[Inhoud]LIII.NOG MEER BERICHTEN.Er waren twee van des verraders eigen bloed—de broeder en zuster, die hij verzaakt had—[367]op welke het gewicht zijner schuld bijna even zwaar drukte, als op den man, dien hij zoo diep beleedigd had. Hoezeer de wereld hem door hare nieuwsgierigheid martelde, bewees zij Dombey toch den dienst om hem kracht te geven tot vervolging en wraak. Zij prikkelde zijn trots, zij verwrong het eenige denkbeeld, dat zijn leven vervulde, tot eene nieuwe gedaante, en maakte de voldoening zijner wraakzucht tot een doel waarin geheel zijn aanzijn zich oploste. Al de onbuigzaamheid en onverzoenlijkheid van zijn karakter, al de stroefheid en somberheid daarvan, al zijn overdreven gevoel van eigenwaarde, al zijne ijverzuchtige drift om het minste gebrek aan erkentenis zijner waarde bij anderen te bestraffen, dat alles vereenigde zich gelijk zoovele waterspranken tot ééne rivier, welke hem op hare golven medevoerde. De hartstochtelijkste en opvliegendste mensch zou een zachter vijand zijn geweest dan de zoodanig opgewondene Dombey. Een wild dier had zich lichter laten stuiten of bedaren dan de deftige heer, zonder rimpeltje in zijne gestevene das.Maar juist de hitte zijner wraakzucht was eenigszins eene vergoeding voor de werkeloosheid, waartoe die wraakzucht veroordeeld was. Terwijl hij nog onkundig was van de schuilplaats des verraders, strekte die om zijne gedachten van zijn eigen ongeluk af te wenden en met een ander uitzicht bezig te houden. De broeder en de zuster van zijn trouweloozen gunsteling hadden zulk eene verlichting niet; alles in hunne vroegere geschiedenis, zoowel als in het tegenwoordige, gaf zijn misdrijf eene meer bedroevende beteekenis voor hen.De zuster dacht wel eens treurig dat hij, indien zij bij hem gebleven was als zijne gezellin en vriendin, misschien de misdaad, waartoe hij vervallen was, zou ontvloden hebben. Evenwel, wanneer zij zoo dacht, was het toch zonder berouw over hetgeen zij gedaan had, zonder daarom meer waarde aan hare zelfopoffering toe te schrijven. Maar wanneer deze mogelijkheid den eens verdoolden en nu boetvaardigen broeder voor den geest kwam, werd zijn hart door het bitterste zelfverwijt gemarteld. Geen denkbeeld om nu vergelding tegen zijn wreeden broeder uit te oefenen kwam bij hem op. Nieuwe zelfbeschuldigingen, geheime jammerklachten over zijne eigene onwaardigheid en het onheil waarin hij ook anderen had medegesleept, waren de eenige gedachten, waartoe de ontdekking bij hem aanleiding gaf.Het was op denzelfden dag, waarvan wij in het vorige hoofdstuk den avond hebben beschreven, en toen Dombey’s wereld het drukst bezig was met het wegloopen van zijne vrouw, dat het venster der kamer, waarin broeder en zuster aan het ontbijt zaten, verdonkerd werd door de schaduw van een man, die terstond daarop de opene deur inkwam; en deze man was Perch, de kantoorlooper.“Ik kom zoo vroeg vanBall’s Pondaanstappen,” zeide Perch, vertrouwelijk de kamerdeur inkijkende, terwijl hij op de mat bleef staan, om zijne schoenen af te vegen, waaraan geen slijk was, “om eene boodschap te doen, die mij gisteravond belast is. Ik moest u vooral zonder fout een briefje brengen, mijnheer Carker, eer gij nog waart uitgegaan. Ik zou al een uur vroeger hier zijn geweest,” zeide Perch, zoetsappig verontschuldigend, “als mijne vrouw niet zoo van de wijs was geweest. Ik heb van nacht niet minder dan vijfmaal gedacht, dat ik haar zou verliezen, dat kan ik u verzekeren.”—“Is uwe vrouw zoo ziek?” vroeg Harriët.—“Wel, ziet ge,” zeide Perch, zich eerst omkeerende om de deur zorgvuldig te sluiten, “zij trekt zich zoo erg aan wat er met onzen patroon gebeurd is, jufvrouw. Hare zenuwen zijn zwak, en gauw in de war. Maar zeker de sterkste zenuwen mochten door zoo iets wel geschokt worden. Gij zelf zult het ook wel erg gevoelen, daar twijfel ik niet aan.”Harriët smoorde een zucht en zag naar haar broeder om.“Ik zelf gevoel het waarlijk ook, in mijn nederigen staat,” vervolgde Perch, even zijn hoofd schuddende, “op eene manier zooals ik niet had kunnen gelooven, als ik het niet had moeten ondervinden. Het heeft op mij bijna de werking van sterken drank. Ik heb elken ochtend letterlijk eene gewaarwording alsof ik den vorigen avond meer had gebruikt dan mij dienstig was.”Het voorkomen van Perch strekte ter bevestiging dezer verklaring. Het kenteekende zekere koortsigheid en afgematheid, die aan borrels scheen te kunnen worden toegeschreven, en waarvan men waarschijnlijk de oorzaak had kunnen vinden in het gedurig getrakteerd en uitgevraagd worden, dat nu zijn dagelijksch lot was.“Ik kan daarom heel goed oordeelen,” zeide Perch, wederom zijn hoofd schuddende, “over het gevoel van iemand, die in betrekking tot deze pijnlijke omstandigheid eenigszins in eene bijzondere positie verkeert.”Nu wachtte Perch op eene vertrouwelijke mededeeling, en daar hij deze niet ontving, kuchte hij achter zijne hand. Toen dit tot niets leidde, kuchte hij achter zijn hoed; en daar ook dit tot niets leidde, zette hij zijn hoed op den grond en zocht in zijn borstzak naar den brief.“Als ik mij wel herinner, was er geen antwoord noodig,” zeide Perch met een vriendelijk lachje; “maar misschien zult ge wel zoo goed willen zijn om hem eens door te zien, mijnheer.”John Carker brak den brief open, waarop het cachet van Dombey stond, en nadat hij den inhoud had gelezen, die zeer kort was, zeide hij: “Neen. Er is geen antwoord noodig.”[368]“Dan zal ik u goedenmorgen wenschen, jufvrouw,” zeide Perch, een stap naar de deur doende, “en ik hoop hartelijk dat gij u door die ongelukkige omstandigheid niet neerslachtiger zult maken dan gij niet laten kunt. De couranten,” zeide Perch, weder twee stappen terug doende en broeder en zuster te gelijk aansprekende, met een gefluister, dat hoe langer hoe geheimzinniger werd, “zijn zoo vurig op nieuws er van, dat gij het u niet verbeelden kunt. Een van de zondagsbladen, met een blauwen mantel en een witten hoed, die mij eerst had willen omkoopen—behoef ik te zeggen met welk gevolg?—loerde gisteravond tien minuten voor negenen nog om het kantoor rond. Ik heb hem zelf met zijn oog voor het sleutelgat gevonden; maar dat is een patentslot, waar men niet door kan kijken. Een ander,” zeide Perch, “met tressen op zijne jas, alsof hij een militair was, zit den ganschen dag in het Koninklijk Wapen in de zijkamer. Verleden week liet ik mij daar toevallig eene kleine aanmerking ontglippen, en ’s anderen daags, dat zondag was, zag ik die tot mijne verwondering gedrukt staan.”Perch tastte in zijn borstzak, alsof hij het blad er uit wilde halen; maar toen hij geene aanmoediging ontving, trok hij zijne kastoren handschoenen aan, raapte zijn hoed op, en nam afscheid; en nog voor den middag had hij in het Koninklijk Wapen en elders aan een uitgelezen gehoor verteld, hoe jufvrouw Carker in tranen was uitgebarsten, en hem bij beide handen had gevat, en gezegd had: “Och, lieve, lieve Perch, dat ik u nog eens zie is de eenige troost die mij overschiet!” en hoe mijnheer John Carker met eene geduchte stem had gezegd: “Perch, ik verzaak hem. Laat ik hem nooit meer als mijn broeder hooren noemen!”“Lieve John,” zeide Harriët, toen zij alleen waren gebleven, en eene korte poos hadden gezwegen. “Gij krijgt slechte tijding in dien brief.”—“Ja. Maar niet onverwacht,” antwoordde hij. “Ik had den schrijver gisteren gezien.”—“Den schrijver?”—“Mijnheer Dombey. Hij kwam tweemaal het kantoor door terwijl ik er was. Het was mij vroeger gelukt hem te vermijden; maar dat kon ik natuurlijk niet lang hopen te doen. Ik weet wel hoe natuurlijk het is, dat hij mijne tegenwoordigheid onaangenaam moet vinden. Ik gevoelde dat toen zelf al.”—“Maar hij zeide dat toch niet?”—“Neen. Hij zeide niets; maar ik zag dat zijne oogen even op mij bleven rusten, en was toen voorbereid op wat er gebeuren zou—op wat gebeurd is. Ik ben afgedankt!”Zij zag zoo weinig ontsteld en zoo moedig als zij kon, maar het was toch een droevig nieuws om vele redenen.“Ik behoef u niet te zeggen,” zeide John Carker, den brief lezende,“waarom uw naam, in verband met den mijnen, hoe verwijderd dat verband ook zij, voortaan een onnatuurlijken klank zou hebben, of waarom het dagelijksch gezicht van iemand, die zoo heet, mij ondragelijk zou zijn. Ik moet u kennis geven dat van dezen dag af alle betrekkingen tusschen ons ophouden, en u verzoeken dat gij nooit zult beproeven eenige gemeenschap met mij of mijn kantoor meer aan te knoopen.”“Ingesloten vind ik eene som, die rijkelijk tegen eene waarschuwing van langen tijd vooraf opweegt, en dit is mijn ontslag. De hemel weet, Harriët, het is zacht en genadig, als wij alles bedenken.”—“Als het zacht en genadig is u voor het misdrijf van een ander te straffen, John,” zeide zij, maar zonder drift, “dan ja.”—“Onze familie heeft hem nooit iets anders dan onheil aangebracht,” zeide John Carker. “Hij heeft wel redenen om voor den klank van onzen naam te huiveren, en te denken, dat er iets slechts en vervloekts in ons bloed zit. Ik zou dat ook bijna denken, Harriët, als gij er niet waart.”—“O broeder, spreek zoo niet. Als gij eenige bijzondere redenen hebt, gelijk gij zegt en denkt—hoewel ik “neen” zeg—om mij lief te hebben, bespaar mij dan het hooren van zulke woeste woorden.”Hij hield zijne handen voor zijn gezicht; maar toen zij nader kwam en eene daarvan vatte, liet hij dit toe.“Na zoovele jaren is dit afscheid droevig, dat weet ik,” zeide zijne zuster, “en de oorzaak daarvan is schrikkelijk voor ons allebei. Ook moeten wij leven en naar middelen daartoe rondzien. Welnu, daarvoor behoeven wij niet bang te zijn. Het is onze trots, en niet een verdriet, dat wij te zamen ons best doen, John.”Een lachje speelde om hare lippen, terwijl zij hem een kus op de wang drukte en bad om gemoedigd te zijn.D. I. J. O. N. (blz. 366).D. I. J. O. N.(blz. 366).“O, lieve zuster! Door uw eigen edelmoedigen wil aan een geruïneerd man gebonden, die zijn goeden naam verwoest heeft, die zelf geen enkel vriend heeft, en al uwe vrienden van u heeft weggejaagd!”—“John!” zij legde haastig hare hand op zijne lippen. “Om mijnentwil! Denk aan de jaren, die wij te zamen hebben geleefd!” Hij zweeg. “Laat ik nu zeggen, lieve broeder,” vervolgde zij, zich stil naast hem zettende, “ik heb, evenals gij, dit verwacht; en toen ik er aan dacht, en vreesde dat het gebeuren zou, en er mij zoo goed ik kon op gereedmaakte, nam ik mij voor, als het er toe kwam, u te zeggen dat ik een geheim voor u bewaard heb, en dat wij wel een vriend hebben.”—“Hoe heet onze vriend, Harriët?” zeide hij met een treurigen glimlach.—“Dat weet ik niet; maar hij heeft mij eens zeer ernstig verzekerd, dat hij altijd mijn vriend zou zijn en maar verlangde ons te kunnen dienen; en tot op dezen dag geloof ik hem.”—“Harriët!”[369]riep haar verwonderde broeder uit; “waar woont die vriend?”—“Dat weet ik ook niet,” antwoordde zij. “Maar hij kent ons beiden, en onze geschiedenis—geheel onze kleine geschiedenis, John. Dat is de reden waarom ik, op zijn eigen raad, zijn bezoek voor u geheim heb gehouden, opdat het u niet bedroeven zou dat hij zooveel wist.”—“Bezoek! Is hij dan hier geweest, Harriët?”—“Hier, in deze kamer. Eens.”—“Wat voor een man?”—“Niet jong meer. Hij zeide zelf, dat hij sterk begon te grijzen. Maar een braaf man, rondborstig en edelmoedig, daarvan ben ik zeker.”—“En maar ééns gezien, Harriët?”—“In deze kamer maar eens,” antwoordde de zuster, met een blosje, dat echter zeer vluchtig was, op de wangen; “maar toen hij hier was, verzocht hij mij dringend, dat ik mij eens in de week aan hem zou laten zien, als hij voorbijkwam, ten teeken dat wij nog wel waren, en niets van hem bleven noodig hebben. Want ik zeide hem, toen hij ons alle diensten aanbood, die hij bewijzen kon—hetgeen het oogmerk van zijn bezoek was—dat wij niets noodig hadden.”—“En eens in de week.…”—“Sedert is hij elke week, en altijd op denzelfden dag en op hetzelfde uur, hier voorbijgekomen; altijd te voet, en altijd denzelfden kant opgaande—naar Londen toe; en nooit heeft hij zich langer opgehouden, dan om voor mij te buigen, en vroolijk met zijne hand te wuiven, gelijk een vriendelijk bejaard bloedverwant zou doen. Hij beloofde dit, toen[370]hij om die zonderlinge ontmoetingen verzocht, en hij heeft zoo getrouw en aardig zijn woord gehouden, dat, al mocht ik in het begin eene kleine ongerustheid gevoelen—dat ik toch niet geloof, John; zijn toon was zoo eenvoudig en oprecht—die ongerustheid toch spoedig verdween, en ik waarlijk blij was als de dag kwam. Verleden maandag—den eersten na die schrikkelijke gebeurtenis—is hij niet voorbijgekomen; en ik heb mij verwonderd of zijn wegblijven ook eenigszins met het gebeurde in verband kan staan.”—“Hoe zoo?” vroeg haar broeder.—“Ik weet niet hoe. Ik heb maar gedacht dat het zonderling was dat het zoo uitkwam, maar niet beproefd het te verklaren. Ik ben overtuigd dat hij wel weder zal komen. Als hij dat doet, lieve John, laat ik hem dan zeggen dat ik eindelijk met u gesproken heb, en laat ik u bij elkander brengen. Hij zal ons zeker aan een nieuw bestaan helpen. Hij verlangde maar iets te kunnen doen, zeide hij, om mij en u het leven aangenamer en gemakkelijker te maken; en ik heb hem beloofd, dat ik om hem zou denken, als wij ooit een vriend noodig hadden. Dan zou zijn naam geen geheim meer blijven.”—“Harriët,” zeide haar broeder, die met de grootste aandacht had geluisterd, “beschrijf mij dien heer toch eens. Ik moet iemand toch wel kennen, die mij zoo goed kent.”Zijne zuster beschreef zoo duidelijk en levendig als zij kon de gelaatstrekken, de gestalte en de kleeding van den vreemdeling; maar John Carker, hetzij dat hij hetorigineelniet kende, of omdat er aan hare beschrijving iets haperde, of omdat zijne gedachten, terwijl hij peinzend heen en weder stapte, te zeer verstrooid raakten, herkende het voor hem geschilderde portret niet.Er werd echter afgesproken, dat hij hetorigineelzou zien, wanneer dit zich de volgende maal vertoonde. Dit bepaald zijnde, ging de zuster met een minder angstig hart aan hare huiselijke bezigheden; en de grijsharige man, gewezen jongste klerk op het kantoor van Dombey, wijdde den eersten dag zijner ongewone vrijheid aan den arbeid in zijn tuin.Het was laat in den avond, en de zuster zat te naaien, terwijl de broeder haar voorlas, toen zij door een kloppen aan de deur werden gestoord. Bij den onbestemden angst, waarin zij thans in verband met hun voortvluchtigen broeder verkeerden, had dit daar ongewone geluid bijna iets schrikaanjagends. Terwijl de broeder naar de deur ging, zat de zuster vreesachtig te luisteren. Er sprak hem iemand aan, en hij gaf antwoord en scheen verwonderd; en na nog eenige woorden, kwamen de twee te zamen nader.“Harriët,” zeide haar broeder, den nog zoo laat komenden bezoeker inlatende en met eene zachte stem sprekende, “mijnheer Morfin—de heer, die zoolang in gelijken rang met James op het kantoor is geweest.”Zijne zuster deinsde terug alsof zij een spook had gezien. In de deur stond de onbekende vriend, met zijne zwarte, met grijs besprenkelde haren, het blozende gezicht, het breede heldere voorhoofd en de lichtbruine oogen, wiens geheim zij zoolang had bewaard.“John!” zeide zij, half ademloos. “Dit is de heer, van wien ik u vandaag heb gesproken.”—“Die heer, jufvrouw Harriët,” zeide de bedoelde persoon, nu binnenkomende, want hij was een oogenblik in de deur blijven staan, “is zeer verheugd u dit te hooren zeggen; hij heeft onderweg al allerlei manieren bedacht om zich te verklaren, en was met geen een daarvan tevreden. Mijnheer John, ik ben hier niet geheel vreemd. Gij waart zoo even verbaasd, toen gij mij de deur opendeedt. Ik zie dat gij nu nog meer verbaasd zijt. Nu, dat is in zulke omstandigheden natuurlijk genoeg. Als wij niet zulke slaven der gewoonte waren, zouden wij niet half zoo dikwijls reden hebben om verbaasd te zijn.”Hij had ondertusschen Harriët gegroet met die innemende mengeling van hartelijkheid en eerbied, die zij zich zoo wel herinnerde, zich dicht bij haar neergezet, zijne handschoenen uitgetrokken en deze in zijn hoed op de tafel geworpen.“Er is niets verbazends in,” zeide hij, “dat ik verlangen heb gekregen om uwe zuster te zien, mijnheer John, of dat ik dat verlangen op mijne eigene manier heb bevredigd. Wat de regelmatigheid van mijne bezoeken sedert dien tijd betreft (waarvan zij u misschien zal gesproken hebben), daar is niets buitengemeens in. Zij werden spoedig eene gewoonte; en wij zijn slaven der gewoonte—slaven der gewoonte.”Zijne handen in zijne zakken stekende en op zijn stoel achteroverleunende, zag hij broeder en zuster aan, alsof het iets belangwekkends voor hem was hen bij elkander te zien; en toen vervolgde hij, met zekere peinzende wreveligheid:“Het is die zelfde gewoonte, die sommige menschen, die tot betere dingen in staat zouden zijn, in de trotschheid en hardnekkigheid van Lucifer bevestigt—andere in schurkerij verhardt—die ons van dag tot dag, naarmate van onzen aard, tot beelden doet versteenen, en ons even onvatbaar maakt als steenen beelden voor nieuwe indrukken en overtuigingen. Ik zal u over den invloed der gewoonte op mij laten oordeelen, John. Jaren lang heb ik mijn gering, nauwkeurig afgepast aandeel gehad aan het bestuur van Dombey’s kantoor, en heb ik uw broeder (die zich een schurk heeft getoond. Uwe zuster zal mij wel vergeven dat ik daarvan melding moet maken) zijn invloed al meer en meer zien uitbreiden, tot hij het kantoor[371]en zijn eigenaar tot zijn speelbal had gemaakt; en heb ik u dagelijks aan uw lessenaar achteraf zien zwoegen, en ben ik tevreden geweest als men mij buiten mijne vaste taak maar zoo weinig mogelijk lastig viel, en heb ik alles om mij heen dag aan dag maar laten voortloopen als eene groote machine—zoo was ik het gewoon en die machine was het gewoon—en heb ik alles maar genomen zooals het was, en alles gehouden voor gelijk het behoorde. Mijne woensdagavonden kwamen geregeld weerom, en onze quartet-gezelschappen werden geregeld gehouden, mijne violoncel was altijd goed gestemd, en in mijne wereld was niets, dat niet zoo behoorde—of zoo al iets, dan toch niet veel—of veel of weinig, het ging mij niet aan.”—“Ik kan er voor instaan, dat al dien tijd niemand op het kantoor meer geacht en bemind is geweest dan gij, mijnheer,” zeide John Carker.—“Och! Goedaardig en handelbaar genoeg, durf ik zeggen,” zeide de ander, “eene gewoonte van mij. Dat beviel het hoofd van het kantoor, het beviel den man die hem regeerde, en het beviel mij het beste van al. Ik deed wat mij was opgedragen, maakte bij geen van beiden mijn hof, en was blijde dat ik een post had, waarop dit niet noodig was. Zoo had ik tot nu toe kunnen voortgaan, als mijne kamer geen bijzonder dunnen muur had gehad. Gij kunt uwe zuster zeggen, dat zij maar met een houten beschot van de kamer was afgescheiden, waarin de man zat, die er nu niet meer komt.”—“Die kamers waren naast elkander, waren voorheen misschien eene kamer geweest, en waren zoo van elkander afgeschoten als mijnheer Morfin daar zegt,” zeide haar broeder, en zag weder naar hem, op het vervolg zijner verklaring wachtende.—“Ik heb daar dikwijls gefloten, gezongen, ben de geheele sonate in B. van Beethoven doorgegaan, om hem te waarschuwen dat ik hem kon hooren,” zeide Morfin, “maar hij lette nooit daarop. Het gebeurde wel is waar zelden, dat mij iets ter ooren kwam wat voor geene andere ooren bestemd was. Maar als dat gebeurde, en ik niet op eene andere manier kon verhinderen dat ik het hoorde, ging ik heen. Zoo ging ik eens heen, John, onder een gesprek tusschen twee broeders, waarbij in het begin de jonge Walter Gay tegenwoordig was. Maar ik had er toch iets van gehoord eer ik de kamer kon uitkomen. Gij zult er u misschien genoeg van herinneren, om uwe zuster te kunnen zeggen van welken aard het was.”—“Het liep over het verledene, Harriët,” zeide haar broeder zacht, “en over het verschil van onze positie op het kantoor.”