[Inhoud]DOMBEY EN ZOON.DOMBEY EN ZOON.I.DOMBEY EN ZOON.Dombey zat in een hoek van het duister gemaakte vertrek, in den grooten leuningstoel naast het bed, en de zoon lag, warm toegestopt, in een draagbaar kinderbedje van mandewerk, dat zorgvuldig voor en dicht bij het vuur was geplaatst, alsof zijn aard met dien van een melkbroodje overeenkwam, en het een vereischte was hem bruin te roosten, terwijl hij nog versch was.Dombey was omtrent acht en veertig jaren oud. De zoon omtrent acht en veertig minuten. Dombey was eenigszins kaal, eenigszins rood in zijn gezicht, en hoewel een knap, welgemaakt man, al te barsch en statig van uitzicht om innemend te wezen. De zoon was bijna geheel kaal, zeer rood, en hoewel (gelijk van zelf spreekt) een schoon kind, vooralsnog over het geheel wat vlakkerig en gekneusd. Op het voorhoofd van Dombey hadden de tijd en zijne zuster de zorg eenige merken gezet, als op een boom, die mettertijd vallen moest—meedoogenlooze tweelingen zijn zij, als zij zoo door hunne menschenbosschen voortstappen, en al gaande hunne merken inhakken—terwijl het gezichtje van den zoon overkruist was met duizend plooitjes en rimpeltjes, welke dezelfde bedriegelijke tijd met het platte van zijne zeis spelend zou gladstrijken, om daardoor de oppervlakte voor het trekken van diepere groeven toe te bereiden.Dombey, opgetogen over de lang verwachte[2]gebeurtenis, zat met den zwaren gouden horlogeketting te rammelen, die van onder zijn netten blauwen rok te voorschijn kwam, waarvan de knoopen in den flauwen schijn van het vuur als phosphorvonken schitterden. De zoon, zijne gebalde vuistjes dichtknijpende, scheen, zoover zijne zwakheid toeliet, met het aanzijn te willen vechten, omdat het hem zoo onverwacht overvallen had.“Nu zal het kantoor weder Dombey en Zoon wezen, niet alleen in naam, maar inderdaad, mevrouw Dombey!” zeide Dombey. “Dom-bey en Zoon.”Deze woorden hadden iets zoo streelends, dat hij op den naam zijner vrouw eene uitdrukking van teederheid liet volgen (hoewel niet zonder aarzeling, daar hij aan die manier van spreken weinig gewoon was), en zeide: “Mevrouw Dombey, me—melieve!”Een vluchtige blos van flauwe verrassing overtoog het gelaat der kraamvrouw terwijl zij hare oogen naar hem opsloeg.“Hij zal Paul gedoopt worden, me—mevrouw Dombey—natuurlijk.”Zij antwoordde flauw: “Natuurlijk!” of liever zij gaf dit slechts te kennen door de beweging van hare lippen, en sloot hare oogen weder.“Zijn vaders naam, mevrouw Dombey! en zijn grootvaders. Ik wenschte wel, dat zijn grootvader nog leefde!” en daarop herhaalde hij weder “Dombey en Zoon!” op denzelfden toon als te voren.Deze drie woorden bevatten het eenige denkbeeld van Dombey’s leven. De wereld was Dombey en Zoon geschapen om handel te drijven, en de zon en de maan om hun licht te geven. Rivieren en zeeën waren gemaakt om hunne schepen te torschen; regenbogen beloofden hun goed weder; winden waaiden gunstig of ongunstig voor hunne ondernemingen; sterren en planeten liepen in hunne banen, om het stelsel ongeschonden in stand te houden, waarvan zij het middelpunt waren. Gewone verkortingsteekens namen in zijne oogen eene nieuwe beteekenis aan, en zagen uitsluitend op de firma. A. D. had niets te maken metAnno Domini, maar beteekendeAnno Dombey en Zoon.Hij was, gelijk zijn vader vóór hem, in den loop van zijn leven en sterven, van zoon tot Dombey opgeklommen, en was bijna twintig jaren lang de eenige vertegenwoordiger der firma geweest. Van die jaren was hij er tien getrouwd geweest—getrouwd, gelijk sommigen zeiden, met eene vrouw, die hem geen hart geven kon, wier geluk in het verledene lag, en die gewillig was om haar verslagen geest tot een trouw en zachtmoedig dragen van het tegenwoordige te dwingen. Zulke losse praatjes bereikten waarschijnlijk de ooren van Dombey niet, hoewel zij hem het naaste aangingen; en hadden zij hem bereikt, dan zou niemand ze waarschijnlijk met zulke volslagene ongeloovigheid hebben aangehoord, als hij. Dombey en Zoon hadden dikwijls zaken gedaan in huiden, maar nooit in harten. Zij lieten de modeartikelen aan jonge knapen en meisjes, aan kostscholen en boeken over. Dombey zou aldus geredeneerd hebben: Dat het van zelf sprak, dat eene huwelijksverbintenis met een man, als hij, streelend en vereerend voor elke vrouw van gezond verstand moest wezen. Dat de hoop, om moeder te worden van een nieuwen compagnon in zulk een kantoor, niet falen kon eene edele eerzucht op te wekken, in de borst zelfs van de minst eerzuchtige harer sekse. Dat mevrouw Dombey de maatschappelijke verbintenis van den echt—bijna een noodwendig vereischte voor eene fatsoenlijke en rijke positie, zelfs zonder acht te geven op het instandhouden van oude firma’s—met vol besef van deze voordeelen had aangegaan. Dat mevrouw Dombey dagelijks proefondervinding had gehad van zijne positie in de maatschappij. Dat mevrouw Dombey altijd aan het hoofd van zijne tafel had gezeten, en de eer van zijn huis op eene zeer bevallige en deftige wijze had opgehouden. Dat mevrouw Dombey derhalve gelukkig moest zijn geweest. Dat zij onmogelijk ongelukkig kon wezen.Of, in allen gevalle, met ééne uitzondering. Ja; dat zou hij hebben toegestemd. Met ééne enkele, maar die zeker van veel gewicht was. Zij waren tien jaren getrouwd, en tot op den dag van heden, waarop Dombey in den leuningstoel naast het bed met zijn horlogeketting zat te rammelen, hadden zij geen kroost gehad.Niet om van te spreken; niet de moeite waard om er melding van te maken. Er was omtrent zes jaren vroeger een meisje gekomen, en dat kind, dat onopgemerkt de kamer was binnengeslopen, verschool zich nu beschroomd in een hoekje, waar zij haar moeders gezicht zien kon. Maar wat was een meisje voor Dombey en Zoon! In het kapitaal van naam en aanzien, dat het kantoor bezat, was zulk een kind maar een stuk slecht geld, dat geen koers had—eenvalsche jongen—anders niet.Dombey’s beker van vreugde was op dit oogenblik zoo vol, dat hij gevoelde wel een paar droppeltjes te kunnen missen, zelfs om in het stof van het zijpaadje zijner jeugdige dochter te sprenkelen.Hij zeide dan: “Florence, gij moogt wel eens naar uw lief broertje gaan kijken; maar raak hem niet aan.”Het meisje keek strak naar den blauwen rok en de witte das, welke, met een paar krakende laarzen en een zeer luid tikkend horloge, voor haar het denkbeeld van een vader verwezenlijkten; maar terstond richtte zij hare oogen weder naar het gelaat van hare moeder, en bewoog zich evenmin als zij antwoord gaf.[3]Het volgende oogenblik had de moeder hare oogen geopend en het kind aangezien, en was dit naar haar toe geloopen; en op de teenen staande, om haar gezichtje te beter aan de moederlijke borst te kunnen verbergen, klemde Florence zich aan haar vast met eene hartstochtelijke liefde, die weinig met hare jaren strookte.“Och hemel!” zeide Dombey, knorrig opstaande, “die ontroering is immers onvoorzichtig en kan koorts veroorzaken! Het zal misschien best wezen, dat ik dokter Peps1verzoek om nog eens boven te komen. Ik zal maar eens naar beneden gaan. Ik behoef u wel niet te verzoeken,” vervolgde hij, terwijl hij een oogenblik bij het bedje staan bleef, “om bijzonder op dezen jongen heer te passen, jufvrouw.…”—“Blockitt, mijnheer!” fluisterde de baker, een altijd glimlachend, versleten fatsoenlijk portret, welke zich niet aanmatigde om haar naam als eene daadzaak op te geven, maar dien slechts vriendelijk in bedenking gaf.—“Op dezen jongen heer, jufvrouw Blockitt!”—“Neen, zeker niet, mijnheer! Ik weet nog wel, toen de jonge jufvrouw Florence geboren werd.…”—“Ja wel, ja wel!” zeide Dombey, zich over het bedje heen buigende, en te gelijk zijne wenkbrauwen eenigszins samentrekkende. “Florence was goed en wel, maar dit is iets anders. Deze jonge heer heeft eene bestemming te vervullen. Eenebestemming, kleine jongen!” Terwijl hij aldus het wichtje aansprak, bracht hij een der handjes aan zijne lippen en kuste het; toen, vreezende, naar het scheen, dat dit bedrijf zijne deftigheid te na mocht wezen, ging hij tamelijk stijf en gedwongen heen.Dokter Parker Peps, een der voornaamste accoucheurs, een man van grooten roem, voor hetgeen hij tot de vermeerdering van aanzienlijke geslachten had toegebracht, wandelde met de handen op den rug de voorkamer op en neer, met onbeschrijfelijke bewondering aangestaard door den gewonen dokter van het huis, die bij al zijne patiënten, vrienden en kennissen, reeds zes weken lang met deze bevalling had gebluft, als eene gewichtige taak, waartoe hij op elk uur van den dag en den nacht verwachtte geroepen te worden, ter assistentie van dokter Parker Peps.“Wel, mijnheer!” zeide dokter Parker Peps met eene volle, zware stem, waarvan het geluid bij deze gelegenheid was gedempt, evenals dat van den deurklopper: “vindt ge dat mevrouw door uw bezoek eenigszins is opgewekt?”—“Geprikkeld, om zoo te zeggen?” voegde de huisdokter er zacht bij, te gelijk eene buiging voor den dokter makende, als wilde hij zeggen: “Ik vraag verschooning, dat ik er een woordje bij doe; maar dit is een klant van belang voor mij.”Dombey werd door deze vraag geheel uit het veld geslagen. Hij had zoo weinig om de kraamvrouw gedacht, dat hij niet in staat was om er op te antwoorden. Hij zeide, dat het hem genoegen zou doen, als dokter Peps eens naar boven wilde gaan.“Goed,” zeide dokter Peps. “Wij moeten u niet verbergen, mijnheer, dat er een gebrek aan veerkracht bestaat bij hare genade de hertogin—neem mij niet kwalijk, ik verspreek mij—mevrouw uwe echtgenoote, had ik moeten zeggen. Dat er een zekere graad van verdooving, eene algemeene kwijning bestaat, die wij liever—niet.…”—“Zouden zien,” viel de huisdokter hierop in, nogmaals buigende.—“Juist,” zeide dokter Peps. “Die wij hier liever niet zouden zien. Het schijnt wel, dat het gestel van Lady Cankaby—neem mij niet kwalijk, ik wilde zeggen van mevrouw Dombey—ik verwar de namen van mijne patiënten …”—“Zulk een aantal,” prevelde de huisdokter. “Het is niet anders te denken—het zou een wonder zijn, als het niet gebeurde—dokter Parker Peps’ praktijk in hetWest-End.…”—“Dankje!” zeide de dokter. “Juist. Het schijnt, wilde ik aanmerken, dat het gestel van onze kraamvrouw een schok heeft ondergaan, waarvan wij slechts kunnen hopen, dat het zich herstellen zal door eene groote, sterke, en …”—“Krachtige,” fluisterde de huismedicus.—“Juist,” zeide de dokter toestemmend. “En krachtige inspanning. Mijnheer Pilkins hier, die door zijne betrekking als geneeskundig raadsman van het gezin—en niemand kan voor die betrekking beter geschikt wezen, durf ik zeggen.”—“O!” prevelde de huisdokter. “De lof van den eersten man in het vak …”—“Wel verplicht voor uw compliment,” antwoordde dokter Peps. “Mijnheer Pilkins, die door zijne betrekking best bekend is met het gestel der patiënte in derzelver normalen toestand (eene kennis, welke van zeer veel belang voor ons is om bij gelegenheden als deze ons oordeel op te bouwen) is met mij van gevoelen, dat de natuur moet aangezet worden om eene krachtige inspanning te doen, en dat, indien onze geëerde en belangwekkende vriendin de gravin van Dombey—neem mij niet kwalijk, mevrouw Dombey—in staat mocht wezen, om die inspanning gelukkig te volbrengen, er dan eene crisis zou kunnen ontstaan, welke wij beide hartelijk zouden betreuren.”Daarna keken zij eenige oogenblikken naar den grond, en vervolgens gingen zij, op eene pantomimische uitnoodiging van dokter Peps, naar boven. De huisdokter opende met gedienstige beleefdheid de deur voor den vermaarden man, en liet hem voorgaan.[4]Als wij zeiden, dat Dombey niet op zijne manier getroffen werd door dit bericht, zouden wij hem onrecht doen. Hij was geen man, van wien men eigenlijk kon zeggen, dat hij ooit verschrikt of ontsteld was; maar hij had toch zeker gevoel, dat het hem zeer spijten zou, als zijne vrouw ernstig ziek werd en in levensgevaar kwam, en dat hij, indien zij stierf, onder zijne meubelen, zilverwerk en andere huiselijke bezittingen iets zou missen, dat het bewaren wel waardig was, en niet zonder oprecht leedwezen kon verloren worden. Evenwel, het zou voorzeker een koel, geregeld, fatsoenlijk, welberaden leedwezen zijn.Zijn gepeins over dit onderwerp werd spoedig afgebroken, eerst door het ritselen van kleederen op de trap, en toen door het plotseling binnenwippen van eene dame—eer boven dan beneden de middelbare jaren, maar zeer jeugdig gekleed, vooral wat het spannende van haar korset betrof—die naar hem toe kwam met een als het ware opgeschroefd gezicht, en daarbij passende houding, hetgeen bedwongene aandoening moest te kennen geven, hare armen om zijn hals sloeg, en met eene gesmoorde stem zeide:“Beste Paul! Hij is precies een Dombey!”