ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Den volgenden morgen nadat Eva zich voor ’t koffiedrinken gekleed had, ontstelde ze een weinig toen ze, beneden gekomen, in den zak van haar japon nog den brief vond, dien ze den vorigen avond voor August vanDe Zonsberghad meegenomen. Maar immers haar lieve man zou wel begrijpen dat zij, door ’tgeen er is voorgevallen, dien brief vergeten moest.En August heeft het begrepen. Doch, niet zoodra had hij het adres van den veel gestempelden brief bezien, en in het schrift de hand van Jacoba Van Barneveld herkend, of hij stak hem snel in zijn jaszak, om echter losweg te zeggen:“O van..... ne dinges, dat was niets; al gesproken.”“Dinges, een patiënt?”“Ja, ’t heeft niets te beduiden.”“Wil je eens weten August, wat ik dacht toen ik dien brief voor je kreeg?”’“Welnu?”“Ei, dacht ik, is mijn lieve man zoo met dames aan ’t correspondeeren. Ja, ’t kan niet missen, ’t adres is van een vrouwenhand, en....”“Is dat zoo duidelijk? Waaraan zou dat te zien zijn? Ik ken dames genoeg die een fiksche heerenhand schrijven, en heeren in legio die krabbelen als een keukenmeid. Ik verzeker je.....”“Hé August, hoe vat je daar ineens zoo verschrikkelijk vuur op? Zóó zou je iemand waarlijk op gedachten brengen die....”“Die....? Wat meen je Eva?”Er werd aan de deur geklopt.Een oogenblik later overhandigde Thomas Van Hake aan de doktersvrouw een brief waarvan het adres luidde:Madame E. Helmond.née Van Armeloo,en ville.”Eva bloosde niet, maar, het adres beziende, ging ze toch naarhet venster om een kleine ontroering te verbergen. ’t Was dwaas, bespottelijk; maar ’t kon ook niet zotter treffen: juist op het oogenblik dat de brief, dien August zoo haastig had geborgen, haar inderdaad begon te intrigeeren en—zij moest het zich zelve bekennen—terwijl Helmonds vreemde houding haar onaangenaam heeft getroffen, bracht men haar een brief van een.... onbekendemannenhand.Eva zal echter vanhaarbriefgeengeheim maken. Dat behoort en dat behoeft ook volstrekt niet.Helmond ziet haar zwijgend aan. Eva opent den brief en leest voor zich zelve:“Mevrouw!Gisteravond, na een hoogstaangename kennismaking met de echtgenoote van mijn hooggeëerden dokter, thuis gekomen, heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om—voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden—na te sporen of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn.....”“Wat scheelt je Eva? Je wordt bleek. Van wien is die brief?”Eva heeft zich spoedig hersteld; ze weet nu waarover die brief handelt. Een paar seconden ziet ze August zwijgend aan, en dan zegt ze met nadruk, ofschoon vriendelijk zacht:“Ik denk op dit oogenblik, in verband met een brief die straks zoo spoedig in een jaszak werd geborgen, aan een laatsten avond in ’t Hotel du Helder. Als dokter Helmond telkens redenen heeft om wat men hem schrijft voor zijn vrouw te verbergen, zou dat niet een zeer slecht voorbeeld kunnen zijn.....? Maar nee, nee August, zoo wil ik het niet. Ziehier, wij zullen samen lezen.”“Zou je denken Eva, dat een zweem van.... jaloezie..... of.....?”“Ssst ssst beste man, wie zou aan zóó iets denken! Kom lees nu mee; ’t betreft.....”“Is het je wensch; is het noodig? goed! maar zoo niet.... als men mijn lieve kind slechts den eerbied betoont, dien men haar als vrouw is verschuldigd, dan ben ik tevreden.”“O wat dát betreft; zie maar, de laatste regels ze vloeien over van eerbied.”Een oogenblik later lezen Eva en Helmond te zamen:“.... thuis gekomen heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om, voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden, na te sporen, of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn, dat n. l. mijnheer uw vader inderdaad een afstammeling is van het bekende oud-Hollandsch geslacht der graven Van Armeloo.”“Wat, duivel, is die Kartenglimp gek!”“Hé, vinje?”Men leest verder:“Met het familiewapen van Mijnheer uw vader bekend, mocht ik inderdaad de overeenkomst treffend bevinden.”Hier volgde een beschrijving van het bedoelde wapen.“Mijne vroegere relaties”—zoo luidde het verder in den brief—“brachten mij in kennis met een onzer eerste genealogen. Door hem werd het mij duidelijk hoe niet zelden—tijdens de Hervorming vooral—zonen uit de aanzienlijkste geslachten hun adellijke titels prijsgaven om ze, bij het omhelzen van de Calvinistische leerstellingen, met die van herder en leeraar te verwisselen. Bedrieg ik mij niet, zeer geachte Mevrouw, dan heeft Mijnheer uw vader mij eens meegedeeld dat hij van Duitsche afkomst was, maar, dat zijn genealogie niet verder reikte dan tot zijn grootvader genaamd Peter Harmen Armelo, die in 1787 te Birchheim in Hanover gestorven was. De treffende overeenkomst der wapens doet mij schier met volkomen zekerheid beweren, dat een der voorvaders van Mijnheer uw vader, om geloofs- of andere redenen uitgeweken, zijn Hollandschen graventitel heeft prijsgegeven om te zijn een dienaar in den wijngaard des Heeren.—Wanneer zijn nakroost echter, zooals Mijnheer uw vader deed, opnieuw het zwaard voerde voor het erf, waarop zijn stam is geworteld, dan, dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden hergeven....”“Welzeker!” lacht Helmond: “alleraardigst!” En hardop lezend:“Den ondergeteekende zal het een waar genoegen zijn, indien hij nader mag vernemen of de familie Van Armeloo hem zal vergunnen, naar zijn beste vermogen mee te werken tot het herwinnen van een zoo schitterenden titel, dien zij—naar zijn bescheiden meening—niet aan haarnakomelingenmag onthouden, en waarvoor zij zich slechts een geringe financieele opoffering zal te getroosten hebben.“Met de meeste onderscheiding en respectsverzekering, zoowel aan dokter Helmond als aan de geëerde familie Van Armeloo, heb ik de eer te zijn,Mevrouw!Uw zeer bijzonder gehoorzame en dv. Dr.Kartenglimp.”Het hinderde Eva wel dat Helmond alweder lachte en haar met de woorden: “Wel wel, gravin Van Armeloo!” op eenigen afstand met zekere kluchtige reverentie beschouwde; doch zij zou hem niet toonen dat de ontvangen meedeeling haar borst met zulk een ongekende verrukking had vervuld.“Wel kind, wat of er van den armen dokter zou geworden zijn, als men eerder had geweten ’tgeen die zeer vindingrijke majoor nu zoo eensklaps heeft uitgevonden!”“Is dat het loon voor mijn openhartigheid? Meen je August, datik niet reeds lang heb vermoed en geweten ’tgeen die man daar schreef?”“Waarlijk, al lang?”“Maar heb ik er ooit van gesproken of er zelfs ooit op gedoeld?”“Nu, laten we er dan ook maarte zamenom lachen mijn wijfje. Weet je watikgeloof?—Ronduit gezegd, ik geloof hoe langer hoe meer dat die majoor de rechte broeder niet is. Hij wil zich aangenaam maken; en daarom dien gekunstelden brief.”“Genoeg van dien man August; zijn persoon staat mij tegen; maar hem om het schrijven van dien brief te beschuldigen, dat is onheusch. Gesteld eens dat hij waarheid had geschreven, dan zou hij voor ’t allerminst op onze erkentelijkheid aanspraak hebben. ’t Is zeker dwaas zich te verheffen bij de gedachte dat men zulk een adellijken titel zou kunnen bezitten, maar, er om telachen.... nee! Indien het inplaats van de familie Armelo de familie Helmond gold, ik weet niet August of je dan....”“Ah ja, daar zeg je een goed woord, als het de familie Helmond gold! Ja dan....”“Welnu....?”“Dan zou het voor die onderschrapte “nakomelingschap” tenminste nog van eenige waarde kunnen worden; maar kindlief, vader Armelo heeft twee dochters; de eene is het vrouwtje van je onderdanigen dienaar Helmond, pur sang plebejer, en de andere, al trouwde ze met een prins, de gravenkroon der Van Armeloo’s zou toch nooit door haar edele telgjes kunnen gedragen worden!” En weder lachend: “’t Is alleraardigst!”“Helmond, extra verstandig vind ik dat lachen niet. Ik zeg je nóg eens, als het zulk een titel voor de Helmonds gold.....”“Enikherhaal Eva, dat dit, met het oog op het onderschrapte in dien brief”—hij geeft haar een zoen—“ook heel iets anders zou wezen. Maar over mijn adelbrieven behoeven we ons ’t leven niet moeielijk te maken. En nu, al is mijn lachen dan misschien niet heelemaal verstandig, geloof me kind, waartoe zou men zich iets in ’t hoofd, en vele moeiten en kosten op den hals halen, om—gesteld dat alles dan waar was—een titel te verkrijgen waar men, zonder fortuin, eigenlijk mee verlegen, en geen enkel naneefje mee gebaat zou zijn?”Eva zweeg en zag naar den grond. ’t Was wel te merken, zoo dacht ze, dat Helmond plebejisch bloed in de aderen had. In háár is altijd iets geweest ’twelk haar zeide dat ze eigenlijk niet thuis behoorde in “’t knechtelijk gareel”—met welk beeld eengrootdichter de lagere en middelstanden eens zoo juist had geteekend. Nochtans ze gevoelde het ook: Mocht het al schoon zijn en weldadig voor ’t hart, indien men zeker wist uit zulk edel bloed te zijn gesproten; ’t zou verkeerd wezen om er voor de toekomst een te groote waarde aan te hechten, dewijl papa geen zoons en geen fortuin bezat.... Maar.... ha! welk een licht gaat daar plotseling voor haar op! Zie, uit eigenliefde, uit trots heeft August zich zoo weinig ingenomen betoond met hetgeen hij vernomen heeft. ’t Moestvoor een man ook stuitend wezen om zich eensklaps ver beneden zijn vrouw te zien gesteld, vernederend om als eenvoudig burger te staan naast een geboren.... gravin!“Nee August, wacht nog even, ik wou je zeggen....!”“Ja maar vrouwtje, ik moet noodzakelijk weg. ’t Is al één geslagen; je weet men wacht me in de stad, en om halfdrie komt het rijtuig van Debecque. Circa vier uur hoop ik weer thuis te zijn, en we kunnen dan ’t chapitre vervolgen; nu, bonjour kind!”Haastig heeft Helmond haar omhelsd, en gaat dan snel naar de deur.—Maar neen, zóó kan Eva hem niet zien vertrekken. Zij moet hem aleer hij haar voor drie volle uren verlaat, dat nieuws doenzienbij ’t licht dat er voor haar is opgegaan.“Even Helmond, luister even.”Helmond blijft met de hand aan den deurknop staan.Zij komt hem zeer nabij:“Maar August, als mijn familienaam dan uitsterft, en we toch weten dat mannen dikwijls om zulk een reden den naam hunner vrouw er bij aannemen; ik meenalsalles nu waar is, en dat het zoo uitkwam, natuurlijk, dan zou jij—juist met het oog op ’tgeen de tijdonskan schenken....”—zij sloeg de oogen weer neer—“dan zou jij immers best....”“Pots selderementen Eva! wou je een graaf van me maken!? Nee maar nou geloof ik waarachtig dat je eens zien wilt, of er hier bij me boven, iets los of stuk is. Kom wijfje, maak geen gekheid, en kus me maar, en noem me nóg eens zooals gisteravond je “trouwe”; die titel is me wat meer waard dan andere, die bovendien wel wat heel hoog in de lucht hangen. Bonjour!”Een kwartier later was Eva gekleed om uit te gaan. Neen, ze ging niet, zooals August altijd deed, die apotheek door en de achterdeur uit; zij nam de voordeur aan den wal.Binnen weinige minuten bevindt ze zich in de ouderlijke woning. Ze moet papa en mama afzonderlijk spreken.Mama Armelo was druk met dochter Louise aan ’t rekken en vouwen van de wasch, doch mama heeft voor dochter Helmond in allerijl een mooie muts opgezet, en komt nu in de voorkamer waar Eva wachtte, en verontschuldigt zich—tegen haar kind—over haar toilet. Niewaar, Eva wist wel hoe het soms laat werd, en, zij had zich juist even met een schoteltje bemoeid, een lekker schoteltje voor papa. Eva zou het begrijpen.Eva met haar Parijschen hoed en mantille, maakte in de voorkamer van den zeer eenvoudigen oud-kapitein, en tegenover die mama in een vieze zwarte jas, en de sterk met rood gemonteerde muts—een contrast, waarmee ze zelvebijnaverlegen werd.Papa was op ’t oogenblik dat hij geroepen werd juist in zijn achterschuurtje aan ’t blokjes zagen. Hij deed gewoonlijk zoo iets; en vooral om anderen eens wat te kunnen “overdoen”.“Je zegt mevrouw Helmond?” heeft hij aan ’t dienstmeisje gevraagddie hem roepen kwam: “wou die mij alleen hebben? Dadelijk hoor!—Gauw ’en bakje.”De kapitein behoefde geen nadere toelichting te geven. Als er voorname lui waren om hem te spreken, dan moest het meisje—wanneer hij althans aan eenige bezigheid was—terstond waschwater brengen.Terwijl Armelo de zeep deed schuimen dat het een lust was, kan hij zich maar geen denkbeeld maken van ’tgeen Eva hem in ’t geheim—alleen aan hem en mama—zou te zeggen hebben. Hoelang was ze getrouwd? Nee nee, dát zou ze ook niet aan hém.... Nee, wát of het wezen mag!Zeer verlangend naar de oplossing van ’t raadsel, trad Armelo de kamer in, juist op ’t oogenblik dat mama Armelo reeds den voorsmaak van ’t allerbelangrijkst geheim had genoten.“Wat zeg je Eva, je pa een graaf Van Armeloo?” heeft mevrouw geaarzeld: “WIJzouden.... WIJ....?” En dan naar de deur ziende: “Goeje God, Armelo! ben je gek; met je sloofje voor!”Inderdaad de “graaf Van Armeloo” stond daar op den drempel der deur, en zag, half verrast half verlegen, op het bekleedsel neer, waarvan hij zich inderhaast vergat te ontdoen, geheel vervuld met de gedachte aan het nieuws ’twelk hij hooren zou.De oud-kapitein schaamde zich inderdaad een weinig voor zijn dochter; maar, nadat het sloofje buiten de deur was geworpen, ging dat toch spoedig voorbij. Eva wist wel dat hij niet leeg kon zitten; en, hij heette haar hartelijk welkom, want waarlijk, hij zag haar niet al te druk, en spoedig keek hij haar vragend aan, immers ’t was wel iets buitengewoons dat hij tegelijk met mama in de confidentie zou wezen.Toen men zich reeds eenige oogenblikken in de grafelijke sferen bewogen had, beweerde mevrouw Armelo met klem dat Armelo “zich zelf altijd in den weg stond”. Jawel, hij had geen oog voor de toekomst.Maar Armelo bleef beweren dat het ook waarlijk te gek was. Hij heette eenvoudig Armelo, en hetVandat er vóór moest, dááraan haperde het immers.“Maar dat hebben je voorouders laten vallen;” verzekerde mevrouw: “Begrijp je dat niet?”“En als ik me niet bedrieg dan schreven de graven Van Armeloo zich met tweeoo’s.”“Maar die ó heeft je overgrootvader dan zeker óók laten vallen.”“Ja, zoo kun je alles laten vallen, Marie; maar ik zeg je dat m’n vader en grootvader eenvoudige boeren in Hanover waren, en dat ze.....”“Nee maar man, zóó dwars als jij bent, daar staat m’n verstand voor stil.”“Hoor eens pa,” zegt Eva: “ik wist wel vooruit dat mijn nieuws met bezwaren door u zou ontvangen worden; maar, ik bid u, waarom wilt u je tegen zóó iets verzetten!”“Mijn hemel, datvraagik je!” valt mevrouw Armelo in: “Maarik herhaal het man, ’t is je nooit recht ernst met de eer van je familie geweest; zeker, men zou je nooit zoo vroeg gepensioneerd hebben als je je niet.....”“Vrouw! moet je mij in presentie van mijn kind aan iets herinneren, dat ik met Gods hulp bestreden en geheel overwonnen heb?”“Ja, toen het te laat was Armelo. Ik blijf er bij, je hebt je zelf altijd in den weg gestaan; je hadt generaal kunnen zijn als je dien drank....”“Nee ma,” valt Eva in, nu ze den man strak voor zich heen zag staren, en eensklaps berouw kreeg dat ze misschien eenige aanleiding tot dat verwijt heeft gegeven: “nee ma, daar moet u niet van spreken.” En dan, terwijl ze haastig opgestaan haars vaders hand neemt, en hem op het voorhoofd zoent: “Ma meende het niet kwaad pa’tje-lief; zij wilde maar zeggen.....”“Nu, ’t is niemendal kind, ik weet wel hoe jij het meent; ’t is niemendal!”“Zeker, ’t was de kolonel Dadel die u niet zetten kon; en die leelijke Minister van Oorlog! Maar als anderen u dan hebben teruggestooten, terwijl er zoovelen vooruitkomen, die ’t vrij wat minder verdienen, zoudt u dan—wanneer we tochwerkelijkvan zoo hoogen adel zijn, niet alles doen om u, door het herwinnen van dien rang, boven dien Dadel en dergelijken te verheffen?”“Maar waarachtig kind, het is niet mogelijk; ik weet immers zeker....”“Zeker!” valt mevrouw uit: “je weet niets niemendal! Die majoor Kartenglimp zal toch niet gek wezen. Wat hij schrijft, is zoo klaar als de dag; we hebben Goddank ons verstand nog; en als ik dien brief niet driemaal had gelezen, dan zou ik twijfelen kunnen; maar driemaal heb ik hem gelezen; en met Eva ben ik het volkomen eens dat er gehandeld dient te worden in ons aller belang.”“Maar mijn hemel Marie, we komen met de grootste moeite rond, en hoe wil je dan dat we ons nog opofferingen zouden getroosten om—gesteld dan....gesteld dan.... dien titel te krijgen; maar vooral om als graaf en gravin.....” schielijk opstaande: “Nee nee, ’t is onzinnig, we zijn gek! We droomen!Ik,ikeen graaf.... jij een gravin!” Zenuwachtig lachend: “’t Is om te lachen! Waar heb je den brief, geef nog eens hier; maar ’t is om te lachen!”Eva begrijpt nu dat lachen zeer goed. ’t Was bij papa een repetitie van ’tgeen ze van Helmond hoorde, maar toen niet begreep. Zenuwachtigheid; jawel, anders niet. Dames vallen flauw zoodra ze bloed zien; maar de zenuwen van heeren worden ’t eerst geprikkeld, wanneer hun iets van eer of rang in de oogen blinkt. Wie ’t hardst heeft gelachen om een ridderlint, draagt het zelf als ridder op overjas en chambercloak. Dat ongeloovig lachen, ja zeker ’t is de dekmantel voor een inwendige blijdschap die zich anders te ras zou verraden. Wie zoekt, of althans wie wil er geen eer! Ja! zelfs de domsten en zotsten, die nooit eenige eer kunnen behalen, ze dringen vooruit als ereerewijnwordt aangeboden.—Ja zie maar: bij ’t nogmaals doorloopen van Kartenglimps brief, gaat dat lachen van papa al over in een glimlachje, waaruit iets anders te lezen is.Armelo las: “Wanneer zijn nakroost echter, zooals mijnheer uw vader deed, opnieuw het zwaard voerde voor het erf waarop zijn stam is geworteld, dan, dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden hergeven.”“Nu pa, dat is toch zoo heel onverstandig niet;” zegt Eva, terwijl ze met haar vinger in parelgrijs glacé, op den genoemden volzin wijst.