L.

[Inhoud]L.WALTER EN TOOTS.Er was in het huis, dat den houten adelborst herbergde, een ledig kamertje, dat in vroeger tijd Walter’s slaapkamer was geweest. Walter, die den kapitein des morgens vroeg kwam oproepen, stelde voor, dat zij de beste meubelen uit het achterkamertje daarheen zouden brengen, zoodat Florence, zoodra zij opstond, dit vertrekje in bezit kon nemen. Daar niets kapitein Cuttle aangenamer kon zijn, dan zich voor zoo iets buiten adem te werken, ging hij (gelijk hij zelf zeide) met lust aan den gang, en in een paar uren was dit hokje in eene soort van landkajuit herschapen, versierd met de beste meubelen uit de achterkamer, daaronder zelfs het fregat de Tartaar begrepen, hetwelk de kapitein boven den schoorsteenmantel hing en zoozeer bewonderde, dat hij een half uur lang niets anders doen kon dan het al achteruitstappende te bekijken.Door geene overreding van Walter liet de kapitein zich bewegen om het groote horloge op te winden of het blikken busje terug te nemen, of de suikertang of de theelepeltjes aan te raken. “Neen, neen, mijn jongen,” was zijn onveranderlijk antwoord op zulk een aanzoek; “ik heb u dat kapitaaltje overgemaakt, gansch en gaar.” Deze woorden sprak hij met[347]groote deftigheid uit, blijkbaar geloovende, dat zij de kracht eener parlementsakte hadden, en dat, als hij zich maar niet compromitteerde door eene nieuwe bekentenis van eigenaarschap, zulk een vorm van overdracht onherroepelijk was.Het was een voordeel der nieuwe schikking, dat behalve dat Florence meer vrijheid en stilte kreeg, de houtenadelborstnu weder op zijn gewonen observatiepost kon geplaatst en de luiken van den winkel afgenomen konden worden; want op den vorigen dag had het gesloten blijven zulk eene bevreemding in de buurt veroorzaakt, dat het huis des instrumentmakers door het publiek met eene buitengemeene mate van aandacht was verwaardigd, en den geheelen dag lang troepen van nieuwsgierige kijkers aan den overkant der straat waren blijven staan. Vooral hadden de straatjongens belang gesteld in het lot des kapiteins, en hadden zij gedurig in den modder liggen kruipen om door de keldertraliën onder het winkelvenster te kijken, hunne verbeelding streelende met den waan, dat zij een stukje van zijne jas konden zien, gelijk hij zich in een hoek had opgehangen; hoewel deze soort van uiteinde door eene andere partij ten sterkste werd tegengesproken, die van gevoelen was, dat hij vermoord (met een hamer doodgeslagen) op de trap lag. Het was dus niet zonder eenig ongenoegen, dat men hem, die het onderwerp dezer geruchten was, des morgens vroeg weder aan zijne deur zag staan, even gezond en frisch alsof er niets gebeurd was; en deBeadlevan de wijk, een man van een eerzuchtig karakter, die gedacht had de onderscheiding te zullen hebben om bij het openbreken van de deur te assisteeren, en in volle uniform getuigenis voor dencoronerte geven, ging zelfs zoo ver, dat hij tot een overbuurman zeide, dat die kerel met zijn blinkenden hoed het maar niet moest probeeren—zonder nader aan te duiden wat—en verder dat hij, deBeadle, hem in het oog zou houden.“Kapitein Cuttle,” zeide Walter peinzende, toen zij aan de winkeldeur van hun arbeid stonden uit te rusten, en hij de nog welbekende straat opkeek, “geheel niets van oom Sam in al dien tijd?”—“Niets, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, zijn hoofd schuddende.—“Mij te gaan opzoeken, die lieve, goede, oude man,” zeide Walter, “en u toch nooit te schrijven! Maar waarom niet? Hij zegt wel in den brief, dien gij mij gegeven hebt,” het pakje uit zijne borst halende, dat in tegenwoordigheid van den helderdenkenden Bunsby was geopend, “dat als gij niet van hem hoort, eer gij dien opent, gij hem voor dood kunt houden. Dat verhoede God! Maar gij zoudt toch van hem gehoord hebben, al was hij dood. De een of ander zou u toch op zijn verlangen geschreven hebben, als hij dat niet kon doen; en gezegd hebben: “dan en dan overleed ten mijnen huize, of onder mijne zorg, mijnheer Samuel Gills, van Londen, die dit laatste verzoek voor u heeft nagelaten.””De kapitein, die nog nooit op zulk eene heldere hoogte van waarschijnlijkheid was geklommen, was verwonderd over het ruime uitzicht, dat zich daar opende, en antwoordde, nadenkend zijn hoofd schuddende: “Wel gezegd, mijn jongen. Heel wel gezegd.”“Ik heb daarover gedacht, of ten minste,” zeide Walter blozende, “ik heb over allerlei dingen gedacht, terwijl ik van nacht niet slapen kon, en ik kan niet anders denken, kapitein Cuttle, of mijn oom Sam (God zegen hem!) is nog in leven en zal wel terugkomen. Het verwondert mij niet zoozeer, dat hij is heengegaan, omdat, zonder nog te spreken van die zucht voor het avontuurlijke, waarvan hij altijd iets in zijn karakter had, en van zijne gehechtheid aan mij, waarvoor alle andere dingen bij hem achterstonden, gelijk niemand zoo goed weet als ik, die den besten van alle vaders aan hem had—” Walter’s stem werd hier schor, en hij keek naar den anderen kant de straat op—“zonder daarvan te spreken, zeg ik, heb ik dikwijls gehoord en gelezen van menschen, die, als een dierbaar bloedverwant van hen voor op zee verongelukt werd gehouden, ergens aan de kust gingen wonen, waar men tijding van het vermiste schip kon verwachten, al was het maar een paar uren vroeger dan ergens anders, of er zelfs naar gingen zoeken, op de plaats waarheen het bestemd was, alsof hunne reis iets kon toebrengen om bericht te verschaffen. Ik denk dat ik zelf wel in staat zou zijn om zoo iets te doen. Maar waarom mijn oom u niet schreef, daar hij dit toch zoo duidelijk voornemens was, of dat hij buitenslands zou kunnen sterven, zonder dat gij het door iemand anders te weten zoudt komen, dat is iets dat ik niet begrijp.”Kapitein Cuttle merkte aan, dat Jack Bunsby zelf het niet begrepen had, en dat hij toch een man was, die degelijk zijn gevoelen wist te zeggen.“Als mijn oom een loszinnig jongmensch was geweest, die licht door vroolijk gezelschap naar een of ander huis kon gelokt worden, waar men hem om het geld, dat hij bij zich had, van kant wilde helpen,” zeide Walter, “of een woeste matroos, die met twee of drie maanden gage in zijn zak aan land ging, kon ik het begrijpen, dat hij verdween zonder spoor na te laten. Maar van zoo iemand als hij was—en is, hoop ik—kan ik dat niet gelooven.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, hem bekommerd aanziende, “wat denkt gij er dan van?”—“Kapitein Cuttle,” antwoordde Walter, “ik weet niet wat ik er van denken moet,—als het zoo is, dat hij nooit heeft geschreven. Daar is immers geen twijfel aan?”—“Als Sam Gills[348]heeft geschreven, mijn jongen,” zeide de kapitein redeneerend, “waar is dan de brief?”—“Hij kan wel aan iemand zijn medegegeven,” zeide Walter, “en vergeten, of achteloos weggegooid, of verloren zijn. Zelfs dat komt mij waarschijnlijker voor dan de andere mogelijkheid. Kortom, ik kan en wil niet aan die andere mogelijkheid denken, kapitein Cuttle.”—“Hoop, ziet ge wel, Walter,” merkte de kapitein diepzinnig aan. “Hoop. Dat is het wat u doet leven. Hoop is een anker, dat kunt gij in het groote liederboek nazien, mijn jongen. Maar wat baat het mij of ik een anker heb, als ik geen grond kan vinden om het in te laten zakken.”Kapitein Cuttle zeide dit veeleer in zijn karakter van gezeten burger en voorzichtig winkelier, verplicht om een onervaren jonkman een kruimpje uit zijn schat van wijsheid mede te deelen, dan in zijn eigen persoon. Uit zijne oogen straalde te gelijk de nieuwe hoop, die hij van Walter had opgevangen; en hij besloot zeer gepast met hem op den rug te kloppen en in vervoering uit te roepen: “Hoera, mijn jongen. Ik ben het met u eens.”Walter beantwoordde dit compliment met een vroolijken lach, en zeide:“Nu nog maar één woord over mijn oom vooreerst, kapitein Cuttle. Het zal wel voor onmogelijk moeten gehouden worden, dat hij op de gewone manier kan geschreven hebben—met postpakket of schip, verstaat ge—”—“Ja, ja, mijn jongen,” zeide de kapitein goedkeurend.—“En dat die brief niet bij u te recht gekomen is?”—“Wel, Walter,” zeide de kapitein, hem aanziende met eene flauwe poging om barsch te kijken; “ben ik niet dag en nacht op den uitkijk geweest naar dien man van wetenschap, Sam Gills, uw oom, zoolang als ik hem verloren heb? Is mijn hart niet altijd zwaar geweest over hem en u? Ben ik niet slapend en wakend op mijn post gebleven, en zou ik mij niet geschaamd hebben om er van af te loopen zoolang deze adelborst boven water bleef?”—“Ja, kapitein Cuttle,” antwoordde Walter, hem bij de hand vattende, “dat weet ik wel, en ik weet wel hoe trouw en ernstig alles is, dat gij zegt en doet. Daar ben ik zeker van. Gij twijfelt niet, of ik ben daar zoo zeker van, als dat ik mijn voet weder op dezen drempel heb, of dat ik deze trouwe hand weder vasthoud. Daar twijfelt gij immers niet aan?”—“Neen, neen, Walter,” zeide de kapitein met een geheel opgehelderd gezicht.—“Ik zal geene gissingen meer wagen,” hervatte Walter, de harde hand des kapiteins schuddende. “Al wat ik er nog wil bijvoegen is, de hemel verhoede, dat ik het eigendom van mijn oom zou aanraken, kapitein Cuttle. Al wat hij hier gelaten heeft, zal hier blijven in bewaring van den trouwsten rentmeester en den braafsten man—en als zijn naam niet Cuttle is, heeft hij geen naam. En nu, beste vriend, over—jufvrouw Dombey.”Er was eene verandering in Walter’s uitzicht en toon, toen hij aan deze twee woorden kwam; en toen hij ze had uitgesproken, schenen alle zelfvertrouwen en blijmoedigheid hem verlaten te hebben.“Ik dacht eerst,” zeide Walter, “dat wij maar één harden plicht konden hebben, namelijk, haar te overreden, om hare betrekkingen kennis te geven waar zij was, en weder naar huis te gaan.”De kapitein mompelde een flauw “sta vast!” of “hou vast!” of iets dat evenzeer te pas kwam; maar door de verslagenheid, waarmede dit bericht hem vervulde, klonk het zoo flauw, dat men er naar moest raden wat hij zeide.“Maar,” zeide Walter, “dat is afgedaan. Ik denk nu zoo niet meer. Ik zou liever weder op dat stuk hout gezet worden, waarop ik na mijne redding zoo dikwijls in mijne droomen heb gedreven, en daarmee blijven rondzwalken tot ik stierf.”—“Hoera! mijn jongen,” riep de kapitein, met eene uitbarsting van onbedwingbare blijdschap. “Hoera! Hoera! Hoera!”—“Te denken dat zij, zoo jong, zoo goed, zoo schoon,” zeide Walter, “zoo teeder opgebracht en tot zulk een geheel ander lot geboren, met de ruwe wereld zou moeten worstelen! Maar wij hebben den afgrond gezien, die haar van alles afsnijdt wat achter haar is, schoon niemand dan zij zelve alleen kan weten hoe diep die is; en zij kan niet terug.”Kapitein Cuttle, zonder dit geheel te begrijpen, keurde het toch ten hoogste goed, en merkte met nadruk aan, dat de wind vlak van achteren was.“Maar zij behoort hier niet alleen te blijven; moet zij wel, kapitein Cuttle?” zeide Walter bekommerd.—“Wel, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, na zich eens te hebben bedacht, “dat weet ik niet. Daar gij hier zijt om haar gezelschap te houden, en gij te zamen—”—“Beste kapitein Cuttle,” bracht Walter hiertegen in, “juist omdat ik hier ben. Jufvrouw Dombey houdt mij in haar onschuldig hart voor haar aangenomen broeder; maar hoe listig en slecht zou mijn hart wezen, als ik veinsde te gelooven eenig recht te hebben om onder dien naam gemeenzaam met haar om te gaan—als ik veinsde te vergeten, dat ik als man van eer verplicht ben dat niet te doen.”—“Walter, mijn jongen,” begon de kapitein, eenigszins van zijne verslagenheid bekomende, “is er dan geen andere naam, waar—”—“O!” viel Walter er op in, “zoudt gij mij hare achting willen doen verbeuren en mij voor altijd uit hare oogen verbannen, door eene poging om er voordeel uit te trekken, dat zij hier zoo vertrouwelijk eene schuilplaats heeft gezocht,[349]eene poging om misbruik van hare omstandigheden te maken, en van een broeder een minnaar te worden! Wat zeg ik? Er is niemand in de wereld, die mij dit eerder zou willen beletten dan gij, als ik tot zoo iets in staat was.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, wederom in zijne neerslachtigheid verzinkende, “als er wettige redenen van verhindering zijn waarom twee personen niet zouden worden samengevoegd in de banden van den echtelijken staat, zooals gij dat kunt nalezen en aanteekenen, dan hoop ik, dat ik er rond voor uit zou komen, zooals in de geboden wordt beloofd en gezworen. Dus is er geen andere naam, mijn jongen?”Walter wuifde ontkennend met zijne hand.“Wel, mijn jongen,” bromde de kapitein zeer langzaam, “ik wil niet ontkennen of dat valt mij geweldig tegen, en ik weet er niets meer op. Maar wat ons dametje betreft, Walter, moet gij wel weten, zooveel achting en eerbied als iemand haar verplicht is, reken ik mij ook aan haar verplicht, en daarom zal ik denzelfden koers houden als gij, en twijfel ik niet of gij doet er wel aan. En er is dus geen andere naam?” zeide de kapitein, met een zeer betrokken gezicht over de ruïne van zijn ingestort luchtkasteel mijmerend.—“Neen, kapitein Cuttle,” zeide Walter; met een vroolijker gezicht tot een ander onderwerp overgaande, om den kapitein op te beuren, hetgeen hem echter toch niet gelukte, “mij dunkt, wij moesten moeite doen om iemand te vinden, die jufvrouw Dombey gezelschap kan houden en bedienen zoolang zij hier blijft, en die wij kunnen vertrouwen. Dat kunnen wij niemand van hare familie. Het is duidelijk dat jufvrouw Dombey gelooft, dat zij allen haar vader naar de oogen zien. Waar is Suze gebleven?”—“Dat meisje?” antwoordde de kapitein. “Ik geloof dat zij zeer tegen den zin van hartediefje is weggestuurd. Ik heb eens naar haar gevischt toen ons dametje pas hier kwam, en zij prees haar tot aan de wolken en zeide dat zij al langen tijd van haar af was.”—“Vraag jufvrouw Dombey dan waar zij naar toe is,” zeide Walter, “en wij zullen ons best doen om haar te vinden. Het wordt al wat laat, en jufvrouw Dombey zal welhaast opstaan. Gij zijt haar beste vriend. Wacht boven naar haar, en laat mij voor alles beneden zorgen.”De kapitein herhaalde den zucht, waarmede Walter dit zeide, en gehoorzaamde. Florence was verheugd over hare nieuwe kamer, verlangend om Walter te zien, en opgetogen over het vooruitzicht om hare oude vriendin Suze weder bij zich te krijgen. Maar zij kon niet zeggen waar Suze naar toe was gegaan, behalve dat het ergens inEssexmoest wezen, en dat niemand het zeggen kon, of het moest, bedacht zij zich, mijnheer Toots wezen.Met dit bericht kwam de zwaarmoedige kapitein naar Walter terug, en onderrichtte hem, dat Toots de jonkman was, dien hij op de stoep had ontmoet, en dat hij een vriend van hem was, en een jong heer van vermogen was, en dat hij jufvrouw Dombey hopeloos aanbad. De kapitein verhaalde ook, hoe de tijding van Walter’s vermeend lot hem het eerst met Toots in kennis had gebracht, en hoe er een plechtig verbond en verdrag tusschen hen was gesloten, dat Toots op het onderwerp zijner liefde stom zou blijven.Nu was de vraag, of Florence mijnheer Toots kon vertrouwen; en toen Florence met een glimlach antwoordde: “O ja, met al mijn hart!” werd het van gewicht te ontdekken waar Toots woonde. Florence wist dit niet, en de kapitein had het vergeten, en vertelde Walter in het achterkamertje juist dat Toots wel gauw eens zou aankomen, toen deze heer werkelijk kwam.“Kapitein Gills,” zeide Toots, zonder eenige omstandigheden binnenstuivende, “ik ben op het punt om razend te worden!”Toots had deze woorden als uit een mortier geschoten, eer hij Walter opmerkte, dien hij nu herkende met een geluid, dat een gegrinnik van rampzaligheid zou mogen genoemd worden.“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Toots, zijn voorhoofd vasthoudende, “maar ik ben tegenwoordig in een toestand dat mijn verstand mij begeeft, als het al niet weg is, en complimenten van iemand in zulk een toestand zouden holle klanken zijn. Kapitein Gills, ik verzoek u om de gunst van een afzonderlijk gesprek.”—“Wel, broeder,” antwoordde de kapitein, hem bij de hand vattende, “gij zijt juist de man, naar wien wij op den uitkijk waren.”—“O kapitein Gills,” zeide Toots, “wat een uitkijk moet dat zijn, waarvan ik het onderwerp ben! Ik heb mij niet durven scheren zoo disperaat ben ik. Ik heb mijne kleeren niet laten borstelen. Mijn haar zit in elkander geward. Ik heb den Kemphaan gezegd, dat ik mij aan hem zou vergrijpen, als hij mijne laarzen wilde gaan poetsen.”Al deze blijken van geestverbijstering werden door zijn voorkomen bevestigd, dat inderdaad zeer wild en woest was.“Zie hier, broeder,” zeide de kapitein. “Dit is Walter, de neef van den ouden Sam Gills—hij, wien men voor op zee verongelukt hield.”Toots nam zijne hand van zijn voorhoofd en staarde Walter aan.“Goede hemel!” stamelde Toots. “Welk eene opeenstapeling van ellende! Hoe vaart ge? Ik—ik—ik vrees dat ge heel nat moet zijn geworden. Kapitein Gills, mag ik in den winkel een woordje met u spreken?”Hij pakte den kapitein bij zijne jas, en met hem naar buiten gaande, fluisterde hij:[350]“Dat is dus de persoon van wien gij gesproken hebt, kapitein Gills, toen ge zoo goed waart mij te zeggen dat hij en jufvrouw Dombey voor elkander geschapen waren?”—“Wel—ja, mijn jongen,” antwoordde de neerslachtige kapitein. “Eens dacht ik er zoo over.”En nu riep Toots uit, met zijne hand weder voor zijn voorhoofd: “Moest hij dat zijn!—een gehate medeminnaar! Maar ten minste is hij geen gehate medeminnaar,” zeide Toots, zich bedenkende en zijne hand weder wegnemende. “Waarom zou ik hem haten? Neen. Als mijne liefde waarlijk belangeloos is geweest, kapitein Gills, laat ik dat dan nu bewijzen!”Eensklaps vloog Toots weder naar het achterkamertje, en Walter bij de hand grijpende, zeide hij:“Hoe vaart ge? Ik hoop dat ge geen kou hebt gevat. Ik—ik zal heel blij zijn als ge mij het pleizier doet om kennis met u te mogen houden. Ik wensch u nog vele jaren na dezen. Op mijn woord van eer,” zeide Toots, warmer wordende, toen hij beter op Walter’s uitzicht en houding lette, “ik ben heel blij, dat ik u zie.”—“Ik dank u hartelijk,” antwoordde Walter. “Ik zou geen vriendelijker welkomst kunnen verlangen.”—“Zoudt ge waarlijk niet?” zeide Toots, hem nogmaals de hand schuddende. “Dat is wel goed van u. Ik ben u zeer verplicht. Hoe vaart ge? Ik hoop, dat gij alles wel hebt gelaten daar aan—dat is daarop—ik meen waar ge laatst vandaan zijt gekomen, weet ge.”Op al deze goede wenschen en nog betere meening gaf Walter hartelijk antwoord.“KapiteinGills,” zeide Toots, “ik wil stiptelijk mijn woord houden; maar ik geloof, dat ik nu wel iets zou mogen zeggen van zeker onderwerp—”—“Ja, ja, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Spreek maar ronduit.”—“Dan, kapitein Gills en luitenant Walters,” zeide Toots, “weet gij wel, dat bij mijnheer Dombey aan huis de schrikkelijkste omstandigheden zijn voorgevallen, en dat jufvrouw Dombey zelve haar vader verlaten heeft, die naar mijne gedachten,” zeide Toots met groote opgewondenheid, “zulk een beest is, dat het nog vleierij zou zijn hem een houten blok of een roofvogel te noemen, en dat zij nergens te vinden is, en niemand weet, waar zij naar toe is?”—“Mag ik vragen, hoe gij dat gehoord hebt?” zeide Walter.—“Luitenant Walters,” zeide Toots, die er op eene geheel eigenaardige manier toe kwam, om hem deze benaming toe te leggen; waarschijnlijk door zijn doopnaam met de zee in verband te brengen, en eene betrekking tusschen hem en den kapitein te vooronderstellen, die zich dus ook natuurlijk tot hunne titels moest uitstrekken; “luitenant Walters, ik kan geen bezwaar hebben om u een rondborstig antwoord te geven. De zaak is, dat ik een buitengemeen belang stel in alles, wat jufvrouw Dombey maar eenigszins aangaat—niet met zelfzuchtige oogmerken, luitenant Walters, want ik weet maar al te wel dat ik ten genoege van alle belanghebbenden niet beter kan doen dan een eind aan mijn leven te maken, dat voor niets anders dan een overlast kan gehouden worden; maar ik wilde zeggen, omdat ik zooveel belang stel in alles wat jufvrouw Dombey aangaat, ben ik gewoon om nu en dan eene kleine vereering te geven aan een knecht, een heel fatsoenlijk jonkman, die Towlinson heet, en eenigen tijd daar in huis gewoond heeft; en Towlinson heeft mij gisteren gezegd, dat het zoo met de zaken gesteld was. En van dat oogenblik af, kapitein Gills en luitenant Walters, ben ik zoo goed als razend geweest; en ik heb den geheelen nacht op de sofa gelegen in den rampzaligen staat waarin gij mij nu ziet.”—“Mijnheer Toots,” zeide Walter, “het doet mij genoegen u eenigszins te kunnen geruststellen. Ik bid u, word bedaard. Jufvrouw Dombey is gezond en wel.”—“Mijnheer,” riep Toots uit, van zijn stoel opspringende om hem opnieuw de hand te geven, “die uitkomst is zoo groot, zoo onuitsprekelijk, dat al zoudt ge mij nu zeggen, dat jufvrouw Dombey getrouwd was, ik er om zou kunnen lachen. Ja, kapitein Gills,” zeide Toots, zich naar dezen omkeerende, “bij mijne ziel en mijn lichaam, ik denk waarlijk, wat ik mij zelven ook naderhand misschien zou doen, dat ik er nu om zou kunnen lachen, zoo gevoel ik mij verplicht.”