meer: Dokter hield het op de hand van een broer, die zich slecht gedroeg en gemeenauteurwas geworden.—Men ziet dat Kippelaan den brief aan Woudberg wat haastig had gelezen.—En de majoor Kartenglimp had—mede volgens Kippelaan—gezegd, dat ie heel bang was dat het nog eens slecht met den dokter eindigen zou.—Ja, ja, dat alles kwam goed overeen.—’t Was een rare geschiedenis met dien dokter. God wist of ie dat feest niet van gestolen geld gaf; dat ie misschien zoo’ngeneraalhad bestolen; God wist ’et!—Tenminste zooveel licht als daar brandde in die kamers van het doktershuis, dat was overdaad en waarachtig geen pinksterlicht.De generaal Van Barneveld gevoelt zich—zooals hij zegt—weer geheel beter. Althans hij verlangt nu te vertrekken met de vigilante, die hem tot aan het hek vanDe Zonsbergzal terugbrengen: Niet verder, want bij vreest zijn dochter onnoodig te doen schrikken.De oude generaal maakt zoo flink mogelijk een buiging voor mevrouw Van Hake, en zegt te hopen dat hij haar niet te veel derangeerde. Daarna zich tot Thomas wendend, moet hij mijnheer Van Hake nogmaals zeer bepaald verzoeken om dokter Helmond volstrekt niet van dit ongeval te spreken, en, zoo hij door anderen reeds werd ingelicht, hem ten sterkste een belangstellend bezoek te ontraden: “Ik zou je dezen last niet opdragen menheer,” besloot de generaal: “wanneer ik voor eenige weken niet bespeurd had dat dokter Helmond u zijn intiemste geheimen toevertrouwt. Zeg hem.... dat ik verandering van lucht behoef, en den notaris dezen avond aan zijn feest moest onttrekken om eenige beschikkingen te maken, mede tot verkoop vanDe Zonsberg.”Mevrouw Van Hake aarzelt, maar treedt dan haastig den vertrekkenden grijsaard terzij: doch, als zij spreken wil, dan blijft hij staan; ziet haar met zijn donkergrijze oogen zeer ernstig aan en zegt beleefd:“Het zou mij onaangenaam zijn u iets te moeten weigeren mevrouw.” En dan, op gestrengen toon: “Er was geen genade bij God voor den man, die door een eerste Eva het Paradijs verloor. God zond Zijn Engel met het vlammende zwaard.” En wat zachter: “Ik wensch u toe, vreugde te beleven aan uw eenigen zoon mevrouw.— Goeden nacht!”Toen Van Barneveld door Thomas in het rijtuig werd geholpen, klonken de vroolijke walstonen uit het nieuwe doktershuis over het marktplein tot in de Hoenderveldsche straat; en nadat het portier was gesloten en de paarden in vluggen draf den wal opreden, wierp de grijsaard zich achterover in den hoek van het rijtuig, en sloot de oogen, en drukte de hand op het pijnlijk kloppende hart, terwijl hij bij zich zelven de woorden herhaalde: “Goeden nacht! Ja, goeden nacht!”Eva Helmond had er voor gezorgd dat haar feest niet voor hetfeest der Debecque’s zou onderdoen. Indien zij ’t alles op den lieven August had laten aankomen—ja dán; maar, zij heeft gezorgd; in stilte. Men moest met iemand als Helmond—uit de school van “een gulden heeft tweehonderd halve centen”—niet al te veel redeneeren; men kwam dan aan geen eind. Wanneer August vooruit moest zeggen of men bijvoorbeeld bougies van de zes of vier zou nemen, dan was men zeker dat hij de kleinste kaarsen koos. Altijd goed genoeg! Maar later als het licht dan wat te zwak zou zijn, dan voorzeker, dan zou August er misschien nog meer over tobben dan zij. Met de bloemen heeft Eva al gemerkt dat zij maar heel goed heeft gedaan. August had niets gezegd, en scheen zeer tevreden.—Nu ja, ’t geen hij besteld had, ’t zou ook wat al te armoedig zijn geweest. Zeerzeker, Eva heeft den besten man, die haar nog dezen morgen zoo prachtig verraste—want voor háár berekent hij zoo niet—zij heeft hem heel wat hoofdbrekens bespaard en hem daardoor dezen avond al menig genoeglijke verrassing bezorgd.—De twee nieuwe kronen in de beide zalen, hij vond ze prachtig. Nu ja, gehuurd, maar als ze er ééns hangen; niewaar—!? En dan de vier ombertafeltjes, en de Oostindische fiesjes-doozen! ’t Was immers noodig, want hier, waar geen groot park was, hier wilden de heeren misschien wel graag een partijtje maken, en de beide oude tafeltjes—jawel die zijn uitmuntend voor de gelagkamer inDe Gouden Arend.“Allerliefst! dat is à l’instar de Frascati te Amsterdam. Frisch, delicieus!” zegt mevrouw Narwal, en doopt haar fijn geborduurden zakdoek in de kleine eau-de-cologne-fontein, die de bloemist-decorateur zeer smaakvol tusschen de fijnste potbloemen bij een grooten spiegel heeft aangebracht.“Mevrouw de gravin Van Leeuwen kan nu moeielijk met haar mooie flacon pronken;” fluistert de oudste freule Blankenberge, half lachend maar toch spijtig, terwijl ze behendig het tamelijk groote stopsel van haar ingedoopt zakdoekje voor vlugge oogen onzichtbaar maakt.—Och die povere Blankenbergjes! denkt Eva die het stopsel gezien heeft.“Mevrouw Van Leeuwen is stil;”meent een der nabijstaande heeren.“Ze heeft wat migraine naar ik hoorde;” zegt freule Rosa Narwal, en ziet tegelijk met een spotachtig lachje naar de diamanten broche, waarmee de gastvrouw schittert.Eva zag in den spiegel dat ze ondanks zich zelve bloosde. Ei! de puissant rijke gravin Van Leeuwen had migraine; ei! Dát moet ze aan August vertellen.—Ha! mevrouw Van Leeuwen is stil en heeft migraine!“Volstrekt nietcomme il faut;” zegt de gravin Van Leeuwen zeer zacht tot den Oostindischen majoor Kartenglimp, die dezen avond in uniform de partij met zijn tegenwoordigheid vereert: “’t Vrouwtje is mooi en jong, maar bijzonder geéduqueerd is ze niet. Als gastvrouw zoekt men niet te schitteren zooals zij.”“Ja!” zegt Kartenglimp met een bijzonderen ophaal: “Ja! wat zal ik u antwoorden mevrouw; ik vrees.....”