—“De zaak was niet nieuw voor mij, maar werd mij toen in een nieuw oogpunt voorgesteld. Ik werd geschokt in mijne gewoonte—de gewoonte van negen tienden van de wereld—om te gelooven, dat alles om mij heen zoo was als het behoorde, alleen omdat ik er aan gewoon was,” zeide Morfin, “en als het ware gedwongen om over de twee broeders en hunne geschiedenis na te denken. Ik geloof, dat het bijna de eerste maal van mijn leven was dat ik mij zelven vroeg: hoe zullen vele dingen, die ons nu gemeenzaam zijn en als het ware van zelf spreken, er uitzien, als wij ze uit dat nieuwe en verwijderde oogpunt beschouwen, waarop wij ons allen eens zullen moeten plaatsen? Ik was na dien ochtend wat minder goedhartig, zooals men dat noemt, wat minder met mij zelven en anderen tevreden.”Hij zat eene poos met zijne vingers op de tafel te trommelen, en hervatte toen haastig, als verlangde hij om spoedig door zijne bekentenis heen te komen:“Eer ik wist wat te doen, had er een tweede gesprek tusschen dezelfde broeders plaats, waarin de zuster genoemd werd. Ik had toen geene gemoedsbezwaren om mij zooveel van dat gesprek in de ooren te laten klinken, als mij door het beschot bereikte. Ik beschouwde die verdwaalde klanken als mijn rechtmatig eigendom. Daarna kwam ik hier om de zuster zelf te zien. De eerste maal bleef ik aan het tuinhek staan, en veinsde naar het karakter van een armen buurman te willen vernemen; maar ik raakte van den tekst, en ik geloof dat jufvrouw Harriët mij wantrouwde. De tweede maal vroeg ik verlof om binnen te komen, kwam binnen en zeide wat ik wenschte te zeggen. Uwe zuster gaf mij redenen, die ik niet durfde bestrijden, om toen geene hulp van mij te willen aannemen; maar ik bracht een middel van gemeenschap tusschen ons tot stand, dat ongestoord bleef tot voor eenige dagen, toen ik door de gewichtige zaken, waarvoor ik te zorgen had, verhinderd werd om mijne gewone wandeling te doen.”—“Hoe weinig heb ik dat vermoed,” zeide John Carker, “terwijl ik gewoon was u elken dag te zien, mijnheer. Als Harriët uw naam had kunnen raden …”—“Wel, om udewaarheid te zeggen, John,” viel de ander er op in, “ik hield dien om twee redenen voor mij zelven. Ik weet niet of de eerste op zich zelve niet al voldoende zou zijn geweest; maar het past niet zich iets te laten voorstaan op goede voornemens, en daarom had ik besloten om mij niet te ontdekken eer ik in staat was om u eenen of anderen wezenlijken dienst te bewijzen. Mijne tweede reden was, dat ik nog altijd hoopte op eene flauwe mogelijkheid, dat uw broeder tot eene betere gezindheid voor u beiden zou komen; en in dat geval begreep ik, dat indien een man van zijn achterdochtig karakter ontdekte dat ik heimelijk uw vriend was geweest, dit eene nieuwe en noodlottige reden tot verdeeldheid zou kunnen worden. Ik besloot, wel is waar met gevaar om zijn ongenoegen tegen mij zelven te keeren—dat[372]mij niet had kunnen schelen—eene gelegenheid waar te nemen om u bij het hoofd van het kantoor een dienst te doen; maar de drukten van een sterfgeval, eene vrijage, een huwelijk en huiselijk ongenoegen, hebben ons sedert lang geen ander hoofd gelaten dan uw broeder. En het zou beter voor ons geweest zijn,” zeide hij, zijne stem latende dalen, “dat wij een levenlooze romp waren geweest.”Hij scheen zich bewust, dat deze laatste woorden hem tegen zijn wil waren ontsnapt, en zijne eene hand aan den broeder en de andere aan de zuster toereikende, vervolgde hij:“Alles wat ik kon verlangen te zeggen, en nog meer, heb ik nu gezegd. Wat ik meen, is meer dan woorden kunnen zeggen, gelijk ik hoop dat gij begrijpt en gelooft. De tijd is gekomen, John—hoewel allerongelukkigst gekomen—dat ik u helpen mag, zonder u te hinderen in die worsteling tot herstel van uw naam, die zoovele jaren heeft geduurd, daar gij vandaag buiten eigen toedoen daarvan zijt bevrijd. Het is laat; ik behoef van avond niets meer te zeggen. Gij zult den schat, dien gij hier hebt, wel bewaren, zonder dat ik u daartoe raad of vermaan.”Met deze woorden stond hij op om heen te gaan.“Maar ga gij eerst heen, John,” zeide hij half schertsend, “en neem een licht mee, zonder eerst te zeggen wat gij zeggen wilt, wat het ook wezen mag;” John’s hart was vol, en hij had het gaarne met spreken willen verlichten; “en laat ik een woordje met uwe zuster spreken. Wij hebben wel meer alleen gesproken, en dat in deze kamer ook; hoewel het natuurlijker schijnt met u hier.”Hem met zijne oogen naar buiten volgende, keerde hij zich vriendelijk tot Harriët en zeide met eene zachtere stem en veel ernstiger gezicht:“Gij wenscht mij iets te vragen omtrent den man, wiens zuster gij het ongeluk hebt te zijn.”—“Ik vrees er naar te vragen,” zeide Harriët.—“Gij hebt mij meer dan eens zoo ernstig aangezien,” hervatte Morfin, “dat ik uwe vraag wel meen te kunnen raden. Heeft hij geld medegenomen? Is het dat?”—“Ja.”—“Dat heeft hij niet.”—“Daarvoor dank ik den Hemel,” zeide Harriët, “om John’s wil.”—“Dat hij het in hem gestelde vertrouwen op vele manieren heeft misbruikt,” zeide Morfin; “dat hij meer voor zijn eigen voordeel heeft gehandeld en gespeculeerd dan voor dat van het kantoor, dat hij representeerde; dat hij het hoofd van het kantoor heeft verlokt tot groote waagstukken, die dikwijls op geduchte verliezen uitliepen; dat hij de ijdelheid en eerzucht van zijn patroon altijd heeft geprikkeld, terwijl het zijn plicht zou geweest zijn ze tegen te gaan en hem te toonen, gelijk hij had kunnen doen, welke gevolgen zij hier en daar hadden—dat alles zal u misschien nu niet verwonderen. Er zijn ondernemingen gedaan om den roem der uitgebreide middelen van het kantoor nog meer te verhoogen, en het in een trotsch contrast met andere kantoren te doen uitkomen, waarvan men zich de mogelijke gevolgen bijna niet durft voorstellen—eenige weinige nadeelige omstandigheden zouden die gevolgen waarschijnlijk verderfelijk doen worden. Onder al de veelvuldige operatiën van het kantoor, in de meeste gedeelten der wereld—een groot doolhof, waarvan hij alleen den draad had—heeft hij gelegenheid gehad, en schijnt hij die gebruikt te hebben, om de resultaten van al die zaken, als er naar vernomen werd, in het onzekere te houden, en in plaats van bepaalde opgaven, algemeene schattingen en begrootingen te geven. Maar sedert onlangs—gij volgt mij wel, jufvrouw Harriët?”—“Ja, ja!” antwoordde zij, hem angstig aanziende. “Ik bid u, zeg mij in eens het ergste.”—“Sedert eenigen tijd schijnt hij zich de grootste moeite te hebben gegeven om deze resultaten zoo duidelijk te maken, dat men ze, bij het nazien der boeken, zoo talrijk en verschillend als zij zijn, bijna van zelf moet vinden. Het is alsof hij zijn patroon in eens wilde doen zien, waardoor hij door den hartstocht, die hem beheerscht, gekomen is. Dat het zijn gedurige toeleg is geweest, dien hartstocht verraderlijk te vleien en te prikkelen, is ontwijfelbaar. Daarin bestaat voornamelijk zijne schuld met betrekking tot de zaken van het kantoor.”—“Nog een woord eer gij heengaat, mijnheer,” zeide Harriët. “Er is toch geen gevaar bij dat alles?”—“Hoe zoo, gevaar?” zeide hij eenigszins aarzelend.—“Voor het crediet van het kantoor?”—“Ik kan niet nalaten u duidelijk te antwoorden en u geheel te vertrouwen,” zeide Morfin, nadat hij haar een oogenblik had aangezien.—“Dat moogt gij, dat moogt gij waarlijk.”—“Daarvan ben ik overtuigd. Gevaar voor het crediet van het kantoor. Neen, dat niet. Er kunnen bezwaren komen, grooter of geringer, maar geen gevaar, of—het moest gebeuren dat het hoofd van het kantoor er niet toe wilde overgaan om zijne ondernemingen te beperken, niet wilde gelooven dat zijne firma zich in eene andere positie bevindt of bevinden kan, dan hij zich altijd verbeeld heeft, en dus te veel van zijne middelen vergde. Dan zou het kantoor wankelen.”—“Maar daarvoor is geen vrees?” zeide Harriët.—“Er moet geen halfvertrouwen tusschen ons bestaan,” antwoordde hij, haar de hand drukkende. “Mijnheer Dombey is voor iedereen ongenaakbaar, en in zijn tegenwoordigen gemoedstoestand is hij nog trotscher, roekeloozer, onredelijker en onhandelbaarder dan ooit. Maar hij is nu buitengemeen gespannen en opgewonden, en dit kan dus voorbijgaan. Gij weet nu alles, het ergste en het[373]beste. Niets meer van avond, en goeden nacht!”Daarmede kuste hij haar de hand en ging de kamer uit naar de deur, waarbij de broeder hem stond te wachten, duwde hem schertsend ter zijde, toen hij wilde spreken; zeide hem dat zij elkander spoedig en dikwijls zouden zien, dat hij een andermaal kon spreken als hij wilde, maar dat er nu geen tijd voor was; en ging met snelle schreden heen, opdat geen woord van dankbaarheid hem zou kunnen volgen.Broeder en zuster bleven bij den haard zitten praten tot het bijna dag werd, slapeloos door den blik in de nieuwe wereld, die zich voor hen opende, en met een gevoel naar dat gelijkende van twee menschen, die voor langen tijd op eene eenzame kust schipbreuk hadden geleden, en tot welke eindelijk een schip gekomen was, nadat zij in berusting oud waren geworden, en alle gedachten aan eene andere woonplaats hadden verloren. Maar ook nog eene andere soort van onrust hield hen wakker. De duisternis, waaruit dit licht hen had bestraald, pakte zich weder opeen, en de schaduw van hun misdadigen broeder viel op het huis, dat zijn voet nooit betreden had.Die schaduw kon niet verdreven worden en verdween ook niet voor de zon. Den volgenden morgen was zij daar nog—des middags en des avonds, het donkerst en duidelijkst des avonds, gelijk nu moet verhaald worden.John Carker had een briefje van zijn vriend ontvangen en was dezen gaan opzoeken, en Harriët was alleen thuis gebleven. Zij had eenige uren alleen gezeten. Eene sombere avondschemering was niet gunstig om hare neerslachtigheid te doen verdwijnen. Het denkbeeld van dien broeder, lang ongezien en ongekend, zweefde in allerlei akelige gedaanten om haar heen. Hij was dood, stervende, riep om haar, zag haar dreigend aan. De schilderijen harer verbeelding waren zoo duidelijk, dat zij, toen het donker werd, bijna vreesde om haar hoofd op te heffen en naar de duistere hoeken der kamer te zien, waar zijn geest, het gewrocht harer overprikkelde hersenen, haar misschien stond te wachten om haar te verschrikken. Eens verbeeldde zij zich zoo sterk, dat hij in de andere kamer was en zich daar verschool—schoon zij wel wist dat het eene ziekelijke inbeelding was en zij er niet aan geloofde—dat zij zich dwong om daar binnen te gaan, tot hare eigene overtuiging.Maar vruchteloos. De kamer hernam hare spookachtige ijselijkheden zoodra zij ze weder verlaten had; en het was haar even onmogelijk zich van die onbestemde schrikbeelden te ontslaan, als waren het steenen reuzen geweest, onwrikbaar in den vasten grond geworteld.Het was bijna donker en zij zat bij het venster met het hoofd in de hand naar omlaag ziende, toen zij, opmerkende dat de duisternis in de kamer plotseling toenam, hare oogen opsloeg en onwillekeurig een schreeuw gaf. Dicht voor het glas vertoonde zich een bleek, ontsteld gezicht, dat voor een oogenblik onzeker naar binnen keek, alsof het naar iets zocht; toen vielen de oogen op haar, en kregen glans en uitdrukking.“Laat mij in. Laat mij in. Ik moet u spreken.” en de hand ratelde tegen het glas.Zij herkende dadelijk de vrouw met het lange zwarte haar, welke zij op een regenachtigen avond warmte, voedsel en schuilplaats had gegeven. Natuurlijk bevreesd voor haar, daar zij zich hare latere woestheid herinnerde, ging Harriët een paar schreden van het venster terug en bleef besluiteloos staan.“Laat mij in! Laat ik met u spreken! Ik ben dankbaar—stil—nederig—alles wat gij wilt. Maar laat ik u spreken.”Het heftig dringende van dit verzoek, de ernstige uitdrukking van het gezicht, het beven der twee handen, die smeekend werden opgeheven, en zekere angstigheid en gejaagdheid in de stem, welke haar aan haar eigen toestand op dat oogenblik herinnerde, bewogen Harriët om haar te wille te zijn. Zij haastte zich naar de deur en deed open.“Mag ik binnenkomen, of zal ik hier spreken?” zeide de vrouw, hare hand vattende.—“Wat moet gij hebben? Wat hebt gij te zeggen?”—“Niet veel, maar laat mij het nu zeggen, of ik zal het nooit zeggen. Ik ben nu nog in verzoeking om weer heen te gaan. Het is alsof ik met handen van de deur word getrokken. Laat mij binnenkomen, als gij mij voor dien eenen keer nog kunt vertrouwen.”Wederom had haar dringende toon de overhand, en zij ging naar het vuur in de keuken, waarvoor zij eens had gezeten en hare kleeren gedroogd.“Ga daar zitten,” zeide Alice, bij Harriët neerknielende, “en zie mij aan. Gij kent mij?”—“Ja.”—“Gij weet wel wat ik u zeide, dat ik geweest was, en waar ik vandaan kwam, in havelooze vodden en kreupel geloopen, blootgesteld aan wind en weer?”—“Ja.”—“Gij weet wel hoe ik dien avond terugkwam, en uw geld in den modder smeet, en uw geslacht vervloekte. Zie mij nu hier op mijne knieën. Meen ik het nu minder ernstig dan toen?”—“Als het vergiffenis is wat gij vraagt,” begon Harriët met vriendelijke zachtheid.—“Maar dat is het niet,” zeide Alice met een trotschen en woesten blik. “Wat ik vraag is, geloofd te worden. Nu zult gij oordeelen of ik geloofwaardig ben, zoowel gelijk ik toen was als gelijk ik nu ben.”Nog op hare knieën en met hare oogen op het vuur gevestigd, dat hare vervallene schoonheid[374]en hare wilde zwarte haren bescheen, waarvan zij eene lange lok over haar schouder trok en om hare hand wond, om er onder het spreken somtijds peinzend op te bijten en aan te rukken, vervolgde zij:“Toen ik jong en mooi was, en dit,” zeide zij, verachtelijk rukkende aan de lok die zij vasthield, “niet anders dan zacht werd behandeld en niet genoeg bewonderd kon worden, ontdekte mijne moeder, die niet veel op mij gelet had toen ik een kind was, mijne verdiensten, en was zij goed voor mij en trotsch op mij. Zij was hebzuchtig en arm, en meende een soort van rentegevend pand van mij te maken. Geene groote dame heeft zeker nog ooit zoo over eene dochter gedacht, of zoo gedaan—dat gebeurt nooit, weten wij wel—en dit bewijst, dat de eenige voorbeelden van moeders, die hare dochters verkeerd opbrengen, en van het kwaad dat daarvan komt, onder zulke ellendigen als wij gevonden worden.”Naar het vuur ziende, alsof zij een oogenblik vergat dat zij eene toehoorster had, vervolgde zij op een droomerigen toon, terwijl zij de lange haarlok stijf om hare hand wond:“Wat daarvan kwam behoef ik u niet te zeggen. Rampzalige huwelijken komen van zulke dingen niet in onzen stand; alleen maar ellende en verderf. Ellende en verderf kwamen over mij—kwamen over mij.”Snel hare oogen, die somber in het vuur staarden, naar Harriët opslaande, zeide zij:“Ik verspil den tijd, en er is geen tijd over, maar als ik niet aan dat alles gedacht had zou ik niet hier wezen. Ellende en verderf kwamen over mij, zeg ik. Ik werd voor een korten tijd een speeltuig, en werd nog onbarmhartiger en onverschilliger weggeworpen dan men zulke dingen doet. Door wiens hand denkt gij?”—“Waarom vraagt ge mij dat?” zeide Harriët.—“Waarom beeft gij?” antwoordde Alice met een vurigen blik. “Zijne behandeling heeft eene duivelin van mij gemaakt. Ik verzonk in ellende en verderf al dieper en dieper. Ik had deel aan een diefstal—deel aan alles behalve de winst—en werd ontdekt en moest te recht staan, zonder een enkel vriend en zonder een stuiver geld. Schoon ik maar een meisje was had ik liever ter dood willen gaan, dan hem om een woord te vragen, als een woord van hem mij had kunnen redden. Dat zou ik. Liever elke soort van dood, die men had kunnen uitvinden. Maar mijne moeder, altijd hebzuchtig, zond hem eene boodschap in mijn naam, verhaalde hem de waarheid van mijn geval, en bad nederig om de laatste geringe gift—om niet zooveel ponden als ik vingers aan deze hand heb. Wie was het, denkt gij, die met zijne vingers naar mij knipte, in mijne ellende, toen ik, naar hij dacht, aan zijne voeten lag, en mij zelfs dat armoedige teeken van herinnering niet wilde geven; weltevreden dat ik buitenslands zou worden gezonden, waar ik hem niet verder kon lastig vallen, en daar zou sterven en verrotten. Wie was dat denkt gij?”—“Waarom beeft gij?” zeide Alice, de hand op haar arm leggende en haar in het gezicht ziende. “Waarom anders, dan omdat gij het antwoord op de lippen hebt? Het was uw broeder James.”Harriët beefde nog sterker, maar wendde hare oogen niet af van den strakken blik die daarop rustte.“Toen ik hoorde dat gij zijne zuster waart—dat op dien avond was—kwam ik terug, vermoeid en kreupel als ik was, om u uwe gift voor de voeten te werpen. Het was mij dien nacht, alsof ik, zoo vermoeid en kreupel, wel de geheele wereld had kunnen doorreizen, om hem een mes in het hart te steken, als ik hem maar ergens alleen had kunnen vinden. Gelooft gij dat mij dat alles ernst was?”—“Ja! goede hemel, waarom zijt gij teruggekomen?”—“Sedert,” zeide Alice, nog haar arm vasthoudende en haar strak aanziende, “heb ik hem gezien. Heb ik hem met mijne oogen gevolgd op klaar lichten dag. Als er nog maar een vonkje haat in mijne borst had gesmeuld, had het in vlam moeten schieten toen mijne oogen hem zagen. Gij weet dat hij een trotsch man heeft beleedigd en tot zijn doodvijand gemaakt. Als ik nu dien man eens bericht van hem had gegeven?”—“Bericht!” herhaalde Harriët.—“Als ik eens iemand had gevonden, die uw broeders geheim wist, die wist hoe hij gevlucht is, en waar hij met zijne gezellin naar toe is? Als ik hem eens al wat hij wist, woord voor woord, had laten zeggen, voor dien vijand, verscholen om het te hooren? Als ik er toen eens bij had gezeten, en dien vijand in het gelaat had gezien en er zulk eene verandering op had gezien, dat het bijna geen menschengezicht meer was? Als ik hem eens als dol had zien heenvliegen om hem te vervolgen? Als ik eens wist dat hij nu op weg was, meer duivel dan mensch, en hem in zoovele uren moest inhalen?”—“Neem uwe hand weg!” zeide Harriët, terugdeinzende. “Ga heen! Ik gruw er van dat ge mij aanraakt.”—“Ik heb dat gedaan,” vervolgde Alice even eens, zonder op deze woorden te letten. “Kunt gij niet aan mij hooren en zien, dat ik het gedaan heb? Gelooft gij wat ik zeg?”—“Ik vrees dat ik moet. Laat mijn arm los!”—“Nog niet. Nog een oogenblik. Gij kunt denken wat mijne wraakzucht moet geweest zijn, om zoolang te duren en mij daartoe te drijven?”—“Schrikkelijk!” zeide Harriët.—“Als gij mij dan nu hier wederziet,” zeide Alice met eene schorre stem, “stil op den grond geknield, met mijne hand op uw arm, met mijne oogen op uw gezicht, moogt gij wel gelooven, dat het ernst is met wat ik zeg, en dat ik een zwaren strijd heb gestreden.[375]Ik schaam mij om de woorden uit te spreken, maar ik heb berouw. Ik veracht mij zelve; ik heb den ganschen dag en geheel den verleden nacht met mij zelve gekampt; maar ik gevoel mij zonder reden voor hem verzacht, en ik wensch te herdoen wat ik gedaan heb, als het nog mogelijk is. Ik wilde niet dat zij bij elkander kwamen terwijl zijn vervolger zoo blind en woest is. Als gij hem gisteravond hadt gezien, toen hij heenging, zoudt gij het gevaar beter kennen.”—“Hoe kan dat verhoed worden! Wat kan ik doen!” riep Harriët uit.—“Den geheelen nacht,” vervolgde de ander haastig, “heb ik van hem gedroomd—en toch sliep ik niet—in zijn bloed. Den geheelen dag heb ik hem bij mij gehad.”—“Wat kan ik doen?” zeide Harriët, huiverende bij deze woorden.—“Als er iemand is, die hem wil schrijven, of eene boodschap zenden, of naar hem toe gaan, laat hij dan geen tijd verzuimen. Hij is teDijon. Kent gij dien naam, en weet gij waar het is?”—“Ja!”—“Waarschuw hem, dat de man, dien hij tot zijn vijand heeft gemaakt, razend is, en dat hij hem niet kent als hij zijne komst gering acht. Zeg hem, dat hij onderweg is—ik weet dat—en haast maakt. Dring hem om zich uit den weg te maken terwijl het nog tijd is—als het nog tijd is—en hem nog niet onder de oogen te komen. Eene maand of zoo zal jaren van verschil maken. Laten zij elkander niet door mij ontmoeten. Daar maar niet! Nu maar niet! Laat zijn vijand hem vervolgen en hem van zelf vinden, maar niet door mij. Ik heb buitendien genoeg op mijn hoofd!”Het schijnsel van het vuur speelde niet langer over hare zwarte haren en opgeheven gezicht; hare hand lag niet meer op Harriët’s arm, en de plaats, waar zij geknield had, was ledig.
