EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.De generaal Van Barneveld bevindt zich in de serre—zijn lievelingsverblijf.—Hij heeft er nogmaals inspectie gehouden over de camelia’s, azalea’s, cactussen en zoo vele andere bloemsoorten, en zegt nu tot den tuinbaas die de inspectie heeft bijgewoond:“Jawel baas, alles in orde! Je hebt goed gezorgd.”“En wat zeit menheer wel hiervan?” vraagt de tuinman, terwijl hij een kleinen pot van de stelling neemt: “Ziet de generaal dat uitbotsel wel? ’t Is aardigheid zeg ik. Ja generaal, als d’r leven is dan is d’r nog hoop, zeg ik! Je zoudt het anders van zoo’n takje meidoorn waar blom aanzat en dat al aan ’t zuchten was, niet gedacht hebben. De generaal heeft er eer van.”“Je kunt dat ding nu wel buiten zetten baas.”“Dat zou ik den generaal voor de vaste waarheid niet durven aanrecommandeeren. We hebben gisteren al een nachtvorstje gehad, en als het hier blijft, dan.....”“Ik zeg: je zoudt het buiten zetten!”“Allebeneur, als de generaal het verkiest.—Nog iets van je bevelen menheer?”“Niemendal baas. Alleen wil ik je zeggen dat je in mijn afwezigheid goed hebt opgepast. ’t Was je plicht, maar ’t zal je toch aangenaam zijn te hooren dat ik tevreden ben.—Je kunt gaan.—Hé baas, zeg eens: Jij hebt vroeger bij den Haag gediend, niewaar? Juist, ik meende het. Dus den tuingrond ken je daar?”“O generaal als m’n eigen zelf.”“Goed! Je kunt gaan.—Zeg aan Hendrik dat ie na’t ontbijt even naar stad moet met een briefje aan den notaris.”“Best menheer;” zegt de tuinbaas, en dan schoorvoetend, terwijl hij de pet in zijn handen ronddraait:“Zou ik den generaal wel een vraag mogen doen?”“Welnu?”“Och menheer, je ziet me zoo bleek tegenwoordig. ’t Is ons allemaal op ’t lijf gevallen toen je thuis kwaamt. Als de generaal toch eens den dokter—menheer Helmond liet komen, ik geloof....”“Dankje voor je belangstelling baas. Ik ben heel wèl.—Ga nu!—Hei! je vergeet dien pot. Je kunt hem wel wegdoen.”Zwijgend zit Van Barneveld nu een geruimen tijd binnen zijn lievelingsverblijf op een tuinstoel, met den blik, door de openstaande glazen deuren, over het smalle balkon der serre, in het tintelend verschiet.—Wie heeft hem geroepen?“Ah Coba, ben jij het! Wat is er?”“Komt u ontbijten lieve papa? ’t is al een kwartier over den tijd.”“Hé een kwartier.... Ei!—Geef me den arm kind.”“Waart u weer in gedachten verdiept?”“Ja Coba, ik dacht daar juist dat het hier toch stil is,heel stilop den duur.”“Maar die stilte vind ik juist zoo heerlijk.”“Ei!”Na eenige minuten, terwijl men aan de ontbijttafel heeft plaats genomen, herneemt de generaal met vaste stem, doch afgewend gelaat:“Ik heb beslotenDe Zonsbergte verkoopen Coba.”Jacoba ontstelde! Toch kwam liet bericht niet geheel onverwacht. Zij heeft het gevreesd. Ze zwijgt.“Spijt je dat Coba?”“Het antwoord lieve vader, mag ik u schuldig blijven. Er is iets wat memeerspijt; u weet het.”“Meer spijt....? Wat meen je?”Jacoba is opgestaan, en, bij den generaal gekomen, vlijt ze haar bleek gezichtje aan dien zilverwitten schedel: slaat den arm om zijn schouder, en dan bijna fluisterend zegt ze: “De reden wáárom u het doen wilt.”“Zwijg daarvan Coba.”“Och papa, kan ik dan zwijgen als ik zie dat uw dierbaar leven onder dien last moet bezwijken. Zou er dan geen mogelijkheid zijn om.... August, en Eva voor ons, voor ú te herwinnen?”“NeeNEE! dat isONMOGELIJK!” zegt de generaal met een kracht die de teedere Coba doet ontstellen: “Noem mij den naam van dat wijf niet meer,nooit, nimmer meer. De helle veeg die hem dronken maakt; de lichtekooi die....”“Stil stil; bedaar beste vader....”“Vergeef me klein lief meisje, ik dacht er niet aan dat jij hier waart.” Hij strijkt met de hand langs het voorhoofd, en dan: “Jij bent heel wél niewaar? Tenminste.... je ziet er bepaald.... zeerzeergoed uit.”Jacoba beschouwt haar vader eenige oogenblikken stilzwijgend met teederen blik.—Neen, hij ziet ernietgoed uit, in ’t geheel niet. Zijn oogen staan flets, en in oogenblikken als deze, wanneer hij zich te veel door zijn smart laat vervoeren, bespeurt Coba zeer duidelijk dat zijn ademhaling beklemd is. Zie, terwijl hij zich achter een courant te verbergen zoekt, drukt hij de hand ter plaatse van het hart.—Ja, Haar dierbare vader is ziek. Zijn hartzeer heeft mogelijk de kiem ontwikkeld eener kwaal waaraan zijn moeder, ofschoon in hoogen ouderdom, bezweken is.—Indien de kalmte in dat hart mag terugkeeren en de juiste middelen worden aangewend, ja, dan kan ook die beste vader tot in hoogen ouderdom voor haar gespaard blijven, Maar anders....! Welnu, papa en Helmond moeten met elkander verzoend worden, ’t koste wat het wil. August en Eva moeten den lieven vader excuus vragen.—Waarvoor?—Coba weet het zelf niet recht. Maar excuus moeten ze vragen, al ware het slechts omdat ze zonder haars vaders toestemming dat groote huis hebben gekocht. En als alles dan in orde is, dan moet dokter August papa eens flink onderhanden nemen, en hem weer sterk maken zooals hij het was voor weinige maanden.Jacoba heeft haar besluit genomen: Al werd het haar ten strengste verboden om, op welke wijze dan ook, met Helmond of zijn vrouw in aanraking te komen, Jacoba meent het eenvoudige en eenige middel gevonden te hebben om den verbroken band der liefde weer aaneen te hechten.—Dominee Hoogerberg, den waardigen predikant, zal zij in den arm nemen. De verstandige leeraar zal, van zijn heerlijk standpunt, bewerken wat zelfs een eenig kind niet bewerken kan. Ginds zal zijn liefderijk vermaan tot ootmoed en berouw bewegen; en hier, door zijn bediening er toe gewettigd, zal hij wijzen op het voorbeeld van den lijdenden Jezus, die zelfs aan het kruis nog bad voor zijn moordenaren.Den volgenden morgen was de schemering ternauwernood geweken, toen Jacoba Van Barneveld zich reeds op weg bevond om dominee Hoogerberg te gaan bezoeken. Een groot uur later mocht zij met dankbare zelfvoldoening de pastorie verlaten. De edele predikant, die wel met luste zich verblijden kon met de blijden, maar wiens dagelijksch leven inderdaad het waarachtige leven mocht heeten: een leven tot heil en geluk van anderen; dominee Hoogerberg heeft aan zijn lieve bezoekster zeer stellig beloofd dat hij haremededeeling onder ’t zegel der diepste geheimhouding zou bewaren, en alles doen wat hem mogelijk was om de zeer betreurenswaardige verwijdering—waarvan hij reeds hoorde spreken—ten goede te doen verkeeren.Dominee Hoogerberg zou doenwat hem mogelijk was.—Meer heeft hij niet gezegd.—Ja zelfs toen hij het zeide vreesde hij meer dan hijhoopte. Hoogerberg wist maar al te goed, dat hij de harten der menschenkinderen niet vruchtbaar kan maken. Zaaien kon hij, niets meer! Eva Armelo’s karakter meent hij te kennen, reeds van der jeugd afaan; en de oud-generaal, die haat, wat hijzondenoemt, met een vreeselijken haat, hoe zal men hem doen gevoelen, dat zijn onverzoenlijkhateneen zonde tegen den armen schuldige wordt! Hoogerberg zou zaaien—zóó heeft hij in stilte besloten—mocht God den wasdom schenken, zoo mogelijk nog in dit leven!Op haar terugtocht naarDe Zonsbergneemt Jacoba, met een kleinen omweg haar pad langs het achterpoortje der groote kerk.Nog eer zij het heeft bereikt, staat ze een oogenblik luisterend stil.—Neen, ’t zwijgt alles daarbinnen. Haar hoop is in rook vervlogen. En zie, ook het poortje is gesloten. Maar stil, stil! Hoor dan.... Jawel; daar klonken de volle tonen van het orgel weer. Een huivering van blijdschap doortrilt Jacoba’s leden. Neen, daar is niemand in het straatje, niemand die haar ziet. Ze slaat de hand aan den zwaren klinkring der kleine poortdeur. Ze was wel toe, maar niet gesloten....’t Is kil in de kerk. Een sterkere huivering doet Jacoba beven. Starend voor zich heen, staat ze daar stil en luistert. Vraag haar niet wat ze zou wenschen in dezen stond. ’t Is immers zoo somber en eenzaam en kil in de ruime holle kerk....hier beneden. En de orgeltonen, die daarvan bovenklinken, ze stijgen al hooger en hooger....Met den arm op de leuning eener kerkbank geleund, bedekt Jacoba haar bleek gezichtje eenige oogenblikken met beide handen. ’t Was haar eensklaps alsof ze zich in een luchtzee bevond, in een blauw tintelenden aether—eindeloos, eindeloos ver aan alle zijden. En, gansch van verre, daar zag ze hem zitten, als een koning, als David, spelend op de harp,hemden schoonen jongeling, dendierbare, die nooit heeft vermoed dat Jacoba hem zoo liefhad.—Nu is het voorbij. Dat was een week, een zonderling zwak oogenblik. Wanneer ze haar lang gekoesterd plan geheel wil volvoeren, dan moet ze nu krachtig en flink zijn.Met de grootste verbazing zag Thomas Van Hake Jacoba het orgelkamertje binnentreden. Ofschoon hij wel gedurig aan Jacoba’s wensch heeft gedacht om het orgel eens te zien; ’t was al zoo vele weken geleden sinds ze dien wensch te kennen gaf, dat hij, althans in dezen stond, volstrekt niet op hare komst was voorbereid. Thom is in ’t geheel niet verlegen, maar toch, het was hem bij Jacoba’s binnentreden alsof het geheele orgelkamertje in brand stond.In de eerste dertig seconden weet hij eigenlijk niet wat ze spreken; alles ziet hij dubbel, totdat hij eindelijk de eerlijke verklaring aflegt:waarlijk wel een beetje verrast te zijn, juffrouw Van Barneveld al zoo vroeg hier bij zich te zien.“Ik stoor u menheer Van Hake; maar ’t was onze afspraak dat ik eens in de vroegte zou komen kijken hoe het er op zoo’n orgel uitziet. Speel u gerust door. ’t Klonk heel mooi. Gerust!”“Nee, waarlijk niet juffrouw Van Barneveld. ’t Is al een heelen tijd geleden sedert ik hier ’t laatst speelde. En.... en....” Thom wist niet meer wat hij zeggen zou. O ja, hij moet haar ’t een en ander uitleggen: “Ziet u juffrouw, hier zit je nou net precies als voor een piano, en je speelt er ook precies zoo op, en dan dáár op zij, ziet u, dat zijn de registers, die kun je uittrekken, allemaal een verschillenden toon; en daar beneden, daar heb je een klavier voor de voeten; dat is nog al zwaar, tenminste voor een bink zooals ik. Maar o, als u hier onzen goeden Donerie gezien hadt, dat ging met een gemak van belang!—Och, wilt u wel gelooven juffrouw, dat het geen wonder is als ik hier soms wat van streek raak. Goed is er nooit op dit orgel gespeeld dan door één, en die ééne was hij.”Nadat Thomas, die zich intusschen geheel herstelde, nog eenige explicaties had gegeven, moest hij ten laatste voor den wil van die “bleeke heerlijke engel” bezwijken, en speelde hij den 103denpsalm zóó goed, dat zijn zalige meester, indien hij het had kunnen hooren, hem een bravo zou hebben toegeroepen.Jacoba moest zich aan de leuning van de houten orgelbank vasthouden. Thom zit met den rug naar haar toe. Haar oogen dwalen het vertrekje rond.—De wanden zijn naakt; een klein wit houten tafeltje met een ouden matten stoel vormen het geheele ameublement.—En op dat orgel, op dat klavier speelde hij dien zwanenzang! peinst Jacoba, terwijl de orgeltonen haar weemoedige stemming nog verhoogen.—En hier op deze houten bank, hier zat hij dan neer, en dacht er niet aan dat er ééne was, die de hardste bank en de soberste bete wel gaarne met hem zou gedeeld hebben haar gansche leven. Ach, waarom heeft ze door hier te komen de langzaam heelende wond weer opengereten?—Waarom?Omdat ze geen volkomen rust zou vinden, aleer ze die zucht had bevredigd om ook dit verblijf te zien, het kleine Zondagsvertrek, ’t welk de dierbare wel eens zijn heiligdom genoemd heeft.—En is zij dan nú tevreden? Nogmaals ziet ze rond. Zou er dan werkelijk niets, volstrekt niets zijn, ’t welk ze met zich kan nemen als een herinnering aan dit heiligdom, als een reliek....? Met haar kleine mes zou ze een spaander van die bank willen snijden. Ze zal.... Maar die knaap zou het bemerken; en dan.... Hoe! ziet ze wel? Steekt daar de punt van een blad papier uit de lade der kleine tafel?“Volstrekt niet uitscheiden, volstrekt niet menheer Van Hake, ik vind het zoo heel mooi; ’k wilde maar even op dien stoel gaan zitten; ’t voldoet nog meer zoo’n beetje achteruit. U speelt overheerlijk!”“Och lieve juffrouw, ’t is al te veel lof voor mijn broddelwerk;” zegt Thom, terwijl hij zijn hart voelt kloppen; en al voortspelenddenkt hij: Ben je gek! Je zoudt uit de school van dien Kartenglimp moeten zijn, als je je zóó iets verbeeldde. Dat fijne lieve kind zou hier komen om jou! Schaam je wat! en immers—er is een vertelseltje: Daar was eens een apthekersjongen die geen cent bezat, en die jongen was een tijd lang een gek. Maar nu, hij is het niet meer.—Forto, Forto!Thomas speelt inderdaad met kracht en gevoel. Maar Jacoba hoort het niet. Op den stoel nabij het tafeltje gezeten; gedurig het oog naar den speler gekeerd, trekt ze snel maar zachtjes de lade open. Van het piepend knarsen schrikt ze. Gelukkig werd het geluid voor den speler door het orgel overstemd. Het blad papier ’t welk Coba’s opmerkzaamheid had getrokken, bevredigt haar niet. ’t Was een verfrommeld, afgescheurd muziekblad. Maar nu, zie, ’t is een oud, geschreven muziekboekje ’t welk ze, steeds dieper tastend, uit de la heeft te voorschijn gehaald.’t Hing zeer uiteen; een menigte aanteekeningen meest met potlood bevonden zich boven of beneden de notenlijnen.Eensklaps overdekt een purperrood Jacoba’s gelaat. Haar voorgevoel had haar niet bedrogen. Op de eerste bladzij daar leest ze: “Liedjes van Herman Donerie voor piano” en dan, met potlood er naast geschreven; “Prullen van een twaalfjarigen wildzang. Men dient te leeren lezen voordat men schrijft.”Neen, Jacoba bedriegt zich niet; dit alles is vanzijnhand. En dat onschatbare manuscript lag hier begraven en vergeten in een la dier kleine tafel!....—God, daar zwijgt het orgel! Van Hake ziet om, en haar aan. De gedachte om het boekje weer ijlings in de la te bergen is even spoedig verworpen als ze gerezen was. Inwendig bevend, tuurt Jacoba er in, en ofschoon het spreken haar moeite kost, toch zegt ze snel:“Ik vond hier dit boekje, en dacht dat hetgeen u speelde er in stond, maar....”“Hé, indatboekje? ik ken het niet juffrouw, ’t Was een psalm dien ik speelde.”“Ah juist,” zegt Jacoba; en zich geweld doende, neuriet ze van het blad het begin eener melodie uit de “Liedjes van Herman Donerie.”“’t Komt me zoo bekend voor, zoo fameus bekend. ’t Boekje is dus niet van ú mijnheer Van Hake?”“Nee, pardon juffrouw!”Jacoba heeft zich geheel hersteld.Opstaande en hem het boekje toonend, vraagt ze:“Kunt u ook zien of het hier op ’t orgel thuis behoort?”Van Hake heeft het ingezien, en niet zonder ontroering zegt hij:“Dat schijnen oude composities van mijn besten vriend te zijn.”“Van....?”“Van Donerie juffrouw.—Waarschijnlijk hechtte hij er geen waarde aan en bleef het boekje hier liggen.”“Och-kom.—Men zou het dus wel eens kunnen meenemen? Die ééne melodie komt me toch zóó bekend voor.... zoo fameus bekend.... dat ik ze graag eens zou spelen!” Ze legt het boekje op de tafel:“Wat ik zeggen wilde, u spraakt daar van uw vriend; hebt u nog al satisfactie van uw bemoeiing....?”“U bedoelt voor dat monument juffrouw? Ja zeker,” vervolgt Thom, en nadat hij vlug een kort verslag van den loop der zaken, en nog den meesten lof aan zijn ontslapen leermeester en vriend heeft gegeven, besluit hij op diep weemoedigen toon:“Och, als u ’t mij vraagt juffrouw, dan geloof ik vast dat ditzelfde orgelkamertje dien laatsten keer een soort van Gethsemané voor hem geweest is.”“Hoe zoo ...?”“Och lieve juffrouw, er was er één die hij liefhad, en.... die eene....”“Dieééne?” zegt Coba terwijl ze zich afwendt. Maar Thomas antwoordt niet. Is dan ook de Kippelaansduivel in hém gevaren? Heeft hij alweer te lang of te veel gebabbeld? Moest hij dan hier dat zwakke lieve engeltje met zooveel treurigs bezighouden! Zie, ze is weer zoo bleek als een doode geworden. De herinnering aan dien morgen bij Krul heeft haar zeker te fel geschokt. Lieve hemel, als ze nu hier weer ongesteld werd.... indien ze weer een flauwte kreeg....! Maar hoe ... een flauwte hier!! en haar dan te kunnen opvangen; haar te wiegen in zijn armen, te klemmen aan zijn hart; haar die lieve zachte oogjes onbespied weer los te mogen kussen, en....—En.... een vervloekte struikroover te zijn, een geweldenaar, een inbreker. Thom, Thom! waar dacht je aan!—Goddank! juffrouw Van Barneveld krijgt geen flauwte. Goddank, zijn armen en hulp zullen niet noodig zijn. Maar Thomas is nu verschrikkelijk de kluts kwijt. Waarom kwam ze dan ook hier! Immers hij heeft het haar niet verzocht.—Een apthekersjongen, al bezit hij geen cent, is immers ook niet van steen, maar van vleesch en bloed. Inderdaad, hij wenschte nu dat ze heenging, of anders zou het waarachtig nog kunnen gebeuren dat die apthekersjongen tóch eengekwerd.“O, zeer tot uw dienst juffrouw! ’t Was al heel weinig en gebrekkig wat ik speelde. Als de juffrouw bij gelegenheid nog eens weer.... Maar nee, nee, dat mag ik niet vergen.—Wel de complimenten als ik verzoeken mag.—Voorzichtig, de trap is wat steil, voorzichtig!—Ei! wacht lieve juffrouw, u vergeet dat boekje, wacht!”Of Jacoba het werkelijk vergeten had?—Ach, haar kloppend hart smeekt God in stilte om vergeving, dat het bewaren van haar hartsgeheim haar zoo dikwijls tot veinzen had gedwongen.—Ha! Er was er dan toch ééne, die hij heeft liefgehad!O! zij heeft niet willen vragen, ennooitzal ze er naar vragen wie die ééne geweest is. Maar nu, ja gewis: wie zijn nagedachtenis het innigst vereert, die zal hij uit hooger orden de zijne noemen. O goede God, en wie vereert die nagedachtenis meer dan zij, de zwakke Jacoba!TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.De avond die den dag voorafging waarop Eva’s geboortefeest in het nieuwe doktershuis zou gevierd worden, was als ’t ware de aankondiger van het gure seizoen. Geen wonder, October stond voor de deur. De regen viel bij stroomen neer, en de wind koelde zijn woede aan de reeds geel en bruin geworden bladeren.Dokter Helmond liep—zooals hij zich in den laatsten tijd had aangewend—in gedachten de groote huiskamer op en neer.“Maar lieve August, ’t zou verschrikkelijk zijn!” zegt Eva, terwijl ze van haar borduurwerk opziende, langs de lamp heen haar wandelenden echtgenoot met de oogen volgt.“Verschrikkelijk! Wat meen je Eva?”“Wel, als het morgen zulk een weer was! Onze heele tuin-illuminatie viel in duigen; ’t zou allerakeligst zijn!” Na een oogenblik stilte: “August, waar denk je toch aan? Weer muizenesten? Toe kom dan eens hier. Foei, tobberijen over niemendal, terwijl ik in zorg ben over ’t geen ons nu toch het meest moet ter harte gaan: ons feest! het feest op den verjaardag vanje wijfjeAugust!“Welzeker!” zegt Helmond: “als het zulk een weer was dan zou....”Eva bemerkt niet dat haar echtgenoot in dit oogenblik een hevigen strijd heeft te strijden. Opgestaan is Eva hem nabijgekomen en zegt nu met haar zoetste stem: “Als ik morgen waarlijk den schoonsten dag van mijn leven door de liefde van mijn besten man zal genieten dan....” zij strijkt met haar zachte hand over Helmonds voorhoofd: “dan mag dáár geen wolkje te zien zijn. Weet je August, waar ik het nieuwsgierigst naar ben? Nee, ik zeg het niet.—Wil ik het toch zeggen?—Ja?”“Ik weet niet wat je bedoelt Eva.”“Ei ondeugd, dat weet je niet? En je weet óók niet hoeveel die diamanten speld van mevrouw Van Leeuwen heeft gekost........?Nee, daar heb je zeker niet naar laten informeeren niewaar?— August, zeg.... ben ik er vér vandaan, of.... of vin-je dat visschen nu wat heel indiscreet? Maar och m’n beste man, je weet ook niet wat een schrikkelijke pret ik er in zou hebben, om morgen eens tegen over die deftige gravin Van Leeuwen te staan, en— changement de décorations—dat ik dan op mijn beurt, zoo heel langs m’n neus weg kon zeggen—of als het àl te ondeugend was tenminste kondenken: Wat een aardig liefspeldjehebt u daar aan, een liefgarnituurtje! Ben ik ondeugend Guus? en vin-je me indiscreet? Nu, iets te zeggen dat behoeft niet, maar.... kijk me eens eventjes aan, dan kan ik wel zien of ik heel ver van honk ben.... Boe boe, wat kijk je zwart; is dat een verstoppertje-spelen misschien, zeg, lieve plaaggeest?”Helmond aarzelt. Ofschoon hij een paar stel diamanten op bezien in huis heeft, neen hij zal ze haar niet geven.... neen! En bij God! ook haar partij zal niet doorgaan! ’t Koste wat het wil. Beter laat dan nooit zal hij toonen dat zelfs die teerbeminde vrouw—zijn afgod—zonder wier bezit hem de wereld een graf zou schijnen, niet in staat is om hem, door haar kinderlijke zucht naar wat blinkt en schittert, op den duur als een dwaas te doen handelen, en haar door zijn zwakke toegevendheid in ’t eind ongelukkig te maken.“Eva kom hier eens zitten. Ja hier, dicht aan mijn zij.—Aan den laatsten avond van een jaar mag men wel eens een oogenblik aan wat ernstigs denken....“Hemel August, het is me alsof ik dominee Hoogerberg hoor. Maar ja zeker, laten we nu eens als oude getrouwde luidjes—met een geheim, waar men nog niets van merken kan—eens heelheelernstig praten.” Ze steekt haar arm door den zijne, legt haar hoofd tegen zijn schouder, en vervolgt: “Morgen als de vrouw nu twee en twintig jaar oud wordt, dan zal er ten huize van dokter Helmond een soirée met soupee worden gegeven, zooals de goede stad Romphuizen nooit gedroomd had, dat er binnen haar doodsche wallen een zou gegeven worden. Nee chut! laat me nu eens eventjes heel ernstig praten: Op den avond van den acht en twintigsten September zullen de aanstaande heer van Romphuizen en z’n echtgenoot de graaf en gravin Helmond Van Armeloo—nu ja, niet al te ernstig kijken beste, wantwie weet!—enfin, dan zullen ze al dien ouden en nieuwbakken adel uit den omtrek, eens toonen wat chic en bon ton is; dan.... Nee, ik bid je nog een oogenblik geduld! En dan overmorgen als Bel uit Amsterdam en La Fosse uit Utrecht alles weer netjes hebben opgeredderd en meegepakt, dan.... nu komt het.... dan gaan we verder eens heel zuinigjes en eenvoudigjes leven.—Goed hê?—Dan eten we nog een heelen tijd kliekjes van taarten en getruffeerde fazanten, en rijden heel deftig en ernstig....” Eva fluistert nu met haar onweerstaanbaar lieve stem: “ja heel ernstig, beste mannetje, naar den boer waar we ons lieve kleine popje zullen koopen, en.... Kom goeje Evertje Zwaarmuts, lach nu maar eens, en beken maar gauw dat ik wel heel ernstig ben, wanneer ik met al mijn illusies voor morgen, toch met zooveel plezier van de toekomst kan spreken, en je verzekeren, dat me waarlijk op den duur niets zoo gelukkig maakt als het bezit van mijn braven brompot, en de gedachte dat ik, al mettertijd, de moeder zal wezen van zoo’n engelachtig ventje, van ons heel klein snoeperig stamhoudertje, August.”De inwendige strijd, dien hij te voeren heeft, maakt Helmond ongevoelig voor de zoete omhelzing zijner Eva, zooals hij schier doof is geweest voor haar woorden, die deels weer de tolken waren van kaar ijdelheid, en deels ook der teederste aandoening van het hart der vrouw.—Helmond zwijgt nog een oogenblik. Nu zal hij spreken. Nú. Hetmoet! Morgen zou het te laat zijn. Reeds gisteren ontving hij een verzegelden brief vanDe Zonsberg; het resultaat der tusschenkomst van den waardigen Hoogerberg, het ultimatum vanden oom.... Men moest terug: terug van den breed en weg die tot het verderf leidt! Terug, of anders....”“Eva, toen je op dien avond te Parijs van me hoorde dat we ’s-anderendaags zouden vertrekken, toen was je bitter teleurgesteld, maar je hebt je als een verstandige vrouw aanstonds getroost. Je bent alweer ouder geworden, en dus, wanneer er nú eens...”“Och beste man, als je nu waarlijk graag wilt dat ik den laatsten nacht van mijn oudejaar rustig zal slapen, verg dan niet te veel van mijn verstand. Weet je waarikplezier in heb? Ik heb er plezier in om nog maar altijd te denken, dat jij het verstand voor onsallebeihebt. En je hebt het; jawel! Maar je bent Evert Zwaarmuts, en ’t zit er waarlijk op dat je me weer van voren afaan zult gaan beweren—ofschoon het wat te laat is—dat morgen het ijs en de ditten en datten wel konden wegblijven; en dat de blauwjassen evengoed zouden voldoen als de kapel die komen zal.” Opstaande: “We moeten daar nu van afstappen lieve August. Teleurstellingen verwacht ik op mijn verjaardag niet.”“Eva.... het hooge woord moet er uit: de partij zal morgen niet doorgaan.”“August, is ’t je in ’t hoofd geslagen?”“Daarvoor heb ik in de laatste dagen wel eens gevreesd. Het verstand voortweewas erzekerniet. Dáár Eva lees!”Eva, doodsbleek geworden, ziet het geschrift in ’t welk August haar toereikt:“Ha! vanhem!” zegt ze met weerzin: “Van dien bekrompen despoot! Wil hij eeuwig heerschen over mijn man? Nee dat lees ik niet; die schrale hanepooten doen me aan de magere jaren denken. Nee ik wil, ikwilhet niet lezen.”“Als ik het je verzoek Eva?”Eva, na zichtbaren strijd, zegt eensklaps met verheffing van stem terwijl ze stampt met den voet:“Neeneezeg ik je: dat mensch is de duivel, die zich tusschen ons stelt.Helmond bedwingt een stijgenden toorn; en dan:“Evaik wil het:lees!”Voor ’t uiterlijke kalm ziet hij haar strak in de oogen. En zij, ze wijkt voor dien blik onwillekeurig een schrede terzij, en trillend als een popelblad door een onverwachten stormwind bewogen, nogmaals opziende naar den man, die zich eensklaps met zijn ongewoonik wil het, zoo akelig gelden liet, vat ze het blad papier, ziet het in en, ofschoon het haar schemert voor de oogen en ze sommige volzinnen slechts ten deele begrijpt, ze leest nu den brief:“Aan dokter Helmond!