VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.Nadat het soupeeren in de Oranje-zaal was afgeloopen, verspreidt men zich, alvorens het bal opnieuw zal beginnen, voor een goed deel in den tuin, waar Bus, met Bengaalsch vuur, wonderen verricht, die hem zelf de handen vol verbazing doen ineenslaan.Terwijl door sommige heeren die binnen bleven, de champagne nu min of meer als onschuldig water wordt gedronken, en daarentegen de thee die men ook buiten presenteert, door de meesten met een enthousiasme wordt begroet alsof men al wat er voorafging slechts genoten heeft om anderen plezier te doen; houdt Eva zacht lachend met eenige dames en heeren nabetrachting over de aardigheid, dat bij ’t ontsteken van het eerste blauwwitte licht, ginds op de bank onder den bruinen beuk, een jeugdig paar in teedere omhelzing zeer duidelijk is te voorschijn gekomen. Dat paar, in zoete droomerijen verloren, had niets van de extraordinaire verlichting bemerkt alvorens een zacht—misschien wel een waarschuwend handgeklap verkondigde, dat men hen haduitgevonden. En, terwijl men lacht en praat, in ’t eerst vooral over den armen Piet met zijn bleek Marietje, en men den avond prijst, en de gulheid van die lieve gastvrouw in ’t bijzonder, staat de gastheer, ongemerkt uit het gezelschap verdwenen, op zijn studeerkamer voor de geopende schrijftafel.“Verwenschte champagne!” zegt hij half luid: “Heb ik dan geen greintje macht meer over mijzelf? Wat doet het er toe of hij betaald is of niet; hij heeft een lichaam nog meer van streek en ’t brein als een wijnvat aan ’t gisten gemaakt. Morgenavond—’t is waar, dan moeten de zeshonderd en tien gulden voor Wulters gereed zijn....”—Hé, hoe komt hij ineens op dien Wulters? Wat gaat hem die Wulters aan! Die man heeft geen vrouw die vier- of vijf-millioen kan verdienen op één winter; in Engeland, in Amerika en overal. Wulters de schilder dat is geen man die hier op de partij past; dat is.... Stil Helmond, stil, je moet water drinken, je suizelt; je denkt verward.Fi donc! Die verwenschte champagne! Maar wáár is het zeker: met zoo’n vrouw ben je millionair of je ’t weten wiltof niet, en Wulters behoeft niet bang te zijn, zoomin als iemand ter wereld....Helmond staat een oogenblik met de hand aan het hoofd. ’t Is hier koeler dan binnen, en koeler zelfs dan buiten.—Ei, denkt hij eensklaps opziende: Waarom ben ik ook eigenlijk hier gekomen?.... Ah ja! Die gek, die aartswauwelaar, die handendrukker....! Juist, verrukt over alles, wist hij dat er nog een surprise zou komen.... Een charade; een.... Ja juist. Hij had de afspraak gehoord dat mevrouw Helmond den majoor onder den tweeden dans na ’t soupee zou vinden achter in den tuin..... ’t Zouzekereen charade zijn—heeft Kippelaan erbij gereuteld, want mevrouw Van Leeuwen had ook al aan mevrouw Narwal gezegd, dat men nog heel wat zien en hooren zou.—De majoor had haar zeer geheimzinnig een briefje van mevrouw Helmond laten lezen; enfin, dat waren haar eigen woorden: “eencharade en action!”—Ah ja, nu weet Helmond weer alles: Toen die wauwelaar, verrukt over het nieuws, ’t welk hij hier en daar had opgevangen, met charade-illusies straks de zotste exclamaties over deze “heerlijke Italiaanschefête de nuitrdquo; uitkraaide, toen heeft Helmond met alle krachtsinspanning een zeer buitengewonen aanval moeten bedwingen; immers hij had dien gek tegen het marmer der vestibule kunnen slingeren, hij had hem.... Goddank, zelfs na dien verwenschten champagne kon dokter Helmond toonen dat hij zichzelf altijd meester is. ’t Zou de grootste dwaasheid zijn geweest om aan de praatjes van dien zotskap de geringste waarde te hechten.—Ha, Helmond gevoelt dat het hem goed heeft gedaan hier even in de stilte te hebben vertoefd. ’t Is belachelijk dat hij straks op zulk een gedachte kwam.—Ja nu weet hij ’t weer: Om die Oostersche kris te halen was hij zoo ijlings naar boven gevlogen.—O waanzin, o champagne-gif! Eva, zij, mijn eenige, zij zou met dien majoor....!—Groote God, ik ben ziek tegenwoordig. In denzelfden stond maak ik me bevreesd over ’t geen mij een oogenblik tevoren het hart vol vreugde deed kloppen.—Ben je geen ijdele dwaas? Zulk een vrouw! En rijk, jarijkzijn we tezamen.Mijnwetenschap,háárgoddelijk talent! En onze liefde! O God, draagt ze dan niet onskindjeonder ’t hart!Helmond meent na eenige oogenblikken dat hij weer geheel tot zijn natuurlijke kalmte is teruggekeerd.Wat zijn gestel betreft—nu ja, wanneer Eva’s feest voorbij is, dan zal hij eens een kuur beginnen; hij is inderdaad te gejaagd en te zenuwachtig voor een man van zijn leeftijd en kracht.—Komaan, nu moet hij terug naar beneden; die vreemde roes is voorbij.“Ik heb overal naar je rondgekeken mijn beste man;” zegt Eva op den drempel der tuindeur, en terwijl zij hem even achter de breede gordijnen terzij trekt, drukt ze hem een zoen op de wang.“Beste kind, je zult kou vatten!” vermaant Helmond die in weerwil van zijn menschlievenden aard, de centimeter-juffrouw in zijn ziel verwenscht.Eva is niet bevreesd. Maar, nu Helmond haar iets heeft ingefluisterd—want anderen konden het immers nog bezwaarlijk weten—nu doet ze haastig een zijden foulard om:“Jij ziet wat bleek beste. Er scheelt toch niets aan?”“Aan mij, Eva? Wel nee.—Je hebt immers voldoening van je feest?”“O ja, onbeschrijfelijk veel. Ik hoor overal zeggen dat het hier veel geanimeerder is dan bij de Debecque’s. En....”“En....?”“Er wacht me nog iets.”“Je meent?”“Een geschenk. Een verrassing. Meer zeg ik niet. Nee nee, mannetjelief, meer zeg ik niet.” Eva snelt nu voort, want ze had iets vergeten.In een kleine achterkamer waar dezen avond een kok in ’t wit zijn schepter zwaait, geeft Eva haar bevelen. Zij heeft aan papa en Louise gedacht.—Neen, ze wil dat toch liever eigenhandig beredderen. Hier, in deze groote mand legt ze snel en zonder dat men het bemerkt, een flesch champagne. Nu, in een overdekte schaal er bovenop, getruffeerde kalkoen en wat pasteitjes. Ziezoo, een groot stuk ponstaart kan op een papier daarnevens. Ja, nog iets van deze snoeperijen, en een proefje van die fijnigheden. Dát zal smaken. Ach ja, die goede papa kon niet komen, ’t Was niet kiesch van mama dat zij nu óók maar niet stilletjes is thuis gebleven. Mama was....—Wacht, wie zal die mand nu bezorgen? Ja wie? Die vreemden weten hier geen weg,—Ha, daar komt Bus. Bus is in een livrei met rood en goud, hij heeft witte handschoenen aan; ’t zweet loopt hem langs de slapen.“Ei Bus,” zegt Eva op den drempel der kamer: “jij moest deze mand eens eventjes....” Mevrouw Helmond ziet dat de kok haar juist de boodschap van de lippen kijkt.... “Ik zeg, je moest deze mand eens eventjes naar mevrouw Van Hake brengen, je weet wel de weduwe Van Hake.”“Nou!” zegt Bus, “die zou ik niet kennen. En, alsdat ’et van u kwam....?”“Jawel,” roept Eva hem toe, want ze snelde reeds voort. Onder ’t geven van dat adres was ze vuurrood geworden.—Nu ’t was ook eigenlijk te dwaas om aan papa zoo’n mand te zenden, Morgen zal ze ’t wel goedmaken. Ze rijdt er dan desnoods eens even naar toe. ’t Een en ander in een hoededoos, welzeker!Eva weet niet hoe het komt, maar het hart klopt haar sterk in den boezem, nu zij zich door den straks verlaten tuin ijlings naar de achterzijde spoedt.Ginds bij den koepel wacht de majoor; hij zal dan eindelijk geven waarnaar ze zoo lang met fel bestreden ongeduld verlangde. Heeft ze goed gedaan met hem dat briefje te schrijven?—Wáárom zou ze netnietgedaan hebben! Zonder haar beleefd verzoek ware de majoor er zeker niet toe gekomen om die papieren te geven, terwijleen langer dralen zelfs gevaarlijk had kunnen worden, dewijl hij vroeger heeft gezegd dat het voornaamste stuk als curiositeit een groote waarde bezat. Wie weet of hij het niet had kunnen verkoopen; aan een museum misschien!Eva begrijpt dat zij het zeer goed heeft aangelegd.—Aan de jarige echtgenoot van dokter Helmond mocht de majoor niets weigeren, en—door de wijze, waarop ze het behandelde, werden alle zwartgallige visioenen van papa en manlief, volkomen te niet gedaan. Immers, inplaats van de honderden of duizenden guldens die men er hem voor schuldig zou zijn, kostte het haar nu geen enkelen stuiver.Ofschoon Eva den weg kan vinden, het doet haar toch leed dat de meeste lichtballons reeds zijn uitgegaan. Achter in den tuin ziet ze er zelfs geen enkele meer.—O ja, zie, nog een blauwe ginds, en een roode wat verder.’t Is toch zonderling dat haar ’t hart zoo klopt. Is er dan iets kwaads in wanneer men het bewijs gaat ontvangen dat men ’t recht heeft om zich op een der hoogste sporten van de maatschappelijke ladder te plaatsen? Is het niet God zelf die de menschen in het aanzijn roept, ieder in den stand waarvoor Hij hem verordineerde? Kan het geen strijd tegen God worden genoemd, indien men moedwillig verzuimt de plaats te hernemen die ons toebehoort?—Eensklaps staat Eva stil.—Wie zegt haar dat zij den naam van God daar ijdellijk gebruikt? Wie zegt haar dat ze voortholt op het pad der lichtzinnigheid en der zonde....?—Als het alles eens waar was!!!Wat?—Ja zij weet het wel.—Ook van terzijde; ook van dienstboden en meer andere kleine, half in ’t donker zich wrekende vijanden, heeft ze wel eens vernomen wat ze niet hooren wilde, en als de uitvloeisels van jaloezie heeft beschouwd.—Heeft dan die oude man gelijk; holt zij voort op een weg die ten verderve leidt.... op een weg die....?—O foei Eva, schaam je! zegt ze bijna hoorbaar terwijl ze zeer haastig voorttreedt: In ’t donker ben je bang. Kinderachtig kind! Is de verstooten vorstenzoon die een troon herovert, en zich met de weelde die tot een hof behoort omringt, dan ook een “verdoolde die jaagt naar verheffing boven zijn stand, en naar een weelderig genieten zonder arbeid in het zweet zijns aanschijns”!?—Foei Eva, je bent nog even bang in ’t donker als toen je een kind waart.—Maar wie had ook kunnen denken dat de lichten om halféén zouden uitgaan! Voort Eva, voort....!—Ha, daarginder ziet ze iets bewegen. Ja, het treedt terug naar de zij van den koepel achter de fijne dennen.—Komaan Eva, waarom gedraald! Voorwaarts, gerust! ’t Is heden uw schoonste dag: Gravinne van Armeloo!”Dokter Helmond is merkbaar afgetrokken terwijl mevrouw Doelemeere hem attent maakt op den jongen Hardenborg en freule Marie Narwal, vanwelkpaartje men—zij houdt het voor zeker—spoedig meer zal hooren.—Waar was Eva? Hij ziet haar niet.“O wil me even excuseeren mevrouw, ik heb....”Helmond vliegt met zijn blik de zalen rond. De wals is aangevangen. —Mijn hemel wat spelen die muzikanten hard en wild.—Waar is Eva? Weet die kapelmeester niet meer dat hij deze schetterende wals hier niet spelen moet! ’t Is hem immers door Eva zelve gezegd.—Waar is ze dan—-Waar?—En hij, die majoor....?“Heb je mijn vrouw hier niet gezien Hardenborg?”Freule Marie Narwal antwoordt, terwijl haar geliefde ontkennend rondtuurt:“Ik zag mevrouw voor weinige oogenblikken de groote zaaldeur uitgaan. Ik moet u eens eventjes zeggen dokter, dat uw vrouwtje er snoeperig uitziet. Zij vertelde me straks dat ze u met die lilajapon heeft verrast. Ik zei zooeven nog tegen Ar.... tegen den luitenant toen ze daar zoo heenzweefde: precies een reine! Zij heeft....”“U houdt me ten goede freule, ik wilde....”“Dokter ziet er fameus geaffaireerd uit, vin-je niet lieve; en vreeselijk bleek?” zegt de fleurige beminde van Archibald Hardenborg, nadat Helmond zich in allerijl heeft verwijderd.De Turksche wals klonk ruw en hard, waarschijnlijk te harder door de weerkaatsing van het glas der serre. Aan de tuinzijde stonden de ramen open.In de danszaal vlogen de paren rond; ’t ging zoo geanimeerd en luidruchtig dat de oude lui—die na ’t soupee niet meer speelden—nog eens kwamen kijken. Zie, er had een kleine stagnatie plaats. Een der wielende paren—waarschijnlijk het dansen wat veel ontwend—sloeg in ’t midden der zaal neer. Gelukkig bij ’t opstaan lachten ze allebei zooals dat behoort, en de kapelmeester werd nog te meer aangevuurd om—op straks gedane verzoek van den majoor—de wals met kloekheid door te zetten, terwijl de dansmeester vooral wat lang zou aanhouden aangezien “er een weddenschap was”.“Ha mon ami! Goddelijke soirée, Goddelijk, c’est le mot!” roemt Kippelaan, terwijl hij Helmonds hand even vastklemt en dan, door een sterken ruk naar beneden, diens arm bijna uit het lid trekt: “Parole d’honneur; in gespannen verwachting! Niemand iets van gezegd. Alleen mevrouw Toulaar en menheer Sommer—lieve menschen, vrienden van me.—’t Zal nu komen niewaar? Mevrouw al gezien. Jawel. Ze ging naar buiten. Charmant lieve vrouw, o charmant! Altijd gezeid! Een charade niewaar? Charade en action? Jawel, de majoor wacht met de costumes, achter in den tuin. Geobserveerd; jawel. Een beetje ondeugend misschien; maar enfin! Ik ben die ik ben, Charade niewaar? Allercharmantst! ’k Wil wel souffleeren.... Charade niewaar?”“Ja zeker, ik moet er bij zijn;” heeft Helmond reeds in ’t midden van den snellen Kippelaans-roffel geantwoord, en voort is hij den tuin ingesneld.“Maar we kunnen hier wel buiten blijven majoor. Ik mag mijn gezelschap....”“Natuurlijk niet te lang alleen laten, natuurlijk! Maar wat ik u ter inlichting te zeggen heb mevrouw, wil ik niet dat door iemand zal beluisterd worden.—Sedert het èchec dat ik leed....”“Dat is immers vergeten majoor?”“0 volkomen, maar die omstandigheden rechtvaardigen toch eenigszins mijn houding. Ik behaal een groote overwinning op mijzelf mevrouw, vergeet dit niet. Uw gasten zullen ukortermissen, indien uaanstondsbesluiten kunt....? Zoo niet, dan keeren wij zonder over deze zaak verder te spreken naar uw heerlijke partij terug. We kunnen de zaak dan als afgedaan beschouwen.”Weinige oogenblikken later staan Eva en Kartenglimp in den koepel, waarvan de deur door den majoor behendig gesloten is. Om haar dat eene papier te kunnen toonen moest er licht wezen. De majoor had er voor gezorgd. Een kleine lantaarn brandt op de tafel.Eva heeft de papieren gezien, enniet gezien. ’t Was haar inderdaad voldoende te weten dat dit laatste stuk—door een zekeren mijnheer Ronner onderteekend, en met eenige stempels en wapens voorzien—het document was waar men alles mee bewijzen kon.—Die majoor is toch waarlijk goedaardig, ’t Is kinderachtig dat ze een oogenblik angst heeft gevoeld toen ze hier zou binnengaan.—En zie, terwijl hij haar nu het pakje met al die stukken tezamen overhandigt, en daarbij de bedoelde, hoogstbelangrijke inlichting geeft, dat hij door zijn invloed in Den Haag zeer zeker bewerken kan dat dokter Helmond reeds spoedig den naam en titel der Van Armeloo’s zal kunnen aannemen indien hij zulks verkiest; zie, terwijl hij haar nu zoo gracieus dat kostbare geschenk overhandigt, nu zou het toch de verregaandste preutschheid zijn om den man met met een vriendelijken handdruk haar innigen dank te betuigen, en hem te zeggen....—Maar o God, wat is dat! Wat bedoelt hij nu! Hoe houdt hij haar hand zoo wonderlijk lang en vast in de zijne geklemd.... wat wàt eischt hij tot loon....?De woede van den tijger is te grooter naarmate hij langer een begeerden buit moest missen.—Lang, zeer lang had hij zich ingetoomd; langer dan ooit te voren heeft hij zijn tijd zoeken af te wachten; maar nu, nu hij dan hier met haaralleenis, nu.....“O God, mensch wat wil je!” roept Eva in hevigen angst.“Niets anders dan een dankbaren zoen voor het document van Ronner, mijn engelachtig kind!”“Vent! raak mij niet aan. Wat denk je! Met mijn nagels zal ik je de oogen uitkrabben hoor je.—Help, help!”“Ha!” zegt Kartenglimp met vlammende oogen: “Is een enkele zoen te veel voor den titel vangravin!”Eva, in den hevigsten angst, neemt eensklaps het paket ’t welk hij haar zooeven overhandigde, en met een gillend: “Dáár! o God, moest dat je loon zijn!” werpt ze het hem in ’t aangezicht; en nogmaals gillend: “August, August! Helpt menschen, helpt!”Een vreeselijke slag doet den koepel schudden. De glazen van een der deuren storten rinkelend op den grond. Door een hevige krachtsinspanningis het Helmond gelukt de gesloten deur te doen openspringen.“Goddank! Goddank!” roept Eva, en in koortsachtige overspanning vliegt ze haar geliefde tegemoet.Kartenglimp door het pakket papieren ofschoon slechts licht aan het hoofd getroffen, maar vooral door Helmonds onverwachte komst geschokt, staat een oogenblik als verlamd. Eensklaps echter is zijn besluit genomen:“Je vrouw speelt een vreemde rol dokter. Zoodra zij haar man in haar nabijheid vermoedt zal ze zich houden alsof....”“Mijn God! August, hoe is het mogelijk!” roept Eva bijna schreiend.“Lage ellendeling!” zegt Helmond, terwijl hij Eva vast aan zijn borst klemt, en Kartenglimp met een blik vol verachting doch schijnbaar kalm blijft aanstaren.“’t Zal de vraag zijn wie hier van ons beiden met recht een ellendeling heet;” brult Kartenglimp met een ruwen vloek.Eva trilt over al haar leden. Dokter Helmond kan zich beheerschen. Nu, nú vooral mag hij zich niet verlagen door het plegen van ruw geweld. Met nadruk zegt hij zacht:“Wanneer je wist mensch, wat er omgaat in mijn ziel, het zou je zelf verwonderen dat ik je niet met dezen stoel, in één slag den boozen kop verpletter. Om mijn vrouw te sparen, die ik geen oogenblik langer aan je vuilen blik wil blootstellen, vergun ik je van hier te gaan. Wij spreken elkander nader. Ga heen!”Kartenglimp inwendig bevend en overtuigd dat hij nooit zal herwinnen wat hij nu verloor, hij kan—inweerwil van den angst over Helmonds “wij spreken elkander nader” den lust niet bedwingen om zich aanstonds over zijn nederlaag te wreken. Met ruwe vloeken en verwenschingen barst hij los, en noemt zeer zeker hém den grootsten ellendeling, die ter wille van een ijdele vrouw zijn zieken als dokter verwaarloost, wiens praktijk in weinige weken door schandelijk verzuim zoo goed als verloopen is, en die ten overvloede schuld maakt op schuld, met het uitzicht op den spoedigen dood van een braven pleegvader.Eva’s verontwaardiging kent geene grenzen meer. Toen dat monster—dien ze inderdaad slechts van den beginne afaan heeft geduld, omdat ze door hem tot de hoogste eer dacht te komen, toen hij straks háár eer zoo schandelijk durfde belagen, toen ontstelde zij hevig maar gevoelde zich toch krachtig, ja krachtig zelfs als vrouw, om te heerschen over.... het dier. Nu ze echter haar innig geliefden man op die wijze hoort aanvallen enzijneer belagen, nu roept ze met fonkelenden blik in schier teugellooze woede:“Dat is gelogen! Dat is hemeltergende laster!—August, roep onze gasten hier. Dat mensch zou ons krankzinnig maken!” En dan schreiend aan Helmonds borst: “O God, zóó te durven spreken van mijn edelen braven man!”“Stil kind, stil! Ja zeker,” aarzelt hij in hevigen tweestrijd: “dat isonwaar. Zeker Eva, hij liegt!” En dan eensklaps met half angstigen,half vernietigenden nadruk tot Kartenglimp, die reeds de deur was genaderd: “Schuldenaars zijn we allen; maar de een kan zijn schuld vereffenen, en de ander misschien in der eeuwigheid niet!”“Halt Ronner!” roept Archibald Hardenborg, terwijl hij den majoor den uittocht belet: “Halt!”“Ronner! Wat meen je! Verdoemd als ik weet wat je zegt. Denk je datik....?”“Ik denk enweetdat jij de lage schelm, de geld- en eerroover bent, onwaardig om de epauletten van een Neerlandsch officier te dragen. Hoe is ’t mogelijk dat men dit nog kon toestaan!” Eensklaps met forschen greep, rukt Hardenborg hem een epaulet van den schouder; werpt hem die voor den voet, en zegt: “Ha; val nu weer op de knieën lafaard, zooals bij dat prachtig duel. Bid weer om vergeving en behoud van je ellendig leven, ter wille van een arme moederdie niet meer bestaat.—Komaan poltron, komaan op de knieën voor deze engelachtige vrouw en voor mijn edelen vriend. Vergiffenis gevraagd, of anders, zoo waarachtig als ik een Nederlandsch officier ben, eer drie dagen voorbij zijn, gaat je cadaver in ’t graf. Op de knieën poltron, op de knieën!”“Nee Archibald, nee! wij willen dat niet.”“O!” roept Hardenborg: “dat mispunt doet het zelfs voor de tromp van een geladen pistool alshij eerst heeft misgeschoten. Lafaard!” Op Helmond en Eva wijzend: “Die man is te goed, en die vrouw is te geschokt om je hier langer te dulden. Bovendien, zij hebben haast. Hun gasten zouden hun afwezigheid bemerken, Goddank dat ik tusschenbeiden kwam! Ik,ikken je. Al hebben je al te genadige rechters zeker hun woord gehouden, de zaak moest in Indië ruchtbaar worden; de bosschen hebben er ooren. Voorwaarts marsch! Ha, ’t is nog kluchtig er bij: de majoor-poltron wordt gecommandeerd door een luitenant op non-actief.”Dit laatste was toch te veel voor den oud-militair. Met een brullende verwensching en vuurrood geworden, grijpt Kartenglimp het wapen ’twelk Helmond straks versmaadde, en zou den jongen officier met den stoel hebben getroffen, indien Helmond niet, door een slag op Kartenglimps arm, zijn voornemen had verijdeld.“’t Zou zóó best mogelijk worden dat de ziekte waarvoor je vreest er dezen nacht een eind aan maakte;” zegt Helmond met klem.Kartenglimp siddert.—Dezen nacht eenberoerte!De overspanning na velerlei hartstocht moest het na die laatste krachtsinspanning waarschijnlijk bewerkt hebben, of de schrik bij des dokters laatste woorden het allermeest: Een blauwachtig paars verving Kartenglimps gloeiende kleur. Hij wankelde, klemde zich vast aan de tafel, en.... door de duizeling getroffen zou hij zijn neergevallen, indiendokterHelmond niet ijlings ware toegeschoten en hem voor den val had behoed.Bij eene vrouw wordt zelfs de hevigste afschuw alras door medelijden vervangen, wanneer ze haar belager door een onheil getroffen ziet. De onverwachte ongesteldheid van den majoor en zijn akelig voorkomen, verdrongen eenigszins den indruk van hetgeen er voorafwas gegaan. Ja zelfs haar heimelijke vrees voor de waarheid moest nú wel eensklaps verdwijnen, want zie maar, de man die “ter wille van een ijdele vrouw zijn zieken door schandelijk plichtverzuim geheel verwaarloost”, zie dan, diezelfde dokter laat zijn geschokte jonge vrouw aan haar zelve over, om een lagen beschuldiger, een onmensch—als patiënt aanstonds ter hulp te komen.—O goede God, is er een edeler man op de wereld!En Eva zal toonen dat ze zulk een echtvriend waardig is. Zij zal toonen bovendien dat ook zij zich beheerschen kan, èn terwille van haar gasten, èn ter voorkoming van onnoodige opspraak.Ja, Eva zal aanstonds in den koepel doen bezorgen ’tgeen Helmond verlangt. Hardenborg zal bij hem blijven.Alleenzal ze naar ’t gezelschap terugkeeren, en haar man en zich zelve verontschuldigen, dat men voor een ongesteld geworden gast eenige oogenblikken het gezelschap verlaten moest.—’t Zal voldoende zijn te zeggen, ja, dat men een kleine charade heeft willen uitvoeren, en de majoor Kartenglimp onder ’t spreken ervan, door een plotselinge ongesteldheid getroffen werd.Alvorens Eva zich—even snel als dit besluit werd genomen—zal voortspoeden, wendt ze zich haastig naar een hoekvanden koepel; raapt er iets wits van den vloer, en laat het onder ’t heengaan ongemerkt wegglijden in den zak van haar lila-zijden kleed.ZESENDERTIGSTE HOOFDSTUK.’t Was twee dagen na Eva’s verjaardag. Er hing een zware mist.—Uit de oranjezaal die weer in haar gewonen toestand was teruggebracht—ofschoon eenige fraaie kamerplanten er toch waren in achtergebleven—kon Eva de huizen aan de overzij van het marktplein volstrekt niet zien, en zelfs ternauwernood de boomen op een twintig schreden afstands.’t Was een sombere herfstdag.—Eva tuurde naar buiten.—Nu dat feest voorbij is, gevoelt zij iets leegs, iets “gedesoeuvreerds.” Zij heeft op digestie-visites gerekend, op uitnoodigingen misschien; maar de stijve Romphuizers, enfin, ze komen graag als er wat extra’s te genieten valt, maar anders blijven ze waar ze zitten of staan.—Eigenlijk is Romphuizen onbeschrijfelijk vervelend. Hier op den druksten stand zag ze nu in een half uur geen enkel rijtuig, ja zelfs geen kar voorbijkomen.—En dan, zoo’n groot huis, zulke enorme kamers, zonder menschen! Op den duur is ’t ontzettend vervelend. Luchtig, nu ja, en duizendmaal beter dan zoo’n krot aan den wal, maar zonder menschen, nee!—En met zoo’n mist en tegen den winter....! Als August weer wat flinker zal zijn—want zoo heelheelfiksch is hij niet—dan zal ze er nog eens een balletje over opgooienom in Parijs.... neen dat zal toch niet lukken—maar om tenminste in een groote stad te gaan wonen.—Wanneer het waar is dat zijn praktijk niet toeneemt omdat hij fortuin heeft, waarom dan hier te blijven! In een andere plaats had men ook niet die moeielijkheden met het vragen der oude lui, en de onaardige jaloersche en toch hooghartige buitjes van zusje Louisje, die papa geheel en al onder haar plak zoekt te brengen.—O foei, wat een vervelende mist! Verveling is niet goed voor ons beidjes, denkt Eva voort, terwijl ze zich vluchtig in den spiegel overtuigt dat nog niets haar geheim verklapte.—We moesten den lieven “papa” maar eens tegemoet rijden.—Maar met den mist....” En waar Helmond zich nu bevindt dat weet Eva niet. Ze zal hem maar liever afwachten.—Gelukkig dat hij zijn menschlievendheid toch niet zóóver heeft uitgestrekt omzelfdien vreeselijken majoor mee naar huis te brengen.—Foei, aan die scène mag zij niet meer denken.—Hoe dankbaar moest ze niet zijn dat haar beste August als bij intuitie haar op dat oogenblik te hulp kwam. En, dat die schrikkelijke man nog bovendien zulke beschuldigingen heeft durven uitspreken tegen dien edelen trouwen August!—Maar ha! August heeft hetleugengenoemd, en zeker leugen moest er wel komen uit den mond van een, die—gruwel en laagheid—zich reeds in Indië op zulk een wijze had doen kennen. Nu ’t is hem voorgoed verleerd om zijn logens omtrent dien besten man in ’t rond te spuwen. Gisteren toen hij van den schrik was bekomen, toen heeft die wakkere luitenant het hem onder vier oogen zeer krachtig gezegd: Wanneer hij de geringste klad op dokter Helmond of zijn vrouw zou durven werpen, ja zoo het blijken mocht dat men in Romphuizen over het gebeurde in een anderen zin zou spreken dan over een—door zijn plotselinge ongesteldheid—mislukte charade-voorstelling, dat het zwarte boek van Ronner dan blad voor blad zou worden opgeslagen, en Archibald het EINDE er onder zou schrijven met bloedroode letters.—Eva moet dien hartelijken vriend wel dankbaar zijn. Immers, op den edelsten naam blijft een smet kleven, wanneer het wangunstig gemeen hem eens door het slijk heeft gesleurd. En dan, al werd het met dien vreeselijken angst tot duren prijs gekocht, uit den fellen gloed heeft ze toch haar schat gered. Ja, en ’t was haar eigendom wel. Al had hij ze haar niet geschonken, defamiliepapierender Van Armeloo’s behooren het allerminst aan een verachtelijken gelukzoeker. Voor zijn moeite kan men het loon hem voor den voet werpen; maar zijn eigendom, neen waarachtig, zijn eigendom waren die bewijzen nooit.De mist hangt droevig zwaar. ’t Scheen tegen den middag een oogenblik alsof de zon den strijd zou winnen, maar neen, de namiddag spoedt reeds voort, en nu.... de boomen op ’t marktplein zijn geheel onzichtbaar.Over Eva’s gelaat heeft zich weder een glimlach verspreid. Het uur, dat er nog verloopen moet eer August zal komen, kan ze zich aangenaam bezighouden.—Ja ja, mijn heel klein ventje, mijn aardig snoeperig klein graafje Helmond Van Armeloo, we zullen nog eens eventjes gaan kijken wat er nu ’t allereerst en ’t allerbest moet gedaan worden.Eris een heeleboel te lezen.Toen Eva eenige oogenblikken later op haar boudoir voor haar elegante schrijftafel in eenige papieren te snuffelen zat, toen werd haar een briefje gebracht, ’twelk zeer inderhaast scheen geschreven te zijn.’t Was van Helmond. Hij meldde haar, dat zij niet met het eten op hem wachten moest, aangezien hij ver buiten de stad bij een zieke was geroepen. ’t Kon wel avond worden, zeven acht uren.“Zeg in de keuken dat we om acht uur zullen dineeren;” beval Eva iets later, en van haar gelaat was de vroolijke glimlach verdwenen, terwijl ze verder die papieren doorliep.En de mist hing buiten zóó dik en zwaar dat Eva al spoedig de letters niet meer kon onderscheiden. Zij geeuwde.... ze dook achterover in haar voltaire; en.... Toen werd het eensklaps licht, helder licht voor haren geest: Een heerlijk schitterend bal masqué werd door haar in ruime zalen gegeven. Als een sylphide met donzen vleugels, zweefde zij over een kristallijnen vloer, aan den arm van een Elfenkoning, stralend van glans. En de breede kolommen der groote zaal weken aan weerszijden terug, en het dak scheurde van een. En daarboven, zie, daar troonde in een verblindend licht een grijsaard; en eensklaps—alsof het een stormwind ware—blies hij met zijn geweldigen adem het licht uit in die groote feestzaal, en zijn hand nam den Elfenkoning weg van hare zijde, en....