“U vreest.... majoor?”“O, niets anders dan ’t geen u zooeven bedoelde mevrouw.”“Ik?”“’t Geeniedereenvreest. Ik beklaag hem. Jawel, iedereen beklaagt hem. Bon homme!—Ze speelde al een rare rol in Den Haag. Naar men zegt,enfin, naar men zegt....!”“U bedoelt? Ik herinner me niet juist....”“Ja men haalt die zaken liever niet op, maar....”“Nee natuurlijk; maar....?”“Ze moet toen zeer veel geconverseerd hebben met een zekeren jonker Lasure, later getrouwd met een freule Leeuwenhuis. Enfin, juffrouw Armelo kwam toen ziek in Romphuizen terug.”“Ziek....?”“’t Heette toen tering.—Enfin, als hetkindmaar een naam heeft.”“U zegt een k....—O, maar dat zou affreus, dat zou... zoo iets kan ik niet gelooven majoor; nee, wat coquette en jong, zeer jong, maar zóó iets, nee, dat moet laster zijn.”Kartenglimp was te ver gegaan. Ofschoon het doktersvrouwtje in de schatting der gravin Van Leeuwen dezen avond zeer gedaald was;ofschoonde gravin migraine had en zich verveelde, zóó iets wilde ze toch van zulk een bevallig vrouwtje niet gelooven. Die majoor begon haar onaangenaam te worden. Een vrouw van geboorte verdraagt net niet dat een vreemde man haar sekse in een ongunstig daglicht plaatst, en vooral niet iemand op wie die sekse heeft roem gedragen, terwijl die iemand nog daarenboven voor het oogenblik haargastvrouwis.—Ja, Kartenglimp was te ver gegaan; hij heeft vergeten dat hij, wèl naast een praatgrage misschien wat zeer ijdele vijftigjarige vrouw zat, maar niet onder zijn kornuiten.—Nu hij echteraheeft gezegd moet hij ookbzeggen. ’t Zou onverstandig zijn indien hij dit verzuimde.En, terwijl de majoor eenige minuten later—nadat hij de nieuwsgierigheid der gravin zeer gevoelig heeft weten te prikkelen—haar in een hoekje terzij van eenige schoone waaiervormige planten heeft gebracht, mag hij haar onbespied een briefje op rosé papier toonen, een geparfumeerd briefje waaronder zeer duidelijk te lezen staat: “Uw Eva Helmond Van Armeloo,” en waarvan het adres luidt: “Aan den Majoor Kartenglimp.”“Prachtig! prachtig!” riepen al de gasten als uit één mond: “Bis, bis!” drong men van alle zijden.Mijnheer Kippelaan wrong zich letterlijk door de heeren en dames heen, en——Enfin, hij kwam te laat. Eva had zich reeds bereid verklaard om van de idylle, getiteld;Peters-wijfje, nogmaals het slotcouplet te zingen. En, als er weder een ademlooze stilte heerscht,dan klinkt het opnieuw schier betooverend schoon en toch zoo hoogst eenvoudig:“En bij den zomer-avondglans,Als ’t rood nog fonkelt aan den trans.Dan tuurt zijn wijfje. En zie, van verreDaar flikkert spade of zeis als waar’ ’t een gouden sterre,En roept haar vroolijk toe:Hier komt hij kind, van d’arbeid moe;Zet jij nu fluks de brij maar klaar;En straks, mijn beste brave vrouw,Brengt Peter met een kus aan jouZijn dank aan God d’Alzegenaar!”Toen de eerste indruk, dien dat heerlijk welluidend zingen gemaakt had, een weinig voorbij was, toen waren er sommigen die in stilte de keus van dat lied niet bijzonder gelukkig noemden, ’t Nederlandsch klonk zoo plat; datjoubijvoorbeeld en diebrij klaarzetten, Nee!“Welzeker, dat zeg ik mijn dochter zoo dikwijls;” zegt mevrouw Armelo op haar innemendsten toon: “Ik hou óók niet van Hollandsche liedjes; die vindt men altijd op de orgels. Maar een mooie stem dat heeft ze. Ja, ik zeg maar mevrouw de barones, als men er bovendien rondom zoo dik inzit als mevrouw mijn dochter, dan.....”Mevrouw de barones Narwal werd juist door Debecque aangesproken, en zag er geen bezwaar in om met een gedistingueerd lachje de moeder der gastvrouw verder aan ’t gezelschap van een der freules Van Winteren over te laten.De laatste zal nu met de meeste welwillendheid vernemen, ’t geen de aanstaande gravin Van Armeloo alzoo meer op het hart heeft, en vooral hoe het haar een opoffering is geweest om aan den grooten drang van mevrouw haar dochter te voldoen en de partij bij te wonen, dewijl de kapitein en freule Louise, tot hun onbeschrijfelijk leedwezen door een zeer lichte ongesteldheid zijn verhinderd geworden om mee te gaan: “Och,” besloot mevrouw Armelo na een lang vertoog—waarin ook nog vermeld werd dat haar zijden kleedheelemaaluit Parijs was gekomen enmaar eventjesvier en een half de el kostte: “Och, mijn dochter liet niet af, en, wat zal ik je zeggen freule Van Winteren,”—Mevrouw drukte haar hand boven den boezem: “Een moeder doet veel, zeer veel voor haar kind!”“Verrukkelijk! Prachtig!” roept Hardenborg nogmaals vol enthousiasme over den heerlijken zang dien men zooeven hoorde: en terwijl hij Helmonds arm neemt, vervolgt hij: “Weet jij wel amice, dat die stem onbetaalbaar is? Als zoo iets in ’t publiek was te hooren men sloeg elkander dood om een plaats.”Eva heeft van terzijde ookdezelofspraak gehoord, maar is daarom niet minder gevoelig voor de eer dat mevrouw Van Leeuwen—die migraine heeft, en—natuurlijk onwillekeurig—den uitgespreidenwaaier voor haar buste houd, een zeer vleiend woord spreekt over de allerliefst lieve stem van haar gastvrouw.Van tijd tot tijd moest Eva zich zelve als met geweld herinneren dat deze schitterende partij inderdaad doorhaarwerd gegeven; dat deze rijkgetooide zalen de hare, en al de gasten—waaronder zoo velen van adel—werkelijkharegasten zijn.—En toch het is zoo, en onder die allen is er zeker geen enkele, die zich zóó gelukkig gevoelt als zij.