—“Nu ja,” antwoordde haar broeder, want Dombey was haar broeder. “Hij heeft inderdaad een familietrek, geloof ik. Wees zoo ontroerd niet, Louise!”—“Het is wel dwaas van mij,” zeide Louise, terwijl zij ging zitten en haar zakdoek uithaalde; “maar hij is—hij is zoo volmaakt een Dombey! ik heb nooit in mijn leven zoo iets gezien.”—“Maar wat is dat van Fanny zelve?” zeide Dombey. “Hoe gaat het met haar?”—“Och, lieve Paul,” antwoordde Louise, “het is niets. Op mijn woord, volstrekt niets. Zij is wat uitgeput zeker; maar het gelijkt nog niet naar wat ik was, toen ik van George of Frederik was bevallen. Zij moet zich maar wat opbeuren; dat is alles. Als Fanny-lief maar eene Dombey was!—Maar zij zal zich wel opbeuren. Ik twijfel er geen oogenblik aan. Daar zij weet, dat het van haar geëischt wordt, als een plicht, is het niet anders mogelijk of zij zal het doen. Och, beste Paul! het is wel gek en mal van mij, ik weet het wel, dat ik zoo beverig ben van het hoofd tot de voeten; maar ik ben zoo raar, dat ik u om een glas wijn en een stukje van dien koek moet verzoeken. Ik dacht, dat ik op de trap in het venster zou zijn gevallen, toen ik naar beneden kwam, nadat ik Fanny-lief had gezien en dat hartepitje.” Deze laatste woorden werden haar door eene plotseling opkomende herinnering aan den jonggeborene ontlokt.Hierop volgde een zacht kloppen aan de deur.“Mevrouw Chick,” zeide eene vleiende vrouwenstem buiten de deur, “hoe gaat het u nu, lieve vriendin?”—“Beste Paul,” zeide Louise zacht, terwijl zij opstond, “het is jufvrouw Tox, het goedhartigste mensch! Zonder haar had ik onmogelijk hier kunnen komen.—Jufvrouw Tox, mijn broeder, mijnheer Dombey! Lieve Paul, mijne intieme vriendin, jufvrouw Tox!”De dame, welke zoo hartelijk werd geïntroduceerd, was eene lange, magere gedaante, die er zoo verlept uitzag, dat zij oorspronkelijk niet met vaste kleuren, zooals manufacturiers zeggen, gemaakt scheen te zijn, en langzamerhand door het wasschen verschoten was. Ware dit zoo niet geweest, dan had zij voor een model van innemendheid en beleefdheid kunnen gelden. Door lange gewoonte om met bewondering naar al wat zij hoorde te luisteren, en de sprekers daarbij aan te zien, alsof zij hunne beelden in haar gemoed wilde drukken, om die eerst met haar leven weder te verliezen, had haar hoofd zich geheel op ééne zijde vastgezet. Hare handen hadden zekere gestadige kramptrekkingen om zich van zelven, als uit onwillekeurige bewondering, op te heffen. Hare oogen waren aan eene dergelijke aandoening onderhevig. Zij had de zachtste stem, die iemand ooit hoorde; en haar neus, verbazend sterk gebogen, had een knobbeltje vlak bovenop, en liep van daar recht naar beneden, als met een onverwinnelijk besluit om zich nooit voor iets op te trekken.De kleeding van jufvrouw Tox, hoewel zeer goed en fatsoenlijk, had iets hoekerigs en schraals. Zij droeg gewoonlijk onnoembare onkruidjes van bloempjes op hare hoeden en mutsen. In hare haren zag men somtijds vreemde grassoorten; en liefhebbers maakten de opmerking, dat bij al hare kragen, boordjes en andere voorwerpen van kleeding en opschik, die twee einden hadden, welke bestemd waren om bijeen te komen, deze twee einden het nooit eens waren en zich niet zonder tegenstand tot elkander wilden laten brengen. Zij had bontwerk als winterdracht, gelijk kragen, boa’s en moffen, waarvan het haar altijd te berge gerezen was, en nooit glad lag. Het scheen hare liefhebberij, beursjes en taschjes bij zich te dragen met knipjes er aan, die afgingen als pistooltjes, wanneer zij toegedaan werden; en als zij in staatsie gekleed was, droeg zij aan haar hals het akeligste van alle medaillons, een oud vischachtig oog verbeeldende, dat zichtbaar blind was. Deze en andere verschijnselen van dergelijken aard, dienden om de meening voort te planten, dat jufvrouw Tox eene arme rentenierster was, die met haar sober bestaantje zoo goed mogelijk trachtte rond te komen. Misschien, dat haar trippelende stap deze meening nog versterkte en deed gelooven, dat zij daarom eene schrede van gewone wijdte in tweeën of drieën knipte, omdat zij gewoon was alles zoo zuinig uit te meten als maar mogelijk was.“Ik moet verzekeren,” zeide jufvrouw Tox,[5]verbazend diep nijgende, “dat de eer, om bij mijnheer Dombey geïntroduceerd te worden, eene onderscheiding is, waarnaar ik lang heb verlangd, maar die ik op het oogenblik weinig verwachtte. Lieve mevrouw Chick—mag ik zeggen Louise?”Mevrouw Chick nam de hand van jufvrouw Tox in de hare, zette den voet van haar wijnglas daarop, bedwong een traan, en zeide met eene zachte stem: “O mijn hemel!”—“LieveLouise, dan!” hervatte jufvrouw Tox. “Liefste vriendin, hoe gaat het u nu?”—“Beter,” antwoordde mevrouw Chick. “Drink een glas wijn. Gij zijt bijna even aangedaan geweest als ik, en zult het zeker noodig hebben.”Dombey bood de dame terstond een glas wijn.“Daar jufvrouw Tox wist, Paul,” zeide mevrouw Chick, nog de hand van hare vriendin vasthoudende, “met hoeveel belangstelling ik de gebeurtenis van vandaag te gemoet zag, heeft zij een presentje voor Fanny gemaakt, dat ik haar beloofd heb aan te bieden. Het is maar een speldenkussen voor de toilettafel, Paul! maar ik zeg, en moet en wil zeggen, dat jufvrouw Tox de gewone spreuk heel aardig op deze gelegenheid toepasselijk heeft gemaakt. “Welkom, kleineDombey!” noem ik waarlijk iets dichterlijks.”—“Is dat het devies?” vroeg haar broeder.—“Ja, dat is het devies,” antwoordde Louise.—“Maar gij moet mij ook het recht doen om te bedenken, lieve Louise,” zeide jufvrouw Tox op een vriendelijk en ernstig verzoekenden toon, “dat alleen de—ik weet bijna niet hoe ik het zeggen zal—alleen de twijfelachtigheid van den afloop mij heeft gedrongen om zulk eene vrijheid te nemen. “Welkom, jonge heer Dombey!” zou mijn gevoel veel beter hebben uitgedrukt, zooals gij ook wel weet. Maar de onzekerheid, welke met de komst van zulke kleine engeltjes verbonden is, zal, hoop ik, iets verontschuldigen, dat anders eene onvoegzame familiariteit zou gelijken.” Dit zeggende, maakte jufvrouw Tox eene sierlijke buiging naar den kant van Dombey, welke deze heer minzaam beantwoordde. De soort van erkenning van Dombey en Zoon, welke in het gevoerde gesprek lag opgesloten, beviel hem zoowel, dat zijne zuster—hoewel hij deed, alsof hij haar al te zwak en teerhartig vond—misschien meer invloed op hem bezat dan iemand anders.—“Wel,” zeide mevrouw Chick met een zachten glimlach, “nu dit gebeurd is, vergeef ik Fanny alles.”Dit was eene christelijke verklaring, en mevrouw Chick gevoelde er zich het hart door verlicht. Niet dat zij hare schoonzuster iets bijzonders, of in het geheel iets ter wereld, te vergeven had, behalve dat zij haar broeder had getrouwd—op zich zelf eene soort van vermetelheid—en dat zij naderhand een meisje, in plaats van een jongen, ter wereld had gebracht, hetgeen, gelijk mevrouw Chick meermalen had aangemerkt, eigenlijk niet was wat zij van haar verwacht had, en geene pleizierige beantwoording was van de oplettendheid en onderscheiding, die haar te beurt waren gevallen.Daar Dombey op dit oogenblik haastig uit de kamer werd geroepen, bleven de beide dames te zamen alleen. Jufvrouw Tox kreeg oogenblikkelijk eene vlaag van hare kramp.“Ik wist wel, dat gij mijn broeder zoudt bewonderen. Ik heb het u vooraf gezegd, lieve!” zeide Louise.De handen en oogen van jufvrouw Tox poogden uit te drukken, hoe groot die bewondering was.“En wat zijn vermogen betreft, lieve!”—“O-o!” zeide jufvrouw Tox met diep gevoel.—“Ont-zag-lijk!”—“Maar zijne manieren van doen en spreken, lieve Louise!” hervatte jufvrouw Tox. “Zijn voorkomen, zijne deftigheid. Geen portret, dat ik ooit gezien heb, had half zooveel daarvan. Iets zoo statigs, weet ge, zoo manhaftigs, zoo breed over de borst, zoo recht op! De Hertog vanYorkin een koopman herschapen, en geen haar daar beneden, zoo zou ik hem uitduiden.”—“Hoe, lieve Paul!” riep zijne zuster uit, toen Dombey weder binnenkwam. “Gij ziet zoo bleek. Er scheelt toch niets aan?”—“Het spijt mij, dat ik het zeggen moet, Louise! Zij zeggen mij, dat Fanny …”—“Och, beste Paul!” zeide zijne zuster, opstaande, “geloof het niet. Als gij eenig vertrouwen in mijne ondervinding stelt, Paul, kunt gij verzekerd wezen, dat er niets ander noodig is, dan dat Fanny zich wat inspant, om zich op te beuren. En om die inspanning te doen,” vervolgde zij, terwijl zij haar hoed afzette, en met drukte hare muts verschikte en hare handschoenen optrok, “moet zij aangemoedigd, ja zelfs, als het noodig is, werkelijk gedrongen worden. Kom, lieve Paul! ga met mij mede naar boven.”Dombey, die, behalve dat hij zich, om de vroeger vermelde reden, veelal door den invloed zijner zuster liet leiden, inderdaad vertrouwen stelde in hare ondervinding als huismoeder, sprak niet tegen, en volgde haar naar de kraamkamer.Zijne vrouw lag in het bed, gelijk toen hij haar verliet, en hield hare dochter aan hare borst gedrukt. Het meisje klemde zich aan haar vast met dezelfde hartstochtelijkheid als te voren, en hield hare zachte wang tegen het gezicht van hare moeder gedrukt; zij hief haar hoofd niet op, zag niemand der aanwezigen eene enkele maal aan, sprak niet, bewoog zich niet, stortte geen traan.“Zonder het meisje is zij onrustig,” fluisterde de dokter Dombey toe. “Wij vonden het best, haar maar weder te laten binnenkomen.”Er was zulk eene plechtige stilte om het bed[6]heen, en de twee dokters schenen met zooveel medelijden en met zoo weinig hoop naar de roerlooze lijderes te zien, dat mevrouw Chick voor een oogenblik van haar voornemen werd afgebracht. Maar spoedig vatte zij moed, hernam wat zij hare tegenwoordigheid van geest noemde, zette zich naast het bed neder, en zeide op den zachten, maar dringenden toon van iemand, die een slapende wil wekken:“Fanny, Fanny!”Geen geluid gaf antwoord, behalve het tikken van de horloges van Dombey en dokter Peps, die in de stilte met elkander schenen te wedijveren.“Lieve Fanny!” zeide mevrouw Chick met geveinsde luchtigheid: “daar is mijnheer Dombey, om u te komen zien. Wilt gij niet met hem spreken? Zij willen uw kleinen jongen—het kleintje, gij weet wel, Fanny! gij hebt het haast nog niet gezien, geloof ik—bij u in bed leggen; maar zij kunnen niet, als gij niet een beetje opkomt. Denkt gij niet, dat het tijd is om wat op te komen? Zeg!”Zij boog zich met een luisterend oor over het bed, terwijl zij te gelijk de omstanders aanzag en haar vinger opstak.“Hé?” herhaalde zij. “Wat zeidet gij daar, Fanny, Fanny? Ik heb u niet verstaan.”Geen woord of klank gaf antwoord. De twee horloges schenen nog harder te wedijveren.“Kom, lieve Fanny! Waarlijk,” zeide de schoonzuster, terwijl zij zich verschikte, en in weerwil van haar zelve een minder gerusten en te gelijk ernstiger toon aannam, “ik zal boos op u worden, als gij niet wat opkomt. Het is noodig voor u, dat gij u wat inspant; en het kan wel wezen, dat die inspanning u moeielijk valt en gij er geen lust toe hebt; maar de wereld is vol moeite, Fanny! dat weet ge, en wij moeten ons nooit in zwakheid toegeven, als er zooveel op ons aankomt. Kom, beproef het eens! Ik zal waarlijk op u moeten knorren, als gij het niet doet.”In de stilte, welke nu volgde, werd de wedstrijd der horloges razend driftig; zij schenen elkander op de hielen te trappen en te doen struikelen.“Fanny!” zeide Louise, met toenemende ongerustheid om zich heen ziende. “Zie mij maar eens aan! Open nu uwe oogen maar eens, om mij te toonen, dat ge mij hoort en verstaat; wilt ge? Goede hemel, heeren! wat zullen wij doen?”De twee dokters wisselden over het bed heen een blik met elkander, en de huisdokter bukte en fluisterde het meisje iets in het oor. Daar de kleine niet verstaan had wat hij zeide, keerde zij haar doodsbleek gezichtje naar hem toe, en vestigde hare donkere oogen op hem, maar zonder in het minst hare moeder los te laten. Hij fluisterde nog eens. “Mama!” zeide het kind.Het stemmetje, zoo bekend en bemind, wekte zelfs in die flauwte een gering blijk van bewustzijn. Voor een oogenblik trilden de geslotene oogleden en trokken de neusvleugels, en zag men den flauwst mogelijken zweem van een glimlach.“Mama!” riep het kind, overluid snikkende. “Och, lieve mama! Och, lieve mama!”De dokter streek zacht de losse krullen van het kind van het gezicht en den mond der moeder weg. Helaas, hoe stil lag zij daar! hoe weinig adem was er, om ze te doen bewegen!Zoo, al wat zij op de wereld liefhad aan hare borst drukkende, was de moeder in den laatsten slaap gezonken.1In Engeland is het veelal de gewoonte, dat de verschillende vakken der geneeskunde door denzelfden persoon worden beoefend.VERT.↑