—“Het zal zeker nog grooter verplichting en blijdschap voor zulk een edelmoedig hart als het uwe zijn,” antwoordde Walter, “als gij verneemt, dat gij jufvrouw Dombey een dienst kunt bewijzen. Kapitein Cuttle, wilt gij zoo goed zijn om mijnheer Toots naar boven te brengen?”De kapitein wenkte Toots, die hem met een verwonderd gezicht volgde, en bracht hem, zonder een enkel woord van voorbereiding, naar Florence’s nieuw verblijf.Toots’verbazing en blijdschap bij haar gezicht waren zoo groot, dat zij zich niet anders dan in buitensporigheden lucht konden geven. Hij vloog naar haar toe, vatte hare hand, kuste die, liet ze weder los, vatte ze opnieuw, viel op eene knie, schreide, grinnikte, en bleef geheel onbewust van het gevaar, om door Diogenes te worden beetgepakt, die, in de meening, dat deze bewegingen van vijandigen aard waren, om hem heen draaide, alsof hij nog maar niet wist waar hem te bijten, maar vast voornemens was, om hem geducht zijne tanden te laten voelen.“O Di, stoute hond, hoe kunt ge zoo vergeten! Beste mijnheer Toots, ik ben zoo blij dat ik u zie.”—“Wel bedankt,” zeide Toots. “Ik ben tamelijk wel; zeer verplicht, jufvrouw[351]Dombey. Ik hoop dat de geheele familie ook nog wel is.”Toots zeide dit zonder zelf te weten wat hij zeide, en zette zich op een stoel, waar hij Florence bleef zitten aanstaren met zulk een levendigen strijd van blijdschap en wanhoop op zijn gezicht, als een gezicht maar kon vertoonen.“Kapitein Gills en luitenant Walters hebben mij gezegd, jufvrouw Dombey,” bracht hij hijgend uit, “dat ik u een dienst kan bewijzen. Als ik daardoor de herinnering kon uitwisschen van dien dag teBrighton, toen ik mij gedroeg alsof—veelmeer alsof ik een vadermoorder was, dan een fatsoenlijk jongmensch,” zeide Toots met strenge zelfveroordeeling, “zou ik met een glans van blijdschap in het stille graf zinken.”—“O, mijnheer Toots,” zeide Florence, “wensch niet dat ik ooit iets zal vergeten van al wat er tusschen ons is omgegaan. Dat kan ik nooit, geloof mij. Gij zijt altijd veel te goed en vriendelijk voor mij geweest.”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “uwe verschoonende toegeeflijkheid voor mijn gevoel is een trek van uw engelachtig karakter. Ik dank u duizendmaal. Het is van geheel geen beduiden.”—“Wat wij van u dachten te vragen,” zeide Florence, “is, of gij u nog herinnert waar Suze, die gij zoo goed waart naar de diligence te brengen, toen zij mij verlaten moest, nu te vinden zou zijn.”—“Ik kan mij niet precies meer herinneren, jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, na zich eene poos te hebben bedacht, “welke naam er op de diligence stond, en ik herinner mij ook, dat zij mij zeide, dat zij daar niet bleef, maar nog verder moest. Maar als het uw oogmerk is haar te vinden en hier te hebben, jufvrouw Dombey, zullen ik en de Kemphaan haar opzoeken en hier brengen, met zooveel spoed als met den grootsten ijver van mijn kant en de buitengemeene schranderheid van den Kemphaan maar mogelijk is.”Toots werd zoo zichtbaar opgebeurd door het vooruitzicht van zich nuttig te kunnen maken, en de belangelooze oprechtheid van zijn ijver was zoo ontwijfelbaar, dat het eene wreedheid zou zijn geweest hem af te wijzen. Uit kieschheid maakte Florence zelfs geen melding van het minste bezwaar, hoewel zij niet naliet hem met dankbetuigingen te overstelpen en Toots nam de taak met trotschheid op zich.“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, hare aangebodene hand aanrakende, terwijl hem zichtbaar een pijnlijke steek van hopelooze liefde door het hart ging. “Vaarwel! Laat ik de vrijheid mogen nemen om te zeggen, dat uwe rampen mij diep ellendig maken, en dat gij mij kunt vertrouwen, naast kapitein Gills zelf. Ik ben wel bekend, jufvrouw Dombey, met alles wat mij ontbreekt—het is van geen beduiden, wel bedankt—maar ik ben volkomen te vertrouwen, dat verzeker ik u, jufvrouw Dombey.” Daarmede ging Toots de kamer uit, vergezeld door den kapitein, die met den hoed onder den arm op eenigen afstand was blijven staan, geen onverschillig getuige van hetgeen er omging. Toen de deur achter hen was dicht gedaan, was het licht van Toots’ leven weder verdonkerd.—“Kapiteins Gills,” zeide hij, zich onder aan de trap omkeerende, “om u de waarheid te zeggen, ik ben in het oogenblik niet in eene gemoedsstemming om luitenant Walters te zien met dat geheel vriendschappelijke gevoel, dat ik in mijne borst voor hem zou willen koesteren. Men kan zijn gevoel niet altijd beheerschen, kapitein Gills, en ik zou het voor eene bijzondere gunst houden als ge mij de zijdeur woudt uitlaten.”—“Broeder,” antwoordde de kapitein, “gij kunt zelf uw koers bepalen; want de koers, dien gij neemt, zal altijd recht door zee wezen, daarvan ben ik zeker.”—“Gij zijt wel vriendelijk, kapitein Gills,” zeide Toots; “en uwe goede meening is een troost voor mij. Er is nog iets,” zeide hij, in den gang blijvende staan, achter de half geopende deur, “dat ik hoop dat gij onthouden zult, kapitein Gills, en dat ik ook wensch dat luitenant Walters gezegd zal worden. Ik ben nu geheel in het bezit van mijn vermogen gekomen, en ik weet niet wat er mee te doen. Als ik in een financieel opzicht eenigszins van dienst kon zijn, zou ik met rust en genoegen in het stille graf neerdalen.”Toots zeide niets meer, glipte stil de deur uit en trok die achter zich toe, om den kapitein alle antwoord te beletten.Nog lang na dat de goede jongen was heengegaan, zat Florence met eene mengeling van smart en genoegen aan hem te denken. Hij was zoo welwillend en goedhartig, dat het een troost en eene blijdschap voor haar was, hem weder te zien en van zijne trouwe genegenheid verzekerd te worden; maar juist om die reden was het haar zoo aandoenlijk te denken, dat zij hem een oogenblik verdriet veroorzaakte, of den schuldeloos effen loop van zijn leven stoorde, dat hare oogen zich met tranen vulden en haar hart van medelijden overvloeide. Kapitein Cuttle dacht op zijne manier ook veel aan Toots, en Walter insgelijks; en toen het avond werd, en zij alle drie in Florence’s nieuwe kamer bij elkander zaten, prees Walter hem met opgetogenheid, en vertelde Florence, wat hij bij het heengaan had gezegd.Toots kwam in verscheidene dagen niet terug; en ondertusschen bleef Florence zonder eenige nieuwe onrust, gelijk een mak vogeltje in een kooitje, in het huis van den instrumentmaker wonen. Maar toen de dagen verliepen, begon zij te kwijnen en al meer en meer haar hoofdje te laten hangen; en de uitdrukking, die men op het gezichtje van het doode kind[352]had gezien, werd nu dikwijls uit haar venster naar den hemel gewend, alsof zij daar naar zijn engel zocht.Florence was sedert lang zwak en teer geweest, en de ontroering, die zij had doorgestaan, bleef niet zonder invloed op hare gezondheid. Het was echter geene lichamelijke ziekte, die haar nu ondermijnde. Haar gemoed was onrustig; en de oorzaak van die onrust was Walter.Terwijl hij belang in haar stelde, bezorgd voor haar was, trotsch en verheugd was als hij haar van dienst kon zijn, en dit alles met al het vuur van zijn karakter liet blijken, zag Florence toch, dat hij haar vermeed. Den geheelen dag lang naderde hij zelden hare kamer. Als zij naar hem vroeg kwam hij, voor het oogenblik even rondborstig en opgeruimd als zij hem gezien had toen zij als kind op straat verdwaalde; maar spoedig werd hij onrustig, stijf en verlegen—hare genegenheid was te waakzaam om dit niet te zien—en weldra ging hij weder heen. Ongevraagd kwam hij over dag nooit. Als de avond viel was hij er altijd, en dat was haar gelukkigste tijd, want dan geloofde zij bijna dat de oude Walter harer kindsheid niet veranderd was. Maar zelfs dan bewees haar nu en dan een gering woord, blik of omstandigheid, dat er eene scheidslinie tusschen hen bestond, die niet over te komen was.Zij kon ook niet nalaten te zien, dat deze blijken eener groote verandering bij Walter zich vertoonden in weerwil van zijne uiterste pogingen om ze te verbergen. Zij zag zeer wel dat hij, uit verlangen om haar alle leed te besparen, ontelbare kleine kunstgrepen te baat nam, en uitvluchten verzon; maar des te meer gevoelde Florence die verandering bij hem, en des te meermalen schreide zij over de vervreemding van haar broeder.De goede kapitein—haar altijd even onvermoeide en teedere vriend—zag dit ook wel, dacht Florence, en het deed hem verdriet. Hij was niet zoo opgeruimd en vol hoop als in het eerst, en somtijds, als zij des avonds bij elkander zaten, zag hij haar en Walter tersluiks aan met een gezicht, dat waarlijk treurig stond.Florence besloot eindelijk Walter aan te spreken. Zij meende nu te weten wat de oorzaak dier vervreemding was, en dacht dat het eene verlichting voor haar overkropt hart zou zijn, en ook hem meer op zijn gemak zou brengen, als zij hem zeide, dat zij die ontdekt had, en er zich geheel aan onderwierp en hem niets verweet.Het was op zekeren zondagnamiddag dat Florence dit besluit nam. De trouwe kapitein zat, met verbazende boordjes om en een bril op, bij haar te lezen, en zij vroeg hem waar Walter was.“Ik denk dat hij beneden is, mijn dametje,” antwoordde de kapitein.—“Ik zou hem gaarne spreken,” zeide Florence, haastig opstaande, alsof zij naar beneden wilde gaan,—“Ik zal hem in een oogenblik hier halen, liefje,” zeide de kapitein.Daarop nam de kapitein zijn boek onder den arm—want hij maakte er een regel van des zondags niet anders dan in een heel groot boek te lezen, dewijl dit ernstiger stond, en had jaren geleden een deel van verbazende dikte aan een stalletje gekocht, waarvan vijf regels hem altijd zoodanig versuften, dat hij tot nog toe niet had kunnen ontdekken over welk onderwerp het handelde—en ging heen. Walter verscheen weldra.“Kapitein Cuttle zegt mij, jufvrouw Dombey,” begon hij driftig, maar bleef steken toen hij haar gezichtje zag. “Gij zijt niet wel vandaag. Gij ziet zoo bedroefd. Gij hebt geschreid.”Hij sprak zoo vriendelijk en met zulk eene beving in zijne stem, dat de tranen haar weder in de oogen kwamen.“Walter,” zeide zij zacht, “ik ben niet heel wel, en ik heb ook geschreid. Ik wilde u eens spreken.”Hij zette zich tegenover haar en zag haar in het onschuldig gezichtje. Zijn eigen gezicht verbleekte en zijne lippen beefden.“Op den avond toen ik hoorde dat gij gered waart—en o lieve Walter, wat gevoelde ik dien avond en wat hoopte ik—hebt gij gezegd—”Hij legde zijne bevende hand op de tafel tusschen hen in, en bleef haar aanzien.“Op dien avond hebt gij gezegd, dat ik veranderd was. Ik was verwonderd u dat te hooren zeggen, maar nu begrijp ik wel dat ik het ben. Wees niet boos op mij, Walter. Ik was toen al te verblijd om er aan te denken.”Zij kwam hem weder als een kind voor. Het was het openhartige, vertrouwelijke, liefdevolle kind, dat hij hoorde—niet het dierbare meisje, aan welks voeten hij de schatten der aarde had willen leggen.“Gij herinnert u de laatste maal wel dat ik u zag, Walter, voor uw vertrek?”Hij stak zijne hand in zijne borst en haalde een beursje uit.“Ik heb het altijd om mijn hals gedragen! Als ik verdronken was, zou het met mij naar den bodem der zee zijn gezonken.”—“En gij zult het nog blijven dragen, Walter, om wat ik vroeger voor u was?”—“Tot ik sterf.”Zij legde hare hand op de zijne, zoo eenvoudig en onbeschroomd, alsof er geen dag verloopen was sedert zij hem die kleine gedachtenis had gegeven.Gezegende schemeravond, die haar zoo ernstig troostend beschaduwt, terwijl zij als een onnoozel kind in slaap valt aan de borst, waar zij toevlucht heeft gevonden. (blz. 355).Gezegende schemeravond, die haar zoo ernstig troostend beschaduwt, terwijl zij als een onnoozel kind in slaap valt aan de borst, waar zij toevlucht heeft gevonden.(blz. 355).“Daar ben ik blij om. Daar zal ik altijd met blijdschap aan denken, Walter. Herinnert gij u nog wel, dat er op dien zelfden avond bij ons beiden te gelijk eene gedachte aan die verandering[353]scheen op te komen, toen wij met elkander spraken?”—“Neen,” antwoordde hij op een toon van verwondering.—“Ja toch, Walter. Ik was toen al reeds het middel geweest om uwe hoop en uwe vooruitzichten te bederven. Ik was toen bang om er aan te denken, maar nu weet ik het wel. Als gij toen, door uwe edelmoedigheid, in staat waart om het mij te verbergen, dat gij ook zoo dacht, kunt gij dat nu toch niet doen, al beproeft gij dat met evenveel edelmoedigheid als voorheen. Dat doet gij waarlijk. Ik dank u daarvoor, Walter, en hartelijk; maar het kan u niet gelukken. Gij hebt door uwe eigene rampen en die van uw dierbaarsten bloedverwant te veel geleden, om de onschuldige oorzaak van al de gevaren en onheilen, die u overkomen zijn, geheel voorbij te zien. Gij kunt niet geheel vergeten, dat ik dat ben, en wij kunnen niet langer broeder en zuster zijn. Maar, lieve Walter, denk niet dat ik mij daarom over u beklaag. Ik had het wel kunnen weten—ik had het moeten weten—maar in mijne blijdschap had ik het vergeten. Al wat ik hoop is, dat gij met minder tegenzin aan mij zult denken, als gij dat gevoel niet meer behoeft geheim te houden; en al wat ik vraag, Walter, in den naam van het arme kind, dat eens uwe zuster[354]was, is dat gij, nu ik toch alles weet, niet met u zelven wilt kampen en u, om mijnentwil, nog meer verdriet geven.”Walter had haar, terwijl zij sprak, aangezien, met een gezicht zoo vol verbazing, dat het niets anders kon uitdrukken. Nu vatte hij de hand, die zoo smeekend op de zijne was gelegd, en hield ze vast.“O, jufvrouw Dombey,” zeide hij, “is het mogelijk dat ik, terwijl ik zelf zooveel geleden heb door te kampen met het gevoel van wat ik u verschuldigd ben, en u bewezen moet worden, u heb doen lijden wat gij daar zegt? Nooit, nooit, bij den hemel, heb ik u mij anders voorgesteld dan als die schoone, reine, gezegende herinnering uit mijne kinderjaren en mijne jeugd. Nooit heb ik uw aandeel aan mijn leven anders beschouwd, nooit zal ik het anders beschouwen, dan als iets heiligs en onvergetelijks. Nog eens zulk een blik van u te zien, u nog eens zoo te hooren spreken, als op den avond toen wij scheidden, is een geluk voor mij dat geene woorden kunnen uitdrukken, en als een broeder door u bemind en vertrouwd te worden, is daarna de grootste gaaf, die ik kan ontvangen en waardeeren.”“Walter,” zeide Florence, hem ernstig aanziende, maar met eene verandering in haar gezichtje, “wat is het dat mij verschuldigd is en mij bewezen moet worden, met opoffering van dat alles?”—“Ontzag en eerbied,” antwoordde Walter zacht.Er kwam een blosje op hare wangen, en zij trok zacht hare hand terug, maar bleef hem toch even ernstig aanzien.“Ik heb geen recht als broeder,” zeide Walter. “Het staat mij niet vrij als een broeder met u om te gaan. Ik heb een kind hier gelaten. Nu vind ik een volwassen meisje.”Haar blos werd hooger. Zij maakte eene beweging als wilde zij hem bidden om niets meer te zeggen, en liet haar hoofd in hare handen zinken.Beide zwegen eene poos; zij schreide.“Aan een hart zoo vertrouwelijk, zoo rein en zoo goed,” zeide Walter, “ben ik verschuldigd er mij van af te rukken, al verscheur ik daardoor mijn eigen hart. Hoe durf ik het voor het hart van eene zuster houden?”Zij bleef nog schreien.“Als gij gelukkig waart geweest, omringd, gelijk gij hadt moeten zijn, door betrekkingen die u bewonderden en liefhadden, en door alles, wat den stand, waarin gij geboren zijt, benijdenswaardig maakt,” zeide Walter, “en als gij mij dan, uit vriendelijke herinnering van het verledene, broeder hadt genoemd, had ik van mijne ver verwijderde plaats dien naam kunnen beantwoorden, zonder te denken dat ik daardoor misbruik maakte van uw vertrouwen. Maar hier—en nu!”—“O, ik dank u, ik dank u, Walter! Vergeef mij dat ik u zoo verongelijkt heb. Ik had niemand om mij raad te geven. Ik ben geheel alleen.”—“Florence!” zeide Walter hartstochtelijk. “Ik laat mij nu vervoeren om te zeggen, wat ik kort geleden dacht dat niets mij ooit had kunnen afpersen. Als ik voorspoed had gehad; als ik middel of zelfs maar hoop had om u eens in een stand te plaatsen, die eenigszins met uw eigen stand overeenkwam, dan zou ik u gezegd hebben, dat er een naam was, dien gij mij kondt schenken—een recht, boven alle ander recht, om u lief te hebben en te beschermen—dat ik uwer door niets anders waardig was dan door de liefde en vereering, die ik voor u koesterde, en daardoor, dat geheel mijn hart u toebehoorde. Ik zou dan gezegd hebben, dat dit de eenige aanspraak was om u te verdedigen en te beschermen, die gij mij kondt geven en die ik durfde aannemen en handhaven; maar dat ik ook, als ik dat recht had, het voor zoo iets kostbaars en heiligs zou houden, dat de onverdeelde toewijding van geheel mijn leven nog maar eene geringe erkentenis zou zijn van de waarde, die het voor mij had.”Het hoofdje bleef nog gebogen, de tranen vloeiden nog, de borst zwoegde van het snikken.“Lieve Florence! Dierbaarste Florence, die ik in mijne gedachten zoo heb genoemd, eer ik kon begrijpen hoe vermetel dat was. Laat ik u nog eene laatste maal bij uw eigen dierbaren naam noemen, en die lieve hand aanraken als een bewijs van uwe zusterlijke vergetelheid van hetgeen ik daar gezegd heb.”Zij hief haar hoofd op en sprak hem aan, met zulk eene plechtige teederheid in haar blik; met zulk een kalmen, helderen, vreedzamen glimlach, door hare tranen heen; met zulk eene zachte beving in hare stem, dat de fijnste snaren van zijn hart er van trilden, en zijne oogen begonnen te schemeren terwijl hij luisterde.“Neen, Walter, ik kan het niet vergeten. Ik zou het niet willen vergeten—voor de geheele wereld niet. Zijt ge—heel arm?”—“Ik ben maar een zwerveling,” zeide Walter. “Om te kunnen leven moet ik over zee heen en weer reizen. Dat is nu mijn beroep.”—“Moet ge spoedig weder heen, Walter?”—“Zeer spoedig.”Zij zat hem een oogenblik aan te zien; toen stak zij schroomvallig hare bevende hand in de zijne.“Als ge mij tot vrouw wilt nemen, Walter, zal ik u innig liefhebben. Als ge mij met u wilt laten medegaan, Walter, zal ik medegaan tot aan het eind van de wereld, zonder vreezen. Ik kan niets voor u opofferen—ik heb niets en niemand te verzaken; maar al mijne liefde en geheel mijn leven zullen u toegewijd zijn, en met mijn laatsten adem zal ik uw naam tot God fluisteren, als ik dan nog bewustheid en geheugen heb.”Hij drukte haar aan zijn hart en legde hare[355]wang tegen de zijne, en nu niet meer teruggestooten, niet meer verlaten, schreide zij vrij uit aan de borst van haar dierbaren minnaar.Gezegende zondagklokken, wier gelui zoo zacht in hunne verrukte ooren galmt! Gezegende zondagrust en stilte, die met de kalmte hunner zielen overeenstemt en de lucht om hen heen schijnt te heiligen. Gezegende schemeravond, die haar zoo ernstig troostend beschaduwt, terwijl zij als een onnoozel kind in slaap valt aan de borst, waar zij toevlucht heeft gevonden!O last van liefde en trouw, die daar lichtjes ligt! Ja, zie vrij neer op die geslotene oogen, Walter, met een blik vol trots en teederheid; want in de geheele wijde wereld zoeken zij nu alleen naar u.De kapitein bleef in het achterkamertje tot het geheel donker was geworden. Hij nam den stoel, waarop Walter had gezeten, en keek naar het lantaarnvenster op, tot de dag langzamerhand verdween en de sterren door de ruiten kwamen heenkijken. Hij stak eene kaars, en daarna eene pijp aan, en rookte die uit, en verwonderde zich wat in de wereld er toch boven omging, en waarom men hem niet riep voor de thee.Toen hij ten toppunt van verwondering was, kwam Florence naast hem.“Zoo, mijn dametje!” zeide de kapitein. “Wel, gij en Walter hebt lang met elkaar te praten gehad, liefje!”Florence klemde haar handje om een der groote knoopen van zijne jas, en zeide, bukkende om hem in het gezicht te zien:“Lieve kapitein, ik wilde u iets zeggen, als het u belieft.”De kapitein hief tamelijk driftig zijn hoofd op, om te hooren wat het was. Toen hij Florence daardoor duidelijker zag, schoof hij zijn stoel en zich zelven zoover mogelijk achteruit.“Wat! hartediefje!” riep de kapitein met plotselinge opgewondenheid. “Is het dat?”—“Ja,” antwoordde Florence snel.—“Walter! Uw man!Dat?” riep de kapitein, zijn hoed tot aan de ruiten opgooiende.—“Ja,” zeide Florence lachend en schreiend te gelijk.De kapitein sloot haar oogenblikkelijk in zijne armen; en nadat hij toen zijn hoed opgeraapt en opgezet had, nam hij haar onder den arm en bracht haar weder naar boven, waar hij nu de grootste grap van zijn leven wilde hebben.“Wat, Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, de deur inkijkende. “Dus is ergeenandere naam, niet waar?”Hij liep wel eenig gevaar om zich aan deze grap te doen stikken, welke hij onder de thee ten minste vijftigmaal herhaalde; terwijl hij in de tusschenpoozen zijn blinkend gezicht met zijne mouw of zijn hoofd met zijn zakdoek wreef. Het ontbrak hem evenwel ook niet aan ernstiger bronnen van genot, wanneer hij daarnaar verlangde, want verscheidene malen hoorde men hem, terwijl hij Walter en Florence met onuitsprekelijk genoegen aanzag, bij zich zelven mompelen:“Edward Cuttle, mijn jongen, gij hebt nooit in uw leven beter koers gezeild, dan toen gij er aan dacht om dat kapitaaltje over te maken.”