“Nee te donder, wat dat betreft; na Hasselt zei de kolonel Bik, in presentie van de sergeants Leeuwendaal en Wagenaar en een heele boel anderen tegen me: “Luitenant, je hebt je als een braaf officier gehouden.” Zieje, dat vergeet ik niet; maar verdord dat hebben ze aan Oorlog vergeten, zoo’n Dadel! zoo’n Minister, die...”“Och Armelo, als je nu hier bent gekomen om je ouwe litanie te zingen, dan zou ik liever....”“Nee ma, ’t is begrijpelijk dat pa zoo iets nu juist moet hinderen; als je dan bijna zeker weet dat je zoo heel veel hooger dan die nare menschen staat.”“O ja, juist Eva, wat dat betreft.—Voel je dat Armelo? Nee, ik geloof je voelt dat nog niet; jij voelt zoowat niemendal.”“Marie, nóg eens: ’t is niet gepast dat je zoo in tegenwoordigheid van onze dochter spreekt. Als er iemand gevoel heeft dan ben ik het. Heb ik jou armen neef den schoolmeester niet laatst nog m’n ouwe polonaise en vijf en twintig stuivers gegeven, den armen drommel!”“Och, laat nu in ’s-hemelsnaam mijn familie en je ouwe polonaise rusten bij zaken als deze. Wat anders de Lieders betreft, die konden best—zei neef eens—van ’t oude Lydië in Klein-Azië afkomstig en van vorstelijken oorsprong zijn; maar van zulk een oudheid is dat niet eens meer na te sporen. Ik zeg Armelo, we zijn voor God en onze kinderen verplicht de handen aan ’t werk te slaan.”Armelo krijgt eensklaps een “akelig prozaïsch gevoel”. Hij kon het niet helpen; maar.... ’t spijt hem dat hij niet stilletjes buiten de confidentie is gebleven. Hij was straks juist zoo plezierig aan ’t blokjes zagen; en ’t bruine pijpje smaakte zoo lekker, en.... Och goeje God! hij was toch niet voor een graaf in de wieg gelegd.—Wel hemel, waarom niet! Geen fortuin! wat doet het er toe. Luister, mevrouw zal ’t hem herinneren: Gravenmet graafschappenzijn er geen drie meer in de heele wereld. De graaf Van Tiel is stationschef ergens op een klein tusschenstation. Baron Hars is gemeente-ontvanger te Limmen. De twee freules Van Winteren maken in stilte hoedjes voor de lui; en de drie magere freules Blankenberge met haar groote oogen, eten te zamen vijf ons vleesch in de week; hebben één fluweelen mantel met ’er drieën, en niet anders dan ’en loopmeisje van ’s-morgens acht tot licht en donker!“Maar dat is dan ook erbarmelijk;” zegt Armelo.“Maar.... ze zijn van adel!”antwoordtmevrouw op tooneeltoon: “en, dat doet haar de wereld gemakkelijk trotseeren. De adel geefteen verhooging, een glans. Je kunt het dadelijk zien dat iemand van adel is, zelfs de freules Blankenberge....”“Och omdat je ’t weet Marie! maar anders, waarachtig....”“Weten! weten!! Nee, ook zonder dát zou men ’t zien. Maar als ze het dan vanónszullen hooren, dan moeten ze ’t immers toch ookzienniewaar?”Eva was stil geworden: ze wist niet wat haar eigenlijk méér hinderde, de burgerlijke toon, waarop mama den goeden papa gedurig beknorde, of de burgerlijkheid waarmee papa—eenoud-officier—zich telkens de eer die hem toekwam van den hals zocht te schuiven. Inderdaad moet Eva voor zich zelve bekennen dat de graaf en gravin Van Armeloo-Lieder een tamelijk mal figuur in de wereld—ja zelfs in de Romphuizer wereld—zouden maken. Mama had meer dan papa dat gepaste gevoel van eigenwaarde, dat zekere, om zich te willen verheffen boven het mindere, het gemeene; doch, hoe goed zij mocht wezen, mama miste door haar opvoeding in den hoogsteenvoudigen stand, ten eenenmale dien fijneren toon en goeden smaak waaraan de aristocratie zoo gemakkelijk te herkennen is. Honderden malen bijvoorbeeld is Eva tegen de bonte kleuren die mama gewoonlijk droeg te veld getrokken, doch zonder een blijvende verbetering van smaak te kunnen bewerken. Neen, ware het slechts om dien titel voor haarouderste doen, Eva zelve zou het bij nader inzien verstandiger oordeelen om de goede menschen verder maar stilletjes ongemoeid te laten. ’t Zal toch inderdaad ook nog al werk hebben om dit huishouden, waar alles oud en versleten is—de weinige smakelooze meubels in deze pronkkamer getuigen ervan—slechts eenigszins in harmonie met dien nieuwen stand te brengen. Neen, had Eva geen andere plannen gehad—en zij twijfelt niet of ze zullen gemakkelijk te verwezenlijken zijn—dan zou ze zeker met haar vader hebben ingestemd, dat het waarlijkte dwaasis. Nu echter, nu moet er gehandeld worden! En, onder het diepst geheim, ontvouwde Eva nu de reden waarom zij, voor zich zelve, er hoogen prijs op stelde dat papa gevolg wilde geven aan de zaak, en zoo spoedig mogelijk den majoor Kartenglimp zou gaan spreken.De oud-kapitein, ofschoon weinig bekend met de rechten van heraldiek of genealogie, betwijfelde het echter zeer of het wel mogelijk zou wezen dat Helmond—gesteld dan....gesteld dan—met den naam zijner vrouw bij den zijnen te nemen, ook den titel van haar geslacht zou bekomen; doch, moeder en dochter vonden dat “zóó doodeenvoudig natuurlijk”, dat hij zichzelf al voor heel onnoozel en dom had moeten houden, indien hij het zou gewaagd hebben daartegen nog bedenkingen in ’t midden te brengen. Ten slotte beloofde de kapitein dan ook aan zijn dochter—ofschoon juist niet zoo geheel van harte—dat hij werk van de zaak zou maken, en, ja zeker, nog heden den majoor te zullen opzoeken om van hem te vernemen op welke wijze men dan zou moeten handelen.Alvorens Eva naar huis zal terugkeeren, heeft ze nóg een vertrouwelijke meedeeling.—Nee, papa moest niet weggaan, ’t gold hém in de eerste plaats.Eva geeft een kort verslag van het gebeurde opDe Zonsberg, en van de “infame houding die de generaal tegenover haar heeft aangenomen.”—“Ter wille van Helmond,” zoo vervolgt Eva, “zal ik mijn best doen om den man, die uit trots en schrielheid de jonge vrouw van zijn pleegzoon met onheuschheden overlaadt, niet al te zeer te.... verachten. Ik ben van plan zijn hostile houding met de grootstmogelijke onverschilligheid te beantwoorden. Het kan me soms hinderen dat we zijn zoogenaamde weldaden nog moeten aannemen, en ik zag die prachtige bewijzen van zijn schrielheid liever aan een arme gegeven. Maar ik moet ze dulden. August is voor de helft zijn erfgenaam; en hoewel ik voor mijzelve in staat zou zijn om die heele erfenis er aan te wagen, en mij stoutweg met hem te brouilleeren, indien hij ’t nog eens te bont maakte, ik mag de toekomst van August, die nu werkt en draaft als een paard, niet roekeloos op ’t spel zetten. Ik zal me om zijnentwil beheerschen. Maar papa, watikdulden moet als Helmonds vrouw, dat moogt u als de kapitein Van Armeloo—ik zegVanArmeloo....”“Hoor je wel Armelo; ze zegtVanArmeloo....”“En wát mag ik niet dulden?” valt Armelo in: “de generaal heeft me niets niemendal gedaan; integendeel, hij was compleet frère en compagnon; kameraad, alles wat je wilt. Verduiveld, hij heeft immers nog zelfs het heele diner van je trouwen inDe Arendbetaald.—Schriel! Nee Eva, neem me niet kwalijk, dat is.....”“Maar goeje hemel papa, dát, dat is het juist! Me dunkt uw militair.... uw.... uw.... ja uw gevoel van rang enfin, alles in u moet daartegen opkomen. Toen ik er straks over nadacht, toen brandde mij de gedachte letterlijk als vuur op de borst, dat die mijnheer Van Barneveld mee het diner heeft betaald, ’t welk de kapitein Van Armeloo ter eere van ’t huwelijk zijner dochter gaf. Bah! ’t is vernederend! ’t is....”“Maar kind, Helmond heeft me gezegd dat dat heelemaal onder ons zou blijven.”“Ja dat kan wel waar zijn papa, maar waar blijft het ook, dat de generaal vijftig gulden heeft gegeven voor uw diner.”“Vijftig gulden!” roept mevrouw: “voor een diner van twintig personen à vier gulden buiten den wijn! Goeje hemel, wat een schriele kompeer! Heeft Helmond dan de rest betaald?”“Zeker! en ik wou dat hij ’t heelemaal betaald had; maar nu, die vijftig gulden ze compromitteeren u en mij; onze heele familie; verschrikkelijk! Vandaar die trotsche minachting. Welzeker, ik ben de dochter van een officier, die zich het bruidsmaal voor zijn kind laat betalen!”“Maar wat duivel, als een ander het niet betaald had dan zou het ding niet gegeven zijn! Je weet wel Eva dat wij geen geld voor zulke foeven hebben.”“’t Spijt me papa, dat u niet aanstonds gevoelt dat die schuld aan mijnheer Van Barneveldmoetworden afgedaan. ’t Komt me zoo heel natuurlijk voor.”“Ja maar....” aarzelt mevrouw: “ik moet toch ook bekennen Eva, dat.... vijftig gulden.... in onze omstandigheden....”“Ik zou op m’n woord niet weten waar ik ze vandaan moest halen,” herneemt Armelo: “en mij dunkt kind, dat diner is nu gepasseerd en, bij m’n ziel, de generaal heeft als oud-kameraad gehandeld; ik zou hetzelfde gedaan hebben wanneer ik in zijn schoenen stond.—Waar ga je heen Marie?”Mevrouw gaf geen antwoord. Ze was reeds de kamer uit. Een overheerlijk denkbeeld was haar ingevallen.Louise—Eva’s jongere zuster—stond nog in de kleine tuinkamer aan het vouwen van de wasch, toen mevrouw Armelo haar om raad is komen vragen. Louise kent hare moeder. De goede vrouw heeft in alle opzichten een bijzondere liefde voorkleuren. Honderdduizendmaal geldt bij haar vooreensof hoogstenstweemaal. De rest laat zich gemakkelijk begrijpen. Moeder Armelo zou verder met wat opleiding een uitmuntende tooneelspeelster zijn geweest. Zie maar, ook nu is er in haar blik een soort van vertwijfeling te lezen terwijl ze, het gesprek vervolgende, zegt:“Maar mijn hemel kind, denk je dan niet dat je arme vader er in stilte onder lijdt?”“Ik heb er niets van gemerkt ma.”“Daarom zeg ikin stilte.—En wanneer nu de heele stad hem bespot en belacht, moet dan het hart van een oud-officier die—ik zeg het je—van den oudsten Nederlandschen adel is—ja, ik zeg het je—moet dan dat hart onder zijn ridderkruisen niet breken!”“Maar weet dan de heele stad dat papa vijftig gulden van....”“De heele stad Louise? Ja helaas! Wij kregen een brief van den majoor Kartenglimp. Papa is den titel van officier niet meer waardig.....”“Schreef dat die leelijke oud-majoor?”“Nu ja, ten naastenbij.—Men zal hem van de sociëteit weren; men zal.....”“Wat! zal men papa van de sociëteit....?”Mevrouw haalt schouders en wenkbrauwen op; werpt een blik naar den groen geverfden zolder, en zegt:“Ik hoop mijn kind, dat ons zoo iets zal gespaard worden.”Louise ziet eenige oogenblikken strak voor zich heen.—Ruim éénhonderd en tachtig gulden heeft ze sedert vijf jaren bespaard; want evenals die straks genoemde adellijke dames, had ze met de naald in de behoeften van haar toilet zoeken te voorzien, en haar overgroote bedrevenheid in ’t maken van handwerken is oorzaak dat zij nog bovendien zulk een som heeft kunnen overhouden. Louise is er altijd zeer geheim mee geweest, en waarschijnlijk had ze er gegronde redenen voor. Maar nu, na een ontmoeten van den heer Kippelaan, in wiens bijzijn men haar, onvoorzichtig genoeg, een gekleede muts heeft besteld, sedert die ontmoeting, waarbij zoo schrikkelijk veel gesproken was, wisten papa en mama Armelo ook al spoedig dat hun jongste dochter “fortuin” had; en, ofschooneerst een weinig gevoelig over Louises achterhoudendheid, hebben ze hun dochter toch bewonderd en geprezen, ’t geen mama anders volstrekt niet gewoon was.En ’t is heden nu reeds de derde maal dat mevrouw Armelo aan haar dochter een plekje van de gloeiende plaat wijst, waarop Louise een deel van haar zuur verworven spaargeld kan zien verdwijnen.—Haars vaders eer!!Louise zal er met papa over spreken.Maar mevrouw Armelo zegt plechtig met de hand op den boezem:“Met papa!—Louise! in Godsnaam, met hémgeen woord!”ACHTTIENDE HOOFDSTUK.OpDe Poelwerd dokter Helmond met blijde aangezichten ontvangen. Archibald was veel beter. De ongesteldheid is niet van zooveel beteekenis geweest als het zich in den beginne liet aanzien. ’t Viel ook Helmond mee dat hij den luitenant reeds buiten ’t bed en bijna zonder pijn vond.“Mijn waarde dokter, je bent al te menschlievend;” riep Archibald hem bij ’t binnenkomen toe: “’t Is immers geen gebruik om zijn patiënten met één visite weer beter te maken. ’k Geloof waarachtig dat er geen treurspel meer zou mogelijk zijn, als ze er ú in de laatste akte maar even bijriepen. Mama wil me van pure blijdschap een glas advocatenborrel maken, maar....”“Guns Archibald, hoe kom je er aan?”“Ja hóe ik er áánkom dat vraag ik ook; tenminste als ik u zulk een bedenkelijk gezicht zie zetten. Enfin, dokter Helmond zal misschien liever een glas port drinken.”Terwijl Debecque om den port schelt, zegt mevrouw met iets angstigs: “Ja maar, jij lieve Archibald, jij moogt daar niet aan denken.”“’t Zou ook wat erg zijn luitenant, als u mijn wonderlikeur nu al voor iets anders liet staan.”“Dat is een waar woord! Komaan dan mama’tje,versez à tasse pleine!” Maar als de vroolijke patiënt reeds de medicijnflesch vat, dan treedt de moeder haastig toe om hem die te ontnemen, want: “Voorzichtig, voorzichtig!Om de twee uren een lepelstaat er op het briefje, en ’t is nu nog drie minuten te vroeg.”De vernieuwde kennismaking met den zoon der Debecque’s heeft Helmond een aangename afleiding bezorgd:“’t Is een zeer opgeruimd, recht prettig mensch;” zegt hij tot den ouden baron, die hem straks uitgeleide doet: “’t Gezelschap van den jonker zal zeker voor mevrouw zeer heilzaam wezen.”“Ja zeker, Archibald weet best met haar om te springen.”“De jonker is de eenige zoon uit mevrouws eerste huwelijk nie-waar?”“Juist! maar daarom nog geenjonkerdokter. ’t Maakt niet uit, natuurlijk; maar hij is niet van adel.—Ja waarachtig, ik heb wel eens gedacht: als ik den snaak mijn naam liet aannemen dan konden we hem misschien mettertijd nog baron maken ook. Je ziet me verwonderd aan. Ja Helmond, ik weet wel dat een knappe burgerkrullebol met fortuin, evengoed het mooiste meisje van ’t land aan z’n hart zal kunnen drukken als een baron; maar, wat zal ik je zeggen: we zijn nu eenmaal wat bekrompen op dat punt; en lach dan binnenskamers om titels en eerelinten zooveel je wilt, ’t publiek ziet er iets in, dat je niet weg kunt praten: Je hebt een pré.—Au fond sta jij, met je wetenschap, hooger—jawel,sans compliments, oneindig veel hooger. En Archibald—knappe jongen! een der eersten te Breda—hij beteekent duizendmaal meer dan een massa adellijke non-valeurs. Maar toch,au bout du compte, je blijft als baron altijd aan ’t langste eind.”“Maar mijnheer Debecque,” valt Helmond in, terwijl hij in de breede vestibule stilstaande, met eenigszins saamgetrokken wenkbrauwen het fijnbesneden gelaat van den kleinen ouden baron nauwkeurig schijnt op te nemen: “u zegt, als ik wel versta, dat de luitenant uw naam zou kunnen aannemen, en dat hij dan.......”“Welzeker!... Maar kom binnen. Hier.... hier asjeblieft.—Zieje, ik heb geen eigen zoons; en de naam Hardenborg-Debecque vanDe PoelenHoeversathe, klinkt niet onaardig.”“En zal hij dan uw adellijken titel daarbij kunnen krijgen? Ik dacht dat zoo iets onmogelijk was.”“Onmogelijk! Parbleu, wàt is onmogelijk! Sedert het koningschap m’n vrind, doe je met geld en goede woorden een heelen boel in ons land. Vanwaar anders je nieuwe adel?”“’t Is waar;” zegt Helmond.“Nu ja, hij beteekent niet veel; maar het “juger les choses”, en dus ook “lestitresd’aprés leurs dates”, is nog geen algemeen gebruik. En wat Archibald betreft, hij zou als een Debecque aanstonds tot den goeden adel behooren.—Maar parbleu, hoe komen we op dit chapitre? Mijn beste dokter moet wel denken dat de oude man aan ’t verkindschen raakt, daar hij zich zoo vermeidt in den glans van ’t wereldsche klatergoud.”“Nee, ik begrijp me zeer goed dat het niet onverschillig is of men zijn naam....”“Niewaar, dat is de zaak! Je wilt dat je naam zal in stand blijven. Mijn beide vrouwen hebben het hare er niet toe gedaan. Archibald houdt van me alsof ik z’n eigen vader was. Enfin, enfin, ’t zijn van die opwellingen, van die passe-temps. Pardon, dat ik je zoo lang er mee lastig viel. Wat jou betreft Helmond, jij moet een boek schrijven, waarachtig! over pokken of mazelen, ’t doet er niet toe. ’k Bezorg je “de Leeuw!” ’k Heb connecties in overvloed, en, met capaciteiten als de uwe is er geen quaestie van! A propos, ik hoopdat je toch nog eens naar m’n woelwater zult komen zien? ’t Spijt me dat we daardoor je charmant lief vrouwtje wat veel van je gezelschap berooven, maar, als we haar onze opwachting gemaakt hebben, dan breng je haar later eens mee niewaar? Hoe meer hoe liever.”Nog vóórdat Helmond zijn bezoek opDe Poelbracht, heeft hij gelegenheid gevonden om Jacoba’s brief te lezen, die hem na langen tijd zwervens, dezen morgen door Eva geworden is.De inhoud van dien brief heeft hem krachtig in zijn vermoeden versterkt. Jacoba’s dringende bede aan haar geliefden pleegbroeder, om toch zoo spoedig mogelijk uit Parijs terug te komen, moest een anderen grond gehad hebben dan vrees voor eigen gezondheid. De altijd zich zelf beheerschende, zich zelf verloochenende Coba, hoe! zou ze alleen uit angst voor eigen welzijn, een gelukkig echtpaar, reeds bij hun eerste schreden op het huwelijkspad, den voet hebben dwarsgezet? ’t Was onmogelijk!