“O God! August, August!” gilde Eva ontwakend.Trillend en bevend van den akeligen droom ziet zij naar buiten. De mist hing als een strak getrokken zwartgrauw kleed voor het venster, ’t Was donker, akelig angstwekkend donker in het boudoir. IJlings vloog ze op, en schelde om licht.August Helmond stond een paar uur vroeger in de groote woonkamer van het landhuisDe Zonsberg. Van het prachtig vergezicht uit de hoogte over het statig geboomte, met den kronkelenden stroom, was niets te zien. Ook hier had zich de mist tot aan de vensters vastgepakt.Met de hand op de tafel gedrukt, den starenden blik voor zich uit, zóó, onbeweeglijk stond Helmond daar reeds een twintig, ja dertig seconden misschien.“Och mijn lieve August, staar toch zoo somber niet; hij heeft het zoo erg niet bedoeld; hij is zoo goed, zoo braaf, zoo edel....”Helmond weet niet dat er gesproken wordt; hij weet niet dat Jacoba hem bij de hand heeft gevat, en dat ze van den ouden man spreekt die hem zooeven.... O, dat was een ontzettend oogenblik! Zoo iets, neen, groote God, zoo iets heeft hij niet kunnen verwachten. Een vervloeking enzulkeen vervloeking!“Beste lieve Helmond, och zie mij dan aan.—Geloof je je zusje dan niet? Zoo erg heeft hij het niet bedoeld. De arme papa is ziek.Die telkens terugkeerende benauwdheden maken dat hij soms niet weet wat hij zegt; hij meende alleen....”Als uit een droom ontwakend, ziet Helmond Jacoba aan; en aanstonds beseffend dat hij het zwakke meisje zijn aandoeningen moet sparen, zegt hij zoo kalm als hem mogelijk is:“Ja lieve kind, dat zal wel zijn: ik geloof óók dat je papa....”“Och papa is waarlijk zoo goed, en hij houdt zoo innerlijk veel van je, mijn beste trouwe broeder. Maar hij is ziek niewaar? Hij drukte in den laatsten tijd zoo gedurig de hand op het hart. Ik vleide mij nog dat het een aanwensel was geworden omdat hij zeer bedroefd was August, zeer bedroefd....”“De generaal is nu ziek Jacoba.”“Noem hem niet bij dien titel August. Och ik bid je, maak mijn lieven vader weer gezond, en hij zal je zegenen inplaats....”“Inplaats van mij te....vervloeken;” zegt Helmond zacht.“Hij wist niet wat hij zeide. Niewaar, als men dan ziek is; wanneer men met eenhartkwaalte worstelen heeft!?”“Ja zeker Jacoba, dan.... dan is het zeer natuurlijk.—Maar nu,” herneemt Helmond met inspanning, na een korte aarzeling: “nu kan ik hier toch niet van dienst zijn. Wat ik doen kon dat heb ik gedaan: hier komen met de beste bedoeling, op je dringend verzoek.”“En als je heengaat zal dan de arme papa zonder hulp moeten blijven? Zou jij.... jij August, hem aan zijn lot willen overlaten?—Nee nee, datkun je niet, ik weet het zeker!”“Er is geen dadelijk gevaar Coba.”“Maar dat sluit in zich, dat er wel degelijk eennaderendgevaar is. Om Godswil August, luister naar de inspraak van je liefhebbend hart. Al ware het dat mijn arme vader zich al te zeer aan je vergrepen had, jij zult toch aan de wet der reinste liefde gehoorzamen: “Doe wél dengenen die u haten.” Maar nee August, mijn lieve zieke vader haat je niet. Schrijf de middelen voor die hem redden kunnen. O ik bid jelieveAugust!”Helmond ziet haar bewogen aan. Groote tranen wellen er op in zijn oogen. Hij onderdrukt ze met kracht.“En gaf ik een geneesmiddel Coba, wat zou het baten? Je vader zal geen medicijnen gebruiken, en het allerminst wanneerikze heb voorgeschreven.”“Maar ik bezweer je August, zóó mag het toch niet blijven; wat zouden tante en ik beginnen zonder eenige hulp!”“Ik zal dokter Alsma uit Briesborg laten komen Coba; ’t zal niet geheel onnatuurlijk klinken dat de generaal liever een vreemde tot dokter heeft.”“Maar die kan eerst morgen hier zijn of van avond laat. O lieve August, zeg jij ons wat we doen moeten; zend de medicijnen die noodig kunnen zijn. O zie mij aan, ik zit in duizend angsten voor het leven van mijn trouwen vader.”“Ik herhaal het Coba, medicijnen zal hij toch niet innemen. Je kent zijn onwrikbaren aard.”“Ik heb het gevonden!” roept Coba met vuur: “Jawel hijzal, hijmoetze innemen. Poeders, droppels wat maar goed is, ik doe ze hem bij en in het weinige dat hij gebruiken zal, ongemerkt! O beste trouwe August, vergeet niet dat hij je altijd zoo liefhad, en ja—zoo waar als ik leef, dat hij je weer zal liefhebben wanneer je hem—ondanks zijn hard klinkend woord, door de macht van je kunst voor ’t leven en voor zijn kind hebt behouden.”Toen Helmond in de vestibule trad waar hem de marmeren vloersteenen als gloeiende kolen onder den voet brandden, toen hing Jacoba hem nog aan den arm, en liet hem door vleiend smeeken de woorden herhalen, die hij reeds toestemmend gesproken had.—Ach, August zou haar toch wel gelooven dat zij geheel dezelfde was gebleven, maar niets voor den armen Philip heeft kunnen doen, omdat zij er niets van vernomen heeft. Noch van August zelf, noch van Emma Woudberg had zij een brief met eenig verzoek ontvangen. En dan, August zou toch gelooven ook dat zij van nu afaan—indien hij den geliefden vader met Gods hulp maar redden wilde, geen middel onbeproefd zou laten om dien akeligen vloek in een zegenbede te doen verkeeren?Alvorens de woning voor altijd te verlaten—ja August weet het zeker,voor altijd—blijft hij nog even staan; ziet Coba schijnbaar kalm in de oogen; vat dan haar bleek gezichtje tusschen zijn beide handen, zoent haar op het voorhoofd, twee- driemaal achtereen, en daarna....De voordeur valt met doffen dreun achter hem dicht.Of Coba ook tuurt door het zeer smalle venster naast de deur, zij ziet hem niet meer; zelfs de uiterste einden der stoepleuning zijn in den mist onzichtbaar. Nu tuurt ze niet langer. Een heete tranenstroom heeft haar het uitzicht geheel benomen.’t Had weinig gescheeld of dokter Helmond ware door den boom van een rijtuig getroffen. In droeve gedachten verloren, haastig de stoep aftredend, heeft hij in den valen mist ternauwernood het rijtuig bemerkt ’twelk juist kwam voorrijden.“Is de generaal thuis?” klonk een stem uit het rijtuig.“Ja, maar niet te spreken.”“Ei Helmond, ben jij het! Ik dacht dat het Hendrik was.—Niet te spreken zeg je? ’t Was de afspraak dat ik vandaag zou komen.” Zachter: “De verkoop vanDe Zonsberggaat door; hij kwam het mij zeggen op den avond toen ik van je feest werd geroepen; en ’k ben hard bang voor andere plannen ook. Ik had je juist een briefje geschreven. Is ie ziek.... erg ziek?”Helmond staat nu als wezenloos bij ’t geopend portier, tegenover den nog zittenden notaris. Uit de weinige woorden van Zoutenheer heeft hij meer verstaan dan hij nu schier dragen kan. Neen, ’t was hem niet vreemd wat hij daar hooren moest; ’t was hem de bevestiging van ’tgeen hij in de laatste uren maar al te zeer heeft gevreesd: De notaris is door den ouden zieken man ontboden om een verandering te maken in zijn uitersten wil.“Je antwoordt niet dokter: is het zóó erg met den ouden heer?”“Nee.—Ja ja, o ja, ’t is op dit oogenblik zeerzeererg met.... Je zult hem nu moeielijk kunnen spreken. Wacht, ik zal eens even.”Helmond is haastig de stoep opgegaan. Nu trekt hij behoedzaam aan de schel.En, ofschoon hij ’t zooeven niet gedacht had—nogmaals trad hij de woning binnen en stond hij in de huiskamer tegenover de zwakke Coba. Maar nu—’t was goed dat het zoo’n sombere mistige dag was—er parelden nu geen tranen in Helmonds trouwe oogen, neen, op zijn voorhoofd stonden angstparels, want, niewaar: Jacoba zou immers den notaris wel verzoeken om zijn visite tot later te verschuiven. Haar vader was, na die treurige scène, natuurlijk zenuwachtig. Indien hij nu “verkoopzaken” met Zoutenheer bespreken moest, ’t zou hem zeker veel kwaad doen.’t Sprak vanzelf dat Jacoba den notaris, die in de groote zaal wachtte, ijlings ging verzoeken om zijn visite later te willen hervatten. Den wenk van Helmond had zij verstaan; zij kleurde den toestand van haar vader voor ’t moment nog wat minder gunstig dan zij dien zelve inzag.Zoutenheer achtte het zijn plicht om juffrouw Van Barneveld beleefdelijk te verzoeken, aan mijnheer haar vader te gaan vragen of hij hem nú of later wenschte te spreken.“Als dokter kan ik een conferentie moeielijk toestaan;” zegt Helmond met eenigszins trillende stem.“Er kunnen redenen zijn Helmond, die een patiënt meer naar den notaris dan naar zijn dokter doen verlangen.—Ik zeg erkunnenredenen zijn.”Helmond wischt zich ongemerkt het koude zweet van de slapen:“De notaris heeft gelijk Coba, er konden redenen zijn.”“Welke redenen, mijn hemel! Zieke menschen gaan zich toch het dak niet boven hun ledikant verkoopen!”“Zieke menschen willen soms testament maken, juffrouw Van Barneveld.”Jacoba ontstelde; maar men zag het niet. Zij zal ’t haar vader gaan vragen.Op de ziekenkamer ligt de grijsaard in zijn ijzeren ledikant op het varen leger met twee varen kussens onder het sneeuwwitte hoofd. Zijn ademhaling is benauwd.“Ben jij daar Coba?”“Ja lieve pa.”“Ik hoorde een rijtuig. Is de notaris er?”“De notaris....? Nee, dat geloof ik niet.”“Als hij komt laat hem dadelijk boven.”Jacoba voelt haar knieën knikken. Antwoorden kan zij niet.—Zijn ademhaling is nog benauwder dan zooeven.Weer heeft ze de kamer verlaten.“Notaris, papa is op dit oogenblik zeer benauwd; hij verzoekt u vriendelijk later eens terug te komen. Als u ’t goedvindt zal ik u nader een boodschap zenden.”“Ik hoor daar weer een rijtuig Coba: zou het nu Zoutenheer zijn?”“Hé een rijtuig?” Jacoba gaat naar het venster, en dewijl de mist haar alle uitzicht beneemt, kan ze inderdaad het rijtuig niet zien, waarmee de notaris weer huiswaarts keert, en mag ze naar waarheid zeggen: “Ik zie volstrekt niets lieve papa. Misschien is de bierkar straks naar het achterhuis gereden en nu weer teruggekomen. Maar ik hoor niets.... hoor maar, niemendal.”Een klein kwartier later bracht Jacoba zelve de boodschap boven dat de notaris Zoutenheer door plotselinge ongesteldheid was verhinderd geworden om opDe Zonsbergte komen. En terwijl ze het zeide, trilde de bee haar in ’t hart: O God, vergeef mij! Moet ik dan altijd listig wezen gelijk de slang, terwijl ik oprecht zou willen zijn gelijk de duive!—Maar zie, de ademhaling van den dierbare wordt, na dat bericht toch kalmer. Ha! hij sluit de oogen. ’t Is alsof er meer vrede kwam in zijn gemoed.“Waar ben-je mijn klein lief meisje?” zegt eensklaps de grijsaard en strekt de hand naar haar uit.“Hier beste papa.” Met teedere kussen bedekt zij zijn edel voorhoofd. —Maar stil, nu moet hij slapen.—Zie, hij sluit weer de oogen.—Is dat droomen? Wat wil dat zeggen? Hoor, hij herhaalt het nog eens met hijgende stem:“Ja ja, ik geloof wel dat ik er Simson zal vinden.—Ha, daar is hij.... met een kanon op den schouder; en zijn voet op die vrouw.—Ha! Goddank!”“Vader, palief! zulke droomen!”“Ah zoo, wasjijdaar lief meisje; ik dacht.... ik droomde.... Als Hendrik naar stad gaat dan moet hij de boodschap bij Zoutenheer brengen.... dat ik.... wachten zal.... totdat....”“Totdat u weer beter bent; jawel dat is goed beste pa;” zegt Coba, en in de tranen die ze schreit mengden zich ook tranen van dank en van vreugd,De grijze generaal drukt Coba’s hand, en trekt haar nader tot zich.“Niet schreien.... lief klein bleekneusje. Je moeder schreide ook nooit.... Stil, daar komt Blücher.... Ha ha ha! nu zal hij neerploffen van zijn troon; vervloekte eerzucht! Links voorwaarts in batalje! In galop marsch! Attaqueert.... snelvuur!.... Vuur!”Met een hevige benauwdheid ontwaakte Van Barneveld weder en hijgend zegt hij: “Ik geloof dat ik weer droomde.—Nee niet weggaan, mijn goed lief kind. Niet bang zijn, nee!”“Tante! tante!!” roept Jacoba: “O tante help, help!”ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.De notaris Zoutenheer heeft dokter Helmond niet kunnen bewegen om mee naar de stad terug te rijden. ’t Was misschien ook maarbeter.—Hij heeft medelijden met den jongen man; waarachtig medelijden. Fiksche kerel; knap in alle opzichten, maar.... Te goed, jawel al te meegaande. Geen verstand van japonnen. Zoutenheer is zich bewust dat hij niets, volstrekt niets gedaan heeft om.... Neen, ’t sprak vanzelf dat een notaris die er “een nest op nahoudt”, huizen ziet te verkoopen als er “een stuiver of twaalf mee te verdienen valt”, maar anders—wat hij deed, hij kon het voor zijn geweten en z’n beurs verantwoorden.—Kartenglimp, nu ja, dat is een andere affaire. Enfin, enfin, ’t spijt hem: maar als notaris moet men zijn plicht doen, en, al verkoos mijnheer vanDe Zonsberg, den armen duivel zelfs heelemaal uit zijn testament te schrappen, de notaris was tot schrappen verplicht; plicht boven alles!Helmond heeft niet mee willen rijden, ’t Was hem niet mogelijk geweest om in de nauwe vigilante te stappen, en zich te zetten naast dien man met zijn grooten diamanten ring aan den vinger. Lucht moet hij hebben—al zij het een mistige lucht; en ruimte, ruimte! al wordt de blik door dien mist ook beperkt.Wat bezielt hem dan, dat hij plotseling voor dien algemeen geachten notaris zulk een tegenzin gevoelt, iets, alsof hij eensklaps van vriend een hevige vijand geworden is? Wat drukt en benauwt hem zoo geweldig dat het hem gedurig is alsof hij.... de wereld zal moeten stukslaan om er uit, en in vrijheid te komen?—Kalm Helmond, kalm! Weet een oud man wat hij zegt als hij ziek is naar lichaam en geest! En wat beteekent zulk een vervloeking? Welk edel mensch vervloekt een ander? Zulk een mensch moet al zeer hoog staan in eigen schatting. Die er beteekenis aan hecht is krankzinnig....—Krankzinnig....—Als die notaris geloofde, neen, indien hijwistdat dieoude manhet was, dan mocht hij daar niet terugkomen.... dan.... Maar dat is gelogen, die grijsaard is bekrompen, doch niet krankzinnig. Neen, wat hij teekent als zijn uitersten wil, dat is een geschreven wet.—Wat roert daar en doet hem ontstellen? ’t Is een boschduif die uit den eschdoorn wegvliegt.—Hier was het, ja hier, op dien voorjaarsmorgen.—Hier hield hij hem staande, de grijze pleegvader, en heeft hem de hand op den schouder gedrukt en gezegd: “Wil je weten August of Eva een goede vrouw zal wezen, beproef haar, en zie of zij de vrouw is die de moeder van koning Lemuël voor haar zoon begeert.”—Ha, dat was toch krankzinnig, twee en twintig verzen:Oostersche kruiden.Hoor:“Een deugdelijke huisvrouw.... zoekt wol en vlas en werkt met lust harer handen. Zij staat op als het nog nacht is en geeft haar huis spijze. Van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het, en levert den koopman gordelen. Zij beschouwt de gangen van haar huis en het brood der luiheid eet zij niet. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar de vrouw die den Heer vreest die zal geprezen worden; en laat hare werken haar prijzen in de poorten.”—Hoe komen die woorden hem eensklaps zoo helder voor den geest? Hij weet het niet meer. Waar denkt hij dan aan? Aan wie?—Ha, Eva!—O zie, nu zit ze voor haar Erard; ze zingt; ze weet van niets, ze weet niet....“Goeden middag dokter. ’k Wist eerst niet zeker of het dokter wel was. Alles frisch en gezond?”“Ah Darman, ben jij het?—Hoe gaat het?”“Goddank best dokter. We hebben opDen Drumptvan dit jaar een gewas van geweld.—Zegen in alles. De kinders groeien als look, en als m’n wijf me ’s-avonds met d’r rooje lippen een zoen geeft, dan zeg ik, dat is een doorslag op den zegen. Vijftig schapen hebben gelammerd. De scharige ossen heb ik aan Franck verkocht en aan ’t veer geleverd; ze moeten naar Engeland. De Engelschen hebben geld als water en eten biefstuk als roggebrood.—Als de buil vol is dan loop je vroolijk naar ’t erf dokter, aldat het mist dat men z’n eigen niet zien kan.”Helmond weet niet wat hij zeggen moet:—Ei, heb je ’t geld voor je ossen meegebracht....? Neen, dat zeide hij niet; het zweefde hem op de lippen:“Ja dat is plezierig Darman.”“Dokter meent toch dien mist niet? ’t Geld in den zak niewaar?—Bange wezels zeggen dat je ’t Duivelsche Laantje aan gene zij vanDe Zonsbergniet met geld moet doorgaan. Ik maal d’r wat om! Met vijfdehalf duizend gulden in m’n zak, loop ik net zoo gerust als dokter ’t doet met z’n receptenboek.”Dokter Helmond voelt het hart kloppen tegen dat receptenboek. In dienzelfden zak zat nog iets anders.—’t Is de brief van Kartenglimp die hem binnen tweemaal vier en twintig uren terug vraagt wat hij hem leende.—’t Was goed dat die eisch is gekomen; ja hij heeft het voorzien en gewild, want die schuld brandt hem sinds dien avond, als een helsche vuurgloed op de borst. Die schuld moet vereffend worden; morgen, nog heden!“’t Is toch gevaarlijk Darman; de weg van ’t veer naarDen Drumptis eenzaam.”“Wát eenzaam! Geld met moeite en zorg verdiend maakt vroolijk en sterk.”Dokter Helmond weet niet meer wat de tevreden boer, al voortgaande verder praat.Nu zijn ze niet ver van de stad aan een zijweg gekomen. Boer Darman moet—naarDen Drumpt, dien weg op. Met de vereelte hand drukt hij de hand van den dokter—die zeker een zwaren patiënt heeft, zoo vreemd zoo kort als ie was!“Atjuusjes tot weerzien.”Helmond heeft den boer een “wel thuis” gewenscht. Tien schreden van elkaar verwijderd, blijft Helmond aarzelend staan; wendt zich om, en roept terwijl hij den boer ter nauwernood zien kan:“Hei Darman!”“Riep je dokter?”“Darman, ik wou je vragen.... Ik wilde....”“En dat zal wezen dokter?”“Ik.... Je hebt geen vuur bij je? Ik wou....”“Wou je opsteken dokter? Nou m’n ketsgerij; is goed; met alle plezier.”De damp van Helmonds sigaar verdween in den mist. De dokter ging het stadje binnen, en den wal op. Neen, Goddank, hij heeft de verzoeking weerstaan; dat geld mocht hij niet leenen; het maakte dien man zoo vroolijk en sterk.In de voormalige huiskamer naast de apotheek zat er iemand op dokter te wachten. Goed; maar eerst moet Helmond het briefje lezen ’twelk Thomas hem overhandigde. ’t Is het briefje, waarop de houding van den notaris hem reeds voorbereidde. Hij heeft het verwacht. Bijzondere omstandigheden dringen den notaris om dokter Helmond te berichten dat hij hem de gevraagde som onmogelijk...—Natuurlijk! zegt Helmond onhoorbaar: Ik wist het; de diamanten ring had het me reeds gezegd.De persoon die Helmond in zijn voormalige huiskamer wachtte, was een tamelijk deftig heer. Hij maakte eenige plichtplegingen namens de firma Leesenaar & Comp., wier zaakgelastigde hij was, en verzocht den dokter beleefdelijk om de loopende rekening over de maanden Augustus en September met hem te willen vereffenen. ’t Zou den dokter wel bekend zijn—zooals ook hierboven aan de nota met groote letters gedrukt stond—dat alles á comptant werd verkocht.De Psyche, die mevrouw Helmond voor een paar dagen bestelde en die ook binnen een paar dagen geleverd zou worden, kwam voor de rekening van de loopende maand. Natuurlijk, natuurlijk!Het totaal der meubelmakers-nota bedroeg een som die Helmonds schatting verre zou zijn te boven gegaan, indien hij in deze oogenblikken een juiste voorstelling van cijfers had gehad.—Gisterenavond, Goddank, toen heeft hij van alle kanten nog zóóveel bijeengebracht dat hij aan den braven huisschilder Wulters zijn woord kon houden. Vraag hem niet wat hij er voor doen moest. ’t Zou immers alles nog terechtkomen: de notaris zal hem wel helpen; en.... oom Van Barneveld!—Maar nu, wat raakt het hem nu of die cijfers groot of klein zijn. Uit een leege flesch kan men evengoed een okshoofd wijn als een enkel glas schenken.“Ik ben niet gewoon,” zegt Helmond, voor ’t uiterlijke kalm: “om op deze wijze gemaand te worden menheer. Men verwacht zoo iets in geen geval van een huis waar men zooveel gekocht heeft.” Na een oogenblik zwijgens: “Uw patroons kunnen over veertien dagen disponeeren.” En dan als tot zich zelven: “Ik begrijp niet waarom men zooveel haast maakt.”Neen, Helmond begreep het niet. Maar straks zal een andere en vrij wat ruwere aanmaning hem van verre doen vermoeden.... Wát? Doch, neen, zóó iets gelooft hij toch niet. Dat er een aantal naamlooze brieven aan Helmonds crediteuren door den schandelijkenRonner zijn verspreid, met een waarschuwing om zoo spoedig mogelijk te trachten het door Helmond aan hen verschuldigde meester te worden, aangezien het te vreezen was dat hij zeer binnenkort met de Noorderzon vertrekken zou; neen, dát heeft Helmond niet gegist of begrepen. Maar geen nood. Wie zou dat gulhartig gelaat niet vertrouwen, wanneer men uit dien edel geplooiden mond de verzekering mag hooren dat men op een bepaalden datum over het verschuldigde beschikken kan.Toen de laatste bezoeker met beleefden groet vertrokken was, kwam er een klein ventje met een briefje, ’t welk hij aan dokter moest geven, en waarop hij het antwoord wachten zou.—Ze hadden “aan ’t groote huis gezeid dat dokter misschien wel aan de apotheek kon wezen”.’t Is zeer vroeg donker.—Toen Helmond in den namiddag, na het ontvangen van een haastig briefje van Jacoba, met dringend verzoek of hij toch aanstonds opDe Zonsbergwilde komen, aan Eva meldde dat het wel laat zou worden eer hij thuis kwam, toen heeft hij een breede tijdruimte wel noodig geacht, en niet vermoed dat zijn bezoek zoo kort zou duren. Maar toch, ’t wordt nu al donker. Geen wonder met dien mist.—Hij kon het briefje niet meer lezen:“Wil je de lamp aansteken Thomas?”Thom stak de lamp aan, en zette het groene kapje er op, en sloot de luiken.Helmond leest:“Voor UEd. geleverd en ingezet twee nieuwe ruiten in den koepel. Op dato ontvangen de somma van ƒ 2.35 centen.VoldaanW. Wulters.dato.. Oct. 18..”—Wat vreemde lach klinkt er uit dokter’s mond!?“Is ’t om een medicament dokter?—Moet jij wat uit de apotheek hebben manneke?” zegt Van Hake.“Nee, twee gulden en vijf en dertig centjes. Vader was bang dat ie ze anders niet krijgen zou.”Thom werd bloedrood en had dat kleine monster wel in den vijzel willen platstampen.“Twee gulden vijf en dertig centen.—Is ’t goed dokter; zal ik ’t maar betalen?”’t Was goed. Thom betaalde.—Nochtans een trek van verachtend medelijden plooide Helmonds bleek gelaat.—Dit briefje kwam van dienzelfden braven huisschilder Wulters.—Welzeker! Maar waarom kan die man niet braaf zijn en goed, en toch bevreesd dat hij zijn tweehonderd en zooveel centen niet krijgen zou. Jawaaromniet?“Hei ventje....?”Was het werktuiglijk? Uit dat kleine laadje heeft Helmond een pijp zwarte drop genomen en steekt die, starend voor zich heenden kleinen Wulters toe. De jongen lekte tot dank met de roode tong langs zijn schat en rende de straat op.Thomas krijgt geen antwoord op zijn vragen.“Watblief?—De generaal? O ja veel beter. Je vraagt of het beter was....? Maarziejij dat niet?”“Ik dokter?”“Ja, zie je dat niet? Hier aan mij.... hier?”“U ziet er wat ontdaan uit; zeker, maar....”“En ik vergeet hem!” herneemt Helmond als tot zich zelven: “hém en haar.—Thomas, komt het jou voor dat ik zenuwachtig ben?”Thom aarzelt, en dan snel: “Ja waarachtig dokter, ’t schijnt met den ouden heer erger te zijn dan u bekennen wilt, en....”“En....?”“Niets mijn beste dokter.—Och God, als ik zeggen mocht wat ik denk.—Och dokter....”“En wat wou je zeggen? Wat?—Maak die deur toe.”“De deur is dicht dokter.—Wat ik zeggen wilde? Ik wil.... nee, ik mag het niet zeggen.—-Maar ja, toch: Die ú niet genegen is, die is het daglicht niet waard. Ik heb het bidden voor dien hardvochtigen generaal verleerd dokter. Hij is oud; God gaf voor u dat het zijn tijd was.”Helmond wordt eensklaps purperrood; zijn oogen fonkelen.“Thom!” zegt hij met klem: “Thom ben jij het! Ga heen; ik wil je niet zien.” En dan met de hand aan het hoofd: “Nee blijf, dat was uit overdreven liefde voor mij.... Je meende het goed Thomas. Je meent het altijd goed m’n vrind. Maar wie zegt jou, Thom, datikom eenige reden zou wenschen....”“God beware dokter! ú wenschen! Nee nee, dat zeg ik zeker niet. Maar, als men dan miskend wordt en niets aan delevendenheeft, dan troost men zich gemakkelijk over hun dood. U trekt je alles zoo ijzerzwaar aan, beste dokter.”“Zwijg nu; ik weet wel hoe je het meent; maar toch, zóó iets duld ik niet.—Doe die deur toe Thomas. Jawel, de deur is open. Niet? Nu zorg dan dat ze dicht blijft.”Helmond schijnt zich iets te herinneren; en terwijl hij in zijn portefeuille zoekt:“Waar is mijn recept? Waar is mijn recept Thomas?”“Uw recept? Ik weet het niet. Welk recept dokter?”—Welk recept?—Ja, welken patiënt heeft hij dan het laatst bezocht? ’t Is alsof hij zich nog in dien mist bevindt. Hij weet het niet meer.—Ha! nu weet hij het. Aan Jacoba beloofde hij, voor dien ouden man iets te zenden ’tgeen hem weldadig kon zijn.—Ja, nu is ’t hem alles weer klaar. Die oude man heeft een hartkwaal en Coba zal hem ongemerkt in ’tgeen hij gebruikt een geneesmiddel toedienen. En zie, hij ligt daar; daar op dat bed, en hij ziet hem aan, en vuur spat er uit zijn oogen, en hij zegt....—Neen stil, die vloek was razernij; het hart waaruit hij voortkwam is ziek.—Stil, wees nu kalm Helmond; haal al die zwarte beelden niet door je hoofd; laat Thom niet bemerken dat je zoo overspannenbent; wees sterk! Spoed nu; maak de poeders klaar. Thomas zelf zal ze erheen brengen, en Jacoba uitleggen hoe zij ze geven moet.Thom heeft den wensch van zijn meester vernomen. Met de meeste liefde zal hij aan juffrouw Van Barneveld alles uitleggen. Wanneer hij dokter hier niet meer helpen kan, dan zal hij zich nu maar aanstonds gereedmaken.Dokter Helmond weifelt geen oogenblik in de keuze van zijn geneesmiddel—indien het eengeneesmiddel heeten mag.Cyanuretum zincistaat er op een der fleschjes, die in het afzonderlijk hangende en goed gesloten vergiftkastje geborgen zijn. De sleutel van het kastje ligt op de gewone plaats bovenop. Nu heeft hij het kastje geopend.“Wie is daar!?”Ja, er was toch iemand.—Mijnheer Kippelaan struikelt naar binnen, en verzekert dat hij verrukt is, en nog meer, ’tgeen Helmond echter niet verstaat. Kippelaan sprak van mist, en van mevrouw Helmond, en van....—dát was de zaak van zijn intiemen vriend Kartenglimp. Namens den majoor, die sinds het kleine toeval op de partij—amusante partij—niet heel wél was en thuis bleef, en, o wonder—maar natuurlijk bij vergissing—inplaats van amice Helmond, amice—nee pardon,dokterBiermans liet halen, de majoor had hem vriendelijk verzocht dit briefje aan dokter Helmond ter hand te stellen, zeker een explicatie bevattende omtrent de vergissing of verwarring met het roepen van één der amices doctoren. Kippelaan kon parole d’honneur in gemoede getuigen—ofschoon het misschien vreemd klonk—dat hij niet weet wat er in dat briefje staat.Geen de minste ontroering is er op Helmonds gelaat te bespeuren, nu die wauwelaar hem strak aanziet terwijl hij het briefje leest.—Helmond las:“De hooggeroemde en zeer wetenschappelijke dokter Helmond, die de dupe was van een ijdele behaagzieke vrouw, zal zich niet verwonderen dat hij door den vriend, dien hij nu op schaamtelooze wijze verguist en belastert, wordt gesommeerd om de hem geleende zes duizend en achthonderd gulden met verschenen interesten op morgen den.... October te voldoen, zullende anders onmiddellijk de sommatie bij deurwaarders-exploit geschieden. Intusschen wenscht de ondergeteekende dat dokter Helmond zich zeer spoedig in de geheele herstelling van zijn dierbaren pleegvader zal mogen verheugen.Kartenglimp.”“Ik dank je Kippelaan.”“Geen dank! Pas du tout!—Onder vrienden!—Wat ik zeggen wou: De majoor vraagt in dat briefje....”“Of je hem ’t antwoord heel spoedig wilt terugbrengen!”“Welzeker, welzeker! Met alle plezier.”“Zeg hem dat het in orde zal zijn.”“In orde....? Maar wát?”“De zaak die ik met hem te regelen heb.”“Dus een zaak....? Maar à propos, zonder de minste indiscretie: is het waar amice, dat jij....”“Jaja, dát is waar;” zegt Helmond met een blik die den wauwelaar een weinig doet terugtrekken. Kippelaan staat met geopenden mond:“Wát? Wa.... blief?”—Enfin, hij hoopte het waar te nemen; en, onwillekeurig terugtredend naar de deur: “Allerliefst in zoo’n lab.... lab.... bretorium. Allerliefst! En vooral de complimenten aan de geëerde familie.Gravenniewaar? Allemaal graven. Pardon!—Adieu!”Hij wist niet waarom, maar in die laatste oogenblikken had hij het benauwd gekregen. Zou dokter het toch ontdekt hebben van die brieven?—Terug dan; terug! Hij wil hem alles meedeelen; specifiek welzeker! Het brandt hem toch gedurig op de lippen.—Terug—Nee nee Kippelaan, zwijg! Je zwarte hoed weerkaatste in zijn oogen! En—wie weet, of nu de majoor niet iets loslaat. Wie weet.... wie weet!Heeft de poging om zich voor dien zotskap goed te houden, Helmond zoozeer overspannen? Hij moet zich aan de toonbank vastklemmen.—Nu gaat het beter. Hij mag in dit oogenblik slechts denken aan ’tgeen hij met spoed heeft te doen. Jacoba wacht. Zij is in onrust.—Ha, schokken als die der laatste uren zouden wel sterker gestellen een oogenblik in de war kunnen brengen.—Doch zie maar, als Helmondwildanishij krachtig. Wanneer hij handelen moet dan zal men niets bemerken.... “Zullende anders onmiddellijk de sommatie bij deurwaarders-exploit....”—Maar wat beteekent dat!? Is er dan geen geld genoeg in de wereld om een ellendeling te voldoen; om....Eensklaps schaart er zich een reeks van cijfers voor Helmonds starenden blik; en dan, dan ontstelt hij. Hij hoorde gejuich. Hij roept:“Thom!” en met verheffing: “Thom ben jij daar!?” Helmond houdt de hand voor het licht en ziet naar de deur.—Neen daar was niemand.—’t Is vreemd dat hij zich telkens verbeeldt den ouden pleegvader te zien binnenkomen. Hij weet immers dat het onmogelijk is. Maar ’t kon nú Thom geweest zijn. Neen, Thom was het niet. Er was niemand.Helmond heeft het kleine fleschje met den witten harstachtigen inhoud uit het afzonderlijk hangende vergiftkastje genomen.