[Inhoud]L.WALTER EN TOOTS.Er was in het huis, dat den houten adelborst herbergde, een ledig kamertje, dat in vroeger tijd Walter’s slaapkamer was geweest. Walter, die den kapitein des morgens vroeg kwam oproepen, stelde voor, dat zij de beste meubelen uit het achterkamertje daarheen zouden brengen, zoodat Florence, zoodra zij opstond, dit vertrekje in bezit kon nemen. Daar niets kapitein Cuttle aangenamer kon zijn, dan zich voor zoo iets buiten adem te werken, ging hij (gelijk hij zelf zeide) met lust aan den gang, en in een paar uren was dit hokje in eene soort van landkajuit herschapen, versierd met de beste meubelen uit de achterkamer, daaronder zelfs het fregat de Tartaar begrepen, hetwelk de kapitein boven den schoorsteenmantel hing en zoozeer bewonderde, dat hij een half uur lang niets anders doen kon dan het al achteruitstappende te bekijken.Door geene overreding van Walter liet de kapitein zich bewegen om het groote horloge op te winden of het blikken busje terug te nemen, of de suikertang of de theelepeltjes aan te raken. “Neen, neen, mijn jongen,” was zijn onveranderlijk antwoord op zulk een aanzoek; “ik heb u dat kapitaaltje overgemaakt, gansch en gaar.” Deze woorden sprak hij met[347]groote deftigheid uit, blijkbaar geloovende, dat zij de kracht eener parlementsakte hadden, en dat, als hij zich maar niet compromitteerde door eene nieuwe bekentenis van eigenaarschap, zulk een vorm van overdracht onherroepelijk was.Het was een voordeel der nieuwe schikking, dat behalve dat Florence meer vrijheid en stilte kreeg, de houtenadelborstnu weder op zijn gewonen observatiepost kon geplaatst en de luiken van den winkel afgenomen konden worden; want op den vorigen dag had het gesloten blijven zulk eene bevreemding in de buurt veroorzaakt, dat het huis des instrumentmakers door het publiek met eene buitengemeene mate van aandacht was verwaardigd, en den geheelen dag lang troepen van nieuwsgierige kijkers aan den overkant der straat waren blijven staan. Vooral hadden de straatjongens belang gesteld in het lot des kapiteins, en hadden zij gedurig in den modder liggen kruipen om door de keldertraliën onder het winkelvenster te kijken, hunne verbeelding streelende met den waan, dat zij een stukje van zijne jas konden zien, gelijk hij zich in een hoek had opgehangen; hoewel deze soort van uiteinde door eene andere partij ten sterkste werd tegengesproken, die van gevoelen was, dat hij vermoord (met een hamer doodgeslagen) op de trap lag. Het was dus niet zonder eenig ongenoegen, dat men hem, die het onderwerp dezer geruchten was, des morgens vroeg weder aan zijne deur zag staan, even gezond en frisch alsof er niets gebeurd was; en deBeadlevan de wijk, een man van een eerzuchtig karakter, die gedacht had de onderscheiding te zullen hebben om bij het openbreken van de deur te assisteeren, en in volle uniform getuigenis voor dencoronerte geven, ging zelfs zoo ver, dat hij tot een overbuurman zeide, dat die kerel met zijn blinkenden hoed het maar niet moest probeeren—zonder nader aan te duiden wat—en verder dat hij, deBeadle, hem in het oog zou houden.“Kapitein Cuttle,” zeide Walter peinzende, toen zij aan de winkeldeur van hun arbeid stonden uit te rusten, en hij de nog welbekende straat opkeek, “geheel niets van oom Sam in al dien tijd?”—“Niets, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, zijn hoofd schuddende.—“Mij te gaan opzoeken, die lieve, goede, oude man,” zeide Walter, “en u toch nooit te schrijven! Maar waarom niet? Hij zegt wel in den brief, dien gij mij gegeven hebt,” het pakje uit zijne borst halende, dat in tegenwoordigheid van den helderdenkenden Bunsby was geopend, “dat als gij niet van hem hoort, eer gij dien opent, gij hem voor dood kunt houden. Dat verhoede God! Maar gij zoudt toch van hem gehoord hebben, al was hij dood. De een of ander zou u toch op zijn verlangen geschreven hebben, als hij dat niet kon doen; en gezegd hebben: “dan en dan overleed ten mijnen huize, of onder mijne zorg, mijnheer Samuel Gills, van Londen, die dit laatste verzoek voor u heeft nagelaten.””De kapitein, die nog nooit op zulk eene heldere hoogte van waarschijnlijkheid was geklommen, was verwonderd over het ruime uitzicht, dat zich daar opende, en antwoordde, nadenkend zijn hoofd schuddende: “Wel gezegd, mijn jongen. Heel wel gezegd.”“Ik heb daarover gedacht, of ten minste,” zeide Walter blozende, “ik heb over allerlei dingen gedacht, terwijl ik van nacht niet slapen kon, en ik kan niet anders denken, kapitein Cuttle, of mijn oom Sam (God zegen hem!) is nog in leven en zal wel terugkomen. Het verwondert mij niet zoozeer, dat hij is heengegaan, omdat, zonder nog te spreken van die zucht voor het avontuurlijke, waarvan hij altijd iets in zijn karakter had, en van zijne gehechtheid aan mij, waarvoor alle andere dingen bij hem achterstonden, gelijk niemand zoo goed weet als ik, die den besten van alle vaders aan hem had—” Walter’s stem werd hier schor, en hij keek naar den anderen kant de straat op—“zonder daarvan te spreken, zeg ik, heb ik dikwijls gehoord en gelezen van menschen, die, als een dierbaar bloedverwant van hen voor op zee verongelukt werd gehouden, ergens aan de kust gingen wonen, waar men tijding van het vermiste schip kon verwachten, al was het maar een paar uren vroeger dan ergens anders, of er zelfs naar gingen zoeken, op de plaats waarheen het bestemd was, alsof hunne reis iets kon toebrengen om bericht te verschaffen. Ik denk dat ik zelf wel in staat zou zijn om zoo iets te doen. Maar waarom mijn oom u niet schreef, daar hij dit toch zoo duidelijk voornemens was, of dat hij buitenslands zou kunnen sterven, zonder dat gij het door iemand anders te weten zoudt komen, dat is iets dat ik niet begrijp.”Kapitein Cuttle merkte aan, dat Jack Bunsby zelf het niet begrepen had, en dat hij toch een man was, die degelijk zijn gevoelen wist te zeggen.“Als mijn oom een loszinnig jongmensch was geweest, die licht door vroolijk gezelschap naar een of ander huis kon gelokt worden, waar men hem om het geld, dat hij bij zich had, van kant wilde helpen,” zeide Walter, “of een woeste matroos, die met twee of drie maanden gage in zijn zak aan land ging, kon ik het begrijpen, dat hij verdween zonder spoor na te laten. Maar van zoo iemand als hij was—en is, hoop ik—kan ik dat niet gelooven.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, hem bekommerd aanziende, “wat denkt gij er dan van?”—“Kapitein Cuttle,” antwoordde Walter, “ik weet niet wat ik er van denken moet,—als het zoo is, dat hij nooit heeft geschreven. Daar is immers geen twijfel aan?”—“Als Sam Gills[348]heeft geschreven, mijn jongen,” zeide de kapitein redeneerend, “waar is dan de brief?”—“Hij kan wel aan iemand zijn medegegeven,” zeide Walter, “en vergeten, of achteloos weggegooid, of verloren zijn. Zelfs dat komt mij waarschijnlijker voor dan de andere mogelijkheid. Kortom, ik kan en wil niet aan die andere mogelijkheid denken, kapitein Cuttle.”—“Hoop, ziet ge wel, Walter,” merkte de kapitein diepzinnig aan. “Hoop. Dat is het wat u doet leven. Hoop is een anker, dat kunt gij in het groote liederboek nazien, mijn jongen. Maar wat baat het mij of ik een anker heb, als ik geen grond kan vinden om het in te laten zakken.”Kapitein Cuttle zeide dit veeleer in zijn karakter van gezeten burger en voorzichtig winkelier, verplicht om een onervaren jonkman een kruimpje uit zijn schat van wijsheid mede te deelen, dan in zijn eigen persoon. Uit zijne oogen straalde te gelijk de nieuwe hoop, die hij van Walter had opgevangen; en hij besloot zeer gepast met hem op den rug te kloppen en in vervoering uit te roepen: “Hoera, mijn jongen. Ik ben het met u eens.”Walter beantwoordde dit compliment met een vroolijken lach, en zeide:“Nu nog maar één woord over mijn oom vooreerst, kapitein Cuttle. Het zal wel voor onmogelijk moeten gehouden worden, dat hij op de gewone manier kan geschreven hebben—met postpakket of schip, verstaat ge—”—“Ja, ja, mijn jongen,” zeide de kapitein goedkeurend.—“En dat die brief niet bij u te recht gekomen is?”—“Wel, Walter,” zeide de kapitein, hem aanziende met eene flauwe poging om barsch te kijken; “ben ik niet dag en nacht op den uitkijk geweest naar dien man van wetenschap, Sam Gills, uw oom, zoolang als ik hem verloren heb? Is mijn hart niet altijd zwaar geweest over hem en u? Ben ik niet slapend en wakend op mijn post gebleven, en zou ik mij niet geschaamd hebben om er van af te loopen zoolang deze adelborst boven water bleef?”—“Ja, kapitein Cuttle,” antwoordde Walter, hem bij de hand vattende, “dat weet ik wel, en ik weet wel hoe trouw en ernstig alles is, dat gij zegt en doet. Daar ben ik zeker van. Gij twijfelt niet, of ik ben daar zoo zeker van, als dat ik mijn voet weder op dezen drempel heb, of dat ik deze trouwe hand weder vasthoud. Daar twijfelt gij immers niet aan?”—“Neen, neen, Walter,” zeide de kapitein met een geheel opgehelderd gezicht.—“Ik zal geene gissingen meer wagen,” hervatte Walter, de harde hand des kapiteins schuddende. “Al wat ik er nog wil bijvoegen is, de hemel verhoede, dat ik het eigendom van mijn oom zou aanraken, kapitein Cuttle. Al wat hij hier gelaten heeft, zal hier blijven in bewaring van den trouwsten rentmeester en den braafsten man—en als zijn naam niet Cuttle is, heeft hij geen naam. En nu, beste vriend, over—jufvrouw Dombey.”Er was eene verandering in Walter’s uitzicht en toon, toen hij aan deze twee woorden kwam; en toen hij ze had uitgesproken, schenen alle zelfvertrouwen en blijmoedigheid hem verlaten te hebben.“Ik dacht eerst,” zeide Walter, “dat wij maar één harden plicht konden hebben, namelijk, haar te overreden, om hare betrekkingen kennis te geven waar zij was, en weder naar huis te gaan.”De kapitein mompelde een flauw “sta vast!” of “hou vast!” of iets dat evenzeer te pas kwam; maar door de verslagenheid, waarmede dit bericht hem vervulde, klonk het zoo flauw, dat men er naar moest raden wat hij zeide.“Maar,” zeide Walter, “dat is afgedaan. Ik denk nu zoo niet meer. Ik zou liever weder op dat stuk hout gezet worden, waarop ik na mijne redding zoo dikwijls in mijne droomen heb gedreven, en daarmee blijven rondzwalken tot ik stierf.”—“Hoera! mijn jongen,” riep de kapitein, met eene uitbarsting van onbedwingbare blijdschap. “Hoera! Hoera! Hoera!”—“Te denken dat zij, zoo jong, zoo goed, zoo schoon,” zeide Walter, “zoo teeder opgebracht en tot zulk een geheel ander lot geboren, met de ruwe wereld zou moeten worstelen! Maar wij hebben den afgrond gezien, die haar van alles afsnijdt wat achter haar is, schoon niemand dan zij zelve alleen kan weten hoe diep die is; en zij kan niet terug.”Kapitein Cuttle, zonder dit geheel te begrijpen, keurde het toch ten hoogste goed, en merkte met nadruk aan, dat de wind vlak van achteren was.“Maar zij behoort hier niet alleen te blijven; moet zij wel, kapitein Cuttle?” zeide Walter bekommerd.—“Wel, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, na zich eens te hebben bedacht, “dat weet ik niet. Daar gij hier zijt om haar gezelschap te houden, en gij te zamen—”—“Beste kapitein Cuttle,” bracht Walter hiertegen in, “juist omdat ik hier ben. Jufvrouw Dombey houdt mij in haar onschuldig hart voor haar aangenomen broeder; maar hoe listig en slecht zou mijn hart wezen, als ik veinsde te gelooven eenig recht te hebben om onder dien naam gemeenzaam met haar om te gaan—als ik veinsde te vergeten, dat ik als man van eer verplicht ben dat niet te doen.”—“Walter, mijn jongen,” begon de kapitein, eenigszins van zijne verslagenheid bekomende, “is er dan geen andere naam, waar—”—“O!” viel Walter er op in, “zoudt gij mij hare achting willen doen verbeuren en mij voor altijd uit hare oogen verbannen, door eene poging om er voordeel uit te trekken, dat zij hier zoo vertrouwelijk eene schuilplaats heeft gezocht,[349]eene poging om misbruik van hare omstandigheden te maken, en van een broeder een minnaar te worden! Wat zeg ik? Er is niemand in de wereld, die mij dit eerder zou willen beletten dan gij, als ik tot zoo iets in staat was.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, wederom in zijne neerslachtigheid verzinkende, “als er wettige redenen van verhindering zijn waarom twee personen niet zouden worden samengevoegd in de banden van den echtelijken staat, zooals gij dat kunt nalezen en aanteekenen, dan hoop ik, dat ik er rond voor uit zou komen, zooals in de geboden wordt beloofd en gezworen. Dus is er geen andere naam, mijn jongen?”Walter wuifde ontkennend met zijne hand.“Wel, mijn jongen,” bromde de kapitein zeer langzaam, “ik wil niet ontkennen of dat valt mij geweldig tegen, en ik weet er niets meer op. Maar wat ons dametje betreft, Walter, moet gij wel weten, zooveel achting en eerbied als iemand haar verplicht is, reken ik mij ook aan haar verplicht, en daarom zal ik denzelfden koers houden als gij, en twijfel ik niet of gij doet er wel aan. En er is dus geen andere naam?” zeide de kapitein, met een zeer betrokken gezicht over de ruïne van zijn ingestort luchtkasteel mijmerend.—“Neen, kapitein Cuttle,” zeide Walter; met een vroolijker gezicht tot een ander onderwerp overgaande, om den kapitein op te beuren, hetgeen hem echter toch niet gelukte, “mij dunkt, wij moesten moeite doen om iemand te vinden, die jufvrouw Dombey gezelschap kan houden en bedienen zoolang zij hier blijft, en die wij kunnen vertrouwen. Dat kunnen wij niemand van hare familie. Het is duidelijk dat jufvrouw Dombey gelooft, dat zij allen haar vader naar de oogen zien. Waar is Suze gebleven?”—“Dat meisje?” antwoordde de kapitein. “Ik geloof dat zij zeer tegen den zin van hartediefje is weggestuurd. Ik heb eens naar haar gevischt toen ons dametje pas hier kwam, en zij prees haar tot aan de wolken en zeide dat zij al langen tijd van haar af was.”—“Vraag jufvrouw Dombey dan waar zij naar toe is,” zeide Walter, “en wij zullen ons best doen om haar te vinden. Het wordt al wat laat, en jufvrouw Dombey zal welhaast opstaan. Gij zijt haar beste vriend. Wacht boven naar haar, en laat mij voor alles beneden zorgen.”De kapitein herhaalde den zucht, waarmede Walter dit zeide, en gehoorzaamde. Florence was verheugd over hare nieuwe kamer, verlangend om Walter te zien, en opgetogen over het vooruitzicht om hare oude vriendin Suze weder bij zich te krijgen. Maar zij kon niet zeggen waar Suze naar toe was gegaan, behalve dat het ergens inEssexmoest wezen, en dat niemand het zeggen kon, of het moest, bedacht zij zich, mijnheer Toots wezen.Met dit bericht kwam de zwaarmoedige kapitein naar Walter terug, en onderrichtte hem, dat Toots de jonkman was, dien hij op de stoep had ontmoet, en dat hij een vriend van hem was, en een jong heer van vermogen was, en dat hij jufvrouw Dombey hopeloos aanbad. De kapitein verhaalde ook, hoe de tijding van Walter’s vermeend lot hem het eerst met Toots in kennis had gebracht, en hoe er een plechtig verbond en verdrag tusschen hen was gesloten, dat Toots op het onderwerp zijner liefde stom zou blijven.Nu was de vraag, of Florence mijnheer Toots kon vertrouwen; en toen Florence met een glimlach antwoordde: “O ja, met al mijn hart!” werd het van gewicht te ontdekken waar Toots woonde. Florence wist dit niet, en de kapitein had het vergeten, en vertelde Walter in het achterkamertje juist dat Toots wel gauw eens zou aankomen, toen deze heer werkelijk kwam.“Kapitein Gills,” zeide Toots, zonder eenige omstandigheden binnenstuivende, “ik ben op het punt om razend te worden!”Toots had deze woorden als uit een mortier geschoten, eer hij Walter opmerkte, dien hij nu herkende met een geluid, dat een gegrinnik van rampzaligheid zou mogen genoemd worden.“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Toots, zijn voorhoofd vasthoudende, “maar ik ben tegenwoordig in een toestand dat mijn verstand mij begeeft, als het al niet weg is, en complimenten van iemand in zulk een toestand zouden holle klanken zijn. Kapitein Gills, ik verzoek u om de gunst van een afzonderlijk gesprek.”—“Wel, broeder,” antwoordde de kapitein, hem bij de hand vattende, “gij zijt juist de man, naar wien wij op den uitkijk waren.”—“O kapitein Gills,” zeide Toots, “wat een uitkijk moet dat zijn, waarvan ik het onderwerp ben! Ik heb mij niet durven scheren zoo disperaat ben ik. Ik heb mijne kleeren niet laten borstelen. Mijn haar zit in elkander geward. Ik heb den Kemphaan gezegd, dat ik mij aan hem zou vergrijpen, als hij mijne laarzen wilde gaan poetsen.”Al deze blijken van geestverbijstering werden door zijn voorkomen bevestigd, dat inderdaad zeer wild en woest was.“Zie hier, broeder,” zeide de kapitein. “Dit is Walter, de neef van den ouden Sam Gills—hij, wien men voor op zee verongelukt hield.”Toots nam zijne hand van zijn voorhoofd en staarde Walter aan.“Goede hemel!” stamelde Toots. “Welk eene opeenstapeling van ellende! Hoe vaart ge? Ik—ik—ik vrees dat ge heel nat moet zijn geworden. Kapitein Gills, mag ik in den winkel een woordje met u spreken?”Hij pakte den kapitein bij zijne jas, en met hem naar buiten gaande, fluisterde hij:[350]“Dat is dus de persoon van wien gij gesproken hebt, kapitein Gills, toen ge zoo goed waart mij te zeggen dat hij en jufvrouw Dombey voor elkander geschapen waren?”—“Wel—ja, mijn jongen,” antwoordde de neerslachtige kapitein. “Eens dacht ik er zoo over.”En nu riep Toots uit, met zijne hand weder voor zijn voorhoofd: “Moest hij dat zijn!—een gehate medeminnaar! Maar ten minste is hij geen gehate medeminnaar,” zeide Toots, zich bedenkende en zijne hand weder wegnemende. “Waarom zou ik hem haten? Neen. Als mijne liefde waarlijk belangeloos is geweest, kapitein Gills, laat ik dat dan nu bewijzen!”Eensklaps vloog Toots weder naar het achterkamertje, en Walter bij de hand grijpende, zeide hij:“Hoe vaart ge? Ik hoop dat ge geen kou hebt gevat. Ik—ik zal heel blij zijn als ge mij het pleizier doet om kennis met u te mogen houden. Ik wensch u nog vele jaren na dezen. Op mijn woord van eer,” zeide Toots, warmer wordende, toen hij beter op Walter’s uitzicht en houding lette, “ik ben heel blij, dat ik u zie.”—“Ik dank u hartelijk,” antwoordde Walter. “Ik zou geen vriendelijker welkomst kunnen verlangen.”—“Zoudt ge waarlijk niet?” zeide Toots, hem nogmaals de hand schuddende. “Dat is wel goed van u. Ik ben u zeer verplicht. Hoe vaart ge? Ik hoop, dat gij alles wel hebt gelaten daar aan—dat is daarop—ik meen waar ge laatst vandaan zijt gekomen, weet ge.”Op al deze goede wenschen en nog betere meening gaf Walter hartelijk antwoord.“KapiteinGills,” zeide Toots, “ik wil stiptelijk mijn woord houden; maar ik geloof, dat ik nu wel iets zou mogen zeggen van zeker onderwerp—”—“Ja, ja, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Spreek maar ronduit.”—“Dan, kapitein Gills en luitenant Walters,” zeide Toots, “weet gij wel, dat bij mijnheer Dombey aan huis de schrikkelijkste omstandigheden zijn voorgevallen, en dat jufvrouw Dombey zelve haar vader verlaten heeft, die naar mijne gedachten,” zeide Toots met groote opgewondenheid, “zulk een beest is, dat het nog vleierij zou zijn hem een houten blok of een roofvogel te noemen, en dat zij nergens te vinden is, en niemand weet, waar zij naar toe is?”—“Mag ik vragen, hoe gij dat gehoord hebt?” zeide Walter.—“Luitenant Walters,” zeide Toots, die er op eene geheel eigenaardige manier toe kwam, om hem deze benaming toe te leggen; waarschijnlijk door zijn doopnaam met de zee in verband te brengen, en eene betrekking tusschen hem en den kapitein te vooronderstellen, die zich dus ook natuurlijk tot hunne titels moest uitstrekken; “luitenant Walters, ik kan geen bezwaar hebben om u een rondborstig antwoord te geven. De zaak is, dat ik een buitengemeen belang stel in alles, wat jufvrouw Dombey maar eenigszins aangaat—niet met zelfzuchtige oogmerken, luitenant Walters, want ik weet maar al te wel dat ik ten genoege van alle belanghebbenden niet beter kan doen dan een eind aan mijn leven te maken, dat voor niets anders dan een overlast kan gehouden worden; maar ik wilde zeggen, omdat ik zooveel belang stel in alles wat jufvrouw Dombey aangaat, ben ik gewoon om nu en dan eene kleine vereering te geven aan een knecht, een heel fatsoenlijk jonkman, die Towlinson heet, en eenigen tijd daar in huis gewoond heeft; en Towlinson heeft mij gisteren gezegd, dat het zoo met de zaken gesteld was. En van dat oogenblik af, kapitein Gills en luitenant Walters, ben ik zoo goed als razend geweest; en ik heb den geheelen nacht op de sofa gelegen in den rampzaligen staat waarin gij mij nu ziet.”—“Mijnheer Toots,” zeide Walter, “het doet mij genoegen u eenigszins te kunnen geruststellen. Ik bid u, word bedaard. Jufvrouw Dombey is gezond en wel.”—“Mijnheer,” riep Toots uit, van zijn stoel opspringende om hem opnieuw de hand te geven, “die uitkomst is zoo groot, zoo onuitsprekelijk, dat al zoudt ge mij nu zeggen, dat jufvrouw Dombey getrouwd was, ik er om zou kunnen lachen. Ja, kapitein Gills,” zeide Toots, zich naar dezen omkeerende, “bij mijne ziel en mijn lichaam, ik denk waarlijk, wat ik mij zelven ook naderhand misschien zou doen, dat ik er nu om zou kunnen lachen, zoo gevoel ik mij verplicht.”