[Inhoud]LII.GEHEIME BERICHTEN.De Goede Vrouw Brown en hare dochter Alice zaten stil bij elkander in hare eigene woning. Het was vroeg in den avond en laat in het najaar. Slechts eenige dagen waren er verloopen sedert Dombey majoor Bagstock had gesproken van het zonderlinge bericht, op eene zonderlinge manier bekomen, dat misschien zou blijken valsch te zijn, of misschien waar; en de wereld was nog niet voldaan.Moeder en dochter zaten langen tijd zonder een woord te wisselen, bijna zonder zich te bewegen. Het gezicht der oude vrouw duidde gespannen verwachting en ongeduld aan; dat harer dochter insgelijks, maar in minderen graad, en somtijds betrok het alsof zij zich te leur gesteld gevoelde en ongeloovig werd. De oude vrouw bleef, zonder op deze afwisseling van uitdrukking acht te geven, hoewel zij hare dochter dikwijls aanzag, met zekere geruste overtuiging zitten mommelen en luisteren.De woning, hoewel armoedig en slecht, was niet zoo geheel ellendig als toen de Goede Vrouw Brown er alleen gehuisvest was. Men kon zien, dat er iets voor zindelijkheid en orde werd gedaan, hoewel op eene haastige, ruwe manier, welke deze pogingen een enkele blik aan de jongste der twee vrouwen moest doen toeschrijven. De avondschemering werd al donkerder en donkerder, terwijl zij zoo bij elkander zaten, tot de zwarte muren zich bijna in de heerschende duisternis verloren.Nu verbrak Alice het stilzwijgen, dat zoolang geduurd had, en zeide:“Gij kunt hem nu wel opgeven, moeder. Hij zal niet hier komen.”—“Voor den duivel niet opgeven,” antwoordde de oude vrouw ongeduldig, “Hij zal wel hier komen.”—“Wij zullen zien,” zeide Alice.—“Wij zullenhemzien,” antwoordde de moeder.—“En den jongsten dag ook,” zeide de dochter.—“Gij denkt dat ik kindsch en suf ben geworden,” krijschte de oude vrouw. “Dat is de achting en eerbied, die ik van mijne eigene dochter krijg, maar ik ben wijzer dan ge mij voor houdt. Hij zal wel komen. Toen ik hem laatst op straat bij zijn rok trok, keek hij om alsof ik eene padde was. Maar Heer, gij hadt hem eens moeten zien toen ik hunne namen noemde, en hem vroeg of hij zou willen weten waar zij waren.”—“Keek hij zoo kwaadaardig?” vroeg de dochter, in een oogenblik tot belangstelling geprikkeld.—“Kwaadaardig? Vraag liever of hij moorddadig keek. Dat lijkt er meer naar. Kwaadaardig? Ha, ha! Dat maar kwaadaardig te noemen,” zeide de oude vrouw, naar de kast strompelende en eene kaars aanstekende, waarbij men[360]nu zien kon hoe akelig leelijk zij haar mond verwrong. “Ik zou evengoeduwgezicht maar kwaadaardig kunnen noemen, als gij van hen spreekt of aan hen denkt.”Het was zeker iets anders dan dat, gelijk zij daar zat, zoo stil als eene loerende tijgerin, met hare vlammende oogen.“Luister!” zeide de oude vrouw zegevierend. “Ik hoor een stap aankomen. Het is de stap niet van iemand, die hier woont of dikwijls dezen weg komt. Wij stappen zoo niet. Wij zouden trotsch moeten wezen op zulke buren. Hoort gij hem?”—“Ik geloof dat gij gelijk hebt, moeder,” antwoordde Alice zacht. “Stil! Doe de deur open.”Terwijl zij haar doek om zich toetrok, opende de oude vrouw de deur, keek naar buiten, wenkte, en liet Dombey binnen, die, toen hij een voet over den drempel had gezet, staan bleef en wantrouwig rondkeek.“Het is een armoedig huis voor zulk een groot heer als uwe edelheid,” zeide de oude vrouw nijgende. “Dat heb ik u ook gezegd; maar daar steekt geen kwaad in.”—“Wie is dat?” zeide Dombey, naar hare gezellin ziende.—“Dat is mijne mooie dochter,” zeide de oude vrouw. “Zij behoeft uwe edelheid niet te hinderen. Zij weet er alles van.”Zijn gezicht betrok en verried zijne gedachten zoo duidelijk, alsof hij overluid gekermd had: “Wie weet er niet alles van?” maar hij zag haar toch strak aan, en zij hem niet minder strak, maar zonder eenig ander blijk dat zij zijne komst opmerkte. Zijn gezicht betrok nog donkerder, toen hij zijne oogen van haar afwendde; en naderhand dwaalden zij tersluiks weder naar haar toe, alsof haar stoute blik eene herinnering bij hem opwekte, die hem geene rust liet.“Vrouw,” zeide Dombey tot de oude heks, die dicht naast hem stond te grijnzen en te mommelen, en die, toen hij zich naar haar omkeerde, tersluiks naar hare dochter wees, en in hare handen wreef, en nog eens wees. “Vrouw, ik geloof dat ik zwak ben en eenigszins mijn stand vergeet door hier te komen, maar gij weet waarom ik kom, en wat ge mij hebt aangeboden toen ge mij op straat staande hieldt. Wat is het nu, dat ge mij te zeggen hebt aangaande datgene wat ik wensch te weten; en hoe komt het dat mij vrijwillig berichten worden aangeboden in eene hut als deze,” met een blik vol minachting om zich heen, “terwijl ik vruchteloos mijn invloed en mijne middelen heb aangewend om die te bekomen? Ik denk niet,” zeide hij, na een oogenblik zwijgens, terwijl hij haar barsch had aangezien, “dat gij vermetel genoeg zijt om mij voor den gek te willen houden, en te beproeven om mij te bedriegen. Maar als gij dat voornemens zijt, zoudt gij beter doen u nog te bedenken. Ik ben niet gezind om met mij te laten gekscheren, en de vergelding zal streng zijn.”—“Och, wees maar zoo barsch niet, mijn goede heer,” grinnikte het oude wijf, haar hoofd schuddende en hare verschrompelde handen wrijvende. “Uwe edelheid zal met uwe eigene oogen zien en met uwe eigene ooren hooren, niet met de onze—en als uwe edelheid op het spoor wordt gebracht, zult gij er immers niet op zien om er wat voor te betalen, zult ge wel, mijn lieve, goede mijnheer?”—“Geld,” antwoordde Dombey, door deze vraag gerustgesteld, naar het scheen, “kan zeer onwaarschijnlijke dingen teweegbrengen, dat weet ik. Het kan zelfs voordeel doen met middelen zoo onverwacht en weinig belovend als deze. Ja. Voor alle inlichtingen, die te vertrouwen zijn, wil ik betalen. Maar ik moet die inlichtingen eerst hebben, en zelf kunnen oordeelen wat zij waard zijn.”—“Kent zij iets, dat krachtiger is dan geld?” vroeg de jongere vrouw, zonder op te staan of van houding te veranderen.—“Hier niet, zou ik mij verbeelden,” zeide Dombey.—“Gij moest toch iets kennen dat krachtiger is, zou ik denken,” hervatte zij. “Weet gij niets van de kwaadheid van eene vrouw!”—“Gij hebt eene impertinente tong, vrouwmensch,” zeide Dombey.—“Gewoonlijk niet,” antwoordde zij, zonder eenig blijk van gemoedsbeweging. “Ik zeg u dat nu maar, opdat gij ons beter zoudt begrijpen en ons meer vertrouwen. De kwaadheid van eene vrouw is hier zoo tamelijk eveneens als in uw mooi huis. Ik ben kwaad. Ik ben dat jaren lang geweest. Ik heb evengoed reden tot kwaadheid als gij voor de uwe, en het voorwerp daarvan is dezelfde man.”Zijns ondanks maakte hij eene beweging als van schrik en zag haar verwonderd aan.“Ja,” zeide zij, met eene soort van lach. “Hoe groot de afstand tusschen ons mag schijnen, het is toch zoo. Hoe het zoo is, komt er niet op aan; dat is mijne geschiedenis, en die houd ik voor mij zelve. Ik zou u en hem bij elkander willen brengen, omdat ik woedend tegen hem ben. Mijne moeder hier is gierig en arm; en zij zou alle berichten, die zij kon krijgen, of alles en iedereen, voor geld willen verkoopen. Het is misschien billijk genoeg dat gij haar betaalt, als zij u kan helpen aan wat gij weten wilt. Maar dat is het niet wat mij drijft. Ik heb u gezegd wat het is, en dat zou mij even sterk drijven, al stondt gij met haar op een halven schelling te dingen en te knibbelen. Ik heb gedaan. Mijne impertinente tong zegt niets meer, al stondt gij hier tot morgenochtend te wachten.”De oude vrouw, die onder deze rede, welke hare verwachte winst dreigde te verkleinen, de grootste onrust had getoond, trok Dombey zachtjes bij zijne mouw en fluisterde hem toe, om zich maar niet aan haar te storen. Hij zag ze beiden beurtelings aan, met een ontsteld gezicht,[361]en zeide met eene zwaardere stem dan hij anders had:“Ga voort—wat weet gij?”—“Zoo gauw niet, edele heer! wij moeten nog naar iemand wachten,” antwoordde de oude vrouw. “Het moet eerst iemand uitgeknepen—uit de keel gehaald—afgepijnigd worden.”—“Wat meent gij?” zeide Dombey.—“Geduld!” krijschte zij, en legde hare hand, als een klauw, op zijn arm. “Geduld. Ik zal het er wel uitkrijgen. Ik weet dat ik dat wel kan. Als hij het voor mij wilde achterhouden,” zeide de Goede Vrouw Brown, hare tien vingers krommende, “zou ik het hem uit de keel krabben.”Dombey volgde haar met zijne oogen, terwijl zij naar de deur strompelde en weder buiten keek; toen zocht zijn blik de dochter op; maar zij bleef zwijgend en roerloos zitten, en scheen niet op hem te letten.“Zegt gij mij, vrouw,” zeide hij, toen Vrouw Brown terugkwam, en haar hoofd schudde en bij zich zelve mompelde, “dat er nog iemand hier wordt gewacht?”—“Ja,” zeide de oude vrouw, naar hem opziende en knikkende.—“Van wien gij de berichten moet bekomen, die mij van dienst zullen zijn?”—“Ja,” zeide de oude vrouw, wederom knikkende.—“Een vreemdeling?”—“St!” zeide de oude vrouw, met een schellen lach. “Wat maakt dat uit? Maar neen. Geen vreemdeling voor uwe edelheid. Maar hij zal u niet zien. Dan zou hij bang worden en niet willen praten. Gij zult daar achter die deur zelf over hem oordeelen. Wij vragen u niet, dat gij ons op goed vertrouwen zult gelooven. Wat! Uwe edelheid twijfelt aan de kamer achter die deur? O, hoe achterdochtig zijn die rijke lieden toch! Zie dan maar eerst.”Hare scherpe oogen hadden eene onwillekeurige uitdrukking bij hem ontdekt van een gevoel, dat onder zulke omstandigheden niet onnatuurlijk was. Om hem gerust te stellen ging zij nu met de kaars naar de deur waarvan zij sprak. Dombey keek binnen, zag dat het eene ledige kamer was, en gaf haar een wenk om het licht weder op zijne plaats te zetten.“Hoelang zal het nog duren,” zeide hij, “eer die persoon komt?”—“Niet lang,” antwoordde zij. “Wil uwe edelheid niet even gaan zitten?”Het blijkt dat hij ieder, die in de gebeurtenis betrokken is, overal heeft ontmoet, en tot hen gezegd, “mijnheer” of “mevrouw,” naar het te pas kwam, “hoe ziet ge zoo bleek?” waarop ieder van het hoofd tot de voeten heeft gebeefd, en “o Perch!” heeft gezegd, en toen is weggeloopen. (blz. 359).Het blijkt dat hij ieder, die in de gebeurtenis betrokken is, overal heeft ontmoet, en tot hen gezegd, “mijnheer” of “mevrouw,” naar het te pas kwam, “hoe ziet ge zoo bleek?” waarop ieder van het hoofd tot de voeten heeft gebeefd, en “o Perch!” heeft gezegd, en toen is weggeloopen.(blz. 359).Hij gaf geen antwoord, maar begon de kamer op en neer te stappen met een voorkomen,[362]alsof hij niet recht wist of hij zou blijven of heengaan, en alsof hij eenigszins op zich zelven ontevreden was, dat hij daar was gekomen. Maar weldra werd zijn tred langzamer en zwaarder en zijn gezicht strakker, alsof het doel, waarmede hij daar gekomen was, hem weder voor den geest kwam.Terwijl hij zoo met op den grond gevestigde oogen op en neer stapte, zat Vrouw Brown op den stoel, waarvan zij was opgestaan om hem te ontvangen, opnieuw te luisteren. Het eentonige geluid zijner schreden, of haar ouderdom, maakte haar zoo traag van gehoor, dat hare dochter reeds eene poos op een voetstap buiten de deur had gelet en haastig opkeek om hare moeder te waarschuwen dat hij nader kwam, eer de oude vrouw er iets van bespeurde. Maar toen stond zij schielijk op, en fluisterende: “Daar is hij!” bracht zij haar bezoeker haastig naar de andere kamer, waarna zij nog eene flesch en een glas op de tafel zette, alles met zooveel spoed, dat zij gereed was om Rob den Slijper, zoodra hij de deur inkwam, haar armen om den hals te slaan.“En daar is toch eindelijk mijn allerliefste jongen!” riep zij. “Oho, oho. Ge zijt toch waarlijk als een eigen zoon voor mij, Robby!”—“Och, laat staan, Vrouw Brown!” pruttelde de Slijper. “Kunt ge niet van een jongen houden, zonder hem zoo te knijpen en half te wurgen! Pas toch op de vogelkooi, die ik draag!”—“Hij denkt om eene vogelkooi meer dan om mij?” riep het oude wijf, alsof zij het woord tot den zolder richtte. “Meer dan om mij, die meer dan eene moeder voor hem gevoel.”—“Ik ben u waarlijk wel dankbaar, Vrouw Brown,” zeide de ongelukkige jonkman, zeer knorrig; “maar ge zijt zoo jaloersch. Ik houd zelf heel veel van u, en dat alles, natuurlijk; maar ik versmoor u toch niet, Vrouw Brown?”Hij keek en sprak evenwel, alsof hij er lang niet tegen zou gehad hebben om dit, bij voorkomende gelegenheid, werkelijk te doen.“En dan van vogelkooien te spreken,” jankte de Slijper, “alsof daar kwaad in stak! Wel, zie eens hier. Weet ge wel van wien dat is?”—“Van uw meester, lieve jongen?” zeide de oude vrouw grijnzende.—“Ja,” antwoordde de Slijper, terwijl hij eene groote kooi, in een doek geknoopt, op de tafel zette, en den doek met handen en tanden begon los te maken. “Het is onze papegaai.”—“Mijn Carker’s papegaai, Rob?”—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown,” antwoordde de getergde Slijper. “Wat behoeft gij namen te noemen? Ik mag gezegend wezen,” zeide Rob, in zijne wreveligheid met beide handen aan zijne haren trekkende, “als zij niet in staat is om een jongen razend te maken!”—“Wat, geeft ge mij kwade woorden, ondankbare jongen!” riep het oude wijf, dat zich gereed had gehouden om op te stuiven.—“Och mijn hemeltje, neen, Vrouw Brown!” antwoordde de Slijper met tranen in de oogen. “Is er ooit iemand zoo—Houd ik dan niet veelvanu, Vrouw Brown?”—“Doet ge, lieve Rob? Doet ge waarlijk, hartepitje?” Daarmede sloot Vrouw Brown hem nog eens in hare teedere armen, en liet hem niet los voordat hij geweldig van zich af begon te schoppen.—“Och Heere,” zeide de Slijper, “wat is het toch, zoo met hartelijkheid overladen te worden! Ik wou dat ze—Hoe hebt gij het gemaakt, Vrouw Brown?”—“Ja, niet hier geweest sedert van avond voor acht dagen,” zeide de oude vrouw, hem met een blik van verwijt aanziende.—“Wel, mijn hemel, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper, “ik heb immers vandaag voor acht dagen gezegd, dat ik van avond hier zou komen, heb ik niet? En nu ben ik hier. Wat slaat ge weer door! Ik wou dat ge redelijk waart, Vrouw Brown. Ik ben schor van het praten, zooveel als ik mij verdedigen moet, en mijn gezicht blinkt van het zoenen.” Hij wreef het hard met zijne mouw, als om er dien glans af te krijgen.—“Drink een droppeltje om u te troosten, mijn Robin,” zeide de oude vrouw, het glas uit de flesch vol schenkende en hem overgevende.—“Bedankt, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper. “Uwe gezondheid. Lang moogt gij, enz.” Hetgeen, naar de uitdrukking zijner trekken te oordeelen, geen zegenwensch bevatte. “En dat isharegezondheid,” zeide de Slijper met een blik naar Alice, die, naar het hem voorkwam, met strakke oogen naar den muur achter hem zat te staren, maar werkelijk naar Dombey, dien zij door de half opene deur kon zien, “en dat zij nog veel en nog dikwijls—”Met deze twee toasten had hij zijn glas geledigd, en zette hij het weder neer.“Wel, ik zeg, Vrouw Brown!” vervolgde hij. “Om nu wat verstandigs te praten. Gij hebt verstand van vogels en weet ze te behandelen, gelijk ik tot mijn koste weet.”—“Koste!” herhaalde Vrouw Brown.—“Voordeel, meen ik,” antwoordde de Slijper. “Hoe kunt ge zoo tegen een jongen uitvallen, Vrouw Brown. Gij hebt alles weer uit mijn hoofd gebracht.”—“Verstand van vogels, Robby,” zeide de oude vrouw herinnerend.—“Ja,” zeide de Slijper. “Wel, ik moet op dien papegaai passen—want er wordt zeker huishouden opgebroken en zekere dingen worden verkocht—en daar ik dat vooreerst niet wilde geweten hebben, wou ik dat gij hem voor eene week of zoo bij u naamt en den kost gaaft—wilt ge? Als ik toch hier moet komen,” zeide de Slijper met een peinzend gezicht, “mag ik wel iets hebben waar ik om kom!”—“Iets waar hij om komt!” gilde de oude vrouw.—“Behalve u, meen ik, Vrouw Brown,” antwoordde de laffe Rob. “Niet dat ik iets anders noodig heb om mij te lokken dan[363]u, Vrouw Brown. Waarlijk niet. Begin maar niet weer, om alle goedheid!”—“Hij geeft niet om mij!” riep Vrouw Brown, hare beenderige handen opstekende. “Maar ik zal toch op zijn papegaai passen.”—“En pas er goed op ook, weet ge, Vrouw Brown,” zeide Rob, zijn hoofd schuddende. “Als gij maar eens zijne veeren den verkeerden kant mocht opstrijken, geloof ik dat het ontdekt zou worden.”—“Is hij zoo slim, Rob?” zeide Vrouw Brown snel.—“Slim, Vrouw Brown!” herhaalde Rob. “Maar dat is geen ding om van te praten.”Zich eensklaps stuitende (niet zonder een vreesachtigen blik in het rond) schonk Rob zijn glas nog eens vol, en nadat hij het langzaam geledigd had, schudde hij zijn hoofd en begon met zijne vingers over de traliën der papegaaiskooi te strijken, bij wijze van afleiding van het gevaarlijke onderwerp, dat zoo even was aangeroerd.De oude vrouw hield hem scherp in het oog, en haar stoel wat nader bij den zijnen schuivende, en naar den papegaai kijkende, die op haar lokken uit zijn vergulden hoepel naar beneden kwam, zeide zij:“Buiten dienst nu, Robby?”—“Kan u immers niet schelen, Vrouw Brown,” antwoordde Rob kortaf.—“Op kostgeld misschien, Rob?” zeide Vrouw Brown.—“Kopje krauwen!” zeide de Slijper.De oude vrouw wierp hem een blik toe, die hem had kunnen waarschuwen dat zijne ooren in gevaar verkeerden, maar het was nu zijne beurt om naar den papegaai te kijken, en hoewel hij zich hare gramschap wel kon verbeelden, werd die niet door zijne lichamelijke oogen waargenomen.“Het verwondert mij, dat uw meester u niet heeft meegenomen, Rob,” zeide de oude vrouw met eene fleemende stem, maar met toenemende kwaadaardigheid in haar uitzicht.Rob was zoo verdiept in de beschouwing van den papegaai en in het vermaak om met zijn voorvinger over de traliën te ratelen, dat hij geen antwoord gaf.De oude vrouw had hare kromme vingers eene haarbreedte boven zijn ruigen haarbos; maar zij bedwong zich en zeide, bijna stikkende van het geweld om hare stem vriendelijk te houden:“Robby, mijn kind.”—“Wel, Vrouw Brown?” zeide de Slijper.—“Ik zeg, het verwondert mij dat uw meester u niet heeft meegenomen, lieve jongen.”