“Er zijn twee wegen. De eene voert tot de eeuwige gelukzaligheid, de andere ter verdoemenis. Als dokter Helmond begrijpen wil dat hij sedert zijn huwelijk den laatsten weg heeft gekozen, en zich met zijn vrouw wil haasten om dien aanstonds te verlaten, dan zalde generaal Van Barneveld God danken, en zijn hart en huis zullen voor de jonge echtgenooten weer geopend zijn.“Om op den weg die tot God leidt terug te komen, moet er echter met den vervloekten geest naar grootheid, naar verheffing boven zijn stand, en het weelderig genieten van Gods gaven zonder arbeid in het zweet des aanschijns, worden gebroken. Als voorwaarden, die van den goeden geest zullen getuigen, eischt de pleegvader, van dokter Helmond, dat men zoo spoedig mogelijk zal terugkeeren tot den kring waarin men behoort, en allereerst tot de woning, die men zonder reden voor een paleis heeft verwisseld. Het oud-burgemeestershuis zal met zijn meubels en versiersels binnen vier weken publiek moeten verkocht worden, om den volke te doen zien dat dokter Helmond werkelijk leven moet van zijn praktijk. Als bewijs dat men met Gods hulp tot het goede wenscht te besluiten, zal de partij ten zijnen huize worden afgezegd. Men vrage niet wat de wereld zal denken of spreken, men bedenke alleen wat God eischt en wat eerlijk en goed is. Een eerlijke retraite is geen schande. Indien het bewijs der goede gezindheid op den 28stenSeptember wordt gegeven, dan zal de oude pleegvader dienzelfden dag zijn kinderen met open armen ontvangen, en, zoo er door daden, die de krachten te boven gingen, schulden mochten zijn, hij zal ze zwijgend vereffenen.“Andere redenen, die een verwijdering zouden wettigen, bestaan erniet meer. De pleegvader wil vergeven en vergeten.“Dit ultimatum is geschreven in overeenstemming met den waardigen leeraar dezer gemeente Ds. Hoogerberg.“Herinnert u te zamen het woord van den heiligen stichter onzer religie, den Zoon van God: “Gij kunt Gode niet dienen en den Mammon!”Alexander Van BarneveldDe Zonsberg, 26 September 18....”“Afschuwelijk! Afschuwelijk!” barst Eva los met bevende stem: “Mijn God! welk een toon! Den Mammon dienen! Ha, wie durft daarvan spreken! Hij, die zelf in dienst van den geldduivel is!”“Vrouw! zwijg!” roept Helmond met krachtige stem: “Als je me waarachtig liefhebt, vergrijp je dan niet opnieuw aan den man dien ik vereer en die het goede wil. Zwijg zeg ik je!Hoor je me niet!Ja, ’t is nu genoeg, hij heeft gelijk: wij zijn op een rampzaligen weg!” Met verheffing van stem en Eva aanziende, zoodat ze hevig ontsteld een schrede teruggaat: “Ik zeg je Eva, die man heeft waarachtig gelijk; met dien vervloekten geest, die zucht naar grootheid en verheffing boven onzen stand, moet gebroken worden!— Sta daar zoo niet te beven. Mijn toorn kind, geldt mij zelf in de eerste plaats, ja waarlijk, mij zelfgeheel alleen. Eva,ikwas krankzinnig, ja waarachtig!”—O groote God, wat ziet hij haar akelig aan! Wat wil dat zeggen,krankzinnig! Nee nee, dat is hij niet, nee, stil stil. Goddank, hoor maar, hij spreekt bedaarder; hoor, hij noemt haar weer zijn bestekind, zijn lieve vrouw, Maar toch, dat gewone punt der tobberij wordt met een schier aan krankzinnigheid grenzenden angst behandeld.—Men moest terugkeeren tot den eenvoud waarop de pleegvader zoo gesteld is, men moest....“Maar August, zoo waar als ik leef, die brief is geschreven door iemand die....”“Die het goede wil, die begrijpt dat ik mijn kind, mijn schat niet bewaar met de trouw door mij bezworen; door een man die ons verderf tegemoet ziet, die mij in stilte bij mijn waren naam noemt: een zwak man tegenover zijn vrouw.—Eva, dat zal eindigen; zoo waarachtig als ik je liefheb,zoo waarachtig zal dat eindigen! Die brief is kras maar goed. Zachte medicijnmeesters maken stinkende wonden. Dat ultimatum moet worden nageleefd. De partijzalmorgen niet doorgaan!”Eva moest zich met de beide handen aan de tafel vasthouden. Die man.... háár man, hij maakte haar werkelijk angstig. Dat is geen taal van een verstandig man. De partij morgen niet doorgaan!—Zou het dan ernst zijn, waarachtig ernst?Helmond haalt een aantal pas geschreven klein gevouwen brieven uit den jaszak te voorschijn:“Ziehier Eva, dit zijn de bewijzen dat ik hetgoedmet je meen. Voor zooveel mogelijk zullen wij deze briefjes nog van avond laten bezorgen. Als reden geef ik op dat je ongesteld bent geworden. Je teleurstelling zal die ongesteldheid zijn, want teleurgesteld dát ben je zeker.”Eva ziet hem aan met angstigen blik, en zegt nu met doodsbleeke lippen:“August, ik word werkelijk bang.—Je bent toch niet.... zeg lieve August, je hebt toch geen erge hoofdpijn niewaar?—O, o! die akelige vrek zal hem krankzinnig maken.”“Nee Eva, oom zal me genezen. We zullen handelen volgens zijn wil, en dan zul je leeren inzien dat hij het goed met ons meende.”“Je spreekt dus met je volle verstand August! En ik versta je wel: aan dien onzin zou je gehoor willen geven!? Maar dat is onmogelijk! Wartaal, waanzin staat daar te lezen. Terugkeeren naar het oude huis, en dit huis publiek verkoopen, binnen vier weken!—Publiek verkoopenenpubliek schandaal makenis hier volmaakt hetzelfde. Gesteld eens dat die oom met eenig recht oordeelde dat onze manier van leven wat te weelderig is, zou een verstandig mensch dan ooit op het denkbeeld komen om zulk een ultimatum te schrijven. Daar spreekt haat en wangunst uit dat schrift.”“Eva, je kent mijn pleegvader niet; hij was van mijn jeugd afaan....”“We weten dat, hij was jevoorzienigheid, maar nu—nú is hij een wangunstige vrek die....”“Zwijg,zwijg zeg ik je!”Er was woede in Helmonds blik. Eva stuift achteruit, en dan in een vreesachtige houding met haar bevende klankvolle stem:“Is dat je liefde man!—O God, wie had dat kunnen denken; opden vooravond van het feest waarop ik mij zoo verheugde, en dat hij mij eerst zoo hartelijk gunde! O! waarachtige liefde bestaat niet meer. Vertrouwen nee, vertrouwen kan men den edelste niet.... O God!”“Schrei niet Eva, kind, schrei niet! Ik zal je toonen dat ik je liever heb dan ooit; liever dan mijn leven.”“Och August, hoor ik goed? Zul je, ja zul jezeker.... dien brief vol waanzin verbranden en megelukkig maken....?”—Gelukkig maken!Helmond voelt zich eensklaps het hart als door ijskou versteenen. Neen hij beseft het volkomen, op den weg dien hij terug moet zalzijnimmermeer zichgelukkiggevoelen! Dat heeft hij bedorven voor altoos. De kleine woning aan den wal, waaraan ze allengs misschien zou gewend zijn, en waarin ze waarschijnlijk als jonge moeder gelukkig zou zijn geworden, nu, indien ze er moest terugkeeren, ze zal haar zijn als een graf.“O ik wist het wel,” vervolgt Eva met verruiming dewijl ze Helmonds zwijgen reeds voor toestemmen houdt: “Wat August eens aan zijn Eva schonk of toezeide, dat neemt hij niet terug. En méér beloven of schenken dan je doen kondt, dat heb je nooit gedaan; nee nee August, dát weet ik, dáárop bouw en vertrouw ik als op een rots. Je eigen woorden zijn me altijd een waarborg geweest, en je uitstekend verstand.... O, er is maar één knap en verstandig man in Romphuizen.... Lieve,lieveHelmond!”—O God, hoe kan hij zich redden met haar, en zonder haar van zich af te stooten; zonder haar te dooden misschien? Immers zóó kan en mag het niet langer. In die weinige maanden reeds steekt hij diep in schulden, en voor een goed deel werd hij ondanks zich zelven, de schuldenaar van een man voor wien hij vriendschap huichelen moet. Slechts weinige dagen geleden ontving hij nogmaals van den majoor Kartenglimp een paar duizend gulden ter leen,—helaas! nu reeds door hem oprekening gesteld van ooms nalatenschap!—En die nalatenschap zou dan voor hem verloren zijn, voorgoed verloren!—En zonder dat uitzicht zou hij voortgaan op dezen weg!—O hoe spoedig zal dan het oogenblik der schande komen. Sinds hij aan die nalatenschap dacht, werd het uitzicht op eigen gewin al meer en meer beneveld: de verhouding tusschen het debet en credit was reeds sedert lang geheel verbroken.—Terug! aarzel niet langer! roept de stem van ’t verstand den jongen dokter toe, en de stem der liefde roept mede: Terug naar het hart van den pleegvader die, ofschoon hij niet volmaakt is, nu het treffendst bewijs heeft gegeven zijner liefde door het schrijven van dien brief. Immers, Helmond alleen kan beseffen wat overwinning hij op zich zelf heeft moeten behalen om dien regel te schrijven: dat de pleegvader zou vergeven en vergeten.... ja ook aan Eva vergeven, dat ze hem schold voor eentrotschen eengierigman!“August.... waar ga je heen?”“Ik ga goedmaken wat ik misdeed; ik ga eindelijk voor je welzijn zorgen kind!”“Je bedoelt....?”“Ik zal Herman deze briefjes ter bezorging geven, en laten telegrafeeren naar Amsterdam en Utrecht dat de partij niet kan doorgaan.”Het wordt Eva alsof er vonken vuurs door de kamer spatten, alsof het hooge stukadoorwerk naar beneden buigt en wringt.—Als Helmond niet op den weg is om krankzinnig te worden—o vreeselijk denkbeeld—dan, dan is hij een tiran, een leugenaar, een.... Neen dát is niet mogelijk; hij wordt gedreven door den wil van een despoot, die hem onder zijn ijzeren schepter wil terugbrengen. —Eva beseft dat ze al haar geestkracht en al haar verstand zal behoeven om haar man, ter voorkoming van publiek schandaal, van besluit te doen veranderen. Ze voelt zich nu sterker. Ze zal kalm wezen, dat is het beste.“Weet jij niet meer August,” herneemt Eva: “wat me voornamelijk zoo gelukkig maakte in den laatsten tijd? ’t Was het vollevertrouwenop mijn man. Sinds dien brief van Jacoba,geloofde ik in je, August, geheel en al; want je hebt woord gehouden; en als je wel eens aan ’t tobben raakte, waarschijnlijk in navolging van dien ouden heer, dan sloot ons gesprek toch met de zoete verklaring; dat mijn August niets deed wat onverstandig was.”Helmond voelt weer dat pijnlijk hoofdkloppen.—Hoe verpletterend klinken die woorden, en toch op dien zoeten toon. Nu zegt hij:“Eva, straks zullen we verder spreken en alles behandelen, dan zullen we elkander geheel verstaan en zeker in ’t einde elkanderliever hebbendan ooit.... Nu.... ’t is hoog tijd; de telegrammen moeten vóór zevenen bezorgd zijn....”Eva houdt zich oogenschijnlijk kalm.“Wanneer die telegrammen en brieven werkelijk verzonden werden Helmond, dan zou daaruit blijken dat de man die het deed—zoo hij niet krankzinnig is—zijn jonge vrouw heeft bedrogen, weken en maanden lang”. Fier en gevoelig: “En dat isnietzoo; zoo waar als er een God leeft, dat is niet zoo. Nee, hij behoefde zich niet te bekrimpen, maar zou het nú uit overgroote goedheid willen doen, om.... een ouden man te believen.—Zeg, zou je dan willen August, dat ik je tóch voor een zwak en niet te vertrouwen mensch hield!? Hoe! Mijn rots, mijn rots....!!” Zij vliegt op hem toe en omhelst hem in vervoering: “Mijn schat in dit leven! Neeneedat wil je niet!”—O God, als hem dan door zijn eigen vrouw de dolk op de borst wordt gezet:“Ja ja Eva, ik herhaal het, ikhebje bedrogen; reeds weken lang leefde ik als een dwaas, en stak mij in schulden, terwijl ik zuinig had moeten zijn en klein en nederig....” Maar Helmond kon niet voortgaan met spreken. Eva had hem een oogenblik met doodsbleeke lippen aangehoord, en nu, hoor, nu berst ze in een zonderling lachen uit; hoor, al sterker en sterker.“Eva! kind!—bedaar! Lach zoo wonderlijk niet. Eva je maakt je te zenuwachtig. Eva!—Eva!!”Maar of Helmond ook poogde haar tot bedaren tebrengen, hetbaatte hem niet. Vreemder en vreemder werd steeds dat lachen. De schok, dien Helmond haar heeft toegebracht, was nog grooter geweest dan hij het zich heeft kunnen voorstellen, en de woordenzuinigenkleinennederig, welke Eva in den laatsten tijd zoo dikwijls al schertsend had weerlegd, ze hebben, bij het ontvangen van dien schok, vermoedelijk tot dat akelige lachen aanleiding gegeven.Eenige seconden later is dat droevige lachen in schreien overgegaan, en—een soort van bedwelming, die straks door een rustiger inslapen zal gevolgd worden, heeft haar nu vermeesterd.Eva ligt op de sofa; kleine snikken ontsnappen aan haar fijngevormde lippen. August ondersteunt nog altijd het canapé-kussen waarop haar hoofd rust.—Stil, zoo aanstonds zal ze inslapen. Hoor! nog een snikje, nóg een.... een lange zucht en:“August!” klinkt het zacht.“Wat is er lieve? Hier ben ik.”“Zoo ben je daar, dat is goed. Waar was je? Morgen, o,heerlijk, morgen!”Weer volgt er een zucht. Een langgerekt geeuwen klinkt er, en—hoor, ze slaapt, ja zeker ze slaapt.—Zachtjes trekt Helmond zijn arm onder het kussen terug, en.... ziet nu om naar de pendule.’t Was—halfacht.—Te laat!—De telegrammen kunnen niet meer verzonden worden.—En, morgen reeds met den eersten trein zal men uit Amsterdam komen om alles voor het soupee te regelen en, voor zooveel noodig, ook hier gereed te maken. En reeds dezen avond gaan de bloemen en bouquetten uit Utrecht op weg en....Helmond staat in gepeins als verloren.—Maar zou Eva’s lichte ongesteldheid—die bovendien niet onnatuurlijk is in haar omstandigheden—zou ze niet als ’t ware een bestiering zijn geweest? Dáárdoor werd het te laat... !!—Dominee Hoogerberg heeft gezegd dat oom Van Barneveld niets liever dan een toenadering wenschte, indien Helmond voortaan wat meer wilde bedenken hoe hij als dokter in Romphuizenmoestenkonleven.—Dat was een gematigde toon. Die geest was verstandig.—Zóó, indien oom Van Barneveld er goed over denkt, ja, zóó kon hij terugkeeren. Maar Eva heeft gelijk: zou het verstandig zijn om op een wijze als in dien brief werd begeerdpubliek schandaalte maken?—Eva heeft het bij den rechten naam genoemd. Hoe zal men over een dokter spreken, die zóó door zijn eigen pleegvader wordt aan de kaak gesteld! Zulk een dokter zal men verachten inplaats van hem te vertrouwen. Die brief, dat ultimatum iswaarachtigonzinnig. Een feest ter eere van zijn jonge vrouw moet zonder een geldige reden eensklaps worden afgezegd, en duizend tongen zullen in beweging komen en zeker die jonge vrouw niet sparen! En binnen de vier weken zal men dit huis moeten ontruimen en verkoopen....!Aan zijn gedurig hoofdlijden moet Helmond het toeschrijven dat hij oom’s ultimatum in den aanvang zoo letterlijk heeft opgenomen—Goddank daar komt licht! Morgen op Eva’sverjaardagzal hij zich zoo vroeg mogelijk met haar naarDe Zonsbergbegeven. De oom en pleegvader zal dien stap waardeeren en de redenen moeten billijken, waarom het feest voor ’t laatst nog moet doorgaan. En dan, het vraagstuk zal worden opgelost meteen, hoe dokter Helmond zijn nieuwe woning zal kunnen verlaten zonder zijn goeden naam te bederven, zonder zich belachelijk te maken in het oog der geheele stad. Hij kan den pleegvader het voorstel doen om zich elders als dokter te gaan vestigen.—Welzeker, denkt Helmond voort, zulk een schrijven draagt te vele blijken van overijling, dan dat de verstandige oom er niet op zou terugkomen. ’t Is waar, wat hij eens heeft gezegd dat blijft in den regel gezegd; “wat geschreven staat dat staat geschreven,” maar toch, met blijdschap herinnert August zich nu den avond vóór zijn trouwen, toen de onveranderlijke oom uit eigen beweging een overeenkomst vernietigde, waarvan hij bekennen moest dat de eischen, zoo niet te sterk, althans niet helder door hem gesteld waren.—Goddank! zegt Helmond nog eens in stilte, want voor het oogenblik is hem niets zoo welkom als de rust die hij zich zelf door zijn overlegging bezorgde: Onzinnig wreed zou het zijn om nu datkind, ja wat is zij anders dan eenverrukkelijk kind! om haar “haar eigen feest” te ontnemen. Langzaam, zeer langzaam moet hij met haarterugindien ze niet verwelken en verkwijnen zal.—Zooals hij haar straks heeft geschokt, dat was werkelijktirannie. Welnu dan Helmond, wees krachtig en wijs voortaan, en waak met verstand, terwijl een trouwe pleegvader den terugtocht wil dekken; maar sla dan ook niet tot uitersten over. Ze konden die engel dooden en mét haar, o lieve God, de teedere spruit, wier eerste kreetjes ook voor haar reeds meer waarde zullen hebben dan parelen en diamant.Eva slaapt rustig. Zie, de zachte blos is geheel op die donzen wangen teruggekeerd. Met den rug van zijn hand glijdt Helmond er zachtkens langs heen.—Parelen en diamant, herhaalt hij nu bijna overluid, en drukt de beide handen vluchtig tegen zijn hoofd, dewijl het daarbinnen toch gedurig nog zoo vreemd en pijnlijk klopt.—Parelen en diamant! ’t Zou de grootste dwaasheid zijn!—Maar, indien ik zeaanstondsgenomen had, dan zou die dwaasheid reeds zijn geschied.... In alle geval ’t zou op het groote geheel slechts een kleine doorslag wezen. Indien men dan liefdevol in de armen van den pleegvader terugkeert, dan zal hij op den laatsten misgreep— die zoo natuurlijk uit den vroegeren geboren werd, niet letten. Oom Van Barneveld schreef: Zoo er schulden mochten zijn, ze zullen zwijgend vereffend worden.—Ach, als hij haar dan nogeen enkele maal zoo innig gelukkig zal zien.... Nee, nee, nee! “Weg Satan, weg!” zegt Helmond eensklaps overluid en stampt met den voet. zóó hard dat Eva er vluchtig van ontwaakt.“Weg! Weg Satan! Trotsch, schriel! Weg!” zegt ze half wakend, half droomend.Helmond ziet haar weer inslapen; maar nochtans zijn onrust komt sterker terug: Tot nogtoe heeft hij buiten Eva’s vijandige gezindheid tegen dien oom gerekend. Zal zij er toe kunnen besluiten om morgen op haar jaarfeest tot hém te gaan. Neen neen.... !Maar zie hoe men tóch denken kan met een steeds sterker bonzend hoofd.—Ja, zijzaler blij en geheel vrijwillig heengaan! O, die verzoening zal schoon zijn. Zie, zóó moet het gebeuren: Het fraaiste stel diamanten zal Eva als een verrassing ontvangen, en August zal haar doen gelooven dat diezelfde “schriele oom” het haar toegezonden heeft. Maar natuurlijk, zij mag den generaal dan niet spreken over zijn geschenk. En, met te dieper gevoel zal zij den grijzen weldoener bij dat morgenbezoek in de armen snellen, teruggekomen van haar onbillijk oordeel, en met de stilzwijgende verklaring van dankbare liefde.—O, en de warmte waarmee zij den oom—en geheel vanzelf—zal tegemoet ijlen en omhelzen, zij zal weldadiger werken op dat hart dan duizend verklarende woorden. Het stel diamanten zal zeker nooit door Eva vergeten worden.....Zooeven had de huisschel geklonken, en dewijl men nu de kamerdeur naderde, liep Helmond zachtjes naar de deur, opende haar zonder gedruisch, en begaf zich al spoedig naar de spreekkamer, waar hem iemand wachtte, die hem noodzakelijk alleen wilde spreken. Bij de kleine lamp, die in de spreekkamer was neergezet, stond een aardig burgermeisje van zestien jaren omtrent.—Wat ze verlangde?—Nee, zieken waren er gelukkig niet, maar dokter moest niet kwalijk nemen; ze was zooveel als Grietje van Wulters den huisschilder.“Ah zoo!” Helmond voelde eensklaps iets zeer beklemds: “En.... ?”“Ja dokter,” vervolgt het meisje: “vader was een beetje opzichtig om u zelvers lastig te vallen, nadat u gezegd hadt van over drie maanden; en.... Maar ziet u, vader had ook al die inslagen van glas en behangselpapier moeten doen, en dáárom: en ook omdat vader zoozeer geen krediet heeft in Amsterdam, ziet u, nou zou vader een wissel krijgen, en dacht moe dat we maar zoo vrijpostig moesten zijn om u.... ja ziet u dokter, ’t is een heeleboel geld, maar zulke mooie papieren, en het blommenhuis en al dat dure glas zei vader en.... vader heeft er ook hard voor moeten werken dokter.”Helmond heeft de kwitantie a zeshonderd en tien gulden, van het eenigszins bevende Grietje aangenomen en ingezien.Groote getallen spreekt men zoo gemakkelijk uit. ’t Was een slagveld met tienduizend of—daar wil ik afwezen—van honderdduizend lijken, zegt iemand, en de hoorder fronst bij beide getallen schier even zwaar het voorhoofd. Over het kleine verschil vannegentigduizendlijken stapt hij gemakkelijk heen.De betrekkelijk kleine sommen, die telkens en telkens het geld hadden verslonden, ’twelk de dokter extra heeft moeten opnemen, herinnerden hem gedurig en ook nu, hoe hij in den laatsten tijd maar zelden goed heeft doorgedacht, dat, om duizend gulden te kunnen betalen, mentienmaal honderd guldenmoet bezitten.—Doch waarom nú het arme hoofd daarmee gebroken! Kon hij dan een oogenblik vergeten dat hij juist morgen.... Goddank! van allen last zal ontheven zijn? Zal oom niet morgen stilzwijgend zijn schulden vereffenen....?“Kindlief, als vader verlegen is dan zal ik hem graag voldoen. Wanneer zou die wissel vervallen?”“Vader zei dat ik maar zeggen moetmorgendokter, maar als ik goed heb gehoord, dan spraken va en moe van Dinsdag, da’s overmorgen dokter. Ziet u, ik wil niet buiten mijn hart spreken dokter.”“Doe jij dat nooit lief kind. Nooit!” zegt Helmond en drukt weer de hand op het hoofd: “Ga nu naar huis, en zeg aan vader dat hij er vast op rekenen kan overmorgen zijn geld te zullen krijgen.”“Bestig, alsjeblief dokter.—O, zou ik dat papiertje weer meenemen dokter.—Och, ’t was in goeje handen.”Geen tien minuten later had Helmond een geheel ander bezoek.’t Was Archibald Hardenborg, die met een ongewone bedruktheid op ’t gelaat, kwam informeeren of het waar was ’tgeen hij dezen middag van den generaal vanDe Zonsbergmeende verstaan te hebben, namelijk dat de verjaringspartij morgen waarschijnlijk niet doorging?Nog een oogenblik wacht Helmond en aarzelt een antwoord te geven. Maar dan:“Nee amice, daar is geen quaestie van. Oom zal bedoeld hebben dat hij waarschijnlijk zelf niet komen zou. Oom is dezer dagen niet zoo heel fiksch.—Hoe.... hoe von-je dat hij er uitzag?”Na een uitroep van blijde verruiming vervolgt Archibald:“Hoe de generaal er uitzag? Ja om je de waarheid te zeggen, ik weet wel dat ie z’n degen en epauletten niet aanhad, maar voor de rest heb ik meer naar het fijne popje gekeken. Lief bleekneusje! Verduiveld, mijn trouwe reparateur, ik ben in de laatste dagen in zoo’n fragile positie. ’k Stond den dood uit dat je feest niet zou doorgaan.” Geheimzinnig: “De Zonsberg—uit! finaal, totaal! Bij dat laatste bezoek dezen middag begon ik waarachtig een oogenblik sympathie voorbleekte krijgen. Enfin, ik geef het gesprek zoo’n polsenden draai,—je begrijpt dat—en verneem zoo en passant van een paar heel bleeke lipjes, dat het, volgens de overtuiging van die lipjes, groote zonde is wanneer een zwak en dikwijls sukkelend meisje haar hand schenkt aan.... Enfin, ’t kwam er zoo’n beetje gevoileerd uit, maar ’t wou toch zeggen: Als je er ooit aan denken mocht om me te vragen, reken er op dat je een heel mal figuur zoudt slaan.”“Ik dacht Archibald, dat freule Marie Narwal....”“Stil stil: papa had een drietal geformeerd, en immers een oogenblik begon ik bleek nog al interessant te vinden, ’t Is in zooverre niet ongemakkelijk indien candidaten zich terugtrekken.—Vin-je me pedant? Waarachtig, papa zou het me maken. Maar amice, er is er toch maar ééne, die ik van het eerste oogenblik afaan.... Zieje, en daarom werd ik drommels benauwd dat je partij niet zou doorgaan. Begrepen? Ik droom geregeld van dat engelachtige kind.—Apropos, komt Ronner, die poesbaard ook op het feest?”“Wie zeg je,Ronner?”“O sapperloot, ik meen Kattenglimp.”“De majoor Kartenglimp? Jawel.”“Zeg, vin-je dat au fond geen fameus gemeene type?”“Gemeen!?—Dat is te zeggen, nobel is anders, maar gemeen....”“Enfin, ’t komt zeker door die frappante gelijkenis; ’k had hem maar eens gezien, op de ree van Batavia toen hij scheep ging; ik spreek van dien Ronner—maar, als twee droppels water! Grooter schoelje en poltron heeft er nooit een degen gedragen. Alleen ter wille van zijn moeder liet men hem loopen.—Maar ik zie het, ik hou je op.... jawel, je zult nog ’t een en ander te bestieren hebben. Je charmant lief vrouwtje is zeker ook zoo’n beetje in de weer; men kan niet alles aan de domestieken overlaten. ’k Heb daarom met voordacht alleen naar mijn cordialen dokter gevraagd. Wat zul je morgen gelukkig wezen! ’k Zei gisteren aan papa: als Helmond voor zoo’n vrouw folieës deed, ik zou hem waarachtig de bon coeur mijn compliment maken.”“Helmond, Helmond! waar ben je?!” klinkt het luide in ’t voorhuis. —Verrast den luitenant bij haar echtvriend te vinden, blijft Eva een oogenblik later op den drempel van het spreekkamertje staan. Ze was nog wat licht in ’t hoofd van de flauwte, die haar na dien vreeselijken schok bezwijmen deed. Bij ’t ontwaken wist ze in den aanvang niet of ze gewaakt of gedroomd had. Maar toen, toen moest en zou ze het weten. En nú, o Goddank! hoor maar, ’t was allesalleseen droom. August stemt immers dien luitenant zonder eenige terughouding toe, dat zijn vrouwtje morgen de schoonste feestkoningin zal zijn, die er ooit op aarde bevelen gaf. Hij ziet er volstrekt geen bezwaar in dat Hardenborg haar engageert voor een enkelen dans. Hij spreekt het niet tegen dat hij zijn vrouwtje morgen en haar gansche leven verwennen zal. Goddank! ’t was dus een droom.... of neen, toch niet: het is een zinsverwarring, een misverstand geweest. Die dwaze brief van den “uitgedienden generaal” heeft August straks voor een oogenblik op ’t sterkst in zijn gewone tobberij doen vervallen. Neen, men was niet arm.... Hoor maar, hoor, hij stemt het weer toe: Morgen, ja zeker, morgen zal het gansche huis één enkele feestbouquet zijn ter eere van Helmonds “engelachtig vrouwtje”.