—“Het zal zeker nog grooter verplichting en blijdschap voor zulk een edelmoedig hart als het uwe zijn,” antwoordde Walter, “als gij verneemt, dat gij jufvrouw Dombey een dienst kunt bewijzen. Kapitein Cuttle, wilt gij zoo goed zijn om mijnheer Toots naar boven te brengen?”De kapitein wenkte Toots, die hem met een verwonderd gezicht volgde, en bracht hem, zonder een enkel woord van voorbereiding, naar Florence’s nieuw verblijf.Toots’verbazing en blijdschap bij haar gezicht waren zoo groot, dat zij zich niet anders dan in buitensporigheden lucht konden geven. Hij vloog naar haar toe, vatte hare hand, kuste die, liet ze weder los, vatte ze opnieuw, viel op eene knie, schreide, grinnikte, en bleef geheel onbewust van het gevaar, om door Diogenes te worden beetgepakt, die, in de meening, dat deze bewegingen van vijandigen aard waren, om hem heen draaide, alsof hij nog maar niet wist waar hem te bijten, maar vast voornemens was, om hem geducht zijne tanden te laten voelen.“O Di, stoute hond, hoe kunt ge zoo vergeten! Beste mijnheer Toots, ik ben zoo blij dat ik u zie.”—“Wel bedankt,” zeide Toots. “Ik ben tamelijk wel; zeer verplicht, jufvrouw[351]Dombey. Ik hoop dat de geheele familie ook nog wel is.”Toots zeide dit zonder zelf te weten wat hij zeide, en zette zich op een stoel, waar hij Florence bleef zitten aanstaren met zulk een levendigen strijd van blijdschap en wanhoop op zijn gezicht, als een gezicht maar kon vertoonen.“Kapitein Gills en luitenant Walters hebben mij gezegd, jufvrouw Dombey,” bracht hij hijgend uit, “dat ik u een dienst kan bewijzen. Als ik daardoor de herinnering kon uitwisschen van dien dag teBrighton, toen ik mij gedroeg alsof—veelmeer alsof ik een vadermoorder was, dan een fatsoenlijk jongmensch,” zeide Toots met strenge zelfveroordeeling, “zou ik met een glans van blijdschap in het stille graf zinken.”—“O, mijnheer Toots,” zeide Florence, “wensch niet dat ik ooit iets zal vergeten van al wat er tusschen ons is omgegaan. Dat kan ik nooit, geloof mij. Gij zijt altijd veel te goed en vriendelijk voor mij geweest.”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “uwe verschoonende toegeeflijkheid voor mijn gevoel is een trek van uw engelachtig karakter. Ik dank u duizendmaal. Het is van geheel geen beduiden.”—“Wat wij van u dachten te vragen,” zeide Florence, “is, of gij u nog herinnert waar Suze, die gij zoo goed waart naar de diligence te brengen, toen zij mij verlaten moest, nu te vinden zou zijn.”—“Ik kan mij niet precies meer herinneren, jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, na zich eene poos te hebben bedacht, “welke naam er op de diligence stond, en ik herinner mij ook, dat zij mij zeide, dat zij daar niet bleef, maar nog verder moest. Maar als het uw oogmerk is haar te vinden en hier te hebben, jufvrouw Dombey, zullen ik en de Kemphaan haar opzoeken en hier brengen, met zooveel spoed als met den grootsten ijver van mijn kant en de buitengemeene schranderheid van den Kemphaan maar mogelijk is.”Toots werd zoo zichtbaar opgebeurd door het vooruitzicht van zich nuttig te kunnen maken, en de belangelooze oprechtheid van zijn ijver was zoo ontwijfelbaar, dat het eene wreedheid zou zijn geweest hem af te wijzen. Uit kieschheid maakte Florence zelfs geen melding van het minste bezwaar, hoewel zij niet naliet hem met dankbetuigingen te overstelpen en Toots nam de taak met trotschheid op zich.“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, hare aangebodene hand aanrakende, terwijl hem zichtbaar een pijnlijke steek van hopelooze liefde door het hart ging. “Vaarwel! Laat ik de vrijheid mogen nemen om te zeggen, dat uwe rampen mij diep ellendig maken, en dat gij mij kunt vertrouwen, naast kapitein Gills zelf. Ik ben wel bekend, jufvrouw Dombey, met alles wat mij ontbreekt—het is van geen beduiden, wel bedankt—maar ik ben volkomen te vertrouwen, dat verzeker ik u, jufvrouw Dombey.” Daarmede ging Toots de kamer uit, vergezeld door den kapitein, die met den hoed onder den arm op eenigen afstand was blijven staan, geen onverschillig getuige van hetgeen er omging. Toen de deur achter hen was dicht gedaan, was het licht van Toots’ leven weder verdonkerd.—“Kapiteins Gills,” zeide hij, zich onder aan de trap omkeerende, “om u de waarheid te zeggen, ik ben in het oogenblik niet in eene gemoedsstemming om luitenant Walters te zien met dat geheel vriendschappelijke gevoel, dat ik in mijne borst voor hem zou willen koesteren. Men kan zijn gevoel niet altijd beheerschen, kapitein Gills, en ik zou het voor eene bijzondere gunst houden als ge mij de zijdeur woudt uitlaten.”—“Broeder,” antwoordde de kapitein, “gij kunt zelf uw koers bepalen; want de koers, dien gij neemt, zal altijd recht door zee wezen, daarvan ben ik zeker.”—“Gij zijt wel vriendelijk, kapitein Gills,” zeide Toots; “en uwe goede meening is een troost voor mij. Er is nog iets,” zeide hij, in den gang blijvende staan, achter de half geopende deur, “dat ik hoop dat gij onthouden zult, kapitein Gills, en dat ik ook wensch dat luitenant Walters gezegd zal worden. Ik ben nu geheel in het bezit van mijn vermogen gekomen, en ik weet niet wat er mee te doen. Als ik in een financieel opzicht eenigszins van dienst kon zijn, zou ik met rust en genoegen in het stille graf neerdalen.”Toots zeide niets meer, glipte stil de deur uit en trok die achter zich toe, om den kapitein alle antwoord te beletten.Nog lang na dat de goede jongen was heengegaan, zat Florence met eene mengeling van smart en genoegen aan hem te denken. Hij was zoo welwillend en goedhartig, dat het een troost en eene blijdschap voor haar was, hem weder te zien en van zijne trouwe genegenheid verzekerd te worden; maar juist om die reden was het haar zoo aandoenlijk te denken, dat zij hem een oogenblik verdriet veroorzaakte, of den schuldeloos effen loop van zijn leven stoorde, dat hare oogen zich met tranen vulden en haar hart van medelijden overvloeide. Kapitein Cuttle dacht op zijne manier ook veel aan Toots, en Walter insgelijks; en toen het avond werd, en zij alle drie in Florence’s nieuwe kamer bij elkander zaten, prees Walter hem met opgetogenheid, en vertelde Florence, wat hij bij het heengaan had gezegd.Toots kwam in verscheidene dagen niet terug; en ondertusschen bleef Florence zonder eenige nieuwe onrust, gelijk een mak vogeltje in een kooitje, in het huis van den instrumentmaker wonen. Maar toen de dagen verliepen, begon zij te kwijnen en al meer en meer haar hoofdje te laten hangen; en de uitdrukking, die men op het gezichtje van het doode kind[352]had gezien, werd nu dikwijls uit haar venster naar den hemel gewend, alsof zij daar naar zijn engel zocht.Florence was sedert lang zwak en teer geweest, en de ontroering, die zij had doorgestaan, bleef niet zonder invloed op hare gezondheid. Het was echter geene lichamelijke ziekte, die haar nu ondermijnde. Haar gemoed was onrustig; en de oorzaak van die onrust was Walter.Terwijl hij belang in haar stelde, bezorgd voor haar was, trotsch en verheugd was als hij haar van dienst kon zijn, en dit alles met al het vuur van zijn karakter liet blijken, zag Florence toch, dat hij haar vermeed. Den geheelen dag lang naderde hij zelden hare kamer. Als zij naar hem vroeg kwam hij, voor het oogenblik even rondborstig en opgeruimd als zij hem gezien had toen zij als kind op straat verdwaalde; maar spoedig werd hij onrustig, stijf en verlegen—hare genegenheid was te waakzaam om dit niet te zien—en weldra ging hij weder heen. Ongevraagd kwam hij over dag nooit. Als de avond viel was hij er altijd, en dat was haar gelukkigste tijd, want dan geloofde zij bijna dat de oude Walter harer kindsheid niet veranderd was. Maar zelfs dan bewees haar nu en dan een gering woord, blik of omstandigheid, dat er eene scheidslinie tusschen hen bestond, die niet over te komen was.Zij kon ook niet nalaten te zien, dat deze blijken eener groote verandering bij Walter zich vertoonden in weerwil van zijne uiterste pogingen om ze te verbergen. Zij zag zeer wel dat hij, uit verlangen om haar alle leed te besparen, ontelbare kleine kunstgrepen te baat nam, en uitvluchten verzon; maar des te meer gevoelde Florence die verandering bij hem, en des te meermalen schreide zij over de vervreemding van haar broeder.De goede kapitein—haar altijd even onvermoeide en teedere vriend—zag dit ook wel, dacht Florence, en het deed hem verdriet. Hij was niet zoo opgeruimd en vol hoop als in het eerst, en somtijds, als zij des avonds bij elkander zaten, zag hij haar en Walter tersluiks aan met een gezicht, dat waarlijk treurig stond.Florence besloot eindelijk Walter aan te spreken. Zij meende nu te weten wat de oorzaak dier vervreemding was, en dacht dat het eene verlichting voor haar overkropt hart zou zijn, en ook hem meer op zijn gemak zou brengen, als zij hem zeide, dat zij die ontdekt had, en er zich geheel aan onderwierp en hem niets verweet.Het was op zekeren zondagnamiddag dat Florence dit besluit nam. De trouwe kapitein zat, met verbazende boordjes om en een bril op, bij haar te lezen, en zij vroeg hem waar Walter was.“Ik denk dat hij beneden is, mijn dametje,” antwoordde de kapitein.—“Ik zou hem gaarne spreken,” zeide Florence, haastig opstaande, alsof zij naar beneden wilde gaan,—“Ik zal hem in een oogenblik hier halen, liefje,” zeide de kapitein.Daarop nam de kapitein zijn boek onder den arm—want hij maakte er een regel van des zondags niet anders dan in een heel groot boek te lezen, dewijl dit ernstiger stond, en had jaren geleden een deel van verbazende dikte aan een stalletje gekocht, waarvan vijf regels hem altijd zoodanig versuften, dat hij tot nog toe niet had kunnen ontdekken over welk onderwerp het handelde—en ging heen. Walter verscheen weldra.“Kapitein Cuttle zegt mij, jufvrouw Dombey,” begon hij driftig, maar bleef steken toen hij haar gezichtje zag. “Gij zijt niet wel vandaag. Gij ziet zoo bedroefd. Gij hebt geschreid.”Hij sprak zoo vriendelijk en met zulk eene beving in zijne stem, dat de tranen haar weder in de oogen kwamen.“Walter,” zeide zij zacht, “ik ben niet heel wel, en ik heb ook geschreid. Ik wilde u eens spreken.”Hij zette zich tegenover haar en zag haar in het onschuldig gezichtje. Zijn eigen gezicht verbleekte en zijne lippen beefden.“Op den avond toen ik hoorde dat gij gered waart—en o lieve Walter, wat gevoelde ik dien avond en wat hoopte ik—hebt gij gezegd—”Hij legde zijne bevende hand op de tafel tusschen hen in, en bleef haar aanzien.“Op dien avond hebt gij gezegd, dat ik veranderd was. Ik was verwonderd u dat te hooren zeggen, maar nu begrijp ik wel dat ik het ben. Wees niet boos op mij, Walter. Ik was toen al te verblijd om er aan te denken.”Zij kwam hem weder als een kind voor. Het was het openhartige, vertrouwelijke, liefdevolle kind, dat hij hoorde—niet het dierbare meisje, aan welks voeten hij de schatten der aarde had willen leggen.“Gij herinnert u de laatste maal wel dat ik u zag, Walter, voor uw vertrek?”Hij stak zijne hand in zijne borst en haalde een beursje uit.“Ik heb het altijd om mijn hals gedragen! Als ik verdronken was, zou het met mij naar den bodem der zee zijn gezonken.”—“En gij zult het nog blijven dragen, Walter, om wat ik vroeger voor u was?”—“Tot ik sterf.”Zij legde hare hand op de zijne, zoo eenvoudig en onbeschroomd, alsof er geen dag verloopen was sedert zij hem die kleine gedachtenis had gegeven.Gezegende schemeravond, die haar zoo ernstig troostend beschaduwt, terwijl zij als een onnoozel kind in slaap valt aan de borst, waar zij toevlucht heeft gevonden. (blz. 355).Gezegende schemeravond, die haar zoo ernstig troostend beschaduwt, terwijl zij als een onnoozel kind in slaap valt aan de borst, waar zij toevlucht heeft gevonden.(blz. 355).“Daar ben ik blij om. Daar zal ik altijd met blijdschap aan denken, Walter. Herinnert gij u nog wel, dat er op dien zelfden avond bij ons beiden te gelijk eene gedachte aan die verandering[353]scheen op te komen, toen wij met elkander spraken?”—“Neen,” antwoordde hij op een toon van verwondering.—“Ja toch, Walter. Ik was toen al reeds het middel geweest om uwe hoop en uwe vooruitzichten te bederven. Ik was toen bang om er aan te denken, maar nu weet ik het wel. Als gij toen, door uwe edelmoedigheid, in staat waart om het mij te verbergen, dat gij ook zoo dacht, kunt gij dat nu toch niet doen, al beproeft gij dat met evenveel edelmoedigheid als voorheen. Dat doet gij waarlijk. Ik dank u daarvoor, Walter, en hartelijk; maar het kan u niet gelukken. Gij hebt door uwe eigene rampen en die van uw dierbaarsten bloedverwant te veel geleden, om de onschuldige oorzaak van al de gevaren en onheilen, die u overkomen zijn, geheel voorbij te zien. Gij kunt niet geheel vergeten, dat ik dat ben, en wij kunnen niet langer broeder en zuster zijn. Maar, lieve Walter, denk niet dat ik mij daarom over u beklaag. Ik had het wel kunnen weten—ik had het moeten weten—maar in mijne blijdschap had ik het vergeten. Al wat ik hoop is, dat gij met minder tegenzin aan mij zult denken, als gij dat gevoel niet meer behoeft geheim te houden; en al wat ik vraag, Walter, in den naam van het arme kind, dat eens uwe zuster[354]was, is dat gij, nu ik toch alles weet, niet met u zelven wilt kampen en u, om mijnentwil, nog meer verdriet geven.”Walter had haar, terwijl zij sprak, aangezien, met een gezicht zoo vol verbazing, dat het niets anders kon uitdrukken. Nu vatte hij de hand, die zoo smeekend op de zijne was gelegd, en hield ze vast.“O, jufvrouw Dombey,” zeide hij, “is het mogelijk dat ik, terwijl ik zelf zooveel geleden heb door te kampen met het gevoel van wat ik u verschuldigd ben, en u bewezen moet worden, u heb doen lijden wat gij daar zegt? Nooit, nooit, bij den hemel, heb ik u mij anders voorgesteld dan als die schoone, reine, gezegende herinnering uit mijne kinderjaren en mijne jeugd. Nooit heb ik uw aandeel aan mijn leven anders beschouwd, nooit zal ik het anders beschouwen, dan als iets heiligs en onvergetelijks. Nog eens zulk een blik van u te zien, u nog eens zoo te hooren spreken, als op den avond toen wij scheidden, is een geluk voor mij dat geene woorden kunnen uitdrukken, en als een broeder door u bemind en vertrouwd te worden, is daarna de grootste gaaf, die ik kan ontvangen en waardeeren.”“Walter,” zeide Florence, hem ernstig aanziende, maar met eene verandering in haar gezichtje, “wat is het dat mij verschuldigd is en mij bewezen moet worden, met opoffering van dat alles?”—“Ontzag en eerbied,” antwoordde Walter zacht.Er kwam een blosje op hare wangen, en zij trok zacht hare hand terug, maar bleef hem toch even ernstig aanzien.“Ik heb geen recht als broeder,” zeide Walter. “Het staat mij niet vrij als een broeder met u om te gaan. Ik heb een kind hier gelaten. Nu vind ik een volwassen meisje.”Haar blos werd hooger. Zij maakte eene beweging als wilde zij hem bidden om niets meer te zeggen, en liet haar hoofd in hare handen zinken.Beide zwegen eene poos; zij schreide.“Aan een hart zoo vertrouwelijk, zoo rein en zoo goed,” zeide Walter, “ben ik verschuldigd er mij van af te rukken, al verscheur ik daardoor mijn eigen hart. Hoe durf ik het voor het hart van eene zuster houden?”Zij bleef nog schreien.“Als gij gelukkig waart geweest, omringd, gelijk gij hadt moeten zijn, door betrekkingen die u bewonderden en liefhadden, en door alles, wat den stand, waarin gij geboren zijt, benijdenswaardig maakt,” zeide Walter, “en als gij mij dan, uit vriendelijke herinnering van het verledene, broeder hadt genoemd, had ik van mijne ver verwijderde plaats dien naam kunnen beantwoorden, zonder te denken dat ik daardoor misbruik maakte van uw vertrouwen. Maar hier—en nu!”—“O, ik dank u, ik dank u, Walter! Vergeef mij dat ik u zoo verongelijkt heb. Ik had niemand om mij raad te geven. Ik ben geheel alleen.”—“Florence!” zeide Walter hartstochtelijk. “Ik laat mij nu vervoeren om te zeggen, wat ik kort geleden dacht dat niets mij ooit had kunnen afpersen. Als ik voorspoed had gehad; als ik middel of zelfs maar hoop had om u eens in een stand te plaatsen, die eenigszins met uw eigen stand overeenkwam, dan zou ik u gezegd hebben, dat er een naam was, dien gij mij kondt schenken—een recht, boven alle ander recht, om u lief te hebben en te beschermen—dat ik uwer door niets anders waardig was dan door de liefde en vereering, die ik voor u koesterde, en daardoor, dat geheel mijn hart u toebehoorde. Ik zou dan gezegd hebben, dat dit de eenige aanspraak was om u te verdedigen en te beschermen, die gij mij kondt geven en die ik durfde aannemen en handhaven; maar dat ik ook, als ik dat recht had, het voor zoo iets kostbaars en heiligs zou houden, dat de onverdeelde toewijding van geheel mijn leven nog maar eene geringe erkentenis zou zijn van de waarde, die het voor mij had.”Het hoofdje bleef nog gebogen, de tranen vloeiden nog, de borst zwoegde van het snikken.“Lieve Florence! Dierbaarste Florence, die ik in mijne gedachten zoo heb genoemd, eer ik kon begrijpen hoe vermetel dat was. Laat ik u nog eene laatste maal bij uw eigen dierbaren naam noemen, en die lieve hand aanraken als een bewijs van uwe zusterlijke vergetelheid van hetgeen ik daar gezegd heb.”Zij hief haar hoofd op en sprak hem aan, met zulk eene plechtige teederheid in haar blik; met zulk een kalmen, helderen, vreedzamen glimlach, door hare tranen heen; met zulk eene zachte beving in hare stem, dat de fijnste snaren van zijn hart er van trilden, en zijne oogen begonnen te schemeren terwijl hij luisterde.“Neen, Walter, ik kan het niet vergeten. Ik zou het niet willen vergeten—voor de geheele wereld niet. Zijt ge—heel arm?”—“Ik ben maar een zwerveling,” zeide Walter. “Om te kunnen leven moet ik over zee heen en weer reizen. Dat is nu mijn beroep.”—“Moet ge spoedig weder heen, Walter?”—“Zeer spoedig.”Zij zat hem een oogenblik aan te zien; toen stak zij schroomvallig hare bevende hand in de zijne.“Als ge mij tot vrouw wilt nemen, Walter, zal ik u innig liefhebben. Als ge mij met u wilt laten medegaan, Walter, zal ik medegaan tot aan het eind van de wereld, zonder vreezen. Ik kan niets voor u opofferen—ik heb niets en niemand te verzaken; maar al mijne liefde en geheel mijn leven zullen u toegewijd zijn, en met mijn laatsten adem zal ik uw naam tot God fluisteren, als ik dan nog bewustheid en geheugen heb.”Hij drukte haar aan zijn hart en legde hare[355]wang tegen de zijne, en nu niet meer teruggestooten, niet meer verlaten, schreide zij vrij uit aan de borst van haar dierbaren minnaar.Gezegende zondagklokken, wier gelui zoo zacht in hunne verrukte ooren galmt! Gezegende zondagrust en stilte, die met de kalmte hunner zielen overeenstemt en de lucht om hen heen schijnt te heiligen. Gezegende schemeravond, die haar zoo ernstig troostend beschaduwt, terwijl zij als een onnoozel kind in slaap valt aan de borst, waar zij toevlucht heeft gevonden!O last van liefde en trouw, die daar lichtjes ligt! Ja, zie vrij neer op die geslotene oogen, Walter, met een blik vol trots en teederheid; want in de geheele wijde wereld zoeken zij nu alleen naar u.De kapitein bleef in het achterkamertje tot het geheel donker was geworden. Hij nam den stoel, waarop Walter had gezeten, en keek naar het lantaarnvenster op, tot de dag langzamerhand verdween en de sterren door de ruiten kwamen heenkijken. Hij stak eene kaars, en daarna eene pijp aan, en rookte die uit, en verwonderde zich wat in de wereld er toch boven omging, en waarom men hem niet riep voor de thee.Toen hij ten toppunt van verwondering was, kwam Florence naast hem.“Zoo, mijn dametje!” zeide de kapitein. “Wel, gij en Walter hebt lang met elkaar te praten gehad, liefje!”Florence klemde haar handje om een der groote knoopen van zijne jas, en zeide, bukkende om hem in het gezicht te zien:“Lieve kapitein, ik wilde u iets zeggen, als het u belieft.”De kapitein hief tamelijk driftig zijn hoofd op, om te hooren wat het was. Toen hij Florence daardoor duidelijker zag, schoof hij zijn stoel en zich zelven zoover mogelijk achteruit.“Wat! hartediefje!” riep de kapitein met plotselinge opgewondenheid. “Is het dat?”—“Ja,” antwoordde Florence snel.—“Walter! Uw man!Dat?” riep de kapitein, zijn hoed tot aan de ruiten opgooiende.—“Ja,” zeide Florence lachend en schreiend te gelijk.De kapitein sloot haar oogenblikkelijk in zijne armen; en nadat hij toen zijn hoed opgeraapt en opgezet had, nam hij haar onder den arm en bracht haar weder naar boven, waar hij nu de grootste grap van zijn leven wilde hebben.“Wat, Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, de deur inkijkende. “Dus is ergeenandere naam, niet waar?”Hij liep wel eenig gevaar om zich aan deze grap te doen stikken, welke hij onder de thee ten minste vijftigmaal herhaalde; terwijl hij in de tusschenpoozen zijn blinkend gezicht met zijne mouw of zijn hoofd met zijn zakdoek wreef. Het ontbrak hem evenwel ook niet aan ernstiger bronnen van genot, wanneer hij daarnaar verlangde, want verscheidene malen hoorde men hem, terwijl hij Walter en Florence met onuitsprekelijk genoegen aanzag, bij zich zelven mompelen:“Edward Cuttle, mijn jongen, gij hebt nooit in uw leven beter koers gezeild, dan toen gij er aan dacht om dat kapitaaltje over te maken.”