—Neen het deert haar zelfs weinig dat mevrouw de gravin met zulk een bijzondere belangstelling naar ’t een en ander van vroeger informeert, en straks—met iets zonderlings om de lippen—haar vraagt of haar mama misschien geparenteerd was aan de familie Lyderick van Zevenkerken? Zij meent den naam Lyderick te hebben gehoord. De oude graaf Lyderick had een paar germain nichten gehad, maar....”“Mama is een geboren freule Lieder,” heeft Eva snel met een blosje geantwoord.—Wel ja, waarom niet? ’t Was te gek om mama zoo uit te sluiten. Bovendien, in ’t Duitsch wasalles Fräulein. —Mama heeft zeker iets gezegd dat wat vreemd klonk, want dat lachje van mevrouw Van Leeuwen.... enfin, ’t heeft Eva slechts een enkel oogenblik gehinderd, want o, zij was meer dan gelukkig. En straks, na het soupee, wanneer het tweede deel van ’t balprogramma zal begonnen zijn, dan wordt haar de vreugdebeker ten boorde toe gevuld. Ja, ja zeker, de majoor heeft het haar toegezegd, nog dezen avond zal hij haar, als verjaringsgeschenk, het onwederlegbaar bewijs overhandigen dat Eva is: een geboren gravinne Van Armeloo.“Ei majoor,” zegt Eva, terwijl ze hem nadert met een—misschien wel eenigszins gekunsteld vriendelijk lachje: “ik ben er door vereerd dat u onze eenvoudige soirée in tenue de guerre, ofschoon zeker niet in vijandige stemming hebt willen bijwonen.”“Bekoorlijke gastvrouw, ik had mij voorgenomen geen uniform meer te dragen tenzij ik nogmaals de eer mocht hebben aan ’t Hof te worden verzocht.... maar, dezen avond....!”“Zeer beleefd majoor;” herneemt Eva met een gevoelig neerslaan der oogen, en dan met den blik naar den spiegelgladden vloer: “Het spijt mij dat ge u nog zooveel moeite moet geven. Zou niet een der bedienden... die boodschap naar uw woning kunnen doen?”De majoor schijnt niet aanstonds te begrijpen wat de vraagster zeggen wil. Hij staart—zooals men dat doen kan—onwillekeurig strak voor zich uit, en heeft er zeker geen erg in dat zijn oog als bij toeval rust op Eva’s blanken boezem, die—ofschoon het haar zelf geneerde—veel in ’t oogmoestvallen, aangezien volgens plechtige verzekering van de Utrechtsche modiste, “het Hof nog tot drie en vier centimeters lager ging.”Echter, dat staren bevalt Eva niet. Zij maakt een zijdelingsche beweging, alsof zij den sleep van haar prachtig lila satijnen kleed wil wenden, en zegt dan snel:“Ik bedoel dat men die stukken voor u kon halen majoor.”“Ah zoo!” Maar de schoone gastvrouw zou begrijpen dat menzulke papieren van hooge waarde toch niet ter visie van iedereen liet liggen. Om haar genoegen te doen, ontzag hij zich geen moeite, ofschoon deze gering was.—Het bleef bij de afspraak: Onder den tweeden dans, na het soupee, zal hij bij den koepel in den “sierlijk verlichten tuin”, haar het begeerde verjaringsgeschenk overhandigen. Ja, natuurlijk aan haar alleen; gansch alleen; want de majoor moet het herhalen: hij is zonder eenige rancune; maar bij zich zelven heeft hij gezworen, dat hij slechts op bepaald verzoek van de beminnelijke doktersvrouw zou kunnen besluiten om aan de kapiteinsfamilie het document te geven, ’twelk men zonder zijn hulp nimmer zou hebben gevonden.“Waarlijk een prachtige vole;” zegt de gastheer tot een der heeren quadrilleurs, terwijl hij aan den arm van Archibald even bij een der speeltafeltjes stilstaat.“’t Eerste mooie spel sedert de notaris werd weggehaald;” is het antwoord.“Ja, dat Romphuizer notariaat is een geldwinning;” zegt mevrouw Lens: “U hebt de lavage mijnheer de kantonrechter.”“Is het tegenwoordig ton dat gastheer en gastvrouw ronddwalen zonder mee te spelen?” vraagt aan een ander tafeltje de oudste juffrouw Van Berge, die voor een ombertje letterlijk “geprest was.”“Welzeker juffrouw,” bevestigt de burgemeester: “je bent hier heelemaalvrij. Ze noemen datpartie libre.—Harten troef. Hij ziet er bleekjes uit.”“Je sans-prendre burgemeester?”“Nee, ik bedoel onzen gastheer. Beste vent, maar.... Jawel, harten troef.—Juffrouw Lens, aan u alsjeblieft!”“Zonder eenige quaestie Helmond, ’t verjaringsfeest van je prachtige vrouw is mijn jour de gloire. Ja, ik moest je hier hebben, hier in dezen hoek achter die mooie camelia’s; eventjes, want ik wou je zeggen....”“Mag ik je feliciteeren Hardenborg?”“Man, druk jij noudezehand eens. Me dunkt, jij polsenvoeler van je ambacht, je zult er nog iets bijzonders aan merken; deze zelfde hand had op ’t oogenblik dat jou wijfje zoo betooverend zong, ongezien een kleiner dito aan boord, en die handen hebben elkaar iets herhaald:“En straks mijn beste brave vrouw,Brengt Peter met een kus aan jouZijn dank aan God d’Alzegenaar!”“Ei ei,” zegt Helmond terwijl hij den luitenant hartelijk de hand drukt. En vragend: “Freule Marie?”“Nummer één van de drie!” rijmt Hardenborg lachend: “Jij bent de eerste die ’t weet.—Er ons niet op aankijken hoorje.—Gelukkig dat ze van avond in ’t rose is. Op één na de mooiste! Je ziet dat de liefde me nog niet blind maakt. Je wijfje is een Hebevan avond. Maar die vent....! Kijk, zie je hem wel, dáár, langs die varenplant heen, in de kleine zaal? Hij presenteert haar den arm.—Bah! ’t spijt me dat ze hem aanneemt.”“Eva is een klein beetje verguld met het mooie pak dat de majoor heeft aangetrokken. Ze kan hem moeielijk weigeren. De man is altijd beleefd.”“Weet jij heel zeker Helmond, dat ie geen Ronner heet?”“Wel ja! Tenminste....”“Ik moet je zeggen dat ik me anders ook niet begrijpen zou hoe hij ’t in z’n hersens kon nemen om z’n mooie plunje aan te trekken. De gelijkenis met dien Ronner wordt er bepaald frappant door. ’k Heb naar Indië om informatie geschreven.Alsie ’t was, dan.... verdord!”“Maar wát was er dan met dien Ronner?” zegt Helmond, terwijl hij Eva eensklaps den arm van Kartenglimp ziet loslaten, en zich voegen bij de gasten, die een der heeren hebben bewogen om zich bij de piano te doen hooren.