[Inhoud]II.WAARIN TIJDIG RAAD GESCHAFT WORDT IN EENE VERLEGENHEID, DIE SOMTIJDS IN DE GEREGELDSTE HUISHOUDENS KAN PLAATS HEBBEN.“Ik zal er altijd blij om wezen,” zeide mevrouw Chick, “dat ik gezegd heb, toen ik nog weinig dacht, wat er voor ons aanstaande was—waarlijk alsof het mij zoo werd ingegeven—dat ik de arme lieve Fanny alles vergaf. Wat er ook gebeuren mag, dat zal mij altijd een troost zijn.”Mevrouw Chick maakte deze treffende aanmerking in de voorkamer, nadat zij weder boven was geweest, om naar de naaisters te zien, die aan den rouw bezig waren. Zij moest dienen tot stichting van mijnheer Chick, een dik heer, met een kaal hoofd en een groot gezicht, gewoon om zijne handen in zijne zakken te houden en genegen om gedurig wijsjes te neuriën en te fluiten, waarin hij zich zelven nu met moeite bedwong, daar hij inzag, hoe onwelvoeglijk zulke geluiden in een huis waren, dat in rouw gedompeld was.“Maak het u zelve niet al te druk, Louise,” zeide Chick, “of gij zult een zenuwtoeval krijgen, dat zie ik.—Ti-re-li, ti-re-lo! Hemel, ik vergat daar! Den eenen dag zijn wij nog hier, en den anderen al weg.”Mevrouw Chick stelde zich tevreden met een bestraffenden blik, en vervolgde toen hare rede.“Ik hoop,” zeide zij, “dat deze hartverscheurende gebeurtenis eene waarschuwing voor ons wezen zal, om ons er aan te gewennen onze krachten in te spannen en ons bijtijds op te beuren, als dat van ons geëischt wordt. Alles heeft eene les, als wij ze ons maar ten nutte willen maken. Het zal onze eigene schuld zijn, als wij deze niet in acht nemen.”Mijnheer Chick stoorde de ernstige stilte, welke op deze aanmerking volgde, met het[7]hoogst ongepaste wijsje van: “Daar was ereis een lappertje.” Maar hij bedwong zich terstond, niet zonder verlegenheid, en zeide, dat het zeker onze eigene schuld was, als wij van zulke treurige voorvallen geen nut trokken.“Men zou er evenwel beter nut van kunnen trekken,” antwoordde zijne echtgenoot, na eene korte poos van stilte, “dan door er de horlepijp of het even zinlooze als ongevoeligerumpti-diditimede te verbinden.” En inderdaad had Chick dit refrein, hetwelk zijne vrouw met gloeiende verachting uitsprak, binnensmonds geneuried.—“Het is maar uit gewoonte, lieve,” pleitte Chick.—“Gewoonte?” antwoordde zijne vrouw. “Zotheid! Als gij een redelijk wezen zijt, maak dan zulkebelachelijkeverontschuldigingen niet. Gewoonte! Als ik eens de gewoonte aannam (zooals gij het noemt) om tegen den zolder te loopen, gelijk de vliegen, zou ik er genoeg van hooren, dat durf ik zeggen.”Het scheen zoo waarschijnlijk, dat zulk eene gewoonte eenig gerucht zou maken, dat Chick het niet waagde dit gezegde tegen te spreken.“Hoe gaat het met het kindje, Louise?” vroeg mijnheer Chick, om op een ander onderwerp te komen.—“Wat voor een kindje meent ge?” vroeg mevrouw. “Zulk een troep kinderen als ik van morgen in de achterkamer heb gehad, zou niemand gelooven.”—“Een troep kinderen?” herhaalde Chick met eenigszins ongeruste verwondering.—“Bijna alle menschen zouden begrepen hebben,” zeide zijne vrouw, “dat nu de arme Fanny er niet meer is, het noodig wordt voor eene min te zorgen.”—“O, ja!” zeide Chick. “Toereloe—ik wil zeggen, zoo gaat het in de wereld. Ik hoop dat gij naar uw zin te recht gekomen zijt, lieve!”—“Zeker niet,” antwoordde mevrouw, “er is weinig kans op, zoover ik zien kan. Ondertusschen gaat het kind.…”—“Naar den drommel,” zeide Chick treurig. “Ja dat moet wel zoo.”Daar echter de verontwaardiging op het gezicht van zijne vrouw bij de gedachte, dat een Dombey daarheen zou kunnen gaan, hem onder het oog bracht, hoezeer hij zich vergrepen had, en hij zijn misslag door een goeden raad wilde herstellen, vervolgde hij:“Zou men voorloopig niet iets met een trekpot kunnen uitrichten?”Indien het zijne bedoeling was geweest spoedig een eind aan het gesprek te maken, had hij het niet beter kunnen overleggen. Na hem eenige oogenblikken met stilzwijgende berusting te hebben aangezien, ging mevrouw Chick plechtstatig naar het venster, en keek door eene reet van het gordijn, daar het geratel van wielen hare aandacht trok. Mijnheer Chick, die begreep dat hij voor het oogenblik het noodlot tegen zich had, zeide niets meer en blies den aftocht. Het ging echter niet altijd zoo met hem. Dikwijls had hij zelf de overhand, en dan strafte hij Louise duchtig af. In hun echtelijk gekibbel waren zij over het geheel een wel tegen elkander opgewassen paar. Het zou doorgaans zeer moeielijk zijn geweest om te wedden wie het winnen zou. Dikwijls, als mijnheer Chick geslagen scheen, keerde hij zich eensklaps om, verhing de bordjes, liet ze Louise om de ooren klateren, en joeg haar uit het veld. Daar hij er evenwel insgelijks aan bloot stond om op dezelfde wijs door zijne vrouw overrompeld te worden, gaf dit aan hunne schermutselingen eene onzekerheid, waardoor zij iets bijzonder levendigs kregen.Tusschen de wielen, waarvan zoo even gesproken is, was jufvrouw Tox aangekomen, en nu kwam zij buiten adem de kamer binnenloopen.“Lieve Louise,” zeide zij, “is de plaats nog open?”—“Och ja, goede ziel,” was het antwoord.—“Dan hoop en geloof ik,” hervatte jufvrouw Tox—“maar wacht een oogenblik, lieve! ik zal mijn gezelschap hier halen.”Zij liep even haastig heen als zij gekomen was, haalde haar gezelschap uit de huurkoets, en kwam er weldra mede aan. Het bleek toen, dat zij inderdaad een geheel gezelschap had medegebracht. De eerste daarvan was eene jonge vrouw, met een rond, gezond, blozend gezicht, en een kind in hare armen; de tweede nog eene jonge vrouw, minder gezet, maar ook met een rond gezicht, die aan elke hand een kind had, beide met even ronde gezichten; daarop volgde een kleine jongen met een rond gezicht, die alleen binnenkwam; en eindelijk een man met een rond gezicht, die op zijn arm nog een kleinen jongen had, met een even rond gezicht, dien hij op den vloer zette, en met eene schorre stem toefluisterde, om zich aan broertje John vast te houden.“Zie Louise,” zeide jufvrouw Tox, “daar ik wist hoe groot uwe verlegenheid was, en ik u gaarne wilde helpen, ben ik zelf naar koningin Charlotte’s Koninklijke Getrouwde Vrouwen gereden, die gij vergeten hadt, en heb daar gevraagd of er iemand was, die zij dachten dat geschikt zou zijn. Neen, zeiden ze, er was niemand. Toen zij mij dat antwoord gaven, verzeker ik u, werd ik om uwentwil bijna wanhopig. Maar toevallig hoorde eene van de Koninklijke Getrouwde Vrouwen mijne vraag, en herinnerde de Moeder aan eene andere, die naar huis was gegaan, en, naar zij zeide, waarschijnlijk juist geschikt zou wezen. Zoodra ik dit hoorde en het door de Moeder werd bevestigd—de getuigen waren uitmuntend—vroeg ik het adres, lieve, en reed weder voort.”—“Daarin herken ik mijne beste vriendin,” zeide Louise.—“Och neen, dat moet ge niet zeggen,” hervatte jufvrouw Tox. “Toen ik in het huis kwam—zoo zindelijk, lieve, ge zoudt van den vloer kunnen eten—vond ik de geheele familie aan tafel zitten; en daar ik begreep,[8]dat het beste bericht van hen u en mijnheer Dombey nooit half zooveel genoegen kon doen, als hen allen eens bijeen te zien, heb ik hen allen medegebracht. Deze heer,” zij wees hierbij naar den man met het ronde gezicht, “is de vader. Wilt ge zoo goed wezen om een beetje vooruit te komen, mijnheer?”Nadat de man bedremmeld aan dit verzoek had voldaan, bleef hij in het eerste gelid staan grinniken en giggelen.“Dit is zijne vrouw, gelijk van zelf spreekt,” zeide jufvrouw Tox, naar de jonge vrouw met het kindje wijzende. “Hoe vaart ge, Polly?”—“Tamelijk wel, mevrouw! dankje,” was het antwoord. Met oogmerk om de vrouw gunstig te doen uitkomen, had jufvrouw Tox hare vraag gedaan alsof zij inderdaad eene oude kennis, die zij in een poosje niet gezien had, naar haar welstand vroeg.—“Dat verheugt mij inderdaad,” zeide jufvrouw Tox. “Dat meisje is hare zuster, ongetrouwd, die bij haar woont, en op hare kinderen zou passen. Zij heet Jemima. Hoe vaart ge, Jemima?”—“Dankje, mevrouw! heel wel.”—“Dat verheugt me. Ik hoop dat het zoo met u blijven zal.—Vijf kinderen. Het jongste is zes weken. Die aardige kleine jongen, met een blaar op zijn neus, is de oudste. Die blaar, geloof ik,” vervolgde jufvrouw Tox, de familie rondom aanziende, “is zeker niet erfelijk, maar iets toevalligs.”—“Strijkijzer,” hoorde men den man brommen.—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer!” zeide jufvrouw Tox; “ge zegt?”—“Strijkijzer,” herhaalde hij.—“O ja,” zeide jufvrouw Tox. “Dat is waar. Ik had het vergeten. De kleine jongen heeft, terwijl zijne moeder er niet bij was, aan een heet strijkijzer willen ruiken. Gij hebt gelijk, mijnheer! Toen wij bij de deur kwamen, waart gij juist zoo goed om uw beroep te willen zeggen, namelijk.…?”—“Stoker,” antwoordde de man.—“Wat?” vroeg Tox, verwonderd.—“Stoker. Stoommachine.”—“O ja!” zeide jufvrouw Tox, hem peinzend aanziende, zonder, naar het scheen, nog recht te begrijpen, wat hij bedoelde. “En hoe bevalt het u, mijnheer?”—“Wat, mevrouw?”—“Dat; uw beroep?”—“O, tamelijk wel, mevrouw! De asch vliegt hier wel eens wat in,” zeide de man, naar zijne borst wijzende, “en dan spreekt iemand schor, zooals ik doe. Maar het is maar asch, mevrouw! geen grommigheid.”Mejuffer Tox scheen door dit antwoord zoo weinig licht te hebben gekregen, dat het haar moeielijk viel verder over het onderwerp te spreken. Maar mevrouw Chick loste haar af, door een streng examen te beginnen van Polly, hare kinderen, haar trouwbrief, hare getuigschriften, enz. Daar Polly deze vuurproef ongezengd doorstond, ging mevrouw Chick met het verslag naar haar broeders kamer, en als eene nadrukkelijke bevestiging daarvan, nam zij de twee blozendste kleine Toodle’s mede. Toodle was de naam van de familie met de ronde gezichten.Dombey was sedert den dood zijner vrouw in zijne kamer gebleven, verzonken in gepeinzen over de jeugd, de opvoeding en de bestemming van zijn pasgeboren zoon. Er lag hem iets op het koele hart, kouder en zwaarder dan de last, dien het gewoonlijk droeg; maar het was meer een gevoel van het verlies, dat het kind had getroffen, dan zijn eigen, hetwelk eene bijna toornige smart in hem opwekte. Dat het leven en de ontwikkeling, waarop hij zooveel hoop had gebouwd, in het eerste begin door zulk eene geringe behoefte in gevaar gebracht werden,—dat het huis van Dombey en Zoon waggelde bij gebrek aan eene min, dit was eene zware vernedering. En echter, in zijne trotschheid en ijverzucht, was de gedachte hem zoo bitter, om bij den eersten stap ter vervulling van het verlangen zijner ziel, afhankelijk te wezen van eene huurlinge, welke gedurende dien tijd alles voor het kind moest wezen, wat zelfs de verbintenis methemzijne eigene vrouw kon gemaakt hebben, dat hij bij elke nieuwe verwerping eener zich aanbiedende min eene geheime blijdschap gevoelde. De tijd was echter nu gekomen, dat hij zich niet langer tusschen deze twee richtingen van zijn gevoel kon verdeelen, des te minder daar er niets tegen de aanspraken van Polly Toodle scheen te zijn in te brengen, nadat zijne zuster die, met vele lofspraken op de onvermoeibare vriendschap van jufvrouw Tox, had uiteengezet.“Die kinderen zien er gezond uit,” zeide Dombey. “Maar te denken dat zij eens aanspraak zullen maken op een soort van betrekking op Paul! Breng hen weg, Louise! Laat mij die vrouw en haar man zien.”Mevrouw Chick bracht het teedere paar Toodle’s weder weg, en kwam terstond terug met het steviger paar, dat haar broeder had bevolen hem te laten bezichtigen.“Goede vrouw!” zeide Dombey, zich in zijn leuningstoel omkeerende, alsof hij uit een stuk bestond, en niet een mensch met geledingen was, “ik verneem, dat gij arm zijt, en geld wilt verdienen met het kleine kind, mijn zoon, te minnen, die zoo vroeg beroofd is van iets, dat nooit vervangen kan worden. Ik heb er niet tegen, dat gij op die wijze uw huishouden ondersteunt. Zoover ik zeggen kan, schijnt gij eene verdienstelijke persoon te zijn. Maar ik moet u een of twee voorwaarden opleggen, eer gij in die betrekking in mijn huis komt. Terwijl gij hier zijt, moet ik vorderen, dat gij u—.