LIV.

[Inhoud]LIV.DE VLUCHTELINGEN.De tijd, een uur voor middernacht; de plaats, een Fransch apartement, bestaande uit een half dozijn vertrekken;—eene donkere koude antichambre of corridor, eene eetzaal, een salon, eene slaapkamer, en een kabinet of boudoir, kleiner en meer afgelegen dan de andere kamers. Dat alles afgesloten met eene dubbele deur, die op de groote trap uitkomt, maar elke kamer voorzien van twee of drie eigene deuren, die verscheidene middelen van gemeenschap aanbieden met het overige van het apartement, en zekere smalle gangen tusschen de muren, die, gelijk in zulke huizen niet ongewoon is, naar eene achtertrap voeren, welke onderaan een uitgang in eene achterstraat heeft. Alles gelegen op de verdieping van een hotel, zoo groot, dat dit apartement nog niet eens eene geheele rij vensters beslaat aan den eenen kant van het binnenplein, waarop de vier zijden van het gebouw uitzien.Eene pracht, genoeg verbleekt om iets zwaarmoedigs te hebben, en nog schitterend genoeg, om door zekeren zweem van staatsie het gewone gebruik te belemmeren, heerschte in deze vertrekken. De wanden en zolderingen waren beschilderd en verguld; de vloeren waren ingelegd en geboend; roode draperieën hingen om vensters, deuren en spiegels; branches, gewrongen en door elkander gevlochten gelijk takken van boomen of hoornen van dieren, staken uit de wandpaneelen. Maar overdag, wanneer de luiken, nu dicht gesloten, open waren, en het licht binnenscheen, waren onder al dien opschik de sporen zichtbaar van slijting en stof, van zonneschijn, vochtigheid en rook, en lange tusschenpoozen van gebrek aan gebruik en bewoning, wanneer zulke staatsiekamers schijnen te verkwijnen evenals menschen doen, die in eene gevangenis zijn opgesloten. Zelfs de avond en de groepen van brandende kaarsen konden deze sporen niet geheel uitwisschen, schoon het algemeene geflikker ze minder deed opmerken.Het geflikker van helder brandende bougies en de weerkaatsing daarvan in spiegels, van verguldsel en schitterende kleuren, was dezen avond tot maar eene kamer beperkt—dat kleine vertrekje, achter de andere zoo pas opgenoemde. Uit de voorzaal gezien, waar eene flauwe lamp brandde, door het donkere verschiet van opene deuren, scheen het glansrijk en kostbaar als een juweel. In het hart van dien glans zat eene schoone vrouw—Edith.Zij was alleen. Haar gelaat had nog dezelfde uitdrukking van uitdagenden trots. Hare wangen waren eenigszins vermagerd, hare oogen schenen eenigszins grooter, maar hadden nog meer glans, en hare fiere houding was juist dezelfde. Geene schaamte op haar voorhoofd; geen laat berouw boog haar trotschen hals. Nog even statig en gebiedend, en toch onverschillig voor zich zelve en alle andere dingen, zat zij daar, met hare donkere oogen neergeslagen, naar iemand te wachten.Geen boek, geen werk, geene bezigheid hoegenaamd behalve hare eigene gedachten, kortte den slependen tijd. Een voornemen, krachtig genoeg om haar voor niets anders aandacht te laten, vervulde haar. Met dicht geknepene lippen, die beefden als zij ze voor een oogenblik van dat bedwang ontsloeg; met opgespannen neusgaten, met samengeknepene handen, en met haar voornemen in hare zwoegende borst, zat zij daar te wachten.Toen zij een sleutel in de buitendeur hoorde[376]steken, en daarop een voetstap in de voorzaal volgde, sprong zij op en riep: “Wie is daar?” Het antwoord was in het Fransch, en twee mannen kwamen met rammelende borden, om de tafel te dekken voor het souper.Wie had hen dat belast? vroeg zij.Monsieur had het besteld, toen het hem beliefde dat apartement te nemen. Monsieur had gezegd, toen hij hieren routeeen uur was gebleven en een brief voor madame had gelaten—madame had dien brief toch wel ontvangen?“Ja.”Duizendmaal pardon! De plotselinge vrees, dat hij vergeten kon zijn, had hem, een man met een kaal hoofd en een grooten baard, van een naburigen restaurant, tot wanhoop gebracht! Monsieur had gezegd, dat het souper op dat uur gereed moest wezen; en had in zijn brief madame ook gewaarschuwd wat hij besteld had. Monsieur had het Gouden Hoofd de eer bewezen om te verzoeken, dat het souper uitgelezen en keurig zou zijn. Monsieur zou bevinden, dat zijn vertrouwen in het Gouden Hoofd niet verkeerd geplaatst was geweest.Edith zeide niets meer, maar zag peinzend toe, terwijl zij de tafel voor twee personen dekten en wijn daarop zetten. Eer zij gedaan hadden stond zij op, en eene lamp nemende, ging zij in de slaapkamer en het salon, waar zij haastig maar nauwkeurig al de deuren onderzocht, vooral eene deur in de laatste kamer, die in een smallen gang uitkwam. Zij nam den sleutel daaruit en stak dien aan den buitenkant. Daarna kwam zij terug.De mannen—waarvan de tweede er zeer donker en galachtig uitzag, met een buisje, glad geschoren en met zwarte, zeer kort geknipte haren—hadden de tafel gedekt en stonden nu hun werk aan te zien. Hij, die eerst gesproken had, vroeg of madame dacht, dat het nog lang zou duren eer monsieur kwam.Zij kon dat niet zeggen. Het kwam er niet op aan.Pardon! Daar was het souper. Het moest nu dadelijk gebruikt worden. Monsieur (die Fransch sprak als een engel—of als een Franschman—dat was hetzelfde) had met zeer veel nadruk van zijne preciesheid gesproken. Maar de Engelsche natie had zulk een groot genie voor preciesheid. Ha, welk gerucht! Groote Hemel, daar was monsieur. “Le voilà!”Inderdaad, monsieur, door den ander van de twee ingelaten, kwam, met zijne blinkende tanden, door de donkere kamers aan, alsof hij geheel en al mond was; maar in dat heiligdom van licht en kleur gekomen, bleek hij een man ten voeten uit te zijn, omhelsde madame en sprak haar in de Fransche taal aan als zijne bekoorlijke vrouw.