“Dat kan niet in ’t volle licht verteld worden,” zegt Archibald: “Kom even mee in de vestibule; we hebben er koelte bij noodig.”“Maar als die man zulk een schoelje was dan kon hij zich hier niet zoo lang een fatsoenlijk.... enfin als een tamelijk fatsoenlijk man hebben gedragen. Bovendien was hij destijds kapitein, en is met den rang van majoor gepensioneerd: mij dunkt....”“Sedert hij die afschuwelijke rol speelde en zich niet slechts voor een goed deel het vermogen van dienvriend—men beweert vrij zeker door valsch hazardspel, had toegeëigend, maar hem tevens op zoo schaamtelooze wijze de eer van zijn jonge vrouw had ontroofd; toen hij den armen stakker er nog bovendien toe gebracht had om zijn leven in een der Indische pestspelonken—een amfioenkit—te gaan vernietigen, toen zag die ellendeling naar nieuwe slachtoffers uit. Al spoedig wist hij de vrouw van een zijner kameraden—een schoone inlandsche—het arme hoofd op hol te brengen, en, zooals ik je zeide, toen heeft dat fameuse duel plaats gehad waaruit hij als de laagste hond werd voortgeschopt.”“Maar ik zeg, de majoor Kartenglimp draagt immers....!”“Ik spreek vanRonner. Jawel, Kartenglimp draagt de majoorsuniform; maar ’t is bekend dat Ronnervrijwilligzijn ontslag uit den dienst heeft genomen, en dat hem—natuurlijk zonder bezwaar van ’s-Rijks schatkist of eenig pensioen—ontslag is verleend met den titel van majoor en het recht om de activiteitsuniform te blijven dragen. De zaak is, naar men zegt, om familieredenen geheim gehouden en gesust, maar je begrijpt dat de hoofdfeiten toch moesten uitlekken.”“Hardenborg, neem me niet kwalijk, ’t is niet rechtvaardig om iemand zonder bewijs te veroordeelen. De gelijkenis tusschen twee personen is niet voldoende om de laagheden van den een op rekening van den ander te stellen. Kartenglimp is....”“Hij is je gast; zeker! dat mag ik niet vergeten. En jij bent eennobele vent, Helmond! Weet je wát ik doen zal, ik zal eerst eens het antwoord uit Indië afwachten, of Ronner al of niet te Romphuizen woont. Dat weten zijnvrienden, ’k ben er zeker van. Tot zoolang schorten we ons oordeel op, maar zal ikmijnschatje toch al vast verzoeken om dat heer te mijden, want indien hij werkelijk is voor wien ik hem houd, dan is zijn aanblik zelfs een beleediging; het is devetvlekop een rein blad papier, of de vingerdruk op een prachtigen vlinder.
“Waar gaat u heen pa?”
“Ik.....? ik ga uit Coba.”
“En ’t is al zoo laat.”
“’t Weer is van avond zacht.”
“’t Was zoel vandaag; ik vrees dat er storm zal komen. Och, blijf maar thuis lieve pa?”
“Nee, ik heb behoefte nog eens de lucht in te gaan; ik wil zien.....” het woord stokte Van Barneveld in de keel, en, als wilde hij zich daarover wreken, stootte hij den zwaren rottingstok met kracht op het marmer van de breede gang.
“Pa, ik ga mee.”
“Jij gaatnietmee; je blijft thuis.”
“Ik wilde....”
“Je wilde.... Ik zeg:je blijft thuis.”
“Palief, maar ik bid u, u waart dezen middag weer zoo benauwd.”
“Dat is nu beter; en juist daarvoor is het goed; ik moet lucht hebben.”
Na een oogenblik stilte, terwijl hij zich nu eensklaps naar de zij eener kamerdeur wendt; “Kom eens even hier Jacoba. Ik vergat je te vragen.....”
“Wat blieft u pa?” zegt Jacoba die haar vader in de kamer gevolgd is.
Van Barneveld tikt met den gouden knop van zijn stok even op Coba’s schouder:
“Jij weetzekerdat hun partij niet doorgaat?”
“Ik?.... Ja, jawel pa, jawel lieve pa, dat weet ik zeker.”
“Dat heb je van....?”
“Dat weet ik van dominee Hoogerberg. Jawel pa. Nee ziet u, wat dát betreft dat weet ikheel zeker.”
“De dokter is ziek niewaar?”
“Juist pa. Ja, de arme August is nog al ziek.... Dominee zei dat hijandersvandaag al stellig zou hier zijn geweest, maar, natuurlijk als men ziek is, niewaar lieve pa?”
“Natuurlijk!—Dáárom wou ik je zeggen Coba, dat ik besloten heb mijn zieken pleegzoon een bezoek te gaan brengen.—Tot straks.”
Jacoba gevoelt dat de krachten haar dreigen te ontzinken; maar toch, ze houdt zich goed. Is er dan niets te bedenken....?
—Ha!
“Palief; ik vergat u te zeggen dat ik notaris Zoutenheer heb gesproken; hij zou van avond bij u komen, tenminste....”
“Tenminste....?”
“Tenminste.... hij dacht....”
“Wat dacht hij Jacoba? Dat het nu eindelijk tijd zal worden om het testament te veranderen?—Ik zeg je, hij zalnietkomen omdat ik hemnietliet roepen.—Tot straks.”
“Maar pa, om Godswil!”
“Gods wil is niet de leugen, Coba. Spaar me. Je weet wat ik, sinds ik dat Liederenboek moest vinden, aan mijn eenig kind te vergeven heb, en dagelijks bid dat de Allerhoogste rechter haar vergeven zal.—Laat me gaan.—Nee, weerhoud me nu niet.”
“Och papa, mijn lieve papa!”
“God zal je vergeven Coba. Hij trad tusschen beiden door den jonkman weg te nemen. Maar anders, ik zeg je kind, óm dien knaap, óm die passie, zou je bij de geringste tegenkanting van je ouden vader, dien vader hebbengehaat. En wie zijn vader of moeder haat....”
—Goede God, heeft zij dan niet altijd,altijdgestreden uit liefde voor dien ouden vader! Een enkele blik, een enkel woord van háár aan dien geliefden Donerie, misschien ware het genoeg geweest om hem.... wie weet!—Maar immers, zelfs tot in die laatste ure heeft zij met kracht gestreden.—Doch nu, zij denkt niet aan zich zelve: Zij beeft slechts bij de gedachte dat haar vader, wanneer hij dien “zieke” bezoeken gaat, het feest zal vinden, dat onzalige feest, in vollen gang:
“Maar beste vader....!”
“Laat mij Coba, nog eens:laat mij gaan!”