[Inhoud]DOMBEY EN ZOON.DOMBEY EN ZOON.I.DOMBEY EN ZOON.Dombey zat in een hoek van het duister gemaakte vertrek, in den grooten leuningstoel naast het bed, en de zoon lag, warm toegestopt, in een draagbaar kinderbedje van mandewerk, dat zorgvuldig voor en dicht bij het vuur was geplaatst, alsof zijn aard met dien van een melkbroodje overeenkwam, en het een vereischte was hem bruin te roosten, terwijl hij nog versch was.Dombey was omtrent acht en veertig jaren oud. De zoon omtrent acht en veertig minuten. Dombey was eenigszins kaal, eenigszins rood in zijn gezicht, en hoewel een knap, welgemaakt man, al te barsch en statig van uitzicht om innemend te wezen. De zoon was bijna geheel kaal, zeer rood, en hoewel (gelijk van zelf spreekt) een schoon kind, vooralsnog over het geheel wat vlakkerig en gekneusd. Op het voorhoofd van Dombey hadden de tijd en zijne zuster de zorg eenige merken gezet, als op een boom, die mettertijd vallen moest—meedoogenlooze tweelingen zijn zij, als zij zoo door hunne menschenbosschen voortstappen, en al gaande hunne merken inhakken—terwijl het gezichtje van den zoon overkruist was met duizend plooitjes en rimpeltjes, welke dezelfde bedriegelijke tijd met het platte van zijne zeis spelend zou gladstrijken, om daardoor de oppervlakte voor het trekken van diepere groeven toe te bereiden.Dombey, opgetogen over de lang verwachte[2]gebeurtenis, zat met den zwaren gouden horlogeketting te rammelen, die van onder zijn netten blauwen rok te voorschijn kwam, waarvan de knoopen in den flauwen schijn van het vuur als phosphorvonken schitterden. De zoon, zijne gebalde vuistjes dichtknijpende, scheen, zoover zijne zwakheid toeliet, met het aanzijn te willen vechten, omdat het hem zoo onverwacht overvallen had.“Nu zal het kantoor weder Dombey en Zoon wezen, niet alleen in naam, maar inderdaad, mevrouw Dombey!” zeide Dombey. “Dom-bey en Zoon.”Deze woorden hadden iets zoo streelends, dat hij op den naam zijner vrouw eene uitdrukking van teederheid liet volgen (hoewel niet zonder aarzeling, daar hij aan die manier van spreken weinig gewoon was), en zeide: “Mevrouw Dombey, me—melieve!”Een vluchtige blos van flauwe verrassing overtoog het gelaat der kraamvrouw terwijl zij hare oogen naar hem opsloeg.“Hij zal Paul gedoopt worden, me—mevrouw Dombey—natuurlijk.”Zij antwoordde flauw: “Natuurlijk!” of liever zij gaf dit slechts te kennen door de beweging van hare lippen, en sloot hare oogen weder.“Zijn vaders naam, mevrouw Dombey! en zijn grootvaders. Ik wenschte wel, dat zijn grootvader nog leefde!” en daarop herhaalde hij weder “Dombey en Zoon!” op denzelfden toon als te voren.Deze drie woorden bevatten het eenige denkbeeld van Dombey’s leven. De wereld was Dombey en Zoon geschapen om handel te drijven, en de zon en de maan om hun licht te geven. Rivieren en zeeën waren gemaakt om hunne schepen te torschen; regenbogen beloofden hun goed weder; winden waaiden gunstig of ongunstig voor hunne ondernemingen; sterren en planeten liepen in hunne banen, om het stelsel ongeschonden in stand te houden, waarvan zij het middelpunt waren. Gewone verkortingsteekens namen in zijne oogen eene nieuwe beteekenis aan, en zagen uitsluitend op de firma. A. D. had niets te maken metAnno Domini, maar beteekendeAnno Dombey en Zoon.Hij was, gelijk zijn vader vóór hem, in den loop van zijn leven en sterven, van zoon tot Dombey opgeklommen, en was bijna twintig jaren lang de eenige vertegenwoordiger der firma geweest. Van die jaren was hij er tien getrouwd geweest—getrouwd, gelijk sommigen zeiden, met eene vrouw, die hem geen hart geven kon, wier geluk in het verledene lag, en die gewillig was om haar verslagen geest tot een trouw en zachtmoedig dragen van het tegenwoordige te dwingen. Zulke losse praatjes bereikten waarschijnlijk de ooren van Dombey niet, hoewel zij hem het naaste aangingen; en hadden zij hem bereikt, dan zou niemand ze waarschijnlijk met zulke volslagene ongeloovigheid hebben aangehoord, als hij. Dombey en Zoon hadden dikwijls zaken gedaan in huiden, maar nooit in harten. Zij lieten de modeartikelen aan jonge knapen en meisjes, aan kostscholen en boeken over. Dombey zou aldus geredeneerd hebben: Dat het van zelf sprak, dat eene huwelijksverbintenis met een man, als hij, streelend en vereerend voor elke vrouw van gezond verstand moest wezen. Dat de hoop, om moeder te worden van een nieuwen compagnon in zulk een kantoor, niet falen kon eene edele eerzucht op te wekken, in de borst zelfs van de minst eerzuchtige harer sekse. Dat mevrouw Dombey de maatschappelijke verbintenis van den echt—bijna een noodwendig vereischte voor eene fatsoenlijke en rijke positie, zelfs zonder acht te geven op het instandhouden van oude firma’s—met vol besef van deze voordeelen had aangegaan. Dat mevrouw Dombey dagelijks proefondervinding had gehad van zijne positie in de maatschappij. Dat mevrouw Dombey altijd aan het hoofd van zijne tafel had gezeten, en de eer van zijn huis op eene zeer bevallige en deftige wijze had opgehouden. Dat mevrouw Dombey derhalve gelukkig moest zijn geweest. Dat zij onmogelijk ongelukkig kon wezen.Of, in allen gevalle, met ééne uitzondering. Ja; dat zou hij hebben toegestemd. Met ééne enkele, maar die zeker van veel gewicht was. Zij waren tien jaren getrouwd, en tot op den dag van heden, waarop Dombey in den leuningstoel naast het bed met zijn horlogeketting zat te rammelen, hadden zij geen kroost gehad.Niet om van te spreken; niet de moeite waard om er melding van te maken. Er was omtrent zes jaren vroeger een meisje gekomen, en dat kind, dat onopgemerkt de kamer was binnengeslopen, verschool zich nu beschroomd in een hoekje, waar zij haar moeders gezicht zien kon. Maar wat was een meisje voor Dombey en Zoon! In het kapitaal van naam en aanzien, dat het kantoor bezat, was zulk een kind maar een stuk slecht geld, dat geen koers had—eenvalsche jongen—anders niet.Dombey’s beker van vreugde was op dit oogenblik zoo vol, dat hij gevoelde wel een paar droppeltjes te kunnen missen, zelfs om in het stof van het zijpaadje zijner jeugdige dochter te sprenkelen.Hij zeide dan: “Florence, gij moogt wel eens naar uw lief broertje gaan kijken; maar raak hem niet aan.”Het meisje keek strak naar den blauwen rok en de witte das, welke, met een paar krakende laarzen en een zeer luid tikkend horloge, voor haar het denkbeeld van een vader verwezenlijkten; maar terstond richtte zij hare oogen weder naar het gelaat van hare moeder, en bewoog zich evenmin als zij antwoord gaf.[3]Het volgende oogenblik had de moeder hare oogen geopend en het kind aangezien, en was dit naar haar toe geloopen; en op de teenen staande, om haar gezichtje te beter aan de moederlijke borst te kunnen verbergen, klemde Florence zich aan haar vast met eene hartstochtelijke liefde, die weinig met hare jaren strookte.“Och hemel!” zeide Dombey, knorrig opstaande, “die ontroering is immers onvoorzichtig en kan koorts veroorzaken! Het zal misschien best wezen, dat ik dokter Peps1verzoek om nog eens boven te komen. Ik zal maar eens naar beneden gaan. Ik behoef u wel niet te verzoeken,” vervolgde hij, terwijl hij een oogenblik bij het bedje staan bleef, “om bijzonder op dezen jongen heer te passen, jufvrouw.…”—“Blockitt, mijnheer!” fluisterde de baker, een altijd glimlachend, versleten fatsoenlijk portret, welke zich niet aanmatigde om haar naam als eene daadzaak op te geven, maar dien slechts vriendelijk in bedenking gaf.—“Op dezen jongen heer, jufvrouw Blockitt!”—“Neen, zeker niet, mijnheer! Ik weet nog wel, toen de jonge jufvrouw Florence geboren werd.…”—“Ja wel, ja wel!” zeide Dombey, zich over het bedje heen buigende, en te gelijk zijne wenkbrauwen eenigszins samentrekkende. “Florence was goed en wel, maar dit is iets anders. Deze jonge heer heeft eene bestemming te vervullen. Eenebestemming, kleine jongen!” Terwijl hij aldus het wichtje aansprak, bracht hij een der handjes aan zijne lippen en kuste het; toen, vreezende, naar het scheen, dat dit bedrijf zijne deftigheid te na mocht wezen, ging hij tamelijk stijf en gedwongen heen.Dokter Parker Peps, een der voornaamste accoucheurs, een man van grooten roem, voor hetgeen hij tot de vermeerdering van aanzienlijke geslachten had toegebracht, wandelde met de handen op den rug de voorkamer op en neer, met onbeschrijfelijke bewondering aangestaard door den gewonen dokter van het huis, die bij al zijne patiënten, vrienden en kennissen, reeds zes weken lang met deze bevalling had gebluft, als eene gewichtige taak, waartoe hij op elk uur van den dag en den nacht verwachtte geroepen te worden, ter assistentie van dokter Parker Peps.“Wel, mijnheer!” zeide dokter Parker Peps met eene volle, zware stem, waarvan het geluid bij deze gelegenheid was gedempt, evenals dat van den deurklopper: “vindt ge dat mevrouw door uw bezoek eenigszins is opgewekt?”—“Geprikkeld, om zoo te zeggen?” voegde de huisdokter er zacht bij, te gelijk eene buiging voor den dokter makende, als wilde hij zeggen: “Ik vraag verschooning, dat ik er een woordje bij doe; maar dit is een klant van belang voor mij.”Dombey werd door deze vraag geheel uit het veld geslagen. Hij had zoo weinig om de kraamvrouw gedacht, dat hij niet in staat was om er op te antwoorden. Hij zeide, dat het hem genoegen zou doen, als dokter Peps eens naar boven wilde gaan.“Goed,” zeide dokter Peps. “Wij moeten u niet verbergen, mijnheer, dat er een gebrek aan veerkracht bestaat bij hare genade de hertogin—neem mij niet kwalijk, ik verspreek mij—mevrouw uwe echtgenoote, had ik moeten zeggen. Dat er een zekere graad van verdooving, eene algemeene kwijning bestaat, die wij liever—niet.…”—“Zouden zien,” viel de huisdokter hierop in, nogmaals buigende.—“Juist,” zeide dokter Peps. “Die wij hier liever niet zouden zien. Het schijnt wel, dat het gestel van Lady Cankaby—neem mij niet kwalijk, ik wilde zeggen van mevrouw Dombey—ik verwar de namen van mijne patiënten …”—“Zulk een aantal,” prevelde de huisdokter. “Het is niet anders te denken—het zou een wonder zijn, als het niet gebeurde—dokter Parker Peps’ praktijk in hetWest-End.…”—“Dankje!” zeide de dokter. “Juist. Het schijnt, wilde ik aanmerken, dat het gestel van onze kraamvrouw een schok heeft ondergaan, waarvan wij slechts kunnen hopen, dat het zich herstellen zal door eene groote, sterke, en …”—“Krachtige,” fluisterde de huismedicus.—“Juist,” zeide de dokter toestemmend. “En krachtige inspanning. Mijnheer Pilkins hier, die door zijne betrekking als geneeskundig raadsman van het gezin—en niemand kan voor die betrekking beter geschikt wezen, durf ik zeggen.”—“O!” prevelde de huisdokter. “De lof van den eersten man in het vak …”—“Wel verplicht voor uw compliment,” antwoordde dokter Peps. “Mijnheer Pilkins, die door zijne betrekking best bekend is met het gestel der patiënte in derzelver normalen toestand (eene kennis, welke van zeer veel belang voor ons is om bij gelegenheden als deze ons oordeel op te bouwen) is met mij van gevoelen, dat de natuur moet aangezet worden om eene krachtige inspanning te doen, en dat, indien onze geëerde en belangwekkende vriendin de gravin van Dombey—neem mij niet kwalijk, mevrouw Dombey—in staat mocht wezen, om die inspanning gelukkig te volbrengen, er dan eene crisis zou kunnen ontstaan, welke wij beide hartelijk zouden betreuren.”Daarna keken zij eenige oogenblikken naar den grond, en vervolgens gingen zij, op eene pantomimische uitnoodiging van dokter Peps, naar boven. De huisdokter opende met gedienstige beleefdheid de deur voor den vermaarden man, en liet hem voorgaan.[4]Als wij zeiden, dat Dombey niet op zijne manier getroffen werd door dit bericht, zouden wij hem onrecht doen. Hij was geen man, van wien men eigenlijk kon zeggen, dat hij ooit verschrikt of ontsteld was; maar hij had toch zeker gevoel, dat het hem zeer spijten zou, als zijne vrouw ernstig ziek werd en in levensgevaar kwam, en dat hij, indien zij stierf, onder zijne meubelen, zilverwerk en andere huiselijke bezittingen iets zou missen, dat het bewaren wel waardig was, en niet zonder oprecht leedwezen kon verloren worden. Evenwel, het zou voorzeker een koel, geregeld, fatsoenlijk, welberaden leedwezen zijn.Zijn gepeins over dit onderwerp werd spoedig afgebroken, eerst door het ritselen van kleederen op de trap, en toen door het plotseling binnenwippen van eene dame—eer boven dan beneden de middelbare jaren, maar zeer jeugdig gekleed, vooral wat het spannende van haar korset betrof—die naar hem toe kwam met een als het ware opgeschroefd gezicht, en daarbij passende houding, hetgeen bedwongene aandoening moest te kennen geven, hare armen om zijn hals sloeg, en met eene gesmoorde stem zeide:“Beste Paul! Hij is precies een Dombey!”