—“Dat kan u immers niet schelen, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper.Dadelijk had Vrouw Brown de rechterhand in zijne haren en de linker aan zijne keel, en klemde zij het voorwerp harer teedere liefde met zulk eene woede vast, dat zijn gezicht oogenblikkelijk blauw begon te worden.“Vrouw Brown!” schreeuwde de Slijper. “Laat los! Wat doet ge! Help mij toch, jonge jufvrouw! Vrouw Bro—Bro—!”Alice—de bedoelde jonge jufvrouw—hield zich echter geheel onzijdig, totdat Rob, na al worstelende in een hoek te zijn geraakt, zich losmaakte, en daar, achter zijne eigene ellebogen verschanst, bleef staan hijgen, terwijl het oude wijf, insgelijks hijgende, en van woede stampvoetende, hare krachten scheen te verzamelen voor een tweeden aanval. In deze crisis kwam Alice tusschen beide, maar niet ter gunste van den Slijper, en zeide:“Wel gedaan, moeder. Scheur hem in stukken!”—“Wat,” stotterde Rob huilende, “zijt gij ook tegen mij? Wat heb ik u gedaan? Waarom moet ik in stukken gescheurd worden—dat zou ik wel willen weten? Waarom moet gij een jongen willen wurgen, die u geen van beiden ooit eenig kwaad heeft gedaan? En gij wilt nog al vrouwen heeten!” zeide de ontstelde Slijper, zijne oogen wrijvende. “Ik sta verbaasd over u! Waar is uwe vrouwelijke zachtheid?”—“Gij ondankbare hond!” beet Vrouw Brown hem toe. “Gij onbeschaamde, boosaardige rekel!”—“Wat heb ik dan gedaan dat gij kwalijk kunt nemen, Vrouw Brown?” antwoordde de behuilde Rob. “Een oogenblik geleden hieldt ge nog zooveel van mij.”—“Mij af te snauwen met zijne korte en norsche antwoorden!” zeide de oude vrouw. “Mij! Mij op den schopstoel te durven zetten, omdat ik uit enkele nieuwsgierigheid een praatje wil maken over zijn meester en de dame! Maar ik zal niet meer met u praten, jongetje! Ga nu maar heen!”—“Waarachtig, Vrouw Brown,” antwoordde de laaghartige Slijper, “ik heb nooit te kennen gegeven dat ik wilde heengaan. Praat toch zoo niet, Vrouw Brown, als het u belieft.”—“Ik wil geheel niet meer praten,” zeide Vrouw Brown, met eene beweging harer kromme vingers, die hem nog dichter in den hoek deed kruipen. “Geen woord met hem zal mij meer uit den mond komen. Het is een ondankbare hond. Ik verzaak hem. Laat hij nu maar gaan. Ik zal hem anderen nazenden, die wel te veel zullen praten, die zich niet zullen laten afsnauwen; die hem als bloedzuigers zullen aankleven, en als vossen nasluipen. Hij kent ze wel. Hij kent zijne oude streken en kameraads wel. Als hij ze vergeten is, zullen zij ze hem gauw weer te binnen brengen. Laat hij nu maar gaan, en zien hoe hij op zijn meesters zaken zal passen, en zijn meesters geheimen bewaren, als hij zulk gezelschap altijd bij zich heeft. Ha, ha! Hij zal dan andere lieden vinden dan u en mij, Ally, al houdt hij zich zoo dicht voor ons. Laat hij nu maar gaan, laat hij nu maar gaan!”Tot onbeschrijfelijken angst van den Slijper, bleef het kromme oude wijf, onder een aanhoudend herhalen van deze woorden, om hem[364]heen draaien in een kring van omtrent vier voet middellijn, terwijl zij hare vuist boven zijn hoofd schudde en haar mond in allerlei leelijke bochten wrong.“Vrouw Brown,” pleitte Rob, een weinigje uit zijn hoek komende, “gij zoudt toch zeker een armen jongen niet willen benadeelen, als gij u beter hebt bedacht en bedaard zijt geworden, zoudt ge wel?”—“Spreek niet tegen mij,” zeide Vrouw Brown, nog eveneens haar kring beschrijvende. “Laat hij nu maar gaan, laat hij nu maar gaan!”—“Vrouw Brown,” hervatte de gemartelde Slijper, “ik had niet gemeend—O, wat is het toch als een jongen eens zoover komt!—Ik was maar voorzichtig om te praten, Vrouw Brown, omdat ik dat altijd ben, omdat hij alles kan te weten komen; maar ik had wel kunnen weten dat het niet verder zou gaan. Ik heb waarlijk zelf grooten lust,” met een allerjammerlijkst gezicht, “om een beetje te praten, Vrouw Brown. Ga toch zoo niet te werk, als het u belieft. Och, zoudt gij niet zoo goed willen zijn om een woordje voor een armen jongen te spreken?” zeide de Slijper, zich wanhopig op de dochter beroepende.—“Kom, moeder, gij hoort wat hij zegt,” viel zij met hare stroeve stem en eene ongeduldige beweging van haar hoofd er op in. “Probeer het nog eens met hem, en als gij weer ongenoegen met hem krijgt, ruïneer hem dan en laat hem loopen.”Vrouw Brown, door deze teerhartige vermaning bewogen, naar het scheen, begon te huilen; en trapsgewijze vermurwd, sloot zij den boetvaardigen Slijper in hare armen, die haar met een zeer benauwd gezicht nogmaals en nogmaals verschooning verzocht, en zich eindelijk, als een weerloos slachtoffer, weder op zijne vorige plaats zette, dicht naast zijne eerwaardige vriendin, welke hij, met een gezicht, waarop de tegenstrijdigste uitdrukkingen elkander afwisselden, toeliet om haar arm door den zijnen te steken en hem zoo vast te houden.“En hoe vaart uw meester, lieve jongen?” zeide Vrouw Brown, nadat zij, in deze vriendschappelijke houding gezeten, elkander nog eens hadden toegedronken.—“St! Als gij zoo goed wilt zijn om een beetje zachter te spreken, Vrouw Brown,” smeekte Rob. “Wel, hij is tamelijk wel, dankje, zou ik denken.”—“Gij zijt toch niet buiten dienst, Robby?” zeide Vrouw Brown op een fleemenden toon.—“Wel, eigenlijk niet buiten dienst, en ook niet in dienst,” stotterde Rob. “Ik—ik trek nog mijn geld, Vrouw Brown.”—“En behoeft daarvoor niets te doen, Rob?”—“Niets bijzonders tegenwoordig, Vrouw Brown, behalve—mijne oogen openhouden,” zeide de Slijper en liet zijne oogen angstig rondgaan.—“Meester buitenslands, Rob?”—“Om alle goedheid. Vrouw Brown, zoudt ge niet van wat anders een praatje kunnen maken?” riep de Slijper met eene uitbarsting van wanhoop uit.Daar de ongeduldige Vrouw Brown dadelijk opstond, hield de gemartelde Slijper haar vast, en stotterde: “Ja, ja, Vrouw Brown. Ik geloof dat hij buitenslands is. Waar kijkt zij zoo naar?” voegde hij er bij, op de dochter doelende, wier oogen gevestigd waren op het gezicht, dat nu achter hem kwam uitkijken.—“Stoor u niet aan haar, jongen,” zeide de oude vrouw, hem steviger vasthoudende, om te beletten dat hij omzag. “Dat is hare manier zoo. Zeg mij, Rob—hebt gij ooit de dame gezien, lieve jongen?”—“Och, Vrouw Brown, welke dame?” riep de Slijper op een jammerlijken smeektoon.—“Welke dame?” antwoordde zij bits. “De dame. Mevrouw Dombey.”—“Ja, ik geloof dat ik haar eens gezien heb,” antwoordde Rob.—“Dien avond toen zij heenging, Robby, he?” beet de oude vrouw hem in het oor, en lette op elke verandering van zijn gezicht. “Ja, ik weet wel dat het dien avond was.”—“Wel, als gij wist dat het dien avond was, Vrouw Brown,” antwoordde Rob, “dan behoeft gij een jongen ook zoo niet te knijpen, om het hem nog eens te laten zeggen.”—“Waar zijn zij dien avond naar toe gegaan, Rob? Hoe gingen zij? Lachte ze of huilde ze? Vertel mij alles er van,” zeide de oude heks, hem nog stijver vasthoudende, en de hand, die door haar arm getrokken was, met hare andere hand knijpende, terwijl zij hem strak in het gezicht keek. “Kom! Begin! Ik wil er alles van weten. Wat zegt ge, Rob, mijn jongen? Gij en ik kunnen samen wel een geheim bewaren. Dat hebben wij wel meer gedaan. Waar zijn zij eerst naar toe gegaan?”De rampzalige Slijper deed hijgend zijn mond open, maar zweeg.“Zijt gij stom geworden?” zeide het oude wijf gramstorig.—“Wel neen, Vrouw Brown. Maar gij denkt, dat een jongen een bliksemstraal zal zijn. Ik wou, dat ik de electriciteit zelve was,” mompelde de benauwde Slijper. “Dan zou ik iemand een schok geven, daar zij haar bekomst aan zou hebben.”—“Wat zegt gij?” vroeg het oude wijf grijnzende.—“Dat ik eens op uwe gezondheid wou drinken, Vrouw Brown,” antwoordde de valsche Rob, zijn troost in het glas zoekende. “Waar zij eerst naar toe gingen, vraagt ge. Hij en zij, meent ge?”—“Ja,” zeide de oude vrouw gretig. “Die twee.”—“Wel, zij gingen nergens naar toe—niet te zamen, wil ik zeggen.”Het oude wijf zag hem aan alsof zij veel lust had om hem nog eens bij het haar en de keel te grijpen; maar zij liet zich weerhouden door zekere knorrige geheimzinnigheid in zijn uitzicht.“Dat was het slimme er van,” zeide de tegenstribbelende Slijper. “Zoo komt het, dat niemand[365]hen heeft zien heengaan, of heeft kunnen zeggen hoe zij heengegaan zijn. Zij gingen ieder een anderen weg, Vrouw Brown.”—“Ja, ja! Om op eene afgesprokene plaats bij elkander te komen,” zeide het oude wijfgrinnikend, nadat zij hem een oogenblik scherp had aangezien.—“Wel, als zij elkander niet ergens wilden opzoeken, dunkt mij, dat zij evengoed thuis hadden kunnen blijven, nietwaar, Vrouw Brown?” antwoordde de onwillige Slijper.—“Wel, Rob? Wat meer?” zeide het oude wijf, zijn arm nog verder door den haren trekkende, alsof zij bang was dat hij haar nu zou ontglippen.—“Wat, hebben wij nog niet genoeg gepraat, Vrouw Brown?” zeide Rob, die van angst en door den drank zoo huilerig was geworden, dat hij bijna geen woord kon spreken, zonder zijn opslag in zijn oog te duwen en een jankend geluid te laten hooren. “Of zij dien avond lachte, niet waar? Hebt gij niet gevraagd of zij lachte, Vrouw Brown?”—“Of huilde?” zeide het oude wijf toestemmend knikkende.—“Geen van beide,” zeide de Slijper. “Zij hield zich zoo stijf, den geheelen weg—och, ik zie wel dat gij mij wilt uitpersen, Vrouw Brown. Maar gij moet er eerst een duren eed op doen, dat gij het nooit iemand zult vertellen.”Vrouw Brown deed dit zeer bereidwillig,gelijkzij gerust kon doen, daar zij nietsandersbedoelde dan den verborgen luisteraar alles zelf te laten hooren.“Wel dan, den geheelen weg over, toen ik met haar naarSouthamptonreed, hield zij zich zoo stijf als een steenen beeld,” zeide de Slijper. “Den anderen ochtend nog eveneens, Vrouw Brown. En toen ik voor den dag met haar naar de pakketboot ging—ik alsof ik haar knecht was, die haar veilig aan boord moest brengen—was zij ook nog zoo. Zijt gij nu tevreden, Vrouw Brown?”—“Neen, Rob, nog niet,” antwoordde Vrouw Brown kortaf.—“Hoor die vrouw nu eens aan!” riep de Slijper jammerend uit. “Wat wilt ge dan nog meer weten, Vrouw Brown?”—“Waar is uw meester gebleven? Waar ging hij naar toe?” vroeg zij, hem nog stevig vasthoudende en scherp aanziende.—“Bij mijne ziel, dat weet ik niet, Vrouw Brown,” antwoordde Rob. “Bij mijne ziel, ik weet niet wat hij gedaan heeft, of waar hij naar toe ging, of iets van hem. Ik weet alleen wat hij mij op het laatst nog heeft gezegd, om mij te waarschuwen dat ik mijn mond moest houden; en ik zeg u dit, Vrouw Brown, als een vriend: veel liever dan ooit een woord te vertellen van wat wij nu praten, moest gij u zelve liever doodschieten, of u zelve hier in huis opsluiten en het in brand steken, want er is niets dat hij niet doen zou om wraak op u te nemen. Gij kent hem niet half zoo goed als ik, Vrouw Brown. Gij zijt nooit veilig voor hem, zeg ik u.”—“Heb ik geen eed gedaan,” zeide het oude wijf, “en zal ik dien niet houden?”—“Nu, ik hoop waarachtig dat ge dat doen zult, Vrouw Brown,” antwoordde Rob eenigszins twijfelachtig, en niet zonder iets dreigends in zijn toon. “In uw eigen belang, zoowel als in het mijne.”Hij zag haar aan terwijl hij haar deze vriendelijke waarschuwing gaf, die hij nog met een hoofdknik aandrong; maar daar hij het onpleizierig vond dat gele grijnzende gezicht en de scherpe loerende oogen zoo dichtbij te zien, keek hij weder naar omlaag, en bleef onrustig op zijn stoel zitten heen en weder schuiven, alsof hij zijn best deed om zich op te winden tot eene stugge verklaring, dat hij nu geene vragen meer wilde beantwoorden. De oude vrouw, die hem nog stevig vasthield nam deze gelegenheid waar om ongemerkt haar voorvinger op te steken, als een geheim teeken voor den verborgen luisteraar om bijzonder op te letten op hetgeen er nu zou volgen.“Rob,” zeide zij op haar fleemenden toon.—“Lieve hemel, Vrouw Brown, wat is er nu weer?” zeide de radelooze Slijper.—“Rob, waar hebben de dame en uw meester afgesproken om elkander te vinden?”Rob schoof nog onrustiger heen en weer, keek op en weder naar omlaag, beet op zijn duim, veegde dien op zijn vest af, en zeide eindelijk, zijn plaaggeest schuins aanziende: “Hoe zouikdat weten, Vrouw Brown?”De oude vrouw stak nog eens haar vinger op en zeide: “Kom, jongen. Nu gij zooveel gezegd hebt, moet ge mij er niet bij laten steken. Ik wil het weten.”Rob liet haar eene poos op antwoord wachten en barstte toen radeloos uit: “Hoe kan ik de namen van die vreemde plaatsen uitspreken, Vrouw Brown? Wat zijt ge toch onredelijk!”—“Maar gij hebt het toch gehoord, Robby,” hervatte zij dringend, “en hoe klonk het? Kom aan!”—“Ik heb het nooit gehoord, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper.—“Dan,” hervatte zij snel, “hebt gij het geschreven gezien en kunt het spellen.”Met een wreveligen uitroep, tusschen lachen en huilen—want hij moest de slimheid van Vrouw Brown eenigszins bewonderen, hoe erg zij hem ook kwelde—haalde Rob een stukje krijt uit zijn vestzakje. De oogen van het oude wijf begonnen te schitteren toen zij het tusschen zijn duim en vinger zag blinken, en haastig ruimte makende op de vurenhouten tafel, om hem het woord daar te laten schrijven, gaf zij met hare bevende hand nog eens het vorige teeken.“Nu zeg ik u vooruit hoe het is, Vrouw Brown,” zeide Rob. “Gij behoeft mij nu niets meer te vragen. Ik wil op niets meer antwoord geven, en kan ook niet. Hoelang het nog duren[366]moest eer zij elkander vonden, of wie het bedacht dat zij ieder alleen zouden gaan, daarvan weet ik niet meer dan gij. Ik weet er nu niets meer van. Als ik u nu nog zeg hoe ik dat woord gevonden heb, zult gij dat wel gelooven. Zal ik u dat zeggen, Vrouw Brown?”—“Ja, Rob.”—“Welnu dan, Vrouw Brown. Maar dan moet ge mij niets meer vragen, weet ge?” zeide Rob, haar aanziende met oogen, die nu dof en slaperig begonnen te worden.—“Geen woord meer,” zeide Vrouw Brown.—“Wel, het was dan op deze manier. Toen zeker iemand de dame bij mij liet, gaf hij haar een papiertje met een geschreven adres, in geval zij het vergeten mocht, zeide hij. Maar zij was niet bang om het te vergeten, want zij verscheurde het zoodra hij zijn rug had gekeerd en toen ik de trede van het rijtuig opsloeg vond ik een van de stukjes—de andere gooide zij uit het portier, denk ik, want ik vond er naderhand niet meer, hoewel ik er naar zocht. Er stond maar één woord op, en dat was dit, als gij het dan moet en zult weten. Maar onthoud, gij hebt een eed gedaan, Vrouw Brown.”Vrouw Brown wist dat wel, zeide zij, en Rob, die nu niets meer te zeggen had, begon langzaam en stijf op de tafel te schrijven.“D,” zeide de oude vrouw hardop, toen hij die letter gezet had.—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown?” riep hij, de letter met zijne hand bedekkende en zich driftig naar haar omkeerende. “Ik wil het zoo niet gelezen hebben. Houd u stil, hoort gij?”—“Schrijf dan wat groot, Rob,” antwoordde zij, haar geheim teeken herhalende, “want mijne oogen zijn niet goed meer, zelfs voor de drukletters.”Onvergenoegd mompelende, ging Rob met blijkbaren tegenzin weder aan het werk. Terwijl hij laag met zijn hoofd bukte, kwam de man, tot wiens inlichting hij zonder het te weten arbeidde, achter de deur vandaan tot dicht achter hem, en keek over zijn schouder naar zijne op de tafel voortkruipende hand. Te gelijk gaf Alice, van haar stoel aan de overzijde, oplettend acht hoe die hand de letters vormde, en sprak zij elke letter met hare lippen uit, maar zonder geluid te laten hooren. Telkens sloeg zij hare oogen naar Dombey op en zag deze naar haar, alsof zij wederkeerig door elkander bevestigd wilden worden, en zoo spelden zij beide: D. I. J. O. N.“Daar!” zeide de Slijper, haastig zijne handpalm nat makende, om het woord weder uit te vegen; en nog niet met dat uitvegen tevreden, de tafel met zijne mouw boenende, tot zelfs het wit van het krijt niet meer op de planken te zien was. “Nu hoop ik dat ge tevreden zijt, Vrouw Brown!”Ten teeken dat zij dit was, liet de oude vrouw zijn arm los en klopte hem op zijn rug; en de Slijper, door verdrietelijkheid, inspanning en den drank overweldigd, sloeg zijne armen op de tafel over elkander, liet zijn hoofd daarop neerzakken en viel in slaap.Niet voordat hij eenigen tijd had geslapen en rustig snorkte, keerde de oude vrouw zich naar de deur, waarachter Dombey zich weder verborgen had, en wenkte zij hem om de kamer door te komen en heen te gaan. Zelfs toen bleef zij bij Rob staan oppassen, gereed om hem hare handen voor de oogen te houden, of zijn hoofd op de tafel neer te duwen, als hij het mocht opheffen, terwijl die voorzichtige voetstap de kamer doorging. Maar hoewel zij scherp op den slapende lette, zij lette niet minder scherp op den wakende; en toen hij hare hand met de zijne aanraakte en in weerwil van zijne voorzichtigheid een gouden klank liet hooren, schitterden hare oogen als die van eene raaf.De donkere blik der dochter volgde hem naar de deur, en zag wel hoe bleek hij was, en hoe zijn haastige tred aanduidde, dat het minste vertoef hem onuitstaanbaar was, en hoe hij brandde van ongeduld om maar op weg te zijn. Toen hij de deur achter zich sloot, zag zij naar hare moeder om. Het oude wijf kwam snel naar haar toe, opende hare hand om te laten zien wat zij er in had, kneep ze in hare gierigheid terstond weder dicht en fluisterde:“Wat zal hij nu doen, Ally?”—“Een ongeluk,” zeide de dochter.—“Een moord?” vroeg de oude vrouw.—“Hij is dol genoeg in zijn gekwetsten trots, zoover wij kunnen zeggen, of hij zelf kan zeggen.”Haar blik was nog vuriger dan die harer moeder, maar haar gezicht was geheel kleurloos, tot hare lippen toe.Zij spraken niet meer, maar bleven van elkander afgezonderd zitten; de moeder telde haar geld, de dochter verdiepte zich in hare gedachten; beider oogen flikkerden in de duisternis der flauw verlichte kamer. Rob snorkte. De papegaai, op welken niemand lette, was de eenige die zich bewoog. Hij plukte en rukte met zijn krommen bek aan de traliën zijner kooi, enklauterdeals eene vlieg langs het koepeldak, en met den kop vooruit weder naar omlaag, en scheen dol van ongeduld om uit te breken, alsof hij het gevaar van zijn meester kende, en naar hem toe wilde vliegen om hem te waarschuwen.