… bij voorbeeld Richards laat noemen—een gewone en gemakkelijke naam. Hebt gij er iets tegen om u Richards te laten noemen? Het zou best wezen dat ge er u met uw man over onderhieldt.”Daar de man niets deed dan grinniken en[9]giggelen en met zijne rechterhand over zijn mond strijken, nam zijne vrouw het woord, nadat zij hem een paar malen vruchteloos had aangestooten, en zeide nijgende, dat, als zij zich met een anderen naam moest laten noemen, men dit misschien bij de huur in aanmerking zou nemen.“O, natuurlijk!” zeide Dombey. “Ik verlang de zaak tot niets anders dan een huurcontract te maken. Nu, Richards! als gij mijn verlaten kind mint, verlang ik, dat gij dit altijd zult onthouden. Gij zult eene ruime belooning ontvangen voor het bewijzen van zekere diensten, onder het bewijzen van welke ik verlang, dat gij uwe familie zoo weinig zien zult als mogelijk is. Als die diensten niet meer noodig zijn, en het loon niet meer betaald wordt, is er een eind aan alle betrekking tusschen ons. Begrijpt ge mij?”Vrouw Toodle scheen er aan te twijfelen, en wat Toodle zelf aangaat, deze twijfelde volstrekt niet, dat hij er niets van vatte.Misschien houd ik veel van krakelingen, maar daarom spreekt het nog niet van zelf, dat ik ze bij de thee hebben zal. (blz. 13).Misschien houd ik veel van krakelingen, maar daarom spreekt het nog niet van zelf, dat ik ze bij de thee hebben zal.(blz. 13).“Gij hebt kinderen van u zelve,” hervatte Dombey. “Het is volstrekt niet in het accoord begrepen, dat gij u aan mijn kind behoeft te hechten, of dat mijn kind zich aan u behoeft te hechten. Ik verlang of verwacht niets van dien aard; juist het tegendeel. Als gij hier vandaan gaat, zult gij iets afgedaan hebben, dat niets anders is dan eene zaak van koop of[10]verkoop, of van huur en verhuur, en derhalve kunt gij dan wegblijven. Het kind zal ophouden zich u te herinneren, en gij kunt, als het u belieft, ook ophouden u het kind te herinneren.”Vrouw Toodle antwoordde met een weinigje meer kleur op de wangen dan zij te voren had, dat zij hoopte, dat zij zich zelve en hare plaats wel kende.“Dat hoop ik, Richards!” hervatte Dombey. “Ik twijfel niet, of gij kent die wel. De zaak is ook zoo duidelijk, dat het bijna niet anders kan. Louise, schik het nu met Richards over het geld, en betaal haar wanneer en op welken voet zij wil. Goede vriend, nog een woordje met u!”Aldus op den drempel gestuit, terwijl hij achter zijne vrouw de kamer wilde uitgaan, keerde Toodle zich om en bleef voor Dombey staan. Hij was een forsch, onbehouwen man, met ronde schouders en een ongepolijst voorkomen, wien de kleederen als aan het lijf waren gesmeten, ruim van haren en baard voorzien, welker kleur misschien door rook en kolenstof wat donkerder was geworden, met harde knokkige handen, en een voorhoofd zoo ruw als de schors van een eik. In alle opzichten vormde hij een volmaakt contrast met Dombey, een van die glad geschoren en kort geknipte rijke heeren, die zoo glad en krakig zijn als de nieuwe banknoten, en wier zenuwen kunstmatig opgespannen schijnen te zijn door de prikkelende werking van gouden stortbaden.“Gij hebt een zoon, geloof ik?” zeide Dombey.—“Vier, mijnheer! Vierhijenen éénzij. Allemaal gezond en frisch.”—“Wel, dat is haast zooveel als gij onderhouden kunt?”—“Ik zou er toch niet graag een van verliezen, mijnheer!”—“Kunt gij lezen?”—“Niet te best, mijnheer!”—“Schrijven?”—“Met krijt, mijnheer?”—“Dat is hetzelfde.”—“Met krijt zou het mij wel een beetje lukken, geloof ik, als ik het doen moest,” zeide Toodle, na zich een poosje bedacht te hebben.—“En toch zijt ge twee en dertig jaren oud, denk, ik?” zeide Dombey.—“Daaromtrent geloof ik dat het wezen zal, mijnheer!” antwoordde Toodle, na zich nog eens bedacht te hebben.—“Waarom leert ge dan niet?” vroeg Dombey.—“Dat zal ik doen, mijnheer! Een van mijne kleine jongens zal mij leeren, als hij oud genoeg is en zelf op school is geweest.”—“Welnu!” zeide Dombey, nadat hij den man opmerkzaam en niet zeer gunstig had aangezien, terwijl deze in de kamer rondstaarde, voornamelijk naar den zolder, en nog gedurig zijn mond afveegde. “Gij hebt gehoord, wat ik zoo even tegen uwe vrouw gezegd heb?”—“Polly heeft het gehoord,” antwoordde Toodle, met zijn hoed over zijn schouder heen naar de deur wijzende, als verliet hij zich in alles geheel op zijne wederhelft.—“Daar gij alles aan haar schijnt over te laten,” zeide Dombey, te leur gesteld in zijn voornemen om zijne inzichten nog meer bepaald aan den man te doen begrijpen, “geloof ik, dat het mij niet baten zal iets tegen u te zeggen.”—“Volstrekt niet,” antwoordde Toodle. “Polly heeft het wel gehoord. Zij is bij de hand, mijnheer!”—“Ik zal u dan niet langer ophouden,” zeide Dombey verdrietig. “Waar hebt gij al uw leven gewerkt?”—“Meest onder den grond, mijnheer, tot ik getrouwd ben. Toen ben ik boven gekomen. Ik zal naar een van die spoorwegen hier gaan, als ze in vollen gang komen.”Gelijk het laatste strootje den overladen kameel de ruggegraat breekt, zoo verpletterde dit ondergrondsche bericht de bezwijkende geestkracht van Dombey. Hij wees den pleegvader van zijn kind naar de deur, waarop deze zich niet ongaarne wegmaakte, draaide toen den sleutel om, en stapte in diepe neerslachtigheid het vertrek op en neder. Ondanks zijne stijve, onbuigzame deftigheid en bedaardheid, moest hij de tranen die hem verblindden, uit zijne oogen vegen; en dikwijls zeide hij met eene ontroering, waarbij hij voor de geheele wereld geen getuige had willen hebben: “Arme kleine!”Het was misschien een bijzondere trek van Dombey’s trotschheid, dat hij in het kind zich zelven beklaagde. Hij zeide niet: “ik arme weduwnaar, die gedwongen ben mijn vertrouwen te stellen op de vrouw van een lompen kerel, die al zijn leven “meest onder den grond” heeft gewerkt, en aan wiens deur de Dood toch nog nooit heeft aangeklopt, en aan wiens armoedige tafel dagelijks vier zonen zitten!”—maar: “Arme kleine!”Met deze woorden op de lippen, viel het hem in—en het is een blijk hoe sterk al zijne hoop en vrees, al zijne gedachten op één punt gevestigd waren—dat de vrouw in eene zware verzoeking werd gebracht. Haar kind was ook een jongen. Zou het nu niet mogelijk zijn, dat zij de kinderen verruilde?Hoewel hij zich spoedig verzekerd hield, dat hij deze gedachte als te romanesk en te onwaarschijnlijk van zich had verwijderd,—schoon de zaak toch mogelijk bleef, dit was niet te ontkennen,—kon hij niet nalaten er in zooverre aan te blijven hechten, dat zijne verbeelding hem een tafereel ophing, wat zijn toestand wezen zou, indien hij ooit zulk een bedrog ontdekte, wanneer hij oud geworden was. Zou iemand in die omstandigheid in staat wezen om de vrucht van zoovele jaren van gewoonte, vertrouwen en geloof den bedrieger te ontrukken, en er een vreemdeling mede te begiftigen?Naarmate zijne buitengewone ontroering bedaarde, verdwenen ook langzamerhand deze schrikbeelden, hoewel er nog zooveel van hunne schaduw overbleef, dat hij volhardde bij het besluit om Richards zelf nauwkeurig in het oog te houden, zonder te laten blijken dat hij zulks[11]deed. Nu hij wat beter te moede was, beschouwde hij den levensstand der vrouw als eene veeleer gunstige dan onaangename omstandigheid, daar die op zich zelve een breeden slagboom tusschen haar en het kind plaatste, en de onderscheiding gemakkelijk en natuurlijk maakte.Ondertusschen werden tusschen mevrouw Chick en Richards, met behulp van jufvrouw Tox, de conditiën geregeld en bepaald, en nadat aan Richards met groote plechtigheid het wichtje, dat het kantoor Dombey en Zoon ten steun moest wezen, was overgegeven, gaf zij het hare met vele kussen en tranen aan Jemima. Daarna werd er wijn geschonken, om den zinkenden moed der familie op te beuren.“Gij zult toch ook wel een glas nemen, niet waar, mijnheer?” zeide jufvrouw Tox, toen Toodle binnentrad.—“Als je blieft, mevrouw, als ik u niet ontrijf,” was het antwoord.—“En gij zijt zeker wel blijde, dat gij uwe lieve, goede vrouw in zulk een goed huis laat, niet waar, mijnheer?” hervatte zij, hem tersluiks wenkende en toeknikkende.—“Neen, mevrouw!” was het antwoord. “Ik wou dat ik haar al weerom had.”Polly begon hierop nog meer te schreien. Mevrouw Chick vreesde, als ervaren huismoeder, dat het toegeven aan deze smart den kleinen Dombey nadeelig zou kunnen zijn. “Ik ben bang voor het zuur,” fluisterde zij jufvrouw Tox toe, en haastte zich om Polly te troosten.“Uw kindje zal bij uwe zuster Jemima bloeien als eene roos, Richards!” zeide zij, “en gij moet u maar wat opbeuren—altijd moet men zich opbeuren in de wereld, weet ge—om heel gelukkig te zijn. Men heeft immers al de maat genomen voor uw rouwgoed, niet waar, Richards?”—“Ja—ja, mevrouw” snikte Polly.—“En het zal u uitmuntend passen, dat weet ik,” hervatte mevrouw Chick, “want hetzelfde meisje heeft een aantal kleedjes voor mij gemaakt. En van de beste stof ook!”—“Gij zult zoo mooi wezen, dat uw man u niet kennen zal, niet waar, mijnheer?” zeide jufvrouw Tox.—“Ik zou haar overal kennen, hoe zij er ook uitzag,” antwoordde Toodle barsch.Hij wilde zich blijkbaar niet laten omkoopen.“Wat het eten betreft, Richards!” hervatte mevrouw Chick, “het beste van alles staat voor u klaar. Gij hebt alle dag maar te bestellen wat gij eten wilt, en alles, waarin gij lust hebt, dat durf ik zeggen, zal zoo vlug aankomen, alsof gij eene dame waart.”—“Ja zeker,” zeide jufvrouw Tox, snel het woord vattende. “En wat bier aangaat—zooveel ge maar wilt, niet waar, Louise?”—“O zeker!” hervatte mevrouw Chick op denzelfden toon. “Maar een beetje voorzichtig wat groenten betreft, weet ge, lieve?”—“En misschien ook met ingelegd goed,” liet jufvrouw Tox er op volgen.—“Met deze uitzonderingen,” zeide Louise, “kan zij verkiezen wat zij maar begeert, zonder dat iemand haar beperken zal.”—“En dan, natuurlijk, weet ge,” hervatte jufvrouw Tox, “hoeveel zij ook van haar eigen lief kindje houden mag—en ik ben zeker, Louise! datgijhet haar niet kwalijk neemt, dat zij er veel van houdt?”—“O neen,” zeide mevrouw Chick goedertieren.—“Evenwel,” vervolgde jufvrouw Tox, “moet zij natuurlijk groot belang stellen in het haar toevertrouwde pand, en het een voorrecht achten, om een kleinen engel, die zoo nauw verbonden is met de hoogere klassen, zich dagelijks langzamerhand te zien ontwikkelen aan eene gemeenschappelijke bron. Is het niet zoo, Louise?”—“Ongetwijfeld,” antwoordde mevrouw Chick. “Gij ziet, lieve vriendin! zij is al geheel tevreden en vergenoegd, en zal nu met een luchtig hart en een lachje hare zuster Jemima en hare lieve kleintjes en haar goeden braven man vaarwelzeggen. Dat zal zij immers, lieve?”—“O wel zeker zal zij dat,” zeide jufvrouw Tox.In weerwil hiervan omhelsde de arme Polly allen, een voor een, met groote droefheid, en liep eindelijk weg, om aan het afscheid tusschen haar en de kinderen een eind te maken. De list slaagde echter niet zoo goed als zij verdiend had, want de kleinste jongen op een na kroop op handen en voeten haar na, de trap op, en de oudste begon met de hakken zijner laarzen een dollen roffel te trommelen, om zijne smart lucht te geven, waarin de overigen der familie hartelijk deel namen.Een aantal sinaasappelen en halve stuivers, die den jeugdigen Toodle’s zonder onderscheid in de handen werden gestopt, stuitte de eerste uitbarsting hunner droefheid, en de familie werd spoedig weder naar huis gebracht in de huurkoets, welke te dien einde was blijven wachten. De kinderen, onder het opzicht van Jemima, verstopten het raampje van het portier, en strooiden den geheelen weg over sinaasappelen en kopergeld. Mijnheer Toodle verkoos liever op het achterbankje mede te rijden, als eene plaats waaraan hij best gewoon was.