—“Nu ja,” antwoordde haar broeder, want Dombey was haar broeder. “Hij heeft inderdaad een familietrek, geloof ik. Wees zoo ontroerd niet, Louise!”—“Het is wel dwaas van mij,” zeide Louise, terwijl zij ging zitten en haar zakdoek uithaalde; “maar hij is—hij is zoo volmaakt een Dombey! ik heb nooit in mijn leven zoo iets gezien.”—“Maar wat is dat van Fanny zelve?” zeide Dombey. “Hoe gaat het met haar?”—“Och, lieve Paul,” antwoordde Louise, “het is niets. Op mijn woord, volstrekt niets. Zij is wat uitgeput zeker; maar het gelijkt nog niet naar wat ik was, toen ik van George of Frederik was bevallen. Zij moet zich maar wat opbeuren; dat is alles. Als Fanny-lief maar eene Dombey was!—Maar zij zal zich wel opbeuren. Ik twijfel er geen oogenblik aan. Daar zij weet, dat het van haar geëischt wordt, als een plicht, is het niet anders mogelijk of zij zal het doen. Och, beste Paul! het is wel gek en mal van mij, ik weet het wel, dat ik zoo beverig ben van het hoofd tot de voeten; maar ik ben zoo raar, dat ik u om een glas wijn en een stukje van dien koek moet verzoeken. Ik dacht, dat ik op de trap in het venster zou zijn gevallen, toen ik naar beneden kwam, nadat ik Fanny-lief had gezien en dat hartepitje.” Deze laatste woorden werden haar door eene plotseling opkomende herinnering aan den jonggeborene ontlokt.Hierop volgde een zacht kloppen aan de deur.“Mevrouw Chick,” zeide eene vleiende vrouwenstem buiten de deur, “hoe gaat het u nu, lieve vriendin?”—“Beste Paul,” zeide Louise zacht, terwijl zij opstond, “het is jufvrouw Tox, het goedhartigste mensch! Zonder haar had ik onmogelijk hier kunnen komen.—Jufvrouw Tox, mijn broeder, mijnheer Dombey! Lieve Paul, mijne intieme vriendin, jufvrouw Tox!”De dame, welke zoo hartelijk werd geïntroduceerd, was eene lange, magere gedaante, die er zoo verlept uitzag, dat zij oorspronkelijk niet met vaste kleuren, zooals manufacturiers zeggen, gemaakt scheen te zijn, en langzamerhand door het wasschen verschoten was. Ware dit zoo niet geweest, dan had zij voor een model van innemendheid en beleefdheid kunnen gelden. Door lange gewoonte om met bewondering naar al wat zij hoorde te luisteren, en de sprekers daarbij aan te zien, alsof zij hunne beelden in haar gemoed wilde drukken, om die eerst met haar leven weder te verliezen, had haar hoofd zich geheel op ééne zijde vastgezet. Hare handen hadden zekere gestadige kramptrekkingen om zich van zelven, als uit onwillekeurige bewondering, op te heffen. Hare oogen waren aan eene dergelijke aandoening onderhevig. Zij had de zachtste stem, die iemand ooit hoorde; en haar neus, verbazend sterk gebogen, had een knobbeltje vlak bovenop, en liep van daar recht naar beneden, als met een onverwinnelijk besluit om zich nooit voor iets op te trekken.De kleeding van jufvrouw Tox, hoewel zeer goed en fatsoenlijk, had iets hoekerigs en schraals. Zij droeg gewoonlijk onnoembare onkruidjes van bloempjes op hare hoeden en mutsen. In hare haren zag men somtijds vreemde grassoorten; en liefhebbers maakten de opmerking, dat bij al hare kragen, boordjes en andere voorwerpen van kleeding en opschik, die twee einden hadden, welke bestemd waren om bijeen te komen, deze twee einden het nooit eens waren en zich niet zonder tegenstand tot elkander wilden laten brengen. Zij had bontwerk als winterdracht, gelijk kragen, boa’s en moffen, waarvan het haar altijd te berge gerezen was, en nooit glad lag. Het scheen hare liefhebberij, beursjes en taschjes bij zich te dragen met knipjes er aan, die afgingen als pistooltjes, wanneer zij toegedaan werden; en als zij in staatsie gekleed was, droeg zij aan haar hals het akeligste van alle medaillons, een oud vischachtig oog verbeeldende, dat zichtbaar blind was. Deze en andere verschijnselen van dergelijken aard, dienden om de meening voort te planten, dat jufvrouw Tox eene arme rentenierster was, die met haar sober bestaantje zoo goed mogelijk trachtte rond te komen. Misschien, dat haar trippelende stap deze meening nog versterkte en deed gelooven, dat zij daarom eene schrede van gewone wijdte in tweeën of drieën knipte, omdat zij gewoon was alles zoo zuinig uit te meten als maar mogelijk was.“Ik moet verzekeren,” zeide jufvrouw Tox,[5]verbazend diep nijgende, “dat de eer, om bij mijnheer Dombey geïntroduceerd te worden, eene onderscheiding is, waarnaar ik lang heb verlangd, maar die ik op het oogenblik weinig verwachtte. Lieve mevrouw Chick—mag ik zeggen Louise?”Mevrouw Chick nam de hand van jufvrouw Tox in de hare, zette den voet van haar wijnglas daarop, bedwong een traan, en zeide met eene zachte stem: “O mijn hemel!”—“LieveLouise, dan!” hervatte jufvrouw Tox. “Liefste vriendin, hoe gaat het u nu?”—“Beter,” antwoordde mevrouw Chick. “Drink een glas wijn. Gij zijt bijna even aangedaan geweest als ik, en zult het zeker noodig hebben.”Dombey bood de dame terstond een glas wijn.“Daar jufvrouw Tox wist, Paul,” zeide mevrouw Chick, nog de hand van hare vriendin vasthoudende, “met hoeveel belangstelling ik de gebeurtenis van vandaag te gemoet zag, heeft zij een presentje voor Fanny gemaakt, dat ik haar beloofd heb aan te bieden. Het is maar een speldenkussen voor de toilettafel, Paul! maar ik zeg, en moet en wil zeggen, dat jufvrouw Tox de gewone spreuk heel aardig op deze gelegenheid toepasselijk heeft gemaakt. “Welkom, kleineDombey!” noem ik waarlijk iets dichterlijks.”—“Is dat het devies?” vroeg haar broeder.—“Ja, dat is het devies,” antwoordde Louise.—“Maar gij moet mij ook het recht doen om te bedenken, lieve Louise,” zeide jufvrouw Tox op een vriendelijk en ernstig verzoekenden toon, “dat alleen de—ik weet bijna niet hoe ik het zeggen zal—alleen de twijfelachtigheid van den afloop mij heeft gedrongen om zulk eene vrijheid te nemen. “Welkom, jonge heer Dombey!” zou mijn gevoel veel beter hebben uitgedrukt, zooals gij ook wel weet. Maar de onzekerheid, welke met de komst van zulke kleine engeltjes verbonden is, zal, hoop ik, iets verontschuldigen, dat anders eene onvoegzame familiariteit zou gelijken.” Dit zeggende, maakte jufvrouw Tox eene sierlijke buiging naar den kant van Dombey, welke deze heer minzaam beantwoordde. De soort van erkenning van Dombey en Zoon, welke in het gevoerde gesprek lag opgesloten, beviel hem zoowel, dat zijne zuster—hoewel hij deed, alsof hij haar al te zwak en teerhartig vond—misschien meer invloed op hem bezat dan iemand anders.—“Wel,” zeide mevrouw Chick met een zachten glimlach, “nu dit gebeurd is, vergeef ik Fanny alles.”Dit was eene christelijke verklaring, en mevrouw Chick gevoelde er zich het hart door verlicht. Niet dat zij hare schoonzuster iets bijzonders, of in het geheel iets ter wereld, te vergeven had, behalve dat zij haar broeder had getrouwd—op zich zelf eene soort van vermetelheid—en dat zij naderhand een meisje, in plaats van een jongen, ter wereld had gebracht, hetgeen, gelijk mevrouw Chick meermalen had aangemerkt, eigenlijk niet was wat zij van haar verwacht had, en geene pleizierige beantwoording was van de oplettendheid en onderscheiding, die haar te beurt waren gevallen.Daar Dombey op dit oogenblik haastig uit de kamer werd geroepen, bleven de beide dames te zamen alleen. Jufvrouw Tox kreeg oogenblikkelijk eene vlaag van hare kramp.“Ik wist wel, dat gij mijn broeder zoudt bewonderen. Ik heb het u vooraf gezegd, lieve!” zeide Louise.De handen en oogen van jufvrouw Tox poogden uit te drukken, hoe groot die bewondering was.“En wat zijn vermogen betreft, lieve!”—“O-o!” zeide jufvrouw Tox met diep gevoel.—“Ont-zag-lijk!”—“Maar zijne manieren van doen en spreken, lieve Louise!” hervatte jufvrouw Tox. “Zijn voorkomen, zijne deftigheid. Geen portret, dat ik ooit gezien heb, had half zooveel daarvan. Iets zoo statigs, weet ge, zoo manhaftigs, zoo breed over de borst, zoo recht op! De Hertog vanYorkin een koopman herschapen, en geen haar daar beneden, zoo zou ik hem uitduiden.”—“Hoe, lieve Paul!” riep zijne zuster uit, toen Dombey weder binnenkwam. “Gij ziet zoo bleek. Er scheelt toch niets aan?”—“Het spijt mij, dat ik het zeggen moet, Louise! Zij zeggen mij, dat Fanny …”—“Och, beste Paul!” zeide zijne zuster, opstaande, “geloof het niet. Als gij eenig vertrouwen in mijne ondervinding stelt, Paul, kunt gij verzekerd wezen, dat er niets ander noodig is, dan dat Fanny zich wat inspant, om zich op te beuren. En om die inspanning te doen,” vervolgde zij, terwijl zij haar hoed afzette, en met drukte hare muts verschikte en hare handschoenen optrok, “moet zij aangemoedigd, ja zelfs, als het noodig is, werkelijk gedrongen worden. Kom, lieve Paul! ga met mij mede naar boven.”Dombey, die, behalve dat hij zich, om de vroeger vermelde reden, veelal door den invloed zijner zuster liet leiden, inderdaad vertrouwen stelde in hare ondervinding als huismoeder, sprak niet tegen, en volgde haar naar de kraamkamer.Zijne vrouw lag in het bed, gelijk toen hij haar verliet, en hield hare dochter aan hare borst gedrukt. Het meisje klemde zich aan haar vast met dezelfde hartstochtelijkheid als te voren, en hield hare zachte wang tegen het gezicht van hare moeder gedrukt; zij hief haar hoofd niet op, zag niemand der aanwezigen eene enkele maal aan, sprak niet, bewoog zich niet, stortte geen traan.“Zonder het meisje is zij onrustig,” fluisterde de dokter Dombey toe. “Wij vonden het best, haar maar weder te laten binnenkomen.”Er was zulk eene plechtige stilte om het bed[6]heen, en de twee dokters schenen met zooveel medelijden en met zoo weinig hoop naar de roerlooze lijderes te zien, dat mevrouw Chick voor een oogenblik van haar voornemen werd afgebracht. Maar spoedig vatte zij moed, hernam wat zij hare tegenwoordigheid van geest noemde, zette zich naast het bed neder, en zeide op den zachten, maar dringenden toon van iemand, die een slapende wil wekken:“Fanny, Fanny!”Geen geluid gaf antwoord, behalve het tikken van de horloges van Dombey en dokter Peps, die in de stilte met elkander schenen te wedijveren.“Lieve Fanny!” zeide mevrouw Chick met geveinsde luchtigheid: “daar is mijnheer Dombey, om u te komen zien. Wilt gij niet met hem spreken? Zij willen uw kleinen jongen—het kleintje, gij weet wel, Fanny! gij hebt het haast nog niet gezien, geloof ik—bij u in bed leggen; maar zij kunnen niet, als gij niet een beetje opkomt. Denkt gij niet, dat het tijd is om wat op te komen? Zeg!”Zij boog zich met een luisterend oor over het bed, terwijl zij te gelijk de omstanders aanzag en haar vinger opstak.“Hé?” herhaalde zij. “Wat zeidet gij daar, Fanny, Fanny? Ik heb u niet verstaan.”Geen woord of klank gaf antwoord. De twee horloges schenen nog harder te wedijveren.“Kom, lieve Fanny! Waarlijk,” zeide de schoonzuster, terwijl zij zich verschikte, en in weerwil van haar zelve een minder gerusten en te gelijk ernstiger toon aannam, “ik zal boos op u worden, als gij niet wat opkomt. Het is noodig voor u, dat gij u wat inspant; en het kan wel wezen, dat die inspanning u moeielijk valt en gij er geen lust toe hebt; maar de wereld is vol moeite, Fanny! dat weet ge, en wij moeten ons nooit in zwakheid toegeven, als er zooveel op ons aankomt. Kom, beproef het eens! Ik zal waarlijk op u moeten knorren, als gij het niet doet.”In de stilte, welke nu volgde, werd de wedstrijd der horloges razend driftig; zij schenen elkander op de hielen te trappen en te doen struikelen.“Fanny!” zeide Louise, met toenemende ongerustheid om zich heen ziende. “Zie mij maar eens aan! Open nu uwe oogen maar eens, om mij te toonen, dat ge mij hoort en verstaat; wilt ge? Goede hemel, heeren! wat zullen wij doen?”De twee dokters wisselden over het bed heen een blik met elkander, en de huisdokter bukte en fluisterde het meisje iets in het oor. Daar de kleine niet verstaan had wat hij zeide, keerde zij haar doodsbleek gezichtje naar hem toe, en vestigde hare donkere oogen op hem, maar zonder in het minst hare moeder los te laten. Hij fluisterde nog eens. “Mama!” zeide het kind.Het stemmetje, zoo bekend en bemind, wekte zelfs in die flauwte een gering blijk van bewustzijn. Voor een oogenblik trilden de geslotene oogleden en trokken de neusvleugels, en zag men den flauwst mogelijken zweem van een glimlach.“Mama!” riep het kind, overluid snikkende. “Och, lieve mama! Och, lieve mama!”De dokter streek zacht de losse krullen van het kind van het gezicht en den mond der moeder weg. Helaas, hoe stil lag zij daar! hoe weinig adem was er, om ze te doen bewegen!Zoo, al wat zij op de wereld liefhad aan hare borst drukkende, was de moeder in den laatsten slaap gezonken.1In Engeland is het veelal de gewoonte, dat de verschillende vakken der geneeskunde door denzelfden persoon worden beoefend.VERT.↑
DOMBEY EN ZOON.DOMBEY EN ZOON.I.DOMBEY EN ZOON.
DOMBEY EN ZOON.