Geheel Romphuizen was op de been. ’t Was een ongewone vertooning:alde ramen van het oud-burgemeestershuis waren opengebleven,en van de markt- en straatzijde kon men, op de teenen staande, van buiten alles precies zoo duidelijk zien alsof men er binnen was.—Wat ’en licht in die kamers! Nog veel meer kaarsen dan in de kerk op ouwejaarsavond! En bloemen! “Nou!” zei er een uit de groep: “as ze dat in Den Haag wisten dan wier d’r beslag op geleid.”
“Rijk Oostinje!” zei een ander.
“Baldadigheid zoo’n rikdom!” riep een straatjongen, en sloeg een ondermeester van de armenschool, die zich juist op de toonen verhief, den hoed over de oogen.
’t Was een ongewone avond voor de buitenwacht: Gerij en gevlieg. Parade voor de groote lui achter de verlichte glazen. Muziek!—Ja hoor maar, ’t schetterde de heele markt over.
“Heerejee,” zei slanke Elsje van den molen tegen haar Jan: “we konden hier op ’et plein wel ’en anevandeu slaan.” Maar Jan zei, dat ie op klompen was.—Hé, ’t leek dan toch prachtig daarbinnen.
—Ja prachtig; en ’en schik dat ze hadden! Zie, zie, daar was de doktersvrouw.
“Wat ’en staatsie!”
“En kiek, dóár is dokter ook.”—“Jawel, zie!”—“Kiek, nou drinken ze, kiek! Allemoal sampanje!”
“Geld dat ze hebben!—Tenminste te wachten! Of....!?”
“Stil, dring dan zoo niet!”
Men kon het niet helpen. Aan de linkerzijde van de groep was plotseling een beweging ontstaan. Men wilde zich verplaatsen. Geen wonder. Ginds aan ’t einde van ’t marktplein bij de Hoenderveldsche straat was een kleine oploop. Men zou alweer wat nieuws zien; en ’t stroomde er met troepen heen. Nochtans, de verwachting van velen werd teleurgesteld. Men zou niet zien; slechts vernemen.
Geen vijf minuten geleden was een oud heer, uit de richting van ’t nieuwe doktershuis, het plein afgekomen, en terwijl hij hier even stilgestaan en naar het doktershuis had omgezien, was hij plotseling ineengezakt. Op deze zelfde stoep had ie gezeten.—Gelukkig was de man niet heelemaal van z’n montanen geraakt; en Aalbers en Jut hebben hem onder den arm genomen en naar de apotheek van Van Hake gebracht. Spreken kon ie niet, maar hier had ie gelegen of gezeten, hier opdeze eigenste stoep.
—En wie het geweest was?
—Ja, dat wist men niet met zekerheid te zeggen. Een van de grootheid buiten de stad, dat was zeker, en naar den ouderdom te rekenen kon het menheer vanDe Zonsbergwel geweest zijn. Alevel, men moest dat weder betwijfelen, want naar alle gedachten zou zoo iemand toch wel bij zijn “naaste bloed wezen als er een vette mond te halen was”.
Dirk de slager was echter beter ingelicht. Toen menheer Kippelaan eergisteren lamsbout bij hem bestelde, toen had hij hem in vertrouwen meegedeeld, dat de generaal—die een particuliere vriend van menheer Kippelaan was—schrikkelijk op dokter Helmond moest gebeten zijn, aangezien de generaal het eerst door hém—Kippelaan—had vernomen dat dokter het oud-burgemeestershuis gekocht had. En o jee, er was een heeleboel meer: Dokter hield het op de hand van een broer, die zich slecht gedroeg en gemeenauteurwas geworden.—Men ziet dat Kippelaan den brief aan Woudberg wat haastig had gelezen.—En de majoor Kartenglimp had—mede volgens Kippelaan—gezegd, dat ie heel bang was dat het nog eens slecht met den dokter eindigen zou.—Ja, ja, dat alles kwam goed overeen.—’t Was een rare geschiedenis met dien dokter. God wist of ie dat feest niet van gestolen geld gaf; dat ie misschien zoo’ngeneraalhad bestolen; God wist ’et!—Tenminste zooveel licht als daar brandde in die kamers van het doktershuis, dat was overdaad en waarachtig geen pinksterlicht.
De generaal Van Barneveld gevoelt zich—zooals hij zegt—weer geheel beter. Althans hij verlangt nu te vertrekken met de vigilante, die hem tot aan het hek vanDe Zonsbergzal terugbrengen: Niet verder, want bij vreest zijn dochter onnoodig te doen schrikken.
De oude generaal maakt zoo flink mogelijk een buiging voor mevrouw Van Hake, en zegt te hopen dat hij haar niet te veel derangeerde. Daarna zich tot Thomas wendend, moet hij mijnheer Van Hake nogmaals zeer bepaald verzoeken om dokter Helmond volstrekt niet van dit ongeval te spreken, en, zoo hij door anderen reeds werd ingelicht, hem ten sterkste een belangstellend bezoek te ontraden: “Ik zou je dezen last niet opdragen menheer,” besloot de generaal: “wanneer ik voor eenige weken niet bespeurd had dat dokter Helmond u zijn intiemste geheimen toevertrouwt. Zeg hem.... dat ik verandering van lucht behoef, en den notaris dezen avond aan zijn feest moest onttrekken om eenige beschikkingen te maken, mede tot verkoop vanDe Zonsberg.”
Mevrouw Van Hake aarzelt, maar treedt dan haastig den vertrekkenden grijsaard terzij: doch, als zij spreken wil, dan blijft hij staan; ziet haar met zijn donkergrijze oogen zeer ernstig aan en zegt beleefd:
“Het zou mij onaangenaam zijn u iets te moeten weigeren mevrouw.” En dan, op gestrengen toon: “Er was geen genade bij God voor den man, die door een eerste Eva het Paradijs verloor. God zond Zijn Engel met het vlammende zwaard.” En wat zachter: “Ik wensch u toe, vreugde te beleven aan uw eenigen zoon mevrouw.— Goeden nacht!”
Toen Van Barneveld door Thomas in het rijtuig werd geholpen, klonken de vroolijke walstonen uit het nieuwe doktershuis over het marktplein tot in de Hoenderveldsche straat; en nadat het portier was gesloten en de paarden in vluggen draf den wal opreden, wierp de grijsaard zich achterover in den hoek van het rijtuig, en sloot de oogen, en drukte de hand op het pijnlijk kloppende hart, terwijl hij bij zich zelven de woorden herhaalde: “Goeden nacht! Ja, goeden nacht!”