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.De generaal Van Barneveld bevindt zich in de serre—zijn lievelingsverblijf.—Hij heeft er nogmaals inspectie gehouden over de camelia’s, azalea’s, cactussen en zoo vele andere bloemsoorten, en zegt nu tot den tuinbaas die de inspectie heeft bijgewoond:“Jawel baas, alles in orde! Je hebt goed gezorgd.”“En wat zeit menheer wel hiervan?” vraagt de tuinman, terwijl hij een kleinen pot van de stelling neemt: “Ziet de generaal dat uitbotsel wel? ’t Is aardigheid zeg ik. Ja generaal, als d’r leven is dan is d’r nog hoop, zeg ik! Je zoudt het anders van zoo’n takje meidoorn waar blom aanzat en dat al aan ’t zuchten was, niet gedacht hebben. De generaal heeft er eer van.”“Je kunt dat ding nu wel buiten zetten baas.”“Dat zou ik den generaal voor de vaste waarheid niet durven aanrecommandeeren. We hebben gisteren al een nachtvorstje gehad, en als het hier blijft, dan.....”“Ik zeg: je zoudt het buiten zetten!”“Allebeneur, als de generaal het verkiest.—Nog iets van je bevelen menheer?”“Niemendal baas. Alleen wil ik je zeggen dat je in mijn afwezigheid goed hebt opgepast. ’t Was je plicht, maar ’t zal je toch aangenaam zijn te hooren dat ik tevreden ben.—Je kunt gaan.—Hé baas, zeg eens: Jij hebt vroeger bij den Haag gediend, niewaar? Juist, ik meende het. Dus den tuingrond ken je daar?”“O generaal als m’n eigen zelf.”“Goed! Je kunt gaan.—Zeg aan Hendrik dat ie na’t ontbijt even naar stad moet met een briefje aan den notaris.”“Best menheer;” zegt de tuinbaas, en dan schoorvoetend, terwijl hij de pet in zijn handen ronddraait:“Zou ik den generaal wel een vraag mogen doen?”“Welnu?”“Och menheer, je ziet me zoo bleek tegenwoordig. ’t Is ons allemaal op ’t lijf gevallen toen je thuis kwaamt. Als de generaal toch eens den dokter—menheer Helmond liet komen, ik geloof....”“Dankje voor je belangstelling baas. Ik ben heel wèl.—Ga nu!—Hei! je vergeet dien pot. Je kunt hem wel wegdoen.”Zwijgend zit Van Barneveld nu een geruimen tijd binnen zijn lievelingsverblijf op een tuinstoel, met den blik, door de openstaande glazen deuren, over het smalle balkon der serre, in het tintelend verschiet.—Wie heeft hem geroepen?“Ah Coba, ben jij het! Wat is er?”“Komt u ontbijten lieve papa? ’t is al een kwartier over den tijd.”“Hé een kwartier.... Ei!—Geef me den arm kind.”“Waart u weer in gedachten verdiept?”“Ja Coba, ik dacht daar juist dat het hier toch stil is,heel stilop den duur.”“Maar die stilte vind ik juist zoo heerlijk.”“Ei!”Na eenige minuten, terwijl men aan de ontbijttafel heeft plaats genomen, herneemt de generaal met vaste stem, doch afgewend gelaat:“Ik heb beslotenDe Zonsbergte verkoopen Coba.”Jacoba ontstelde! Toch kwam liet bericht niet geheel onverwacht. Zij heeft het gevreesd. Ze zwijgt.“Spijt je dat Coba?”“Het antwoord lieve vader, mag ik u schuldig blijven. Er is iets wat memeerspijt; u weet het.”“Meer spijt....? Wat meen je?”Jacoba is opgestaan, en, bij den generaal gekomen, vlijt ze haar bleek gezichtje aan dien zilverwitten schedel: slaat den arm om zijn schouder, en dan bijna fluisterend zegt ze: “De reden wáárom u het doen wilt.”“Zwijg daarvan Coba.”“Och papa, kan ik dan zwijgen als ik zie dat uw dierbaar leven onder dien last moet bezwijken. Zou er dan geen mogelijkheid zijn om.... August, en Eva voor ons, voor ú te herwinnen?”“NeeNEE! dat isONMOGELIJK!” zegt de generaal met een kracht die de teedere Coba doet ontstellen: “Noem mij den naam van dat wijf niet meer,nooit, nimmer meer. De helle veeg die hem dronken maakt; de lichtekooi die....”“Stil stil; bedaar beste vader....”“Vergeef me klein lief meisje, ik dacht er niet aan dat jij hier waart.” Hij strijkt met de hand langs het voorhoofd, en dan: “Jij bent heel wél niewaar? Tenminste.... je ziet er bepaald.... zeerzeergoed uit.”Jacoba beschouwt haar vader eenige oogenblikken stilzwijgend met teederen blik.—Neen, hij ziet ernietgoed uit, in ’t geheel niet. Zijn oogen staan flets, en in oogenblikken als deze, wanneer hij zich te veel door zijn smart laat vervoeren, bespeurt Coba zeer duidelijk dat zijn ademhaling beklemd is. Zie, terwijl hij zich achter een courant te verbergen zoekt, drukt hij de hand ter plaatse van het hart.—Ja, Haar dierbare vader is ziek. Zijn hartzeer heeft mogelijk de kiem ontwikkeld eener kwaal waaraan zijn moeder, ofschoon in hoogen ouderdom, bezweken is.—Indien de kalmte in dat hart mag terugkeeren en de juiste middelen worden aangewend, ja, dan kan ook die beste vader tot in hoogen ouderdom voor haar gespaard blijven, Maar anders....! Welnu, papa en Helmond moeten met elkander verzoend worden, ’t koste wat het wil. August en Eva moeten den lieven vader excuus vragen.—Waarvoor?—Coba weet het zelf niet recht. Maar excuus moeten ze vragen, al ware het slechts omdat ze zonder haars vaders toestemming dat groote huis hebben gekocht. En als alles dan in orde is, dan moet dokter August papa eens flink onderhanden nemen, en hem weer sterk maken zooals hij het was voor weinige maanden.Jacoba heeft haar besluit genomen: Al werd het haar ten strengste verboden om, op welke wijze dan ook, met Helmond of zijn vrouw in aanraking te komen, Jacoba meent het eenvoudige en eenige middel gevonden te hebben om den verbroken band der liefde weer aaneen te hechten.—Dominee Hoogerberg, den waardigen predikant, zal zij in den arm nemen. De verstandige leeraar zal, van zijn heerlijk standpunt, bewerken wat zelfs een eenig kind niet bewerken kan. Ginds zal zijn liefderijk vermaan tot ootmoed en berouw bewegen; en hier, door zijn bediening er toe gewettigd, zal hij wijzen op het voorbeeld van den lijdenden Jezus, die zelfs aan het kruis nog bad voor zijn moordenaren.Den volgenden morgen was de schemering ternauwernood geweken, toen Jacoba Van Barneveld zich reeds op weg bevond om dominee Hoogerberg te gaan bezoeken. Een groot uur later mocht zij met dankbare zelfvoldoening de pastorie verlaten. De edele predikant, die wel met luste zich verblijden kon met de blijden, maar wiens dagelijksch leven inderdaad het waarachtige leven mocht heeten: een leven tot heil en geluk van anderen; dominee Hoogerberg heeft aan zijn lieve bezoekster zeer stellig beloofd dat hij haremededeeling onder ’t zegel der diepste geheimhouding zou bewaren, en alles doen wat hem mogelijk was om de zeer betreurenswaardige verwijdering—waarvan hij reeds hoorde spreken—ten goede te doen verkeeren.Dominee Hoogerberg zou doenwat hem mogelijk was.—Meer heeft hij niet gezegd.—Ja zelfs toen hij het zeide vreesde hij meer dan hijhoopte. Hoogerberg wist maar al te goed, dat hij de harten der menschenkinderen niet vruchtbaar kan maken. Zaaien kon hij, niets meer! Eva Armelo’s karakter meent hij te kennen, reeds van der jeugd afaan; en de oud-generaal, die haat, wat hijzondenoemt, met een vreeselijken haat, hoe zal men hem doen gevoelen, dat zijn onverzoenlijkhateneen zonde tegen den armen schuldige wordt! Hoogerberg zou zaaien—zóó heeft hij in stilte besloten—mocht God den wasdom schenken, zoo mogelijk nog in dit leven!Op haar terugtocht naarDe Zonsbergneemt Jacoba, met een kleinen omweg haar pad langs het achterpoortje der groote kerk.Nog eer zij het heeft bereikt, staat ze een oogenblik luisterend stil.—Neen, ’t zwijgt alles daarbinnen. Haar hoop is in rook vervlogen. En zie, ook het poortje is gesloten. Maar stil, stil! Hoor dan.... Jawel; daar klonken de volle tonen van het orgel weer. Een huivering van blijdschap doortrilt Jacoba’s leden. Neen, daar is niemand in het straatje, niemand die haar ziet. Ze slaat de hand aan den zwaren klinkring der kleine poortdeur. Ze was wel toe, maar niet gesloten....’t Is kil in de kerk. Een sterkere huivering doet Jacoba beven. Starend voor zich heen, staat ze daar stil en luistert. Vraag haar niet wat ze zou wenschen in dezen stond. ’t Is immers zoo somber en eenzaam en kil in de ruime holle kerk....hier beneden. En de orgeltonen, die daarvan bovenklinken, ze stijgen al hooger en hooger....Met den arm op de leuning eener kerkbank geleund, bedekt Jacoba haar bleek gezichtje eenige oogenblikken met beide handen. ’t Was haar eensklaps alsof ze zich in een luchtzee bevond, in een blauw tintelenden aether—eindeloos, eindeloos ver aan alle zijden. En, gansch van verre, daar zag ze hem zitten, als een koning, als David, spelend op de harp,hemden schoonen jongeling, dendierbare, die nooit heeft vermoed dat Jacoba hem zoo liefhad.—Nu is het voorbij. Dat was een week, een zonderling zwak oogenblik. Wanneer ze haar lang gekoesterd plan geheel wil volvoeren, dan moet ze nu krachtig en flink zijn.Met de grootste verbazing zag Thomas Van Hake Jacoba het orgelkamertje binnentreden. Ofschoon hij wel gedurig aan Jacoba’s wensch heeft gedacht om het orgel eens te zien; ’t was al zoo vele weken geleden sinds ze dien wensch te kennen gaf, dat hij, althans in dezen stond, volstrekt niet op hare komst was voorbereid. Thom is in ’t geheel niet verlegen, maar toch, het was hem bij Jacoba’s binnentreden alsof het geheele orgelkamertje in brand stond.In de eerste dertig seconden weet hij eigenlijk niet wat ze spreken; alles ziet hij dubbel, totdat hij eindelijk de eerlijke verklaring aflegt:waarlijk wel een beetje verrast te zijn, juffrouw Van Barneveld al zoo vroeg hier bij zich te zien.“Ik stoor u menheer Van Hake; maar ’t was onze afspraak dat ik eens in de vroegte zou komen kijken hoe het er op zoo’n orgel uitziet. Speel u gerust door. ’t Klonk heel mooi. Gerust!”“Nee, waarlijk niet juffrouw Van Barneveld. ’t Is al een heelen tijd geleden sedert ik hier ’t laatst speelde. En.... en....” Thom wist niet meer wat hij zeggen zou. O ja, hij moet haar ’t een en ander uitleggen: “Ziet u juffrouw, hier zit je nou net precies als voor een piano, en je speelt er ook precies zoo op, en dan dáár op zij, ziet u, dat zijn de registers, die kun je uittrekken, allemaal een verschillenden toon; en daar beneden, daar heb je een klavier voor de voeten; dat is nog al zwaar, tenminste voor een bink zooals ik. Maar o, als u hier onzen goeden Donerie gezien hadt, dat ging met een gemak van belang!—Och, wilt u wel gelooven juffrouw, dat het geen wonder is als ik hier soms wat van streek raak. Goed is er nooit op dit orgel gespeeld dan door één, en die ééne was hij.”Nadat Thomas, die zich intusschen geheel herstelde, nog eenige explicaties had gegeven, moest hij ten laatste voor den wil van die “bleeke heerlijke engel” bezwijken, en speelde hij den 103denpsalm zóó goed, dat zijn zalige meester, indien hij het had kunnen hooren, hem een bravo zou hebben toegeroepen.Jacoba moest zich aan de leuning van de houten orgelbank vasthouden. Thom zit met den rug naar haar toe. Haar oogen dwalen het vertrekje rond.—De wanden zijn naakt; een klein wit houten tafeltje met een ouden matten stoel vormen het geheele ameublement.—En op dat orgel, op dat klavier speelde hij dien zwanenzang! peinst Jacoba, terwijl de orgeltonen haar weemoedige stemming nog verhoogen.—En hier op deze houten bank, hier zat hij dan neer, en dacht er niet aan dat er ééne was, die de hardste bank en de soberste bete wel gaarne met hem zou gedeeld hebben haar gansche leven. Ach, waarom heeft ze door hier te komen de langzaam heelende wond weer opengereten?—Waarom?Omdat ze geen volkomen rust zou vinden, aleer ze die zucht had bevredigd om ook dit verblijf te zien, het kleine Zondagsvertrek, ’t welk de dierbare wel eens zijn heiligdom genoemd heeft.—En is zij dan nú tevreden? Nogmaals ziet ze rond. Zou er dan werkelijk niets, volstrekt niets zijn, ’t welk ze met zich kan nemen als een herinnering aan dit heiligdom, als een reliek....? Met haar kleine mes zou ze een spaander van die bank willen snijden. Ze zal.... Maar die knaap zou het bemerken; en dan.... Hoe! ziet ze wel? Steekt daar de punt van een blad papier uit de lade der kleine tafel?“Volstrekt niet uitscheiden, volstrekt niet menheer Van Hake, ik vind het zoo heel mooi; ’k wilde maar even op dien stoel gaan zitten; ’t voldoet nog meer zoo’n beetje achteruit. U speelt overheerlijk!”“Och lieve juffrouw, ’t is al te veel lof voor mijn broddelwerk;” zegt Thom, terwijl hij zijn hart voelt kloppen; en al voortspelenddenkt hij: Ben je gek! Je zoudt uit de school van dien Kartenglimp moeten zijn, als je je zóó iets verbeeldde. Dat fijne lieve kind zou hier komen om jou! Schaam je wat! en immers—er is een vertelseltje: Daar was eens een apthekersjongen die geen cent bezat, en die jongen was een tijd lang een gek. Maar nu, hij is het niet meer.—Forto, Forto!Thomas speelt inderdaad met kracht en gevoel. Maar Jacoba hoort het niet. Op den stoel nabij het tafeltje gezeten; gedurig het oog naar den speler gekeerd, trekt ze snel maar zachtjes de lade open. Van het piepend knarsen schrikt ze. Gelukkig werd het geluid voor den speler door het orgel overstemd. Het blad papier ’t welk Coba’s opmerkzaamheid had getrokken, bevredigt haar niet. ’t Was een verfrommeld, afgescheurd muziekblad. Maar nu, zie, ’t is een oud, geschreven muziekboekje ’t welk ze, steeds dieper tastend, uit de la heeft te voorschijn gehaald.’t Hing zeer uiteen; een menigte aanteekeningen meest met potlood bevonden zich boven of beneden de notenlijnen.Eensklaps overdekt een purperrood Jacoba’s gelaat. Haar voorgevoel had haar niet bedrogen. Op de eerste bladzij daar leest ze: “Liedjes van Herman Donerie voor piano” en dan, met potlood er naast geschreven; “Prullen van een twaalfjarigen wildzang. Men dient te leeren lezen voordat men schrijft.”Neen, Jacoba bedriegt zich niet; dit alles is vanzijnhand. En dat onschatbare manuscript lag hier begraven en vergeten in een la dier kleine tafel!....—God, daar zwijgt het orgel! Van Hake ziet om, en haar aan. De gedachte om het boekje weer ijlings in de la te bergen is even spoedig verworpen als ze gerezen was. Inwendig bevend, tuurt Jacoba er in, en ofschoon het spreken haar moeite kost, toch zegt ze snel:“Ik vond hier dit boekje, en dacht dat hetgeen u speelde er in stond, maar....”“Hé, indatboekje? ik ken het niet juffrouw, ’t Was een psalm dien ik speelde.”“Ah juist,” zegt Jacoba; en zich geweld doende, neuriet ze van het blad het begin eener melodie uit de “Liedjes van Herman Donerie.”“’t Komt me zoo bekend voor, zoo fameus bekend. ’t Boekje is dus niet van ú mijnheer Van Hake?”“Nee, pardon juffrouw!”Jacoba heeft zich geheel hersteld.Opstaande en hem het boekje toonend, vraagt ze:“Kunt u ook zien of het hier op ’t orgel thuis behoort?”Van Hake heeft het ingezien, en niet zonder ontroering zegt hij:“Dat schijnen oude composities van mijn besten vriend te zijn.”“Van....?”“Van Donerie juffrouw.—Waarschijnlijk hechtte hij er geen waarde aan en bleef het boekje hier liggen.”“Och-kom.—Men zou het dus wel eens kunnen meenemen? Die ééne melodie komt me toch zóó bekend voor.... zoo fameus bekend.... dat ik ze graag eens zou spelen!” Ze legt het boekje op de tafel:“Wat ik zeggen wilde, u spraakt daar van uw vriend; hebt u nog al satisfactie van uw bemoeiing....?”“U bedoelt voor dat monument juffrouw? Ja zeker,” vervolgt Thom, en nadat hij vlug een kort verslag van den loop der zaken, en nog den meesten lof aan zijn ontslapen leermeester en vriend heeft gegeven, besluit hij op diep weemoedigen toon:“Och, als u ’t mij vraagt juffrouw, dan geloof ik vast dat ditzelfde orgelkamertje dien laatsten keer een soort van Gethsemané voor hem geweest is.”“Hoe zoo ...?”“Och lieve juffrouw, er was er één die hij liefhad, en.... die eene....”“Dieééne?” zegt Coba terwijl ze zich afwendt. Maar Thomas antwoordt niet. Is dan ook de Kippelaansduivel in hém gevaren? Heeft hij alweer te lang of te veel gebabbeld? Moest hij dan hier dat zwakke lieve engeltje met zooveel treurigs bezighouden! Zie, ze is weer zoo bleek als een doode geworden. De herinnering aan dien morgen bij Krul heeft haar zeker te fel geschokt. Lieve hemel, als ze nu hier weer ongesteld werd.... indien ze weer een flauwte kreeg....! Maar hoe ... een flauwte hier!! en haar dan te kunnen opvangen; haar te wiegen in zijn armen, te klemmen aan zijn hart; haar die lieve zachte oogjes onbespied weer los te mogen kussen, en....—En.... een vervloekte struikroover te zijn, een geweldenaar, een inbreker. Thom, Thom! waar dacht je aan!—Goddank! juffrouw Van Barneveld krijgt geen flauwte. Goddank, zijn armen en hulp zullen niet noodig zijn. Maar Thomas is nu verschrikkelijk de kluts kwijt. Waarom kwam ze dan ook hier! Immers hij heeft het haar niet verzocht.—Een apthekersjongen, al bezit hij geen cent, is immers ook niet van steen, maar van vleesch en bloed. Inderdaad, hij wenschte nu dat ze heenging, of anders zou het waarachtig nog kunnen gebeuren dat die apthekersjongen tóch eengekwerd.“O, zeer tot uw dienst juffrouw! ’t Was al heel weinig en gebrekkig wat ik speelde. Als de juffrouw bij gelegenheid nog eens weer.... Maar nee, nee, dat mag ik niet vergen.—Wel de complimenten als ik verzoeken mag.—Voorzichtig, de trap is wat steil, voorzichtig!—Ei! wacht lieve juffrouw, u vergeet dat boekje, wacht!”Of Jacoba het werkelijk vergeten had?—Ach, haar kloppend hart smeekt God in stilte om vergeving, dat het bewaren van haar hartsgeheim haar zoo dikwijls tot veinzen had gedwongen.—Ha! Er was er dan toch ééne, die hij heeft liefgehad!O! zij heeft niet willen vragen, ennooitzal ze er naar vragen wie die ééne geweest is. Maar nu, ja gewis: wie zijn nagedachtenis het innigst vereert, die zal hij uit hooger orden de zijne noemen. O goede God, en wie vereert die nagedachtenis meer dan zij, de zwakke Jacoba!