L.WALTER EN TOOTS.

Er was in het huis, dat den houten adelborst herbergde, een ledig kamertje, dat in vroeger tijd Walter’s slaapkamer was geweest. Walter, die den kapitein des morgens vroeg kwam oproepen, stelde voor, dat zij de beste meubelen uit het achterkamertje daarheen zouden brengen, zoodat Florence, zoodra zij opstond, dit vertrekje in bezit kon nemen. Daar niets kapitein Cuttle aangenamer kon zijn, dan zich voor zoo iets buiten adem te werken, ging hij (gelijk hij zelf zeide) met lust aan den gang, en in een paar uren was dit hokje in eene soort van landkajuit herschapen, versierd met de beste meubelen uit de achterkamer, daaronder zelfs het fregat de Tartaar begrepen, hetwelk de kapitein boven den schoorsteenmantel hing en zoozeer bewonderde, dat hij een half uur lang niets anders doen kon dan het al achteruitstappende te bekijken.Door geene overreding van Walter liet de kapitein zich bewegen om het groote horloge op te winden of het blikken busje terug te nemen, of de suikertang of de theelepeltjes aan te raken. “Neen, neen, mijn jongen,” was zijn onveranderlijk antwoord op zulk een aanzoek; “ik heb u dat kapitaaltje overgemaakt, gansch en gaar.” Deze woorden sprak hij met[347]groote deftigheid uit, blijkbaar geloovende, dat zij de kracht eener parlementsakte hadden, en dat, als hij zich maar niet compromitteerde door eene nieuwe bekentenis van eigenaarschap, zulk een vorm van overdracht onherroepelijk was.Het was een voordeel der nieuwe schikking, dat behalve dat Florence meer vrijheid en stilte kreeg, de houtenadelborstnu weder op zijn gewonen observatiepost kon geplaatst en de luiken van den winkel afgenomen konden worden; want op den vorigen dag had het gesloten blijven zulk eene bevreemding in de buurt veroorzaakt, dat het huis des instrumentmakers door het publiek met eene buitengemeene mate van aandacht was verwaardigd, en den geheelen dag lang troepen van nieuwsgierige kijkers aan den overkant der straat waren blijven staan. Vooral hadden de straatjongens belang gesteld in het lot des kapiteins, en hadden zij gedurig in den modder liggen kruipen om door de keldertraliën onder het winkelvenster te kijken, hunne verbeelding streelende met den waan, dat zij een stukje van zijne jas konden zien, gelijk hij zich in een hoek had opgehangen; hoewel deze soort van uiteinde door eene andere partij ten sterkste werd tegengesproken, die van gevoelen was, dat hij vermoord (met een hamer doodgeslagen) op de trap lag. Het was dus niet zonder eenig ongenoegen, dat men hem, die het onderwerp dezer geruchten was, des morgens vroeg weder aan zijne deur zag staan, even gezond en frisch alsof er niets gebeurd was; en deBeadlevan de wijk, een man van een eerzuchtig karakter, die gedacht had de onderscheiding te zullen hebben om bij het openbreken van de deur te assisteeren, en in volle uniform getuigenis voor dencoronerte geven, ging zelfs zoo ver, dat hij tot een overbuurman zeide, dat die kerel met zijn blinkenden hoed het maar niet moest probeeren—zonder nader aan te duiden wat—en verder dat hij, deBeadle, hem in het oog zou houden.“Kapitein Cuttle,” zeide Walter peinzende, toen zij aan de winkeldeur van hun arbeid stonden uit te rusten, en hij de nog welbekende straat opkeek, “geheel niets van oom Sam in al dien tijd?”—“Niets, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, zijn hoofd schuddende.—“Mij te gaan opzoeken, die lieve, goede, oude man,” zeide Walter, “en u toch nooit te schrijven! Maar waarom niet? Hij zegt wel in den brief, dien gij mij gegeven hebt,” het pakje uit zijne borst halende, dat in tegenwoordigheid van den helderdenkenden Bunsby was geopend, “dat als gij niet van hem hoort, eer gij dien opent, gij hem voor dood kunt houden. Dat verhoede God! Maar gij zoudt toch van hem gehoord hebben, al was hij dood. De een of ander zou u toch op zijn verlangen geschreven hebben, als hij dat niet kon doen; en gezegd hebben: “dan en dan overleed ten mijnen huize, of onder mijne zorg, mijnheer Samuel Gills, van Londen, die dit laatste verzoek voor u heeft nagelaten.””De kapitein, die nog nooit op zulk eene heldere hoogte van waarschijnlijkheid was geklommen, was verwonderd over het ruime uitzicht, dat zich daar opende, en antwoordde, nadenkend zijn hoofd schuddende: “Wel gezegd, mijn jongen. Heel wel gezegd.”“Ik heb daarover gedacht, of ten minste,” zeide Walter blozende, “ik heb over allerlei dingen gedacht, terwijl ik van nacht niet slapen kon, en ik kan niet anders denken, kapitein Cuttle, of mijn oom Sam (God zegen hem!) is nog in leven en zal wel terugkomen. Het verwondert mij niet zoozeer, dat hij is heengegaan, omdat, zonder nog te spreken van die zucht voor het avontuurlijke, waarvan hij altijd iets in zijn karakter had, en van zijne gehechtheid aan mij, waarvoor alle andere dingen bij hem achterstonden, gelijk niemand zoo goed weet als ik, die den besten van alle vaders aan hem had—” Walter’s stem werd hier schor, en hij keek naar den anderen kant de straat op—“zonder daarvan te spreken, zeg ik, heb ik dikwijls gehoord en gelezen van menschen, die, als een dierbaar bloedverwant van hen voor op zee verongelukt werd gehouden, ergens aan de kust gingen wonen, waar men tijding van het vermiste schip kon verwachten, al was het maar een paar uren vroeger dan ergens anders, of er zelfs naar gingen zoeken, op de plaats waarheen het bestemd was, alsof hunne reis iets kon toebrengen om bericht te verschaffen. Ik denk dat ik zelf wel in staat zou zijn om zoo iets te doen. Maar waarom mijn oom u niet schreef, daar hij dit toch zoo duidelijk voornemens was, of dat hij buitenslands zou kunnen sterven, zonder dat gij het door iemand anders te weten zoudt komen, dat is iets dat ik niet begrijp.”Kapitein Cuttle merkte aan, dat Jack Bunsby zelf het niet begrepen had, en dat hij toch een man was, die degelijk zijn gevoelen wist te zeggen.“Als mijn oom een loszinnig jongmensch was geweest, die licht door vroolijk gezelschap naar een of ander huis kon gelokt worden, waar men hem om het geld, dat hij bij zich had, van kant wilde helpen,” zeide Walter, “of een woeste matroos, die met twee of drie maanden gage in zijn zak aan land ging, kon ik het begrijpen, dat hij verdween zonder spoor na te laten. Maar van zoo iemand als hij was—en is, hoop ik—kan ik dat niet gelooven.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, hem bekommerd aanziende, “wat denkt gij er dan van?”—“Kapitein Cuttle,” antwoordde Walter, “ik weet niet wat ik er van denken moet,—als het zoo is, dat hij nooit heeft geschreven. Daar is immers geen twijfel aan?”—“Als Sam Gills[348]heeft geschreven, mijn jongen,” zeide de kapitein redeneerend, “waar is dan de brief?”—“Hij kan wel aan iemand zijn medegegeven,” zeide Walter, “en vergeten, of achteloos weggegooid, of verloren zijn. Zelfs dat komt mij waarschijnlijker voor dan de andere mogelijkheid. Kortom, ik kan en wil niet aan die andere mogelijkheid denken, kapitein Cuttle.”—“Hoop, ziet ge wel, Walter,” merkte de kapitein diepzinnig aan. “Hoop. Dat is het wat u doet leven. Hoop is een anker, dat kunt gij in het groote liederboek nazien, mijn jongen. Maar wat baat het mij of ik een anker heb, als ik geen grond kan vinden om het in te laten zakken.”Kapitein Cuttle zeide dit veeleer in zijn karakter van gezeten burger en voorzichtig winkelier, verplicht om een onervaren jonkman een kruimpje uit zijn schat van wijsheid mede te deelen, dan in zijn eigen persoon. Uit zijne oogen straalde te gelijk de nieuwe hoop, die hij van Walter had opgevangen; en hij besloot zeer gepast met hem op den rug te kloppen en in vervoering uit te roepen: “Hoera, mijn jongen. Ik ben het met u eens.”Walter beantwoordde dit compliment met een vroolijken lach, en zeide:“Nu nog maar één woord over mijn oom vooreerst, kapitein Cuttle. Het zal wel voor onmogelijk moeten gehouden worden, dat hij op de gewone manier kan geschreven hebben—met postpakket of schip, verstaat ge—”—“Ja, ja, mijn jongen,” zeide de kapitein goedkeurend.—“En dat die brief niet bij u te recht gekomen is?”—“Wel, Walter,” zeide de kapitein, hem aanziende met eene flauwe poging om barsch te kijken; “ben ik niet dag en nacht op den uitkijk geweest naar dien man van wetenschap, Sam Gills, uw oom, zoolang als ik hem verloren heb? Is mijn hart niet altijd zwaar geweest over hem en u? Ben ik niet slapend en wakend op mijn post gebleven, en zou ik mij niet geschaamd hebben om er van af te loopen zoolang deze adelborst boven water bleef?”—“Ja, kapitein Cuttle,” antwoordde Walter, hem bij de hand vattende, “dat weet ik wel, en ik weet wel hoe trouw en ernstig alles is, dat gij zegt en doet. Daar ben ik zeker van. Gij twijfelt niet, of ik ben daar zoo zeker van, als dat ik mijn voet weder op dezen drempel heb, of dat ik deze trouwe hand weder vasthoud. Daar twijfelt gij immers niet aan?”—“Neen, neen, Walter,” zeide de kapitein met een geheel opgehelderd gezicht.—“Ik zal geene gissingen meer wagen,” hervatte Walter, de harde hand des kapiteins schuddende. “Al wat ik er nog wil bijvoegen is, de hemel verhoede, dat ik het eigendom van mijn oom zou aanraken, kapitein Cuttle. Al wat hij hier gelaten heeft, zal hier blijven in bewaring van den trouwsten rentmeester en den braafsten man—en als zijn naam niet Cuttle is, heeft hij geen naam. En nu, beste vriend, over—jufvrouw Dombey.”Er was eene verandering in Walter’s uitzicht en toon, toen hij aan deze twee woorden kwam; en toen hij ze had uitgesproken, schenen alle zelfvertrouwen en blijmoedigheid hem verlaten te hebben.“Ik dacht eerst,” zeide Walter, “dat wij maar één harden plicht konden hebben, namelijk, haar te overreden, om hare betrekkingen kennis te geven waar zij was, en weder naar huis te gaan.”De kapitein mompelde een flauw “sta vast!” of “hou vast!” of iets dat evenzeer te pas kwam; maar door de verslagenheid, waarmede dit bericht hem vervulde, klonk het zoo flauw, dat men er naar moest raden wat hij zeide.“Maar,” zeide Walter, “dat is afgedaan. Ik denk nu zoo niet meer. Ik zou liever weder op dat stuk hout gezet worden, waarop ik na mijne redding zoo dikwijls in mijne droomen heb gedreven, en daarmee blijven rondzwalken tot ik stierf.”—“Hoera! mijn jongen,” riep de kapitein, met eene uitbarsting van onbedwingbare blijdschap. “Hoera! Hoera! Hoera!”—“Te denken dat zij, zoo jong, zoo goed, zoo schoon,” zeide Walter, “zoo teeder opgebracht en tot zulk een geheel ander lot geboren, met de ruwe wereld zou moeten worstelen! Maar wij hebben den afgrond gezien, die haar van alles afsnijdt wat achter haar is, schoon niemand dan zij zelve alleen kan weten hoe diep die is; en zij kan niet terug.”Kapitein Cuttle, zonder dit geheel te begrijpen, keurde het toch ten hoogste goed, en merkte met nadruk aan, dat de wind vlak van achteren was.“Maar zij behoort hier niet alleen te blijven; moet zij wel, kapitein Cuttle?” zeide Walter bekommerd.—“Wel, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, na zich eens te hebben bedacht, “dat weet ik niet. Daar gij hier zijt om haar gezelschap te houden, en gij te zamen—”—“Beste kapitein Cuttle,” bracht Walter hiertegen in, “juist omdat ik hier ben. Jufvrouw Dombey houdt mij in haar onschuldig hart voor haar aangenomen broeder; maar hoe listig en slecht zou mijn hart wezen, als ik veinsde te gelooven eenig recht te hebben om onder dien naam gemeenzaam met haar om te gaan—als ik veinsde te vergeten, dat ik als man van eer verplicht ben dat niet te doen.”—“Walter, mijn jongen,” begon de kapitein, eenigszins van zijne verslagenheid bekomende, “is er dan geen andere naam, waar—”—“O!” viel Walter er op in, “zoudt gij mij hare achting willen doen verbeuren en mij voor altijd uit hare oogen verbannen, door eene poging om er voordeel uit te trekken, dat zij hier zoo vertrouwelijk eene schuilplaats heeft gezocht,[349]eene poging om misbruik van hare omstandigheden te maken, en van een broeder een minnaar te worden! Wat zeg ik? Er is niemand in de wereld, die mij dit eerder zou willen beletten dan gij, als ik tot zoo iets in staat was.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, wederom in zijne neerslachtigheid verzinkende, “als er wettige redenen van verhindering zijn waarom twee personen niet zouden worden samengevoegd in de banden van den echtelijken staat, zooals gij dat kunt nalezen en aanteekenen, dan hoop ik, dat ik er rond voor uit zou komen, zooals in de geboden wordt beloofd en gezworen. Dus is er geen andere naam, mijn jongen?”Walter wuifde ontkennend met zijne hand.“Wel, mijn jongen,” bromde de kapitein zeer langzaam, “ik wil niet ontkennen of dat valt mij geweldig tegen, en ik weet er niets meer op. Maar wat ons dametje betreft, Walter, moet gij wel weten, zooveel achting en eerbied als iemand haar verplicht is, reken ik mij ook aan haar verplicht, en daarom zal ik denzelfden koers houden als gij, en twijfel ik niet of gij doet er wel aan. En er is dus geen andere naam?” zeide de kapitein, met een zeer betrokken gezicht over de ruïne van zijn ingestort luchtkasteel mijmerend.—“Neen, kapitein Cuttle,” zeide Walter; met een vroolijker gezicht tot een ander onderwerp overgaande, om den kapitein op te beuren, hetgeen hem echter toch niet gelukte, “mij dunkt, wij moesten moeite doen om iemand te vinden, die jufvrouw Dombey gezelschap kan houden en bedienen zoolang zij hier blijft, en die wij kunnen vertrouwen. Dat kunnen wij niemand van hare familie. Het is duidelijk dat jufvrouw Dombey gelooft, dat zij allen haar vader naar de oogen zien. Waar is Suze gebleven?”—“Dat meisje?” antwoordde de kapitein. “Ik geloof dat zij zeer tegen den zin van hartediefje is weggestuurd. Ik heb eens naar haar gevischt toen ons dametje pas hier kwam, en zij prees haar tot aan de wolken en zeide dat zij al langen tijd van haar af was.”—“Vraag jufvrouw Dombey dan waar zij naar toe is,” zeide Walter, “en wij zullen ons best doen om haar te vinden. Het wordt al wat laat, en jufvrouw Dombey zal welhaast opstaan. Gij zijt haar beste vriend. Wacht boven naar haar, en laat mij voor alles beneden zorgen.”De kapitein herhaalde den zucht, waarmede Walter dit zeide, en gehoorzaamde. Florence was verheugd over hare nieuwe kamer, verlangend om Walter te zien, en opgetogen over het vooruitzicht om hare oude vriendin Suze weder bij zich te krijgen. Maar zij kon niet zeggen waar Suze naar toe was gegaan, behalve dat het ergens inEssexmoest wezen, en dat niemand het zeggen kon, of het moest, bedacht zij zich, mijnheer Toots wezen.Met dit bericht kwam de zwaarmoedige kapitein naar Walter terug, en onderrichtte hem, dat Toots de jonkman was, dien hij op de stoep had ontmoet, en dat hij een vriend van hem was, en een jong heer van vermogen was, en dat hij jufvrouw Dombey hopeloos aanbad. De kapitein verhaalde ook, hoe de tijding van Walter’s vermeend lot hem het eerst met Toots in kennis had gebracht, en hoe er een plechtig verbond en verdrag tusschen hen was gesloten, dat Toots op het onderwerp zijner liefde stom zou blijven.Nu was de vraag, of Florence mijnheer Toots kon vertrouwen; en toen Florence met een glimlach antwoordde: “O ja, met al mijn hart!” werd het van gewicht te ontdekken waar Toots woonde. Florence wist dit niet, en de kapitein had het vergeten, en vertelde Walter in het achterkamertje juist dat Toots wel gauw eens zou aankomen, toen deze heer werkelijk kwam.“Kapitein Gills,” zeide Toots, zonder eenige omstandigheden binnenstuivende, “ik ben op het punt om razend te worden!”Toots had deze woorden als uit een mortier geschoten, eer hij Walter opmerkte, dien hij nu herkende met een geluid, dat een gegrinnik van rampzaligheid zou mogen genoemd worden.“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Toots, zijn voorhoofd vasthoudende, “maar ik ben tegenwoordig in een toestand dat mijn verstand mij begeeft, als het al niet weg is, en complimenten van iemand in zulk een toestand zouden holle klanken zijn. Kapitein Gills, ik verzoek u om de gunst van een afzonderlijk gesprek.”—“Wel, broeder,” antwoordde de kapitein, hem bij de hand vattende, “gij zijt juist de man, naar wien wij op den uitkijk waren.”—“O kapitein Gills,” zeide Toots, “wat een uitkijk moet dat zijn, waarvan ik het onderwerp ben! Ik heb mij niet durven scheren zoo disperaat ben ik. Ik heb mijne kleeren niet laten borstelen. Mijn haar zit in elkander geward. Ik heb den Kemphaan gezegd, dat ik mij aan hem zou vergrijpen, als hij mijne laarzen wilde gaan poetsen.”Al deze blijken van geestverbijstering werden door zijn voorkomen bevestigd, dat inderdaad zeer wild en woest was.“Zie hier, broeder,” zeide de kapitein. “Dit is Walter, de neef van den ouden Sam Gills—hij, wien men voor op zee verongelukt hield.”Toots nam zijne hand van zijn voorhoofd en staarde Walter aan.“Goede hemel!” stamelde Toots. “Welk eene opeenstapeling van ellende! Hoe vaart ge? Ik—ik—ik vrees dat ge heel nat moet zijn geworden. Kapitein Gills, mag ik in den winkel een woordje met u spreken?”Hij pakte den kapitein bij zijne jas, en met hem naar buiten gaande, fluisterde hij:[350]“Dat is dus de persoon van wien gij gesproken hebt, kapitein Gills, toen ge zoo goed waart mij te zeggen dat hij en jufvrouw Dombey voor elkander geschapen waren?”—“Wel—ja, mijn jongen,” antwoordde de neerslachtige kapitein. “Eens dacht ik er zoo over.”En nu riep Toots uit, met zijne hand weder voor zijn voorhoofd: “Moest hij dat zijn!—een gehate medeminnaar! Maar ten minste is hij geen gehate medeminnaar,” zeide Toots, zich bedenkende en zijne hand weder wegnemende. “Waarom zou ik hem haten? Neen. Als mijne liefde waarlijk belangeloos is geweest, kapitein Gills, laat ik dat dan nu bewijzen!”Eensklaps vloog Toots weder naar het achterkamertje, en Walter bij de hand grijpende, zeide hij:“Hoe vaart ge? Ik hoop dat ge geen kou hebt gevat. Ik—ik zal heel blij zijn als ge mij het pleizier doet om kennis met u te mogen houden. Ik wensch u nog vele jaren na dezen. Op mijn woord van eer,” zeide Toots, warmer wordende, toen hij beter op Walter’s uitzicht en houding lette, “ik ben heel blij, dat ik u zie.”—“Ik dank u hartelijk,” antwoordde Walter. “Ik zou geen vriendelijker welkomst kunnen verlangen.”—“Zoudt ge waarlijk niet?” zeide Toots, hem nogmaals de hand schuddende. “Dat is wel goed van u. Ik ben u zeer verplicht. Hoe vaart ge? Ik hoop, dat gij alles wel hebt gelaten daar aan—dat is daarop—ik meen waar ge laatst vandaan zijt gekomen, weet ge.”Op al deze goede wenschen en nog betere meening gaf Walter hartelijk antwoord.“KapiteinGills,” zeide Toots, “ik wil stiptelijk mijn woord houden; maar ik geloof, dat ik nu wel iets zou mogen zeggen van zeker onderwerp—”—“Ja, ja, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Spreek maar ronduit.”—“Dan, kapitein Gills en luitenant Walters,” zeide Toots, “weet gij wel, dat bij mijnheer Dombey aan huis de schrikkelijkste omstandigheden zijn voorgevallen, en dat jufvrouw Dombey zelve haar vader verlaten heeft, die naar mijne gedachten,” zeide Toots met groote opgewondenheid, “zulk een beest is, dat het nog vleierij zou zijn hem een houten blok of een roofvogel te noemen, en dat zij nergens te vinden is, en niemand weet, waar zij naar toe is?”—“Mag ik vragen, hoe gij dat gehoord hebt?” zeide Walter.—“Luitenant Walters,” zeide Toots, die er op eene geheel eigenaardige manier toe kwam, om hem deze benaming toe te leggen; waarschijnlijk door zijn doopnaam met de zee in verband te brengen, en eene betrekking tusschen hem en den kapitein te vooronderstellen, die zich dus ook natuurlijk tot hunne titels moest uitstrekken; “luitenant Walters, ik kan geen bezwaar hebben om u een rondborstig antwoord te geven. De zaak is, dat ik een buitengemeen belang stel in alles, wat jufvrouw Dombey maar eenigszins aangaat—niet met zelfzuchtige oogmerken, luitenant Walters, want ik weet maar al te wel dat ik ten genoege van alle belanghebbenden niet beter kan doen dan een eind aan mijn leven te maken, dat voor niets anders dan een overlast kan gehouden worden; maar ik wilde zeggen, omdat ik zooveel belang stel in alles wat jufvrouw Dombey aangaat, ben ik gewoon om nu en dan eene kleine vereering te geven aan een knecht, een heel fatsoenlijk jonkman, die Towlinson heet, en eenigen tijd daar in huis gewoond heeft; en Towlinson heeft mij gisteren gezegd, dat het zoo met de zaken gesteld was. En van dat oogenblik af, kapitein Gills en luitenant Walters, ben ik zoo goed als razend geweest; en ik heb den geheelen nacht op de sofa gelegen in den rampzaligen staat waarin gij mij nu ziet.”—“Mijnheer Toots,” zeide Walter, “het doet mij genoegen u eenigszins te kunnen geruststellen. Ik bid u, word bedaard. Jufvrouw Dombey is gezond en wel.”—“Mijnheer,” riep Toots uit, van zijn stoel opspringende om hem opnieuw de hand te geven, “die uitkomst is zoo groot, zoo onuitsprekelijk, dat al zoudt ge mij nu zeggen, dat jufvrouw Dombey getrouwd was, ik er om zou kunnen lachen. Ja, kapitein Gills,” zeide Toots, zich naar dezen omkeerende, “bij mijne ziel en mijn lichaam, ik denk waarlijk, wat ik mij zelven ook naderhand misschien zou doen, dat ik er nu om zou kunnen lachen, zoo gevoel ik mij verplicht.”—“Het zal zeker nog grooter verplichting en blijdschap voor zulk een edelmoedig hart als het uwe zijn,” antwoordde Walter, “als gij verneemt, dat gij jufvrouw Dombey een dienst kunt bewijzen. Kapitein Cuttle, wilt gij zoo goed zijn om mijnheer Toots naar boven te brengen?”De kapitein wenkte Toots, die hem met een verwonderd gezicht volgde, en bracht hem, zonder een enkel woord van voorbereiding, naar Florence’s nieuw verblijf.Toots’verbazing en blijdschap bij haar gezicht waren zoo groot, dat zij zich niet anders dan in buitensporigheden lucht konden geven. Hij vloog naar haar toe, vatte hare hand, kuste die, liet ze weder los, vatte ze opnieuw, viel op eene knie, schreide, grinnikte, en bleef geheel onbewust van het gevaar, om door Diogenes te worden beetgepakt, die, in de meening, dat deze bewegingen van vijandigen aard waren, om hem heen draaide, alsof hij nog maar niet wist waar hem te bijten, maar vast voornemens was, om hem geducht zijne tanden te laten voelen.“O Di, stoute hond, hoe kunt ge zoo vergeten! Beste mijnheer Toots, ik ben zoo blij dat ik u zie.”—“Wel bedankt,” zeide Toots. “Ik ben tamelijk wel; zeer verplicht, jufvrouw[351]Dombey. Ik hoop dat de geheele familie ook nog wel is.”Toots zeide dit zonder zelf te weten wat hij zeide, en zette zich op een stoel, waar hij Florence bleef zitten aanstaren met zulk een levendigen strijd van blijdschap en wanhoop op zijn gezicht, als een gezicht maar kon vertoonen.“Kapitein Gills en luitenant Walters hebben mij gezegd, jufvrouw Dombey,” bracht hij hijgend uit, “dat ik u een dienst kan bewijzen. Als ik daardoor de herinnering kon uitwisschen van dien dag teBrighton, toen ik mij gedroeg alsof—veelmeer alsof ik een vadermoorder was, dan een fatsoenlijk jongmensch,” zeide Toots met strenge zelfveroordeeling, “zou ik met een glans van blijdschap in het stille graf zinken.”—“O, mijnheer Toots,” zeide Florence, “wensch niet dat ik ooit iets zal vergeten van al wat er tusschen ons is omgegaan. Dat kan ik nooit, geloof mij. Gij zijt altijd veel te goed en vriendelijk voor mij geweest.”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “uwe verschoonende toegeeflijkheid voor mijn gevoel is een trek van uw engelachtig karakter. Ik dank u duizendmaal. Het is van geheel geen beduiden.”—“Wat wij van u dachten te vragen,” zeide Florence, “is, of gij u nog herinnert waar Suze, die gij zoo goed waart naar de diligence te brengen, toen zij mij verlaten moest, nu te vinden zou zijn.”—“Ik kan mij niet precies meer herinneren, jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, na zich eene poos te hebben bedacht, “welke naam er op de diligence stond, en ik herinner mij ook, dat zij mij zeide, dat zij daar niet bleef, maar nog verder moest. Maar als het uw oogmerk is haar te vinden en hier te hebben, jufvrouw Dombey, zullen ik en de Kemphaan haar opzoeken en hier brengen, met zooveel spoed als met den grootsten ijver van mijn kant en de buitengemeene schranderheid van den Kemphaan maar mogelijk is.”Toots werd zoo zichtbaar opgebeurd door het vooruitzicht van zich nuttig te kunnen maken, en de belangelooze oprechtheid van zijn ijver was zoo ontwijfelbaar, dat het eene wreedheid zou zijn geweest hem af te wijzen. Uit kieschheid maakte Florence zelfs geen melding van het minste bezwaar, hoewel zij niet naliet hem met dankbetuigingen te overstelpen en Toots nam de taak met trotschheid op zich.“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, hare aangebodene hand aanrakende, terwijl hem zichtbaar een pijnlijke steek van hopelooze liefde door het hart ging. “Vaarwel! Laat ik de vrijheid mogen nemen om te zeggen, dat uwe rampen mij diep ellendig maken, en dat gij mij kunt vertrouwen, naast kapitein Gills zelf. Ik ben wel bekend, jufvrouw Dombey, met alles wat mij ontbreekt—het is van geen beduiden, wel bedankt—maar ik ben volkomen te vertrouwen, dat verzeker ik u, jufvrouw Dombey.” Daarmede ging Toots de kamer uit, vergezeld door den kapitein, die met den hoed onder den arm op eenigen afstand was blijven staan, geen onverschillig getuige van hetgeen er omging. Toen de deur achter hen was dicht gedaan, was het licht van Toots’ leven weder verdonkerd.—“Kapiteins Gills,” zeide hij, zich onder aan de trap omkeerende, “om u de waarheid te zeggen, ik ben in het oogenblik niet in eene gemoedsstemming om luitenant Walters te zien met dat geheel vriendschappelijke gevoel, dat ik in mijne borst voor hem zou willen koesteren. Men kan zijn gevoel niet altijd beheerschen, kapitein Gills, en ik zou het voor eene bijzondere gunst houden als ge mij de zijdeur woudt uitlaten.”—“Broeder,” antwoordde de kapitein, “gij kunt zelf uw koers bepalen; want de koers, dien gij neemt, zal altijd recht door zee wezen, daarvan ben ik zeker.”—“Gij zijt wel vriendelijk, kapitein Gills,” zeide Toots; “en uwe goede meening is een troost voor mij. Er is nog iets,” zeide hij, in den gang blijvende staan, achter de half geopende deur, “dat ik hoop dat gij onthouden zult, kapitein Gills, en dat ik ook wensch dat luitenant Walters gezegd zal worden. Ik ben nu geheel in het bezit van mijn vermogen gekomen, en ik weet niet wat er mee te doen. Als ik in een financieel opzicht eenigszins van dienst kon zijn, zou ik met rust en genoegen in het stille graf neerdalen.”Toots zeide niets meer, glipte stil de deur uit en trok die achter zich toe, om den kapitein alle antwoord te beletten.Nog lang na dat de goede jongen was heengegaan, zat Florence met eene mengeling van smart en genoegen aan hem te denken. Hij was zoo welwillend en goedhartig, dat het een troost en eene blijdschap voor haar was, hem weder te zien en van zijne trouwe genegenheid verzekerd te worden; maar juist om die reden was het haar zoo aandoenlijk te denken, dat zij hem een oogenblik verdriet veroorzaakte, of den schuldeloos effen loop van zijn leven stoorde, dat hare oogen zich met tranen vulden en haar hart van medelijden overvloeide. Kapitein Cuttle dacht op zijne manier ook veel aan Toots, en Walter insgelijks; en toen het avond werd, en zij alle drie in Florence’s nieuwe kamer bij elkander zaten, prees Walter hem met opgetogenheid, en vertelde Florence, wat hij bij het heengaan had gezegd.Toots kwam in verscheidene dagen niet terug; en ondertusschen bleef Florence zonder eenige nieuwe onrust, gelijk een mak vogeltje in een kooitje, in het huis van den instrumentmaker wonen. Maar toen de dagen verliepen, begon zij te kwijnen en al meer en meer haar hoofdje te laten hangen; en de uitdrukking, die men op het gezichtje van het doode kind[352]had gezien, werd nu dikwijls uit haar venster naar den hemel gewend, alsof zij daar naar zijn engel zocht.Florence was sedert lang zwak en teer geweest, en de ontroering, die zij had doorgestaan, bleef niet zonder invloed op hare gezondheid. Het was echter geene lichamelijke ziekte, die haar nu ondermijnde. Haar gemoed was onrustig; en de oorzaak van die onrust was Walter.Terwijl hij belang in haar stelde, bezorgd voor haar was, trotsch en verheugd was als hij haar van dienst kon zijn, en dit alles met al het vuur van zijn karakter liet blijken, zag Florence toch, dat hij haar vermeed. Den geheelen dag lang naderde hij zelden hare kamer. Als zij naar hem vroeg kwam hij, voor het oogenblik even rondborstig en opgeruimd als zij hem gezien had toen zij als kind op straat verdwaalde; maar spoedig werd hij onrustig, stijf en verlegen—hare genegenheid was te waakzaam om dit niet te zien—en weldra ging hij weder heen. Ongevraagd kwam hij over dag nooit. Als de avond viel was hij er altijd, en dat was haar gelukkigste tijd, want dan geloofde zij bijna dat de oude Walter harer kindsheid niet veranderd was. Maar zelfs dan bewees haar nu en dan een gering woord, blik of omstandigheid, dat er eene scheidslinie tusschen hen bestond, die niet over te komen was.Zij kon ook niet nalaten te zien, dat deze blijken eener groote verandering bij Walter zich vertoonden in weerwil van zijne uiterste pogingen om ze te verbergen. Zij zag zeer wel dat hij, uit verlangen om haar alle leed te besparen, ontelbare kleine kunstgrepen te baat nam, en uitvluchten verzon; maar des te meer gevoelde Florence die verandering bij hem, en des te meermalen schreide zij over de vervreemding van haar broeder.De goede kapitein—haar altijd even onvermoeide en teedere vriend—zag dit ook wel, dacht Florence, en het deed hem verdriet. Hij was niet zoo opgeruimd en vol hoop als in het eerst, en somtijds, als zij des avonds bij elkander zaten, zag hij haar en Walter tersluiks aan met een gezicht, dat waarlijk treurig stond.Florence besloot eindelijk Walter aan te spreken. Zij meende nu te weten wat de oorzaak dier vervreemding was, en dacht dat het eene verlichting voor haar overkropt hart zou zijn, en ook hem meer op zijn gemak zou brengen, als zij hem zeide, dat zij die ontdekt had, en er zich geheel aan onderwierp en hem niets verweet.Het was op zekeren zondagnamiddag dat Florence dit besluit nam. De trouwe kapitein zat, met verbazende boordjes om en een bril op, bij haar te lezen, en zij vroeg hem waar Walter was.“Ik denk dat hij beneden is, mijn dametje,” antwoordde de kapitein.—“Ik zou hem gaarne spreken,” zeide Florence, haastig opstaande, alsof zij naar beneden wilde gaan,—“Ik zal hem in een oogenblik hier halen, liefje,” zeide de kapitein.Daarop nam de kapitein zijn boek onder den arm—want hij maakte er een regel van des zondags niet anders dan in een heel groot boek te lezen, dewijl dit ernstiger stond, en had jaren geleden een deel van verbazende dikte aan een stalletje gekocht, waarvan vijf regels hem altijd zoodanig versuften, dat hij tot nog toe niet had kunnen ontdekken over welk onderwerp het handelde—en ging heen. Walter verscheen weldra.“Kapitein Cuttle zegt mij, jufvrouw Dombey,” begon hij driftig, maar bleef steken toen hij haar gezichtje zag. “Gij zijt niet wel vandaag. Gij ziet zoo bedroefd. Gij hebt geschreid.”Hij sprak zoo vriendelijk en met zulk eene beving in zijne stem, dat de tranen haar weder in de oogen kwamen.“Walter,” zeide zij zacht, “ik ben niet heel wel, en ik heb ook geschreid. Ik wilde u eens spreken.”Hij zette zich tegenover haar en zag haar in het onschuldig gezichtje. Zijn eigen gezicht verbleekte en zijne lippen beefden.“Op den avond toen ik hoorde dat gij gered waart—en o lieve Walter, wat gevoelde ik dien avond en wat hoopte ik—hebt gij gezegd—”Hij legde zijne bevende hand op de tafel tusschen hen in, en bleef haar aanzien.“Op dien avond hebt gij gezegd, dat ik veranderd was. Ik was verwonderd u dat te hooren zeggen, maar nu begrijp ik wel dat ik het ben. Wees niet boos op mij, Walter. Ik was toen al te verblijd om er aan te denken.”Zij kwam hem weder als een kind voor. Het was het openhartige, vertrouwelijke, liefdevolle kind, dat hij hoorde—niet het dierbare meisje, aan welks voeten hij de schatten der aarde had willen leggen.“Gij herinnert u de laatste maal wel dat ik u zag, Walter, voor uw vertrek?”Hij stak zijne hand in zijne borst en haalde een beursje uit.“Ik heb het altijd om mijn hals gedragen! Als ik verdronken was, zou het met mij naar den bodem der zee zijn gezonken.”—“En gij zult het nog blijven dragen, Walter, om wat ik vroeger voor u was?”—“Tot ik sterf.”Zij legde hare hand op de zijne, zoo eenvoudig en onbeschroomd, alsof er geen dag verloopen was sedert zij hem die kleine gedachtenis had gegeven.Gezegende schemeravond, die haar zoo ernstig troostend beschaduwt, terwijl zij als een onnoozel kind in slaap valt aan de borst, waar zij toevlucht heeft gevonden. (blz. 355).Gezegende schemeravond, die haar zoo ernstig troostend beschaduwt, terwijl zij als een onnoozel kind in slaap valt aan de borst, waar zij toevlucht heeft gevonden.(blz. 355).“Daar ben ik blij om. Daar zal ik altijd met blijdschap aan denken, Walter. Herinnert gij u nog wel, dat er op dien zelfden avond bij ons beiden te gelijk eene gedachte aan die verandering[353]scheen op te komen, toen wij met elkander spraken?”—“Neen,” antwoordde hij op een toon van verwondering.—“Ja toch, Walter. Ik was toen al reeds het middel geweest om uwe hoop en uwe vooruitzichten te bederven. Ik was toen bang om er aan te denken, maar nu weet ik het wel. Als gij toen, door uwe edelmoedigheid, in staat waart om het mij te verbergen, dat gij ook zoo dacht, kunt gij dat nu toch niet doen, al beproeft gij dat met evenveel edelmoedigheid als voorheen. Dat doet gij waarlijk. Ik dank u daarvoor, Walter, en hartelijk; maar het kan u niet gelukken. Gij hebt door uwe eigene rampen en die van uw dierbaarsten bloedverwant te veel geleden, om de onschuldige oorzaak van al de gevaren en onheilen, die u overkomen zijn, geheel voorbij te zien. Gij kunt niet geheel vergeten, dat ik dat ben, en wij kunnen niet langer broeder en zuster zijn. Maar, lieve Walter, denk niet dat ik mij daarom over u beklaag. Ik had het wel kunnen weten—ik had het moeten weten—maar in mijne blijdschap had ik het vergeten. Al wat ik hoop is, dat gij met minder tegenzin aan mij zult denken, als gij dat gevoel niet meer behoeft geheim te houden; en al wat ik vraag, Walter, in den naam van het arme kind, dat eens uwe zuster[354]was, is dat gij, nu ik toch alles weet, niet met u zelven wilt kampen en u, om mijnentwil, nog meer verdriet geven.”Walter had haar, terwijl zij sprak, aangezien, met een gezicht zoo vol verbazing, dat het niets anders kon uitdrukken. Nu vatte hij de hand, die zoo smeekend op de zijne was gelegd, en hield ze vast.“O, jufvrouw Dombey,” zeide hij, “is het mogelijk dat ik, terwijl ik zelf zooveel geleden heb door te kampen met het gevoel van wat ik u verschuldigd ben, en u bewezen moet worden, u heb doen lijden wat gij daar zegt? Nooit, nooit, bij den hemel, heb ik u mij anders voorgesteld dan als die schoone, reine, gezegende herinnering uit mijne kinderjaren en mijne jeugd. Nooit heb ik uw aandeel aan mijn leven anders beschouwd, nooit zal ik het anders beschouwen, dan als iets heiligs en onvergetelijks. Nog eens zulk een blik van u te zien, u nog eens zoo te hooren spreken, als op den avond toen wij scheidden, is een geluk voor mij dat geene woorden kunnen uitdrukken, en als een broeder door u bemind en vertrouwd te worden, is daarna de grootste gaaf, die ik kan ontvangen en waardeeren.”“Walter,” zeide Florence, hem ernstig aanziende, maar met eene verandering in haar gezichtje, “wat is het dat mij verschuldigd is en mij bewezen moet worden, met opoffering van dat alles?”—“Ontzag en eerbied,” antwoordde Walter zacht.Er kwam een blosje op hare wangen, en zij trok zacht hare hand terug, maar bleef hem toch even ernstig aanzien.“Ik heb geen recht als broeder,” zeide Walter. “Het staat mij niet vrij als een broeder met u om te gaan. Ik heb een kind hier gelaten. Nu vind ik een volwassen meisje.”Haar blos werd hooger. Zij maakte eene beweging als wilde zij hem bidden om niets meer te zeggen, en liet haar hoofd in hare handen zinken.Beide zwegen eene poos; zij schreide.“Aan een hart zoo vertrouwelijk, zoo rein en zoo goed,” zeide Walter, “ben ik verschuldigd er mij van af te rukken, al verscheur ik daardoor mijn eigen hart. Hoe durf ik het voor het hart van eene zuster houden?”Zij bleef nog schreien.“Als gij gelukkig waart geweest, omringd, gelijk gij hadt moeten zijn, door betrekkingen die u bewonderden en liefhadden, en door alles, wat den stand, waarin gij geboren zijt, benijdenswaardig maakt,” zeide Walter, “en als gij mij dan, uit vriendelijke herinnering van het verledene, broeder hadt genoemd, had ik van mijne ver verwijderde plaats dien naam kunnen beantwoorden, zonder te denken dat ik daardoor misbruik maakte van uw vertrouwen. Maar hier—en nu!”—“O, ik dank u, ik dank u, Walter! Vergeef mij dat ik u zoo verongelijkt heb. Ik had niemand om mij raad te geven. Ik ben geheel alleen.”—“Florence!” zeide Walter hartstochtelijk. “Ik laat mij nu vervoeren om te zeggen, wat ik kort geleden dacht dat niets mij ooit had kunnen afpersen. Als ik voorspoed had gehad; als ik middel of zelfs maar hoop had om u eens in een stand te plaatsen, die eenigszins met uw eigen stand overeenkwam, dan zou ik u gezegd hebben, dat er een naam was, dien gij mij kondt schenken—een recht, boven alle ander recht, om u lief te hebben en te beschermen—dat ik uwer door niets anders waardig was dan door de liefde en vereering, die ik voor u koesterde, en daardoor, dat geheel mijn hart u toebehoorde. Ik zou dan gezegd hebben, dat dit de eenige aanspraak was om u te verdedigen en te beschermen, die gij mij kondt geven en die ik durfde aannemen en handhaven; maar dat ik ook, als ik dat recht had, het voor zoo iets kostbaars en heiligs zou houden, dat de onverdeelde toewijding van geheel mijn leven nog maar eene geringe erkentenis zou zijn van de waarde, die het voor mij had.”Het hoofdje bleef nog gebogen, de tranen vloeiden nog, de borst zwoegde van het snikken.“Lieve Florence! Dierbaarste Florence, die ik in mijne gedachten zoo heb genoemd, eer ik kon begrijpen hoe vermetel dat was. Laat ik u nog eene laatste maal bij uw eigen dierbaren naam noemen, en die lieve hand aanraken als een bewijs van uwe zusterlijke vergetelheid van hetgeen ik daar gezegd heb.”Zij hief haar hoofd op en sprak hem aan, met zulk eene plechtige teederheid in haar blik; met zulk een kalmen, helderen, vreedzamen glimlach, door hare tranen heen; met zulk eene zachte beving in hare stem, dat de fijnste snaren van zijn hart er van trilden, en zijne oogen begonnen te schemeren terwijl hij luisterde.“Neen, Walter, ik kan het niet vergeten. Ik zou het niet willen vergeten—voor de geheele wereld niet. Zijt ge—heel arm?”—“Ik ben maar een zwerveling,” zeide Walter. “Om te kunnen leven moet ik over zee heen en weer reizen. Dat is nu mijn beroep.”—“Moet ge spoedig weder heen, Walter?”—“Zeer spoedig.”Zij zat hem een oogenblik aan te zien; toen stak zij schroomvallig hare bevende hand in de zijne.“Als ge mij tot vrouw wilt nemen, Walter, zal ik u innig liefhebben. Als ge mij met u wilt laten medegaan, Walter, zal ik medegaan tot aan het eind van de wereld, zonder vreezen. Ik kan niets voor u opofferen—ik heb niets en niemand te verzaken; maar al mijne liefde en geheel mijn leven zullen u toegewijd zijn, en met mijn laatsten adem zal ik uw naam tot God fluisteren, als ik dan nog bewustheid en geheugen heb.”Hij drukte haar aan zijn hart en legde hare[355]wang tegen de zijne, en nu niet meer teruggestooten, niet meer verlaten, schreide zij vrij uit aan de borst van haar dierbaren minnaar.Gezegende zondagklokken, wier gelui zoo zacht in hunne verrukte ooren galmt! Gezegende zondagrust en stilte, die met de kalmte hunner zielen overeenstemt en de lucht om hen heen schijnt te heiligen. Gezegende schemeravond, die haar zoo ernstig troostend beschaduwt, terwijl zij als een onnoozel kind in slaap valt aan de borst, waar zij toevlucht heeft gevonden!O last van liefde en trouw, die daar lichtjes ligt! Ja, zie vrij neer op die geslotene oogen, Walter, met een blik vol trots en teederheid; want in de geheele wijde wereld zoeken zij nu alleen naar u.De kapitein bleef in het achterkamertje tot het geheel donker was geworden. Hij nam den stoel, waarop Walter had gezeten, en keek naar het lantaarnvenster op, tot de dag langzamerhand verdween en de sterren door de ruiten kwamen heenkijken. Hij stak eene kaars, en daarna eene pijp aan, en rookte die uit, en verwonderde zich wat in de wereld er toch boven omging, en waarom men hem niet riep voor de thee.Toen hij ten toppunt van verwondering was, kwam Florence naast hem.“Zoo, mijn dametje!” zeide de kapitein. “Wel, gij en Walter hebt lang met elkaar te praten gehad, liefje!”Florence klemde haar handje om een der groote knoopen van zijne jas, en zeide, bukkende om hem in het gezicht te zien:“Lieve kapitein, ik wilde u iets zeggen, als het u belieft.”De kapitein hief tamelijk driftig zijn hoofd op, om te hooren wat het was. Toen hij Florence daardoor duidelijker zag, schoof hij zijn stoel en zich zelven zoover mogelijk achteruit.“Wat! hartediefje!” riep de kapitein met plotselinge opgewondenheid. “Is het dat?”—“Ja,” antwoordde Florence snel.—“Walter! Uw man!Dat?” riep de kapitein, zijn hoed tot aan de ruiten opgooiende.—“Ja,” zeide Florence lachend en schreiend te gelijk.De kapitein sloot haar oogenblikkelijk in zijne armen; en nadat hij toen zijn hoed opgeraapt en opgezet had, nam hij haar onder den arm en bracht haar weder naar boven, waar hij nu de grootste grap van zijn leven wilde hebben.“Wat, Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, de deur inkijkende. “Dus is ergeenandere naam, niet waar?”Hij liep wel eenig gevaar om zich aan deze grap te doen stikken, welke hij onder de thee ten minste vijftigmaal herhaalde; terwijl hij in de tusschenpoozen zijn blinkend gezicht met zijne mouw of zijn hoofd met zijn zakdoek wreef. Het ontbrak hem evenwel ook niet aan ernstiger bronnen van genot, wanneer hij daarnaar verlangde, want verscheidene malen hoorde men hem, terwijl hij Walter en Florence met onuitsprekelijk genoegen aanzag, bij zich zelven mompelen:“Edward Cuttle, mijn jongen, gij hebt nooit in uw leven beter koers gezeild, dan toen gij er aan dacht om dat kapitaaltje over te maken.”