“Mijn God! madame zal flauw vallen. Madame is overstelpt van blijdschap.” De man met het kale hoofd en den baard merkte dit op en riep dit uit.Madame was maar bevend teruggedeinsd. Eer de woorden nog geheel waren uitgesproken, stond zij met hare hand op een fluweelen rug van een leuningstoel, tot hare volle lengte opgericht, en met een onbeweeglijk strak gezicht.“François is naar het Gouden Hoofd gevlogen om het souper. Hij vliegt bij zulke gelegenheden als een engel of een vogel. De bagage van monsieur is in zijne kamer. Alles is gearrangeerd. Het souper zal in een oogenblik hier zijn.” Deze feiten werden door den kalen man met buigingen en glimlachjes aangekondigd, en weldra kwam het souper.De warme schotels stonden op een komfoor; de koude waren reeds, met het noodige tafelgereedschap, op een buffet gezet. Monsieur was met deze schikking tevreden. Dat de tafel zoo klein was beviel hem zeer wel. Zij moesten het komfoor maar op den grond zetten en heengaan. Hij zou zelf de schotels wel verplaatsen.“Pardon!” zeide de kale man zeer beleefd. Dat was onmogelijk.Monsieur was van een ander gevoelen. Hij had dien avond geene verdere bediening noodig.“Maar madame,” gaf de kale man in bedenking.Madame, antwoordde monsieur, had hare eigene kamenier. Dat was genoeg.Een millioen maal pardon! Neen! Madame had geene kamenier.“Ik ben alleen hier gekomen,” zeide Edith. “Dat was mijne verkiezing zoo. Ik ben wel aan het reizen gewoon; ik heb geene bediening noodig. Zij behoeven mij niemand te zenden.”Monsieur liet, bij zijne eerste onmogelijkheid blijvende, de twee bedienden de buitendeur uit en sloot die achter hen. Toen de kale man zich omkeerde om te buigen, merkte hij op dat madame nog met hare hand op den fluweelen rug van den leuningstoel stond, en dat zij hem geheel niet scheen te zien, hoewel zij recht voor zich uitkeek.Toen het gerucht, dat Carker maakte bij het sluiten der deur, door de reeks der kamers klonk en dof gesmoord die laatste scheen te bereiken, klonk Edith te gelijk eene kerkklok in de ooren, die twaalf sloeg. Zij hoorde hem stilstaan, alsof hij die klok insgelijks hoorde en luisterde, en toen naar haar terugkomen, met eene lange reeks van voetstappen door de stilte, en naarmate hij verder kwam elke deur achter zich sluitende. Hare hand verliet een oogenblik den fluweelen rug van den stoel, om een mes op de tafel binnen haar bereik te brengen; toen stond zij weder gelijk zij te voren had gestaan.“Hoe vreemd dat gij alleen hier komt, lieve,” zeide hij toen hij de kamer inkwam.—“Wat!” zeide zij.[377]Haar toon was zoo ruw; de snelle wending van haar hoofd zoo woest; hare houding zoo terugstootend, en haar gezicht zoo donker en dreigend, dat hij haar met de lamp in de hand bleef staan aanzien, alsof zij hem had doen versteenen.“Ik zeg,” herhaalde hij eindelijk met zijn allerbeleefdsten glimlach, “hoe vreemd, geheel alleen hier te komen! Dat was waarlijk wel eene noodelooze voorzichtigheid, die zich zelve had kunnen verijdelen. Gij hadt teHavreofRouaaneene dienstbode moeten nemen, en hebt daartoe overvloedig tijd gehad, hoewel gij de grilligste en ongemakkelijkste van alle vrouwen zijt, gelijk gij ook de schoonste zijt, mijn lief.”Hare oogen zagen hem aan met een vreemden glans, maar zij bleef met hare hand op den stoel staan leunen, en sprak geen woord.“Ik heb u nooit zoo schoon gezien als van avond,” hervatte Carker. “Zelfs het portret, dat ik gedurende dezen harden proeftijd in mijn gemoed heb omgedragen, en dat ik nacht en dag heb beschouwd, wordt door de werkelijkheid overtroffen,”Geen woord. Geen blik. Hare oogen geheel verborgen door de hangende wimpers, maar haar hoofd recht opgericht.Nog op hare knieën en met hare oogen op het vuur gevestigd. (blz. 373).Nog op hare knieën en met hare oogen op het vuur gevestigd.(blz. 373).“Harde en strenge bedingen waren het!” zeide Carker met een glimlach; “maar zij zijn allen vervuld en voorbij, en maken het tegenwoordige des te verrukkelijker en te veiliger.Siciliëzal onze wijkplaats zijn. In het traagste[378]en verkwikkelijkste gedeelte der wereld, mijn liefje, zullen wij beide vergoeding zoeken voor de oude slavernij.”Hij kwam vroolijk naar haar toe, toen zij eensklaps het mes van de tafel greep, en hij een stap terugdeinsde.“Blijf staan,” zeide zij, “of ik zal u vermoorden.”De plotselinge verandering in haar, de woede en afschuw, die in hare oogen flikkerden deden hem stilstaan alsof een brand hem had gestuit.“Blijf staan,” zeide zij. “Kom niet nader, op uw leven.”“Kom, kom! Wij zijn alleen, en niemand hoort of ziet ons. Denkt gij mij bang te maken met die kuurtjes van deugdzame dames?”—“Denkt gijmijbang te maken,” antwoordde zij woest, “met mij te herinneren dat ik hier alleen ben en er geene hulp nabij is? Denkt gij mij daardoor van eenig plan of voornemen af te schrikken? Mij, die met opzet hier alleen ben? Als ik bang voor u was geweest, zou ik dan hier zijn, in het holste van den nacht, om u in uw gezicht te zeggen wat ik u zeggen zal?”—“En wat is dat,” zeide hij, “gij schoone haneveer? Schooner zóó dan eene andere vrouw in haar best humeur?”—“Ik zeg u niets voordat gij naar dien stoel teruggaat,” antwoordde zij,—“behalve dit nog eens—kom niet nader. Geen stap nader. Ik zeg u, als gij dat doet, zoo waar als de hemel ons ziet, zal ik u vermoorden.”