De generaal Van Barneveld bevindt zich in de serre—zijn lievelingsverblijf.—Hij heeft er nogmaals inspectie gehouden over de camelia’s, azalea’s, cactussen en zoo vele andere bloemsoorten, en zegt nu tot den tuinbaas die de inspectie heeft bijgewoond:

“Jawel baas, alles in orde! Je hebt goed gezorgd.”

“En wat zeit menheer wel hiervan?” vraagt de tuinman, terwijl hij een kleinen pot van de stelling neemt: “Ziet de generaal dat uitbotsel wel? ’t Is aardigheid zeg ik. Ja generaal, als d’r leven is dan is d’r nog hoop, zeg ik! Je zoudt het anders van zoo’n takje meidoorn waar blom aanzat en dat al aan ’t zuchten was, niet gedacht hebben. De generaal heeft er eer van.”

“Je kunt dat ding nu wel buiten zetten baas.”

“Dat zou ik den generaal voor de vaste waarheid niet durven aanrecommandeeren. We hebben gisteren al een nachtvorstje gehad, en als het hier blijft, dan.....”

“Ik zeg: je zoudt het buiten zetten!”

“Allebeneur, als de generaal het verkiest.—Nog iets van je bevelen menheer?”

“Niemendal baas. Alleen wil ik je zeggen dat je in mijn afwezigheid goed hebt opgepast. ’t Was je plicht, maar ’t zal je toch aangenaam zijn te hooren dat ik tevreden ben.—Je kunt gaan.—Hé baas, zeg eens: Jij hebt vroeger bij den Haag gediend, niewaar? Juist, ik meende het. Dus den tuingrond ken je daar?”

“O generaal als m’n eigen zelf.”

“Goed! Je kunt gaan.—Zeg aan Hendrik dat ie na’t ontbijt even naar stad moet met een briefje aan den notaris.”

“Best menheer;” zegt de tuinbaas, en dan schoorvoetend, terwijl hij de pet in zijn handen ronddraait:

“Zou ik den generaal wel een vraag mogen doen?”

“Welnu?”

“Och menheer, je ziet me zoo bleek tegenwoordig. ’t Is ons allemaal op ’t lijf gevallen toen je thuis kwaamt. Als de generaal toch eens den dokter—menheer Helmond liet komen, ik geloof....”

“Dankje voor je belangstelling baas. Ik ben heel wèl.—Ga nu!—Hei! je vergeet dien pot. Je kunt hem wel wegdoen.”

Zwijgend zit Van Barneveld nu een geruimen tijd binnen zijn lievelingsverblijf op een tuinstoel, met den blik, door de openstaande glazen deuren, over het smalle balkon der serre, in het tintelend verschiet.

—Wie heeft hem geroepen?

“Ah Coba, ben jij het! Wat is er?”

“Komt u ontbijten lieve papa? ’t is al een kwartier over den tijd.”

“Hé een kwartier.... Ei!—Geef me den arm kind.”

“Waart u weer in gedachten verdiept?”

“Ja Coba, ik dacht daar juist dat het hier toch stil is,heel stilop den duur.”

“Maar die stilte vind ik juist zoo heerlijk.”

“Ei!”

Na eenige minuten, terwijl men aan de ontbijttafel heeft plaats genomen, herneemt de generaal met vaste stem, doch afgewend gelaat:

“Ik heb beslotenDe Zonsbergte verkoopen Coba.”

Jacoba ontstelde! Toch kwam liet bericht niet geheel onverwacht. Zij heeft het gevreesd. Ze zwijgt.

“Spijt je dat Coba?”

“Het antwoord lieve vader, mag ik u schuldig blijven. Er is iets wat memeerspijt; u weet het.”

“Meer spijt....? Wat meen je?”

Jacoba is opgestaan, en, bij den generaal gekomen, vlijt ze haar bleek gezichtje aan dien zilverwitten schedel: slaat den arm om zijn schouder, en dan bijna fluisterend zegt ze: “De reden wáárom u het doen wilt.”

“Zwijg daarvan Coba.”

“Och papa, kan ik dan zwijgen als ik zie dat uw dierbaar leven onder dien last moet bezwijken. Zou er dan geen mogelijkheid zijn om.... August, en Eva voor ons, voor ú te herwinnen?”

“NeeNEE! dat isONMOGELIJK!” zegt de generaal met een kracht die de teedere Coba doet ontstellen: “Noem mij den naam van dat wijf niet meer,nooit, nimmer meer. De helle veeg die hem dronken maakt; de lichtekooi die....”

“Stil stil; bedaar beste vader....”

“Vergeef me klein lief meisje, ik dacht er niet aan dat jij hier waart.” Hij strijkt met de hand langs het voorhoofd, en dan: “Jij bent heel wél niewaar? Tenminste.... je ziet er bepaald.... zeerzeergoed uit.”

Jacoba beschouwt haar vader eenige oogenblikken stilzwijgend met teederen blik.—Neen, hij ziet ernietgoed uit, in ’t geheel niet. Zijn oogen staan flets, en in oogenblikken als deze, wanneer hij zich te veel door zijn smart laat vervoeren, bespeurt Coba zeer duidelijk dat zijn ademhaling beklemd is. Zie, terwijl hij zich achter een courant te verbergen zoekt, drukt hij de hand ter plaatse van het hart.

—Ja, Haar dierbare vader is ziek. Zijn hartzeer heeft mogelijk de kiem ontwikkeld eener kwaal waaraan zijn moeder, ofschoon in hoogen ouderdom, bezweken is.

—Indien de kalmte in dat hart mag terugkeeren en de juiste middelen worden aangewend, ja, dan kan ook die beste vader tot in hoogen ouderdom voor haar gespaard blijven, Maar anders....! Welnu, papa en Helmond moeten met elkander verzoend worden, ’t koste wat het wil. August en Eva moeten den lieven vader excuus vragen.—Waarvoor?—Coba weet het zelf niet recht. Maar excuus moeten ze vragen, al ware het slechts omdat ze zonder haars vaders toestemming dat groote huis hebben gekocht. En als alles dan in orde is, dan moet dokter August papa eens flink onderhanden nemen, en hem weer sterk maken zooals hij het was voor weinige maanden.

Jacoba heeft haar besluit genomen: Al werd het haar ten strengste verboden om, op welke wijze dan ook, met Helmond of zijn vrouw in aanraking te komen, Jacoba meent het eenvoudige en eenige middel gevonden te hebben om den verbroken band der liefde weer aaneen te hechten.—Dominee Hoogerberg, den waardigen predikant, zal zij in den arm nemen. De verstandige leeraar zal, van zijn heerlijk standpunt, bewerken wat zelfs een eenig kind niet bewerken kan. Ginds zal zijn liefderijk vermaan tot ootmoed en berouw bewegen; en hier, door zijn bediening er toe gewettigd, zal hij wijzen op het voorbeeld van den lijdenden Jezus, die zelfs aan het kruis nog bad voor zijn moordenaren.

Den volgenden morgen was de schemering ternauwernood geweken, toen Jacoba Van Barneveld zich reeds op weg bevond om dominee Hoogerberg te gaan bezoeken. Een groot uur later mocht zij met dankbare zelfvoldoening de pastorie verlaten. De edele predikant, die wel met luste zich verblijden kon met de blijden, maar wiens dagelijksch leven inderdaad het waarachtige leven mocht heeten: een leven tot heil en geluk van anderen; dominee Hoogerberg heeft aan zijn lieve bezoekster zeer stellig beloofd dat hij haremededeeling onder ’t zegel der diepste geheimhouding zou bewaren, en alles doen wat hem mogelijk was om de zeer betreurenswaardige verwijdering—waarvan hij reeds hoorde spreken—ten goede te doen verkeeren.

Dominee Hoogerberg zou doenwat hem mogelijk was.—Meer heeft hij niet gezegd.—Ja zelfs toen hij het zeide vreesde hij meer dan hijhoopte. Hoogerberg wist maar al te goed, dat hij de harten der menschenkinderen niet vruchtbaar kan maken. Zaaien kon hij, niets meer! Eva Armelo’s karakter meent hij te kennen, reeds van der jeugd afaan; en de oud-generaal, die haat, wat hijzondenoemt, met een vreeselijken haat, hoe zal men hem doen gevoelen, dat zijn onverzoenlijkhateneen zonde tegen den armen schuldige wordt! Hoogerberg zou zaaien—zóó heeft hij in stilte besloten—mocht God den wasdom schenken, zoo mogelijk nog in dit leven!

Op haar terugtocht naarDe Zonsbergneemt Jacoba, met een kleinen omweg haar pad langs het achterpoortje der groote kerk.

Nog eer zij het heeft bereikt, staat ze een oogenblik luisterend stil.—Neen, ’t zwijgt alles daarbinnen. Haar hoop is in rook vervlogen. En zie, ook het poortje is gesloten. Maar stil, stil! Hoor dan.... Jawel; daar klonken de volle tonen van het orgel weer. Een huivering van blijdschap doortrilt Jacoba’s leden. Neen, daar is niemand in het straatje, niemand die haar ziet. Ze slaat de hand aan den zwaren klinkring der kleine poortdeur. Ze was wel toe, maar niet gesloten....

’t Is kil in de kerk. Een sterkere huivering doet Jacoba beven. Starend voor zich heen, staat ze daar stil en luistert. Vraag haar niet wat ze zou wenschen in dezen stond. ’t Is immers zoo somber en eenzaam en kil in de ruime holle kerk....hier beneden. En de orgeltonen, die daarvan bovenklinken, ze stijgen al hooger en hooger....

Met den arm op de leuning eener kerkbank geleund, bedekt Jacoba haar bleek gezichtje eenige oogenblikken met beide handen. ’t Was haar eensklaps alsof ze zich in een luchtzee bevond, in een blauw tintelenden aether—eindeloos, eindeloos ver aan alle zijden. En, gansch van verre, daar zag ze hem zitten, als een koning, als David, spelend op de harp,hemden schoonen jongeling, dendierbare, die nooit heeft vermoed dat Jacoba hem zoo liefhad.—Nu is het voorbij. Dat was een week, een zonderling zwak oogenblik. Wanneer ze haar lang gekoesterd plan geheel wil volvoeren, dan moet ze nu krachtig en flink zijn.