Dombey zat in een hoek van het duister gemaakte vertrek, in den grooten leuningstoel naast het bed, en de zoon lag, warm toegestopt, in een draagbaar kinderbedje van mandewerk, dat zorgvuldig voor en dicht bij het vuur was geplaatst, alsof zijn aard met dien van een melkbroodje overeenkwam, en het een vereischte was hem bruin te roosten, terwijl hij nog versch was.Dombey was omtrent acht en veertig jaren oud. De zoon omtrent acht en veertig minuten. Dombey was eenigszins kaal, eenigszins rood in zijn gezicht, en hoewel een knap, welgemaakt man, al te barsch en statig van uitzicht om innemend te wezen. De zoon was bijna geheel kaal, zeer rood, en hoewel (gelijk van zelf spreekt) een schoon kind, vooralsnog over het geheel wat vlakkerig en gekneusd. Op het voorhoofd van Dombey hadden de tijd en zijne zuster de zorg eenige merken gezet, als op een boom, die mettertijd vallen moest—meedoogenlooze tweelingen zijn zij, als zij zoo door hunne menschenbosschen voortstappen, en al gaande hunne merken inhakken—terwijl het gezichtje van den zoon overkruist was met duizend plooitjes en rimpeltjes, welke dezelfde bedriegelijke tijd met het platte van zijne zeis spelend zou gladstrijken, om daardoor de oppervlakte voor het trekken van diepere groeven toe te bereiden.Dombey, opgetogen over de lang verwachte[2]gebeurtenis, zat met den zwaren gouden horlogeketting te rammelen, die van onder zijn netten blauwen rok te voorschijn kwam, waarvan de knoopen in den flauwen schijn van het vuur als phosphorvonken schitterden. De zoon, zijne gebalde vuistjes dichtknijpende, scheen, zoover zijne zwakheid toeliet, met het aanzijn te willen vechten, omdat het hem zoo onverwacht overvallen had.“Nu zal het kantoor weder Dombey en Zoon wezen, niet alleen in naam, maar inderdaad, mevrouw Dombey!” zeide Dombey. “Dom-bey en Zoon.”Deze woorden hadden iets zoo streelends, dat hij op den naam zijner vrouw eene uitdrukking van teederheid liet volgen (hoewel niet zonder aarzeling, daar hij aan die manier van spreken weinig gewoon was), en zeide: “Mevrouw Dombey, me—melieve!”Een vluchtige blos van flauwe verrassing overtoog het gelaat der kraamvrouw terwijl zij hare oogen naar hem opsloeg.“Hij zal Paul gedoopt worden, me—mevrouw Dombey—natuurlijk.”Zij antwoordde flauw: “Natuurlijk!” of liever zij gaf dit slechts te kennen door de beweging van hare lippen, en sloot hare oogen weder.“Zijn vaders naam, mevrouw Dombey! en zijn grootvaders. Ik wenschte wel, dat zijn grootvader nog leefde!” en daarop herhaalde hij weder “Dombey en Zoon!” op denzelfden toon als te voren.Deze drie woorden bevatten het eenige denkbeeld van Dombey’s leven. De wereld was Dombey en Zoon geschapen om handel te drijven, en de zon en de maan om hun licht te geven. Rivieren en zeeën waren gemaakt om hunne schepen te torschen; regenbogen beloofden hun goed weder; winden waaiden gunstig of ongunstig voor hunne ondernemingen; sterren en planeten liepen in hunne banen, om het stelsel ongeschonden in stand te houden, waarvan zij het middelpunt waren. Gewone verkortingsteekens namen in zijne oogen eene nieuwe beteekenis aan, en zagen uitsluitend op de firma. A. D. had niets te maken metAnno Domini, maar beteekendeAnno Dombey en Zoon.Hij was, gelijk zijn vader vóór hem, in den loop van zijn leven en sterven, van zoon tot Dombey opgeklommen, en was bijna twintig jaren lang de eenige vertegenwoordiger der firma geweest. Van die jaren was hij er tien getrouwd geweest—getrouwd, gelijk sommigen zeiden, met eene vrouw, die hem geen hart geven kon, wier geluk in het verledene lag, en die gewillig was om haar verslagen geest tot een trouw en zachtmoedig dragen van het tegenwoordige te dwingen. Zulke losse praatjes bereikten waarschijnlijk de ooren van Dombey niet, hoewel zij hem het naaste aangingen; en hadden zij hem bereikt, dan zou niemand ze waarschijnlijk met zulke volslagene ongeloovigheid hebben aangehoord, als hij. Dombey en Zoon hadden dikwijls zaken gedaan in huiden, maar nooit in harten. Zij lieten de modeartikelen aan jonge knapen en meisjes, aan kostscholen en boeken over. Dombey zou aldus geredeneerd hebben: Dat het van zelf sprak, dat eene huwelijksverbintenis met een man, als hij, streelend en vereerend voor elke vrouw van gezond verstand moest wezen. Dat de hoop, om moeder te worden van een nieuwen compagnon in zulk een kantoor, niet falen kon eene edele eerzucht op te wekken, in de borst zelfs van de minst eerzuchtige harer sekse. Dat mevrouw Dombey de maatschappelijke verbintenis van den echt—bijna een noodwendig vereischte voor eene fatsoenlijke en rijke positie, zelfs zonder acht te geven op het instandhouden van oude firma’s—met vol besef van deze voordeelen had aangegaan. Dat mevrouw Dombey dagelijks proefondervinding had gehad van zijne positie in de maatschappij. Dat mevrouw Dombey altijd aan het hoofd van zijne tafel had gezeten, en de eer van zijn huis op eene zeer bevallige en deftige wijze had opgehouden. Dat mevrouw Dombey derhalve gelukkig moest zijn geweest. Dat zij onmogelijk ongelukkig kon wezen.Of, in allen gevalle, met ééne uitzondering. Ja; dat zou hij hebben toegestemd. Met ééne enkele, maar die zeker van veel gewicht was. Zij waren tien jaren getrouwd, en tot op den dag van heden, waarop Dombey in den leuningstoel naast het bed met zijn horlogeketting zat te rammelen, hadden zij geen kroost gehad.Niet om van te spreken; niet de moeite waard om er melding van te maken. Er was omtrent zes jaren vroeger een meisje gekomen, en dat kind, dat onopgemerkt de kamer was binnengeslopen, verschool zich nu beschroomd in een hoekje, waar zij haar moeders gezicht zien kon. Maar wat was een meisje voor Dombey en Zoon! In het kapitaal van naam en aanzien, dat het kantoor bezat, was zulk een kind maar een stuk slecht geld, dat geen koers had—eenvalsche jongen—anders niet.Dombey’s beker van vreugde was op dit oogenblik zoo vol, dat hij gevoelde wel een paar droppeltjes te kunnen missen, zelfs om in het stof van het zijpaadje zijner jeugdige dochter te sprenkelen.Hij zeide dan: “Florence, gij moogt wel eens naar uw lief broertje gaan kijken; maar raak hem niet aan.”Het meisje keek strak naar den blauwen rok en de witte das, welke, met een paar krakende laarzen en een zeer luid tikkend horloge, voor haar het denkbeeld van een vader verwezenlijkten; maar terstond richtte zij hare oogen weder naar het gelaat van hare moeder, en bewoog zich evenmin als zij antwoord gaf.[3]Het volgende oogenblik had de moeder hare oogen geopend en het kind aangezien, en was dit naar haar toe geloopen; en op de teenen staande, om haar gezichtje te beter aan de moederlijke borst te kunnen verbergen, klemde Florence zich aan haar vast met eene hartstochtelijke liefde, die weinig met hare jaren strookte.“Och hemel!” zeide Dombey, knorrig opstaande, “die ontroering is immers onvoorzichtig en kan koorts veroorzaken! Het zal misschien best wezen, dat ik dokter Peps1verzoek om nog eens boven te komen. Ik zal maar eens naar beneden gaan. Ik behoef u wel niet te verzoeken,” vervolgde hij, terwijl hij een oogenblik bij het bedje staan bleef, “om bijzonder op dezen jongen heer te passen, jufvrouw.…”—“Blockitt, mijnheer!” fluisterde de baker, een altijd glimlachend, versleten fatsoenlijk portret, welke zich niet aanmatigde om haar naam als eene daadzaak op te geven, maar dien slechts vriendelijk in bedenking gaf.—“Op dezen jongen heer, jufvrouw Blockitt!”—“Neen, zeker niet, mijnheer! Ik weet nog wel, toen de jonge jufvrouw Florence geboren werd.…”—“Ja wel, ja wel!” zeide Dombey, zich over het bedje heen buigende, en te gelijk zijne wenkbrauwen eenigszins samentrekkende. “Florence was goed en wel, maar dit is iets anders. Deze jonge heer heeft eene bestemming te vervullen. Eenebestemming, kleine jongen!” Terwijl hij aldus het wichtje aansprak, bracht hij een der handjes aan zijne lippen en kuste het; toen, vreezende, naar het scheen, dat dit bedrijf zijne deftigheid te na mocht wezen, ging hij tamelijk stijf en gedwongen heen.Dokter Parker Peps, een der voornaamste accoucheurs, een man van grooten roem, voor hetgeen hij tot de vermeerdering van aanzienlijke geslachten had toegebracht, wandelde met de handen op den rug de voorkamer op en neer, met onbeschrijfelijke bewondering aangestaard door den gewonen dokter van het huis, die bij al zijne patiënten, vrienden en kennissen, reeds zes weken lang met deze bevalling had gebluft, als eene gewichtige taak, waartoe hij op elk uur van den dag en den nacht verwachtte geroepen te worden, ter assistentie van dokter Parker Peps.“Wel, mijnheer!” zeide dokter Parker Peps met eene volle, zware stem, waarvan het geluid bij deze gelegenheid was gedempt, evenals dat van den deurklopper: “vindt ge dat mevrouw door uw bezoek eenigszins is opgewekt?”—“Geprikkeld, om zoo te zeggen?” voegde de huisdokter er zacht bij, te gelijk eene buiging voor den dokter makende, als wilde hij zeggen: “Ik vraag verschooning, dat ik er een woordje bij doe; maar dit is een klant van belang voor mij.”Dombey werd door deze vraag geheel uit het veld geslagen. Hij had zoo weinig om de kraamvrouw gedacht, dat hij niet in staat was om er op te antwoorden. Hij zeide, dat het hem genoegen zou doen, als dokter Peps eens naar boven wilde gaan.“Goed,” zeide dokter Peps. “Wij moeten u niet verbergen, mijnheer, dat er een gebrek aan veerkracht bestaat bij hare genade de hertogin—neem mij niet kwalijk, ik verspreek mij—mevrouw uwe echtgenoote, had ik moeten zeggen. Dat er een zekere graad van verdooving, eene algemeene kwijning bestaat, die wij liever—niet.…”—“Zouden zien,” viel de huisdokter hierop in, nogmaals buigende.—“Juist,” zeide dokter Peps. “Die wij hier liever niet zouden zien. Het schijnt wel, dat het gestel van Lady Cankaby—neem mij niet kwalijk, ik wilde zeggen van mevrouw Dombey—ik verwar de namen van mijne patiënten …”—“Zulk een aantal,” prevelde de huisdokter. “Het is niet anders te denken—het zou een wonder zijn, als het niet gebeurde—dokter Parker Peps’ praktijk in hetWest-End.…”—“Dankje!” zeide de dokter. “Juist. Het schijnt, wilde ik aanmerken, dat het gestel van onze kraamvrouw een schok heeft ondergaan, waarvan wij slechts kunnen hopen, dat het zich herstellen zal door eene groote, sterke, en …”—“Krachtige,” fluisterde de huismedicus.—“Juist,” zeide de dokter toestemmend. “En krachtige inspanning. Mijnheer Pilkins hier, die door zijne betrekking als geneeskundig raadsman van het gezin—en niemand kan voor die betrekking beter geschikt wezen, durf ik zeggen.”—“O!” prevelde de huisdokter. “De lof van den eersten man in het vak …”—“Wel verplicht voor uw compliment,” antwoordde dokter Peps. “Mijnheer Pilkins, die door zijne betrekking best bekend is met het gestel der patiënte in derzelver normalen toestand (eene kennis, welke van zeer veel belang voor ons is om bij gelegenheden als deze ons oordeel op te bouwen) is met mij van gevoelen, dat de natuur moet aangezet worden om eene krachtige inspanning te doen, en dat, indien onze geëerde en belangwekkende vriendin de gravin van Dombey—neem mij niet kwalijk, mevrouw Dombey—in staat mocht wezen, om die inspanning gelukkig te volbrengen, er dan eene crisis zou kunnen ontstaan, welke wij beide hartelijk zouden betreuren.”Daarna keken zij eenige oogenblikken naar den grond, en vervolgens gingen zij, op eene pantomimische uitnoodiging van dokter Peps, naar boven. De huisdokter opende met gedienstige beleefdheid de deur voor den vermaarden man, en liet hem voorgaan.[4]Als wij zeiden, dat Dombey niet op zijne manier getroffen werd door dit bericht, zouden wij hem onrecht doen. Hij was geen man, van wien men eigenlijk kon zeggen, dat hij ooit verschrikt of ontsteld was; maar hij had toch zeker gevoel, dat het hem zeer spijten zou, als zijne vrouw ernstig ziek werd en in levensgevaar kwam, en dat hij, indien zij stierf, onder zijne meubelen, zilverwerk en andere huiselijke bezittingen iets zou missen, dat het bewaren wel waardig was, en niet zonder oprecht leedwezen kon verloren worden. Evenwel, het zou voorzeker een koel, geregeld, fatsoenlijk, welberaden leedwezen zijn.Zijn gepeins over dit onderwerp werd spoedig afgebroken, eerst door het ritselen van kleederen op de trap, en toen door het plotseling binnenwippen van eene dame—eer boven dan beneden de middelbare jaren, maar zeer jeugdig gekleed, vooral wat het spannende van haar korset betrof—die naar hem toe kwam met een als het ware opgeschroefd gezicht, en daarbij passende houding, hetgeen bedwongene aandoening moest te kennen geven, hare armen om zijn hals sloeg, en met eene gesmoorde stem zeide:“Beste Paul! Hij is precies een Dombey!”—“Nu ja,” antwoordde haar broeder, want Dombey was haar broeder. “Hij heeft inderdaad een familietrek, geloof ik. Wees zoo ontroerd niet, Louise!”