[Inhoud]LIII.NOG MEER BERICHTEN.Er waren twee van des verraders eigen bloed—de broeder en zuster, die hij verzaakt had—[367]op welke het gewicht zijner schuld bijna even zwaar drukte, als op den man, dien hij zoo diep beleedigd had. Hoezeer de wereld hem door hare nieuwsgierigheid martelde, bewees zij Dombey toch den dienst om hem kracht te geven tot vervolging en wraak. Zij prikkelde zijn trots, zij verwrong het eenige denkbeeld, dat zijn leven vervulde, tot eene nieuwe gedaante, en maakte de voldoening zijner wraakzucht tot een doel waarin geheel zijn aanzijn zich oploste. Al de onbuigzaamheid en onverzoenlijkheid van zijn karakter, al de stroefheid en somberheid daarvan, al zijn overdreven gevoel van eigenwaarde, al zijne ijverzuchtige drift om het minste gebrek aan erkentenis zijner waarde bij anderen te bestraffen, dat alles vereenigde zich gelijk zoovele waterspranken tot ééne rivier, welke hem op hare golven medevoerde. De hartstochtelijkste en opvliegendste mensch zou een zachter vijand zijn geweest dan de zoodanig opgewondene Dombey. Een wild dier had zich lichter laten stuiten of bedaren dan de deftige heer, zonder rimpeltje in zijne gestevene das.Maar juist de hitte zijner wraakzucht was eenigszins eene vergoeding voor de werkeloosheid, waartoe die wraakzucht veroordeeld was. Terwijl hij nog onkundig was van de schuilplaats des verraders, strekte die om zijne gedachten van zijn eigen ongeluk af te wenden en met een ander uitzicht bezig te houden. De broeder en de zuster van zijn trouweloozen gunsteling hadden zulk eene verlichting niet; alles in hunne vroegere geschiedenis, zoowel als in het tegenwoordige, gaf zijn misdrijf eene meer bedroevende beteekenis voor hen.De zuster dacht wel eens treurig dat hij, indien zij bij hem gebleven was als zijne gezellin en vriendin, misschien de misdaad, waartoe hij vervallen was, zou ontvloden hebben. Evenwel, wanneer zij zoo dacht, was het toch zonder berouw over hetgeen zij gedaan had, zonder daarom meer waarde aan hare zelfopoffering toe te schrijven. Maar wanneer deze mogelijkheid den eens verdoolden en nu boetvaardigen broeder voor den geest kwam, werd zijn hart door het bitterste zelfverwijt gemarteld. Geen denkbeeld om nu vergelding tegen zijn wreeden broeder uit te oefenen kwam bij hem op. Nieuwe zelfbeschuldigingen, geheime jammerklachten over zijne eigene onwaardigheid en het onheil waarin hij ook anderen had medegesleept, waren de eenige gedachten, waartoe de ontdekking bij hem aanleiding gaf.Het was op denzelfden dag, waarvan wij in het vorige hoofdstuk den avond hebben beschreven, en toen Dombey’s wereld het drukst bezig was met het wegloopen van zijne vrouw, dat het venster der kamer, waarin broeder en zuster aan het ontbijt zaten, verdonkerd werd door de schaduw van een man, die terstond daarop de opene deur inkwam; en deze man was Perch, de kantoorlooper.“Ik kom zoo vroeg vanBall’s Pondaanstappen,” zeide Perch, vertrouwelijk de kamerdeur inkijkende, terwijl hij op de mat bleef staan, om zijne schoenen af te vegen, waaraan geen slijk was, “om eene boodschap te doen, die mij gisteravond belast is. Ik moest u vooral zonder fout een briefje brengen, mijnheer Carker, eer gij nog waart uitgegaan. Ik zou al een uur vroeger hier zijn geweest,” zeide Perch, zoetsappig verontschuldigend, “als mijne vrouw niet zoo van de wijs was geweest. Ik heb van nacht niet minder dan vijfmaal gedacht, dat ik haar zou verliezen, dat kan ik u verzekeren.”—“Is uwe vrouw zoo ziek?” vroeg Harriët.—“Wel, ziet ge,” zeide Perch, zich eerst omkeerende om de deur zorgvuldig te sluiten, “zij trekt zich zoo erg aan wat er met onzen patroon gebeurd is, jufvrouw. Hare zenuwen zijn zwak, en gauw in de war. Maar zeker de sterkste zenuwen mochten door zoo iets wel geschokt worden. Gij zelf zult het ook wel erg gevoelen, daar twijfel ik niet aan.”Harriët smoorde een zucht en zag naar haar broeder om.“Ik zelf gevoel het waarlijk ook, in mijn nederigen staat,” vervolgde Perch, even zijn hoofd schuddende, “op eene manier zooals ik niet had kunnen gelooven, als ik het niet had moeten ondervinden. Het heeft op mij bijna de werking van sterken drank. Ik heb elken ochtend letterlijk eene gewaarwording alsof ik den vorigen avond meer had gebruikt dan mij dienstig was.”Het voorkomen van Perch strekte ter bevestiging dezer verklaring. Het kenteekende zekere koortsigheid en afgematheid, die aan borrels scheen te kunnen worden toegeschreven, en waarvan men waarschijnlijk de oorzaak had kunnen vinden in het gedurig getrakteerd en uitgevraagd worden, dat nu zijn dagelijksch lot was.“Ik kan daarom heel goed oordeelen,” zeide Perch, wederom zijn hoofd schuddende, “over het gevoel van iemand, die in betrekking tot deze pijnlijke omstandigheid eenigszins in eene bijzondere positie verkeert.”Nu wachtte Perch op eene vertrouwelijke mededeeling, en daar hij deze niet ontving, kuchte hij achter zijne hand. Toen dit tot niets leidde, kuchte hij achter zijn hoed; en daar ook dit tot niets leidde, zette hij zijn hoed op den grond en zocht in zijn borstzak naar den brief.“Als ik mij wel herinner, was er geen antwoord noodig,” zeide Perch met een vriendelijk lachje; “maar misschien zult ge wel zoo goed willen zijn om hem eens door te zien, mijnheer.”John Carker brak den brief open, waarop het cachet van Dombey stond, en nadat hij den inhoud had gelezen, die zeer kort was, zeide hij: “Neen. Er is geen antwoord noodig.”[368]“Dan zal ik u goedenmorgen wenschen, jufvrouw,” zeide Perch, een stap naar de deur doende, “en ik hoop hartelijk dat gij u door die ongelukkige omstandigheid niet neerslachtiger zult maken dan gij niet laten kunt. De couranten,” zeide Perch, weder twee stappen terug doende en broeder en zuster te gelijk aansprekende, met een gefluister, dat hoe langer hoe geheimzinniger werd, “zijn zoo vurig op nieuws er van, dat gij het u niet verbeelden kunt. Een van de zondagsbladen, met een blauwen mantel en een witten hoed, die mij eerst had willen omkoopen—behoef ik te zeggen met welk gevolg?—loerde gisteravond tien minuten voor negenen nog om het kantoor rond. Ik heb hem zelf met zijn oog voor het sleutelgat gevonden; maar dat is een patentslot, waar men niet door kan kijken. Een ander,” zeide Perch, “met tressen op zijne jas, alsof hij een militair was, zit den ganschen dag in het Koninklijk Wapen in de zijkamer. Verleden week liet ik mij daar toevallig eene kleine aanmerking ontglippen, en ’s anderen daags, dat zondag was, zag ik die tot mijne verwondering gedrukt staan.”Perch tastte in zijn borstzak, alsof hij het blad er uit wilde halen; maar toen hij geene aanmoediging ontving, trok hij zijne kastoren handschoenen aan, raapte zijn hoed op, en nam afscheid; en nog voor den middag had hij in het Koninklijk Wapen en elders aan een uitgelezen gehoor verteld, hoe jufvrouw Carker in tranen was uitgebarsten, en hem bij beide handen had gevat, en gezegd had: “Och, lieve, lieve Perch, dat ik u nog eens zie is de eenige troost die mij overschiet!” en hoe mijnheer John Carker met eene geduchte stem had gezegd: “Perch, ik verzaak hem. Laat ik hem nooit meer als mijn broeder hooren noemen!”“Lieve John,” zeide Harriët, toen zij alleen waren gebleven, en eene korte poos hadden gezwegen. “Gij krijgt slechte tijding in dien brief.”—“Ja. Maar niet onverwacht,” antwoordde hij. “Ik had den schrijver gisteren gezien.”—“Den schrijver?”—“Mijnheer Dombey. Hij kwam tweemaal het kantoor door terwijl ik er was. Het was mij vroeger gelukt hem te vermijden; maar dat kon ik natuurlijk niet lang hopen te doen. Ik weet wel hoe natuurlijk het is, dat hij mijne tegenwoordigheid onaangenaam moet vinden. Ik gevoelde dat toen zelf al.”—“Maar hij zeide dat toch niet?”—“Neen. Hij zeide niets; maar ik zag dat zijne oogen even op mij bleven rusten, en was toen voorbereid op wat er gebeuren zou—op wat gebeurd is. Ik ben afgedankt!”Zij zag zoo weinig ontsteld en zoo moedig als zij kon, maar het was toch een droevig nieuws om vele redenen.“Ik behoef u niet te zeggen,” zeide John Carker, den brief lezende,“waarom uw naam, in verband met den mijnen, hoe verwijderd dat verband ook zij, voortaan een onnatuurlijken klank zou hebben, of waarom het dagelijksch gezicht van iemand, die zoo heet, mij ondragelijk zou zijn. Ik moet u kennis geven dat van dezen dag af alle betrekkingen tusschen ons ophouden, en u verzoeken dat gij nooit zult beproeven eenige gemeenschap met mij of mijn kantoor meer aan te knoopen.”“Ingesloten vind ik eene som, die rijkelijk tegen eene waarschuwing van langen tijd vooraf opweegt, en dit is mijn ontslag. De hemel weet, Harriët, het is zacht en genadig, als wij alles bedenken.”—“Als het zacht en genadig is u voor het misdrijf van een ander te straffen, John,” zeide zij, maar zonder drift, “dan ja.”—“Onze familie heeft hem nooit iets anders dan onheil aangebracht,” zeide John Carker. “Hij heeft wel redenen om voor den klank van onzen naam te huiveren, en te denken, dat er iets slechts en vervloekts in ons bloed zit. Ik zou dat ook bijna denken, Harriët, als gij er niet waart.”—“O broeder, spreek zoo niet. Als gij eenige bijzondere redenen hebt, gelijk gij zegt en denkt—hoewel ik “neen” zeg—om mij lief te hebben, bespaar mij dan het hooren van zulke woeste woorden.”Hij hield zijne handen voor zijn gezicht; maar toen zij nader kwam en eene daarvan vatte, liet hij dit toe.“Na zoovele jaren is dit afscheid droevig, dat weet ik,” zeide zijne zuster, “en de oorzaak daarvan is schrikkelijk voor ons allebei. Ook moeten wij leven en naar middelen daartoe rondzien. Welnu, daarvoor behoeven wij niet bang te zijn. Het is onze trots, en niet een verdriet, dat wij te zamen ons best doen, John.”Een lachje speelde om hare lippen, terwijl zij hem een kus op de wang drukte en bad om gemoedigd te zijn.D. I. J. O. N. (blz. 366).D. I. J. O. N.(blz. 366).“O, lieve zuster! Door uw eigen edelmoedigen wil aan een geruïneerd man gebonden, die zijn goeden naam verwoest heeft, die zelf geen enkel vriend heeft, en al uwe vrienden van u heeft weggejaagd!”—“John!” zij legde haastig hare hand op zijne lippen. “Om mijnentwil! Denk aan de jaren, die wij te zamen hebben geleefd!” Hij zweeg. “Laat ik nu zeggen, lieve broeder,” vervolgde zij, zich stil naast hem zettende, “ik heb, evenals gij, dit verwacht; en toen ik er aan dacht, en vreesde dat het gebeuren zou, en er mij zoo goed ik kon op gereedmaakte, nam ik mij voor, als het er toe kwam, u te zeggen dat ik een geheim voor u bewaard heb, en dat wij wel een vriend hebben.”—“Hoe heet onze vriend, Harriët?” zeide hij met een treurigen glimlach.—“Dat weet ik niet; maar hij heeft mij eens zeer ernstig verzekerd, dat hij altijd mijn vriend zou zijn en maar verlangde ons te kunnen dienen; en tot op dezen dag geloof ik hem.”—“Harriët!”[369]riep haar verwonderde broeder uit; “waar woont die vriend?”—“Dat weet ik ook niet,” antwoordde zij. “Maar hij kent ons beiden, en onze geschiedenis—geheel onze kleine geschiedenis, John. Dat is de reden waarom ik, op zijn eigen raad, zijn bezoek voor u geheim heb gehouden, opdat het u niet bedroeven zou dat hij zooveel wist.”—“Bezoek! Is hij dan hier geweest, Harriët?”—“Hier, in deze kamer. Eens.”—“Wat voor een man?”—“Niet jong meer. Hij zeide zelf, dat hij sterk begon te grijzen. Maar een braaf man, rondborstig en edelmoedig, daarvan ben ik zeker.”—“En maar ééns gezien, Harriët?”—“In deze kamer maar eens,” antwoordde de zuster, met een blosje, dat echter zeer vluchtig was, op de wangen; “maar toen hij hier was, verzocht hij mij dringend, dat ik mij eens in de week aan hem zou laten zien, als hij voorbijkwam, ten teeken dat wij nog wel waren, en niets van hem bleven noodig hebben. Want ik zeide hem, toen hij ons alle diensten aanbood, die hij bewijzen kon—hetgeen het oogmerk van zijn bezoek was—dat wij niets noodig hadden.”—“En eens in de week.…”—“Sedert is hij elke week, en altijd op denzelfden dag en op hetzelfde uur, hier voorbijgekomen; altijd te voet, en altijd denzelfden kant opgaande—naar Londen toe; en nooit heeft hij zich langer opgehouden, dan om voor mij te buigen, en vroolijk met zijne hand te wuiven, gelijk een vriendelijk bejaard bloedverwant zou doen. Hij beloofde dit, toen[370]hij om die zonderlinge ontmoetingen verzocht, en hij heeft zoo getrouw en aardig zijn woord gehouden, dat, al mocht ik in het begin eene kleine ongerustheid gevoelen—dat ik toch niet geloof, John; zijn toon was zoo eenvoudig en oprecht—die ongerustheid toch spoedig verdween, en ik waarlijk blij was als de dag kwam. Verleden maandag—den eersten na die schrikkelijke gebeurtenis—is hij niet voorbijgekomen; en ik heb mij verwonderd of zijn wegblijven ook eenigszins met het gebeurde in verband kan staan.”—“Hoe zoo?” vroeg haar broeder.—“Ik weet niet hoe. Ik heb maar gedacht dat het zonderling was dat het zoo uitkwam, maar niet beproefd het te verklaren. Ik ben overtuigd dat hij wel weder zal komen. Als hij dat doet, lieve John, laat ik hem dan zeggen dat ik eindelijk met u gesproken heb, en laat ik u bij elkander brengen. Hij zal ons zeker aan een nieuw bestaan helpen. Hij verlangde maar iets te kunnen doen, zeide hij, om mij en u het leven aangenamer en gemakkelijker te maken; en ik heb hem beloofd, dat ik om hem zou denken, als wij ooit een vriend noodig hadden. Dan zou zijn naam geen geheim meer blijven.”—“Harriët,” zeide haar broeder, die met de grootste aandacht had geluisterd, “beschrijf mij dien heer toch eens. Ik moet iemand toch wel kennen, die mij zoo goed kent.”Zijne zuster beschreef zoo duidelijk en levendig als zij kon de gelaatstrekken, de gestalte en de kleeding van den vreemdeling; maar John Carker, hetzij dat hij hetorigineelniet kende, of omdat er aan hare beschrijving iets haperde, of omdat zijne gedachten, terwijl hij peinzend heen en weder stapte, te zeer verstrooid raakten, herkende het voor hem geschilderde portret niet.Er werd echter afgesproken, dat hij hetorigineelzou zien, wanneer dit zich de volgende maal vertoonde. Dit bepaald zijnde, ging de zuster met een minder angstig hart aan hare huiselijke bezigheden; en de grijsharige man, gewezen jongste klerk op het kantoor van Dombey, wijdde den eersten dag zijner ongewone vrijheid aan den arbeid in zijn tuin.Het was laat in den avond, en de zuster zat te naaien, terwijl de broeder haar voorlas, toen zij door een kloppen aan de deur werden gestoord. Bij den onbestemden angst, waarin zij thans in verband met hun voortvluchtigen broeder verkeerden, had dit daar ongewone geluid bijna iets schrikaanjagends. Terwijl de broeder naar de deur ging, zat de zuster vreesachtig te luisteren. Er sprak hem iemand aan, en hij gaf antwoord en scheen verwonderd; en na nog eenige woorden, kwamen de twee te zamen nader.“Harriët,” zeide haar broeder, den nog zoo laat komenden bezoeker inlatende en met eene zachte stem sprekende, “mijnheer Morfin—de heer, die zoolang in gelijken rang met James op het kantoor is geweest.”Zijne zuster deinsde terug alsof zij een spook had gezien. In de deur stond de onbekende vriend, met zijne zwarte, met grijs besprenkelde haren, het blozende gezicht, het breede heldere voorhoofd en de lichtbruine oogen, wiens geheim zij zoolang had bewaard.“John!” zeide zij, half ademloos. “Dit is de heer, van wien ik u vandaag heb gesproken.”—“Die heer, jufvrouw Harriët,” zeide de bedoelde persoon, nu binnenkomende, want hij was een oogenblik in de deur blijven staan, “is zeer verheugd u dit te hooren zeggen; hij heeft onderweg al allerlei manieren bedacht om zich te verklaren, en was met geen een daarvan tevreden. Mijnheer John, ik ben hier niet geheel vreemd. Gij waart zoo even verbaasd, toen gij mij de deur opendeedt. Ik zie dat gij nu nog meer verbaasd zijt. Nu, dat is in zulke omstandigheden natuurlijk genoeg. Als wij niet zulke slaven der gewoonte waren, zouden wij niet half zoo dikwijls reden hebben om verbaasd te zijn.”Hij had ondertusschen Harriët gegroet met die innemende mengeling van hartelijkheid en eerbied, die zij zich zoo wel herinnerde, zich dicht bij haar neergezet, zijne handschoenen uitgetrokken en deze in zijn hoed op de tafel geworpen.“Er is niets verbazends in,” zeide hij, “dat ik verlangen heb gekregen om uwe zuster te zien, mijnheer John, of dat ik dat verlangen op mijne eigene manier heb bevredigd. Wat de regelmatigheid van mijne bezoeken sedert dien tijd betreft (waarvan zij u misschien zal gesproken hebben), daar is niets buitengemeens in. Zij werden spoedig eene gewoonte; en wij zijn slaven der gewoonte—slaven der gewoonte.”Zijne handen in zijne zakken stekende en op zijn stoel achteroverleunende, zag hij broeder en zuster aan, alsof het iets belangwekkends voor hem was hen bij elkander te zien; en toen vervolgde hij, met zekere peinzende wreveligheid:“Het is die zelfde gewoonte, die sommige menschen, die tot betere dingen in staat zouden zijn, in de trotschheid en hardnekkigheid van Lucifer bevestigt—andere in schurkerij verhardt—die ons van dag tot dag, naarmate van onzen aard, tot beelden doet versteenen, en ons even onvatbaar maakt als steenen beelden voor nieuwe indrukken en overtuigingen. Ik zal u over den invloed der gewoonte op mij laten oordeelen, John. Jaren lang heb ik mijn gering, nauwkeurig afgepast aandeel gehad aan het bestuur van Dombey’s kantoor, en heb ik uw broeder (die zich een schurk heeft getoond. Uwe zuster zal mij wel vergeven dat ik daarvan melding moet maken) zijn invloed al meer en meer zien uitbreiden, tot hij het kantoor[371]en zijn eigenaar tot zijn speelbal had gemaakt; en heb ik u dagelijks aan uw lessenaar achteraf zien zwoegen, en ben ik tevreden geweest als men mij buiten mijne vaste taak maar zoo weinig mogelijk lastig viel, en heb ik alles om mij heen dag aan dag maar laten voortloopen als eene groote machine—zoo was ik het gewoon en die machine was het gewoon—en heb ik alles maar genomen zooals het was, en alles gehouden voor gelijk het behoorde. Mijne woensdagavonden kwamen geregeld weerom, en onze quartet-gezelschappen werden geregeld gehouden, mijne violoncel was altijd goed gestemd, en in mijne wereld was niets, dat niet zoo behoorde—of zoo al iets, dan toch niet veel—of veel of weinig, het ging mij niet aan.”—“Ik kan er voor instaan, dat al dien tijd niemand op het kantoor meer geacht en bemind is geweest dan gij, mijnheer,” zeide John Carker.—“Och! Goedaardig en handelbaar genoeg, durf ik zeggen,” zeide de ander, “eene gewoonte van mij. Dat beviel het hoofd van het kantoor, het beviel den man die hem regeerde, en het beviel mij het beste van al. Ik deed wat mij was opgedragen, maakte bij geen van beiden mijn hof, en was blijde dat ik een post had, waarop dit niet noodig was. Zoo had ik tot nu toe kunnen voortgaan, als mijne kamer geen bijzonder dunnen muur had gehad. Gij kunt uwe zuster zeggen, dat zij maar met een houten beschot van de kamer was afgescheiden, waarin de man zat, die er nu niet meer komt.”—“Die kamers waren naast elkander, waren voorheen misschien eene kamer geweest, en waren zoo van elkander afgeschoten als mijnheer Morfin daar zegt,” zeide haar broeder, en zag weder naar hem, op het vervolg zijner verklaring wachtende.—“Ik heb daar dikwijls gefloten, gezongen, ben de geheele sonate in B. van Beethoven doorgegaan, om hem te waarschuwen dat ik hem kon hooren,” zeide Morfin, “maar hij lette nooit daarop. Het gebeurde wel is waar zelden, dat mij iets ter ooren kwam wat voor geene andere ooren bestemd was. Maar als dat gebeurde, en ik niet op eene andere manier kon verhinderen dat ik het hoorde, ging ik heen. Zoo ging ik eens heen, John, onder een gesprek tusschen twee broeders, waarbij in het begin de jonge Walter Gay tegenwoordig was. Maar ik had er toch iets van gehoord eer ik de kamer kon uitkomen. Gij zult er u misschien genoeg van herinneren, om uwe zuster te kunnen zeggen van welken aard het was.”—“Het liep over het verledene, Harriët,” zeide haar broeder zacht, “en over het verschil van onze positie op het kantoor.”