Er was in het huis, dat den houten adelborst herbergde, een ledig kamertje, dat in vroeger tijd Walter’s slaapkamer was geweest. Walter, die den kapitein des morgens vroeg kwam oproepen, stelde voor, dat zij de beste meubelen uit het achterkamertje daarheen zouden brengen, zoodat Florence, zoodra zij opstond, dit vertrekje in bezit kon nemen. Daar niets kapitein Cuttle aangenamer kon zijn, dan zich voor zoo iets buiten adem te werken, ging hij (gelijk hij zelf zeide) met lust aan den gang, en in een paar uren was dit hokje in eene soort van landkajuit herschapen, versierd met de beste meubelen uit de achterkamer, daaronder zelfs het fregat de Tartaar begrepen, hetwelk de kapitein boven den schoorsteenmantel hing en zoozeer bewonderde, dat hij een half uur lang niets anders doen kon dan het al achteruitstappende te bekijken.

Door geene overreding van Walter liet de kapitein zich bewegen om het groote horloge op te winden of het blikken busje terug te nemen, of de suikertang of de theelepeltjes aan te raken. “Neen, neen, mijn jongen,” was zijn onveranderlijk antwoord op zulk een aanzoek; “ik heb u dat kapitaaltje overgemaakt, gansch en gaar.” Deze woorden sprak hij met[347]groote deftigheid uit, blijkbaar geloovende, dat zij de kracht eener parlementsakte hadden, en dat, als hij zich maar niet compromitteerde door eene nieuwe bekentenis van eigenaarschap, zulk een vorm van overdracht onherroepelijk was.