Met de grootste verbazing zag Thomas Van Hake Jacoba het orgelkamertje binnentreden. Ofschoon hij wel gedurig aan Jacoba’s wensch heeft gedacht om het orgel eens te zien; ’t was al zoo vele weken geleden sinds ze dien wensch te kennen gaf, dat hij, althans in dezen stond, volstrekt niet op hare komst was voorbereid. Thom is in ’t geheel niet verlegen, maar toch, het was hem bij Jacoba’s binnentreden alsof het geheele orgelkamertje in brand stond.

In de eerste dertig seconden weet hij eigenlijk niet wat ze spreken; alles ziet hij dubbel, totdat hij eindelijk de eerlijke verklaring aflegt:waarlijk wel een beetje verrast te zijn, juffrouw Van Barneveld al zoo vroeg hier bij zich te zien.

“Ik stoor u menheer Van Hake; maar ’t was onze afspraak dat ik eens in de vroegte zou komen kijken hoe het er op zoo’n orgel uitziet. Speel u gerust door. ’t Klonk heel mooi. Gerust!”

“Nee, waarlijk niet juffrouw Van Barneveld. ’t Is al een heelen tijd geleden sedert ik hier ’t laatst speelde. En.... en....” Thom wist niet meer wat hij zeggen zou. O ja, hij moet haar ’t een en ander uitleggen: “Ziet u juffrouw, hier zit je nou net precies als voor een piano, en je speelt er ook precies zoo op, en dan dáár op zij, ziet u, dat zijn de registers, die kun je uittrekken, allemaal een verschillenden toon; en daar beneden, daar heb je een klavier voor de voeten; dat is nog al zwaar, tenminste voor een bink zooals ik. Maar o, als u hier onzen goeden Donerie gezien hadt, dat ging met een gemak van belang!—Och, wilt u wel gelooven juffrouw, dat het geen wonder is als ik hier soms wat van streek raak. Goed is er nooit op dit orgel gespeeld dan door één, en die ééne was hij.”

Nadat Thomas, die zich intusschen geheel herstelde, nog eenige explicaties had gegeven, moest hij ten laatste voor den wil van die “bleeke heerlijke engel” bezwijken, en speelde hij den 103denpsalm zóó goed, dat zijn zalige meester, indien hij het had kunnen hooren, hem een bravo zou hebben toegeroepen.

Jacoba moest zich aan de leuning van de houten orgelbank vasthouden. Thom zit met den rug naar haar toe. Haar oogen dwalen het vertrekje rond.—De wanden zijn naakt; een klein wit houten tafeltje met een ouden matten stoel vormen het geheele ameublement.

—En op dat orgel, op dat klavier speelde hij dien zwanenzang! peinst Jacoba, terwijl de orgeltonen haar weemoedige stemming nog verhoogen.—En hier op deze houten bank, hier zat hij dan neer, en dacht er niet aan dat er ééne was, die de hardste bank en de soberste bete wel gaarne met hem zou gedeeld hebben haar gansche leven. Ach, waarom heeft ze door hier te komen de langzaam heelende wond weer opengereten?—Waarom?Omdat ze geen volkomen rust zou vinden, aleer ze die zucht had bevredigd om ook dit verblijf te zien, het kleine Zondagsvertrek, ’t welk de dierbare wel eens zijn heiligdom genoemd heeft.—En is zij dan nú tevreden? Nogmaals ziet ze rond. Zou er dan werkelijk niets, volstrekt niets zijn, ’t welk ze met zich kan nemen als een herinnering aan dit heiligdom, als een reliek....? Met haar kleine mes zou ze een spaander van die bank willen snijden. Ze zal.... Maar die knaap zou het bemerken; en dan.... Hoe! ziet ze wel? Steekt daar de punt van een blad papier uit de lade der kleine tafel?

“Volstrekt niet uitscheiden, volstrekt niet menheer Van Hake, ik vind het zoo heel mooi; ’k wilde maar even op dien stoel gaan zitten; ’t voldoet nog meer zoo’n beetje achteruit. U speelt overheerlijk!”

“Och lieve juffrouw, ’t is al te veel lof voor mijn broddelwerk;” zegt Thom, terwijl hij zijn hart voelt kloppen; en al voortspelenddenkt hij: Ben je gek! Je zoudt uit de school van dien Kartenglimp moeten zijn, als je je zóó iets verbeeldde. Dat fijne lieve kind zou hier komen om jou! Schaam je wat! en immers—er is een vertelseltje: Daar was eens een apthekersjongen die geen cent bezat, en die jongen was een tijd lang een gek. Maar nu, hij is het niet meer.—Forto, Forto!

Thomas speelt inderdaad met kracht en gevoel. Maar Jacoba hoort het niet. Op den stoel nabij het tafeltje gezeten; gedurig het oog naar den speler gekeerd, trekt ze snel maar zachtjes de lade open. Van het piepend knarsen schrikt ze. Gelukkig werd het geluid voor den speler door het orgel overstemd. Het blad papier ’t welk Coba’s opmerkzaamheid had getrokken, bevredigt haar niet. ’t Was een verfrommeld, afgescheurd muziekblad. Maar nu, zie, ’t is een oud, geschreven muziekboekje ’t welk ze, steeds dieper tastend, uit de la heeft te voorschijn gehaald.

’t Hing zeer uiteen; een menigte aanteekeningen meest met potlood bevonden zich boven of beneden de notenlijnen.

Eensklaps overdekt een purperrood Jacoba’s gelaat. Haar voorgevoel had haar niet bedrogen. Op de eerste bladzij daar leest ze: “Liedjes van Herman Donerie voor piano” en dan, met potlood er naast geschreven; “Prullen van een twaalfjarigen wildzang. Men dient te leeren lezen voordat men schrijft.”

Neen, Jacoba bedriegt zich niet; dit alles is vanzijnhand. En dat onschatbare manuscript lag hier begraven en vergeten in een la dier kleine tafel!....

—God, daar zwijgt het orgel! Van Hake ziet om, en haar aan. De gedachte om het boekje weer ijlings in de la te bergen is even spoedig verworpen als ze gerezen was. Inwendig bevend, tuurt Jacoba er in, en ofschoon het spreken haar moeite kost, toch zegt ze snel:

“Ik vond hier dit boekje, en dacht dat hetgeen u speelde er in stond, maar....”

“Hé, indatboekje? ik ken het niet juffrouw, ’t Was een psalm dien ik speelde.”

“Ah juist,” zegt Jacoba; en zich geweld doende, neuriet ze van het blad het begin eener melodie uit de “Liedjes van Herman Donerie.”

“’t Komt me zoo bekend voor, zoo fameus bekend. ’t Boekje is dus niet van ú mijnheer Van Hake?”

“Nee, pardon juffrouw!”

Jacoba heeft zich geheel hersteld.

Opstaande en hem het boekje toonend, vraagt ze:

“Kunt u ook zien of het hier op ’t orgel thuis behoort?”

Van Hake heeft het ingezien, en niet zonder ontroering zegt hij:

“Dat schijnen oude composities van mijn besten vriend te zijn.”

“Van....?”

“Van Donerie juffrouw.—Waarschijnlijk hechtte hij er geen waarde aan en bleef het boekje hier liggen.”

“Och-kom.—Men zou het dus wel eens kunnen meenemen? Die ééne melodie komt me toch zóó bekend voor.... zoo fameus bekend.... dat ik ze graag eens zou spelen!” Ze legt het boekje op de tafel:“Wat ik zeggen wilde, u spraakt daar van uw vriend; hebt u nog al satisfactie van uw bemoeiing....?”

“U bedoelt voor dat monument juffrouw? Ja zeker,” vervolgt Thom, en nadat hij vlug een kort verslag van den loop der zaken, en nog den meesten lof aan zijn ontslapen leermeester en vriend heeft gegeven, besluit hij op diep weemoedigen toon:

“Och, als u ’t mij vraagt juffrouw, dan geloof ik vast dat ditzelfde orgelkamertje dien laatsten keer een soort van Gethsemané voor hem geweest is.”

“Hoe zoo ...?”

“Och lieve juffrouw, er was er één die hij liefhad, en.... die eene....”

“Dieééne?” zegt Coba terwijl ze zich afwendt. Maar Thomas antwoordt niet. Is dan ook de Kippelaansduivel in hém gevaren? Heeft hij alweer te lang of te veel gebabbeld? Moest hij dan hier dat zwakke lieve engeltje met zooveel treurigs bezighouden! Zie, ze is weer zoo bleek als een doode geworden. De herinnering aan dien morgen bij Krul heeft haar zeker te fel geschokt. Lieve hemel, als ze nu hier weer ongesteld werd.... indien ze weer een flauwte kreeg....! Maar hoe ... een flauwte hier!! en haar dan te kunnen opvangen; haar te wiegen in zijn armen, te klemmen aan zijn hart; haar die lieve zachte oogjes onbespied weer los te mogen kussen, en....

—En.... een vervloekte struikroover te zijn, een geweldenaar, een inbreker. Thom, Thom! waar dacht je aan!

—Goddank! juffrouw Van Barneveld krijgt geen flauwte. Goddank, zijn armen en hulp zullen niet noodig zijn. Maar Thomas is nu verschrikkelijk de kluts kwijt. Waarom kwam ze dan ook hier! Immers hij heeft het haar niet verzocht.—Een apthekersjongen, al bezit hij geen cent, is immers ook niet van steen, maar van vleesch en bloed. Inderdaad, hij wenschte nu dat ze heenging, of anders zou het waarachtig nog kunnen gebeuren dat die apthekersjongen tóch eengekwerd.

“O, zeer tot uw dienst juffrouw! ’t Was al heel weinig en gebrekkig wat ik speelde. Als de juffrouw bij gelegenheid nog eens weer.... Maar nee, nee, dat mag ik niet vergen.—Wel de complimenten als ik verzoeken mag.—Voorzichtig, de trap is wat steil, voorzichtig!—Ei! wacht lieve juffrouw, u vergeet dat boekje, wacht!”

Of Jacoba het werkelijk vergeten had?—Ach, haar kloppend hart smeekt God in stilte om vergeving, dat het bewaren van haar hartsgeheim haar zoo dikwijls tot veinzen had gedwongen.—Ha! Er was er dan toch ééne, die hij heeft liefgehad!

O! zij heeft niet willen vragen, ennooitzal ze er naar vragen wie die ééne geweest is. Maar nu, ja gewis: wie zijn nagedachtenis het innigst vereert, die zal hij uit hooger orden de zijne noemen. O goede God, en wie vereert die nagedachtenis meer dan zij, de zwakke Jacoba!