[Inhoud]LII.GEHEIME BERICHTEN.De Goede Vrouw Brown en hare dochter Alice zaten stil bij elkander in hare eigene woning. Het was vroeg in den avond en laat in het najaar. Slechts eenige dagen waren er verloopen sedert Dombey majoor Bagstock had gesproken van het zonderlinge bericht, op eene zonderlinge manier bekomen, dat misschien zou blijken valsch te zijn, of misschien waar; en de wereld was nog niet voldaan.Moeder en dochter zaten langen tijd zonder een woord te wisselen, bijna zonder zich te bewegen. Het gezicht der oude vrouw duidde gespannen verwachting en ongeduld aan; dat harer dochter insgelijks, maar in minderen graad, en somtijds betrok het alsof zij zich te leur gesteld gevoelde en ongeloovig werd. De oude vrouw bleef, zonder op deze afwisseling van uitdrukking acht te geven, hoewel zij hare dochter dikwijls aanzag, met zekere geruste overtuiging zitten mommelen en luisteren.De woning, hoewel armoedig en slecht, was niet zoo geheel ellendig als toen de Goede Vrouw Brown er alleen gehuisvest was. Men kon zien, dat er iets voor zindelijkheid en orde werd gedaan, hoewel op eene haastige, ruwe manier, welke deze pogingen een enkele blik aan de jongste der twee vrouwen moest doen toeschrijven. De avondschemering werd al donkerder en donkerder, terwijl zij zoo bij elkander zaten, tot de zwarte muren zich bijna in de heerschende duisternis verloren.Nu verbrak Alice het stilzwijgen, dat zoolang geduurd had, en zeide:“Gij kunt hem nu wel opgeven, moeder. Hij zal niet hier komen.”—“Voor den duivel niet opgeven,” antwoordde de oude vrouw ongeduldig, “Hij zal wel hier komen.”—“Wij zullen zien,” zeide Alice.—“Wij zullenhemzien,” antwoordde de moeder.—“En den jongsten dag ook,” zeide de dochter.—“Gij denkt dat ik kindsch en suf ben geworden,” krijschte de oude vrouw. “Dat is de achting en eerbied, die ik van mijne eigene dochter krijg, maar ik ben wijzer dan ge mij voor houdt. Hij zal wel komen. Toen ik hem laatst op straat bij zijn rok trok, keek hij om alsof ik eene padde was. Maar Heer, gij hadt hem eens moeten zien toen ik hunne namen noemde, en hem vroeg of hij zou willen weten waar zij waren.”—“Keek hij zoo kwaadaardig?” vroeg de dochter, in een oogenblik tot belangstelling geprikkeld.—“Kwaadaardig? Vraag liever of hij moorddadig keek. Dat lijkt er meer naar. Kwaadaardig? Ha, ha! Dat maar kwaadaardig te noemen,” zeide de oude vrouw, naar de kast strompelende en eene kaars aanstekende, waarbij men[360]nu zien kon hoe akelig leelijk zij haar mond verwrong. “Ik zou evengoeduwgezicht maar kwaadaardig kunnen noemen, als gij van hen spreekt of aan hen denkt.”Het was zeker iets anders dan dat, gelijk zij daar zat, zoo stil als eene loerende tijgerin, met hare vlammende oogen.“Luister!” zeide de oude vrouw zegevierend. “Ik hoor een stap aankomen. Het is de stap niet van iemand, die hier woont of dikwijls dezen weg komt. Wij stappen zoo niet. Wij zouden trotsch moeten wezen op zulke buren. Hoort gij hem?”—“Ik geloof dat gij gelijk hebt, moeder,” antwoordde Alice zacht. “Stil! Doe de deur open.”Terwijl zij haar doek om zich toetrok, opende de oude vrouw de deur, keek naar buiten, wenkte, en liet Dombey binnen, die, toen hij een voet over den drempel had gezet, staan bleef en wantrouwig rondkeek.“Het is een armoedig huis voor zulk een groot heer als uwe edelheid,” zeide de oude vrouw nijgende. “Dat heb ik u ook gezegd; maar daar steekt geen kwaad in.”—“Wie is dat?” zeide Dombey, naar hare gezellin ziende.—“Dat is mijne mooie dochter,” zeide de oude vrouw. “Zij behoeft uwe edelheid niet te hinderen. Zij weet er alles van.”Zijn gezicht betrok en verried zijne gedachten zoo duidelijk, alsof hij overluid gekermd had: “Wie weet er niet alles van?” maar hij zag haar toch strak aan, en zij hem niet minder strak, maar zonder eenig ander blijk dat zij zijne komst opmerkte. Zijn gezicht betrok nog donkerder, toen hij zijne oogen van haar afwendde; en naderhand dwaalden zij tersluiks weder naar haar toe, alsof haar stoute blik eene herinnering bij hem opwekte, die hem geene rust liet.“Vrouw,” zeide Dombey tot de oude heks, die dicht naast hem stond te grijnzen en te mommelen, en die, toen hij zich naar haar omkeerde, tersluiks naar hare dochter wees, en in hare handen wreef, en nog eens wees. “Vrouw, ik geloof dat ik zwak ben en eenigszins mijn stand vergeet door hier te komen, maar gij weet waarom ik kom, en wat ge mij hebt aangeboden toen ge mij op straat staande hieldt. Wat is het nu, dat ge mij te zeggen hebt aangaande datgene wat ik wensch te weten; en hoe komt het dat mij vrijwillig berichten worden aangeboden in eene hut als deze,” met een blik vol minachting om zich heen, “terwijl ik vruchteloos mijn invloed en mijne middelen heb aangewend om die te bekomen? Ik denk niet,” zeide hij, na een oogenblik zwijgens, terwijl hij haar barsch had aangezien, “dat gij vermetel genoeg zijt om mij voor den gek te willen houden, en te beproeven om mij te bedriegen. Maar als gij dat voornemens zijt, zoudt gij beter doen u nog te bedenken. Ik ben niet gezind om met mij te laten gekscheren, en de vergelding zal streng zijn.”—“Och, wees maar zoo barsch niet, mijn goede heer,” grinnikte het oude wijf, haar hoofd schuddende en hare verschrompelde handen wrijvende. “Uwe edelheid zal met uwe eigene oogen zien en met uwe eigene ooren hooren, niet met de onze—en als uwe edelheid op het spoor wordt gebracht, zult gij er immers niet op zien om er wat voor te betalen, zult ge wel, mijn lieve, goede mijnheer?”—“Geld,” antwoordde Dombey, door deze vraag gerustgesteld, naar het scheen, “kan zeer onwaarschijnlijke dingen teweegbrengen, dat weet ik. Het kan zelfs voordeel doen met middelen zoo onverwacht en weinig belovend als deze. Ja. Voor alle inlichtingen, die te vertrouwen zijn, wil ik betalen. Maar ik moet die inlichtingen eerst hebben, en zelf kunnen oordeelen wat zij waard zijn.”—“Kent zij iets, dat krachtiger is dan geld?” vroeg de jongere vrouw, zonder op te staan of van houding te veranderen.—“Hier niet, zou ik mij verbeelden,” zeide Dombey.—“Gij moest toch iets kennen dat krachtiger is, zou ik denken,” hervatte zij. “Weet gij niets van de kwaadheid van eene vrouw!”—“Gij hebt eene impertinente tong, vrouwmensch,” zeide Dombey.—“Gewoonlijk niet,” antwoordde zij, zonder eenig blijk van gemoedsbeweging. “Ik zeg u dat nu maar, opdat gij ons beter zoudt begrijpen en ons meer vertrouwen. De kwaadheid van eene vrouw is hier zoo tamelijk eveneens als in uw mooi huis. Ik ben kwaad. Ik ben dat jaren lang geweest. Ik heb evengoed reden tot kwaadheid als gij voor de uwe, en het voorwerp daarvan is dezelfde man.”Zijns ondanks maakte hij eene beweging als van schrik en zag haar verwonderd aan.“Ja,” zeide zij, met eene soort van lach. “Hoe groot de afstand tusschen ons mag schijnen, het is toch zoo. Hoe het zoo is, komt er niet op aan; dat is mijne geschiedenis, en die houd ik voor mij zelve. Ik zou u en hem bij elkander willen brengen, omdat ik woedend tegen hem ben. Mijne moeder hier is gierig en arm; en zij zou alle berichten, die zij kon krijgen, of alles en iedereen, voor geld willen verkoopen. Het is misschien billijk genoeg dat gij haar betaalt, als zij u kan helpen aan wat gij weten wilt. Maar dat is het niet wat mij drijft. Ik heb u gezegd wat het is, en dat zou mij even sterk drijven, al stondt gij met haar op een halven schelling te dingen en te knibbelen. Ik heb gedaan. Mijne impertinente tong zegt niets meer, al stondt gij hier tot morgenochtend te wachten.”De oude vrouw, die onder deze rede, welke hare verwachte winst dreigde te verkleinen, de grootste onrust had getoond, trok Dombey zachtjes bij zijne mouw en fluisterde hem toe, om zich maar niet aan haar te storen. Hij zag ze beiden beurtelings aan, met een ontsteld gezicht,[361]en zeide met eene zwaardere stem dan hij anders had:“Ga voort—wat weet gij?”—“Zoo gauw niet, edele heer! wij moeten nog naar iemand wachten,” antwoordde de oude vrouw. “Het moet eerst iemand uitgeknepen—uit de keel gehaald—afgepijnigd worden.”—“Wat meent gij?” zeide Dombey.—“Geduld!” krijschte zij, en legde hare hand, als een klauw, op zijn arm. “Geduld. Ik zal het er wel uitkrijgen. Ik weet dat ik dat wel kan. Als hij het voor mij wilde achterhouden,” zeide de Goede Vrouw Brown, hare tien vingers krommende, “zou ik het hem uit de keel krabben.”Dombey volgde haar met zijne oogen, terwijl zij naar de deur strompelde en weder buiten keek; toen zocht zijn blik de dochter op; maar zij bleef zwijgend en roerloos zitten, en scheen niet op hem te letten.“Zegt gij mij, vrouw,” zeide hij, toen Vrouw Brown terugkwam, en haar hoofd schudde en bij zich zelve mompelde, “dat er nog iemand hier wordt gewacht?”—“Ja,” zeide de oude vrouw, naar hem opziende en knikkende.—“Van wien gij de berichten moet bekomen, die mij van dienst zullen zijn?”—“Ja,” zeide de oude vrouw, wederom knikkende.—“Een vreemdeling?”—“St!” zeide de oude vrouw, met een schellen lach. “Wat maakt dat uit? Maar neen. Geen vreemdeling voor uwe edelheid. Maar hij zal u niet zien. Dan zou hij bang worden en niet willen praten. Gij zult daar achter die deur zelf over hem oordeelen. Wij vragen u niet, dat gij ons op goed vertrouwen zult gelooven. Wat! Uwe edelheid twijfelt aan de kamer achter die deur? O, hoe achterdochtig zijn die rijke lieden toch! Zie dan maar eerst.”Hare scherpe oogen hadden eene onwillekeurige uitdrukking bij hem ontdekt van een gevoel, dat onder zulke omstandigheden niet onnatuurlijk was. Om hem gerust te stellen ging zij nu met de kaars naar de deur waarvan zij sprak. Dombey keek binnen, zag dat het eene ledige kamer was, en gaf haar een wenk om het licht weder op zijne plaats te zetten.“Hoelang zal het nog duren,” zeide hij, “eer die persoon komt?”—“Niet lang,” antwoordde zij. “Wil uwe edelheid niet even gaan zitten?”Het blijkt dat hij ieder, die in de gebeurtenis betrokken is, overal heeft ontmoet, en tot hen gezegd, “mijnheer” of “mevrouw,” naar het te pas kwam, “hoe ziet ge zoo bleek?” waarop ieder van het hoofd tot de voeten heeft gebeefd, en “o Perch!” heeft gezegd, en toen is weggeloopen. (blz. 359).Het blijkt dat hij ieder, die in de gebeurtenis betrokken is, overal heeft ontmoet, en tot hen gezegd, “mijnheer” of “mevrouw,” naar het te pas kwam, “hoe ziet ge zoo bleek?” waarop ieder van het hoofd tot de voeten heeft gebeefd, en “o Perch!” heeft gezegd, en toen is weggeloopen.(blz. 359).Hij gaf geen antwoord, maar begon de kamer op en neer te stappen met een voorkomen,[362]alsof hij niet recht wist of hij zou blijven of heengaan, en alsof hij eenigszins op zich zelven ontevreden was, dat hij daar was gekomen. Maar weldra werd zijn tred langzamer en zwaarder en zijn gezicht strakker, alsof het doel, waarmede hij daar gekomen was, hem weder voor den geest kwam.Terwijl hij zoo met op den grond gevestigde oogen op en neer stapte, zat Vrouw Brown op den stoel, waarvan zij was opgestaan om hem te ontvangen, opnieuw te luisteren. Het eentonige geluid zijner schreden, of haar ouderdom, maakte haar zoo traag van gehoor, dat hare dochter reeds eene poos op een voetstap buiten de deur had gelet en haastig opkeek om hare moeder te waarschuwen dat hij nader kwam, eer de oude vrouw er iets van bespeurde. Maar toen stond zij schielijk op, en fluisterende: “Daar is hij!” bracht zij haar bezoeker haastig naar de andere kamer, waarna zij nog eene flesch en een glas op de tafel zette, alles met zooveel spoed, dat zij gereed was om Rob den Slijper, zoodra hij de deur inkwam, haar armen om den hals te slaan.“En daar is toch eindelijk mijn allerliefste jongen!” riep zij. “Oho, oho. Ge zijt toch waarlijk als een eigen zoon voor mij, Robby!”—“Och, laat staan, Vrouw Brown!” pruttelde de Slijper. “Kunt ge niet van een jongen houden, zonder hem zoo te knijpen en half te wurgen! Pas toch op de vogelkooi, die ik draag!”—“Hij denkt om eene vogelkooi meer dan om mij?” riep het oude wijf, alsof zij het woord tot den zolder richtte. “Meer dan om mij, die meer dan eene moeder voor hem gevoel.”—“Ik ben u waarlijk wel dankbaar, Vrouw Brown,” zeide de ongelukkige jonkman, zeer knorrig; “maar ge zijt zoo jaloersch. Ik houd zelf heel veel van u, en dat alles, natuurlijk; maar ik versmoor u toch niet, Vrouw Brown?”Hij keek en sprak evenwel, alsof hij er lang niet tegen zou gehad hebben om dit, bij voorkomende gelegenheid, werkelijk te doen.“En dan van vogelkooien te spreken,” jankte de Slijper, “alsof daar kwaad in stak! Wel, zie eens hier. Weet ge wel van wien dat is?”—“Van uw meester, lieve jongen?” zeide de oude vrouw grijnzende.—“Ja,” antwoordde de Slijper, terwijl hij eene groote kooi, in een doek geknoopt, op de tafel zette, en den doek met handen en tanden begon los te maken. “Het is onze papegaai.”—“Mijn Carker’s papegaai, Rob?”—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown,” antwoordde de getergde Slijper. “Wat behoeft gij namen te noemen? Ik mag gezegend wezen,” zeide Rob, in zijne wreveligheid met beide handen aan zijne haren trekkende, “als zij niet in staat is om een jongen razend te maken!”—“Wat, geeft ge mij kwade woorden, ondankbare jongen!” riep het oude wijf, dat zich gereed had gehouden om op te stuiven.—“Och mijn hemeltje, neen, Vrouw Brown!” antwoordde de Slijper met tranen in de oogen. “Is er ooit iemand zoo—Houd ik dan niet veelvanu, Vrouw Brown?”—“Doet ge, lieve Rob? Doet ge waarlijk, hartepitje?” Daarmede sloot Vrouw Brown hem nog eens in hare teedere armen, en liet hem niet los voordat hij geweldig van zich af begon te schoppen.—“Och Heere,” zeide de Slijper, “wat is het toch, zoo met hartelijkheid overladen te worden! Ik wou dat ze—Hoe hebt gij het gemaakt, Vrouw Brown?”—“Ja, niet hier geweest sedert van avond voor acht dagen,” zeide de oude vrouw, hem met een blik van verwijt aanziende.—“Wel, mijn hemel, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper, “ik heb immers vandaag voor acht dagen gezegd, dat ik van avond hier zou komen, heb ik niet? En nu ben ik hier. Wat slaat ge weer door! Ik wou dat ge redelijk waart, Vrouw Brown. Ik ben schor van het praten, zooveel als ik mij verdedigen moet, en mijn gezicht blinkt van het zoenen.” Hij wreef het hard met zijne mouw, als om er dien glans af te krijgen.—“Drink een droppeltje om u te troosten, mijn Robin,” zeide de oude vrouw, het glas uit de flesch vol schenkende en hem overgevende.—“Bedankt, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper. “Uwe gezondheid. Lang moogt gij, enz.” Hetgeen, naar de uitdrukking zijner trekken te oordeelen, geen zegenwensch bevatte. “En dat isharegezondheid,” zeide de Slijper met een blik naar Alice, die, naar het hem voorkwam, met strakke oogen naar den muur achter hem zat te staren, maar werkelijk naar Dombey, dien zij door de half opene deur kon zien, “en dat zij nog veel en nog dikwijls—”Met deze twee toasten had hij zijn glas geledigd, en zette hij het weder neer.“Wel, ik zeg, Vrouw Brown!” vervolgde hij. “Om nu wat verstandigs te praten. Gij hebt verstand van vogels en weet ze te behandelen, gelijk ik tot mijn koste weet.”—“Koste!” herhaalde Vrouw Brown.—“Voordeel, meen ik,” antwoordde de Slijper. “Hoe kunt ge zoo tegen een jongen uitvallen, Vrouw Brown. Gij hebt alles weer uit mijn hoofd gebracht.”—“Verstand van vogels, Robby,” zeide de oude vrouw herinnerend.—“Ja,” zeide de Slijper. “Wel, ik moet op dien papegaai passen—want er wordt zeker huishouden opgebroken en zekere dingen worden verkocht—en daar ik dat vooreerst niet wilde geweten hebben, wou ik dat gij hem voor eene week of zoo bij u naamt en den kost gaaft—wilt ge? Als ik toch hier moet komen,” zeide de Slijper met een peinzend gezicht, “mag ik wel iets hebben waar ik om kom!”—“Iets waar hij om komt!” gilde de oude vrouw.—“Behalve u, meen ik, Vrouw Brown,” antwoordde de laffe Rob. “Niet dat ik iets anders noodig heb om mij te lokken dan[363]u, Vrouw Brown. Waarlijk niet. Begin maar niet weer, om alle goedheid!”—“Hij geeft niet om mij!” riep Vrouw Brown, hare beenderige handen opstekende. “Maar ik zal toch op zijn papegaai passen.”—“En pas er goed op ook, weet ge, Vrouw Brown,” zeide Rob, zijn hoofd schuddende. “Als gij maar eens zijne veeren den verkeerden kant mocht opstrijken, geloof ik dat het ontdekt zou worden.”—“Is hij zoo slim, Rob?” zeide Vrouw Brown snel.—“Slim, Vrouw Brown!” herhaalde Rob. “Maar dat is geen ding om van te praten.”Zich eensklaps stuitende (niet zonder een vreesachtigen blik in het rond) schonk Rob zijn glas nog eens vol, en nadat hij het langzaam geledigd had, schudde hij zijn hoofd en begon met zijne vingers over de traliën der papegaaiskooi te strijken, bij wijze van afleiding van het gevaarlijke onderwerp, dat zoo even was aangeroerd.De oude vrouw hield hem scherp in het oog, en haar stoel wat nader bij den zijnen schuivende, en naar den papegaai kijkende, die op haar lokken uit zijn vergulden hoepel naar beneden kwam, zeide zij:“Buiten dienst nu, Robby?”—“Kan u immers niet schelen, Vrouw Brown,” antwoordde Rob kortaf.—“Op kostgeld misschien, Rob?” zeide Vrouw Brown.—“Kopje krauwen!” zeide de Slijper.De oude vrouw wierp hem een blik toe, die hem had kunnen waarschuwen dat zijne ooren in gevaar verkeerden, maar het was nu zijne beurt om naar den papegaai te kijken, en hoewel hij zich hare gramschap wel kon verbeelden, werd die niet door zijne lichamelijke oogen waargenomen.“Het verwondert mij, dat uw meester u niet heeft meegenomen, Rob,” zeide de oude vrouw met eene fleemende stem, maar met toenemende kwaadaardigheid in haar uitzicht.Rob was zoo verdiept in de beschouwing van den papegaai en in het vermaak om met zijn voorvinger over de traliën te ratelen, dat hij geen antwoord gaf.De oude vrouw had hare kromme vingers eene haarbreedte boven zijn ruigen haarbos; maar zij bedwong zich en zeide, bijna stikkende van het geweld om hare stem vriendelijk te houden:“Robby, mijn kind.”—“Wel, Vrouw Brown?” zeide de Slijper.—“Ik zeg, het verwondert mij dat uw meester u niet heeft meegenomen, lieve jongen.”