Het was een voordeel der nieuwe schikking, dat behalve dat Florence meer vrijheid en stilte kreeg, de houtenadelborstnu weder op zijn gewonen observatiepost kon geplaatst en de luiken van den winkel afgenomen konden worden; want op den vorigen dag had het gesloten blijven zulk eene bevreemding in de buurt veroorzaakt, dat het huis des instrumentmakers door het publiek met eene buitengemeene mate van aandacht was verwaardigd, en den geheelen dag lang troepen van nieuwsgierige kijkers aan den overkant der straat waren blijven staan. Vooral hadden de straatjongens belang gesteld in het lot des kapiteins, en hadden zij gedurig in den modder liggen kruipen om door de keldertraliën onder het winkelvenster te kijken, hunne verbeelding streelende met den waan, dat zij een stukje van zijne jas konden zien, gelijk hij zich in een hoek had opgehangen; hoewel deze soort van uiteinde door eene andere partij ten sterkste werd tegengesproken, die van gevoelen was, dat hij vermoord (met een hamer doodgeslagen) op de trap lag. Het was dus niet zonder eenig ongenoegen, dat men hem, die het onderwerp dezer geruchten was, des morgens vroeg weder aan zijne deur zag staan, even gezond en frisch alsof er niets gebeurd was; en deBeadlevan de wijk, een man van een eerzuchtig karakter, die gedacht had de onderscheiding te zullen hebben om bij het openbreken van de deur te assisteeren, en in volle uniform getuigenis voor dencoronerte geven, ging zelfs zoo ver, dat hij tot een overbuurman zeide, dat die kerel met zijn blinkenden hoed het maar niet moest probeeren—zonder nader aan te duiden wat—en verder dat hij, deBeadle, hem in het oog zou houden.

“Kapitein Cuttle,” zeide Walter peinzende, toen zij aan de winkeldeur van hun arbeid stonden uit te rusten, en hij de nog welbekende straat opkeek, “geheel niets van oom Sam in al dien tijd?”—“Niets, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, zijn hoofd schuddende.—“Mij te gaan opzoeken, die lieve, goede, oude man,” zeide Walter, “en u toch nooit te schrijven! Maar waarom niet? Hij zegt wel in den brief, dien gij mij gegeven hebt,” het pakje uit zijne borst halende, dat in tegenwoordigheid van den helderdenkenden Bunsby was geopend, “dat als gij niet van hem hoort, eer gij dien opent, gij hem voor dood kunt houden. Dat verhoede God! Maar gij zoudt toch van hem gehoord hebben, al was hij dood. De een of ander zou u toch op zijn verlangen geschreven hebben, als hij dat niet kon doen; en gezegd hebben: “dan en dan overleed ten mijnen huize, of onder mijne zorg, mijnheer Samuel Gills, van Londen, die dit laatste verzoek voor u heeft nagelaten.””

De kapitein, die nog nooit op zulk eene heldere hoogte van waarschijnlijkheid was geklommen, was verwonderd over het ruime uitzicht, dat zich daar opende, en antwoordde, nadenkend zijn hoofd schuddende: “Wel gezegd, mijn jongen. Heel wel gezegd.”

“Ik heb daarover gedacht, of ten minste,” zeide Walter blozende, “ik heb over allerlei dingen gedacht, terwijl ik van nacht niet slapen kon, en ik kan niet anders denken, kapitein Cuttle, of mijn oom Sam (God zegen hem!) is nog in leven en zal wel terugkomen. Het verwondert mij niet zoozeer, dat hij is heengegaan, omdat, zonder nog te spreken van die zucht voor het avontuurlijke, waarvan hij altijd iets in zijn karakter had, en van zijne gehechtheid aan mij, waarvoor alle andere dingen bij hem achterstonden, gelijk niemand zoo goed weet als ik, die den besten van alle vaders aan hem had—” Walter’s stem werd hier schor, en hij keek naar den anderen kant de straat op—“zonder daarvan te spreken, zeg ik, heb ik dikwijls gehoord en gelezen van menschen, die, als een dierbaar bloedverwant van hen voor op zee verongelukt werd gehouden, ergens aan de kust gingen wonen, waar men tijding van het vermiste schip kon verwachten, al was het maar een paar uren vroeger dan ergens anders, of er zelfs naar gingen zoeken, op de plaats waarheen het bestemd was, alsof hunne reis iets kon toebrengen om bericht te verschaffen. Ik denk dat ik zelf wel in staat zou zijn om zoo iets te doen. Maar waarom mijn oom u niet schreef, daar hij dit toch zoo duidelijk voornemens was, of dat hij buitenslands zou kunnen sterven, zonder dat gij het door iemand anders te weten zoudt komen, dat is iets dat ik niet begrijp.”

Kapitein Cuttle merkte aan, dat Jack Bunsby zelf het niet begrepen had, en dat hij toch een man was, die degelijk zijn gevoelen wist te zeggen.

“Als mijn oom een loszinnig jongmensch was geweest, die licht door vroolijk gezelschap naar een of ander huis kon gelokt worden, waar men hem om het geld, dat hij bij zich had, van kant wilde helpen,” zeide Walter, “of een woeste matroos, die met twee of drie maanden gage in zijn zak aan land ging, kon ik het begrijpen, dat hij verdween zonder spoor na te laten. Maar van zoo iemand als hij was—en is, hoop ik—kan ik dat niet gelooven.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, hem bekommerd aanziende, “wat denkt gij er dan van?”—“Kapitein Cuttle,” antwoordde Walter, “ik weet niet wat ik er van denken moet,—als het zoo is, dat hij nooit heeft geschreven. Daar is immers geen twijfel aan?”—“Als Sam Gills[348]heeft geschreven, mijn jongen,” zeide de kapitein redeneerend, “waar is dan de brief?”—“Hij kan wel aan iemand zijn medegegeven,” zeide Walter, “en vergeten, of achteloos weggegooid, of verloren zijn. Zelfs dat komt mij waarschijnlijker voor dan de andere mogelijkheid. Kortom, ik kan en wil niet aan die andere mogelijkheid denken, kapitein Cuttle.”—“Hoop, ziet ge wel, Walter,” merkte de kapitein diepzinnig aan. “Hoop. Dat is het wat u doet leven. Hoop is een anker, dat kunt gij in het groote liederboek nazien, mijn jongen. Maar wat baat het mij of ik een anker heb, als ik geen grond kan vinden om het in te laten zakken.”

Kapitein Cuttle zeide dit veeleer in zijn karakter van gezeten burger en voorzichtig winkelier, verplicht om een onervaren jonkman een kruimpje uit zijn schat van wijsheid mede te deelen, dan in zijn eigen persoon. Uit zijne oogen straalde te gelijk de nieuwe hoop, die hij van Walter had opgevangen; en hij besloot zeer gepast met hem op den rug te kloppen en in vervoering uit te roepen: “Hoera, mijn jongen. Ik ben het met u eens.”

Walter beantwoordde dit compliment met een vroolijken lach, en zeide:

“Nu nog maar één woord over mijn oom vooreerst, kapitein Cuttle. Het zal wel voor onmogelijk moeten gehouden worden, dat hij op de gewone manier kan geschreven hebben—met postpakket of schip, verstaat ge—”—“Ja, ja, mijn jongen,” zeide de kapitein goedkeurend.—“En dat die brief niet bij u te recht gekomen is?”—“Wel, Walter,” zeide de kapitein, hem aanziende met eene flauwe poging om barsch te kijken; “ben ik niet dag en nacht op den uitkijk geweest naar dien man van wetenschap, Sam Gills, uw oom, zoolang als ik hem verloren heb? Is mijn hart niet altijd zwaar geweest over hem en u? Ben ik niet slapend en wakend op mijn post gebleven, en zou ik mij niet geschaamd hebben om er van af te loopen zoolang deze adelborst boven water bleef?”—“Ja, kapitein Cuttle,” antwoordde Walter, hem bij de hand vattende, “dat weet ik wel, en ik weet wel hoe trouw en ernstig alles is, dat gij zegt en doet. Daar ben ik zeker van. Gij twijfelt niet, of ik ben daar zoo zeker van, als dat ik mijn voet weder op dezen drempel heb, of dat ik deze trouwe hand weder vasthoud. Daar twijfelt gij immers niet aan?”—“Neen, neen, Walter,” zeide de kapitein met een geheel opgehelderd gezicht.—“Ik zal geene gissingen meer wagen,” hervatte Walter, de harde hand des kapiteins schuddende. “Al wat ik er nog wil bijvoegen is, de hemel verhoede, dat ik het eigendom van mijn oom zou aanraken, kapitein Cuttle. Al wat hij hier gelaten heeft, zal hier blijven in bewaring van den trouwsten rentmeester en den braafsten man—en als zijn naam niet Cuttle is, heeft hij geen naam. En nu, beste vriend, over—jufvrouw Dombey.”

Er was eene verandering in Walter’s uitzicht en toon, toen hij aan deze twee woorden kwam; en toen hij ze had uitgesproken, schenen alle zelfvertrouwen en blijmoedigheid hem verlaten te hebben.

“Ik dacht eerst,” zeide Walter, “dat wij maar één harden plicht konden hebben, namelijk, haar te overreden, om hare betrekkingen kennis te geven waar zij was, en weder naar huis te gaan.”

De kapitein mompelde een flauw “sta vast!” of “hou vast!” of iets dat evenzeer te pas kwam; maar door de verslagenheid, waarmede dit bericht hem vervulde, klonk het zoo flauw, dat men er naar moest raden wat hij zeide.

“Maar,” zeide Walter, “dat is afgedaan. Ik denk nu zoo niet meer. Ik zou liever weder op dat stuk hout gezet worden, waarop ik na mijne redding zoo dikwijls in mijne droomen heb gedreven, en daarmee blijven rondzwalken tot ik stierf.”—“Hoera! mijn jongen,” riep de kapitein, met eene uitbarsting van onbedwingbare blijdschap. “Hoera! Hoera! Hoera!”—“Te denken dat zij, zoo jong, zoo goed, zoo schoon,” zeide Walter, “zoo teeder opgebracht en tot zulk een geheel ander lot geboren, met de ruwe wereld zou moeten worstelen! Maar wij hebben den afgrond gezien, die haar van alles afsnijdt wat achter haar is, schoon niemand dan zij zelve alleen kan weten hoe diep die is; en zij kan niet terug.”

Kapitein Cuttle, zonder dit geheel te begrijpen, keurde het toch ten hoogste goed, en merkte met nadruk aan, dat de wind vlak van achteren was.

“Maar zij behoort hier niet alleen te blijven; moet zij wel, kapitein Cuttle?” zeide Walter bekommerd.—“Wel, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, na zich eens te hebben bedacht, “dat weet ik niet. Daar gij hier zijt om haar gezelschap te houden, en gij te zamen—”—“Beste kapitein Cuttle,” bracht Walter hiertegen in, “juist omdat ik hier ben. Jufvrouw Dombey houdt mij in haar onschuldig hart voor haar aangenomen broeder; maar hoe listig en slecht zou mijn hart wezen, als ik veinsde te gelooven eenig recht te hebben om onder dien naam gemeenzaam met haar om te gaan—als ik veinsde te vergeten, dat ik als man van eer verplicht ben dat niet te doen.”—“Walter, mijn jongen,” begon de kapitein, eenigszins van zijne verslagenheid bekomende, “is er dan geen andere naam, waar—”—“O!” viel Walter er op in, “zoudt gij mij hare achting willen doen verbeuren en mij voor altijd uit hare oogen verbannen, door eene poging om er voordeel uit te trekken, dat zij hier zoo vertrouwelijk eene schuilplaats heeft gezocht,[349]eene poging om misbruik van hare omstandigheden te maken, en van een broeder een minnaar te worden! Wat zeg ik? Er is niemand in de wereld, die mij dit eerder zou willen beletten dan gij, als ik tot zoo iets in staat was.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, wederom in zijne neerslachtigheid verzinkende, “als er wettige redenen van verhindering zijn waarom twee personen niet zouden worden samengevoegd in de banden van den echtelijken staat, zooals gij dat kunt nalezen en aanteekenen, dan hoop ik, dat ik er rond voor uit zou komen, zooals in de geboden wordt beloofd en gezworen. Dus is er geen andere naam, mijn jongen?”

Walter wuifde ontkennend met zijne hand.

“Wel, mijn jongen,” bromde de kapitein zeer langzaam, “ik wil niet ontkennen of dat valt mij geweldig tegen, en ik weet er niets meer op. Maar wat ons dametje betreft, Walter, moet gij wel weten, zooveel achting en eerbied als iemand haar verplicht is, reken ik mij ook aan haar verplicht, en daarom zal ik denzelfden koers houden als gij, en twijfel ik niet of gij doet er wel aan. En er is dus geen andere naam?” zeide de kapitein, met een zeer betrokken gezicht over de ruïne van zijn ingestort luchtkasteel mijmerend.—“Neen, kapitein Cuttle,” zeide Walter; met een vroolijker gezicht tot een ander onderwerp overgaande, om den kapitein op te beuren, hetgeen hem echter toch niet gelukte, “mij dunkt, wij moesten moeite doen om iemand te vinden, die jufvrouw Dombey gezelschap kan houden en bedienen zoolang zij hier blijft, en die wij kunnen vertrouwen. Dat kunnen wij niemand van hare familie. Het is duidelijk dat jufvrouw Dombey gelooft, dat zij allen haar vader naar de oogen zien. Waar is Suze gebleven?”—“Dat meisje?” antwoordde de kapitein. “Ik geloof dat zij zeer tegen den zin van hartediefje is weggestuurd. Ik heb eens naar haar gevischt toen ons dametje pas hier kwam, en zij prees haar tot aan de wolken en zeide dat zij al langen tijd van haar af was.”—“Vraag jufvrouw Dombey dan waar zij naar toe is,” zeide Walter, “en wij zullen ons best doen om haar te vinden. Het wordt al wat laat, en jufvrouw Dombey zal welhaast opstaan. Gij zijt haar beste vriend. Wacht boven naar haar, en laat mij voor alles beneden zorgen.”

De kapitein herhaalde den zucht, waarmede Walter dit zeide, en gehoorzaamde. Florence was verheugd over hare nieuwe kamer, verlangend om Walter te zien, en opgetogen over het vooruitzicht om hare oude vriendin Suze weder bij zich te krijgen. Maar zij kon niet zeggen waar Suze naar toe was gegaan, behalve dat het ergens inEssexmoest wezen, en dat niemand het zeggen kon, of het moest, bedacht zij zich, mijnheer Toots wezen.

Met dit bericht kwam de zwaarmoedige kapitein naar Walter terug, en onderrichtte hem, dat Toots de jonkman was, dien hij op de stoep had ontmoet, en dat hij een vriend van hem was, en een jong heer van vermogen was, en dat hij jufvrouw Dombey hopeloos aanbad. De kapitein verhaalde ook, hoe de tijding van Walter’s vermeend lot hem het eerst met Toots in kennis had gebracht, en hoe er een plechtig verbond en verdrag tusschen hen was gesloten, dat Toots op het onderwerp zijner liefde stom zou blijven.

Nu was de vraag, of Florence mijnheer Toots kon vertrouwen; en toen Florence met een glimlach antwoordde: “O ja, met al mijn hart!” werd het van gewicht te ontdekken waar Toots woonde. Florence wist dit niet, en de kapitein had het vergeten, en vertelde Walter in het achterkamertje juist dat Toots wel gauw eens zou aankomen, toen deze heer werkelijk kwam.

“Kapitein Gills,” zeide Toots, zonder eenige omstandigheden binnenstuivende, “ik ben op het punt om razend te worden!”

Toots had deze woorden als uit een mortier geschoten, eer hij Walter opmerkte, dien hij nu herkende met een geluid, dat een gegrinnik van rampzaligheid zou mogen genoemd worden.

“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Toots, zijn voorhoofd vasthoudende, “maar ik ben tegenwoordig in een toestand dat mijn verstand mij begeeft, als het al niet weg is, en complimenten van iemand in zulk een toestand zouden holle klanken zijn. Kapitein Gills, ik verzoek u om de gunst van een afzonderlijk gesprek.”—“Wel, broeder,” antwoordde de kapitein, hem bij de hand vattende, “gij zijt juist de man, naar wien wij op den uitkijk waren.”—“O kapitein Gills,” zeide Toots, “wat een uitkijk moet dat zijn, waarvan ik het onderwerp ben! Ik heb mij niet durven scheren zoo disperaat ben ik. Ik heb mijne kleeren niet laten borstelen. Mijn haar zit in elkander geward. Ik heb den Kemphaan gezegd, dat ik mij aan hem zou vergrijpen, als hij mijne laarzen wilde gaan poetsen.”

Al deze blijken van geestverbijstering werden door zijn voorkomen bevestigd, dat inderdaad zeer wild en woest was.

“Zie hier, broeder,” zeide de kapitein. “Dit is Walter, de neef van den ouden Sam Gills—hij, wien men voor op zee verongelukt hield.”

Toots nam zijne hand van zijn voorhoofd en staarde Walter aan.

“Goede hemel!” stamelde Toots. “Welk eene opeenstapeling van ellende! Hoe vaart ge? Ik—ik—ik vrees dat ge heel nat moet zijn geworden. Kapitein Gills, mag ik in den winkel een woordje met u spreken?”

Hij pakte den kapitein bij zijne jas, en met hem naar buiten gaande, fluisterde hij:[350]

“Dat is dus de persoon van wien gij gesproken hebt, kapitein Gills, toen ge zoo goed waart mij te zeggen dat hij en jufvrouw Dombey voor elkander geschapen waren?”—“Wel—ja, mijn jongen,” antwoordde de neerslachtige kapitein. “Eens dacht ik er zoo over.”

En nu riep Toots uit, met zijne hand weder voor zijn voorhoofd: “Moest hij dat zijn!—een gehate medeminnaar! Maar ten minste is hij geen gehate medeminnaar,” zeide Toots, zich bedenkende en zijne hand weder wegnemende. “Waarom zou ik hem haten? Neen. Als mijne liefde waarlijk belangeloos is geweest, kapitein Gills, laat ik dat dan nu bewijzen!”

Eensklaps vloog Toots weder naar het achterkamertje, en Walter bij de hand grijpende, zeide hij:

“Hoe vaart ge? Ik hoop dat ge geen kou hebt gevat. Ik—ik zal heel blij zijn als ge mij het pleizier doet om kennis met u te mogen houden. Ik wensch u nog vele jaren na dezen. Op mijn woord van eer,” zeide Toots, warmer wordende, toen hij beter op Walter’s uitzicht en houding lette, “ik ben heel blij, dat ik u zie.”—“Ik dank u hartelijk,” antwoordde Walter. “Ik zou geen vriendelijker welkomst kunnen verlangen.”—“Zoudt ge waarlijk niet?” zeide Toots, hem nogmaals de hand schuddende. “Dat is wel goed van u. Ik ben u zeer verplicht. Hoe vaart ge? Ik hoop, dat gij alles wel hebt gelaten daar aan—dat is daarop—ik meen waar ge laatst vandaan zijt gekomen, weet ge.”

Op al deze goede wenschen en nog betere meening gaf Walter hartelijk antwoord.

“KapiteinGills,” zeide Toots, “ik wil stiptelijk mijn woord houden; maar ik geloof, dat ik nu wel iets zou mogen zeggen van zeker onderwerp—”—“Ja, ja, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Spreek maar ronduit.”—“Dan, kapitein Gills en luitenant Walters,” zeide Toots, “weet gij wel, dat bij mijnheer Dombey aan huis de schrikkelijkste omstandigheden zijn voorgevallen, en dat jufvrouw Dombey zelve haar vader verlaten heeft, die naar mijne gedachten,” zeide Toots met groote opgewondenheid, “zulk een beest is, dat het nog vleierij zou zijn hem een houten blok of een roofvogel te noemen, en dat zij nergens te vinden is, en niemand weet, waar zij naar toe is?”—“Mag ik vragen, hoe gij dat gehoord hebt?” zeide Walter.—“Luitenant Walters,” zeide Toots, die er op eene geheel eigenaardige manier toe kwam, om hem deze benaming toe te leggen; waarschijnlijk door zijn doopnaam met de zee in verband te brengen, en eene betrekking tusschen hem en den kapitein te vooronderstellen, die zich dus ook natuurlijk tot hunne titels moest uitstrekken; “luitenant Walters, ik kan geen bezwaar hebben om u een rondborstig antwoord te geven. De zaak is, dat ik een buitengemeen belang stel in alles, wat jufvrouw Dombey maar eenigszins aangaat—niet met zelfzuchtige oogmerken, luitenant Walters, want ik weet maar al te wel dat ik ten genoege van alle belanghebbenden niet beter kan doen dan een eind aan mijn leven te maken, dat voor niets anders dan een overlast kan gehouden worden; maar ik wilde zeggen, omdat ik zooveel belang stel in alles wat jufvrouw Dombey aangaat, ben ik gewoon om nu en dan eene kleine vereering te geven aan een knecht, een heel fatsoenlijk jonkman, die Towlinson heet, en eenigen tijd daar in huis gewoond heeft; en Towlinson heeft mij gisteren gezegd, dat het zoo met de zaken gesteld was. En van dat oogenblik af, kapitein Gills en luitenant Walters, ben ik zoo goed als razend geweest; en ik heb den geheelen nacht op de sofa gelegen in den rampzaligen staat waarin gij mij nu ziet.”—“Mijnheer Toots,” zeide Walter, “het doet mij genoegen u eenigszins te kunnen geruststellen. Ik bid u, word bedaard. Jufvrouw Dombey is gezond en wel.”—“Mijnheer,” riep Toots uit, van zijn stoel opspringende om hem opnieuw de hand te geven, “die uitkomst is zoo groot, zoo onuitsprekelijk, dat al zoudt ge mij nu zeggen, dat jufvrouw Dombey getrouwd was, ik er om zou kunnen lachen. Ja, kapitein Gills,” zeide Toots, zich naar dezen omkeerende, “bij mijne ziel en mijn lichaam, ik denk waarlijk, wat ik mij zelven ook naderhand misschien zou doen, dat ik er nu om zou kunnen lachen, zoo gevoel ik mij verplicht.”—“Het zal zeker nog grooter verplichting en blijdschap voor zulk een edelmoedig hart als het uwe zijn,” antwoordde Walter, “als gij verneemt, dat gij jufvrouw Dombey een dienst kunt bewijzen. Kapitein Cuttle, wilt gij zoo goed zijn om mijnheer Toots naar boven te brengen?”