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.De avond die den dag voorafging waarop Eva’s geboortefeest in het nieuwe doktershuis zou gevierd worden, was als ’t ware de aankondiger van het gure seizoen. Geen wonder, October stond voor de deur. De regen viel bij stroomen neer, en de wind koelde zijn woede aan de reeds geel en bruin geworden bladeren.Dokter Helmond liep—zooals hij zich in den laatsten tijd had aangewend—in gedachten de groote huiskamer op en neer.“Maar lieve August, ’t zou verschrikkelijk zijn!” zegt Eva, terwijl ze van haar borduurwerk opziende, langs de lamp heen haar wandelenden echtgenoot met de oogen volgt.“Verschrikkelijk! Wat meen je Eva?”“Wel, als het morgen zulk een weer was! Onze heele tuin-illuminatie viel in duigen; ’t zou allerakeligst zijn!” Na een oogenblik stilte: “August, waar denk je toch aan? Weer muizenesten? Toe kom dan eens hier. Foei, tobberijen over niemendal, terwijl ik in zorg ben over ’t geen ons nu toch het meest moet ter harte gaan: ons feest! het feest op den verjaardag vanje wijfjeAugust!“Welzeker!” zegt Helmond: “als het zulk een weer was dan zou....”Eva bemerkt niet dat haar echtgenoot in dit oogenblik een hevigen strijd heeft te strijden. Opgestaan is Eva hem nabijgekomen en zegt nu met haar zoetste stem: “Als ik morgen waarlijk den schoonsten dag van mijn leven door de liefde van mijn besten man zal genieten dan....” zij strijkt met haar zachte hand over Helmonds voorhoofd: “dan mag dáár geen wolkje te zien zijn. Weet je August, waar ik het nieuwsgierigst naar ben? Nee, ik zeg het niet.—Wil ik het toch zeggen?—Ja?”“Ik weet niet wat je bedoelt Eva.”“Ei ondeugd, dat weet je niet? En je weet óók niet hoeveel die diamanten speld van mevrouw Van Leeuwen heeft gekost........?Nee, daar heb je zeker niet naar laten informeeren niewaar?— August, zeg.... ben ik er vér vandaan, of.... of vin-je dat visschen nu wat heel indiscreet? Maar och m’n beste man, je weet ook niet wat een schrikkelijke pret ik er in zou hebben, om morgen eens tegen over die deftige gravin Van Leeuwen te staan, en— changement de décorations—dat ik dan op mijn beurt, zoo heel langs m’n neus weg kon zeggen—of als het àl te ondeugend was tenminste kondenken: Wat een aardig liefspeldjehebt u daar aan, een liefgarnituurtje! Ben ik ondeugend Guus? en vin-je me indiscreet? Nu, iets te zeggen dat behoeft niet, maar.... kijk me eens eventjes aan, dan kan ik wel zien of ik heel ver van honk ben.... Boe boe, wat kijk je zwart; is dat een verstoppertje-spelen misschien, zeg, lieve plaaggeest?”Helmond aarzelt. Ofschoon hij een paar stel diamanten op bezien in huis heeft, neen hij zal ze haar niet geven.... neen! En bij God! ook haar partij zal niet doorgaan! ’t Koste wat het wil. Beter laat dan nooit zal hij toonen dat zelfs die teerbeminde vrouw—zijn afgod—zonder wier bezit hem de wereld een graf zou schijnen, niet in staat is om hem, door haar kinderlijke zucht naar wat blinkt en schittert, op den duur als een dwaas te doen handelen, en haar door zijn zwakke toegevendheid in ’t eind ongelukkig te maken.“Eva kom hier eens zitten. Ja hier, dicht aan mijn zij.—Aan den laatsten avond van een jaar mag men wel eens een oogenblik aan wat ernstigs denken....“Hemel August, het is me alsof ik dominee Hoogerberg hoor. Maar ja zeker, laten we nu eens als oude getrouwde luidjes—met een geheim, waar men nog niets van merken kan—eens heelheelernstig praten.” Ze steekt haar arm door den zijne, legt haar hoofd tegen zijn schouder, en vervolgt: “Morgen als de vrouw nu twee en twintig jaar oud wordt, dan zal er ten huize van dokter Helmond een soirée met soupee worden gegeven, zooals de goede stad Romphuizen nooit gedroomd had, dat er binnen haar doodsche wallen een zou gegeven worden. Nee chut! laat me nu eens eventjes heel ernstig praten: Op den avond van den acht en twintigsten September zullen de aanstaande heer van Romphuizen en z’n echtgenoot de graaf en gravin Helmond Van Armeloo—nu ja, niet al te ernstig kijken beste, wantwie weet!—enfin, dan zullen ze al dien ouden en nieuwbakken adel uit den omtrek, eens toonen wat chic en bon ton is; dan.... Nee, ik bid je nog een oogenblik geduld! En dan overmorgen als Bel uit Amsterdam en La Fosse uit Utrecht alles weer netjes hebben opgeredderd en meegepakt, dan.... nu komt het.... dan gaan we verder eens heel zuinigjes en eenvoudigjes leven.—Goed hê?—Dan eten we nog een heelen tijd kliekjes van taarten en getruffeerde fazanten, en rijden heel deftig en ernstig....” Eva fluistert nu met haar onweerstaanbaar lieve stem: “ja heel ernstig, beste mannetje, naar den boer waar we ons lieve kleine popje zullen koopen, en.... Kom goeje Evertje Zwaarmuts, lach nu maar eens, en beken maar gauw dat ik wel heel ernstig ben, wanneer ik met al mijn illusies voor morgen, toch met zooveel plezier van de toekomst kan spreken, en je verzekeren, dat me waarlijk op den duur niets zoo gelukkig maakt als het bezit van mijn braven brompot, en de gedachte dat ik, al mettertijd, de moeder zal wezen van zoo’n engelachtig ventje, van ons heel klein snoeperig stamhoudertje, August.”De inwendige strijd, dien hij te voeren heeft, maakt Helmond ongevoelig voor de zoete omhelzing zijner Eva, zooals hij schier doof is geweest voor haar woorden, die deels weer de tolken waren van kaar ijdelheid, en deels ook der teederste aandoening van het hart der vrouw.—Helmond zwijgt nog een oogenblik. Nu zal hij spreken. Nú. Hetmoet! Morgen zou het te laat zijn. Reeds gisteren ontving hij een verzegelden brief vanDe Zonsberg; het resultaat der tusschenkomst van den waardigen Hoogerberg, het ultimatum vanden oom.... Men moest terug: terug van den breed en weg die tot het verderf leidt! Terug, of anders....”“Eva, toen je op dien avond te Parijs van me hoorde dat we ’s-anderendaags zouden vertrekken, toen was je bitter teleurgesteld, maar je hebt je als een verstandige vrouw aanstonds getroost. Je bent alweer ouder geworden, en dus, wanneer er nú eens...”“Och beste man, als je nu waarlijk graag wilt dat ik den laatsten nacht van mijn oudejaar rustig zal slapen, verg dan niet te veel van mijn verstand. Weet je waarikplezier in heb? Ik heb er plezier in om nog maar altijd te denken, dat jij het verstand voor onsallebeihebt. En je hebt het; jawel! Maar je bent Evert Zwaarmuts, en ’t zit er waarlijk op dat je me weer van voren afaan zult gaan beweren—ofschoon het wat te laat is—dat morgen het ijs en de ditten en datten wel konden wegblijven; en dat de blauwjassen evengoed zouden voldoen als de kapel die komen zal.” Opstaande: “We moeten daar nu van afstappen lieve August. Teleurstellingen verwacht ik op mijn verjaardag niet.”“Eva.... het hooge woord moet er uit: de partij zal morgen niet doorgaan.”“August, is ’t je in ’t hoofd geslagen?”“Daarvoor heb ik in de laatste dagen wel eens gevreesd. Het verstand voortweewas erzekerniet. Dáár Eva lees!”Eva, doodsbleek geworden, ziet het geschrift in ’t welk August haar toereikt:“Ha! vanhem!” zegt ze met weerzin: “Van dien bekrompen despoot! Wil hij eeuwig heerschen over mijn man? Nee dat lees ik niet; die schrale hanepooten doen me aan de magere jaren denken. Nee ik wil, ikwilhet niet lezen.”“Als ik het je verzoek Eva?”Eva, na zichtbaren strijd, zegt eensklaps met verheffing van stem terwijl ze stampt met den voet:“Neeneezeg ik je: dat mensch is de duivel, die zich tusschen ons stelt.Helmond bedwingt een stijgenden toorn; en dan:“Evaik wil het:lees!”Voor ’t uiterlijke kalm ziet hij haar strak in de oogen. En zij, ze wijkt voor dien blik onwillekeurig een schrede terzij, en trillend als een popelblad door een onverwachten stormwind bewogen, nogmaals opziende naar den man, die zich eensklaps met zijn ongewoonik wil het, zoo akelig gelden liet, vat ze het blad papier, ziet het in en, ofschoon het haar schemert voor de oogen en ze sommige volzinnen slechts ten deele begrijpt, ze leest nu den brief:“Aan dokter Helmond!“Er zijn twee wegen. De eene voert tot de eeuwige gelukzaligheid, de andere ter verdoemenis. Als dokter Helmond begrijpen wil dat hij sedert zijn huwelijk den laatsten weg heeft gekozen, en zich met zijn vrouw wil haasten om dien aanstonds te verlaten, dan zalde generaal Van Barneveld God danken, en zijn hart en huis zullen voor de jonge echtgenooten weer geopend zijn.“Om op den weg die tot God leidt terug te komen, moet er echter met den vervloekten geest naar grootheid, naar verheffing boven zijn stand, en het weelderig genieten van Gods gaven zonder arbeid in het zweet des aanschijns, worden gebroken. Als voorwaarden, die van den goeden geest zullen getuigen, eischt de pleegvader, van dokter Helmond, dat men zoo spoedig mogelijk zal terugkeeren tot den kring waarin men behoort, en allereerst tot de woning, die men zonder reden voor een paleis heeft verwisseld. Het oud-burgemeestershuis zal met zijn meubels en versiersels binnen vier weken publiek moeten verkocht worden, om den volke te doen zien dat dokter Helmond werkelijk leven moet van zijn praktijk. Als bewijs dat men met Gods hulp tot het goede wenscht te besluiten, zal de partij ten zijnen huize worden afgezegd. Men vrage niet wat de wereld zal denken of spreken, men bedenke alleen wat God eischt en wat eerlijk en goed is. Een eerlijke retraite is geen schande. Indien het bewijs der goede gezindheid op den 28stenSeptember wordt gegeven, dan zal de oude pleegvader dienzelfden dag zijn kinderen met open armen ontvangen, en, zoo er door daden, die de krachten te boven gingen, schulden mochten zijn, hij zal ze zwijgend vereffenen.“Andere redenen, die een verwijdering zouden wettigen, bestaan erniet meer. De pleegvader wil vergeven en vergeten.“Dit ultimatum is geschreven in overeenstemming met den waardigen leeraar dezer gemeente Ds. Hoogerberg.“Herinnert u te zamen het woord van den heiligen stichter onzer religie, den Zoon van God: “Gij kunt Gode niet dienen en den Mammon!”Alexander Van BarneveldDe Zonsberg, 26 September 18....”“Afschuwelijk! Afschuwelijk!” barst Eva los met bevende stem: “Mijn God! welk een toon! Den Mammon dienen! Ha, wie durft daarvan spreken! Hij, die zelf in dienst van den geldduivel is!”“Vrouw! zwijg!” roept Helmond met krachtige stem: “Als je me waarachtig liefhebt, vergrijp je dan niet opnieuw aan den man dien ik vereer en die het goede wil. Zwijg zeg ik je!Hoor je me niet!Ja, ’t is nu genoeg, hij heeft gelijk: wij zijn op een rampzaligen weg!” Met verheffing van stem en Eva aanziende, zoodat ze hevig ontsteld een schrede teruggaat: “Ik zeg je Eva, die man heeft waarachtig gelijk; met dien vervloekten geest, die zucht naar grootheid en verheffing boven onzen stand, moet gebroken worden!— Sta daar zoo niet te beven. Mijn toorn kind, geldt mij zelf in de eerste plaats, ja waarlijk, mij zelfgeheel alleen. Eva,ikwas krankzinnig, ja waarachtig!”—O groote God, wat ziet hij haar akelig aan! Wat wil dat zeggen,krankzinnig! Nee nee, dat is hij niet, nee, stil stil. Goddank, hoor maar, hij spreekt bedaarder; hoor, hij noemt haar weer zijn bestekind, zijn lieve vrouw, Maar toch, dat gewone punt der tobberij wordt met een schier aan krankzinnigheid grenzenden angst behandeld.—Men moest terugkeeren tot den eenvoud waarop de pleegvader zoo gesteld is, men moest....“Maar August, zoo waar als ik leef, die brief is geschreven door iemand die....”“Die het goede wil, die begrijpt dat ik mijn kind, mijn schat niet bewaar met de trouw door mij bezworen; door een man die ons verderf tegemoet ziet, die mij in stilte bij mijn waren naam noemt: een zwak man tegenover zijn vrouw.—Eva, dat zal eindigen; zoo waarachtig als ik je liefheb,zoo waarachtig zal dat eindigen! Die brief is kras maar goed. Zachte medicijnmeesters maken stinkende wonden. Dat ultimatum moet worden nageleefd. De partijzalmorgen niet doorgaan!”Eva moest zich met de beide handen aan de tafel vasthouden. Die man.... háár man, hij maakte haar werkelijk angstig. Dat is geen taal van een verstandig man. De partij morgen niet doorgaan!—Zou het dan ernst zijn, waarachtig ernst?Helmond haalt een aantal pas geschreven klein gevouwen brieven uit den jaszak te voorschijn:“Ziehier Eva, dit zijn de bewijzen dat ik hetgoedmet je meen. Voor zooveel mogelijk zullen wij deze briefjes nog van avond laten bezorgen. Als reden geef ik op dat je ongesteld bent geworden. Je teleurstelling zal die ongesteldheid zijn, want teleurgesteld dát ben je zeker.”Eva ziet hem aan met angstigen blik, en zegt nu met doodsbleeke lippen:“August, ik word werkelijk bang.—Je bent toch niet.... zeg lieve August, je hebt toch geen erge hoofdpijn niewaar?—O, o! die akelige vrek zal hem krankzinnig maken.”“Nee Eva, oom zal me genezen. We zullen handelen volgens zijn wil, en dan zul je leeren inzien dat hij het goed met ons meende.”“Je spreekt dus met je volle verstand August! En ik versta je wel: aan dien onzin zou je gehoor willen geven!? Maar dat is onmogelijk! Wartaal, waanzin staat daar te lezen. Terugkeeren naar het oude huis, en dit huis publiek verkoopen, binnen vier weken!—Publiek verkoopenenpubliek schandaal makenis hier volmaakt hetzelfde. Gesteld eens dat die oom met eenig recht oordeelde dat onze manier van leven wat te weelderig is, zou een verstandig mensch dan ooit op het denkbeeld komen om zulk een ultimatum te schrijven. Daar spreekt haat en wangunst uit dat schrift.”“Eva, je kent mijn pleegvader niet; hij was van mijn jeugd afaan....”“We weten dat, hij was jevoorzienigheid, maar nu—nú is hij een wangunstige vrek die....”“Zwijg,zwijg zeg ik je!”Er was woede in Helmonds blik. Eva stuift achteruit, en dan in een vreesachtige houding met haar bevende klankvolle stem:“Is dat je liefde man!—O God, wie had dat kunnen denken; opden vooravond van het feest waarop ik mij zoo verheugde, en dat hij mij eerst zoo hartelijk gunde! O! waarachtige liefde bestaat niet meer. Vertrouwen nee, vertrouwen kan men den edelste niet.... O God!”“Schrei niet Eva, kind, schrei niet! Ik zal je toonen dat ik je liever heb dan ooit; liever dan mijn leven.”“Och August, hoor ik goed? Zul je, ja zul jezeker.... dien brief vol waanzin verbranden en megelukkig maken....?”—Gelukkig maken!Helmond voelt zich eensklaps het hart als door ijskou versteenen. Neen hij beseft het volkomen, op den weg dien hij terug moet zalzijnimmermeer zichgelukkiggevoelen! Dat heeft hij bedorven voor altoos. De kleine woning aan den wal, waaraan ze allengs misschien zou gewend zijn, en waarin ze waarschijnlijk als jonge moeder gelukkig zou zijn geworden, nu, indien ze er moest terugkeeren, ze zal haar zijn als een graf.“O ik wist het wel,” vervolgt Eva met verruiming dewijl ze Helmonds zwijgen reeds voor toestemmen houdt: “Wat August eens aan zijn Eva schonk of toezeide, dat neemt hij niet terug. En méér beloven of schenken dan je doen kondt, dat heb je nooit gedaan; nee nee August, dát weet ik, dáárop bouw en vertrouw ik als op een rots. Je eigen woorden zijn me altijd een waarborg geweest, en je uitstekend verstand.... O, er is maar één knap en verstandig man in Romphuizen.... Lieve,lieveHelmond!”—O God, hoe kan hij zich redden met haar, en zonder haar van zich af te stooten; zonder haar te dooden misschien? Immers zóó kan en mag het niet langer. In die weinige maanden reeds steekt hij diep in schulden, en voor een goed deel werd hij ondanks zich zelven, de schuldenaar van een man voor wien hij vriendschap huichelen moet. Slechts weinige dagen geleden ontving hij nogmaals van den majoor Kartenglimp een paar duizend gulden ter leen,—helaas! nu reeds door hem oprekening gesteld van ooms nalatenschap!—En die nalatenschap zou dan voor hem verloren zijn, voorgoed verloren!—En zonder dat uitzicht zou hij voortgaan op dezen weg!—O hoe spoedig zal dan het oogenblik der schande komen. Sinds hij aan die nalatenschap dacht, werd het uitzicht op eigen gewin al meer en meer beneveld: de verhouding tusschen het debet en credit was reeds sedert lang geheel verbroken.—Terug! aarzel niet langer! roept de stem van ’t verstand den jongen dokter toe, en de stem der liefde roept mede: Terug naar het hart van den pleegvader die, ofschoon hij niet volmaakt is, nu het treffendst bewijs heeft gegeven zijner liefde door het schrijven van dien brief. Immers, Helmond alleen kan beseffen wat overwinning hij op zich zelf heeft moeten behalen om dien regel te schrijven: dat de pleegvader zou vergeven en vergeten.... ja ook aan Eva vergeven, dat ze hem schold voor eentrotschen eengierigman!“August.... waar ga je heen?”“Ik ga goedmaken wat ik misdeed; ik ga eindelijk voor je welzijn zorgen kind!”“Je bedoelt....?”“Ik zal Herman deze briefjes ter bezorging geven, en laten telegrafeeren naar Amsterdam en Utrecht dat de partij niet kan doorgaan.”Het wordt Eva alsof er vonken vuurs door de kamer spatten, alsof het hooge stukadoorwerk naar beneden buigt en wringt.—Als Helmond niet op den weg is om krankzinnig te worden—o vreeselijk denkbeeld—dan, dan is hij een tiran, een leugenaar, een.... Neen dát is niet mogelijk; hij wordt gedreven door den wil van een despoot, die hem onder zijn ijzeren schepter wil terugbrengen. —Eva beseft dat ze al haar geestkracht en al haar verstand zal behoeven om haar man, ter voorkoming van publiek schandaal, van besluit te doen veranderen. Ze voelt zich nu sterker. Ze zal kalm wezen, dat is het beste.“Weet jij niet meer August,” herneemt Eva: “wat me voornamelijk zoo gelukkig maakte in den laatsten tijd? ’t Was het vollevertrouwenop mijn man. Sinds dien brief van Jacoba,geloofde ik in je, August, geheel en al; want je hebt woord gehouden; en als je wel eens aan ’t tobben raakte, waarschijnlijk in navolging van dien ouden heer, dan sloot ons gesprek toch met de zoete verklaring; dat mijn August niets deed wat onverstandig was.”Helmond voelt weer dat pijnlijk hoofdkloppen.—Hoe verpletterend klinken die woorden, en toch op dien zoeten toon. Nu zegt hij:“Eva, straks zullen we verder spreken en alles behandelen, dan zullen we elkander geheel verstaan en zeker in ’t einde elkanderliever hebbendan ooit.... Nu.... ’t is hoog tijd; de telegrammen moeten vóór zevenen bezorgd zijn....”Eva houdt zich oogenschijnlijk kalm.“Wanneer die telegrammen en brieven werkelijk verzonden werden Helmond, dan zou daaruit blijken dat de man die het deed—zoo hij niet krankzinnig is—zijn jonge vrouw heeft bedrogen, weken en maanden lang”. Fier en gevoelig: “En dat isnietzoo; zoo waar als er een God leeft, dat is niet zoo. Nee, hij behoefde zich niet te bekrimpen, maar zou het nú uit overgroote goedheid willen doen, om.... een ouden man te believen.—Zeg, zou je dan willen August, dat ik je tóch voor een zwak en niet te vertrouwen mensch hield!? Hoe! Mijn rots, mijn rots....!!” Zij vliegt op hem toe en omhelst hem in vervoering: “Mijn schat in dit leven! Neeneedat wil je niet!”—O God, als hem dan door zijn eigen vrouw de dolk op de borst wordt gezet:“Ja ja Eva, ik herhaal het, ikhebje bedrogen; reeds weken lang leefde ik als een dwaas, en stak mij in schulden, terwijl ik zuinig had moeten zijn en klein en nederig....” Maar Helmond kon niet voortgaan met spreken. Eva had hem een oogenblik met doodsbleeke lippen aangehoord, en nu, hoor, nu berst ze in een zonderling lachen uit; hoor, al sterker en sterker.“Eva! kind!—bedaar! Lach zoo wonderlijk niet. Eva je maakt je te zenuwachtig. Eva!—Eva!!”Maar of Helmond ook poogde haar tot bedaren tebrengen, hetbaatte hem niet. Vreemder en vreemder werd steeds dat lachen. De schok, dien Helmond haar heeft toegebracht, was nog grooter geweest dan hij het zich heeft kunnen voorstellen, en de woordenzuinigenkleinennederig, welke Eva in den laatsten tijd zoo dikwijls al schertsend had weerlegd, ze hebben, bij het ontvangen van dien schok, vermoedelijk tot dat akelige lachen aanleiding gegeven.Eenige seconden later is dat droevige lachen in schreien overgegaan, en—een soort van bedwelming, die straks door een rustiger inslapen zal gevolgd worden, heeft haar nu vermeesterd.Eva ligt op de sofa; kleine snikken ontsnappen aan haar fijngevormde lippen. August ondersteunt nog altijd het canapé-kussen waarop haar hoofd rust.—Stil, zoo aanstonds zal ze inslapen. Hoor! nog een snikje, nóg een.... een lange zucht en:“August!” klinkt het zacht.“Wat is er lieve? Hier ben ik.”“Zoo ben je daar, dat is goed. Waar was je? Morgen, o,heerlijk, morgen!”Weer volgt er een zucht. Een langgerekt geeuwen klinkt er, en—hoor, ze slaapt, ja zeker ze slaapt.—Zachtjes trekt Helmond zijn arm onder het kussen terug, en.... ziet nu om naar de pendule.’t Was—halfacht.—Te laat!—De telegrammen kunnen niet meer verzonden worden.—En, morgen reeds met den eersten trein zal men uit Amsterdam komen om alles voor het soupee te regelen en, voor zooveel noodig, ook hier gereed te maken. En reeds dezen avond gaan de bloemen en bouquetten uit Utrecht op weg en....Helmond staat in gepeins als verloren.—Maar zou Eva’s lichte ongesteldheid—die bovendien niet onnatuurlijk is in haar omstandigheden—zou ze niet als ’t ware een bestiering zijn geweest? Dáárdoor werd het te laat... !!—Dominee Hoogerberg heeft gezegd dat oom Van Barneveld niets liever dan een toenadering wenschte, indien Helmond voortaan wat meer wilde bedenken hoe hij als dokter in Romphuizenmoestenkonleven.—Dat was een gematigde toon. Die geest was verstandig.—Zóó, indien oom Van Barneveld er goed over denkt, ja, zóó kon hij terugkeeren. Maar Eva heeft gelijk: zou het verstandig zijn om op een wijze als in dien brief werd begeerdpubliek schandaalte maken?—Eva heeft het bij den rechten naam genoemd. Hoe zal men over een dokter spreken, die zóó door zijn eigen pleegvader wordt aan de kaak gesteld! Zulk een dokter zal men verachten inplaats van hem te vertrouwen. Die brief, dat ultimatum iswaarachtigonzinnig. Een feest ter eere van zijn jonge vrouw moet zonder een geldige reden eensklaps worden afgezegd, en duizend tongen zullen in beweging komen en zeker die jonge vrouw niet sparen! En binnen de vier weken zal men dit huis moeten ontruimen en verkoopen....!Aan zijn gedurig hoofdlijden moet Helmond het toeschrijven dat hij oom’s ultimatum in den aanvang zoo letterlijk heeft opgenomen—Goddank daar komt licht! Morgen op Eva’sverjaardagzal hij zich zoo vroeg mogelijk met haar naarDe Zonsbergbegeven. De oom en pleegvader zal dien stap waardeeren en de redenen moeten billijken, waarom het feest voor ’t laatst nog moet doorgaan. En dan, het vraagstuk zal worden opgelost meteen, hoe dokter Helmond zijn nieuwe woning zal kunnen verlaten zonder zijn goeden naam te bederven, zonder zich belachelijk te maken in het oog der geheele stad. Hij kan den pleegvader het voorstel doen om zich elders als dokter te gaan vestigen.—Welzeker, denkt Helmond voort, zulk een schrijven draagt te vele blijken van overijling, dan dat de verstandige oom er niet op zou terugkomen. ’t Is waar, wat hij eens heeft gezegd dat blijft in den regel gezegd; “wat geschreven staat dat staat geschreven,” maar toch, met blijdschap herinnert August zich nu den avond vóór zijn trouwen, toen de onveranderlijke oom uit eigen beweging een overeenkomst vernietigde, waarvan hij bekennen moest dat de eischen, zoo niet te sterk, althans niet helder door hem gesteld waren.—Goddank! zegt Helmond nog eens in stilte, want voor het oogenblik is hem niets zoo welkom als de rust die hij zich zelf door zijn overlegging bezorgde: Onzinnig wreed zou het zijn om nu datkind, ja wat is zij anders dan eenverrukkelijk kind! om haar “haar eigen feest” te ontnemen. Langzaam, zeer langzaam moet hij met haarterugindien ze niet verwelken en verkwijnen zal.—Zooals hij haar straks heeft geschokt, dat was werkelijktirannie. Welnu dan Helmond, wees krachtig en wijs voortaan, en waak met verstand, terwijl een trouwe pleegvader den terugtocht wil dekken; maar sla dan ook niet tot uitersten over. Ze konden die engel dooden en mét haar, o lieve God, de teedere spruit, wier eerste kreetjes ook voor haar reeds meer waarde zullen hebben dan parelen en diamant.Eva slaapt rustig. Zie, de zachte blos is geheel op die donzen wangen teruggekeerd. Met den rug van zijn hand glijdt Helmond er zachtkens langs heen.—Parelen en diamant, herhaalt hij nu bijna overluid, en drukt de beide handen vluchtig tegen zijn hoofd, dewijl het daarbinnen toch gedurig nog zoo vreemd en pijnlijk klopt.—Parelen en diamant! ’t Zou de grootste dwaasheid zijn!—Maar, indien ik zeaanstondsgenomen had, dan zou die dwaasheid reeds zijn geschied.... In alle geval ’t zou op het groote geheel slechts een kleine doorslag wezen. Indien men dan liefdevol in de armen van den pleegvader terugkeert, dan zal hij op den laatsten misgreep— die zoo natuurlijk uit den vroegeren geboren werd, niet letten. Oom Van Barneveld schreef: Zoo er schulden mochten zijn, ze zullen zwijgend vereffend worden.—Ach, als hij haar dan nogeen enkele maal zoo innig gelukkig zal zien.... Nee, nee, nee! “Weg Satan, weg!” zegt Helmond eensklaps overluid en stampt met den voet. zóó hard dat Eva er vluchtig van ontwaakt.“Weg! Weg Satan! Trotsch, schriel! Weg!” zegt ze half wakend, half droomend.Helmond ziet haar weer inslapen; maar nochtans zijn onrust komt sterker terug: Tot nogtoe heeft hij buiten Eva’s vijandige gezindheid tegen dien oom gerekend. Zal zij er toe kunnen besluiten om morgen op haar jaarfeest tot hém te gaan. Neen neen.... !Maar zie hoe men tóch denken kan met een steeds sterker bonzend hoofd.—Ja, zijzaler blij en geheel vrijwillig heengaan! O, die verzoening zal schoon zijn. Zie, zóó moet het gebeuren: Het fraaiste stel diamanten zal Eva als een verrassing ontvangen, en August zal haar doen gelooven dat diezelfde “schriele oom” het haar toegezonden heeft. Maar natuurlijk, zij mag den generaal dan niet spreken over zijn geschenk. En, met te dieper gevoel zal zij den grijzen weldoener bij dat morgenbezoek in de armen snellen, teruggekomen van haar onbillijk oordeel, en met de stilzwijgende verklaring van dankbare liefde.—O, en de warmte waarmee zij den oom—en geheel vanzelf—zal tegemoet ijlen en omhelzen, zij zal weldadiger werken op dat hart dan duizend verklarende woorden. Het stel diamanten zal zeker nooit door Eva vergeten worden.....Zooeven had de huisschel geklonken, en dewijl men nu de kamerdeur naderde, liep Helmond zachtjes naar de deur, opende haar zonder gedruisch, en begaf zich al spoedig naar de spreekkamer, waar hem iemand wachtte, die hem noodzakelijk alleen wilde spreken. Bij de kleine lamp, die in de spreekkamer was neergezet, stond een aardig burgermeisje van zestien jaren omtrent.—Wat ze verlangde?—Nee, zieken waren er gelukkig niet, maar dokter moest niet kwalijk nemen; ze was zooveel als Grietje van Wulters den huisschilder.“Ah zoo!” Helmond voelde eensklaps iets zeer beklemds: “En.... ?”“Ja dokter,” vervolgt het meisje: “vader was een beetje opzichtig om u zelvers lastig te vallen, nadat u gezegd hadt van over drie maanden; en.... Maar ziet u, vader had ook al die inslagen van glas en behangselpapier moeten doen, en dáárom: en ook omdat vader zoozeer geen krediet heeft in Amsterdam, ziet u, nou zou vader een wissel krijgen, en dacht moe dat we maar zoo vrijpostig moesten zijn om u.... ja ziet u dokter, ’t is een heeleboel geld, maar zulke mooie papieren, en het blommenhuis en al dat dure glas zei vader en.... vader heeft er ook hard voor moeten werken dokter.”Helmond heeft de kwitantie a zeshonderd en tien gulden, van het eenigszins bevende Grietje aangenomen en ingezien.Groote getallen spreekt men zoo gemakkelijk uit. ’t Was een slagveld met tienduizend of—daar wil ik afwezen—van honderdduizend lijken, zegt iemand, en de hoorder fronst bij beide getallen schier even zwaar het voorhoofd. Over het kleine verschil vannegentigduizendlijken stapt hij gemakkelijk heen.De betrekkelijk kleine sommen, die telkens en telkens het geld hadden verslonden, ’twelk de dokter extra heeft moeten opnemen, herinnerden hem gedurig en ook nu, hoe hij in den laatsten tijd maar zelden goed heeft doorgedacht, dat, om duizend gulden te kunnen betalen, mentienmaal honderd guldenmoet bezitten.—Doch waarom nú het arme hoofd daarmee gebroken! Kon hij dan een oogenblik vergeten dat hij juist morgen.... Goddank! van allen last zal ontheven zijn? Zal oom niet morgen stilzwijgend zijn schulden vereffenen....?“Kindlief, als vader verlegen is dan zal ik hem graag voldoen. Wanneer zou die wissel vervallen?”“Vader zei dat ik maar zeggen moetmorgendokter, maar als ik goed heb gehoord, dan spraken va en moe van Dinsdag, da’s overmorgen dokter. Ziet u, ik wil niet buiten mijn hart spreken dokter.”“Doe jij dat nooit lief kind. Nooit!” zegt Helmond en drukt weer de hand op het hoofd: “Ga nu naar huis, en zeg aan vader dat hij er vast op rekenen kan overmorgen zijn geld te zullen krijgen.”“Bestig, alsjeblief dokter.—O, zou ik dat papiertje weer meenemen dokter.—Och, ’t was in goeje handen.”Geen tien minuten later had Helmond een geheel ander bezoek.’t Was Archibald Hardenborg, die met een ongewone bedruktheid op ’t gelaat, kwam informeeren of het waar was ’tgeen hij dezen middag van den generaal vanDe Zonsbergmeende verstaan te hebben, namelijk dat de verjaringspartij morgen waarschijnlijk niet doorging?Nog een oogenblik wacht Helmond en aarzelt een antwoord te geven. Maar dan:“Nee amice, daar is geen quaestie van. Oom zal bedoeld hebben dat hij waarschijnlijk zelf niet komen zou. Oom is dezer dagen niet zoo heel fiksch.—Hoe.... hoe von-je dat hij er uitzag?”Na een uitroep van blijde verruiming vervolgt Archibald:“Hoe de generaal er uitzag? Ja om je de waarheid te zeggen, ik weet wel dat ie z’n degen en epauletten niet aanhad, maar voor de rest heb ik meer naar het fijne popje gekeken. Lief bleekneusje! Verduiveld, mijn trouwe reparateur, ik ben in de laatste dagen in zoo’n fragile positie. ’k Stond den dood uit dat je feest niet zou doorgaan.” Geheimzinnig: “De Zonsberg—uit! finaal, totaal! Bij dat laatste bezoek dezen middag begon ik waarachtig een oogenblik sympathie voorbleekte krijgen. Enfin, ik geef het gesprek zoo’n polsenden draai,—je begrijpt dat—en verneem zoo en passant van een paar heel bleeke lipjes, dat het, volgens de overtuiging van die lipjes, groote zonde is wanneer een zwak en dikwijls sukkelend meisje haar hand schenkt aan.... Enfin, ’t kwam er zoo’n beetje gevoileerd uit, maar ’t wou toch zeggen: Als je er ooit aan denken mocht om me te vragen, reken er op dat je een heel mal figuur zoudt slaan.”“Ik dacht Archibald, dat freule Marie Narwal....”“Stil stil: papa had een drietal geformeerd, en immers een oogenblik begon ik bleek nog al interessant te vinden, ’t Is in zooverre niet ongemakkelijk indien candidaten zich terugtrekken.—Vin-je me pedant? Waarachtig, papa zou het me maken. Maar amice, er is er toch maar ééne, die ik van het eerste oogenblik afaan.... Zieje, en daarom werd ik drommels benauwd dat je partij niet zou doorgaan. Begrepen? Ik droom geregeld van dat engelachtige kind.—Apropos, komt Ronner, die poesbaard ook op het feest?”“Wie zeg je,Ronner?”“O sapperloot, ik meen Kattenglimp.”“De majoor Kartenglimp? Jawel.”“Zeg, vin-je dat au fond geen fameus gemeene type?”“Gemeen!?—Dat is te zeggen, nobel is anders, maar gemeen....”“Enfin, ’t komt zeker door die frappante gelijkenis; ’k had hem maar eens gezien, op de ree van Batavia toen hij scheep ging; ik spreek van dien Ronner—maar, als twee droppels water! Grooter schoelje en poltron heeft er nooit een degen gedragen. Alleen ter wille van zijn moeder liet men hem loopen.—Maar ik zie het, ik hou je op.... jawel, je zult nog ’t een en ander te bestieren hebben. Je charmant lief vrouwtje is zeker ook zoo’n beetje in de weer; men kan niet alles aan de domestieken overlaten. ’k Heb daarom met voordacht alleen naar mijn cordialen dokter gevraagd. Wat zul je morgen gelukkig wezen! ’k Zei gisteren aan papa: als Helmond voor zoo’n vrouw folieës deed, ik zou hem waarachtig de bon coeur mijn compliment maken.”“Helmond, Helmond! waar ben je?!” klinkt het luide in ’t voorhuis. —Verrast den luitenant bij haar echtvriend te vinden, blijft Eva een oogenblik later op den drempel van het spreekkamertje staan. Ze was nog wat licht in ’t hoofd van de flauwte, die haar na dien vreeselijken schok bezwijmen deed. Bij ’t ontwaken wist ze in den aanvang niet of ze gewaakt of gedroomd had. Maar toen, toen moest en zou ze het weten. En nú, o Goddank! hoor maar, ’t was allesalleseen droom. August stemt immers dien luitenant zonder eenige terughouding toe, dat zijn vrouwtje morgen de schoonste feestkoningin zal zijn, die er ooit op aarde bevelen gaf. Hij ziet er volstrekt geen bezwaar in dat Hardenborg haar engageert voor een enkelen dans. Hij spreekt het niet tegen dat hij zijn vrouwtje morgen en haar gansche leven verwennen zal. Goddank! ’t was dus een droom.... of neen, toch niet: het is een zinsverwarring, een misverstand geweest. Die dwaze brief van den “uitgedienden generaal” heeft August straks voor een oogenblik op ’t sterkst in zijn gewone tobberij doen vervallen. Neen, men was niet arm.... Hoor maar, hoor, hij stemt het weer toe: Morgen, ja zeker, morgen zal het gansche huis één enkele feestbouquet zijn ter eere van Helmonds “engelachtig vrouwtje”.

