LI.

[Inhoud]LI.MIJNHEER DOMBEY EN DE WERELD.Wat doet die trotsche man, terwijl de dagen voorbijsnellen? Denkt hij ooit aan zijne dochter en verwondert hij zich waar zij gebleven is? Of verbeeldt hij zich, dat zij thuis is gekomen en in die akelige woning wederom het oude leven leidt? Niemand kan die vraag beantwoorden. Hij heeft sedert haar naam niet weder genoemd. Zijne huisgenooten zijn te bevreesd voor hem om een onderwerp aan te roeren, waarover hij hardnekkig stom blijft; en de eenige, die hem durft vragen, legt hij dadelijk het zwijgen op.“Mijn beste Paul,” prevelt zijne zuster, die op den dag van Florence’s vlucht zijne kamer komt binnenschuiven. “Uwe vrouw, die gij van niet tot iets hebt gebracht! Is het mogelijk, dat het waar is, wat ik verward heb gehoord, en dat dit haar dank is voor uwe voorbeeldelooze goedheid voor haar, die immers zoover ging om uwe eigene familiebetrekkingen aan hare grillen en hare trotschheid op te offeren! Mijn arme broeder!”Onder deze aanspraak, waarin de gevoelige herinnering doorblinkt, dat zij op den dag der eerste partij niet op het diner is gevraagd, maakt mevrouw Chick ruimschoots gebruik van haar zakdoek, en bij het einde valt zij Dombey om den hals. Maar Dombey tilt haar ijskoud op en brengt haar naar een stoel.“Ik dank u, Louise,” zegt hij, “voor dit bewijs van genegenheid; maar verlang, dat ons gesprek tot andere onderwerpen moge beperkt blijven. Wanneer ik mijn lot beklaag, Louise, of te kennen geef, dat ik behoefte aan troost heb, kunt gij mij dien aanbieden, als ge dan zoo goed wilt zijn.”—“Mijn beste Paul,” antwoordt zijne zuster, met haar zakdoek voor haar gezicht en haar hoofd schuddende, “ik ken uw grooten geest en wil niets meer zeggen over een zoo smartelijk en stuitend onderwerp;” op de hoofden dier twee bijvoeglijke woorden stort mevrouw Chick eene kokend heete verontwaardiging uit; “maar laat ik u mogen vragen—schoon ik vrees iets te hooren, dat mij zal ontzetten[356]en bedroeven—dat ongelukkige kind, Florence—”—“Louise,” zegt haar broeder barsch, “zwijg! Geen woord daarvan!”Mevrouw Chick kan niets anders doen dan haar hoofd schudden en haar zakdoek te baat nemen en kermen over de verbasterde Dombey’s, die geene Dombey’s meer zijn. Maar of Florence medeplichtig is aan de vlucht van Edith, of dat zij deze is gevolgd, of dat zij te veel heeft gedaan of te weinig, of iets of niets, daarvan heeft zij geen het minste denkbeeld.Hij blijft zijne gedachten en aandoeningen in zijne borst bewaren en deelt ze niemand mede. Hij laat niet naar zijne dochter zoeken. Hij mag denken, dat zij bij zijne zuster is, of onder zijn eigen dak. Hij mag bestendig aan haar denken, of in het geheel niet. Uit geen teeken is dit op te maken.Maar dat is zeker: hij denktniet, dat hij haar verloren heeft. Hij heeft geen vermoeden van de waarheid. Hij heeft al te lang in het kasteel zijner ontoegankelijke meerderheid opgesloten gezeten en haar in het pad daar beneden gezien, om daarvoor eenige vrees te hebben. Geschokt als hij is door zijne schande, is hij nog niet tot den vlakken grond vernederd. De wortels van zijn trots zijn breed en diep en hebben zich in den loop van jaren uitgebreid en uit alles in het rond voedsel getrokken. De boom is getroffen, maar niet geveld.Hoewel hij de wereld in zijn binnenste voor de wereld daarbuiten verbergt—die hij gelooft, dat op het oogenblik maar een enkel doel heeft, namelijk om hem overal te bespieden—kan hij die weerspannige teekenen daarvan niet verbergen, die hem door zijne holle oogen en wangen, zijn betrokken voorhoofd en zijn somber peinzend voorkomen verraden. Even ondoordringbaar als te voren, is hij toch veranderd; even trotsch als ooit, is hij toch vernederd, of men zou die teekenen niet zien.De wereld. Wat de wereld van hem denkt, hoe zij hem beschouwt, wat zij in hem ziet, en wat zij zegt—deze gedachte is zijn kwelduivel, die hem overal vervolgt, overal is waar hij is, en nog erger, overal is waar hij niet is. Die kwelduivel komt met hem onder zijne bedienden, en toch laat hij hem fluisterend achter; hij ziet zich op straat door hem nawijzen; hij staat naar hem te wachten in zijn kantoor; hij gluurt over den schouder van rijke heeren onder de kooplieden; hij loopt onder de menigte wenken en babbelen; hij is hem overal en altijd voor, en heeft het altijd het drukst, dat weet hij, als hij weg is. Als hij des avonds in zijne kamer zit opgesloten, is hij in huis, en toch daarbuiten, hoorbaar in de voetstappen op straat, zichtbaar in de papieren op zijne tafel, stoomt heen en weder op de spoorwegen en stoombooten, is overal rusteloos bezig met niets anders dan hem.Dit is geene begoocheling zijner verbeelding. Het werkt evenzeer bij anderen als bij hem. Getuige daarvan neef Feenix, die opzettelijk vanBaden-Badenkomt, om met hem te spreken. Getuige majoor Bagstock, die neef Feenix bij die vriendelijke terugkomst vergezelt.Dombey ontvangt hen met zijne gewone deftigheid en staat met zijne gewone stijfheid voor het vuur. Hij gevoelt, dat de wereld hem uit hunne oogen aanziet. Dat zij hem uit de oogen aanstaart. Dat het borstbeeld van Pitt op de boekenkast haar vertegenwoordigt. Dat er oogen zijn in de landkaart, die aan den muur hangt.“Een buitengewoon koud voorjaar,” zegt Dombey—om de wereld te misleiden.—“Verd … d, mijnheer,” zegt de majoor met de warmte der vriendschap, “Jozef Bagstock heeft er geen slag van om te veinzen. Als gij uwe vrienden van u af wilt houden, Dombey, is J. B. de man niet, om zich dat te laten doen. Joe is ruw en taai, mijnheer; plomp, mijnheer, plomp is hij. Zijne koninklijke hoogheid wijlen de hertog van York heeft mij de eer bewezen om te zeggen, verdiend of onverdiend—dat doet er niet toe—“Als er één man in den dienst is, op wien ik rekenen kan dat hij recht door zee gaat, is die man Joe Bagstock.””Dombey geeft te kennen, dat hij dit toestemt.“Nu, Dombey,” zegt de majoor, “ik ben een man van de wereld. Onze vriend Feenix—als ik zoo vrij mag wezen—”—“Veel eer voor mij,” zegt neef Feenix.—“Is,” zegt de majoor, schalkachtig zijn hoofd schuddende, “ook een man van de wereld. Nu, als drie mannen van de wereld—Dombey, gij zijt een man van de wereld—bij elkander komen en vrienden zijn—zooals ik geloof,” zich weder naar Feenix keerende.—“Wel zeker—heel vriendelijk,” zegt neef Feenix.—“En vrienden zijn,” hervat de majoor, “dan is oude Joe van gevoelen (misschien heeft J. het ook wel mis) dat het gevoelen van de wereld over eene of andere zaak zeer gemakkelijk te vernemen is.”—“Zonder twijfel,” zegt neef Feenix. “Eigenlijk is het iets, dat bijna van zelf spreekt. Ik ben er zeer op uit, majoor, dat mijn vriend Dombey mij hoort zeggen hoe buitengemeen het mij verwondert en spijt, dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht, die alle vereischten bezat om een man gelukkig te maken, zoover heeft kunnen vergeten, wat zij—wat zij, om kort te gaan, de wereld verschuldigd was—om zich op zulk eene buitengewone manier ten toon te stellen. Ik ben sedert geweldig neerslachtig geweest; en gisteravond zeide ik nog tegen den langen Saxby—een man van zes voet tien duim, dien mijn vriend Dombey waarschijnlijk wel zal kennen—dat het mij verduiveld zenuwachtig en galachtig heeft gemaakt. Het doet iemand bedenken, zulk een noodlottige[357]catastrophe,” zegt neef Feenix, “dat de Voorzienigheid toch alles ten beste bestuurt; want als mijne tante nu nog geleefd had, denk ik dat de schok voor zulk eene drommels levendige vrouw zoo erg zou geweest zijn, dat zij er—kortom het slachtoffer van zou zijn geworden.”—“Nu, Dombey,” zegt de majoor, met grooten nadruk zijne rede hervattende.—“Neem mij niet kwalijk,” valt neef Feenix er op in. “Laat ik nog een woordje mogen zeggen. Mijn vriend Dombey zal mij wel vergunnen er nog bij te voegen, dat, als iets bij zulk eene gelegenheid mijn verdriet had kunnen vergrooten, het de natuurlijke verbazing der wereld moest wezen, dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht (gelijk ik verzoeken moet haar nog te mogen noemen) vermeend wordt zich zoover te hebben ingelaten met een persoon—die man met zijne witte tanden, kortom—ver beneden den stand van haar wettigen echtgenoot. Maar terwijl ik mijn vriend Dombey, zelfs eenigszins dringend, moet verzoeken om mijne bekoorlijke en talentrijke nicht niet te veroordeelen voordat hare schuld ten volle gebleken is, verzoek ik mijn vriend Dombey te mogen verzekeren, dat de familie, die ik representeer en die nu bijna uitgestorven is (eene drommels zwaarmoedige gedachte voor iemand), hem geene belemmeringen in den weg zal leggen, en gaarne zal toestemmen in alle gepaste maatregelen voor de toekomst, die hij mocht willen nemen. Ik vertrouw, dat mijn vriend Dombey zich wel overtuigd zal willen houden van de welwillende gezindheden, waardoor ik in deze allertreurigste zaak gedreven word, en dat—om kort te gaan, ik weet niet, dat ik mijn vriend Dombey met eenige verdere opmerkingen behoef lastig te vallen.”Dombey buigt, zonder zijne oogen op te slaan, en zwijgt.“Nu, Dombey,” zegt de majoor, “daar onze vriend Feenix nu, met eene welsprekendheid, die oude Joe B. nooit heeft hooren overtreffen—neen, waarachtig nooit, mijnheer—” zegt de majoor, zeer rood wordende en zijn stok in het midden vattende “de zaak van den kant der dame heeft voorgedragen, zal ik mij op onze vriendschap laten voorstaan, Dombey, om een woordje daarover te zeggen uit een ander oogpunt beschouwd. Mijnheer,” zegt de majoor, met zijne paardenkuch, “de wereld heeft in zulke zaken gevoelens, die ontzien moeten worden.”—“Dat weet ik;” zegt Dombey.—“Natuurlijk, weet gij dat,” zegt de majoor. “Verd … d, mijnheer, ik weet, dat gij dat weet. Een man van uw kaliber zal daarvan niet waarschijnlijk onkundig zijn.”—“Ik hoop van neen,” antwoordt Dombey.—“Dombey,” zegt de majoor, “gij zult het overige wel raden. Ik spreek ronduit—misschien wat te vroeg—omdat de Bagstock’s altijd ronduit hebben gesproken. Weinig hebben zij ooit daarmee gewonnen; maar het zit in het bloed, mijnheer. Er moeten kogels met dien man gewisseld worden. Gij hebt J. B. bij u. Hij maakt aanspraak op den naam van uw vriend. God zegen u.”—“Majoor,” zegt Dombey, “ik ben u verplicht. Ik zal mij in uwe handen stellen als het daartoe tijd wordt. Daar de tijd nog niet gekomen was, heb ik nagelaten er u over te spreken.”