—“Ziet gij mij bij vergissing voor uw man aan?” vroeg hij grijnzend.Zonder zich te verwaardigen om antwoord te geven, strekte zij haar arm uit, en wees naar den stoel. Hij beet op zijne lippen, rimpelde zijn voorhoofd, lachte, en zette er zich op neer, met eene teleurstelling en verlegenheid, die hij onmogelijk kon ontveinzen; zenuwachtig op zijne nagels bijtende, keek hij haar zijdelings met bittere wreveligheid aan, hoewel hij wilde veinzen dat hij zich met hare grilligheid vermaakte.Zij legde het mes op de tafel neer, en naar hare borst wijzende, zeide zij:“Ik heb hier iets zitten dat geen minnepand is, en liever dan nog eens te verdragen dat ge mij aanraakt zou ik het tegen u gebruiken—en dat weet gij, terwijl ik spreek—met minder bezwaar dan tegen eenig kruipend gedierte dat er leeft.”Hij veinsde schertsend te lachen en verzocht haar om haar spelletje spoedig uit te spelen, want dat het souper koud werd. Maar de geheime blik, waarmede hij haar aanzag, werd norscher en dreigender, en meer dan eens stampte hij met een gemompelden vloek op den grond.“Hoe dikwijls,” zeide Edith, hem met haar donkersten blik aanziende, “heeft uwe vermetele snoodheid mij met schimp en beleedigingen vervolgd? Hoe dikwijls ben ik, door uwe beleefde manieren, uwe spottende woorden en blikken met mijne vrijage en mijn huwelijk geplaagd? Hoe dikwijls hebt gij mijne wond van liefde voor dat lieve, mishandelde meisje, blootgelegd en opgereten? Hoe dikwijls hebt gij het vuur aangeblazen, dat mij twee jaren lang gemarteld heeft, en mij in verzoeking willen brengen om mij dolzinnig over mijne marteling te wreken?”—“Ik twijfel er niet aan, mevrouw,” antwoordde hij, “of gij hebt er goede rekening van gehouden, en zult het dus wel juist weten. Kom, kom, Edith. Tegen uw man, dien ellendigen bloed, mocht dit aangaan.…”—“Wat,” zeide zij, hem aanziende met eene trotsche minachting, waaronder hij wegkromp, hoewel hij zich goed wilde houden, “als al mijne andere redenen om hem te verachten als veertjes hadden weggeblazen kunnen worden, zou het bijna reeds genoeg zijn geweest dat hij u tot raadsman en gunsteling had.”—“Is dat de reden waarom ge met mij zijt weggeloopen?” vroeg hij tergend.—“Ja, en waarom wij elkander nu voor de laatste maal zien. Ellendeling! Wij komen dezen nacht bijeen, en scheiden dezen nacht. Geen oogenblik nadat ik gedaan heb met spreken, zal ik meer hier blijven.”Hij keerde zich naar haar om met zijn afschuwelijksten blik, en greep de tafel met zijne hand aan; maar stond niet op, en deed of zeide niets anders om haar te dreigen.“Ik ben eene vrouw,” zeide zij, hem strak aanziende, “die van hare kindsheid af beschaamd gemaakt en verstaald is. Ik ben aangeboden, afgekeurd, opgeveild en uitgeloofd, tot mijne ziel er van walgde. Ik had geen talent, dat mij van nut had kunnen wezen, of het is opgevijzeld en uitgestald, om mijne waarde te verhoogen, alsof de omroeper het door de straten had uitgeschreeuwd. Mijne arme, trotsche betrekkingen zagen dat aan en keurden het goed, en elke band tusschen ons is losgemaakt. Er is niemand van hen om wien ik zooveel geef, als ik om een schoothondje zou geven. Ik sta alleen, alleen in de wereld, en weet wel welk eene valsche wereld het voor mij geweest is, en welk eene valsche rol ik er in gespeeld heb. Gij weet dat, en gij weet dat mijn goede naam voor de wereld geene waarde voor mij heeft.”—“Ja, dat heb ik mij wel verbeeld,” antwoordde hij.—“En er op gerekend,” hernam zij, “en mij daarom vervolgd. Al te onverschillig geworden voor eenigen anderen tegenstand dan onverschilligheid tegen den dagelijkschen arbeid der handen, die mij daartoe gevormd hadden, en wetende dat mijn huwelijk ten minste zou beletten dat ik langer werd rondgevent, liet ik mij verkoopen, zoo schandelijk als ooit eene vrouw met een touw om den hals op eene markt is verkocht. Dat weet gij.”—“Ja,” zeide hij, al zijne tanden toonende. “Dat[379]weet ik.”—“Nu, daarop hebt gij gerekend en mij daarom vervolgd,” zeide zij nog eens. “Van mijn trouwdag af vond ik mij blootgesteld aan zulk eene nieuwe schande—aan zulke aanzoeken en vervolgingen (zoo duidelijk uitgedrukt alsof zij met de grofste woorden geschreven en mij telkens in de hand gestopt waren) van een en denzelfden gemeenen schurk, dat het mij was alsof ik tot dien tijd toe nog nooit vernedering had gevoeld. Die schande deed mijn echtgenoot mij aan; hij zelf overstelpte mij daarmede; met zijne eigene handen dompelde hij mij daarin, en dat herhaalde hij geheel eigenwillig honderden malen. En zoo—door die twee van ieder rustpunt verdrongen, dat ik nog had—door die twee gedwongen om het laatste overblijfsel van liefde en zachtheid in mijn binnenste te verzaken, of het onschuldige voorwerp daarvan tot een nieuw onheil te wezen—van den een naar den ander gedreven, en door den een belaagd als ik den ander ontsnapte—steeg mijne gramschap tegen beiden bijna tot razernij. Ik weet niet wien ik meer haatte—den meester of den knecht.”Hij lette scherp op haar, terwijl zij daar voor hem stond in de zegepraal harer vergramde schoonheid. Zij was vastberaden, dat zag hij; onverschrokken; niet meer bevreesd voor hem dan voor een worm.“Wat zou ik tegen u van eer of kuischheid zeggen!” vervolgde zij. “Welke beteekenis zouden die woorden voor u hebben; welke beteekenis zouden zij voor mij hebben! Maar als ik u zeg, dat de minste aanraking van uwe hand mijn bloed van tegenzin doet stollen; dat gij van het uur af toen ik u voor het eerst zag en haatte tot nu toe, nu mijn onwillekeurige afschuw van u is vergroot door al de kennis, die ik van u heb opgedaan, gij een walgelijk schepsel voor mij zijt geweest, dat op aarde geen gelijke meer heeft; hoe dan?”Hij antwoordde met een flauwen lach: “Ja, hoe dan, mijne koningin?”