De avond die den dag voorafging waarop Eva’s geboortefeest in het nieuwe doktershuis zou gevierd worden, was als ’t ware de aankondiger van het gure seizoen. Geen wonder, October stond voor de deur. De regen viel bij stroomen neer, en de wind koelde zijn woede aan de reeds geel en bruin geworden bladeren.

Dokter Helmond liep—zooals hij zich in den laatsten tijd had aangewend—in gedachten de groote huiskamer op en neer.

“Maar lieve August, ’t zou verschrikkelijk zijn!” zegt Eva, terwijl ze van haar borduurwerk opziende, langs de lamp heen haar wandelenden echtgenoot met de oogen volgt.

“Verschrikkelijk! Wat meen je Eva?”

“Wel, als het morgen zulk een weer was! Onze heele tuin-illuminatie viel in duigen; ’t zou allerakeligst zijn!” Na een oogenblik stilte: “August, waar denk je toch aan? Weer muizenesten? Toe kom dan eens hier. Foei, tobberijen over niemendal, terwijl ik in zorg ben over ’t geen ons nu toch het meest moet ter harte gaan: ons feest! het feest op den verjaardag vanje wijfjeAugust!

“Welzeker!” zegt Helmond: “als het zulk een weer was dan zou....”

Eva bemerkt niet dat haar echtgenoot in dit oogenblik een hevigen strijd heeft te strijden. Opgestaan is Eva hem nabijgekomen en zegt nu met haar zoetste stem: “Als ik morgen waarlijk den schoonsten dag van mijn leven door de liefde van mijn besten man zal genieten dan....” zij strijkt met haar zachte hand over Helmonds voorhoofd: “dan mag dáár geen wolkje te zien zijn. Weet je August, waar ik het nieuwsgierigst naar ben? Nee, ik zeg het niet.—Wil ik het toch zeggen?—Ja?”

“Ik weet niet wat je bedoelt Eva.”

“Ei ondeugd, dat weet je niet? En je weet óók niet hoeveel die diamanten speld van mevrouw Van Leeuwen heeft gekost........?

Nee, daar heb je zeker niet naar laten informeeren niewaar?— August, zeg.... ben ik er vér vandaan, of.... of vin-je dat visschen nu wat heel indiscreet? Maar och m’n beste man, je weet ook niet wat een schrikkelijke pret ik er in zou hebben, om morgen eens tegen over die deftige gravin Van Leeuwen te staan, en— changement de décorations—dat ik dan op mijn beurt, zoo heel langs m’n neus weg kon zeggen—of als het àl te ondeugend was tenminste kondenken: Wat een aardig liefspeldjehebt u daar aan, een liefgarnituurtje! Ben ik ondeugend Guus? en vin-je me indiscreet? Nu, iets te zeggen dat behoeft niet, maar.... kijk me eens eventjes aan, dan kan ik wel zien of ik heel ver van honk ben.... Boe boe, wat kijk je zwart; is dat een verstoppertje-spelen misschien, zeg, lieve plaaggeest?”

Helmond aarzelt. Ofschoon hij een paar stel diamanten op bezien in huis heeft, neen hij zal ze haar niet geven.... neen! En bij God! ook haar partij zal niet doorgaan! ’t Koste wat het wil. Beter laat dan nooit zal hij toonen dat zelfs die teerbeminde vrouw—zijn afgod—zonder wier bezit hem de wereld een graf zou schijnen, niet in staat is om hem, door haar kinderlijke zucht naar wat blinkt en schittert, op den duur als een dwaas te doen handelen, en haar door zijn zwakke toegevendheid in ’t eind ongelukkig te maken.

“Eva kom hier eens zitten. Ja hier, dicht aan mijn zij.—Aan den laatsten avond van een jaar mag men wel eens een oogenblik aan wat ernstigs denken....

“Hemel August, het is me alsof ik dominee Hoogerberg hoor. Maar ja zeker, laten we nu eens als oude getrouwde luidjes—met een geheim, waar men nog niets van merken kan—eens heelheelernstig praten.” Ze steekt haar arm door den zijne, legt haar hoofd tegen zijn schouder, en vervolgt: “Morgen als de vrouw nu twee en twintig jaar oud wordt, dan zal er ten huize van dokter Helmond een soirée met soupee worden gegeven, zooals de goede stad Romphuizen nooit gedroomd had, dat er binnen haar doodsche wallen een zou gegeven worden. Nee chut! laat me nu eens eventjes heel ernstig praten: Op den avond van den acht en twintigsten September zullen de aanstaande heer van Romphuizen en z’n echtgenoot de graaf en gravin Helmond Van Armeloo—nu ja, niet al te ernstig kijken beste, wantwie weet!—enfin, dan zullen ze al dien ouden en nieuwbakken adel uit den omtrek, eens toonen wat chic en bon ton is; dan.... Nee, ik bid je nog een oogenblik geduld! En dan overmorgen als Bel uit Amsterdam en La Fosse uit Utrecht alles weer netjes hebben opgeredderd en meegepakt, dan.... nu komt het.... dan gaan we verder eens heel zuinigjes en eenvoudigjes leven.—Goed hê?—Dan eten we nog een heelen tijd kliekjes van taarten en getruffeerde fazanten, en rijden heel deftig en ernstig....” Eva fluistert nu met haar onweerstaanbaar lieve stem: “ja heel ernstig, beste mannetje, naar den boer waar we ons lieve kleine popje zullen koopen, en.... Kom goeje Evertje Zwaarmuts, lach nu maar eens, en beken maar gauw dat ik wel heel ernstig ben, wanneer ik met al mijn illusies voor morgen, toch met zooveel plezier van de toekomst kan spreken, en je verzekeren, dat me waarlijk op den duur niets zoo gelukkig maakt als het bezit van mijn braven brompot, en de gedachte dat ik, al mettertijd, de moeder zal wezen van zoo’n engelachtig ventje, van ons heel klein snoeperig stamhoudertje, August.”

De inwendige strijd, dien hij te voeren heeft, maakt Helmond ongevoelig voor de zoete omhelzing zijner Eva, zooals hij schier doof is geweest voor haar woorden, die deels weer de tolken waren van kaar ijdelheid, en deels ook der teederste aandoening van het hart der vrouw.—Helmond zwijgt nog een oogenblik. Nu zal hij spreken. Nú. Hetmoet! Morgen zou het te laat zijn. Reeds gisteren ontving hij een verzegelden brief vanDe Zonsberg; het resultaat der tusschenkomst van den waardigen Hoogerberg, het ultimatum vanden oom.... Men moest terug: terug van den breed en weg die tot het verderf leidt! Terug, of anders....”

“Eva, toen je op dien avond te Parijs van me hoorde dat we ’s-anderendaags zouden vertrekken, toen was je bitter teleurgesteld, maar je hebt je als een verstandige vrouw aanstonds getroost. Je bent alweer ouder geworden, en dus, wanneer er nú eens...”

“Och beste man, als je nu waarlijk graag wilt dat ik den laatsten nacht van mijn oudejaar rustig zal slapen, verg dan niet te veel van mijn verstand. Weet je waarikplezier in heb? Ik heb er plezier in om nog maar altijd te denken, dat jij het verstand voor onsallebeihebt. En je hebt het; jawel! Maar je bent Evert Zwaarmuts, en ’t zit er waarlijk op dat je me weer van voren afaan zult gaan beweren—ofschoon het wat te laat is—dat morgen het ijs en de ditten en datten wel konden wegblijven; en dat de blauwjassen evengoed zouden voldoen als de kapel die komen zal.” Opstaande: “We moeten daar nu van afstappen lieve August. Teleurstellingen verwacht ik op mijn verjaardag niet.”

“Eva.... het hooge woord moet er uit: de partij zal morgen niet doorgaan.”

“August, is ’t je in ’t hoofd geslagen?”

“Daarvoor heb ik in de laatste dagen wel eens gevreesd. Het verstand voortweewas erzekerniet. Dáár Eva lees!”

Eva, doodsbleek geworden, ziet het geschrift in ’t welk August haar toereikt:

“Ha! vanhem!” zegt ze met weerzin: “Van dien bekrompen despoot! Wil hij eeuwig heerschen over mijn man? Nee dat lees ik niet; die schrale hanepooten doen me aan de magere jaren denken. Nee ik wil, ikwilhet niet lezen.”

“Als ik het je verzoek Eva?”

Eva, na zichtbaren strijd, zegt eensklaps met verheffing van stem terwijl ze stampt met den voet:

“Neeneezeg ik je: dat mensch is de duivel, die zich tusschen ons stelt.

Helmond bedwingt een stijgenden toorn; en dan:

“Evaik wil het:lees!”

Voor ’t uiterlijke kalm ziet hij haar strak in de oogen. En zij, ze wijkt voor dien blik onwillekeurig een schrede terzij, en trillend als een popelblad door een onverwachten stormwind bewogen, nogmaals opziende naar den man, die zich eensklaps met zijn ongewoonik wil het, zoo akelig gelden liet, vat ze het blad papier, ziet het in en, ofschoon het haar schemert voor de oogen en ze sommige volzinnen slechts ten deele begrijpt, ze leest nu den brief:

“Aan dokter Helmond!“Er zijn twee wegen. De eene voert tot de eeuwige gelukzaligheid, de andere ter verdoemenis. Als dokter Helmond begrijpen wil dat hij sedert zijn huwelijk den laatsten weg heeft gekozen, en zich met zijn vrouw wil haasten om dien aanstonds te verlaten, dan zalde generaal Van Barneveld God danken, en zijn hart en huis zullen voor de jonge echtgenooten weer geopend zijn.“Om op den weg die tot God leidt terug te komen, moet er echter met den vervloekten geest naar grootheid, naar verheffing boven zijn stand, en het weelderig genieten van Gods gaven zonder arbeid in het zweet des aanschijns, worden gebroken. Als voorwaarden, die van den goeden geest zullen getuigen, eischt de pleegvader, van dokter Helmond, dat men zoo spoedig mogelijk zal terugkeeren tot den kring waarin men behoort, en allereerst tot de woning, die men zonder reden voor een paleis heeft verwisseld. Het oud-burgemeestershuis zal met zijn meubels en versiersels binnen vier weken publiek moeten verkocht worden, om den volke te doen zien dat dokter Helmond werkelijk leven moet van zijn praktijk. Als bewijs dat men met Gods hulp tot het goede wenscht te besluiten, zal de partij ten zijnen huize worden afgezegd. Men vrage niet wat de wereld zal denken of spreken, men bedenke alleen wat God eischt en wat eerlijk en goed is. Een eerlijke retraite is geen schande. Indien het bewijs der goede gezindheid op den 28stenSeptember wordt gegeven, dan zal de oude pleegvader dienzelfden dag zijn kinderen met open armen ontvangen, en, zoo er door daden, die de krachten te boven gingen, schulden mochten zijn, hij zal ze zwijgend vereffenen.“Andere redenen, die een verwijdering zouden wettigen, bestaan erniet meer. De pleegvader wil vergeven en vergeten.“Dit ultimatum is geschreven in overeenstemming met den waardigen leeraar dezer gemeente Ds. Hoogerberg.“Herinnert u te zamen het woord van den heiligen stichter onzer religie, den Zoon van God: “Gij kunt Gode niet dienen en den Mammon!”Alexander Van BarneveldDe Zonsberg, 26 September 18....”

“Aan dokter Helmond!

“Er zijn twee wegen. De eene voert tot de eeuwige gelukzaligheid, de andere ter verdoemenis. Als dokter Helmond begrijpen wil dat hij sedert zijn huwelijk den laatsten weg heeft gekozen, en zich met zijn vrouw wil haasten om dien aanstonds te verlaten, dan zalde generaal Van Barneveld God danken, en zijn hart en huis zullen voor de jonge echtgenooten weer geopend zijn.

“Om op den weg die tot God leidt terug te komen, moet er echter met den vervloekten geest naar grootheid, naar verheffing boven zijn stand, en het weelderig genieten van Gods gaven zonder arbeid in het zweet des aanschijns, worden gebroken. Als voorwaarden, die van den goeden geest zullen getuigen, eischt de pleegvader, van dokter Helmond, dat men zoo spoedig mogelijk zal terugkeeren tot den kring waarin men behoort, en allereerst tot de woning, die men zonder reden voor een paleis heeft verwisseld. Het oud-burgemeestershuis zal met zijn meubels en versiersels binnen vier weken publiek moeten verkocht worden, om den volke te doen zien dat dokter Helmond werkelijk leven moet van zijn praktijk. Als bewijs dat men met Gods hulp tot het goede wenscht te besluiten, zal de partij ten zijnen huize worden afgezegd. Men vrage niet wat de wereld zal denken of spreken, men bedenke alleen wat God eischt en wat eerlijk en goed is. Een eerlijke retraite is geen schande. Indien het bewijs der goede gezindheid op den 28stenSeptember wordt gegeven, dan zal de oude pleegvader dienzelfden dag zijn kinderen met open armen ontvangen, en, zoo er door daden, die de krachten te boven gingen, schulden mochten zijn, hij zal ze zwijgend vereffenen.

“Andere redenen, die een verwijdering zouden wettigen, bestaan erniet meer. De pleegvader wil vergeven en vergeten.

“Dit ultimatum is geschreven in overeenstemming met den waardigen leeraar dezer gemeente Ds. Hoogerberg.

“Herinnert u te zamen het woord van den heiligen stichter onzer religie, den Zoon van God: “Gij kunt Gode niet dienen en den Mammon!”

Alexander Van Barneveld

De Zonsberg, 26 September 18....”

“Afschuwelijk! Afschuwelijk!” barst Eva los met bevende stem: “Mijn God! welk een toon! Den Mammon dienen! Ha, wie durft daarvan spreken! Hij, die zelf in dienst van den geldduivel is!”

“Vrouw! zwijg!” roept Helmond met krachtige stem: “Als je me waarachtig liefhebt, vergrijp je dan niet opnieuw aan den man dien ik vereer en die het goede wil. Zwijg zeg ik je!Hoor je me niet!Ja, ’t is nu genoeg, hij heeft gelijk: wij zijn op een rampzaligen weg!” Met verheffing van stem en Eva aanziende, zoodat ze hevig ontsteld een schrede teruggaat: “Ik zeg je Eva, die man heeft waarachtig gelijk; met dien vervloekten geest, die zucht naar grootheid en verheffing boven onzen stand, moet gebroken worden!— Sta daar zoo niet te beven. Mijn toorn kind, geldt mij zelf in de eerste plaats, ja waarlijk, mij zelfgeheel alleen. Eva,ikwas krankzinnig, ja waarachtig!”

—O groote God, wat ziet hij haar akelig aan! Wat wil dat zeggen,krankzinnig! Nee nee, dat is hij niet, nee, stil stil. Goddank, hoor maar, hij spreekt bedaarder; hoor, hij noemt haar weer zijn bestekind, zijn lieve vrouw, Maar toch, dat gewone punt der tobberij wordt met een schier aan krankzinnigheid grenzenden angst behandeld.—Men moest terugkeeren tot den eenvoud waarop de pleegvader zoo gesteld is, men moest....

“Maar August, zoo waar als ik leef, die brief is geschreven door iemand die....”

“Die het goede wil, die begrijpt dat ik mijn kind, mijn schat niet bewaar met de trouw door mij bezworen; door een man die ons verderf tegemoet ziet, die mij in stilte bij mijn waren naam noemt: een zwak man tegenover zijn vrouw.—Eva, dat zal eindigen; zoo waarachtig als ik je liefheb,zoo waarachtig zal dat eindigen! Die brief is kras maar goed. Zachte medicijnmeesters maken stinkende wonden. Dat ultimatum moet worden nageleefd. De partijzalmorgen niet doorgaan!”

Eva moest zich met de beide handen aan de tafel vasthouden. Die man.... háár man, hij maakte haar werkelijk angstig. Dat is geen taal van een verstandig man. De partij morgen niet doorgaan!—Zou het dan ernst zijn, waarachtig ernst?

Helmond haalt een aantal pas geschreven klein gevouwen brieven uit den jaszak te voorschijn:

“Ziehier Eva, dit zijn de bewijzen dat ik hetgoedmet je meen. Voor zooveel mogelijk zullen wij deze briefjes nog van avond laten bezorgen. Als reden geef ik op dat je ongesteld bent geworden. Je teleurstelling zal die ongesteldheid zijn, want teleurgesteld dát ben je zeker.”

Eva ziet hem aan met angstigen blik, en zegt nu met doodsbleeke lippen:

“August, ik word werkelijk bang.—Je bent toch niet.... zeg lieve August, je hebt toch geen erge hoofdpijn niewaar?—O, o! die akelige vrek zal hem krankzinnig maken.”

“Nee Eva, oom zal me genezen. We zullen handelen volgens zijn wil, en dan zul je leeren inzien dat hij het goed met ons meende.”

“Je spreekt dus met je volle verstand August! En ik versta je wel: aan dien onzin zou je gehoor willen geven!? Maar dat is onmogelijk! Wartaal, waanzin staat daar te lezen. Terugkeeren naar het oude huis, en dit huis publiek verkoopen, binnen vier weken!—Publiek verkoopenenpubliek schandaal makenis hier volmaakt hetzelfde. Gesteld eens dat die oom met eenig recht oordeelde dat onze manier van leven wat te weelderig is, zou een verstandig mensch dan ooit op het denkbeeld komen om zulk een ultimatum te schrijven. Daar spreekt haat en wangunst uit dat schrift.”

“Eva, je kent mijn pleegvader niet; hij was van mijn jeugd afaan....”

“We weten dat, hij was jevoorzienigheid, maar nu—nú is hij een wangunstige vrek die....”

“Zwijg,zwijg zeg ik je!”

Er was woede in Helmonds blik. Eva stuift achteruit, en dan in een vreesachtige houding met haar bevende klankvolle stem:

“Is dat je liefde man!—O God, wie had dat kunnen denken; opden vooravond van het feest waarop ik mij zoo verheugde, en dat hij mij eerst zoo hartelijk gunde! O! waarachtige liefde bestaat niet meer. Vertrouwen nee, vertrouwen kan men den edelste niet.... O God!”

“Schrei niet Eva, kind, schrei niet! Ik zal je toonen dat ik je liever heb dan ooit; liever dan mijn leven.”