—“Het is wel dwaas van mij,” zeide Louise, terwijl zij ging zitten en haar zakdoek uithaalde; “maar hij is—hij is zoo volmaakt een Dombey! ik heb nooit in mijn leven zoo iets gezien.”—“Maar wat is dat van Fanny zelve?” zeide Dombey. “Hoe gaat het met haar?”—“Och, lieve Paul,” antwoordde Louise, “het is niets. Op mijn woord, volstrekt niets. Zij is wat uitgeput zeker; maar het gelijkt nog niet naar wat ik was, toen ik van George of Frederik was bevallen. Zij moet zich maar wat opbeuren; dat is alles. Als Fanny-lief maar eene Dombey was!—Maar zij zal zich wel opbeuren. Ik twijfel er geen oogenblik aan. Daar zij weet, dat het van haar geëischt wordt, als een plicht, is het niet anders mogelijk of zij zal het doen. Och, beste Paul! het is wel gek en mal van mij, ik weet het wel, dat ik zoo beverig ben van het hoofd tot de voeten; maar ik ben zoo raar, dat ik u om een glas wijn en een stukje van dien koek moet verzoeken. Ik dacht, dat ik op de trap in het venster zou zijn gevallen, toen ik naar beneden kwam, nadat ik Fanny-lief had gezien en dat hartepitje.” Deze laatste woorden werden haar door eene plotseling opkomende herinnering aan den jonggeborene ontlokt.Hierop volgde een zacht kloppen aan de deur.“Mevrouw Chick,” zeide eene vleiende vrouwenstem buiten de deur, “hoe gaat het u nu, lieve vriendin?”—“Beste Paul,” zeide Louise zacht, terwijl zij opstond, “het is jufvrouw Tox, het goedhartigste mensch! Zonder haar had ik onmogelijk hier kunnen komen.—Jufvrouw Tox, mijn broeder, mijnheer Dombey! Lieve Paul, mijne intieme vriendin, jufvrouw Tox!”De dame, welke zoo hartelijk werd geïntroduceerd, was eene lange, magere gedaante, die er zoo verlept uitzag, dat zij oorspronkelijk niet met vaste kleuren, zooals manufacturiers zeggen, gemaakt scheen te zijn, en langzamerhand door het wasschen verschoten was. Ware dit zoo niet geweest, dan had zij voor een model van innemendheid en beleefdheid kunnen gelden. Door lange gewoonte om met bewondering naar al wat zij hoorde te luisteren, en de sprekers daarbij aan te zien, alsof zij hunne beelden in haar gemoed wilde drukken, om die eerst met haar leven weder te verliezen, had haar hoofd zich geheel op ééne zijde vastgezet. Hare handen hadden zekere gestadige kramptrekkingen om zich van zelven, als uit onwillekeurige bewondering, op te heffen. Hare oogen waren aan eene dergelijke aandoening onderhevig. Zij had de zachtste stem, die iemand ooit hoorde; en haar neus, verbazend sterk gebogen, had een knobbeltje vlak bovenop, en liep van daar recht naar beneden, als met een onverwinnelijk besluit om zich nooit voor iets op te trekken.De kleeding van jufvrouw Tox, hoewel zeer goed en fatsoenlijk, had iets hoekerigs en schraals. Zij droeg gewoonlijk onnoembare onkruidjes van bloempjes op hare hoeden en mutsen. In hare haren zag men somtijds vreemde grassoorten; en liefhebbers maakten de opmerking, dat bij al hare kragen, boordjes en andere voorwerpen van kleeding en opschik, die twee einden hadden, welke bestemd waren om bijeen te komen, deze twee einden het nooit eens waren en zich niet zonder tegenstand tot elkander wilden laten brengen. Zij had bontwerk als winterdracht, gelijk kragen, boa’s en moffen, waarvan het haar altijd te berge gerezen was, en nooit glad lag. Het scheen hare liefhebberij, beursjes en taschjes bij zich te dragen met knipjes er aan, die afgingen als pistooltjes, wanneer zij toegedaan werden; en als zij in staatsie gekleed was, droeg zij aan haar hals het akeligste van alle medaillons, een oud vischachtig oog verbeeldende, dat zichtbaar blind was. Deze en andere verschijnselen van dergelijken aard, dienden om de meening voort te planten, dat jufvrouw Tox eene arme rentenierster was, die met haar sober bestaantje zoo goed mogelijk trachtte rond te komen. Misschien, dat haar trippelende stap deze meening nog versterkte en deed gelooven, dat zij daarom eene schrede van gewone wijdte in tweeën of drieën knipte, omdat zij gewoon was alles zoo zuinig uit te meten als maar mogelijk was.“Ik moet verzekeren,” zeide jufvrouw Tox,[5]verbazend diep nijgende, “dat de eer, om bij mijnheer Dombey geïntroduceerd te worden, eene onderscheiding is, waarnaar ik lang heb verlangd, maar die ik op het oogenblik weinig verwachtte. Lieve mevrouw Chick—mag ik zeggen Louise?”Mevrouw Chick nam de hand van jufvrouw Tox in de hare, zette den voet van haar wijnglas daarop, bedwong een traan, en zeide met eene zachte stem: “O mijn hemel!”—“LieveLouise, dan!” hervatte jufvrouw Tox. “Liefste vriendin, hoe gaat het u nu?”—“Beter,” antwoordde mevrouw Chick. “Drink een glas wijn. Gij zijt bijna even aangedaan geweest als ik, en zult het zeker noodig hebben.”Dombey bood de dame terstond een glas wijn.“Daar jufvrouw Tox wist, Paul,” zeide mevrouw Chick, nog de hand van hare vriendin vasthoudende, “met hoeveel belangstelling ik de gebeurtenis van vandaag te gemoet zag, heeft zij een presentje voor Fanny gemaakt, dat ik haar beloofd heb aan te bieden. Het is maar een speldenkussen voor de toilettafel, Paul! maar ik zeg, en moet en wil zeggen, dat jufvrouw Tox de gewone spreuk heel aardig op deze gelegenheid toepasselijk heeft gemaakt. “Welkom, kleineDombey!” noem ik waarlijk iets dichterlijks.”—“Is dat het devies?” vroeg haar broeder.—“Ja, dat is het devies,” antwoordde Louise.—“Maar gij moet mij ook het recht doen om te bedenken, lieve Louise,” zeide jufvrouw Tox op een vriendelijk en ernstig verzoekenden toon, “dat alleen de—ik weet bijna niet hoe ik het zeggen zal—alleen de twijfelachtigheid van den afloop mij heeft gedrongen om zulk eene vrijheid te nemen. “Welkom, jonge heer Dombey!” zou mijn gevoel veel beter hebben uitgedrukt, zooals gij ook wel weet. Maar de onzekerheid, welke met de komst van zulke kleine engeltjes verbonden is, zal, hoop ik, iets verontschuldigen, dat anders eene onvoegzame familiariteit zou gelijken.” Dit zeggende, maakte jufvrouw Tox eene sierlijke buiging naar den kant van Dombey, welke deze heer minzaam beantwoordde. De soort van erkenning van Dombey en Zoon, welke in het gevoerde gesprek lag opgesloten, beviel hem zoowel, dat zijne zuster—hoewel hij deed, alsof hij haar al te zwak en teerhartig vond—misschien meer invloed op hem bezat dan iemand anders.—“Wel,” zeide mevrouw Chick met een zachten glimlach, “nu dit gebeurd is, vergeef ik Fanny alles.”Dit was eene christelijke verklaring, en mevrouw Chick gevoelde er zich het hart door verlicht. Niet dat zij hare schoonzuster iets bijzonders, of in het geheel iets ter wereld, te vergeven had, behalve dat zij haar broeder had getrouwd—op zich zelf eene soort van vermetelheid—en dat zij naderhand een meisje, in plaats van een jongen, ter wereld had gebracht, hetgeen, gelijk mevrouw Chick meermalen had aangemerkt, eigenlijk niet was wat zij van haar verwacht had, en geene pleizierige beantwoording was van de oplettendheid en onderscheiding, die haar te beurt waren gevallen.Daar Dombey op dit oogenblik haastig uit de kamer werd geroepen, bleven de beide dames te zamen alleen. Jufvrouw Tox kreeg oogenblikkelijk eene vlaag van hare kramp.“Ik wist wel, dat gij mijn broeder zoudt bewonderen. Ik heb het u vooraf gezegd, lieve!” zeide Louise.De handen en oogen van jufvrouw Tox poogden uit te drukken, hoe groot die bewondering was.“En wat zijn vermogen betreft, lieve!”—“O-o!” zeide jufvrouw Tox met diep gevoel.—“Ont-zag-lijk!”—“Maar zijne manieren van doen en spreken, lieve Louise!” hervatte jufvrouw Tox. “Zijn voorkomen, zijne deftigheid. Geen portret, dat ik ooit gezien heb, had half zooveel daarvan. Iets zoo statigs, weet ge, zoo manhaftigs, zoo breed over de borst, zoo recht op! De Hertog vanYorkin een koopman herschapen, en geen haar daar beneden, zoo zou ik hem uitduiden.”—“Hoe, lieve Paul!” riep zijne zuster uit, toen Dombey weder binnenkwam. “Gij ziet zoo bleek. Er scheelt toch niets aan?”—“Het spijt mij, dat ik het zeggen moet, Louise! Zij zeggen mij, dat Fanny …”—“Och, beste Paul!” zeide zijne zuster, opstaande, “geloof het niet. Als gij eenig vertrouwen in mijne ondervinding stelt, Paul, kunt gij verzekerd wezen, dat er niets ander noodig is, dan dat Fanny zich wat inspant, om zich op te beuren. En om die inspanning te doen,” vervolgde zij, terwijl zij haar hoed afzette, en met drukte hare muts verschikte en hare handschoenen optrok, “moet zij aangemoedigd, ja zelfs, als het noodig is, werkelijk gedrongen worden. Kom, lieve Paul! ga met mij mede naar boven.”Dombey, die, behalve dat hij zich, om de vroeger vermelde reden, veelal door den invloed zijner zuster liet leiden, inderdaad vertrouwen stelde in hare ondervinding als huismoeder, sprak niet tegen, en volgde haar naar de kraamkamer.Zijne vrouw lag in het bed, gelijk toen hij haar verliet, en hield hare dochter aan hare borst gedrukt. Het meisje klemde zich aan haar vast met dezelfde hartstochtelijkheid als te voren, en hield hare zachte wang tegen het gezicht van hare moeder gedrukt; zij hief haar hoofd niet op, zag niemand der aanwezigen eene enkele maal aan, sprak niet, bewoog zich niet, stortte geen traan.“Zonder het meisje is zij onrustig,” fluisterde de dokter Dombey toe. “Wij vonden het best, haar maar weder te laten binnenkomen.”Er was zulk eene plechtige stilte om het bed[6]heen, en de twee dokters schenen met zooveel medelijden en met zoo weinig hoop naar de roerlooze lijderes te zien, dat mevrouw Chick voor een oogenblik van haar voornemen werd afgebracht. Maar spoedig vatte zij moed, hernam wat zij hare tegenwoordigheid van geest noemde, zette zich naast het bed neder, en zeide op den zachten, maar dringenden toon van iemand, die een slapende wil wekken:“Fanny, Fanny!”Geen geluid gaf antwoord, behalve het tikken van de horloges van Dombey en dokter Peps, die in de stilte met elkander schenen te wedijveren.“Lieve Fanny!” zeide mevrouw Chick met geveinsde luchtigheid: “daar is mijnheer Dombey, om u te komen zien. Wilt gij niet met hem spreken? Zij willen uw kleinen jongen—het kleintje, gij weet wel, Fanny! gij hebt het haast nog niet gezien, geloof ik—bij u in bed leggen; maar zij kunnen niet, als gij niet een beetje opkomt. Denkt gij niet, dat het tijd is om wat op te komen? Zeg!”Zij boog zich met een luisterend oor over het bed, terwijl zij te gelijk de omstanders aanzag en haar vinger opstak.“Hé?” herhaalde zij. “Wat zeidet gij daar, Fanny, Fanny? Ik heb u niet verstaan.”Geen woord of klank gaf antwoord. De twee horloges schenen nog harder te wedijveren.“Kom, lieve Fanny! Waarlijk,” zeide de schoonzuster, terwijl zij zich verschikte, en in weerwil van haar zelve een minder gerusten en te gelijk ernstiger toon aannam, “ik zal boos op u worden, als gij niet wat opkomt. Het is noodig voor u, dat gij u wat inspant; en het kan wel wezen, dat die inspanning u moeielijk valt en gij er geen lust toe hebt; maar de wereld is vol moeite, Fanny! dat weet ge, en wij moeten ons nooit in zwakheid toegeven, als er zooveel op ons aankomt. Kom, beproef het eens! Ik zal waarlijk op u moeten knorren, als gij het niet doet.”In de stilte, welke nu volgde, werd de wedstrijd der horloges razend driftig; zij schenen elkander op de hielen te trappen en te doen struikelen.“Fanny!” zeide Louise, met toenemende ongerustheid om zich heen ziende. “Zie mij maar eens aan! Open nu uwe oogen maar eens, om mij te toonen, dat ge mij hoort en verstaat; wilt ge? Goede hemel, heeren! wat zullen wij doen?”De twee dokters wisselden over het bed heen een blik met elkander, en de huisdokter bukte en fluisterde het meisje iets in het oor. Daar de kleine niet verstaan had wat hij zeide, keerde zij haar doodsbleek gezichtje naar hem toe, en vestigde hare donkere oogen op hem, maar zonder in het minst hare moeder los te laten. Hij fluisterde nog eens. “Mama!” zeide het kind.Het stemmetje, zoo bekend en bemind, wekte zelfs in die flauwte een gering blijk van bewustzijn. Voor een oogenblik trilden de geslotene oogleden en trokken de neusvleugels, en zag men den flauwst mogelijken zweem van een glimlach.“Mama!” riep het kind, overluid snikkende. “Och, lieve mama! Och, lieve mama!”De dokter streek zacht de losse krullen van het kind van het gezicht en den mond der moeder weg. Helaas, hoe stil lag zij daar! hoe weinig adem was er, om ze te doen bewegen!Zoo, al wat zij op de wereld liefhad aan hare borst drukkende, was de moeder in den laatsten slaap gezonken.
Dombey zat in een hoek van het duister gemaakte vertrek, in den grooten leuningstoel naast het bed, en de zoon lag, warm toegestopt, in een draagbaar kinderbedje van mandewerk, dat zorgvuldig voor en dicht bij het vuur was geplaatst, alsof zijn aard met dien van een melkbroodje overeenkwam, en het een vereischte was hem bruin te roosten, terwijl hij nog versch was.