—“Dat kan u immers niet schelen, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper.Dadelijk had Vrouw Brown de rechterhand in zijne haren en de linker aan zijne keel, en klemde zij het voorwerp harer teedere liefde met zulk eene woede vast, dat zijn gezicht oogenblikkelijk blauw begon te worden.“Vrouw Brown!” schreeuwde de Slijper. “Laat los! Wat doet ge! Help mij toch, jonge jufvrouw! Vrouw Bro—Bro—!”Alice—de bedoelde jonge jufvrouw—hield zich echter geheel onzijdig, totdat Rob, na al worstelende in een hoek te zijn geraakt, zich losmaakte, en daar, achter zijne eigene ellebogen verschanst, bleef staan hijgen, terwijl het oude wijf, insgelijks hijgende, en van woede stampvoetende, hare krachten scheen te verzamelen voor een tweeden aanval. In deze crisis kwam Alice tusschen beide, maar niet ter gunste van den Slijper, en zeide:“Wel gedaan, moeder. Scheur hem in stukken!”—“Wat,” stotterde Rob huilende, “zijt gij ook tegen mij? Wat heb ik u gedaan? Waarom moet ik in stukken gescheurd worden—dat zou ik wel willen weten? Waarom moet gij een jongen willen wurgen, die u geen van beiden ooit eenig kwaad heeft gedaan? En gij wilt nog al vrouwen heeten!” zeide de ontstelde Slijper, zijne oogen wrijvende. “Ik sta verbaasd over u! Waar is uwe vrouwelijke zachtheid?”—“Gij ondankbare hond!” beet Vrouw Brown hem toe. “Gij onbeschaamde, boosaardige rekel!”—“Wat heb ik dan gedaan dat gij kwalijk kunt nemen, Vrouw Brown?” antwoordde de behuilde Rob. “Een oogenblik geleden hieldt ge nog zooveel van mij.”—“Mij af te snauwen met zijne korte en norsche antwoorden!” zeide de oude vrouw. “Mij! Mij op den schopstoel te durven zetten, omdat ik uit enkele nieuwsgierigheid een praatje wil maken over zijn meester en de dame! Maar ik zal niet meer met u praten, jongetje! Ga nu maar heen!”—“Waarachtig, Vrouw Brown,” antwoordde de laaghartige Slijper, “ik heb nooit te kennen gegeven dat ik wilde heengaan. Praat toch zoo niet, Vrouw Brown, als het u belieft.”—“Ik wil geheel niet meer praten,” zeide Vrouw Brown, met eene beweging harer kromme vingers, die hem nog dichter in den hoek deed kruipen. “Geen woord met hem zal mij meer uit den mond komen. Het is een ondankbare hond. Ik verzaak hem. Laat hij nu maar gaan. Ik zal hem anderen nazenden, die wel te veel zullen praten, die zich niet zullen laten afsnauwen; die hem als bloedzuigers zullen aankleven, en als vossen nasluipen. Hij kent ze wel. Hij kent zijne oude streken en kameraads wel. Als hij ze vergeten is, zullen zij ze hem gauw weer te binnen brengen. Laat hij nu maar gaan, en zien hoe hij op zijn meesters zaken zal passen, en zijn meesters geheimen bewaren, als hij zulk gezelschap altijd bij zich heeft. Ha, ha! Hij zal dan andere lieden vinden dan u en mij, Ally, al houdt hij zich zoo dicht voor ons. Laat hij nu maar gaan, laat hij nu maar gaan!”Tot onbeschrijfelijken angst van den Slijper, bleef het kromme oude wijf, onder een aanhoudend herhalen van deze woorden, om hem[364]heen draaien in een kring van omtrent vier voet middellijn, terwijl zij hare vuist boven zijn hoofd schudde en haar mond in allerlei leelijke bochten wrong.“Vrouw Brown,” pleitte Rob, een weinigje uit zijn hoek komende, “gij zoudt toch zeker een armen jongen niet willen benadeelen, als gij u beter hebt bedacht en bedaard zijt geworden, zoudt ge wel?”—“Spreek niet tegen mij,” zeide Vrouw Brown, nog eveneens haar kring beschrijvende. “Laat hij nu maar gaan, laat hij nu maar gaan!”—“Vrouw Brown,” hervatte de gemartelde Slijper, “ik had niet gemeend—O, wat is het toch als een jongen eens zoover komt!—Ik was maar voorzichtig om te praten, Vrouw Brown, omdat ik dat altijd ben, omdat hij alles kan te weten komen; maar ik had wel kunnen weten dat het niet verder zou gaan. Ik heb waarlijk zelf grooten lust,” met een allerjammerlijkst gezicht, “om een beetje te praten, Vrouw Brown. Ga toch zoo niet te werk, als het u belieft. Och, zoudt gij niet zoo goed willen zijn om een woordje voor een armen jongen te spreken?” zeide de Slijper, zich wanhopig op de dochter beroepende.—“Kom, moeder, gij hoort wat hij zegt,” viel zij met hare stroeve stem en eene ongeduldige beweging van haar hoofd er op in. “Probeer het nog eens met hem, en als gij weer ongenoegen met hem krijgt, ruïneer hem dan en laat hem loopen.”Vrouw Brown, door deze teerhartige vermaning bewogen, naar het scheen, begon te huilen; en trapsgewijze vermurwd, sloot zij den boetvaardigen Slijper in hare armen, die haar met een zeer benauwd gezicht nogmaals en nogmaals verschooning verzocht, en zich eindelijk, als een weerloos slachtoffer, weder op zijne vorige plaats zette, dicht naast zijne eerwaardige vriendin, welke hij, met een gezicht, waarop de tegenstrijdigste uitdrukkingen elkander afwisselden, toeliet om haar arm door den zijnen te steken en hem zoo vast te houden.“En hoe vaart uw meester, lieve jongen?” zeide Vrouw Brown, nadat zij, in deze vriendschappelijke houding gezeten, elkander nog eens hadden toegedronken.—“St! Als gij zoo goed wilt zijn om een beetje zachter te spreken, Vrouw Brown,” smeekte Rob. “Wel, hij is tamelijk wel, dankje, zou ik denken.”—“Gij zijt toch niet buiten dienst, Robby?” zeide Vrouw Brown op een fleemenden toon.—“Wel, eigenlijk niet buiten dienst, en ook niet in dienst,” stotterde Rob. “Ik—ik trek nog mijn geld, Vrouw Brown.”—“En behoeft daarvoor niets te doen, Rob?”—“Niets bijzonders tegenwoordig, Vrouw Brown, behalve—mijne oogen openhouden,” zeide de Slijper en liet zijne oogen angstig rondgaan.—“Meester buitenslands, Rob?”—“Om alle goedheid. Vrouw Brown, zoudt ge niet van wat anders een praatje kunnen maken?” riep de Slijper met eene uitbarsting van wanhoop uit.Daar de ongeduldige Vrouw Brown dadelijk opstond, hield de gemartelde Slijper haar vast, en stotterde: “Ja, ja, Vrouw Brown. Ik geloof dat hij buitenslands is. Waar kijkt zij zoo naar?” voegde hij er bij, op de dochter doelende, wier oogen gevestigd waren op het gezicht, dat nu achter hem kwam uitkijken.—“Stoor u niet aan haar, jongen,” zeide de oude vrouw, hem steviger vasthoudende, om te beletten dat hij omzag. “Dat is hare manier zoo. Zeg mij, Rob—hebt gij ooit de dame gezien, lieve jongen?”—“Och, Vrouw Brown, welke dame?” riep de Slijper op een jammerlijken smeektoon.—“Welke dame?” antwoordde zij bits. “De dame. Mevrouw Dombey.”—“Ja, ik geloof dat ik haar eens gezien heb,” antwoordde Rob.—“Dien avond toen zij heenging, Robby, he?” beet de oude vrouw hem in het oor, en lette op elke verandering van zijn gezicht. “Ja, ik weet wel dat het dien avond was.”—“Wel, als gij wist dat het dien avond was, Vrouw Brown,” antwoordde Rob, “dan behoeft gij een jongen ook zoo niet te knijpen, om het hem nog eens te laten zeggen.”—“Waar zijn zij dien avond naar toe gegaan, Rob? Hoe gingen zij? Lachte ze of huilde ze? Vertel mij alles er van,” zeide de oude heks, hem nog stijver vasthoudende, en de hand, die door haar arm getrokken was, met hare andere hand knijpende, terwijl zij hem strak in het gezicht keek. “Kom! Begin! Ik wil er alles van weten. Wat zegt ge, Rob, mijn jongen? Gij en ik kunnen samen wel een geheim bewaren. Dat hebben wij wel meer gedaan. Waar zijn zij eerst naar toe gegaan?”De rampzalige Slijper deed hijgend zijn mond open, maar zweeg.“Zijt gij stom geworden?” zeide het oude wijf gramstorig.—“Wel neen, Vrouw Brown. Maar gij denkt, dat een jongen een bliksemstraal zal zijn. Ik wou, dat ik de electriciteit zelve was,” mompelde de benauwde Slijper. “Dan zou ik iemand een schok geven, daar zij haar bekomst aan zou hebben.”—“Wat zegt gij?” vroeg het oude wijf grijnzende.—“Dat ik eens op uwe gezondheid wou drinken, Vrouw Brown,” antwoordde de valsche Rob, zijn troost in het glas zoekende. “Waar zij eerst naar toe gingen, vraagt ge. Hij en zij, meent ge?”—“Ja,” zeide de oude vrouw gretig. “Die twee.”—“Wel, zij gingen nergens naar toe—niet te zamen, wil ik zeggen.”Het oude wijf zag hem aan alsof zij veel lust had om hem nog eens bij het haar en de keel te grijpen; maar zij liet zich weerhouden door zekere knorrige geheimzinnigheid in zijn uitzicht.“Dat was het slimme er van,” zeide de tegenstribbelende Slijper. “Zoo komt het, dat niemand[365]hen heeft zien heengaan, of heeft kunnen zeggen hoe zij heengegaan zijn. Zij gingen ieder een anderen weg, Vrouw Brown.”—“Ja, ja! Om op eene afgesprokene plaats bij elkander te komen,” zeide het oude wijfgrinnikend, nadat zij hem een oogenblik scherp had aangezien.—“Wel, als zij elkander niet ergens wilden opzoeken, dunkt mij, dat zij evengoed thuis hadden kunnen blijven, nietwaar, Vrouw Brown?” antwoordde de onwillige Slijper.—“Wel, Rob? Wat meer?” zeide het oude wijf, zijn arm nog verder door den haren trekkende, alsof zij bang was dat hij haar nu zou ontglippen.—“Wat, hebben wij nog niet genoeg gepraat, Vrouw Brown?” zeide Rob, die van angst en door den drank zoo huilerig was geworden, dat hij bijna geen woord kon spreken, zonder zijn opslag in zijn oog te duwen en een jankend geluid te laten hooren. “Of zij dien avond lachte, niet waar? Hebt gij niet gevraagd of zij lachte, Vrouw Brown?”—“Of huilde?” zeide het oude wijf toestemmend knikkende.—“Geen van beide,” zeide de Slijper. “Zij hield zich zoo stijf, den geheelen weg—och, ik zie wel dat gij mij wilt uitpersen, Vrouw Brown. Maar gij moet er eerst een duren eed op doen, dat gij het nooit iemand zult vertellen.”Vrouw Brown deed dit zeer bereidwillig,gelijkzij gerust kon doen, daar zij nietsandersbedoelde dan den verborgen luisteraar alles zelf te laten hooren.“Wel dan, den geheelen weg over, toen ik met haar naarSouthamptonreed, hield zij zich zoo stijf als een steenen beeld,” zeide de Slijper. “Den anderen ochtend nog eveneens, Vrouw Brown. En toen ik voor den dag met haar naar de pakketboot ging—ik alsof ik haar knecht was, die haar veilig aan boord moest brengen—was zij ook nog zoo. Zijt gij nu tevreden, Vrouw Brown?”—“Neen, Rob, nog niet,” antwoordde Vrouw Brown kortaf.—“Hoor die vrouw nu eens aan!” riep de Slijper jammerend uit. “Wat wilt ge dan nog meer weten, Vrouw Brown?”—“Waar is uw meester gebleven? Waar ging hij naar toe?” vroeg zij, hem nog stevig vasthoudende en scherp aanziende.—“Bij mijne ziel, dat weet ik niet, Vrouw Brown,” antwoordde Rob. “Bij mijne ziel, ik weet niet wat hij gedaan heeft, of waar hij naar toe ging, of iets van hem. Ik weet alleen wat hij mij op het laatst nog heeft gezegd, om mij te waarschuwen dat ik mijn mond moest houden; en ik zeg u dit, Vrouw Brown, als een vriend: veel liever dan ooit een woord te vertellen van wat wij nu praten, moest gij u zelve liever doodschieten, of u zelve hier in huis opsluiten en het in brand steken, want er is niets dat hij niet doen zou om wraak op u te nemen. Gij kent hem niet half zoo goed als ik, Vrouw Brown. Gij zijt nooit veilig voor hem, zeg ik u.”—“Heb ik geen eed gedaan,” zeide het oude wijf, “en zal ik dien niet houden?”—“Nu, ik hoop waarachtig dat ge dat doen zult, Vrouw Brown,” antwoordde Rob eenigszins twijfelachtig, en niet zonder iets dreigends in zijn toon. “In uw eigen belang, zoowel als in het mijne.”Hij zag haar aan terwijl hij haar deze vriendelijke waarschuwing gaf, die hij nog met een hoofdknik aandrong; maar daar hij het onpleizierig vond dat gele grijnzende gezicht en de scherpe loerende oogen zoo dichtbij te zien, keek hij weder naar omlaag, en bleef onrustig op zijn stoel zitten heen en weder schuiven, alsof hij zijn best deed om zich op te winden tot eene stugge verklaring, dat hij nu geene vragen meer wilde beantwoorden. De oude vrouw, die hem nog stevig vasthield nam deze gelegenheid waar om ongemerkt haar voorvinger op te steken, als een geheim teeken voor den verborgen luisteraar om bijzonder op te letten op hetgeen er nu zou volgen.“Rob,” zeide zij op haar fleemenden toon.—“Lieve hemel, Vrouw Brown, wat is er nu weer?” zeide de radelooze Slijper.—“Rob, waar hebben de dame en uw meester afgesproken om elkander te vinden?”Rob schoof nog onrustiger heen en weer, keek op en weder naar omlaag, beet op zijn duim, veegde dien op zijn vest af, en zeide eindelijk, zijn plaaggeest schuins aanziende: “Hoe zouikdat weten, Vrouw Brown?”De oude vrouw stak nog eens haar vinger op en zeide: “Kom, jongen. Nu gij zooveel gezegd hebt, moet ge mij er niet bij laten steken. Ik wil het weten.”Rob liet haar eene poos op antwoord wachten en barstte toen radeloos uit: “Hoe kan ik de namen van die vreemde plaatsen uitspreken, Vrouw Brown? Wat zijt ge toch onredelijk!”—“Maar gij hebt het toch gehoord, Robby,” hervatte zij dringend, “en hoe klonk het? Kom aan!”—“Ik heb het nooit gehoord, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper.—“Dan,” hervatte zij snel, “hebt gij het geschreven gezien en kunt het spellen.”Met een wreveligen uitroep, tusschen lachen en huilen—want hij moest de slimheid van Vrouw Brown eenigszins bewonderen, hoe erg zij hem ook kwelde—haalde Rob een stukje krijt uit zijn vestzakje. De oogen van het oude wijf begonnen te schitteren toen zij het tusschen zijn duim en vinger zag blinken, en haastig ruimte makende op de vurenhouten tafel, om hem het woord daar te laten schrijven, gaf zij met hare bevende hand nog eens het vorige teeken.“Nu zeg ik u vooruit hoe het is, Vrouw Brown,” zeide Rob. “Gij behoeft mij nu niets meer te vragen. Ik wil op niets meer antwoord geven, en kan ook niet. Hoelang het nog duren[366]moest eer zij elkander vonden, of wie het bedacht dat zij ieder alleen zouden gaan, daarvan weet ik niet meer dan gij. Ik weet er nu niets meer van. Als ik u nu nog zeg hoe ik dat woord gevonden heb, zult gij dat wel gelooven. Zal ik u dat zeggen, Vrouw Brown?”—“Ja, Rob.”—“Welnu dan, Vrouw Brown. Maar dan moet ge mij niets meer vragen, weet ge?” zeide Rob, haar aanziende met oogen, die nu dof en slaperig begonnen te worden.—“Geen woord meer,” zeide Vrouw Brown.—“Wel, het was dan op deze manier. Toen zeker iemand de dame bij mij liet, gaf hij haar een papiertje met een geschreven adres, in geval zij het vergeten mocht, zeide hij. Maar zij was niet bang om het te vergeten, want zij verscheurde het zoodra hij zijn rug had gekeerd en toen ik de trede van het rijtuig opsloeg vond ik een van de stukjes—de andere gooide zij uit het portier, denk ik, want ik vond er naderhand niet meer, hoewel ik er naar zocht. Er stond maar één woord op, en dat was dit, als gij het dan moet en zult weten. Maar onthoud, gij hebt een eed gedaan, Vrouw Brown.”Vrouw Brown wist dat wel, zeide zij, en Rob, die nu niets meer te zeggen had, begon langzaam en stijf op de tafel te schrijven.“D,” zeide de oude vrouw hardop, toen hij die letter gezet had.—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown?” riep hij, de letter met zijne hand bedekkende en zich driftig naar haar omkeerende. “Ik wil het zoo niet gelezen hebben. Houd u stil, hoort gij?”—“Schrijf dan wat groot, Rob,” antwoordde zij, haar geheim teeken herhalende, “want mijne oogen zijn niet goed meer, zelfs voor de drukletters.”Onvergenoegd mompelende, ging Rob met blijkbaren tegenzin weder aan het werk. Terwijl hij laag met zijn hoofd bukte, kwam de man, tot wiens inlichting hij zonder het te weten arbeidde, achter de deur vandaan tot dicht achter hem, en keek over zijn schouder naar zijne op de tafel voortkruipende hand. Te gelijk gaf Alice, van haar stoel aan de overzijde, oplettend acht hoe die hand de letters vormde, en sprak zij elke letter met hare lippen uit, maar zonder geluid te laten hooren. Telkens sloeg zij hare oogen naar Dombey op en zag deze naar haar, alsof zij wederkeerig door elkander bevestigd wilden worden, en zoo spelden zij beide: D. I. J. O. N.“Daar!” zeide de Slijper, haastig zijne handpalm nat makende, om het woord weder uit te vegen; en nog niet met dat uitvegen tevreden, de tafel met zijne mouw boenende, tot zelfs het wit van het krijt niet meer op de planken te zien was. “Nu hoop ik dat ge tevreden zijt, Vrouw Brown!”Ten teeken dat zij dit was, liet de oude vrouw zijn arm los en klopte hem op zijn rug; en de Slijper, door verdrietelijkheid, inspanning en den drank overweldigd, sloeg zijne armen op de tafel over elkander, liet zijn hoofd daarop neerzakken en viel in slaap.Niet voordat hij eenigen tijd had geslapen en rustig snorkte, keerde de oude vrouw zich naar de deur, waarachter Dombey zich weder verborgen had, en wenkte zij hem om de kamer door te komen en heen te gaan. Zelfs toen bleef zij bij Rob staan oppassen, gereed om hem hare handen voor de oogen te houden, of zijn hoofd op de tafel neer te duwen, als hij het mocht opheffen, terwijl die voorzichtige voetstap de kamer doorging. Maar hoewel zij scherp op den slapende lette, zij lette niet minder scherp op den wakende; en toen hij hare hand met de zijne aanraakte en in weerwil van zijne voorzichtigheid een gouden klank liet hooren, schitterden hare oogen als die van eene raaf.De donkere blik der dochter volgde hem naar de deur, en zag wel hoe bleek hij was, en hoe zijn haastige tred aanduidde, dat het minste vertoef hem onuitstaanbaar was, en hoe hij brandde van ongeduld om maar op weg te zijn. Toen hij de deur achter zich sloot, zag zij naar hare moeder om. Het oude wijf kwam snel naar haar toe, opende hare hand om te laten zien wat zij er in had, kneep ze in hare gierigheid terstond weder dicht en fluisterde:“Wat zal hij nu doen, Ally?”—“Een ongeluk,” zeide de dochter.—“Een moord?” vroeg de oude vrouw.—“Hij is dol genoeg in zijn gekwetsten trots, zoover wij kunnen zeggen, of hij zelf kan zeggen.”Haar blik was nog vuriger dan die harer moeder, maar haar gezicht was geheel kleurloos, tot hare lippen toe.Zij spraken niet meer, maar bleven van elkander afgezonderd zitten; de moeder telde haar geld, de dochter verdiepte zich in hare gedachten; beider oogen flikkerden in de duisternis der flauw verlichte kamer. Rob snorkte. De papegaai, op welken niemand lette, was de eenige die zich bewoog. Hij plukte en rukte met zijn krommen bek aan de traliën zijner kooi, enklauterdeals eene vlieg langs het koepeldak, en met den kop vooruit weder naar omlaag, en scheen dol van ongeduld om uit te breken, alsof hij het gevaar van zijn meester kende, en naar hem toe wilde vliegen om hem te waarschuwen.
LII.GEHEIME BERICHTEN.