“Och August, hoor ik goed? Zul je, ja zul jezeker.... dien brief vol waanzin verbranden en megelukkig maken....?”

—Gelukkig maken!

Helmond voelt zich eensklaps het hart als door ijskou versteenen. Neen hij beseft het volkomen, op den weg dien hij terug moet zalzijnimmermeer zichgelukkiggevoelen! Dat heeft hij bedorven voor altoos. De kleine woning aan den wal, waaraan ze allengs misschien zou gewend zijn, en waarin ze waarschijnlijk als jonge moeder gelukkig zou zijn geworden, nu, indien ze er moest terugkeeren, ze zal haar zijn als een graf.

“O ik wist het wel,” vervolgt Eva met verruiming dewijl ze Helmonds zwijgen reeds voor toestemmen houdt: “Wat August eens aan zijn Eva schonk of toezeide, dat neemt hij niet terug. En méér beloven of schenken dan je doen kondt, dat heb je nooit gedaan; nee nee August, dát weet ik, dáárop bouw en vertrouw ik als op een rots. Je eigen woorden zijn me altijd een waarborg geweest, en je uitstekend verstand.... O, er is maar één knap en verstandig man in Romphuizen.... Lieve,lieveHelmond!”

—O God, hoe kan hij zich redden met haar, en zonder haar van zich af te stooten; zonder haar te dooden misschien? Immers zóó kan en mag het niet langer. In die weinige maanden reeds steekt hij diep in schulden, en voor een goed deel werd hij ondanks zich zelven, de schuldenaar van een man voor wien hij vriendschap huichelen moet. Slechts weinige dagen geleden ontving hij nogmaals van den majoor Kartenglimp een paar duizend gulden ter leen,—helaas! nu reeds door hem oprekening gesteld van ooms nalatenschap!—En die nalatenschap zou dan voor hem verloren zijn, voorgoed verloren!—En zonder dat uitzicht zou hij voortgaan op dezen weg!—O hoe spoedig zal dan het oogenblik der schande komen. Sinds hij aan die nalatenschap dacht, werd het uitzicht op eigen gewin al meer en meer beneveld: de verhouding tusschen het debet en credit was reeds sedert lang geheel verbroken.

—Terug! aarzel niet langer! roept de stem van ’t verstand den jongen dokter toe, en de stem der liefde roept mede: Terug naar het hart van den pleegvader die, ofschoon hij niet volmaakt is, nu het treffendst bewijs heeft gegeven zijner liefde door het schrijven van dien brief. Immers, Helmond alleen kan beseffen wat overwinning hij op zich zelf heeft moeten behalen om dien regel te schrijven: dat de pleegvader zou vergeven en vergeten.... ja ook aan Eva vergeven, dat ze hem schold voor eentrotschen eengierigman!

“August.... waar ga je heen?”

“Ik ga goedmaken wat ik misdeed; ik ga eindelijk voor je welzijn zorgen kind!”

“Je bedoelt....?”

“Ik zal Herman deze briefjes ter bezorging geven, en laten telegrafeeren naar Amsterdam en Utrecht dat de partij niet kan doorgaan.”

Het wordt Eva alsof er vonken vuurs door de kamer spatten, alsof het hooge stukadoorwerk naar beneden buigt en wringt.

—Als Helmond niet op den weg is om krankzinnig te worden—o vreeselijk denkbeeld—dan, dan is hij een tiran, een leugenaar, een.... Neen dát is niet mogelijk; hij wordt gedreven door den wil van een despoot, die hem onder zijn ijzeren schepter wil terugbrengen. —Eva beseft dat ze al haar geestkracht en al haar verstand zal behoeven om haar man, ter voorkoming van publiek schandaal, van besluit te doen veranderen. Ze voelt zich nu sterker. Ze zal kalm wezen, dat is het beste.

“Weet jij niet meer August,” herneemt Eva: “wat me voornamelijk zoo gelukkig maakte in den laatsten tijd? ’t Was het vollevertrouwenop mijn man. Sinds dien brief van Jacoba,geloofde ik in je, August, geheel en al; want je hebt woord gehouden; en als je wel eens aan ’t tobben raakte, waarschijnlijk in navolging van dien ouden heer, dan sloot ons gesprek toch met de zoete verklaring; dat mijn August niets deed wat onverstandig was.”

Helmond voelt weer dat pijnlijk hoofdkloppen.—Hoe verpletterend klinken die woorden, en toch op dien zoeten toon. Nu zegt hij:

“Eva, straks zullen we verder spreken en alles behandelen, dan zullen we elkander geheel verstaan en zeker in ’t einde elkanderliever hebbendan ooit.... Nu.... ’t is hoog tijd; de telegrammen moeten vóór zevenen bezorgd zijn....”

Eva houdt zich oogenschijnlijk kalm.

“Wanneer die telegrammen en brieven werkelijk verzonden werden Helmond, dan zou daaruit blijken dat de man die het deed—zoo hij niet krankzinnig is—zijn jonge vrouw heeft bedrogen, weken en maanden lang”. Fier en gevoelig: “En dat isnietzoo; zoo waar als er een God leeft, dat is niet zoo. Nee, hij behoefde zich niet te bekrimpen, maar zou het nú uit overgroote goedheid willen doen, om.... een ouden man te believen.—Zeg, zou je dan willen August, dat ik je tóch voor een zwak en niet te vertrouwen mensch hield!? Hoe! Mijn rots, mijn rots....!!” Zij vliegt op hem toe en omhelst hem in vervoering: “Mijn schat in dit leven! Neeneedat wil je niet!”

—O God, als hem dan door zijn eigen vrouw de dolk op de borst wordt gezet:

“Ja ja Eva, ik herhaal het, ikhebje bedrogen; reeds weken lang leefde ik als een dwaas, en stak mij in schulden, terwijl ik zuinig had moeten zijn en klein en nederig....” Maar Helmond kon niet voortgaan met spreken. Eva had hem een oogenblik met doodsbleeke lippen aangehoord, en nu, hoor, nu berst ze in een zonderling lachen uit; hoor, al sterker en sterker.

“Eva! kind!—bedaar! Lach zoo wonderlijk niet. Eva je maakt je te zenuwachtig. Eva!—Eva!!”

Maar of Helmond ook poogde haar tot bedaren tebrengen, hetbaatte hem niet. Vreemder en vreemder werd steeds dat lachen. De schok, dien Helmond haar heeft toegebracht, was nog grooter geweest dan hij het zich heeft kunnen voorstellen, en de woordenzuinigenkleinennederig, welke Eva in den laatsten tijd zoo dikwijls al schertsend had weerlegd, ze hebben, bij het ontvangen van dien schok, vermoedelijk tot dat akelige lachen aanleiding gegeven.

Eenige seconden later is dat droevige lachen in schreien overgegaan, en—een soort van bedwelming, die straks door een rustiger inslapen zal gevolgd worden, heeft haar nu vermeesterd.

Eva ligt op de sofa; kleine snikken ontsnappen aan haar fijngevormde lippen. August ondersteunt nog altijd het canapé-kussen waarop haar hoofd rust.

—Stil, zoo aanstonds zal ze inslapen. Hoor! nog een snikje, nóg een.... een lange zucht en:

“August!” klinkt het zacht.

“Wat is er lieve? Hier ben ik.”

“Zoo ben je daar, dat is goed. Waar was je? Morgen, o,heerlijk, morgen!”

Weer volgt er een zucht. Een langgerekt geeuwen klinkt er, en—hoor, ze slaapt, ja zeker ze slaapt.—Zachtjes trekt Helmond zijn arm onder het kussen terug, en.... ziet nu om naar de pendule.

’t Was—halfacht.

—Te laat!—De telegrammen kunnen niet meer verzonden worden.—En, morgen reeds met den eersten trein zal men uit Amsterdam komen om alles voor het soupee te regelen en, voor zooveel noodig, ook hier gereed te maken. En reeds dezen avond gaan de bloemen en bouquetten uit Utrecht op weg en....

Helmond staat in gepeins als verloren.

—Maar zou Eva’s lichte ongesteldheid—die bovendien niet onnatuurlijk is in haar omstandigheden—zou ze niet als ’t ware een bestiering zijn geweest? Dáárdoor werd het te laat... !!—Dominee Hoogerberg heeft gezegd dat oom Van Barneveld niets liever dan een toenadering wenschte, indien Helmond voortaan wat meer wilde bedenken hoe hij als dokter in Romphuizenmoestenkonleven.—Dat was een gematigde toon. Die geest was verstandig.—Zóó, indien oom Van Barneveld er goed over denkt, ja, zóó kon hij terugkeeren. Maar Eva heeft gelijk: zou het verstandig zijn om op een wijze als in dien brief werd begeerdpubliek schandaalte maken?—Eva heeft het bij den rechten naam genoemd. Hoe zal men over een dokter spreken, die zóó door zijn eigen pleegvader wordt aan de kaak gesteld! Zulk een dokter zal men verachten inplaats van hem te vertrouwen. Die brief, dat ultimatum iswaarachtigonzinnig. Een feest ter eere van zijn jonge vrouw moet zonder een geldige reden eensklaps worden afgezegd, en duizend tongen zullen in beweging komen en zeker die jonge vrouw niet sparen! En binnen de vier weken zal men dit huis moeten ontruimen en verkoopen....!

Aan zijn gedurig hoofdlijden moet Helmond het toeschrijven dat hij oom’s ultimatum in den aanvang zoo letterlijk heeft opgenomen—Goddank daar komt licht! Morgen op Eva’sverjaardagzal hij zich zoo vroeg mogelijk met haar naarDe Zonsbergbegeven. De oom en pleegvader zal dien stap waardeeren en de redenen moeten billijken, waarom het feest voor ’t laatst nog moet doorgaan. En dan, het vraagstuk zal worden opgelost meteen, hoe dokter Helmond zijn nieuwe woning zal kunnen verlaten zonder zijn goeden naam te bederven, zonder zich belachelijk te maken in het oog der geheele stad. Hij kan den pleegvader het voorstel doen om zich elders als dokter te gaan vestigen.

—Welzeker, denkt Helmond voort, zulk een schrijven draagt te vele blijken van overijling, dan dat de verstandige oom er niet op zou terugkomen. ’t Is waar, wat hij eens heeft gezegd dat blijft in den regel gezegd; “wat geschreven staat dat staat geschreven,” maar toch, met blijdschap herinnert August zich nu den avond vóór zijn trouwen, toen de onveranderlijke oom uit eigen beweging een overeenkomst vernietigde, waarvan hij bekennen moest dat de eischen, zoo niet te sterk, althans niet helder door hem gesteld waren.

—Goddank! zegt Helmond nog eens in stilte, want voor het oogenblik is hem niets zoo welkom als de rust die hij zich zelf door zijn overlegging bezorgde: Onzinnig wreed zou het zijn om nu datkind, ja wat is zij anders dan eenverrukkelijk kind! om haar “haar eigen feest” te ontnemen. Langzaam, zeer langzaam moet hij met haarterugindien ze niet verwelken en verkwijnen zal.—Zooals hij haar straks heeft geschokt, dat was werkelijktirannie. Welnu dan Helmond, wees krachtig en wijs voortaan, en waak met verstand, terwijl een trouwe pleegvader den terugtocht wil dekken; maar sla dan ook niet tot uitersten over. Ze konden die engel dooden en mét haar, o lieve God, de teedere spruit, wier eerste kreetjes ook voor haar reeds meer waarde zullen hebben dan parelen en diamant.

Eva slaapt rustig. Zie, de zachte blos is geheel op die donzen wangen teruggekeerd. Met den rug van zijn hand glijdt Helmond er zachtkens langs heen.

—Parelen en diamant, herhaalt hij nu bijna overluid, en drukt de beide handen vluchtig tegen zijn hoofd, dewijl het daarbinnen toch gedurig nog zoo vreemd en pijnlijk klopt.—Parelen en diamant! ’t Zou de grootste dwaasheid zijn!—Maar, indien ik zeaanstondsgenomen had, dan zou die dwaasheid reeds zijn geschied.... In alle geval ’t zou op het groote geheel slechts een kleine doorslag wezen. Indien men dan liefdevol in de armen van den pleegvader terugkeert, dan zal hij op den laatsten misgreep— die zoo natuurlijk uit den vroegeren geboren werd, niet letten. Oom Van Barneveld schreef: Zoo er schulden mochten zijn, ze zullen zwijgend vereffend worden.—Ach, als hij haar dan nogeen enkele maal zoo innig gelukkig zal zien.... Nee, nee, nee! “Weg Satan, weg!” zegt Helmond eensklaps overluid en stampt met den voet. zóó hard dat Eva er vluchtig van ontwaakt.

“Weg! Weg Satan! Trotsch, schriel! Weg!” zegt ze half wakend, half droomend.

Helmond ziet haar weer inslapen; maar nochtans zijn onrust komt sterker terug: Tot nogtoe heeft hij buiten Eva’s vijandige gezindheid tegen dien oom gerekend. Zal zij er toe kunnen besluiten om morgen op haar jaarfeest tot hém te gaan. Neen neen.... !

Maar zie hoe men tóch denken kan met een steeds sterker bonzend hoofd.—Ja, zijzaler blij en geheel vrijwillig heengaan! O, die verzoening zal schoon zijn. Zie, zóó moet het gebeuren: Het fraaiste stel diamanten zal Eva als een verrassing ontvangen, en August zal haar doen gelooven dat diezelfde “schriele oom” het haar toegezonden heeft. Maar natuurlijk, zij mag den generaal dan niet spreken over zijn geschenk. En, met te dieper gevoel zal zij den grijzen weldoener bij dat morgenbezoek in de armen snellen, teruggekomen van haar onbillijk oordeel, en met de stilzwijgende verklaring van dankbare liefde.—O, en de warmte waarmee zij den oom—en geheel vanzelf—zal tegemoet ijlen en omhelzen, zij zal weldadiger werken op dat hart dan duizend verklarende woorden. Het stel diamanten zal zeker nooit door Eva vergeten worden.....

Zooeven had de huisschel geklonken, en dewijl men nu de kamerdeur naderde, liep Helmond zachtjes naar de deur, opende haar zonder gedruisch, en begaf zich al spoedig naar de spreekkamer, waar hem iemand wachtte, die hem noodzakelijk alleen wilde spreken. Bij de kleine lamp, die in de spreekkamer was neergezet, stond een aardig burgermeisje van zestien jaren omtrent.

—Wat ze verlangde?—Nee, zieken waren er gelukkig niet, maar dokter moest niet kwalijk nemen; ze was zooveel als Grietje van Wulters den huisschilder.

“Ah zoo!” Helmond voelde eensklaps iets zeer beklemds: “En.... ?”

“Ja dokter,” vervolgt het meisje: “vader was een beetje opzichtig om u zelvers lastig te vallen, nadat u gezegd hadt van over drie maanden; en.... Maar ziet u, vader had ook al die inslagen van glas en behangselpapier moeten doen, en dáárom: en ook omdat vader zoozeer geen krediet heeft in Amsterdam, ziet u, nou zou vader een wissel krijgen, en dacht moe dat we maar zoo vrijpostig moesten zijn om u.... ja ziet u dokter, ’t is een heeleboel geld, maar zulke mooie papieren, en het blommenhuis en al dat dure glas zei vader en.... vader heeft er ook hard voor moeten werken dokter.”

Helmond heeft de kwitantie a zeshonderd en tien gulden, van het eenigszins bevende Grietje aangenomen en ingezien.

Groote getallen spreekt men zoo gemakkelijk uit. ’t Was een slagveld met tienduizend of—daar wil ik afwezen—van honderdduizend lijken, zegt iemand, en de hoorder fronst bij beide getallen schier even zwaar het voorhoofd. Over het kleine verschil vannegentigduizendlijken stapt hij gemakkelijk heen.

De betrekkelijk kleine sommen, die telkens en telkens het geld hadden verslonden, ’twelk de dokter extra heeft moeten opnemen, herinnerden hem gedurig en ook nu, hoe hij in den laatsten tijd maar zelden goed heeft doorgedacht, dat, om duizend gulden te kunnen betalen, mentienmaal honderd guldenmoet bezitten.

—Doch waarom nú het arme hoofd daarmee gebroken! Kon hij dan een oogenblik vergeten dat hij juist morgen.... Goddank! van allen last zal ontheven zijn? Zal oom niet morgen stilzwijgend zijn schulden vereffenen....?

“Kindlief, als vader verlegen is dan zal ik hem graag voldoen. Wanneer zou die wissel vervallen?”

“Vader zei dat ik maar zeggen moetmorgendokter, maar als ik goed heb gehoord, dan spraken va en moe van Dinsdag, da’s overmorgen dokter. Ziet u, ik wil niet buiten mijn hart spreken dokter.”

“Doe jij dat nooit lief kind. Nooit!” zegt Helmond en drukt weer de hand op het hoofd: “Ga nu naar huis, en zeg aan vader dat hij er vast op rekenen kan overmorgen zijn geld te zullen krijgen.”

“Bestig, alsjeblief dokter.—O, zou ik dat papiertje weer meenemen dokter.—Och, ’t was in goeje handen.”

Geen tien minuten later had Helmond een geheel ander bezoek.

’t Was Archibald Hardenborg, die met een ongewone bedruktheid op ’t gelaat, kwam informeeren of het waar was ’tgeen hij dezen middag van den generaal vanDe Zonsbergmeende verstaan te hebben, namelijk dat de verjaringspartij morgen waarschijnlijk niet doorging?

Nog een oogenblik wacht Helmond en aarzelt een antwoord te geven. Maar dan:

“Nee amice, daar is geen quaestie van. Oom zal bedoeld hebben dat hij waarschijnlijk zelf niet komen zou. Oom is dezer dagen niet zoo heel fiksch.—Hoe.... hoe von-je dat hij er uitzag?”

Na een uitroep van blijde verruiming vervolgt Archibald:

“Hoe de generaal er uitzag? Ja om je de waarheid te zeggen, ik weet wel dat ie z’n degen en epauletten niet aanhad, maar voor de rest heb ik meer naar het fijne popje gekeken. Lief bleekneusje! Verduiveld, mijn trouwe reparateur, ik ben in de laatste dagen in zoo’n fragile positie. ’k Stond den dood uit dat je feest niet zou doorgaan.” Geheimzinnig: “De Zonsberg—uit! finaal, totaal! Bij dat laatste bezoek dezen middag begon ik waarachtig een oogenblik sympathie voorbleekte krijgen. Enfin, ik geef het gesprek zoo’n polsenden draai,—je begrijpt dat—en verneem zoo en passant van een paar heel bleeke lipjes, dat het, volgens de overtuiging van die lipjes, groote zonde is wanneer een zwak en dikwijls sukkelend meisje haar hand schenkt aan.... Enfin, ’t kwam er zoo’n beetje gevoileerd uit, maar ’t wou toch zeggen: Als je er ooit aan denken mocht om me te vragen, reken er op dat je een heel mal figuur zoudt slaan.”

“Ik dacht Archibald, dat freule Marie Narwal....”

“Stil stil: papa had een drietal geformeerd, en immers een oogenblik begon ik bleek nog al interessant te vinden, ’t Is in zooverre niet ongemakkelijk indien candidaten zich terugtrekken.—Vin-je me pedant? Waarachtig, papa zou het me maken. Maar amice, er is er toch maar ééne, die ik van het eerste oogenblik afaan.... Zieje, en daarom werd ik drommels benauwd dat je partij niet zou doorgaan. Begrepen? Ik droom geregeld van dat engelachtige kind.—Apropos, komt Ronner, die poesbaard ook op het feest?”

“Wie zeg je,Ronner?”

“O sapperloot, ik meen Kattenglimp.”

“De majoor Kartenglimp? Jawel.”

“Zeg, vin-je dat au fond geen fameus gemeene type?”

“Gemeen!?—Dat is te zeggen, nobel is anders, maar gemeen....”

“Enfin, ’t komt zeker door die frappante gelijkenis; ’k had hem maar eens gezien, op de ree van Batavia toen hij scheep ging; ik spreek van dien Ronner—maar, als twee droppels water! Grooter schoelje en poltron heeft er nooit een degen gedragen. Alleen ter wille van zijn moeder liet men hem loopen.—Maar ik zie het, ik hou je op.... jawel, je zult nog ’t een en ander te bestieren hebben. Je charmant lief vrouwtje is zeker ook zoo’n beetje in de weer; men kan niet alles aan de domestieken overlaten. ’k Heb daarom met voordacht alleen naar mijn cordialen dokter gevraagd. Wat zul je morgen gelukkig wezen! ’k Zei gisteren aan papa: als Helmond voor zoo’n vrouw folieës deed, ik zou hem waarachtig de bon coeur mijn compliment maken.”

“Helmond, Helmond! waar ben je?!” klinkt het luide in ’t voorhuis. —Verrast den luitenant bij haar echtvriend te vinden, blijft Eva een oogenblik later op den drempel van het spreekkamertje staan. Ze was nog wat licht in ’t hoofd van de flauwte, die haar na dien vreeselijken schok bezwijmen deed. Bij ’t ontwaken wist ze in den aanvang niet of ze gewaakt of gedroomd had. Maar toen, toen moest en zou ze het weten. En nú, o Goddank! hoor maar, ’t was allesalleseen droom. August stemt immers dien luitenant zonder eenige terughouding toe, dat zijn vrouwtje morgen de schoonste feestkoningin zal zijn, die er ooit op aarde bevelen gaf. Hij ziet er volstrekt geen bezwaar in dat Hardenborg haar engageert voor een enkelen dans. Hij spreekt het niet tegen dat hij zijn vrouwtje morgen en haar gansche leven verwennen zal. Goddank! ’t was dus een droom.... of neen, toch niet: het is een zinsverwarring, een misverstand geweest. Die dwaze brief van den “uitgedienden generaal” heeft August straks voor een oogenblik op ’t sterkst in zijn gewone tobberij doen vervallen. Neen, men was niet arm.... Hoor maar, hoor, hij stemt het weer toe: Morgen, ja zeker, morgen zal het gansche huis één enkele feestbouquet zijn ter eere van Helmonds “engelachtig vrouwtje”.


Back to IndexNext