—Met dien inhoud moet men voorzichtig wezen; zeer voorzichtig.—De lamp met het groene kapje van de toonbank nemend, zet hij haar in de hoogte op den lessenaar. Een vaal groen kleurt nu Helmonds bleek gelaat. Hij houdt het fleschje in de hoogte tegen ’t licht, en keert en wendt het als wil hij zich overtuigen dat hij zich niet vergist.Nauwkeurig turend, en kloppend op het fleschje, schudt hij nu een zeerzeerkleine hoeveelheid op het koperen grein-schaaltje tegenoverhet miniatuur-gewicht.—Zóó. Niet meer, zóó. Een twaalfde grein kan hij telkens toedienen.... Zeven, ja zes greinen opeens zouden reeds doodelijk zijn!!.... Ho—ho, niet meer... O God, wat vloekte hem een oogenblik zoo woest door het hoofd! Wie.... wát is daar? Wie zingt of schreit er....? Van waar dat luidruchtig rumoer?—Hoor, een gansche bende nadert. Er klinkt muziek! Een schot knalt voor het raam.“O God!” Hij duizelt achterover; de kleine flesch slaat hem uit de hand en valt aan duizend stukken op den vloer.Thom en zijn moeder staan hun vriend reeds terzijde. Ze hebben hem bijgebracht. Hij weet niet wat er met hem is voorgevallen. Maar ja, nu is het weer beter; zie maar, heelemaal beter.—Zeker, hij herinnert het zich. Straks was er een heele drukte voor de deur. Ah juist, in de buurt wordt bruiloft gevierd—bruiloft! Met Huibert en Geurtje in het midden, gaat men een walletje rond maken. Peters met de klarinet, en Dirk met de harmonica zijn vooropgegaan; en vlak bij het apotheekraam heeft een der gasten—zeker Careltje van den bakker, die ’t pistool nooit met rust kan laten—een schot gelost terwijl ze zingend voorttrokken.’t Was zeer begrijpelijk dat dokter,—in groote onrust over den treurigen toestand, waarin hij den generaal scheen gevonden te hebben, nu van dat schot zoo hevig ontsteld is.“Wat ons in gewone omstandigheden in ’t geheel niet zal treffen,” zegt de weduw: “dat schokt ons in zulke oogenblikken soms op ’t allerhevigst.”Helmond ziet naar Thom, die het gevallene heeft opgenomen, en het afgewogene, op dokters weifelend bevel, in poeders gereedgemaakt.“Bovendien,” aarzelt de goede vrouw, terwijl de tranen haar in de oogen springen: “men maakt het u moeilijk, men....”“Wie?” zegt Helmond snel opziende, nadat hij Thom een wenk had gegeven, om zich nu met het geneesmiddel zoo haastig mogelijk naarDe Zonsbergte spoeden.“Waarom niet eerlijk met u gesproken!” zegt mevrouw Van Hake, zoodra Thomas in allerijl is vertrokken: “Als zelfs dekwade tongenzich roeren, dan mag devriendentongtoch zeker niet zwijgen; nee dan zal en moet hij troost en raad geven. Dokter, vriend, u hebt je in schulden gestoken....”“Wiewiezegt dat? Wie zegt u dat ik schulden heb? Heeft de roos schuld omdat zij de schoonste bloem is en ’t heerlijkst geurt? Heeft de vogel schuld omdat hij het fijnste kleed draagt en er geen reiner zang op de wereld is?” Helmond dacht aan Eva’s lied.“Beste dokter, ik zou u ook nú willen sparen, maar het mag en kan niet. Men schijnt vrij algemeen te hebben vernomen, dat de notaris het testament van den generaal ten uwen nadeele heeft moeten veranderen of veranderen zal, en daarom....”“Wie zegt dat?Wie?Ikzeg u dat hetnietwaar is. En al was het zoo, wat gaat dit den menschen aan!”“Dokter u hebt gelijk, wat gaat het den menschen, wat gaat het mij aan? Maar of het waar is of niet, och dokter, ik heb een dringende bede; als ge die verhoort dan ga ik dankbaar heen. Ziehier.... Het zou mogelijk kunnen zijn dat men u eens lastig kwam vallen. Ja ’t is wel weinig dokter, maar toch eerlijk gewonnen geld. Vijf Russische spoorwegstukjes; ik heb niet ledig kunnen zitten terwijl ik alles om niet genoot.—’t Was voor mijn braven Thom bestemd als hij ooit.... Maar Thom wil er niets van weten. De goede jongen zegt dat hij de dingen nog liever verbranden zag dan in de secretaire liggen terwijl ze ú helpen konden. Och dokter, misschien kunnen ze u steunen voor ’toogenblik, en dan dan... Ja ik moettochspreken, al zoudt u ’t me nooit vergeven: Mijn vriend ik bezweer u, ga met Eva zoo niet voort. Ik ben er zeker van,metú zal ze terugwillen, liever dan in ’t eindealleentemoeten. Helmond, zeg haar alles. O hoor een vrouw van jaren. Verzwijg uw Eva niet dat je haar, om haar zwakheid, uit liefde bedroogt. En dan.... Och zie mij nu eens aan, mijn beste brave vriend, troost u en wees sterk. Al moesten de zwaarste slagen u treffen: de dood van uw pleegvader en het verlies van ’t geen waarop u hebt gerekend,—ik weet het Helmond, slechts in den laatsten tijd,—keer tot uw eigen eenvoudigheid terug. God zal u steunen; ik ben er zeker van.”Helmond waant zich eensklaps zeer sterk.—Wat wil men toch? Is hij methaargeen millionair? Zijn er geen rijke vrienden die met de duizenden spelen als kinderen met knikkers? Men schijnt zeer veel te babbelen over hem en de zijnen.—Ja, zijn oogen werden vochtig toen de brave vrouw hem daareven die krakende blauwe papieren in de hand wilde drukken. Groote God! was het dan zóóver met hem gekomen, dat een arme weduwe die hij sinds jaren onderhield, hem in stilte haar bijeengegaarden schat als een aalmoes kwam in de hand stoppen!—Edele ziel, of hij niet gevoelig is voor zooveel goedheid? O hij zou u omhelzen willen; hij zou schreien kunnen aan uw moederlijke borst. Maar, als hij bekende? Op wie zou de vloek komen? Op haar, o God, op Eva, zijn dierbare vrouw!—Weg, weg dan met alle zwakheid. Men liegt! Wie is er die geen schulden heeft? Maar de schuldenhier, zullen betaald worden; dat is genoeg. Blijf krachtig Helmond, nú vooral.—Ellendeling!—Wie heeft hem dat woord zoo onverwacht in ’t oor geblazen? Helmond beefde. Maar dat duurde slechts een oogenblik.Nu zegt hij zeer ernstig terwijl hij mevrouw Van Hakes hand aan zijn lippen drukt:“De menschen zijn zeer belangstellend; maar niet allen op uwe wijze. Ik ben u dankbaar trouwe vriendin; maar.... uw vermoeden is ongegrond. Ik ben.... ik heb.... Wordt daar aan de deur geklopt?”Mevrouw Van Hake ging naar de deur en opende die. Neen er was niemand.“Men spreekt onwaarheid!” herneemt Helmond op zonderling geheimzinnigen toon: “Ik heb ’t u vroeger al gezegd: wij hebbeneen bron van inkomsten.... Zij, jazij.... Niet ik....” Hij ziet haar zeer strak in de oogen: “En als hij sterft, dan.... ja!”—Ellendeling! klinkt liet weder, doch alleen voor hem verstaanbaar. En zich haastig afwendend zegt Helmond, dat hij nu naar huis moet. ’t Was reeds zeven geslagen. Eva zal wachten en verlangen; ja, zij zalzeerverlangen.Mevrouw Van Hake staarde nog met bezorgden blik in de richting der deur, toen de dokter haar reeds verlaten had.Ja, de uren duurden Eva vreeselijk lang. Ze wist niet dat de zieke, waarheen August zich zoo ijlings had moeten begeven, de generaal was, ofschoon ze wél weet dat hij ziek is. Sinds haar verjaardag werd de naam van “dat heer” op haar uitdrukkelijk verlangen—neen, op haar dringend verzoek, niet meer genoemd. Ze denkt niet aan hem; ’t is haar de moeite niet waard.Maar aan haar besten August denkt ze. Sedert zij straks naar beneden ging, moest zij—na dien curieusen droom—denheelen tijdaan hem denken. Zij heeft somwijlen een gevoel alsof het mooie plafond op haar zal neerkomen als het bovendeksel van een kist. Aan haar toestand mag ze het toeschrijven dat ze zulke nare droomen heeft. Straks had ze ook erg voorover gezeten terwijl ze sliep.—’t Was een mooie scène: Onze Lieve Heer boven eenbal masqué! Hoe komt men aan zulke zotte profane droomen? En de hand, die den Elfenkoning zoo onbarmhartig wegnam, wat was die hand onbegrijpelijk groot, en toch precies een gewone hand; ja zelfs, in den vorm, was het de hand van papa....—Papa heeft haar gisteren zeer zonderling ontvangen, en gezegd.... Nu ja, maar papa is geen evangelie. Papa is onaangenaam, en Louise is een malle zottin. Als Eva dan zelve uit goedhartigheid bijna al de heerlijke overblijfsels van zoo’n feest naar haarouders huisbrengt, dan is het onaardig dat men iemand tot dank met allerlei onnoodige predikatiën verveelt, en halsstarrig weigeren blijft om van al die onbekende heerlijkheden iets te gebruiken.—Bah! wat gaat hethaaraan; maar verwijtingen uit jaloezie, uit....—Als het waarwas! Maar het isnietwaar. Men kan mij toch niet opdringen dat wit zwart is....—Zwart!—Waarom heb ik een zwarte japon aan vandaag? ’t Is een doodsche kleur. Ik wil niet in ’t zwart zijn als Helmond thuiskomt. De rose barège ziet hij zoo graag. Ja, en dan zal ik hem vragen ....Er wordt geklopt. Eva ontving weder een briefje.Onder het lezen ervan betrok haar gelaat. Mevrouw Helmond werd beleefdelijk verzocht om de familie-papieren der graven Van Armeloo, “die zij zich had toegeëigend”, nog dezen avond terug te zenden, zullende anders de zaak in handen van den kantonrechter worden gesteld.... Het briefje was met eenKonderteekend.Dat warendelaatste krachtelooze sprongen van een geketend monster.Van uur tot uur was Ronner-Kartenglimp er sedert dien avond op bedacht geweest om zich te wreken. De zoete prooi was hemontgaan, helaas door eigen schuld!—Waarom is men toch altijd onvoorzichtig wanneer een doel, waar de wereld niet mee van noode heeft, moet bereikt worden, al zal men ook dagen en weken lang zijn plan hebben gewikt en gewogen? Was het geen verregaande roekeloosheid, om haar op den avond van het feest in dien koepel te lokken? Neen, dronken van genot en glorie, zoo heeft hij berekend, zal ze het willigst den prijs betalen voor de grootste eer en de schitterendste toekomst. Ha, die schoone vrouw! Ha!! Maar alles is voorbij. De begoocheling is nu verdwenen. Inplaats van de zaligste genietingen, waren zeer benauwde oogenblikken het loon geworden voor al zijn moeite tot het spannen van een “zekeren strik”, en het oefenen van een geduld, waartoe hij vroeger onmachtig zou geweest zijn, maar nu, door zijn vurige “liefde” instaat was gesteld.—En nu wát wil de “blancbec” die hier ter kwader ure uit Indië kwam overwaaien? Ronner heeft het wèl verstaan: die melkmuil zal zijn instructiën vragen. En dan....? Maar tot zóólang kan niemand hem deren.—Hij beval hem van die ontmoeting in den koepel te zwijgen.—Nu, dat zou hij doen; ’t mocht toch maar ten zijnen nadeele worden uitgelegd. ’t Was een charade; welzeker, een charade; haha!—Maar die dwang om zich ziek te houden, of althans zich nergens te vertoonen? Wat vermeet zich die kwajongen, die indringer; om eenmajoordaartoe te durven dwingen! Op dat oogenblik in den koepel, en later hier op zijn eigen kamer, was hij te zeer onder den indruk van die teleurstelling om zich te kunnen toonen; welzeker! Maar nu, voor den d.... als hij nú hier was, hij zou hem een anderen toon leeren aanslaan; hij zou hem, ha! een degen door ’t karkas jagen, en dan uitlachen om al zijn heldenmoed!—Nochtans, dewijl kalmte voor zijn gestel hoogstnoodzakelijk is, heeft Ronner toch besloten om zich in den eersten tijd bedaard te houden. Waartoe noodelooze opspraak te verwekken? Aan Kippelaan en een paar andere bekenden, die hem een bezoek brachten, heeft hij wel bemerkt dat er niets van die scène is uitgelekt. Den tijd, dien hij nu beschikbaar heeft, kan hij niet beter gebruiken dan zich te vermaken met het schrijven van eenige briefjes; ze zullen dan toch bewerken dat dien edelen braven dokter, aan de zij van dat prachtige vrouwtje, het angstzweet zal uitbreken, en dat die weerspannige zelve in ’t eind.... hahihaha!Op dit oogenblik verlangde Ronner naar iemand dien hij inderdaad veracht, ofschoon die persoon hem—onbewust—reeds dikwijls een dienst heeft bewezen.—En zie, nu men hem hebben wilde, nu kwam hij niet. Ronner wil weten hoe de zaken staan; welke uitdrukking er zich op Helmonds gelaat teekende toen Kippelaan hem dat briefje overhandigde. Hij wil weten hoe het met dien ouden generaal is; of de notaris er reeds een testament heeft gemaakt; hij wil weten of de jonge doktersvrouw.... Ha! wat gloeit hem weer eensklaps het hoofd; hij wil weten of zij nu, ja nú thuis is....alleen. Wat raakt het hem of hij zijn woord aan dien jongen gaf. Zal een gepensioneerd majoor zich laten ringeloorendoor zulk een individu; door een.... die hem de epaulet.... Stil, dat weet niemand; dat raakt niemand.—O! indien hij bij die vrouw nog herstellen kon wat hij bedierf. Hij zal haar zeggen dat hij al de schulden van haar man wil vereffenen; dat hij haar voor die gewaande vrouweneer de hoogste eer zal doen geworden.—Zou hij lafhartig zijn en op ’t bevel van dien kwajongen nog langer arrest houden! Hardenborg is toch ’s-avonds niet in de stad en niemand weet van dat,—uit overspanning, maar al te gewillig aanvaard arrest.—Voort, het brandt hem vanbinnen. Voort!Terwijl de avond viel was de mist van lieverlede verdwenen. ’t Was guur weer geworden, zeer guur. De Romphuizer straten verkeerden zoo goed als in volslagen duisternis, want men verwachtte over een half uur—volgens den almanak—de maan.En, in den omtrek van het groote doktershuis zwierf onbespied een zwarte gedaante rond.—’t Is wel zeker dat ze zich daarbeneden, in die zijkamer, moet bevinden, denkt hij, terwijl hij onder de boomen van het marktplein staande, naar een venster tuurt, waarvan de blinden nog niet vast zijn gesloten, zoodat er in ’t midden een groote lichtstreep naar buiten glanst.—Is ze daar? Alleen?—Ronner doet een paar schreden terzij, en, schrikt dan geweldig. Onwillekeurig had hij de hand tegen den killen ijzeren slinger van een stadspomp gestooten.—’t Is niet goed voor zijn gestel zoo alleen in ’t duister. Men kon schrikken; er zou iets kunnen gebeuren. Maar als zij dan dáár alleen is! Immers die brave man zal wel weer naarDe Zonsbergzijn,—haha, nu het er op aankomt!—Ja, als zij dan daar werkelijk geheel alleen was....Ronner staat nu voor het raam, en houdt de hand boven de oogen.—Hij ziet haar door den kier. Zeker is zij alleen, want ze tuurt en staart voor zich uit. Wat is ze schoon, wat is ze betooverend schoon! Voort dan!Reeds heeft hij de stoep beklommen, en.... Wat hoort hij? Komt er een rijtuig van de Hoenderveldsche straatzijde? Ja, twee glimmende oogen grijnzen hem van verre aan: ’t zijn de lantarens. Het rijtuig nadert naar deze zijde. Terug Ronner, wanneer het die Indiër ware. Terug!Zoo snel ’t hem mogelijk is, spoedt hij zich de stoep weer af, en gaat den hoek van het huis om.—Toch moet hij zien of hij zich niet bedroog.—Het rijtuig houdt stil voor de stoep. Men schelt. Zie, hij wipt de wagentree af. Het schijnsel uit de opengaande deur verlicht voor een oogenblik zijn gelaat. Ja, hij is het. Vervloekt, hij is het! Zou die blancbec inderdaad bij haar....? Ja, ja, natuurlijk!—Ha! isallevrouwendeugd bedrog, dan is hetzekerde deugd van zulk een ijdel wezen! Ah zoo, ze heeft dan voortreffelijk haar rol in dien koepel gespeeld! Maar ha, nú zal ze het boeten, nú zal hij zich wreken op die allen tegelijk.—Spoed Ronner, ze zullen nu allen tezamen boeten. Voort!Ronner heeft zijn plan in hetzelfde oogenblik gevormd: Tweeregels zal hij schrijven aan dien goedaardigen echtgenoot. Twee regels: “Ga naar huis en vind uw geliefde in de armen van een dapperen huichelaar!”Dát, en niets meer; maar ’t zal genoeg zijn. Voor een paar kwartjes is Hannes de harddraver die aan den wal woont, zeker gemakkelijk te vinden om den dokter, binnen een kwartier—’t zij aan de apotheek waar hij moet geweest zijn, ’t zij opDe Zonsberg—het bericht in handen te spelen. Hannes kon zwijgen; Hannes is iemand op wien men vertrouwen kan. Ronner weet het bij ondervinding.Met het voornemen om dat briefje ter bespoediging maar even in Hannes’ woning te schrijven, spoedt de majoor zich nu haastig naar den wal. Hannes woonde daar niet ver van de Hoenderveldsche Poort of brug, en zijn woning lag, evenals het oude doktershuis, een weinig in de diepte.Het kleine huisje is wel te vinden. Ronner kent het. Op den wal was het toch iets lichter dan onder de boomen op de markt. En, ofschoon de wind onaangenaam koud is en de duisternis hem weinig bevalt, Ronner heeft weldra het eind der straat bereikt.—Zoo, dezen hoek om; nu de glooiing op. Dit is de wal; rechts en links zijn boomen. Daar, in dat huisje, waar nog licht brandt, moet hij wezen.—Wat is dat?—Welk woest rumoer en getier nadert van gindsche zijde? Wat wil men? Heeft die luitenant hem gezocht misschien—op zijn kamers, bij Helmond, overal, en niet gevonden? Komt hij nu met een ganschen drom....?—Nee, stil; vrees is kinderachtig. ’t Zijn vroolijke menschen. Hoor, zij zingen.—Ze maken muziek.—Maar toch, zij komen naar dezen kant. Dat volk is dikwijls dronken; men kan niet weten....! Als ze hem hier in de duisternis zoo alleen zien, dan zullen ze denken dat hij iets kwaads in ’t zin had. Ze zouden hem in hun overmoed of dolle dronkenschap een onheil kunnen toebrengen. Hij wil hen uit den weg gaan. Als hij zich achter dien dikken lindeboom verschuilt, dan gaat de troep hem voorbij zonder hem te bemerken....Hij klemt zich vast aan den boom, want de walkant is glibberig nat.—Hoor, ze komen al nader. Hoor, ze zingen:“Nooit geen nood,Nooit geen nood.Zoetelief trouw, tot in den dood.”En de dansende stoet kwam al nader:“Daar niet van,Daar niet van,Allevrouw pakt ’er eigen man.“Nooit geen rouw,Nooit geen rouw,Alleman zoent z’n eigen vrouw.”Ze komen al nader. Ze zullen hem zien; en als ze hem zien, hier achter dien boom, dan zal men nog eerder denken dat hij iets kwaads in ’t zin had. Maar toch, hij durft niet zoo eensklaps van achter den boom te voorschijn komen.En al dichterbij klinkt het:“Nooit geen nood,Nooit geen nood,Werken trouw voor ’t daaglijksch brood.“Hop hop hop,Hop hop hop,Schelmen trappen ze op den kop;Schelmen smijten ze uit de deur;Albeneur,Albeneur!”De stoet, is op een paar schreden afstands, den boom genaderd. De majoor Ronner trilt over al zijn leden. Hij duikt een weinig naar omlaag. Maar zie, een vurige tong vloog op hem af. Een vreeselijke knal dreunde hem in ’t oor; en....—O God wat is dat! Wat kreet heeft zich daar met het pistoolschot van Careltje, en een blij hoezee der bruiloftsgasten vermengd? Wat plofte daar van den tamelijk steilen wal in de nauwe half droge gracht? Wat zou het wezen?“Kom, niemendal; een dood stuk hout,” riep er een.“Wat raakt het ons!” zei een ander. En opdat de feestvreugde niet zou verstoord worden, blaast Peter luider en scheller op de klarinet, en roert Dirk de harmonica nog sterker, en op een paar enkelen na die hier ’t ergste vreezen, trekt de feeststoet verder, weer zingend met klem:“Hop hop hop,Hop hop hop,Schelmen trappen ze op den kop.”
VIJF EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.Nadat het soupeeren in de Oranje-zaal was afgeloopen, verspreidt men zich, alvorens het bal opnieuw zal beginnen, voor een goed deel in den tuin, waar Bus, met Bengaalsch vuur, wonderen verricht, die hem zelf de handen vol verbazing doen ineenslaan.Terwijl door sommige heeren die binnen bleven, de champagne nu min of meer als onschuldig water wordt gedronken, en daarentegen de thee die men ook buiten presenteert, door de meesten met een enthousiasme wordt begroet alsof men al wat er voorafging slechts genoten heeft om anderen plezier te doen; houdt Eva zacht lachend met eenige dames en heeren nabetrachting over de aardigheid, dat bij ’t ontsteken van het eerste blauwwitte licht, ginds op de bank onder den bruinen beuk, een jeugdig paar in teedere omhelzing zeer duidelijk is te voorschijn gekomen. Dat paar, in zoete droomerijen verloren, had niets van de extraordinaire verlichting bemerkt alvorens een zacht—misschien wel een waarschuwend handgeklap verkondigde, dat men hen haduitgevonden. En, terwijl men lacht en praat, in ’t eerst vooral over den armen Piet met zijn bleek Marietje, en men den avond prijst, en de gulheid van die lieve gastvrouw in ’t bijzonder, staat de gastheer, ongemerkt uit het gezelschap verdwenen, op zijn studeerkamer voor de geopende schrijftafel.“Verwenschte champagne!” zegt hij half luid: “Heb ik dan geen greintje macht meer over mijzelf? Wat doet het er toe of hij betaald is of niet; hij heeft een lichaam nog meer van streek en ’t brein als een wijnvat aan ’t gisten gemaakt. Morgenavond—’t is waar, dan moeten de zeshonderd en tien gulden voor Wulters gereed zijn....”—Hé, hoe komt hij ineens op dien Wulters? Wat gaat hem die Wulters aan! Die man heeft geen vrouw die vier- of vijf-millioen kan verdienen op één winter; in Engeland, in Amerika en overal. Wulters de schilder dat is geen man die hier op de partij past; dat is.... Stil Helmond, stil, je moet water drinken, je suizelt; je denkt verward.Fi donc! Die verwenschte champagne! Maar wáár is het zeker: met zoo’n vrouw ben je millionair of je ’t weten wiltof niet, en Wulters behoeft niet bang te zijn, zoomin als iemand ter wereld....Helmond staat een oogenblik met de hand aan het hoofd. ’t Is hier koeler dan binnen, en koeler zelfs dan buiten.—Ei, denkt hij eensklaps opziende: Waarom ben ik ook eigenlijk hier gekomen?.... Ah ja! Die gek, die aartswauwelaar, die handendrukker....! Juist, verrukt over alles, wist hij dat er nog een surprise zou komen.... Een charade; een.... Ja juist. Hij had de afspraak gehoord dat mevrouw Helmond den majoor onder den tweeden dans na ’t soupee zou vinden achter in den tuin..... ’t Zouzekereen charade zijn—heeft Kippelaan erbij gereuteld, want mevrouw Van Leeuwen had ook al aan mevrouw Narwal gezegd, dat men nog heel wat zien en hooren zou.—De majoor had haar zeer geheimzinnig een briefje van mevrouw Helmond laten lezen; enfin, dat waren haar eigen woorden: “eencharade en action!”—Ah ja, nu weet Helmond weer alles: Toen die wauwelaar, verrukt over het nieuws, ’t welk hij hier en daar had opgevangen, met charade-illusies straks de zotste exclamaties over deze “heerlijke Italiaanschefête de nuitrdquo; uitkraaide, toen heeft Helmond met alle krachtsinspanning een zeer buitengewonen aanval moeten bedwingen; immers hij had dien gek tegen het marmer der vestibule kunnen slingeren, hij had hem.... Goddank, zelfs na dien verwenschten champagne kon dokter Helmond toonen dat hij zichzelf altijd meester is. ’t Zou de grootste dwaasheid zijn geweest om aan de praatjes van dien zotskap de geringste waarde te hechten.—Ha, Helmond gevoelt dat het hem goed heeft gedaan hier even in de stilte te hebben vertoefd. ’t Is belachelijk dat hij straks op zulk een gedachte kwam.—Ja nu weet hij ’t weer: Om die Oostersche kris te halen was hij zoo ijlings naar boven gevlogen.—O waanzin, o champagne-gif! Eva, zij, mijn eenige, zij zou met dien majoor....!—Groote God, ik ben ziek tegenwoordig. In denzelfden stond maak ik me bevreesd over ’t geen mij een oogenblik tevoren het hart vol vreugde deed kloppen.—Ben je geen ijdele dwaas? Zulk een vrouw! En rijk, jarijkzijn we tezamen.Mijnwetenschap,háárgoddelijk talent! En onze liefde! O God, draagt ze dan niet onskindjeonder ’t hart!Helmond meent na eenige oogenblikken dat hij weer geheel tot zijn natuurlijke kalmte is teruggekeerd.Wat zijn gestel betreft—nu ja, wanneer Eva’s feest voorbij is, dan zal hij eens een kuur beginnen; hij is inderdaad te gejaagd en te zenuwachtig voor een man van zijn leeftijd en kracht.—Komaan, nu moet hij terug naar beneden; die vreemde roes is voorbij.“Ik heb overal naar je rondgekeken mijn beste man;” zegt Eva op den drempel der tuindeur, en terwijl zij hem even achter de breede gordijnen terzij trekt, drukt ze hem een zoen op de wang.“Beste kind, je zult kou vatten!” vermaant Helmond die in weerwil van zijn menschlievenden aard, de centimeter-juffrouw in zijn ziel verwenscht.Eva is niet bevreesd. Maar, nu Helmond haar iets heeft ingefluisterd—want anderen konden het immers nog bezwaarlijk weten—nu doet ze haastig een zijden foulard om:“Jij ziet wat bleek beste. Er scheelt toch niets aan?”“Aan mij, Eva? Wel nee.—Je hebt immers voldoening van je feest?”“O ja, onbeschrijfelijk veel. Ik hoor overal zeggen dat het hier veel geanimeerder is dan bij de Debecque’s. En....”“En....?”“Er wacht me nog iets.”“Je meent?”“Een geschenk. Een verrassing. Meer zeg ik niet. Nee nee, mannetjelief, meer zeg ik niet.” Eva snelt nu voort, want ze had iets vergeten.In een kleine achterkamer waar dezen avond een kok in ’t wit zijn schepter zwaait, geeft Eva haar bevelen. Zij heeft aan papa en Louise gedacht.—Neen, ze wil dat toch liever eigenhandig beredderen. Hier, in deze groote mand legt ze snel en zonder dat men het bemerkt, een flesch champagne. Nu, in een overdekte schaal er bovenop, getruffeerde kalkoen en wat pasteitjes. Ziezoo, een groot stuk ponstaart kan op een papier daarnevens. Ja, nog iets van deze snoeperijen, en een proefje van die fijnigheden. Dát zal smaken. Ach ja, die goede papa kon niet komen, ’t Was niet kiesch van mama dat zij nu óók maar niet stilletjes is thuis gebleven. Mama was....—Wacht, wie zal die mand nu bezorgen? Ja wie? Die vreemden weten hier geen weg,—Ha, daar komt Bus. Bus is in een livrei met rood en goud, hij heeft witte handschoenen aan; ’t zweet loopt hem langs de slapen.“Ei Bus,” zegt Eva op den drempel der kamer: “jij moest deze mand eens eventjes....” Mevrouw Helmond ziet dat de kok haar juist de boodschap van de lippen kijkt.... “Ik zeg, je moest deze mand eens eventjes naar mevrouw Van Hake brengen, je weet wel de weduwe Van Hake.”“Nou!” zegt Bus, “die zou ik niet kennen. En, alsdat ’et van u kwam....?”“Jawel,” roept Eva hem toe, want ze snelde reeds voort. Onder ’t geven van dat adres was ze vuurrood geworden.—Nu ’t was ook eigenlijk te dwaas om aan papa zoo’n mand te zenden, Morgen zal ze ’t wel goedmaken. Ze rijdt er dan desnoods eens even naar toe. ’t Een en ander in een hoededoos, welzeker!Eva weet niet hoe het komt, maar het hart klopt haar sterk in den boezem, nu zij zich door den straks verlaten tuin ijlings naar de achterzijde spoedt.Ginds bij den koepel wacht de majoor; hij zal dan eindelijk geven waarnaar ze zoo lang met fel bestreden ongeduld verlangde. Heeft ze goed gedaan met hem dat briefje te schrijven?—Wáárom zou ze netnietgedaan hebben! Zonder haar beleefd verzoek ware de majoor er zeker niet toe gekomen om die papieren te geven, terwijleen langer dralen zelfs gevaarlijk had kunnen worden, dewijl hij vroeger heeft gezegd dat het voornaamste stuk als curiositeit een groote waarde bezat. Wie weet of hij het niet had kunnen verkoopen; aan een museum misschien!Eva begrijpt dat zij het zeer goed heeft aangelegd.—Aan de jarige echtgenoot van dokter Helmond mocht de majoor niets weigeren, en—door de wijze, waarop ze het behandelde, werden alle zwartgallige visioenen van papa en manlief, volkomen te niet gedaan. Immers, inplaats van de honderden of duizenden guldens die men er hem voor schuldig zou zijn, kostte het haar nu geen enkelen stuiver.Ofschoon Eva den weg kan vinden, het doet haar toch leed dat de meeste lichtballons reeds zijn uitgegaan. Achter in den tuin ziet ze er zelfs geen enkele meer.—O ja, zie, nog een blauwe ginds, en een roode wat verder.’t Is toch zonderling dat haar ’t hart zoo klopt. Is er dan iets kwaads in wanneer men het bewijs gaat ontvangen dat men ’t recht heeft om zich op een der hoogste sporten van de maatschappelijke ladder te plaatsen? Is het niet God zelf die de menschen in het aanzijn roept, ieder in den stand waarvoor Hij hem verordineerde? Kan het geen strijd tegen God worden genoemd, indien men moedwillig verzuimt de plaats te hernemen die ons toebehoort?—Eensklaps staat Eva stil.—Wie zegt haar dat zij den naam van God daar ijdellijk gebruikt? Wie zegt haar dat ze voortholt op het pad der lichtzinnigheid en der zonde....?—Als het alles eens waar was!!!Wat?—Ja zij weet het wel.—Ook van terzijde; ook van dienstboden en meer andere kleine, half in ’t donker zich wrekende vijanden, heeft ze wel eens vernomen wat ze niet hooren wilde, en als de uitvloeisels van jaloezie heeft beschouwd.—Heeft dan die oude man gelijk; holt zij voort op een weg die ten verderve leidt.... op een weg die....?—O foei Eva, schaam je! zegt ze bijna hoorbaar terwijl ze zeer haastig voorttreedt: In ’t donker ben je bang. Kinderachtig kind! Is de verstooten vorstenzoon die een troon herovert, en zich met de weelde die tot een hof behoort omringt, dan ook een “verdoolde die jaagt naar verheffing boven zijn stand, en naar een weelderig genieten zonder arbeid in het zweet zijns aanschijns”!?—Foei Eva, je bent nog even bang in ’t donker als toen je een kind waart.—Maar wie had ook kunnen denken dat de lichten om halféén zouden uitgaan! Voort Eva, voort....!—Ha, daarginder ziet ze iets bewegen. Ja, het treedt terug naar de zij van den koepel achter de fijne dennen.—Komaan Eva, waarom gedraald! Voorwaarts, gerust! ’t Is heden uw schoonste dag: Gravinne van Armeloo!”Dokter Helmond is merkbaar afgetrokken terwijl mevrouw Doelemeere hem attent maakt op den jongen Hardenborg en freule Marie Narwal, vanwelkpaartje men—zij houdt het voor zeker—spoedig meer zal hooren.—Waar was Eva? Hij ziet haar niet.“O wil me even excuseeren mevrouw, ik heb....”Helmond vliegt met zijn blik de zalen rond. De wals is aangevangen. —Mijn hemel wat spelen die muzikanten hard en wild.