—“De zaak was niet nieuw voor mij, maar werd mij toen in een nieuw oogpunt voorgesteld. Ik werd geschokt in mijne gewoonte—de gewoonte van negen tienden van de wereld—om te gelooven, dat alles om mij heen zoo was als het behoorde, alleen omdat ik er aan gewoon was,” zeide Morfin, “en als het ware gedwongen om over de twee broeders en hunne geschiedenis na te denken. Ik geloof, dat het bijna de eerste maal van mijn leven was dat ik mij zelven vroeg: hoe zullen vele dingen, die ons nu gemeenzaam zijn en als het ware van zelf spreken, er uitzien, als wij ze uit dat nieuwe en verwijderde oogpunt beschouwen, waarop wij ons allen eens zullen moeten plaatsen? Ik was na dien ochtend wat minder goedhartig, zooals men dat noemt, wat minder met mij zelven en anderen tevreden.”Hij zat eene poos met zijne vingers op de tafel te trommelen, en hervatte toen haastig, als verlangde hij om spoedig door zijne bekentenis heen te komen:“Eer ik wist wat te doen, had er een tweede gesprek tusschen dezelfde broeders plaats, waarin de zuster genoemd werd. Ik had toen geene gemoedsbezwaren om mij zooveel van dat gesprek in de ooren te laten klinken, als mij door het beschot bereikte. Ik beschouwde die verdwaalde klanken als mijn rechtmatig eigendom. Daarna kwam ik hier om de zuster zelf te zien. De eerste maal bleef ik aan het tuinhek staan, en veinsde naar het karakter van een armen buurman te willen vernemen; maar ik raakte van den tekst, en ik geloof dat jufvrouw Harriët mij wantrouwde. De tweede maal vroeg ik verlof om binnen te komen, kwam binnen en zeide wat ik wenschte te zeggen. Uwe zuster gaf mij redenen, die ik niet durfde bestrijden, om toen geene hulp van mij te willen aannemen; maar ik bracht een middel van gemeenschap tusschen ons tot stand, dat ongestoord bleef tot voor eenige dagen, toen ik door de gewichtige zaken, waarvoor ik te zorgen had, verhinderd werd om mijne gewone wandeling te doen.”—“Hoe weinig heb ik dat vermoed,” zeide John Carker, “terwijl ik gewoon was u elken dag te zien, mijnheer. Als Harriët uw naam had kunnen raden …”—“Wel, om udewaarheid te zeggen, John,” viel de ander er op in, “ik hield dien om twee redenen voor mij zelven. Ik weet niet of de eerste op zich zelve niet al voldoende zou zijn geweest; maar het past niet zich iets te laten voorstaan op goede voornemens, en daarom had ik besloten om mij niet te ontdekken eer ik in staat was om u eenen of anderen wezenlijken dienst te bewijzen. Mijne tweede reden was, dat ik nog altijd hoopte op eene flauwe mogelijkheid, dat uw broeder tot eene betere gezindheid voor u beiden zou komen; en in dat geval begreep ik, dat indien een man van zijn achterdochtig karakter ontdekte dat ik heimelijk uw vriend was geweest, dit eene nieuwe en noodlottige reden tot verdeeldheid zou kunnen worden. Ik besloot, wel is waar met gevaar om zijn ongenoegen tegen mij zelven te keeren—dat[372]mij niet had kunnen schelen—eene gelegenheid waar te nemen om u bij het hoofd van het kantoor een dienst te doen; maar de drukten van een sterfgeval, eene vrijage, een huwelijk en huiselijk ongenoegen, hebben ons sedert lang geen ander hoofd gelaten dan uw broeder. En het zou beter voor ons geweest zijn,” zeide hij, zijne stem latende dalen, “dat wij een levenlooze romp waren geweest.”Hij scheen zich bewust, dat deze laatste woorden hem tegen zijn wil waren ontsnapt, en zijne eene hand aan den broeder en de andere aan de zuster toereikende, vervolgde hij:“Alles wat ik kon verlangen te zeggen, en nog meer, heb ik nu gezegd. Wat ik meen, is meer dan woorden kunnen zeggen, gelijk ik hoop dat gij begrijpt en gelooft. De tijd is gekomen, John—hoewel allerongelukkigst gekomen—dat ik u helpen mag, zonder u te hinderen in die worsteling tot herstel van uw naam, die zoovele jaren heeft geduurd, daar gij vandaag buiten eigen toedoen daarvan zijt bevrijd. Het is laat; ik behoef van avond niets meer te zeggen. Gij zult den schat, dien gij hier hebt, wel bewaren, zonder dat ik u daartoe raad of vermaan.”Met deze woorden stond hij op om heen te gaan.“Maar ga gij eerst heen, John,” zeide hij half schertsend, “en neem een licht mee, zonder eerst te zeggen wat gij zeggen wilt, wat het ook wezen mag;” John’s hart was vol, en hij had het gaarne met spreken willen verlichten; “en laat ik een woordje met uwe zuster spreken. Wij hebben wel meer alleen gesproken, en dat in deze kamer ook; hoewel het natuurlijker schijnt met u hier.”Hem met zijne oogen naar buiten volgende, keerde hij zich vriendelijk tot Harriët en zeide met eene zachtere stem en veel ernstiger gezicht:“Gij wenscht mij iets te vragen omtrent den man, wiens zuster gij het ongeluk hebt te zijn.”—“Ik vrees er naar te vragen,” zeide Harriët.—“Gij hebt mij meer dan eens zoo ernstig aangezien,” hervatte Morfin, “dat ik uwe vraag wel meen te kunnen raden. Heeft hij geld medegenomen? Is het dat?”—“Ja.”—“Dat heeft hij niet.”—“Daarvoor dank ik den Hemel,” zeide Harriët, “om John’s wil.”—“Dat hij het in hem gestelde vertrouwen op vele manieren heeft misbruikt,” zeide Morfin; “dat hij meer voor zijn eigen voordeel heeft gehandeld en gespeculeerd dan voor dat van het kantoor, dat hij representeerde; dat hij het hoofd van het kantoor heeft verlokt tot groote waagstukken, die dikwijls op geduchte verliezen uitliepen; dat hij de ijdelheid en eerzucht van zijn patroon altijd heeft geprikkeld, terwijl het zijn plicht zou geweest zijn ze tegen te gaan en hem te toonen, gelijk hij had kunnen doen, welke gevolgen zij hier en daar hadden—dat alles zal u misschien nu niet verwonderen. Er zijn ondernemingen gedaan om den roem der uitgebreide middelen van het kantoor nog meer te verhoogen, en het in een trotsch contrast met andere kantoren te doen uitkomen, waarvan men zich de mogelijke gevolgen bijna niet durft voorstellen—eenige weinige nadeelige omstandigheden zouden die gevolgen waarschijnlijk verderfelijk doen worden. Onder al de veelvuldige operatiën van het kantoor, in de meeste gedeelten der wereld—een groot doolhof, waarvan hij alleen den draad had—heeft hij gelegenheid gehad, en schijnt hij die gebruikt te hebben, om de resultaten van al die zaken, als er naar vernomen werd, in het onzekere te houden, en in plaats van bepaalde opgaven, algemeene schattingen en begrootingen te geven. Maar sedert onlangs—gij volgt mij wel, jufvrouw Harriët?”—“Ja, ja!” antwoordde zij, hem angstig aanziende. “Ik bid u, zeg mij in eens het ergste.”—“Sedert eenigen tijd schijnt hij zich de grootste moeite te hebben gegeven om deze resultaten zoo duidelijk te maken, dat men ze, bij het nazien der boeken, zoo talrijk en verschillend als zij zijn, bijna van zelf moet vinden. Het is alsof hij zijn patroon in eens wilde doen zien, waardoor hij door den hartstocht, die hem beheerscht, gekomen is. Dat het zijn gedurige toeleg is geweest, dien hartstocht verraderlijk te vleien en te prikkelen, is ontwijfelbaar. Daarin bestaat voornamelijk zijne schuld met betrekking tot de zaken van het kantoor.”—“Nog een woord eer gij heengaat, mijnheer,” zeide Harriët. “Er is toch geen gevaar bij dat alles?”—“Hoe zoo, gevaar?” zeide hij eenigszins aarzelend.—“Voor het crediet van het kantoor?”—“Ik kan niet nalaten u duidelijk te antwoorden en u geheel te vertrouwen,” zeide Morfin, nadat hij haar een oogenblik had aangezien.—“Dat moogt gij, dat moogt gij waarlijk.”—“Daarvan ben ik overtuigd. Gevaar voor het crediet van het kantoor. Neen, dat niet. Er kunnen bezwaren komen, grooter of geringer, maar geen gevaar, of—het moest gebeuren dat het hoofd van het kantoor er niet toe wilde overgaan om zijne ondernemingen te beperken, niet wilde gelooven dat zijne firma zich in eene andere positie bevindt of bevinden kan, dan hij zich altijd verbeeld heeft, en dus te veel van zijne middelen vergde. Dan zou het kantoor wankelen.”—“Maar daarvoor is geen vrees?” zeide Harriët.—“Er moet geen halfvertrouwen tusschen ons bestaan,” antwoordde hij, haar de hand drukkende. “Mijnheer Dombey is voor iedereen ongenaakbaar, en in zijn tegenwoordigen gemoedstoestand is hij nog trotscher, roekeloozer, onredelijker en onhandelbaarder dan ooit. Maar hij is nu buitengemeen gespannen en opgewonden, en dit kan dus voorbijgaan. Gij weet nu alles, het ergste en het[373]beste. Niets meer van avond, en goeden nacht!”Daarmede kuste hij haar de hand en ging de kamer uit naar de deur, waarbij de broeder hem stond te wachten, duwde hem schertsend ter zijde, toen hij wilde spreken; zeide hem dat zij elkander spoedig en dikwijls zouden zien, dat hij een andermaal kon spreken als hij wilde, maar dat er nu geen tijd voor was; en ging met snelle schreden heen, opdat geen woord van dankbaarheid hem zou kunnen volgen.Broeder en zuster bleven bij den haard zitten praten tot het bijna dag werd, slapeloos door den blik in de nieuwe wereld, die zich voor hen opende, en met een gevoel naar dat gelijkende van twee menschen, die voor langen tijd op eene eenzame kust schipbreuk hadden geleden, en tot welke eindelijk een schip gekomen was, nadat zij in berusting oud waren geworden, en alle gedachten aan eene andere woonplaats hadden verloren. Maar ook nog eene andere soort van onrust hield hen wakker. De duisternis, waaruit dit licht hen had bestraald, pakte zich weder opeen, en de schaduw van hun misdadigen broeder viel op het huis, dat zijn voet nooit betreden had.Die schaduw kon niet verdreven worden en verdween ook niet voor de zon. Den volgenden morgen was zij daar nog—des middags en des avonds, het donkerst en duidelijkst des avonds, gelijk nu moet verhaald worden.John Carker had een briefje van zijn vriend ontvangen en was dezen gaan opzoeken, en Harriët was alleen thuis gebleven. Zij had eenige uren alleen gezeten. Eene sombere avondschemering was niet gunstig om hare neerslachtigheid te doen verdwijnen. Het denkbeeld van dien broeder, lang ongezien en ongekend, zweefde in allerlei akelige gedaanten om haar heen. Hij was dood, stervende, riep om haar, zag haar dreigend aan. De schilderijen harer verbeelding waren zoo duidelijk, dat zij, toen het donker werd, bijna vreesde om haar hoofd op te heffen en naar de duistere hoeken der kamer te zien, waar zijn geest, het gewrocht harer overprikkelde hersenen, haar misschien stond te wachten om haar te verschrikken. Eens verbeeldde zij zich zoo sterk, dat hij in de andere kamer was en zich daar verschool—schoon zij wel wist dat het eene ziekelijke inbeelding was en zij er niet aan geloofde—dat zij zich dwong om daar binnen te gaan, tot hare eigene overtuiging.Maar vruchteloos. De kamer hernam hare spookachtige ijselijkheden zoodra zij ze weder verlaten had; en het was haar even onmogelijk zich van die onbestemde schrikbeelden te ontslaan, als waren het steenen reuzen geweest, onwrikbaar in den vasten grond geworteld.Het was bijna donker en zij zat bij het venster met het hoofd in de hand naar omlaag ziende, toen zij, opmerkende dat de duisternis in de kamer plotseling toenam, hare oogen opsloeg en onwillekeurig een schreeuw gaf. Dicht voor het glas vertoonde zich een bleek, ontsteld gezicht, dat voor een oogenblik onzeker naar binnen keek, alsof het naar iets zocht; toen vielen de oogen op haar, en kregen glans en uitdrukking.“Laat mij in. Laat mij in. Ik moet u spreken.” en de hand ratelde tegen het glas.Zij herkende dadelijk de vrouw met het lange zwarte haar, welke zij op een regenachtigen avond warmte, voedsel en schuilplaats had gegeven. Natuurlijk bevreesd voor haar, daar zij zich hare latere woestheid herinnerde, ging Harriët een paar schreden van het venster terug en bleef besluiteloos staan.“Laat mij in! Laat ik met u spreken! Ik ben dankbaar—stil—nederig—alles wat gij wilt. Maar laat ik u spreken.”Het heftig dringende van dit verzoek, de ernstige uitdrukking van het gezicht, het beven der twee handen, die smeekend werden opgeheven, en zekere angstigheid en gejaagdheid in de stem, welke haar aan haar eigen toestand op dat oogenblik herinnerde, bewogen Harriët om haar te wille te zijn. Zij haastte zich naar de deur en deed open.“Mag ik binnenkomen, of zal ik hier spreken?” zeide de vrouw, hare hand vattende.—“Wat moet gij hebben? Wat hebt gij te zeggen?”—“Niet veel, maar laat mij het nu zeggen, of ik zal het nooit zeggen. Ik ben nu nog in verzoeking om weer heen te gaan. Het is alsof ik met handen van de deur word getrokken. Laat mij binnenkomen, als gij mij voor dien eenen keer nog kunt vertrouwen.”Wederom had haar dringende toon de overhand, en zij ging naar het vuur in de keuken, waarvoor zij eens had gezeten en hare kleeren gedroogd.“Ga daar zitten,” zeide Alice, bij Harriët neerknielende, “en zie mij aan. Gij kent mij?”—“Ja.”—“Gij weet wel wat ik u zeide, dat ik geweest was, en waar ik vandaan kwam, in havelooze vodden en kreupel geloopen, blootgesteld aan wind en weer?”—“Ja.”—“Gij weet wel hoe ik dien avond terugkwam, en uw geld in den modder smeet, en uw geslacht vervloekte. Zie mij nu hier op mijne knieën. Meen ik het nu minder ernstig dan toen?”—“Als het vergiffenis is wat gij vraagt,” begon Harriët met vriendelijke zachtheid.—“Maar dat is het niet,” zeide Alice met een trotschen en woesten blik. “Wat ik vraag is, geloofd te worden. Nu zult gij oordeelen of ik geloofwaardig ben, zoowel gelijk ik toen was als gelijk ik nu ben.”Nog op hare knieën en met hare oogen op het vuur gevestigd, dat hare vervallene schoonheid[374]en hare wilde zwarte haren bescheen, waarvan zij eene lange lok over haar schouder trok en om hare hand wond, om er onder het spreken somtijds peinzend op te bijten en aan te rukken, vervolgde zij:“Toen ik jong en mooi was, en dit,” zeide zij, verachtelijk rukkende aan de lok die zij vasthield, “niet anders dan zacht werd behandeld en niet genoeg bewonderd kon worden, ontdekte mijne moeder, die niet veel op mij gelet had toen ik een kind was, mijne verdiensten, en was zij goed voor mij en trotsch op mij. Zij was hebzuchtig en arm, en meende een soort van rentegevend pand van mij te maken. Geene groote dame heeft zeker nog ooit zoo over eene dochter gedacht, of zoo gedaan—dat gebeurt nooit, weten wij wel—en dit bewijst, dat de eenige voorbeelden van moeders, die hare dochters verkeerd opbrengen, en van het kwaad dat daarvan komt, onder zulke ellendigen als wij gevonden worden.”Naar het vuur ziende, alsof zij een oogenblik vergat dat zij eene toehoorster had, vervolgde zij op een droomerigen toon, terwijl zij de lange haarlok stijf om hare hand wond:“Wat daarvan kwam behoef ik u niet te zeggen. Rampzalige huwelijken komen van zulke dingen niet in onzen stand; alleen maar ellende en verderf. Ellende en verderf kwamen over mij—kwamen over mij.”Snel hare oogen, die somber in het vuur staarden, naar Harriët opslaande, zeide zij:“Ik verspil den tijd, en er is geen tijd over, maar als ik niet aan dat alles gedacht had zou ik niet hier wezen. Ellende en verderf kwamen over mij, zeg ik. Ik werd voor een korten tijd een speeltuig, en werd nog onbarmhartiger en onverschilliger weggeworpen dan men zulke dingen doet. Door wiens hand denkt gij?”—“Waarom vraagt ge mij dat?” zeide Harriët.—“Waarom beeft gij?” antwoordde Alice met een vurigen blik. “Zijne behandeling heeft eene duivelin van mij gemaakt. Ik verzonk in ellende en verderf al dieper en dieper. Ik had deel aan een diefstal—deel aan alles behalve de winst—en werd ontdekt en moest te recht staan, zonder een enkel vriend en zonder een stuiver geld. Schoon ik maar een meisje was had ik liever ter dood willen gaan, dan hem om een woord te vragen, als een woord van hem mij had kunnen redden. Dat zou ik. Liever elke soort van dood, die men had kunnen uitvinden. Maar mijne moeder, altijd hebzuchtig, zond hem eene boodschap in mijn naam, verhaalde hem de waarheid van mijn geval, en bad nederig om de laatste geringe gift—om niet zooveel ponden als ik vingers aan deze hand heb. Wie was het, denkt gij, die met zijne vingers naar mij knipte, in mijne ellende, toen ik, naar hij dacht, aan zijne voeten lag, en mij zelfs dat armoedige teeken van herinnering niet wilde geven; weltevreden dat ik buitenslands zou worden gezonden, waar ik hem niet verder kon lastig vallen, en daar zou sterven en verrotten. Wie was dat denkt gij?”—“Waarom beeft gij?” zeide Alice, de hand op haar arm leggende en haar in het gezicht ziende. “Waarom anders, dan omdat gij het antwoord op de lippen hebt? Het was uw broeder James.”Harriët beefde nog sterker, maar wendde hare oogen niet af van den strakken blik die daarop rustte.“Toen ik hoorde dat gij zijne zuster waart—dat op dien avond was—kwam ik terug, vermoeid en kreupel als ik was, om u uwe gift voor de voeten te werpen. Het was mij dien nacht, alsof ik, zoo vermoeid en kreupel, wel de geheele wereld had kunnen doorreizen, om hem een mes in het hart te steken, als ik hem maar ergens alleen had kunnen vinden. Gelooft gij dat mij dat alles ernst was?”—“Ja! goede hemel, waarom zijt gij teruggekomen?”—“Sedert,” zeide Alice, nog haar arm vasthoudende en haar strak aanziende, “heb ik hem gezien. Heb ik hem met mijne oogen gevolgd op klaar lichten dag. Als er nog maar een vonkje haat in mijne borst had gesmeuld, had het in vlam moeten schieten toen mijne oogen hem zagen. Gij weet dat hij een trotsch man heeft beleedigd en tot zijn doodvijand gemaakt. Als ik nu dien man eens bericht van hem had gegeven?”—“Bericht!” herhaalde Harriët.—“Als ik eens iemand had gevonden, die uw broeders geheim wist, die wist hoe hij gevlucht is, en waar hij met zijne gezellin naar toe is? Als ik hem eens al wat hij wist, woord voor woord, had laten zeggen, voor dien vijand, verscholen om het te hooren? Als ik er toen eens bij had gezeten, en dien vijand in het gelaat had gezien en er zulk eene verandering op had gezien, dat het bijna geen menschengezicht meer was? Als ik hem eens als dol had zien heenvliegen om hem te vervolgen? Als ik eens wist dat hij nu op weg was, meer duivel dan mensch, en hem in zoovele uren moest inhalen?”—“Neem uwe hand weg!” zeide Harriët, terugdeinzende. “Ga heen! Ik gruw er van dat ge mij aanraakt.”—“Ik heb dat gedaan,” vervolgde Alice even eens, zonder op deze woorden te letten. “Kunt gij niet aan mij hooren en zien, dat ik het gedaan heb? Gelooft gij wat ik zeg?”—“Ik vrees dat ik moet. Laat mijn arm los!”—“Nog niet. Nog een oogenblik. Gij kunt denken wat mijne wraakzucht moet geweest zijn, om zoolang te duren en mij daartoe te drijven?”—“Schrikkelijk!” zeide Harriët.—“Als gij mij dan nu hier wederziet,” zeide Alice met eene schorre stem, “stil op den grond geknield, met mijne hand op uw arm, met mijne oogen op uw gezicht, moogt gij wel gelooven, dat het ernst is met wat ik zeg, en dat ik een zwaren strijd heb gestreden.[375]Ik schaam mij om de woorden uit te spreken, maar ik heb berouw. Ik veracht mij zelve; ik heb den ganschen dag en geheel den verleden nacht met mij zelve gekampt; maar ik gevoel mij zonder reden voor hem verzacht, en ik wensch te herdoen wat ik gedaan heb, als het nog mogelijk is. Ik wilde niet dat zij bij elkander kwamen terwijl zijn vervolger zoo blind en woest is. Als gij hem gisteravond hadt gezien, toen hij heenging, zoudt gij het gevaar beter kennen.”—“Hoe kan dat verhoed worden! Wat kan ik doen!” riep Harriët uit.—“Den geheelen nacht,” vervolgde de ander haastig, “heb ik van hem gedroomd—en toch sliep ik niet—in zijn bloed. Den geheelen dag heb ik hem bij mij gehad.”—“Wat kan ik doen?” zeide Harriët, huiverende bij deze woorden.—“Als er iemand is, die hem wil schrijven, of eene boodschap zenden, of naar hem toe gaan, laat hij dan geen tijd verzuimen. Hij is teDijon. Kent gij dien naam, en weet gij waar het is?”—“Ja!”—“Waarschuw hem, dat de man, dien hij tot zijn vijand heeft gemaakt, razend is, en dat hij hem niet kent als hij zijne komst gering acht. Zeg hem, dat hij onderweg is—ik weet dat—en haast maakt. Dring hem om zich uit den weg te maken terwijl het nog tijd is—als het nog tijd is—en hem nog niet onder de oogen te komen. Eene maand of zoo zal jaren van verschil maken. Laten zij elkander niet door mij ontmoeten. Daar maar niet! Nu maar niet! Laat zijn vijand hem vervolgen en hem van zelf vinden, maar niet door mij. Ik heb buitendien genoeg op mijn hoofd!”Het schijnsel van het vuur speelde niet langer over hare zwarte haren en opgeheven gezicht; hare hand lag niet meer op Harriët’s arm, en de plaats, waar zij geknield had, was ledig.
LIII.NOG MEER BERICHTEN.