Eva Helmond had er voor gezorgd dat haar feest niet voor hetfeest der Debecque’s zou onderdoen. Indien zij ’t alles op den lieven August had laten aankomen—ja dán; maar, zij heeft gezorgd; in stilte. Men moest met iemand als Helmond—uit de school van “een gulden heeft tweehonderd halve centen”—niet al te veel redeneeren; men kwam dan aan geen eind. Wanneer August vooruit moest zeggen of men bijvoorbeeld bougies van de zes of vier zou nemen, dan was men zeker dat hij de kleinste kaarsen koos. Altijd goed genoeg! Maar later als het licht dan wat te zwak zou zijn, dan voorzeker, dan zou August er misschien nog meer over tobben dan zij. Met de bloemen heeft Eva al gemerkt dat zij maar heel goed heeft gedaan. August had niets gezegd, en scheen zeer tevreden.—Nu ja, ’t geen hij besteld had, ’t zou ook wat al te armoedig zijn geweest. Zeerzeker, Eva heeft den besten man, die haar nog dezen morgen zoo prachtig verraste—want voor háár berekent hij zoo niet—zij heeft hem heel wat hoofdbrekens bespaard en hem daardoor dezen avond al menig genoeglijke verrassing bezorgd.
—De twee nieuwe kronen in de beide zalen, hij vond ze prachtig. Nu ja, gehuurd, maar als ze er ééns hangen; niewaar—!? En dan de vier ombertafeltjes, en de Oostindische fiesjes-doozen! ’t Was immers noodig, want hier, waar geen groot park was, hier wilden de heeren misschien wel graag een partijtje maken, en de beide oude tafeltjes—jawel die zijn uitmuntend voor de gelagkamer inDe Gouden Arend.
“Allerliefst! dat is à l’instar de Frascati te Amsterdam. Frisch, delicieus!” zegt mevrouw Narwal, en doopt haar fijn geborduurden zakdoek in de kleine eau-de-cologne-fontein, die de bloemist-decorateur zeer smaakvol tusschen de fijnste potbloemen bij een grooten spiegel heeft aangebracht.
“Mevrouw de gravin Van Leeuwen kan nu moeielijk met haar mooie flacon pronken;” fluistert de oudste freule Blankenberge, half lachend maar toch spijtig, terwijl ze behendig het tamelijk groote stopsel van haar ingedoopt zakdoekje voor vlugge oogen onzichtbaar maakt.
—Och die povere Blankenbergjes! denkt Eva die het stopsel gezien heeft.
“Mevrouw Van Leeuwen is stil;”meent een der nabijstaande heeren.
“Ze heeft wat migraine naar ik hoorde;” zegt freule Rosa Narwal, en ziet tegelijk met een spotachtig lachje naar de diamanten broche, waarmee de gastvrouw schittert.
Eva zag in den spiegel dat ze ondanks zich zelve bloosde. Ei! de puissant rijke gravin Van Leeuwen had migraine; ei! Dát moet ze aan August vertellen.—Ha! mevrouw Van Leeuwen is stil en heeft migraine!
“Volstrekt nietcomme il faut;” zegt de gravin Van Leeuwen zeer zacht tot den Oostindischen majoor Kartenglimp, die dezen avond in uniform de partij met zijn tegenwoordigheid vereert: “’t Vrouwtje is mooi en jong, maar bijzonder geéduqueerd is ze niet. Als gastvrouw zoekt men niet te schitteren zooals zij.”
“Ja!” zegt Kartenglimp met een bijzonderen ophaal: “Ja! wat zal ik u antwoorden mevrouw; ik vrees.....”
“U vreest.... majoor?”
“O, niets anders dan ’t geen u zooeven bedoelde mevrouw.”
“Ik?”
“’t Geeniedereenvreest. Ik beklaag hem. Jawel, iedereen beklaagt hem. Bon homme!—Ze speelde al een rare rol in Den Haag. Naar men zegt,enfin, naar men zegt....!”
“U bedoelt? Ik herinner me niet juist....”
“Ja men haalt die zaken liever niet op, maar....”
“Nee natuurlijk; maar....?”
“Ze moet toen zeer veel geconverseerd hebben met een zekeren jonker Lasure, later getrouwd met een freule Leeuwenhuis. Enfin, juffrouw Armelo kwam toen ziek in Romphuizen terug.”
“Ziek....?”
“’t Heette toen tering.—Enfin, als hetkindmaar een naam heeft.”
“U zegt een k....—O, maar dat zou affreus, dat zou... zoo iets kan ik niet gelooven majoor; nee, wat coquette en jong, zeer jong, maar zóó iets, nee, dat moet laster zijn.”
Kartenglimp was te ver gegaan. Ofschoon het doktersvrouwtje in de schatting der gravin Van Leeuwen dezen avond zeer gedaald was;ofschoonde gravin migraine had en zich verveelde, zóó iets wilde ze toch van zulk een bevallig vrouwtje niet gelooven. Die majoor begon haar onaangenaam te worden. Een vrouw van geboorte verdraagt net niet dat een vreemde man haar sekse in een ongunstig daglicht plaatst, en vooral niet iemand op wie die sekse heeft roem gedragen, terwijl die iemand nog daarenboven voor het oogenblik haargastvrouwis.
—Ja, Kartenglimp was te ver gegaan; hij heeft vergeten dat hij, wèl naast een praatgrage misschien wat zeer ijdele vijftigjarige vrouw zat, maar niet onder zijn kornuiten.
—Nu hij echteraheeft gezegd moet hij ookbzeggen. ’t Zou onverstandig zijn indien hij dit verzuimde.
En, terwijl de majoor eenige minuten later—nadat hij de nieuwsgierigheid der gravin zeer gevoelig heeft weten te prikkelen—haar in een hoekje terzij van eenige schoone waaiervormige planten heeft gebracht, mag hij haar onbespied een briefje op rosé papier toonen, een geparfumeerd briefje waaronder zeer duidelijk te lezen staat: “Uw Eva Helmond Van Armeloo,” en waarvan het adres luidt: “Aan den Majoor Kartenglimp.”
“Prachtig! prachtig!” riepen al de gasten als uit één mond: “Bis, bis!” drong men van alle zijden.
Mijnheer Kippelaan wrong zich letterlijk door de heeren en dames heen, en—
—Enfin, hij kwam te laat. Eva had zich reeds bereid verklaard om van de idylle, getiteld;Peters-wijfje, nogmaals het slotcouplet te zingen. En, als er weder een ademlooze stilte heerscht,dan klinkt het opnieuw schier betooverend schoon en toch zoo hoogst eenvoudig:
“En bij den zomer-avondglans,Als ’t rood nog fonkelt aan den trans.Dan tuurt zijn wijfje. En zie, van verreDaar flikkert spade of zeis als waar’ ’t een gouden sterre,En roept haar vroolijk toe:Hier komt hij kind, van d’arbeid moe;Zet jij nu fluks de brij maar klaar;En straks, mijn beste brave vrouw,Brengt Peter met een kus aan jouZijn dank aan God d’Alzegenaar!”