—Waar is Eva? Weet die kapelmeester niet meer dat hij deze schetterende wals hier niet spelen moet! ’t Is hem immers door Eva zelve gezegd.—Waar is ze dan—-Waar?—En hij, die majoor....?“Heb je mijn vrouw hier niet gezien Hardenborg?”Freule Marie Narwal antwoordt, terwijl haar geliefde ontkennend rondtuurt:“Ik zag mevrouw voor weinige oogenblikken de groote zaaldeur uitgaan. Ik moet u eens eventjes zeggen dokter, dat uw vrouwtje er snoeperig uitziet. Zij vertelde me straks dat ze u met die lilajapon heeft verrast. Ik zei zooeven nog tegen Ar.... tegen den luitenant toen ze daar zoo heenzweefde: precies een reine! Zij heeft....”“U houdt me ten goede freule, ik wilde....”“Dokter ziet er fameus geaffaireerd uit, vin-je niet lieve; en vreeselijk bleek?” zegt de fleurige beminde van Archibald Hardenborg, nadat Helmond zich in allerijl heeft verwijderd.De Turksche wals klonk ruw en hard, waarschijnlijk te harder door de weerkaatsing van het glas der serre. Aan de tuinzijde stonden de ramen open.In de danszaal vlogen de paren rond; ’t ging zoo geanimeerd en luidruchtig dat de oude lui—die na ’t soupee niet meer speelden—nog eens kwamen kijken. Zie, er had een kleine stagnatie plaats. Een der wielende paren—waarschijnlijk het dansen wat veel ontwend—sloeg in ’t midden der zaal neer. Gelukkig bij ’t opstaan lachten ze allebei zooals dat behoort, en de kapelmeester werd nog te meer aangevuurd om—op straks gedane verzoek van den majoor—de wals met kloekheid door te zetten, terwijl de dansmeester vooral wat lang zou aanhouden aangezien “er een weddenschap was”.“Ha mon ami! Goddelijke soirée, Goddelijk, c’est le mot!” roemt Kippelaan, terwijl hij Helmonds hand even vastklemt en dan, door een sterken ruk naar beneden, diens arm bijna uit het lid trekt: “Parole d’honneur; in gespannen verwachting! Niemand iets van gezegd. Alleen mevrouw Toulaar en menheer Sommer—lieve menschen, vrienden van me.—’t Zal nu komen niewaar? Mevrouw al gezien. Jawel. Ze ging naar buiten. Charmant lieve vrouw, o charmant! Altijd gezeid! Een charade niewaar? Charade en action? Jawel, de majoor wacht met de costumes, achter in den tuin. Geobserveerd; jawel. Een beetje ondeugend misschien; maar enfin! Ik ben die ik ben, Charade niewaar? Allercharmantst! ’k Wil wel souffleeren.... Charade niewaar?”“Ja zeker, ik moet er bij zijn;” heeft Helmond reeds in ’t midden van den snellen Kippelaans-roffel geantwoord, en voort is hij den tuin ingesneld.“Maar we kunnen hier wel buiten blijven majoor. Ik mag mijn gezelschap....”“Natuurlijk niet te lang alleen laten, natuurlijk! Maar wat ik u ter inlichting te zeggen heb mevrouw, wil ik niet dat door iemand zal beluisterd worden.—Sedert het èchec dat ik leed....”“Dat is immers vergeten majoor?”“0 volkomen, maar die omstandigheden rechtvaardigen toch eenigszins mijn houding. Ik behaal een groote overwinning op mijzelf mevrouw, vergeet dit niet. Uw gasten zullen ukortermissen, indien uaanstondsbesluiten kunt....? Zoo niet, dan keeren wij zonder over deze zaak verder te spreken naar uw heerlijke partij terug. We kunnen de zaak dan als afgedaan beschouwen.”Weinige oogenblikken later staan Eva en Kartenglimp in den koepel, waarvan de deur door den majoor behendig gesloten is. Om haar dat eene papier te kunnen toonen moest er licht wezen. De majoor had er voor gezorgd. Een kleine lantaarn brandt op de tafel.Eva heeft de papieren gezien, enniet gezien. ’t Was haar inderdaad voldoende te weten dat dit laatste stuk—door een zekeren mijnheer Ronner onderteekend, en met eenige stempels en wapens voorzien—het document was waar men alles mee bewijzen kon.—Die majoor is toch waarlijk goedaardig, ’t Is kinderachtig dat ze een oogenblik angst heeft gevoeld toen ze hier zou binnengaan.—En zie, terwijl hij haar nu het pakje met al die stukken tezamen overhandigt, en daarbij de bedoelde, hoogstbelangrijke inlichting geeft, dat hij door zijn invloed in Den Haag zeer zeker bewerken kan dat dokter Helmond reeds spoedig den naam en titel der Van Armeloo’s zal kunnen aannemen indien hij zulks verkiest; zie, terwijl hij haar nu zoo gracieus dat kostbare geschenk overhandigt, nu zou het toch de verregaandste preutschheid zijn om den man met met een vriendelijken handdruk haar innigen dank te betuigen, en hem te zeggen....—Maar o God, wat is dat! Wat bedoelt hij nu! Hoe houdt hij haar hand zoo wonderlijk lang en vast in de zijne geklemd.... wat wàt eischt hij tot loon....?De woede van den tijger is te grooter naarmate hij langer een begeerden buit moest missen.—Lang, zeer lang had hij zich ingetoomd; langer dan ooit te voren heeft hij zijn tijd zoeken af te wachten; maar nu, nu hij dan hier met haaralleenis, nu.....“O God, mensch wat wil je!” roept Eva in hevigen angst.“Niets anders dan een dankbaren zoen voor het document van Ronner, mijn engelachtig kind!”“Vent! raak mij niet aan. Wat denk je! Met mijn nagels zal ik je de oogen uitkrabben hoor je.—Help, help!”“Ha!” zegt Kartenglimp met vlammende oogen: “Is een enkele zoen te veel voor den titel vangravin!”Eva, in den hevigsten angst, neemt eensklaps het paket ’t welk hij haar zooeven overhandigde, en met een gillend: “Dáár! o God, moest dat je loon zijn!” werpt ze het hem in ’t aangezicht; en nogmaals gillend: “August, August! Helpt menschen, helpt!”Een vreeselijke slag doet den koepel schudden. De glazen van een der deuren storten rinkelend op den grond. Door een hevige krachtsinspanningis het Helmond gelukt de gesloten deur te doen openspringen.“Goddank! Goddank!” roept Eva, en in koortsachtige overspanning vliegt ze haar geliefde tegemoet.Kartenglimp door het pakket papieren ofschoon slechts licht aan het hoofd getroffen, maar vooral door Helmonds onverwachte komst geschokt, staat een oogenblik als verlamd. Eensklaps echter is zijn besluit genomen:“Je vrouw speelt een vreemde rol dokter. Zoodra zij haar man in haar nabijheid vermoedt zal ze zich houden alsof....”“Mijn God! August, hoe is het mogelijk!” roept Eva bijna schreiend.“Lage ellendeling!” zegt Helmond, terwijl hij Eva vast aan zijn borst klemt, en Kartenglimp met een blik vol verachting doch schijnbaar kalm blijft aanstaren.“’t Zal de vraag zijn wie hier van ons beiden met recht een ellendeling heet;” brult Kartenglimp met een ruwen vloek.Eva trilt over al haar leden. Dokter Helmond kan zich beheerschen. Nu, nú vooral mag hij zich niet verlagen door het plegen van ruw geweld. Met nadruk zegt hij zacht:“Wanneer je wist mensch, wat er omgaat in mijn ziel, het zou je zelf verwonderen dat ik je niet met dezen stoel, in één slag den boozen kop verpletter. Om mijn vrouw te sparen, die ik geen oogenblik langer aan je vuilen blik wil blootstellen, vergun ik je van hier te gaan. Wij spreken elkander nader. Ga heen!”Kartenglimp inwendig bevend en overtuigd dat hij nooit zal herwinnen wat hij nu verloor, hij kan—inweerwil van den angst over Helmonds “wij spreken elkander nader” den lust niet bedwingen om zich aanstonds over zijn nederlaag te wreken. Met ruwe vloeken en verwenschingen barst hij los, en noemt zeer zeker hém den grootsten ellendeling, die ter wille van een ijdele vrouw zijn zieken als dokter verwaarloost, wiens praktijk in weinige weken door schandelijk verzuim zoo goed als verloopen is, en die ten overvloede schuld maakt op schuld, met het uitzicht op den spoedigen dood van een braven pleegvader.Eva’s verontwaardiging kent geene grenzen meer. Toen dat monster—dien ze inderdaad slechts van den beginne afaan heeft geduld, omdat ze door hem tot de hoogste eer dacht te komen, toen hij straks háár eer zoo schandelijk durfde belagen, toen ontstelde zij hevig maar gevoelde zich toch krachtig, ja krachtig zelfs als vrouw, om te heerschen over.... het dier. Nu ze echter haar innig geliefden man op die wijze hoort aanvallen enzijneer belagen, nu roept ze met fonkelenden blik in schier teugellooze woede:“Dat is gelogen! Dat is hemeltergende laster!—August, roep onze gasten hier. Dat mensch zou ons krankzinnig maken!” En dan schreiend aan Helmonds borst: “O God, zóó te durven spreken van mijn edelen braven man!”“Stil kind, stil! Ja zeker,” aarzelt hij in hevigen tweestrijd: “dat isonwaar. Zeker Eva, hij liegt!” En dan eensklaps met half angstigen,half vernietigenden nadruk tot Kartenglimp, die reeds de deur was genaderd: “Schuldenaars zijn we allen; maar de een kan zijn schuld vereffenen, en de ander misschien in der eeuwigheid niet!”“Halt Ronner!” roept Archibald Hardenborg, terwijl hij den majoor den uittocht belet: “Halt!”“Ronner! Wat meen je! Verdoemd als ik weet wat je zegt. Denk je datik....?”“Ik denk enweetdat jij de lage schelm, de geld- en eerroover bent, onwaardig om de epauletten van een Neerlandsch officier te dragen. Hoe is ’t mogelijk dat men dit nog kon toestaan!” Eensklaps met forschen greep, rukt Hardenborg hem een epaulet van den schouder; werpt hem die voor den voet, en zegt: “Ha; val nu weer op de knieën lafaard, zooals bij dat prachtig duel. Bid weer om vergeving en behoud van je ellendig leven, ter wille van een arme moederdie niet meer bestaat.—Komaan poltron, komaan op de knieën voor deze engelachtige vrouw en voor mijn edelen vriend. Vergiffenis gevraagd, of anders, zoo waarachtig als ik een Nederlandsch officier ben, eer drie dagen voorbij zijn, gaat je cadaver in ’t graf. Op de knieën poltron, op de knieën!”“Nee Archibald, nee! wij willen dat niet.”“O!” roept Hardenborg: “dat mispunt doet het zelfs voor de tromp van een geladen pistool alshij eerst heeft misgeschoten. Lafaard!” Op Helmond en Eva wijzend: “Die man is te goed, en die vrouw is te geschokt om je hier langer te dulden. Bovendien, zij hebben haast. Hun gasten zouden hun afwezigheid bemerken, Goddank dat ik tusschenbeiden kwam! Ik,ikken je. Al hebben je al te genadige rechters zeker hun woord gehouden, de zaak moest in Indië ruchtbaar worden; de bosschen hebben er ooren. Voorwaarts marsch! Ha, ’t is nog kluchtig er bij: de majoor-poltron wordt gecommandeerd door een luitenant op non-actief.”Dit laatste was toch te veel voor den oud-militair. Met een brullende verwensching en vuurrood geworden, grijpt Kartenglimp het wapen ’twelk Helmond straks versmaadde, en zou den jongen officier met den stoel hebben getroffen, indien Helmond niet, door een slag op Kartenglimps arm, zijn voornemen had verijdeld.“’t Zou zóó best mogelijk worden dat de ziekte waarvoor je vreest er dezen nacht een eind aan maakte;” zegt Helmond met klem.Kartenglimp siddert.—Dezen nacht eenberoerte!De overspanning na velerlei hartstocht moest het na die laatste krachtsinspanning waarschijnlijk bewerkt hebben, of de schrik bij des dokters laatste woorden het allermeest: Een blauwachtig paars verving Kartenglimps gloeiende kleur. Hij wankelde, klemde zich vast aan de tafel, en.... door de duizeling getroffen zou hij zijn neergevallen, indiendokterHelmond niet ijlings ware toegeschoten en hem voor den val had behoed.Bij eene vrouw wordt zelfs de hevigste afschuw alras door medelijden vervangen, wanneer ze haar belager door een onheil getroffen ziet. De onverwachte ongesteldheid van den majoor en zijn akelig voorkomen, verdrongen eenigszins den indruk van hetgeen er voorafwas gegaan. Ja zelfs haar heimelijke vrees voor de waarheid moest nú wel eensklaps verdwijnen, want zie maar, de man die “ter wille van een ijdele vrouw zijn zieken door schandelijk plichtverzuim geheel verwaarloost”, zie dan, diezelfde dokter laat zijn geschokte jonge vrouw aan haar zelve over, om een lagen beschuldiger, een onmensch—als patiënt aanstonds ter hulp te komen.—O goede God, is er een edeler man op de wereld!En Eva zal toonen dat ze zulk een echtvriend waardig is. Zij zal toonen bovendien dat ook zij zich beheerschen kan, èn terwille van haar gasten, èn ter voorkoming van onnoodige opspraak.Ja, Eva zal aanstonds in den koepel doen bezorgen ’tgeen Helmond verlangt. Hardenborg zal bij hem blijven.Alleenzal ze naar ’t gezelschap terugkeeren, en haar man en zich zelve verontschuldigen, dat men voor een ongesteld geworden gast eenige oogenblikken het gezelschap verlaten moest.—’t Zal voldoende zijn te zeggen, ja, dat men een kleine charade heeft willen uitvoeren, en de majoor Kartenglimp onder ’t spreken ervan, door een plotselinge ongesteldheid getroffen werd.Alvorens Eva zich—even snel als dit besluit werd genomen—zal voortspoeden, wendt ze zich haastig naar een hoekvanden koepel; raapt er iets wits van den vloer, en laat het onder ’t heengaan ongemerkt wegglijden in den zak van haar lila-zijden kleed.
Nadat het soupeeren in de Oranje-zaal was afgeloopen, verspreidt men zich, alvorens het bal opnieuw zal beginnen, voor een goed deel in den tuin, waar Bus, met Bengaalsch vuur, wonderen verricht, die hem zelf de handen vol verbazing doen ineenslaan.
Terwijl door sommige heeren die binnen bleven, de champagne nu min of meer als onschuldig water wordt gedronken, en daarentegen de thee die men ook buiten presenteert, door de meesten met een enthousiasme wordt begroet alsof men al wat er voorafging slechts genoten heeft om anderen plezier te doen; houdt Eva zacht lachend met eenige dames en heeren nabetrachting over de aardigheid, dat bij ’t ontsteken van het eerste blauwwitte licht, ginds op de bank onder den bruinen beuk, een jeugdig paar in teedere omhelzing zeer duidelijk is te voorschijn gekomen. Dat paar, in zoete droomerijen verloren, had niets van de extraordinaire verlichting bemerkt alvorens een zacht—misschien wel een waarschuwend handgeklap verkondigde, dat men hen haduitgevonden. En, terwijl men lacht en praat, in ’t eerst vooral over den armen Piet met zijn bleek Marietje, en men den avond prijst, en de gulheid van die lieve gastvrouw in ’t bijzonder, staat de gastheer, ongemerkt uit het gezelschap verdwenen, op zijn studeerkamer voor de geopende schrijftafel.
“Verwenschte champagne!” zegt hij half luid: “Heb ik dan geen greintje macht meer over mijzelf? Wat doet het er toe of hij betaald is of niet; hij heeft een lichaam nog meer van streek en ’t brein als een wijnvat aan ’t gisten gemaakt. Morgenavond—’t is waar, dan moeten de zeshonderd en tien gulden voor Wulters gereed zijn....”—Hé, hoe komt hij ineens op dien Wulters? Wat gaat hem die Wulters aan! Die man heeft geen vrouw die vier- of vijf-millioen kan verdienen op één winter; in Engeland, in Amerika en overal. Wulters de schilder dat is geen man die hier op de partij past; dat is.... Stil Helmond, stil, je moet water drinken, je suizelt; je denkt verward.Fi donc! Die verwenschte champagne! Maar wáár is het zeker: met zoo’n vrouw ben je millionair of je ’t weten wiltof niet, en Wulters behoeft niet bang te zijn, zoomin als iemand ter wereld....
Helmond staat een oogenblik met de hand aan het hoofd. ’t Is hier koeler dan binnen, en koeler zelfs dan buiten.—Ei, denkt hij eensklaps opziende: Waarom ben ik ook eigenlijk hier gekomen?.... Ah ja! Die gek, die aartswauwelaar, die handendrukker....! Juist, verrukt over alles, wist hij dat er nog een surprise zou komen.... Een charade; een.... Ja juist. Hij had de afspraak gehoord dat mevrouw Helmond den majoor onder den tweeden dans na ’t soupee zou vinden achter in den tuin.
.... ’t Zouzekereen charade zijn—heeft Kippelaan erbij gereuteld, want mevrouw Van Leeuwen had ook al aan mevrouw Narwal gezegd, dat men nog heel wat zien en hooren zou.—De majoor had haar zeer geheimzinnig een briefje van mevrouw Helmond laten lezen; enfin, dat waren haar eigen woorden: “eencharade en action!”
—Ah ja, nu weet Helmond weer alles: Toen die wauwelaar, verrukt over het nieuws, ’t welk hij hier en daar had opgevangen, met charade-illusies straks de zotste exclamaties over deze “heerlijke Italiaanschefête de nuitrdquo; uitkraaide, toen heeft Helmond met alle krachtsinspanning een zeer buitengewonen aanval moeten bedwingen; immers hij had dien gek tegen het marmer der vestibule kunnen slingeren, hij had hem.... Goddank, zelfs na dien verwenschten champagne kon dokter Helmond toonen dat hij zichzelf altijd meester is. ’t Zou de grootste dwaasheid zijn geweest om aan de praatjes van dien zotskap de geringste waarde te hechten.
—Ha, Helmond gevoelt dat het hem goed heeft gedaan hier even in de stilte te hebben vertoefd. ’t Is belachelijk dat hij straks op zulk een gedachte kwam.—Ja nu weet hij ’t weer: Om die Oostersche kris te halen was hij zoo ijlings naar boven gevlogen.—O waanzin, o champagne-gif! Eva, zij, mijn eenige, zij zou met dien majoor....!—Groote God, ik ben ziek tegenwoordig. In denzelfden stond maak ik me bevreesd over ’t geen mij een oogenblik tevoren het hart vol vreugde deed kloppen.
—Ben je geen ijdele dwaas? Zulk een vrouw! En rijk, jarijkzijn we tezamen.Mijnwetenschap,háárgoddelijk talent! En onze liefde! O God, draagt ze dan niet onskindjeonder ’t hart!
Helmond meent na eenige oogenblikken dat hij weer geheel tot zijn natuurlijke kalmte is teruggekeerd.
Wat zijn gestel betreft—nu ja, wanneer Eva’s feest voorbij is, dan zal hij eens een kuur beginnen; hij is inderdaad te gejaagd en te zenuwachtig voor een man van zijn leeftijd en kracht.—Komaan, nu moet hij terug naar beneden; die vreemde roes is voorbij.
“Ik heb overal naar je rondgekeken mijn beste man;” zegt Eva op den drempel der tuindeur, en terwijl zij hem even achter de breede gordijnen terzij trekt, drukt ze hem een zoen op de wang.
“Beste kind, je zult kou vatten!” vermaant Helmond die in weerwil van zijn menschlievenden aard, de centimeter-juffrouw in zijn ziel verwenscht.
Eva is niet bevreesd. Maar, nu Helmond haar iets heeft ingefluisterd—want anderen konden het immers nog bezwaarlijk weten—nu doet ze haastig een zijden foulard om:
“Jij ziet wat bleek beste. Er scheelt toch niets aan?”
“Aan mij, Eva? Wel nee.—Je hebt immers voldoening van je feest?”
“O ja, onbeschrijfelijk veel. Ik hoor overal zeggen dat het hier veel geanimeerder is dan bij de Debecque’s. En....”
“En....?”
“Er wacht me nog iets.”
“Je meent?”
“Een geschenk. Een verrassing. Meer zeg ik niet. Nee nee, mannetjelief, meer zeg ik niet.” Eva snelt nu voort, want ze had iets vergeten.
In een kleine achterkamer waar dezen avond een kok in ’t wit zijn schepter zwaait, geeft Eva haar bevelen. Zij heeft aan papa en Louise gedacht.—Neen, ze wil dat toch liever eigenhandig beredderen. Hier, in deze groote mand legt ze snel en zonder dat men het bemerkt, een flesch champagne. Nu, in een overdekte schaal er bovenop, getruffeerde kalkoen en wat pasteitjes. Ziezoo, een groot stuk ponstaart kan op een papier daarnevens. Ja, nog iets van deze snoeperijen, en een proefje van die fijnigheden. Dát zal smaken. Ach ja, die goede papa kon niet komen, ’t Was niet kiesch van mama dat zij nu óók maar niet stilletjes is thuis gebleven. Mama was....
—Wacht, wie zal die mand nu bezorgen? Ja wie? Die vreemden weten hier geen weg,—Ha, daar komt Bus. Bus is in een livrei met rood en goud, hij heeft witte handschoenen aan; ’t zweet loopt hem langs de slapen.
“Ei Bus,” zegt Eva op den drempel der kamer: “jij moest deze mand eens eventjes....” Mevrouw Helmond ziet dat de kok haar juist de boodschap van de lippen kijkt.... “Ik zeg, je moest deze mand eens eventjes naar mevrouw Van Hake brengen, je weet wel de weduwe Van Hake.”
“Nou!” zegt Bus, “die zou ik niet kennen. En, alsdat ’et van u kwam....?”
“Jawel,” roept Eva hem toe, want ze snelde reeds voort. Onder ’t geven van dat adres was ze vuurrood geworden.
—Nu ’t was ook eigenlijk te dwaas om aan papa zoo’n mand te zenden, Morgen zal ze ’t wel goedmaken. Ze rijdt er dan desnoods eens even naar toe. ’t Een en ander in een hoededoos, welzeker!
Eva weet niet hoe het komt, maar het hart klopt haar sterk in den boezem, nu zij zich door den straks verlaten tuin ijlings naar de achterzijde spoedt.
Ginds bij den koepel wacht de majoor; hij zal dan eindelijk geven waarnaar ze zoo lang met fel bestreden ongeduld verlangde. Heeft ze goed gedaan met hem dat briefje te schrijven?—Wáárom zou ze netnietgedaan hebben! Zonder haar beleefd verzoek ware de majoor er zeker niet toe gekomen om die papieren te geven, terwijleen langer dralen zelfs gevaarlijk had kunnen worden, dewijl hij vroeger heeft gezegd dat het voornaamste stuk als curiositeit een groote waarde bezat. Wie weet of hij het niet had kunnen verkoopen; aan een museum misschien!
Eva begrijpt dat zij het zeer goed heeft aangelegd.—Aan de jarige echtgenoot van dokter Helmond mocht de majoor niets weigeren, en—door de wijze, waarop ze het behandelde, werden alle zwartgallige visioenen van papa en manlief, volkomen te niet gedaan. Immers, inplaats van de honderden of duizenden guldens die men er hem voor schuldig zou zijn, kostte het haar nu geen enkelen stuiver.
Ofschoon Eva den weg kan vinden, het doet haar toch leed dat de meeste lichtballons reeds zijn uitgegaan. Achter in den tuin ziet ze er zelfs geen enkele meer.—O ja, zie, nog een blauwe ginds, en een roode wat verder.
’t Is toch zonderling dat haar ’t hart zoo klopt. Is er dan iets kwaads in wanneer men het bewijs gaat ontvangen dat men ’t recht heeft om zich op een der hoogste sporten van de maatschappelijke ladder te plaatsen? Is het niet God zelf die de menschen in het aanzijn roept, ieder in den stand waarvoor Hij hem verordineerde? Kan het geen strijd tegen God worden genoemd, indien men moedwillig verzuimt de plaats te hernemen die ons toebehoort?—Eensklaps staat Eva stil.—Wie zegt haar dat zij den naam van God daar ijdellijk gebruikt? Wie zegt haar dat ze voortholt op het pad der lichtzinnigheid en der zonde....?—Als het alles eens waar was!!!Wat?—Ja zij weet het wel.—Ook van terzijde; ook van dienstboden en meer andere kleine, half in ’t donker zich wrekende vijanden, heeft ze wel eens vernomen wat ze niet hooren wilde, en als de uitvloeisels van jaloezie heeft beschouwd.—Heeft dan die oude man gelijk; holt zij voort op een weg die ten verderve leidt.... op een weg die....?—O foei Eva, schaam je! zegt ze bijna hoorbaar terwijl ze zeer haastig voorttreedt: In ’t donker ben je bang. Kinderachtig kind! Is de verstooten vorstenzoon die een troon herovert, en zich met de weelde die tot een hof behoort omringt, dan ook een “verdoolde die jaagt naar verheffing boven zijn stand, en naar een weelderig genieten zonder arbeid in het zweet zijns aanschijns”!?—Foei Eva, je bent nog even bang in ’t donker als toen je een kind waart.—Maar wie had ook kunnen denken dat de lichten om halféén zouden uitgaan! Voort Eva, voort....!
—Ha, daarginder ziet ze iets bewegen. Ja, het treedt terug naar de zij van den koepel achter de fijne dennen.
—Komaan Eva, waarom gedraald! Voorwaarts, gerust! ’t Is heden uw schoonste dag: Gravinne van Armeloo!”
Dokter Helmond is merkbaar afgetrokken terwijl mevrouw Doelemeere hem attent maakt op den jongen Hardenborg en freule Marie Narwal, vanwelkpaartje men—zij houdt het voor zeker—spoedig meer zal hooren.
—Waar was Eva? Hij ziet haar niet.
“O wil me even excuseeren mevrouw, ik heb....”
Helmond vliegt met zijn blik de zalen rond. De wals is aangevangen. —Mijn hemel wat spelen die muzikanten hard en wild.—Waar is Eva? Weet die kapelmeester niet meer dat hij deze schetterende wals hier niet spelen moet! ’t Is hem immers door Eva zelve gezegd.—Waar is ze dan—-Waar?—En hij, die majoor....?
“Heb je mijn vrouw hier niet gezien Hardenborg?”
Freule Marie Narwal antwoordt, terwijl haar geliefde ontkennend rondtuurt:
“Ik zag mevrouw voor weinige oogenblikken de groote zaaldeur uitgaan. Ik moet u eens eventjes zeggen dokter, dat uw vrouwtje er snoeperig uitziet. Zij vertelde me straks dat ze u met die lilajapon heeft verrast. Ik zei zooeven nog tegen Ar.... tegen den luitenant toen ze daar zoo heenzweefde: precies een reine! Zij heeft....”
“U houdt me ten goede freule, ik wilde....”
“Dokter ziet er fameus geaffaireerd uit, vin-je niet lieve; en vreeselijk bleek?” zegt de fleurige beminde van Archibald Hardenborg, nadat Helmond zich in allerijl heeft verwijderd.
De Turksche wals klonk ruw en hard, waarschijnlijk te harder door de weerkaatsing van het glas der serre. Aan de tuinzijde stonden de ramen open.
In de danszaal vlogen de paren rond; ’t ging zoo geanimeerd en luidruchtig dat de oude lui—die na ’t soupee niet meer speelden—nog eens kwamen kijken. Zie, er had een kleine stagnatie plaats. Een der wielende paren—waarschijnlijk het dansen wat veel ontwend—sloeg in ’t midden der zaal neer. Gelukkig bij ’t opstaan lachten ze allebei zooals dat behoort, en de kapelmeester werd nog te meer aangevuurd om—op straks gedane verzoek van den majoor—de wals met kloekheid door te zetten, terwijl de dansmeester vooral wat lang zou aanhouden aangezien “er een weddenschap was”.
“Ha mon ami! Goddelijke soirée, Goddelijk, c’est le mot!” roemt Kippelaan, terwijl hij Helmonds hand even vastklemt en dan, door een sterken ruk naar beneden, diens arm bijna uit het lid trekt: “Parole d’honneur; in gespannen verwachting! Niemand iets van gezegd. Alleen mevrouw Toulaar en menheer Sommer—lieve menschen, vrienden van me.—’t Zal nu komen niewaar? Mevrouw al gezien. Jawel. Ze ging naar buiten. Charmant lieve vrouw, o charmant! Altijd gezeid! Een charade niewaar? Charade en action? Jawel, de majoor wacht met de costumes, achter in den tuin. Geobserveerd; jawel. Een beetje ondeugend misschien; maar enfin! Ik ben die ik ben, Charade niewaar? Allercharmantst! ’k Wil wel souffleeren.... Charade niewaar?”
“Ja zeker, ik moet er bij zijn;” heeft Helmond reeds in ’t midden van den snellen Kippelaans-roffel geantwoord, en voort is hij den tuin ingesneld.
“Maar we kunnen hier wel buiten blijven majoor. Ik mag mijn gezelschap....”
“Natuurlijk niet te lang alleen laten, natuurlijk! Maar wat ik u ter inlichting te zeggen heb mevrouw, wil ik niet dat door iemand zal beluisterd worden.—Sedert het èchec dat ik leed....”
“Dat is immers vergeten majoor?”
“0 volkomen, maar die omstandigheden rechtvaardigen toch eenigszins mijn houding. Ik behaal een groote overwinning op mijzelf mevrouw, vergeet dit niet. Uw gasten zullen ukortermissen, indien uaanstondsbesluiten kunt....? Zoo niet, dan keeren wij zonder over deze zaak verder te spreken naar uw heerlijke partij terug. We kunnen de zaak dan als afgedaan beschouwen.”
Weinige oogenblikken later staan Eva en Kartenglimp in den koepel, waarvan de deur door den majoor behendig gesloten is. Om haar dat eene papier te kunnen toonen moest er licht wezen. De majoor had er voor gezorgd. Een kleine lantaarn brandt op de tafel.
Eva heeft de papieren gezien, enniet gezien. ’t Was haar inderdaad voldoende te weten dat dit laatste stuk—door een zekeren mijnheer Ronner onderteekend, en met eenige stempels en wapens voorzien—het document was waar men alles mee bewijzen kon.—Die majoor is toch waarlijk goedaardig, ’t Is kinderachtig dat ze een oogenblik angst heeft gevoeld toen ze hier zou binnengaan.—En zie, terwijl hij haar nu het pakje met al die stukken tezamen overhandigt, en daarbij de bedoelde, hoogstbelangrijke inlichting geeft, dat hij door zijn invloed in Den Haag zeer zeker bewerken kan dat dokter Helmond reeds spoedig den naam en titel der Van Armeloo’s zal kunnen aannemen indien hij zulks verkiest; zie, terwijl hij haar nu zoo gracieus dat kostbare geschenk overhandigt, nu zou het toch de verregaandste preutschheid zijn om den man met met een vriendelijken handdruk haar innigen dank te betuigen, en hem te zeggen....
—Maar o God, wat is dat! Wat bedoelt hij nu! Hoe houdt hij haar hand zoo wonderlijk lang en vast in de zijne geklemd.... wat wàt eischt hij tot loon....?
De woede van den tijger is te grooter naarmate hij langer een begeerden buit moest missen.—Lang, zeer lang had hij zich ingetoomd; langer dan ooit te voren heeft hij zijn tijd zoeken af te wachten; maar nu, nu hij dan hier met haaralleenis, nu.....
“O God, mensch wat wil je!” roept Eva in hevigen angst.
“Niets anders dan een dankbaren zoen voor het document van Ronner, mijn engelachtig kind!”
“Vent! raak mij niet aan. Wat denk je! Met mijn nagels zal ik je de oogen uitkrabben hoor je.—Help, help!”
“Ha!” zegt Kartenglimp met vlammende oogen: “Is een enkele zoen te veel voor den titel vangravin!”
Eva, in den hevigsten angst, neemt eensklaps het paket ’t welk hij haar zooeven overhandigde, en met een gillend: “Dáár! o God, moest dat je loon zijn!” werpt ze het hem in ’t aangezicht; en nogmaals gillend: “August, August! Helpt menschen, helpt!”
Een vreeselijke slag doet den koepel schudden. De glazen van een der deuren storten rinkelend op den grond. Door een hevige krachtsinspanningis het Helmond gelukt de gesloten deur te doen openspringen.
“Goddank! Goddank!” roept Eva, en in koortsachtige overspanning vliegt ze haar geliefde tegemoet.
Kartenglimp door het pakket papieren ofschoon slechts licht aan het hoofd getroffen, maar vooral door Helmonds onverwachte komst geschokt, staat een oogenblik als verlamd. Eensklaps echter is zijn besluit genomen:
“Je vrouw speelt een vreemde rol dokter. Zoodra zij haar man in haar nabijheid vermoedt zal ze zich houden alsof....”