Er waren twee van des verraders eigen bloed—de broeder en zuster, die hij verzaakt had—[367]op welke het gewicht zijner schuld bijna even zwaar drukte, als op den man, dien hij zoo diep beleedigd had. Hoezeer de wereld hem door hare nieuwsgierigheid martelde, bewees zij Dombey toch den dienst om hem kracht te geven tot vervolging en wraak. Zij prikkelde zijn trots, zij verwrong het eenige denkbeeld, dat zijn leven vervulde, tot eene nieuwe gedaante, en maakte de voldoening zijner wraakzucht tot een doel waarin geheel zijn aanzijn zich oploste. Al de onbuigzaamheid en onverzoenlijkheid van zijn karakter, al de stroefheid en somberheid daarvan, al zijn overdreven gevoel van eigenwaarde, al zijne ijverzuchtige drift om het minste gebrek aan erkentenis zijner waarde bij anderen te bestraffen, dat alles vereenigde zich gelijk zoovele waterspranken tot ééne rivier, welke hem op hare golven medevoerde. De hartstochtelijkste en opvliegendste mensch zou een zachter vijand zijn geweest dan de zoodanig opgewondene Dombey. Een wild dier had zich lichter laten stuiten of bedaren dan de deftige heer, zonder rimpeltje in zijne gestevene das.Maar juist de hitte zijner wraakzucht was eenigszins eene vergoeding voor de werkeloosheid, waartoe die wraakzucht veroordeeld was. Terwijl hij nog onkundig was van de schuilplaats des verraders, strekte die om zijne gedachten van zijn eigen ongeluk af te wenden en met een ander uitzicht bezig te houden. De broeder en de zuster van zijn trouweloozen gunsteling hadden zulk eene verlichting niet; alles in hunne vroegere geschiedenis, zoowel als in het tegenwoordige, gaf zijn misdrijf eene meer bedroevende beteekenis voor hen.De zuster dacht wel eens treurig dat hij, indien zij bij hem gebleven was als zijne gezellin en vriendin, misschien de misdaad, waartoe hij vervallen was, zou ontvloden hebben. Evenwel, wanneer zij zoo dacht, was het toch zonder berouw over hetgeen zij gedaan had, zonder daarom meer waarde aan hare zelfopoffering toe te schrijven. Maar wanneer deze mogelijkheid den eens verdoolden en nu boetvaardigen broeder voor den geest kwam, werd zijn hart door het bitterste zelfverwijt gemarteld. Geen denkbeeld om nu vergelding tegen zijn wreeden broeder uit te oefenen kwam bij hem op. Nieuwe zelfbeschuldigingen, geheime jammerklachten over zijne eigene onwaardigheid en het onheil waarin hij ook anderen had medegesleept, waren de eenige gedachten, waartoe de ontdekking bij hem aanleiding gaf.Het was op denzelfden dag, waarvan wij in het vorige hoofdstuk den avond hebben beschreven, en toen Dombey’s wereld het drukst bezig was met het wegloopen van zijne vrouw, dat het venster der kamer, waarin broeder en zuster aan het ontbijt zaten, verdonkerd werd door de schaduw van een man, die terstond daarop de opene deur inkwam; en deze man was Perch, de kantoorlooper.“Ik kom zoo vroeg vanBall’s Pondaanstappen,” zeide Perch, vertrouwelijk de kamerdeur inkijkende, terwijl hij op de mat bleef staan, om zijne schoenen af te vegen, waaraan geen slijk was, “om eene boodschap te doen, die mij gisteravond belast is. Ik moest u vooral zonder fout een briefje brengen, mijnheer Carker, eer gij nog waart uitgegaan. Ik zou al een uur vroeger hier zijn geweest,” zeide Perch, zoetsappig verontschuldigend, “als mijne vrouw niet zoo van de wijs was geweest. Ik heb van nacht niet minder dan vijfmaal gedacht, dat ik haar zou verliezen, dat kan ik u verzekeren.”—“Is uwe vrouw zoo ziek?” vroeg Harriët.—“Wel, ziet ge,” zeide Perch, zich eerst omkeerende om de deur zorgvuldig te sluiten, “zij trekt zich zoo erg aan wat er met onzen patroon gebeurd is, jufvrouw. Hare zenuwen zijn zwak, en gauw in de war. Maar zeker de sterkste zenuwen mochten door zoo iets wel geschokt worden. Gij zelf zult het ook wel erg gevoelen, daar twijfel ik niet aan.”Harriët smoorde een zucht en zag naar haar broeder om.“Ik zelf gevoel het waarlijk ook, in mijn nederigen staat,” vervolgde Perch, even zijn hoofd schuddende, “op eene manier zooals ik niet had kunnen gelooven, als ik het niet had moeten ondervinden. Het heeft op mij bijna de werking van sterken drank. Ik heb elken ochtend letterlijk eene gewaarwording alsof ik den vorigen avond meer had gebruikt dan mij dienstig was.”Het voorkomen van Perch strekte ter bevestiging dezer verklaring. Het kenteekende zekere koortsigheid en afgematheid, die aan borrels scheen te kunnen worden toegeschreven, en waarvan men waarschijnlijk de oorzaak had kunnen vinden in het gedurig getrakteerd en uitgevraagd worden, dat nu zijn dagelijksch lot was.“Ik kan daarom heel goed oordeelen,” zeide Perch, wederom zijn hoofd schuddende, “over het gevoel van iemand, die in betrekking tot deze pijnlijke omstandigheid eenigszins in eene bijzondere positie verkeert.”Nu wachtte Perch op eene vertrouwelijke mededeeling, en daar hij deze niet ontving, kuchte hij achter zijne hand. Toen dit tot niets leidde, kuchte hij achter zijn hoed; en daar ook dit tot niets leidde, zette hij zijn hoed op den grond en zocht in zijn borstzak naar den brief.“Als ik mij wel herinner, was er geen antwoord noodig,” zeide Perch met een vriendelijk lachje; “maar misschien zult ge wel zoo goed willen zijn om hem eens door te zien, mijnheer.”John Carker brak den brief open, waarop het cachet van Dombey stond, en nadat hij den inhoud had gelezen, die zeer kort was, zeide hij: “Neen. Er is geen antwoord noodig.”[368]“Dan zal ik u goedenmorgen wenschen, jufvrouw,” zeide Perch, een stap naar de deur doende, “en ik hoop hartelijk dat gij u door die ongelukkige omstandigheid niet neerslachtiger zult maken dan gij niet laten kunt. De couranten,” zeide Perch, weder twee stappen terug doende en broeder en zuster te gelijk aansprekende, met een gefluister, dat hoe langer hoe geheimzinniger werd, “zijn zoo vurig op nieuws er van, dat gij het u niet verbeelden kunt. Een van de zondagsbladen, met een blauwen mantel en een witten hoed, die mij eerst had willen omkoopen—behoef ik te zeggen met welk gevolg?—loerde gisteravond tien minuten voor negenen nog om het kantoor rond. Ik heb hem zelf met zijn oog voor het sleutelgat gevonden; maar dat is een patentslot, waar men niet door kan kijken. Een ander,” zeide Perch, “met tressen op zijne jas, alsof hij een militair was, zit den ganschen dag in het Koninklijk Wapen in de zijkamer. Verleden week liet ik mij daar toevallig eene kleine aanmerking ontglippen, en ’s anderen daags, dat zondag was, zag ik die tot mijne verwondering gedrukt staan.”Perch tastte in zijn borstzak, alsof hij het blad er uit wilde halen; maar toen hij geene aanmoediging ontving, trok hij zijne kastoren handschoenen aan, raapte zijn hoed op, en nam afscheid; en nog voor den middag had hij in het Koninklijk Wapen en elders aan een uitgelezen gehoor verteld, hoe jufvrouw Carker in tranen was uitgebarsten, en hem bij beide handen had gevat, en gezegd had: “Och, lieve, lieve Perch, dat ik u nog eens zie is de eenige troost die mij overschiet!” en hoe mijnheer John Carker met eene geduchte stem had gezegd: “Perch, ik verzaak hem. Laat ik hem nooit meer als mijn broeder hooren noemen!”“Lieve John,” zeide Harriët, toen zij alleen waren gebleven, en eene korte poos hadden gezwegen. “Gij krijgt slechte tijding in dien brief.”—“Ja. Maar niet onverwacht,” antwoordde hij. “Ik had den schrijver gisteren gezien.”—“Den schrijver?”—“Mijnheer Dombey. Hij kwam tweemaal het kantoor door terwijl ik er was. Het was mij vroeger gelukt hem te vermijden; maar dat kon ik natuurlijk niet lang hopen te doen. Ik weet wel hoe natuurlijk het is, dat hij mijne tegenwoordigheid onaangenaam moet vinden. Ik gevoelde dat toen zelf al.”—“Maar hij zeide dat toch niet?”—“Neen. Hij zeide niets; maar ik zag dat zijne oogen even op mij bleven rusten, en was toen voorbereid op wat er gebeuren zou—op wat gebeurd is. Ik ben afgedankt!”Zij zag zoo weinig ontsteld en zoo moedig als zij kon, maar het was toch een droevig nieuws om vele redenen.“Ik behoef u niet te zeggen,” zeide John Carker, den brief lezende,“waarom uw naam, in verband met den mijnen, hoe verwijderd dat verband ook zij, voortaan een onnatuurlijken klank zou hebben, of waarom het dagelijksch gezicht van iemand, die zoo heet, mij ondragelijk zou zijn. Ik moet u kennis geven dat van dezen dag af alle betrekkingen tusschen ons ophouden, en u verzoeken dat gij nooit zult beproeven eenige gemeenschap met mij of mijn kantoor meer aan te knoopen.”“Ingesloten vind ik eene som, die rijkelijk tegen eene waarschuwing van langen tijd vooraf opweegt, en dit is mijn ontslag. De hemel weet, Harriët, het is zacht en genadig, als wij alles bedenken.”—“Als het zacht en genadig is u voor het misdrijf van een ander te straffen, John,” zeide zij, maar zonder drift, “dan ja.”—“Onze familie heeft hem nooit iets anders dan onheil aangebracht,” zeide John Carker. “Hij heeft wel redenen om voor den klank van onzen naam te huiveren, en te denken, dat er iets slechts en vervloekts in ons bloed zit. Ik zou dat ook bijna denken, Harriët, als gij er niet waart.”—“O broeder, spreek zoo niet. Als gij eenige bijzondere redenen hebt, gelijk gij zegt en denkt—hoewel ik “neen” zeg—om mij lief te hebben, bespaar mij dan het hooren van zulke woeste woorden.”Hij hield zijne handen voor zijn gezicht; maar toen zij nader kwam en eene daarvan vatte, liet hij dit toe.“Na zoovele jaren is dit afscheid droevig, dat weet ik,” zeide zijne zuster, “en de oorzaak daarvan is schrikkelijk voor ons allebei. Ook moeten wij leven en naar middelen daartoe rondzien. Welnu, daarvoor behoeven wij niet bang te zijn. Het is onze trots, en niet een verdriet, dat wij te zamen ons best doen, John.”Een lachje speelde om hare lippen, terwijl zij hem een kus op de wang drukte en bad om gemoedigd te zijn.D. I. J. O. N. (blz. 366).D. I. J. O. N.(blz. 366).“O, lieve zuster! Door uw eigen edelmoedigen wil aan een geruïneerd man gebonden, die zijn goeden naam verwoest heeft, die zelf geen enkel vriend heeft, en al uwe vrienden van u heeft weggejaagd!”—“John!” zij legde haastig hare hand op zijne lippen. “Om mijnentwil! Denk aan de jaren, die wij te zamen hebben geleefd!” Hij zweeg. “Laat ik nu zeggen, lieve broeder,” vervolgde zij, zich stil naast hem zettende, “ik heb, evenals gij, dit verwacht; en toen ik er aan dacht, en vreesde dat het gebeuren zou, en er mij zoo goed ik kon op gereedmaakte, nam ik mij voor, als het er toe kwam, u te zeggen dat ik een geheim voor u bewaard heb, en dat wij wel een vriend hebben.”—“Hoe heet onze vriend, Harriët?” zeide hij met een treurigen glimlach.—“Dat weet ik niet; maar hij heeft mij eens zeer ernstig verzekerd, dat hij altijd mijn vriend zou zijn en maar verlangde ons te kunnen dienen; en tot op dezen dag geloof ik hem.”—“Harriët!”[369]riep haar verwonderde broeder uit; “waar woont die vriend?”—“Dat weet ik ook niet,” antwoordde zij. “Maar hij kent ons beiden, en onze geschiedenis—geheel onze kleine geschiedenis, John. Dat is de reden waarom ik, op zijn eigen raad, zijn bezoek voor u geheim heb gehouden, opdat het u niet bedroeven zou dat hij zooveel wist.”—“Bezoek! Is hij dan hier geweest, Harriët?”—“Hier, in deze kamer. Eens.”—“Wat voor een man?”—“Niet jong meer. Hij zeide zelf, dat hij sterk begon te grijzen. Maar een braaf man, rondborstig en edelmoedig, daarvan ben ik zeker.”—“En maar ééns gezien, Harriët?”—“In deze kamer maar eens,” antwoordde de zuster, met een blosje, dat echter zeer vluchtig was, op de wangen; “maar toen hij hier was, verzocht hij mij dringend, dat ik mij eens in de week aan hem zou laten zien, als hij voorbijkwam, ten teeken dat wij nog wel waren, en niets van hem bleven noodig hebben. Want ik zeide hem, toen hij ons alle diensten aanbood, die hij bewijzen kon—hetgeen het oogmerk van zijn bezoek was—dat wij niets noodig hadden.”—“En eens in de week.…”—“Sedert is hij elke week, en altijd op denzelfden dag en op hetzelfde uur, hier voorbijgekomen; altijd te voet, en altijd denzelfden kant opgaande—naar Londen toe; en nooit heeft hij zich langer opgehouden, dan om voor mij te buigen, en vroolijk met zijne hand te wuiven, gelijk een vriendelijk bejaard bloedverwant zou doen. Hij beloofde dit, toen[370]hij om die zonderlinge ontmoetingen verzocht, en hij heeft zoo getrouw en aardig zijn woord gehouden, dat, al mocht ik in het begin eene kleine ongerustheid gevoelen—dat ik toch niet geloof, John; zijn toon was zoo eenvoudig en oprecht—die ongerustheid toch spoedig verdween, en ik waarlijk blij was als de dag kwam. Verleden maandag—den eersten na die schrikkelijke gebeurtenis—is hij niet voorbijgekomen; en ik heb mij verwonderd of zijn wegblijven ook eenigszins met het gebeurde in verband kan staan.”—“Hoe zoo?” vroeg haar broeder.—“Ik weet niet hoe. Ik heb maar gedacht dat het zonderling was dat het zoo uitkwam, maar niet beproefd het te verklaren. Ik ben overtuigd dat hij wel weder zal komen. Als hij dat doet, lieve John, laat ik hem dan zeggen dat ik eindelijk met u gesproken heb, en laat ik u bij elkander brengen. Hij zal ons zeker aan een nieuw bestaan helpen. Hij verlangde maar iets te kunnen doen, zeide hij, om mij en u het leven aangenamer en gemakkelijker te maken; en ik heb hem beloofd, dat ik om hem zou denken, als wij ooit een vriend noodig hadden. Dan zou zijn naam geen geheim meer blijven.”—“Harriët,” zeide haar broeder, die met de grootste aandacht had geluisterd, “beschrijf mij dien heer toch eens. Ik moet iemand toch wel kennen, die mij zoo goed kent.”Zijne zuster beschreef zoo duidelijk en levendig als zij kon de gelaatstrekken, de gestalte en de kleeding van den vreemdeling; maar John Carker, hetzij dat hij hetorigineelniet kende, of omdat er aan hare beschrijving iets haperde, of omdat zijne gedachten, terwijl hij peinzend heen en weder stapte, te zeer verstrooid raakten, herkende het voor hem geschilderde portret niet.Er werd echter afgesproken, dat hij hetorigineelzou zien, wanneer dit zich de volgende maal vertoonde. Dit bepaald zijnde, ging de zuster met een minder angstig hart aan hare huiselijke bezigheden; en de grijsharige man, gewezen jongste klerk op het kantoor van Dombey, wijdde den eersten dag zijner ongewone vrijheid aan den arbeid in zijn tuin.Het was laat in den avond, en de zuster zat te naaien, terwijl de broeder haar voorlas, toen zij door een kloppen aan de deur werden gestoord. Bij den onbestemden angst, waarin zij thans in verband met hun voortvluchtigen broeder verkeerden, had dit daar ongewone geluid bijna iets schrikaanjagends. Terwijl de broeder naar de deur ging, zat de zuster vreesachtig te luisteren. Er sprak hem iemand aan, en hij gaf antwoord en scheen verwonderd; en na nog eenige woorden, kwamen de twee te zamen nader.“Harriët,” zeide haar broeder, den nog zoo laat komenden bezoeker inlatende en met eene zachte stem sprekende, “mijnheer Morfin—de heer, die zoolang in gelijken rang met James op het kantoor is geweest.”Zijne zuster deinsde terug alsof zij een spook had gezien. In de deur stond de onbekende vriend, met zijne zwarte, met grijs besprenkelde haren, het blozende gezicht, het breede heldere voorhoofd en de lichtbruine oogen, wiens geheim zij zoolang had bewaard.“John!” zeide zij, half ademloos. “Dit is de heer, van wien ik u vandaag heb gesproken.”—“Die heer, jufvrouw Harriët,” zeide de bedoelde persoon, nu binnenkomende, want hij was een oogenblik in de deur blijven staan, “is zeer verheugd u dit te hooren zeggen; hij heeft onderweg al allerlei manieren bedacht om zich te verklaren, en was met geen een daarvan tevreden. Mijnheer John, ik ben hier niet geheel vreemd. Gij waart zoo even verbaasd, toen gij mij de deur opendeedt. Ik zie dat gij nu nog meer verbaasd zijt. Nu, dat is in zulke omstandigheden natuurlijk genoeg. Als wij niet zulke slaven der gewoonte waren, zouden wij niet half zoo dikwijls reden hebben om verbaasd te zijn.”Hij had ondertusschen Harriët gegroet met die innemende mengeling van hartelijkheid en eerbied, die zij zich zoo wel herinnerde, zich dicht bij haar neergezet, zijne handschoenen uitgetrokken en deze in zijn hoed op de tafel geworpen.“Er is niets verbazends in,” zeide hij, “dat ik verlangen heb gekregen om uwe zuster te zien, mijnheer John, of dat ik dat verlangen op mijne eigene manier heb bevredigd. Wat de regelmatigheid van mijne bezoeken sedert dien tijd betreft (waarvan zij u misschien zal gesproken hebben), daar is niets buitengemeens in. Zij werden spoedig eene gewoonte; en wij zijn slaven der gewoonte—slaven der gewoonte.”Zijne handen in zijne zakken stekende en op zijn stoel achteroverleunende, zag hij broeder en zuster aan, alsof het iets belangwekkends voor hem was hen bij elkander te zien; en toen vervolgde hij, met zekere peinzende wreveligheid:“Het is die zelfde gewoonte, die sommige menschen, die tot betere dingen in staat zouden zijn, in de trotschheid en hardnekkigheid van Lucifer bevestigt—andere in schurkerij verhardt—die ons van dag tot dag, naarmate van onzen aard, tot beelden doet versteenen, en ons even onvatbaar maakt als steenen beelden voor nieuwe indrukken en overtuigingen. Ik zal u over den invloed der gewoonte op mij laten oordeelen, John. Jaren lang heb ik mijn gering, nauwkeurig afgepast aandeel gehad aan het bestuur van Dombey’s kantoor, en heb ik uw broeder (die zich een schurk heeft getoond. Uwe zuster zal mij wel vergeven dat ik daarvan melding moet maken) zijn invloed al meer en meer zien uitbreiden, tot hij het kantoor[371]en zijn eigenaar tot zijn speelbal had gemaakt; en heb ik u dagelijks aan uw lessenaar achteraf zien zwoegen, en ben ik tevreden geweest als men mij buiten mijne vaste taak maar zoo weinig mogelijk lastig viel, en heb ik alles om mij heen dag aan dag maar laten voortloopen als eene groote machine—zoo was ik het gewoon en die machine was het gewoon—en heb ik alles maar genomen zooals het was, en alles gehouden voor gelijk het behoorde. Mijne woensdagavonden kwamen geregeld weerom, en onze quartet-gezelschappen werden geregeld gehouden, mijne violoncel was altijd goed gestemd, en in mijne wereld was niets, dat niet zoo behoorde—of zoo al iets, dan toch niet veel—of veel of weinig, het ging mij niet aan.”—“Ik kan er voor instaan, dat al dien tijd niemand op het kantoor meer geacht en bemind is geweest dan gij, mijnheer,” zeide John Carker.—“Och! Goedaardig en handelbaar genoeg, durf ik zeggen,” zeide de ander, “eene gewoonte van mij. Dat beviel het hoofd van het kantoor, het beviel den man die hem regeerde, en het beviel mij het beste van al. Ik deed wat mij was opgedragen, maakte bij geen van beiden mijn hof, en was blijde dat ik een post had, waarop dit niet noodig was. Zoo had ik tot nu toe kunnen voortgaan, als mijne kamer geen bijzonder dunnen muur had gehad. Gij kunt uwe zuster zeggen, dat zij maar met een houten beschot van de kamer was afgescheiden, waarin de man zat, die er nu niet meer komt.”—“Die kamers waren naast elkander, waren voorheen misschien eene kamer geweest, en waren zoo van elkander afgeschoten als mijnheer Morfin daar zegt,” zeide haar broeder, en zag weder naar hem, op het vervolg zijner verklaring wachtende.—“Ik heb daar dikwijls gefloten, gezongen, ben de geheele sonate in B. van Beethoven doorgegaan, om hem te waarschuwen dat ik hem kon hooren,” zeide Morfin, “maar hij lette nooit daarop. Het gebeurde wel is waar zelden, dat mij iets ter ooren kwam wat voor geene andere ooren bestemd was. Maar als dat gebeurde, en ik niet op eene andere manier kon verhinderen dat ik het hoorde, ging ik heen. Zoo ging ik eens heen, John, onder een gesprek tusschen twee broeders, waarbij in het begin de jonge Walter Gay tegenwoordig was. Maar ik had er toch iets van gehoord eer ik de kamer kon uitkomen. Gij zult er u misschien genoeg van herinneren, om uwe zuster te kunnen zeggen van welken aard het was.”—“Het liep over het verledene, Harriët,” zeide haar broeder zacht, “en over het verschil van onze positie op het kantoor.”