—Maar ook, de dwaze onderstelling van tante Hermine, als zou Jacoba’s zenuwlijden het gevolg zijn van een, door hém teleurgestelde liefde....? August meent juist in dezen brief het bewijs van de ongerijmdheid dier onderstelling te vinden. Immers, gesteld eens dat Coba zulk een liefde had bestreden en geheel onderdrukt, zou dan het meisje, dat nooit door woord of blik haar hartsgeheim verried; dat zelfs den vriend als bruidegom haar bloemruikers heeft gemaakt, en hem aan de zij van zijn jonge vrouw een hartelijken heilwensch heeft toegebracht,—zou datzelfde meisje zich dermate kunnen vergeten dat zij hem reeds een paar dagen later, onder ’t voorwendsel eener ernstige ongesteldheid, tot een terugkeeren in haar nabijheid te bewegen zocht? Neen, dat is volstrekt onmogelijk en geheel onbestaanbaar met Coba’s karakter. August verstaat dien brief. De luchtige toon waarop zij over “den armen sukkel” Donerie schrijft; ’t verzoek, dat Helmond als reden van zijn vervroegde terugkomst de ziekte van “den waarlijk niet ontalentvollen muziekmeester” zal opgeven, “den stumper die in de kerk nog zoo zijn best deed;” dat alles in verband gebracht met het gebeurde in de woning van den timmerman Krul, maar ook vooral met Coba’s hevige zenuwaandoening toen ze gisterenavond zoo geheel onverwacht de melodie hoorde spelen, welke Herman Donerie bij de woorden van een Duitsch lied componeerde, dit alles versterkt hem in de overtuiging, dat Coba dien brief had geschreven en zich daarin zoo ernstig ziek heeft gemeld, teneinde hem tot een onverwijlde terugkomst te noodzaken, opdat hij den jongeling dien ze in stilte beminde, zoo mogelijk nog in ’t leven behouden mocht.En Herman Donerie is gestorven, en Coba treurt en lijdt in stilte. Maar Gode zij dank! nu is er nog genezing voor haar mogelijk: nu immers zal de tijd haar wonde—ofschoon dan langzaam misschien—toch heelen in ’t eind.—En ook, de tijd moet de verbroken harmonie tusschen het doktershuis enDe Zonsbergherstellen! Ja voorzeker, wanneerde oom zal erkend hebben dat de pleegzoon, Jacoba nooit van iets onedels betichtte; maar nog veel minder dat hij haar ooit reden heeft gegeven om iets meer van hem te verwachten dan trouwe broederliefde. En wanneer die oom dan bovendien in ’t eind zal bemerken dat August met zijn Eva gelukkig is; dat zij inderdaad zoo oneindig veel goeds heeft, en begint in te zien dat hij ten opzichte van zijn beminden pleegzoonnietzoo royaal en niet zoo heusch is geweest als passend zou wezen voor iemand vanzijnstand en fortuin, dan....Eensklaps tikt Helmond vrij hard tegen het voorglas der coupee, waarmede men hem naar de stad terugrijdt. De koetsier ziet om. Een oogenblik later staat het rijtuig stil, en de dokter springt er uit. Zooeven was men twee dames voorbijgereden. Helmond had ze herkend, en terwijl nu de coupee naarDe Poelterugkeert, wandelt August met tante Hermine en Jacoba Van Barneveld naar den kant van het stadje.Aan mevrouw Mansburg is het blosje niet ontgaan, ’twelk bij Helmonds onverwachte verschijning vluchtig de bleeke wang van Jacoba heeft gekleurd, en tante vindt er alweder de bevestiging in van haar “diep treurig” vermoeden.—Helmond echter heeft in het blosje van een zenuwachtig meisje, en vooral na ’tgeen er gisteren gebeurde, niets vreemds gevonden. Hij wenschte van Coba te hooren of ze zich beter gevoelde, en hoe oom het maakte. Straks was hij in tweestrijd met zich zelf geweest of hij even enpassantDe Zonsbergzou aandoen, maar, had ervan afgezien.Op zachten toon is mevrouw Mansburg toen met de opmerking ingevallen, dat Helmond maar goed heeft gedaan met nog niet zoo spoedig te komen. Alexander was een beetje ontstemd. Men kon niet alles zeggen zonder spreken; maar Helmond zou wel begrijpen waarom.Welzeker, Helmond begreep het; en hij begrijpt ook dat tante al spoedig den voorslag aan nicht Coba doet, om nu maar terug te keeren: ’t was wel wat warm op den weg, en Coba moest zich ontzien.Maar tante kreeg haar zin niet. Jacoba heeft haar pleegbroeder te lief, dan dat ze hem geen deelgenoot zou maken van ’tgeen ze weet dat hem om harentwil zal verheugen. Maar ook, terwijl de vrees haar heeft gekweld, of Helmond, na ’t gebeurde gisterenavond opDe Zonsberg, misschien iets van haar hartsgeheim geraden had, zoo acht ze nu deze ontmoeting te schoon dan dat ze er geen partij van zou trekken teneinde hem dat vermoeden geheel te benemen.“Nee tante, ik wil veel liever nog een eindje meewandelen;” zegt ze zoo levendig als haar mogelijk is: “August moet het goede nieuws hooren.”“Ei, goed nieuws Coba?”“Zeker. Toen ik van morgen wakker werd en de zon zoo vriendelijk zag schijnen, toen voelde ik mij eensklaps zoo verruimd en gesterkt, alsof mij in den laatsten tijd volstrekt niets gedeerd had. Niewaar tante?”“Ja, je hebt het tenminste dadelijk gezegd Coba.”“Nog vóór het ontbijt was ik al beneden, en vroeg aan pa of hij dat plan vanDe Godesbergniet zou willen opgeven, wanneer hij werkelijk zag dat ik beter werd. En—papa heeft het dadelijk toegestaan!”“Ja lieve Coba,” valt de tante in: “dat was een beetje heel zwak van papa. Wanneer Alexander niet zoo slecht geslapen en zich zoo moe had gevoeld, dan zou hij ook zeker niet zoo spoedig hebben toegegeven. ’t Was onverstandig.”“Onverstandig? Ik betwijfel dat tante;” zegt Helmond.Mevrouw Mansburg prevelt weer onhoorbaar dat men helaas zonder spreken niet alles zeggen kan.“Om papa maar dadelijk te toonen dat ik mij zoo veel sterker gevoelde,” herneemt Coba: “ging ik terstond naar de piano en zong het stuk van.... Donerie—je weet wel dat erg sentimenteele—als een lijster. Niewaar tante?”“Ja bespottelijk, terwijl ze gisterenavond alleen bij ’t hooren van eenige piano-accoorden uit de verte, reeds geheel van streek raakte.”“Nee tante, dat is volstrekt niet vreemd,” zegt August die, toen Coba den naam van Donerie noemde, een vluchtig zenuwtrekje op haar gelaat heeft bemerkt: “Een zenuwaandoening laat zich niet zoo gemakkelijk verklaren. De kleinste schrik, ja zelfs iets lachverwekends zou Coba gisteravond evengoed van streek hebben gebracht als nu het hooren van die piano-accoorden.”“Ziet u wel tante!” roept Coba levendig; en Helmond bespeurt met stille blijdschap een door tante niet begrepen verrukking op haar bleek gelaat: “ziet u wel, als men mij maar vrij laat dan zal ik beter worden. U hoort het nu zelve: mijn ongesteldheid kwam niet van die muziek, maar dáárdoor dat u....”“Welzeker kindlief, tante is er vast weer de oorzaak van geweest. Och ja, en als je nu straks misschien wéér niet wel wordt, dan zal het óók weer tante zijn die er de schuld van heeft, ofschoon ze—al wie weet hoe dikwijls heeft aangeraden om niet verder te gaan.”“Nú moet ik tante gelijk geven Coba. Zie, we hebben daar de Romphuizer brug al; kijk, over den wal heen zie je ’t hotel Helmond tusschen ’t lindengroen. Komaan, rechtsomkeert! Een klein eindje ga ik mee terug. Ik geneer u niet tante?”“O nee, wat dat betreft, maar ’t is al laat, en je vrouw....”“Eva is heel wel; dank u.”“Zij wacht je misschien met ’t eten.”“Een doktersvrouw eet zoodra haar man thuiskomt tante.”“Zeer onderdanig!”“Ik hoop Eva eens gauw te komen bezoeken, want ik moet je toch spreken;” zegt Jacoba.“Ja maar Coba, vooreerst....”“Hé tante, en uw eigen plan; uw eigen idee....”“Mijnplan?mijnidee? Wat meen je Coba-lief?”Tante Hermine voelde zich gestreeld; ze wist wel wat Coba bedoelde. ’t Was haar zoo losweg uit den mond gevallen; maar waarlijk,het denkbeeld is toch vanháár. Niemand heeft er te voren aan gedacht. Toen Jacoba van morgen zoo dolzinnig aan ’t zingen is gegaan, en haar gevraagd heeft of ze die compositie, als het werk van een eenvoudig muziekmeestertje, niet heel mooi vond, toen heeft ze—eigenlijk boos, omdat Coba zoo overmoedig zoo.... luidruchtig was, en zonder dat het haar kwaad scheen te doen—toen heeft ze gezegd: “O prachtig, ’t is jammer dat ze die menheer Donerie geen monument op zijn graf maken.”Neen zeker, tante heeft het zóó niet bedoeld; maar, toen Coba dat denkbeeld niet geheel verwerpelijk had gevonden, toen heeft tante het recht van uitvinding met kracht gehandhaafd. De muziekmeester scheen nog al een enfant chéri van de Romphuizers te zijn geweest. Ze hadden tenminste bij zijn begrafenis gezongen. Wie weet welk een opgang het denkbeeld van een monument, of iets van dien aard, zou maken, en, wanneer dan “zoo iets” verrees, dan was mevrouw de wed. Mansburg, geboren Van Barneveld, de operatrice ervan; misschien kwam haar naam dan nog wel op het voetstuk. Maar.... nee dát was wat al te gek. Hoewel....“O, je meent van een gedenkteeken op het graf van.... ne.... dien talentvollen muziekmeester?” valt tante zich zelve in de rede.“Ja, wat zal ik zeggen, ’t is me onverklaarbaar dat niemand vóór mij daaraan gedacht heeft. Zelfs jij Coba, die toch les van hem kreegt en bekennen moest dat hij knap was, je zou nooit op zoo’n idee zijn gekomen. ’t Goede wordt spoedig vergeten in de wereld!”Helmond vernam nu, dat “het denkbeeld van tante Mansburg” door Coba niet geheel verwerpelijk was geacht, ofschoon Coba toch bedenkingen had gemaakt—welke tante echter volstrekt niet gedeeld heeft. Jacoba had ten slotte gezegd, dat zij “tantes denkbeeld” aan Helmonds oordeel zou onderwerpen; zijn Eva behoorde tot de muzikale wereld, en van zulk een kant diende een dergelijk voorstel uit te gaan.Toen de dokter straks de dames heeft vaarwel gezegd, en zijn woning naderde, toen bestond er bij hem geen twijfel meer: Jacoba heeft dien jongeling liefgehad, en zijn nagedachtenis zal haar heilig blijven; maar ook, nu ze haar geliefden vader, na het voorgevallene van den vorigen avond, zoo bitter ontstemd heeft gezien zonder de rechte oorzaak ervan te weten, nu heeft ze—mede dorstend naar vrijheid voor zich zelve—zich krachtig aangegord om haar zwakheid te bestrijden. Leven moet ze en gezond zijn om den geliefden vader het voorhoofd effen te doen houden, en, was de eerste proeve reeds wel geslaagd, August houdt zich overtuigd dat Coba ook voor zich zelve het beste geneesmiddel gevonden heeft. Neen, zij zal niet langer staren op het nevelachtig beeld van een geliefde, die haar door den dood werd ontrukt. Ze zal nu slechts het oog hebben op een werkelijkheid. Eenmonumentzal er voor hem verrijzen, enzijzal zorgen dat het tot stand komt, ofschoon men niet mag bemerkenwiehet roer in handen heeft.Goed zoo Jacoba! broeder Helmond zal u terzijde staan.Eva ontvangt haar August met een opgeruimden blik, ofschoon hij bijna een half uur te laat komt. Alleen wil ze graag weten met welke dames hij zoo doodbedaard den straatweg op en neer heeft gewandeld?Of het kwam omdat August heden liefst geen namen vanDe Zonsbergnoemde, en de dwaze onderstelling van tante Hermine hem voor den geest sprong, of vreezend misschien dat Eva weer over den brief zal beginnen die van morgen vergeten werd, zeker is het dat hij een oogenblik aarzelt aleer hij eenvoudig de waarheid zegt.Eva’s gelaat betrok. Zou het mogelijk zijn dat Helmond en Coba...? Neen, ’t was te dwaas.... Maar toch, indien ze alles goed in verband beschouwt....“Ik zou haast zeggen August, dat je in de laatste vier en twintig uren meer het gezelschap van Coba dan het bijzijn van je “lieve vrouw” hebt gezocht. Men heeft mij vroeger wel eens gezegd August, dat Coba.... veel van je hield.—Hé, à propos.... we zijn nog niet quitte.”“Wat meen je....?”“Den brief van Kartenglimp heb ik je terstond laten meelezen: maar die andere.....? Zit hij nog in dien jaszak August?”“Welke? O! je bedoelt den brief die me uit Parijs is nagezonden? Eva-lief, je moest je nu eens voornemen om niet nieuwsgierig te zijn, wanneer ik je in de zaken van mijn praktijk niet altijd geheel op de hoogte houd. Wat een biechtvader is voor de ziel, dat is de dokter voor het lichaam, en de biecht ligt onder ’t zegel der geheimhouding, dat weet je wel.”“Nieuwsgierig!” zegt Eva fier; en dan met klem: “Mij dunkt August, dat er van zóó iets geen sprake kan zijn, wanneer ik je zeg te gelooven..... dat die brief van Jacoba was.”Helmond zwijgt. Bedriegen wil hij haar niet; en ofschoon ze den briefnietlezen mag, toch zal hij haar dien zotten argwaan benemen.“En zoo hij dan werkelijk van Jacoba was, Eva, iszijmijn patiënt dan niet?”Een vuurrood overdekt Eva’s gelaat.“Dus de briefwasvan Jacoba!?”“Ja.”Een oogenblik blijft het stil. Dan zegt Eva snel als tot zich zelve:“Dusbestaater een inclinatie!”“Maar lieve hemel Eva, hoe kun je nu zulk een gevolgtrekking maken. Ik zeg.....”“Vandáár dan een avond zooals gisteren opDe Zonsberg,” valt Eva in, met den blik strak voor zich heen: “Vandáár al die onwil, die liefdeloosheid, die vernederingen..... O ’t is genoeg, nu weet ik alles. Dat bleeke kind kwijnt en treurt om den geliefde, en hij, hij hinkt op twee gedachten. O God! welk een ontwaken uit den korten dommel van geluk!”“Eva, wees verstandig. Je bedriegt je waarachtig!”Zij ziet hem fier in de oogen.“WaarachtigHelmond!?—Laat mij den brief dan lezen?”“Ik heb.... hem verscheurd.”“Dat is onwaar; geef hem, als ik mij danwaarachtigbedrieg. Niet!!?”—Zij stampt met den voet: “Goed zoo!.... goed! dan houd ik je voor ’tgeen ik nooit hebkunnendenken; ja, voor een.....”“Nu niet verder Eva, de scène behoeft niet tragisch te worden. Van morgen heb ik om Kartenglimps brief gelachen; maar, geloof me in vollen ernst, meer reden tot lachen is er nú om je ijverzucht, dan toen om je plannen voor onze verheffing in den gravenstand.”“Bewijs het me Helmond! Ik zegbewijshet me! O God, ben ik dáárvoor geboren, ben ik dáárvoor getrouwd om nu reeds vernederd en verwaarloosd te worden ter wille van..... O!”“Zie me eens aan Eva.—Nee goed! flink, heelemaal, zooals straks, maar nu als een zachte vrouw, die haar man vertrouwt en leed gevoelt dat ze hém, die haar geheel behoort en alles voor haar zijn wil, zonder grond en onrechtvaardig van ontrouw en misleiding verdenkt.—Geloof je me niet Eva?”“Waarom mag ik dan dien brief niet lezen? Je hebt hemnietverscheurd, dat kon ik aan je antwoord hooren.”“En al ware dat zoo, je zult hemnietlezen. De brief is van een patiënt invertrouwengeschreven.”“Je zult hem niet lezen!” herhaalt Eva: “jeZULT NIET! en zóó wordt de tirannie in de eerste huwelijksweken dan reeds grooter van dag tot dag. Is er geen reden dat de vrouw begint te twijfelen aan de volle liefde van haar man, wanneer hij instaat is haar argwaan te benemen, maar dat weigert onder een nietig voorwendsel, met een: jezulthem niet lezen!”“Eva, geloof me....!”“Ik geloof nu August, dat je ter wille van Jacoba, wie niets mankeerde, zoo spoedig naar Romphuizen bent teruggekeerd, zonder je om ’t genot van je vrouw te bekreunen; ik geloof nu dat al die vernederingen van mijnheer den generaal, haar oorsprong namen in de misrekening op je onverdeelde liefde voor zijn kind, die zich in den beginne heeft goedgehouden, maar zich nu niet langer beheerschen kan; ik geloof....”“En ik zeg je Eva, dat je je bedriegt. Wat geeft je dan toch het recht om aan het woord van een man, aanmijnwoord te twijfelen?”Eva aarzelt:“Je achterhoudendheid!”“Maar wanneer ik dan herhaal dat mijn plicht mij gebiedt om het vertrouwelijk schrijven van patiënten geheim te houden, zelfs voor mijn vrouw? Wanneer ik.... Nee Eva, keer je niet weer van mij af. God weet dat ik niemand liever heb dan mijn eigen, mijn eenige vrouw!—Kind, zie mij dan aan.... Moest ik dit, in zoo’n luttel tal huwelijksdagen, reeds zoo dikwijls herhalen? Eva, weet en geloof je dan niet dat ik allesallesvoor je overheb; dat ik—wanneerhet maarniet in strijd met mijn plicht is—aan je kleinste, ja zelfs aan je grootste wenschen met liefde zou voldoen?—Eva....!”Terwijl Helmond de laatste woorden sprak heeft Eva hem aangezien, en ’t was alsof plotseling de zon weer door de nevelen brak. Zij weet niet dat August haar weigert den brief te lezen, omdat het haar, óf in hare dwaze opvatting versterken, óf zoo hij haar den waren zin van dat schrijven verklaarde, Jacoba’s zielsgeheim verraden zou: neen, maar de zachte toon waarop hij daareven sprak heeft haar getroffen. Heeft ze dan werkelijk recht om aan de waarheid van zijn mannenwoord te twijfelen? ’t Was immers mogelijk dat een dokter de confidenties omtrent ziekteverschijnselen van een jong meisje, zelfs voor zijn vrouw moest verbergen. Maar ook.... nog andere woorden had Eva gehoord; hij heeft haar gezegd: dat God het wist hoe hij niemand meer dan haar beminde, en....dat hij aan haar kleinste, ja zelfs aan haar grootste wenschen met liefde zou voldoen, indien het niet in strijd was met zijn plicht.En zie, slechts weinige seconden later slaat ze haar beide armen om Helmonds hals, en zoent ze den man harer liefde met innigheid verscheidene malen op den blij glimlachenden mond. Ja, ze zegt, nu te gevoelen dat ze slecht deed haar edelen vriend zoo liefdeloos te hebben bejegend. En dan, wanneer de eerste reine uiting van het berouwhebbend gemoed voorbijgegaan, en vurige kussen van den echtgenoot het verbond van trouw hebben vernieuwd en bezegeld, dan.... helaas! dan komt de vijand die vanbinnen woelt zich weer met het zoetste lachje aan den gelukkigen echtvriend vertoonen. Nietwaar....? Als Eva haar besten man danaltijd op zijn woord wil gelooven, dan zal hij zeker ook het woord gestand doen ’twelk hij daareven sprak.“Kom nu August, het eten zal wel koud zijn geworden, kom....!” En fluisterend met zoete stem: “Een mijner kleinste wenschen is, beste August, dat je niet meer lachen zult om het verkrijgen van dien titel voor papa, maar dat jij zelf zooveel je kunt daartoe zult meewerken: en, wat de grootere wenschen betreft, o ik weet het, mijn lieve man zal nu die eenig eenige gelegenheid niet laten voorbijgaan om me, door ’t koopen van het oud-burgemeestershuis, te verlossen uit den vreeselijken druk dezer lage zolders en benauwende muren; maar ook, hij zal getrouw blijven aan zijn woord, en nooit meer den handschoen oprapen voor wie zijn wijfje—zijn anderik, niewaar August?—onridderlijk minachten en beleedigen durft?”En Helmond, nu hij zijne schoone Eva weer vast in de armen sluit, nu gedenkt hij wel vluchtig het woord der wijsheid van den grijzen pleegvader, en gevoelt hij wel—bij de blijde overtuiging Eva’s argwaan voorgoed te hebben overwonnen—dat hij zijn triumf wat te duur heeft gekocht; maar nochtans, bij het smaken der zoete liefdeteugen kan hij, na zulk een overwinning, de stem niet meer hooren die waarschuwend klinkt:—Voorzichtig, met bedwelming is de beker gevuld, en een doodelijk venijn ligt op den bodem!

ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Den volgenden morgen nadat Eva zich voor ’t koffiedrinken gekleed had, ontstelde ze een weinig toen ze, beneden gekomen, in den zak van haar japon nog den brief vond, dien ze den vorigen avond voor August vanDe Zonsberghad meegenomen. Maar immers haar lieve man zou wel begrijpen dat zij, door ’tgeen er is voorgevallen, dien brief vergeten moest.En August heeft het begrepen. Doch, niet zoodra had hij het adres van den veel gestempelden brief bezien, en in het schrift de hand van Jacoba Van Barneveld herkend, of hij stak hem snel in zijn jaszak, om echter losweg te zeggen:“O van..... ne dinges, dat was niets; al gesproken.”“Dinges, een patiënt?”“Ja, ’t heeft niets te beduiden.”“Wil je eens weten August, wat ik dacht toen ik dien brief voor je kreeg?”’“Welnu?”“Ei, dacht ik, is mijn lieve man zoo met dames aan ’t correspondeeren. Ja, ’t kan niet missen, ’t adres is van een vrouwenhand, en....”“Is dat zoo duidelijk? Waaraan zou dat te zien zijn? Ik ken dames genoeg die een fiksche heerenhand schrijven, en heeren in legio die krabbelen als een keukenmeid. Ik verzeker je.....”“Hé August, hoe vat je daar ineens zoo verschrikkelijk vuur op? Zóó zou je iemand waarlijk op gedachten brengen die....”“Die....? Wat meen je Eva?”Er werd aan de deur geklopt.Een oogenblik later overhandigde Thomas Van Hake aan de doktersvrouw een brief waarvan het adres luidde:Madame E. Helmond.née Van Armeloo,en ville.”Eva bloosde niet, maar, het adres beziende, ging ze toch naarhet venster om een kleine ontroering te verbergen. ’t Was dwaas, bespottelijk; maar ’t kon ook niet zotter treffen: juist op het oogenblik dat de brief, dien August zoo haastig had geborgen, haar inderdaad begon te intrigeeren en—zij moest het zich zelve bekennen—terwijl Helmonds vreemde houding haar onaangenaam heeft getroffen, bracht men haar een brief van een.... onbekendemannenhand.Eva zal echter vanhaarbriefgeengeheim maken. Dat behoort en dat behoeft ook volstrekt niet.Helmond ziet haar zwijgend aan. Eva opent den brief en leest voor zich zelve:“Mevrouw!Gisteravond, na een hoogstaangename kennismaking met de echtgenoote van mijn hooggeëerden dokter, thuis gekomen, heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om—voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden—na te sporen of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn.....”“Wat scheelt je Eva? Je wordt bleek. Van wien is die brief?”Eva heeft zich spoedig hersteld; ze weet nu waarover die brief handelt. Een paar seconden ziet ze August zwijgend aan, en dan zegt ze met nadruk, ofschoon vriendelijk zacht:“Ik denk op dit oogenblik, in verband met een brief die straks zoo spoedig in een jaszak werd geborgen, aan een laatsten avond in ’t Hotel du Helder. Als dokter Helmond telkens redenen heeft om wat men hem schrijft voor zijn vrouw te verbergen, zou dat niet een zeer slecht voorbeeld kunnen zijn.....? Maar nee, nee August, zoo wil ik het niet. Ziehier, wij zullen samen lezen.”“Zou je denken Eva, dat een zweem van.... jaloezie..... of.....?”“Ssst ssst beste man, wie zou aan zóó iets denken! Kom lees nu mee; ’t betreft.....”“Is het je wensch; is het noodig? goed! maar zoo niet.... als men mijn lieve kind slechts den eerbied betoont, dien men haar als vrouw is verschuldigd, dan ben ik tevreden.”“O wat dát betreft; zie maar, de laatste regels ze vloeien over van eerbied.”Een oogenblik later lezen Eva en Helmond te zamen:“.... thuis gekomen heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om, voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden, na te sporen, of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn, dat n. l. mijnheer uw vader inderdaad een afstammeling is van het bekende oud-Hollandsch geslacht der graven Van Armeloo.”“Wat, duivel, is die Kartenglimp gek!”“Hé, vinje?”Men leest verder:“Met het familiewapen van Mijnheer uw vader bekend, mocht ik inderdaad de overeenkomst treffend bevinden.”Hier volgde een beschrijving van het bedoelde wapen.“Mijne vroegere relaties”—zoo luidde het verder in den brief—“brachten mij in kennis met een onzer eerste genealogen. Door hem werd het mij duidelijk hoe niet zelden—tijdens de Hervorming vooral—zonen uit de aanzienlijkste geslachten hun adellijke titels prijsgaven om ze, bij het omhelzen van de Calvinistische leerstellingen, met die van herder en leeraar te verwisselen. Bedrieg ik mij niet, zeer geachte Mevrouw, dan heeft Mijnheer uw vader mij eens meegedeeld dat hij van Duitsche afkomst was, maar, dat zijn genealogie niet verder reikte dan tot zijn grootvader genaamd Peter Harmen Armelo, die in 1787 te Birchheim in Hanover gestorven was. De treffende overeenkomst der wapens doet mij schier met volkomen zekerheid beweren, dat een der voorvaders van Mijnheer uw vader, om geloofs- of andere redenen uitgeweken, zijn Hollandschen graventitel heeft prijsgegeven om te zijn een dienaar in den wijngaard des Heeren.—Wanneer zijn nakroost echter, zooals Mijnheer uw vader deed, opnieuw het zwaard voerde voor het erf, waarop zijn stam is geworteld, dan, dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden hergeven....”“Welzeker!” lacht Helmond: “alleraardigst!” En hardop lezend:“Den ondergeteekende zal het een waar genoegen zijn, indien hij nader mag vernemen of de familie Van Armeloo hem zal vergunnen, naar zijn beste vermogen mee te werken tot het herwinnen van een zoo schitterenden titel, dien zij—naar zijn bescheiden meening—niet aan haarnakomelingenmag onthouden, en waarvoor zij zich slechts een geringe financieele opoffering zal te getroosten hebben.“Met de meeste onderscheiding en respectsverzekering, zoowel aan dokter Helmond als aan de geëerde familie Van Armeloo, heb ik de eer te zijn,Mevrouw!Uw zeer bijzonder gehoorzame en dv. Dr.Kartenglimp.”Het hinderde Eva wel dat Helmond alweder lachte en haar met de woorden: “Wel wel, gravin Van Armeloo!” op eenigen afstand met zekere kluchtige reverentie beschouwde; doch zij zou hem niet toonen dat de ontvangen meedeeling haar borst met zulk een ongekende verrukking had vervuld.“Wel kind, wat of er van den armen dokter zou geworden zijn, als men eerder had geweten ’tgeen die zeer vindingrijke majoor nu zoo eensklaps heeft uitgevonden!”“Is dat het loon voor mijn openhartigheid? Meen je August, datik niet reeds lang heb vermoed en geweten ’tgeen die man daar schreef?”“Waarlijk, al lang?”“Maar heb ik er ooit van gesproken of er zelfs ooit op gedoeld?”“Nu, laten we er dan ook maarte zamenom lachen mijn wijfje. Weet je watikgeloof?—Ronduit gezegd, ik geloof hoe langer hoe meer dat die majoor de rechte broeder niet is. Hij wil zich aangenaam maken; en daarom dien gekunstelden brief.”“Genoeg van dien man August; zijn persoon staat mij tegen; maar hem om het schrijven van dien brief te beschuldigen, dat is onheusch. Gesteld eens dat hij waarheid had geschreven, dan zou hij voor ’t allerminst op onze erkentelijkheid aanspraak hebben. ’t Is zeker dwaas zich te verheffen bij de gedachte dat men zulk een adellijken titel zou kunnen bezitten, maar, er om telachen.... nee! Indien het inplaats van de familie Armelo de familie Helmond gold, ik weet niet August of je dan....”“Ah ja, daar zeg je een goed woord, als het de familie Helmond gold! Ja dan....”“Welnu....?”“Dan zou het voor die onderschrapte “nakomelingschap” tenminste nog van eenige waarde kunnen worden; maar kindlief, vader Armelo heeft twee dochters; de eene is het vrouwtje van je onderdanigen dienaar Helmond, pur sang plebejer, en de andere, al trouwde ze met een prins, de gravenkroon der Van Armeloo’s zou toch nooit door haar edele telgjes kunnen gedragen worden!” En weder lachend: “’t Is alleraardigst!”“Helmond, extra verstandig vind ik dat lachen niet. Ik zeg je nóg eens, als het zulk een titel voor de Helmonds gold.....”“Enikherhaal Eva, dat dit, met het oog op het onderschrapte in dien brief”—hij geeft haar een zoen—“ook heel iets anders zou wezen. Maar over mijn adelbrieven behoeven we ons ’t leven niet moeielijk te maken. En nu, al is mijn lachen dan misschien niet heelemaal verstandig, geloof me kind, waartoe zou men zich iets in ’t hoofd, en vele moeiten en kosten op den hals halen, om—gesteld dat alles dan waar was—een titel te verkrijgen waar men, zonder fortuin, eigenlijk mee verlegen, en geen enkel naneefje mee gebaat zou zijn?”Eva zweeg en zag naar den grond. ’t Was wel te merken, zoo dacht ze, dat Helmond plebejisch bloed in de aderen had. In háár is altijd iets geweest ’twelk haar zeide dat ze eigenlijk niet thuis behoorde in “’t knechtelijk gareel”—met welk beeld eengrootdichter de lagere en middelstanden eens zoo juist had geteekend. Nochtans ze gevoelde het ook: Mocht het al schoon zijn en weldadig voor ’t hart, indien men zeker wist uit zulk edel bloed te zijn gesproten; ’t zou verkeerd wezen om er voor de toekomst een te groote waarde aan te hechten, dewijl papa geen zoons en geen fortuin bezat.... Maar.... ha! welk een licht gaat daar plotseling voor haar op! Zie, uit eigenliefde, uit trots heeft August zich zoo weinig ingenomen betoond met hetgeen hij vernomen heeft. ’t Moestvoor een man ook stuitend wezen om zich eensklaps ver beneden zijn vrouw te zien gesteld, vernederend om als eenvoudig burger te staan naast een geboren.... gravin!“Nee August, wacht nog even, ik wou je zeggen....!”“Ja maar vrouwtje, ik moet noodzakelijk weg. ’t Is al één geslagen; je weet men wacht me in de stad, en om halfdrie komt het rijtuig van Debecque. Circa vier uur hoop ik weer thuis te zijn, en we kunnen dan ’t chapitre vervolgen; nu, bonjour kind!”Haastig heeft Helmond haar omhelsd, en gaat dan snel naar de deur.—Maar neen, zóó kan Eva hem niet zien vertrekken. Zij moet hem aleer hij haar voor drie volle uren verlaat, dat nieuws doenzienbij ’t licht dat er voor haar is opgegaan.“Even Helmond, luister even.”Helmond blijft met de hand aan den deurknop staan.Zij komt hem zeer nabij:“Maar August, als mijn familienaam dan uitsterft, en we toch weten dat mannen dikwijls om zulk een reden den naam hunner vrouw er bij aannemen; ik meenalsalles nu waar is, en dat het zoo uitkwam, natuurlijk, dan zou jij—juist met het oog op ’tgeen de tijdonskan schenken....”—zij sloeg de oogen weer neer—“dan zou jij immers best....”“Pots selderementen Eva! wou je een graaf van me maken!? Nee maar nou geloof ik waarachtig dat je eens zien wilt, of er hier bij me boven, iets los of stuk is. Kom wijfje, maak geen gekheid, en kus me maar, en noem me nóg eens zooals gisteravond je “trouwe”; die titel is me wat meer waard dan andere, die bovendien wel wat heel hoog in de lucht hangen. Bonjour!”Een kwartier later was Eva gekleed om uit te gaan. Neen, ze ging niet, zooals August altijd deed, die apotheek door en de achterdeur uit; zij nam de voordeur aan den wal.Binnen weinige minuten bevindt ze zich in de ouderlijke woning. Ze moet papa en mama afzonderlijk spreken.Mama Armelo was druk met dochter Louise aan ’t rekken en vouwen van de wasch, doch mama heeft voor dochter Helmond in allerijl een mooie muts opgezet, en komt nu in de voorkamer waar Eva wachtte, en verontschuldigt zich—tegen haar kind—over haar toilet. Niewaar, Eva wist wel hoe het soms laat werd, en, zij had zich juist even met een schoteltje bemoeid, een lekker schoteltje voor papa. Eva zou het begrijpen.Eva met haar Parijschen hoed en mantille, maakte in de voorkamer van den zeer eenvoudigen oud-kapitein, en tegenover die mama in een vieze zwarte jas, en de sterk met rood gemonteerde muts—een contrast, waarmee ze zelvebijnaverlegen werd.Papa was op ’t oogenblik dat hij geroepen werd juist in zijn achterschuurtje aan ’t blokjes zagen. Hij deed gewoonlijk zoo iets; en vooral om anderen eens wat te kunnen “overdoen”.“Je zegt mevrouw Helmond?” heeft hij aan ’t dienstmeisje gevraagddie hem roepen kwam: “wou die mij alleen hebben? Dadelijk hoor!—Gauw ’en bakje.”De kapitein behoefde geen nadere toelichting te geven. Als er voorname lui waren om hem te spreken, dan moest het meisje—wanneer hij althans aan eenige bezigheid was—terstond waschwater brengen.Terwijl Armelo de zeep deed schuimen dat het een lust was, kan hij zich maar geen denkbeeld maken van ’tgeen Eva hem in ’t geheim—alleen aan hem en mama—zou te zeggen hebben. Hoelang was ze getrouwd? Nee nee, dát zou ze ook niet aan hém.... Nee, wát of het wezen mag!Zeer verlangend naar de oplossing van ’t raadsel, trad Armelo de kamer in, juist op ’t oogenblik dat mama Armelo reeds den voorsmaak van ’t allerbelangrijkst geheim had genoten.“Wat zeg je Eva, je pa een graaf Van Armeloo?” heeft mevrouw geaarzeld: “WIJzouden.... WIJ....?” En dan naar de deur ziende: “Goeje God, Armelo! ben je gek; met je sloofje voor!”Inderdaad de “graaf Van Armeloo” stond daar op den drempel der deur, en zag, half verrast half verlegen, op het bekleedsel neer, waarvan hij zich inderhaast vergat te ontdoen, geheel vervuld met de gedachte aan het nieuws ’twelk hij hooren zou.De oud-kapitein schaamde zich inderdaad een weinig voor zijn dochter; maar, nadat het sloofje buiten de deur was geworpen, ging dat toch spoedig voorbij. Eva wist wel dat hij niet leeg kon zitten; en, hij heette haar hartelijk welkom, want waarlijk, hij zag haar niet al te druk, en spoedig keek hij haar vragend aan, immers ’t was wel iets buitengewoons dat hij tegelijk met mama in de confidentie zou wezen.Toen men zich reeds eenige oogenblikken in de grafelijke sferen bewogen had, beweerde mevrouw Armelo met klem dat Armelo “zich zelf altijd in den weg stond”. Jawel, hij had geen oog voor de toekomst.Maar Armelo bleef beweren dat het ook waarlijk te gek was. Hij heette eenvoudig Armelo, en hetVandat er vóór moest, dááraan haperde het immers.“Maar dat hebben je voorouders laten vallen;” verzekerde mevrouw: “Begrijp je dat niet?”“En als ik me niet bedrieg dan schreven de graven Van Armeloo zich met tweeoo’s.”“Maar die ó heeft je overgrootvader dan zeker óók laten vallen.”“Ja, zoo kun je alles laten vallen, Marie; maar ik zeg je dat m’n vader en grootvader eenvoudige boeren in Hanover waren, en dat ze.....”“Nee maar man, zóó dwars als jij bent, daar staat m’n verstand voor stil.”“Hoor eens pa,” zegt Eva: “ik wist wel vooruit dat mijn nieuws met bezwaren door u zou ontvangen worden; maar, ik bid u, waarom wilt u je tegen zóó iets verzetten!”“Mijn hemel, datvraagik je!” valt mevrouw Armelo in: “Maarik herhaal het man, ’t is je nooit recht ernst met de eer van je familie geweest; zeker, men zou je nooit zoo vroeg gepensioneerd hebben als je je niet.....”“Vrouw! moet je mij in presentie van mijn kind aan iets herinneren, dat ik met Gods hulp bestreden en geheel overwonnen heb?”“Ja, toen het te laat was Armelo. Ik blijf er bij, je hebt je zelf altijd in den weg gestaan; je hadt generaal kunnen zijn als je dien drank....”“Nee ma,” valt Eva in, nu ze den man strak voor zich heen zag staren, en eensklaps berouw kreeg dat ze misschien eenige aanleiding tot dat verwijt heeft gegeven: “nee ma, daar moet u niet van spreken.” En dan, terwijl ze haastig opgestaan haars vaders hand neemt, en hem op het voorhoofd zoent: “Ma meende het niet kwaad pa’tje-lief; zij wilde maar zeggen.....”“Nu, ’t is niemendal kind, ik weet wel hoe jij het meent; ’t is niemendal!”“Zeker, ’t was de kolonel Dadel die u niet zetten kon; en die leelijke Minister van Oorlog! Maar als anderen u dan hebben teruggestooten, terwijl er zoovelen vooruitkomen, die ’t vrij wat minder verdienen, zoudt u dan—wanneer we tochwerkelijkvan zoo hoogen adel zijn, niet alles doen om u, door het herwinnen van dien rang, boven dien Dadel en dergelijken te verheffen?”“Maar waarachtig kind, het is niet mogelijk; ik weet immers zeker....”“Zeker!” valt mevrouw uit: “je weet niets niemendal! Die majoor Kartenglimp zal toch niet gek wezen. Wat hij schrijft, is zoo klaar als de dag; we hebben Goddank ons verstand nog; en als ik dien brief niet driemaal had gelezen, dan zou ik twijfelen kunnen; maar driemaal heb ik hem gelezen; en met Eva ben ik het volkomen eens dat er gehandeld dient te worden in ons aller belang.”“Maar mijn hemel Marie, we komen met de grootste moeite rond, en hoe wil je dan dat we ons nog opofferingen zouden getroosten om—gesteld dan....gesteld dan.... dien titel te krijgen; maar vooral om als graaf en gravin.....” schielijk opstaande: “Nee nee, ’t is onzinnig, we zijn gek! We droomen!Ik,ikeen graaf.... jij een gravin!” Zenuwachtig lachend: “’t Is om te lachen! Waar heb je den brief, geef nog eens hier; maar ’t is om te lachen!”Eva begrijpt nu dat lachen zeer goed. ’t Was bij papa een repetitie van ’tgeen ze van Helmond hoorde, maar toen niet begreep. Zenuwachtigheid; jawel, anders niet. Dames vallen flauw zoodra ze bloed zien; maar de zenuwen van heeren worden ’t eerst geprikkeld, wanneer hun iets van eer of rang in de oogen blinkt. Wie ’t hardst heeft gelachen om een ridderlint, draagt het zelf als ridder op overjas en chambercloak. Dat ongeloovig lachen, ja zeker ’t is de dekmantel voor een inwendige blijdschap die zich anders te ras zou verraden. Wie zoekt, of althans wie wil er geen eer! Ja! zelfs de domsten en zotsten, die nooit eenige eer kunnen behalen, ze dringen vooruit als ereerewijnwordt aangeboden.—Ja zie maar: bij ’t nogmaals doorloopen van Kartenglimps brief, gaat dat lachen van papa al over in een glimlachje, waaruit iets anders te lezen is.Armelo las: “Wanneer zijn nakroost echter, zooals mijnheer uw vader deed, opnieuw het zwaard voerde voor het erf waarop zijn stam is geworteld, dan, dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden hergeven.”“Nu pa, dat is toch zoo heel onverstandig niet;” zegt Eva, terwijl ze met haar vinger in parelgrijs glacé, op den genoemden volzin wijst.“Nee te donder, wat dat betreft; na Hasselt zei de kolonel Bik, in presentie van de sergeants Leeuwendaal en Wagenaar en een heele boel anderen tegen me: “Luitenant, je hebt je als een braaf officier gehouden.” Zieje, dat vergeet ik niet; maar verdord dat hebben ze aan Oorlog vergeten, zoo’n Dadel! zoo’n Minister, die...”“Och Armelo, als je nu hier bent gekomen om je ouwe litanie te zingen, dan zou ik liever....”“Nee ma, ’t is begrijpelijk dat pa zoo iets nu juist moet hinderen; als je dan bijna zeker weet dat je zoo heel veel hooger dan die nare menschen staat.”“O ja, juist Eva, wat dat betreft.—Voel je dat Armelo? Nee, ik geloof je voelt dat nog niet; jij voelt zoowat niemendal.”“Marie, nóg eens: ’t is niet gepast dat je zoo in tegenwoordigheid van onze dochter spreekt. Als er iemand gevoel heeft dan ben ik het. Heb ik jou armen neef den schoolmeester niet laatst nog m’n ouwe polonaise en vijf en twintig stuivers gegeven, den armen drommel!”“Och, laat nu in ’s-hemelsnaam mijn familie en je ouwe polonaise rusten bij zaken als deze. Wat anders de Lieders betreft, die konden best—zei neef eens—van ’t oude Lydië in Klein-Azië afkomstig en van vorstelijken oorsprong zijn; maar van zulk een oudheid is dat niet eens meer na te sporen. Ik zeg Armelo, we zijn voor God en onze kinderen verplicht de handen aan ’t werk te slaan.”Armelo krijgt eensklaps een “akelig prozaïsch gevoel”. Hij kon het niet helpen; maar.... ’t spijt hem dat hij niet stilletjes buiten de confidentie is gebleven. Hij was straks juist zoo plezierig aan ’t blokjes zagen; en ’t bruine pijpje smaakte zoo lekker, en.... Och goeje God! hij was toch niet voor een graaf in de wieg gelegd.—Wel hemel, waarom niet! Geen fortuin! wat doet het er toe. Luister, mevrouw zal ’t hem herinneren: Gravenmet graafschappenzijn er geen drie meer in de heele wereld. De graaf Van Tiel is stationschef ergens op een klein tusschenstation. Baron Hars is gemeente-ontvanger te Limmen. De twee freules Van Winteren maken in stilte hoedjes voor de lui; en de drie magere freules Blankenberge met haar groote oogen, eten te zamen vijf ons vleesch in de week; hebben één fluweelen mantel met ’er drieën, en niet anders dan ’en loopmeisje van ’s-morgens acht tot licht en donker!“Maar dat is dan ook erbarmelijk;” zegt Armelo.“Maar.... ze zijn van adel!”antwoordtmevrouw op tooneeltoon: “en, dat doet haar de wereld gemakkelijk trotseeren. De adel geefteen verhooging, een glans. Je kunt het dadelijk zien dat iemand van adel is, zelfs de freules Blankenberge....”“Och omdat je ’t weet Marie! maar anders, waarachtig....”“Weten! weten!! Nee, ook zonder dát zou men ’t zien. Maar als ze het dan vanónszullen hooren, dan moeten ze ’t immers toch ookzienniewaar?”Eva was stil geworden: ze wist niet wat haar eigenlijk méér hinderde, de burgerlijke toon, waarop mama den goeden papa gedurig beknorde, of de burgerlijkheid waarmee papa—eenoud-officier—zich telkens de eer die hem toekwam van den hals zocht te schuiven. Inderdaad moet Eva voor zich zelve bekennen dat de graaf en gravin Van Armeloo-Lieder een tamelijk mal figuur in de wereld—ja zelfs in de Romphuizer wereld—zouden maken. Mama had meer dan papa dat gepaste gevoel van eigenwaarde, dat zekere, om zich te willen verheffen boven het mindere, het gemeene; doch, hoe goed zij mocht wezen, mama miste door haar opvoeding in den hoogsteenvoudigen stand, ten eenenmale dien fijneren toon en goeden smaak waaraan de aristocratie zoo gemakkelijk te herkennen is. Honderden malen bijvoorbeeld is Eva tegen de bonte kleuren die mama gewoonlijk droeg te veld getrokken, doch zonder een blijvende verbetering van smaak te kunnen bewerken. Neen, ware het slechts om dien titel voor haarouderste doen, Eva zelve zou het bij nader inzien verstandiger oordeelen om de goede menschen verder maar stilletjes ongemoeid te laten. ’t Zal toch inderdaad ook nog al werk hebben om dit huishouden, waar alles oud en versleten is—de weinige smakelooze meubels in deze pronkkamer getuigen ervan—slechts eenigszins in harmonie met dien nieuwen stand te brengen. Neen, had Eva geen andere plannen gehad—en zij twijfelt niet of ze zullen gemakkelijk te verwezenlijken zijn—dan zou ze zeker met haar vader hebben ingestemd, dat het waarlijkte dwaasis. Nu echter, nu moet er gehandeld worden! En, onder het diepst geheim, ontvouwde Eva nu de reden waarom zij, voor zich zelve, er hoogen prijs op stelde dat papa gevolg wilde geven aan de zaak, en zoo spoedig mogelijk den majoor Kartenglimp zou gaan spreken.De oud-kapitein, ofschoon weinig bekend met de rechten van heraldiek of genealogie, betwijfelde het echter zeer of het wel mogelijk zou wezen dat Helmond—gesteld dan....gesteld dan—met den naam zijner vrouw bij den zijnen te nemen, ook den titel van haar geslacht zou bekomen; doch, moeder en dochter vonden dat “zóó doodeenvoudig natuurlijk”, dat hij zichzelf al voor heel onnoozel en dom had moeten houden, indien hij het zou gewaagd hebben daartegen nog bedenkingen in ’t midden te brengen. Ten slotte beloofde de kapitein dan ook aan zijn dochter—ofschoon juist niet zoo geheel van harte—dat hij werk van de zaak zou maken, en, ja zeker, nog heden den majoor te zullen opzoeken om van hem te vernemen op welke wijze men dan zou moeten handelen.Alvorens Eva naar huis zal terugkeeren, heeft ze nóg een vertrouwelijke meedeeling.—Nee, papa moest niet weggaan, ’t gold hém in de eerste plaats.Eva geeft een kort verslag van het gebeurde opDe Zonsberg, en van de “infame houding die de generaal tegenover haar heeft aangenomen.”—“Ter wille van Helmond,” zoo vervolgt Eva, “zal ik mijn best doen om den man, die uit trots en schrielheid de jonge vrouw van zijn pleegzoon met onheuschheden overlaadt, niet al te zeer te.... verachten. Ik ben van plan zijn hostile houding met de grootstmogelijke onverschilligheid te beantwoorden. Het kan me soms hinderen dat we zijn zoogenaamde weldaden nog moeten aannemen, en ik zag die prachtige bewijzen van zijn schrielheid liever aan een arme gegeven. Maar ik moet ze dulden. August is voor de helft zijn erfgenaam; en hoewel ik voor mijzelve in staat zou zijn om die heele erfenis er aan te wagen, en mij stoutweg met hem te brouilleeren, indien hij ’t nog eens te bont maakte, ik mag de toekomst van August, die nu werkt en draaft als een paard, niet roekeloos op ’t spel zetten. Ik zal me om zijnentwil beheerschen. Maar papa, watikdulden moet als Helmonds vrouw, dat moogt u als de kapitein Van Armeloo—ik zegVanArmeloo....”“Hoor je wel Armelo; ze zegtVanArmeloo....”“En wát mag ik niet dulden?” valt Armelo in: “de generaal heeft me niets niemendal gedaan; integendeel, hij was compleet frère en compagnon; kameraad, alles wat je wilt. Verduiveld, hij heeft immers nog zelfs het heele diner van je trouwen inDe Arendbetaald.—Schriel! Nee Eva, neem me niet kwalijk, dat is.....”“Maar goeje hemel papa, dát, dat is het juist! Me dunkt uw militair.... uw.... uw.... ja uw gevoel van rang enfin, alles in u moet daartegen opkomen. Toen ik er straks over nadacht, toen brandde mij de gedachte letterlijk als vuur op de borst, dat die mijnheer Van Barneveld mee het diner heeft betaald, ’t welk de kapitein Van Armeloo ter eere van ’t huwelijk zijner dochter gaf. Bah! ’t is vernederend! ’t is....”“Maar kind, Helmond heeft me gezegd dat dat heelemaal onder ons zou blijven.”“Ja dat kan wel waar zijn papa, maar waar blijft het ook, dat de generaal vijftig gulden heeft gegeven voor uw diner.”“Vijftig gulden!” roept mevrouw: “voor een diner van twintig personen à vier gulden buiten den wijn! Goeje hemel, wat een schriele kompeer! Heeft Helmond dan de rest betaald?”“Zeker! en ik wou dat hij ’t heelemaal betaald had; maar nu, die vijftig gulden ze compromitteeren u en mij; onze heele familie; verschrikkelijk! Vandaar die trotsche minachting. Welzeker, ik ben de dochter van een officier, die zich het bruidsmaal voor zijn kind laat betalen!”“Maar wat duivel, als een ander het niet betaald had dan zou het ding niet gegeven zijn! Je weet wel Eva dat wij geen geld voor zulke foeven hebben.”“’t Spijt me papa, dat u niet aanstonds gevoelt dat die schuld aan mijnheer Van Barneveldmoetworden afgedaan. ’t Komt me zoo heel natuurlijk voor.”“Ja maar....” aarzelt mevrouw: “ik moet toch ook bekennen Eva, dat.... vijftig gulden.... in onze omstandigheden....”“Ik zou op m’n woord niet weten waar ik ze vandaan moest halen,” herneemt Armelo: “en mij dunkt kind, dat diner is nu gepasseerd en, bij m’n ziel, de generaal heeft als oud-kameraad gehandeld; ik zou hetzelfde gedaan hebben wanneer ik in zijn schoenen stond.—Waar ga je heen Marie?”Mevrouw gaf geen antwoord. Ze was reeds de kamer uit. Een overheerlijk denkbeeld was haar ingevallen.Louise—Eva’s jongere zuster—stond nog in de kleine tuinkamer aan het vouwen van de wasch, toen mevrouw Armelo haar om raad is komen vragen. Louise kent hare moeder. De goede vrouw heeft in alle opzichten een bijzondere liefde voorkleuren. Honderdduizendmaal geldt bij haar vooreensof hoogstenstweemaal. De rest laat zich gemakkelijk begrijpen. Moeder Armelo zou verder met wat opleiding een uitmuntende tooneelspeelster zijn geweest. Zie maar, ook nu is er in haar blik een soort van vertwijfeling te lezen terwijl ze, het gesprek vervolgende, zegt:“Maar mijn hemel kind, denk je dan niet dat je arme vader er in stilte onder lijdt?”“Ik heb er niets van gemerkt ma.”“Daarom zeg ikin stilte.—En wanneer nu de heele stad hem bespot en belacht, moet dan het hart van een oud-officier die—ik zeg het je—van den oudsten Nederlandschen adel is—ja, ik zeg het je—moet dan dat hart onder zijn ridderkruisen niet breken!”“Maar weet dan de heele stad dat papa vijftig gulden van....”“De heele stad Louise? Ja helaas! Wij kregen een brief van den majoor Kartenglimp. Papa is den titel van officier niet meer waardig.....”“Schreef dat die leelijke oud-majoor?”“Nu ja, ten naastenbij.—Men zal hem van de sociëteit weren; men zal.....”“Wat! zal men papa van de sociëteit....?”Mevrouw haalt schouders en wenkbrauwen op; werpt een blik naar den groen geverfden zolder, en zegt:“Ik hoop mijn kind, dat ons zoo iets zal gespaard worden.”Louise ziet eenige oogenblikken strak voor zich heen.—Ruim éénhonderd en tachtig gulden heeft ze sedert vijf jaren bespaard; want evenals die straks genoemde adellijke dames, had ze met de naald in de behoeften van haar toilet zoeken te voorzien, en haar overgroote bedrevenheid in ’t maken van handwerken is oorzaak dat zij nog bovendien zulk een som heeft kunnen overhouden. Louise is er altijd zeer geheim mee geweest, en waarschijnlijk had ze er gegronde redenen voor. Maar nu, na een ontmoeten van den heer Kippelaan, in wiens bijzijn men haar, onvoorzichtig genoeg, een gekleede muts heeft besteld, sedert die ontmoeting, waarbij zoo schrikkelijk veel gesproken was, wisten papa en mama Armelo ook al spoedig dat hun jongste dochter “fortuin” had; en, ofschooneerst een weinig gevoelig over Louises achterhoudendheid, hebben ze hun dochter toch bewonderd en geprezen, ’t geen mama anders volstrekt niet gewoon was.En ’t is heden nu reeds de derde maal dat mevrouw Armelo aan haar dochter een plekje van de gloeiende plaat wijst, waarop Louise een deel van haar zuur verworven spaargeld kan zien verdwijnen.—Haars vaders eer!!Louise zal er met papa over spreken.Maar mevrouw Armelo zegt plechtig met de hand op den boezem:“Met papa!—Louise! in Godsnaam, met hémgeen woord!”