—“Waar is de kerel, Dombey?” zegt de majoor, na hem een oogenblik hijgende te hebben aangestaard.—“Dat weet ik niet.”—“Ook bericht van hem?”—“Ja.”—“Dombey, het verheugt mij dat te hooren,” zegt de majoor. “Ik feliciteer u.”—“Gij zult mij wel verschoonen—zelfs gij, majoor,” hervat Dombey,“om voor alsnog in verdere bijzonderheden te treden. Het bericht is van een zonderlingen aard en op eene zonderlinge manier bekomen. Het zal misschien blijken valsch te zijn; maar het kan ook waar zijn. Dat kan ik voor alsnog niet zeggen. Mijne opheldering moet zich vooreerst hiertoe bepalen.”Hoewel dit een tamelijk droog antwoord is op des majoors purperen geestdrift, neemt de majoor het zeer vriendelijk op en verheugt zich, dat de wereld zoo goede kans heeft om te krijgen wat haar verschuldigd is. Daarop ontvangt neef Feenix een gepast compliment van den echtgenoot zijner bekoorlijke en talentrijke nicht, en neef Feenix en majoor Bagstock vertrekken en laten dien echtgenoot alleen om te peinzen over hetgeen zij hem van de gevoelens der wereld ten opzichte van zijne aangelegenheden, en van hare billijke en redelijke verwachtingen hebben gezegd.Maar wie zit er in de huishoudsterskamer schreiende en met opgehevene handen zachtjes met mevrouw Pipchin te praten? Het is eene dame, wier gezicht in een zeer diepen, zwarten hoed verscholen zit, die haar niet schijnt toe te komen. Het is jufvrouw Tox, die deze vermomming van hare meid heeft geleend; en zoo vanPrincess’s Placeis gekomen, om hare oude kennis met mevrouw Pipchin te vernieuwen en aldus zekere berichten van den toestand van Dombey te bekomen.“En hoe houdt hij er zich onder, lieve vrouw?” vraagt jufvrouw Tox.—“Och,” antwoordt mevrouw Pipchin op hare snibbige manier, “hij is zoo wat als gewoonlijk.”—“Uitwendig,” zegt jufvrouw Tox. “Maar wat hij van binnen gevoelt!”Mevrouw Pipchin’s grijze oogen duiden zekeren twijfel aan, terwijl zij met drie afzonderlijke stooten uitbrengt: “Ja!—Misschien—wel te denken.”—“Om u mijn gevoelen te zeggen, Lucretia,” zegt mevrouw Pipchin: zij blijft jufvrouw Tox nog Lucretia noemen, dewijl deze hare eerste ondervinding van de opvoedingstalenten dier dame heeft opgedaan,[358]toen zij een ongelukkig mager kind van nog teedere jaren was; “om u mijn gevoelen te zeggen, Lucretia; ik ben blij dat wij haar kwijt zijn. Ik voor mij heb zulk een onbeschaamd gezicht hier niet noodig.”—“Wel moogt gij onbeschaamd zeggen, mevrouw Pipchin,” antwoordt jufvrouw Tox. “Hem te verlaten. Een man van zulk een edel uitzicht!” En hier noodzaakt hare aandoening haar om te zwijgen.—“Van edel uitzicht weet ik niet af,” merkt mevrouw Pipchin aan, vinnig haar neus wrijvende. “Maar dit weet ik—als iemand rampen krijgt, moet hij ze dragen. Och kom! Ik zelf heb in mijn tijd genoeg te dragen gehad! Wat eene beweging daarover. Zij is weg, en goed dat wij haar kwijt zijn. Niemand verlangt haar weerom, zou ik denken.”Deze toespeling op de mijnen vanPerudoet jufvrouw Tox opstaan om heen te gaan; en mevrouw Pipchin schelt Towlinson om haar uit te laten. Daar Towlinson jufvrouw Tox in geen honderd jaar gezien heeft, grijnst hij en hoopt dat zij nog wel vaart; aanmerkende, dat hij haar eerst niet kende met dien hoed.“Tamelijk wel, Towlinson; wel bedankt,” zegt jufvrouw Tox. “Ik hoop, als ge mij somtijds hier ziet, dat ge zoo goed zult zijn om er niet van te spreken. Ik kom alleen om mevrouw Pipchin te bezoeken.”—“Heel goed, jufvrouw,” zegt Towlinson.—“IJselijke omstandigheden, Towlinson,” zegt jufvrouw Tox.—“Ja, jufvrouw, wel ijselijk,” antwoordt Towlinson.—“Ik hoop, Towlinson,” zegt jufvrouw Tox, die zich door haar onderwijzenden omgang met de familie Toodle een vermanenden toon heeft eigen gemaakt, en van voorvallende gelegenheden heeft leeren gebruik maken om nuttige lessen te geven, “dat, wat hier gebeurd is, eene waarschuwing voor u zal zijn, Towlinson.”—“Wel bedankt, jufvrouw, waarlijk,” zegt Towlinson.Hij schijnt er over te willen gaan peinzen op welke manier het geval voor hem in het bijzonder eene waarschuwing moet zijn, toen de vinnige mevrouw Pipchin hem stoort met een: “Staat gij te suffen? Waarom laat ge de jufvrouw niet uit?” Hij doet zulks nu; en als jufvrouw Tox de kamer van Dombey voorbijgaat, kruipt zij weg in de diepste diepte van haar zwarten hoed, en stapt zij zelfs op hare teenen; en in de geheele wereld, die hem zoo kwelt, is geen ander stofdeeltje dat zooveel smart en kommer voor hem gevoelt, als jufvrouw Tox onder den zwarten hoed medeneemt.Maar jufvrouw Tox behoort niet tot Dombey’s wereld. Zij komt elken avond tegen de schemering terug, voegt, als het regent, nog overschoenen en eene paraplu bij den zwarten hoed, en verdraagt het gegrijns van Towlinson en het snauwen en grauwen van mevrouw Pipchin, alleen om te vragen hoe hij vaart en hoe hij zich onder zijn ongeluk houdt; maar zij heeft toch niets met Dombey’s wereld te maken. Deze loopt, even onverdraagzaam en plaagziek als ooit, zonder haar voort; en zij, geenszins voor iemand eene heldere ster, beweegt zich in hare bekrompene baan in een hoekje van een ander stelsel, en weet dit zeer wel, en komt, en schreit, en gaat weder heen, en is tevreden. Waarlijk, jufvrouw Tox is gemakkelijker te voldoen dan de wereld, die het Dombey zoo lastig maakt.Aan het kantoor beschouwen de klerken de groote gebeurtenis in allerlei lichten en schaduwen, maar verwonderen zich vooral wie Carker’s plaats zal krijgen. Algemeen zijn zij van gevoelen, dat de emolumenten daarvan besnoeid zullen worden, en nieuw bedachte voorzorgen en bepalingen ze onaangenaam genoeg zullen maken; en zij, die volstrekt geene hoop hebben om ze te bekomen, zijn overtuigd dat zij ze liever niet wilden hebben, en hem, voor wien ze zal blijken bewaard te zijn, lang niet benijden. Geene dergelijke beweging heeft op het kantoor geheerscht sedert Dombey’s zoontje stierf; maar alle bewegingen daar nemen eene gezellige, om niet te zeggen joviale richting, en zijn dienstbaar ter bevordering van goede kameraadschap. Bij deze gelegenheid heeft er eene verzoening plaats tusschen den erkenden grappenmaker van het kantoor en een eerzuchtig mededinger, met wien hij maanden lang geslagen vijanden was geweest, en wordt er, om het gelukkige herstel der vriendschap te vieren, in eene naburige herberg eendinertjegehouden, waarbij de grappenmaker president en de mededinger vice-president is. De aanspraken, nadat de tafel is afgenomen, worden door den president geopend. Hij kan het, zegt hij, niet verbloemen, mijne heeren, dat het geen tijd voor onderlinge geschillen is. Gebeurtenissen, waarvan hij niet duidelijker behoeft te spreken, maar die in de zondagbladen niet geheel onopgemerkt zijn gebleven, zoowel als in een dagblad, waarvan hij den naam niet behoeft te noemen (hier mompelen alle aanwezigen hoorbaar dien naam), hebben hem tot nadenken gebracht; en hij gevoelt dat, indien hij en Robinson thans nog persoonlijke verschillen wilden hebben, zij voor altijd datesprit de corpszouden verloochenen, hetwelk hij reden heeft te denken en te hopen dat de heeren van het kantoor van Dombey altijd heeft onderscheiden. Robinson beantwoordt dit op een mannelijken en broederlijken toon; en een heer, die drie jaren op het kantoor is geweest, in gedurig gevaar om voor rekenfouten te worden weggezonden, vertoont zich eensklaps in een geheel nieuw licht, door als het ware uit te barsten met eene treffende redevoering, waarin hij zegt: “Moge hun geëerbiedigde chef nooit weder de verwoesting kennen, die zijn huiselijken haard getroffen heeft;” en laat daar nog[359]een aantal zulke dingen op volgen, allen beginnende met “moge hij nooit,” die met eene daverende toejuiching worden beantwoord. Kortom, men slijt een allergenoegelijksten avond, alleen gestoord door een geschil tusschen twee van de jongste klerken, die ruzie krijgen over het waarschijnlijke bedrag van Carker’s jaarlijksch inkomen, elkander met de karaffen uitdagen, en zeer opgewonden naar buiten worden gebracht. Sodawater wordt des anderen daags op het kantoor algemeen gedronken, en de meesten van het gezelschap houden de rekening voor afzetterij.Wat Perch, den kantoorlooper, betreft, hij is op weg om voor al zijn leven geruïneerd te worden. Hij staat weder gedurig in herbergen voor de toonbank, laat zich trakteeren, en liegt vreeselijk. Het blijkt dat hij ieder die in de gebeurtenis betrokken is, overal heeft ontmoet, en tot hen gezegd, “mijnheer” of “mevrouw,” naar het te pas kwam, “hoe ziet ge zoo bleek?” waarop ieder van het hoofd tot de voeten heeft gebeefd, en “o Perch!” heeft gezegd, en toen is weggeloopen. De bewustheid van deze gruwelijke logens, of de nawerking van het gedronken vocht, doet hem doorgaans in eene buitengemeene neerslachtigheid verzinken tegen dat uur van den avond, wanneer hij gewoonlijk in het gezelschap van jufvrouw Perch zijn troost gaat zoeken; en jufvrouw Perch maakt zich zeer verdrietig, daar zij vreest dat zijn vertrouwen op vrouwelijke deugd nu geschokt is, en hij half en half verwacht, als hij eens des avonds thuis komt, te zullen vinden dat zij met een lord is voortgegaan.Dombey’s dienstboden worden te gelijker tijd zeer losbandig en ongeschikt voor een anderen dienst. Zij hebben elken avond een warmsoupertje, en “bepraten het” dan met dampende glazen op de tafel. Towlinson is na half tien altijd slijmerig, en verzoekt dikwijls, te mogen weten of hij niet gezegd heeft, dat er geen goed zou komen van het wonen in een hoekhuis. Zij fluisteren over jufvrouw Florence, en verwonderen zich waar zij is; maar zijn het te zamen eens dat, als mijnheer Dombey het niet weet, mevrouw Dombey het wel zal weten. Dit brengt hen op de laatste, van welke de keukenmeid zegt: “Zij had wel deftige manieren, niet waar? Maar zij was toch al te trotsch!” Allen stemmen toe dat zij al te trotsch was; en Towlinson’s oude liefste, de werkmeid (die zeer deugdzaam is), verzoekt dat men haar nooit weer zal spreken van menschen, die het hoofd zoo hoog opsteken, alsof de grond niet goed genoeg voor hen was.Alles wat over de zaak gezegd en gedaan wordt, behalve door Dombey, wordt op eene gezellige manier gedaan. Dombey en de wereld zijn te zamen alleen.