[Inhoud]II.WAARIN TIJDIG RAAD GESCHAFT WORDT IN EENE VERLEGENHEID, DIE SOMTIJDS IN DE GEREGELDSTE HUISHOUDENS KAN PLAATS HEBBEN.“Ik zal er altijd blij om wezen,” zeide mevrouw Chick, “dat ik gezegd heb, toen ik nog weinig dacht, wat er voor ons aanstaande was—waarlijk alsof het mij zoo werd ingegeven—dat ik de arme lieve Fanny alles vergaf. Wat er ook gebeuren mag, dat zal mij altijd een troost zijn.”Mevrouw Chick maakte deze treffende aanmerking in de voorkamer, nadat zij weder boven was geweest, om naar de naaisters te zien, die aan den rouw bezig waren. Zij moest dienen tot stichting van mijnheer Chick, een dik heer, met een kaal hoofd en een groot gezicht, gewoon om zijne handen in zijne zakken te houden en genegen om gedurig wijsjes te neuriën en te fluiten, waarin hij zich zelven nu met moeite bedwong, daar hij inzag, hoe onwelvoeglijk zulke geluiden in een huis waren, dat in rouw gedompeld was.“Maak het u zelve niet al te druk, Louise,” zeide Chick, “of gij zult een zenuwtoeval krijgen, dat zie ik.—Ti-re-li, ti-re-lo! Hemel, ik vergat daar! Den eenen dag zijn wij nog hier, en den anderen al weg.”Mevrouw Chick stelde zich tevreden met een bestraffenden blik, en vervolgde toen hare rede.“Ik hoop,” zeide zij, “dat deze hartverscheurende gebeurtenis eene waarschuwing voor ons wezen zal, om ons er aan te gewennen onze krachten in te spannen en ons bijtijds op te beuren, als dat van ons geëischt wordt. Alles heeft eene les, als wij ze ons maar ten nutte willen maken. Het zal onze eigene schuld zijn, als wij deze niet in acht nemen.”Mijnheer Chick stoorde de ernstige stilte, welke op deze aanmerking volgde, met het[7]hoogst ongepaste wijsje van: “Daar was ereis een lappertje.” Maar hij bedwong zich terstond, niet zonder verlegenheid, en zeide, dat het zeker onze eigene schuld was, als wij van zulke treurige voorvallen geen nut trokken.“Men zou er evenwel beter nut van kunnen trekken,” antwoordde zijne echtgenoot, na eene korte poos van stilte, “dan door er de horlepijp of het even zinlooze als ongevoeligerumpti-diditimede te verbinden.” En inderdaad had Chick dit refrein, hetwelk zijne vrouw met gloeiende verachting uitsprak, binnensmonds geneuried.—“Het is maar uit gewoonte, lieve,” pleitte Chick.—“Gewoonte?” antwoordde zijne vrouw. “Zotheid! Als gij een redelijk wezen zijt, maak dan zulkebelachelijkeverontschuldigingen niet. Gewoonte! Als ik eens de gewoonte aannam (zooals gij het noemt) om tegen den zolder te loopen, gelijk de vliegen, zou ik er genoeg van hooren, dat durf ik zeggen.”Het scheen zoo waarschijnlijk, dat zulk eene gewoonte eenig gerucht zou maken, dat Chick het niet waagde dit gezegde tegen te spreken.“Hoe gaat het met het kindje, Louise?” vroeg mijnheer Chick, om op een ander onderwerp te komen.—“Wat voor een kindje meent ge?” vroeg mevrouw. “Zulk een troep kinderen als ik van morgen in de achterkamer heb gehad, zou niemand gelooven.”—“Een troep kinderen?” herhaalde Chick met eenigszins ongeruste verwondering.—“Bijna alle menschen zouden begrepen hebben,” zeide zijne vrouw, “dat nu de arme Fanny er niet meer is, het noodig wordt voor eene min te zorgen.”—“O, ja!” zeide Chick. “Toereloe—ik wil zeggen, zoo gaat het in de wereld. Ik hoop dat gij naar uw zin te recht gekomen zijt, lieve!”—“Zeker niet,” antwoordde mevrouw, “er is weinig kans op, zoover ik zien kan. Ondertusschen gaat het kind.…”—“Naar den drommel,” zeide Chick treurig. “Ja dat moet wel zoo.”Daar echter de verontwaardiging op het gezicht van zijne vrouw bij de gedachte, dat een Dombey daarheen zou kunnen gaan, hem onder het oog bracht, hoezeer hij zich vergrepen had, en hij zijn misslag door een goeden raad wilde herstellen, vervolgde hij:“Zou men voorloopig niet iets met een trekpot kunnen uitrichten?”Indien het zijne bedoeling was geweest spoedig een eind aan het gesprek te maken, had hij het niet beter kunnen overleggen. Na hem eenige oogenblikken met stilzwijgende berusting te hebben aangezien, ging mevrouw Chick plechtstatig naar het venster, en keek door eene reet van het gordijn, daar het geratel van wielen hare aandacht trok. Mijnheer Chick, die begreep dat hij voor het oogenblik het noodlot tegen zich had, zeide niets meer en blies den aftocht. Het ging echter niet altijd zoo met hem. Dikwijls had hij zelf de overhand, en dan strafte hij Louise duchtig af. In hun echtelijk gekibbel waren zij over het geheel een wel tegen elkander opgewassen paar. Het zou doorgaans zeer moeielijk zijn geweest om te wedden wie het winnen zou. Dikwijls, als mijnheer Chick geslagen scheen, keerde hij zich eensklaps om, verhing de bordjes, liet ze Louise om de ooren klateren, en joeg haar uit het veld. Daar hij er evenwel insgelijks aan bloot stond om op dezelfde wijs door zijne vrouw overrompeld te worden, gaf dit aan hunne schermutselingen eene onzekerheid, waardoor zij iets bijzonder levendigs kregen.Tusschen de wielen, waarvan zoo even gesproken is, was jufvrouw Tox aangekomen, en nu kwam zij buiten adem de kamer binnenloopen.“Lieve Louise,” zeide zij, “is de plaats nog open?”—“Och ja, goede ziel,” was het antwoord.—“Dan hoop en geloof ik,” hervatte jufvrouw Tox—“maar wacht een oogenblik, lieve! ik zal mijn gezelschap hier halen.”Zij liep even haastig heen als zij gekomen was, haalde haar gezelschap uit de huurkoets, en kwam er weldra mede aan. Het bleek toen, dat zij inderdaad een geheel gezelschap had medegebracht. De eerste daarvan was eene jonge vrouw, met een rond, gezond, blozend gezicht, en een kind in hare armen; de tweede nog eene jonge vrouw, minder gezet, maar ook met een rond gezicht, die aan elke hand een kind had, beide met even ronde gezichten; daarop volgde een kleine jongen met een rond gezicht, die alleen binnenkwam; en eindelijk een man met een rond gezicht, die op zijn arm nog een kleinen jongen had, met een even rond gezicht, dien hij op den vloer zette, en met eene schorre stem toefluisterde, om zich aan broertje John vast te houden.“Zie Louise,” zeide jufvrouw Tox, “daar ik wist hoe groot uwe verlegenheid was, en ik u gaarne wilde helpen, ben ik zelf naar koningin Charlotte’s Koninklijke Getrouwde Vrouwen gereden, die gij vergeten hadt, en heb daar gevraagd of er iemand was, die zij dachten dat geschikt zou zijn. Neen, zeiden ze, er was niemand. Toen zij mij dat antwoord gaven, verzeker ik u, werd ik om uwentwil bijna wanhopig. Maar toevallig hoorde eene van de Koninklijke Getrouwde Vrouwen mijne vraag, en herinnerde de Moeder aan eene andere, die naar huis was gegaan, en, naar zij zeide, waarschijnlijk juist geschikt zou wezen. Zoodra ik dit hoorde en het door de Moeder werd bevestigd—de getuigen waren uitmuntend—vroeg ik het adres, lieve, en reed weder voort.”—“Daarin herken ik mijne beste vriendin,” zeide Louise.—“Och neen, dat moet ge niet zeggen,” hervatte jufvrouw Tox. “Toen ik in het huis kwam—zoo zindelijk, lieve, ge zoudt van den vloer kunnen eten—vond ik de geheele familie aan tafel zitten; en daar ik begreep,[8]dat het beste bericht van hen u en mijnheer Dombey nooit half zooveel genoegen kon doen, als hen allen eens bijeen te zien, heb ik hen allen medegebracht. Deze heer,” zij wees hierbij naar den man met het ronde gezicht, “is de vader. Wilt ge zoo goed wezen om een beetje vooruit te komen, mijnheer?”Nadat de man bedremmeld aan dit verzoek had voldaan, bleef hij in het eerste gelid staan grinniken en giggelen.“Dit is zijne vrouw, gelijk van zelf spreekt,” zeide jufvrouw Tox, naar de jonge vrouw met het kindje wijzende. “Hoe vaart ge, Polly?”—“Tamelijk wel, mevrouw! dankje,” was het antwoord. Met oogmerk om de vrouw gunstig te doen uitkomen, had jufvrouw Tox hare vraag gedaan alsof zij inderdaad eene oude kennis, die zij in een poosje niet gezien had, naar haar welstand vroeg.—“Dat verheugt mij inderdaad,” zeide jufvrouw Tox. “Dat meisje is hare zuster, ongetrouwd, die bij haar woont, en op hare kinderen zou passen. Zij heet Jemima. Hoe vaart ge, Jemima?”—“Dankje, mevrouw! heel wel.”—“Dat verheugt me. Ik hoop dat het zoo met u blijven zal.—Vijf kinderen. Het jongste is zes weken. Die aardige kleine jongen, met een blaar op zijn neus, is de oudste. Die blaar, geloof ik,” vervolgde jufvrouw Tox, de familie rondom aanziende, “is zeker niet erfelijk, maar iets toevalligs.”—“Strijkijzer,” hoorde men den man brommen.—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer!” zeide jufvrouw Tox; “ge zegt?”—“Strijkijzer,” herhaalde hij.—“O ja,” zeide jufvrouw Tox. “Dat is waar. Ik had het vergeten. De kleine jongen heeft, terwijl zijne moeder er niet bij was, aan een heet strijkijzer willen ruiken. Gij hebt gelijk, mijnheer! Toen wij bij de deur kwamen, waart gij juist zoo goed om uw beroep te willen zeggen, namelijk.…?”—“Stoker,” antwoordde de man.—“Wat?” vroeg Tox, verwonderd.—“Stoker. Stoommachine.”—“O ja!” zeide jufvrouw Tox, hem peinzend aanziende, zonder, naar het scheen, nog recht te begrijpen, wat hij bedoelde. “En hoe bevalt het u, mijnheer?”—“Wat, mevrouw?”—“Dat; uw beroep?”—“O, tamelijk wel, mevrouw! De asch vliegt hier wel eens wat in,” zeide de man, naar zijne borst wijzende, “en dan spreekt iemand schor, zooals ik doe. Maar het is maar asch, mevrouw! geen grommigheid.”Mejuffer Tox scheen door dit antwoord zoo weinig licht te hebben gekregen, dat het haar moeielijk viel verder over het onderwerp te spreken. Maar mevrouw Chick loste haar af, door een streng examen te beginnen van Polly, hare kinderen, haar trouwbrief, hare getuigschriften, enz. Daar Polly deze vuurproef ongezengd doorstond, ging mevrouw Chick met het verslag naar haar broeders kamer, en als eene nadrukkelijke bevestiging daarvan, nam zij de twee blozendste kleine Toodle’s mede. Toodle was de naam van de familie met de ronde gezichten.Dombey was sedert den dood zijner vrouw in zijne kamer gebleven, verzonken in gepeinzen over de jeugd, de opvoeding en de bestemming van zijn pasgeboren zoon. Er lag hem iets op het koele hart, kouder en zwaarder dan de last, dien het gewoonlijk droeg; maar het was meer een gevoel van het verlies, dat het kind had getroffen, dan zijn eigen, hetwelk eene bijna toornige smart in hem opwekte. Dat het leven en de ontwikkeling, waarop hij zooveel hoop had gebouwd, in het eerste begin door zulk eene geringe behoefte in gevaar gebracht werden,—dat het huis van Dombey en Zoon waggelde bij gebrek aan eene min, dit was eene zware vernedering. En echter, in zijne trotschheid en ijverzucht, was de gedachte hem zoo bitter, om bij den eersten stap ter vervulling van het verlangen zijner ziel, afhankelijk te wezen van eene huurlinge, welke gedurende dien tijd alles voor het kind moest wezen, wat zelfs de verbintenis methemzijne eigene vrouw kon gemaakt hebben, dat hij bij elke nieuwe verwerping eener zich aanbiedende min eene geheime blijdschap gevoelde. De tijd was echter nu gekomen, dat hij zich niet langer tusschen deze twee richtingen van zijn gevoel kon verdeelen, des te minder daar er niets tegen de aanspraken van Polly Toodle scheen te zijn in te brengen, nadat zijne zuster die, met vele lofspraken op de onvermoeibare vriendschap van jufvrouw Tox, had uiteengezet.“Die kinderen zien er gezond uit,” zeide Dombey. “Maar te denken dat zij eens aanspraak zullen maken op een soort van betrekking op Paul! Breng hen weg, Louise! Laat mij die vrouw en haar man zien.”Mevrouw Chick bracht het teedere paar Toodle’s weder weg, en kwam terstond terug met het steviger paar, dat haar broeder had bevolen hem te laten bezichtigen.“Goede vrouw!” zeide Dombey, zich in zijn leuningstoel omkeerende, alsof hij uit een stuk bestond, en niet een mensch met geledingen was, “ik verneem, dat gij arm zijt, en geld wilt verdienen met het kleine kind, mijn zoon, te minnen, die zoo vroeg beroofd is van iets, dat nooit vervangen kan worden. Ik heb er niet tegen, dat gij op die wijze uw huishouden ondersteunt. Zoover ik zeggen kan, schijnt gij eene verdienstelijke persoon te zijn. Maar ik moet u een of twee voorwaarden opleggen, eer gij in die betrekking in mijn huis komt. Terwijl gij hier zijt, moet ik vorderen, dat gij u—.