Den volgenden morgen nadat Eva zich voor ’t koffiedrinken gekleed had, ontstelde ze een weinig toen ze, beneden gekomen, in den zak van haar japon nog den brief vond, dien ze den vorigen avond voor August vanDe Zonsberghad meegenomen. Maar immers haar lieve man zou wel begrijpen dat zij, door ’tgeen er is voorgevallen, dien brief vergeten moest.

En August heeft het begrepen. Doch, niet zoodra had hij het adres van den veel gestempelden brief bezien, en in het schrift de hand van Jacoba Van Barneveld herkend, of hij stak hem snel in zijn jaszak, om echter losweg te zeggen:

“O van..... ne dinges, dat was niets; al gesproken.”

“Dinges, een patiënt?”

“Ja, ’t heeft niets te beduiden.”

“Wil je eens weten August, wat ik dacht toen ik dien brief voor je kreeg?”’

“Welnu?”

“Ei, dacht ik, is mijn lieve man zoo met dames aan ’t correspondeeren. Ja, ’t kan niet missen, ’t adres is van een vrouwenhand, en....”

“Is dat zoo duidelijk? Waaraan zou dat te zien zijn? Ik ken dames genoeg die een fiksche heerenhand schrijven, en heeren in legio die krabbelen als een keukenmeid. Ik verzeker je.....”

“Hé August, hoe vat je daar ineens zoo verschrikkelijk vuur op? Zóó zou je iemand waarlijk op gedachten brengen die....”

“Die....? Wat meen je Eva?”

Er werd aan de deur geklopt.

Een oogenblik later overhandigde Thomas Van Hake aan de doktersvrouw een brief waarvan het adres luidde:

Madame E. Helmond.née Van Armeloo,en ville.”

Madame E. Helmond.

née Van Armeloo,

en ville.”

Eva bloosde niet, maar, het adres beziende, ging ze toch naarhet venster om een kleine ontroering te verbergen. ’t Was dwaas, bespottelijk; maar ’t kon ook niet zotter treffen: juist op het oogenblik dat de brief, dien August zoo haastig had geborgen, haar inderdaad begon te intrigeeren en—zij moest het zich zelve bekennen—terwijl Helmonds vreemde houding haar onaangenaam heeft getroffen, bracht men haar een brief van een.... onbekendemannenhand.

Eva zal echter vanhaarbriefgeengeheim maken. Dat behoort en dat behoeft ook volstrekt niet.

Helmond ziet haar zwijgend aan. Eva opent den brief en leest voor zich zelve:

“Mevrouw!Gisteravond, na een hoogstaangename kennismaking met de echtgenoote van mijn hooggeëerden dokter, thuis gekomen, heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om—voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden—na te sporen of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn.....”

“Mevrouw!

Gisteravond, na een hoogstaangename kennismaking met de echtgenoote van mijn hooggeëerden dokter, thuis gekomen, heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om—voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden—na te sporen of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn.....”

“Wat scheelt je Eva? Je wordt bleek. Van wien is die brief?”

Eva heeft zich spoedig hersteld; ze weet nu waarover die brief handelt. Een paar seconden ziet ze August zwijgend aan, en dan zegt ze met nadruk, ofschoon vriendelijk zacht:

“Ik denk op dit oogenblik, in verband met een brief die straks zoo spoedig in een jaszak werd geborgen, aan een laatsten avond in ’t Hotel du Helder. Als dokter Helmond telkens redenen heeft om wat men hem schrijft voor zijn vrouw te verbergen, zou dat niet een zeer slecht voorbeeld kunnen zijn.....? Maar nee, nee August, zoo wil ik het niet. Ziehier, wij zullen samen lezen.”

“Zou je denken Eva, dat een zweem van.... jaloezie..... of.....?”

“Ssst ssst beste man, wie zou aan zóó iets denken! Kom lees nu mee; ’t betreft.....”

“Is het je wensch; is het noodig? goed! maar zoo niet.... als men mijn lieve kind slechts den eerbied betoont, dien men haar als vrouw is verschuldigd, dan ben ik tevreden.”

“O wat dát betreft; zie maar, de laatste regels ze vloeien over van eerbied.”

Een oogenblik later lezen Eva en Helmond te zamen:

“.... thuis gekomen heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om, voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden, na te sporen, of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn, dat n. l. mijnheer uw vader inderdaad een afstammeling is van het bekende oud-Hollandsch geslacht der graven Van Armeloo.”

“.... thuis gekomen heeft het mij tot een waar genoegen verstrekt om, voor zooveel de bronnen er mij toe in staat stelden, na te sporen, of mijn vermoeden zekerheid zou blijken te zijn, dat n. l. mijnheer uw vader inderdaad een afstammeling is van het bekende oud-Hollandsch geslacht der graven Van Armeloo.”

“Wat, duivel, is die Kartenglimp gek!”

“Hé, vinje?”

Men leest verder:

“Met het familiewapen van Mijnheer uw vader bekend, mocht ik inderdaad de overeenkomst treffend bevinden.”

“Met het familiewapen van Mijnheer uw vader bekend, mocht ik inderdaad de overeenkomst treffend bevinden.”

Hier volgde een beschrijving van het bedoelde wapen.

“Mijne vroegere relaties”—zoo luidde het verder in den brief—“brachten mij in kennis met een onzer eerste genealogen. Door hem werd het mij duidelijk hoe niet zelden—tijdens de Hervorming vooral—zonen uit de aanzienlijkste geslachten hun adellijke titels prijsgaven om ze, bij het omhelzen van de Calvinistische leerstellingen, met die van herder en leeraar te verwisselen. Bedrieg ik mij niet, zeer geachte Mevrouw, dan heeft Mijnheer uw vader mij eens meegedeeld dat hij van Duitsche afkomst was, maar, dat zijn genealogie niet verder reikte dan tot zijn grootvader genaamd Peter Harmen Armelo, die in 1787 te Birchheim in Hanover gestorven was. De treffende overeenkomst der wapens doet mij schier met volkomen zekerheid beweren, dat een der voorvaders van Mijnheer uw vader, om geloofs- of andere redenen uitgeweken, zijn Hollandschen graventitel heeft prijsgegeven om te zijn een dienaar in den wijngaard des Heeren.—Wanneer zijn nakroost echter, zooals Mijnheer uw vader deed, opnieuw het zwaard voerde voor het erf, waarop zijn stam is geworteld, dan, dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden hergeven....”

“Mijne vroegere relaties”—zoo luidde het verder in den brief—“brachten mij in kennis met een onzer eerste genealogen. Door hem werd het mij duidelijk hoe niet zelden—tijdens de Hervorming vooral—zonen uit de aanzienlijkste geslachten hun adellijke titels prijsgaven om ze, bij het omhelzen van de Calvinistische leerstellingen, met die van herder en leeraar te verwisselen. Bedrieg ik mij niet, zeer geachte Mevrouw, dan heeft Mijnheer uw vader mij eens meegedeeld dat hij van Duitsche afkomst was, maar, dat zijn genealogie niet verder reikte dan tot zijn grootvader genaamd Peter Harmen Armelo, die in 1787 te Birchheim in Hanover gestorven was. De treffende overeenkomst der wapens doet mij schier met volkomen zekerheid beweren, dat een der voorvaders van Mijnheer uw vader, om geloofs- of andere redenen uitgeweken, zijn Hollandschen graventitel heeft prijsgegeven om te zijn een dienaar in den wijngaard des Heeren.—Wanneer zijn nakroost echter, zooals Mijnheer uw vader deed, opnieuw het zwaard voerde voor het erf, waarop zijn stam is geworteld, dan, dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden hergeven....”

“Welzeker!” lacht Helmond: “alleraardigst!” En hardop lezend:

“Den ondergeteekende zal het een waar genoegen zijn, indien hij nader mag vernemen of de familie Van Armeloo hem zal vergunnen, naar zijn beste vermogen mee te werken tot het herwinnen van een zoo schitterenden titel, dien zij—naar zijn bescheiden meening—niet aan haarnakomelingenmag onthouden, en waarvoor zij zich slechts een geringe financieele opoffering zal te getroosten hebben.“Met de meeste onderscheiding en respectsverzekering, zoowel aan dokter Helmond als aan de geëerde familie Van Armeloo, heb ik de eer te zijn,Mevrouw!Uw zeer bijzonder gehoorzame en dv. Dr.Kartenglimp.”

“Den ondergeteekende zal het een waar genoegen zijn, indien hij nader mag vernemen of de familie Van Armeloo hem zal vergunnen, naar zijn beste vermogen mee te werken tot het herwinnen van een zoo schitterenden titel, dien zij—naar zijn bescheiden meening—niet aan haarnakomelingenmag onthouden, en waarvoor zij zich slechts een geringe financieele opoffering zal te getroosten hebben.

“Met de meeste onderscheiding en respectsverzekering, zoowel aan dokter Helmond als aan de geëerde familie Van Armeloo, heb ik de eer te zijn,

Mevrouw!

Uw zeer bijzonder gehoorzame en dv. Dr.

Kartenglimp.”

Het hinderde Eva wel dat Helmond alweder lachte en haar met de woorden: “Wel wel, gravin Van Armeloo!” op eenigen afstand met zekere kluchtige reverentie beschouwde; doch zij zou hem niet toonen dat de ontvangen meedeeling haar borst met zulk een ongekende verrukking had vervuld.

“Wel kind, wat of er van den armen dokter zou geworden zijn, als men eerder had geweten ’tgeen die zeer vindingrijke majoor nu zoo eensklaps heeft uitgevonden!”

“Is dat het loon voor mijn openhartigheid? Meen je August, datik niet reeds lang heb vermoed en geweten ’tgeen die man daar schreef?”

“Waarlijk, al lang?”

“Maar heb ik er ooit van gesproken of er zelfs ooit op gedoeld?”

“Nu, laten we er dan ook maarte zamenom lachen mijn wijfje. Weet je watikgeloof?—Ronduit gezegd, ik geloof hoe langer hoe meer dat die majoor de rechte broeder niet is. Hij wil zich aangenaam maken; en daarom dien gekunstelden brief.”

“Genoeg van dien man August; zijn persoon staat mij tegen; maar hem om het schrijven van dien brief te beschuldigen, dat is onheusch. Gesteld eens dat hij waarheid had geschreven, dan zou hij voor ’t allerminst op onze erkentelijkheid aanspraak hebben. ’t Is zeker dwaas zich te verheffen bij de gedachte dat men zulk een adellijken titel zou kunnen bezitten, maar, er om telachen.... nee! Indien het inplaats van de familie Armelo de familie Helmond gold, ik weet niet August of je dan....”

“Ah ja, daar zeg je een goed woord, als het de familie Helmond gold! Ja dan....”

“Welnu....?”

“Dan zou het voor die onderschrapte “nakomelingschap” tenminste nog van eenige waarde kunnen worden; maar kindlief, vader Armelo heeft twee dochters; de eene is het vrouwtje van je onderdanigen dienaar Helmond, pur sang plebejer, en de andere, al trouwde ze met een prins, de gravenkroon der Van Armeloo’s zou toch nooit door haar edele telgjes kunnen gedragen worden!” En weder lachend: “’t Is alleraardigst!”

“Helmond, extra verstandig vind ik dat lachen niet. Ik zeg je nóg eens, als het zulk een titel voor de Helmonds gold.....”

“Enikherhaal Eva, dat dit, met het oog op het onderschrapte in dien brief”—hij geeft haar een zoen—“ook heel iets anders zou wezen. Maar over mijn adelbrieven behoeven we ons ’t leven niet moeielijk te maken. En nu, al is mijn lachen dan misschien niet heelemaal verstandig, geloof me kind, waartoe zou men zich iets in ’t hoofd, en vele moeiten en kosten op den hals halen, om—gesteld dat alles dan waar was—een titel te verkrijgen waar men, zonder fortuin, eigenlijk mee verlegen, en geen enkel naneefje mee gebaat zou zijn?”

Eva zweeg en zag naar den grond. ’t Was wel te merken, zoo dacht ze, dat Helmond plebejisch bloed in de aderen had. In háár is altijd iets geweest ’twelk haar zeide dat ze eigenlijk niet thuis behoorde in “’t knechtelijk gareel”—met welk beeld eengrootdichter de lagere en middelstanden eens zoo juist had geteekend. Nochtans ze gevoelde het ook: Mocht het al schoon zijn en weldadig voor ’t hart, indien men zeker wist uit zulk edel bloed te zijn gesproten; ’t zou verkeerd wezen om er voor de toekomst een te groote waarde aan te hechten, dewijl papa geen zoons en geen fortuin bezat.... Maar.... ha! welk een licht gaat daar plotseling voor haar op! Zie, uit eigenliefde, uit trots heeft August zich zoo weinig ingenomen betoond met hetgeen hij vernomen heeft. ’t Moestvoor een man ook stuitend wezen om zich eensklaps ver beneden zijn vrouw te zien gesteld, vernederend om als eenvoudig burger te staan naast een geboren.... gravin!

“Nee August, wacht nog even, ik wou je zeggen....!”

“Ja maar vrouwtje, ik moet noodzakelijk weg. ’t Is al één geslagen; je weet men wacht me in de stad, en om halfdrie komt het rijtuig van Debecque. Circa vier uur hoop ik weer thuis te zijn, en we kunnen dan ’t chapitre vervolgen; nu, bonjour kind!”

Haastig heeft Helmond haar omhelsd, en gaat dan snel naar de deur.

—Maar neen, zóó kan Eva hem niet zien vertrekken. Zij moet hem aleer hij haar voor drie volle uren verlaat, dat nieuws doenzienbij ’t licht dat er voor haar is opgegaan.

“Even Helmond, luister even.”

Helmond blijft met de hand aan den deurknop staan.

Zij komt hem zeer nabij:

“Maar August, als mijn familienaam dan uitsterft, en we toch weten dat mannen dikwijls om zulk een reden den naam hunner vrouw er bij aannemen; ik meenalsalles nu waar is, en dat het zoo uitkwam, natuurlijk, dan zou jij—juist met het oog op ’tgeen de tijdonskan schenken....”—zij sloeg de oogen weer neer—“dan zou jij immers best....”

“Pots selderementen Eva! wou je een graaf van me maken!? Nee maar nou geloof ik waarachtig dat je eens zien wilt, of er hier bij me boven, iets los of stuk is. Kom wijfje, maak geen gekheid, en kus me maar, en noem me nóg eens zooals gisteravond je “trouwe”; die titel is me wat meer waard dan andere, die bovendien wel wat heel hoog in de lucht hangen. Bonjour!”

Een kwartier later was Eva gekleed om uit te gaan. Neen, ze ging niet, zooals August altijd deed, die apotheek door en de achterdeur uit; zij nam de voordeur aan den wal.

Binnen weinige minuten bevindt ze zich in de ouderlijke woning. Ze moet papa en mama afzonderlijk spreken.

Mama Armelo was druk met dochter Louise aan ’t rekken en vouwen van de wasch, doch mama heeft voor dochter Helmond in allerijl een mooie muts opgezet, en komt nu in de voorkamer waar Eva wachtte, en verontschuldigt zich—tegen haar kind—over haar toilet. Niewaar, Eva wist wel hoe het soms laat werd, en, zij had zich juist even met een schoteltje bemoeid, een lekker schoteltje voor papa. Eva zou het begrijpen.

Eva met haar Parijschen hoed en mantille, maakte in de voorkamer van den zeer eenvoudigen oud-kapitein, en tegenover die mama in een vieze zwarte jas, en de sterk met rood gemonteerde muts—een contrast, waarmee ze zelvebijnaverlegen werd.

Papa was op ’t oogenblik dat hij geroepen werd juist in zijn achterschuurtje aan ’t blokjes zagen. Hij deed gewoonlijk zoo iets; en vooral om anderen eens wat te kunnen “overdoen”.

“Je zegt mevrouw Helmond?” heeft hij aan ’t dienstmeisje gevraagddie hem roepen kwam: “wou die mij alleen hebben? Dadelijk hoor!—Gauw ’en bakje.”

De kapitein behoefde geen nadere toelichting te geven. Als er voorname lui waren om hem te spreken, dan moest het meisje—wanneer hij althans aan eenige bezigheid was—terstond waschwater brengen.

Terwijl Armelo de zeep deed schuimen dat het een lust was, kan hij zich maar geen denkbeeld maken van ’tgeen Eva hem in ’t geheim—alleen aan hem en mama—zou te zeggen hebben. Hoelang was ze getrouwd? Nee nee, dát zou ze ook niet aan hém.... Nee, wát of het wezen mag!

Zeer verlangend naar de oplossing van ’t raadsel, trad Armelo de kamer in, juist op ’t oogenblik dat mama Armelo reeds den voorsmaak van ’t allerbelangrijkst geheim had genoten.

“Wat zeg je Eva, je pa een graaf Van Armeloo?” heeft mevrouw geaarzeld: “WIJzouden.... WIJ....?” En dan naar de deur ziende: “Goeje God, Armelo! ben je gek; met je sloofje voor!”

Inderdaad de “graaf Van Armeloo” stond daar op den drempel der deur, en zag, half verrast half verlegen, op het bekleedsel neer, waarvan hij zich inderhaast vergat te ontdoen, geheel vervuld met de gedachte aan het nieuws ’twelk hij hooren zou.

De oud-kapitein schaamde zich inderdaad een weinig voor zijn dochter; maar, nadat het sloofje buiten de deur was geworpen, ging dat toch spoedig voorbij. Eva wist wel dat hij niet leeg kon zitten; en, hij heette haar hartelijk welkom, want waarlijk, hij zag haar niet al te druk, en spoedig keek hij haar vragend aan, immers ’t was wel iets buitengewoons dat hij tegelijk met mama in de confidentie zou wezen.

Toen men zich reeds eenige oogenblikken in de grafelijke sferen bewogen had, beweerde mevrouw Armelo met klem dat Armelo “zich zelf altijd in den weg stond”. Jawel, hij had geen oog voor de toekomst.

Maar Armelo bleef beweren dat het ook waarlijk te gek was. Hij heette eenvoudig Armelo, en hetVandat er vóór moest, dááraan haperde het immers.

“Maar dat hebben je voorouders laten vallen;” verzekerde mevrouw: “Begrijp je dat niet?”

“En als ik me niet bedrieg dan schreven de graven Van Armeloo zich met tweeoo’s.”

“Maar die ó heeft je overgrootvader dan zeker óók laten vallen.”

“Ja, zoo kun je alles laten vallen, Marie; maar ik zeg je dat m’n vader en grootvader eenvoudige boeren in Hanover waren, en dat ze.....”

“Nee maar man, zóó dwars als jij bent, daar staat m’n verstand voor stil.”

“Hoor eens pa,” zegt Eva: “ik wist wel vooruit dat mijn nieuws met bezwaren door u zou ontvangen worden; maar, ik bid u, waarom wilt u je tegen zóó iets verzetten!”

“Mijn hemel, datvraagik je!” valt mevrouw Armelo in: “Maarik herhaal het man, ’t is je nooit recht ernst met de eer van je familie geweest; zeker, men zou je nooit zoo vroeg gepensioneerd hebben als je je niet.....”

“Vrouw! moet je mij in presentie van mijn kind aan iets herinneren, dat ik met Gods hulp bestreden en geheel overwonnen heb?”

“Ja, toen het te laat was Armelo. Ik blijf er bij, je hebt je zelf altijd in den weg gestaan; je hadt generaal kunnen zijn als je dien drank....”

“Nee ma,” valt Eva in, nu ze den man strak voor zich heen zag staren, en eensklaps berouw kreeg dat ze misschien eenige aanleiding tot dat verwijt heeft gegeven: “nee ma, daar moet u niet van spreken.” En dan, terwijl ze haastig opgestaan haars vaders hand neemt, en hem op het voorhoofd zoent: “Ma meende het niet kwaad pa’tje-lief; zij wilde maar zeggen.....”

“Nu, ’t is niemendal kind, ik weet wel hoe jij het meent; ’t is niemendal!”

“Zeker, ’t was de kolonel Dadel die u niet zetten kon; en die leelijke Minister van Oorlog! Maar als anderen u dan hebben teruggestooten, terwijl er zoovelen vooruitkomen, die ’t vrij wat minder verdienen, zoudt u dan—wanneer we tochwerkelijkvan zoo hoogen adel zijn, niet alles doen om u, door het herwinnen van dien rang, boven dien Dadel en dergelijken te verheffen?”

“Maar waarachtig kind, het is niet mogelijk; ik weet immers zeker....”

“Zeker!” valt mevrouw uit: “je weet niets niemendal! Die majoor Kartenglimp zal toch niet gek wezen. Wat hij schrijft, is zoo klaar als de dag; we hebben Goddank ons verstand nog; en als ik dien brief niet driemaal had gelezen, dan zou ik twijfelen kunnen; maar driemaal heb ik hem gelezen; en met Eva ben ik het volkomen eens dat er gehandeld dient te worden in ons aller belang.”

“Maar mijn hemel Marie, we komen met de grootste moeite rond, en hoe wil je dan dat we ons nog opofferingen zouden getroosten om—gesteld dan....gesteld dan.... dien titel te krijgen; maar vooral om als graaf en gravin.....” schielijk opstaande: “Nee nee, ’t is onzinnig, we zijn gek! We droomen!Ik,ikeen graaf.... jij een gravin!” Zenuwachtig lachend: “’t Is om te lachen! Waar heb je den brief, geef nog eens hier; maar ’t is om te lachen!”

Eva begrijpt nu dat lachen zeer goed. ’t Was bij papa een repetitie van ’tgeen ze van Helmond hoorde, maar toen niet begreep. Zenuwachtigheid; jawel, anders niet. Dames vallen flauw zoodra ze bloed zien; maar de zenuwen van heeren worden ’t eerst geprikkeld, wanneer hun iets van eer of rang in de oogen blinkt. Wie ’t hardst heeft gelachen om een ridderlint, draagt het zelf als ridder op overjas en chambercloak. Dat ongeloovig lachen, ja zeker ’t is de dekmantel voor een inwendige blijdschap die zich anders te ras zou verraden. Wie zoekt, of althans wie wil er geen eer! Ja! zelfs de domsten en zotsten, die nooit eenige eer kunnen behalen, ze dringen vooruit als ereerewijnwordt aangeboden.