“En bij den zomer-avondglans,
Als ’t rood nog fonkelt aan den trans.
Dan tuurt zijn wijfje. En zie, van verre
Daar flikkert spade of zeis als waar’ ’t een gouden sterre,
En roept haar vroolijk toe:
Hier komt hij kind, van d’arbeid moe;
Zet jij nu fluks de brij maar klaar;
En straks, mijn beste brave vrouw,
Brengt Peter met een kus aan jou
Zijn dank aan God d’Alzegenaar!”
Toen de eerste indruk, dien dat heerlijk welluidend zingen gemaakt had, een weinig voorbij was, toen waren er sommigen die in stilte de keus van dat lied niet bijzonder gelukkig noemden, ’t Nederlandsch klonk zoo plat; datjoubijvoorbeeld en diebrij klaarzetten, Nee!
“Welzeker, dat zeg ik mijn dochter zoo dikwijls;” zegt mevrouw Armelo op haar innemendsten toon: “Ik hou óók niet van Hollandsche liedjes; die vindt men altijd op de orgels. Maar een mooie stem dat heeft ze. Ja, ik zeg maar mevrouw de barones, als men er bovendien rondom zoo dik inzit als mevrouw mijn dochter, dan.....”
Mevrouw de barones Narwal werd juist door Debecque aangesproken, en zag er geen bezwaar in om met een gedistingueerd lachje de moeder der gastvrouw verder aan ’t gezelschap van een der freules Van Winteren over te laten.
De laatste zal nu met de meeste welwillendheid vernemen, ’t geen de aanstaande gravin Van Armeloo alzoo meer op het hart heeft, en vooral hoe het haar een opoffering is geweest om aan den grooten drang van mevrouw haar dochter te voldoen en de partij bij te wonen, dewijl de kapitein en freule Louise, tot hun onbeschrijfelijk leedwezen door een zeer lichte ongesteldheid zijn verhinderd geworden om mee te gaan: “Och,” besloot mevrouw Armelo na een lang vertoog—waarin ook nog vermeld werd dat haar zijden kleedheelemaaluit Parijs was gekomen enmaar eventjesvier en een half de el kostte: “Och, mijn dochter liet niet af, en, wat zal ik je zeggen freule Van Winteren,”—Mevrouw drukte haar hand boven den boezem: “Een moeder doet veel, zeer veel voor haar kind!”
“Verrukkelijk! Prachtig!” roept Hardenborg nogmaals vol enthousiasme over den heerlijken zang dien men zooeven hoorde: en terwijl hij Helmonds arm neemt, vervolgt hij: “Weet jij wel amice, dat die stem onbetaalbaar is? Als zoo iets in ’t publiek was te hooren men sloeg elkander dood om een plaats.”
Eva heeft van terzijde ookdezelofspraak gehoord, maar is daarom niet minder gevoelig voor de eer dat mevrouw Van Leeuwen—die migraine heeft, en—natuurlijk onwillekeurig—den uitgespreidenwaaier voor haar buste houd, een zeer vleiend woord spreekt over de allerliefst lieve stem van haar gastvrouw.
Van tijd tot tijd moest Eva zich zelve als met geweld herinneren dat deze schitterende partij inderdaad doorhaarwerd gegeven; dat deze rijkgetooide zalen de hare, en al de gasten—waaronder zoo velen van adel—werkelijkharegasten zijn.—En toch het is zoo, en onder die allen is er zeker geen enkele, die zich zóó gelukkig gevoelt als zij.—Neen het deert haar zelfs weinig dat mevrouw de gravin met zulk een bijzondere belangstelling naar ’t een en ander van vroeger informeert, en straks—met iets zonderlings om de lippen—haar vraagt of haar mama misschien geparenteerd was aan de familie Lyderick van Zevenkerken? Zij meent den naam Lyderick te hebben gehoord. De oude graaf Lyderick had een paar germain nichten gehad, maar....”
“Mama is een geboren freule Lieder,” heeft Eva snel met een blosje geantwoord.—Wel ja, waarom niet? ’t Was te gek om mama zoo uit te sluiten. Bovendien, in ’t Duitsch wasalles Fräulein. —Mama heeft zeker iets gezegd dat wat vreemd klonk, want dat lachje van mevrouw Van Leeuwen.... enfin, ’t heeft Eva slechts een enkel oogenblik gehinderd, want o, zij was meer dan gelukkig. En straks, na het soupee, wanneer het tweede deel van ’t balprogramma zal begonnen zijn, dan wordt haar de vreugdebeker ten boorde toe gevuld. Ja, ja zeker, de majoor heeft het haar toegezegd, nog dezen avond zal hij haar, als verjaringsgeschenk, het onwederlegbaar bewijs overhandigen dat Eva is: een geboren gravinne Van Armeloo.
“Ei majoor,” zegt Eva, terwijl ze hem nadert met een—misschien wel eenigszins gekunsteld vriendelijk lachje: “ik ben er door vereerd dat u onze eenvoudige soirée in tenue de guerre, ofschoon zeker niet in vijandige stemming hebt willen bijwonen.”
“Bekoorlijke gastvrouw, ik had mij voorgenomen geen uniform meer te dragen tenzij ik nogmaals de eer mocht hebben aan ’t Hof te worden verzocht.... maar, dezen avond....!”
“Zeer beleefd majoor;” herneemt Eva met een gevoelig neerslaan der oogen, en dan met den blik naar den spiegelgladden vloer: “Het spijt mij dat ge u nog zooveel moeite moet geven. Zou niet een der bedienden... die boodschap naar uw woning kunnen doen?”
De majoor schijnt niet aanstonds te begrijpen wat de vraagster zeggen wil. Hij staart—zooals men dat doen kan—onwillekeurig strak voor zich uit, en heeft er zeker geen erg in dat zijn oog als bij toeval rust op Eva’s blanken boezem, die—ofschoon het haar zelf geneerde—veel in ’t oogmoestvallen, aangezien volgens plechtige verzekering van de Utrechtsche modiste, “het Hof nog tot drie en vier centimeters lager ging.”
Echter, dat staren bevalt Eva niet. Zij maakt een zijdelingsche beweging, alsof zij den sleep van haar prachtig lila satijnen kleed wil wenden, en zegt dan snel:
“Ik bedoel dat men die stukken voor u kon halen majoor.”