De Goede Vrouw Brown en hare dochter Alice zaten stil bij elkander in hare eigene woning. Het was vroeg in den avond en laat in het najaar. Slechts eenige dagen waren er verloopen sedert Dombey majoor Bagstock had gesproken van het zonderlinge bericht, op eene zonderlinge manier bekomen, dat misschien zou blijken valsch te zijn, of misschien waar; en de wereld was nog niet voldaan.Moeder en dochter zaten langen tijd zonder een woord te wisselen, bijna zonder zich te bewegen. Het gezicht der oude vrouw duidde gespannen verwachting en ongeduld aan; dat harer dochter insgelijks, maar in minderen graad, en somtijds betrok het alsof zij zich te leur gesteld gevoelde en ongeloovig werd. De oude vrouw bleef, zonder op deze afwisseling van uitdrukking acht te geven, hoewel zij hare dochter dikwijls aanzag, met zekere geruste overtuiging zitten mommelen en luisteren.De woning, hoewel armoedig en slecht, was niet zoo geheel ellendig als toen de Goede Vrouw Brown er alleen gehuisvest was. Men kon zien, dat er iets voor zindelijkheid en orde werd gedaan, hoewel op eene haastige, ruwe manier, welke deze pogingen een enkele blik aan de jongste der twee vrouwen moest doen toeschrijven. De avondschemering werd al donkerder en donkerder, terwijl zij zoo bij elkander zaten, tot de zwarte muren zich bijna in de heerschende duisternis verloren.Nu verbrak Alice het stilzwijgen, dat zoolang geduurd had, en zeide:“Gij kunt hem nu wel opgeven, moeder. Hij zal niet hier komen.”—“Voor den duivel niet opgeven,” antwoordde de oude vrouw ongeduldig, “Hij zal wel hier komen.”—“Wij zullen zien,” zeide Alice.—“Wij zullenhemzien,” antwoordde de moeder.—“En den jongsten dag ook,” zeide de dochter.—“Gij denkt dat ik kindsch en suf ben geworden,” krijschte de oude vrouw. “Dat is de achting en eerbied, die ik van mijne eigene dochter krijg, maar ik ben wijzer dan ge mij voor houdt. Hij zal wel komen. Toen ik hem laatst op straat bij zijn rok trok, keek hij om alsof ik eene padde was. Maar Heer, gij hadt hem eens moeten zien toen ik hunne namen noemde, en hem vroeg of hij zou willen weten waar zij waren.”—“Keek hij zoo kwaadaardig?” vroeg de dochter, in een oogenblik tot belangstelling geprikkeld.—“Kwaadaardig? Vraag liever of hij moorddadig keek. Dat lijkt er meer naar. Kwaadaardig? Ha, ha! Dat maar kwaadaardig te noemen,” zeide de oude vrouw, naar de kast strompelende en eene kaars aanstekende, waarbij men[360]nu zien kon hoe akelig leelijk zij haar mond verwrong. “Ik zou evengoeduwgezicht maar kwaadaardig kunnen noemen, als gij van hen spreekt of aan hen denkt.”Het was zeker iets anders dan dat, gelijk zij daar zat, zoo stil als eene loerende tijgerin, met hare vlammende oogen.“Luister!” zeide de oude vrouw zegevierend. “Ik hoor een stap aankomen. Het is de stap niet van iemand, die hier woont of dikwijls dezen weg komt. Wij stappen zoo niet. Wij zouden trotsch moeten wezen op zulke buren. Hoort gij hem?”—“Ik geloof dat gij gelijk hebt, moeder,” antwoordde Alice zacht. “Stil! Doe de deur open.”Terwijl zij haar doek om zich toetrok, opende de oude vrouw de deur, keek naar buiten, wenkte, en liet Dombey binnen, die, toen hij een voet over den drempel had gezet, staan bleef en wantrouwig rondkeek.“Het is een armoedig huis voor zulk een groot heer als uwe edelheid,” zeide de oude vrouw nijgende. “Dat heb ik u ook gezegd; maar daar steekt geen kwaad in.”—“Wie is dat?” zeide Dombey, naar hare gezellin ziende.—“Dat is mijne mooie dochter,” zeide de oude vrouw. “Zij behoeft uwe edelheid niet te hinderen. Zij weet er alles van.”Zijn gezicht betrok en verried zijne gedachten zoo duidelijk, alsof hij overluid gekermd had: “Wie weet er niet alles van?” maar hij zag haar toch strak aan, en zij hem niet minder strak, maar zonder eenig ander blijk dat zij zijne komst opmerkte. Zijn gezicht betrok nog donkerder, toen hij zijne oogen van haar afwendde; en naderhand dwaalden zij tersluiks weder naar haar toe, alsof haar stoute blik eene herinnering bij hem opwekte, die hem geene rust liet.“Vrouw,” zeide Dombey tot de oude heks, die dicht naast hem stond te grijnzen en te mommelen, en die, toen hij zich naar haar omkeerde, tersluiks naar hare dochter wees, en in hare handen wreef, en nog eens wees. “Vrouw, ik geloof dat ik zwak ben en eenigszins mijn stand vergeet door hier te komen, maar gij weet waarom ik kom, en wat ge mij hebt aangeboden toen ge mij op straat staande hieldt. Wat is het nu, dat ge mij te zeggen hebt aangaande datgene wat ik wensch te weten; en hoe komt het dat mij vrijwillig berichten worden aangeboden in eene hut als deze,” met een blik vol minachting om zich heen, “terwijl ik vruchteloos mijn invloed en mijne middelen heb aangewend om die te bekomen? Ik denk niet,” zeide hij, na een oogenblik zwijgens, terwijl hij haar barsch had aangezien, “dat gij vermetel genoeg zijt om mij voor den gek te willen houden, en te beproeven om mij te bedriegen. Maar als gij dat voornemens zijt, zoudt gij beter doen u nog te bedenken. Ik ben niet gezind om met mij te laten gekscheren, en de vergelding zal streng zijn.”—“Och, wees maar zoo barsch niet, mijn goede heer,” grinnikte het oude wijf, haar hoofd schuddende en hare verschrompelde handen wrijvende. “Uwe edelheid zal met uwe eigene oogen zien en met uwe eigene ooren hooren, niet met de onze—en als uwe edelheid op het spoor wordt gebracht, zult gij er immers niet op zien om er wat voor te betalen, zult ge wel, mijn lieve, goede mijnheer?”—“Geld,” antwoordde Dombey, door deze vraag gerustgesteld, naar het scheen, “kan zeer onwaarschijnlijke dingen teweegbrengen, dat weet ik. Het kan zelfs voordeel doen met middelen zoo onverwacht en weinig belovend als deze. Ja. Voor alle inlichtingen, die te vertrouwen zijn, wil ik betalen. Maar ik moet die inlichtingen eerst hebben, en zelf kunnen oordeelen wat zij waard zijn.”—“Kent zij iets, dat krachtiger is dan geld?” vroeg de jongere vrouw, zonder op te staan of van houding te veranderen.—“Hier niet, zou ik mij verbeelden,” zeide Dombey.—“Gij moest toch iets kennen dat krachtiger is, zou ik denken,” hervatte zij. “Weet gij niets van de kwaadheid van eene vrouw!”—“Gij hebt eene impertinente tong, vrouwmensch,” zeide Dombey.—“Gewoonlijk niet,” antwoordde zij, zonder eenig blijk van gemoedsbeweging. “Ik zeg u dat nu maar, opdat gij ons beter zoudt begrijpen en ons meer vertrouwen. De kwaadheid van eene vrouw is hier zoo tamelijk eveneens als in uw mooi huis. Ik ben kwaad. Ik ben dat jaren lang geweest. Ik heb evengoed reden tot kwaadheid als gij voor de uwe, en het voorwerp daarvan is dezelfde man.”Zijns ondanks maakte hij eene beweging als van schrik en zag haar verwonderd aan.“Ja,” zeide zij, met eene soort van lach. “Hoe groot de afstand tusschen ons mag schijnen, het is toch zoo. Hoe het zoo is, komt er niet op aan; dat is mijne geschiedenis, en die houd ik voor mij zelve. Ik zou u en hem bij elkander willen brengen, omdat ik woedend tegen hem ben. Mijne moeder hier is gierig en arm; en zij zou alle berichten, die zij kon krijgen, of alles en iedereen, voor geld willen verkoopen. Het is misschien billijk genoeg dat gij haar betaalt, als zij u kan helpen aan wat gij weten wilt. Maar dat is het niet wat mij drijft. Ik heb u gezegd wat het is, en dat zou mij even sterk drijven, al stondt gij met haar op een halven schelling te dingen en te knibbelen. Ik heb gedaan. Mijne impertinente tong zegt niets meer, al stondt gij hier tot morgenochtend te wachten.”De oude vrouw, die onder deze rede, welke hare verwachte winst dreigde te verkleinen, de grootste onrust had getoond, trok Dombey zachtjes bij zijne mouw en fluisterde hem toe, om zich maar niet aan haar te storen. Hij zag ze beiden beurtelings aan, met een ontsteld gezicht,[361]en zeide met eene zwaardere stem dan hij anders had:“Ga voort—wat weet gij?”—“Zoo gauw niet, edele heer! wij moeten nog naar iemand wachten,” antwoordde de oude vrouw. “Het moet eerst iemand uitgeknepen—uit de keel gehaald—afgepijnigd worden.”—“Wat meent gij?” zeide Dombey.—“Geduld!” krijschte zij, en legde hare hand, als een klauw, op zijn arm. “Geduld. Ik zal het er wel uitkrijgen. Ik weet dat ik dat wel kan. Als hij het voor mij wilde achterhouden,” zeide de Goede Vrouw Brown, hare tien vingers krommende, “zou ik het hem uit de keel krabben.”Dombey volgde haar met zijne oogen, terwijl zij naar de deur strompelde en weder buiten keek; toen zocht zijn blik de dochter op; maar zij bleef zwijgend en roerloos zitten, en scheen niet op hem te letten.“Zegt gij mij, vrouw,” zeide hij, toen Vrouw Brown terugkwam, en haar hoofd schudde en bij zich zelve mompelde, “dat er nog iemand hier wordt gewacht?”—“Ja,” zeide de oude vrouw, naar hem opziende en knikkende.—“Van wien gij de berichten moet bekomen, die mij van dienst zullen zijn?”—“Ja,” zeide de oude vrouw, wederom knikkende.—“Een vreemdeling?”—“St!” zeide de oude vrouw, met een schellen lach. “Wat maakt dat uit? Maar neen. Geen vreemdeling voor uwe edelheid. Maar hij zal u niet zien. Dan zou hij bang worden en niet willen praten. Gij zult daar achter die deur zelf over hem oordeelen. Wij vragen u niet, dat gij ons op goed vertrouwen zult gelooven. Wat! Uwe edelheid twijfelt aan de kamer achter die deur? O, hoe achterdochtig zijn die rijke lieden toch! Zie dan maar eerst.”Hare scherpe oogen hadden eene onwillekeurige uitdrukking bij hem ontdekt van een gevoel, dat onder zulke omstandigheden niet onnatuurlijk was. Om hem gerust te stellen ging zij nu met de kaars naar de deur waarvan zij sprak. Dombey keek binnen, zag dat het eene ledige kamer was, en gaf haar een wenk om het licht weder op zijne plaats te zetten.“Hoelang zal het nog duren,” zeide hij, “eer die persoon komt?”—“Niet lang,” antwoordde zij. “Wil uwe edelheid niet even gaan zitten?”Het blijkt dat hij ieder, die in de gebeurtenis betrokken is, overal heeft ontmoet, en tot hen gezegd, “mijnheer” of “mevrouw,” naar het te pas kwam, “hoe ziet ge zoo bleek?” waarop ieder van het hoofd tot de voeten heeft gebeefd, en “o Perch!” heeft gezegd, en toen is weggeloopen. (blz. 359).Het blijkt dat hij ieder, die in de gebeurtenis betrokken is, overal heeft ontmoet, en tot hen gezegd, “mijnheer” of “mevrouw,” naar het te pas kwam, “hoe ziet ge zoo bleek?” waarop ieder van het hoofd tot de voeten heeft gebeefd, en “o Perch!” heeft gezegd, en toen is weggeloopen.(blz. 359).Hij gaf geen antwoord, maar begon de kamer op en neer te stappen met een voorkomen,[362]alsof hij niet recht wist of hij zou blijven of heengaan, en alsof hij eenigszins op zich zelven ontevreden was, dat hij daar was gekomen. Maar weldra werd zijn tred langzamer en zwaarder en zijn gezicht strakker, alsof het doel, waarmede hij daar gekomen was, hem weder voor den geest kwam.Terwijl hij zoo met op den grond gevestigde oogen op en neer stapte, zat Vrouw Brown op den stoel, waarvan zij was opgestaan om hem te ontvangen, opnieuw te luisteren. Het eentonige geluid zijner schreden, of haar ouderdom, maakte haar zoo traag van gehoor, dat hare dochter reeds eene poos op een voetstap buiten de deur had gelet en haastig opkeek om hare moeder te waarschuwen dat hij nader kwam, eer de oude vrouw er iets van bespeurde. Maar toen stond zij schielijk op, en fluisterende: “Daar is hij!” bracht zij haar bezoeker haastig naar de andere kamer, waarna zij nog eene flesch en een glas op de tafel zette, alles met zooveel spoed, dat zij gereed was om Rob den Slijper, zoodra hij de deur inkwam, haar armen om den hals te slaan.“En daar is toch eindelijk mijn allerliefste jongen!” riep zij. “Oho, oho. Ge zijt toch waarlijk als een eigen zoon voor mij, Robby!”—“Och, laat staan, Vrouw Brown!” pruttelde de Slijper. “Kunt ge niet van een jongen houden, zonder hem zoo te knijpen en half te wurgen! Pas toch op de vogelkooi, die ik draag!”—“Hij denkt om eene vogelkooi meer dan om mij?” riep het oude wijf, alsof zij het woord tot den zolder richtte. “Meer dan om mij, die meer dan eene moeder voor hem gevoel.”—“Ik ben u waarlijk wel dankbaar, Vrouw Brown,” zeide de ongelukkige jonkman, zeer knorrig; “maar ge zijt zoo jaloersch. Ik houd zelf heel veel van u, en dat alles, natuurlijk; maar ik versmoor u toch niet, Vrouw Brown?”Hij keek en sprak evenwel, alsof hij er lang niet tegen zou gehad hebben om dit, bij voorkomende gelegenheid, werkelijk te doen.“En dan van vogelkooien te spreken,” jankte de Slijper, “alsof daar kwaad in stak! Wel, zie eens hier. Weet ge wel van wien dat is?”—“Van uw meester, lieve jongen?” zeide de oude vrouw grijnzende.—“Ja,” antwoordde de Slijper, terwijl hij eene groote kooi, in een doek geknoopt, op de tafel zette, en den doek met handen en tanden begon los te maken. “Het is onze papegaai.”—“Mijn Carker’s papegaai, Rob?”—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown,” antwoordde de getergde Slijper. “Wat behoeft gij namen te noemen? Ik mag gezegend wezen,” zeide Rob, in zijne wreveligheid met beide handen aan zijne haren trekkende, “als zij niet in staat is om een jongen razend te maken!”—“Wat, geeft ge mij kwade woorden, ondankbare jongen!” riep het oude wijf, dat zich gereed had gehouden om op te stuiven.—“Och mijn hemeltje, neen, Vrouw Brown!” antwoordde de Slijper met tranen in de oogen. “Is er ooit iemand zoo—Houd ik dan niet veelvanu, Vrouw Brown?”—“Doet ge, lieve Rob? Doet ge waarlijk, hartepitje?” Daarmede sloot Vrouw Brown hem nog eens in hare teedere armen, en liet hem niet los voordat hij geweldig van zich af begon te schoppen.—“Och Heere,” zeide de Slijper, “wat is het toch, zoo met hartelijkheid overladen te worden! Ik wou dat ze—Hoe hebt gij het gemaakt, Vrouw Brown?”—“Ja, niet hier geweest sedert van avond voor acht dagen,” zeide de oude vrouw, hem met een blik van verwijt aanziende.—“Wel, mijn hemel, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper, “ik heb immers vandaag voor acht dagen gezegd, dat ik van avond hier zou komen, heb ik niet? En nu ben ik hier. Wat slaat ge weer door! Ik wou dat ge redelijk waart, Vrouw Brown. Ik ben schor van het praten, zooveel als ik mij verdedigen moet, en mijn gezicht blinkt van het zoenen.” Hij wreef het hard met zijne mouw, als om er dien glans af te krijgen.—“Drink een droppeltje om u te troosten, mijn Robin,” zeide de oude vrouw, het glas uit de flesch vol schenkende en hem overgevende.—“Bedankt, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper. “Uwe gezondheid. Lang moogt gij, enz.” Hetgeen, naar de uitdrukking zijner trekken te oordeelen, geen zegenwensch bevatte. “En dat isharegezondheid,” zeide de Slijper met een blik naar Alice, die, naar het hem voorkwam, met strakke oogen naar den muur achter hem zat te staren, maar werkelijk naar Dombey, dien zij door de half opene deur kon zien, “en dat zij nog veel en nog dikwijls—”Met deze twee toasten had hij zijn glas geledigd, en zette hij het weder neer.“Wel, ik zeg, Vrouw Brown!” vervolgde hij. “Om nu wat verstandigs te praten. Gij hebt verstand van vogels en weet ze te behandelen, gelijk ik tot mijn koste weet.”—“Koste!” herhaalde Vrouw Brown.—“Voordeel, meen ik,” antwoordde de Slijper. “Hoe kunt ge zoo tegen een jongen uitvallen, Vrouw Brown. Gij hebt alles weer uit mijn hoofd gebracht.”—“Verstand van vogels, Robby,” zeide de oude vrouw herinnerend.—“Ja,” zeide de Slijper. “Wel, ik moet op dien papegaai passen—want er wordt zeker huishouden opgebroken en zekere dingen worden verkocht—en daar ik dat vooreerst niet wilde geweten hebben, wou ik dat gij hem voor eene week of zoo bij u naamt en den kost gaaft—wilt ge? Als ik toch hier moet komen,” zeide de Slijper met een peinzend gezicht, “mag ik wel iets hebben waar ik om kom!”—“Iets waar hij om komt!” gilde de oude vrouw.—“Behalve u, meen ik, Vrouw Brown,” antwoordde de laffe Rob. “Niet dat ik iets anders noodig heb om mij te lokken dan[363]u, Vrouw Brown. Waarlijk niet. Begin maar niet weer, om alle goedheid!”—“Hij geeft niet om mij!” riep Vrouw Brown, hare beenderige handen opstekende. “Maar ik zal toch op zijn papegaai passen.”—“En pas er goed op ook, weet ge, Vrouw Brown,” zeide Rob, zijn hoofd schuddende. “Als gij maar eens zijne veeren den verkeerden kant mocht opstrijken, geloof ik dat het ontdekt zou worden.”—“Is hij zoo slim, Rob?” zeide Vrouw Brown snel.—“Slim, Vrouw Brown!” herhaalde Rob. “Maar dat is geen ding om van te praten.”Zich eensklaps stuitende (niet zonder een vreesachtigen blik in het rond) schonk Rob zijn glas nog eens vol, en nadat hij het langzaam geledigd had, schudde hij zijn hoofd en begon met zijne vingers over de traliën der papegaaiskooi te strijken, bij wijze van afleiding van het gevaarlijke onderwerp, dat zoo even was aangeroerd.De oude vrouw hield hem scherp in het oog, en haar stoel wat nader bij den zijnen schuivende, en naar den papegaai kijkende, die op haar lokken uit zijn vergulden hoepel naar beneden kwam, zeide zij:“Buiten dienst nu, Robby?”—“Kan u immers niet schelen, Vrouw Brown,” antwoordde Rob kortaf.—“Op kostgeld misschien, Rob?” zeide Vrouw Brown.—“Kopje krauwen!” zeide de Slijper.De oude vrouw wierp hem een blik toe, die hem had kunnen waarschuwen dat zijne ooren in gevaar verkeerden, maar het was nu zijne beurt om naar den papegaai te kijken, en hoewel hij zich hare gramschap wel kon verbeelden, werd die niet door zijne lichamelijke oogen waargenomen.“Het verwondert mij, dat uw meester u niet heeft meegenomen, Rob,” zeide de oude vrouw met eene fleemende stem, maar met toenemende kwaadaardigheid in haar uitzicht.Rob was zoo verdiept in de beschouwing van den papegaai en in het vermaak om met zijn voorvinger over de traliën te ratelen, dat hij geen antwoord gaf.De oude vrouw had hare kromme vingers eene haarbreedte boven zijn ruigen haarbos; maar zij bedwong zich en zeide, bijna stikkende van het geweld om hare stem vriendelijk te houden:“Robby, mijn kind.”—“Wel, Vrouw Brown?” zeide de Slijper.—“Ik zeg, het verwondert mij dat uw meester u niet heeft meegenomen, lieve jongen.”—“Dat kan u immers niet schelen, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper.Dadelijk had Vrouw Brown de rechterhand in zijne haren en de linker aan zijne keel, en klemde zij het voorwerp harer teedere liefde met zulk eene woede vast, dat zijn gezicht oogenblikkelijk blauw begon te worden.