“Mijn God! August, hoe is het mogelijk!” roept Eva bijna schreiend.
“Lage ellendeling!” zegt Helmond, terwijl hij Eva vast aan zijn borst klemt, en Kartenglimp met een blik vol verachting doch schijnbaar kalm blijft aanstaren.
“’t Zal de vraag zijn wie hier van ons beiden met recht een ellendeling heet;” brult Kartenglimp met een ruwen vloek.
Eva trilt over al haar leden. Dokter Helmond kan zich beheerschen. Nu, nú vooral mag hij zich niet verlagen door het plegen van ruw geweld. Met nadruk zegt hij zacht:
“Wanneer je wist mensch, wat er omgaat in mijn ziel, het zou je zelf verwonderen dat ik je niet met dezen stoel, in één slag den boozen kop verpletter. Om mijn vrouw te sparen, die ik geen oogenblik langer aan je vuilen blik wil blootstellen, vergun ik je van hier te gaan. Wij spreken elkander nader. Ga heen!”
Kartenglimp inwendig bevend en overtuigd dat hij nooit zal herwinnen wat hij nu verloor, hij kan—inweerwil van den angst over Helmonds “wij spreken elkander nader” den lust niet bedwingen om zich aanstonds over zijn nederlaag te wreken. Met ruwe vloeken en verwenschingen barst hij los, en noemt zeer zeker hém den grootsten ellendeling, die ter wille van een ijdele vrouw zijn zieken als dokter verwaarloost, wiens praktijk in weinige weken door schandelijk verzuim zoo goed als verloopen is, en die ten overvloede schuld maakt op schuld, met het uitzicht op den spoedigen dood van een braven pleegvader.
Eva’s verontwaardiging kent geene grenzen meer. Toen dat monster—dien ze inderdaad slechts van den beginne afaan heeft geduld, omdat ze door hem tot de hoogste eer dacht te komen, toen hij straks háár eer zoo schandelijk durfde belagen, toen ontstelde zij hevig maar gevoelde zich toch krachtig, ja krachtig zelfs als vrouw, om te heerschen over.... het dier. Nu ze echter haar innig geliefden man op die wijze hoort aanvallen enzijneer belagen, nu roept ze met fonkelenden blik in schier teugellooze woede:
“Dat is gelogen! Dat is hemeltergende laster!—August, roep onze gasten hier. Dat mensch zou ons krankzinnig maken!” En dan schreiend aan Helmonds borst: “O God, zóó te durven spreken van mijn edelen braven man!”
“Stil kind, stil! Ja zeker,” aarzelt hij in hevigen tweestrijd: “dat isonwaar. Zeker Eva, hij liegt!” En dan eensklaps met half angstigen,half vernietigenden nadruk tot Kartenglimp, die reeds de deur was genaderd: “Schuldenaars zijn we allen; maar de een kan zijn schuld vereffenen, en de ander misschien in der eeuwigheid niet!”
“Halt Ronner!” roept Archibald Hardenborg, terwijl hij den majoor den uittocht belet: “Halt!”
“Ronner! Wat meen je! Verdoemd als ik weet wat je zegt. Denk je datik....?”
“Ik denk enweetdat jij de lage schelm, de geld- en eerroover bent, onwaardig om de epauletten van een Neerlandsch officier te dragen. Hoe is ’t mogelijk dat men dit nog kon toestaan!” Eensklaps met forschen greep, rukt Hardenborg hem een epaulet van den schouder; werpt hem die voor den voet, en zegt: “Ha; val nu weer op de knieën lafaard, zooals bij dat prachtig duel. Bid weer om vergeving en behoud van je ellendig leven, ter wille van een arme moederdie niet meer bestaat.—Komaan poltron, komaan op de knieën voor deze engelachtige vrouw en voor mijn edelen vriend. Vergiffenis gevraagd, of anders, zoo waarachtig als ik een Nederlandsch officier ben, eer drie dagen voorbij zijn, gaat je cadaver in ’t graf. Op de knieën poltron, op de knieën!”
“Nee Archibald, nee! wij willen dat niet.”
“O!” roept Hardenborg: “dat mispunt doet het zelfs voor de tromp van een geladen pistool alshij eerst heeft misgeschoten. Lafaard!” Op Helmond en Eva wijzend: “Die man is te goed, en die vrouw is te geschokt om je hier langer te dulden. Bovendien, zij hebben haast. Hun gasten zouden hun afwezigheid bemerken, Goddank dat ik tusschenbeiden kwam! Ik,ikken je. Al hebben je al te genadige rechters zeker hun woord gehouden, de zaak moest in Indië ruchtbaar worden; de bosschen hebben er ooren. Voorwaarts marsch! Ha, ’t is nog kluchtig er bij: de majoor-poltron wordt gecommandeerd door een luitenant op non-actief.”
Dit laatste was toch te veel voor den oud-militair. Met een brullende verwensching en vuurrood geworden, grijpt Kartenglimp het wapen ’twelk Helmond straks versmaadde, en zou den jongen officier met den stoel hebben getroffen, indien Helmond niet, door een slag op Kartenglimps arm, zijn voornemen had verijdeld.
“’t Zou zóó best mogelijk worden dat de ziekte waarvoor je vreest er dezen nacht een eind aan maakte;” zegt Helmond met klem.
Kartenglimp siddert.—Dezen nacht eenberoerte!
De overspanning na velerlei hartstocht moest het na die laatste krachtsinspanning waarschijnlijk bewerkt hebben, of de schrik bij des dokters laatste woorden het allermeest: Een blauwachtig paars verving Kartenglimps gloeiende kleur. Hij wankelde, klemde zich vast aan de tafel, en.... door de duizeling getroffen zou hij zijn neergevallen, indiendokterHelmond niet ijlings ware toegeschoten en hem voor den val had behoed.
Bij eene vrouw wordt zelfs de hevigste afschuw alras door medelijden vervangen, wanneer ze haar belager door een onheil getroffen ziet. De onverwachte ongesteldheid van den majoor en zijn akelig voorkomen, verdrongen eenigszins den indruk van hetgeen er voorafwas gegaan. Ja zelfs haar heimelijke vrees voor de waarheid moest nú wel eensklaps verdwijnen, want zie maar, de man die “ter wille van een ijdele vrouw zijn zieken door schandelijk plichtverzuim geheel verwaarloost”, zie dan, diezelfde dokter laat zijn geschokte jonge vrouw aan haar zelve over, om een lagen beschuldiger, een onmensch—als patiënt aanstonds ter hulp te komen.—O goede God, is er een edeler man op de wereld!
En Eva zal toonen dat ze zulk een echtvriend waardig is. Zij zal toonen bovendien dat ook zij zich beheerschen kan, èn terwille van haar gasten, èn ter voorkoming van onnoodige opspraak.
Ja, Eva zal aanstonds in den koepel doen bezorgen ’tgeen Helmond verlangt. Hardenborg zal bij hem blijven.Alleenzal ze naar ’t gezelschap terugkeeren, en haar man en zich zelve verontschuldigen, dat men voor een ongesteld geworden gast eenige oogenblikken het gezelschap verlaten moest.—’t Zal voldoende zijn te zeggen, ja, dat men een kleine charade heeft willen uitvoeren, en de majoor Kartenglimp onder ’t spreken ervan, door een plotselinge ongesteldheid getroffen werd.
Alvorens Eva zich—even snel als dit besluit werd genomen—zal voortspoeden, wendt ze zich haastig naar een hoekvanden koepel; raapt er iets wits van den vloer, en laat het onder ’t heengaan ongemerkt wegglijden in den zak van haar lila-zijden kleed.
ZESENDERTIGSTE HOOFDSTUK.’t Was twee dagen na Eva’s verjaardag. Er hing een zware mist.—Uit de oranjezaal die weer in haar gewonen toestand was teruggebracht—ofschoon eenige fraaie kamerplanten er toch waren in achtergebleven—kon Eva de huizen aan de overzij van het marktplein volstrekt niet zien, en zelfs ternauwernood de boomen op een twintig schreden afstands.’t Was een sombere herfstdag.—Eva tuurde naar buiten.—Nu dat feest voorbij is, gevoelt zij iets leegs, iets “gedesoeuvreerds.” Zij heeft op digestie-visites gerekend, op uitnoodigingen misschien; maar de stijve Romphuizers, enfin, ze komen graag als er wat extra’s te genieten valt, maar anders blijven ze waar ze zitten of staan.—Eigenlijk is Romphuizen onbeschrijfelijk vervelend. Hier op den druksten stand zag ze nu in een half uur geen enkel rijtuig, ja zelfs geen kar voorbijkomen.—En dan, zoo’n groot huis, zulke enorme kamers, zonder menschen! Op den duur is ’t ontzettend vervelend. Luchtig, nu ja, en duizendmaal beter dan zoo’n krot aan den wal, maar zonder menschen, nee!—En met zoo’n mist en tegen den winter....! Als August weer wat flinker zal zijn—want zoo heelheelfiksch is hij niet—dan zal ze er nog eens een balletje over opgooienom in Parijs.... neen dat zal toch niet lukken—maar om tenminste in een groote stad te gaan wonen.—Wanneer het waar is dat zijn praktijk niet toeneemt omdat hij fortuin heeft, waarom dan hier te blijven! In een andere plaats had men ook niet die moeielijkheden met het vragen der oude lui, en de onaardige jaloersche en toch hooghartige buitjes van zusje Louisje, die papa geheel en al onder haar plak zoekt te brengen.—O foei, wat een vervelende mist! Verveling is niet goed voor ons beidjes, denkt Eva voort, terwijl ze zich vluchtig in den spiegel overtuigt dat nog niets haar geheim verklapte.—We moesten den lieven “papa” maar eens tegemoet rijden.—Maar met den mist....” En waar Helmond zich nu bevindt dat weet Eva niet. Ze zal hem maar liever afwachten.—Gelukkig dat hij zijn menschlievendheid toch niet zóóver heeft uitgestrekt omzelfdien vreeselijken majoor mee naar huis te brengen.—Foei, aan die scène mag zij niet meer denken.—Hoe dankbaar moest ze niet zijn dat haar beste August als bij intuitie haar op dat oogenblik te hulp kwam. En, dat die schrikkelijke man nog bovendien zulke beschuldigingen heeft durven uitspreken tegen dien edelen trouwen August!—Maar ha! August heeft hetleugengenoemd, en zeker leugen moest er wel komen uit den mond van een, die—gruwel en laagheid—zich reeds in Indië op zulk een wijze had doen kennen. Nu ’t is hem voorgoed verleerd om zijn logens omtrent dien besten man in ’t rond te spuwen. Gisteren toen hij van den schrik was bekomen, toen heeft die wakkere luitenant het hem onder vier oogen zeer krachtig gezegd: Wanneer hij de geringste klad op dokter Helmond of zijn vrouw zou durven werpen, ja zoo het blijken mocht dat men in Romphuizen over het gebeurde in een anderen zin zou spreken dan over een—door zijn plotselinge ongesteldheid—mislukte charade-voorstelling, dat het zwarte boek van Ronner dan blad voor blad zou worden opgeslagen, en Archibald het EINDE er onder zou schrijven met bloedroode letters.—Eva moet dien hartelijken vriend wel dankbaar zijn. Immers, op den edelsten naam blijft een smet kleven, wanneer het wangunstig gemeen hem eens door het slijk heeft gesleurd. En dan, al werd het met dien vreeselijken angst tot duren prijs gekocht, uit den fellen gloed heeft ze toch haar schat gered. Ja, en ’t was haar eigendom wel. Al had hij ze haar niet geschonken, defamiliepapierender Van Armeloo’s behooren het allerminst aan een verachtelijken gelukzoeker. Voor zijn moeite kan men het loon hem voor den voet werpen; maar zijn eigendom, neen waarachtig, zijn eigendom waren die bewijzen nooit.De mist hangt droevig zwaar. ’t Scheen tegen den middag een oogenblik alsof de zon den strijd zou winnen, maar neen, de namiddag spoedt reeds voort, en nu.... de boomen op ’t marktplein zijn geheel onzichtbaar.Over Eva’s gelaat heeft zich weder een glimlach verspreid. Het uur, dat er nog verloopen moet eer August zal komen, kan ze zich aangenaam bezighouden.—Ja ja, mijn heel klein ventje, mijn aardig snoeperig klein graafje Helmond Van Armeloo, we zullen nog eens eventjes gaan kijken wat er nu ’t allereerst en ’t allerbest moet gedaan worden.Eris een heeleboel te lezen.Toen Eva eenige oogenblikken later op haar boudoir voor haar elegante schrijftafel in eenige papieren te snuffelen zat, toen werd haar een briefje gebracht, ’twelk zeer inderhaast scheen geschreven te zijn.’t Was van Helmond. Hij meldde haar, dat zij niet met het eten op hem wachten moest, aangezien hij ver buiten de stad bij een zieke was geroepen. ’t Kon wel avond worden, zeven acht uren.“Zeg in de keuken dat we om acht uur zullen dineeren;” beval Eva iets later, en van haar gelaat was de vroolijke glimlach verdwenen, terwijl ze verder die papieren doorliep.En de mist hing buiten zóó dik en zwaar dat Eva al spoedig de letters niet meer kon onderscheiden. Zij geeuwde.... ze dook achterover in haar voltaire; en.... Toen werd het eensklaps licht, helder licht voor haren geest: Een heerlijk schitterend bal masqué werd door haar in ruime zalen gegeven. Als een sylphide met donzen vleugels, zweefde zij over een kristallijnen vloer, aan den arm van een Elfenkoning, stralend van glans. En de breede kolommen der groote zaal weken aan weerszijden terug, en het dak scheurde van een. En daarboven, zie, daar troonde in een verblindend licht een grijsaard; en eensklaps—alsof het een stormwind ware—blies hij met zijn geweldigen adem het licht uit in die groote feestzaal, en zijn hand nam den Elfenkoning weg van hare zijde, en....“O God! August, August!” gilde Eva ontwakend.Trillend en bevend van den akeligen droom ziet zij naar buiten. De mist hing als een strak getrokken zwartgrauw kleed voor het venster, ’t Was donker, akelig angstwekkend donker in het boudoir. IJlings vloog ze op, en schelde om licht.August Helmond stond een paar uur vroeger in de groote woonkamer van het landhuisDe Zonsberg. Van het prachtig vergezicht uit de hoogte over het statig geboomte, met den kronkelenden stroom, was niets te zien. Ook hier had zich de mist tot aan de vensters vastgepakt.Met de hand op de tafel gedrukt, den starenden blik voor zich uit, zóó, onbeweeglijk stond Helmond daar reeds een twintig, ja dertig seconden misschien.“Och mijn lieve August, staar toch zoo somber niet; hij heeft het zoo erg niet bedoeld; hij is zoo goed, zoo braaf, zoo edel....”Helmond weet niet dat er gesproken wordt; hij weet niet dat Jacoba hem bij de hand heeft gevat, en dat ze van den ouden man spreekt die hem zooeven.... O, dat was een ontzettend oogenblik! Zoo iets, neen, groote God, zoo iets heeft hij niet kunnen verwachten. Een vervloeking enzulkeen vervloeking!“Beste lieve Helmond, och zie mij dan aan.—Geloof je je zusje dan niet? Zoo erg heeft hij het niet bedoeld. De arme papa is ziek.Die telkens terugkeerende benauwdheden maken dat hij soms niet weet wat hij zegt; hij meende alleen....”Als uit een droom ontwakend, ziet Helmond Jacoba aan; en aanstonds beseffend dat hij het zwakke meisje zijn aandoeningen moet sparen, zegt hij zoo kalm als hem mogelijk is:“Ja lieve kind, dat zal wel zijn: ik geloof óók dat je papa....”“Och papa is waarlijk zoo goed, en hij houdt zoo innerlijk veel van je, mijn beste trouwe broeder. Maar hij is ziek niewaar? Hij drukte in den laatsten tijd zoo gedurig de hand op het hart. Ik vleide mij nog dat het een aanwensel was geworden omdat hij zeer bedroefd was August, zeer bedroefd....”“De generaal is nu ziek Jacoba.”“Noem hem niet bij dien titel August. Och ik bid je, maak mijn lieven vader weer gezond, en hij zal je zegenen inplaats....”“Inplaats van mij te....vervloeken;” zegt Helmond zacht.“Hij wist niet wat hij zeide. Niewaar, als men dan ziek is; wanneer men met eenhartkwaalte worstelen heeft!?”“Ja zeker Jacoba, dan.... dan is het zeer natuurlijk.—Maar nu,” herneemt Helmond met inspanning, na een korte aarzeling: “nu kan ik hier toch niet van dienst zijn. Wat ik doen kon dat heb ik gedaan: hier komen met de beste bedoeling, op je dringend verzoek.”“En als je heengaat zal dan de arme papa zonder hulp moeten blijven? Zou jij.... jij August, hem aan zijn lot willen overlaten?—Nee nee, datkun je niet, ik weet het zeker!”“Er is geen dadelijk gevaar Coba.”“Maar dat sluit in zich, dat er wel degelijk eennaderendgevaar is. Om Godswil August, luister naar de inspraak van je liefhebbend hart. Al ware het dat mijn arme vader zich al te zeer aan je vergrepen had, jij zult toch aan de wet der reinste liefde gehoorzamen: “Doe wél dengenen die u haten.” Maar nee August, mijn lieve zieke vader haat je niet. Schrijf de middelen voor die hem redden kunnen. O ik bid jelieveAugust!”Helmond ziet haar bewogen aan. Groote tranen wellen er op in zijn oogen. Hij onderdrukt ze met kracht.“En gaf ik een geneesmiddel Coba, wat zou het baten? Je vader zal geen medicijnen gebruiken, en het allerminst wanneerikze heb voorgeschreven.”“Maar ik bezweer je August, zóó mag het toch niet blijven; wat zouden tante en ik beginnen zonder eenige hulp!”“Ik zal dokter Alsma uit Briesborg laten komen Coba; ’t zal niet geheel onnatuurlijk klinken dat de generaal liever een vreemde tot dokter heeft.”“Maar die kan eerst morgen hier zijn of van avond laat. O lieve August, zeg jij ons wat we doen moeten; zend de medicijnen die noodig kunnen zijn. O zie mij aan, ik zit in duizend angsten voor het leven van mijn trouwen vader.”“Ik herhaal het Coba, medicijnen zal hij toch niet innemen. Je kent zijn onwrikbaren aard.”“Ik heb het gevonden!” roept Coba met vuur: “Jawel hijzal, hijmoetze innemen. Poeders, droppels wat maar goed is, ik doe ze hem bij en in het weinige dat hij gebruiken zal, ongemerkt! O beste trouwe August, vergeet niet dat hij je altijd zoo liefhad, en ja—zoo waar als ik leef, dat hij je weer zal liefhebben wanneer je hem—ondanks zijn hard klinkend woord, door de macht van je kunst voor ’t leven en voor zijn kind hebt behouden.”Toen Helmond in de vestibule trad waar hem de marmeren vloersteenen als gloeiende kolen onder den voet brandden, toen hing Jacoba hem nog aan den arm, en liet hem door vleiend smeeken de woorden herhalen, die hij reeds toestemmend gesproken had.—Ach, August zou haar toch wel gelooven dat zij geheel dezelfde was gebleven, maar niets voor den armen Philip heeft kunnen doen, omdat zij er niets van vernomen heeft. Noch van August zelf, noch van Emma Woudberg had zij een brief met eenig verzoek ontvangen. En dan, August zou toch gelooven ook dat zij van nu afaan—indien hij den geliefden vader met Gods hulp maar redden wilde, geen middel onbeproefd zou laten om dien akeligen vloek in een zegenbede te doen verkeeren?Alvorens de woning voor altijd te verlaten—ja August weet het zeker,voor altijd—blijft hij nog even staan; ziet Coba schijnbaar kalm in de oogen; vat dan haar bleek gezichtje tusschen zijn beide handen, zoent haar op het voorhoofd, twee- driemaal achtereen, en daarna....De voordeur valt met doffen dreun achter hem dicht.Of Coba ook tuurt door het zeer smalle venster naast de deur, zij ziet hem niet meer; zelfs de uiterste einden der stoepleuning zijn in den mist onzichtbaar. Nu tuurt ze niet langer. Een heete tranenstroom heeft haar het uitzicht geheel benomen.’t Had weinig gescheeld of dokter Helmond ware door den boom van een rijtuig getroffen. In droeve gedachten verloren, haastig de stoep aftredend, heeft hij in den valen mist ternauwernood het rijtuig bemerkt ’twelk juist kwam voorrijden.“Is de generaal thuis?” klonk een stem uit het rijtuig.“Ja, maar niet te spreken.”“Ei Helmond, ben jij het! Ik dacht dat het Hendrik was.—Niet te spreken zeg je? ’t Was de afspraak dat ik vandaag zou komen.” Zachter: “De verkoop vanDe Zonsberggaat door; hij kwam het mij zeggen op den avond toen ik van je feest werd geroepen; en ’k ben hard bang voor andere plannen ook. Ik had je juist een briefje geschreven. Is ie ziek.... erg ziek?”Helmond staat nu als wezenloos bij ’t geopend portier, tegenover den nog zittenden notaris. Uit de weinige woorden van Zoutenheer heeft hij meer verstaan dan hij nu schier dragen kan. Neen, ’t was hem niet vreemd wat hij daar hooren moest; ’t was hem de bevestiging van ’tgeen hij in de laatste uren maar al te zeer heeft gevreesd: De notaris is door den ouden zieken man ontboden om een verandering te maken in zijn uitersten wil.“Je antwoordt niet dokter: is het zóó erg met den ouden heer?”“Nee.—Ja ja, o ja, ’t is op dit oogenblik zeerzeererg met.... Je zult hem nu moeielijk kunnen spreken. Wacht, ik zal eens even.”Helmond is haastig de stoep opgegaan. Nu trekt hij behoedzaam aan de schel.En, ofschoon hij ’t zooeven niet gedacht had—nogmaals trad hij de woning binnen en stond hij in de huiskamer tegenover de zwakke Coba. Maar nu—’t was goed dat het zoo’n sombere mistige dag was—er parelden nu geen tranen in Helmonds trouwe oogen, neen, op zijn voorhoofd stonden angstparels, want, niewaar: Jacoba zou immers den notaris wel verzoeken om zijn visite tot later te verschuiven. Haar vader was, na die treurige scène, natuurlijk zenuwachtig. Indien hij nu “verkoopzaken” met Zoutenheer bespreken moest, ’t zou hem zeker veel kwaad doen.’t Sprak vanzelf dat Jacoba den notaris, die in de groote zaal wachtte, ijlings ging verzoeken om zijn visite later te willen hervatten. Den wenk van Helmond had zij verstaan; zij kleurde den toestand van haar vader voor ’t moment nog wat minder gunstig dan zij dien zelve inzag.Zoutenheer achtte het zijn plicht om juffrouw Van Barneveld beleefdelijk te verzoeken, aan mijnheer haar vader te gaan vragen of hij hem nú of later wenschte te spreken.“Als dokter kan ik een conferentie moeielijk toestaan;” zegt Helmond met eenigszins trillende stem.“Er kunnen redenen zijn Helmond, die een patiënt meer naar den notaris dan naar zijn dokter doen verlangen.—Ik zeg erkunnenredenen zijn.”Helmond wischt zich ongemerkt het koude zweet van de slapen:“De notaris heeft gelijk Coba, er konden redenen zijn.”“Welke redenen, mijn hemel! Zieke menschen gaan zich toch het dak niet boven hun ledikant verkoopen!”“Zieke menschen willen soms testament maken, juffrouw Van Barneveld.”Jacoba ontstelde; maar men zag het niet. Zij zal ’t haar vader gaan vragen.Op de ziekenkamer ligt de grijsaard in zijn ijzeren ledikant op het varen leger met twee varen kussens onder het sneeuwwitte hoofd. Zijn ademhaling is benauwd.“Ben jij daar Coba?”“Ja lieve pa.”“Ik hoorde een rijtuig. Is de notaris er?”“De notaris....? Nee, dat geloof ik niet.”“Als hij komt laat hem dadelijk boven.”Jacoba voelt haar knieën knikken. Antwoorden kan zij niet.—Zijn ademhaling is nog benauwder dan zooeven.Weer heeft ze de kamer verlaten.“Notaris, papa is op dit oogenblik zeer benauwd; hij verzoekt u vriendelijk later eens terug te komen. Als u ’t goedvindt zal ik u nader een boodschap zenden.”“Ik hoor daar weer een rijtuig Coba: zou het nu Zoutenheer zijn?”“Hé een rijtuig?” Jacoba gaat naar het venster, en dewijl de mist haar alle uitzicht beneemt, kan ze inderdaad het rijtuig niet zien, waarmee de notaris weer huiswaarts keert, en mag ze naar waarheid zeggen: “Ik zie volstrekt niets lieve papa. Misschien is de bierkar straks naar het achterhuis gereden en nu weer teruggekomen. Maar ik hoor niets.... hoor maar, niemendal.”Een klein kwartier later bracht Jacoba zelve de boodschap boven dat de notaris Zoutenheer door plotselinge ongesteldheid was verhinderd geworden om opDe Zonsbergte komen. En terwijl ze het zeide, trilde de bee haar in ’t hart: O God, vergeef mij! Moet ik dan altijd listig wezen gelijk de slang, terwijl ik oprecht zou willen zijn gelijk de duive!—Maar zie, de ademhaling van den dierbare wordt, na dat bericht toch kalmer. Ha! hij sluit de oogen. ’t Is alsof er meer vrede kwam in zijn gemoed.“Waar ben-je mijn klein lief meisje?” zegt eensklaps de grijsaard en strekt de hand naar haar uit.“Hier beste papa.” Met teedere kussen bedekt zij zijn edel voorhoofd. —Maar stil, nu moet hij slapen.—Zie, hij sluit weer de oogen.—Is dat droomen? Wat wil dat zeggen? Hoor, hij herhaalt het nog eens met hijgende stem:“Ja ja, ik geloof wel dat ik er Simson zal vinden.—Ha, daar is hij.... met een kanon op den schouder; en zijn voet op die vrouw.—Ha! Goddank!”“Vader, palief! zulke droomen!”“Ah zoo, wasjijdaar lief meisje; ik dacht.... ik droomde.... Als Hendrik naar stad gaat dan moet hij de boodschap bij Zoutenheer brengen.... dat ik.... wachten zal.... totdat....”“Totdat u weer beter bent; jawel dat is goed beste pa;” zegt Coba, en in de tranen die ze schreit mengden zich ook tranen van dank en van vreugd,De grijze generaal drukt Coba’s hand, en trekt haar nader tot zich.“Niet schreien.... lief klein bleekneusje. Je moeder schreide ook nooit.... Stil, daar komt Blücher.... Ha ha ha! nu zal hij neerploffen van zijn troon; vervloekte eerzucht! Links voorwaarts in batalje! In galop marsch! Attaqueert.... snelvuur!.... Vuur!”Met een hevige benauwdheid ontwaakte Van Barneveld weder en hijgend zegt hij: “Ik geloof dat ik weer droomde.—Nee niet weggaan, mijn goed lief kind. Niet bang zijn, nee!”“Tante! tante!!” roept Jacoba: “O tante help, help!”
’t Was twee dagen na Eva’s verjaardag. Er hing een zware mist.—Uit de oranjezaal die weer in haar gewonen toestand was teruggebracht—ofschoon eenige fraaie kamerplanten er toch waren in achtergebleven—kon Eva de huizen aan de overzij van het marktplein volstrekt niet zien, en zelfs ternauwernood de boomen op een twintig schreden afstands.
’t Was een sombere herfstdag.—Eva tuurde naar buiten.—Nu dat feest voorbij is, gevoelt zij iets leegs, iets “gedesoeuvreerds.” Zij heeft op digestie-visites gerekend, op uitnoodigingen misschien; maar de stijve Romphuizers, enfin, ze komen graag als er wat extra’s te genieten valt, maar anders blijven ze waar ze zitten of staan.—Eigenlijk is Romphuizen onbeschrijfelijk vervelend. Hier op den druksten stand zag ze nu in een half uur geen enkel rijtuig, ja zelfs geen kar voorbijkomen.—En dan, zoo’n groot huis, zulke enorme kamers, zonder menschen! Op den duur is ’t ontzettend vervelend. Luchtig, nu ja, en duizendmaal beter dan zoo’n krot aan den wal, maar zonder menschen, nee!—En met zoo’n mist en tegen den winter....! Als August weer wat flinker zal zijn—want zoo heelheelfiksch is hij niet—dan zal ze er nog eens een balletje over opgooienom in Parijs.... neen dat zal toch niet lukken—maar om tenminste in een groote stad te gaan wonen.
—Wanneer het waar is dat zijn praktijk niet toeneemt omdat hij fortuin heeft, waarom dan hier te blijven! In een andere plaats had men ook niet die moeielijkheden met het vragen der oude lui, en de onaardige jaloersche en toch hooghartige buitjes van zusje Louisje, die papa geheel en al onder haar plak zoekt te brengen.
—O foei, wat een vervelende mist! Verveling is niet goed voor ons beidjes, denkt Eva voort, terwijl ze zich vluchtig in den spiegel overtuigt dat nog niets haar geheim verklapte.
—We moesten den lieven “papa” maar eens tegemoet rijden.—Maar met den mist....” En waar Helmond zich nu bevindt dat weet Eva niet. Ze zal hem maar liever afwachten.—Gelukkig dat hij zijn menschlievendheid toch niet zóóver heeft uitgestrekt omzelfdien vreeselijken majoor mee naar huis te brengen.—Foei, aan die scène mag zij niet meer denken.—Hoe dankbaar moest ze niet zijn dat haar beste August als bij intuitie haar op dat oogenblik te hulp kwam. En, dat die schrikkelijke man nog bovendien zulke beschuldigingen heeft durven uitspreken tegen dien edelen trouwen August!—Maar ha! August heeft hetleugengenoemd, en zeker leugen moest er wel komen uit den mond van een, die—gruwel en laagheid—zich reeds in Indië op zulk een wijze had doen kennen. Nu ’t is hem voorgoed verleerd om zijn logens omtrent dien besten man in ’t rond te spuwen. Gisteren toen hij van den schrik was bekomen, toen heeft die wakkere luitenant het hem onder vier oogen zeer krachtig gezegd: Wanneer hij de geringste klad op dokter Helmond of zijn vrouw zou durven werpen, ja zoo het blijken mocht dat men in Romphuizen over het gebeurde in een anderen zin zou spreken dan over een—door zijn plotselinge ongesteldheid—mislukte charade-voorstelling, dat het zwarte boek van Ronner dan blad voor blad zou worden opgeslagen, en Archibald het EINDE er onder zou schrijven met bloedroode letters.
—Eva moet dien hartelijken vriend wel dankbaar zijn. Immers, op den edelsten naam blijft een smet kleven, wanneer het wangunstig gemeen hem eens door het slijk heeft gesleurd. En dan, al werd het met dien vreeselijken angst tot duren prijs gekocht, uit den fellen gloed heeft ze toch haar schat gered. Ja, en ’t was haar eigendom wel. Al had hij ze haar niet geschonken, defamiliepapierender Van Armeloo’s behooren het allerminst aan een verachtelijken gelukzoeker. Voor zijn moeite kan men het loon hem voor den voet werpen; maar zijn eigendom, neen waarachtig, zijn eigendom waren die bewijzen nooit.
De mist hangt droevig zwaar. ’t Scheen tegen den middag een oogenblik alsof de zon den strijd zou winnen, maar neen, de namiddag spoedt reeds voort, en nu.... de boomen op ’t marktplein zijn geheel onzichtbaar.
Over Eva’s gelaat heeft zich weder een glimlach verspreid. Het uur, dat er nog verloopen moet eer August zal komen, kan ze zich aangenaam bezighouden.
—Ja ja, mijn heel klein ventje, mijn aardig snoeperig klein graafje Helmond Van Armeloo, we zullen nog eens eventjes gaan kijken wat er nu ’t allereerst en ’t allerbest moet gedaan worden.Eris een heeleboel te lezen.
Toen Eva eenige oogenblikken later op haar boudoir voor haar elegante schrijftafel in eenige papieren te snuffelen zat, toen werd haar een briefje gebracht, ’twelk zeer inderhaast scheen geschreven te zijn.
’t Was van Helmond. Hij meldde haar, dat zij niet met het eten op hem wachten moest, aangezien hij ver buiten de stad bij een zieke was geroepen. ’t Kon wel avond worden, zeven acht uren.
“Zeg in de keuken dat we om acht uur zullen dineeren;” beval Eva iets later, en van haar gelaat was de vroolijke glimlach verdwenen, terwijl ze verder die papieren doorliep.