[Inhoud]LI.MIJNHEER DOMBEY EN DE WERELD.Wat doet die trotsche man, terwijl de dagen voorbijsnellen? Denkt hij ooit aan zijne dochter en verwondert hij zich waar zij gebleven is? Of verbeeldt hij zich, dat zij thuis is gekomen en in die akelige woning wederom het oude leven leidt? Niemand kan die vraag beantwoorden. Hij heeft sedert haar naam niet weder genoemd. Zijne huisgenooten zijn te bevreesd voor hem om een onderwerp aan te roeren, waarover hij hardnekkig stom blijft; en de eenige, die hem durft vragen, legt hij dadelijk het zwijgen op.“Mijn beste Paul,” prevelt zijne zuster, die op den dag van Florence’s vlucht zijne kamer komt binnenschuiven. “Uwe vrouw, die gij van niet tot iets hebt gebracht! Is het mogelijk, dat het waar is, wat ik verward heb gehoord, en dat dit haar dank is voor uwe voorbeeldelooze goedheid voor haar, die immers zoover ging om uwe eigene familiebetrekkingen aan hare grillen en hare trotschheid op te offeren! Mijn arme broeder!”Onder deze aanspraak, waarin de gevoelige herinnering doorblinkt, dat zij op den dag der eerste partij niet op het diner is gevraagd, maakt mevrouw Chick ruimschoots gebruik van haar zakdoek, en bij het einde valt zij Dombey om den hals. Maar Dombey tilt haar ijskoud op en brengt haar naar een stoel.“Ik dank u, Louise,” zegt hij, “voor dit bewijs van genegenheid; maar verlang, dat ons gesprek tot andere onderwerpen moge beperkt blijven. Wanneer ik mijn lot beklaag, Louise, of te kennen geef, dat ik behoefte aan troost heb, kunt gij mij dien aanbieden, als ge dan zoo goed wilt zijn.”—“Mijn beste Paul,” antwoordt zijne zuster, met haar zakdoek voor haar gezicht en haar hoofd schuddende, “ik ken uw grooten geest en wil niets meer zeggen over een zoo smartelijk en stuitend onderwerp;” op de hoofden dier twee bijvoeglijke woorden stort mevrouw Chick eene kokend heete verontwaardiging uit; “maar laat ik u mogen vragen—schoon ik vrees iets te hooren, dat mij zal ontzetten[356]en bedroeven—dat ongelukkige kind, Florence—”—“Louise,” zegt haar broeder barsch, “zwijg! Geen woord daarvan!”Mevrouw Chick kan niets anders doen dan haar hoofd schudden en haar zakdoek te baat nemen en kermen over de verbasterde Dombey’s, die geene Dombey’s meer zijn. Maar of Florence medeplichtig is aan de vlucht van Edith, of dat zij deze is gevolgd, of dat zij te veel heeft gedaan of te weinig, of iets of niets, daarvan heeft zij geen het minste denkbeeld.Hij blijft zijne gedachten en aandoeningen in zijne borst bewaren en deelt ze niemand mede. Hij laat niet naar zijne dochter zoeken. Hij mag denken, dat zij bij zijne zuster is, of onder zijn eigen dak. Hij mag bestendig aan haar denken, of in het geheel niet. Uit geen teeken is dit op te maken.Maar dat is zeker: hij denktniet, dat hij haar verloren heeft. Hij heeft geen vermoeden van de waarheid. Hij heeft al te lang in het kasteel zijner ontoegankelijke meerderheid opgesloten gezeten en haar in het pad daar beneden gezien, om daarvoor eenige vrees te hebben. Geschokt als hij is door zijne schande, is hij nog niet tot den vlakken grond vernederd. De wortels van zijn trots zijn breed en diep en hebben zich in den loop van jaren uitgebreid en uit alles in het rond voedsel getrokken. De boom is getroffen, maar niet geveld.Hoewel hij de wereld in zijn binnenste voor de wereld daarbuiten verbergt—die hij gelooft, dat op het oogenblik maar een enkel doel heeft, namelijk om hem overal te bespieden—kan hij die weerspannige teekenen daarvan niet verbergen, die hem door zijne holle oogen en wangen, zijn betrokken voorhoofd en zijn somber peinzend voorkomen verraden. Even ondoordringbaar als te voren, is hij toch veranderd; even trotsch als ooit, is hij toch vernederd, of men zou die teekenen niet zien.De wereld. Wat de wereld van hem denkt, hoe zij hem beschouwt, wat zij in hem ziet, en wat zij zegt—deze gedachte is zijn kwelduivel, die hem overal vervolgt, overal is waar hij is, en nog erger, overal is waar hij niet is. Die kwelduivel komt met hem onder zijne bedienden, en toch laat hij hem fluisterend achter; hij ziet zich op straat door hem nawijzen; hij staat naar hem te wachten in zijn kantoor; hij gluurt over den schouder van rijke heeren onder de kooplieden; hij loopt onder de menigte wenken en babbelen; hij is hem overal en altijd voor, en heeft het altijd het drukst, dat weet hij, als hij weg is. Als hij des avonds in zijne kamer zit opgesloten, is hij in huis, en toch daarbuiten, hoorbaar in de voetstappen op straat, zichtbaar in de papieren op zijne tafel, stoomt heen en weder op de spoorwegen en stoombooten, is overal rusteloos bezig met niets anders dan hem.Dit is geene begoocheling zijner verbeelding. Het werkt evenzeer bij anderen als bij hem. Getuige daarvan neef Feenix, die opzettelijk vanBaden-Badenkomt, om met hem te spreken. Getuige majoor Bagstock, die neef Feenix bij die vriendelijke terugkomst vergezelt.Dombey ontvangt hen met zijne gewone deftigheid en staat met zijne gewone stijfheid voor het vuur. Hij gevoelt, dat de wereld hem uit hunne oogen aanziet. Dat zij hem uit de oogen aanstaart. Dat het borstbeeld van Pitt op de boekenkast haar vertegenwoordigt. Dat er oogen zijn in de landkaart, die aan den muur hangt.“Een buitengewoon koud voorjaar,” zegt Dombey—om de wereld te misleiden.—“Verd … d, mijnheer,” zegt de majoor met de warmte der vriendschap, “Jozef Bagstock heeft er geen slag van om te veinzen. Als gij uwe vrienden van u af wilt houden, Dombey, is J. B. de man niet, om zich dat te laten doen. Joe is ruw en taai, mijnheer; plomp, mijnheer, plomp is hij. Zijne koninklijke hoogheid wijlen de hertog van York heeft mij de eer bewezen om te zeggen, verdiend of onverdiend—dat doet er niet toe—“Als er één man in den dienst is, op wien ik rekenen kan dat hij recht door zee gaat, is die man Joe Bagstock.””Dombey geeft te kennen, dat hij dit toestemt.“Nu, Dombey,” zegt de majoor, “ik ben een man van de wereld. Onze vriend Feenix—als ik zoo vrij mag wezen—”—“Veel eer voor mij,” zegt neef Feenix.—“Is,” zegt de majoor, schalkachtig zijn hoofd schuddende, “ook een man van de wereld. Nu, als drie mannen van de wereld—Dombey, gij zijt een man van de wereld—bij elkander komen en vrienden zijn—zooals ik geloof,” zich weder naar Feenix keerende.—“Wel zeker—heel vriendelijk,” zegt neef Feenix.—“En vrienden zijn,” hervat de majoor, “dan is oude Joe van gevoelen (misschien heeft J. het ook wel mis) dat het gevoelen van de wereld over eene of andere zaak zeer gemakkelijk te vernemen is.”—“Zonder twijfel,” zegt neef Feenix. “Eigenlijk is het iets, dat bijna van zelf spreekt. Ik ben er zeer op uit, majoor, dat mijn vriend Dombey mij hoort zeggen hoe buitengemeen het mij verwondert en spijt, dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht, die alle vereischten bezat om een man gelukkig te maken, zoover heeft kunnen vergeten, wat zij—wat zij, om kort te gaan, de wereld verschuldigd was—om zich op zulk eene buitengewone manier ten toon te stellen. Ik ben sedert geweldig neerslachtig geweest; en gisteravond zeide ik nog tegen den langen Saxby—een man van zes voet tien duim, dien mijn vriend Dombey waarschijnlijk wel zal kennen—dat het mij verduiveld zenuwachtig en galachtig heeft gemaakt. Het doet iemand bedenken, zulk een noodlottige[357]catastrophe,” zegt neef Feenix, “dat de Voorzienigheid toch alles ten beste bestuurt; want als mijne tante nu nog geleefd had, denk ik dat de schok voor zulk eene drommels levendige vrouw zoo erg zou geweest zijn, dat zij er—kortom het slachtoffer van zou zijn geworden.”—“Nu, Dombey,” zegt de majoor, met grooten nadruk zijne rede hervattende.—“Neem mij niet kwalijk,” valt neef Feenix er op in. “Laat ik nog een woordje mogen zeggen. Mijn vriend Dombey zal mij wel vergunnen er nog bij te voegen, dat, als iets bij zulk eene gelegenheid mijn verdriet had kunnen vergrooten, het de natuurlijke verbazing der wereld moest wezen, dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht (gelijk ik verzoeken moet haar nog te mogen noemen) vermeend wordt zich zoover te hebben ingelaten met een persoon—die man met zijne witte tanden, kortom—ver beneden den stand van haar wettigen echtgenoot. Maar terwijl ik mijn vriend Dombey, zelfs eenigszins dringend, moet verzoeken om mijne bekoorlijke en talentrijke nicht niet te veroordeelen voordat hare schuld ten volle gebleken is, verzoek ik mijn vriend Dombey te mogen verzekeren, dat de familie, die ik representeer en die nu bijna uitgestorven is (eene drommels zwaarmoedige gedachte voor iemand), hem geene belemmeringen in den weg zal leggen, en gaarne zal toestemmen in alle gepaste maatregelen voor de toekomst, die hij mocht willen nemen. Ik vertrouw, dat mijn vriend Dombey zich wel overtuigd zal willen houden van de welwillende gezindheden, waardoor ik in deze allertreurigste zaak gedreven word, en dat—om kort te gaan, ik weet niet, dat ik mijn vriend Dombey met eenige verdere opmerkingen behoef lastig te vallen.”Dombey buigt, zonder zijne oogen op te slaan, en zwijgt.“Nu, Dombey,” zegt de majoor, “daar onze vriend Feenix nu, met eene welsprekendheid, die oude Joe B. nooit heeft hooren overtreffen—neen, waarachtig nooit, mijnheer—” zegt de majoor, zeer rood wordende en zijn stok in het midden vattende “de zaak van den kant der dame heeft voorgedragen, zal ik mij op onze vriendschap laten voorstaan, Dombey, om een woordje daarover te zeggen uit een ander oogpunt beschouwd. Mijnheer,” zegt de majoor, met zijne paardenkuch, “de wereld heeft in zulke zaken gevoelens, die ontzien moeten worden.”—“Dat weet ik;” zegt Dombey.—“Natuurlijk, weet gij dat,” zegt de majoor. “Verd … d, mijnheer, ik weet, dat gij dat weet. Een man van uw kaliber zal daarvan niet waarschijnlijk onkundig zijn.”—“Ik hoop van neen,” antwoordt Dombey.—“Dombey,” zegt de majoor, “gij zult het overige wel raden. Ik spreek ronduit—misschien wat te vroeg—omdat de Bagstock’s altijd ronduit hebben gesproken. Weinig hebben zij ooit daarmee gewonnen; maar het zit in het bloed, mijnheer. Er moeten kogels met dien man gewisseld worden. Gij hebt J. B. bij u. Hij maakt aanspraak op den naam van uw vriend. God zegen u.”—“Majoor,” zegt Dombey, “ik ben u verplicht. Ik zal mij in uwe handen stellen als het daartoe tijd wordt. Daar de tijd nog niet gekomen was, heb ik nagelaten er u over te spreken.”