“Vrouw Brown!” schreeuwde de Slijper. “Laat los! Wat doet ge! Help mij toch, jonge jufvrouw! Vrouw Bro—Bro—!”Alice—de bedoelde jonge jufvrouw—hield zich echter geheel onzijdig, totdat Rob, na al worstelende in een hoek te zijn geraakt, zich losmaakte, en daar, achter zijne eigene ellebogen verschanst, bleef staan hijgen, terwijl het oude wijf, insgelijks hijgende, en van woede stampvoetende, hare krachten scheen te verzamelen voor een tweeden aanval. In deze crisis kwam Alice tusschen beide, maar niet ter gunste van den Slijper, en zeide:“Wel gedaan, moeder. Scheur hem in stukken!”—“Wat,” stotterde Rob huilende, “zijt gij ook tegen mij? Wat heb ik u gedaan? Waarom moet ik in stukken gescheurd worden—dat zou ik wel willen weten? Waarom moet gij een jongen willen wurgen, die u geen van beiden ooit eenig kwaad heeft gedaan? En gij wilt nog al vrouwen heeten!” zeide de ontstelde Slijper, zijne oogen wrijvende. “Ik sta verbaasd over u! Waar is uwe vrouwelijke zachtheid?”—“Gij ondankbare hond!” beet Vrouw Brown hem toe. “Gij onbeschaamde, boosaardige rekel!”—“Wat heb ik dan gedaan dat gij kwalijk kunt nemen, Vrouw Brown?” antwoordde de behuilde Rob. “Een oogenblik geleden hieldt ge nog zooveel van mij.”—“Mij af te snauwen met zijne korte en norsche antwoorden!” zeide de oude vrouw. “Mij! Mij op den schopstoel te durven zetten, omdat ik uit enkele nieuwsgierigheid een praatje wil maken over zijn meester en de dame! Maar ik zal niet meer met u praten, jongetje! Ga nu maar heen!”—“Waarachtig, Vrouw Brown,” antwoordde de laaghartige Slijper, “ik heb nooit te kennen gegeven dat ik wilde heengaan. Praat toch zoo niet, Vrouw Brown, als het u belieft.”—“Ik wil geheel niet meer praten,” zeide Vrouw Brown, met eene beweging harer kromme vingers, die hem nog dichter in den hoek deed kruipen. “Geen woord met hem zal mij meer uit den mond komen. Het is een ondankbare hond. Ik verzaak hem. Laat hij nu maar gaan. Ik zal hem anderen nazenden, die wel te veel zullen praten, die zich niet zullen laten afsnauwen; die hem als bloedzuigers zullen aankleven, en als vossen nasluipen. Hij kent ze wel. Hij kent zijne oude streken en kameraads wel. Als hij ze vergeten is, zullen zij ze hem gauw weer te binnen brengen. Laat hij nu maar gaan, en zien hoe hij op zijn meesters zaken zal passen, en zijn meesters geheimen bewaren, als hij zulk gezelschap altijd bij zich heeft. Ha, ha! Hij zal dan andere lieden vinden dan u en mij, Ally, al houdt hij zich zoo dicht voor ons. Laat hij nu maar gaan, laat hij nu maar gaan!”Tot onbeschrijfelijken angst van den Slijper, bleef het kromme oude wijf, onder een aanhoudend herhalen van deze woorden, om hem[364]heen draaien in een kring van omtrent vier voet middellijn, terwijl zij hare vuist boven zijn hoofd schudde en haar mond in allerlei leelijke bochten wrong.“Vrouw Brown,” pleitte Rob, een weinigje uit zijn hoek komende, “gij zoudt toch zeker een armen jongen niet willen benadeelen, als gij u beter hebt bedacht en bedaard zijt geworden, zoudt ge wel?”—“Spreek niet tegen mij,” zeide Vrouw Brown, nog eveneens haar kring beschrijvende. “Laat hij nu maar gaan, laat hij nu maar gaan!”—“Vrouw Brown,” hervatte de gemartelde Slijper, “ik had niet gemeend—O, wat is het toch als een jongen eens zoover komt!—Ik was maar voorzichtig om te praten, Vrouw Brown, omdat ik dat altijd ben, omdat hij alles kan te weten komen; maar ik had wel kunnen weten dat het niet verder zou gaan. Ik heb waarlijk zelf grooten lust,” met een allerjammerlijkst gezicht, “om een beetje te praten, Vrouw Brown. Ga toch zoo niet te werk, als het u belieft. Och, zoudt gij niet zoo goed willen zijn om een woordje voor een armen jongen te spreken?” zeide de Slijper, zich wanhopig op de dochter beroepende.—“Kom, moeder, gij hoort wat hij zegt,” viel zij met hare stroeve stem en eene ongeduldige beweging van haar hoofd er op in. “Probeer het nog eens met hem, en als gij weer ongenoegen met hem krijgt, ruïneer hem dan en laat hem loopen.”Vrouw Brown, door deze teerhartige vermaning bewogen, naar het scheen, begon te huilen; en trapsgewijze vermurwd, sloot zij den boetvaardigen Slijper in hare armen, die haar met een zeer benauwd gezicht nogmaals en nogmaals verschooning verzocht, en zich eindelijk, als een weerloos slachtoffer, weder op zijne vorige plaats zette, dicht naast zijne eerwaardige vriendin, welke hij, met een gezicht, waarop de tegenstrijdigste uitdrukkingen elkander afwisselden, toeliet om haar arm door den zijnen te steken en hem zoo vast te houden.“En hoe vaart uw meester, lieve jongen?” zeide Vrouw Brown, nadat zij, in deze vriendschappelijke houding gezeten, elkander nog eens hadden toegedronken.—“St! Als gij zoo goed wilt zijn om een beetje zachter te spreken, Vrouw Brown,” smeekte Rob. “Wel, hij is tamelijk wel, dankje, zou ik denken.”—“Gij zijt toch niet buiten dienst, Robby?” zeide Vrouw Brown op een fleemenden toon.—“Wel, eigenlijk niet buiten dienst, en ook niet in dienst,” stotterde Rob. “Ik—ik trek nog mijn geld, Vrouw Brown.”—“En behoeft daarvoor niets te doen, Rob?”—“Niets bijzonders tegenwoordig, Vrouw Brown, behalve—mijne oogen openhouden,” zeide de Slijper en liet zijne oogen angstig rondgaan.—“Meester buitenslands, Rob?”—“Om alle goedheid. Vrouw Brown, zoudt ge niet van wat anders een praatje kunnen maken?” riep de Slijper met eene uitbarsting van wanhoop uit.Daar de ongeduldige Vrouw Brown dadelijk opstond, hield de gemartelde Slijper haar vast, en stotterde: “Ja, ja, Vrouw Brown. Ik geloof dat hij buitenslands is. Waar kijkt zij zoo naar?” voegde hij er bij, op de dochter doelende, wier oogen gevestigd waren op het gezicht, dat nu achter hem kwam uitkijken.—“Stoor u niet aan haar, jongen,” zeide de oude vrouw, hem steviger vasthoudende, om te beletten dat hij omzag. “Dat is hare manier zoo. Zeg mij, Rob—hebt gij ooit de dame gezien, lieve jongen?”—“Och, Vrouw Brown, welke dame?” riep de Slijper op een jammerlijken smeektoon.—“Welke dame?” antwoordde zij bits. “De dame. Mevrouw Dombey.”—“Ja, ik geloof dat ik haar eens gezien heb,” antwoordde Rob.—“Dien avond toen zij heenging, Robby, he?” beet de oude vrouw hem in het oor, en lette op elke verandering van zijn gezicht. “Ja, ik weet wel dat het dien avond was.”—“Wel, als gij wist dat het dien avond was, Vrouw Brown,” antwoordde Rob, “dan behoeft gij een jongen ook zoo niet te knijpen, om het hem nog eens te laten zeggen.”—“Waar zijn zij dien avond naar toe gegaan, Rob? Hoe gingen zij? Lachte ze of huilde ze? Vertel mij alles er van,” zeide de oude heks, hem nog stijver vasthoudende, en de hand, die door haar arm getrokken was, met hare andere hand knijpende, terwijl zij hem strak in het gezicht keek. “Kom! Begin! Ik wil er alles van weten. Wat zegt ge, Rob, mijn jongen? Gij en ik kunnen samen wel een geheim bewaren. Dat hebben wij wel meer gedaan. Waar zijn zij eerst naar toe gegaan?”De rampzalige Slijper deed hijgend zijn mond open, maar zweeg.“Zijt gij stom geworden?” zeide het oude wijf gramstorig.—“Wel neen, Vrouw Brown. Maar gij denkt, dat een jongen een bliksemstraal zal zijn. Ik wou, dat ik de electriciteit zelve was,” mompelde de benauwde Slijper. “Dan zou ik iemand een schok geven, daar zij haar bekomst aan zou hebben.”—“Wat zegt gij?” vroeg het oude wijf grijnzende.—“Dat ik eens op uwe gezondheid wou drinken, Vrouw Brown,” antwoordde de valsche Rob, zijn troost in het glas zoekende. “Waar zij eerst naar toe gingen, vraagt ge. Hij en zij, meent ge?”—“Ja,” zeide de oude vrouw gretig. “Die twee.”—“Wel, zij gingen nergens naar toe—niet te zamen, wil ik zeggen.”Het oude wijf zag hem aan alsof zij veel lust had om hem nog eens bij het haar en de keel te grijpen; maar zij liet zich weerhouden door zekere knorrige geheimzinnigheid in zijn uitzicht.“Dat was het slimme er van,” zeide de tegenstribbelende Slijper. “Zoo komt het, dat niemand[365]hen heeft zien heengaan, of heeft kunnen zeggen hoe zij heengegaan zijn. Zij gingen ieder een anderen weg, Vrouw Brown.”—“Ja, ja! Om op eene afgesprokene plaats bij elkander te komen,” zeide het oude wijfgrinnikend, nadat zij hem een oogenblik scherp had aangezien.—“Wel, als zij elkander niet ergens wilden opzoeken, dunkt mij, dat zij evengoed thuis hadden kunnen blijven, nietwaar, Vrouw Brown?” antwoordde de onwillige Slijper.—“Wel, Rob? Wat meer?” zeide het oude wijf, zijn arm nog verder door den haren trekkende, alsof zij bang was dat hij haar nu zou ontglippen.—“Wat, hebben wij nog niet genoeg gepraat, Vrouw Brown?” zeide Rob, die van angst en door den drank zoo huilerig was geworden, dat hij bijna geen woord kon spreken, zonder zijn opslag in zijn oog te duwen en een jankend geluid te laten hooren. “Of zij dien avond lachte, niet waar? Hebt gij niet gevraagd of zij lachte, Vrouw Brown?”—“Of huilde?” zeide het oude wijf toestemmend knikkende.—“Geen van beide,” zeide de Slijper. “Zij hield zich zoo stijf, den geheelen weg—och, ik zie wel dat gij mij wilt uitpersen, Vrouw Brown. Maar gij moet er eerst een duren eed op doen, dat gij het nooit iemand zult vertellen.”Vrouw Brown deed dit zeer bereidwillig,gelijkzij gerust kon doen, daar zij nietsandersbedoelde dan den verborgen luisteraar alles zelf te laten hooren.“Wel dan, den geheelen weg over, toen ik met haar naarSouthamptonreed, hield zij zich zoo stijf als een steenen beeld,” zeide de Slijper. “Den anderen ochtend nog eveneens, Vrouw Brown. En toen ik voor den dag met haar naar de pakketboot ging—ik alsof ik haar knecht was, die haar veilig aan boord moest brengen—was zij ook nog zoo. Zijt gij nu tevreden, Vrouw Brown?”—“Neen, Rob, nog niet,” antwoordde Vrouw Brown kortaf.—“Hoor die vrouw nu eens aan!” riep de Slijper jammerend uit. “Wat wilt ge dan nog meer weten, Vrouw Brown?”—“Waar is uw meester gebleven? Waar ging hij naar toe?” vroeg zij, hem nog stevig vasthoudende en scherp aanziende.—“Bij mijne ziel, dat weet ik niet, Vrouw Brown,” antwoordde Rob. “Bij mijne ziel, ik weet niet wat hij gedaan heeft, of waar hij naar toe ging, of iets van hem. Ik weet alleen wat hij mij op het laatst nog heeft gezegd, om mij te waarschuwen dat ik mijn mond moest houden; en ik zeg u dit, Vrouw Brown, als een vriend: veel liever dan ooit een woord te vertellen van wat wij nu praten, moest gij u zelve liever doodschieten, of u zelve hier in huis opsluiten en het in brand steken, want er is niets dat hij niet doen zou om wraak op u te nemen. Gij kent hem niet half zoo goed als ik, Vrouw Brown. Gij zijt nooit veilig voor hem, zeg ik u.”—“Heb ik geen eed gedaan,” zeide het oude wijf, “en zal ik dien niet houden?”—“Nu, ik hoop waarachtig dat ge dat doen zult, Vrouw Brown,” antwoordde Rob eenigszins twijfelachtig, en niet zonder iets dreigends in zijn toon. “In uw eigen belang, zoowel als in het mijne.”Hij zag haar aan terwijl hij haar deze vriendelijke waarschuwing gaf, die hij nog met een hoofdknik aandrong; maar daar hij het onpleizierig vond dat gele grijnzende gezicht en de scherpe loerende oogen zoo dichtbij te zien, keek hij weder naar omlaag, en bleef onrustig op zijn stoel zitten heen en weder schuiven, alsof hij zijn best deed om zich op te winden tot eene stugge verklaring, dat hij nu geene vragen meer wilde beantwoorden. De oude vrouw, die hem nog stevig vasthield nam deze gelegenheid waar om ongemerkt haar voorvinger op te steken, als een geheim teeken voor den verborgen luisteraar om bijzonder op te letten op hetgeen er nu zou volgen.“Rob,” zeide zij op haar fleemenden toon.—“Lieve hemel, Vrouw Brown, wat is er nu weer?” zeide de radelooze Slijper.—“Rob, waar hebben de dame en uw meester afgesproken om elkander te vinden?”Rob schoof nog onrustiger heen en weer, keek op en weder naar omlaag, beet op zijn duim, veegde dien op zijn vest af, en zeide eindelijk, zijn plaaggeest schuins aanziende: “Hoe zouikdat weten, Vrouw Brown?”De oude vrouw stak nog eens haar vinger op en zeide: “Kom, jongen. Nu gij zooveel gezegd hebt, moet ge mij er niet bij laten steken. Ik wil het weten.”Rob liet haar eene poos op antwoord wachten en barstte toen radeloos uit: “Hoe kan ik de namen van die vreemde plaatsen uitspreken, Vrouw Brown? Wat zijt ge toch onredelijk!”—“Maar gij hebt het toch gehoord, Robby,” hervatte zij dringend, “en hoe klonk het? Kom aan!”—“Ik heb het nooit gehoord, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper.—“Dan,” hervatte zij snel, “hebt gij het geschreven gezien en kunt het spellen.”Met een wreveligen uitroep, tusschen lachen en huilen—want hij moest de slimheid van Vrouw Brown eenigszins bewonderen, hoe erg zij hem ook kwelde—haalde Rob een stukje krijt uit zijn vestzakje. De oogen van het oude wijf begonnen te schitteren toen zij het tusschen zijn duim en vinger zag blinken, en haastig ruimte makende op de vurenhouten tafel, om hem het woord daar te laten schrijven, gaf zij met hare bevende hand nog eens het vorige teeken.“Nu zeg ik u vooruit hoe het is, Vrouw Brown,” zeide Rob. “Gij behoeft mij nu niets meer te vragen. Ik wil op niets meer antwoord geven, en kan ook niet. Hoelang het nog duren[366]moest eer zij elkander vonden, of wie het bedacht dat zij ieder alleen zouden gaan, daarvan weet ik niet meer dan gij. Ik weet er nu niets meer van. Als ik u nu nog zeg hoe ik dat woord gevonden heb, zult gij dat wel gelooven. Zal ik u dat zeggen, Vrouw Brown?”—“Ja, Rob.”—“Welnu dan, Vrouw Brown. Maar dan moet ge mij niets meer vragen, weet ge?” zeide Rob, haar aanziende met oogen, die nu dof en slaperig begonnen te worden.—“Geen woord meer,” zeide Vrouw Brown.—“Wel, het was dan op deze manier. Toen zeker iemand de dame bij mij liet, gaf hij haar een papiertje met een geschreven adres, in geval zij het vergeten mocht, zeide hij. Maar zij was niet bang om het te vergeten, want zij verscheurde het zoodra hij zijn rug had gekeerd en toen ik de trede van het rijtuig opsloeg vond ik een van de stukjes—de andere gooide zij uit het portier, denk ik, want ik vond er naderhand niet meer, hoewel ik er naar zocht. Er stond maar één woord op, en dat was dit, als gij het dan moet en zult weten. Maar onthoud, gij hebt een eed gedaan, Vrouw Brown.”Vrouw Brown wist dat wel, zeide zij, en Rob, die nu niets meer te zeggen had, begon langzaam en stijf op de tafel te schrijven.“D,” zeide de oude vrouw hardop, toen hij die letter gezet had.—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown?” riep hij, de letter met zijne hand bedekkende en zich driftig naar haar omkeerende. “Ik wil het zoo niet gelezen hebben. Houd u stil, hoort gij?”—“Schrijf dan wat groot, Rob,” antwoordde zij, haar geheim teeken herhalende, “want mijne oogen zijn niet goed meer, zelfs voor de drukletters.”Onvergenoegd mompelende, ging Rob met blijkbaren tegenzin weder aan het werk. Terwijl hij laag met zijn hoofd bukte, kwam de man, tot wiens inlichting hij zonder het te weten arbeidde, achter de deur vandaan tot dicht achter hem, en keek over zijn schouder naar zijne op de tafel voortkruipende hand. Te gelijk gaf Alice, van haar stoel aan de overzijde, oplettend acht hoe die hand de letters vormde, en sprak zij elke letter met hare lippen uit, maar zonder geluid te laten hooren. Telkens sloeg zij hare oogen naar Dombey op en zag deze naar haar, alsof zij wederkeerig door elkander bevestigd wilden worden, en zoo spelden zij beide: D. I. J. O. N.“Daar!” zeide de Slijper, haastig zijne handpalm nat makende, om het woord weder uit te vegen; en nog niet met dat uitvegen tevreden, de tafel met zijne mouw boenende, tot zelfs het wit van het krijt niet meer op de planken te zien was. “Nu hoop ik dat ge tevreden zijt, Vrouw Brown!”Ten teeken dat zij dit was, liet de oude vrouw zijn arm los en klopte hem op zijn rug; en de Slijper, door verdrietelijkheid, inspanning en den drank overweldigd, sloeg zijne armen op de tafel over elkander, liet zijn hoofd daarop neerzakken en viel in slaap.Niet voordat hij eenigen tijd had geslapen en rustig snorkte, keerde de oude vrouw zich naar de deur, waarachter Dombey zich weder verborgen had, en wenkte zij hem om de kamer door te komen en heen te gaan. Zelfs toen bleef zij bij Rob staan oppassen, gereed om hem hare handen voor de oogen te houden, of zijn hoofd op de tafel neer te duwen, als hij het mocht opheffen, terwijl die voorzichtige voetstap de kamer doorging. Maar hoewel zij scherp op den slapende lette, zij lette niet minder scherp op den wakende; en toen hij hare hand met de zijne aanraakte en in weerwil van zijne voorzichtigheid een gouden klank liet hooren, schitterden hare oogen als die van eene raaf.De donkere blik der dochter volgde hem naar de deur, en zag wel hoe bleek hij was, en hoe zijn haastige tred aanduidde, dat het minste vertoef hem onuitstaanbaar was, en hoe hij brandde van ongeduld om maar op weg te zijn. Toen hij de deur achter zich sloot, zag zij naar hare moeder om. Het oude wijf kwam snel naar haar toe, opende hare hand om te laten zien wat zij er in had, kneep ze in hare gierigheid terstond weder dicht en fluisterde:“Wat zal hij nu doen, Ally?”—“Een ongeluk,” zeide de dochter.—“Een moord?” vroeg de oude vrouw.—“Hij is dol genoeg in zijn gekwetsten trots, zoover wij kunnen zeggen, of hij zelf kan zeggen.”Haar blik was nog vuriger dan die harer moeder, maar haar gezicht was geheel kleurloos, tot hare lippen toe.Zij spraken niet meer, maar bleven van elkander afgezonderd zitten; de moeder telde haar geld, de dochter verdiepte zich in hare gedachten; beider oogen flikkerden in de duisternis der flauw verlichte kamer. Rob snorkte. De papegaai, op welken niemand lette, was de eenige die zich bewoog. Hij plukte en rukte met zijn krommen bek aan de traliën zijner kooi, enklauterdeals eene vlieg langs het koepeldak, en met den kop vooruit weder naar omlaag, en scheen dol van ongeduld om uit te breken, alsof hij het gevaar van zijn meester kende, en naar hem toe wilde vliegen om hem te waarschuwen.
De Goede Vrouw Brown en hare dochter Alice zaten stil bij elkander in hare eigene woning. Het was vroeg in den avond en laat in het najaar. Slechts eenige dagen waren er verloopen sedert Dombey majoor Bagstock had gesproken van het zonderlinge bericht, op eene zonderlinge manier bekomen, dat misschien zou blijken valsch te zijn, of misschien waar; en de wereld was nog niet voldaan.