“Op dien avond toen gij, aangemoedigd door het tooneel, dat gij hadt bijgewoond, het hart hadt om in mijne kamer te komen en mij aan te spreken,” zeide zij, “wat is er toen voorgevallen?”Hij haalde zijne schouders op en lachte wederom.“Wat is er toen voorgevallen?” zeide zij.—“Uw geheugen is zoo goed,” antwoordde hij, “dat gij het u zonder twijfel wel herinneren kunt.”—“Dat kan ik,” zeide zij. “Hoor dan! Mij toen deze vlucht voorstellende—niet deze vlucht, maar de vlucht, waar gij aan dacht—hebt gij mij gezegd dat ik, nu ik u die bijeenkomst had gegeven, zoodat gij u daar bij mij kondt laten ontdekken, als gij dat goedvondt, en ik u dikwijls te voren met mij alleen had laten zijn—en gelegenheid daartoe gemaakt had, was uw gezegde—en ik u openlijk bekend had, dat ik voor mijn man geen ander gevoel dan afkeer koesterde en om mij zelve niet gaf—reeds verloren was; dat ik u macht had gegeven om mijn naam door het slijk te slepen—dat mijne eer van een enkel woord van u afhing.”—“In de liefde zijn alle krijgslisten …” viel hij er met een glimlach op in. “Hetoudespreekwoord …”—“Op dien avond en toen,” zeide Edith, “kwam er een einde aan mijn langdurigen strijd met iets, dat geene achting voor mijn goeden naam was—ik weet niet wat het was—misschien gehechtheid aan dat laatste overschot van liefde. Op dien avond en toen keerde ik alles den rug behalve mijn haat en mijne wraak. Ik deed een slag, die uw trotschen meester in het stof neervelde, en u daar voor mij zette, gelijk gij mij nu aanziet en weet wat ik meen.”Hij sprong met een zwaren vloek van zijn stoel op. Zij stak hare hand in hare borst, en geen vinger beefde, geen haar op haar hoofd trilde. Hij bleef stil staan, zij insgelijks, met de tafel en den stoel tusschen hen in.“Als ik vergeet dat die man zijne lippen aan de mijne bracht en mij in zijne armen sloot, gelijk hij van avond nog eens gedaan heeft,” zeide Edith, naar hem wijzende; “als ik de smet van zijn kus op mijne wang vergeet—de wang, waartegen Florence haar schuldeloos gezichtje wilde leggen—als ik mijne ontmoeting met haar vergeet, terwijl die smet mij zoo heet aankleefde, en hoe de bewustheid mij overstelpte dat ik, terwijl ik haar van de kwellingen bevrijdde, die ik haar door mijne liefde had veroorzaakt, te gelijk haar naam door den mijnen tot schande bracht, en haar, als zij aan mij dacht, ook altijd zou doen denken aan de eerste maal, dat zij een schuldig schepsel ontweek—dan, echtgenoot, van wien ik voortaan gescheiden ben, zal ik de laatste twee jaren vergeten, en herdoen, wat ik gedaan heb, en u uw waan benemen.”Hare flikkerende oogen, even opgeslagen, vestigden zich nu weder op Carker, en zij reikte hem met hare linkerhand eenige brieven toe.“Zie deze!” zeide zij verachtelijk. “Die hebt gij mij gezonden in den valschen naam, waaronder gij reist, een hier, andere onderweg. Zij zijn niet geopend. Neem ze terug!”Zij kneep ze in hare hand ineen en wierp ze hem voor de voeten.“Wij vinden elkander van nacht en scheiden van nacht,” zeide zij. “Gij hebt wat te vroeg op Siciliaansche dagen van weelderig genot gerekend. Gij hadt nog wat langer kunnen kruipen en vleien en uwe verradersrol spelen, en nog rijker worden. Gij koopt uwe wellustige rust wat te duur.”—“Edith,” antwoordde hij, haar met zijne hand dreigende. “Ga zitten! Houd op daarmee! Welke duivel regeert u?”—“Hun[380]naam is Legioen,” antwoordde zij, zich trotsch oprichtende; “gij en uw meester hebt ze in een vruchtbaar huis opgekweekt, en zij zullen u beiden verscheuren. Gij valschaard, valsch voor hem, valsch voor zijn onschuldig kind, valsch voor iedereen en aan alle kanten, ga heen en poch op mij, en knarsetand, omdat gij weet dat gij liegt!”Hij stond voor haar, mompelend en dreigend, en keek rond alsof hij naar iets zocht, dat hem helpen kon om haar te overmeesteren; maar zij bleef even onverschrokken staan.“In elke logen, waarmede gij snoeft,” zeide zij, “triomfeer ik. Ik kies u uit als den gemeensten kerel dien ik ken, den pluimstrijker en het werktuig van den trotschen tiran, opdat zijne wond dieper zou gaan en pijnlijker steken. Snoef, en wreek mij zoo op hem! Gij weet hoe gij van nacht hier zijt gekomen, en gij weet hoe armzalig gij daar staat; gij ziet u zelven met kleuren even verachtelijk, zoo niet even hatelijk, als waarmede ik u zie. Snoef dan, en wreek mij op u zelven.”Het schuim stond op zijne lippen, het zweet op zijn voorhoofd. Als zij maar voor een half oogenblik had gewankeld, zou hij haar hebben aangepakt en vastgebonden; maar zij stond zoo vast als eene rots, en hare doordringende oogen werden niet van hem afgewend.“Wij scheiden zoo niet,” zeide hij. “Denkt gij dat ik suf ben, om u in zulk eene dolle bui te laten gaan?”—“Denkt gij,” antwoordde zij, “dat ik tegen te houden ben.”—“Dat zal ik beproeven, mijn liefje,” zeide hij, met eene driftige beweging van zijne hand.—“God zij u genadig, als gij beproeft dichter bij mij te komen,” antwoordde zij.—“En als ik nu eens niet zoo snoeven wilde?” zeide hij. “Als ik mij ook eens omkeerde? Kom aan!” Hij liet zijne tanden wederom eenigszins blinken. “Wij moeten accoord daarvan maken, ofikzou iets onverwachts kunnen doen. Ga zitten, ga zitten!”