… bij voorbeeld Richards laat noemen—een gewone en gemakkelijke naam. Hebt gij er iets tegen om u Richards te laten noemen? Het zou best wezen dat ge er u met uw man over onderhieldt.”Daar de man niets deed dan grinniken en[9]giggelen en met zijne rechterhand over zijn mond strijken, nam zijne vrouw het woord, nadat zij hem een paar malen vruchteloos had aangestooten, en zeide nijgende, dat, als zij zich met een anderen naam moest laten noemen, men dit misschien bij de huur in aanmerking zou nemen.“O, natuurlijk!” zeide Dombey. “Ik verlang de zaak tot niets anders dan een huurcontract te maken. Nu, Richards! als gij mijn verlaten kind mint, verlang ik, dat gij dit altijd zult onthouden. Gij zult eene ruime belooning ontvangen voor het bewijzen van zekere diensten, onder het bewijzen van welke ik verlang, dat gij uwe familie zoo weinig zien zult als mogelijk is. Als die diensten niet meer noodig zijn, en het loon niet meer betaald wordt, is er een eind aan alle betrekking tusschen ons. Begrijpt ge mij?”Vrouw Toodle scheen er aan te twijfelen, en wat Toodle zelf aangaat, deze twijfelde volstrekt niet, dat hij er niets van vatte.Misschien houd ik veel van krakelingen, maar daarom spreekt het nog niet van zelf, dat ik ze bij de thee hebben zal. (blz. 13).Misschien houd ik veel van krakelingen, maar daarom spreekt het nog niet van zelf, dat ik ze bij de thee hebben zal.(blz. 13).“Gij hebt kinderen van u zelve,” hervatte Dombey. “Het is volstrekt niet in het accoord begrepen, dat gij u aan mijn kind behoeft te hechten, of dat mijn kind zich aan u behoeft te hechten. Ik verlang of verwacht niets van dien aard; juist het tegendeel. Als gij hier vandaan gaat, zult gij iets afgedaan hebben, dat niets anders is dan eene zaak van koop of[10]verkoop, of van huur en verhuur, en derhalve kunt gij dan wegblijven. Het kind zal ophouden zich u te herinneren, en gij kunt, als het u belieft, ook ophouden u het kind te herinneren.”Vrouw Toodle antwoordde met een weinigje meer kleur op de wangen dan zij te voren had, dat zij hoopte, dat zij zich zelve en hare plaats wel kende.“Dat hoop ik, Richards!” hervatte Dombey. “Ik twijfel niet, of gij kent die wel. De zaak is ook zoo duidelijk, dat het bijna niet anders kan. Louise, schik het nu met Richards over het geld, en betaal haar wanneer en op welken voet zij wil. Goede vriend, nog een woordje met u!”Aldus op den drempel gestuit, terwijl hij achter zijne vrouw de kamer wilde uitgaan, keerde Toodle zich om en bleef voor Dombey staan. Hij was een forsch, onbehouwen man, met ronde schouders en een ongepolijst voorkomen, wien de kleederen als aan het lijf waren gesmeten, ruim van haren en baard voorzien, welker kleur misschien door rook en kolenstof wat donkerder was geworden, met harde knokkige handen, en een voorhoofd zoo ruw als de schors van een eik. In alle opzichten vormde hij een volmaakt contrast met Dombey, een van die glad geschoren en kort geknipte rijke heeren, die zoo glad en krakig zijn als de nieuwe banknoten, en wier zenuwen kunstmatig opgespannen schijnen te zijn door de prikkelende werking van gouden stortbaden.“Gij hebt een zoon, geloof ik?” zeide Dombey.—“Vier, mijnheer! Vierhijenen éénzij. Allemaal gezond en frisch.”—“Wel, dat is haast zooveel als gij onderhouden kunt?”—“Ik zou er toch niet graag een van verliezen, mijnheer!”—“Kunt gij lezen?”—“Niet te best, mijnheer!”—“Schrijven?”—“Met krijt, mijnheer?”—“Dat is hetzelfde.”—“Met krijt zou het mij wel een beetje lukken, geloof ik, als ik het doen moest,” zeide Toodle, na zich een poosje bedacht te hebben.—“En toch zijt ge twee en dertig jaren oud, denk, ik?” zeide Dombey.—“Daaromtrent geloof ik dat het wezen zal, mijnheer!” antwoordde Toodle, na zich nog eens bedacht te hebben.—“Waarom leert ge dan niet?” vroeg Dombey.—“Dat zal ik doen, mijnheer! Een van mijne kleine jongens zal mij leeren, als hij oud genoeg is en zelf op school is geweest.”—“Welnu!” zeide Dombey, nadat hij den man opmerkzaam en niet zeer gunstig had aangezien, terwijl deze in de kamer rondstaarde, voornamelijk naar den zolder, en nog gedurig zijn mond afveegde. “Gij hebt gehoord, wat ik zoo even tegen uwe vrouw gezegd heb?”—“Polly heeft het gehoord,” antwoordde Toodle, met zijn hoed over zijn schouder heen naar de deur wijzende, als verliet hij zich in alles geheel op zijne wederhelft.—“Daar gij alles aan haar schijnt over te laten,” zeide Dombey, te leur gesteld in zijn voornemen om zijne inzichten nog meer bepaald aan den man te doen begrijpen, “geloof ik, dat het mij niet baten zal iets tegen u te zeggen.”—“Volstrekt niet,” antwoordde Toodle. “Polly heeft het wel gehoord. Zij is bij de hand, mijnheer!”—“Ik zal u dan niet langer ophouden,” zeide Dombey verdrietig. “Waar hebt gij al uw leven gewerkt?”—“Meest onder den grond, mijnheer, tot ik getrouwd ben. Toen ben ik boven gekomen. Ik zal naar een van die spoorwegen hier gaan, als ze in vollen gang komen.”Gelijk het laatste strootje den overladen kameel de ruggegraat breekt, zoo verpletterde dit ondergrondsche bericht de bezwijkende geestkracht van Dombey. Hij wees den pleegvader van zijn kind naar de deur, waarop deze zich niet ongaarne wegmaakte, draaide toen den sleutel om, en stapte in diepe neerslachtigheid het vertrek op en neder. Ondanks zijne stijve, onbuigzame deftigheid en bedaardheid, moest hij de tranen die hem verblindden, uit zijne oogen vegen; en dikwijls zeide hij met eene ontroering, waarbij hij voor de geheele wereld geen getuige had willen hebben: “Arme kleine!”Het was misschien een bijzondere trek van Dombey’s trotschheid, dat hij in het kind zich zelven beklaagde. Hij zeide niet: “ik arme weduwnaar, die gedwongen ben mijn vertrouwen te stellen op de vrouw van een lompen kerel, die al zijn leven “meest onder den grond” heeft gewerkt, en aan wiens deur de Dood toch nog nooit heeft aangeklopt, en aan wiens armoedige tafel dagelijks vier zonen zitten!”—maar: “Arme kleine!”Met deze woorden op de lippen, viel het hem in—en het is een blijk hoe sterk al zijne hoop en vrees, al zijne gedachten op één punt gevestigd waren—dat de vrouw in eene zware verzoeking werd gebracht. Haar kind was ook een jongen. Zou het nu niet mogelijk zijn, dat zij de kinderen verruilde?Hoewel hij zich spoedig verzekerd hield, dat hij deze gedachte als te romanesk en te onwaarschijnlijk van zich had verwijderd,—schoon de zaak toch mogelijk bleef, dit was niet te ontkennen,—kon hij niet nalaten er in zooverre aan te blijven hechten, dat zijne verbeelding hem een tafereel ophing, wat zijn toestand wezen zou, indien hij ooit zulk een bedrog ontdekte, wanneer hij oud geworden was. Zou iemand in die omstandigheid in staat wezen om de vrucht van zoovele jaren van gewoonte, vertrouwen en geloof den bedrieger te ontrukken, en er een vreemdeling mede te begiftigen?Naarmate zijne buitengewone ontroering bedaarde, verdwenen ook langzamerhand deze schrikbeelden, hoewel er nog zooveel van hunne schaduw overbleef, dat hij volhardde bij het besluit om Richards zelf nauwkeurig in het oog te houden, zonder te laten blijken dat hij zulks[11]deed. Nu hij wat beter te moede was, beschouwde hij den levensstand der vrouw als eene veeleer gunstige dan onaangename omstandigheid, daar die op zich zelve een breeden slagboom tusschen haar en het kind plaatste, en de onderscheiding gemakkelijk en natuurlijk maakte.Ondertusschen werden tusschen mevrouw Chick en Richards, met behulp van jufvrouw Tox, de conditiën geregeld en bepaald, en nadat aan Richards met groote plechtigheid het wichtje, dat het kantoor Dombey en Zoon ten steun moest wezen, was overgegeven, gaf zij het hare met vele kussen en tranen aan Jemima. Daarna werd er wijn geschonken, om den zinkenden moed der familie op te beuren.“Gij zult toch ook wel een glas nemen, niet waar, mijnheer?” zeide jufvrouw Tox, toen Toodle binnentrad.—“Als je blieft, mevrouw, als ik u niet ontrijf,” was het antwoord.—“En gij zijt zeker wel blijde, dat gij uwe lieve, goede vrouw in zulk een goed huis laat, niet waar, mijnheer?” hervatte zij, hem tersluiks wenkende en toeknikkende.—“Neen, mevrouw!” was het antwoord. “Ik wou dat ik haar al weerom had.”Polly begon hierop nog meer te schreien. Mevrouw Chick vreesde, als ervaren huismoeder, dat het toegeven aan deze smart den kleinen Dombey nadeelig zou kunnen zijn. “Ik ben bang voor het zuur,” fluisterde zij jufvrouw Tox toe, en haastte zich om Polly te troosten.“Uw kindje zal bij uwe zuster Jemima bloeien als eene roos, Richards!” zeide zij, “en gij moet u maar wat opbeuren—altijd moet men zich opbeuren in de wereld, weet ge—om heel gelukkig te zijn. Men heeft immers al de maat genomen voor uw rouwgoed, niet waar, Richards?”—“Ja—ja, mevrouw” snikte Polly.—“En het zal u uitmuntend passen, dat weet ik,” hervatte mevrouw Chick, “want hetzelfde meisje heeft een aantal kleedjes voor mij gemaakt. En van de beste stof ook!”—“Gij zult zoo mooi wezen, dat uw man u niet kennen zal, niet waar, mijnheer?” zeide jufvrouw Tox.—“Ik zou haar overal kennen, hoe zij er ook uitzag,” antwoordde Toodle barsch.Hij wilde zich blijkbaar niet laten omkoopen.“Wat het eten betreft, Richards!” hervatte mevrouw Chick, “het beste van alles staat voor u klaar. Gij hebt alle dag maar te bestellen wat gij eten wilt, en alles, waarin gij lust hebt, dat durf ik zeggen, zal zoo vlug aankomen, alsof gij eene dame waart.”—“Ja zeker,” zeide jufvrouw Tox, snel het woord vattende. “En wat bier aangaat—zooveel ge maar wilt, niet waar, Louise?”—“O zeker!” hervatte mevrouw Chick op denzelfden toon. “Maar een beetje voorzichtig wat groenten betreft, weet ge, lieve?”—“En misschien ook met ingelegd goed,” liet jufvrouw Tox er op volgen.—“Met deze uitzonderingen,” zeide Louise, “kan zij verkiezen wat zij maar begeert, zonder dat iemand haar beperken zal.”—“En dan, natuurlijk, weet ge,” hervatte jufvrouw Tox, “hoeveel zij ook van haar eigen lief kindje houden mag—en ik ben zeker, Louise! datgijhet haar niet kwalijk neemt, dat zij er veel van houdt?”—“O neen,” zeide mevrouw Chick goedertieren.—“Evenwel,” vervolgde jufvrouw Tox, “moet zij natuurlijk groot belang stellen in het haar toevertrouwde pand, en het een voorrecht achten, om een kleinen engel, die zoo nauw verbonden is met de hoogere klassen, zich dagelijks langzamerhand te zien ontwikkelen aan eene gemeenschappelijke bron. Is het niet zoo, Louise?”—“Ongetwijfeld,” antwoordde mevrouw Chick. “Gij ziet, lieve vriendin! zij is al geheel tevreden en vergenoegd, en zal nu met een luchtig hart en een lachje hare zuster Jemima en hare lieve kleintjes en haar goeden braven man vaarwelzeggen. Dat zal zij immers, lieve?”—“O wel zeker zal zij dat,” zeide jufvrouw Tox.In weerwil hiervan omhelsde de arme Polly allen, een voor een, met groote droefheid, en liep eindelijk weg, om aan het afscheid tusschen haar en de kinderen een eind te maken. De list slaagde echter niet zoo goed als zij verdiend had, want de kleinste jongen op een na kroop op handen en voeten haar na, de trap op, en de oudste begon met de hakken zijner laarzen een dollen roffel te trommelen, om zijne smart lucht te geven, waarin de overigen der familie hartelijk deel namen.Een aantal sinaasappelen en halve stuivers, die den jeugdigen Toodle’s zonder onderscheid in de handen werden gestopt, stuitte de eerste uitbarsting hunner droefheid, en de familie werd spoedig weder naar huis gebracht in de huurkoets, welke te dien einde was blijven wachten. De kinderen, onder het opzicht van Jemima, verstopten het raampje van het portier, en strooiden den geheelen weg over sinaasappelen en kopergeld. Mijnheer Toodle verkoos liever op het achterbankje mede te rijden, als eene plaats waaraan hij best gewoon was.