Moeder en dochter zaten langen tijd zonder een woord te wisselen, bijna zonder zich te bewegen. Het gezicht der oude vrouw duidde gespannen verwachting en ongeduld aan; dat harer dochter insgelijks, maar in minderen graad, en somtijds betrok het alsof zij zich te leur gesteld gevoelde en ongeloovig werd. De oude vrouw bleef, zonder op deze afwisseling van uitdrukking acht te geven, hoewel zij hare dochter dikwijls aanzag, met zekere geruste overtuiging zitten mommelen en luisteren.
De woning, hoewel armoedig en slecht, was niet zoo geheel ellendig als toen de Goede Vrouw Brown er alleen gehuisvest was. Men kon zien, dat er iets voor zindelijkheid en orde werd gedaan, hoewel op eene haastige, ruwe manier, welke deze pogingen een enkele blik aan de jongste der twee vrouwen moest doen toeschrijven. De avondschemering werd al donkerder en donkerder, terwijl zij zoo bij elkander zaten, tot de zwarte muren zich bijna in de heerschende duisternis verloren.
Nu verbrak Alice het stilzwijgen, dat zoolang geduurd had, en zeide:
“Gij kunt hem nu wel opgeven, moeder. Hij zal niet hier komen.”—“Voor den duivel niet opgeven,” antwoordde de oude vrouw ongeduldig, “Hij zal wel hier komen.”—“Wij zullen zien,” zeide Alice.—“Wij zullenhemzien,” antwoordde de moeder.—“En den jongsten dag ook,” zeide de dochter.—“Gij denkt dat ik kindsch en suf ben geworden,” krijschte de oude vrouw. “Dat is de achting en eerbied, die ik van mijne eigene dochter krijg, maar ik ben wijzer dan ge mij voor houdt. Hij zal wel komen. Toen ik hem laatst op straat bij zijn rok trok, keek hij om alsof ik eene padde was. Maar Heer, gij hadt hem eens moeten zien toen ik hunne namen noemde, en hem vroeg of hij zou willen weten waar zij waren.”—“Keek hij zoo kwaadaardig?” vroeg de dochter, in een oogenblik tot belangstelling geprikkeld.—“Kwaadaardig? Vraag liever of hij moorddadig keek. Dat lijkt er meer naar. Kwaadaardig? Ha, ha! Dat maar kwaadaardig te noemen,” zeide de oude vrouw, naar de kast strompelende en eene kaars aanstekende, waarbij men[360]nu zien kon hoe akelig leelijk zij haar mond verwrong. “Ik zou evengoeduwgezicht maar kwaadaardig kunnen noemen, als gij van hen spreekt of aan hen denkt.”
Het was zeker iets anders dan dat, gelijk zij daar zat, zoo stil als eene loerende tijgerin, met hare vlammende oogen.
“Luister!” zeide de oude vrouw zegevierend. “Ik hoor een stap aankomen. Het is de stap niet van iemand, die hier woont of dikwijls dezen weg komt. Wij stappen zoo niet. Wij zouden trotsch moeten wezen op zulke buren. Hoort gij hem?”—“Ik geloof dat gij gelijk hebt, moeder,” antwoordde Alice zacht. “Stil! Doe de deur open.”
Terwijl zij haar doek om zich toetrok, opende de oude vrouw de deur, keek naar buiten, wenkte, en liet Dombey binnen, die, toen hij een voet over den drempel had gezet, staan bleef en wantrouwig rondkeek.
“Het is een armoedig huis voor zulk een groot heer als uwe edelheid,” zeide de oude vrouw nijgende. “Dat heb ik u ook gezegd; maar daar steekt geen kwaad in.”—“Wie is dat?” zeide Dombey, naar hare gezellin ziende.—“Dat is mijne mooie dochter,” zeide de oude vrouw. “Zij behoeft uwe edelheid niet te hinderen. Zij weet er alles van.”
Zijn gezicht betrok en verried zijne gedachten zoo duidelijk, alsof hij overluid gekermd had: “Wie weet er niet alles van?” maar hij zag haar toch strak aan, en zij hem niet minder strak, maar zonder eenig ander blijk dat zij zijne komst opmerkte. Zijn gezicht betrok nog donkerder, toen hij zijne oogen van haar afwendde; en naderhand dwaalden zij tersluiks weder naar haar toe, alsof haar stoute blik eene herinnering bij hem opwekte, die hem geene rust liet.
“Vrouw,” zeide Dombey tot de oude heks, die dicht naast hem stond te grijnzen en te mommelen, en die, toen hij zich naar haar omkeerde, tersluiks naar hare dochter wees, en in hare handen wreef, en nog eens wees. “Vrouw, ik geloof dat ik zwak ben en eenigszins mijn stand vergeet door hier te komen, maar gij weet waarom ik kom, en wat ge mij hebt aangeboden toen ge mij op straat staande hieldt. Wat is het nu, dat ge mij te zeggen hebt aangaande datgene wat ik wensch te weten; en hoe komt het dat mij vrijwillig berichten worden aangeboden in eene hut als deze,” met een blik vol minachting om zich heen, “terwijl ik vruchteloos mijn invloed en mijne middelen heb aangewend om die te bekomen? Ik denk niet,” zeide hij, na een oogenblik zwijgens, terwijl hij haar barsch had aangezien, “dat gij vermetel genoeg zijt om mij voor den gek te willen houden, en te beproeven om mij te bedriegen. Maar als gij dat voornemens zijt, zoudt gij beter doen u nog te bedenken. Ik ben niet gezind om met mij te laten gekscheren, en de vergelding zal streng zijn.”—“Och, wees maar zoo barsch niet, mijn goede heer,” grinnikte het oude wijf, haar hoofd schuddende en hare verschrompelde handen wrijvende. “Uwe edelheid zal met uwe eigene oogen zien en met uwe eigene ooren hooren, niet met de onze—en als uwe edelheid op het spoor wordt gebracht, zult gij er immers niet op zien om er wat voor te betalen, zult ge wel, mijn lieve, goede mijnheer?”—“Geld,” antwoordde Dombey, door deze vraag gerustgesteld, naar het scheen, “kan zeer onwaarschijnlijke dingen teweegbrengen, dat weet ik. Het kan zelfs voordeel doen met middelen zoo onverwacht en weinig belovend als deze. Ja. Voor alle inlichtingen, die te vertrouwen zijn, wil ik betalen. Maar ik moet die inlichtingen eerst hebben, en zelf kunnen oordeelen wat zij waard zijn.”—“Kent zij iets, dat krachtiger is dan geld?” vroeg de jongere vrouw, zonder op te staan of van houding te veranderen.—“Hier niet, zou ik mij verbeelden,” zeide Dombey.—“Gij moest toch iets kennen dat krachtiger is, zou ik denken,” hervatte zij. “Weet gij niets van de kwaadheid van eene vrouw!”—“Gij hebt eene impertinente tong, vrouwmensch,” zeide Dombey.—“Gewoonlijk niet,” antwoordde zij, zonder eenig blijk van gemoedsbeweging. “Ik zeg u dat nu maar, opdat gij ons beter zoudt begrijpen en ons meer vertrouwen. De kwaadheid van eene vrouw is hier zoo tamelijk eveneens als in uw mooi huis. Ik ben kwaad. Ik ben dat jaren lang geweest. Ik heb evengoed reden tot kwaadheid als gij voor de uwe, en het voorwerp daarvan is dezelfde man.”
Zijns ondanks maakte hij eene beweging als van schrik en zag haar verwonderd aan.
“Ja,” zeide zij, met eene soort van lach. “Hoe groot de afstand tusschen ons mag schijnen, het is toch zoo. Hoe het zoo is, komt er niet op aan; dat is mijne geschiedenis, en die houd ik voor mij zelve. Ik zou u en hem bij elkander willen brengen, omdat ik woedend tegen hem ben. Mijne moeder hier is gierig en arm; en zij zou alle berichten, die zij kon krijgen, of alles en iedereen, voor geld willen verkoopen. Het is misschien billijk genoeg dat gij haar betaalt, als zij u kan helpen aan wat gij weten wilt. Maar dat is het niet wat mij drijft. Ik heb u gezegd wat het is, en dat zou mij even sterk drijven, al stondt gij met haar op een halven schelling te dingen en te knibbelen. Ik heb gedaan. Mijne impertinente tong zegt niets meer, al stondt gij hier tot morgenochtend te wachten.”
De oude vrouw, die onder deze rede, welke hare verwachte winst dreigde te verkleinen, de grootste onrust had getoond, trok Dombey zachtjes bij zijne mouw en fluisterde hem toe, om zich maar niet aan haar te storen. Hij zag ze beiden beurtelings aan, met een ontsteld gezicht,[361]en zeide met eene zwaardere stem dan hij anders had:
“Ga voort—wat weet gij?”—“Zoo gauw niet, edele heer! wij moeten nog naar iemand wachten,” antwoordde de oude vrouw. “Het moet eerst iemand uitgeknepen—uit de keel gehaald—afgepijnigd worden.”—“Wat meent gij?” zeide Dombey.—“Geduld!” krijschte zij, en legde hare hand, als een klauw, op zijn arm. “Geduld. Ik zal het er wel uitkrijgen. Ik weet dat ik dat wel kan. Als hij het voor mij wilde achterhouden,” zeide de Goede Vrouw Brown, hare tien vingers krommende, “zou ik het hem uit de keel krabben.”
Dombey volgde haar met zijne oogen, terwijl zij naar de deur strompelde en weder buiten keek; toen zocht zijn blik de dochter op; maar zij bleef zwijgend en roerloos zitten, en scheen niet op hem te letten.
“Zegt gij mij, vrouw,” zeide hij, toen Vrouw Brown terugkwam, en haar hoofd schudde en bij zich zelve mompelde, “dat er nog iemand hier wordt gewacht?”—“Ja,” zeide de oude vrouw, naar hem opziende en knikkende.—“Van wien gij de berichten moet bekomen, die mij van dienst zullen zijn?”—“Ja,” zeide de oude vrouw, wederom knikkende.—“Een vreemdeling?”—“St!” zeide de oude vrouw, met een schellen lach. “Wat maakt dat uit? Maar neen. Geen vreemdeling voor uwe edelheid. Maar hij zal u niet zien. Dan zou hij bang worden en niet willen praten. Gij zult daar achter die deur zelf over hem oordeelen. Wij vragen u niet, dat gij ons op goed vertrouwen zult gelooven. Wat! Uwe edelheid twijfelt aan de kamer achter die deur? O, hoe achterdochtig zijn die rijke lieden toch! Zie dan maar eerst.”
Hare scherpe oogen hadden eene onwillekeurige uitdrukking bij hem ontdekt van een gevoel, dat onder zulke omstandigheden niet onnatuurlijk was. Om hem gerust te stellen ging zij nu met de kaars naar de deur waarvan zij sprak. Dombey keek binnen, zag dat het eene ledige kamer was, en gaf haar een wenk om het licht weder op zijne plaats te zetten.
“Hoelang zal het nog duren,” zeide hij, “eer die persoon komt?”—“Niet lang,” antwoordde zij. “Wil uwe edelheid niet even gaan zitten?”
Het blijkt dat hij ieder, die in de gebeurtenis betrokken is, overal heeft ontmoet, en tot hen gezegd, “mijnheer” of “mevrouw,” naar het te pas kwam, “hoe ziet ge zoo bleek?” waarop ieder van het hoofd tot de voeten heeft gebeefd, en “o Perch!” heeft gezegd, en toen is weggeloopen. (blz. 359).Het blijkt dat hij ieder, die in de gebeurtenis betrokken is, overal heeft ontmoet, en tot hen gezegd, “mijnheer” of “mevrouw,” naar het te pas kwam, “hoe ziet ge zoo bleek?” waarop ieder van het hoofd tot de voeten heeft gebeefd, en “o Perch!” heeft gezegd, en toen is weggeloopen.(blz. 359).
Het blijkt dat hij ieder, die in de gebeurtenis betrokken is, overal heeft ontmoet, en tot hen gezegd, “mijnheer” of “mevrouw,” naar het te pas kwam, “hoe ziet ge zoo bleek?” waarop ieder van het hoofd tot de voeten heeft gebeefd, en “o Perch!” heeft gezegd, en toen is weggeloopen.(blz. 359).
Hij gaf geen antwoord, maar begon de kamer op en neer te stappen met een voorkomen,[362]alsof hij niet recht wist of hij zou blijven of heengaan, en alsof hij eenigszins op zich zelven ontevreden was, dat hij daar was gekomen. Maar weldra werd zijn tred langzamer en zwaarder en zijn gezicht strakker, alsof het doel, waarmede hij daar gekomen was, hem weder voor den geest kwam.
Terwijl hij zoo met op den grond gevestigde oogen op en neer stapte, zat Vrouw Brown op den stoel, waarvan zij was opgestaan om hem te ontvangen, opnieuw te luisteren. Het eentonige geluid zijner schreden, of haar ouderdom, maakte haar zoo traag van gehoor, dat hare dochter reeds eene poos op een voetstap buiten de deur had gelet en haastig opkeek om hare moeder te waarschuwen dat hij nader kwam, eer de oude vrouw er iets van bespeurde. Maar toen stond zij schielijk op, en fluisterende: “Daar is hij!” bracht zij haar bezoeker haastig naar de andere kamer, waarna zij nog eene flesch en een glas op de tafel zette, alles met zooveel spoed, dat zij gereed was om Rob den Slijper, zoodra hij de deur inkwam, haar armen om den hals te slaan.
“En daar is toch eindelijk mijn allerliefste jongen!” riep zij. “Oho, oho. Ge zijt toch waarlijk als een eigen zoon voor mij, Robby!”—“Och, laat staan, Vrouw Brown!” pruttelde de Slijper. “Kunt ge niet van een jongen houden, zonder hem zoo te knijpen en half te wurgen! Pas toch op de vogelkooi, die ik draag!”—“Hij denkt om eene vogelkooi meer dan om mij?” riep het oude wijf, alsof zij het woord tot den zolder richtte. “Meer dan om mij, die meer dan eene moeder voor hem gevoel.”—“Ik ben u waarlijk wel dankbaar, Vrouw Brown,” zeide de ongelukkige jonkman, zeer knorrig; “maar ge zijt zoo jaloersch. Ik houd zelf heel veel van u, en dat alles, natuurlijk; maar ik versmoor u toch niet, Vrouw Brown?”
Hij keek en sprak evenwel, alsof hij er lang niet tegen zou gehad hebben om dit, bij voorkomende gelegenheid, werkelijk te doen.
“En dan van vogelkooien te spreken,” jankte de Slijper, “alsof daar kwaad in stak! Wel, zie eens hier. Weet ge wel van wien dat is?”—“Van uw meester, lieve jongen?” zeide de oude vrouw grijnzende.—“Ja,” antwoordde de Slijper, terwijl hij eene groote kooi, in een doek geknoopt, op de tafel zette, en den doek met handen en tanden begon los te maken. “Het is onze papegaai.”—“Mijn Carker’s papegaai, Rob?”—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown,” antwoordde de getergde Slijper. “Wat behoeft gij namen te noemen? Ik mag gezegend wezen,” zeide Rob, in zijne wreveligheid met beide handen aan zijne haren trekkende, “als zij niet in staat is om een jongen razend te maken!”—“Wat, geeft ge mij kwade woorden, ondankbare jongen!” riep het oude wijf, dat zich gereed had gehouden om op te stuiven.—“Och mijn hemeltje, neen, Vrouw Brown!” antwoordde de Slijper met tranen in de oogen. “Is er ooit iemand zoo—Houd ik dan niet veelvanu, Vrouw Brown?”—“Doet ge, lieve Rob? Doet ge waarlijk, hartepitje?” Daarmede sloot Vrouw Brown hem nog eens in hare teedere armen, en liet hem niet los voordat hij geweldig van zich af begon te schoppen.—“Och Heere,” zeide de Slijper, “wat is het toch, zoo met hartelijkheid overladen te worden! Ik wou dat ze—Hoe hebt gij het gemaakt, Vrouw Brown?”—“Ja, niet hier geweest sedert van avond voor acht dagen,” zeide de oude vrouw, hem met een blik van verwijt aanziende.—“Wel, mijn hemel, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper, “ik heb immers vandaag voor acht dagen gezegd, dat ik van avond hier zou komen, heb ik niet? En nu ben ik hier. Wat slaat ge weer door! Ik wou dat ge redelijk waart, Vrouw Brown. Ik ben schor van het praten, zooveel als ik mij verdedigen moet, en mijn gezicht blinkt van het zoenen.” Hij wreef het hard met zijne mouw, als om er dien glans af te krijgen.—“Drink een droppeltje om u te troosten, mijn Robin,” zeide de oude vrouw, het glas uit de flesch vol schenkende en hem overgevende.—“Bedankt, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper. “Uwe gezondheid. Lang moogt gij, enz.” Hetgeen, naar de uitdrukking zijner trekken te oordeelen, geen zegenwensch bevatte. “En dat isharegezondheid,” zeide de Slijper met een blik naar Alice, die, naar het hem voorkwam, met strakke oogen naar den muur achter hem zat te staren, maar werkelijk naar Dombey, dien zij door de half opene deur kon zien, “en dat zij nog veel en nog dikwijls—”
Met deze twee toasten had hij zijn glas geledigd, en zette hij het weder neer.
“Wel, ik zeg, Vrouw Brown!” vervolgde hij. “Om nu wat verstandigs te praten. Gij hebt verstand van vogels en weet ze te behandelen, gelijk ik tot mijn koste weet.”—“Koste!” herhaalde Vrouw Brown.—“Voordeel, meen ik,” antwoordde de Slijper. “Hoe kunt ge zoo tegen een jongen uitvallen, Vrouw Brown. Gij hebt alles weer uit mijn hoofd gebracht.”—“Verstand van vogels, Robby,” zeide de oude vrouw herinnerend.—“Ja,” zeide de Slijper. “Wel, ik moet op dien papegaai passen—want er wordt zeker huishouden opgebroken en zekere dingen worden verkocht—en daar ik dat vooreerst niet wilde geweten hebben, wou ik dat gij hem voor eene week of zoo bij u naamt en den kost gaaft—wilt ge? Als ik toch hier moet komen,” zeide de Slijper met een peinzend gezicht, “mag ik wel iets hebben waar ik om kom!”—“Iets waar hij om komt!” gilde de oude vrouw.—“Behalve u, meen ik, Vrouw Brown,” antwoordde de laffe Rob. “Niet dat ik iets anders noodig heb om mij te lokken dan[363]u, Vrouw Brown. Waarlijk niet. Begin maar niet weer, om alle goedheid!”—“Hij geeft niet om mij!” riep Vrouw Brown, hare beenderige handen opstekende. “Maar ik zal toch op zijn papegaai passen.”—“En pas er goed op ook, weet ge, Vrouw Brown,” zeide Rob, zijn hoofd schuddende. “Als gij maar eens zijne veeren den verkeerden kant mocht opstrijken, geloof ik dat het ontdekt zou worden.”—“Is hij zoo slim, Rob?” zeide Vrouw Brown snel.—“Slim, Vrouw Brown!” herhaalde Rob. “Maar dat is geen ding om van te praten.”
Zich eensklaps stuitende (niet zonder een vreesachtigen blik in het rond) schonk Rob zijn glas nog eens vol, en nadat hij het langzaam geledigd had, schudde hij zijn hoofd en begon met zijne vingers over de traliën der papegaaiskooi te strijken, bij wijze van afleiding van het gevaarlijke onderwerp, dat zoo even was aangeroerd.
De oude vrouw hield hem scherp in het oog, en haar stoel wat nader bij den zijnen schuivende, en naar den papegaai kijkende, die op haar lokken uit zijn vergulden hoepel naar beneden kwam, zeide zij:
“Buiten dienst nu, Robby?”—“Kan u immers niet schelen, Vrouw Brown,” antwoordde Rob kortaf.—“Op kostgeld misschien, Rob?” zeide Vrouw Brown.—“Kopje krauwen!” zeide de Slijper.
De oude vrouw wierp hem een blik toe, die hem had kunnen waarschuwen dat zijne ooren in gevaar verkeerden, maar het was nu zijne beurt om naar den papegaai te kijken, en hoewel hij zich hare gramschap wel kon verbeelden, werd die niet door zijne lichamelijke oogen waargenomen.
“Het verwondert mij, dat uw meester u niet heeft meegenomen, Rob,” zeide de oude vrouw met eene fleemende stem, maar met toenemende kwaadaardigheid in haar uitzicht.
Rob was zoo verdiept in de beschouwing van den papegaai en in het vermaak om met zijn voorvinger over de traliën te ratelen, dat hij geen antwoord gaf.
De oude vrouw had hare kromme vingers eene haarbreedte boven zijn ruigen haarbos; maar zij bedwong zich en zeide, bijna stikkende van het geweld om hare stem vriendelijk te houden:
“Robby, mijn kind.”—“Wel, Vrouw Brown?” zeide de Slijper.—“Ik zeg, het verwondert mij dat uw meester u niet heeft meegenomen, lieve jongen.”—“Dat kan u immers niet schelen, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper.
Dadelijk had Vrouw Brown de rechterhand in zijne haren en de linker aan zijne keel, en klemde zij het voorwerp harer teedere liefde met zulk eene woede vast, dat zijn gezicht oogenblikkelijk blauw begon te worden.