—“Te laat!” riep zij uit, met oogen, waaruit vonken schenen te schieten. “Ik heb eer en goeden naam in den wind gestrooid. Ik heb besloten de schande te dragen, die aan mij kleven zal—maar ik wil dat ik die ten onrechte draag—en dat gij dat ook weet—en dat hij het nooit kan en zal weten. Ik zal sterven zonder woord of teeken. Daarom ben ik hier met u alleen in het holste van den nacht. Daarom heb ik u hier onder een valschen naam als uwe vrouw afgewacht. Daarom heb ik mij door deze lieden hier laten zien. Niets kan u nu meer redden.”Hij had zijne ziel wel willen verkoopen om haar met hare schoonheid aan den grond te doen vastwortelen, hare armen te doen verlammen, en haar in zijn geweld te hebben. Maar hij kon haar niet aanzien zonder bevreesd voor haar te zijn. Hij zag eene kracht in haar, die onweerstaanbaar was. Hij zag dat zij wanhopig was en dat haar onuitdoofbare haat tegen hem voor niets zou terugdeinzen. Zijne oogen volgden de hand, die met zulk een doodelijk opzet in hare borst werd gestoken, en hij dacht dat die hand, als zij naar hem stiet en miste, even snel naar hare eigene borst zou stooten.Hij waagde het dus niet haar te naderen, maar de deur, waardoor hij was binnengekomen, was achter hem, en hij ging achteruit om die te sluiten.“Voor het laatst, laat u waarschuwen! Zorg voor u zelven!” zeide zij en glimlachte nog eens. “Gij zijt verraden, gelijk alle verraders worden. Het is bekend geworden, dat gij hier zijt of hier zoudt komen. Zoo waar als ik leef, heb ik van avond mijn man hier in een rijtuig gezien.”—“Hoer, dat is gelogen!” schreeuwde Carker.Op het oogenblik werd er hard aan de schel in de voorzaal getrokken. Hij verbleekte, terwijl zij hare hand ophief, als ware zij eene tooveres, op wier wil dat geluid zich liet hooren.“Luister! Hoort ge dat?”Hij zette zijn rug tegen de deur; want hij zag eene verandering in haar en verbeeldde zich, dat zij vooruitkwam om hem voorbij te gaan. Maar in een oogenblik was zij verdwenen door de andere deur, die in de slaapkamer uitkwam, en was deze achter haar gesloten.Toen zij zich eens had omgekeerd, eens haar strakken blik van hem had afgeweerd, gevoelde hij, dat hij met haar kon kampen. Hij meende dat de schrik van dit onverwachte nachtgerucht haar overmeesterd had, des te gemakkelijker door den overspannen toestand waarin zij verkeerde. Hij duwde de dubbele deur open en volgde haar, bijna oogenblikkelijk.Maar de kamer was donker, en daar zij op zijn roepen geen antwoord gaf, moest hij teruggaan om de lamp. Hij hield die omhoog en keek overal rond, verwachtende haar ergens in een hoek te zien weggekropen; maar de kamer was ledig. Zoo ging hij achtereenvolgens naar het salon en de eetzaal, met den onzekeren tred van iemand die ergens vreemd is, zag vreesachtig rond en keek achter sofa’s en kamerschutten, maar zij was er niet. Neen, ook niet in de voorzaal, die zoo ledig was, dat hij dit met eene enkelen blik kon zien.Al dien tijd werd er bij herhaling aan de schel getrokken, en bonsden zij, die buiten stonden, op de deur. Hij zette zijne lamp op een afstand neer, ging dichtbij en luisterde. Verscheidene stemmen waren te gelijk aan het spreken, twee ten minste daarvan in het Engelsch; en schoon de deur dik en de verwarring groot was, kende hij eene daarvan te wel om te twijfelen wiens stem het was.Hij nam zijne lamp weder op en ging snel terug door al de kamers heen, bij elk vertrek,[381]dat hij verliet, stilstaande en naar haar rondziende, met het licht boven zijn hoofd. Zoo stond hij in de slaapkamer, toen de deur, die in den geheimen gang uitkwam, hem in het oog viel. Hij ging er naar toe, en vond ze aan den anderen kant gesloten; maar zij had bij het uitgaan eene voile laten vallen en tusschen de deur ingesloten.Al dien tijd stond men op de trap te schellen en met handen en voeten op de deur te rammelen.Hij was geen lafaard; maar deze geluiden, het voorafgaande, het vreemde der plaats, dat hem verbijsterde, de verijdeling zijner plannen (want, vreemd genoeg, hij zou veel stouter zijn geweest als zij hem gelukt waren), het nachtelijk uur, de herinnering dat hij niemand nabij zich had op wien hij zich voor een vriendendienst kon beroepen, vooral het plotselinge gevoel, dat zelfs zijn hart als lood bezwaarde, dat de man, wiens vertrouwen hij had misbruikt en dien hij zoo verraderlijk had bedrogen, daar was om hem zijn masker af te rukken en uit te dagen,—dat alles vervulde hem met een blinden schrik. Hij poogde de deur te openen, waartusschen de voile was ingesloten, maar zij wederstond zijn geweld. Hij schoof een der vensters open en keek door het zonneblind naar beneden op de plaats; maar het was een hooge sprong, en de steenen waren genadeloos.Het schellen en bonzen bleef nog aanhouden—zijn angst nam toe—hij ging weder naar de deur in de slaapkamer, en met nieuwe pogingen, telkens sterker dan te voren zijne krachten inspannende, wrong hij ze open. Daar hij niet veraf eene smalle trap zag en de nachtlucht naar boven voelde komen, ging hij zachtjes terug om hoed en jas te halen, sloot de deur achter zich zoo goed hij kon, sloop met het licht in de hand naar beneden, deed het uit toen hij de straatdeur zag, zette de lamp in een hoek neer, en ging naar buiten, waar de sterren schitterden.