—Ja zie maar: bij ’t nogmaals doorloopen van Kartenglimps brief, gaat dat lachen van papa al over in een glimlachje, waaruit iets anders te lezen is.

Armelo las: “Wanneer zijn nakroost echter, zooals mijnheer uw vader deed, opnieuw het zwaard voerde voor het erf waarop zijn stam is geworteld, dan, dunkt mij, dient de gravenkroon hem te worden hergeven.”

“Nu pa, dat is toch zoo heel onverstandig niet;” zegt Eva, terwijl ze met haar vinger in parelgrijs glacé, op den genoemden volzin wijst.

“Nee te donder, wat dat betreft; na Hasselt zei de kolonel Bik, in presentie van de sergeants Leeuwendaal en Wagenaar en een heele boel anderen tegen me: “Luitenant, je hebt je als een braaf officier gehouden.” Zieje, dat vergeet ik niet; maar verdord dat hebben ze aan Oorlog vergeten, zoo’n Dadel! zoo’n Minister, die...”

“Och Armelo, als je nu hier bent gekomen om je ouwe litanie te zingen, dan zou ik liever....”

“Nee ma, ’t is begrijpelijk dat pa zoo iets nu juist moet hinderen; als je dan bijna zeker weet dat je zoo heel veel hooger dan die nare menschen staat.”

“O ja, juist Eva, wat dat betreft.—Voel je dat Armelo? Nee, ik geloof je voelt dat nog niet; jij voelt zoowat niemendal.”

“Marie, nóg eens: ’t is niet gepast dat je zoo in tegenwoordigheid van onze dochter spreekt. Als er iemand gevoel heeft dan ben ik het. Heb ik jou armen neef den schoolmeester niet laatst nog m’n ouwe polonaise en vijf en twintig stuivers gegeven, den armen drommel!”

“Och, laat nu in ’s-hemelsnaam mijn familie en je ouwe polonaise rusten bij zaken als deze. Wat anders de Lieders betreft, die konden best—zei neef eens—van ’t oude Lydië in Klein-Azië afkomstig en van vorstelijken oorsprong zijn; maar van zulk een oudheid is dat niet eens meer na te sporen. Ik zeg Armelo, we zijn voor God en onze kinderen verplicht de handen aan ’t werk te slaan.”

Armelo krijgt eensklaps een “akelig prozaïsch gevoel”. Hij kon het niet helpen; maar.... ’t spijt hem dat hij niet stilletjes buiten de confidentie is gebleven. Hij was straks juist zoo plezierig aan ’t blokjes zagen; en ’t bruine pijpje smaakte zoo lekker, en.... Och goeje God! hij was toch niet voor een graaf in de wieg gelegd.

—Wel hemel, waarom niet! Geen fortuin! wat doet het er toe. Luister, mevrouw zal ’t hem herinneren: Gravenmet graafschappenzijn er geen drie meer in de heele wereld. De graaf Van Tiel is stationschef ergens op een klein tusschenstation. Baron Hars is gemeente-ontvanger te Limmen. De twee freules Van Winteren maken in stilte hoedjes voor de lui; en de drie magere freules Blankenberge met haar groote oogen, eten te zamen vijf ons vleesch in de week; hebben één fluweelen mantel met ’er drieën, en niet anders dan ’en loopmeisje van ’s-morgens acht tot licht en donker!

“Maar dat is dan ook erbarmelijk;” zegt Armelo.

“Maar.... ze zijn van adel!”antwoordtmevrouw op tooneeltoon: “en, dat doet haar de wereld gemakkelijk trotseeren. De adel geefteen verhooging, een glans. Je kunt het dadelijk zien dat iemand van adel is, zelfs de freules Blankenberge....”

“Och omdat je ’t weet Marie! maar anders, waarachtig....”

“Weten! weten!! Nee, ook zonder dát zou men ’t zien. Maar als ze het dan vanónszullen hooren, dan moeten ze ’t immers toch ookzienniewaar?”

Eva was stil geworden: ze wist niet wat haar eigenlijk méér hinderde, de burgerlijke toon, waarop mama den goeden papa gedurig beknorde, of de burgerlijkheid waarmee papa—eenoud-officier—zich telkens de eer die hem toekwam van den hals zocht te schuiven. Inderdaad moet Eva voor zich zelve bekennen dat de graaf en gravin Van Armeloo-Lieder een tamelijk mal figuur in de wereld—ja zelfs in de Romphuizer wereld—zouden maken. Mama had meer dan papa dat gepaste gevoel van eigenwaarde, dat zekere, om zich te willen verheffen boven het mindere, het gemeene; doch, hoe goed zij mocht wezen, mama miste door haar opvoeding in den hoogsteenvoudigen stand, ten eenenmale dien fijneren toon en goeden smaak waaraan de aristocratie zoo gemakkelijk te herkennen is. Honderden malen bijvoorbeeld is Eva tegen de bonte kleuren die mama gewoonlijk droeg te veld getrokken, doch zonder een blijvende verbetering van smaak te kunnen bewerken. Neen, ware het slechts om dien titel voor haarouderste doen, Eva zelve zou het bij nader inzien verstandiger oordeelen om de goede menschen verder maar stilletjes ongemoeid te laten. ’t Zal toch inderdaad ook nog al werk hebben om dit huishouden, waar alles oud en versleten is—de weinige smakelooze meubels in deze pronkkamer getuigen ervan—slechts eenigszins in harmonie met dien nieuwen stand te brengen. Neen, had Eva geen andere plannen gehad—en zij twijfelt niet of ze zullen gemakkelijk te verwezenlijken zijn—dan zou ze zeker met haar vader hebben ingestemd, dat het waarlijkte dwaasis. Nu echter, nu moet er gehandeld worden! En, onder het diepst geheim, ontvouwde Eva nu de reden waarom zij, voor zich zelve, er hoogen prijs op stelde dat papa gevolg wilde geven aan de zaak, en zoo spoedig mogelijk den majoor Kartenglimp zou gaan spreken.

De oud-kapitein, ofschoon weinig bekend met de rechten van heraldiek of genealogie, betwijfelde het echter zeer of het wel mogelijk zou wezen dat Helmond—gesteld dan....gesteld dan—met den naam zijner vrouw bij den zijnen te nemen, ook den titel van haar geslacht zou bekomen; doch, moeder en dochter vonden dat “zóó doodeenvoudig natuurlijk”, dat hij zichzelf al voor heel onnoozel en dom had moeten houden, indien hij het zou gewaagd hebben daartegen nog bedenkingen in ’t midden te brengen. Ten slotte beloofde de kapitein dan ook aan zijn dochter—ofschoon juist niet zoo geheel van harte—dat hij werk van de zaak zou maken, en, ja zeker, nog heden den majoor te zullen opzoeken om van hem te vernemen op welke wijze men dan zou moeten handelen.

Alvorens Eva naar huis zal terugkeeren, heeft ze nóg een vertrouwelijke meedeeling.—Nee, papa moest niet weggaan, ’t gold hém in de eerste plaats.

Eva geeft een kort verslag van het gebeurde opDe Zonsberg, en van de “infame houding die de generaal tegenover haar heeft aangenomen.”—“Ter wille van Helmond,” zoo vervolgt Eva, “zal ik mijn best doen om den man, die uit trots en schrielheid de jonge vrouw van zijn pleegzoon met onheuschheden overlaadt, niet al te zeer te.... verachten. Ik ben van plan zijn hostile houding met de grootstmogelijke onverschilligheid te beantwoorden. Het kan me soms hinderen dat we zijn zoogenaamde weldaden nog moeten aannemen, en ik zag die prachtige bewijzen van zijn schrielheid liever aan een arme gegeven. Maar ik moet ze dulden. August is voor de helft zijn erfgenaam; en hoewel ik voor mijzelve in staat zou zijn om die heele erfenis er aan te wagen, en mij stoutweg met hem te brouilleeren, indien hij ’t nog eens te bont maakte, ik mag de toekomst van August, die nu werkt en draaft als een paard, niet roekeloos op ’t spel zetten. Ik zal me om zijnentwil beheerschen. Maar papa, watikdulden moet als Helmonds vrouw, dat moogt u als de kapitein Van Armeloo—ik zegVanArmeloo....”

“Hoor je wel Armelo; ze zegtVanArmeloo....”

“En wát mag ik niet dulden?” valt Armelo in: “de generaal heeft me niets niemendal gedaan; integendeel, hij was compleet frère en compagnon; kameraad, alles wat je wilt. Verduiveld, hij heeft immers nog zelfs het heele diner van je trouwen inDe Arendbetaald.—Schriel! Nee Eva, neem me niet kwalijk, dat is.....”

“Maar goeje hemel papa, dát, dat is het juist! Me dunkt uw militair.... uw.... uw.... ja uw gevoel van rang enfin, alles in u moet daartegen opkomen. Toen ik er straks over nadacht, toen brandde mij de gedachte letterlijk als vuur op de borst, dat die mijnheer Van Barneveld mee het diner heeft betaald, ’t welk de kapitein Van Armeloo ter eere van ’t huwelijk zijner dochter gaf. Bah! ’t is vernederend! ’t is....”

“Maar kind, Helmond heeft me gezegd dat dat heelemaal onder ons zou blijven.”

“Ja dat kan wel waar zijn papa, maar waar blijft het ook, dat de generaal vijftig gulden heeft gegeven voor uw diner.”

“Vijftig gulden!” roept mevrouw: “voor een diner van twintig personen à vier gulden buiten den wijn! Goeje hemel, wat een schriele kompeer! Heeft Helmond dan de rest betaald?”

“Zeker! en ik wou dat hij ’t heelemaal betaald had; maar nu, die vijftig gulden ze compromitteeren u en mij; onze heele familie; verschrikkelijk! Vandaar die trotsche minachting. Welzeker, ik ben de dochter van een officier, die zich het bruidsmaal voor zijn kind laat betalen!”

“Maar wat duivel, als een ander het niet betaald had dan zou het ding niet gegeven zijn! Je weet wel Eva dat wij geen geld voor zulke foeven hebben.”

“’t Spijt me papa, dat u niet aanstonds gevoelt dat die schuld aan mijnheer Van Barneveldmoetworden afgedaan. ’t Komt me zoo heel natuurlijk voor.”

“Ja maar....” aarzelt mevrouw: “ik moet toch ook bekennen Eva, dat.... vijftig gulden.... in onze omstandigheden....”

“Ik zou op m’n woord niet weten waar ik ze vandaan moest halen,” herneemt Armelo: “en mij dunkt kind, dat diner is nu gepasseerd en, bij m’n ziel, de generaal heeft als oud-kameraad gehandeld; ik zou hetzelfde gedaan hebben wanneer ik in zijn schoenen stond.—Waar ga je heen Marie?”

Mevrouw gaf geen antwoord. Ze was reeds de kamer uit. Een overheerlijk denkbeeld was haar ingevallen.

Louise—Eva’s jongere zuster—stond nog in de kleine tuinkamer aan het vouwen van de wasch, toen mevrouw Armelo haar om raad is komen vragen. Louise kent hare moeder. De goede vrouw heeft in alle opzichten een bijzondere liefde voorkleuren. Honderdduizendmaal geldt bij haar vooreensof hoogstenstweemaal. De rest laat zich gemakkelijk begrijpen. Moeder Armelo zou verder met wat opleiding een uitmuntende tooneelspeelster zijn geweest. Zie maar, ook nu is er in haar blik een soort van vertwijfeling te lezen terwijl ze, het gesprek vervolgende, zegt:

“Maar mijn hemel kind, denk je dan niet dat je arme vader er in stilte onder lijdt?”

“Ik heb er niets van gemerkt ma.”

“Daarom zeg ikin stilte.—En wanneer nu de heele stad hem bespot en belacht, moet dan het hart van een oud-officier die—ik zeg het je—van den oudsten Nederlandschen adel is—ja, ik zeg het je—moet dan dat hart onder zijn ridderkruisen niet breken!”

“Maar weet dan de heele stad dat papa vijftig gulden van....”

“De heele stad Louise? Ja helaas! Wij kregen een brief van den majoor Kartenglimp. Papa is den titel van officier niet meer waardig.....”

“Schreef dat die leelijke oud-majoor?”

“Nu ja, ten naastenbij.—Men zal hem van de sociëteit weren; men zal.....”

“Wat! zal men papa van de sociëteit....?”

Mevrouw haalt schouders en wenkbrauwen op; werpt een blik naar den groen geverfden zolder, en zegt:

“Ik hoop mijn kind, dat ons zoo iets zal gespaard worden.”

Louise ziet eenige oogenblikken strak voor zich heen.—Ruim éénhonderd en tachtig gulden heeft ze sedert vijf jaren bespaard; want evenals die straks genoemde adellijke dames, had ze met de naald in de behoeften van haar toilet zoeken te voorzien, en haar overgroote bedrevenheid in ’t maken van handwerken is oorzaak dat zij nog bovendien zulk een som heeft kunnen overhouden. Louise is er altijd zeer geheim mee geweest, en waarschijnlijk had ze er gegronde redenen voor. Maar nu, na een ontmoeten van den heer Kippelaan, in wiens bijzijn men haar, onvoorzichtig genoeg, een gekleede muts heeft besteld, sedert die ontmoeting, waarbij zoo schrikkelijk veel gesproken was, wisten papa en mama Armelo ook al spoedig dat hun jongste dochter “fortuin” had; en, ofschooneerst een weinig gevoelig over Louises achterhoudendheid, hebben ze hun dochter toch bewonderd en geprezen, ’t geen mama anders volstrekt niet gewoon was.

En ’t is heden nu reeds de derde maal dat mevrouw Armelo aan haar dochter een plekje van de gloeiende plaat wijst, waarop Louise een deel van haar zuur verworven spaargeld kan zien verdwijnen.

—Haars vaders eer!!

Louise zal er met papa over spreken.

Maar mevrouw Armelo zegt plechtig met de hand op den boezem:

“Met papa!—Louise! in Godsnaam, met hémgeen woord!”