“Vrouw Brown!” schreeuwde de Slijper. “Laat los! Wat doet ge! Help mij toch, jonge jufvrouw! Vrouw Bro—Bro—!”
Alice—de bedoelde jonge jufvrouw—hield zich echter geheel onzijdig, totdat Rob, na al worstelende in een hoek te zijn geraakt, zich losmaakte, en daar, achter zijne eigene ellebogen verschanst, bleef staan hijgen, terwijl het oude wijf, insgelijks hijgende, en van woede stampvoetende, hare krachten scheen te verzamelen voor een tweeden aanval. In deze crisis kwam Alice tusschen beide, maar niet ter gunste van den Slijper, en zeide:
“Wel gedaan, moeder. Scheur hem in stukken!”—“Wat,” stotterde Rob huilende, “zijt gij ook tegen mij? Wat heb ik u gedaan? Waarom moet ik in stukken gescheurd worden—dat zou ik wel willen weten? Waarom moet gij een jongen willen wurgen, die u geen van beiden ooit eenig kwaad heeft gedaan? En gij wilt nog al vrouwen heeten!” zeide de ontstelde Slijper, zijne oogen wrijvende. “Ik sta verbaasd over u! Waar is uwe vrouwelijke zachtheid?”—“Gij ondankbare hond!” beet Vrouw Brown hem toe. “Gij onbeschaamde, boosaardige rekel!”—“Wat heb ik dan gedaan dat gij kwalijk kunt nemen, Vrouw Brown?” antwoordde de behuilde Rob. “Een oogenblik geleden hieldt ge nog zooveel van mij.”—“Mij af te snauwen met zijne korte en norsche antwoorden!” zeide de oude vrouw. “Mij! Mij op den schopstoel te durven zetten, omdat ik uit enkele nieuwsgierigheid een praatje wil maken over zijn meester en de dame! Maar ik zal niet meer met u praten, jongetje! Ga nu maar heen!”—“Waarachtig, Vrouw Brown,” antwoordde de laaghartige Slijper, “ik heb nooit te kennen gegeven dat ik wilde heengaan. Praat toch zoo niet, Vrouw Brown, als het u belieft.”—“Ik wil geheel niet meer praten,” zeide Vrouw Brown, met eene beweging harer kromme vingers, die hem nog dichter in den hoek deed kruipen. “Geen woord met hem zal mij meer uit den mond komen. Het is een ondankbare hond. Ik verzaak hem. Laat hij nu maar gaan. Ik zal hem anderen nazenden, die wel te veel zullen praten, die zich niet zullen laten afsnauwen; die hem als bloedzuigers zullen aankleven, en als vossen nasluipen. Hij kent ze wel. Hij kent zijne oude streken en kameraads wel. Als hij ze vergeten is, zullen zij ze hem gauw weer te binnen brengen. Laat hij nu maar gaan, en zien hoe hij op zijn meesters zaken zal passen, en zijn meesters geheimen bewaren, als hij zulk gezelschap altijd bij zich heeft. Ha, ha! Hij zal dan andere lieden vinden dan u en mij, Ally, al houdt hij zich zoo dicht voor ons. Laat hij nu maar gaan, laat hij nu maar gaan!”
Tot onbeschrijfelijken angst van den Slijper, bleef het kromme oude wijf, onder een aanhoudend herhalen van deze woorden, om hem[364]heen draaien in een kring van omtrent vier voet middellijn, terwijl zij hare vuist boven zijn hoofd schudde en haar mond in allerlei leelijke bochten wrong.
“Vrouw Brown,” pleitte Rob, een weinigje uit zijn hoek komende, “gij zoudt toch zeker een armen jongen niet willen benadeelen, als gij u beter hebt bedacht en bedaard zijt geworden, zoudt ge wel?”—“Spreek niet tegen mij,” zeide Vrouw Brown, nog eveneens haar kring beschrijvende. “Laat hij nu maar gaan, laat hij nu maar gaan!”—“Vrouw Brown,” hervatte de gemartelde Slijper, “ik had niet gemeend—O, wat is het toch als een jongen eens zoover komt!—Ik was maar voorzichtig om te praten, Vrouw Brown, omdat ik dat altijd ben, omdat hij alles kan te weten komen; maar ik had wel kunnen weten dat het niet verder zou gaan. Ik heb waarlijk zelf grooten lust,” met een allerjammerlijkst gezicht, “om een beetje te praten, Vrouw Brown. Ga toch zoo niet te werk, als het u belieft. Och, zoudt gij niet zoo goed willen zijn om een woordje voor een armen jongen te spreken?” zeide de Slijper, zich wanhopig op de dochter beroepende.—“Kom, moeder, gij hoort wat hij zegt,” viel zij met hare stroeve stem en eene ongeduldige beweging van haar hoofd er op in. “Probeer het nog eens met hem, en als gij weer ongenoegen met hem krijgt, ruïneer hem dan en laat hem loopen.”
Vrouw Brown, door deze teerhartige vermaning bewogen, naar het scheen, begon te huilen; en trapsgewijze vermurwd, sloot zij den boetvaardigen Slijper in hare armen, die haar met een zeer benauwd gezicht nogmaals en nogmaals verschooning verzocht, en zich eindelijk, als een weerloos slachtoffer, weder op zijne vorige plaats zette, dicht naast zijne eerwaardige vriendin, welke hij, met een gezicht, waarop de tegenstrijdigste uitdrukkingen elkander afwisselden, toeliet om haar arm door den zijnen te steken en hem zoo vast te houden.
“En hoe vaart uw meester, lieve jongen?” zeide Vrouw Brown, nadat zij, in deze vriendschappelijke houding gezeten, elkander nog eens hadden toegedronken.—“St! Als gij zoo goed wilt zijn om een beetje zachter te spreken, Vrouw Brown,” smeekte Rob. “Wel, hij is tamelijk wel, dankje, zou ik denken.”—“Gij zijt toch niet buiten dienst, Robby?” zeide Vrouw Brown op een fleemenden toon.—“Wel, eigenlijk niet buiten dienst, en ook niet in dienst,” stotterde Rob. “Ik—ik trek nog mijn geld, Vrouw Brown.”—“En behoeft daarvoor niets te doen, Rob?”—“Niets bijzonders tegenwoordig, Vrouw Brown, behalve—mijne oogen openhouden,” zeide de Slijper en liet zijne oogen angstig rondgaan.—“Meester buitenslands, Rob?”—“Om alle goedheid. Vrouw Brown, zoudt ge niet van wat anders een praatje kunnen maken?” riep de Slijper met eene uitbarsting van wanhoop uit.
Daar de ongeduldige Vrouw Brown dadelijk opstond, hield de gemartelde Slijper haar vast, en stotterde: “Ja, ja, Vrouw Brown. Ik geloof dat hij buitenslands is. Waar kijkt zij zoo naar?” voegde hij er bij, op de dochter doelende, wier oogen gevestigd waren op het gezicht, dat nu achter hem kwam uitkijken.—“Stoor u niet aan haar, jongen,” zeide de oude vrouw, hem steviger vasthoudende, om te beletten dat hij omzag. “Dat is hare manier zoo. Zeg mij, Rob—hebt gij ooit de dame gezien, lieve jongen?”—“Och, Vrouw Brown, welke dame?” riep de Slijper op een jammerlijken smeektoon.—“Welke dame?” antwoordde zij bits. “De dame. Mevrouw Dombey.”—“Ja, ik geloof dat ik haar eens gezien heb,” antwoordde Rob.—“Dien avond toen zij heenging, Robby, he?” beet de oude vrouw hem in het oor, en lette op elke verandering van zijn gezicht. “Ja, ik weet wel dat het dien avond was.”—“Wel, als gij wist dat het dien avond was, Vrouw Brown,” antwoordde Rob, “dan behoeft gij een jongen ook zoo niet te knijpen, om het hem nog eens te laten zeggen.”—“Waar zijn zij dien avond naar toe gegaan, Rob? Hoe gingen zij? Lachte ze of huilde ze? Vertel mij alles er van,” zeide de oude heks, hem nog stijver vasthoudende, en de hand, die door haar arm getrokken was, met hare andere hand knijpende, terwijl zij hem strak in het gezicht keek. “Kom! Begin! Ik wil er alles van weten. Wat zegt ge, Rob, mijn jongen? Gij en ik kunnen samen wel een geheim bewaren. Dat hebben wij wel meer gedaan. Waar zijn zij eerst naar toe gegaan?”
De rampzalige Slijper deed hijgend zijn mond open, maar zweeg.
“Zijt gij stom geworden?” zeide het oude wijf gramstorig.—“Wel neen, Vrouw Brown. Maar gij denkt, dat een jongen een bliksemstraal zal zijn. Ik wou, dat ik de electriciteit zelve was,” mompelde de benauwde Slijper. “Dan zou ik iemand een schok geven, daar zij haar bekomst aan zou hebben.”—“Wat zegt gij?” vroeg het oude wijf grijnzende.—“Dat ik eens op uwe gezondheid wou drinken, Vrouw Brown,” antwoordde de valsche Rob, zijn troost in het glas zoekende. “Waar zij eerst naar toe gingen, vraagt ge. Hij en zij, meent ge?”—“Ja,” zeide de oude vrouw gretig. “Die twee.”—“Wel, zij gingen nergens naar toe—niet te zamen, wil ik zeggen.”
Het oude wijf zag hem aan alsof zij veel lust had om hem nog eens bij het haar en de keel te grijpen; maar zij liet zich weerhouden door zekere knorrige geheimzinnigheid in zijn uitzicht.
“Dat was het slimme er van,” zeide de tegenstribbelende Slijper. “Zoo komt het, dat niemand[365]hen heeft zien heengaan, of heeft kunnen zeggen hoe zij heengegaan zijn. Zij gingen ieder een anderen weg, Vrouw Brown.”—“Ja, ja! Om op eene afgesprokene plaats bij elkander te komen,” zeide het oude wijfgrinnikend, nadat zij hem een oogenblik scherp had aangezien.—“Wel, als zij elkander niet ergens wilden opzoeken, dunkt mij, dat zij evengoed thuis hadden kunnen blijven, nietwaar, Vrouw Brown?” antwoordde de onwillige Slijper.—“Wel, Rob? Wat meer?” zeide het oude wijf, zijn arm nog verder door den haren trekkende, alsof zij bang was dat hij haar nu zou ontglippen.—“Wat, hebben wij nog niet genoeg gepraat, Vrouw Brown?” zeide Rob, die van angst en door den drank zoo huilerig was geworden, dat hij bijna geen woord kon spreken, zonder zijn opslag in zijn oog te duwen en een jankend geluid te laten hooren. “Of zij dien avond lachte, niet waar? Hebt gij niet gevraagd of zij lachte, Vrouw Brown?”—“Of huilde?” zeide het oude wijf toestemmend knikkende.—“Geen van beide,” zeide de Slijper. “Zij hield zich zoo stijf, den geheelen weg—och, ik zie wel dat gij mij wilt uitpersen, Vrouw Brown. Maar gij moet er eerst een duren eed op doen, dat gij het nooit iemand zult vertellen.”
Vrouw Brown deed dit zeer bereidwillig,gelijkzij gerust kon doen, daar zij nietsandersbedoelde dan den verborgen luisteraar alles zelf te laten hooren.
“Wel dan, den geheelen weg over, toen ik met haar naarSouthamptonreed, hield zij zich zoo stijf als een steenen beeld,” zeide de Slijper. “Den anderen ochtend nog eveneens, Vrouw Brown. En toen ik voor den dag met haar naar de pakketboot ging—ik alsof ik haar knecht was, die haar veilig aan boord moest brengen—was zij ook nog zoo. Zijt gij nu tevreden, Vrouw Brown?”—“Neen, Rob, nog niet,” antwoordde Vrouw Brown kortaf.—“Hoor die vrouw nu eens aan!” riep de Slijper jammerend uit. “Wat wilt ge dan nog meer weten, Vrouw Brown?”—“Waar is uw meester gebleven? Waar ging hij naar toe?” vroeg zij, hem nog stevig vasthoudende en scherp aanziende.—“Bij mijne ziel, dat weet ik niet, Vrouw Brown,” antwoordde Rob. “Bij mijne ziel, ik weet niet wat hij gedaan heeft, of waar hij naar toe ging, of iets van hem. Ik weet alleen wat hij mij op het laatst nog heeft gezegd, om mij te waarschuwen dat ik mijn mond moest houden; en ik zeg u dit, Vrouw Brown, als een vriend: veel liever dan ooit een woord te vertellen van wat wij nu praten, moest gij u zelve liever doodschieten, of u zelve hier in huis opsluiten en het in brand steken, want er is niets dat hij niet doen zou om wraak op u te nemen. Gij kent hem niet half zoo goed als ik, Vrouw Brown. Gij zijt nooit veilig voor hem, zeg ik u.”—“Heb ik geen eed gedaan,” zeide het oude wijf, “en zal ik dien niet houden?”—“Nu, ik hoop waarachtig dat ge dat doen zult, Vrouw Brown,” antwoordde Rob eenigszins twijfelachtig, en niet zonder iets dreigends in zijn toon. “In uw eigen belang, zoowel als in het mijne.”
Hij zag haar aan terwijl hij haar deze vriendelijke waarschuwing gaf, die hij nog met een hoofdknik aandrong; maar daar hij het onpleizierig vond dat gele grijnzende gezicht en de scherpe loerende oogen zoo dichtbij te zien, keek hij weder naar omlaag, en bleef onrustig op zijn stoel zitten heen en weder schuiven, alsof hij zijn best deed om zich op te winden tot eene stugge verklaring, dat hij nu geene vragen meer wilde beantwoorden. De oude vrouw, die hem nog stevig vasthield nam deze gelegenheid waar om ongemerkt haar voorvinger op te steken, als een geheim teeken voor den verborgen luisteraar om bijzonder op te letten op hetgeen er nu zou volgen.
“Rob,” zeide zij op haar fleemenden toon.—“Lieve hemel, Vrouw Brown, wat is er nu weer?” zeide de radelooze Slijper.—“Rob, waar hebben de dame en uw meester afgesproken om elkander te vinden?”
Rob schoof nog onrustiger heen en weer, keek op en weder naar omlaag, beet op zijn duim, veegde dien op zijn vest af, en zeide eindelijk, zijn plaaggeest schuins aanziende: “Hoe zouikdat weten, Vrouw Brown?”
De oude vrouw stak nog eens haar vinger op en zeide: “Kom, jongen. Nu gij zooveel gezegd hebt, moet ge mij er niet bij laten steken. Ik wil het weten.”
Rob liet haar eene poos op antwoord wachten en barstte toen radeloos uit: “Hoe kan ik de namen van die vreemde plaatsen uitspreken, Vrouw Brown? Wat zijt ge toch onredelijk!”—“Maar gij hebt het toch gehoord, Robby,” hervatte zij dringend, “en hoe klonk het? Kom aan!”—“Ik heb het nooit gehoord, Vrouw Brown,” antwoordde de Slijper.—“Dan,” hervatte zij snel, “hebt gij het geschreven gezien en kunt het spellen.”
Met een wreveligen uitroep, tusschen lachen en huilen—want hij moest de slimheid van Vrouw Brown eenigszins bewonderen, hoe erg zij hem ook kwelde—haalde Rob een stukje krijt uit zijn vestzakje. De oogen van het oude wijf begonnen te schitteren toen zij het tusschen zijn duim en vinger zag blinken, en haastig ruimte makende op de vurenhouten tafel, om hem het woord daar te laten schrijven, gaf zij met hare bevende hand nog eens het vorige teeken.
“Nu zeg ik u vooruit hoe het is, Vrouw Brown,” zeide Rob. “Gij behoeft mij nu niets meer te vragen. Ik wil op niets meer antwoord geven, en kan ook niet. Hoelang het nog duren[366]moest eer zij elkander vonden, of wie het bedacht dat zij ieder alleen zouden gaan, daarvan weet ik niet meer dan gij. Ik weet er nu niets meer van. Als ik u nu nog zeg hoe ik dat woord gevonden heb, zult gij dat wel gelooven. Zal ik u dat zeggen, Vrouw Brown?”—“Ja, Rob.”—“Welnu dan, Vrouw Brown. Maar dan moet ge mij niets meer vragen, weet ge?” zeide Rob, haar aanziende met oogen, die nu dof en slaperig begonnen te worden.—“Geen woord meer,” zeide Vrouw Brown.—“Wel, het was dan op deze manier. Toen zeker iemand de dame bij mij liet, gaf hij haar een papiertje met een geschreven adres, in geval zij het vergeten mocht, zeide hij. Maar zij was niet bang om het te vergeten, want zij verscheurde het zoodra hij zijn rug had gekeerd en toen ik de trede van het rijtuig opsloeg vond ik een van de stukjes—de andere gooide zij uit het portier, denk ik, want ik vond er naderhand niet meer, hoewel ik er naar zocht. Er stond maar één woord op, en dat was dit, als gij het dan moet en zult weten. Maar onthoud, gij hebt een eed gedaan, Vrouw Brown.”
Vrouw Brown wist dat wel, zeide zij, en Rob, die nu niets meer te zeggen had, begon langzaam en stijf op de tafel te schrijven.
“D,” zeide de oude vrouw hardop, toen hij die letter gezet had.—“Wilt gij uw mond wel houden, Vrouw Brown?” riep hij, de letter met zijne hand bedekkende en zich driftig naar haar omkeerende. “Ik wil het zoo niet gelezen hebben. Houd u stil, hoort gij?”—“Schrijf dan wat groot, Rob,” antwoordde zij, haar geheim teeken herhalende, “want mijne oogen zijn niet goed meer, zelfs voor de drukletters.”
Onvergenoegd mompelende, ging Rob met blijkbaren tegenzin weder aan het werk. Terwijl hij laag met zijn hoofd bukte, kwam de man, tot wiens inlichting hij zonder het te weten arbeidde, achter de deur vandaan tot dicht achter hem, en keek over zijn schouder naar zijne op de tafel voortkruipende hand. Te gelijk gaf Alice, van haar stoel aan de overzijde, oplettend acht hoe die hand de letters vormde, en sprak zij elke letter met hare lippen uit, maar zonder geluid te laten hooren. Telkens sloeg zij hare oogen naar Dombey op en zag deze naar haar, alsof zij wederkeerig door elkander bevestigd wilden worden, en zoo spelden zij beide: D. I. J. O. N.
“Daar!” zeide de Slijper, haastig zijne handpalm nat makende, om het woord weder uit te vegen; en nog niet met dat uitvegen tevreden, de tafel met zijne mouw boenende, tot zelfs het wit van het krijt niet meer op de planken te zien was. “Nu hoop ik dat ge tevreden zijt, Vrouw Brown!”
Ten teeken dat zij dit was, liet de oude vrouw zijn arm los en klopte hem op zijn rug; en de Slijper, door verdrietelijkheid, inspanning en den drank overweldigd, sloeg zijne armen op de tafel over elkander, liet zijn hoofd daarop neerzakken en viel in slaap.
Niet voordat hij eenigen tijd had geslapen en rustig snorkte, keerde de oude vrouw zich naar de deur, waarachter Dombey zich weder verborgen had, en wenkte zij hem om de kamer door te komen en heen te gaan. Zelfs toen bleef zij bij Rob staan oppassen, gereed om hem hare handen voor de oogen te houden, of zijn hoofd op de tafel neer te duwen, als hij het mocht opheffen, terwijl die voorzichtige voetstap de kamer doorging. Maar hoewel zij scherp op den slapende lette, zij lette niet minder scherp op den wakende; en toen hij hare hand met de zijne aanraakte en in weerwil van zijne voorzichtigheid een gouden klank liet hooren, schitterden hare oogen als die van eene raaf.
De donkere blik der dochter volgde hem naar de deur, en zag wel hoe bleek hij was, en hoe zijn haastige tred aanduidde, dat het minste vertoef hem onuitstaanbaar was, en hoe hij brandde van ongeduld om maar op weg te zijn. Toen hij de deur achter zich sloot, zag zij naar hare moeder om. Het oude wijf kwam snel naar haar toe, opende hare hand om te laten zien wat zij er in had, kneep ze in hare gierigheid terstond weder dicht en fluisterde:
“Wat zal hij nu doen, Ally?”—“Een ongeluk,” zeide de dochter.—“Een moord?” vroeg de oude vrouw.—“Hij is dol genoeg in zijn gekwetsten trots, zoover wij kunnen zeggen, of hij zelf kan zeggen.”
Haar blik was nog vuriger dan die harer moeder, maar haar gezicht was geheel kleurloos, tot hare lippen toe.
Zij spraken niet meer, maar bleven van elkander afgezonderd zitten; de moeder telde haar geld, de dochter verdiepte zich in hare gedachten; beider oogen flikkerden in de duisternis der flauw verlichte kamer. Rob snorkte. De papegaai, op welken niemand lette, was de eenige die zich bewoog. Hij plukte en rukte met zijn krommen bek aan de traliën zijner kooi, enklauterdeals eene vlieg langs het koepeldak, en met den kop vooruit weder naar omlaag, en scheen dol van ongeduld om uit te breken, alsof hij het gevaar van zijn meester kende, en naar hem toe wilde vliegen om hem te waarschuwen.