[Inhoud]LIV.DE VLUCHTELINGEN.De tijd, een uur voor middernacht; de plaats, een Fransch apartement, bestaande uit een half dozijn vertrekken;—eene donkere koude antichambre of corridor, eene eetzaal, een salon, eene slaapkamer, en een kabinet of boudoir, kleiner en meer afgelegen dan de andere kamers. Dat alles afgesloten met eene dubbele deur, die op de groote trap uitkomt, maar elke kamer voorzien van twee of drie eigene deuren, die verscheidene middelen van gemeenschap aanbieden met het overige van het apartement, en zekere smalle gangen tusschen de muren, die, gelijk in zulke huizen niet ongewoon is, naar eene achtertrap voeren, welke onderaan een uitgang in eene achterstraat heeft. Alles gelegen op de verdieping van een hotel, zoo groot, dat dit apartement nog niet eens eene geheele rij vensters beslaat aan den eenen kant van het binnenplein, waarop de vier zijden van het gebouw uitzien.Eene pracht, genoeg verbleekt om iets zwaarmoedigs te hebben, en nog schitterend genoeg, om door zekeren zweem van staatsie het gewone gebruik te belemmeren, heerschte in deze vertrekken. De wanden en zolderingen waren beschilderd en verguld; de vloeren waren ingelegd en geboend; roode draperieën hingen om vensters, deuren en spiegels; branches, gewrongen en door elkander gevlochten gelijk takken van boomen of hoornen van dieren, staken uit de wandpaneelen. Maar overdag, wanneer de luiken, nu dicht gesloten, open waren, en het licht binnenscheen, waren onder al dien opschik de sporen zichtbaar van slijting en stof, van zonneschijn, vochtigheid en rook, en lange tusschenpoozen van gebrek aan gebruik en bewoning, wanneer zulke staatsiekamers schijnen te verkwijnen evenals menschen doen, die in eene gevangenis zijn opgesloten. Zelfs de avond en de groepen van brandende kaarsen konden deze sporen niet geheel uitwisschen, schoon het algemeene geflikker ze minder deed opmerken.Het geflikker van helder brandende bougies en de weerkaatsing daarvan in spiegels, van verguldsel en schitterende kleuren, was dezen avond tot maar eene kamer beperkt—dat kleine vertrekje, achter de andere zoo pas opgenoemde. Uit de voorzaal gezien, waar eene flauwe lamp brandde, door het donkere verschiet van opene deuren, scheen het glansrijk en kostbaar als een juweel. In het hart van dien glans zat eene schoone vrouw—Edith.Zij was alleen. Haar gelaat had nog dezelfde uitdrukking van uitdagenden trots. Hare wangen waren eenigszins vermagerd, hare oogen schenen eenigszins grooter, maar hadden nog meer glans, en hare fiere houding was juist dezelfde. Geene schaamte op haar voorhoofd; geen laat berouw boog haar trotschen hals. Nog even statig en gebiedend, en toch onverschillig voor zich zelve en alle andere dingen, zat zij daar, met hare donkere oogen neergeslagen, naar iemand te wachten.Geen boek, geen werk, geene bezigheid hoegenaamd behalve hare eigene gedachten, kortte den slependen tijd. Een voornemen, krachtig genoeg om haar voor niets anders aandacht te laten, vervulde haar. Met dicht geknepene lippen, die beefden als zij ze voor een oogenblik van dat bedwang ontsloeg; met opgespannen neusgaten, met samengeknepene handen, en met haar voornemen in hare zwoegende borst, zat zij daar te wachten.Toen zij een sleutel in de buitendeur hoorde[376]steken, en daarop een voetstap in de voorzaal volgde, sprong zij op en riep: “Wie is daar?” Het antwoord was in het Fransch, en twee mannen kwamen met rammelende borden, om de tafel te dekken voor het souper.Wie had hen dat belast? vroeg zij.Monsieur had het besteld, toen het hem beliefde dat apartement te nemen. Monsieur had gezegd, toen hij hieren routeeen uur was gebleven en een brief voor madame had gelaten—madame had dien brief toch wel ontvangen?“Ja.”Duizendmaal pardon! De plotselinge vrees, dat hij vergeten kon zijn, had hem, een man met een kaal hoofd en een grooten baard, van een naburigen restaurant, tot wanhoop gebracht! Monsieur had gezegd, dat het souper op dat uur gereed moest wezen; en had in zijn brief madame ook gewaarschuwd wat hij besteld had. Monsieur had het Gouden Hoofd de eer bewezen om te verzoeken, dat het souper uitgelezen en keurig zou zijn. Monsieur zou bevinden, dat zijn vertrouwen in het Gouden Hoofd niet verkeerd geplaatst was geweest.Edith zeide niets meer, maar zag peinzend toe, terwijl zij de tafel voor twee personen dekten en wijn daarop zetten. Eer zij gedaan hadden stond zij op, en eene lamp nemende, ging zij in de slaapkamer en het salon, waar zij haastig maar nauwkeurig al de deuren onderzocht, vooral eene deur in de laatste kamer, die in een smallen gang uitkwam. Zij nam den sleutel daaruit en stak dien aan den buitenkant. Daarna kwam zij terug.De mannen—waarvan de tweede er zeer donker en galachtig uitzag, met een buisje, glad geschoren en met zwarte, zeer kort geknipte haren—hadden de tafel gedekt en stonden nu hun werk aan te zien. Hij, die eerst gesproken had, vroeg of madame dacht, dat het nog lang zou duren eer monsieur kwam.Zij kon dat niet zeggen. Het kwam er niet op aan.Pardon! Daar was het souper. Het moest nu dadelijk gebruikt worden. Monsieur (die Fransch sprak als een engel—of als een Franschman—dat was hetzelfde) had met zeer veel nadruk van zijne preciesheid gesproken. Maar de Engelsche natie had zulk een groot genie voor preciesheid. Ha, welk gerucht! Groote Hemel, daar was monsieur. “Le voilà!”Inderdaad, monsieur, door den ander van de twee ingelaten, kwam, met zijne blinkende tanden, door de donkere kamers aan, alsof hij geheel en al mond was; maar in dat heiligdom van licht en kleur gekomen, bleek hij een man ten voeten uit te zijn, omhelsde madame en sprak haar in de Fransche taal aan als zijne bekoorlijke vrouw.“Mijn God! madame zal flauw vallen. Madame is overstelpt van blijdschap.” De man met het kale hoofd en den baard merkte dit op en riep dit uit.Madame was maar bevend teruggedeinsd. Eer de woorden nog geheel waren uitgesproken, stond zij met hare hand op een fluweelen rug van een leuningstoel, tot hare volle lengte opgericht, en met een onbeweeglijk strak gezicht.