II.WAARIN TIJDIG RAAD GESCHAFT WORDT IN EENE VERLEGENHEID, DIE SOMTIJDS IN DE GEREGELDSTE HUISHOUDENS KAN PLAATS HEBBEN.
“Ik zal er altijd blij om wezen,” zeide mevrouw Chick, “dat ik gezegd heb, toen ik nog weinig dacht, wat er voor ons aanstaande was—waarlijk alsof het mij zoo werd ingegeven—dat ik de arme lieve Fanny alles vergaf. Wat er ook gebeuren mag, dat zal mij altijd een troost zijn.”Mevrouw Chick maakte deze treffende aanmerking in de voorkamer, nadat zij weder boven was geweest, om naar de naaisters te zien, die aan den rouw bezig waren. Zij moest dienen tot stichting van mijnheer Chick, een dik heer, met een kaal hoofd en een groot gezicht, gewoon om zijne handen in zijne zakken te houden en genegen om gedurig wijsjes te neuriën en te fluiten, waarin hij zich zelven nu met moeite bedwong, daar hij inzag, hoe onwelvoeglijk zulke geluiden in een huis waren, dat in rouw gedompeld was.“Maak het u zelve niet al te druk, Louise,” zeide Chick, “of gij zult een zenuwtoeval krijgen, dat zie ik.—Ti-re-li, ti-re-lo! Hemel, ik vergat daar! Den eenen dag zijn wij nog hier, en den anderen al weg.”Mevrouw Chick stelde zich tevreden met een bestraffenden blik, en vervolgde toen hare rede.“Ik hoop,” zeide zij, “dat deze hartverscheurende gebeurtenis eene waarschuwing voor ons wezen zal, om ons er aan te gewennen onze krachten in te spannen en ons bijtijds op te beuren, als dat van ons geëischt wordt. Alles heeft eene les, als wij ze ons maar ten nutte willen maken. Het zal onze eigene schuld zijn, als wij deze niet in acht nemen.”Mijnheer Chick stoorde de ernstige stilte, welke op deze aanmerking volgde, met het[7]hoogst ongepaste wijsje van: “Daar was ereis een lappertje.” Maar hij bedwong zich terstond, niet zonder verlegenheid, en zeide, dat het zeker onze eigene schuld was, als wij van zulke treurige voorvallen geen nut trokken.“Men zou er evenwel beter nut van kunnen trekken,” antwoordde zijne echtgenoot, na eene korte poos van stilte, “dan door er de horlepijp of het even zinlooze als ongevoeligerumpti-diditimede te verbinden.” En inderdaad had Chick dit refrein, hetwelk zijne vrouw met gloeiende verachting uitsprak, binnensmonds geneuried.—“Het is maar uit gewoonte, lieve,” pleitte Chick.—“Gewoonte?” antwoordde zijne vrouw. “Zotheid! Als gij een redelijk wezen zijt, maak dan zulkebelachelijkeverontschuldigingen niet. Gewoonte! Als ik eens de gewoonte aannam (zooals gij het noemt) om tegen den zolder te loopen, gelijk de vliegen, zou ik er genoeg van hooren, dat durf ik zeggen.”Het scheen zoo waarschijnlijk, dat zulk eene gewoonte eenig gerucht zou maken, dat Chick het niet waagde dit gezegde tegen te spreken.“Hoe gaat het met het kindje, Louise?” vroeg mijnheer Chick, om op een ander onderwerp te komen.—“Wat voor een kindje meent ge?” vroeg mevrouw. “Zulk een troep kinderen als ik van morgen in de achterkamer heb gehad, zou niemand gelooven.”—“Een troep kinderen?” herhaalde Chick met eenigszins ongeruste verwondering.—“Bijna alle menschen zouden begrepen hebben,” zeide zijne vrouw, “dat nu de arme Fanny er niet meer is, het noodig wordt voor eene min te zorgen.”—“O, ja!” zeide Chick. “Toereloe—ik wil zeggen, zoo gaat het in de wereld. Ik hoop dat gij naar uw zin te recht gekomen zijt, lieve!”—“Zeker niet,” antwoordde mevrouw, “er is weinig kans op, zoover ik zien kan. Ondertusschen gaat het kind.…”—“Naar den drommel,” zeide Chick treurig. “Ja dat moet wel zoo.”Daar echter de verontwaardiging op het gezicht van zijne vrouw bij de gedachte, dat een Dombey daarheen zou kunnen gaan, hem onder het oog bracht, hoezeer hij zich vergrepen had, en hij zijn misslag door een goeden raad wilde herstellen, vervolgde hij:“Zou men voorloopig niet iets met een trekpot kunnen uitrichten?”Indien het zijne bedoeling was geweest spoedig een eind aan het gesprek te maken, had hij het niet beter kunnen overleggen. Na hem eenige oogenblikken met stilzwijgende berusting te hebben aangezien, ging mevrouw Chick plechtstatig naar het venster, en keek door eene reet van het gordijn, daar het geratel van wielen hare aandacht trok. Mijnheer Chick, die begreep dat hij voor het oogenblik het noodlot tegen zich had, zeide niets meer en blies den aftocht. Het ging echter niet altijd zoo met hem. Dikwijls had hij zelf de overhand, en dan strafte hij Louise duchtig af. In hun echtelijk gekibbel waren zij over het geheel een wel tegen elkander opgewassen paar. Het zou doorgaans zeer moeielijk zijn geweest om te wedden wie het winnen zou. Dikwijls, als mijnheer Chick geslagen scheen, keerde hij zich eensklaps om, verhing de bordjes, liet ze Louise om de ooren klateren, en joeg haar uit het veld. Daar hij er evenwel insgelijks aan bloot stond om op dezelfde wijs door zijne vrouw overrompeld te worden, gaf dit aan hunne schermutselingen eene onzekerheid, waardoor zij iets bijzonder levendigs kregen.Tusschen de wielen, waarvan zoo even gesproken is, was jufvrouw Tox aangekomen, en nu kwam zij buiten adem de kamer binnenloopen.“Lieve Louise,” zeide zij, “is de plaats nog open?”—“Och ja, goede ziel,” was het antwoord.—“Dan hoop en geloof ik,” hervatte jufvrouw Tox—“maar wacht een oogenblik, lieve! ik zal mijn gezelschap hier halen.”Zij liep even haastig heen als zij gekomen was, haalde haar gezelschap uit de huurkoets, en kwam er weldra mede aan. Het bleek toen, dat zij inderdaad een geheel gezelschap had medegebracht. De eerste daarvan was eene jonge vrouw, met een rond, gezond, blozend gezicht, en een kind in hare armen; de tweede nog eene jonge vrouw, minder gezet, maar ook met een rond gezicht, die aan elke hand een kind had, beide met even ronde gezichten; daarop volgde een kleine jongen met een rond gezicht, die alleen binnenkwam; en eindelijk een man met een rond gezicht, die op zijn arm nog een kleinen jongen had, met een even rond gezicht, dien hij op den vloer zette, en met eene schorre stem toefluisterde, om zich aan broertje John vast te houden.“Zie Louise,” zeide jufvrouw Tox, “daar ik wist hoe groot uwe verlegenheid was, en ik u gaarne wilde helpen, ben ik zelf naar koningin Charlotte’s Koninklijke Getrouwde Vrouwen gereden, die gij vergeten hadt, en heb daar gevraagd of er iemand was, die zij dachten dat geschikt zou zijn. Neen, zeiden ze, er was niemand. Toen zij mij dat antwoord gaven, verzeker ik u, werd ik om uwentwil bijna wanhopig. Maar toevallig hoorde eene van de Koninklijke Getrouwde Vrouwen mijne vraag, en herinnerde de Moeder aan eene andere, die naar huis was gegaan, en, naar zij zeide, waarschijnlijk juist geschikt zou wezen. Zoodra ik dit hoorde en het door de Moeder werd bevestigd—de getuigen waren uitmuntend—vroeg ik het adres, lieve, en reed weder voort.”—“Daarin herken ik mijne beste vriendin,” zeide Louise.—“Och neen, dat moet ge niet zeggen,” hervatte jufvrouw Tox. “Toen ik in het huis kwam—zoo zindelijk, lieve, ge zoudt van den vloer kunnen eten—vond ik de geheele familie aan tafel zitten; en daar ik begreep,[8]dat het beste bericht van hen u en mijnheer Dombey nooit half zooveel genoegen kon doen, als hen allen eens bijeen te zien, heb ik hen allen medegebracht. Deze heer,” zij wees hierbij naar den man met het ronde gezicht, “is de vader. Wilt ge zoo goed wezen om een beetje vooruit te komen, mijnheer?”Nadat de man bedremmeld aan dit verzoek had voldaan, bleef hij in het eerste gelid staan grinniken en giggelen.“Dit is zijne vrouw, gelijk van zelf spreekt,” zeide jufvrouw Tox, naar de jonge vrouw met het kindje wijzende. “Hoe vaart ge, Polly?”—“Tamelijk wel, mevrouw! dankje,” was het antwoord. Met oogmerk om de vrouw gunstig te doen uitkomen, had jufvrouw Tox hare vraag gedaan alsof zij inderdaad eene oude kennis, die zij in een poosje niet gezien had, naar haar welstand vroeg.—“Dat verheugt mij inderdaad,” zeide jufvrouw Tox. “Dat meisje is hare zuster, ongetrouwd, die bij haar woont, en op hare kinderen zou passen. Zij heet Jemima. Hoe vaart ge, Jemima?”—“Dankje, mevrouw! heel wel.”—“Dat verheugt me. Ik hoop dat het zoo met u blijven zal.—Vijf kinderen. Het jongste is zes weken. Die aardige kleine jongen, met een blaar op zijn neus, is de oudste. Die blaar, geloof ik,” vervolgde jufvrouw Tox, de familie rondom aanziende, “is zeker niet erfelijk, maar iets toevalligs.”—“Strijkijzer,” hoorde men den man brommen.—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer!” zeide jufvrouw Tox; “ge zegt?”—“Strijkijzer,” herhaalde hij.—“O ja,” zeide jufvrouw Tox. “Dat is waar. Ik had het vergeten. De kleine jongen heeft, terwijl zijne moeder er niet bij was, aan een heet strijkijzer willen ruiken. Gij hebt gelijk, mijnheer! Toen wij bij de deur kwamen, waart gij juist zoo goed om uw beroep te willen zeggen, namelijk.…?”—“Stoker,” antwoordde de man.—“Wat?” vroeg Tox, verwonderd.—“Stoker. Stoommachine.”—“O ja!” zeide jufvrouw Tox, hem peinzend aanziende, zonder, naar het scheen, nog recht te begrijpen, wat hij bedoelde. “En hoe bevalt het u, mijnheer?”—“Wat, mevrouw?”—“Dat; uw beroep?”—“O, tamelijk wel, mevrouw! De asch vliegt hier wel eens wat in,” zeide de man, naar zijne borst wijzende, “en dan spreekt iemand schor, zooals ik doe. Maar het is maar asch, mevrouw! geen grommigheid.”Mejuffer Tox scheen door dit antwoord zoo weinig licht te hebben gekregen, dat het haar moeielijk viel verder over het onderwerp te spreken. Maar mevrouw Chick loste haar af, door een streng examen te beginnen van Polly, hare kinderen, haar trouwbrief, hare getuigschriften, enz. Daar Polly deze vuurproef ongezengd doorstond, ging mevrouw Chick met het verslag naar haar broeders kamer, en als eene nadrukkelijke bevestiging daarvan, nam zij de twee blozendste kleine Toodle’s mede. Toodle was de naam van de familie met de ronde gezichten.Dombey was sedert den dood zijner vrouw in zijne kamer gebleven, verzonken in gepeinzen over de jeugd, de opvoeding en de bestemming van zijn pasgeboren zoon. Er lag hem iets op het koele hart, kouder en zwaarder dan de last, dien het gewoonlijk droeg; maar het was meer een gevoel van het verlies, dat het kind had getroffen, dan zijn eigen, hetwelk eene bijna toornige smart in hem opwekte. Dat het leven en de ontwikkeling, waarop hij zooveel hoop had gebouwd, in het eerste begin door zulk eene geringe behoefte in gevaar gebracht werden,—dat het huis van Dombey en Zoon waggelde bij gebrek aan eene min, dit was eene zware vernedering. En echter, in zijne trotschheid en ijverzucht, was de gedachte hem zoo bitter, om bij den eersten stap ter vervulling van het verlangen zijner ziel, afhankelijk te wezen van eene huurlinge, welke gedurende dien tijd alles voor het kind moest wezen, wat zelfs de verbintenis methemzijne eigene vrouw kon gemaakt hebben, dat hij bij elke nieuwe verwerping eener zich aanbiedende min eene geheime blijdschap gevoelde. De tijd was echter nu gekomen, dat hij zich niet langer tusschen deze twee richtingen van zijn gevoel kon verdeelen, des te minder daar er niets tegen de aanspraken van Polly Toodle scheen te zijn in te brengen, nadat zijne zuster die, met vele lofspraken op de onvermoeibare vriendschap van jufvrouw Tox, had uiteengezet.“Die kinderen zien er gezond uit,” zeide Dombey. “Maar te denken dat zij eens aanspraak zullen maken op een soort van betrekking op Paul! Breng hen weg, Louise! Laat mij die vrouw en haar man zien.”Mevrouw Chick bracht het teedere paar Toodle’s weder weg, en kwam terstond terug met het steviger paar, dat haar broeder had bevolen hem te laten bezichtigen.“Goede vrouw!” zeide Dombey, zich in zijn leuningstoel omkeerende, alsof hij uit een stuk bestond, en niet een mensch met geledingen was, “ik verneem, dat gij arm zijt, en geld wilt verdienen met het kleine kind, mijn zoon, te minnen, die zoo vroeg beroofd is van iets, dat nooit vervangen kan worden. Ik heb er niet tegen, dat gij op die wijze uw huishouden ondersteunt. Zoover ik zeggen kan, schijnt gij eene verdienstelijke persoon te zijn. Maar ik moet u een of twee voorwaarden opleggen, eer gij in die betrekking in mijn huis komt. Terwijl gij hier zijt, moet ik vorderen, dat gij u—.