—“Waar is de kerel, Dombey?” zegt de majoor, na hem een oogenblik hijgende te hebben aangestaard.—“Dat weet ik niet.”—“Ook bericht van hem?”—“Ja.”—“Dombey, het verheugt mij dat te hooren,” zegt de majoor. “Ik feliciteer u.”—“Gij zult mij wel verschoonen—zelfs gij, majoor,” hervat Dombey,“om voor alsnog in verdere bijzonderheden te treden. Het bericht is van een zonderlingen aard en op eene zonderlinge manier bekomen. Het zal misschien blijken valsch te zijn; maar het kan ook waar zijn. Dat kan ik voor alsnog niet zeggen. Mijne opheldering moet zich vooreerst hiertoe bepalen.”Hoewel dit een tamelijk droog antwoord is op des majoors purperen geestdrift, neemt de majoor het zeer vriendelijk op en verheugt zich, dat de wereld zoo goede kans heeft om te krijgen wat haar verschuldigd is. Daarop ontvangt neef Feenix een gepast compliment van den echtgenoot zijner bekoorlijke en talentrijke nicht, en neef Feenix en majoor Bagstock vertrekken en laten dien echtgenoot alleen om te peinzen over hetgeen zij hem van de gevoelens der wereld ten opzichte van zijne aangelegenheden, en van hare billijke en redelijke verwachtingen hebben gezegd.Maar wie zit er in de huishoudsterskamer schreiende en met opgehevene handen zachtjes met mevrouw Pipchin te praten? Het is eene dame, wier gezicht in een zeer diepen, zwarten hoed verscholen zit, die haar niet schijnt toe te komen. Het is jufvrouw Tox, die deze vermomming van hare meid heeft geleend; en zoo vanPrincess’s Placeis gekomen, om hare oude kennis met mevrouw Pipchin te vernieuwen en aldus zekere berichten van den toestand van Dombey te bekomen.“En hoe houdt hij er zich onder, lieve vrouw?” vraagt jufvrouw Tox.—“Och,” antwoordt mevrouw Pipchin op hare snibbige manier, “hij is zoo wat als gewoonlijk.”—“Uitwendig,” zegt jufvrouw Tox. “Maar wat hij van binnen gevoelt!”Mevrouw Pipchin’s grijze oogen duiden zekeren twijfel aan, terwijl zij met drie afzonderlijke stooten uitbrengt: “Ja!—Misschien—wel te denken.”—“Om u mijn gevoelen te zeggen, Lucretia,” zegt mevrouw Pipchin: zij blijft jufvrouw Tox nog Lucretia noemen, dewijl deze hare eerste ondervinding van de opvoedingstalenten dier dame heeft opgedaan,[358]toen zij een ongelukkig mager kind van nog teedere jaren was; “om u mijn gevoelen te zeggen, Lucretia; ik ben blij dat wij haar kwijt zijn. Ik voor mij heb zulk een onbeschaamd gezicht hier niet noodig.”—“Wel moogt gij onbeschaamd zeggen, mevrouw Pipchin,” antwoordt jufvrouw Tox. “Hem te verlaten. Een man van zulk een edel uitzicht!” En hier noodzaakt hare aandoening haar om te zwijgen.—“Van edel uitzicht weet ik niet af,” merkt mevrouw Pipchin aan, vinnig haar neus wrijvende. “Maar dit weet ik—als iemand rampen krijgt, moet hij ze dragen. Och kom! Ik zelf heb in mijn tijd genoeg te dragen gehad! Wat eene beweging daarover. Zij is weg, en goed dat wij haar kwijt zijn. Niemand verlangt haar weerom, zou ik denken.”Deze toespeling op de mijnen vanPerudoet jufvrouw Tox opstaan om heen te gaan; en mevrouw Pipchin schelt Towlinson om haar uit te laten. Daar Towlinson jufvrouw Tox in geen honderd jaar gezien heeft, grijnst hij en hoopt dat zij nog wel vaart; aanmerkende, dat hij haar eerst niet kende met dien hoed.“Tamelijk wel, Towlinson; wel bedankt,” zegt jufvrouw Tox. “Ik hoop, als ge mij somtijds hier ziet, dat ge zoo goed zult zijn om er niet van te spreken. Ik kom alleen om mevrouw Pipchin te bezoeken.”—“Heel goed, jufvrouw,” zegt Towlinson.—“IJselijke omstandigheden, Towlinson,” zegt jufvrouw Tox.—“Ja, jufvrouw, wel ijselijk,” antwoordt Towlinson.—“Ik hoop, Towlinson,” zegt jufvrouw Tox, die zich door haar onderwijzenden omgang met de familie Toodle een vermanenden toon heeft eigen gemaakt, en van voorvallende gelegenheden heeft leeren gebruik maken om nuttige lessen te geven, “dat, wat hier gebeurd is, eene waarschuwing voor u zal zijn, Towlinson.”—“Wel bedankt, jufvrouw, waarlijk,” zegt Towlinson.Hij schijnt er over te willen gaan peinzen op welke manier het geval voor hem in het bijzonder eene waarschuwing moet zijn, toen de vinnige mevrouw Pipchin hem stoort met een: “Staat gij te suffen? Waarom laat ge de jufvrouw niet uit?” Hij doet zulks nu; en als jufvrouw Tox de kamer van Dombey voorbijgaat, kruipt zij weg in de diepste diepte van haar zwarten hoed, en stapt zij zelfs op hare teenen; en in de geheele wereld, die hem zoo kwelt, is geen ander stofdeeltje dat zooveel smart en kommer voor hem gevoelt, als jufvrouw Tox onder den zwarten hoed medeneemt.Maar jufvrouw Tox behoort niet tot Dombey’s wereld. Zij komt elken avond tegen de schemering terug, voegt, als het regent, nog overschoenen en eene paraplu bij den zwarten hoed, en verdraagt het gegrijns van Towlinson en het snauwen en grauwen van mevrouw Pipchin, alleen om te vragen hoe hij vaart en hoe hij zich onder zijn ongeluk houdt; maar zij heeft toch niets met Dombey’s wereld te maken. Deze loopt, even onverdraagzaam en plaagziek als ooit, zonder haar voort; en zij, geenszins voor iemand eene heldere ster, beweegt zich in hare bekrompene baan in een hoekje van een ander stelsel, en weet dit zeer wel, en komt, en schreit, en gaat weder heen, en is tevreden. Waarlijk, jufvrouw Tox is gemakkelijker te voldoen dan de wereld, die het Dombey zoo lastig maakt.Aan het kantoor beschouwen de klerken de groote gebeurtenis in allerlei lichten en schaduwen, maar verwonderen zich vooral wie Carker’s plaats zal krijgen. Algemeen zijn zij van gevoelen, dat de emolumenten daarvan besnoeid zullen worden, en nieuw bedachte voorzorgen en bepalingen ze onaangenaam genoeg zullen maken; en zij, die volstrekt geene hoop hebben om ze te bekomen, zijn overtuigd dat zij ze liever niet wilden hebben, en hem, voor wien ze zal blijken bewaard te zijn, lang niet benijden. Geene dergelijke beweging heeft op het kantoor geheerscht sedert Dombey’s zoontje stierf; maar alle bewegingen daar nemen eene gezellige, om niet te zeggen joviale richting, en zijn dienstbaar ter bevordering van goede kameraadschap. Bij deze gelegenheid heeft er eene verzoening plaats tusschen den erkenden grappenmaker van het kantoor en een eerzuchtig mededinger, met wien hij maanden lang geslagen vijanden was geweest, en wordt er, om het gelukkige herstel der vriendschap te vieren, in eene naburige herberg eendinertjegehouden, waarbij de grappenmaker president en de mededinger vice-president is. De aanspraken, nadat de tafel is afgenomen, worden door den president geopend. Hij kan het, zegt hij, niet verbloemen, mijne heeren, dat het geen tijd voor onderlinge geschillen is. Gebeurtenissen, waarvan hij niet duidelijker behoeft te spreken, maar die in de zondagbladen niet geheel onopgemerkt zijn gebleven, zoowel als in een dagblad, waarvan hij den naam niet behoeft te noemen (hier mompelen alle aanwezigen hoorbaar dien naam), hebben hem tot nadenken gebracht; en hij gevoelt dat, indien hij en Robinson thans nog persoonlijke verschillen wilden hebben, zij voor altijd datesprit de corpszouden verloochenen, hetwelk hij reden heeft te denken en te hopen dat de heeren van het kantoor van Dombey altijd heeft onderscheiden. Robinson beantwoordt dit op een mannelijken en broederlijken toon; en een heer, die drie jaren op het kantoor is geweest, in gedurig gevaar om voor rekenfouten te worden weggezonden, vertoont zich eensklaps in een geheel nieuw licht, door als het ware uit te barsten met eene treffende redevoering, waarin hij zegt: “Moge hun geëerbiedigde chef nooit weder de verwoesting kennen, die zijn huiselijken haard getroffen heeft;” en laat daar nog[359]een aantal zulke dingen op volgen, allen beginnende met “moge hij nooit,” die met eene daverende toejuiching worden beantwoord. Kortom, men slijt een allergenoegelijksten avond, alleen gestoord door een geschil tusschen twee van de jongste klerken, die ruzie krijgen over het waarschijnlijke bedrag van Carker’s jaarlijksch inkomen, elkander met de karaffen uitdagen, en zeer opgewonden naar buiten worden gebracht. Sodawater wordt des anderen daags op het kantoor algemeen gedronken, en de meesten van het gezelschap houden de rekening voor afzetterij.Wat Perch, den kantoorlooper, betreft, hij is op weg om voor al zijn leven geruïneerd te worden. Hij staat weder gedurig in herbergen voor de toonbank, laat zich trakteeren, en liegt vreeselijk. Het blijkt dat hij ieder die in de gebeurtenis betrokken is, overal heeft ontmoet, en tot hen gezegd, “mijnheer” of “mevrouw,” naar het te pas kwam, “hoe ziet ge zoo bleek?” waarop ieder van het hoofd tot de voeten heeft gebeefd, en “o Perch!” heeft gezegd, en toen is weggeloopen. De bewustheid van deze gruwelijke logens, of de nawerking van het gedronken vocht, doet hem doorgaans in eene buitengemeene neerslachtigheid verzinken tegen dat uur van den avond, wanneer hij gewoonlijk in het gezelschap van jufvrouw Perch zijn troost gaat zoeken; en jufvrouw Perch maakt zich zeer verdrietig, daar zij vreest dat zijn vertrouwen op vrouwelijke deugd nu geschokt is, en hij half en half verwacht, als hij eens des avonds thuis komt, te zullen vinden dat zij met een lord is voortgegaan.Dombey’s dienstboden worden te gelijker tijd zeer losbandig en ongeschikt voor een anderen dienst. Zij hebben elken avond een warmsoupertje, en “bepraten het” dan met dampende glazen op de tafel. Towlinson is na half tien altijd slijmerig, en verzoekt dikwijls, te mogen weten of hij niet gezegd heeft, dat er geen goed zou komen van het wonen in een hoekhuis. Zij fluisteren over jufvrouw Florence, en verwonderen zich waar zij is; maar zijn het te zamen eens dat, als mijnheer Dombey het niet weet, mevrouw Dombey het wel zal weten. Dit brengt hen op de laatste, van welke de keukenmeid zegt: “Zij had wel deftige manieren, niet waar? Maar zij was toch al te trotsch!” Allen stemmen toe dat zij al te trotsch was; en Towlinson’s oude liefste, de werkmeid (die zeer deugdzaam is), verzoekt dat men haar nooit weer zal spreken van menschen, die het hoofd zoo hoog opsteken, alsof de grond niet goed genoeg voor hen was.Alles wat over de zaak gezegd en gedaan wordt, behalve door Dombey, wordt op eene gezellige manier gedaan. Dombey en de wereld zijn te zamen alleen.