—“De zaak was niet nieuw voor mij, maar werd mij toen in een nieuw oogpunt voorgesteld. Ik werd geschokt in mijne gewoonte—de gewoonte van negen tienden van de wereld—om te gelooven, dat alles om mij heen zoo was als het behoorde, alleen omdat ik er aan gewoon was,” zeide Morfin, “en als het ware gedwongen om over de twee broeders en hunne geschiedenis na te denken. Ik geloof, dat het bijna de eerste maal van mijn leven was dat ik mij zelven vroeg: hoe zullen vele dingen, die ons nu gemeenzaam zijn en als het ware van zelf spreken, er uitzien, als wij ze uit dat nieuwe en verwijderde oogpunt beschouwen, waarop wij ons allen eens zullen moeten plaatsen? Ik was na dien ochtend wat minder goedhartig, zooals men dat noemt, wat minder met mij zelven en anderen tevreden.”Hij zat eene poos met zijne vingers op de tafel te trommelen, en hervatte toen haastig, als verlangde hij om spoedig door zijne bekentenis heen te komen:“Eer ik wist wat te doen, had er een tweede gesprek tusschen dezelfde broeders plaats, waarin de zuster genoemd werd. Ik had toen geene gemoedsbezwaren om mij zooveel van dat gesprek in de ooren te laten klinken, als mij door het beschot bereikte. Ik beschouwde die verdwaalde klanken als mijn rechtmatig eigendom. Daarna kwam ik hier om de zuster zelf te zien. De eerste maal bleef ik aan het tuinhek staan, en veinsde naar het karakter van een armen buurman te willen vernemen; maar ik raakte van den tekst, en ik geloof dat jufvrouw Harriët mij wantrouwde. De tweede maal vroeg ik verlof om binnen te komen, kwam binnen en zeide wat ik wenschte te zeggen. Uwe zuster gaf mij redenen, die ik niet durfde bestrijden, om toen geene hulp van mij te willen aannemen; maar ik bracht een middel van gemeenschap tusschen ons tot stand, dat ongestoord bleef tot voor eenige dagen, toen ik door de gewichtige zaken, waarvoor ik te zorgen had, verhinderd werd om mijne gewone wandeling te doen.”—“Hoe weinig heb ik dat vermoed,” zeide John Carker, “terwijl ik gewoon was u elken dag te zien, mijnheer. Als Harriët uw naam had kunnen raden …”—“Wel, om udewaarheid te zeggen, John,” viel de ander er op in, “ik hield dien om twee redenen voor mij zelven. Ik weet niet of de eerste op zich zelve niet al voldoende zou zijn geweest; maar het past niet zich iets te laten voorstaan op goede voornemens, en daarom had ik besloten om mij niet te ontdekken eer ik in staat was om u eenen of anderen wezenlijken dienst te bewijzen. Mijne tweede reden was, dat ik nog altijd hoopte op eene flauwe mogelijkheid, dat uw broeder tot eene betere gezindheid voor u beiden zou komen; en in dat geval begreep ik, dat indien een man van zijn achterdochtig karakter ontdekte dat ik heimelijk uw vriend was geweest, dit eene nieuwe en noodlottige reden tot verdeeldheid zou kunnen worden. Ik besloot, wel is waar met gevaar om zijn ongenoegen tegen mij zelven te keeren—dat[372]mij niet had kunnen schelen—eene gelegenheid waar te nemen om u bij het hoofd van het kantoor een dienst te doen; maar de drukten van een sterfgeval, eene vrijage, een huwelijk en huiselijk ongenoegen, hebben ons sedert lang geen ander hoofd gelaten dan uw broeder. En het zou beter voor ons geweest zijn,” zeide hij, zijne stem latende dalen, “dat wij een levenlooze romp waren geweest.”Hij scheen zich bewust, dat deze laatste woorden hem tegen zijn wil waren ontsnapt, en zijne eene hand aan den broeder en de andere aan de zuster toereikende, vervolgde hij:“Alles wat ik kon verlangen te zeggen, en nog meer, heb ik nu gezegd. Wat ik meen, is meer dan woorden kunnen zeggen, gelijk ik hoop dat gij begrijpt en gelooft. De tijd is gekomen, John—hoewel allerongelukkigst gekomen—dat ik u helpen mag, zonder u te hinderen in die worsteling tot herstel van uw naam, die zoovele jaren heeft geduurd, daar gij vandaag buiten eigen toedoen daarvan zijt bevrijd. Het is laat; ik behoef van avond niets meer te zeggen. Gij zult den schat, dien gij hier hebt, wel bewaren, zonder dat ik u daartoe raad of vermaan.”Met deze woorden stond hij op om heen te gaan.“Maar ga gij eerst heen, John,” zeide hij half schertsend, “en neem een licht mee, zonder eerst te zeggen wat gij zeggen wilt, wat het ook wezen mag;” John’s hart was vol, en hij had het gaarne met spreken willen verlichten; “en laat ik een woordje met uwe zuster spreken. Wij hebben wel meer alleen gesproken, en dat in deze kamer ook; hoewel het natuurlijker schijnt met u hier.”Hem met zijne oogen naar buiten volgende, keerde hij zich vriendelijk tot Harriët en zeide met eene zachtere stem en veel ernstiger gezicht:“Gij wenscht mij iets te vragen omtrent den man, wiens zuster gij het ongeluk hebt te zijn.”—“Ik vrees er naar te vragen,” zeide Harriët.—“Gij hebt mij meer dan eens zoo ernstig aangezien,” hervatte Morfin, “dat ik uwe vraag wel meen te kunnen raden. Heeft hij geld medegenomen? Is het dat?”—“Ja.”—“Dat heeft hij niet.”—“Daarvoor dank ik den Hemel,” zeide Harriët, “om John’s wil.”—“Dat hij het in hem gestelde vertrouwen op vele manieren heeft misbruikt,” zeide Morfin; “dat hij meer voor zijn eigen voordeel heeft gehandeld en gespeculeerd dan voor dat van het kantoor, dat hij representeerde; dat hij het hoofd van het kantoor heeft verlokt tot groote waagstukken, die dikwijls op geduchte verliezen uitliepen; dat hij de ijdelheid en eerzucht van zijn patroon altijd heeft geprikkeld, terwijl het zijn plicht zou geweest zijn ze tegen te gaan en hem te toonen, gelijk hij had kunnen doen, welke gevolgen zij hier en daar hadden—dat alles zal u misschien nu niet verwonderen. Er zijn ondernemingen gedaan om den roem der uitgebreide middelen van het kantoor nog meer te verhoogen, en het in een trotsch contrast met andere kantoren te doen uitkomen, waarvan men zich de mogelijke gevolgen bijna niet durft voorstellen—eenige weinige nadeelige omstandigheden zouden die gevolgen waarschijnlijk verderfelijk doen worden. Onder al de veelvuldige operatiën van het kantoor, in de meeste gedeelten der wereld—een groot doolhof, waarvan hij alleen den draad had—heeft hij gelegenheid gehad, en schijnt hij die gebruikt te hebben, om de resultaten van al die zaken, als er naar vernomen werd, in het onzekere te houden, en in plaats van bepaalde opgaven, algemeene schattingen en begrootingen te geven. Maar sedert onlangs—gij volgt mij wel, jufvrouw Harriët?”—“Ja, ja!” antwoordde zij, hem angstig aanziende. “Ik bid u, zeg mij in eens het ergste.”—“Sedert eenigen tijd schijnt hij zich de grootste moeite te hebben gegeven om deze resultaten zoo duidelijk te maken, dat men ze, bij het nazien der boeken, zoo talrijk en verschillend als zij zijn, bijna van zelf moet vinden. Het is alsof hij zijn patroon in eens wilde doen zien, waardoor hij door den hartstocht, die hem beheerscht, gekomen is. Dat het zijn gedurige toeleg is geweest, dien hartstocht verraderlijk te vleien en te prikkelen, is ontwijfelbaar. Daarin bestaat voornamelijk zijne schuld met betrekking tot de zaken van het kantoor.”—“Nog een woord eer gij heengaat, mijnheer,” zeide Harriët. “Er is toch geen gevaar bij dat alles?”—“Hoe zoo, gevaar?” zeide hij eenigszins aarzelend.—“Voor het crediet van het kantoor?”—“Ik kan niet nalaten u duidelijk te antwoorden en u geheel te vertrouwen,” zeide Morfin, nadat hij haar een oogenblik had aangezien.—“Dat moogt gij, dat moogt gij waarlijk.”—“Daarvan ben ik overtuigd. Gevaar voor het crediet van het kantoor. Neen, dat niet. Er kunnen bezwaren komen, grooter of geringer, maar geen gevaar, of—het moest gebeuren dat het hoofd van het kantoor er niet toe wilde overgaan om zijne ondernemingen te beperken, niet wilde gelooven dat zijne firma zich in eene andere positie bevindt of bevinden kan, dan hij zich altijd verbeeld heeft, en dus te veel van zijne middelen vergde. Dan zou het kantoor wankelen.”—“Maar daarvoor is geen vrees?” zeide Harriët.—“Er moet geen halfvertrouwen tusschen ons bestaan,” antwoordde hij, haar de hand drukkende. “Mijnheer Dombey is voor iedereen ongenaakbaar, en in zijn tegenwoordigen gemoedstoestand is hij nog trotscher, roekeloozer, onredelijker en onhandelbaarder dan ooit. Maar hij is nu buitengemeen gespannen en opgewonden, en dit kan dus voorbijgaan. Gij weet nu alles, het ergste en het[373]beste. Niets meer van avond, en goeden nacht!”Daarmede kuste hij haar de hand en ging de kamer uit naar de deur, waarbij de broeder hem stond te wachten, duwde hem schertsend ter zijde, toen hij wilde spreken; zeide hem dat zij elkander spoedig en dikwijls zouden zien, dat hij een andermaal kon spreken als hij wilde, maar dat er nu geen tijd voor was; en ging met snelle schreden heen, opdat geen woord van dankbaarheid hem zou kunnen volgen.Broeder en zuster bleven bij den haard zitten praten tot het bijna dag werd, slapeloos door den blik in de nieuwe wereld, die zich voor hen opende, en met een gevoel naar dat gelijkende van twee menschen, die voor langen tijd op eene eenzame kust schipbreuk hadden geleden, en tot welke eindelijk een schip gekomen was, nadat zij in berusting oud waren geworden, en alle gedachten aan eene andere woonplaats hadden verloren. Maar ook nog eene andere soort van onrust hield hen wakker. De duisternis, waaruit dit licht hen had bestraald, pakte zich weder opeen, en de schaduw van hun misdadigen broeder viel op het huis, dat zijn voet nooit betreden had.Die schaduw kon niet verdreven worden en verdween ook niet voor de zon. Den volgenden morgen was zij daar nog—des middags en des avonds, het donkerst en duidelijkst des avonds, gelijk nu moet verhaald worden.John Carker had een briefje van zijn vriend ontvangen en was dezen gaan opzoeken, en Harriët was alleen thuis gebleven. Zij had eenige uren alleen gezeten. Eene sombere avondschemering was niet gunstig om hare neerslachtigheid te doen verdwijnen. Het denkbeeld van dien broeder, lang ongezien en ongekend, zweefde in allerlei akelige gedaanten om haar heen. Hij was dood, stervende, riep om haar, zag haar dreigend aan. De schilderijen harer verbeelding waren zoo duidelijk, dat zij, toen het donker werd, bijna vreesde om haar hoofd op te heffen en naar de duistere hoeken der kamer te zien, waar zijn geest, het gewrocht harer overprikkelde hersenen, haar misschien stond te wachten om haar te verschrikken. Eens verbeeldde zij zich zoo sterk, dat hij in de andere kamer was en zich daar verschool—schoon zij wel wist dat het eene ziekelijke inbeelding was en zij er niet aan geloofde—dat zij zich dwong om daar binnen te gaan, tot hare eigene overtuiging.Maar vruchteloos. De kamer hernam hare spookachtige ijselijkheden zoodra zij ze weder verlaten had; en het was haar even onmogelijk zich van die onbestemde schrikbeelden te ontslaan, als waren het steenen reuzen geweest, onwrikbaar in den vasten grond geworteld.Het was bijna donker en zij zat bij het venster met het hoofd in de hand naar omlaag ziende, toen zij, opmerkende dat de duisternis in de kamer plotseling toenam, hare oogen opsloeg en onwillekeurig een schreeuw gaf. Dicht voor het glas vertoonde zich een bleek, ontsteld gezicht, dat voor een oogenblik onzeker naar binnen keek, alsof het naar iets zocht; toen vielen de oogen op haar, en kregen glans en uitdrukking.“Laat mij in. Laat mij in. Ik moet u spreken.” en de hand ratelde tegen het glas.Zij herkende dadelijk de vrouw met het lange zwarte haar, welke zij op een regenachtigen avond warmte, voedsel en schuilplaats had gegeven. Natuurlijk bevreesd voor haar, daar zij zich hare latere woestheid herinnerde, ging Harriët een paar schreden van het venster terug en bleef besluiteloos staan.“Laat mij in! Laat ik met u spreken! Ik ben dankbaar—stil—nederig—alles wat gij wilt. Maar laat ik u spreken.”Het heftig dringende van dit verzoek, de ernstige uitdrukking van het gezicht, het beven der twee handen, die smeekend werden opgeheven, en zekere angstigheid en gejaagdheid in de stem, welke haar aan haar eigen toestand op dat oogenblik herinnerde, bewogen Harriët om haar te wille te zijn. Zij haastte zich naar de deur en deed open.“Mag ik binnenkomen, of zal ik hier spreken?” zeide de vrouw, hare hand vattende.—“Wat moet gij hebben? Wat hebt gij te zeggen?”—“Niet veel, maar laat mij het nu zeggen, of ik zal het nooit zeggen. Ik ben nu nog in verzoeking om weer heen te gaan. Het is alsof ik met handen van de deur word getrokken. Laat mij binnenkomen, als gij mij voor dien eenen keer nog kunt vertrouwen.”Wederom had haar dringende toon de overhand, en zij ging naar het vuur in de keuken, waarvoor zij eens had gezeten en hare kleeren gedroogd.“Ga daar zitten,” zeide Alice, bij Harriët neerknielende, “en zie mij aan. Gij kent mij?”—“Ja.”—“Gij weet wel wat ik u zeide, dat ik geweest was, en waar ik vandaan kwam, in havelooze vodden en kreupel geloopen, blootgesteld aan wind en weer?”—“Ja.”—“Gij weet wel hoe ik dien avond terugkwam, en uw geld in den modder smeet, en uw geslacht vervloekte. Zie mij nu hier op mijne knieën. Meen ik het nu minder ernstig dan toen?”—“Als het vergiffenis is wat gij vraagt,” begon Harriët met vriendelijke zachtheid.—“Maar dat is het niet,” zeide Alice met een trotschen en woesten blik. “Wat ik vraag is, geloofd te worden. Nu zult gij oordeelen of ik geloofwaardig ben, zoowel gelijk ik toen was als gelijk ik nu ben.”Nog op hare knieën en met hare oogen op het vuur gevestigd, dat hare vervallene schoonheid[374]en hare wilde zwarte haren bescheen, waarvan zij eene lange lok over haar schouder trok en om hare hand wond, om er onder het spreken somtijds peinzend op te bijten en aan te rukken, vervolgde zij:“Toen ik jong en mooi was, en dit,” zeide zij, verachtelijk rukkende aan de lok die zij vasthield, “niet anders dan zacht werd behandeld en niet genoeg bewonderd kon worden, ontdekte mijne moeder, die niet veel op mij gelet had toen ik een kind was, mijne verdiensten, en was zij goed voor mij en trotsch op mij. Zij was hebzuchtig en arm, en meende een soort van rentegevend pand van mij te maken. Geene groote dame heeft zeker nog ooit zoo over eene dochter gedacht, of zoo gedaan—dat gebeurt nooit, weten wij wel—en dit bewijst, dat de eenige voorbeelden van moeders, die hare dochters verkeerd opbrengen, en van het kwaad dat daarvan komt, onder zulke ellendigen als wij gevonden worden.”Naar het vuur ziende, alsof zij een oogenblik vergat dat zij eene toehoorster had, vervolgde zij op een droomerigen toon, terwijl zij de lange haarlok stijf om hare hand wond:“Wat daarvan kwam behoef ik u niet te zeggen. Rampzalige huwelijken komen van zulke dingen niet in onzen stand; alleen maar ellende en verderf. Ellende en verderf kwamen over mij—kwamen over mij.”Snel hare oogen, die somber in het vuur staarden, naar Harriët opslaande, zeide zij:“Ik verspil den tijd, en er is geen tijd over, maar als ik niet aan dat alles gedacht had zou ik niet hier wezen. Ellende en verderf kwamen over mij, zeg ik. Ik werd voor een korten tijd een speeltuig, en werd nog onbarmhartiger en onverschilliger weggeworpen dan men zulke dingen doet. Door wiens hand denkt gij?”—“Waarom vraagt ge mij dat?” zeide Harriët.—“Waarom beeft gij?” antwoordde Alice met een vurigen blik. “Zijne behandeling heeft eene duivelin van mij gemaakt. Ik verzonk in ellende en verderf al dieper en dieper. Ik had deel aan een diefstal—deel aan alles behalve de winst—en werd ontdekt en moest te recht staan, zonder een enkel vriend en zonder een stuiver geld. Schoon ik maar een meisje was had ik liever ter dood willen gaan, dan hem om een woord te vragen, als een woord van hem mij had kunnen redden. Dat zou ik. Liever elke soort van dood, die men had kunnen uitvinden. Maar mijne moeder, altijd hebzuchtig, zond hem eene boodschap in mijn naam, verhaalde hem de waarheid van mijn geval, en bad nederig om de laatste geringe gift—om niet zooveel ponden als ik vingers aan deze hand heb. Wie was het, denkt gij, die met zijne vingers naar mij knipte, in mijne ellende, toen ik, naar hij dacht, aan zijne voeten lag, en mij zelfs dat armoedige teeken van herinnering niet wilde geven; weltevreden dat ik buitenslands zou worden gezonden, waar ik hem niet verder kon lastig vallen, en daar zou sterven en verrotten. Wie was dat denkt gij?”—“Waarom beeft gij?” zeide Alice, de hand op haar arm leggende en haar in het gezicht ziende. “Waarom anders, dan omdat gij het antwoord op de lippen hebt? Het was uw broeder James.”Harriët beefde nog sterker, maar wendde hare oogen niet af van den strakken blik die daarop rustte.“Toen ik hoorde dat gij zijne zuster waart—dat op dien avond was—kwam ik terug, vermoeid en kreupel als ik was, om u uwe gift voor de voeten te werpen. Het was mij dien nacht, alsof ik, zoo vermoeid en kreupel, wel de geheele wereld had kunnen doorreizen, om hem een mes in het hart te steken, als ik hem maar ergens alleen had kunnen vinden. Gelooft gij dat mij dat alles ernst was?”—“Ja! goede hemel, waarom zijt gij teruggekomen?”—“Sedert,” zeide Alice, nog haar arm vasthoudende en haar strak aanziende, “heb ik hem gezien. Heb ik hem met mijne oogen gevolgd op klaar lichten dag. Als er nog maar een vonkje haat in mijne borst had gesmeuld, had het in vlam moeten schieten toen mijne oogen hem zagen. Gij weet dat hij een trotsch man heeft beleedigd en tot zijn doodvijand gemaakt. Als ik nu dien man eens bericht van hem had gegeven?”—“Bericht!” herhaalde Harriët.—“Als ik eens iemand had gevonden, die uw broeders geheim wist, die wist hoe hij gevlucht is, en waar hij met zijne gezellin naar toe is? Als ik hem eens al wat hij wist, woord voor woord, had laten zeggen, voor dien vijand, verscholen om het te hooren? Als ik er toen eens bij had gezeten, en dien vijand in het gelaat had gezien en er zulk eene verandering op had gezien, dat het bijna geen menschengezicht meer was? Als ik hem eens als dol had zien heenvliegen om hem te vervolgen? Als ik eens wist dat hij nu op weg was, meer duivel dan mensch, en hem in zoovele uren moest inhalen?”—“Neem uwe hand weg!” zeide Harriët, terugdeinzende. “Ga heen! Ik gruw er van dat ge mij aanraakt.”—“Ik heb dat gedaan,” vervolgde Alice even eens, zonder op deze woorden te letten. “Kunt gij niet aan mij hooren en zien, dat ik het gedaan heb? Gelooft gij wat ik zeg?”—“Ik vrees dat ik moet. Laat mijn arm los!”—“Nog niet. Nog een oogenblik. Gij kunt denken wat mijne wraakzucht moet geweest zijn, om zoolang te duren en mij daartoe te drijven?”—“Schrikkelijk!” zeide Harriët.—“Als gij mij dan nu hier wederziet,” zeide Alice met eene schorre stem, “stil op den grond geknield, met mijne hand op uw arm, met mijne oogen op uw gezicht, moogt gij wel gelooven, dat het ernst is met wat ik zeg, en dat ik een zwaren strijd heb gestreden.[375]Ik schaam mij om de woorden uit te spreken, maar ik heb berouw. Ik veracht mij zelve; ik heb den ganschen dag en geheel den verleden nacht met mij zelve gekampt; maar ik gevoel mij zonder reden voor hem verzacht, en ik wensch te herdoen wat ik gedaan heb, als het nog mogelijk is. Ik wilde niet dat zij bij elkander kwamen terwijl zijn vervolger zoo blind en woest is. Als gij hem gisteravond hadt gezien, toen hij heenging, zoudt gij het gevaar beter kennen.”—“Hoe kan dat verhoed worden! Wat kan ik doen!” riep Harriët uit.—“Den geheelen nacht,” vervolgde de ander haastig, “heb ik van hem gedroomd—en toch sliep ik niet—in zijn bloed. Den geheelen dag heb ik hem bij mij gehad.”—“Wat kan ik doen?” zeide Harriët, huiverende bij deze woorden.—“Als er iemand is, die hem wil schrijven, of eene boodschap zenden, of naar hem toe gaan, laat hij dan geen tijd verzuimen. Hij is teDijon. Kent gij dien naam, en weet gij waar het is?”—“Ja!”—“Waarschuw hem, dat de man, dien hij tot zijn vijand heeft gemaakt, razend is, en dat hij hem niet kent als hij zijne komst gering acht. Zeg hem, dat hij onderweg is—ik weet dat—en haast maakt. Dring hem om zich uit den weg te maken terwijl het nog tijd is—als het nog tijd is—en hem nog niet onder de oogen te komen. Eene maand of zoo zal jaren van verschil maken. Laten zij elkander niet door mij ontmoeten. Daar maar niet! Nu maar niet! Laat zijn vijand hem vervolgen en hem van zelf vinden, maar niet door mij. Ik heb buitendien genoeg op mijn hoofd!”Het schijnsel van het vuur speelde niet langer over hare zwarte haren en opgeheven gezicht; hare hand lag niet meer op Harriët’s arm, en de plaats, waar zij geknield had, was ledig.