“François is naar het Gouden Hoofd gevlogen om het souper. Hij vliegt bij zulke gelegenheden als een engel of een vogel. De bagage van monsieur is in zijne kamer. Alles is gearrangeerd. Het souper zal in een oogenblik hier zijn.” Deze feiten werden door den kalen man met buigingen en glimlachjes aangekondigd, en weldra kwam het souper.De warme schotels stonden op een komfoor; de koude waren reeds, met het noodige tafelgereedschap, op een buffet gezet. Monsieur was met deze schikking tevreden. Dat de tafel zoo klein was beviel hem zeer wel. Zij moesten het komfoor maar op den grond zetten en heengaan. Hij zou zelf de schotels wel verplaatsen.“Pardon!” zeide de kale man zeer beleefd. Dat was onmogelijk.Monsieur was van een ander gevoelen. Hij had dien avond geene verdere bediening noodig.“Maar madame,” gaf de kale man in bedenking.Madame, antwoordde monsieur, had hare eigene kamenier. Dat was genoeg.Een millioen maal pardon! Neen! Madame had geene kamenier.“Ik ben alleen hier gekomen,” zeide Edith. “Dat was mijne verkiezing zoo. Ik ben wel aan het reizen gewoon; ik heb geene bediening noodig. Zij behoeven mij niemand te zenden.”Monsieur liet, bij zijne eerste onmogelijkheid blijvende, de twee bedienden de buitendeur uit en sloot die achter hen. Toen de kale man zich omkeerde om te buigen, merkte hij op dat madame nog met hare hand op den fluweelen rug van den leuningstoel stond, en dat zij hem geheel niet scheen te zien, hoewel zij recht voor zich uitkeek.Toen het gerucht, dat Carker maakte bij het sluiten der deur, door de reeks der kamers klonk en dof gesmoord die laatste scheen te bereiken, klonk Edith te gelijk eene kerkklok in de ooren, die twaalf sloeg. Zij hoorde hem stilstaan, alsof hij die klok insgelijks hoorde en luisterde, en toen naar haar terugkomen, met eene lange reeks van voetstappen door de stilte, en naarmate hij verder kwam elke deur achter zich sluitende. Hare hand verliet een oogenblik den fluweelen rug van den stoel, om een mes op de tafel binnen haar bereik te brengen; toen stond zij weder gelijk zij te voren had gestaan.“Hoe vreemd dat gij alleen hier komt, lieve,” zeide hij toen hij de kamer inkwam.—“Wat!” zeide zij.[377]Haar toon was zoo ruw; de snelle wending van haar hoofd zoo woest; hare houding zoo terugstootend, en haar gezicht zoo donker en dreigend, dat hij haar met de lamp in de hand bleef staan aanzien, alsof zij hem had doen versteenen.“Ik zeg,” herhaalde hij eindelijk met zijn allerbeleefdsten glimlach, “hoe vreemd, geheel alleen hier te komen! Dat was waarlijk wel eene noodelooze voorzichtigheid, die zich zelve had kunnen verijdelen. Gij hadt teHavreofRouaaneene dienstbode moeten nemen, en hebt daartoe overvloedig tijd gehad, hoewel gij de grilligste en ongemakkelijkste van alle vrouwen zijt, gelijk gij ook de schoonste zijt, mijn lief.”Hare oogen zagen hem aan met een vreemden glans, maar zij bleef met hare hand op den stoel staan leunen, en sprak geen woord.“Ik heb u nooit zoo schoon gezien als van avond,” hervatte Carker. “Zelfs het portret, dat ik gedurende dezen harden proeftijd in mijn gemoed heb omgedragen, en dat ik nacht en dag heb beschouwd, wordt door de werkelijkheid overtroffen,”Geen woord. Geen blik. Hare oogen geheel verborgen door de hangende wimpers, maar haar hoofd recht opgericht.Nog op hare knieën en met hare oogen op het vuur gevestigd. (blz. 373).Nog op hare knieën en met hare oogen op het vuur gevestigd.(blz. 373).“Harde en strenge bedingen waren het!” zeide Carker met een glimlach; “maar zij zijn allen vervuld en voorbij, en maken het tegenwoordige des te verrukkelijker en te veiliger.Siciliëzal onze wijkplaats zijn. In het traagste[378]en verkwikkelijkste gedeelte der wereld, mijn liefje, zullen wij beide vergoeding zoeken voor de oude slavernij.”Hij kwam vroolijk naar haar toe, toen zij eensklaps het mes van de tafel greep, en hij een stap terugdeinsde.“Blijf staan,” zeide zij, “of ik zal u vermoorden.”De plotselinge verandering in haar, de woede en afschuw, die in hare oogen flikkerden deden hem stilstaan alsof een brand hem had gestuit.“Blijf staan,” zeide zij. “Kom niet nader, op uw leven.”“Kom, kom! Wij zijn alleen, en niemand hoort of ziet ons. Denkt gij mij bang te maken met die kuurtjes van deugdzame dames?”—“Denkt gijmijbang te maken,” antwoordde zij woest, “met mij te herinneren dat ik hier alleen ben en er geene hulp nabij is? Denkt gij mij daardoor van eenig plan of voornemen af te schrikken? Mij, die met opzet hier alleen ben? Als ik bang voor u was geweest, zou ik dan hier zijn, in het holste van den nacht, om u in uw gezicht te zeggen wat ik u zeggen zal?”—“En wat is dat,” zeide hij, “gij schoone haneveer? Schooner zóó dan eene andere vrouw in haar best humeur?”—“Ik zeg u niets voordat gij naar dien stoel teruggaat,” antwoordde zij,—“behalve dit nog eens—kom niet nader. Geen stap nader. Ik zeg u, als gij dat doet, zoo waar als de hemel ons ziet, zal ik u vermoorden.”—“Ziet gij mij bij vergissing voor uw man aan?” vroeg hij grijnzend.Zonder zich te verwaardigen om antwoord te geven, strekte zij haar arm uit, en wees naar den stoel. Hij beet op zijne lippen, rimpelde zijn voorhoofd, lachte, en zette er zich op neer, met eene teleurstelling en verlegenheid, die hij onmogelijk kon ontveinzen; zenuwachtig op zijne nagels bijtende, keek hij haar zijdelings met bittere wreveligheid aan, hoewel hij wilde veinzen dat hij zich met hare grilligheid vermaakte.Zij legde het mes op de tafel neer, en naar hare borst wijzende, zeide zij:“Ik heb hier iets zitten dat geen minnepand is, en liever dan nog eens te verdragen dat ge mij aanraakt zou ik het tegen u gebruiken—en dat weet gij, terwijl ik spreek—met minder bezwaar dan tegen eenig kruipend gedierte dat er leeft.”Hij veinsde schertsend te lachen en verzocht haar om haar spelletje spoedig uit te spelen, want dat het souper koud werd. Maar de geheime blik, waarmede hij haar aanzag, werd norscher en dreigender, en meer dan eens stampte hij met een gemompelden vloek op den grond.