“Ah zoo!” Maar de schoone gastvrouw zou begrijpen dat menzulke papieren van hooge waarde toch niet ter visie van iedereen liet liggen. Om haar genoegen te doen, ontzag hij zich geen moeite, ofschoon deze gering was.—Het bleef bij de afspraak: Onder den tweeden dans, na het soupee, zal hij bij den koepel in den “sierlijk verlichten tuin”, haar het begeerde verjaringsgeschenk overhandigen. Ja, natuurlijk aan haar alleen; gansch alleen; want de majoor moet het herhalen: hij is zonder eenige rancune; maar bij zich zelven heeft hij gezworen, dat hij slechts op bepaald verzoek van de beminnelijke doktersvrouw zou kunnen besluiten om aan de kapiteinsfamilie het document te geven, ’twelk men zonder zijn hulp nimmer zou hebben gevonden.
“Waarlijk een prachtige vole;” zegt de gastheer tot een der heeren quadrilleurs, terwijl hij aan den arm van Archibald even bij een der speeltafeltjes stilstaat.
“’t Eerste mooie spel sedert de notaris werd weggehaald;” is het antwoord.
“Ja, dat Romphuizer notariaat is een geldwinning;” zegt mevrouw Lens: “U hebt de lavage mijnheer de kantonrechter.”
“Is het tegenwoordig ton dat gastheer en gastvrouw ronddwalen zonder mee te spelen?” vraagt aan een ander tafeltje de oudste juffrouw Van Berge, die voor een ombertje letterlijk “geprest was.”
“Welzeker juffrouw,” bevestigt de burgemeester: “je bent hier heelemaalvrij. Ze noemen datpartie libre.—Harten troef. Hij ziet er bleekjes uit.”
“Je sans-prendre burgemeester?”
“Nee, ik bedoel onzen gastheer. Beste vent, maar.... Jawel, harten troef.—Juffrouw Lens, aan u alsjeblieft!”
“Zonder eenige quaestie Helmond, ’t verjaringsfeest van je prachtige vrouw is mijn jour de gloire. Ja, ik moest je hier hebben, hier in dezen hoek achter die mooie camelia’s; eventjes, want ik wou je zeggen....”
“Mag ik je feliciteeren Hardenborg?”
“Man, druk jij noudezehand eens. Me dunkt, jij polsenvoeler van je ambacht, je zult er nog iets bijzonders aan merken; deze zelfde hand had op ’t oogenblik dat jou wijfje zoo betooverend zong, ongezien een kleiner dito aan boord, en die handen hebben elkaar iets herhaald:
“En straks mijn beste brave vrouw,Brengt Peter met een kus aan jouZijn dank aan God d’Alzegenaar!”
“En straks mijn beste brave vrouw,
Brengt Peter met een kus aan jou
Zijn dank aan God d’Alzegenaar!”
“Ei ei,” zegt Helmond terwijl hij den luitenant hartelijk de hand drukt. En vragend: “Freule Marie?”
“Nummer één van de drie!” rijmt Hardenborg lachend: “Jij bent de eerste die ’t weet.—Er ons niet op aankijken hoorje.—Gelukkig dat ze van avond in ’t rose is. Op één na de mooiste! Je ziet dat de liefde me nog niet blind maakt. Je wijfje is een Hebevan avond. Maar die vent....! Kijk, zie je hem wel, dáár, langs die varenplant heen, in de kleine zaal? Hij presenteert haar den arm.—Bah! ’t spijt me dat ze hem aanneemt.”
“Eva is een klein beetje verguld met het mooie pak dat de majoor heeft aangetrokken. Ze kan hem moeielijk weigeren. De man is altijd beleefd.”
“Weet jij heel zeker Helmond, dat ie geen Ronner heet?”
“Wel ja! Tenminste....”
“Ik moet je zeggen dat ik me anders ook niet begrijpen zou hoe hij ’t in z’n hersens kon nemen om z’n mooie plunje aan te trekken. De gelijkenis met dien Ronner wordt er bepaald frappant door. ’k Heb naar Indië om informatie geschreven.Alsie ’t was, dan.... verdord!”
“Maar wát was er dan met dien Ronner?” zegt Helmond, terwijl hij Eva eensklaps den arm van Kartenglimp ziet loslaten, en zich voegen bij de gasten, die een der heeren hebben bewogen om zich bij de piano te doen hooren.
“Dat kan niet in ’t volle licht verteld worden,” zegt Archibald: “Kom even mee in de vestibule; we hebben er koelte bij noodig.”
“Maar als die man zulk een schoelje was dan kon hij zich hier niet zoo lang een fatsoenlijk.... enfin als een tamelijk fatsoenlijk man hebben gedragen. Bovendien was hij destijds kapitein, en is met den rang van majoor gepensioneerd: mij dunkt....”
“Sedert hij die afschuwelijke rol speelde en zich niet slechts voor een goed deel het vermogen van dienvriend—men beweert vrij zeker door valsch hazardspel, had toegeëigend, maar hem tevens op zoo schaamtelooze wijze de eer van zijn jonge vrouw had ontroofd; toen hij den armen stakker er nog bovendien toe gebracht had om zijn leven in een der Indische pestspelonken—een amfioenkit—te gaan vernietigen, toen zag die ellendeling naar nieuwe slachtoffers uit. Al spoedig wist hij de vrouw van een zijner kameraden—een schoone inlandsche—het arme hoofd op hol te brengen, en, zooals ik je zeide, toen heeft dat fameuse duel plaats gehad waaruit hij als de laagste hond werd voortgeschopt.”
“Maar ik zeg, de majoor Kartenglimp draagt immers....!”
“Ik spreek vanRonner. Jawel, Kartenglimp draagt de majoorsuniform; maar ’t is bekend dat Ronnervrijwilligzijn ontslag uit den dienst heeft genomen, en dat hem—natuurlijk zonder bezwaar van ’s-Rijks schatkist of eenig pensioen—ontslag is verleend met den titel van majoor en het recht om de activiteitsuniform te blijven dragen. De zaak is, naar men zegt, om familieredenen geheim gehouden en gesust, maar je begrijpt dat de hoofdfeiten toch moesten uitlekken.”
“Hardenborg, neem me niet kwalijk, ’t is niet rechtvaardig om iemand zonder bewijs te veroordeelen. De gelijkenis tusschen twee personen is niet voldoende om de laagheden van den een op rekening van den ander te stellen. Kartenglimp is....”
“Hij is je gast; zeker! dat mag ik niet vergeten. En jij bent eennobele vent, Helmond! Weet je wát ik doen zal, ik zal eerst eens het antwoord uit Indië afwachten, of Ronner al of niet te Romphuizen woont. Dat weten zijnvrienden, ’k ben er zeker van. Tot zoolang schorten we ons oordeel op, maar zal ikmijnschatje toch al vast verzoeken om dat heer te mijden, want indien hij werkelijk is voor wien ik hem houd, dan is zijn aanblik zelfs een beleediging; het is devetvlekop een rein blad papier, of de vingerdruk op een prachtigen vlinder.