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.OpDe Poelwerd dokter Helmond met blijde aangezichten ontvangen. Archibald was veel beter. De ongesteldheid is niet van zooveel beteekenis geweest als het zich in den beginne liet aanzien. ’t Viel ook Helmond mee dat hij den luitenant reeds buiten ’t bed en bijna zonder pijn vond.“Mijn waarde dokter, je bent al te menschlievend;” riep Archibald hem bij ’t binnenkomen toe: “’t Is immers geen gebruik om zijn patiënten met één visite weer beter te maken. ’k Geloof waarachtig dat er geen treurspel meer zou mogelijk zijn, als ze er ú in de laatste akte maar even bijriepen. Mama wil me van pure blijdschap een glas advocatenborrel maken, maar....”“Guns Archibald, hoe kom je er aan?”“Ja hóe ik er áánkom dat vraag ik ook; tenminste als ik u zulk een bedenkelijk gezicht zie zetten. Enfin, dokter Helmond zal misschien liever een glas port drinken.”Terwijl Debecque om den port schelt, zegt mevrouw met iets angstigs: “Ja maar, jij lieve Archibald, jij moogt daar niet aan denken.”“’t Zou ook wat erg zijn luitenant, als u mijn wonderlikeur nu al voor iets anders liet staan.”“Dat is een waar woord! Komaan dan mama’tje,versez à tasse pleine!” Maar als de vroolijke patiënt reeds de medicijnflesch vat, dan treedt de moeder haastig toe om hem die te ontnemen, want: “Voorzichtig, voorzichtig!Om de twee uren een lepelstaat er op het briefje, en ’t is nu nog drie minuten te vroeg.”De vernieuwde kennismaking met den zoon der Debecque’s heeft Helmond een aangename afleiding bezorgd:“’t Is een zeer opgeruimd, recht prettig mensch;” zegt hij tot den ouden baron, die hem straks uitgeleide doet: “’t Gezelschap van den jonker zal zeker voor mevrouw zeer heilzaam wezen.”“Ja zeker, Archibald weet best met haar om te springen.”“De jonker is de eenige zoon uit mevrouws eerste huwelijk nie-waar?”“Juist! maar daarom nog geenjonkerdokter. ’t Maakt niet uit, natuurlijk; maar hij is niet van adel.—Ja waarachtig, ik heb wel eens gedacht: als ik den snaak mijn naam liet aannemen dan konden we hem misschien mettertijd nog baron maken ook. Je ziet me verwonderd aan. Ja Helmond, ik weet wel dat een knappe burgerkrullebol met fortuin, evengoed het mooiste meisje van ’t land aan z’n hart zal kunnen drukken als een baron; maar, wat zal ik je zeggen: we zijn nu eenmaal wat bekrompen op dat punt; en lach dan binnenskamers om titels en eerelinten zooveel je wilt, ’t publiek ziet er iets in, dat je niet weg kunt praten: Je hebt een pré.—Au fond sta jij, met je wetenschap, hooger—jawel,sans compliments, oneindig veel hooger. En Archibald—knappe jongen! een der eersten te Breda—hij beteekent duizendmaal meer dan een massa adellijke non-valeurs. Maar toch,au bout du compte, je blijft als baron altijd aan ’t langste eind.”“Maar mijnheer Debecque,” valt Helmond in, terwijl hij in de breede vestibule stilstaande, met eenigszins saamgetrokken wenkbrauwen het fijnbesneden gelaat van den kleinen ouden baron nauwkeurig schijnt op te nemen: “u zegt, als ik wel versta, dat de luitenant uw naam zou kunnen aannemen, en dat hij dan.......”“Welzeker!... Maar kom binnen. Hier.... hier asjeblieft.—Zieje, ik heb geen eigen zoons; en de naam Hardenborg-Debecque vanDe PoelenHoeversathe, klinkt niet onaardig.”“En zal hij dan uw adellijken titel daarbij kunnen krijgen? Ik dacht dat zoo iets onmogelijk was.”“Onmogelijk! Parbleu, wàt is onmogelijk! Sedert het koningschap m’n vrind, doe je met geld en goede woorden een heelen boel in ons land. Vanwaar anders je nieuwe adel?”“’t Is waar;” zegt Helmond.“Nu ja, hij beteekent niet veel; maar het “juger les choses”, en dus ook “lestitresd’aprés leurs dates”, is nog geen algemeen gebruik. En wat Archibald betreft, hij zou als een Debecque aanstonds tot den goeden adel behooren.—Maar parbleu, hoe komen we op dit chapitre? Mijn beste dokter moet wel denken dat de oude man aan ’t verkindschen raakt, daar hij zich zoo vermeidt in den glans van ’t wereldsche klatergoud.”“Nee, ik begrijp me zeer goed dat het niet onverschillig is of men zijn naam....”“Niewaar, dat is de zaak! Je wilt dat je naam zal in stand blijven. Mijn beide vrouwen hebben het hare er niet toe gedaan. Archibald houdt van me alsof ik z’n eigen vader was. Enfin, enfin, ’t zijn van die opwellingen, van die passe-temps. Pardon, dat ik je zoo lang er mee lastig viel. Wat jou betreft Helmond, jij moet een boek schrijven, waarachtig! over pokken of mazelen, ’t doet er niet toe. ’k Bezorg je “de Leeuw!” ’k Heb connecties in overvloed, en, met capaciteiten als de uwe is er geen quaestie van! A propos, ik hoopdat je toch nog eens naar m’n woelwater zult komen zien? ’t Spijt me dat we daardoor je charmant lief vrouwtje wat veel van je gezelschap berooven, maar, als we haar onze opwachting gemaakt hebben, dan breng je haar later eens mee niewaar? Hoe meer hoe liever.”Nog vóórdat Helmond zijn bezoek opDe Poelbracht, heeft hij gelegenheid gevonden om Jacoba’s brief te lezen, die hem na langen tijd zwervens, dezen morgen door Eva geworden is.De inhoud van dien brief heeft hem krachtig in zijn vermoeden versterkt. Jacoba’s dringende bede aan haar geliefden pleegbroeder, om toch zoo spoedig mogelijk uit Parijs terug te komen, moest een anderen grond gehad hebben dan vrees voor eigen gezondheid. De altijd zich zelf beheerschende, zich zelf verloochenende Coba, hoe! zou ze alleen uit angst voor eigen welzijn, een gelukkig echtpaar, reeds bij hun eerste schreden op het huwelijkspad, den voet hebben dwarsgezet? ’t Was onmogelijk!—Maar ook, de dwaze onderstelling van tante Hermine, als zou Jacoba’s zenuwlijden het gevolg zijn van een, door hém teleurgestelde liefde....? August meent juist in dezen brief het bewijs van de ongerijmdheid dier onderstelling te vinden. Immers, gesteld eens dat Coba zulk een liefde had bestreden en geheel onderdrukt, zou dan het meisje, dat nooit door woord of blik haar hartsgeheim verried; dat zelfs den vriend als bruidegom haar bloemruikers heeft gemaakt, en hem aan de zij van zijn jonge vrouw een hartelijken heilwensch heeft toegebracht,—zou datzelfde meisje zich dermate kunnen vergeten dat zij hem reeds een paar dagen later, onder ’t voorwendsel eener ernstige ongesteldheid, tot een terugkeeren in haar nabijheid te bewegen zocht? Neen, dat is volstrekt onmogelijk en geheel onbestaanbaar met Coba’s karakter. August verstaat dien brief. De luchtige toon waarop zij over “den armen sukkel” Donerie schrijft; ’t verzoek, dat Helmond als reden van zijn vervroegde terugkomst de ziekte van “den waarlijk niet ontalentvollen muziekmeester” zal opgeven, “den stumper die in de kerk nog zoo zijn best deed;” dat alles in verband gebracht met het gebeurde in de woning van den timmerman Krul, maar ook vooral met Coba’s hevige zenuwaandoening toen ze gisterenavond zoo geheel onverwacht de melodie hoorde spelen, welke Herman Donerie bij de woorden van een Duitsch lied componeerde, dit alles versterkt hem in de overtuiging, dat Coba dien brief had geschreven en zich daarin zoo ernstig ziek heeft gemeld, teneinde hem tot een onverwijlde terugkomst te noodzaken, opdat hij den jongeling dien ze in stilte beminde, zoo mogelijk nog in ’t leven behouden mocht.En Herman Donerie is gestorven, en Coba treurt en lijdt in stilte. Maar Gode zij dank! nu is er nog genezing voor haar mogelijk: nu immers zal de tijd haar wonde—ofschoon dan langzaam misschien—toch heelen in ’t eind.—En ook, de tijd moet de verbroken harmonie tusschen het doktershuis enDe Zonsbergherstellen! Ja voorzeker, wanneerde oom zal erkend hebben dat de pleegzoon, Jacoba nooit van iets onedels betichtte; maar nog veel minder dat hij haar ooit reden heeft gegeven om iets meer van hem te verwachten dan trouwe broederliefde. En wanneer die oom dan bovendien in ’t eind zal bemerken dat August met zijn Eva gelukkig is; dat zij inderdaad zoo oneindig veel goeds heeft, en begint in te zien dat hij ten opzichte van zijn beminden pleegzoonnietzoo royaal en niet zoo heusch is geweest als passend zou wezen voor iemand vanzijnstand en fortuin, dan....Eensklaps tikt Helmond vrij hard tegen het voorglas der coupee, waarmede men hem naar de stad terugrijdt. De koetsier ziet om. Een oogenblik later staat het rijtuig stil, en de dokter springt er uit. Zooeven was men twee dames voorbijgereden. Helmond had ze herkend, en terwijl nu de coupee naarDe Poelterugkeert, wandelt August met tante Hermine en Jacoba Van Barneveld naar den kant van het stadje.Aan mevrouw Mansburg is het blosje niet ontgaan, ’twelk bij Helmonds onverwachte verschijning vluchtig de bleeke wang van Jacoba heeft gekleurd, en tante vindt er alweder de bevestiging in van haar “diep treurig” vermoeden.—Helmond echter heeft in het blosje van een zenuwachtig meisje, en vooral na ’tgeen er gisteren gebeurde, niets vreemds gevonden. Hij wenschte van Coba te hooren of ze zich beter gevoelde, en hoe oom het maakte. Straks was hij in tweestrijd met zich zelf geweest of hij even enpassantDe Zonsbergzou aandoen, maar, had ervan afgezien.Op zachten toon is mevrouw Mansburg toen met de opmerking ingevallen, dat Helmond maar goed heeft gedaan met nog niet zoo spoedig te komen. Alexander was een beetje ontstemd. Men kon niet alles zeggen zonder spreken; maar Helmond zou wel begrijpen waarom.Welzeker, Helmond begreep het; en hij begrijpt ook dat tante al spoedig den voorslag aan nicht Coba doet, om nu maar terug te keeren: ’t was wel wat warm op den weg, en Coba moest zich ontzien.Maar tante kreeg haar zin niet. Jacoba heeft haar pleegbroeder te lief, dan dat ze hem geen deelgenoot zou maken van ’tgeen ze weet dat hem om harentwil zal verheugen. Maar ook, terwijl de vrees haar heeft gekweld, of Helmond, na ’t gebeurde gisterenavond opDe Zonsberg, misschien iets van haar hartsgeheim geraden had, zoo acht ze nu deze ontmoeting te schoon dan dat ze er geen partij van zou trekken teneinde hem dat vermoeden geheel te benemen.“Nee tante, ik wil veel liever nog een eindje meewandelen;” zegt ze zoo levendig als haar mogelijk is: “August moet het goede nieuws hooren.”“Ei, goed nieuws Coba?”“Zeker. Toen ik van morgen wakker werd en de zon zoo vriendelijk zag schijnen, toen voelde ik mij eensklaps zoo verruimd en gesterkt, alsof mij in den laatsten tijd volstrekt niets gedeerd had. Niewaar tante?”“Ja, je hebt het tenminste dadelijk gezegd Coba.”“Nog vóór het ontbijt was ik al beneden, en vroeg aan pa of hij dat plan vanDe Godesbergniet zou willen opgeven, wanneer hij werkelijk zag dat ik beter werd. En—papa heeft het dadelijk toegestaan!”“Ja lieve Coba,” valt de tante in: “dat was een beetje heel zwak van papa. Wanneer Alexander niet zoo slecht geslapen en zich zoo moe had gevoeld, dan zou hij ook zeker niet zoo spoedig hebben toegegeven. ’t Was onverstandig.”“Onverstandig? Ik betwijfel dat tante;” zegt Helmond.Mevrouw Mansburg prevelt weer onhoorbaar dat men helaas zonder spreken niet alles zeggen kan.“Om papa maar dadelijk te toonen dat ik mij zoo veel sterker gevoelde,” herneemt Coba: “ging ik terstond naar de piano en zong het stuk van.... Donerie—je weet wel dat erg sentimenteele—als een lijster. Niewaar tante?”“Ja bespottelijk, terwijl ze gisterenavond alleen bij ’t hooren van eenige piano-accoorden uit de verte, reeds geheel van streek raakte.”“Nee tante, dat is volstrekt niet vreemd,” zegt August die, toen Coba den naam van Donerie noemde, een vluchtig zenuwtrekje op haar gelaat heeft bemerkt: “Een zenuwaandoening laat zich niet zoo gemakkelijk verklaren. De kleinste schrik, ja zelfs iets lachverwekends zou Coba gisteravond evengoed van streek hebben gebracht als nu het hooren van die piano-accoorden.”“Ziet u wel tante!” roept Coba levendig; en Helmond bespeurt met stille blijdschap een door tante niet begrepen verrukking op haar bleek gelaat: “ziet u wel, als men mij maar vrij laat dan zal ik beter worden. U hoort het nu zelve: mijn ongesteldheid kwam niet van die muziek, maar dáárdoor dat u....”“Welzeker kindlief, tante is er vast weer de oorzaak van geweest. Och ja, en als je nu straks misschien wéér niet wel wordt, dan zal het óók weer tante zijn die er de schuld van heeft, ofschoon ze—al wie weet hoe dikwijls heeft aangeraden om niet verder te gaan.”“Nú moet ik tante gelijk geven Coba. Zie, we hebben daar de Romphuizer brug al; kijk, over den wal heen zie je ’t hotel Helmond tusschen ’t lindengroen. Komaan, rechtsomkeert! Een klein eindje ga ik mee terug. Ik geneer u niet tante?”“O nee, wat dat betreft, maar ’t is al laat, en je vrouw....”“Eva is heel wel; dank u.”“Zij wacht je misschien met ’t eten.”“Een doktersvrouw eet zoodra haar man thuiskomt tante.”“Zeer onderdanig!”“Ik hoop Eva eens gauw te komen bezoeken, want ik moet je toch spreken;” zegt Jacoba.“Ja maar Coba, vooreerst....”“Hé tante, en uw eigen plan; uw eigen idee....”“Mijnplan?mijnidee? Wat meen je Coba-lief?”Tante Hermine voelde zich gestreeld; ze wist wel wat Coba bedoelde. ’t Was haar zoo losweg uit den mond gevallen; maar waarlijk,het denkbeeld is toch vanháár. Niemand heeft er te voren aan gedacht. Toen Jacoba van morgen zoo dolzinnig aan ’t zingen is gegaan, en haar gevraagd heeft of ze die compositie, als het werk van een eenvoudig muziekmeestertje, niet heel mooi vond, toen heeft ze—eigenlijk boos, omdat Coba zoo overmoedig zoo.... luidruchtig was, en zonder dat het haar kwaad scheen te doen—toen heeft ze gezegd: “O prachtig, ’t is jammer dat ze die menheer Donerie geen monument op zijn graf maken.”Neen zeker, tante heeft het zóó niet bedoeld; maar, toen Coba dat denkbeeld niet geheel verwerpelijk had gevonden, toen heeft tante het recht van uitvinding met kracht gehandhaafd. De muziekmeester scheen nog al een enfant chéri van de Romphuizers te zijn geweest. Ze hadden tenminste bij zijn begrafenis gezongen. Wie weet welk een opgang het denkbeeld van een monument, of iets van dien aard, zou maken, en, wanneer dan “zoo iets” verrees, dan was mevrouw de wed. Mansburg, geboren Van Barneveld, de operatrice ervan; misschien kwam haar naam dan nog wel op het voetstuk. Maar.... nee dát was wat al te gek. Hoewel....“O, je meent van een gedenkteeken op het graf van.... ne.... dien talentvollen muziekmeester?” valt tante zich zelve in de rede.“Ja, wat zal ik zeggen, ’t is me onverklaarbaar dat niemand vóór mij daaraan gedacht heeft. Zelfs jij Coba, die toch les van hem kreegt en bekennen moest dat hij knap was, je zou nooit op zoo’n idee zijn gekomen. ’t Goede wordt spoedig vergeten in de wereld!”Helmond vernam nu, dat “het denkbeeld van tante Mansburg” door Coba niet geheel verwerpelijk was geacht, ofschoon Coba toch bedenkingen had gemaakt—welke tante echter volstrekt niet gedeeld heeft. Jacoba had ten slotte gezegd, dat zij “tantes denkbeeld” aan Helmonds oordeel zou onderwerpen; zijn Eva behoorde tot de muzikale wereld, en van zulk een kant diende een dergelijk voorstel uit te gaan.Toen de dokter straks de dames heeft vaarwel gezegd, en zijn woning naderde, toen bestond er bij hem geen twijfel meer: Jacoba heeft dien jongeling liefgehad, en zijn nagedachtenis zal haar heilig blijven; maar ook, nu ze haar geliefden vader, na het voorgevallene van den vorigen avond, zoo bitter ontstemd heeft gezien zonder de rechte oorzaak ervan te weten, nu heeft ze—mede dorstend naar vrijheid voor zich zelve—zich krachtig aangegord om haar zwakheid te bestrijden. Leven moet ze en gezond zijn om den geliefden vader het voorhoofd effen te doen houden, en, was de eerste proeve reeds wel geslaagd, August houdt zich overtuigd dat Coba ook voor zich zelve het beste geneesmiddel gevonden heeft. Neen, zij zal niet langer staren op het nevelachtig beeld van een geliefde, die haar door den dood werd ontrukt. Ze zal nu slechts het oog hebben op een werkelijkheid. Eenmonumentzal er voor hem verrijzen, enzijzal zorgen dat het tot stand komt, ofschoon men niet mag bemerkenwiehet roer in handen heeft.Goed zoo Jacoba! broeder Helmond zal u terzijde staan.Eva ontvangt haar August met een opgeruimden blik, ofschoon hij bijna een half uur te laat komt. Alleen wil ze graag weten met welke dames hij zoo doodbedaard den straatweg op en neer heeft gewandeld?Of het kwam omdat August heden liefst geen namen vanDe Zonsbergnoemde, en de dwaze onderstelling van tante Hermine hem voor den geest sprong, of vreezend misschien dat Eva weer over den brief zal beginnen die van morgen vergeten werd, zeker is het dat hij een oogenblik aarzelt aleer hij eenvoudig de waarheid zegt.Eva’s gelaat betrok. Zou het mogelijk zijn dat Helmond en Coba...? Neen, ’t was te dwaas.... Maar toch, indien ze alles goed in verband beschouwt....“Ik zou haast zeggen August, dat je in de laatste vier en twintig uren meer het gezelschap van Coba dan het bijzijn van je “lieve vrouw” hebt gezocht. Men heeft mij vroeger wel eens gezegd August, dat Coba.... veel van je hield.—Hé, à propos.... we zijn nog niet quitte.”“Wat meen je....?”“Den brief van Kartenglimp heb ik je terstond laten meelezen: maar die andere.....? Zit hij nog in dien jaszak August?”“Welke? O! je bedoelt den brief die me uit Parijs is nagezonden? Eva-lief, je moest je nu eens voornemen om niet nieuwsgierig te zijn, wanneer ik je in de zaken van mijn praktijk niet altijd geheel op de hoogte houd. Wat een biechtvader is voor de ziel, dat is de dokter voor het lichaam, en de biecht ligt onder ’t zegel der geheimhouding, dat weet je wel.”“Nieuwsgierig!” zegt Eva fier; en dan met klem: “Mij dunkt August, dat er van zóó iets geen sprake kan zijn, wanneer ik je zeg te gelooven..... dat die brief van Jacoba was.”Helmond zwijgt. Bedriegen wil hij haar niet; en ofschoon ze den briefnietlezen mag, toch zal hij haar dien zotten argwaan benemen.“En zoo hij dan werkelijk van Jacoba was, Eva, iszijmijn patiënt dan niet?”Een vuurrood overdekt Eva’s gelaat.“Dus de briefwasvan Jacoba!?”“Ja.”Een oogenblik blijft het stil. Dan zegt Eva snel als tot zich zelve:“Dusbestaater een inclinatie!”“Maar lieve hemel Eva, hoe kun je nu zulk een gevolgtrekking maken. Ik zeg.....”“Vandáár dan een avond zooals gisteren opDe Zonsberg,” valt Eva in, met den blik strak voor zich heen: “Vandáár al die onwil, die liefdeloosheid, die vernederingen..... O ’t is genoeg, nu weet ik alles. Dat bleeke kind kwijnt en treurt om den geliefde, en hij, hij hinkt op twee gedachten. O God! welk een ontwaken uit den korten dommel van geluk!”“Eva, wees verstandig. Je bedriegt je waarachtig!”Zij ziet hem fier in de oogen.“WaarachtigHelmond!?—Laat mij den brief dan lezen?”“Ik heb.... hem verscheurd.”“Dat is onwaar; geef hem, als ik mij danwaarachtigbedrieg. Niet!!?”—Zij stampt met den voet: “Goed zoo!.... goed! dan houd ik je voor ’tgeen ik nooit hebkunnendenken; ja, voor een.....”“Nu niet verder Eva, de scène behoeft niet tragisch te worden. Van morgen heb ik om Kartenglimps brief gelachen; maar, geloof me in vollen ernst, meer reden tot lachen is er nú om je ijverzucht, dan toen om je plannen voor onze verheffing in den gravenstand.”“Bewijs het me Helmond! Ik zegbewijshet me! O God, ben ik dáárvoor geboren, ben ik dáárvoor getrouwd om nu reeds vernederd en verwaarloosd te worden ter wille van..... O!”“Zie me eens aan Eva.—Nee goed! flink, heelemaal, zooals straks, maar nu als een zachte vrouw, die haar man vertrouwt en leed gevoelt dat ze hém, die haar geheel behoort en alles voor haar zijn wil, zonder grond en onrechtvaardig van ontrouw en misleiding verdenkt.—Geloof je me niet Eva?”“Waarom mag ik dan dien brief niet lezen? Je hebt hemnietverscheurd, dat kon ik aan je antwoord hooren.”“En al ware dat zoo, je zult hemnietlezen. De brief is van een patiënt invertrouwengeschreven.”“Je zult hem niet lezen!” herhaalt Eva: “jeZULT NIET! en zóó wordt de tirannie in de eerste huwelijksweken dan reeds grooter van dag tot dag. Is er geen reden dat de vrouw begint te twijfelen aan de volle liefde van haar man, wanneer hij instaat is haar argwaan te benemen, maar dat weigert onder een nietig voorwendsel, met een: jezulthem niet lezen!”“Eva, geloof me....!”“Ik geloof nu August, dat je ter wille van Jacoba, wie niets mankeerde, zoo spoedig naar Romphuizen bent teruggekeerd, zonder je om ’t genot van je vrouw te bekreunen; ik geloof nu dat al die vernederingen van mijnheer den generaal, haar oorsprong namen in de misrekening op je onverdeelde liefde voor zijn kind, die zich in den beginne heeft goedgehouden, maar zich nu niet langer beheerschen kan; ik geloof....”“En ik zeg je Eva, dat je je bedriegt. Wat geeft je dan toch het recht om aan het woord van een man, aanmijnwoord te twijfelen?”Eva aarzelt:“Je achterhoudendheid!”“Maar wanneer ik dan herhaal dat mijn plicht mij gebiedt om het vertrouwelijk schrijven van patiënten geheim te houden, zelfs voor mijn vrouw? Wanneer ik.... Nee Eva, keer je niet weer van mij af. God weet dat ik niemand liever heb dan mijn eigen, mijn eenige vrouw!—Kind, zie mij dan aan.... Moest ik dit, in zoo’n luttel tal huwelijksdagen, reeds zoo dikwijls herhalen? Eva, weet en geloof je dan niet dat ik allesallesvoor je overheb; dat ik—wanneerhet maarniet in strijd met mijn plicht is—aan je kleinste, ja zelfs aan je grootste wenschen met liefde zou voldoen?—Eva....!”Terwijl Helmond de laatste woorden sprak heeft Eva hem aangezien, en ’t was alsof plotseling de zon weer door de nevelen brak. Zij weet niet dat August haar weigert den brief te lezen, omdat het haar, óf in hare dwaze opvatting versterken, óf zoo hij haar den waren zin van dat schrijven verklaarde, Jacoba’s zielsgeheim verraden zou: neen, maar de zachte toon waarop hij daareven sprak heeft haar getroffen. Heeft ze dan werkelijk recht om aan de waarheid van zijn mannenwoord te twijfelen? ’t Was immers mogelijk dat een dokter de confidenties omtrent ziekteverschijnselen van een jong meisje, zelfs voor zijn vrouw moest verbergen. Maar ook.... nog andere woorden had Eva gehoord; hij heeft haar gezegd: dat God het wist hoe hij niemand meer dan haar beminde, en....dat hij aan haar kleinste, ja zelfs aan haar grootste wenschen met liefde zou voldoen, indien het niet in strijd was met zijn plicht.En zie, slechts weinige seconden later slaat ze haar beide armen om Helmonds hals, en zoent ze den man harer liefde met innigheid verscheidene malen op den blij glimlachenden mond. Ja, ze zegt, nu te gevoelen dat ze slecht deed haar edelen vriend zoo liefdeloos te hebben bejegend. En dan, wanneer de eerste reine uiting van het berouwhebbend gemoed voorbijgegaan, en vurige kussen van den echtgenoot het verbond van trouw hebben vernieuwd en bezegeld, dan.... helaas! dan komt de vijand die vanbinnen woelt zich weer met het zoetste lachje aan den gelukkigen echtvriend vertoonen. Nietwaar....? Als Eva haar besten man danaltijd op zijn woord wil gelooven, dan zal hij zeker ook het woord gestand doen ’twelk hij daareven sprak.“Kom nu August, het eten zal wel koud zijn geworden, kom....!” En fluisterend met zoete stem: “Een mijner kleinste wenschen is, beste August, dat je niet meer lachen zult om het verkrijgen van dien titel voor papa, maar dat jij zelf zooveel je kunt daartoe zult meewerken: en, wat de grootere wenschen betreft, o ik weet het, mijn lieve man zal nu die eenig eenige gelegenheid niet laten voorbijgaan om me, door ’t koopen van het oud-burgemeestershuis, te verlossen uit den vreeselijken druk dezer lage zolders en benauwende muren; maar ook, hij zal getrouw blijven aan zijn woord, en nooit meer den handschoen oprapen voor wie zijn wijfje—zijn anderik, niewaar August?—onridderlijk minachten en beleedigen durft?”En Helmond, nu hij zijne schoone Eva weer vast in de armen sluit, nu gedenkt hij wel vluchtig het woord der wijsheid van den grijzen pleegvader, en gevoelt hij wel—bij de blijde overtuiging Eva’s argwaan voorgoed te hebben overwonnen—dat hij zijn triumf wat te duur heeft gekocht; maar nochtans, bij het smaken der zoete liefdeteugen kan hij, na zulk een overwinning, de stem niet meer hooren die waarschuwend klinkt:—Voorzichtig, met bedwelming is de beker gevuld, en een doodelijk venijn ligt op den bodem!

OpDe Poelwerd dokter Helmond met blijde aangezichten ontvangen. Archibald was veel beter. De ongesteldheid is niet van zooveel beteekenis geweest als het zich in den beginne liet aanzien. ’t Viel ook Helmond mee dat hij den luitenant reeds buiten ’t bed en bijna zonder pijn vond.

“Mijn waarde dokter, je bent al te menschlievend;” riep Archibald hem bij ’t binnenkomen toe: “’t Is immers geen gebruik om zijn patiënten met één visite weer beter te maken. ’k Geloof waarachtig dat er geen treurspel meer zou mogelijk zijn, als ze er ú in de laatste akte maar even bijriepen. Mama wil me van pure blijdschap een glas advocatenborrel maken, maar....”

“Guns Archibald, hoe kom je er aan?”

“Ja hóe ik er áánkom dat vraag ik ook; tenminste als ik u zulk een bedenkelijk gezicht zie zetten. Enfin, dokter Helmond zal misschien liever een glas port drinken.”

Terwijl Debecque om den port schelt, zegt mevrouw met iets angstigs: “Ja maar, jij lieve Archibald, jij moogt daar niet aan denken.”

“’t Zou ook wat erg zijn luitenant, als u mijn wonderlikeur nu al voor iets anders liet staan.”

“Dat is een waar woord! Komaan dan mama’tje,versez à tasse pleine!” Maar als de vroolijke patiënt reeds de medicijnflesch vat, dan treedt de moeder haastig toe om hem die te ontnemen, want: “Voorzichtig, voorzichtig!Om de twee uren een lepelstaat er op het briefje, en ’t is nu nog drie minuten te vroeg.”

De vernieuwde kennismaking met den zoon der Debecque’s heeft Helmond een aangename afleiding bezorgd:

“’t Is een zeer opgeruimd, recht prettig mensch;” zegt hij tot den ouden baron, die hem straks uitgeleide doet: “’t Gezelschap van den jonker zal zeker voor mevrouw zeer heilzaam wezen.”

“Ja zeker, Archibald weet best met haar om te springen.”

“De jonker is de eenige zoon uit mevrouws eerste huwelijk nie-waar?”

“Juist! maar daarom nog geenjonkerdokter. ’t Maakt niet uit, natuurlijk; maar hij is niet van adel.—Ja waarachtig, ik heb wel eens gedacht: als ik den snaak mijn naam liet aannemen dan konden we hem misschien mettertijd nog baron maken ook. Je ziet me verwonderd aan. Ja Helmond, ik weet wel dat een knappe burgerkrullebol met fortuin, evengoed het mooiste meisje van ’t land aan z’n hart zal kunnen drukken als een baron; maar, wat zal ik je zeggen: we zijn nu eenmaal wat bekrompen op dat punt; en lach dan binnenskamers om titels en eerelinten zooveel je wilt, ’t publiek ziet er iets in, dat je niet weg kunt praten: Je hebt een pré.—Au fond sta jij, met je wetenschap, hooger—jawel,sans compliments, oneindig veel hooger. En Archibald—knappe jongen! een der eersten te Breda—hij beteekent duizendmaal meer dan een massa adellijke non-valeurs. Maar toch,au bout du compte, je blijft als baron altijd aan ’t langste eind.”

“Maar mijnheer Debecque,” valt Helmond in, terwijl hij in de breede vestibule stilstaande, met eenigszins saamgetrokken wenkbrauwen het fijnbesneden gelaat van den kleinen ouden baron nauwkeurig schijnt op te nemen: “u zegt, als ik wel versta, dat de luitenant uw naam zou kunnen aannemen, en dat hij dan.......”

“Welzeker!... Maar kom binnen. Hier.... hier asjeblieft.—Zieje, ik heb geen eigen zoons; en de naam Hardenborg-Debecque vanDe PoelenHoeversathe, klinkt niet onaardig.”

“En zal hij dan uw adellijken titel daarbij kunnen krijgen? Ik dacht dat zoo iets onmogelijk was.”

“Onmogelijk! Parbleu, wàt is onmogelijk! Sedert het koningschap m’n vrind, doe je met geld en goede woorden een heelen boel in ons land. Vanwaar anders je nieuwe adel?”

“’t Is waar;” zegt Helmond.

“Nu ja, hij beteekent niet veel; maar het “juger les choses”, en dus ook “lestitresd’aprés leurs dates”, is nog geen algemeen gebruik. En wat Archibald betreft, hij zou als een Debecque aanstonds tot den goeden adel behooren.—Maar parbleu, hoe komen we op dit chapitre? Mijn beste dokter moet wel denken dat de oude man aan ’t verkindschen raakt, daar hij zich zoo vermeidt in den glans van ’t wereldsche klatergoud.”

“Nee, ik begrijp me zeer goed dat het niet onverschillig is of men zijn naam....”