En de mist hing buiten zóó dik en zwaar dat Eva al spoedig de letters niet meer kon onderscheiden. Zij geeuwde.... ze dook achterover in haar voltaire; en.... Toen werd het eensklaps licht, helder licht voor haren geest: Een heerlijk schitterend bal masqué werd door haar in ruime zalen gegeven. Als een sylphide met donzen vleugels, zweefde zij over een kristallijnen vloer, aan den arm van een Elfenkoning, stralend van glans. En de breede kolommen der groote zaal weken aan weerszijden terug, en het dak scheurde van een. En daarboven, zie, daar troonde in een verblindend licht een grijsaard; en eensklaps—alsof het een stormwind ware—blies hij met zijn geweldigen adem het licht uit in die groote feestzaal, en zijn hand nam den Elfenkoning weg van hare zijde, en....
“O God! August, August!” gilde Eva ontwakend.
Trillend en bevend van den akeligen droom ziet zij naar buiten. De mist hing als een strak getrokken zwartgrauw kleed voor het venster, ’t Was donker, akelig angstwekkend donker in het boudoir. IJlings vloog ze op, en schelde om licht.
August Helmond stond een paar uur vroeger in de groote woonkamer van het landhuisDe Zonsberg. Van het prachtig vergezicht uit de hoogte over het statig geboomte, met den kronkelenden stroom, was niets te zien. Ook hier had zich de mist tot aan de vensters vastgepakt.
Met de hand op de tafel gedrukt, den starenden blik voor zich uit, zóó, onbeweeglijk stond Helmond daar reeds een twintig, ja dertig seconden misschien.
“Och mijn lieve August, staar toch zoo somber niet; hij heeft het zoo erg niet bedoeld; hij is zoo goed, zoo braaf, zoo edel....”
Helmond weet niet dat er gesproken wordt; hij weet niet dat Jacoba hem bij de hand heeft gevat, en dat ze van den ouden man spreekt die hem zooeven.... O, dat was een ontzettend oogenblik! Zoo iets, neen, groote God, zoo iets heeft hij niet kunnen verwachten. Een vervloeking enzulkeen vervloeking!
“Beste lieve Helmond, och zie mij dan aan.—Geloof je je zusje dan niet? Zoo erg heeft hij het niet bedoeld. De arme papa is ziek.Die telkens terugkeerende benauwdheden maken dat hij soms niet weet wat hij zegt; hij meende alleen....”
Als uit een droom ontwakend, ziet Helmond Jacoba aan; en aanstonds beseffend dat hij het zwakke meisje zijn aandoeningen moet sparen, zegt hij zoo kalm als hem mogelijk is:
“Ja lieve kind, dat zal wel zijn: ik geloof óók dat je papa....”
“Och papa is waarlijk zoo goed, en hij houdt zoo innerlijk veel van je, mijn beste trouwe broeder. Maar hij is ziek niewaar? Hij drukte in den laatsten tijd zoo gedurig de hand op het hart. Ik vleide mij nog dat het een aanwensel was geworden omdat hij zeer bedroefd was August, zeer bedroefd....”
“De generaal is nu ziek Jacoba.”
“Noem hem niet bij dien titel August. Och ik bid je, maak mijn lieven vader weer gezond, en hij zal je zegenen inplaats....”
“Inplaats van mij te....vervloeken;” zegt Helmond zacht.
“Hij wist niet wat hij zeide. Niewaar, als men dan ziek is; wanneer men met eenhartkwaalte worstelen heeft!?”
“Ja zeker Jacoba, dan.... dan is het zeer natuurlijk.—Maar nu,” herneemt Helmond met inspanning, na een korte aarzeling: “nu kan ik hier toch niet van dienst zijn. Wat ik doen kon dat heb ik gedaan: hier komen met de beste bedoeling, op je dringend verzoek.”
“En als je heengaat zal dan de arme papa zonder hulp moeten blijven? Zou jij.... jij August, hem aan zijn lot willen overlaten?—Nee nee, datkun je niet, ik weet het zeker!”
“Er is geen dadelijk gevaar Coba.”
“Maar dat sluit in zich, dat er wel degelijk eennaderendgevaar is. Om Godswil August, luister naar de inspraak van je liefhebbend hart. Al ware het dat mijn arme vader zich al te zeer aan je vergrepen had, jij zult toch aan de wet der reinste liefde gehoorzamen: “Doe wél dengenen die u haten.” Maar nee August, mijn lieve zieke vader haat je niet. Schrijf de middelen voor die hem redden kunnen. O ik bid jelieveAugust!”
Helmond ziet haar bewogen aan. Groote tranen wellen er op in zijn oogen. Hij onderdrukt ze met kracht.
“En gaf ik een geneesmiddel Coba, wat zou het baten? Je vader zal geen medicijnen gebruiken, en het allerminst wanneerikze heb voorgeschreven.”
“Maar ik bezweer je August, zóó mag het toch niet blijven; wat zouden tante en ik beginnen zonder eenige hulp!”
“Ik zal dokter Alsma uit Briesborg laten komen Coba; ’t zal niet geheel onnatuurlijk klinken dat de generaal liever een vreemde tot dokter heeft.”
“Maar die kan eerst morgen hier zijn of van avond laat. O lieve August, zeg jij ons wat we doen moeten; zend de medicijnen die noodig kunnen zijn. O zie mij aan, ik zit in duizend angsten voor het leven van mijn trouwen vader.”
“Ik herhaal het Coba, medicijnen zal hij toch niet innemen. Je kent zijn onwrikbaren aard.”
“Ik heb het gevonden!” roept Coba met vuur: “Jawel hijzal, hijmoetze innemen. Poeders, droppels wat maar goed is, ik doe ze hem bij en in het weinige dat hij gebruiken zal, ongemerkt! O beste trouwe August, vergeet niet dat hij je altijd zoo liefhad, en ja—zoo waar als ik leef, dat hij je weer zal liefhebben wanneer je hem—ondanks zijn hard klinkend woord, door de macht van je kunst voor ’t leven en voor zijn kind hebt behouden.”
Toen Helmond in de vestibule trad waar hem de marmeren vloersteenen als gloeiende kolen onder den voet brandden, toen hing Jacoba hem nog aan den arm, en liet hem door vleiend smeeken de woorden herhalen, die hij reeds toestemmend gesproken had.—Ach, August zou haar toch wel gelooven dat zij geheel dezelfde was gebleven, maar niets voor den armen Philip heeft kunnen doen, omdat zij er niets van vernomen heeft. Noch van August zelf, noch van Emma Woudberg had zij een brief met eenig verzoek ontvangen. En dan, August zou toch gelooven ook dat zij van nu afaan—indien hij den geliefden vader met Gods hulp maar redden wilde, geen middel onbeproefd zou laten om dien akeligen vloek in een zegenbede te doen verkeeren?
Alvorens de woning voor altijd te verlaten—ja August weet het zeker,voor altijd—blijft hij nog even staan; ziet Coba schijnbaar kalm in de oogen; vat dan haar bleek gezichtje tusschen zijn beide handen, zoent haar op het voorhoofd, twee- driemaal achtereen, en daarna....
De voordeur valt met doffen dreun achter hem dicht.
Of Coba ook tuurt door het zeer smalle venster naast de deur, zij ziet hem niet meer; zelfs de uiterste einden der stoepleuning zijn in den mist onzichtbaar. Nu tuurt ze niet langer. Een heete tranenstroom heeft haar het uitzicht geheel benomen.
’t Had weinig gescheeld of dokter Helmond ware door den boom van een rijtuig getroffen. In droeve gedachten verloren, haastig de stoep aftredend, heeft hij in den valen mist ternauwernood het rijtuig bemerkt ’twelk juist kwam voorrijden.
“Is de generaal thuis?” klonk een stem uit het rijtuig.
“Ja, maar niet te spreken.”
“Ei Helmond, ben jij het! Ik dacht dat het Hendrik was.—Niet te spreken zeg je? ’t Was de afspraak dat ik vandaag zou komen.” Zachter: “De verkoop vanDe Zonsberggaat door; hij kwam het mij zeggen op den avond toen ik van je feest werd geroepen; en ’k ben hard bang voor andere plannen ook. Ik had je juist een briefje geschreven. Is ie ziek.... erg ziek?”
Helmond staat nu als wezenloos bij ’t geopend portier, tegenover den nog zittenden notaris. Uit de weinige woorden van Zoutenheer heeft hij meer verstaan dan hij nu schier dragen kan. Neen, ’t was hem niet vreemd wat hij daar hooren moest; ’t was hem de bevestiging van ’tgeen hij in de laatste uren maar al te zeer heeft gevreesd: De notaris is door den ouden zieken man ontboden om een verandering te maken in zijn uitersten wil.
“Je antwoordt niet dokter: is het zóó erg met den ouden heer?”
“Nee.—Ja ja, o ja, ’t is op dit oogenblik zeerzeererg met.... Je zult hem nu moeielijk kunnen spreken. Wacht, ik zal eens even.”
Helmond is haastig de stoep opgegaan. Nu trekt hij behoedzaam aan de schel.
En, ofschoon hij ’t zooeven niet gedacht had—nogmaals trad hij de woning binnen en stond hij in de huiskamer tegenover de zwakke Coba. Maar nu—’t was goed dat het zoo’n sombere mistige dag was—er parelden nu geen tranen in Helmonds trouwe oogen, neen, op zijn voorhoofd stonden angstparels, want, niewaar: Jacoba zou immers den notaris wel verzoeken om zijn visite tot later te verschuiven. Haar vader was, na die treurige scène, natuurlijk zenuwachtig. Indien hij nu “verkoopzaken” met Zoutenheer bespreken moest, ’t zou hem zeker veel kwaad doen.
’t Sprak vanzelf dat Jacoba den notaris, die in de groote zaal wachtte, ijlings ging verzoeken om zijn visite later te willen hervatten. Den wenk van Helmond had zij verstaan; zij kleurde den toestand van haar vader voor ’t moment nog wat minder gunstig dan zij dien zelve inzag.
Zoutenheer achtte het zijn plicht om juffrouw Van Barneveld beleefdelijk te verzoeken, aan mijnheer haar vader te gaan vragen of hij hem nú of later wenschte te spreken.
“Als dokter kan ik een conferentie moeielijk toestaan;” zegt Helmond met eenigszins trillende stem.
“Er kunnen redenen zijn Helmond, die een patiënt meer naar den notaris dan naar zijn dokter doen verlangen.—Ik zeg erkunnenredenen zijn.”
Helmond wischt zich ongemerkt het koude zweet van de slapen:
“De notaris heeft gelijk Coba, er konden redenen zijn.”
“Welke redenen, mijn hemel! Zieke menschen gaan zich toch het dak niet boven hun ledikant verkoopen!”
“Zieke menschen willen soms testament maken, juffrouw Van Barneveld.”
Jacoba ontstelde; maar men zag het niet. Zij zal ’t haar vader gaan vragen.
Op de ziekenkamer ligt de grijsaard in zijn ijzeren ledikant op het varen leger met twee varen kussens onder het sneeuwwitte hoofd. Zijn ademhaling is benauwd.
“Ben jij daar Coba?”
“Ja lieve pa.”
“Ik hoorde een rijtuig. Is de notaris er?”
“De notaris....? Nee, dat geloof ik niet.”
“Als hij komt laat hem dadelijk boven.”
Jacoba voelt haar knieën knikken. Antwoorden kan zij niet.—Zijn ademhaling is nog benauwder dan zooeven.
Weer heeft ze de kamer verlaten.
“Notaris, papa is op dit oogenblik zeer benauwd; hij verzoekt u vriendelijk later eens terug te komen. Als u ’t goedvindt zal ik u nader een boodschap zenden.”
“Ik hoor daar weer een rijtuig Coba: zou het nu Zoutenheer zijn?”
“Hé een rijtuig?” Jacoba gaat naar het venster, en dewijl de mist haar alle uitzicht beneemt, kan ze inderdaad het rijtuig niet zien, waarmee de notaris weer huiswaarts keert, en mag ze naar waarheid zeggen: “Ik zie volstrekt niets lieve papa. Misschien is de bierkar straks naar het achterhuis gereden en nu weer teruggekomen. Maar ik hoor niets.... hoor maar, niemendal.”
Een klein kwartier later bracht Jacoba zelve de boodschap boven dat de notaris Zoutenheer door plotselinge ongesteldheid was verhinderd geworden om opDe Zonsbergte komen. En terwijl ze het zeide, trilde de bee haar in ’t hart: O God, vergeef mij! Moet ik dan altijd listig wezen gelijk de slang, terwijl ik oprecht zou willen zijn gelijk de duive!
—Maar zie, de ademhaling van den dierbare wordt, na dat bericht toch kalmer. Ha! hij sluit de oogen. ’t Is alsof er meer vrede kwam in zijn gemoed.
“Waar ben-je mijn klein lief meisje?” zegt eensklaps de grijsaard en strekt de hand naar haar uit.
“Hier beste papa.” Met teedere kussen bedekt zij zijn edel voorhoofd. —Maar stil, nu moet hij slapen.—Zie, hij sluit weer de oogen.
—Is dat droomen? Wat wil dat zeggen? Hoor, hij herhaalt het nog eens met hijgende stem:
“Ja ja, ik geloof wel dat ik er Simson zal vinden.—Ha, daar is hij.... met een kanon op den schouder; en zijn voet op die vrouw.—Ha! Goddank!”
“Vader, palief! zulke droomen!”
“Ah zoo, wasjijdaar lief meisje; ik dacht.... ik droomde.... Als Hendrik naar stad gaat dan moet hij de boodschap bij Zoutenheer brengen.... dat ik.... wachten zal.... totdat....”
“Totdat u weer beter bent; jawel dat is goed beste pa;” zegt Coba, en in de tranen die ze schreit mengden zich ook tranen van dank en van vreugd,
De grijze generaal drukt Coba’s hand, en trekt haar nader tot zich.
“Niet schreien.... lief klein bleekneusje. Je moeder schreide ook nooit.... Stil, daar komt Blücher.... Ha ha ha! nu zal hij neerploffen van zijn troon; vervloekte eerzucht! Links voorwaarts in batalje! In galop marsch! Attaqueert.... snelvuur!.... Vuur!”
Met een hevige benauwdheid ontwaakte Van Barneveld weder en hijgend zegt hij: “Ik geloof dat ik weer droomde.—Nee niet weggaan, mijn goed lief kind. Niet bang zijn, nee!”
“Tante! tante!!” roept Jacoba: “O tante help, help!”
ZEVEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.De notaris Zoutenheer heeft dokter Helmond niet kunnen bewegen om mee naar de stad terug te rijden. ’t Was misschien ook maarbeter.—Hij heeft medelijden met den jongen man; waarachtig medelijden. Fiksche kerel; knap in alle opzichten, maar.... Te goed, jawel al te meegaande. Geen verstand van japonnen. Zoutenheer is zich bewust dat hij niets, volstrekt niets gedaan heeft om.... Neen, ’t sprak vanzelf dat een notaris die er “een nest op nahoudt”, huizen ziet te verkoopen als er “een stuiver of twaalf mee te verdienen valt”, maar anders—wat hij deed, hij kon het voor zijn geweten en z’n beurs verantwoorden.—Kartenglimp, nu ja, dat is een andere affaire. Enfin, enfin, ’t spijt hem: maar als notaris moet men zijn plicht doen, en, al verkoos mijnheer vanDe Zonsberg, den armen duivel zelfs heelemaal uit zijn testament te schrappen, de notaris was tot schrappen verplicht; plicht boven alles!Helmond heeft niet mee willen rijden, ’t Was hem niet mogelijk geweest om in de nauwe vigilante te stappen, en zich te zetten naast dien man met zijn grooten diamanten ring aan den vinger. Lucht moet hij hebben—al zij het een mistige lucht; en ruimte, ruimte! al wordt de blik door dien mist ook beperkt.Wat bezielt hem dan, dat hij plotseling voor dien algemeen geachten notaris zulk een tegenzin gevoelt, iets, alsof hij eensklaps van vriend een hevige vijand geworden is? Wat drukt en benauwt hem zoo geweldig dat het hem gedurig is alsof hij.... de wereld zal moeten stukslaan om er uit, en in vrijheid te komen?—Kalm Helmond, kalm! Weet een oud man wat hij zegt als hij ziek is naar lichaam en geest! En wat beteekent zulk een vervloeking? Welk edel mensch vervloekt een ander? Zulk een mensch moet al zeer hoog staan in eigen schatting. Die er beteekenis aan hecht is krankzinnig....—Krankzinnig....—Als die notaris geloofde, neen, indien hijwistdat dieoude manhet was, dan mocht hij daar niet terugkomen.... dan.... Maar dat is gelogen, die grijsaard is bekrompen, doch niet krankzinnig. Neen, wat hij teekent als zijn uitersten wil, dat is een geschreven wet.—Wat roert daar en doet hem ontstellen? ’t Is een boschduif die uit den eschdoorn wegvliegt.—Hier was het, ja hier, op dien voorjaarsmorgen.—Hier hield hij hem staande, de grijze pleegvader, en heeft hem de hand op den schouder gedrukt en gezegd: “Wil je weten August of Eva een goede vrouw zal wezen, beproef haar, en zie of zij de vrouw is die de moeder van koning Lemuël voor haar zoon begeert.”—Ha, dat was toch krankzinnig, twee en twintig verzen:Oostersche kruiden.Hoor:“Een deugdelijke huisvrouw.... zoekt wol en vlas en werkt met lust harer handen. Zij staat op als het nog nacht is en geeft haar huis spijze. Van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het, en levert den koopman gordelen. Zij beschouwt de gangen van haar huis en het brood der luiheid eet zij niet. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar de vrouw die den Heer vreest die zal geprezen worden; en laat hare werken haar prijzen in de poorten.”—Hoe komen die woorden hem eensklaps zoo helder voor den geest? Hij weet het niet meer. Waar denkt hij dan aan? Aan wie?—Ha, Eva!—O zie, nu zit ze voor haar Erard; ze zingt; ze weet van niets, ze weet niet....“Goeden middag dokter. ’k Wist eerst niet zeker of het dokter wel was. Alles frisch en gezond?”“Ah Darman, ben jij het?—Hoe gaat het?”“Goddank best dokter. We hebben opDen Drumptvan dit jaar een gewas van geweld.—Zegen in alles. De kinders groeien als look, en als m’n wijf me ’s-avonds met d’r rooje lippen een zoen geeft, dan zeg ik, dat is een doorslag op den zegen. Vijftig schapen hebben gelammerd. De scharige ossen heb ik aan Franck verkocht en aan ’t veer geleverd; ze moeten naar Engeland. De Engelschen hebben geld als water en eten biefstuk als roggebrood.—Als de buil vol is dan loop je vroolijk naar ’t erf dokter, aldat het mist dat men z’n eigen niet zien kan.”Helmond weet niet wat hij zeggen moet:—Ei, heb je ’t geld voor je ossen meegebracht....? Neen, dat zeide hij niet; het zweefde hem op de lippen:“Ja dat is plezierig Darman.”“Dokter meent toch dien mist niet? ’t Geld in den zak niewaar?—Bange wezels zeggen dat je ’t Duivelsche Laantje aan gene zij vanDe Zonsbergniet met geld moet doorgaan. Ik maal d’r wat om! Met vijfdehalf duizend gulden in m’n zak, loop ik net zoo gerust als dokter ’t doet met z’n receptenboek.”Dokter Helmond voelt het hart kloppen tegen dat receptenboek. In dienzelfden zak zat nog iets anders.—’t Is de brief van Kartenglimp die hem binnen tweemaal vier en twintig uren terug vraagt wat hij hem leende.—’t Was goed dat die eisch is gekomen; ja hij heeft het voorzien en gewild, want die schuld brandt hem sinds dien avond, als een helsche vuurgloed op de borst. Die schuld moet vereffend worden; morgen, nog heden!“’t Is toch gevaarlijk Darman; de weg van ’t veer naarDen Drumptis eenzaam.”“Wát eenzaam! Geld met moeite en zorg verdiend maakt vroolijk en sterk.”Dokter Helmond weet niet meer wat de tevreden boer, al voortgaande verder praat.Nu zijn ze niet ver van de stad aan een zijweg gekomen. Boer Darman moet—naarDen Drumpt, dien weg op. Met de vereelte hand drukt hij de hand van den dokter—die zeker een zwaren patiënt heeft, zoo vreemd zoo kort als ie was!“Atjuusjes tot weerzien.”Helmond heeft den boer een “wel thuis” gewenscht. Tien schreden van elkaar verwijderd, blijft Helmond aarzelend staan; wendt zich om, en roept terwijl hij den boer ter nauwernood zien kan:“Hei Darman!”“Riep je dokter?”“Darman, ik wou je vragen.... Ik wilde....”“En dat zal wezen dokter?”“Ik.... Je hebt geen vuur bij je? Ik wou....”“Wou je opsteken dokter? Nou m’n ketsgerij; is goed; met alle plezier.”De damp van Helmonds sigaar verdween in den mist. De dokter ging het stadje binnen, en den wal op. Neen, Goddank, hij heeft de verzoeking weerstaan; dat geld mocht hij niet leenen; het maakte dien man zoo vroolijk en sterk.In de voormalige huiskamer naast de apotheek zat er iemand op dokter te wachten. Goed; maar eerst moet Helmond het briefje lezen ’twelk Thomas hem overhandigde. ’t Is het briefje, waarop de houding van den notaris hem reeds voorbereidde. Hij heeft het verwacht. Bijzondere omstandigheden dringen den notaris om dokter Helmond te berichten dat hij hem de gevraagde som onmogelijk...—Natuurlijk! zegt Helmond onhoorbaar: Ik wist het; de diamanten ring had het me reeds gezegd.De persoon die Helmond in zijn voormalige huiskamer wachtte, was een tamelijk deftig heer. Hij maakte eenige plichtplegingen namens de firma Leesenaar & Comp., wier zaakgelastigde hij was, en verzocht den dokter beleefdelijk om de loopende rekening over de maanden Augustus en September met hem te willen vereffenen. ’t Zou den dokter wel bekend zijn—zooals ook hierboven aan de nota met groote letters gedrukt stond—dat alles á comptant werd verkocht.De Psyche, die mevrouw Helmond voor een paar dagen bestelde en die ook binnen een paar dagen geleverd zou worden, kwam voor de rekening van de loopende maand. Natuurlijk, natuurlijk!Het totaal der meubelmakers-nota bedroeg een som die Helmonds schatting verre zou zijn te boven gegaan, indien hij in deze oogenblikken een juiste voorstelling van cijfers had gehad.—Gisterenavond, Goddank, toen heeft hij van alle kanten nog zóóveel bijeengebracht dat hij aan den braven huisschilder Wulters zijn woord kon houden. Vraag hem niet wat hij er voor doen moest. ’t Zou immers alles nog terechtkomen: de notaris zal hem wel helpen; en.... oom Van Barneveld!—Maar nu, wat raakt het hem nu of die cijfers groot of klein zijn. Uit een leege flesch kan men evengoed een okshoofd wijn als een enkel glas schenken.“Ik ben niet gewoon,” zegt Helmond, voor ’t uiterlijke kalm: “om op deze wijze gemaand te worden menheer. Men verwacht zoo iets in geen geval van een huis waar men zooveel gekocht heeft.” Na een oogenblik zwijgens: “Uw patroons kunnen over veertien dagen disponeeren.” En dan als tot zich zelven: “Ik begrijp niet waarom men zooveel haast maakt.”Neen, Helmond begreep het niet. Maar straks zal een andere en vrij wat ruwere aanmaning hem van verre doen vermoeden.... Wát? Doch, neen, zóó iets gelooft hij toch niet. Dat er een aantal naamlooze brieven aan Helmonds crediteuren door den schandelijkenRonner zijn verspreid, met een waarschuwing om zoo spoedig mogelijk te trachten het door Helmond aan hen verschuldigde meester te worden, aangezien het te vreezen was dat hij zeer binnenkort met de Noorderzon vertrekken zou; neen, dát heeft Helmond niet gegist of begrepen. Maar geen nood. Wie zou dat gulhartig gelaat niet vertrouwen, wanneer men uit dien edel geplooiden mond de verzekering mag hooren dat men op een bepaalden datum over het verschuldigde beschikken kan.Toen de laatste bezoeker met beleefden groet vertrokken was, kwam er een klein ventje met een briefje, ’t welk hij aan dokter moest geven, en waarop hij het antwoord wachten zou.—Ze hadden “aan ’t groote huis gezeid dat dokter misschien wel aan de apotheek kon wezen”.’t Is zeer vroeg donker.—Toen Helmond in den namiddag, na het ontvangen van een haastig briefje van Jacoba, met dringend verzoek of hij toch aanstonds opDe Zonsbergwilde komen, aan Eva meldde dat het wel laat zou worden eer hij thuis kwam, toen heeft hij een breede tijdruimte wel noodig geacht, en niet vermoed dat zijn bezoek zoo kort zou duren. Maar toch, ’t wordt nu al donker. Geen wonder met dien mist.—Hij kon het briefje niet meer lezen:“Wil je de lamp aansteken Thomas?”Thom stak de lamp aan, en zette het groene kapje er op, en sloot de luiken.Helmond leest:“Voor UEd. geleverd en ingezet twee nieuwe ruiten in den koepel. Op dato ontvangen de somma van ƒ 2.35 centen.VoldaanW. Wulters.dato.. Oct. 18..”—Wat vreemde lach klinkt er uit dokter’s mond!?“Is ’t om een medicament dokter?—Moet jij wat uit de apotheek hebben manneke?” zegt Van Hake.“Nee, twee gulden en vijf en dertig centjes. Vader was bang dat ie ze anders niet krijgen zou.”Thom werd bloedrood en had dat kleine monster wel in den vijzel willen platstampen.“Twee gulden vijf en dertig centen.—Is ’t goed dokter; zal ik ’t maar betalen?”’t Was goed. Thom betaalde.—Nochtans een trek van verachtend medelijden plooide Helmonds bleek gelaat.—Dit briefje kwam van dienzelfden braven huisschilder Wulters.—Welzeker! Maar waarom kan die man niet braaf zijn en goed, en toch bevreesd dat hij zijn tweehonderd en zooveel centen niet krijgen zou. Jawaaromniet?“Hei ventje....?”Was het werktuiglijk? Uit dat kleine laadje heeft Helmond een pijp zwarte drop genomen en steekt die, starend voor zich heenden kleinen Wulters toe. De jongen lekte tot dank met de roode tong langs zijn schat en rende de straat op.Thomas krijgt geen antwoord op zijn vragen.“Watblief?—De generaal? O ja veel beter. Je vraagt of het beter was....? Maarziejij dat niet?”“Ik dokter?”“Ja, zie je dat niet? Hier aan mij.... hier?”“U ziet er wat ontdaan uit; zeker, maar....”“En ik vergeet hem!” herneemt Helmond als tot zich zelven: “hém en haar.—Thomas, komt het jou voor dat ik zenuwachtig ben?”Thom aarzelt, en dan snel: “Ja waarachtig dokter, ’t schijnt met den ouden heer erger te zijn dan u bekennen wilt, en....”“En....?”“Niets mijn beste dokter.—Och God, als ik zeggen mocht wat ik denk.—Och dokter....”“En wat wou je zeggen? Wat?—Maak die deur toe.”“De deur is dicht dokter.—Wat ik zeggen wilde? Ik wil.... nee, ik mag het niet zeggen.—-Maar ja, toch: Die ú niet genegen is, die is het daglicht niet waard. Ik heb het bidden voor dien hardvochtigen generaal verleerd dokter. Hij is oud; God gaf voor u dat het zijn tijd was.”Helmond wordt eensklaps purperrood; zijn oogen fonkelen.“Thom!” zegt hij met klem: “Thom ben jij het! Ga heen; ik wil je niet zien.” En dan met de hand aan het hoofd: “Nee blijf, dat was uit overdreven liefde voor mij.... Je meende het goed Thomas. Je meent het altijd goed m’n vrind. Maar wie zegt jou, Thom, datikom eenige reden zou wenschen....”“God beware dokter! ú wenschen! Nee nee, dat zeg ik zeker niet. Maar, als men dan miskend wordt en niets aan delevendenheeft, dan troost men zich gemakkelijk over hun dood. U trekt je alles zoo ijzerzwaar aan, beste dokter.”“Zwijg nu; ik weet wel hoe je het meent; maar toch, zóó iets duld ik niet.—Doe die deur toe Thomas. Jawel, de deur is open. Niet? Nu zorg dan dat ze dicht blijft.”Helmond schijnt zich iets te herinneren; en terwijl hij in zijn portefeuille zoekt:“Waar is mijn recept? Waar is mijn recept Thomas?”“Uw recept? Ik weet het niet. Welk recept dokter?”—Welk recept?—Ja, welken patiënt heeft hij dan het laatst bezocht? ’t Is alsof hij zich nog in dien mist bevindt. Hij weet het niet meer.—Ha! nu weet hij het. Aan Jacoba beloofde hij, voor dien ouden man iets te zenden ’tgeen hem weldadig kon zijn.—Ja, nu is ’t hem alles weer klaar. Die oude man heeft een hartkwaal en Coba zal hem ongemerkt in ’tgeen hij gebruikt een geneesmiddel toedienen. En zie, hij ligt daar; daar op dat bed, en hij ziet hem aan, en vuur spat er uit zijn oogen, en hij zegt....—Neen stil, die vloek was razernij; het hart waaruit hij voortkwam is ziek.—Stil, wees nu kalm Helmond; haal al die zwarte beelden niet door je hoofd; laat Thom niet bemerken dat je zoo overspannenbent; wees sterk! Spoed nu; maak de poeders klaar. Thomas zelf zal ze erheen brengen, en Jacoba uitleggen hoe zij ze geven moet.Thom heeft den wensch van zijn meester vernomen. Met de meeste liefde zal hij aan juffrouw Van Barneveld alles uitleggen. Wanneer hij dokter hier niet meer helpen kan, dan zal hij zich nu maar aanstonds gereedmaken.Dokter Helmond weifelt geen oogenblik in de keuze van zijn geneesmiddel—indien het eengeneesmiddel heeten mag.Cyanuretum zincistaat er op een der fleschjes, die in het afzonderlijk hangende en goed gesloten vergiftkastje geborgen zijn. De sleutel van het kastje ligt op de gewone plaats bovenop. Nu heeft hij het kastje geopend.“Wie is daar!?”Ja, er was toch iemand.—Mijnheer Kippelaan struikelt naar binnen, en verzekert dat hij verrukt is, en nog meer, ’tgeen Helmond echter niet verstaat. Kippelaan sprak van mist, en van mevrouw Helmond, en van....—dát was de zaak van zijn intiemen vriend Kartenglimp. Namens den majoor, die sinds het kleine toeval op de partij—amusante partij—niet heel wél was en thuis bleef, en, o wonder—maar natuurlijk bij vergissing—inplaats van amice Helmond, amice—nee pardon,dokterBiermans liet halen, de majoor had hem vriendelijk verzocht dit briefje aan dokter Helmond ter hand te stellen, zeker een explicatie bevattende omtrent de vergissing of verwarring met het roepen van één der amices doctoren. Kippelaan kon parole d’honneur in gemoede getuigen—ofschoon het misschien vreemd klonk—dat hij niet weet wat er in dat briefje staat.Geen de minste ontroering is er op Helmonds gelaat te bespeuren, nu die wauwelaar hem strak aanziet terwijl hij het briefje leest.—Helmond las:“De hooggeroemde en zeer wetenschappelijke dokter Helmond, die de dupe was van een ijdele behaagzieke vrouw, zal zich niet verwonderen dat hij door den vriend, dien hij nu op schaamtelooze wijze verguist en belastert, wordt gesommeerd om de hem geleende zes duizend en achthonderd gulden met verschenen interesten op morgen den.... October te voldoen, zullende anders onmiddellijk de sommatie bij deurwaarders-exploit geschieden. Intusschen wenscht de ondergeteekende dat dokter Helmond zich zeer spoedig in de geheele herstelling van zijn dierbaren pleegvader zal mogen verheugen.Kartenglimp.”“Ik dank je Kippelaan.”“Geen dank! Pas du tout!—Onder vrienden!—Wat ik zeggen wou: De majoor vraagt in dat briefje....”“Of je hem ’t antwoord heel spoedig wilt terugbrengen!”“Welzeker, welzeker! Met alle plezier.”“Zeg hem dat het in orde zal zijn.”“In orde....? Maar wát?”“De zaak die ik met hem te regelen heb.”“Dus een zaak....? Maar à propos, zonder de minste indiscretie: is het waar amice, dat jij....”“Jaja, dát is waar;” zegt Helmond met een blik die den wauwelaar een weinig doet terugtrekken. Kippelaan staat met geopenden mond:“Wát? Wa.... blief?”—Enfin, hij hoopte het waar te nemen; en, onwillekeurig terugtredend naar de deur: “Allerliefst in zoo’n lab.... lab.... bretorium. Allerliefst! En vooral de complimenten aan de geëerde familie.Gravenniewaar? Allemaal graven. Pardon!—Adieu!”Hij wist niet waarom, maar in die laatste oogenblikken had hij het benauwd gekregen. Zou dokter het toch ontdekt hebben van die brieven?—Terug dan; terug! Hij wil hem alles meedeelen; specifiek welzeker! Het brandt hem toch gedurig op de lippen.—Terug—Nee nee Kippelaan, zwijg! Je zwarte hoed weerkaatste in zijn oogen! En—wie weet, of nu de majoor niet iets loslaat. Wie weet.... wie weet!Heeft de poging om zich voor dien zotskap goed te houden, Helmond zoozeer overspannen? Hij moet zich aan de toonbank vastklemmen.