LI.MIJNHEER DOMBEY EN DE WERELD.

Wat doet die trotsche man, terwijl de dagen voorbijsnellen? Denkt hij ooit aan zijne dochter en verwondert hij zich waar zij gebleven is? Of verbeeldt hij zich, dat zij thuis is gekomen en in die akelige woning wederom het oude leven leidt? Niemand kan die vraag beantwoorden. Hij heeft sedert haar naam niet weder genoemd. Zijne huisgenooten zijn te bevreesd voor hem om een onderwerp aan te roeren, waarover hij hardnekkig stom blijft; en de eenige, die hem durft vragen, legt hij dadelijk het zwijgen op.“Mijn beste Paul,” prevelt zijne zuster, die op den dag van Florence’s vlucht zijne kamer komt binnenschuiven. “Uwe vrouw, die gij van niet tot iets hebt gebracht! Is het mogelijk, dat het waar is, wat ik verward heb gehoord, en dat dit haar dank is voor uwe voorbeeldelooze goedheid voor haar, die immers zoover ging om uwe eigene familiebetrekkingen aan hare grillen en hare trotschheid op te offeren! Mijn arme broeder!”Onder deze aanspraak, waarin de gevoelige herinnering doorblinkt, dat zij op den dag der eerste partij niet op het diner is gevraagd, maakt mevrouw Chick ruimschoots gebruik van haar zakdoek, en bij het einde valt zij Dombey om den hals. Maar Dombey tilt haar ijskoud op en brengt haar naar een stoel.“Ik dank u, Louise,” zegt hij, “voor dit bewijs van genegenheid; maar verlang, dat ons gesprek tot andere onderwerpen moge beperkt blijven. Wanneer ik mijn lot beklaag, Louise, of te kennen geef, dat ik behoefte aan troost heb, kunt gij mij dien aanbieden, als ge dan zoo goed wilt zijn.”—“Mijn beste Paul,” antwoordt zijne zuster, met haar zakdoek voor haar gezicht en haar hoofd schuddende, “ik ken uw grooten geest en wil niets meer zeggen over een zoo smartelijk en stuitend onderwerp;” op de hoofden dier twee bijvoeglijke woorden stort mevrouw Chick eene kokend heete verontwaardiging uit; “maar laat ik u mogen vragen—schoon ik vrees iets te hooren, dat mij zal ontzetten[356]en bedroeven—dat ongelukkige kind, Florence—”—“Louise,” zegt haar broeder barsch, “zwijg! Geen woord daarvan!”Mevrouw Chick kan niets anders doen dan haar hoofd schudden en haar zakdoek te baat nemen en kermen over de verbasterde Dombey’s, die geene Dombey’s meer zijn. Maar of Florence medeplichtig is aan de vlucht van Edith, of dat zij deze is gevolgd, of dat zij te veel heeft gedaan of te weinig, of iets of niets, daarvan heeft zij geen het minste denkbeeld.Hij blijft zijne gedachten en aandoeningen in zijne borst bewaren en deelt ze niemand mede. Hij laat niet naar zijne dochter zoeken. Hij mag denken, dat zij bij zijne zuster is, of onder zijn eigen dak. Hij mag bestendig aan haar denken, of in het geheel niet. Uit geen teeken is dit op te maken.Maar dat is zeker: hij denktniet, dat hij haar verloren heeft. Hij heeft geen vermoeden van de waarheid. Hij heeft al te lang in het kasteel zijner ontoegankelijke meerderheid opgesloten gezeten en haar in het pad daar beneden gezien, om daarvoor eenige vrees te hebben. Geschokt als hij is door zijne schande, is hij nog niet tot den vlakken grond vernederd. De wortels van zijn trots zijn breed en diep en hebben zich in den loop van jaren uitgebreid en uit alles in het rond voedsel getrokken. De boom is getroffen, maar niet geveld.Hoewel hij de wereld in zijn binnenste voor de wereld daarbuiten verbergt—die hij gelooft, dat op het oogenblik maar een enkel doel heeft, namelijk om hem overal te bespieden—kan hij die weerspannige teekenen daarvan niet verbergen, die hem door zijne holle oogen en wangen, zijn betrokken voorhoofd en zijn somber peinzend voorkomen verraden. Even ondoordringbaar als te voren, is hij toch veranderd; even trotsch als ooit, is hij toch vernederd, of men zou die teekenen niet zien.De wereld. Wat de wereld van hem denkt, hoe zij hem beschouwt, wat zij in hem ziet, en wat zij zegt—deze gedachte is zijn kwelduivel, die hem overal vervolgt, overal is waar hij is, en nog erger, overal is waar hij niet is. Die kwelduivel komt met hem onder zijne bedienden, en toch laat hij hem fluisterend achter; hij ziet zich op straat door hem nawijzen; hij staat naar hem te wachten in zijn kantoor; hij gluurt over den schouder van rijke heeren onder de kooplieden; hij loopt onder de menigte wenken en babbelen; hij is hem overal en altijd voor, en heeft het altijd het drukst, dat weet hij, als hij weg is. Als hij des avonds in zijne kamer zit opgesloten, is hij in huis, en toch daarbuiten, hoorbaar in de voetstappen op straat, zichtbaar in de papieren op zijne tafel, stoomt heen en weder op de spoorwegen en stoombooten, is overal rusteloos bezig met niets anders dan hem.Dit is geene begoocheling zijner verbeelding. Het werkt evenzeer bij anderen als bij hem. Getuige daarvan neef Feenix, die opzettelijk vanBaden-Badenkomt, om met hem te spreken. Getuige majoor Bagstock, die neef Feenix bij die vriendelijke terugkomst vergezelt.Dombey ontvangt hen met zijne gewone deftigheid en staat met zijne gewone stijfheid voor het vuur. Hij gevoelt, dat de wereld hem uit hunne oogen aanziet. Dat zij hem uit de oogen aanstaart. Dat het borstbeeld van Pitt op de boekenkast haar vertegenwoordigt. Dat er oogen zijn in de landkaart, die aan den muur hangt.“Een buitengewoon koud voorjaar,” zegt Dombey—om de wereld te misleiden.—“Verd … d, mijnheer,” zegt de majoor met de warmte der vriendschap, “Jozef Bagstock heeft er geen slag van om te veinzen. Als gij uwe vrienden van u af wilt houden, Dombey, is J. B. de man niet, om zich dat te laten doen. Joe is ruw en taai, mijnheer; plomp, mijnheer, plomp is hij. Zijne koninklijke hoogheid wijlen de hertog van York heeft mij de eer bewezen om te zeggen, verdiend of onverdiend—dat doet er niet toe—“Als er één man in den dienst is, op wien ik rekenen kan dat hij recht door zee gaat, is die man Joe Bagstock.””Dombey geeft te kennen, dat hij dit toestemt.“Nu, Dombey,” zegt de majoor, “ik ben een man van de wereld. Onze vriend Feenix—als ik zoo vrij mag wezen—”—“Veel eer voor mij,” zegt neef Feenix.—“Is,” zegt de majoor, schalkachtig zijn hoofd schuddende, “ook een man van de wereld. Nu, als drie mannen van de wereld—Dombey, gij zijt een man van de wereld—bij elkander komen en vrienden zijn—zooals ik geloof,” zich weder naar Feenix keerende.—“Wel zeker—heel vriendelijk,” zegt neef Feenix.—“En vrienden zijn,” hervat de majoor, “dan is oude Joe van gevoelen (misschien heeft J. het ook wel mis) dat het gevoelen van de wereld over eene of andere zaak zeer gemakkelijk te vernemen is.”—“Zonder twijfel,” zegt neef Feenix. “Eigenlijk is het iets, dat bijna van zelf spreekt. Ik ben er zeer op uit, majoor, dat mijn vriend Dombey mij hoort zeggen hoe buitengemeen het mij verwondert en spijt, dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht, die alle vereischten bezat om een man gelukkig te maken, zoover heeft kunnen vergeten, wat zij—wat zij, om kort te gaan, de wereld verschuldigd was—om zich op zulk eene buitengewone manier ten toon te stellen. Ik ben sedert geweldig neerslachtig geweest; en gisteravond zeide ik nog tegen den langen Saxby—een man van zes voet tien duim, dien mijn vriend Dombey waarschijnlijk wel zal kennen—dat het mij verduiveld zenuwachtig en galachtig heeft gemaakt. Het doet iemand bedenken, zulk een noodlottige[357]catastrophe,” zegt neef Feenix, “dat de Voorzienigheid toch alles ten beste bestuurt; want als mijne tante nu nog geleefd had, denk ik dat de schok voor zulk eene drommels levendige vrouw zoo erg zou geweest zijn, dat zij er—kortom het slachtoffer van zou zijn geworden.”—“Nu, Dombey,” zegt de majoor, met grooten nadruk zijne rede hervattende.—“Neem mij niet kwalijk,” valt neef Feenix er op in. “Laat ik nog een woordje mogen zeggen. Mijn vriend Dombey zal mij wel vergunnen er nog bij te voegen, dat, als iets bij zulk eene gelegenheid mijn verdriet had kunnen vergrooten, het de natuurlijke verbazing der wereld moest wezen, dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht (gelijk ik verzoeken moet haar nog te mogen noemen) vermeend wordt zich zoover te hebben ingelaten met een persoon—die man met zijne witte tanden, kortom—ver beneden den stand van haar wettigen echtgenoot. Maar terwijl ik mijn vriend Dombey, zelfs eenigszins dringend, moet verzoeken om mijne bekoorlijke en talentrijke nicht niet te veroordeelen voordat hare schuld ten volle gebleken is, verzoek ik mijn vriend Dombey te mogen verzekeren, dat de familie, die ik representeer en die nu bijna uitgestorven is (eene drommels zwaarmoedige gedachte voor iemand), hem geene belemmeringen in den weg zal leggen, en gaarne zal toestemmen in alle gepaste maatregelen voor de toekomst, die hij mocht willen nemen. Ik vertrouw, dat mijn vriend Dombey zich wel overtuigd zal willen houden van de welwillende gezindheden, waardoor ik in deze allertreurigste zaak gedreven word, en dat—om kort te gaan, ik weet niet, dat ik mijn vriend Dombey met eenige verdere opmerkingen behoef lastig te vallen.”Dombey buigt, zonder zijne oogen op te slaan, en zwijgt.“Nu, Dombey,” zegt de majoor, “daar onze vriend Feenix nu, met eene welsprekendheid, die oude Joe B. nooit heeft hooren overtreffen—neen, waarachtig nooit, mijnheer—” zegt de majoor, zeer rood wordende en zijn stok in het midden vattende “de zaak van den kant der dame heeft voorgedragen, zal ik mij op onze vriendschap laten voorstaan, Dombey, om een woordje daarover te zeggen uit een ander oogpunt beschouwd. Mijnheer,” zegt de majoor, met zijne paardenkuch, “de wereld heeft in zulke zaken gevoelens, die ontzien moeten worden.”—“Dat weet ik;” zegt Dombey.—“Natuurlijk, weet gij dat,” zegt de majoor. “Verd … d, mijnheer, ik weet, dat gij dat weet. Een man van uw kaliber zal daarvan niet waarschijnlijk onkundig zijn.”—“Ik hoop van neen,” antwoordt Dombey.—“Dombey,” zegt de majoor, “gij zult het overige wel raden. Ik spreek ronduit—misschien wat te vroeg—omdat de Bagstock’s altijd ronduit hebben gesproken. Weinig hebben zij ooit daarmee gewonnen; maar het zit in het bloed, mijnheer. Er moeten kogels met dien man gewisseld worden. Gij hebt J. B. bij u. Hij maakt aanspraak op den naam van uw vriend. God zegen u.”—“Majoor,” zegt Dombey, “ik ben u verplicht. Ik zal mij in uwe handen stellen als het daartoe tijd wordt. Daar de tijd nog niet gekomen was, heb ik nagelaten er u over te spreken.”