… bij voorbeeld Richards laat noemen—een gewone en gemakkelijke naam. Hebt gij er iets tegen om u Richards te laten noemen? Het zou best wezen dat ge er u met uw man over onderhieldt.”Daar de man niets deed dan grinniken en[9]giggelen en met zijne rechterhand over zijn mond strijken, nam zijne vrouw het woord, nadat zij hem een paar malen vruchteloos had aangestooten, en zeide nijgende, dat, als zij zich met een anderen naam moest laten noemen, men dit misschien bij de huur in aanmerking zou nemen.“O, natuurlijk!” zeide Dombey. “Ik verlang de zaak tot niets anders dan een huurcontract te maken. Nu, Richards! als gij mijn verlaten kind mint, verlang ik, dat gij dit altijd zult onthouden. Gij zult eene ruime belooning ontvangen voor het bewijzen van zekere diensten, onder het bewijzen van welke ik verlang, dat gij uwe familie zoo weinig zien zult als mogelijk is. Als die diensten niet meer noodig zijn, en het loon niet meer betaald wordt, is er een eind aan alle betrekking tusschen ons. Begrijpt ge mij?”Vrouw Toodle scheen er aan te twijfelen, en wat Toodle zelf aangaat, deze twijfelde volstrekt niet, dat hij er niets van vatte.Misschien houd ik veel van krakelingen, maar daarom spreekt het nog niet van zelf, dat ik ze bij de thee hebben zal. (blz. 13).Misschien houd ik veel van krakelingen, maar daarom spreekt het nog niet van zelf, dat ik ze bij de thee hebben zal.(blz. 13).“Gij hebt kinderen van u zelve,” hervatte Dombey. “Het is volstrekt niet in het accoord begrepen, dat gij u aan mijn kind behoeft te hechten, of dat mijn kind zich aan u behoeft te hechten. Ik verlang of verwacht niets van dien aard; juist het tegendeel. Als gij hier vandaan gaat, zult gij iets afgedaan hebben, dat niets anders is dan eene zaak van koop of[10]verkoop, of van huur en verhuur, en derhalve kunt gij dan wegblijven. Het kind zal ophouden zich u te herinneren, en gij kunt, als het u belieft, ook ophouden u het kind te herinneren.”Vrouw Toodle antwoordde met een weinigje meer kleur op de wangen dan zij te voren had, dat zij hoopte, dat zij zich zelve en hare plaats wel kende.“Dat hoop ik, Richards!” hervatte Dombey. “Ik twijfel niet, of gij kent die wel. De zaak is ook zoo duidelijk, dat het bijna niet anders kan. Louise, schik het nu met Richards over het geld, en betaal haar wanneer en op welken voet zij wil. Goede vriend, nog een woordje met u!”Aldus op den drempel gestuit, terwijl hij achter zijne vrouw de kamer wilde uitgaan, keerde Toodle zich om en bleef voor Dombey staan. Hij was een forsch, onbehouwen man, met ronde schouders en een ongepolijst voorkomen, wien de kleederen als aan het lijf waren gesmeten, ruim van haren en baard voorzien, welker kleur misschien door rook en kolenstof wat donkerder was geworden, met harde knokkige handen, en een voorhoofd zoo ruw als de schors van een eik. In alle opzichten vormde hij een volmaakt contrast met Dombey, een van die glad geschoren en kort geknipte rijke heeren, die zoo glad en krakig zijn als de nieuwe banknoten, en wier zenuwen kunstmatig opgespannen schijnen te zijn door de prikkelende werking van gouden stortbaden.“Gij hebt een zoon, geloof ik?” zeide Dombey.—“Vier, mijnheer! Vierhijenen éénzij. Allemaal gezond en frisch.”—“Wel, dat is haast zooveel als gij onderhouden kunt?”—“Ik zou er toch niet graag een van verliezen, mijnheer!”—“Kunt gij lezen?”—“Niet te best, mijnheer!”—“Schrijven?”—“Met krijt, mijnheer?”—“Dat is hetzelfde.”—“Met krijt zou het mij wel een beetje lukken, geloof ik, als ik het doen moest,” zeide Toodle, na zich een poosje bedacht te hebben.—“En toch zijt ge twee en dertig jaren oud, denk, ik?” zeide Dombey.—“Daaromtrent geloof ik dat het wezen zal, mijnheer!” antwoordde Toodle, na zich nog eens bedacht te hebben.—“Waarom leert ge dan niet?” vroeg Dombey.—“Dat zal ik doen, mijnheer! Een van mijne kleine jongens zal mij leeren, als hij oud genoeg is en zelf op school is geweest.”—“Welnu!” zeide Dombey, nadat hij den man opmerkzaam en niet zeer gunstig had aangezien, terwijl deze in de kamer rondstaarde, voornamelijk naar den zolder, en nog gedurig zijn mond afveegde. “Gij hebt gehoord, wat ik zoo even tegen uwe vrouw gezegd heb?”—“Polly heeft het gehoord,” antwoordde Toodle, met zijn hoed over zijn schouder heen naar de deur wijzende, als verliet hij zich in alles geheel op zijne wederhelft.—“Daar gij alles aan haar schijnt over te laten,” zeide Dombey, te leur gesteld in zijn voornemen om zijne inzichten nog meer bepaald aan den man te doen begrijpen, “geloof ik, dat het mij niet baten zal iets tegen u te zeggen.”—“Volstrekt niet,” antwoordde Toodle. “Polly heeft het wel gehoord. Zij is bij de hand, mijnheer!”—“Ik zal u dan niet langer ophouden,” zeide Dombey verdrietig. “Waar hebt gij al uw leven gewerkt?”—“Meest onder den grond, mijnheer, tot ik getrouwd ben. Toen ben ik boven gekomen. Ik zal naar een van die spoorwegen hier gaan, als ze in vollen gang komen.”Gelijk het laatste strootje den overladen kameel de ruggegraat breekt, zoo verpletterde dit ondergrondsche bericht de bezwijkende geestkracht van Dombey. Hij wees den pleegvader van zijn kind naar de deur, waarop deze zich niet ongaarne wegmaakte, draaide toen den sleutel om, en stapte in diepe neerslachtigheid het vertrek op en neder. Ondanks zijne stijve, onbuigzame deftigheid en bedaardheid, moest hij de tranen die hem verblindden, uit zijne oogen vegen; en dikwijls zeide hij met eene ontroering, waarbij hij voor de geheele wereld geen getuige had willen hebben: “Arme kleine!”Het was misschien een bijzondere trek van Dombey’s trotschheid, dat hij in het kind zich zelven beklaagde. Hij zeide niet: “ik arme weduwnaar, die gedwongen ben mijn vertrouwen te stellen op de vrouw van een lompen kerel, die al zijn leven “meest onder den grond” heeft gewerkt, en aan wiens deur de Dood toch nog nooit heeft aangeklopt, en aan wiens armoedige tafel dagelijks vier zonen zitten!”—maar: “Arme kleine!”Met deze woorden op de lippen, viel het hem in—en het is een blijk hoe sterk al zijne hoop en vrees, al zijne gedachten op één punt gevestigd waren—dat de vrouw in eene zware verzoeking werd gebracht. Haar kind was ook een jongen. Zou het nu niet mogelijk zijn, dat zij de kinderen verruilde?Hoewel hij zich spoedig verzekerd hield, dat hij deze gedachte als te romanesk en te onwaarschijnlijk van zich had verwijderd,—schoon de zaak toch mogelijk bleef, dit was niet te ontkennen,—kon hij niet nalaten er in zooverre aan te blijven hechten, dat zijne verbeelding hem een tafereel ophing, wat zijn toestand wezen zou, indien hij ooit zulk een bedrog ontdekte, wanneer hij oud geworden was. Zou iemand in die omstandigheid in staat wezen om de vrucht van zoovele jaren van gewoonte, vertrouwen en geloof den bedrieger te ontrukken, en er een vreemdeling mede te begiftigen?Naarmate zijne buitengewone ontroering bedaarde, verdwenen ook langzamerhand deze schrikbeelden, hoewel er nog zooveel van hunne schaduw overbleef, dat hij volhardde bij het besluit om Richards zelf nauwkeurig in het oog te houden, zonder te laten blijken dat hij zulks[11]deed. Nu hij wat beter te moede was, beschouwde hij den levensstand der vrouw als eene veeleer gunstige dan onaangename omstandigheid, daar die op zich zelve een breeden slagboom tusschen haar en het kind plaatste, en de onderscheiding gemakkelijk en natuurlijk maakte.Ondertusschen werden tusschen mevrouw Chick en Richards, met behulp van jufvrouw Tox, de conditiën geregeld en bepaald, en nadat aan Richards met groote plechtigheid het wichtje, dat het kantoor Dombey en Zoon ten steun moest wezen, was overgegeven, gaf zij het hare met vele kussen en tranen aan Jemima. Daarna werd er wijn geschonken, om den zinkenden moed der familie op te beuren.“Gij zult toch ook wel een glas nemen, niet waar, mijnheer?” zeide jufvrouw Tox, toen Toodle binnentrad.—“Als je blieft, mevrouw, als ik u niet ontrijf,” was het antwoord.—“En gij zijt zeker wel blijde, dat gij uwe lieve, goede vrouw in zulk een goed huis laat, niet waar, mijnheer?” hervatte zij, hem tersluiks wenkende en toeknikkende.—“Neen, mevrouw!” was het antwoord. “Ik wou dat ik haar al weerom had.”Polly begon hierop nog meer te schreien. Mevrouw Chick vreesde, als ervaren huismoeder, dat het toegeven aan deze smart den kleinen Dombey nadeelig zou kunnen zijn. “Ik ben bang voor het zuur,” fluisterde zij jufvrouw Tox toe, en haastte zich om Polly te troosten.“Uw kindje zal bij uwe zuster Jemima bloeien als eene roos, Richards!” zeide zij, “en gij moet u maar wat opbeuren—altijd moet men zich opbeuren in de wereld, weet ge—om heel gelukkig te zijn. Men heeft immers al de maat genomen voor uw rouwgoed, niet waar, Richards?”—“Ja—ja, mevrouw” snikte Polly.—“En het zal u uitmuntend passen, dat weet ik,” hervatte mevrouw Chick, “want hetzelfde meisje heeft een aantal kleedjes voor mij gemaakt. En van de beste stof ook!”—“Gij zult zoo mooi wezen, dat uw man u niet kennen zal, niet waar, mijnheer?” zeide jufvrouw Tox.—“Ik zou haar overal kennen, hoe zij er ook uitzag,” antwoordde Toodle barsch.Hij wilde zich blijkbaar niet laten omkoopen.“Wat het eten betreft, Richards!” hervatte mevrouw Chick, “het beste van alles staat voor u klaar. Gij hebt alle dag maar te bestellen wat gij eten wilt, en alles, waarin gij lust hebt, dat durf ik zeggen, zal zoo vlug aankomen, alsof gij eene dame waart.”—“Ja zeker,” zeide jufvrouw Tox, snel het woord vattende. “En wat bier aangaat—zooveel ge maar wilt, niet waar, Louise?”—“O zeker!” hervatte mevrouw Chick op denzelfden toon. “Maar een beetje voorzichtig wat groenten betreft, weet ge, lieve?”—“En misschien ook met ingelegd goed,” liet jufvrouw Tox er op volgen.—“Met deze uitzonderingen,” zeide Louise, “kan zij verkiezen wat zij maar begeert, zonder dat iemand haar beperken zal.”—“En dan, natuurlijk, weet ge,” hervatte jufvrouw Tox, “hoeveel zij ook van haar eigen lief kindje houden mag—en ik ben zeker, Louise! datgijhet haar niet kwalijk neemt, dat zij er veel van houdt?”—“O neen,” zeide mevrouw Chick goedertieren.—“Evenwel,” vervolgde jufvrouw Tox, “moet zij natuurlijk groot belang stellen in het haar toevertrouwde pand, en het een voorrecht achten, om een kleinen engel, die zoo nauw verbonden is met de hoogere klassen, zich dagelijks langzamerhand te zien ontwikkelen aan eene gemeenschappelijke bron. Is het niet zoo, Louise?”—“Ongetwijfeld,” antwoordde mevrouw Chick. “Gij ziet, lieve vriendin! zij is al geheel tevreden en vergenoegd, en zal nu met een luchtig hart en een lachje hare zuster Jemima en hare lieve kleintjes en haar goeden braven man vaarwelzeggen. Dat zal zij immers, lieve?”—“O wel zeker zal zij dat,” zeide jufvrouw Tox.In weerwil hiervan omhelsde de arme Polly allen, een voor een, met groote droefheid, en liep eindelijk weg, om aan het afscheid tusschen haar en de kinderen een eind te maken. De list slaagde echter niet zoo goed als zij verdiend had, want de kleinste jongen op een na kroop op handen en voeten haar na, de trap op, en de oudste begon met de hakken zijner laarzen een dollen roffel te trommelen, om zijne smart lucht te geven, waarin de overigen der familie hartelijk deel namen.Een aantal sinaasappelen en halve stuivers, die den jeugdigen Toodle’s zonder onderscheid in de handen werden gestopt, stuitte de eerste uitbarsting hunner droefheid, en de familie werd spoedig weder naar huis gebracht in de huurkoets, welke te dien einde was blijven wachten. De kinderen, onder het opzicht van Jemima, verstopten het raampje van het portier, en strooiden den geheelen weg over sinaasappelen en kopergeld. Mijnheer Toodle verkoos liever op het achterbankje mede te rijden, als eene plaats waaraan hij best gewoon was.