—Nu gaat het beter. Hij mag in dit oogenblik slechts denken aan ’tgeen hij met spoed heeft te doen. Jacoba wacht. Zij is in onrust.—Ha, schokken als die der laatste uren zouden wel sterker gestellen een oogenblik in de war kunnen brengen.—Doch zie maar, als Helmondwildanishij krachtig. Wanneer hij handelen moet dan zal men niets bemerken.... “Zullende anders onmiddellijk de sommatie bij deurwaarders-exploit....”—Maar wat beteekent dat!? Is er dan geen geld genoeg in de wereld om een ellendeling te voldoen; om....Eensklaps schaart er zich een reeks van cijfers voor Helmonds starenden blik; en dan, dan ontstelt hij. Hij hoorde gejuich. Hij roept:“Thom!” en met verheffing: “Thom ben jij daar!?” Helmond houdt de hand voor het licht en ziet naar de deur.—Neen daar was niemand.—’t Is vreemd dat hij zich telkens verbeeldt den ouden pleegvader te zien binnenkomen. Hij weet immers dat het onmogelijk is. Maar ’t kon nú Thom geweest zijn. Neen, Thom was het niet. Er was niemand.Helmond heeft het kleine fleschje met den witten harstachtigen inhoud uit het afzonderlijk hangende vergiftkastje genomen.—Met dien inhoud moet men voorzichtig wezen; zeer voorzichtig.—De lamp met het groene kapje van de toonbank nemend, zet hij haar in de hoogte op den lessenaar. Een vaal groen kleurt nu Helmonds bleek gelaat. Hij houdt het fleschje in de hoogte tegen ’t licht, en keert en wendt het als wil hij zich overtuigen dat hij zich niet vergist.Nauwkeurig turend, en kloppend op het fleschje, schudt hij nu een zeerzeerkleine hoeveelheid op het koperen grein-schaaltje tegenoverhet miniatuur-gewicht.—Zóó. Niet meer, zóó. Een twaalfde grein kan hij telkens toedienen.... Zeven, ja zes greinen opeens zouden reeds doodelijk zijn!!.... Ho—ho, niet meer... O God, wat vloekte hem een oogenblik zoo woest door het hoofd! Wie.... wát is daar? Wie zingt of schreit er....? Van waar dat luidruchtig rumoer?—Hoor, een gansche bende nadert. Er klinkt muziek! Een schot knalt voor het raam.“O God!” Hij duizelt achterover; de kleine flesch slaat hem uit de hand en valt aan duizend stukken op den vloer.Thom en zijn moeder staan hun vriend reeds terzijde. Ze hebben hem bijgebracht. Hij weet niet wat er met hem is voorgevallen. Maar ja, nu is het weer beter; zie maar, heelemaal beter.—Zeker, hij herinnert het zich. Straks was er een heele drukte voor de deur. Ah juist, in de buurt wordt bruiloft gevierd—bruiloft! Met Huibert en Geurtje in het midden, gaat men een walletje rond maken. Peters met de klarinet, en Dirk met de harmonica zijn vooropgegaan; en vlak bij het apotheekraam heeft een der gasten—zeker Careltje van den bakker, die ’t pistool nooit met rust kan laten—een schot gelost terwijl ze zingend voorttrokken.’t Was zeer begrijpelijk dat dokter,—in groote onrust over den treurigen toestand, waarin hij den generaal scheen gevonden te hebben, nu van dat schot zoo hevig ontsteld is.“Wat ons in gewone omstandigheden in ’t geheel niet zal treffen,” zegt de weduw: “dat schokt ons in zulke oogenblikken soms op ’t allerhevigst.”Helmond ziet naar Thom, die het gevallene heeft opgenomen, en het afgewogene, op dokters weifelend bevel, in poeders gereedgemaakt.“Bovendien,” aarzelt de goede vrouw, terwijl de tranen haar in de oogen springen: “men maakt het u moeilijk, men....”“Wie?” zegt Helmond snel opziende, nadat hij Thom een wenk had gegeven, om zich nu met het geneesmiddel zoo haastig mogelijk naarDe Zonsbergte spoeden.“Waarom niet eerlijk met u gesproken!” zegt mevrouw Van Hake, zoodra Thomas in allerijl is vertrokken: “Als zelfs dekwade tongenzich roeren, dan mag devriendentongtoch zeker niet zwijgen; nee dan zal en moet hij troost en raad geven. Dokter, vriend, u hebt je in schulden gestoken....”“Wiewiezegt dat? Wie zegt u dat ik schulden heb? Heeft de roos schuld omdat zij de schoonste bloem is en ’t heerlijkst geurt? Heeft de vogel schuld omdat hij het fijnste kleed draagt en er geen reiner zang op de wereld is?” Helmond dacht aan Eva’s lied.“Beste dokter, ik zou u ook nú willen sparen, maar het mag en kan niet. Men schijnt vrij algemeen te hebben vernomen, dat de notaris het testament van den generaal ten uwen nadeele heeft moeten veranderen of veranderen zal, en daarom....”“Wie zegt dat?Wie?Ikzeg u dat hetnietwaar is. En al was het zoo, wat gaat dit den menschen aan!”“Dokter u hebt gelijk, wat gaat het den menschen, wat gaat het mij aan? Maar of het waar is of niet, och dokter, ik heb een dringende bede; als ge die verhoort dan ga ik dankbaar heen. Ziehier.... Het zou mogelijk kunnen zijn dat men u eens lastig kwam vallen. Ja ’t is wel weinig dokter, maar toch eerlijk gewonnen geld. Vijf Russische spoorwegstukjes; ik heb niet ledig kunnen zitten terwijl ik alles om niet genoot.—’t Was voor mijn braven Thom bestemd als hij ooit.... Maar Thom wil er niets van weten. De goede jongen zegt dat hij de dingen nog liever verbranden zag dan in de secretaire liggen terwijl ze ú helpen konden. Och dokter, misschien kunnen ze u steunen voor ’toogenblik, en dan dan... Ja ik moettochspreken, al zoudt u ’t me nooit vergeven: Mijn vriend ik bezweer u, ga met Eva zoo niet voort. Ik ben er zeker van,metú zal ze terugwillen, liever dan in ’t eindealleentemoeten. Helmond, zeg haar alles. O hoor een vrouw van jaren. Verzwijg uw Eva niet dat je haar, om haar zwakheid, uit liefde bedroogt. En dan.... Och zie mij nu eens aan, mijn beste brave vriend, troost u en wees sterk. Al moesten de zwaarste slagen u treffen: de dood van uw pleegvader en het verlies van ’t geen waarop u hebt gerekend,—ik weet het Helmond, slechts in den laatsten tijd,—keer tot uw eigen eenvoudigheid terug. God zal u steunen; ik ben er zeker van.”Helmond waant zich eensklaps zeer sterk.—Wat wil men toch? Is hij methaargeen millionair? Zijn er geen rijke vrienden die met de duizenden spelen als kinderen met knikkers? Men schijnt zeer veel te babbelen over hem en de zijnen.—Ja, zijn oogen werden vochtig toen de brave vrouw hem daareven die krakende blauwe papieren in de hand wilde drukken. Groote God! was het dan zóóver met hem gekomen, dat een arme weduwe die hij sinds jaren onderhield, hem in stilte haar bijeengegaarden schat als een aalmoes kwam in de hand stoppen!—Edele ziel, of hij niet gevoelig is voor zooveel goedheid? O hij zou u omhelzen willen; hij zou schreien kunnen aan uw moederlijke borst. Maar, als hij bekende? Op wie zou de vloek komen? Op haar, o God, op Eva, zijn dierbare vrouw!—Weg, weg dan met alle zwakheid. Men liegt! Wie is er die geen schulden heeft? Maar de schuldenhier, zullen betaald worden; dat is genoeg. Blijf krachtig Helmond, nú vooral.—Ellendeling!—Wie heeft hem dat woord zoo onverwacht in ’t oor geblazen? Helmond beefde. Maar dat duurde slechts een oogenblik.Nu zegt hij zeer ernstig terwijl hij mevrouw Van Hakes hand aan zijn lippen drukt:“De menschen zijn zeer belangstellend; maar niet allen op uwe wijze. Ik ben u dankbaar trouwe vriendin; maar.... uw vermoeden is ongegrond. Ik ben.... ik heb.... Wordt daar aan de deur geklopt?”Mevrouw Van Hake ging naar de deur en opende die. Neen er was niemand.“Men spreekt onwaarheid!” herneemt Helmond op zonderling geheimzinnigen toon: “Ik heb ’t u vroeger al gezegd: wij hebbeneen bron van inkomsten.... Zij, jazij.... Niet ik....” Hij ziet haar zeer strak in de oogen: “En als hij sterft, dan.... ja!”—Ellendeling! klinkt liet weder, doch alleen voor hem verstaanbaar. En zich haastig afwendend zegt Helmond, dat hij nu naar huis moet. ’t Was reeds zeven geslagen. Eva zal wachten en verlangen; ja, zij zalzeerverlangen.Mevrouw Van Hake staarde nog met bezorgden blik in de richting der deur, toen de dokter haar reeds verlaten had.Ja, de uren duurden Eva vreeselijk lang. Ze wist niet dat de zieke, waarheen August zich zoo ijlings had moeten begeven, de generaal was, ofschoon ze wél weet dat hij ziek is. Sinds haar verjaardag werd de naam van “dat heer” op haar uitdrukkelijk verlangen—neen, op haar dringend verzoek, niet meer genoemd. Ze denkt niet aan hem; ’t is haar de moeite niet waard.Maar aan haar besten August denkt ze. Sedert zij straks naar beneden ging, moest zij—na dien curieusen droom—denheelen tijdaan hem denken. Zij heeft somwijlen een gevoel alsof het mooie plafond op haar zal neerkomen als het bovendeksel van een kist. Aan haar toestand mag ze het toeschrijven dat ze zulke nare droomen heeft. Straks had ze ook erg voorover gezeten terwijl ze sliep.—’t Was een mooie scène: Onze Lieve Heer boven eenbal masqué! Hoe komt men aan zulke zotte profane droomen? En de hand, die den Elfenkoning zoo onbarmhartig wegnam, wat was die hand onbegrijpelijk groot, en toch precies een gewone hand; ja zelfs, in den vorm, was het de hand van papa....—Papa heeft haar gisteren zeer zonderling ontvangen, en gezegd.... Nu ja, maar papa is geen evangelie. Papa is onaangenaam, en Louise is een malle zottin. Als Eva dan zelve uit goedhartigheid bijna al de heerlijke overblijfsels van zoo’n feest naar haarouders huisbrengt, dan is het onaardig dat men iemand tot dank met allerlei onnoodige predikatiën verveelt, en halsstarrig weigeren blijft om van al die onbekende heerlijkheden iets te gebruiken.—Bah! wat gaat hethaaraan; maar verwijtingen uit jaloezie, uit....—Als het waarwas! Maar het isnietwaar. Men kan mij toch niet opdringen dat wit zwart is....—Zwart!—Waarom heb ik een zwarte japon aan vandaag? ’t Is een doodsche kleur. Ik wil niet in ’t zwart zijn als Helmond thuiskomt. De rose barège ziet hij zoo graag. Ja, en dan zal ik hem vragen ....Er wordt geklopt. Eva ontving weder een briefje.Onder het lezen ervan betrok haar gelaat. Mevrouw Helmond werd beleefdelijk verzocht om de familie-papieren der graven Van Armeloo, “die zij zich had toegeëigend”, nog dezen avond terug te zenden, zullende anders de zaak in handen van den kantonrechter worden gesteld.... Het briefje was met eenKonderteekend.Dat warendelaatste krachtelooze sprongen van een geketend monster.Van uur tot uur was Ronner-Kartenglimp er sedert dien avond op bedacht geweest om zich te wreken. De zoete prooi was hemontgaan, helaas door eigen schuld!—Waarom is men toch altijd onvoorzichtig wanneer een doel, waar de wereld niet mee van noode heeft, moet bereikt worden, al zal men ook dagen en weken lang zijn plan hebben gewikt en gewogen? Was het geen verregaande roekeloosheid, om haar op den avond van het feest in dien koepel te lokken? Neen, dronken van genot en glorie, zoo heeft hij berekend, zal ze het willigst den prijs betalen voor de grootste eer en de schitterendste toekomst. Ha, die schoone vrouw! Ha!! Maar alles is voorbij. De begoocheling is nu verdwenen. Inplaats van de zaligste genietingen, waren zeer benauwde oogenblikken het loon geworden voor al zijn moeite tot het spannen van een “zekeren strik”, en het oefenen van een geduld, waartoe hij vroeger onmachtig zou geweest zijn, maar nu, door zijn vurige “liefde” instaat was gesteld.—En nu wát wil de “blancbec” die hier ter kwader ure uit Indië kwam overwaaien? Ronner heeft het wèl verstaan: die melkmuil zal zijn instructiën vragen. En dan....? Maar tot zóólang kan niemand hem deren.—Hij beval hem van die ontmoeting in den koepel te zwijgen.—Nu, dat zou hij doen; ’t mocht toch maar ten zijnen nadeele worden uitgelegd. ’t Was een charade; welzeker, een charade; haha!—Maar die dwang om zich ziek te houden, of althans zich nergens te vertoonen? Wat vermeet zich die kwajongen, die indringer; om eenmajoordaartoe te durven dwingen! Op dat oogenblik in den koepel, en later hier op zijn eigen kamer, was hij te zeer onder den indruk van die teleurstelling om zich te kunnen toonen; welzeker! Maar nu, voor den d.... als hij nú hier was, hij zou hem een anderen toon leeren aanslaan; hij zou hem, ha! een degen door ’t karkas jagen, en dan uitlachen om al zijn heldenmoed!—Nochtans, dewijl kalmte voor zijn gestel hoogstnoodzakelijk is, heeft Ronner toch besloten om zich in den eersten tijd bedaard te houden. Waartoe noodelooze opspraak te verwekken? Aan Kippelaan en een paar andere bekenden, die hem een bezoek brachten, heeft hij wel bemerkt dat er niets van die scène is uitgelekt. Den tijd, dien hij nu beschikbaar heeft, kan hij niet beter gebruiken dan zich te vermaken met het schrijven van eenige briefjes; ze zullen dan toch bewerken dat dien edelen braven dokter, aan de zij van dat prachtige vrouwtje, het angstzweet zal uitbreken, en dat die weerspannige zelve in ’t eind.... hahihaha!Op dit oogenblik verlangde Ronner naar iemand dien hij inderdaad veracht, ofschoon die persoon hem—onbewust—reeds dikwijls een dienst heeft bewezen.—En zie, nu men hem hebben wilde, nu kwam hij niet. Ronner wil weten hoe de zaken staan; welke uitdrukking er zich op Helmonds gelaat teekende toen Kippelaan hem dat briefje overhandigde. Hij wil weten hoe het met dien ouden generaal is; of de notaris er reeds een testament heeft gemaakt; hij wil weten of de jonge doktersvrouw.... Ha! wat gloeit hem weer eensklaps het hoofd; hij wil weten of zij nu, ja nú thuis is....alleen. Wat raakt het hem of hij zijn woord aan dien jongen gaf. Zal een gepensioneerd majoor zich laten ringeloorendoor zulk een individu; door een.... die hem de epaulet.... Stil, dat weet niemand; dat raakt niemand.—O! indien hij bij die vrouw nog herstellen kon wat hij bedierf. Hij zal haar zeggen dat hij al de schulden van haar man wil vereffenen; dat hij haar voor die gewaande vrouweneer de hoogste eer zal doen geworden.—Zou hij lafhartig zijn en op ’t bevel van dien kwajongen nog langer arrest houden! Hardenborg is toch ’s-avonds niet in de stad en niemand weet van dat,—uit overspanning, maar al te gewillig aanvaard arrest.—Voort, het brandt hem vanbinnen. Voort!Terwijl de avond viel was de mist van lieverlede verdwenen. ’t Was guur weer geworden, zeer guur. De Romphuizer straten verkeerden zoo goed als in volslagen duisternis, want men verwachtte over een half uur—volgens den almanak—de maan.En, in den omtrek van het groote doktershuis zwierf onbespied een zwarte gedaante rond.—’t Is wel zeker dat ze zich daarbeneden, in die zijkamer, moet bevinden, denkt hij, terwijl hij onder de boomen van het marktplein staande, naar een venster tuurt, waarvan de blinden nog niet vast zijn gesloten, zoodat er in ’t midden een groote lichtstreep naar buiten glanst.—Is ze daar? Alleen?—Ronner doet een paar schreden terzij, en, schrikt dan geweldig. Onwillekeurig had hij de hand tegen den killen ijzeren slinger van een stadspomp gestooten.—’t Is niet goed voor zijn gestel zoo alleen in ’t duister. Men kon schrikken; er zou iets kunnen gebeuren. Maar als zij dan dáár alleen is! Immers die brave man zal wel weer naarDe Zonsbergzijn,—haha, nu het er op aankomt!—Ja, als zij dan daar werkelijk geheel alleen was....Ronner staat nu voor het raam, en houdt de hand boven de oogen.—Hij ziet haar door den kier. Zeker is zij alleen, want ze tuurt en staart voor zich uit. Wat is ze schoon, wat is ze betooverend schoon! Voort dan!Reeds heeft hij de stoep beklommen, en.... Wat hoort hij? Komt er een rijtuig van de Hoenderveldsche straatzijde? Ja, twee glimmende oogen grijnzen hem van verre aan: ’t zijn de lantarens. Het rijtuig nadert naar deze zijde. Terug Ronner, wanneer het die Indiër ware. Terug!Zoo snel ’t hem mogelijk is, spoedt hij zich de stoep weer af, en gaat den hoek van het huis om.—Toch moet hij zien of hij zich niet bedroog.—Het rijtuig houdt stil voor de stoep. Men schelt. Zie, hij wipt de wagentree af. Het schijnsel uit de opengaande deur verlicht voor een oogenblik zijn gelaat. Ja, hij is het. Vervloekt, hij is het! Zou die blancbec inderdaad bij haar....? Ja, ja, natuurlijk!—Ha! isallevrouwendeugd bedrog, dan is hetzekerde deugd van zulk een ijdel wezen! Ah zoo, ze heeft dan voortreffelijk haar rol in dien koepel gespeeld! Maar ha, nú zal ze het boeten, nú zal hij zich wreken op die allen tegelijk.—Spoed Ronner, ze zullen nu allen tezamen boeten. Voort!Ronner heeft zijn plan in hetzelfde oogenblik gevormd: Tweeregels zal hij schrijven aan dien goedaardigen echtgenoot. Twee regels: “Ga naar huis en vind uw geliefde in de armen van een dapperen huichelaar!”Dát, en niets meer; maar ’t zal genoeg zijn. Voor een paar kwartjes is Hannes de harddraver die aan den wal woont, zeker gemakkelijk te vinden om den dokter, binnen een kwartier—’t zij aan de apotheek waar hij moet geweest zijn, ’t zij opDe Zonsberg—het bericht in handen te spelen. Hannes kon zwijgen; Hannes is iemand op wien men vertrouwen kan. Ronner weet het bij ondervinding.Met het voornemen om dat briefje ter bespoediging maar even in Hannes’ woning te schrijven, spoedt de majoor zich nu haastig naar den wal. Hannes woonde daar niet ver van de Hoenderveldsche Poort of brug, en zijn woning lag, evenals het oude doktershuis, een weinig in de diepte.Het kleine huisje is wel te vinden. Ronner kent het. Op den wal was het toch iets lichter dan onder de boomen op de markt. En, ofschoon de wind onaangenaam koud is en de duisternis hem weinig bevalt, Ronner heeft weldra het eind der straat bereikt.—Zoo, dezen hoek om; nu de glooiing op. Dit is de wal; rechts en links zijn boomen. Daar, in dat huisje, waar nog licht brandt, moet hij wezen.—Wat is dat?—Welk woest rumoer en getier nadert van gindsche zijde? Wat wil men? Heeft die luitenant hem gezocht misschien—op zijn kamers, bij Helmond, overal, en niet gevonden? Komt hij nu met een ganschen drom....?—Nee, stil; vrees is kinderachtig. ’t Zijn vroolijke menschen. Hoor, zij zingen.—Ze maken muziek.—Maar toch, zij komen naar dezen kant. Dat volk is dikwijls dronken; men kan niet weten....! Als ze hem hier in de duisternis zoo alleen zien, dan zullen ze denken dat hij iets kwaads in ’t zin had. Ze zouden hem in hun overmoed of dolle dronkenschap een onheil kunnen toebrengen. Hij wil hen uit den weg gaan. Als hij zich achter dien dikken lindeboom verschuilt, dan gaat de troep hem voorbij zonder hem te bemerken....Hij klemt zich vast aan den boom, want de walkant is glibberig nat.—Hoor, ze komen al nader. Hoor, ze zingen:“Nooit geen nood,Nooit geen nood.Zoetelief trouw, tot in den dood.”En de dansende stoet kwam al nader:“Daar niet van,Daar niet van,Allevrouw pakt ’er eigen man.“Nooit geen rouw,Nooit geen rouw,Alleman zoent z’n eigen vrouw.”Ze komen al nader. Ze zullen hem zien; en als ze hem zien, hier achter dien boom, dan zal men nog eerder denken dat hij iets kwaads in ’t zin had. Maar toch, hij durft niet zoo eensklaps van achter den boom te voorschijn komen.En al dichterbij klinkt het:“Nooit geen nood,Nooit geen nood,Werken trouw voor ’t daaglijksch brood.“Hop hop hop,Hop hop hop,Schelmen trappen ze op den kop;Schelmen smijten ze uit de deur;Albeneur,Albeneur!”De stoet, is op een paar schreden afstands, den boom genaderd. De majoor Ronner trilt over al zijn leden. Hij duikt een weinig naar omlaag. Maar zie, een vurige tong vloog op hem af. Een vreeselijke knal dreunde hem in ’t oor; en....—O God wat is dat! Wat kreet heeft zich daar met het pistoolschot van Careltje, en een blij hoezee der bruiloftsgasten vermengd? Wat plofte daar van den tamelijk steilen wal in de nauwe half droge gracht? Wat zou het wezen?“Kom, niemendal; een dood stuk hout,” riep er een.“Wat raakt het ons!” zei een ander. En opdat de feestvreugde niet zou verstoord worden, blaast Peter luider en scheller op de klarinet, en roert Dirk de harmonica nog sterker, en op een paar enkelen na die hier ’t ergste vreezen, trekt de feeststoet verder, weer zingend met klem:“Hop hop hop,Hop hop hop,Schelmen trappen ze op den kop.”
De notaris Zoutenheer heeft dokter Helmond niet kunnen bewegen om mee naar de stad terug te rijden. ’t Was misschien ook maarbeter.—Hij heeft medelijden met den jongen man; waarachtig medelijden. Fiksche kerel; knap in alle opzichten, maar.... Te goed, jawel al te meegaande. Geen verstand van japonnen. Zoutenheer is zich bewust dat hij niets, volstrekt niets gedaan heeft om.... Neen, ’t sprak vanzelf dat een notaris die er “een nest op nahoudt”, huizen ziet te verkoopen als er “een stuiver of twaalf mee te verdienen valt”, maar anders—wat hij deed, hij kon het voor zijn geweten en z’n beurs verantwoorden.—Kartenglimp, nu ja, dat is een andere affaire. Enfin, enfin, ’t spijt hem: maar als notaris moet men zijn plicht doen, en, al verkoos mijnheer vanDe Zonsberg, den armen duivel zelfs heelemaal uit zijn testament te schrappen, de notaris was tot schrappen verplicht; plicht boven alles!
Helmond heeft niet mee willen rijden, ’t Was hem niet mogelijk geweest om in de nauwe vigilante te stappen, en zich te zetten naast dien man met zijn grooten diamanten ring aan den vinger. Lucht moet hij hebben—al zij het een mistige lucht; en ruimte, ruimte! al wordt de blik door dien mist ook beperkt.
Wat bezielt hem dan, dat hij plotseling voor dien algemeen geachten notaris zulk een tegenzin gevoelt, iets, alsof hij eensklaps van vriend een hevige vijand geworden is? Wat drukt en benauwt hem zoo geweldig dat het hem gedurig is alsof hij.... de wereld zal moeten stukslaan om er uit, en in vrijheid te komen?
—Kalm Helmond, kalm! Weet een oud man wat hij zegt als hij ziek is naar lichaam en geest! En wat beteekent zulk een vervloeking? Welk edel mensch vervloekt een ander? Zulk een mensch moet al zeer hoog staan in eigen schatting. Die er beteekenis aan hecht is krankzinnig....—Krankzinnig....—Als die notaris geloofde, neen, indien hijwistdat dieoude manhet was, dan mocht hij daar niet terugkomen.... dan.... Maar dat is gelogen, die grijsaard is bekrompen, doch niet krankzinnig. Neen, wat hij teekent als zijn uitersten wil, dat is een geschreven wet.—Wat roert daar en doet hem ontstellen? ’t Is een boschduif die uit den eschdoorn wegvliegt.—Hier was het, ja hier, op dien voorjaarsmorgen.—Hier hield hij hem staande, de grijze pleegvader, en heeft hem de hand op den schouder gedrukt en gezegd: “Wil je weten August of Eva een goede vrouw zal wezen, beproef haar, en zie of zij de vrouw is die de moeder van koning Lemuël voor haar zoon begeert.”—Ha, dat was toch krankzinnig, twee en twintig verzen:Oostersche kruiden.
Hoor:
“Een deugdelijke huisvrouw.... zoekt wol en vlas en werkt met lust harer handen. Zij staat op als het nog nacht is en geeft haar huis spijze. Van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het, en levert den koopman gordelen. Zij beschouwt de gangen van haar huis en het brood der luiheid eet zij niet. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar de vrouw die den Heer vreest die zal geprezen worden; en laat hare werken haar prijzen in de poorten.”
—Hoe komen die woorden hem eensklaps zoo helder voor den geest? Hij weet het niet meer. Waar denkt hij dan aan? Aan wie?—Ha, Eva!—O zie, nu zit ze voor haar Erard; ze zingt; ze weet van niets, ze weet niet....
“Goeden middag dokter. ’k Wist eerst niet zeker of het dokter wel was. Alles frisch en gezond?”
“Ah Darman, ben jij het?—Hoe gaat het?”
“Goddank best dokter. We hebben opDen Drumptvan dit jaar een gewas van geweld.—Zegen in alles. De kinders groeien als look, en als m’n wijf me ’s-avonds met d’r rooje lippen een zoen geeft, dan zeg ik, dat is een doorslag op den zegen. Vijftig schapen hebben gelammerd. De scharige ossen heb ik aan Franck verkocht en aan ’t veer geleverd; ze moeten naar Engeland. De Engelschen hebben geld als water en eten biefstuk als roggebrood.—Als de buil vol is dan loop je vroolijk naar ’t erf dokter, aldat het mist dat men z’n eigen niet zien kan.”
Helmond weet niet wat hij zeggen moet:
—Ei, heb je ’t geld voor je ossen meegebracht....? Neen, dat zeide hij niet; het zweefde hem op de lippen:
“Ja dat is plezierig Darman.”
“Dokter meent toch dien mist niet? ’t Geld in den zak niewaar?
—Bange wezels zeggen dat je ’t Duivelsche Laantje aan gene zij vanDe Zonsbergniet met geld moet doorgaan. Ik maal d’r wat om! Met vijfdehalf duizend gulden in m’n zak, loop ik net zoo gerust als dokter ’t doet met z’n receptenboek.”
Dokter Helmond voelt het hart kloppen tegen dat receptenboek. In dienzelfden zak zat nog iets anders.—’t Is de brief van Kartenglimp die hem binnen tweemaal vier en twintig uren terug vraagt wat hij hem leende.—’t Was goed dat die eisch is gekomen; ja hij heeft het voorzien en gewild, want die schuld brandt hem sinds dien avond, als een helsche vuurgloed op de borst. Die schuld moet vereffend worden; morgen, nog heden!
“’t Is toch gevaarlijk Darman; de weg van ’t veer naarDen Drumptis eenzaam.”
“Wát eenzaam! Geld met moeite en zorg verdiend maakt vroolijk en sterk.”
Dokter Helmond weet niet meer wat de tevreden boer, al voortgaande verder praat.
Nu zijn ze niet ver van de stad aan een zijweg gekomen. Boer Darman moet—naarDen Drumpt, dien weg op. Met de vereelte hand drukt hij de hand van den dokter—die zeker een zwaren patiënt heeft, zoo vreemd zoo kort als ie was!
“Atjuusjes tot weerzien.”
Helmond heeft den boer een “wel thuis” gewenscht. Tien schreden van elkaar verwijderd, blijft Helmond aarzelend staan; wendt zich om, en roept terwijl hij den boer ter nauwernood zien kan:
“Hei Darman!”
“Riep je dokter?”
“Darman, ik wou je vragen.... Ik wilde....”
“En dat zal wezen dokter?”
“Ik.... Je hebt geen vuur bij je? Ik wou....”
“Wou je opsteken dokter? Nou m’n ketsgerij; is goed; met alle plezier.”
De damp van Helmonds sigaar verdween in den mist. De dokter ging het stadje binnen, en den wal op. Neen, Goddank, hij heeft de verzoeking weerstaan; dat geld mocht hij niet leenen; het maakte dien man zoo vroolijk en sterk.
In de voormalige huiskamer naast de apotheek zat er iemand op dokter te wachten. Goed; maar eerst moet Helmond het briefje lezen ’twelk Thomas hem overhandigde. ’t Is het briefje, waarop de houding van den notaris hem reeds voorbereidde. Hij heeft het verwacht. Bijzondere omstandigheden dringen den notaris om dokter Helmond te berichten dat hij hem de gevraagde som onmogelijk...
—Natuurlijk! zegt Helmond onhoorbaar: Ik wist het; de diamanten ring had het me reeds gezegd.
De persoon die Helmond in zijn voormalige huiskamer wachtte, was een tamelijk deftig heer. Hij maakte eenige plichtplegingen namens de firma Leesenaar & Comp., wier zaakgelastigde hij was, en verzocht den dokter beleefdelijk om de loopende rekening over de maanden Augustus en September met hem te willen vereffenen. ’t Zou den dokter wel bekend zijn—zooals ook hierboven aan de nota met groote letters gedrukt stond—dat alles á comptant werd verkocht.
De Psyche, die mevrouw Helmond voor een paar dagen bestelde en die ook binnen een paar dagen geleverd zou worden, kwam voor de rekening van de loopende maand. Natuurlijk, natuurlijk!
Het totaal der meubelmakers-nota bedroeg een som die Helmonds schatting verre zou zijn te boven gegaan, indien hij in deze oogenblikken een juiste voorstelling van cijfers had gehad.
—Gisterenavond, Goddank, toen heeft hij van alle kanten nog zóóveel bijeengebracht dat hij aan den braven huisschilder Wulters zijn woord kon houden. Vraag hem niet wat hij er voor doen moest. ’t Zou immers alles nog terechtkomen: de notaris zal hem wel helpen; en.... oom Van Barneveld!
—Maar nu, wat raakt het hem nu of die cijfers groot of klein zijn. Uit een leege flesch kan men evengoed een okshoofd wijn als een enkel glas schenken.
“Ik ben niet gewoon,” zegt Helmond, voor ’t uiterlijke kalm: “om op deze wijze gemaand te worden menheer. Men verwacht zoo iets in geen geval van een huis waar men zooveel gekocht heeft.” Na een oogenblik zwijgens: “Uw patroons kunnen over veertien dagen disponeeren.” En dan als tot zich zelven: “Ik begrijp niet waarom men zooveel haast maakt.”
Neen, Helmond begreep het niet. Maar straks zal een andere en vrij wat ruwere aanmaning hem van verre doen vermoeden.... Wát? Doch, neen, zóó iets gelooft hij toch niet. Dat er een aantal naamlooze brieven aan Helmonds crediteuren door den schandelijkenRonner zijn verspreid, met een waarschuwing om zoo spoedig mogelijk te trachten het door Helmond aan hen verschuldigde meester te worden, aangezien het te vreezen was dat hij zeer binnenkort met de Noorderzon vertrekken zou; neen, dát heeft Helmond niet gegist of begrepen. Maar geen nood. Wie zou dat gulhartig gelaat niet vertrouwen, wanneer men uit dien edel geplooiden mond de verzekering mag hooren dat men op een bepaalden datum over het verschuldigde beschikken kan.
Toen de laatste bezoeker met beleefden groet vertrokken was, kwam er een klein ventje met een briefje, ’t welk hij aan dokter moest geven, en waarop hij het antwoord wachten zou.—Ze hadden “aan ’t groote huis gezeid dat dokter misschien wel aan de apotheek kon wezen”.
’t Is zeer vroeg donker.—Toen Helmond in den namiddag, na het ontvangen van een haastig briefje van Jacoba, met dringend verzoek of hij toch aanstonds opDe Zonsbergwilde komen, aan Eva meldde dat het wel laat zou worden eer hij thuis kwam, toen heeft hij een breede tijdruimte wel noodig geacht, en niet vermoed dat zijn bezoek zoo kort zou duren. Maar toch, ’t wordt nu al donker. Geen wonder met dien mist.—Hij kon het briefje niet meer lezen:
“Wil je de lamp aansteken Thomas?”