—“Waar is de kerel, Dombey?” zegt de majoor, na hem een oogenblik hijgende te hebben aangestaard.—“Dat weet ik niet.”—“Ook bericht van hem?”—“Ja.”—“Dombey, het verheugt mij dat te hooren,” zegt de majoor. “Ik feliciteer u.”—“Gij zult mij wel verschoonen—zelfs gij, majoor,” hervat Dombey,“om voor alsnog in verdere bijzonderheden te treden. Het bericht is van een zonderlingen aard en op eene zonderlinge manier bekomen. Het zal misschien blijken valsch te zijn; maar het kan ook waar zijn. Dat kan ik voor alsnog niet zeggen. Mijne opheldering moet zich vooreerst hiertoe bepalen.”Hoewel dit een tamelijk droog antwoord is op des majoors purperen geestdrift, neemt de majoor het zeer vriendelijk op en verheugt zich, dat de wereld zoo goede kans heeft om te krijgen wat haar verschuldigd is. Daarop ontvangt neef Feenix een gepast compliment van den echtgenoot zijner bekoorlijke en talentrijke nicht, en neef Feenix en majoor Bagstock vertrekken en laten dien echtgenoot alleen om te peinzen over hetgeen zij hem van de gevoelens der wereld ten opzichte van zijne aangelegenheden, en van hare billijke en redelijke verwachtingen hebben gezegd.Maar wie zit er in de huishoudsterskamer schreiende en met opgehevene handen zachtjes met mevrouw Pipchin te praten? Het is eene dame, wier gezicht in een zeer diepen, zwarten hoed verscholen zit, die haar niet schijnt toe te komen. Het is jufvrouw Tox, die deze vermomming van hare meid heeft geleend; en zoo vanPrincess’s Placeis gekomen, om hare oude kennis met mevrouw Pipchin te vernieuwen en aldus zekere berichten van den toestand van Dombey te bekomen.“En hoe houdt hij er zich onder, lieve vrouw?” vraagt jufvrouw Tox.—“Och,” antwoordt mevrouw Pipchin op hare snibbige manier, “hij is zoo wat als gewoonlijk.”—“Uitwendig,” zegt jufvrouw Tox. “Maar wat hij van binnen gevoelt!”Mevrouw Pipchin’s grijze oogen duiden zekeren twijfel aan, terwijl zij met drie afzonderlijke stooten uitbrengt: “Ja!—Misschien—wel te denken.”—“Om u mijn gevoelen te zeggen, Lucretia,” zegt mevrouw Pipchin: zij blijft jufvrouw Tox nog Lucretia noemen, dewijl deze hare eerste ondervinding van de opvoedingstalenten dier dame heeft opgedaan,[358]toen zij een ongelukkig mager kind van nog teedere jaren was; “om u mijn gevoelen te zeggen, Lucretia; ik ben blij dat wij haar kwijt zijn. Ik voor mij heb zulk een onbeschaamd gezicht hier niet noodig.”—“Wel moogt gij onbeschaamd zeggen, mevrouw Pipchin,” antwoordt jufvrouw Tox. “Hem te verlaten. Een man van zulk een edel uitzicht!” En hier noodzaakt hare aandoening haar om te zwijgen.—“Van edel uitzicht weet ik niet af,” merkt mevrouw Pipchin aan, vinnig haar neus wrijvende. “Maar dit weet ik—als iemand rampen krijgt, moet hij ze dragen. Och kom! Ik zelf heb in mijn tijd genoeg te dragen gehad! Wat eene beweging daarover. Zij is weg, en goed dat wij haar kwijt zijn. Niemand verlangt haar weerom, zou ik denken.”Deze toespeling op de mijnen vanPerudoet jufvrouw Tox opstaan om heen te gaan; en mevrouw Pipchin schelt Towlinson om haar uit te laten. Daar Towlinson jufvrouw Tox in geen honderd jaar gezien heeft, grijnst hij en hoopt dat zij nog wel vaart; aanmerkende, dat hij haar eerst niet kende met dien hoed.“Tamelijk wel, Towlinson; wel bedankt,” zegt jufvrouw Tox. “Ik hoop, als ge mij somtijds hier ziet, dat ge zoo goed zult zijn om er niet van te spreken. Ik kom alleen om mevrouw Pipchin te bezoeken.”—“Heel goed, jufvrouw,” zegt Towlinson.—“IJselijke omstandigheden, Towlinson,” zegt jufvrouw Tox.—“Ja, jufvrouw, wel ijselijk,” antwoordt Towlinson.—“Ik hoop, Towlinson,” zegt jufvrouw Tox, die zich door haar onderwijzenden omgang met de familie Toodle een vermanenden toon heeft eigen gemaakt, en van voorvallende gelegenheden heeft leeren gebruik maken om nuttige lessen te geven, “dat, wat hier gebeurd is, eene waarschuwing voor u zal zijn, Towlinson.”—“Wel bedankt, jufvrouw, waarlijk,” zegt Towlinson.Hij schijnt er over te willen gaan peinzen op welke manier het geval voor hem in het bijzonder eene waarschuwing moet zijn, toen de vinnige mevrouw Pipchin hem stoort met een: “Staat gij te suffen? Waarom laat ge de jufvrouw niet uit?” Hij doet zulks nu; en als jufvrouw Tox de kamer van Dombey voorbijgaat, kruipt zij weg in de diepste diepte van haar zwarten hoed, en stapt zij zelfs op hare teenen; en in de geheele wereld, die hem zoo kwelt, is geen ander stofdeeltje dat zooveel smart en kommer voor hem gevoelt, als jufvrouw Tox onder den zwarten hoed medeneemt.Maar jufvrouw Tox behoort niet tot Dombey’s wereld. Zij komt elken avond tegen de schemering terug, voegt, als het regent, nog overschoenen en eene paraplu bij den zwarten hoed, en verdraagt het gegrijns van Towlinson en het snauwen en grauwen van mevrouw Pipchin, alleen om te vragen hoe hij vaart en hoe hij zich onder zijn ongeluk houdt; maar zij heeft toch niets met Dombey’s wereld te maken. Deze loopt, even onverdraagzaam en plaagziek als ooit, zonder haar voort; en zij, geenszins voor iemand eene heldere ster, beweegt zich in hare bekrompene baan in een hoekje van een ander stelsel, en weet dit zeer wel, en komt, en schreit, en gaat weder heen, en is tevreden. Waarlijk, jufvrouw Tox is gemakkelijker te voldoen dan de wereld, die het Dombey zoo lastig maakt.Aan het kantoor beschouwen de klerken de groote gebeurtenis in allerlei lichten en schaduwen, maar verwonderen zich vooral wie Carker’s plaats zal krijgen. Algemeen zijn zij van gevoelen, dat de emolumenten daarvan besnoeid zullen worden, en nieuw bedachte voorzorgen en bepalingen ze onaangenaam genoeg zullen maken; en zij, die volstrekt geene hoop hebben om ze te bekomen, zijn overtuigd dat zij ze liever niet wilden hebben, en hem, voor wien ze zal blijken bewaard te zijn, lang niet benijden. Geene dergelijke beweging heeft op het kantoor geheerscht sedert Dombey’s zoontje stierf; maar alle bewegingen daar nemen eene gezellige, om niet te zeggen joviale richting, en zijn dienstbaar ter bevordering van goede kameraadschap. Bij deze gelegenheid heeft er eene verzoening plaats tusschen den erkenden grappenmaker van het kantoor en een eerzuchtig mededinger, met wien hij maanden lang geslagen vijanden was geweest, en wordt er, om het gelukkige herstel der vriendschap te vieren, in eene naburige herberg eendinertjegehouden, waarbij de grappenmaker president en de mededinger vice-president is. De aanspraken, nadat de tafel is afgenomen, worden door den president geopend. Hij kan het, zegt hij, niet verbloemen, mijne heeren, dat het geen tijd voor onderlinge geschillen is. Gebeurtenissen, waarvan hij niet duidelijker behoeft te spreken, maar die in de zondagbladen niet geheel onopgemerkt zijn gebleven, zoowel als in een dagblad, waarvan hij den naam niet behoeft te noemen (hier mompelen alle aanwezigen hoorbaar dien naam), hebben hem tot nadenken gebracht; en hij gevoelt dat, indien hij en Robinson thans nog persoonlijke verschillen wilden hebben, zij voor altijd datesprit de corpszouden verloochenen, hetwelk hij reden heeft te denken en te hopen dat de heeren van het kantoor van Dombey altijd heeft onderscheiden. Robinson beantwoordt dit op een mannelijken en broederlijken toon; en een heer, die drie jaren op het kantoor is geweest, in gedurig gevaar om voor rekenfouten te worden weggezonden, vertoont zich eensklaps in een geheel nieuw licht, door als het ware uit te barsten met eene treffende redevoering, waarin hij zegt: “Moge hun geëerbiedigde chef nooit weder de verwoesting kennen, die zijn huiselijken haard getroffen heeft;” en laat daar nog[359]een aantal zulke dingen op volgen, allen beginnende met “moge hij nooit,” die met eene daverende toejuiching worden beantwoord. Kortom, men slijt een allergenoegelijksten avond, alleen gestoord door een geschil tusschen twee van de jongste klerken, die ruzie krijgen over het waarschijnlijke bedrag van Carker’s jaarlijksch inkomen, elkander met de karaffen uitdagen, en zeer opgewonden naar buiten worden gebracht. Sodawater wordt des anderen daags op het kantoor algemeen gedronken, en de meesten van het gezelschap houden de rekening voor afzetterij.Wat Perch, den kantoorlooper, betreft, hij is op weg om voor al zijn leven geruïneerd te worden. Hij staat weder gedurig in herbergen voor de toonbank, laat zich trakteeren, en liegt vreeselijk. Het blijkt dat hij ieder die in de gebeurtenis betrokken is, overal heeft ontmoet, en tot hen gezegd, “mijnheer” of “mevrouw,” naar het te pas kwam, “hoe ziet ge zoo bleek?” waarop ieder van het hoofd tot de voeten heeft gebeefd, en “o Perch!” heeft gezegd, en toen is weggeloopen. De bewustheid van deze gruwelijke logens, of de nawerking van het gedronken vocht, doet hem doorgaans in eene buitengemeene neerslachtigheid verzinken tegen dat uur van den avond, wanneer hij gewoonlijk in het gezelschap van jufvrouw Perch zijn troost gaat zoeken; en jufvrouw Perch maakt zich zeer verdrietig, daar zij vreest dat zijn vertrouwen op vrouwelijke deugd nu geschokt is, en hij half en half verwacht, als hij eens des avonds thuis komt, te zullen vinden dat zij met een lord is voortgegaan.Dombey’s dienstboden worden te gelijker tijd zeer losbandig en ongeschikt voor een anderen dienst. Zij hebben elken avond een warmsoupertje, en “bepraten het” dan met dampende glazen op de tafel. Towlinson is na half tien altijd slijmerig, en verzoekt dikwijls, te mogen weten of hij niet gezegd heeft, dat er geen goed zou komen van het wonen in een hoekhuis. Zij fluisteren over jufvrouw Florence, en verwonderen zich waar zij is; maar zijn het te zamen eens dat, als mijnheer Dombey het niet weet, mevrouw Dombey het wel zal weten. Dit brengt hen op de laatste, van welke de keukenmeid zegt: “Zij had wel deftige manieren, niet waar? Maar zij was toch al te trotsch!” Allen stemmen toe dat zij al te trotsch was; en Towlinson’s oude liefste, de werkmeid (die zeer deugdzaam is), verzoekt dat men haar nooit weer zal spreken van menschen, die het hoofd zoo hoog opsteken, alsof de grond niet goed genoeg voor hen was.Alles wat over de zaak gezegd en gedaan wordt, behalve door Dombey, wordt op eene gezellige manier gedaan. Dombey en de wereld zijn te zamen alleen.