De kapitein wenkte Toots, die hem met een verwonderd gezicht volgde, en bracht hem, zonder een enkel woord van voorbereiding, naar Florence’s nieuw verblijf.

Toots’verbazing en blijdschap bij haar gezicht waren zoo groot, dat zij zich niet anders dan in buitensporigheden lucht konden geven. Hij vloog naar haar toe, vatte hare hand, kuste die, liet ze weder los, vatte ze opnieuw, viel op eene knie, schreide, grinnikte, en bleef geheel onbewust van het gevaar, om door Diogenes te worden beetgepakt, die, in de meening, dat deze bewegingen van vijandigen aard waren, om hem heen draaide, alsof hij nog maar niet wist waar hem te bijten, maar vast voornemens was, om hem geducht zijne tanden te laten voelen.

“O Di, stoute hond, hoe kunt ge zoo vergeten! Beste mijnheer Toots, ik ben zoo blij dat ik u zie.”—“Wel bedankt,” zeide Toots. “Ik ben tamelijk wel; zeer verplicht, jufvrouw[351]Dombey. Ik hoop dat de geheele familie ook nog wel is.”

Toots zeide dit zonder zelf te weten wat hij zeide, en zette zich op een stoel, waar hij Florence bleef zitten aanstaren met zulk een levendigen strijd van blijdschap en wanhoop op zijn gezicht, als een gezicht maar kon vertoonen.

“Kapitein Gills en luitenant Walters hebben mij gezegd, jufvrouw Dombey,” bracht hij hijgend uit, “dat ik u een dienst kan bewijzen. Als ik daardoor de herinnering kon uitwisschen van dien dag teBrighton, toen ik mij gedroeg alsof—veelmeer alsof ik een vadermoorder was, dan een fatsoenlijk jongmensch,” zeide Toots met strenge zelfveroordeeling, “zou ik met een glans van blijdschap in het stille graf zinken.”—“O, mijnheer Toots,” zeide Florence, “wensch niet dat ik ooit iets zal vergeten van al wat er tusschen ons is omgegaan. Dat kan ik nooit, geloof mij. Gij zijt altijd veel te goed en vriendelijk voor mij geweest.”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “uwe verschoonende toegeeflijkheid voor mijn gevoel is een trek van uw engelachtig karakter. Ik dank u duizendmaal. Het is van geheel geen beduiden.”—“Wat wij van u dachten te vragen,” zeide Florence, “is, of gij u nog herinnert waar Suze, die gij zoo goed waart naar de diligence te brengen, toen zij mij verlaten moest, nu te vinden zou zijn.”—“Ik kan mij niet precies meer herinneren, jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, na zich eene poos te hebben bedacht, “welke naam er op de diligence stond, en ik herinner mij ook, dat zij mij zeide, dat zij daar niet bleef, maar nog verder moest. Maar als het uw oogmerk is haar te vinden en hier te hebben, jufvrouw Dombey, zullen ik en de Kemphaan haar opzoeken en hier brengen, met zooveel spoed als met den grootsten ijver van mijn kant en de buitengemeene schranderheid van den Kemphaan maar mogelijk is.”

Toots werd zoo zichtbaar opgebeurd door het vooruitzicht van zich nuttig te kunnen maken, en de belangelooze oprechtheid van zijn ijver was zoo ontwijfelbaar, dat het eene wreedheid zou zijn geweest hem af te wijzen. Uit kieschheid maakte Florence zelfs geen melding van het minste bezwaar, hoewel zij niet naliet hem met dankbetuigingen te overstelpen en Toots nam de taak met trotschheid op zich.

“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, hare aangebodene hand aanrakende, terwijl hem zichtbaar een pijnlijke steek van hopelooze liefde door het hart ging. “Vaarwel! Laat ik de vrijheid mogen nemen om te zeggen, dat uwe rampen mij diep ellendig maken, en dat gij mij kunt vertrouwen, naast kapitein Gills zelf. Ik ben wel bekend, jufvrouw Dombey, met alles wat mij ontbreekt—het is van geen beduiden, wel bedankt—maar ik ben volkomen te vertrouwen, dat verzeker ik u, jufvrouw Dombey.” Daarmede ging Toots de kamer uit, vergezeld door den kapitein, die met den hoed onder den arm op eenigen afstand was blijven staan, geen onverschillig getuige van hetgeen er omging. Toen de deur achter hen was dicht gedaan, was het licht van Toots’ leven weder verdonkerd.—“Kapiteins Gills,” zeide hij, zich onder aan de trap omkeerende, “om u de waarheid te zeggen, ik ben in het oogenblik niet in eene gemoedsstemming om luitenant Walters te zien met dat geheel vriendschappelijke gevoel, dat ik in mijne borst voor hem zou willen koesteren. Men kan zijn gevoel niet altijd beheerschen, kapitein Gills, en ik zou het voor eene bijzondere gunst houden als ge mij de zijdeur woudt uitlaten.”—“Broeder,” antwoordde de kapitein, “gij kunt zelf uw koers bepalen; want de koers, dien gij neemt, zal altijd recht door zee wezen, daarvan ben ik zeker.”—“Gij zijt wel vriendelijk, kapitein Gills,” zeide Toots; “en uwe goede meening is een troost voor mij. Er is nog iets,” zeide hij, in den gang blijvende staan, achter de half geopende deur, “dat ik hoop dat gij onthouden zult, kapitein Gills, en dat ik ook wensch dat luitenant Walters gezegd zal worden. Ik ben nu geheel in het bezit van mijn vermogen gekomen, en ik weet niet wat er mee te doen. Als ik in een financieel opzicht eenigszins van dienst kon zijn, zou ik met rust en genoegen in het stille graf neerdalen.”

Toots zeide niets meer, glipte stil de deur uit en trok die achter zich toe, om den kapitein alle antwoord te beletten.

Nog lang na dat de goede jongen was heengegaan, zat Florence met eene mengeling van smart en genoegen aan hem te denken. Hij was zoo welwillend en goedhartig, dat het een troost en eene blijdschap voor haar was, hem weder te zien en van zijne trouwe genegenheid verzekerd te worden; maar juist om die reden was het haar zoo aandoenlijk te denken, dat zij hem een oogenblik verdriet veroorzaakte, of den schuldeloos effen loop van zijn leven stoorde, dat hare oogen zich met tranen vulden en haar hart van medelijden overvloeide. Kapitein Cuttle dacht op zijne manier ook veel aan Toots, en Walter insgelijks; en toen het avond werd, en zij alle drie in Florence’s nieuwe kamer bij elkander zaten, prees Walter hem met opgetogenheid, en vertelde Florence, wat hij bij het heengaan had gezegd.

Toots kwam in verscheidene dagen niet terug; en ondertusschen bleef Florence zonder eenige nieuwe onrust, gelijk een mak vogeltje in een kooitje, in het huis van den instrumentmaker wonen. Maar toen de dagen verliepen, begon zij te kwijnen en al meer en meer haar hoofdje te laten hangen; en de uitdrukking, die men op het gezichtje van het doode kind[352]had gezien, werd nu dikwijls uit haar venster naar den hemel gewend, alsof zij daar naar zijn engel zocht.

Florence was sedert lang zwak en teer geweest, en de ontroering, die zij had doorgestaan, bleef niet zonder invloed op hare gezondheid. Het was echter geene lichamelijke ziekte, die haar nu ondermijnde. Haar gemoed was onrustig; en de oorzaak van die onrust was Walter.

Terwijl hij belang in haar stelde, bezorgd voor haar was, trotsch en verheugd was als hij haar van dienst kon zijn, en dit alles met al het vuur van zijn karakter liet blijken, zag Florence toch, dat hij haar vermeed. Den geheelen dag lang naderde hij zelden hare kamer. Als zij naar hem vroeg kwam hij, voor het oogenblik even rondborstig en opgeruimd als zij hem gezien had toen zij als kind op straat verdwaalde; maar spoedig werd hij onrustig, stijf en verlegen—hare genegenheid was te waakzaam om dit niet te zien—en weldra ging hij weder heen. Ongevraagd kwam hij over dag nooit. Als de avond viel was hij er altijd, en dat was haar gelukkigste tijd, want dan geloofde zij bijna dat de oude Walter harer kindsheid niet veranderd was. Maar zelfs dan bewees haar nu en dan een gering woord, blik of omstandigheid, dat er eene scheidslinie tusschen hen bestond, die niet over te komen was.

Zij kon ook niet nalaten te zien, dat deze blijken eener groote verandering bij Walter zich vertoonden in weerwil van zijne uiterste pogingen om ze te verbergen. Zij zag zeer wel dat hij, uit verlangen om haar alle leed te besparen, ontelbare kleine kunstgrepen te baat nam, en uitvluchten verzon; maar des te meer gevoelde Florence die verandering bij hem, en des te meermalen schreide zij over de vervreemding van haar broeder.

De goede kapitein—haar altijd even onvermoeide en teedere vriend—zag dit ook wel, dacht Florence, en het deed hem verdriet. Hij was niet zoo opgeruimd en vol hoop als in het eerst, en somtijds, als zij des avonds bij elkander zaten, zag hij haar en Walter tersluiks aan met een gezicht, dat waarlijk treurig stond.

Florence besloot eindelijk Walter aan te spreken. Zij meende nu te weten wat de oorzaak dier vervreemding was, en dacht dat het eene verlichting voor haar overkropt hart zou zijn, en ook hem meer op zijn gemak zou brengen, als zij hem zeide, dat zij die ontdekt had, en er zich geheel aan onderwierp en hem niets verweet.

Het was op zekeren zondagnamiddag dat Florence dit besluit nam. De trouwe kapitein zat, met verbazende boordjes om en een bril op, bij haar te lezen, en zij vroeg hem waar Walter was.

“Ik denk dat hij beneden is, mijn dametje,” antwoordde de kapitein.—“Ik zou hem gaarne spreken,” zeide Florence, haastig opstaande, alsof zij naar beneden wilde gaan,—“Ik zal hem in een oogenblik hier halen, liefje,” zeide de kapitein.

Daarop nam de kapitein zijn boek onder den arm—want hij maakte er een regel van des zondags niet anders dan in een heel groot boek te lezen, dewijl dit ernstiger stond, en had jaren geleden een deel van verbazende dikte aan een stalletje gekocht, waarvan vijf regels hem altijd zoodanig versuften, dat hij tot nog toe niet had kunnen ontdekken over welk onderwerp het handelde—en ging heen. Walter verscheen weldra.

“Kapitein Cuttle zegt mij, jufvrouw Dombey,” begon hij driftig, maar bleef steken toen hij haar gezichtje zag. “Gij zijt niet wel vandaag. Gij ziet zoo bedroefd. Gij hebt geschreid.”

Hij sprak zoo vriendelijk en met zulk eene beving in zijne stem, dat de tranen haar weder in de oogen kwamen.

“Walter,” zeide zij zacht, “ik ben niet heel wel, en ik heb ook geschreid. Ik wilde u eens spreken.”

Hij zette zich tegenover haar en zag haar in het onschuldig gezichtje. Zijn eigen gezicht verbleekte en zijne lippen beefden.

“Op den avond toen ik hoorde dat gij gered waart—en o lieve Walter, wat gevoelde ik dien avond en wat hoopte ik—hebt gij gezegd—”

Hij legde zijne bevende hand op de tafel tusschen hen in, en bleef haar aanzien.

“Op dien avond hebt gij gezegd, dat ik veranderd was. Ik was verwonderd u dat te hooren zeggen, maar nu begrijp ik wel dat ik het ben. Wees niet boos op mij, Walter. Ik was toen al te verblijd om er aan te denken.”

Zij kwam hem weder als een kind voor. Het was het openhartige, vertrouwelijke, liefdevolle kind, dat hij hoorde—niet het dierbare meisje, aan welks voeten hij de schatten der aarde had willen leggen.

“Gij herinnert u de laatste maal wel dat ik u zag, Walter, voor uw vertrek?”

Hij stak zijne hand in zijne borst en haalde een beursje uit.

“Ik heb het altijd om mijn hals gedragen! Als ik verdronken was, zou het met mij naar den bodem der zee zijn gezonken.”—“En gij zult het nog blijven dragen, Walter, om wat ik vroeger voor u was?”—“Tot ik sterf.”

Zij legde hare hand op de zijne, zoo eenvoudig en onbeschroomd, alsof er geen dag verloopen was sedert zij hem die kleine gedachtenis had gegeven.

Gezegende schemeravond, die haar zoo ernstig troostend beschaduwt, terwijl zij als een onnoozel kind in slaap valt aan de borst, waar zij toevlucht heeft gevonden. (blz. 355).Gezegende schemeravond, die haar zoo ernstig troostend beschaduwt, terwijl zij als een onnoozel kind in slaap valt aan de borst, waar zij toevlucht heeft gevonden.(blz. 355).

Gezegende schemeravond, die haar zoo ernstig troostend beschaduwt, terwijl zij als een onnoozel kind in slaap valt aan de borst, waar zij toevlucht heeft gevonden.(blz. 355).

“Daar ben ik blij om. Daar zal ik altijd met blijdschap aan denken, Walter. Herinnert gij u nog wel, dat er op dien zelfden avond bij ons beiden te gelijk eene gedachte aan die verandering[353]scheen op te komen, toen wij met elkander spraken?”—“Neen,” antwoordde hij op een toon van verwondering.—“Ja toch, Walter. Ik was toen al reeds het middel geweest om uwe hoop en uwe vooruitzichten te bederven. Ik was toen bang om er aan te denken, maar nu weet ik het wel. Als gij toen, door uwe edelmoedigheid, in staat waart om het mij te verbergen, dat gij ook zoo dacht, kunt gij dat nu toch niet doen, al beproeft gij dat met evenveel edelmoedigheid als voorheen. Dat doet gij waarlijk. Ik dank u daarvoor, Walter, en hartelijk; maar het kan u niet gelukken. Gij hebt door uwe eigene rampen en die van uw dierbaarsten bloedverwant te veel geleden, om de onschuldige oorzaak van al de gevaren en onheilen, die u overkomen zijn, geheel voorbij te zien. Gij kunt niet geheel vergeten, dat ik dat ben, en wij kunnen niet langer broeder en zuster zijn. Maar, lieve Walter, denk niet dat ik mij daarom over u beklaag. Ik had het wel kunnen weten—ik had het moeten weten—maar in mijne blijdschap had ik het vergeten. Al wat ik hoop is, dat gij met minder tegenzin aan mij zult denken, als gij dat gevoel niet meer behoeft geheim te houden; en al wat ik vraag, Walter, in den naam van het arme kind, dat eens uwe zuster[354]was, is dat gij, nu ik toch alles weet, niet met u zelven wilt kampen en u, om mijnentwil, nog meer verdriet geven.”

Walter had haar, terwijl zij sprak, aangezien, met een gezicht zoo vol verbazing, dat het niets anders kon uitdrukken. Nu vatte hij de hand, die zoo smeekend op de zijne was gelegd, en hield ze vast.

“O, jufvrouw Dombey,” zeide hij, “is het mogelijk dat ik, terwijl ik zelf zooveel geleden heb door te kampen met het gevoel van wat ik u verschuldigd ben, en u bewezen moet worden, u heb doen lijden wat gij daar zegt? Nooit, nooit, bij den hemel, heb ik u mij anders voorgesteld dan als die schoone, reine, gezegende herinnering uit mijne kinderjaren en mijne jeugd. Nooit heb ik uw aandeel aan mijn leven anders beschouwd, nooit zal ik het anders beschouwen, dan als iets heiligs en onvergetelijks. Nog eens zulk een blik van u te zien, u nog eens zoo te hooren spreken, als op den avond toen wij scheidden, is een geluk voor mij dat geene woorden kunnen uitdrukken, en als een broeder door u bemind en vertrouwd te worden, is daarna de grootste gaaf, die ik kan ontvangen en waardeeren.”

“Walter,” zeide Florence, hem ernstig aanziende, maar met eene verandering in haar gezichtje, “wat is het dat mij verschuldigd is en mij bewezen moet worden, met opoffering van dat alles?”—“Ontzag en eerbied,” antwoordde Walter zacht.

Er kwam een blosje op hare wangen, en zij trok zacht hare hand terug, maar bleef hem toch even ernstig aanzien.

“Ik heb geen recht als broeder,” zeide Walter. “Het staat mij niet vrij als een broeder met u om te gaan. Ik heb een kind hier gelaten. Nu vind ik een volwassen meisje.”

Haar blos werd hooger. Zij maakte eene beweging als wilde zij hem bidden om niets meer te zeggen, en liet haar hoofd in hare handen zinken.

Beide zwegen eene poos; zij schreide.

“Aan een hart zoo vertrouwelijk, zoo rein en zoo goed,” zeide Walter, “ben ik verschuldigd er mij van af te rukken, al verscheur ik daardoor mijn eigen hart. Hoe durf ik het voor het hart van eene zuster houden?”

Zij bleef nog schreien.

“Als gij gelukkig waart geweest, omringd, gelijk gij hadt moeten zijn, door betrekkingen die u bewonderden en liefhadden, en door alles, wat den stand, waarin gij geboren zijt, benijdenswaardig maakt,” zeide Walter, “en als gij mij dan, uit vriendelijke herinnering van het verledene, broeder hadt genoemd, had ik van mijne ver verwijderde plaats dien naam kunnen beantwoorden, zonder te denken dat ik daardoor misbruik maakte van uw vertrouwen. Maar hier—en nu!”—“O, ik dank u, ik dank u, Walter! Vergeef mij dat ik u zoo verongelijkt heb. Ik had niemand om mij raad te geven. Ik ben geheel alleen.”—“Florence!” zeide Walter hartstochtelijk. “Ik laat mij nu vervoeren om te zeggen, wat ik kort geleden dacht dat niets mij ooit had kunnen afpersen. Als ik voorspoed had gehad; als ik middel of zelfs maar hoop had om u eens in een stand te plaatsen, die eenigszins met uw eigen stand overeenkwam, dan zou ik u gezegd hebben, dat er een naam was, dien gij mij kondt schenken—een recht, boven alle ander recht, om u lief te hebben en te beschermen—dat ik uwer door niets anders waardig was dan door de liefde en vereering, die ik voor u koesterde, en daardoor, dat geheel mijn hart u toebehoorde. Ik zou dan gezegd hebben, dat dit de eenige aanspraak was om u te verdedigen en te beschermen, die gij mij kondt geven en die ik durfde aannemen en handhaven; maar dat ik ook, als ik dat recht had, het voor zoo iets kostbaars en heiligs zou houden, dat de onverdeelde toewijding van geheel mijn leven nog maar eene geringe erkentenis zou zijn van de waarde, die het voor mij had.”

Het hoofdje bleef nog gebogen, de tranen vloeiden nog, de borst zwoegde van het snikken.

“Lieve Florence! Dierbaarste Florence, die ik in mijne gedachten zoo heb genoemd, eer ik kon begrijpen hoe vermetel dat was. Laat ik u nog eene laatste maal bij uw eigen dierbaren naam noemen, en die lieve hand aanraken als een bewijs van uwe zusterlijke vergetelheid van hetgeen ik daar gezegd heb.”

Zij hief haar hoofd op en sprak hem aan, met zulk eene plechtige teederheid in haar blik; met zulk een kalmen, helderen, vreedzamen glimlach, door hare tranen heen; met zulk eene zachte beving in hare stem, dat de fijnste snaren van zijn hart er van trilden, en zijne oogen begonnen te schemeren terwijl hij luisterde.

“Neen, Walter, ik kan het niet vergeten. Ik zou het niet willen vergeten—voor de geheele wereld niet. Zijt ge—heel arm?”—“Ik ben maar een zwerveling,” zeide Walter. “Om te kunnen leven moet ik over zee heen en weer reizen. Dat is nu mijn beroep.”—“Moet ge spoedig weder heen, Walter?”—“Zeer spoedig.”

Zij zat hem een oogenblik aan te zien; toen stak zij schroomvallig hare bevende hand in de zijne.

“Als ge mij tot vrouw wilt nemen, Walter, zal ik u innig liefhebben. Als ge mij met u wilt laten medegaan, Walter, zal ik medegaan tot aan het eind van de wereld, zonder vreezen. Ik kan niets voor u opofferen—ik heb niets en niemand te verzaken; maar al mijne liefde en geheel mijn leven zullen u toegewijd zijn, en met mijn laatsten adem zal ik uw naam tot God fluisteren, als ik dan nog bewustheid en geheugen heb.”

Hij drukte haar aan zijn hart en legde hare[355]wang tegen de zijne, en nu niet meer teruggestooten, niet meer verlaten, schreide zij vrij uit aan de borst van haar dierbaren minnaar.

Gezegende zondagklokken, wier gelui zoo zacht in hunne verrukte ooren galmt! Gezegende zondagrust en stilte, die met de kalmte hunner zielen overeenstemt en de lucht om hen heen schijnt te heiligen. Gezegende schemeravond, die haar zoo ernstig troostend beschaduwt, terwijl zij als een onnoozel kind in slaap valt aan de borst, waar zij toevlucht heeft gevonden!

O last van liefde en trouw, die daar lichtjes ligt! Ja, zie vrij neer op die geslotene oogen, Walter, met een blik vol trots en teederheid; want in de geheele wijde wereld zoeken zij nu alleen naar u.

De kapitein bleef in het achterkamertje tot het geheel donker was geworden. Hij nam den stoel, waarop Walter had gezeten, en keek naar het lantaarnvenster op, tot de dag langzamerhand verdween en de sterren door de ruiten kwamen heenkijken. Hij stak eene kaars, en daarna eene pijp aan, en rookte die uit, en verwonderde zich wat in de wereld er toch boven omging, en waarom men hem niet riep voor de thee.

Toen hij ten toppunt van verwondering was, kwam Florence naast hem.

“Zoo, mijn dametje!” zeide de kapitein. “Wel, gij en Walter hebt lang met elkaar te praten gehad, liefje!”

Florence klemde haar handje om een der groote knoopen van zijne jas, en zeide, bukkende om hem in het gezicht te zien:

“Lieve kapitein, ik wilde u iets zeggen, als het u belieft.”

De kapitein hief tamelijk driftig zijn hoofd op, om te hooren wat het was. Toen hij Florence daardoor duidelijker zag, schoof hij zijn stoel en zich zelven zoover mogelijk achteruit.

“Wat! hartediefje!” riep de kapitein met plotselinge opgewondenheid. “Is het dat?”—“Ja,” antwoordde Florence snel.—“Walter! Uw man!Dat?” riep de kapitein, zijn hoed tot aan de ruiten opgooiende.—“Ja,” zeide Florence lachend en schreiend te gelijk.

De kapitein sloot haar oogenblikkelijk in zijne armen; en nadat hij toen zijn hoed opgeraapt en opgezet had, nam hij haar onder den arm en bracht haar weder naar boven, waar hij nu de grootste grap van zijn leven wilde hebben.

“Wat, Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein, de deur inkijkende. “Dus is ergeenandere naam, niet waar?”

Hij liep wel eenig gevaar om zich aan deze grap te doen stikken, welke hij onder de thee ten minste vijftigmaal herhaalde; terwijl hij in de tusschenpoozen zijn blinkend gezicht met zijne mouw of zijn hoofd met zijn zakdoek wreef. Het ontbrak hem evenwel ook niet aan ernstiger bronnen van genot, wanneer hij daarnaar verlangde, want verscheidene malen hoorde men hem, terwijl hij Walter en Florence met onuitsprekelijk genoegen aanzag, bij zich zelven mompelen:

“Edward Cuttle, mijn jongen, gij hebt nooit in uw leven beter koers gezeild, dan toen gij er aan dacht om dat kapitaaltje over te maken.”


Back to IndexNext