Thom stak de lamp aan, en zette het groene kapje er op, en sloot de luiken.
Helmond leest:
“Voor UEd. geleverd en ingezet twee nieuwe ruiten in den koepel. Op dato ontvangen de somma van ƒ 2.35 centen.VoldaanW. Wulters.dato.. Oct. 18..”
“Voor UEd. geleverd en ingezet twee nieuwe ruiten in den koepel. Op dato ontvangen de somma van ƒ 2.35 centen.
VoldaanW. Wulters.
dato.. Oct. 18..”
—Wat vreemde lach klinkt er uit dokter’s mond!?
“Is ’t om een medicament dokter?—Moet jij wat uit de apotheek hebben manneke?” zegt Van Hake.
“Nee, twee gulden en vijf en dertig centjes. Vader was bang dat ie ze anders niet krijgen zou.”
Thom werd bloedrood en had dat kleine monster wel in den vijzel willen platstampen.
“Twee gulden vijf en dertig centen.—Is ’t goed dokter; zal ik ’t maar betalen?”
’t Was goed. Thom betaalde.—Nochtans een trek van verachtend medelijden plooide Helmonds bleek gelaat.—Dit briefje kwam van dienzelfden braven huisschilder Wulters.—Welzeker! Maar waarom kan die man niet braaf zijn en goed, en toch bevreesd dat hij zijn tweehonderd en zooveel centen niet krijgen zou. Jawaaromniet?
“Hei ventje....?”
Was het werktuiglijk? Uit dat kleine laadje heeft Helmond een pijp zwarte drop genomen en steekt die, starend voor zich heenden kleinen Wulters toe. De jongen lekte tot dank met de roode tong langs zijn schat en rende de straat op.
Thomas krijgt geen antwoord op zijn vragen.
“Watblief?—De generaal? O ja veel beter. Je vraagt of het beter was....? Maarziejij dat niet?”
“Ik dokter?”
“Ja, zie je dat niet? Hier aan mij.... hier?”
“U ziet er wat ontdaan uit; zeker, maar....”
“En ik vergeet hem!” herneemt Helmond als tot zich zelven: “hém en haar.—Thomas, komt het jou voor dat ik zenuwachtig ben?”
Thom aarzelt, en dan snel: “Ja waarachtig dokter, ’t schijnt met den ouden heer erger te zijn dan u bekennen wilt, en....”
“En....?”
“Niets mijn beste dokter.—Och God, als ik zeggen mocht wat ik denk.—Och dokter....”
“En wat wou je zeggen? Wat?—Maak die deur toe.”
“De deur is dicht dokter.—Wat ik zeggen wilde? Ik wil.... nee, ik mag het niet zeggen.—-Maar ja, toch: Die ú niet genegen is, die is het daglicht niet waard. Ik heb het bidden voor dien hardvochtigen generaal verleerd dokter. Hij is oud; God gaf voor u dat het zijn tijd was.”
Helmond wordt eensklaps purperrood; zijn oogen fonkelen.
“Thom!” zegt hij met klem: “Thom ben jij het! Ga heen; ik wil je niet zien.” En dan met de hand aan het hoofd: “Nee blijf, dat was uit overdreven liefde voor mij.... Je meende het goed Thomas. Je meent het altijd goed m’n vrind. Maar wie zegt jou, Thom, datikom eenige reden zou wenschen....”
“God beware dokter! ú wenschen! Nee nee, dat zeg ik zeker niet. Maar, als men dan miskend wordt en niets aan delevendenheeft, dan troost men zich gemakkelijk over hun dood. U trekt je alles zoo ijzerzwaar aan, beste dokter.”
“Zwijg nu; ik weet wel hoe je het meent; maar toch, zóó iets duld ik niet.—Doe die deur toe Thomas. Jawel, de deur is open. Niet? Nu zorg dan dat ze dicht blijft.”
Helmond schijnt zich iets te herinneren; en terwijl hij in zijn portefeuille zoekt:
“Waar is mijn recept? Waar is mijn recept Thomas?”
“Uw recept? Ik weet het niet. Welk recept dokter?”
—Welk recept?—Ja, welken patiënt heeft hij dan het laatst bezocht? ’t Is alsof hij zich nog in dien mist bevindt. Hij weet het niet meer.—Ha! nu weet hij het. Aan Jacoba beloofde hij, voor dien ouden man iets te zenden ’tgeen hem weldadig kon zijn.—Ja, nu is ’t hem alles weer klaar. Die oude man heeft een hartkwaal en Coba zal hem ongemerkt in ’tgeen hij gebruikt een geneesmiddel toedienen. En zie, hij ligt daar; daar op dat bed, en hij ziet hem aan, en vuur spat er uit zijn oogen, en hij zegt....—Neen stil, die vloek was razernij; het hart waaruit hij voortkwam is ziek.
—Stil, wees nu kalm Helmond; haal al die zwarte beelden niet door je hoofd; laat Thom niet bemerken dat je zoo overspannenbent; wees sterk! Spoed nu; maak de poeders klaar. Thomas zelf zal ze erheen brengen, en Jacoba uitleggen hoe zij ze geven moet.
Thom heeft den wensch van zijn meester vernomen. Met de meeste liefde zal hij aan juffrouw Van Barneveld alles uitleggen. Wanneer hij dokter hier niet meer helpen kan, dan zal hij zich nu maar aanstonds gereedmaken.
Dokter Helmond weifelt geen oogenblik in de keuze van zijn geneesmiddel—indien het eengeneesmiddel heeten mag.
Cyanuretum zincistaat er op een der fleschjes, die in het afzonderlijk hangende en goed gesloten vergiftkastje geborgen zijn. De sleutel van het kastje ligt op de gewone plaats bovenop. Nu heeft hij het kastje geopend.
“Wie is daar!?”
Ja, er was toch iemand.—Mijnheer Kippelaan struikelt naar binnen, en verzekert dat hij verrukt is, en nog meer, ’tgeen Helmond echter niet verstaat. Kippelaan sprak van mist, en van mevrouw Helmond, en van....—dát was de zaak van zijn intiemen vriend Kartenglimp. Namens den majoor, die sinds het kleine toeval op de partij—amusante partij—niet heel wél was en thuis bleef, en, o wonder—maar natuurlijk bij vergissing—inplaats van amice Helmond, amice—nee pardon,dokterBiermans liet halen, de majoor had hem vriendelijk verzocht dit briefje aan dokter Helmond ter hand te stellen, zeker een explicatie bevattende omtrent de vergissing of verwarring met het roepen van één der amices doctoren. Kippelaan kon parole d’honneur in gemoede getuigen—ofschoon het misschien vreemd klonk—dat hij niet weet wat er in dat briefje staat.
Geen de minste ontroering is er op Helmonds gelaat te bespeuren, nu die wauwelaar hem strak aanziet terwijl hij het briefje leest.—Helmond las:
“De hooggeroemde en zeer wetenschappelijke dokter Helmond, die de dupe was van een ijdele behaagzieke vrouw, zal zich niet verwonderen dat hij door den vriend, dien hij nu op schaamtelooze wijze verguist en belastert, wordt gesommeerd om de hem geleende zes duizend en achthonderd gulden met verschenen interesten op morgen den.... October te voldoen, zullende anders onmiddellijk de sommatie bij deurwaarders-exploit geschieden. Intusschen wenscht de ondergeteekende dat dokter Helmond zich zeer spoedig in de geheele herstelling van zijn dierbaren pleegvader zal mogen verheugen.Kartenglimp.”
“De hooggeroemde en zeer wetenschappelijke dokter Helmond, die de dupe was van een ijdele behaagzieke vrouw, zal zich niet verwonderen dat hij door den vriend, dien hij nu op schaamtelooze wijze verguist en belastert, wordt gesommeerd om de hem geleende zes duizend en achthonderd gulden met verschenen interesten op morgen den.... October te voldoen, zullende anders onmiddellijk de sommatie bij deurwaarders-exploit geschieden. Intusschen wenscht de ondergeteekende dat dokter Helmond zich zeer spoedig in de geheele herstelling van zijn dierbaren pleegvader zal mogen verheugen.
Kartenglimp.”
“Ik dank je Kippelaan.”
“Geen dank! Pas du tout!—Onder vrienden!—Wat ik zeggen wou: De majoor vraagt in dat briefje....”
“Of je hem ’t antwoord heel spoedig wilt terugbrengen!”
“Welzeker, welzeker! Met alle plezier.”
“Zeg hem dat het in orde zal zijn.”
“In orde....? Maar wát?”
“De zaak die ik met hem te regelen heb.”
“Dus een zaak....? Maar à propos, zonder de minste indiscretie: is het waar amice, dat jij....”
“Jaja, dát is waar;” zegt Helmond met een blik die den wauwelaar een weinig doet terugtrekken. Kippelaan staat met geopenden mond:
“Wát? Wa.... blief?”—Enfin, hij hoopte het waar te nemen; en, onwillekeurig terugtredend naar de deur: “Allerliefst in zoo’n lab.... lab.... bretorium. Allerliefst! En vooral de complimenten aan de geëerde familie.Gravenniewaar? Allemaal graven. Pardon!—Adieu!”
Hij wist niet waarom, maar in die laatste oogenblikken had hij het benauwd gekregen. Zou dokter het toch ontdekt hebben van die brieven?—Terug dan; terug! Hij wil hem alles meedeelen; specifiek welzeker! Het brandt hem toch gedurig op de lippen.
—Terug—Nee nee Kippelaan, zwijg! Je zwarte hoed weerkaatste in zijn oogen! En—wie weet, of nu de majoor niet iets loslaat. Wie weet.... wie weet!
Heeft de poging om zich voor dien zotskap goed te houden, Helmond zoozeer overspannen? Hij moet zich aan de toonbank vastklemmen.—Nu gaat het beter. Hij mag in dit oogenblik slechts denken aan ’tgeen hij met spoed heeft te doen. Jacoba wacht. Zij is in onrust.—Ha, schokken als die der laatste uren zouden wel sterker gestellen een oogenblik in de war kunnen brengen.—Doch zie maar, als Helmondwildanishij krachtig. Wanneer hij handelen moet dan zal men niets bemerken.... “Zullende anders onmiddellijk de sommatie bij deurwaarders-exploit....”—Maar wat beteekent dat!? Is er dan geen geld genoeg in de wereld om een ellendeling te voldoen; om....
Eensklaps schaart er zich een reeks van cijfers voor Helmonds starenden blik; en dan, dan ontstelt hij. Hij hoorde gejuich. Hij roept:
“Thom!” en met verheffing: “Thom ben jij daar!?” Helmond houdt de hand voor het licht en ziet naar de deur.
—Neen daar was niemand.
—’t Is vreemd dat hij zich telkens verbeeldt den ouden pleegvader te zien binnenkomen. Hij weet immers dat het onmogelijk is. Maar ’t kon nú Thom geweest zijn. Neen, Thom was het niet. Er was niemand.
Helmond heeft het kleine fleschje met den witten harstachtigen inhoud uit het afzonderlijk hangende vergiftkastje genomen.—Met dien inhoud moet men voorzichtig wezen; zeer voorzichtig.—De lamp met het groene kapje van de toonbank nemend, zet hij haar in de hoogte op den lessenaar. Een vaal groen kleurt nu Helmonds bleek gelaat. Hij houdt het fleschje in de hoogte tegen ’t licht, en keert en wendt het als wil hij zich overtuigen dat hij zich niet vergist.
Nauwkeurig turend, en kloppend op het fleschje, schudt hij nu een zeerzeerkleine hoeveelheid op het koperen grein-schaaltje tegenoverhet miniatuur-gewicht.—Zóó. Niet meer, zóó. Een twaalfde grein kan hij telkens toedienen.... Zeven, ja zes greinen opeens zouden reeds doodelijk zijn!!.... Ho—ho, niet meer... O God, wat vloekte hem een oogenblik zoo woest door het hoofd! Wie.... wát is daar? Wie zingt of schreit er....? Van waar dat luidruchtig rumoer?
—Hoor, een gansche bende nadert. Er klinkt muziek! Een schot knalt voor het raam.
“O God!” Hij duizelt achterover; de kleine flesch slaat hem uit de hand en valt aan duizend stukken op den vloer.
Thom en zijn moeder staan hun vriend reeds terzijde. Ze hebben hem bijgebracht. Hij weet niet wat er met hem is voorgevallen. Maar ja, nu is het weer beter; zie maar, heelemaal beter.—Zeker, hij herinnert het zich. Straks was er een heele drukte voor de deur. Ah juist, in de buurt wordt bruiloft gevierd—bruiloft! Met Huibert en Geurtje in het midden, gaat men een walletje rond maken. Peters met de klarinet, en Dirk met de harmonica zijn vooropgegaan; en vlak bij het apotheekraam heeft een der gasten—zeker Careltje van den bakker, die ’t pistool nooit met rust kan laten—een schot gelost terwijl ze zingend voorttrokken.
’t Was zeer begrijpelijk dat dokter,—in groote onrust over den treurigen toestand, waarin hij den generaal scheen gevonden te hebben, nu van dat schot zoo hevig ontsteld is.
“Wat ons in gewone omstandigheden in ’t geheel niet zal treffen,” zegt de weduw: “dat schokt ons in zulke oogenblikken soms op ’t allerhevigst.”
Helmond ziet naar Thom, die het gevallene heeft opgenomen, en het afgewogene, op dokters weifelend bevel, in poeders gereedgemaakt.
“Bovendien,” aarzelt de goede vrouw, terwijl de tranen haar in de oogen springen: “men maakt het u moeilijk, men....”
“Wie?” zegt Helmond snel opziende, nadat hij Thom een wenk had gegeven, om zich nu met het geneesmiddel zoo haastig mogelijk naarDe Zonsbergte spoeden.
“Waarom niet eerlijk met u gesproken!” zegt mevrouw Van Hake, zoodra Thomas in allerijl is vertrokken: “Als zelfs dekwade tongenzich roeren, dan mag devriendentongtoch zeker niet zwijgen; nee dan zal en moet hij troost en raad geven. Dokter, vriend, u hebt je in schulden gestoken....”
“Wiewiezegt dat? Wie zegt u dat ik schulden heb? Heeft de roos schuld omdat zij de schoonste bloem is en ’t heerlijkst geurt? Heeft de vogel schuld omdat hij het fijnste kleed draagt en er geen reiner zang op de wereld is?” Helmond dacht aan Eva’s lied.
“Beste dokter, ik zou u ook nú willen sparen, maar het mag en kan niet. Men schijnt vrij algemeen te hebben vernomen, dat de notaris het testament van den generaal ten uwen nadeele heeft moeten veranderen of veranderen zal, en daarom....”
“Wie zegt dat?Wie?Ikzeg u dat hetnietwaar is. En al was het zoo, wat gaat dit den menschen aan!”
“Dokter u hebt gelijk, wat gaat het den menschen, wat gaat het mij aan? Maar of het waar is of niet, och dokter, ik heb een dringende bede; als ge die verhoort dan ga ik dankbaar heen. Ziehier.... Het zou mogelijk kunnen zijn dat men u eens lastig kwam vallen. Ja ’t is wel weinig dokter, maar toch eerlijk gewonnen geld. Vijf Russische spoorwegstukjes; ik heb niet ledig kunnen zitten terwijl ik alles om niet genoot.—’t Was voor mijn braven Thom bestemd als hij ooit.... Maar Thom wil er niets van weten. De goede jongen zegt dat hij de dingen nog liever verbranden zag dan in de secretaire liggen terwijl ze ú helpen konden. Och dokter, misschien kunnen ze u steunen voor ’toogenblik, en dan dan... Ja ik moettochspreken, al zoudt u ’t me nooit vergeven: Mijn vriend ik bezweer u, ga met Eva zoo niet voort. Ik ben er zeker van,metú zal ze terugwillen, liever dan in ’t eindealleentemoeten. Helmond, zeg haar alles. O hoor een vrouw van jaren. Verzwijg uw Eva niet dat je haar, om haar zwakheid, uit liefde bedroogt. En dan.... Och zie mij nu eens aan, mijn beste brave vriend, troost u en wees sterk. Al moesten de zwaarste slagen u treffen: de dood van uw pleegvader en het verlies van ’t geen waarop u hebt gerekend,—ik weet het Helmond, slechts in den laatsten tijd,—keer tot uw eigen eenvoudigheid terug. God zal u steunen; ik ben er zeker van.”
Helmond waant zich eensklaps zeer sterk.—Wat wil men toch? Is hij methaargeen millionair? Zijn er geen rijke vrienden die met de duizenden spelen als kinderen met knikkers? Men schijnt zeer veel te babbelen over hem en de zijnen.—Ja, zijn oogen werden vochtig toen de brave vrouw hem daareven die krakende blauwe papieren in de hand wilde drukken. Groote God! was het dan zóóver met hem gekomen, dat een arme weduwe die hij sinds jaren onderhield, hem in stilte haar bijeengegaarden schat als een aalmoes kwam in de hand stoppen!—Edele ziel, of hij niet gevoelig is voor zooveel goedheid? O hij zou u omhelzen willen; hij zou schreien kunnen aan uw moederlijke borst. Maar, als hij bekende? Op wie zou de vloek komen? Op haar, o God, op Eva, zijn dierbare vrouw!—Weg, weg dan met alle zwakheid. Men liegt! Wie is er die geen schulden heeft? Maar de schuldenhier, zullen betaald worden; dat is genoeg. Blijf krachtig Helmond, nú vooral.—Ellendeling!
—Wie heeft hem dat woord zoo onverwacht in ’t oor geblazen? Helmond beefde. Maar dat duurde slechts een oogenblik.
Nu zegt hij zeer ernstig terwijl hij mevrouw Van Hakes hand aan zijn lippen drukt:
“De menschen zijn zeer belangstellend; maar niet allen op uwe wijze. Ik ben u dankbaar trouwe vriendin; maar.... uw vermoeden is ongegrond. Ik ben.... ik heb.... Wordt daar aan de deur geklopt?”
Mevrouw Van Hake ging naar de deur en opende die. Neen er was niemand.
“Men spreekt onwaarheid!” herneemt Helmond op zonderling geheimzinnigen toon: “Ik heb ’t u vroeger al gezegd: wij hebbeneen bron van inkomsten.... Zij, jazij.... Niet ik....” Hij ziet haar zeer strak in de oogen: “En als hij sterft, dan.... ja!”—Ellendeling! klinkt liet weder, doch alleen voor hem verstaanbaar. En zich haastig afwendend zegt Helmond, dat hij nu naar huis moet. ’t Was reeds zeven geslagen. Eva zal wachten en verlangen; ja, zij zalzeerverlangen.
Mevrouw Van Hake staarde nog met bezorgden blik in de richting der deur, toen de dokter haar reeds verlaten had.
Ja, de uren duurden Eva vreeselijk lang. Ze wist niet dat de zieke, waarheen August zich zoo ijlings had moeten begeven, de generaal was, ofschoon ze wél weet dat hij ziek is. Sinds haar verjaardag werd de naam van “dat heer” op haar uitdrukkelijk verlangen—neen, op haar dringend verzoek, niet meer genoemd. Ze denkt niet aan hem; ’t is haar de moeite niet waard.
Maar aan haar besten August denkt ze. Sedert zij straks naar beneden ging, moest zij—na dien curieusen droom—denheelen tijdaan hem denken. Zij heeft somwijlen een gevoel alsof het mooie plafond op haar zal neerkomen als het bovendeksel van een kist. Aan haar toestand mag ze het toeschrijven dat ze zulke nare droomen heeft. Straks had ze ook erg voorover gezeten terwijl ze sliep.—’t Was een mooie scène: Onze Lieve Heer boven eenbal masqué! Hoe komt men aan zulke zotte profane droomen? En de hand, die den Elfenkoning zoo onbarmhartig wegnam, wat was die hand onbegrijpelijk groot, en toch precies een gewone hand; ja zelfs, in den vorm, was het de hand van papa....—Papa heeft haar gisteren zeer zonderling ontvangen, en gezegd.... Nu ja, maar papa is geen evangelie. Papa is onaangenaam, en Louise is een malle zottin. Als Eva dan zelve uit goedhartigheid bijna al de heerlijke overblijfsels van zoo’n feest naar haarouders huisbrengt, dan is het onaardig dat men iemand tot dank met allerlei onnoodige predikatiën verveelt, en halsstarrig weigeren blijft om van al die onbekende heerlijkheden iets te gebruiken.—Bah! wat gaat hethaaraan; maar verwijtingen uit jaloezie, uit....
—Als het waarwas! Maar het isnietwaar. Men kan mij toch niet opdringen dat wit zwart is....—Zwart!—Waarom heb ik een zwarte japon aan vandaag? ’t Is een doodsche kleur. Ik wil niet in ’t zwart zijn als Helmond thuiskomt. De rose barège ziet hij zoo graag. Ja, en dan zal ik hem vragen ....
Er wordt geklopt. Eva ontving weder een briefje.
Onder het lezen ervan betrok haar gelaat. Mevrouw Helmond werd beleefdelijk verzocht om de familie-papieren der graven Van Armeloo, “die zij zich had toegeëigend”, nog dezen avond terug te zenden, zullende anders de zaak in handen van den kantonrechter worden gesteld.... Het briefje was met eenKonderteekend.
Dat warendelaatste krachtelooze sprongen van een geketend monster.
Van uur tot uur was Ronner-Kartenglimp er sedert dien avond op bedacht geweest om zich te wreken. De zoete prooi was hemontgaan, helaas door eigen schuld!—Waarom is men toch altijd onvoorzichtig wanneer een doel, waar de wereld niet mee van noode heeft, moet bereikt worden, al zal men ook dagen en weken lang zijn plan hebben gewikt en gewogen? Was het geen verregaande roekeloosheid, om haar op den avond van het feest in dien koepel te lokken? Neen, dronken van genot en glorie, zoo heeft hij berekend, zal ze het willigst den prijs betalen voor de grootste eer en de schitterendste toekomst. Ha, die schoone vrouw! Ha!! Maar alles is voorbij. De begoocheling is nu verdwenen. Inplaats van de zaligste genietingen, waren zeer benauwde oogenblikken het loon geworden voor al zijn moeite tot het spannen van een “zekeren strik”, en het oefenen van een geduld, waartoe hij vroeger onmachtig zou geweest zijn, maar nu, door zijn vurige “liefde” instaat was gesteld.
—En nu wát wil de “blancbec” die hier ter kwader ure uit Indië kwam overwaaien? Ronner heeft het wèl verstaan: die melkmuil zal zijn instructiën vragen. En dan....? Maar tot zóólang kan niemand hem deren.—Hij beval hem van die ontmoeting in den koepel te zwijgen.—Nu, dat zou hij doen; ’t mocht toch maar ten zijnen nadeele worden uitgelegd. ’t Was een charade; welzeker, een charade; haha!—Maar die dwang om zich ziek te houden, of althans zich nergens te vertoonen? Wat vermeet zich die kwajongen, die indringer; om eenmajoordaartoe te durven dwingen! Op dat oogenblik in den koepel, en later hier op zijn eigen kamer, was hij te zeer onder den indruk van die teleurstelling om zich te kunnen toonen; welzeker! Maar nu, voor den d.... als hij nú hier was, hij zou hem een anderen toon leeren aanslaan; hij zou hem, ha! een degen door ’t karkas jagen, en dan uitlachen om al zijn heldenmoed!—Nochtans, dewijl kalmte voor zijn gestel hoogstnoodzakelijk is, heeft Ronner toch besloten om zich in den eersten tijd bedaard te houden. Waartoe noodelooze opspraak te verwekken? Aan Kippelaan en een paar andere bekenden, die hem een bezoek brachten, heeft hij wel bemerkt dat er niets van die scène is uitgelekt. Den tijd, dien hij nu beschikbaar heeft, kan hij niet beter gebruiken dan zich te vermaken met het schrijven van eenige briefjes; ze zullen dan toch bewerken dat dien edelen braven dokter, aan de zij van dat prachtige vrouwtje, het angstzweet zal uitbreken, en dat die weerspannige zelve in ’t eind.... hahihaha!
Op dit oogenblik verlangde Ronner naar iemand dien hij inderdaad veracht, ofschoon die persoon hem—onbewust—reeds dikwijls een dienst heeft bewezen.—En zie, nu men hem hebben wilde, nu kwam hij niet. Ronner wil weten hoe de zaken staan; welke uitdrukking er zich op Helmonds gelaat teekende toen Kippelaan hem dat briefje overhandigde. Hij wil weten hoe het met dien ouden generaal is; of de notaris er reeds een testament heeft gemaakt; hij wil weten of de jonge doktersvrouw.... Ha! wat gloeit hem weer eensklaps het hoofd; hij wil weten of zij nu, ja nú thuis is....alleen. Wat raakt het hem of hij zijn woord aan dien jongen gaf. Zal een gepensioneerd majoor zich laten ringeloorendoor zulk een individu; door een.... die hem de epaulet.... Stil, dat weet niemand; dat raakt niemand.—O! indien hij bij die vrouw nog herstellen kon wat hij bedierf. Hij zal haar zeggen dat hij al de schulden van haar man wil vereffenen; dat hij haar voor die gewaande vrouweneer de hoogste eer zal doen geworden.—Zou hij lafhartig zijn en op ’t bevel van dien kwajongen nog langer arrest houden! Hardenborg is toch ’s-avonds niet in de stad en niemand weet van dat,—uit overspanning, maar al te gewillig aanvaard arrest.
—Voort, het brandt hem vanbinnen. Voort!
Terwijl de avond viel was de mist van lieverlede verdwenen. ’t Was guur weer geworden, zeer guur. De Romphuizer straten verkeerden zoo goed als in volslagen duisternis, want men verwachtte over een half uur—volgens den almanak—de maan.
En, in den omtrek van het groote doktershuis zwierf onbespied een zwarte gedaante rond.
—’t Is wel zeker dat ze zich daarbeneden, in die zijkamer, moet bevinden, denkt hij, terwijl hij onder de boomen van het marktplein staande, naar een venster tuurt, waarvan de blinden nog niet vast zijn gesloten, zoodat er in ’t midden een groote lichtstreep naar buiten glanst.—Is ze daar? Alleen?—Ronner doet een paar schreden terzij, en, schrikt dan geweldig. Onwillekeurig had hij de hand tegen den killen ijzeren slinger van een stadspomp gestooten.—’t Is niet goed voor zijn gestel zoo alleen in ’t duister. Men kon schrikken; er zou iets kunnen gebeuren. Maar als zij dan dáár alleen is! Immers die brave man zal wel weer naarDe Zonsbergzijn,—haha, nu het er op aankomt!
—Ja, als zij dan daar werkelijk geheel alleen was....
Ronner staat nu voor het raam, en houdt de hand boven de oogen.—Hij ziet haar door den kier. Zeker is zij alleen, want ze tuurt en staart voor zich uit. Wat is ze schoon, wat is ze betooverend schoon! Voort dan!
Reeds heeft hij de stoep beklommen, en.... Wat hoort hij? Komt er een rijtuig van de Hoenderveldsche straatzijde? Ja, twee glimmende oogen grijnzen hem van verre aan: ’t zijn de lantarens. Het rijtuig nadert naar deze zijde. Terug Ronner, wanneer het die Indiër ware. Terug!
Zoo snel ’t hem mogelijk is, spoedt hij zich de stoep weer af, en gaat den hoek van het huis om.—Toch moet hij zien of hij zich niet bedroog.—Het rijtuig houdt stil voor de stoep. Men schelt. Zie, hij wipt de wagentree af. Het schijnsel uit de opengaande deur verlicht voor een oogenblik zijn gelaat. Ja, hij is het. Vervloekt, hij is het! Zou die blancbec inderdaad bij haar....? Ja, ja, natuurlijk!
—Ha! isallevrouwendeugd bedrog, dan is hetzekerde deugd van zulk een ijdel wezen! Ah zoo, ze heeft dan voortreffelijk haar rol in dien koepel gespeeld! Maar ha, nú zal ze het boeten, nú zal hij zich wreken op die allen tegelijk.—Spoed Ronner, ze zullen nu allen tezamen boeten. Voort!
Ronner heeft zijn plan in hetzelfde oogenblik gevormd: Tweeregels zal hij schrijven aan dien goedaardigen echtgenoot. Twee regels: “Ga naar huis en vind uw geliefde in de armen van een dapperen huichelaar!”
Dát, en niets meer; maar ’t zal genoeg zijn. Voor een paar kwartjes is Hannes de harddraver die aan den wal woont, zeker gemakkelijk te vinden om den dokter, binnen een kwartier—’t zij aan de apotheek waar hij moet geweest zijn, ’t zij opDe Zonsberg—het bericht in handen te spelen. Hannes kon zwijgen; Hannes is iemand op wien men vertrouwen kan. Ronner weet het bij ondervinding.
Met het voornemen om dat briefje ter bespoediging maar even in Hannes’ woning te schrijven, spoedt de majoor zich nu haastig naar den wal. Hannes woonde daar niet ver van de Hoenderveldsche Poort of brug, en zijn woning lag, evenals het oude doktershuis, een weinig in de diepte.
Het kleine huisje is wel te vinden. Ronner kent het. Op den wal was het toch iets lichter dan onder de boomen op de markt. En, ofschoon de wind onaangenaam koud is en de duisternis hem weinig bevalt, Ronner heeft weldra het eind der straat bereikt.—Zoo, dezen hoek om; nu de glooiing op. Dit is de wal; rechts en links zijn boomen. Daar, in dat huisje, waar nog licht brandt, moet hij wezen.
—Wat is dat?—Welk woest rumoer en getier nadert van gindsche zijde? Wat wil men? Heeft die luitenant hem gezocht misschien—op zijn kamers, bij Helmond, overal, en niet gevonden? Komt hij nu met een ganschen drom....?
—Nee, stil; vrees is kinderachtig. ’t Zijn vroolijke menschen. Hoor, zij zingen.—Ze maken muziek.—Maar toch, zij komen naar dezen kant. Dat volk is dikwijls dronken; men kan niet weten....! Als ze hem hier in de duisternis zoo alleen zien, dan zullen ze denken dat hij iets kwaads in ’t zin had. Ze zouden hem in hun overmoed of dolle dronkenschap een onheil kunnen toebrengen. Hij wil hen uit den weg gaan. Als hij zich achter dien dikken lindeboom verschuilt, dan gaat de troep hem voorbij zonder hem te bemerken....
Hij klemt zich vast aan den boom, want de walkant is glibberig nat.—Hoor, ze komen al nader. Hoor, ze zingen:
“Nooit geen nood,Nooit geen nood.Zoetelief trouw, tot in den dood.”
“Nooit geen nood,
Nooit geen nood.
Zoetelief trouw, tot in den dood.”
En de dansende stoet kwam al nader:
“Daar niet van,Daar niet van,Allevrouw pakt ’er eigen man.
“Daar niet van,
Daar niet van,
Allevrouw pakt ’er eigen man.
“Nooit geen rouw,Nooit geen rouw,Alleman zoent z’n eigen vrouw.”
“Nooit geen rouw,
Nooit geen rouw,
Alleman zoent z’n eigen vrouw.”
Ze komen al nader. Ze zullen hem zien; en als ze hem zien, hier achter dien boom, dan zal men nog eerder denken dat hij iets kwaads in ’t zin had. Maar toch, hij durft niet zoo eensklaps van achter den boom te voorschijn komen.
En al dichterbij klinkt het:
“Nooit geen nood,Nooit geen nood,Werken trouw voor ’t daaglijksch brood.
“Nooit geen nood,
Nooit geen nood,
Werken trouw voor ’t daaglijksch brood.
“Hop hop hop,Hop hop hop,Schelmen trappen ze op den kop;Schelmen smijten ze uit de deur;Albeneur,Albeneur!”
“Hop hop hop,
Hop hop hop,
Schelmen trappen ze op den kop;
Schelmen smijten ze uit de deur;
Albeneur,
Albeneur!”
De stoet, is op een paar schreden afstands, den boom genaderd. De majoor Ronner trilt over al zijn leden. Hij duikt een weinig naar omlaag. Maar zie, een vurige tong vloog op hem af. Een vreeselijke knal dreunde hem in ’t oor; en....
—O God wat is dat! Wat kreet heeft zich daar met het pistoolschot van Careltje, en een blij hoezee der bruiloftsgasten vermengd? Wat plofte daar van den tamelijk steilen wal in de nauwe half droge gracht? Wat zou het wezen?
“Kom, niemendal; een dood stuk hout,” riep er een.
“Wat raakt het ons!” zei een ander. En opdat de feestvreugde niet zou verstoord worden, blaast Peter luider en scheller op de klarinet, en roert Dirk de harmonica nog sterker, en op een paar enkelen na die hier ’t ergste vreezen, trekt de feeststoet verder, weer zingend met klem:
“Hop hop hop,Hop hop hop,Schelmen trappen ze op den kop.”
“Hop hop hop,
Hop hop hop,
Schelmen trappen ze op den kop.”