Wat doet die trotsche man, terwijl de dagen voorbijsnellen? Denkt hij ooit aan zijne dochter en verwondert hij zich waar zij gebleven is? Of verbeeldt hij zich, dat zij thuis is gekomen en in die akelige woning wederom het oude leven leidt? Niemand kan die vraag beantwoorden. Hij heeft sedert haar naam niet weder genoemd. Zijne huisgenooten zijn te bevreesd voor hem om een onderwerp aan te roeren, waarover hij hardnekkig stom blijft; en de eenige, die hem durft vragen, legt hij dadelijk het zwijgen op.

“Mijn beste Paul,” prevelt zijne zuster, die op den dag van Florence’s vlucht zijne kamer komt binnenschuiven. “Uwe vrouw, die gij van niet tot iets hebt gebracht! Is het mogelijk, dat het waar is, wat ik verward heb gehoord, en dat dit haar dank is voor uwe voorbeeldelooze goedheid voor haar, die immers zoover ging om uwe eigene familiebetrekkingen aan hare grillen en hare trotschheid op te offeren! Mijn arme broeder!”

Onder deze aanspraak, waarin de gevoelige herinnering doorblinkt, dat zij op den dag der eerste partij niet op het diner is gevraagd, maakt mevrouw Chick ruimschoots gebruik van haar zakdoek, en bij het einde valt zij Dombey om den hals. Maar Dombey tilt haar ijskoud op en brengt haar naar een stoel.

“Ik dank u, Louise,” zegt hij, “voor dit bewijs van genegenheid; maar verlang, dat ons gesprek tot andere onderwerpen moge beperkt blijven. Wanneer ik mijn lot beklaag, Louise, of te kennen geef, dat ik behoefte aan troost heb, kunt gij mij dien aanbieden, als ge dan zoo goed wilt zijn.”—“Mijn beste Paul,” antwoordt zijne zuster, met haar zakdoek voor haar gezicht en haar hoofd schuddende, “ik ken uw grooten geest en wil niets meer zeggen over een zoo smartelijk en stuitend onderwerp;” op de hoofden dier twee bijvoeglijke woorden stort mevrouw Chick eene kokend heete verontwaardiging uit; “maar laat ik u mogen vragen—schoon ik vrees iets te hooren, dat mij zal ontzetten[356]en bedroeven—dat ongelukkige kind, Florence—”—“Louise,” zegt haar broeder barsch, “zwijg! Geen woord daarvan!”

Mevrouw Chick kan niets anders doen dan haar hoofd schudden en haar zakdoek te baat nemen en kermen over de verbasterde Dombey’s, die geene Dombey’s meer zijn. Maar of Florence medeplichtig is aan de vlucht van Edith, of dat zij deze is gevolgd, of dat zij te veel heeft gedaan of te weinig, of iets of niets, daarvan heeft zij geen het minste denkbeeld.

Hij blijft zijne gedachten en aandoeningen in zijne borst bewaren en deelt ze niemand mede. Hij laat niet naar zijne dochter zoeken. Hij mag denken, dat zij bij zijne zuster is, of onder zijn eigen dak. Hij mag bestendig aan haar denken, of in het geheel niet. Uit geen teeken is dit op te maken.

Maar dat is zeker: hij denktniet, dat hij haar verloren heeft. Hij heeft geen vermoeden van de waarheid. Hij heeft al te lang in het kasteel zijner ontoegankelijke meerderheid opgesloten gezeten en haar in het pad daar beneden gezien, om daarvoor eenige vrees te hebben. Geschokt als hij is door zijne schande, is hij nog niet tot den vlakken grond vernederd. De wortels van zijn trots zijn breed en diep en hebben zich in den loop van jaren uitgebreid en uit alles in het rond voedsel getrokken. De boom is getroffen, maar niet geveld.

Hoewel hij de wereld in zijn binnenste voor de wereld daarbuiten verbergt—die hij gelooft, dat op het oogenblik maar een enkel doel heeft, namelijk om hem overal te bespieden—kan hij die weerspannige teekenen daarvan niet verbergen, die hem door zijne holle oogen en wangen, zijn betrokken voorhoofd en zijn somber peinzend voorkomen verraden. Even ondoordringbaar als te voren, is hij toch veranderd; even trotsch als ooit, is hij toch vernederd, of men zou die teekenen niet zien.

De wereld. Wat de wereld van hem denkt, hoe zij hem beschouwt, wat zij in hem ziet, en wat zij zegt—deze gedachte is zijn kwelduivel, die hem overal vervolgt, overal is waar hij is, en nog erger, overal is waar hij niet is. Die kwelduivel komt met hem onder zijne bedienden, en toch laat hij hem fluisterend achter; hij ziet zich op straat door hem nawijzen; hij staat naar hem te wachten in zijn kantoor; hij gluurt over den schouder van rijke heeren onder de kooplieden; hij loopt onder de menigte wenken en babbelen; hij is hem overal en altijd voor, en heeft het altijd het drukst, dat weet hij, als hij weg is. Als hij des avonds in zijne kamer zit opgesloten, is hij in huis, en toch daarbuiten, hoorbaar in de voetstappen op straat, zichtbaar in de papieren op zijne tafel, stoomt heen en weder op de spoorwegen en stoombooten, is overal rusteloos bezig met niets anders dan hem.

Dit is geene begoocheling zijner verbeelding. Het werkt evenzeer bij anderen als bij hem. Getuige daarvan neef Feenix, die opzettelijk vanBaden-Badenkomt, om met hem te spreken. Getuige majoor Bagstock, die neef Feenix bij die vriendelijke terugkomst vergezelt.

Dombey ontvangt hen met zijne gewone deftigheid en staat met zijne gewone stijfheid voor het vuur. Hij gevoelt, dat de wereld hem uit hunne oogen aanziet. Dat zij hem uit de oogen aanstaart. Dat het borstbeeld van Pitt op de boekenkast haar vertegenwoordigt. Dat er oogen zijn in de landkaart, die aan den muur hangt.

“Een buitengewoon koud voorjaar,” zegt Dombey—om de wereld te misleiden.—“Verd … d, mijnheer,” zegt de majoor met de warmte der vriendschap, “Jozef Bagstock heeft er geen slag van om te veinzen. Als gij uwe vrienden van u af wilt houden, Dombey, is J. B. de man niet, om zich dat te laten doen. Joe is ruw en taai, mijnheer; plomp, mijnheer, plomp is hij. Zijne koninklijke hoogheid wijlen de hertog van York heeft mij de eer bewezen om te zeggen, verdiend of onverdiend—dat doet er niet toe—“Als er één man in den dienst is, op wien ik rekenen kan dat hij recht door zee gaat, is die man Joe Bagstock.””

Dombey geeft te kennen, dat hij dit toestemt.

“Nu, Dombey,” zegt de majoor, “ik ben een man van de wereld. Onze vriend Feenix—als ik zoo vrij mag wezen—”—“Veel eer voor mij,” zegt neef Feenix.—“Is,” zegt de majoor, schalkachtig zijn hoofd schuddende, “ook een man van de wereld. Nu, als drie mannen van de wereld—Dombey, gij zijt een man van de wereld—bij elkander komen en vrienden zijn—zooals ik geloof,” zich weder naar Feenix keerende.—“Wel zeker—heel vriendelijk,” zegt neef Feenix.—“En vrienden zijn,” hervat de majoor, “dan is oude Joe van gevoelen (misschien heeft J. het ook wel mis) dat het gevoelen van de wereld over eene of andere zaak zeer gemakkelijk te vernemen is.”—“Zonder twijfel,” zegt neef Feenix. “Eigenlijk is het iets, dat bijna van zelf spreekt. Ik ben er zeer op uit, majoor, dat mijn vriend Dombey mij hoort zeggen hoe buitengemeen het mij verwondert en spijt, dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht, die alle vereischten bezat om een man gelukkig te maken, zoover heeft kunnen vergeten, wat zij—wat zij, om kort te gaan, de wereld verschuldigd was—om zich op zulk eene buitengewone manier ten toon te stellen. Ik ben sedert geweldig neerslachtig geweest; en gisteravond zeide ik nog tegen den langen Saxby—een man van zes voet tien duim, dien mijn vriend Dombey waarschijnlijk wel zal kennen—dat het mij verduiveld zenuwachtig en galachtig heeft gemaakt. Het doet iemand bedenken, zulk een noodlottige[357]catastrophe,” zegt neef Feenix, “dat de Voorzienigheid toch alles ten beste bestuurt; want als mijne tante nu nog geleefd had, denk ik dat de schok voor zulk eene drommels levendige vrouw zoo erg zou geweest zijn, dat zij er—kortom het slachtoffer van zou zijn geworden.”—“Nu, Dombey,” zegt de majoor, met grooten nadruk zijne rede hervattende.—“Neem mij niet kwalijk,” valt neef Feenix er op in. “Laat ik nog een woordje mogen zeggen. Mijn vriend Dombey zal mij wel vergunnen er nog bij te voegen, dat, als iets bij zulk eene gelegenheid mijn verdriet had kunnen vergrooten, het de natuurlijke verbazing der wereld moest wezen, dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht (gelijk ik verzoeken moet haar nog te mogen noemen) vermeend wordt zich zoover te hebben ingelaten met een persoon—die man met zijne witte tanden, kortom—ver beneden den stand van haar wettigen echtgenoot. Maar terwijl ik mijn vriend Dombey, zelfs eenigszins dringend, moet verzoeken om mijne bekoorlijke en talentrijke nicht niet te veroordeelen voordat hare schuld ten volle gebleken is, verzoek ik mijn vriend Dombey te mogen verzekeren, dat de familie, die ik representeer en die nu bijna uitgestorven is (eene drommels zwaarmoedige gedachte voor iemand), hem geene belemmeringen in den weg zal leggen, en gaarne zal toestemmen in alle gepaste maatregelen voor de toekomst, die hij mocht willen nemen. Ik vertrouw, dat mijn vriend Dombey zich wel overtuigd zal willen houden van de welwillende gezindheden, waardoor ik in deze allertreurigste zaak gedreven word, en dat—om kort te gaan, ik weet niet, dat ik mijn vriend Dombey met eenige verdere opmerkingen behoef lastig te vallen.”

Dombey buigt, zonder zijne oogen op te slaan, en zwijgt.

“Nu, Dombey,” zegt de majoor, “daar onze vriend Feenix nu, met eene welsprekendheid, die oude Joe B. nooit heeft hooren overtreffen—neen, waarachtig nooit, mijnheer—” zegt de majoor, zeer rood wordende en zijn stok in het midden vattende “de zaak van den kant der dame heeft voorgedragen, zal ik mij op onze vriendschap laten voorstaan, Dombey, om een woordje daarover te zeggen uit een ander oogpunt beschouwd. Mijnheer,” zegt de majoor, met zijne paardenkuch, “de wereld heeft in zulke zaken gevoelens, die ontzien moeten worden.”—“Dat weet ik;” zegt Dombey.—“Natuurlijk, weet gij dat,” zegt de majoor. “Verd … d, mijnheer, ik weet, dat gij dat weet. Een man van uw kaliber zal daarvan niet waarschijnlijk onkundig zijn.”—“Ik hoop van neen,” antwoordt Dombey.—“Dombey,” zegt de majoor, “gij zult het overige wel raden. Ik spreek ronduit—misschien wat te vroeg—omdat de Bagstock’s altijd ronduit hebben gesproken. Weinig hebben zij ooit daarmee gewonnen; maar het zit in het bloed, mijnheer. Er moeten kogels met dien man gewisseld worden. Gij hebt J. B. bij u. Hij maakt aanspraak op den naam van uw vriend. God zegen u.”—“Majoor,” zegt Dombey, “ik ben u verplicht. Ik zal mij in uwe handen stellen als het daartoe tijd wordt. Daar de tijd nog niet gekomen was, heb ik nagelaten er u over te spreken.”—“Waar is de kerel, Dombey?” zegt de majoor, na hem een oogenblik hijgende te hebben aangestaard.—“Dat weet ik niet.”—“Ook bericht van hem?”—“Ja.”—“Dombey, het verheugt mij dat te hooren,” zegt de majoor. “Ik feliciteer u.”—“Gij zult mij wel verschoonen—zelfs gij, majoor,” hervat Dombey,“om voor alsnog in verdere bijzonderheden te treden. Het bericht is van een zonderlingen aard en op eene zonderlinge manier bekomen. Het zal misschien blijken valsch te zijn; maar het kan ook waar zijn. Dat kan ik voor alsnog niet zeggen. Mijne opheldering moet zich vooreerst hiertoe bepalen.”