“Niewaar, dat is de zaak! Je wilt dat je naam zal in stand blijven. Mijn beide vrouwen hebben het hare er niet toe gedaan. Archibald houdt van me alsof ik z’n eigen vader was. Enfin, enfin, ’t zijn van die opwellingen, van die passe-temps. Pardon, dat ik je zoo lang er mee lastig viel. Wat jou betreft Helmond, jij moet een boek schrijven, waarachtig! over pokken of mazelen, ’t doet er niet toe. ’k Bezorg je “de Leeuw!” ’k Heb connecties in overvloed, en, met capaciteiten als de uwe is er geen quaestie van! A propos, ik hoopdat je toch nog eens naar m’n woelwater zult komen zien? ’t Spijt me dat we daardoor je charmant lief vrouwtje wat veel van je gezelschap berooven, maar, als we haar onze opwachting gemaakt hebben, dan breng je haar later eens mee niewaar? Hoe meer hoe liever.”

Nog vóórdat Helmond zijn bezoek opDe Poelbracht, heeft hij gelegenheid gevonden om Jacoba’s brief te lezen, die hem na langen tijd zwervens, dezen morgen door Eva geworden is.

De inhoud van dien brief heeft hem krachtig in zijn vermoeden versterkt. Jacoba’s dringende bede aan haar geliefden pleegbroeder, om toch zoo spoedig mogelijk uit Parijs terug te komen, moest een anderen grond gehad hebben dan vrees voor eigen gezondheid. De altijd zich zelf beheerschende, zich zelf verloochenende Coba, hoe! zou ze alleen uit angst voor eigen welzijn, een gelukkig echtpaar, reeds bij hun eerste schreden op het huwelijkspad, den voet hebben dwarsgezet? ’t Was onmogelijk!—Maar ook, de dwaze onderstelling van tante Hermine, als zou Jacoba’s zenuwlijden het gevolg zijn van een, door hém teleurgestelde liefde....? August meent juist in dezen brief het bewijs van de ongerijmdheid dier onderstelling te vinden. Immers, gesteld eens dat Coba zulk een liefde had bestreden en geheel onderdrukt, zou dan het meisje, dat nooit door woord of blik haar hartsgeheim verried; dat zelfs den vriend als bruidegom haar bloemruikers heeft gemaakt, en hem aan de zij van zijn jonge vrouw een hartelijken heilwensch heeft toegebracht,—zou datzelfde meisje zich dermate kunnen vergeten dat zij hem reeds een paar dagen later, onder ’t voorwendsel eener ernstige ongesteldheid, tot een terugkeeren in haar nabijheid te bewegen zocht? Neen, dat is volstrekt onmogelijk en geheel onbestaanbaar met Coba’s karakter. August verstaat dien brief. De luchtige toon waarop zij over “den armen sukkel” Donerie schrijft; ’t verzoek, dat Helmond als reden van zijn vervroegde terugkomst de ziekte van “den waarlijk niet ontalentvollen muziekmeester” zal opgeven, “den stumper die in de kerk nog zoo zijn best deed;” dat alles in verband gebracht met het gebeurde in de woning van den timmerman Krul, maar ook vooral met Coba’s hevige zenuwaandoening toen ze gisterenavond zoo geheel onverwacht de melodie hoorde spelen, welke Herman Donerie bij de woorden van een Duitsch lied componeerde, dit alles versterkt hem in de overtuiging, dat Coba dien brief had geschreven en zich daarin zoo ernstig ziek heeft gemeld, teneinde hem tot een onverwijlde terugkomst te noodzaken, opdat hij den jongeling dien ze in stilte beminde, zoo mogelijk nog in ’t leven behouden mocht.

En Herman Donerie is gestorven, en Coba treurt en lijdt in stilte. Maar Gode zij dank! nu is er nog genezing voor haar mogelijk: nu immers zal de tijd haar wonde—ofschoon dan langzaam misschien—toch heelen in ’t eind.

—En ook, de tijd moet de verbroken harmonie tusschen het doktershuis enDe Zonsbergherstellen! Ja voorzeker, wanneerde oom zal erkend hebben dat de pleegzoon, Jacoba nooit van iets onedels betichtte; maar nog veel minder dat hij haar ooit reden heeft gegeven om iets meer van hem te verwachten dan trouwe broederliefde. En wanneer die oom dan bovendien in ’t eind zal bemerken dat August met zijn Eva gelukkig is; dat zij inderdaad zoo oneindig veel goeds heeft, en begint in te zien dat hij ten opzichte van zijn beminden pleegzoonnietzoo royaal en niet zoo heusch is geweest als passend zou wezen voor iemand vanzijnstand en fortuin, dan....

Eensklaps tikt Helmond vrij hard tegen het voorglas der coupee, waarmede men hem naar de stad terugrijdt. De koetsier ziet om. Een oogenblik later staat het rijtuig stil, en de dokter springt er uit. Zooeven was men twee dames voorbijgereden. Helmond had ze herkend, en terwijl nu de coupee naarDe Poelterugkeert, wandelt August met tante Hermine en Jacoba Van Barneveld naar den kant van het stadje.

Aan mevrouw Mansburg is het blosje niet ontgaan, ’twelk bij Helmonds onverwachte verschijning vluchtig de bleeke wang van Jacoba heeft gekleurd, en tante vindt er alweder de bevestiging in van haar “diep treurig” vermoeden.—Helmond echter heeft in het blosje van een zenuwachtig meisje, en vooral na ’tgeen er gisteren gebeurde, niets vreemds gevonden. Hij wenschte van Coba te hooren of ze zich beter gevoelde, en hoe oom het maakte. Straks was hij in tweestrijd met zich zelf geweest of hij even enpassantDe Zonsbergzou aandoen, maar, had ervan afgezien.

Op zachten toon is mevrouw Mansburg toen met de opmerking ingevallen, dat Helmond maar goed heeft gedaan met nog niet zoo spoedig te komen. Alexander was een beetje ontstemd. Men kon niet alles zeggen zonder spreken; maar Helmond zou wel begrijpen waarom.

Welzeker, Helmond begreep het; en hij begrijpt ook dat tante al spoedig den voorslag aan nicht Coba doet, om nu maar terug te keeren: ’t was wel wat warm op den weg, en Coba moest zich ontzien.

Maar tante kreeg haar zin niet. Jacoba heeft haar pleegbroeder te lief, dan dat ze hem geen deelgenoot zou maken van ’tgeen ze weet dat hem om harentwil zal verheugen. Maar ook, terwijl de vrees haar heeft gekweld, of Helmond, na ’t gebeurde gisterenavond opDe Zonsberg, misschien iets van haar hartsgeheim geraden had, zoo acht ze nu deze ontmoeting te schoon dan dat ze er geen partij van zou trekken teneinde hem dat vermoeden geheel te benemen.

“Nee tante, ik wil veel liever nog een eindje meewandelen;” zegt ze zoo levendig als haar mogelijk is: “August moet het goede nieuws hooren.”

“Ei, goed nieuws Coba?”

“Zeker. Toen ik van morgen wakker werd en de zon zoo vriendelijk zag schijnen, toen voelde ik mij eensklaps zoo verruimd en gesterkt, alsof mij in den laatsten tijd volstrekt niets gedeerd had. Niewaar tante?”

“Ja, je hebt het tenminste dadelijk gezegd Coba.”

“Nog vóór het ontbijt was ik al beneden, en vroeg aan pa of hij dat plan vanDe Godesbergniet zou willen opgeven, wanneer hij werkelijk zag dat ik beter werd. En—papa heeft het dadelijk toegestaan!”

“Ja lieve Coba,” valt de tante in: “dat was een beetje heel zwak van papa. Wanneer Alexander niet zoo slecht geslapen en zich zoo moe had gevoeld, dan zou hij ook zeker niet zoo spoedig hebben toegegeven. ’t Was onverstandig.”

“Onverstandig? Ik betwijfel dat tante;” zegt Helmond.

Mevrouw Mansburg prevelt weer onhoorbaar dat men helaas zonder spreken niet alles zeggen kan.

“Om papa maar dadelijk te toonen dat ik mij zoo veel sterker gevoelde,” herneemt Coba: “ging ik terstond naar de piano en zong het stuk van.... Donerie—je weet wel dat erg sentimenteele—als een lijster. Niewaar tante?”

“Ja bespottelijk, terwijl ze gisterenavond alleen bij ’t hooren van eenige piano-accoorden uit de verte, reeds geheel van streek raakte.”

“Nee tante, dat is volstrekt niet vreemd,” zegt August die, toen Coba den naam van Donerie noemde, een vluchtig zenuwtrekje op haar gelaat heeft bemerkt: “Een zenuwaandoening laat zich niet zoo gemakkelijk verklaren. De kleinste schrik, ja zelfs iets lachverwekends zou Coba gisteravond evengoed van streek hebben gebracht als nu het hooren van die piano-accoorden.”

“Ziet u wel tante!” roept Coba levendig; en Helmond bespeurt met stille blijdschap een door tante niet begrepen verrukking op haar bleek gelaat: “ziet u wel, als men mij maar vrij laat dan zal ik beter worden. U hoort het nu zelve: mijn ongesteldheid kwam niet van die muziek, maar dáárdoor dat u....”

“Welzeker kindlief, tante is er vast weer de oorzaak van geweest. Och ja, en als je nu straks misschien wéér niet wel wordt, dan zal het óók weer tante zijn die er de schuld van heeft, ofschoon ze—al wie weet hoe dikwijls heeft aangeraden om niet verder te gaan.”

“Nú moet ik tante gelijk geven Coba. Zie, we hebben daar de Romphuizer brug al; kijk, over den wal heen zie je ’t hotel Helmond tusschen ’t lindengroen. Komaan, rechtsomkeert! Een klein eindje ga ik mee terug. Ik geneer u niet tante?”

“O nee, wat dat betreft, maar ’t is al laat, en je vrouw....”

“Eva is heel wel; dank u.”

“Zij wacht je misschien met ’t eten.”

“Een doktersvrouw eet zoodra haar man thuiskomt tante.”

“Zeer onderdanig!”

“Ik hoop Eva eens gauw te komen bezoeken, want ik moet je toch spreken;” zegt Jacoba.

“Ja maar Coba, vooreerst....”

“Hé tante, en uw eigen plan; uw eigen idee....”

“Mijnplan?mijnidee? Wat meen je Coba-lief?”

Tante Hermine voelde zich gestreeld; ze wist wel wat Coba bedoelde. ’t Was haar zoo losweg uit den mond gevallen; maar waarlijk,het denkbeeld is toch vanháár. Niemand heeft er te voren aan gedacht. Toen Jacoba van morgen zoo dolzinnig aan ’t zingen is gegaan, en haar gevraagd heeft of ze die compositie, als het werk van een eenvoudig muziekmeestertje, niet heel mooi vond, toen heeft ze—eigenlijk boos, omdat Coba zoo overmoedig zoo.... luidruchtig was, en zonder dat het haar kwaad scheen te doen—toen heeft ze gezegd: “O prachtig, ’t is jammer dat ze die menheer Donerie geen monument op zijn graf maken.”

Neen zeker, tante heeft het zóó niet bedoeld; maar, toen Coba dat denkbeeld niet geheel verwerpelijk had gevonden, toen heeft tante het recht van uitvinding met kracht gehandhaafd. De muziekmeester scheen nog al een enfant chéri van de Romphuizers te zijn geweest. Ze hadden tenminste bij zijn begrafenis gezongen. Wie weet welk een opgang het denkbeeld van een monument, of iets van dien aard, zou maken, en, wanneer dan “zoo iets” verrees, dan was mevrouw de wed. Mansburg, geboren Van Barneveld, de operatrice ervan; misschien kwam haar naam dan nog wel op het voetstuk. Maar.... nee dát was wat al te gek. Hoewel....

“O, je meent van een gedenkteeken op het graf van.... ne.... dien talentvollen muziekmeester?” valt tante zich zelve in de rede.

“Ja, wat zal ik zeggen, ’t is me onverklaarbaar dat niemand vóór mij daaraan gedacht heeft. Zelfs jij Coba, die toch les van hem kreegt en bekennen moest dat hij knap was, je zou nooit op zoo’n idee zijn gekomen. ’t Goede wordt spoedig vergeten in de wereld!”

Helmond vernam nu, dat “het denkbeeld van tante Mansburg” door Coba niet geheel verwerpelijk was geacht, ofschoon Coba toch bedenkingen had gemaakt—welke tante echter volstrekt niet gedeeld heeft. Jacoba had ten slotte gezegd, dat zij “tantes denkbeeld” aan Helmonds oordeel zou onderwerpen; zijn Eva behoorde tot de muzikale wereld, en van zulk een kant diende een dergelijk voorstel uit te gaan.

Toen de dokter straks de dames heeft vaarwel gezegd, en zijn woning naderde, toen bestond er bij hem geen twijfel meer: Jacoba heeft dien jongeling liefgehad, en zijn nagedachtenis zal haar heilig blijven; maar ook, nu ze haar geliefden vader, na het voorgevallene van den vorigen avond, zoo bitter ontstemd heeft gezien zonder de rechte oorzaak ervan te weten, nu heeft ze—mede dorstend naar vrijheid voor zich zelve—zich krachtig aangegord om haar zwakheid te bestrijden. Leven moet ze en gezond zijn om den geliefden vader het voorhoofd effen te doen houden, en, was de eerste proeve reeds wel geslaagd, August houdt zich overtuigd dat Coba ook voor zich zelve het beste geneesmiddel gevonden heeft. Neen, zij zal niet langer staren op het nevelachtig beeld van een geliefde, die haar door den dood werd ontrukt. Ze zal nu slechts het oog hebben op een werkelijkheid. Eenmonumentzal er voor hem verrijzen, enzijzal zorgen dat het tot stand komt, ofschoon men niet mag bemerkenwiehet roer in handen heeft.

Goed zoo Jacoba! broeder Helmond zal u terzijde staan.

Eva ontvangt haar August met een opgeruimden blik, ofschoon hij bijna een half uur te laat komt. Alleen wil ze graag weten met welke dames hij zoo doodbedaard den straatweg op en neer heeft gewandeld?

Of het kwam omdat August heden liefst geen namen vanDe Zonsbergnoemde, en de dwaze onderstelling van tante Hermine hem voor den geest sprong, of vreezend misschien dat Eva weer over den brief zal beginnen die van morgen vergeten werd, zeker is het dat hij een oogenblik aarzelt aleer hij eenvoudig de waarheid zegt.

Eva’s gelaat betrok. Zou het mogelijk zijn dat Helmond en Coba...? Neen, ’t was te dwaas.... Maar toch, indien ze alles goed in verband beschouwt....

“Ik zou haast zeggen August, dat je in de laatste vier en twintig uren meer het gezelschap van Coba dan het bijzijn van je “lieve vrouw” hebt gezocht. Men heeft mij vroeger wel eens gezegd August, dat Coba.... veel van je hield.—Hé, à propos.... we zijn nog niet quitte.”

“Wat meen je....?”

“Den brief van Kartenglimp heb ik je terstond laten meelezen: maar die andere.....? Zit hij nog in dien jaszak August?”

“Welke? O! je bedoelt den brief die me uit Parijs is nagezonden? Eva-lief, je moest je nu eens voornemen om niet nieuwsgierig te zijn, wanneer ik je in de zaken van mijn praktijk niet altijd geheel op de hoogte houd. Wat een biechtvader is voor de ziel, dat is de dokter voor het lichaam, en de biecht ligt onder ’t zegel der geheimhouding, dat weet je wel.”

“Nieuwsgierig!” zegt Eva fier; en dan met klem: “Mij dunkt August, dat er van zóó iets geen sprake kan zijn, wanneer ik je zeg te gelooven..... dat die brief van Jacoba was.”

Helmond zwijgt. Bedriegen wil hij haar niet; en ofschoon ze den briefnietlezen mag, toch zal hij haar dien zotten argwaan benemen.

“En zoo hij dan werkelijk van Jacoba was, Eva, iszijmijn patiënt dan niet?”

Een vuurrood overdekt Eva’s gelaat.

“Dus de briefwasvan Jacoba!?”

“Ja.”

Een oogenblik blijft het stil. Dan zegt Eva snel als tot zich zelve:

“Dusbestaater een inclinatie!”

“Maar lieve hemel Eva, hoe kun je nu zulk een gevolgtrekking maken. Ik zeg.....”

“Vandáár dan een avond zooals gisteren opDe Zonsberg,” valt Eva in, met den blik strak voor zich heen: “Vandáár al die onwil, die liefdeloosheid, die vernederingen..... O ’t is genoeg, nu weet ik alles. Dat bleeke kind kwijnt en treurt om den geliefde, en hij, hij hinkt op twee gedachten. O God! welk een ontwaken uit den korten dommel van geluk!”

“Eva, wees verstandig. Je bedriegt je waarachtig!”

Zij ziet hem fier in de oogen.

“WaarachtigHelmond!?—Laat mij den brief dan lezen?”

“Ik heb.... hem verscheurd.”

“Dat is onwaar; geef hem, als ik mij danwaarachtigbedrieg. Niet!!?”—Zij stampt met den voet: “Goed zoo!.... goed! dan houd ik je voor ’tgeen ik nooit hebkunnendenken; ja, voor een.....”

“Nu niet verder Eva, de scène behoeft niet tragisch te worden. Van morgen heb ik om Kartenglimps brief gelachen; maar, geloof me in vollen ernst, meer reden tot lachen is er nú om je ijverzucht, dan toen om je plannen voor onze verheffing in den gravenstand.”

“Bewijs het me Helmond! Ik zegbewijshet me! O God, ben ik dáárvoor geboren, ben ik dáárvoor getrouwd om nu reeds vernederd en verwaarloosd te worden ter wille van..... O!”

“Zie me eens aan Eva.—Nee goed! flink, heelemaal, zooals straks, maar nu als een zachte vrouw, die haar man vertrouwt en leed gevoelt dat ze hém, die haar geheel behoort en alles voor haar zijn wil, zonder grond en onrechtvaardig van ontrouw en misleiding verdenkt.—Geloof je me niet Eva?”

“Waarom mag ik dan dien brief niet lezen? Je hebt hemnietverscheurd, dat kon ik aan je antwoord hooren.”

“En al ware dat zoo, je zult hemnietlezen. De brief is van een patiënt invertrouwengeschreven.”

“Je zult hem niet lezen!” herhaalt Eva: “jeZULT NIET! en zóó wordt de tirannie in de eerste huwelijksweken dan reeds grooter van dag tot dag. Is er geen reden dat de vrouw begint te twijfelen aan de volle liefde van haar man, wanneer hij instaat is haar argwaan te benemen, maar dat weigert onder een nietig voorwendsel, met een: jezulthem niet lezen!”

“Eva, geloof me....!”

“Ik geloof nu August, dat je ter wille van Jacoba, wie niets mankeerde, zoo spoedig naar Romphuizen bent teruggekeerd, zonder je om ’t genot van je vrouw te bekreunen; ik geloof nu dat al die vernederingen van mijnheer den generaal, haar oorsprong namen in de misrekening op je onverdeelde liefde voor zijn kind, die zich in den beginne heeft goedgehouden, maar zich nu niet langer beheerschen kan; ik geloof....”

“En ik zeg je Eva, dat je je bedriegt. Wat geeft je dan toch het recht om aan het woord van een man, aanmijnwoord te twijfelen?”

Eva aarzelt:

“Je achterhoudendheid!”

“Maar wanneer ik dan herhaal dat mijn plicht mij gebiedt om het vertrouwelijk schrijven van patiënten geheim te houden, zelfs voor mijn vrouw? Wanneer ik.... Nee Eva, keer je niet weer van mij af. God weet dat ik niemand liever heb dan mijn eigen, mijn eenige vrouw!—Kind, zie mij dan aan.... Moest ik dit, in zoo’n luttel tal huwelijksdagen, reeds zoo dikwijls herhalen? Eva, weet en geloof je dan niet dat ik allesallesvoor je overheb; dat ik—wanneerhet maarniet in strijd met mijn plicht is—aan je kleinste, ja zelfs aan je grootste wenschen met liefde zou voldoen?—Eva....!”

Terwijl Helmond de laatste woorden sprak heeft Eva hem aangezien, en ’t was alsof plotseling de zon weer door de nevelen brak. Zij weet niet dat August haar weigert den brief te lezen, omdat het haar, óf in hare dwaze opvatting versterken, óf zoo hij haar den waren zin van dat schrijven verklaarde, Jacoba’s zielsgeheim verraden zou: neen, maar de zachte toon waarop hij daareven sprak heeft haar getroffen. Heeft ze dan werkelijk recht om aan de waarheid van zijn mannenwoord te twijfelen? ’t Was immers mogelijk dat een dokter de confidenties omtrent ziekteverschijnselen van een jong meisje, zelfs voor zijn vrouw moest verbergen. Maar ook.... nog andere woorden had Eva gehoord; hij heeft haar gezegd: dat God het wist hoe hij niemand meer dan haar beminde, en....dat hij aan haar kleinste, ja zelfs aan haar grootste wenschen met liefde zou voldoen, indien het niet in strijd was met zijn plicht.

En zie, slechts weinige seconden later slaat ze haar beide armen om Helmonds hals, en zoent ze den man harer liefde met innigheid verscheidene malen op den blij glimlachenden mond. Ja, ze zegt, nu te gevoelen dat ze slecht deed haar edelen vriend zoo liefdeloos te hebben bejegend. En dan, wanneer de eerste reine uiting van het berouwhebbend gemoed voorbijgegaan, en vurige kussen van den echtgenoot het verbond van trouw hebben vernieuwd en bezegeld, dan.... helaas! dan komt de vijand die vanbinnen woelt zich weer met het zoetste lachje aan den gelukkigen echtvriend vertoonen. Nietwaar....? Als Eva haar besten man danaltijd op zijn woord wil gelooven, dan zal hij zeker ook het woord gestand doen ’twelk hij daareven sprak.

“Kom nu August, het eten zal wel koud zijn geworden, kom....!” En fluisterend met zoete stem: “Een mijner kleinste wenschen is, beste August, dat je niet meer lachen zult om het verkrijgen van dien titel voor papa, maar dat jij zelf zooveel je kunt daartoe zult meewerken: en, wat de grootere wenschen betreft, o ik weet het, mijn lieve man zal nu die eenig eenige gelegenheid niet laten voorbijgaan om me, door ’t koopen van het oud-burgemeestershuis, te verlossen uit den vreeselijken druk dezer lage zolders en benauwende muren; maar ook, hij zal getrouw blijven aan zijn woord, en nooit meer den handschoen oprapen voor wie zijn wijfje—zijn anderik, niewaar August?—onridderlijk minachten en beleedigen durft?”

En Helmond, nu hij zijne schoone Eva weer vast in de armen sluit, nu gedenkt hij wel vluchtig het woord der wijsheid van den grijzen pleegvader, en gevoelt hij wel—bij de blijde overtuiging Eva’s argwaan voorgoed te hebben overwonnen—dat hij zijn triumf wat te duur heeft gekocht; maar nochtans, bij het smaken der zoete liefdeteugen kan hij, na zulk een overwinning, de stem niet meer hooren die waarschuwend klinkt:

—Voorzichtig, met bedwelming is de beker gevuld, en een doodelijk venijn ligt op den bodem!


Back to IndexNext