“Ik zal er altijd blij om wezen,” zeide mevrouw Chick, “dat ik gezegd heb, toen ik nog weinig dacht, wat er voor ons aanstaande was—waarlijk alsof het mij zoo werd ingegeven—dat ik de arme lieve Fanny alles vergaf. Wat er ook gebeuren mag, dat zal mij altijd een troost zijn.”
Mevrouw Chick maakte deze treffende aanmerking in de voorkamer, nadat zij weder boven was geweest, om naar de naaisters te zien, die aan den rouw bezig waren. Zij moest dienen tot stichting van mijnheer Chick, een dik heer, met een kaal hoofd en een groot gezicht, gewoon om zijne handen in zijne zakken te houden en genegen om gedurig wijsjes te neuriën en te fluiten, waarin hij zich zelven nu met moeite bedwong, daar hij inzag, hoe onwelvoeglijk zulke geluiden in een huis waren, dat in rouw gedompeld was.
“Maak het u zelve niet al te druk, Louise,” zeide Chick, “of gij zult een zenuwtoeval krijgen, dat zie ik.—Ti-re-li, ti-re-lo! Hemel, ik vergat daar! Den eenen dag zijn wij nog hier, en den anderen al weg.”
Mevrouw Chick stelde zich tevreden met een bestraffenden blik, en vervolgde toen hare rede.
“Ik hoop,” zeide zij, “dat deze hartverscheurende gebeurtenis eene waarschuwing voor ons wezen zal, om ons er aan te gewennen onze krachten in te spannen en ons bijtijds op te beuren, als dat van ons geëischt wordt. Alles heeft eene les, als wij ze ons maar ten nutte willen maken. Het zal onze eigene schuld zijn, als wij deze niet in acht nemen.”
Mijnheer Chick stoorde de ernstige stilte, welke op deze aanmerking volgde, met het[7]hoogst ongepaste wijsje van: “Daar was ereis een lappertje.” Maar hij bedwong zich terstond, niet zonder verlegenheid, en zeide, dat het zeker onze eigene schuld was, als wij van zulke treurige voorvallen geen nut trokken.
“Men zou er evenwel beter nut van kunnen trekken,” antwoordde zijne echtgenoot, na eene korte poos van stilte, “dan door er de horlepijp of het even zinlooze als ongevoeligerumpti-diditimede te verbinden.” En inderdaad had Chick dit refrein, hetwelk zijne vrouw met gloeiende verachting uitsprak, binnensmonds geneuried.—“Het is maar uit gewoonte, lieve,” pleitte Chick.—“Gewoonte?” antwoordde zijne vrouw. “Zotheid! Als gij een redelijk wezen zijt, maak dan zulkebelachelijkeverontschuldigingen niet. Gewoonte! Als ik eens de gewoonte aannam (zooals gij het noemt) om tegen den zolder te loopen, gelijk de vliegen, zou ik er genoeg van hooren, dat durf ik zeggen.”
Het scheen zoo waarschijnlijk, dat zulk eene gewoonte eenig gerucht zou maken, dat Chick het niet waagde dit gezegde tegen te spreken.
“Hoe gaat het met het kindje, Louise?” vroeg mijnheer Chick, om op een ander onderwerp te komen.—“Wat voor een kindje meent ge?” vroeg mevrouw. “Zulk een troep kinderen als ik van morgen in de achterkamer heb gehad, zou niemand gelooven.”—“Een troep kinderen?” herhaalde Chick met eenigszins ongeruste verwondering.—“Bijna alle menschen zouden begrepen hebben,” zeide zijne vrouw, “dat nu de arme Fanny er niet meer is, het noodig wordt voor eene min te zorgen.”—“O, ja!” zeide Chick. “Toereloe—ik wil zeggen, zoo gaat het in de wereld. Ik hoop dat gij naar uw zin te recht gekomen zijt, lieve!”—“Zeker niet,” antwoordde mevrouw, “er is weinig kans op, zoover ik zien kan. Ondertusschen gaat het kind.…”—“Naar den drommel,” zeide Chick treurig. “Ja dat moet wel zoo.”
Daar echter de verontwaardiging op het gezicht van zijne vrouw bij de gedachte, dat een Dombey daarheen zou kunnen gaan, hem onder het oog bracht, hoezeer hij zich vergrepen had, en hij zijn misslag door een goeden raad wilde herstellen, vervolgde hij:
“Zou men voorloopig niet iets met een trekpot kunnen uitrichten?”
Indien het zijne bedoeling was geweest spoedig een eind aan het gesprek te maken, had hij het niet beter kunnen overleggen. Na hem eenige oogenblikken met stilzwijgende berusting te hebben aangezien, ging mevrouw Chick plechtstatig naar het venster, en keek door eene reet van het gordijn, daar het geratel van wielen hare aandacht trok. Mijnheer Chick, die begreep dat hij voor het oogenblik het noodlot tegen zich had, zeide niets meer en blies den aftocht. Het ging echter niet altijd zoo met hem. Dikwijls had hij zelf de overhand, en dan strafte hij Louise duchtig af. In hun echtelijk gekibbel waren zij over het geheel een wel tegen elkander opgewassen paar. Het zou doorgaans zeer moeielijk zijn geweest om te wedden wie het winnen zou. Dikwijls, als mijnheer Chick geslagen scheen, keerde hij zich eensklaps om, verhing de bordjes, liet ze Louise om de ooren klateren, en joeg haar uit het veld. Daar hij er evenwel insgelijks aan bloot stond om op dezelfde wijs door zijne vrouw overrompeld te worden, gaf dit aan hunne schermutselingen eene onzekerheid, waardoor zij iets bijzonder levendigs kregen.
Tusschen de wielen, waarvan zoo even gesproken is, was jufvrouw Tox aangekomen, en nu kwam zij buiten adem de kamer binnenloopen.
“Lieve Louise,” zeide zij, “is de plaats nog open?”—“Och ja, goede ziel,” was het antwoord.—“Dan hoop en geloof ik,” hervatte jufvrouw Tox—“maar wacht een oogenblik, lieve! ik zal mijn gezelschap hier halen.”
Zij liep even haastig heen als zij gekomen was, haalde haar gezelschap uit de huurkoets, en kwam er weldra mede aan. Het bleek toen, dat zij inderdaad een geheel gezelschap had medegebracht. De eerste daarvan was eene jonge vrouw, met een rond, gezond, blozend gezicht, en een kind in hare armen; de tweede nog eene jonge vrouw, minder gezet, maar ook met een rond gezicht, die aan elke hand een kind had, beide met even ronde gezichten; daarop volgde een kleine jongen met een rond gezicht, die alleen binnenkwam; en eindelijk een man met een rond gezicht, die op zijn arm nog een kleinen jongen had, met een even rond gezicht, dien hij op den vloer zette, en met eene schorre stem toefluisterde, om zich aan broertje John vast te houden.
“Zie Louise,” zeide jufvrouw Tox, “daar ik wist hoe groot uwe verlegenheid was, en ik u gaarne wilde helpen, ben ik zelf naar koningin Charlotte’s Koninklijke Getrouwde Vrouwen gereden, die gij vergeten hadt, en heb daar gevraagd of er iemand was, die zij dachten dat geschikt zou zijn. Neen, zeiden ze, er was niemand. Toen zij mij dat antwoord gaven, verzeker ik u, werd ik om uwentwil bijna wanhopig. Maar toevallig hoorde eene van de Koninklijke Getrouwde Vrouwen mijne vraag, en herinnerde de Moeder aan eene andere, die naar huis was gegaan, en, naar zij zeide, waarschijnlijk juist geschikt zou wezen. Zoodra ik dit hoorde en het door de Moeder werd bevestigd—de getuigen waren uitmuntend—vroeg ik het adres, lieve, en reed weder voort.”—“Daarin herken ik mijne beste vriendin,” zeide Louise.—“Och neen, dat moet ge niet zeggen,” hervatte jufvrouw Tox. “Toen ik in het huis kwam—zoo zindelijk, lieve, ge zoudt van den vloer kunnen eten—vond ik de geheele familie aan tafel zitten; en daar ik begreep,[8]dat het beste bericht van hen u en mijnheer Dombey nooit half zooveel genoegen kon doen, als hen allen eens bijeen te zien, heb ik hen allen medegebracht. Deze heer,” zij wees hierbij naar den man met het ronde gezicht, “is de vader. Wilt ge zoo goed wezen om een beetje vooruit te komen, mijnheer?”
Nadat de man bedremmeld aan dit verzoek had voldaan, bleef hij in het eerste gelid staan grinniken en giggelen.
“Dit is zijne vrouw, gelijk van zelf spreekt,” zeide jufvrouw Tox, naar de jonge vrouw met het kindje wijzende. “Hoe vaart ge, Polly?”—“Tamelijk wel, mevrouw! dankje,” was het antwoord. Met oogmerk om de vrouw gunstig te doen uitkomen, had jufvrouw Tox hare vraag gedaan alsof zij inderdaad eene oude kennis, die zij in een poosje niet gezien had, naar haar welstand vroeg.—“Dat verheugt mij inderdaad,” zeide jufvrouw Tox. “Dat meisje is hare zuster, ongetrouwd, die bij haar woont, en op hare kinderen zou passen. Zij heet Jemima. Hoe vaart ge, Jemima?”—“Dankje, mevrouw! heel wel.”—“Dat verheugt me. Ik hoop dat het zoo met u blijven zal.—Vijf kinderen. Het jongste is zes weken. Die aardige kleine jongen, met een blaar op zijn neus, is de oudste. Die blaar, geloof ik,” vervolgde jufvrouw Tox, de familie rondom aanziende, “is zeker niet erfelijk, maar iets toevalligs.”—“Strijkijzer,” hoorde men den man brommen.—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer!” zeide jufvrouw Tox; “ge zegt?”—“Strijkijzer,” herhaalde hij.—“O ja,” zeide jufvrouw Tox. “Dat is waar. Ik had het vergeten. De kleine jongen heeft, terwijl zijne moeder er niet bij was, aan een heet strijkijzer willen ruiken. Gij hebt gelijk, mijnheer! Toen wij bij de deur kwamen, waart gij juist zoo goed om uw beroep te willen zeggen, namelijk.…?”—“Stoker,” antwoordde de man.—“Wat?” vroeg Tox, verwonderd.—“Stoker. Stoommachine.”—“O ja!” zeide jufvrouw Tox, hem peinzend aanziende, zonder, naar het scheen, nog recht te begrijpen, wat hij bedoelde. “En hoe bevalt het u, mijnheer?”—“Wat, mevrouw?”—“Dat; uw beroep?”—“O, tamelijk wel, mevrouw! De asch vliegt hier wel eens wat in,” zeide de man, naar zijne borst wijzende, “en dan spreekt iemand schor, zooals ik doe. Maar het is maar asch, mevrouw! geen grommigheid.”
Mejuffer Tox scheen door dit antwoord zoo weinig licht te hebben gekregen, dat het haar moeielijk viel verder over het onderwerp te spreken. Maar mevrouw Chick loste haar af, door een streng examen te beginnen van Polly, hare kinderen, haar trouwbrief, hare getuigschriften, enz. Daar Polly deze vuurproef ongezengd doorstond, ging mevrouw Chick met het verslag naar haar broeders kamer, en als eene nadrukkelijke bevestiging daarvan, nam zij de twee blozendste kleine Toodle’s mede. Toodle was de naam van de familie met de ronde gezichten.
Dombey was sedert den dood zijner vrouw in zijne kamer gebleven, verzonken in gepeinzen over de jeugd, de opvoeding en de bestemming van zijn pasgeboren zoon. Er lag hem iets op het koele hart, kouder en zwaarder dan de last, dien het gewoonlijk droeg; maar het was meer een gevoel van het verlies, dat het kind had getroffen, dan zijn eigen, hetwelk eene bijna toornige smart in hem opwekte. Dat het leven en de ontwikkeling, waarop hij zooveel hoop had gebouwd, in het eerste begin door zulk eene geringe behoefte in gevaar gebracht werden,—dat het huis van Dombey en Zoon waggelde bij gebrek aan eene min, dit was eene zware vernedering. En echter, in zijne trotschheid en ijverzucht, was de gedachte hem zoo bitter, om bij den eersten stap ter vervulling van het verlangen zijner ziel, afhankelijk te wezen van eene huurlinge, welke gedurende dien tijd alles voor het kind moest wezen, wat zelfs de verbintenis methemzijne eigene vrouw kon gemaakt hebben, dat hij bij elke nieuwe verwerping eener zich aanbiedende min eene geheime blijdschap gevoelde. De tijd was echter nu gekomen, dat hij zich niet langer tusschen deze twee richtingen van zijn gevoel kon verdeelen, des te minder daar er niets tegen de aanspraken van Polly Toodle scheen te zijn in te brengen, nadat zijne zuster die, met vele lofspraken op de onvermoeibare vriendschap van jufvrouw Tox, had uiteengezet.
“Die kinderen zien er gezond uit,” zeide Dombey. “Maar te denken dat zij eens aanspraak zullen maken op een soort van betrekking op Paul! Breng hen weg, Louise! Laat mij die vrouw en haar man zien.”
Mevrouw Chick bracht het teedere paar Toodle’s weder weg, en kwam terstond terug met het steviger paar, dat haar broeder had bevolen hem te laten bezichtigen.
“Goede vrouw!” zeide Dombey, zich in zijn leuningstoel omkeerende, alsof hij uit een stuk bestond, en niet een mensch met geledingen was, “ik verneem, dat gij arm zijt, en geld wilt verdienen met het kleine kind, mijn zoon, te minnen, die zoo vroeg beroofd is van iets, dat nooit vervangen kan worden. Ik heb er niet tegen, dat gij op die wijze uw huishouden ondersteunt. Zoover ik zeggen kan, schijnt gij eene verdienstelijke persoon te zijn. Maar ik moet u een of twee voorwaarden opleggen, eer gij in die betrekking in mijn huis komt. Terwijl gij hier zijt, moet ik vorderen, dat gij u—.… bij voorbeeld Richards laat noemen—een gewone en gemakkelijke naam. Hebt gij er iets tegen om u Richards te laten noemen? Het zou best wezen dat ge er u met uw man over onderhieldt.”