Hoewel dit een tamelijk droog antwoord is op des majoors purperen geestdrift, neemt de majoor het zeer vriendelijk op en verheugt zich, dat de wereld zoo goede kans heeft om te krijgen wat haar verschuldigd is. Daarop ontvangt neef Feenix een gepast compliment van den echtgenoot zijner bekoorlijke en talentrijke nicht, en neef Feenix en majoor Bagstock vertrekken en laten dien echtgenoot alleen om te peinzen over hetgeen zij hem van de gevoelens der wereld ten opzichte van zijne aangelegenheden, en van hare billijke en redelijke verwachtingen hebben gezegd.

Maar wie zit er in de huishoudsterskamer schreiende en met opgehevene handen zachtjes met mevrouw Pipchin te praten? Het is eene dame, wier gezicht in een zeer diepen, zwarten hoed verscholen zit, die haar niet schijnt toe te komen. Het is jufvrouw Tox, die deze vermomming van hare meid heeft geleend; en zoo vanPrincess’s Placeis gekomen, om hare oude kennis met mevrouw Pipchin te vernieuwen en aldus zekere berichten van den toestand van Dombey te bekomen.

“En hoe houdt hij er zich onder, lieve vrouw?” vraagt jufvrouw Tox.—“Och,” antwoordt mevrouw Pipchin op hare snibbige manier, “hij is zoo wat als gewoonlijk.”—“Uitwendig,” zegt jufvrouw Tox. “Maar wat hij van binnen gevoelt!”

Mevrouw Pipchin’s grijze oogen duiden zekeren twijfel aan, terwijl zij met drie afzonderlijke stooten uitbrengt: “Ja!—Misschien—wel te denken.”—“Om u mijn gevoelen te zeggen, Lucretia,” zegt mevrouw Pipchin: zij blijft jufvrouw Tox nog Lucretia noemen, dewijl deze hare eerste ondervinding van de opvoedingstalenten dier dame heeft opgedaan,[358]toen zij een ongelukkig mager kind van nog teedere jaren was; “om u mijn gevoelen te zeggen, Lucretia; ik ben blij dat wij haar kwijt zijn. Ik voor mij heb zulk een onbeschaamd gezicht hier niet noodig.”—“Wel moogt gij onbeschaamd zeggen, mevrouw Pipchin,” antwoordt jufvrouw Tox. “Hem te verlaten. Een man van zulk een edel uitzicht!” En hier noodzaakt hare aandoening haar om te zwijgen.—“Van edel uitzicht weet ik niet af,” merkt mevrouw Pipchin aan, vinnig haar neus wrijvende. “Maar dit weet ik—als iemand rampen krijgt, moet hij ze dragen. Och kom! Ik zelf heb in mijn tijd genoeg te dragen gehad! Wat eene beweging daarover. Zij is weg, en goed dat wij haar kwijt zijn. Niemand verlangt haar weerom, zou ik denken.”

Deze toespeling op de mijnen vanPerudoet jufvrouw Tox opstaan om heen te gaan; en mevrouw Pipchin schelt Towlinson om haar uit te laten. Daar Towlinson jufvrouw Tox in geen honderd jaar gezien heeft, grijnst hij en hoopt dat zij nog wel vaart; aanmerkende, dat hij haar eerst niet kende met dien hoed.

“Tamelijk wel, Towlinson; wel bedankt,” zegt jufvrouw Tox. “Ik hoop, als ge mij somtijds hier ziet, dat ge zoo goed zult zijn om er niet van te spreken. Ik kom alleen om mevrouw Pipchin te bezoeken.”—“Heel goed, jufvrouw,” zegt Towlinson.—“IJselijke omstandigheden, Towlinson,” zegt jufvrouw Tox.—“Ja, jufvrouw, wel ijselijk,” antwoordt Towlinson.—“Ik hoop, Towlinson,” zegt jufvrouw Tox, die zich door haar onderwijzenden omgang met de familie Toodle een vermanenden toon heeft eigen gemaakt, en van voorvallende gelegenheden heeft leeren gebruik maken om nuttige lessen te geven, “dat, wat hier gebeurd is, eene waarschuwing voor u zal zijn, Towlinson.”—“Wel bedankt, jufvrouw, waarlijk,” zegt Towlinson.

Hij schijnt er over te willen gaan peinzen op welke manier het geval voor hem in het bijzonder eene waarschuwing moet zijn, toen de vinnige mevrouw Pipchin hem stoort met een: “Staat gij te suffen? Waarom laat ge de jufvrouw niet uit?” Hij doet zulks nu; en als jufvrouw Tox de kamer van Dombey voorbijgaat, kruipt zij weg in de diepste diepte van haar zwarten hoed, en stapt zij zelfs op hare teenen; en in de geheele wereld, die hem zoo kwelt, is geen ander stofdeeltje dat zooveel smart en kommer voor hem gevoelt, als jufvrouw Tox onder den zwarten hoed medeneemt.

Maar jufvrouw Tox behoort niet tot Dombey’s wereld. Zij komt elken avond tegen de schemering terug, voegt, als het regent, nog overschoenen en eene paraplu bij den zwarten hoed, en verdraagt het gegrijns van Towlinson en het snauwen en grauwen van mevrouw Pipchin, alleen om te vragen hoe hij vaart en hoe hij zich onder zijn ongeluk houdt; maar zij heeft toch niets met Dombey’s wereld te maken. Deze loopt, even onverdraagzaam en plaagziek als ooit, zonder haar voort; en zij, geenszins voor iemand eene heldere ster, beweegt zich in hare bekrompene baan in een hoekje van een ander stelsel, en weet dit zeer wel, en komt, en schreit, en gaat weder heen, en is tevreden. Waarlijk, jufvrouw Tox is gemakkelijker te voldoen dan de wereld, die het Dombey zoo lastig maakt.

Aan het kantoor beschouwen de klerken de groote gebeurtenis in allerlei lichten en schaduwen, maar verwonderen zich vooral wie Carker’s plaats zal krijgen. Algemeen zijn zij van gevoelen, dat de emolumenten daarvan besnoeid zullen worden, en nieuw bedachte voorzorgen en bepalingen ze onaangenaam genoeg zullen maken; en zij, die volstrekt geene hoop hebben om ze te bekomen, zijn overtuigd dat zij ze liever niet wilden hebben, en hem, voor wien ze zal blijken bewaard te zijn, lang niet benijden. Geene dergelijke beweging heeft op het kantoor geheerscht sedert Dombey’s zoontje stierf; maar alle bewegingen daar nemen eene gezellige, om niet te zeggen joviale richting, en zijn dienstbaar ter bevordering van goede kameraadschap. Bij deze gelegenheid heeft er eene verzoening plaats tusschen den erkenden grappenmaker van het kantoor en een eerzuchtig mededinger, met wien hij maanden lang geslagen vijanden was geweest, en wordt er, om het gelukkige herstel der vriendschap te vieren, in eene naburige herberg eendinertjegehouden, waarbij de grappenmaker president en de mededinger vice-president is. De aanspraken, nadat de tafel is afgenomen, worden door den president geopend. Hij kan het, zegt hij, niet verbloemen, mijne heeren, dat het geen tijd voor onderlinge geschillen is. Gebeurtenissen, waarvan hij niet duidelijker behoeft te spreken, maar die in de zondagbladen niet geheel onopgemerkt zijn gebleven, zoowel als in een dagblad, waarvan hij den naam niet behoeft te noemen (hier mompelen alle aanwezigen hoorbaar dien naam), hebben hem tot nadenken gebracht; en hij gevoelt dat, indien hij en Robinson thans nog persoonlijke verschillen wilden hebben, zij voor altijd datesprit de corpszouden verloochenen, hetwelk hij reden heeft te denken en te hopen dat de heeren van het kantoor van Dombey altijd heeft onderscheiden. Robinson beantwoordt dit op een mannelijken en broederlijken toon; en een heer, die drie jaren op het kantoor is geweest, in gedurig gevaar om voor rekenfouten te worden weggezonden, vertoont zich eensklaps in een geheel nieuw licht, door als het ware uit te barsten met eene treffende redevoering, waarin hij zegt: “Moge hun geëerbiedigde chef nooit weder de verwoesting kennen, die zijn huiselijken haard getroffen heeft;” en laat daar nog[359]een aantal zulke dingen op volgen, allen beginnende met “moge hij nooit,” die met eene daverende toejuiching worden beantwoord. Kortom, men slijt een allergenoegelijksten avond, alleen gestoord door een geschil tusschen twee van de jongste klerken, die ruzie krijgen over het waarschijnlijke bedrag van Carker’s jaarlijksch inkomen, elkander met de karaffen uitdagen, en zeer opgewonden naar buiten worden gebracht. Sodawater wordt des anderen daags op het kantoor algemeen gedronken, en de meesten van het gezelschap houden de rekening voor afzetterij.

Wat Perch, den kantoorlooper, betreft, hij is op weg om voor al zijn leven geruïneerd te worden. Hij staat weder gedurig in herbergen voor de toonbank, laat zich trakteeren, en liegt vreeselijk. Het blijkt dat hij ieder die in de gebeurtenis betrokken is, overal heeft ontmoet, en tot hen gezegd, “mijnheer” of “mevrouw,” naar het te pas kwam, “hoe ziet ge zoo bleek?” waarop ieder van het hoofd tot de voeten heeft gebeefd, en “o Perch!” heeft gezegd, en toen is weggeloopen. De bewustheid van deze gruwelijke logens, of de nawerking van het gedronken vocht, doet hem doorgaans in eene buitengemeene neerslachtigheid verzinken tegen dat uur van den avond, wanneer hij gewoonlijk in het gezelschap van jufvrouw Perch zijn troost gaat zoeken; en jufvrouw Perch maakt zich zeer verdrietig, daar zij vreest dat zijn vertrouwen op vrouwelijke deugd nu geschokt is, en hij half en half verwacht, als hij eens des avonds thuis komt, te zullen vinden dat zij met een lord is voortgegaan.

Dombey’s dienstboden worden te gelijker tijd zeer losbandig en ongeschikt voor een anderen dienst. Zij hebben elken avond een warmsoupertje, en “bepraten het” dan met dampende glazen op de tafel. Towlinson is na half tien altijd slijmerig, en verzoekt dikwijls, te mogen weten of hij niet gezegd heeft, dat er geen goed zou komen van het wonen in een hoekhuis. Zij fluisteren over jufvrouw Florence, en verwonderen zich waar zij is; maar zijn het te zamen eens dat, als mijnheer Dombey het niet weet, mevrouw Dombey het wel zal weten. Dit brengt hen op de laatste, van welke de keukenmeid zegt: “Zij had wel deftige manieren, niet waar? Maar zij was toch al te trotsch!” Allen stemmen toe dat zij al te trotsch was; en Towlinson’s oude liefste, de werkmeid (die zeer deugdzaam is), verzoekt dat men haar nooit weer zal spreken van menschen, die het hoofd zoo hoog opsteken, alsof de grond niet goed genoeg voor hen was.

Alles wat over de zaak gezegd en gedaan wordt, behalve door Dombey, wordt op eene gezellige manier gedaan. Dombey en de wereld zijn te zamen alleen.


Back to IndexNext