Er waren twee van des verraders eigen bloed—de broeder en zuster, die hij verzaakt had—[367]op welke het gewicht zijner schuld bijna even zwaar drukte, als op den man, dien hij zoo diep beleedigd had. Hoezeer de wereld hem door hare nieuwsgierigheid martelde, bewees zij Dombey toch den dienst om hem kracht te geven tot vervolging en wraak. Zij prikkelde zijn trots, zij verwrong het eenige denkbeeld, dat zijn leven vervulde, tot eene nieuwe gedaante, en maakte de voldoening zijner wraakzucht tot een doel waarin geheel zijn aanzijn zich oploste. Al de onbuigzaamheid en onverzoenlijkheid van zijn karakter, al de stroefheid en somberheid daarvan, al zijn overdreven gevoel van eigenwaarde, al zijne ijverzuchtige drift om het minste gebrek aan erkentenis zijner waarde bij anderen te bestraffen, dat alles vereenigde zich gelijk zoovele waterspranken tot ééne rivier, welke hem op hare golven medevoerde. De hartstochtelijkste en opvliegendste mensch zou een zachter vijand zijn geweest dan de zoodanig opgewondene Dombey. Een wild dier had zich lichter laten stuiten of bedaren dan de deftige heer, zonder rimpeltje in zijne gestevene das.
Maar juist de hitte zijner wraakzucht was eenigszins eene vergoeding voor de werkeloosheid, waartoe die wraakzucht veroordeeld was. Terwijl hij nog onkundig was van de schuilplaats des verraders, strekte die om zijne gedachten van zijn eigen ongeluk af te wenden en met een ander uitzicht bezig te houden. De broeder en de zuster van zijn trouweloozen gunsteling hadden zulk eene verlichting niet; alles in hunne vroegere geschiedenis, zoowel als in het tegenwoordige, gaf zijn misdrijf eene meer bedroevende beteekenis voor hen.
De zuster dacht wel eens treurig dat hij, indien zij bij hem gebleven was als zijne gezellin en vriendin, misschien de misdaad, waartoe hij vervallen was, zou ontvloden hebben. Evenwel, wanneer zij zoo dacht, was het toch zonder berouw over hetgeen zij gedaan had, zonder daarom meer waarde aan hare zelfopoffering toe te schrijven. Maar wanneer deze mogelijkheid den eens verdoolden en nu boetvaardigen broeder voor den geest kwam, werd zijn hart door het bitterste zelfverwijt gemarteld. Geen denkbeeld om nu vergelding tegen zijn wreeden broeder uit te oefenen kwam bij hem op. Nieuwe zelfbeschuldigingen, geheime jammerklachten over zijne eigene onwaardigheid en het onheil waarin hij ook anderen had medegesleept, waren de eenige gedachten, waartoe de ontdekking bij hem aanleiding gaf.
Het was op denzelfden dag, waarvan wij in het vorige hoofdstuk den avond hebben beschreven, en toen Dombey’s wereld het drukst bezig was met het wegloopen van zijne vrouw, dat het venster der kamer, waarin broeder en zuster aan het ontbijt zaten, verdonkerd werd door de schaduw van een man, die terstond daarop de opene deur inkwam; en deze man was Perch, de kantoorlooper.
“Ik kom zoo vroeg vanBall’s Pondaanstappen,” zeide Perch, vertrouwelijk de kamerdeur inkijkende, terwijl hij op de mat bleef staan, om zijne schoenen af te vegen, waaraan geen slijk was, “om eene boodschap te doen, die mij gisteravond belast is. Ik moest u vooral zonder fout een briefje brengen, mijnheer Carker, eer gij nog waart uitgegaan. Ik zou al een uur vroeger hier zijn geweest,” zeide Perch, zoetsappig verontschuldigend, “als mijne vrouw niet zoo van de wijs was geweest. Ik heb van nacht niet minder dan vijfmaal gedacht, dat ik haar zou verliezen, dat kan ik u verzekeren.”—“Is uwe vrouw zoo ziek?” vroeg Harriët.—“Wel, ziet ge,” zeide Perch, zich eerst omkeerende om de deur zorgvuldig te sluiten, “zij trekt zich zoo erg aan wat er met onzen patroon gebeurd is, jufvrouw. Hare zenuwen zijn zwak, en gauw in de war. Maar zeker de sterkste zenuwen mochten door zoo iets wel geschokt worden. Gij zelf zult het ook wel erg gevoelen, daar twijfel ik niet aan.”
Harriët smoorde een zucht en zag naar haar broeder om.
“Ik zelf gevoel het waarlijk ook, in mijn nederigen staat,” vervolgde Perch, even zijn hoofd schuddende, “op eene manier zooals ik niet had kunnen gelooven, als ik het niet had moeten ondervinden. Het heeft op mij bijna de werking van sterken drank. Ik heb elken ochtend letterlijk eene gewaarwording alsof ik den vorigen avond meer had gebruikt dan mij dienstig was.”
Het voorkomen van Perch strekte ter bevestiging dezer verklaring. Het kenteekende zekere koortsigheid en afgematheid, die aan borrels scheen te kunnen worden toegeschreven, en waarvan men waarschijnlijk de oorzaak had kunnen vinden in het gedurig getrakteerd en uitgevraagd worden, dat nu zijn dagelijksch lot was.
“Ik kan daarom heel goed oordeelen,” zeide Perch, wederom zijn hoofd schuddende, “over het gevoel van iemand, die in betrekking tot deze pijnlijke omstandigheid eenigszins in eene bijzondere positie verkeert.”
Nu wachtte Perch op eene vertrouwelijke mededeeling, en daar hij deze niet ontving, kuchte hij achter zijne hand. Toen dit tot niets leidde, kuchte hij achter zijn hoed; en daar ook dit tot niets leidde, zette hij zijn hoed op den grond en zocht in zijn borstzak naar den brief.
“Als ik mij wel herinner, was er geen antwoord noodig,” zeide Perch met een vriendelijk lachje; “maar misschien zult ge wel zoo goed willen zijn om hem eens door te zien, mijnheer.”
John Carker brak den brief open, waarop het cachet van Dombey stond, en nadat hij den inhoud had gelezen, die zeer kort was, zeide hij: “Neen. Er is geen antwoord noodig.”[368]
“Dan zal ik u goedenmorgen wenschen, jufvrouw,” zeide Perch, een stap naar de deur doende, “en ik hoop hartelijk dat gij u door die ongelukkige omstandigheid niet neerslachtiger zult maken dan gij niet laten kunt. De couranten,” zeide Perch, weder twee stappen terug doende en broeder en zuster te gelijk aansprekende, met een gefluister, dat hoe langer hoe geheimzinniger werd, “zijn zoo vurig op nieuws er van, dat gij het u niet verbeelden kunt. Een van de zondagsbladen, met een blauwen mantel en een witten hoed, die mij eerst had willen omkoopen—behoef ik te zeggen met welk gevolg?—loerde gisteravond tien minuten voor negenen nog om het kantoor rond. Ik heb hem zelf met zijn oog voor het sleutelgat gevonden; maar dat is een patentslot, waar men niet door kan kijken. Een ander,” zeide Perch, “met tressen op zijne jas, alsof hij een militair was, zit den ganschen dag in het Koninklijk Wapen in de zijkamer. Verleden week liet ik mij daar toevallig eene kleine aanmerking ontglippen, en ’s anderen daags, dat zondag was, zag ik die tot mijne verwondering gedrukt staan.”
Perch tastte in zijn borstzak, alsof hij het blad er uit wilde halen; maar toen hij geene aanmoediging ontving, trok hij zijne kastoren handschoenen aan, raapte zijn hoed op, en nam afscheid; en nog voor den middag had hij in het Koninklijk Wapen en elders aan een uitgelezen gehoor verteld, hoe jufvrouw Carker in tranen was uitgebarsten, en hem bij beide handen had gevat, en gezegd had: “Och, lieve, lieve Perch, dat ik u nog eens zie is de eenige troost die mij overschiet!” en hoe mijnheer John Carker met eene geduchte stem had gezegd: “Perch, ik verzaak hem. Laat ik hem nooit meer als mijn broeder hooren noemen!”
“Lieve John,” zeide Harriët, toen zij alleen waren gebleven, en eene korte poos hadden gezwegen. “Gij krijgt slechte tijding in dien brief.”—“Ja. Maar niet onverwacht,” antwoordde hij. “Ik had den schrijver gisteren gezien.”—“Den schrijver?”—“Mijnheer Dombey. Hij kwam tweemaal het kantoor door terwijl ik er was. Het was mij vroeger gelukt hem te vermijden; maar dat kon ik natuurlijk niet lang hopen te doen. Ik weet wel hoe natuurlijk het is, dat hij mijne tegenwoordigheid onaangenaam moet vinden. Ik gevoelde dat toen zelf al.”—“Maar hij zeide dat toch niet?”—“Neen. Hij zeide niets; maar ik zag dat zijne oogen even op mij bleven rusten, en was toen voorbereid op wat er gebeuren zou—op wat gebeurd is. Ik ben afgedankt!”
Zij zag zoo weinig ontsteld en zoo moedig als zij kon, maar het was toch een droevig nieuws om vele redenen.
“Ik behoef u niet te zeggen,” zeide John Carker, den brief lezende,“waarom uw naam, in verband met den mijnen, hoe verwijderd dat verband ook zij, voortaan een onnatuurlijken klank zou hebben, of waarom het dagelijksch gezicht van iemand, die zoo heet, mij ondragelijk zou zijn. Ik moet u kennis geven dat van dezen dag af alle betrekkingen tusschen ons ophouden, en u verzoeken dat gij nooit zult beproeven eenige gemeenschap met mij of mijn kantoor meer aan te knoopen.”“Ingesloten vind ik eene som, die rijkelijk tegen eene waarschuwing van langen tijd vooraf opweegt, en dit is mijn ontslag. De hemel weet, Harriët, het is zacht en genadig, als wij alles bedenken.”—“Als het zacht en genadig is u voor het misdrijf van een ander te straffen, John,” zeide zij, maar zonder drift, “dan ja.”—“Onze familie heeft hem nooit iets anders dan onheil aangebracht,” zeide John Carker. “Hij heeft wel redenen om voor den klank van onzen naam te huiveren, en te denken, dat er iets slechts en vervloekts in ons bloed zit. Ik zou dat ook bijna denken, Harriët, als gij er niet waart.”—“O broeder, spreek zoo niet. Als gij eenige bijzondere redenen hebt, gelijk gij zegt en denkt—hoewel ik “neen” zeg—om mij lief te hebben, bespaar mij dan het hooren van zulke woeste woorden.”
Hij hield zijne handen voor zijn gezicht; maar toen zij nader kwam en eene daarvan vatte, liet hij dit toe.
“Na zoovele jaren is dit afscheid droevig, dat weet ik,” zeide zijne zuster, “en de oorzaak daarvan is schrikkelijk voor ons allebei. Ook moeten wij leven en naar middelen daartoe rondzien. Welnu, daarvoor behoeven wij niet bang te zijn. Het is onze trots, en niet een verdriet, dat wij te zamen ons best doen, John.”
Een lachje speelde om hare lippen, terwijl zij hem een kus op de wang drukte en bad om gemoedigd te zijn.
D. I. J. O. N. (blz. 366).D. I. J. O. N.(blz. 366).
D. I. J. O. N.(blz. 366).
“O, lieve zuster! Door uw eigen edelmoedigen wil aan een geruïneerd man gebonden, die zijn goeden naam verwoest heeft, die zelf geen enkel vriend heeft, en al uwe vrienden van u heeft weggejaagd!”—“John!” zij legde haastig hare hand op zijne lippen. “Om mijnentwil! Denk aan de jaren, die wij te zamen hebben geleefd!” Hij zweeg. “Laat ik nu zeggen, lieve broeder,” vervolgde zij, zich stil naast hem zettende, “ik heb, evenals gij, dit verwacht; en toen ik er aan dacht, en vreesde dat het gebeuren zou, en er mij zoo goed ik kon op gereedmaakte, nam ik mij voor, als het er toe kwam, u te zeggen dat ik een geheim voor u bewaard heb, en dat wij wel een vriend hebben.”—“Hoe heet onze vriend, Harriët?” zeide hij met een treurigen glimlach.—“Dat weet ik niet; maar hij heeft mij eens zeer ernstig verzekerd, dat hij altijd mijn vriend zou zijn en maar verlangde ons te kunnen dienen; en tot op dezen dag geloof ik hem.”—“Harriët!”[369]riep haar verwonderde broeder uit; “waar woont die vriend?”—“Dat weet ik ook niet,” antwoordde zij. “Maar hij kent ons beiden, en onze geschiedenis—geheel onze kleine geschiedenis, John. Dat is de reden waarom ik, op zijn eigen raad, zijn bezoek voor u geheim heb gehouden, opdat het u niet bedroeven zou dat hij zooveel wist.”—“Bezoek! Is hij dan hier geweest, Harriët?”—“Hier, in deze kamer. Eens.”—“Wat voor een man?”—“Niet jong meer. Hij zeide zelf, dat hij sterk begon te grijzen. Maar een braaf man, rondborstig en edelmoedig, daarvan ben ik zeker.”—“En maar ééns gezien, Harriët?”—“In deze kamer maar eens,” antwoordde de zuster, met een blosje, dat echter zeer vluchtig was, op de wangen; “maar toen hij hier was, verzocht hij mij dringend, dat ik mij eens in de week aan hem zou laten zien, als hij voorbijkwam, ten teeken dat wij nog wel waren, en niets van hem bleven noodig hebben. Want ik zeide hem, toen hij ons alle diensten aanbood, die hij bewijzen kon—hetgeen het oogmerk van zijn bezoek was—dat wij niets noodig hadden.”—“En eens in de week.…”—“Sedert is hij elke week, en altijd op denzelfden dag en op hetzelfde uur, hier voorbijgekomen; altijd te voet, en altijd denzelfden kant opgaande—naar Londen toe; en nooit heeft hij zich langer opgehouden, dan om voor mij te buigen, en vroolijk met zijne hand te wuiven, gelijk een vriendelijk bejaard bloedverwant zou doen. Hij beloofde dit, toen[370]hij om die zonderlinge ontmoetingen verzocht, en hij heeft zoo getrouw en aardig zijn woord gehouden, dat, al mocht ik in het begin eene kleine ongerustheid gevoelen—dat ik toch niet geloof, John; zijn toon was zoo eenvoudig en oprecht—die ongerustheid toch spoedig verdween, en ik waarlijk blij was als de dag kwam. Verleden maandag—den eersten na die schrikkelijke gebeurtenis—is hij niet voorbijgekomen; en ik heb mij verwonderd of zijn wegblijven ook eenigszins met het gebeurde in verband kan staan.”—“Hoe zoo?” vroeg haar broeder.—“Ik weet niet hoe. Ik heb maar gedacht dat het zonderling was dat het zoo uitkwam, maar niet beproefd het te verklaren. Ik ben overtuigd dat hij wel weder zal komen. Als hij dat doet, lieve John, laat ik hem dan zeggen dat ik eindelijk met u gesproken heb, en laat ik u bij elkander brengen. Hij zal ons zeker aan een nieuw bestaan helpen. Hij verlangde maar iets te kunnen doen, zeide hij, om mij en u het leven aangenamer en gemakkelijker te maken; en ik heb hem beloofd, dat ik om hem zou denken, als wij ooit een vriend noodig hadden. Dan zou zijn naam geen geheim meer blijven.”—“Harriët,” zeide haar broeder, die met de grootste aandacht had geluisterd, “beschrijf mij dien heer toch eens. Ik moet iemand toch wel kennen, die mij zoo goed kent.”
Zijne zuster beschreef zoo duidelijk en levendig als zij kon de gelaatstrekken, de gestalte en de kleeding van den vreemdeling; maar John Carker, hetzij dat hij hetorigineelniet kende, of omdat er aan hare beschrijving iets haperde, of omdat zijne gedachten, terwijl hij peinzend heen en weder stapte, te zeer verstrooid raakten, herkende het voor hem geschilderde portret niet.
Er werd echter afgesproken, dat hij hetorigineelzou zien, wanneer dit zich de volgende maal vertoonde. Dit bepaald zijnde, ging de zuster met een minder angstig hart aan hare huiselijke bezigheden; en de grijsharige man, gewezen jongste klerk op het kantoor van Dombey, wijdde den eersten dag zijner ongewone vrijheid aan den arbeid in zijn tuin.
Het was laat in den avond, en de zuster zat te naaien, terwijl de broeder haar voorlas, toen zij door een kloppen aan de deur werden gestoord. Bij den onbestemden angst, waarin zij thans in verband met hun voortvluchtigen broeder verkeerden, had dit daar ongewone geluid bijna iets schrikaanjagends. Terwijl de broeder naar de deur ging, zat de zuster vreesachtig te luisteren. Er sprak hem iemand aan, en hij gaf antwoord en scheen verwonderd; en na nog eenige woorden, kwamen de twee te zamen nader.
“Harriët,” zeide haar broeder, den nog zoo laat komenden bezoeker inlatende en met eene zachte stem sprekende, “mijnheer Morfin—de heer, die zoolang in gelijken rang met James op het kantoor is geweest.”
Zijne zuster deinsde terug alsof zij een spook had gezien. In de deur stond de onbekende vriend, met zijne zwarte, met grijs besprenkelde haren, het blozende gezicht, het breede heldere voorhoofd en de lichtbruine oogen, wiens geheim zij zoolang had bewaard.
“John!” zeide zij, half ademloos. “Dit is de heer, van wien ik u vandaag heb gesproken.”—“Die heer, jufvrouw Harriët,” zeide de bedoelde persoon, nu binnenkomende, want hij was een oogenblik in de deur blijven staan, “is zeer verheugd u dit te hooren zeggen; hij heeft onderweg al allerlei manieren bedacht om zich te verklaren, en was met geen een daarvan tevreden. Mijnheer John, ik ben hier niet geheel vreemd. Gij waart zoo even verbaasd, toen gij mij de deur opendeedt. Ik zie dat gij nu nog meer verbaasd zijt. Nu, dat is in zulke omstandigheden natuurlijk genoeg. Als wij niet zulke slaven der gewoonte waren, zouden wij niet half zoo dikwijls reden hebben om verbaasd te zijn.”
Hij had ondertusschen Harriët gegroet met die innemende mengeling van hartelijkheid en eerbied, die zij zich zoo wel herinnerde, zich dicht bij haar neergezet, zijne handschoenen uitgetrokken en deze in zijn hoed op de tafel geworpen.
“Er is niets verbazends in,” zeide hij, “dat ik verlangen heb gekregen om uwe zuster te zien, mijnheer John, of dat ik dat verlangen op mijne eigene manier heb bevredigd. Wat de regelmatigheid van mijne bezoeken sedert dien tijd betreft (waarvan zij u misschien zal gesproken hebben), daar is niets buitengemeens in. Zij werden spoedig eene gewoonte; en wij zijn slaven der gewoonte—slaven der gewoonte.”
Zijne handen in zijne zakken stekende en op zijn stoel achteroverleunende, zag hij broeder en zuster aan, alsof het iets belangwekkends voor hem was hen bij elkander te zien; en toen vervolgde hij, met zekere peinzende wreveligheid:
“Het is die zelfde gewoonte, die sommige menschen, die tot betere dingen in staat zouden zijn, in de trotschheid en hardnekkigheid van Lucifer bevestigt—andere in schurkerij verhardt—die ons van dag tot dag, naarmate van onzen aard, tot beelden doet versteenen, en ons even onvatbaar maakt als steenen beelden voor nieuwe indrukken en overtuigingen. Ik zal u over den invloed der gewoonte op mij laten oordeelen, John. Jaren lang heb ik mijn gering, nauwkeurig afgepast aandeel gehad aan het bestuur van Dombey’s kantoor, en heb ik uw broeder (die zich een schurk heeft getoond. Uwe zuster zal mij wel vergeven dat ik daarvan melding moet maken) zijn invloed al meer en meer zien uitbreiden, tot hij het kantoor[371]en zijn eigenaar tot zijn speelbal had gemaakt; en heb ik u dagelijks aan uw lessenaar achteraf zien zwoegen, en ben ik tevreden geweest als men mij buiten mijne vaste taak maar zoo weinig mogelijk lastig viel, en heb ik alles om mij heen dag aan dag maar laten voortloopen als eene groote machine—zoo was ik het gewoon en die machine was het gewoon—en heb ik alles maar genomen zooals het was, en alles gehouden voor gelijk het behoorde. Mijne woensdagavonden kwamen geregeld weerom, en onze quartet-gezelschappen werden geregeld gehouden, mijne violoncel was altijd goed gestemd, en in mijne wereld was niets, dat niet zoo behoorde—of zoo al iets, dan toch niet veel—of veel of weinig, het ging mij niet aan.”—“Ik kan er voor instaan, dat al dien tijd niemand op het kantoor meer geacht en bemind is geweest dan gij, mijnheer,” zeide John Carker.—“Och! Goedaardig en handelbaar genoeg, durf ik zeggen,” zeide de ander, “eene gewoonte van mij. Dat beviel het hoofd van het kantoor, het beviel den man die hem regeerde, en het beviel mij het beste van al. Ik deed wat mij was opgedragen, maakte bij geen van beiden mijn hof, en was blijde dat ik een post had, waarop dit niet noodig was. Zoo had ik tot nu toe kunnen voortgaan, als mijne kamer geen bijzonder dunnen muur had gehad. Gij kunt uwe zuster zeggen, dat zij maar met een houten beschot van de kamer was afgescheiden, waarin de man zat, die er nu niet meer komt.”—“Die kamers waren naast elkander, waren voorheen misschien eene kamer geweest, en waren zoo van elkander afgeschoten als mijnheer Morfin daar zegt,” zeide haar broeder, en zag weder naar hem, op het vervolg zijner verklaring wachtende.—“Ik heb daar dikwijls gefloten, gezongen, ben de geheele sonate in B. van Beethoven doorgegaan, om hem te waarschuwen dat ik hem kon hooren,” zeide Morfin, “maar hij lette nooit daarop. Het gebeurde wel is waar zelden, dat mij iets ter ooren kwam wat voor geene andere ooren bestemd was. Maar als dat gebeurde, en ik niet op eene andere manier kon verhinderen dat ik het hoorde, ging ik heen. Zoo ging ik eens heen, John, onder een gesprek tusschen twee broeders, waarbij in het begin de jonge Walter Gay tegenwoordig was. Maar ik had er toch iets van gehoord eer ik de kamer kon uitkomen. Gij zult er u misschien genoeg van herinneren, om uwe zuster te kunnen zeggen van welken aard het was.”—“Het liep over het verledene, Harriët,” zeide haar broeder zacht, “en over het verschil van onze positie op het kantoor.”—“De zaak was niet nieuw voor mij, maar werd mij toen in een nieuw oogpunt voorgesteld. Ik werd geschokt in mijne gewoonte—de gewoonte van negen tienden van de wereld—om te gelooven, dat alles om mij heen zoo was als het behoorde, alleen omdat ik er aan gewoon was,” zeide Morfin, “en als het ware gedwongen om over de twee broeders en hunne geschiedenis na te denken. Ik geloof, dat het bijna de eerste maal van mijn leven was dat ik mij zelven vroeg: hoe zullen vele dingen, die ons nu gemeenzaam zijn en als het ware van zelf spreken, er uitzien, als wij ze uit dat nieuwe en verwijderde oogpunt beschouwen, waarop wij ons allen eens zullen moeten plaatsen? Ik was na dien ochtend wat minder goedhartig, zooals men dat noemt, wat minder met mij zelven en anderen tevreden.”