Daar de man niets deed dan grinniken en[9]giggelen en met zijne rechterhand over zijn mond strijken, nam zijne vrouw het woord, nadat zij hem een paar malen vruchteloos had aangestooten, en zeide nijgende, dat, als zij zich met een anderen naam moest laten noemen, men dit misschien bij de huur in aanmerking zou nemen.
“O, natuurlijk!” zeide Dombey. “Ik verlang de zaak tot niets anders dan een huurcontract te maken. Nu, Richards! als gij mijn verlaten kind mint, verlang ik, dat gij dit altijd zult onthouden. Gij zult eene ruime belooning ontvangen voor het bewijzen van zekere diensten, onder het bewijzen van welke ik verlang, dat gij uwe familie zoo weinig zien zult als mogelijk is. Als die diensten niet meer noodig zijn, en het loon niet meer betaald wordt, is er een eind aan alle betrekking tusschen ons. Begrijpt ge mij?”
Vrouw Toodle scheen er aan te twijfelen, en wat Toodle zelf aangaat, deze twijfelde volstrekt niet, dat hij er niets van vatte.
Misschien houd ik veel van krakelingen, maar daarom spreekt het nog niet van zelf, dat ik ze bij de thee hebben zal. (blz. 13).Misschien houd ik veel van krakelingen, maar daarom spreekt het nog niet van zelf, dat ik ze bij de thee hebben zal.(blz. 13).
Misschien houd ik veel van krakelingen, maar daarom spreekt het nog niet van zelf, dat ik ze bij de thee hebben zal.(blz. 13).
“Gij hebt kinderen van u zelve,” hervatte Dombey. “Het is volstrekt niet in het accoord begrepen, dat gij u aan mijn kind behoeft te hechten, of dat mijn kind zich aan u behoeft te hechten. Ik verlang of verwacht niets van dien aard; juist het tegendeel. Als gij hier vandaan gaat, zult gij iets afgedaan hebben, dat niets anders is dan eene zaak van koop of[10]verkoop, of van huur en verhuur, en derhalve kunt gij dan wegblijven. Het kind zal ophouden zich u te herinneren, en gij kunt, als het u belieft, ook ophouden u het kind te herinneren.”
Vrouw Toodle antwoordde met een weinigje meer kleur op de wangen dan zij te voren had, dat zij hoopte, dat zij zich zelve en hare plaats wel kende.
“Dat hoop ik, Richards!” hervatte Dombey. “Ik twijfel niet, of gij kent die wel. De zaak is ook zoo duidelijk, dat het bijna niet anders kan. Louise, schik het nu met Richards over het geld, en betaal haar wanneer en op welken voet zij wil. Goede vriend, nog een woordje met u!”
Aldus op den drempel gestuit, terwijl hij achter zijne vrouw de kamer wilde uitgaan, keerde Toodle zich om en bleef voor Dombey staan. Hij was een forsch, onbehouwen man, met ronde schouders en een ongepolijst voorkomen, wien de kleederen als aan het lijf waren gesmeten, ruim van haren en baard voorzien, welker kleur misschien door rook en kolenstof wat donkerder was geworden, met harde knokkige handen, en een voorhoofd zoo ruw als de schors van een eik. In alle opzichten vormde hij een volmaakt contrast met Dombey, een van die glad geschoren en kort geknipte rijke heeren, die zoo glad en krakig zijn als de nieuwe banknoten, en wier zenuwen kunstmatig opgespannen schijnen te zijn door de prikkelende werking van gouden stortbaden.
“Gij hebt een zoon, geloof ik?” zeide Dombey.—“Vier, mijnheer! Vierhijenen éénzij. Allemaal gezond en frisch.”—“Wel, dat is haast zooveel als gij onderhouden kunt?”—“Ik zou er toch niet graag een van verliezen, mijnheer!”—“Kunt gij lezen?”—“Niet te best, mijnheer!”—“Schrijven?”—“Met krijt, mijnheer?”—“Dat is hetzelfde.”—“Met krijt zou het mij wel een beetje lukken, geloof ik, als ik het doen moest,” zeide Toodle, na zich een poosje bedacht te hebben.—“En toch zijt ge twee en dertig jaren oud, denk, ik?” zeide Dombey.—“Daaromtrent geloof ik dat het wezen zal, mijnheer!” antwoordde Toodle, na zich nog eens bedacht te hebben.—“Waarom leert ge dan niet?” vroeg Dombey.—“Dat zal ik doen, mijnheer! Een van mijne kleine jongens zal mij leeren, als hij oud genoeg is en zelf op school is geweest.”—“Welnu!” zeide Dombey, nadat hij den man opmerkzaam en niet zeer gunstig had aangezien, terwijl deze in de kamer rondstaarde, voornamelijk naar den zolder, en nog gedurig zijn mond afveegde. “Gij hebt gehoord, wat ik zoo even tegen uwe vrouw gezegd heb?”—“Polly heeft het gehoord,” antwoordde Toodle, met zijn hoed over zijn schouder heen naar de deur wijzende, als verliet hij zich in alles geheel op zijne wederhelft.—“Daar gij alles aan haar schijnt over te laten,” zeide Dombey, te leur gesteld in zijn voornemen om zijne inzichten nog meer bepaald aan den man te doen begrijpen, “geloof ik, dat het mij niet baten zal iets tegen u te zeggen.”—“Volstrekt niet,” antwoordde Toodle. “Polly heeft het wel gehoord. Zij is bij de hand, mijnheer!”—“Ik zal u dan niet langer ophouden,” zeide Dombey verdrietig. “Waar hebt gij al uw leven gewerkt?”—“Meest onder den grond, mijnheer, tot ik getrouwd ben. Toen ben ik boven gekomen. Ik zal naar een van die spoorwegen hier gaan, als ze in vollen gang komen.”
Gelijk het laatste strootje den overladen kameel de ruggegraat breekt, zoo verpletterde dit ondergrondsche bericht de bezwijkende geestkracht van Dombey. Hij wees den pleegvader van zijn kind naar de deur, waarop deze zich niet ongaarne wegmaakte, draaide toen den sleutel om, en stapte in diepe neerslachtigheid het vertrek op en neder. Ondanks zijne stijve, onbuigzame deftigheid en bedaardheid, moest hij de tranen die hem verblindden, uit zijne oogen vegen; en dikwijls zeide hij met eene ontroering, waarbij hij voor de geheele wereld geen getuige had willen hebben: “Arme kleine!”
Het was misschien een bijzondere trek van Dombey’s trotschheid, dat hij in het kind zich zelven beklaagde. Hij zeide niet: “ik arme weduwnaar, die gedwongen ben mijn vertrouwen te stellen op de vrouw van een lompen kerel, die al zijn leven “meest onder den grond” heeft gewerkt, en aan wiens deur de Dood toch nog nooit heeft aangeklopt, en aan wiens armoedige tafel dagelijks vier zonen zitten!”—maar: “Arme kleine!”
Met deze woorden op de lippen, viel het hem in—en het is een blijk hoe sterk al zijne hoop en vrees, al zijne gedachten op één punt gevestigd waren—dat de vrouw in eene zware verzoeking werd gebracht. Haar kind was ook een jongen. Zou het nu niet mogelijk zijn, dat zij de kinderen verruilde?
Hoewel hij zich spoedig verzekerd hield, dat hij deze gedachte als te romanesk en te onwaarschijnlijk van zich had verwijderd,—schoon de zaak toch mogelijk bleef, dit was niet te ontkennen,—kon hij niet nalaten er in zooverre aan te blijven hechten, dat zijne verbeelding hem een tafereel ophing, wat zijn toestand wezen zou, indien hij ooit zulk een bedrog ontdekte, wanneer hij oud geworden was. Zou iemand in die omstandigheid in staat wezen om de vrucht van zoovele jaren van gewoonte, vertrouwen en geloof den bedrieger te ontrukken, en er een vreemdeling mede te begiftigen?
Naarmate zijne buitengewone ontroering bedaarde, verdwenen ook langzamerhand deze schrikbeelden, hoewel er nog zooveel van hunne schaduw overbleef, dat hij volhardde bij het besluit om Richards zelf nauwkeurig in het oog te houden, zonder te laten blijken dat hij zulks[11]deed. Nu hij wat beter te moede was, beschouwde hij den levensstand der vrouw als eene veeleer gunstige dan onaangename omstandigheid, daar die op zich zelve een breeden slagboom tusschen haar en het kind plaatste, en de onderscheiding gemakkelijk en natuurlijk maakte.
Ondertusschen werden tusschen mevrouw Chick en Richards, met behulp van jufvrouw Tox, de conditiën geregeld en bepaald, en nadat aan Richards met groote plechtigheid het wichtje, dat het kantoor Dombey en Zoon ten steun moest wezen, was overgegeven, gaf zij het hare met vele kussen en tranen aan Jemima. Daarna werd er wijn geschonken, om den zinkenden moed der familie op te beuren.
“Gij zult toch ook wel een glas nemen, niet waar, mijnheer?” zeide jufvrouw Tox, toen Toodle binnentrad.—“Als je blieft, mevrouw, als ik u niet ontrijf,” was het antwoord.—“En gij zijt zeker wel blijde, dat gij uwe lieve, goede vrouw in zulk een goed huis laat, niet waar, mijnheer?” hervatte zij, hem tersluiks wenkende en toeknikkende.—“Neen, mevrouw!” was het antwoord. “Ik wou dat ik haar al weerom had.”
Polly begon hierop nog meer te schreien. Mevrouw Chick vreesde, als ervaren huismoeder, dat het toegeven aan deze smart den kleinen Dombey nadeelig zou kunnen zijn. “Ik ben bang voor het zuur,” fluisterde zij jufvrouw Tox toe, en haastte zich om Polly te troosten.
“Uw kindje zal bij uwe zuster Jemima bloeien als eene roos, Richards!” zeide zij, “en gij moet u maar wat opbeuren—altijd moet men zich opbeuren in de wereld, weet ge—om heel gelukkig te zijn. Men heeft immers al de maat genomen voor uw rouwgoed, niet waar, Richards?”—“Ja—ja, mevrouw” snikte Polly.—“En het zal u uitmuntend passen, dat weet ik,” hervatte mevrouw Chick, “want hetzelfde meisje heeft een aantal kleedjes voor mij gemaakt. En van de beste stof ook!”—“Gij zult zoo mooi wezen, dat uw man u niet kennen zal, niet waar, mijnheer?” zeide jufvrouw Tox.—“Ik zou haar overal kennen, hoe zij er ook uitzag,” antwoordde Toodle barsch.
Hij wilde zich blijkbaar niet laten omkoopen.
“Wat het eten betreft, Richards!” hervatte mevrouw Chick, “het beste van alles staat voor u klaar. Gij hebt alle dag maar te bestellen wat gij eten wilt, en alles, waarin gij lust hebt, dat durf ik zeggen, zal zoo vlug aankomen, alsof gij eene dame waart.”—“Ja zeker,” zeide jufvrouw Tox, snel het woord vattende. “En wat bier aangaat—zooveel ge maar wilt, niet waar, Louise?”—“O zeker!” hervatte mevrouw Chick op denzelfden toon. “Maar een beetje voorzichtig wat groenten betreft, weet ge, lieve?”—“En misschien ook met ingelegd goed,” liet jufvrouw Tox er op volgen.—“Met deze uitzonderingen,” zeide Louise, “kan zij verkiezen wat zij maar begeert, zonder dat iemand haar beperken zal.”—“En dan, natuurlijk, weet ge,” hervatte jufvrouw Tox, “hoeveel zij ook van haar eigen lief kindje houden mag—en ik ben zeker, Louise! datgijhet haar niet kwalijk neemt, dat zij er veel van houdt?”—“O neen,” zeide mevrouw Chick goedertieren.—“Evenwel,” vervolgde jufvrouw Tox, “moet zij natuurlijk groot belang stellen in het haar toevertrouwde pand, en het een voorrecht achten, om een kleinen engel, die zoo nauw verbonden is met de hoogere klassen, zich dagelijks langzamerhand te zien ontwikkelen aan eene gemeenschappelijke bron. Is het niet zoo, Louise?”—“Ongetwijfeld,” antwoordde mevrouw Chick. “Gij ziet, lieve vriendin! zij is al geheel tevreden en vergenoegd, en zal nu met een luchtig hart en een lachje hare zuster Jemima en hare lieve kleintjes en haar goeden braven man vaarwelzeggen. Dat zal zij immers, lieve?”—“O wel zeker zal zij dat,” zeide jufvrouw Tox.
In weerwil hiervan omhelsde de arme Polly allen, een voor een, met groote droefheid, en liep eindelijk weg, om aan het afscheid tusschen haar en de kinderen een eind te maken. De list slaagde echter niet zoo goed als zij verdiend had, want de kleinste jongen op een na kroop op handen en voeten haar na, de trap op, en de oudste begon met de hakken zijner laarzen een dollen roffel te trommelen, om zijne smart lucht te geven, waarin de overigen der familie hartelijk deel namen.
Een aantal sinaasappelen en halve stuivers, die den jeugdigen Toodle’s zonder onderscheid in de handen werden gestopt, stuitte de eerste uitbarsting hunner droefheid, en de familie werd spoedig weder naar huis gebracht in de huurkoets, welke te dien einde was blijven wachten. De kinderen, onder het opzicht van Jemima, verstopten het raampje van het portier, en strooiden den geheelen weg over sinaasappelen en kopergeld. Mijnheer Toodle verkoos liever op het achterbankje mede te rijden, als eene plaats waaraan hij best gewoon was.