Dombey was omtrent acht en veertig jaren oud. De zoon omtrent acht en veertig minuten. Dombey was eenigszins kaal, eenigszins rood in zijn gezicht, en hoewel een knap, welgemaakt man, al te barsch en statig van uitzicht om innemend te wezen. De zoon was bijna geheel kaal, zeer rood, en hoewel (gelijk van zelf spreekt) een schoon kind, vooralsnog over het geheel wat vlakkerig en gekneusd. Op het voorhoofd van Dombey hadden de tijd en zijne zuster de zorg eenige merken gezet, als op een boom, die mettertijd vallen moest—meedoogenlooze tweelingen zijn zij, als zij zoo door hunne menschenbosschen voortstappen, en al gaande hunne merken inhakken—terwijl het gezichtje van den zoon overkruist was met duizend plooitjes en rimpeltjes, welke dezelfde bedriegelijke tijd met het platte van zijne zeis spelend zou gladstrijken, om daardoor de oppervlakte voor het trekken van diepere groeven toe te bereiden.
Dombey, opgetogen over de lang verwachte[2]gebeurtenis, zat met den zwaren gouden horlogeketting te rammelen, die van onder zijn netten blauwen rok te voorschijn kwam, waarvan de knoopen in den flauwen schijn van het vuur als phosphorvonken schitterden. De zoon, zijne gebalde vuistjes dichtknijpende, scheen, zoover zijne zwakheid toeliet, met het aanzijn te willen vechten, omdat het hem zoo onverwacht overvallen had.
“Nu zal het kantoor weder Dombey en Zoon wezen, niet alleen in naam, maar inderdaad, mevrouw Dombey!” zeide Dombey. “Dom-bey en Zoon.”
Deze woorden hadden iets zoo streelends, dat hij op den naam zijner vrouw eene uitdrukking van teederheid liet volgen (hoewel niet zonder aarzeling, daar hij aan die manier van spreken weinig gewoon was), en zeide: “Mevrouw Dombey, me—melieve!”
Een vluchtige blos van flauwe verrassing overtoog het gelaat der kraamvrouw terwijl zij hare oogen naar hem opsloeg.
“Hij zal Paul gedoopt worden, me—mevrouw Dombey—natuurlijk.”
Zij antwoordde flauw: “Natuurlijk!” of liever zij gaf dit slechts te kennen door de beweging van hare lippen, en sloot hare oogen weder.
“Zijn vaders naam, mevrouw Dombey! en zijn grootvaders. Ik wenschte wel, dat zijn grootvader nog leefde!” en daarop herhaalde hij weder “Dombey en Zoon!” op denzelfden toon als te voren.
Deze drie woorden bevatten het eenige denkbeeld van Dombey’s leven. De wereld was Dombey en Zoon geschapen om handel te drijven, en de zon en de maan om hun licht te geven. Rivieren en zeeën waren gemaakt om hunne schepen te torschen; regenbogen beloofden hun goed weder; winden waaiden gunstig of ongunstig voor hunne ondernemingen; sterren en planeten liepen in hunne banen, om het stelsel ongeschonden in stand te houden, waarvan zij het middelpunt waren. Gewone verkortingsteekens namen in zijne oogen eene nieuwe beteekenis aan, en zagen uitsluitend op de firma. A. D. had niets te maken metAnno Domini, maar beteekendeAnno Dombey en Zoon.
Hij was, gelijk zijn vader vóór hem, in den loop van zijn leven en sterven, van zoon tot Dombey opgeklommen, en was bijna twintig jaren lang de eenige vertegenwoordiger der firma geweest. Van die jaren was hij er tien getrouwd geweest—getrouwd, gelijk sommigen zeiden, met eene vrouw, die hem geen hart geven kon, wier geluk in het verledene lag, en die gewillig was om haar verslagen geest tot een trouw en zachtmoedig dragen van het tegenwoordige te dwingen. Zulke losse praatjes bereikten waarschijnlijk de ooren van Dombey niet, hoewel zij hem het naaste aangingen; en hadden zij hem bereikt, dan zou niemand ze waarschijnlijk met zulke volslagene ongeloovigheid hebben aangehoord, als hij. Dombey en Zoon hadden dikwijls zaken gedaan in huiden, maar nooit in harten. Zij lieten de modeartikelen aan jonge knapen en meisjes, aan kostscholen en boeken over. Dombey zou aldus geredeneerd hebben: Dat het van zelf sprak, dat eene huwelijksverbintenis met een man, als hij, streelend en vereerend voor elke vrouw van gezond verstand moest wezen. Dat de hoop, om moeder te worden van een nieuwen compagnon in zulk een kantoor, niet falen kon eene edele eerzucht op te wekken, in de borst zelfs van de minst eerzuchtige harer sekse. Dat mevrouw Dombey de maatschappelijke verbintenis van den echt—bijna een noodwendig vereischte voor eene fatsoenlijke en rijke positie, zelfs zonder acht te geven op het instandhouden van oude firma’s—met vol besef van deze voordeelen had aangegaan. Dat mevrouw Dombey dagelijks proefondervinding had gehad van zijne positie in de maatschappij. Dat mevrouw Dombey altijd aan het hoofd van zijne tafel had gezeten, en de eer van zijn huis op eene zeer bevallige en deftige wijze had opgehouden. Dat mevrouw Dombey derhalve gelukkig moest zijn geweest. Dat zij onmogelijk ongelukkig kon wezen.
Of, in allen gevalle, met ééne uitzondering. Ja; dat zou hij hebben toegestemd. Met ééne enkele, maar die zeker van veel gewicht was. Zij waren tien jaren getrouwd, en tot op den dag van heden, waarop Dombey in den leuningstoel naast het bed met zijn horlogeketting zat te rammelen, hadden zij geen kroost gehad.
Niet om van te spreken; niet de moeite waard om er melding van te maken. Er was omtrent zes jaren vroeger een meisje gekomen, en dat kind, dat onopgemerkt de kamer was binnengeslopen, verschool zich nu beschroomd in een hoekje, waar zij haar moeders gezicht zien kon. Maar wat was een meisje voor Dombey en Zoon! In het kapitaal van naam en aanzien, dat het kantoor bezat, was zulk een kind maar een stuk slecht geld, dat geen koers had—eenvalsche jongen—anders niet.
Dombey’s beker van vreugde was op dit oogenblik zoo vol, dat hij gevoelde wel een paar droppeltjes te kunnen missen, zelfs om in het stof van het zijpaadje zijner jeugdige dochter te sprenkelen.
Hij zeide dan: “Florence, gij moogt wel eens naar uw lief broertje gaan kijken; maar raak hem niet aan.”
Het meisje keek strak naar den blauwen rok en de witte das, welke, met een paar krakende laarzen en een zeer luid tikkend horloge, voor haar het denkbeeld van een vader verwezenlijkten; maar terstond richtte zij hare oogen weder naar het gelaat van hare moeder, en bewoog zich evenmin als zij antwoord gaf.[3]
Het volgende oogenblik had de moeder hare oogen geopend en het kind aangezien, en was dit naar haar toe geloopen; en op de teenen staande, om haar gezichtje te beter aan de moederlijke borst te kunnen verbergen, klemde Florence zich aan haar vast met eene hartstochtelijke liefde, die weinig met hare jaren strookte.
“Och hemel!” zeide Dombey, knorrig opstaande, “die ontroering is immers onvoorzichtig en kan koorts veroorzaken! Het zal misschien best wezen, dat ik dokter Peps1verzoek om nog eens boven te komen. Ik zal maar eens naar beneden gaan. Ik behoef u wel niet te verzoeken,” vervolgde hij, terwijl hij een oogenblik bij het bedje staan bleef, “om bijzonder op dezen jongen heer te passen, jufvrouw.…”—“Blockitt, mijnheer!” fluisterde de baker, een altijd glimlachend, versleten fatsoenlijk portret, welke zich niet aanmatigde om haar naam als eene daadzaak op te geven, maar dien slechts vriendelijk in bedenking gaf.—“Op dezen jongen heer, jufvrouw Blockitt!”—“Neen, zeker niet, mijnheer! Ik weet nog wel, toen de jonge jufvrouw Florence geboren werd.…”—“Ja wel, ja wel!” zeide Dombey, zich over het bedje heen buigende, en te gelijk zijne wenkbrauwen eenigszins samentrekkende. “Florence was goed en wel, maar dit is iets anders. Deze jonge heer heeft eene bestemming te vervullen. Eenebestemming, kleine jongen!” Terwijl hij aldus het wichtje aansprak, bracht hij een der handjes aan zijne lippen en kuste het; toen, vreezende, naar het scheen, dat dit bedrijf zijne deftigheid te na mocht wezen, ging hij tamelijk stijf en gedwongen heen.
Dokter Parker Peps, een der voornaamste accoucheurs, een man van grooten roem, voor hetgeen hij tot de vermeerdering van aanzienlijke geslachten had toegebracht, wandelde met de handen op den rug de voorkamer op en neer, met onbeschrijfelijke bewondering aangestaard door den gewonen dokter van het huis, die bij al zijne patiënten, vrienden en kennissen, reeds zes weken lang met deze bevalling had gebluft, als eene gewichtige taak, waartoe hij op elk uur van den dag en den nacht verwachtte geroepen te worden, ter assistentie van dokter Parker Peps.
“Wel, mijnheer!” zeide dokter Parker Peps met eene volle, zware stem, waarvan het geluid bij deze gelegenheid was gedempt, evenals dat van den deurklopper: “vindt ge dat mevrouw door uw bezoek eenigszins is opgewekt?”—“Geprikkeld, om zoo te zeggen?” voegde de huisdokter er zacht bij, te gelijk eene buiging voor den dokter makende, als wilde hij zeggen: “Ik vraag verschooning, dat ik er een woordje bij doe; maar dit is een klant van belang voor mij.”
Dombey werd door deze vraag geheel uit het veld geslagen. Hij had zoo weinig om de kraamvrouw gedacht, dat hij niet in staat was om er op te antwoorden. Hij zeide, dat het hem genoegen zou doen, als dokter Peps eens naar boven wilde gaan.
“Goed,” zeide dokter Peps. “Wij moeten u niet verbergen, mijnheer, dat er een gebrek aan veerkracht bestaat bij hare genade de hertogin—neem mij niet kwalijk, ik verspreek mij—mevrouw uwe echtgenoote, had ik moeten zeggen. Dat er een zekere graad van verdooving, eene algemeene kwijning bestaat, die wij liever—niet.…”—“Zouden zien,” viel de huisdokter hierop in, nogmaals buigende.—“Juist,” zeide dokter Peps. “Die wij hier liever niet zouden zien. Het schijnt wel, dat het gestel van Lady Cankaby—neem mij niet kwalijk, ik wilde zeggen van mevrouw Dombey—ik verwar de namen van mijne patiënten …”—“Zulk een aantal,” prevelde de huisdokter. “Het is niet anders te denken—het zou een wonder zijn, als het niet gebeurde—dokter Parker Peps’ praktijk in hetWest-End.…”—“Dankje!” zeide de dokter. “Juist. Het schijnt, wilde ik aanmerken, dat het gestel van onze kraamvrouw een schok heeft ondergaan, waarvan wij slechts kunnen hopen, dat het zich herstellen zal door eene groote, sterke, en …”—“Krachtige,” fluisterde de huismedicus.—“Juist,” zeide de dokter toestemmend. “En krachtige inspanning. Mijnheer Pilkins hier, die door zijne betrekking als geneeskundig raadsman van het gezin—en niemand kan voor die betrekking beter geschikt wezen, durf ik zeggen.”—“O!” prevelde de huisdokter. “De lof van den eersten man in het vak …”—“Wel verplicht voor uw compliment,” antwoordde dokter Peps. “Mijnheer Pilkins, die door zijne betrekking best bekend is met het gestel der patiënte in derzelver normalen toestand (eene kennis, welke van zeer veel belang voor ons is om bij gelegenheden als deze ons oordeel op te bouwen) is met mij van gevoelen, dat de natuur moet aangezet worden om eene krachtige inspanning te doen, en dat, indien onze geëerde en belangwekkende vriendin de gravin van Dombey—neem mij niet kwalijk, mevrouw Dombey—in staat mocht wezen, om die inspanning gelukkig te volbrengen, er dan eene crisis zou kunnen ontstaan, welke wij beide hartelijk zouden betreuren.”
Daarna keken zij eenige oogenblikken naar den grond, en vervolgens gingen zij, op eene pantomimische uitnoodiging van dokter Peps, naar boven. De huisdokter opende met gedienstige beleefdheid de deur voor den vermaarden man, en liet hem voorgaan.[4]
Als wij zeiden, dat Dombey niet op zijne manier getroffen werd door dit bericht, zouden wij hem onrecht doen. Hij was geen man, van wien men eigenlijk kon zeggen, dat hij ooit verschrikt of ontsteld was; maar hij had toch zeker gevoel, dat het hem zeer spijten zou, als zijne vrouw ernstig ziek werd en in levensgevaar kwam, en dat hij, indien zij stierf, onder zijne meubelen, zilverwerk en andere huiselijke bezittingen iets zou missen, dat het bewaren wel waardig was, en niet zonder oprecht leedwezen kon verloren worden. Evenwel, het zou voorzeker een koel, geregeld, fatsoenlijk, welberaden leedwezen zijn.
Zijn gepeins over dit onderwerp werd spoedig afgebroken, eerst door het ritselen van kleederen op de trap, en toen door het plotseling binnenwippen van eene dame—eer boven dan beneden de middelbare jaren, maar zeer jeugdig gekleed, vooral wat het spannende van haar korset betrof—die naar hem toe kwam met een als het ware opgeschroefd gezicht, en daarbij passende houding, hetgeen bedwongene aandoening moest te kennen geven, hare armen om zijn hals sloeg, en met eene gesmoorde stem zeide:
“Beste Paul! Hij is precies een Dombey!”—“Nu ja,” antwoordde haar broeder, want Dombey was haar broeder. “Hij heeft inderdaad een familietrek, geloof ik. Wees zoo ontroerd niet, Louise!”—“Het is wel dwaas van mij,” zeide Louise, terwijl zij ging zitten en haar zakdoek uithaalde; “maar hij is—hij is zoo volmaakt een Dombey! ik heb nooit in mijn leven zoo iets gezien.”—“Maar wat is dat van Fanny zelve?” zeide Dombey. “Hoe gaat het met haar?”—“Och, lieve Paul,” antwoordde Louise, “het is niets. Op mijn woord, volstrekt niets. Zij is wat uitgeput zeker; maar het gelijkt nog niet naar wat ik was, toen ik van George of Frederik was bevallen. Zij moet zich maar wat opbeuren; dat is alles. Als Fanny-lief maar eene Dombey was!—Maar zij zal zich wel opbeuren. Ik twijfel er geen oogenblik aan. Daar zij weet, dat het van haar geëischt wordt, als een plicht, is het niet anders mogelijk of zij zal het doen. Och, beste Paul! het is wel gek en mal van mij, ik weet het wel, dat ik zoo beverig ben van het hoofd tot de voeten; maar ik ben zoo raar, dat ik u om een glas wijn en een stukje van dien koek moet verzoeken. Ik dacht, dat ik op de trap in het venster zou zijn gevallen, toen ik naar beneden kwam, nadat ik Fanny-lief had gezien en dat hartepitje.” Deze laatste woorden werden haar door eene plotseling opkomende herinnering aan den jonggeborene ontlokt.