Hij zat eene poos met zijne vingers op de tafel te trommelen, en hervatte toen haastig, als verlangde hij om spoedig door zijne bekentenis heen te komen:
“Eer ik wist wat te doen, had er een tweede gesprek tusschen dezelfde broeders plaats, waarin de zuster genoemd werd. Ik had toen geene gemoedsbezwaren om mij zooveel van dat gesprek in de ooren te laten klinken, als mij door het beschot bereikte. Ik beschouwde die verdwaalde klanken als mijn rechtmatig eigendom. Daarna kwam ik hier om de zuster zelf te zien. De eerste maal bleef ik aan het tuinhek staan, en veinsde naar het karakter van een armen buurman te willen vernemen; maar ik raakte van den tekst, en ik geloof dat jufvrouw Harriët mij wantrouwde. De tweede maal vroeg ik verlof om binnen te komen, kwam binnen en zeide wat ik wenschte te zeggen. Uwe zuster gaf mij redenen, die ik niet durfde bestrijden, om toen geene hulp van mij te willen aannemen; maar ik bracht een middel van gemeenschap tusschen ons tot stand, dat ongestoord bleef tot voor eenige dagen, toen ik door de gewichtige zaken, waarvoor ik te zorgen had, verhinderd werd om mijne gewone wandeling te doen.”—“Hoe weinig heb ik dat vermoed,” zeide John Carker, “terwijl ik gewoon was u elken dag te zien, mijnheer. Als Harriët uw naam had kunnen raden …”—“Wel, om udewaarheid te zeggen, John,” viel de ander er op in, “ik hield dien om twee redenen voor mij zelven. Ik weet niet of de eerste op zich zelve niet al voldoende zou zijn geweest; maar het past niet zich iets te laten voorstaan op goede voornemens, en daarom had ik besloten om mij niet te ontdekken eer ik in staat was om u eenen of anderen wezenlijken dienst te bewijzen. Mijne tweede reden was, dat ik nog altijd hoopte op eene flauwe mogelijkheid, dat uw broeder tot eene betere gezindheid voor u beiden zou komen; en in dat geval begreep ik, dat indien een man van zijn achterdochtig karakter ontdekte dat ik heimelijk uw vriend was geweest, dit eene nieuwe en noodlottige reden tot verdeeldheid zou kunnen worden. Ik besloot, wel is waar met gevaar om zijn ongenoegen tegen mij zelven te keeren—dat[372]mij niet had kunnen schelen—eene gelegenheid waar te nemen om u bij het hoofd van het kantoor een dienst te doen; maar de drukten van een sterfgeval, eene vrijage, een huwelijk en huiselijk ongenoegen, hebben ons sedert lang geen ander hoofd gelaten dan uw broeder. En het zou beter voor ons geweest zijn,” zeide hij, zijne stem latende dalen, “dat wij een levenlooze romp waren geweest.”
Hij scheen zich bewust, dat deze laatste woorden hem tegen zijn wil waren ontsnapt, en zijne eene hand aan den broeder en de andere aan de zuster toereikende, vervolgde hij:
“Alles wat ik kon verlangen te zeggen, en nog meer, heb ik nu gezegd. Wat ik meen, is meer dan woorden kunnen zeggen, gelijk ik hoop dat gij begrijpt en gelooft. De tijd is gekomen, John—hoewel allerongelukkigst gekomen—dat ik u helpen mag, zonder u te hinderen in die worsteling tot herstel van uw naam, die zoovele jaren heeft geduurd, daar gij vandaag buiten eigen toedoen daarvan zijt bevrijd. Het is laat; ik behoef van avond niets meer te zeggen. Gij zult den schat, dien gij hier hebt, wel bewaren, zonder dat ik u daartoe raad of vermaan.”
Met deze woorden stond hij op om heen te gaan.
“Maar ga gij eerst heen, John,” zeide hij half schertsend, “en neem een licht mee, zonder eerst te zeggen wat gij zeggen wilt, wat het ook wezen mag;” John’s hart was vol, en hij had het gaarne met spreken willen verlichten; “en laat ik een woordje met uwe zuster spreken. Wij hebben wel meer alleen gesproken, en dat in deze kamer ook; hoewel het natuurlijker schijnt met u hier.”
Hem met zijne oogen naar buiten volgende, keerde hij zich vriendelijk tot Harriët en zeide met eene zachtere stem en veel ernstiger gezicht:
“Gij wenscht mij iets te vragen omtrent den man, wiens zuster gij het ongeluk hebt te zijn.”—“Ik vrees er naar te vragen,” zeide Harriët.—“Gij hebt mij meer dan eens zoo ernstig aangezien,” hervatte Morfin, “dat ik uwe vraag wel meen te kunnen raden. Heeft hij geld medegenomen? Is het dat?”—“Ja.”—“Dat heeft hij niet.”—“Daarvoor dank ik den Hemel,” zeide Harriët, “om John’s wil.”—“Dat hij het in hem gestelde vertrouwen op vele manieren heeft misbruikt,” zeide Morfin; “dat hij meer voor zijn eigen voordeel heeft gehandeld en gespeculeerd dan voor dat van het kantoor, dat hij representeerde; dat hij het hoofd van het kantoor heeft verlokt tot groote waagstukken, die dikwijls op geduchte verliezen uitliepen; dat hij de ijdelheid en eerzucht van zijn patroon altijd heeft geprikkeld, terwijl het zijn plicht zou geweest zijn ze tegen te gaan en hem te toonen, gelijk hij had kunnen doen, welke gevolgen zij hier en daar hadden—dat alles zal u misschien nu niet verwonderen. Er zijn ondernemingen gedaan om den roem der uitgebreide middelen van het kantoor nog meer te verhoogen, en het in een trotsch contrast met andere kantoren te doen uitkomen, waarvan men zich de mogelijke gevolgen bijna niet durft voorstellen—eenige weinige nadeelige omstandigheden zouden die gevolgen waarschijnlijk verderfelijk doen worden. Onder al de veelvuldige operatiën van het kantoor, in de meeste gedeelten der wereld—een groot doolhof, waarvan hij alleen den draad had—heeft hij gelegenheid gehad, en schijnt hij die gebruikt te hebben, om de resultaten van al die zaken, als er naar vernomen werd, in het onzekere te houden, en in plaats van bepaalde opgaven, algemeene schattingen en begrootingen te geven. Maar sedert onlangs—gij volgt mij wel, jufvrouw Harriët?”—“Ja, ja!” antwoordde zij, hem angstig aanziende. “Ik bid u, zeg mij in eens het ergste.”—“Sedert eenigen tijd schijnt hij zich de grootste moeite te hebben gegeven om deze resultaten zoo duidelijk te maken, dat men ze, bij het nazien der boeken, zoo talrijk en verschillend als zij zijn, bijna van zelf moet vinden. Het is alsof hij zijn patroon in eens wilde doen zien, waardoor hij door den hartstocht, die hem beheerscht, gekomen is. Dat het zijn gedurige toeleg is geweest, dien hartstocht verraderlijk te vleien en te prikkelen, is ontwijfelbaar. Daarin bestaat voornamelijk zijne schuld met betrekking tot de zaken van het kantoor.”—“Nog een woord eer gij heengaat, mijnheer,” zeide Harriët. “Er is toch geen gevaar bij dat alles?”—“Hoe zoo, gevaar?” zeide hij eenigszins aarzelend.—“Voor het crediet van het kantoor?”—“Ik kan niet nalaten u duidelijk te antwoorden en u geheel te vertrouwen,” zeide Morfin, nadat hij haar een oogenblik had aangezien.—“Dat moogt gij, dat moogt gij waarlijk.”—“Daarvan ben ik overtuigd. Gevaar voor het crediet van het kantoor. Neen, dat niet. Er kunnen bezwaren komen, grooter of geringer, maar geen gevaar, of—het moest gebeuren dat het hoofd van het kantoor er niet toe wilde overgaan om zijne ondernemingen te beperken, niet wilde gelooven dat zijne firma zich in eene andere positie bevindt of bevinden kan, dan hij zich altijd verbeeld heeft, en dus te veel van zijne middelen vergde. Dan zou het kantoor wankelen.”—“Maar daarvoor is geen vrees?” zeide Harriët.—“Er moet geen halfvertrouwen tusschen ons bestaan,” antwoordde hij, haar de hand drukkende. “Mijnheer Dombey is voor iedereen ongenaakbaar, en in zijn tegenwoordigen gemoedstoestand is hij nog trotscher, roekeloozer, onredelijker en onhandelbaarder dan ooit. Maar hij is nu buitengemeen gespannen en opgewonden, en dit kan dus voorbijgaan. Gij weet nu alles, het ergste en het[373]beste. Niets meer van avond, en goeden nacht!”
Daarmede kuste hij haar de hand en ging de kamer uit naar de deur, waarbij de broeder hem stond te wachten, duwde hem schertsend ter zijde, toen hij wilde spreken; zeide hem dat zij elkander spoedig en dikwijls zouden zien, dat hij een andermaal kon spreken als hij wilde, maar dat er nu geen tijd voor was; en ging met snelle schreden heen, opdat geen woord van dankbaarheid hem zou kunnen volgen.
Broeder en zuster bleven bij den haard zitten praten tot het bijna dag werd, slapeloos door den blik in de nieuwe wereld, die zich voor hen opende, en met een gevoel naar dat gelijkende van twee menschen, die voor langen tijd op eene eenzame kust schipbreuk hadden geleden, en tot welke eindelijk een schip gekomen was, nadat zij in berusting oud waren geworden, en alle gedachten aan eene andere woonplaats hadden verloren. Maar ook nog eene andere soort van onrust hield hen wakker. De duisternis, waaruit dit licht hen had bestraald, pakte zich weder opeen, en de schaduw van hun misdadigen broeder viel op het huis, dat zijn voet nooit betreden had.
Die schaduw kon niet verdreven worden en verdween ook niet voor de zon. Den volgenden morgen was zij daar nog—des middags en des avonds, het donkerst en duidelijkst des avonds, gelijk nu moet verhaald worden.
John Carker had een briefje van zijn vriend ontvangen en was dezen gaan opzoeken, en Harriët was alleen thuis gebleven. Zij had eenige uren alleen gezeten. Eene sombere avondschemering was niet gunstig om hare neerslachtigheid te doen verdwijnen. Het denkbeeld van dien broeder, lang ongezien en ongekend, zweefde in allerlei akelige gedaanten om haar heen. Hij was dood, stervende, riep om haar, zag haar dreigend aan. De schilderijen harer verbeelding waren zoo duidelijk, dat zij, toen het donker werd, bijna vreesde om haar hoofd op te heffen en naar de duistere hoeken der kamer te zien, waar zijn geest, het gewrocht harer overprikkelde hersenen, haar misschien stond te wachten om haar te verschrikken. Eens verbeeldde zij zich zoo sterk, dat hij in de andere kamer was en zich daar verschool—schoon zij wel wist dat het eene ziekelijke inbeelding was en zij er niet aan geloofde—dat zij zich dwong om daar binnen te gaan, tot hare eigene overtuiging.
Maar vruchteloos. De kamer hernam hare spookachtige ijselijkheden zoodra zij ze weder verlaten had; en het was haar even onmogelijk zich van die onbestemde schrikbeelden te ontslaan, als waren het steenen reuzen geweest, onwrikbaar in den vasten grond geworteld.
Het was bijna donker en zij zat bij het venster met het hoofd in de hand naar omlaag ziende, toen zij, opmerkende dat de duisternis in de kamer plotseling toenam, hare oogen opsloeg en onwillekeurig een schreeuw gaf. Dicht voor het glas vertoonde zich een bleek, ontsteld gezicht, dat voor een oogenblik onzeker naar binnen keek, alsof het naar iets zocht; toen vielen de oogen op haar, en kregen glans en uitdrukking.
“Laat mij in. Laat mij in. Ik moet u spreken.” en de hand ratelde tegen het glas.
Zij herkende dadelijk de vrouw met het lange zwarte haar, welke zij op een regenachtigen avond warmte, voedsel en schuilplaats had gegeven. Natuurlijk bevreesd voor haar, daar zij zich hare latere woestheid herinnerde, ging Harriët een paar schreden van het venster terug en bleef besluiteloos staan.
“Laat mij in! Laat ik met u spreken! Ik ben dankbaar—stil—nederig—alles wat gij wilt. Maar laat ik u spreken.”
Het heftig dringende van dit verzoek, de ernstige uitdrukking van het gezicht, het beven der twee handen, die smeekend werden opgeheven, en zekere angstigheid en gejaagdheid in de stem, welke haar aan haar eigen toestand op dat oogenblik herinnerde, bewogen Harriët om haar te wille te zijn. Zij haastte zich naar de deur en deed open.
“Mag ik binnenkomen, of zal ik hier spreken?” zeide de vrouw, hare hand vattende.—“Wat moet gij hebben? Wat hebt gij te zeggen?”—“Niet veel, maar laat mij het nu zeggen, of ik zal het nooit zeggen. Ik ben nu nog in verzoeking om weer heen te gaan. Het is alsof ik met handen van de deur word getrokken. Laat mij binnenkomen, als gij mij voor dien eenen keer nog kunt vertrouwen.”
Wederom had haar dringende toon de overhand, en zij ging naar het vuur in de keuken, waarvoor zij eens had gezeten en hare kleeren gedroogd.
“Ga daar zitten,” zeide Alice, bij Harriët neerknielende, “en zie mij aan. Gij kent mij?”—“Ja.”—“Gij weet wel wat ik u zeide, dat ik geweest was, en waar ik vandaan kwam, in havelooze vodden en kreupel geloopen, blootgesteld aan wind en weer?”—“Ja.”—“Gij weet wel hoe ik dien avond terugkwam, en uw geld in den modder smeet, en uw geslacht vervloekte. Zie mij nu hier op mijne knieën. Meen ik het nu minder ernstig dan toen?”—“Als het vergiffenis is wat gij vraagt,” begon Harriët met vriendelijke zachtheid.—“Maar dat is het niet,” zeide Alice met een trotschen en woesten blik. “Wat ik vraag is, geloofd te worden. Nu zult gij oordeelen of ik geloofwaardig ben, zoowel gelijk ik toen was als gelijk ik nu ben.”
Nog op hare knieën en met hare oogen op het vuur gevestigd, dat hare vervallene schoonheid[374]en hare wilde zwarte haren bescheen, waarvan zij eene lange lok over haar schouder trok en om hare hand wond, om er onder het spreken somtijds peinzend op te bijten en aan te rukken, vervolgde zij:
“Toen ik jong en mooi was, en dit,” zeide zij, verachtelijk rukkende aan de lok die zij vasthield, “niet anders dan zacht werd behandeld en niet genoeg bewonderd kon worden, ontdekte mijne moeder, die niet veel op mij gelet had toen ik een kind was, mijne verdiensten, en was zij goed voor mij en trotsch op mij. Zij was hebzuchtig en arm, en meende een soort van rentegevend pand van mij te maken. Geene groote dame heeft zeker nog ooit zoo over eene dochter gedacht, of zoo gedaan—dat gebeurt nooit, weten wij wel—en dit bewijst, dat de eenige voorbeelden van moeders, die hare dochters verkeerd opbrengen, en van het kwaad dat daarvan komt, onder zulke ellendigen als wij gevonden worden.”
Naar het vuur ziende, alsof zij een oogenblik vergat dat zij eene toehoorster had, vervolgde zij op een droomerigen toon, terwijl zij de lange haarlok stijf om hare hand wond:
“Wat daarvan kwam behoef ik u niet te zeggen. Rampzalige huwelijken komen van zulke dingen niet in onzen stand; alleen maar ellende en verderf. Ellende en verderf kwamen over mij—kwamen over mij.”
Snel hare oogen, die somber in het vuur staarden, naar Harriët opslaande, zeide zij:
“Ik verspil den tijd, en er is geen tijd over, maar als ik niet aan dat alles gedacht had zou ik niet hier wezen. Ellende en verderf kwamen over mij, zeg ik. Ik werd voor een korten tijd een speeltuig, en werd nog onbarmhartiger en onverschilliger weggeworpen dan men zulke dingen doet. Door wiens hand denkt gij?”—“Waarom vraagt ge mij dat?” zeide Harriët.—“Waarom beeft gij?” antwoordde Alice met een vurigen blik. “Zijne behandeling heeft eene duivelin van mij gemaakt. Ik verzonk in ellende en verderf al dieper en dieper. Ik had deel aan een diefstal—deel aan alles behalve de winst—en werd ontdekt en moest te recht staan, zonder een enkel vriend en zonder een stuiver geld. Schoon ik maar een meisje was had ik liever ter dood willen gaan, dan hem om een woord te vragen, als een woord van hem mij had kunnen redden. Dat zou ik. Liever elke soort van dood, die men had kunnen uitvinden. Maar mijne moeder, altijd hebzuchtig, zond hem eene boodschap in mijn naam, verhaalde hem de waarheid van mijn geval, en bad nederig om de laatste geringe gift—om niet zooveel ponden als ik vingers aan deze hand heb. Wie was het, denkt gij, die met zijne vingers naar mij knipte, in mijne ellende, toen ik, naar hij dacht, aan zijne voeten lag, en mij zelfs dat armoedige teeken van herinnering niet wilde geven; weltevreden dat ik buitenslands zou worden gezonden, waar ik hem niet verder kon lastig vallen, en daar zou sterven en verrotten. Wie was dat denkt gij?”—“Waarom beeft gij?” zeide Alice, de hand op haar arm leggende en haar in het gezicht ziende. “Waarom anders, dan omdat gij het antwoord op de lippen hebt? Het was uw broeder James.”
Harriët beefde nog sterker, maar wendde hare oogen niet af van den strakken blik die daarop rustte.
“Toen ik hoorde dat gij zijne zuster waart—dat op dien avond was—kwam ik terug, vermoeid en kreupel als ik was, om u uwe gift voor de voeten te werpen. Het was mij dien nacht, alsof ik, zoo vermoeid en kreupel, wel de geheele wereld had kunnen doorreizen, om hem een mes in het hart te steken, als ik hem maar ergens alleen had kunnen vinden. Gelooft gij dat mij dat alles ernst was?”—“Ja! goede hemel, waarom zijt gij teruggekomen?”—“Sedert,” zeide Alice, nog haar arm vasthoudende en haar strak aanziende, “heb ik hem gezien. Heb ik hem met mijne oogen gevolgd op klaar lichten dag. Als er nog maar een vonkje haat in mijne borst had gesmeuld, had het in vlam moeten schieten toen mijne oogen hem zagen. Gij weet dat hij een trotsch man heeft beleedigd en tot zijn doodvijand gemaakt. Als ik nu dien man eens bericht van hem had gegeven?”—“Bericht!” herhaalde Harriët.—“Als ik eens iemand had gevonden, die uw broeders geheim wist, die wist hoe hij gevlucht is, en waar hij met zijne gezellin naar toe is? Als ik hem eens al wat hij wist, woord voor woord, had laten zeggen, voor dien vijand, verscholen om het te hooren? Als ik er toen eens bij had gezeten, en dien vijand in het gelaat had gezien en er zulk eene verandering op had gezien, dat het bijna geen menschengezicht meer was? Als ik hem eens als dol had zien heenvliegen om hem te vervolgen? Als ik eens wist dat hij nu op weg was, meer duivel dan mensch, en hem in zoovele uren moest inhalen?”—“Neem uwe hand weg!” zeide Harriët, terugdeinzende. “Ga heen! Ik gruw er van dat ge mij aanraakt.”—“Ik heb dat gedaan,” vervolgde Alice even eens, zonder op deze woorden te letten. “Kunt gij niet aan mij hooren en zien, dat ik het gedaan heb? Gelooft gij wat ik zeg?”—“Ik vrees dat ik moet. Laat mijn arm los!”—“Nog niet. Nog een oogenblik. Gij kunt denken wat mijne wraakzucht moet geweest zijn, om zoolang te duren en mij daartoe te drijven?”—“Schrikkelijk!” zeide Harriët.—“Als gij mij dan nu hier wederziet,” zeide Alice met eene schorre stem, “stil op den grond geknield, met mijne hand op uw arm, met mijne oogen op uw gezicht, moogt gij wel gelooven, dat het ernst is met wat ik zeg, en dat ik een zwaren strijd heb gestreden.[375]Ik schaam mij om de woorden uit te spreken, maar ik heb berouw. Ik veracht mij zelve; ik heb den ganschen dag en geheel den verleden nacht met mij zelve gekampt; maar ik gevoel mij zonder reden voor hem verzacht, en ik wensch te herdoen wat ik gedaan heb, als het nog mogelijk is. Ik wilde niet dat zij bij elkander kwamen terwijl zijn vervolger zoo blind en woest is. Als gij hem gisteravond hadt gezien, toen hij heenging, zoudt gij het gevaar beter kennen.”—“Hoe kan dat verhoed worden! Wat kan ik doen!” riep Harriët uit.—“Den geheelen nacht,” vervolgde de ander haastig, “heb ik van hem gedroomd—en toch sliep ik niet—in zijn bloed. Den geheelen dag heb ik hem bij mij gehad.”—“Wat kan ik doen?” zeide Harriët, huiverende bij deze woorden.—“Als er iemand is, die hem wil schrijven, of eene boodschap zenden, of naar hem toe gaan, laat hij dan geen tijd verzuimen. Hij is teDijon. Kent gij dien naam, en weet gij waar het is?”—“Ja!”—“Waarschuw hem, dat de man, dien hij tot zijn vijand heeft gemaakt, razend is, en dat hij hem niet kent als hij zijne komst gering acht. Zeg hem, dat hij onderweg is—ik weet dat—en haast maakt. Dring hem om zich uit den weg te maken terwijl het nog tijd is—als het nog tijd is—en hem nog niet onder de oogen te komen. Eene maand of zoo zal jaren van verschil maken. Laten zij elkander niet door mij ontmoeten. Daar maar niet! Nu maar niet! Laat zijn vijand hem vervolgen en hem van zelf vinden, maar niet door mij. Ik heb buitendien genoeg op mijn hoofd!”
Het schijnsel van het vuur speelde niet langer over hare zwarte haren en opgeheven gezicht; hare hand lag niet meer op Harriët’s arm, en de plaats, waar zij geknield had, was ledig.