Hierop volgde een zacht kloppen aan de deur.
“Mevrouw Chick,” zeide eene vleiende vrouwenstem buiten de deur, “hoe gaat het u nu, lieve vriendin?”—“Beste Paul,” zeide Louise zacht, terwijl zij opstond, “het is jufvrouw Tox, het goedhartigste mensch! Zonder haar had ik onmogelijk hier kunnen komen.—Jufvrouw Tox, mijn broeder, mijnheer Dombey! Lieve Paul, mijne intieme vriendin, jufvrouw Tox!”
De dame, welke zoo hartelijk werd geïntroduceerd, was eene lange, magere gedaante, die er zoo verlept uitzag, dat zij oorspronkelijk niet met vaste kleuren, zooals manufacturiers zeggen, gemaakt scheen te zijn, en langzamerhand door het wasschen verschoten was. Ware dit zoo niet geweest, dan had zij voor een model van innemendheid en beleefdheid kunnen gelden. Door lange gewoonte om met bewondering naar al wat zij hoorde te luisteren, en de sprekers daarbij aan te zien, alsof zij hunne beelden in haar gemoed wilde drukken, om die eerst met haar leven weder te verliezen, had haar hoofd zich geheel op ééne zijde vastgezet. Hare handen hadden zekere gestadige kramptrekkingen om zich van zelven, als uit onwillekeurige bewondering, op te heffen. Hare oogen waren aan eene dergelijke aandoening onderhevig. Zij had de zachtste stem, die iemand ooit hoorde; en haar neus, verbazend sterk gebogen, had een knobbeltje vlak bovenop, en liep van daar recht naar beneden, als met een onverwinnelijk besluit om zich nooit voor iets op te trekken.
De kleeding van jufvrouw Tox, hoewel zeer goed en fatsoenlijk, had iets hoekerigs en schraals. Zij droeg gewoonlijk onnoembare onkruidjes van bloempjes op hare hoeden en mutsen. In hare haren zag men somtijds vreemde grassoorten; en liefhebbers maakten de opmerking, dat bij al hare kragen, boordjes en andere voorwerpen van kleeding en opschik, die twee einden hadden, welke bestemd waren om bijeen te komen, deze twee einden het nooit eens waren en zich niet zonder tegenstand tot elkander wilden laten brengen. Zij had bontwerk als winterdracht, gelijk kragen, boa’s en moffen, waarvan het haar altijd te berge gerezen was, en nooit glad lag. Het scheen hare liefhebberij, beursjes en taschjes bij zich te dragen met knipjes er aan, die afgingen als pistooltjes, wanneer zij toegedaan werden; en als zij in staatsie gekleed was, droeg zij aan haar hals het akeligste van alle medaillons, een oud vischachtig oog verbeeldende, dat zichtbaar blind was. Deze en andere verschijnselen van dergelijken aard, dienden om de meening voort te planten, dat jufvrouw Tox eene arme rentenierster was, die met haar sober bestaantje zoo goed mogelijk trachtte rond te komen. Misschien, dat haar trippelende stap deze meening nog versterkte en deed gelooven, dat zij daarom eene schrede van gewone wijdte in tweeën of drieën knipte, omdat zij gewoon was alles zoo zuinig uit te meten als maar mogelijk was.
“Ik moet verzekeren,” zeide jufvrouw Tox,[5]verbazend diep nijgende, “dat de eer, om bij mijnheer Dombey geïntroduceerd te worden, eene onderscheiding is, waarnaar ik lang heb verlangd, maar die ik op het oogenblik weinig verwachtte. Lieve mevrouw Chick—mag ik zeggen Louise?”
Mevrouw Chick nam de hand van jufvrouw Tox in de hare, zette den voet van haar wijnglas daarop, bedwong een traan, en zeide met eene zachte stem: “O mijn hemel!”—“LieveLouise, dan!” hervatte jufvrouw Tox. “Liefste vriendin, hoe gaat het u nu?”—“Beter,” antwoordde mevrouw Chick. “Drink een glas wijn. Gij zijt bijna even aangedaan geweest als ik, en zult het zeker noodig hebben.”
Dombey bood de dame terstond een glas wijn.
“Daar jufvrouw Tox wist, Paul,” zeide mevrouw Chick, nog de hand van hare vriendin vasthoudende, “met hoeveel belangstelling ik de gebeurtenis van vandaag te gemoet zag, heeft zij een presentje voor Fanny gemaakt, dat ik haar beloofd heb aan te bieden. Het is maar een speldenkussen voor de toilettafel, Paul! maar ik zeg, en moet en wil zeggen, dat jufvrouw Tox de gewone spreuk heel aardig op deze gelegenheid toepasselijk heeft gemaakt. “Welkom, kleineDombey!” noem ik waarlijk iets dichterlijks.”—“Is dat het devies?” vroeg haar broeder.—“Ja, dat is het devies,” antwoordde Louise.—“Maar gij moet mij ook het recht doen om te bedenken, lieve Louise,” zeide jufvrouw Tox op een vriendelijk en ernstig verzoekenden toon, “dat alleen de—ik weet bijna niet hoe ik het zeggen zal—alleen de twijfelachtigheid van den afloop mij heeft gedrongen om zulk eene vrijheid te nemen. “Welkom, jonge heer Dombey!” zou mijn gevoel veel beter hebben uitgedrukt, zooals gij ook wel weet. Maar de onzekerheid, welke met de komst van zulke kleine engeltjes verbonden is, zal, hoop ik, iets verontschuldigen, dat anders eene onvoegzame familiariteit zou gelijken.” Dit zeggende, maakte jufvrouw Tox eene sierlijke buiging naar den kant van Dombey, welke deze heer minzaam beantwoordde. De soort van erkenning van Dombey en Zoon, welke in het gevoerde gesprek lag opgesloten, beviel hem zoowel, dat zijne zuster—hoewel hij deed, alsof hij haar al te zwak en teerhartig vond—misschien meer invloed op hem bezat dan iemand anders.—“Wel,” zeide mevrouw Chick met een zachten glimlach, “nu dit gebeurd is, vergeef ik Fanny alles.”
Dit was eene christelijke verklaring, en mevrouw Chick gevoelde er zich het hart door verlicht. Niet dat zij hare schoonzuster iets bijzonders, of in het geheel iets ter wereld, te vergeven had, behalve dat zij haar broeder had getrouwd—op zich zelf eene soort van vermetelheid—en dat zij naderhand een meisje, in plaats van een jongen, ter wereld had gebracht, hetgeen, gelijk mevrouw Chick meermalen had aangemerkt, eigenlijk niet was wat zij van haar verwacht had, en geene pleizierige beantwoording was van de oplettendheid en onderscheiding, die haar te beurt waren gevallen.
Daar Dombey op dit oogenblik haastig uit de kamer werd geroepen, bleven de beide dames te zamen alleen. Jufvrouw Tox kreeg oogenblikkelijk eene vlaag van hare kramp.
“Ik wist wel, dat gij mijn broeder zoudt bewonderen. Ik heb het u vooraf gezegd, lieve!” zeide Louise.
De handen en oogen van jufvrouw Tox poogden uit te drukken, hoe groot die bewondering was.
“En wat zijn vermogen betreft, lieve!”—“O-o!” zeide jufvrouw Tox met diep gevoel.—“Ont-zag-lijk!”—“Maar zijne manieren van doen en spreken, lieve Louise!” hervatte jufvrouw Tox. “Zijn voorkomen, zijne deftigheid. Geen portret, dat ik ooit gezien heb, had half zooveel daarvan. Iets zoo statigs, weet ge, zoo manhaftigs, zoo breed over de borst, zoo recht op! De Hertog vanYorkin een koopman herschapen, en geen haar daar beneden, zoo zou ik hem uitduiden.”—“Hoe, lieve Paul!” riep zijne zuster uit, toen Dombey weder binnenkwam. “Gij ziet zoo bleek. Er scheelt toch niets aan?”—“Het spijt mij, dat ik het zeggen moet, Louise! Zij zeggen mij, dat Fanny …”—“Och, beste Paul!” zeide zijne zuster, opstaande, “geloof het niet. Als gij eenig vertrouwen in mijne ondervinding stelt, Paul, kunt gij verzekerd wezen, dat er niets ander noodig is, dan dat Fanny zich wat inspant, om zich op te beuren. En om die inspanning te doen,” vervolgde zij, terwijl zij haar hoed afzette, en met drukte hare muts verschikte en hare handschoenen optrok, “moet zij aangemoedigd, ja zelfs, als het noodig is, werkelijk gedrongen worden. Kom, lieve Paul! ga met mij mede naar boven.”
Dombey, die, behalve dat hij zich, om de vroeger vermelde reden, veelal door den invloed zijner zuster liet leiden, inderdaad vertrouwen stelde in hare ondervinding als huismoeder, sprak niet tegen, en volgde haar naar de kraamkamer.
Zijne vrouw lag in het bed, gelijk toen hij haar verliet, en hield hare dochter aan hare borst gedrukt. Het meisje klemde zich aan haar vast met dezelfde hartstochtelijkheid als te voren, en hield hare zachte wang tegen het gezicht van hare moeder gedrukt; zij hief haar hoofd niet op, zag niemand der aanwezigen eene enkele maal aan, sprak niet, bewoog zich niet, stortte geen traan.
“Zonder het meisje is zij onrustig,” fluisterde de dokter Dombey toe. “Wij vonden het best, haar maar weder te laten binnenkomen.”
Er was zulk eene plechtige stilte om het bed[6]heen, en de twee dokters schenen met zooveel medelijden en met zoo weinig hoop naar de roerlooze lijderes te zien, dat mevrouw Chick voor een oogenblik van haar voornemen werd afgebracht. Maar spoedig vatte zij moed, hernam wat zij hare tegenwoordigheid van geest noemde, zette zich naast het bed neder, en zeide op den zachten, maar dringenden toon van iemand, die een slapende wil wekken:
“Fanny, Fanny!”
Geen geluid gaf antwoord, behalve het tikken van de horloges van Dombey en dokter Peps, die in de stilte met elkander schenen te wedijveren.
“Lieve Fanny!” zeide mevrouw Chick met geveinsde luchtigheid: “daar is mijnheer Dombey, om u te komen zien. Wilt gij niet met hem spreken? Zij willen uw kleinen jongen—het kleintje, gij weet wel, Fanny! gij hebt het haast nog niet gezien, geloof ik—bij u in bed leggen; maar zij kunnen niet, als gij niet een beetje opkomt. Denkt gij niet, dat het tijd is om wat op te komen? Zeg!”
Zij boog zich met een luisterend oor over het bed, terwijl zij te gelijk de omstanders aanzag en haar vinger opstak.
“Hé?” herhaalde zij. “Wat zeidet gij daar, Fanny, Fanny? Ik heb u niet verstaan.”
Geen woord of klank gaf antwoord. De twee horloges schenen nog harder te wedijveren.
“Kom, lieve Fanny! Waarlijk,” zeide de schoonzuster, terwijl zij zich verschikte, en in weerwil van haar zelve een minder gerusten en te gelijk ernstiger toon aannam, “ik zal boos op u worden, als gij niet wat opkomt. Het is noodig voor u, dat gij u wat inspant; en het kan wel wezen, dat die inspanning u moeielijk valt en gij er geen lust toe hebt; maar de wereld is vol moeite, Fanny! dat weet ge, en wij moeten ons nooit in zwakheid toegeven, als er zooveel op ons aankomt. Kom, beproef het eens! Ik zal waarlijk op u moeten knorren, als gij het niet doet.”
In de stilte, welke nu volgde, werd de wedstrijd der horloges razend driftig; zij schenen elkander op de hielen te trappen en te doen struikelen.
“Fanny!” zeide Louise, met toenemende ongerustheid om zich heen ziende. “Zie mij maar eens aan! Open nu uwe oogen maar eens, om mij te toonen, dat ge mij hoort en verstaat; wilt ge? Goede hemel, heeren! wat zullen wij doen?”
De twee dokters wisselden over het bed heen een blik met elkander, en de huisdokter bukte en fluisterde het meisje iets in het oor. Daar de kleine niet verstaan had wat hij zeide, keerde zij haar doodsbleek gezichtje naar hem toe, en vestigde hare donkere oogen op hem, maar zonder in het minst hare moeder los te laten. Hij fluisterde nog eens. “Mama!” zeide het kind.
Het stemmetje, zoo bekend en bemind, wekte zelfs in die flauwte een gering blijk van bewustzijn. Voor een oogenblik trilden de geslotene oogleden en trokken de neusvleugels, en zag men den flauwst mogelijken zweem van een glimlach.
“Mama!” riep het kind, overluid snikkende. “Och, lieve mama! Och, lieve mama!”
De dokter streek zacht de losse krullen van het kind van het gezicht en den mond der moeder weg. Helaas, hoe stil lag zij daar! hoe weinig adem was er, om ze te doen bewegen!
Zoo, al wat zij op de wereld liefhad aan hare borst drukkende, was de moeder in den laatsten slaap gezonken.
1In Engeland is het veelal de gewoonte, dat de verschillende vakken der geneeskunde door denzelfden persoon worden beoefend.VERT.↑
1In Engeland is het veelal de gewoonte, dat de verschillende vakken der geneeskunde door denzelfden persoon worden beoefend.VERT.↑
1In Engeland is het veelal de gewoonte, dat de verschillende vakken der geneeskunde door denzelfden persoon worden beoefend.VERT.↑
1In Engeland is het veelal de gewoonte, dat de verschillende vakken der geneeskunde door denzelfden persoon worden beoefend.
VERT.↑