“Hoe dikwijls,” zeide Edith, hem met haar donkersten blik aanziende, “heeft uwe vermetele snoodheid mij met schimp en beleedigingen vervolgd? Hoe dikwijls ben ik, door uwe beleefde manieren, uwe spottende woorden en blikken met mijne vrijage en mijn huwelijk geplaagd? Hoe dikwijls hebt gij mijne wond van liefde voor dat lieve, mishandelde meisje, blootgelegd en opgereten? Hoe dikwijls hebt gij het vuur aangeblazen, dat mij twee jaren lang gemarteld heeft, en mij in verzoeking willen brengen om mij dolzinnig over mijne marteling te wreken?”—“Ik twijfel er niet aan, mevrouw,” antwoordde hij, “of gij hebt er goede rekening van gehouden, en zult het dus wel juist weten. Kom, kom, Edith. Tegen uw man, dien ellendigen bloed, mocht dit aangaan.…”—“Wat,” zeide zij, hem aanziende met eene trotsche minachting, waaronder hij wegkromp, hoewel hij zich goed wilde houden, “als al mijne andere redenen om hem te verachten als veertjes hadden weggeblazen kunnen worden, zou het bijna reeds genoeg zijn geweest dat hij u tot raadsman en gunsteling had.”—“Is dat de reden waarom ge met mij zijt weggeloopen?” vroeg hij tergend.—“Ja, en waarom wij elkander nu voor de laatste maal zien. Ellendeling! Wij komen dezen nacht bijeen, en scheiden dezen nacht. Geen oogenblik nadat ik gedaan heb met spreken, zal ik meer hier blijven.”Hij keerde zich naar haar om met zijn afschuwelijksten blik, en greep de tafel met zijne hand aan; maar stond niet op, en deed of zeide niets anders om haar te dreigen.“Ik ben eene vrouw,” zeide zij, hem strak aanziende, “die van hare kindsheid af beschaamd gemaakt en verstaald is. Ik ben aangeboden, afgekeurd, opgeveild en uitgeloofd, tot mijne ziel er van walgde. Ik had geen talent, dat mij van nut had kunnen wezen, of het is opgevijzeld en uitgestald, om mijne waarde te verhoogen, alsof de omroeper het door de straten had uitgeschreeuwd. Mijne arme, trotsche betrekkingen zagen dat aan en keurden het goed, en elke band tusschen ons is losgemaakt. Er is niemand van hen om wien ik zooveel geef, als ik om een schoothondje zou geven. Ik sta alleen, alleen in de wereld, en weet wel welk eene valsche wereld het voor mij geweest is, en welk eene valsche rol ik er in gespeeld heb. Gij weet dat, en gij weet dat mijn goede naam voor de wereld geene waarde voor mij heeft.”—“Ja, dat heb ik mij wel verbeeld,” antwoordde hij.—“En er op gerekend,” hernam zij, “en mij daarom vervolgd. Al te onverschillig geworden voor eenigen anderen tegenstand dan onverschilligheid tegen den dagelijkschen arbeid der handen, die mij daartoe gevormd hadden, en wetende dat mijn huwelijk ten minste zou beletten dat ik langer werd rondgevent, liet ik mij verkoopen, zoo schandelijk als ooit eene vrouw met een touw om den hals op eene markt is verkocht. Dat weet gij.”—“Ja,” zeide hij, al zijne tanden toonende. “Dat[379]weet ik.”—“Nu, daarop hebt gij gerekend en mij daarom vervolgd,” zeide zij nog eens. “Van mijn trouwdag af vond ik mij blootgesteld aan zulk eene nieuwe schande—aan zulke aanzoeken en vervolgingen (zoo duidelijk uitgedrukt alsof zij met de grofste woorden geschreven en mij telkens in de hand gestopt waren) van een en denzelfden gemeenen schurk, dat het mij was alsof ik tot dien tijd toe nog nooit vernedering had gevoeld. Die schande deed mijn echtgenoot mij aan; hij zelf overstelpte mij daarmede; met zijne eigene handen dompelde hij mij daarin, en dat herhaalde hij geheel eigenwillig honderden malen. En zoo—door die twee van ieder rustpunt verdrongen, dat ik nog had—door die twee gedwongen om het laatste overblijfsel van liefde en zachtheid in mijn binnenste te verzaken, of het onschuldige voorwerp daarvan tot een nieuw onheil te wezen—van den een naar den ander gedreven, en door den een belaagd als ik den ander ontsnapte—steeg mijne gramschap tegen beiden bijna tot razernij. Ik weet niet wien ik meer haatte—den meester of den knecht.”Hij lette scherp op haar, terwijl zij daar voor hem stond in de zegepraal harer vergramde schoonheid. Zij was vastberaden, dat zag hij; onverschrokken; niet meer bevreesd voor hem dan voor een worm.“Wat zou ik tegen u van eer of kuischheid zeggen!” vervolgde zij. “Welke beteekenis zouden die woorden voor u hebben; welke beteekenis zouden zij voor mij hebben! Maar als ik u zeg, dat de minste aanraking van uwe hand mijn bloed van tegenzin doet stollen; dat gij van het uur af toen ik u voor het eerst zag en haatte tot nu toe, nu mijn onwillekeurige afschuw van u is vergroot door al de kennis, die ik van u heb opgedaan, gij een walgelijk schepsel voor mij zijt geweest, dat op aarde geen gelijke meer heeft; hoe dan?”Hij antwoordde met een flauwen lach: “Ja, hoe dan, mijne koningin?”“Op dien avond toen gij, aangemoedigd door het tooneel, dat gij hadt bijgewoond, het hart hadt om in mijne kamer te komen en mij aan te spreken,” zeide zij, “wat is er toen voorgevallen?”Hij haalde zijne schouders op en lachte wederom.“Wat is er toen voorgevallen?” zeide zij.—“Uw geheugen is zoo goed,” antwoordde hij, “dat gij het u zonder twijfel wel herinneren kunt.”—“Dat kan ik,” zeide zij. “Hoor dan! Mij toen deze vlucht voorstellende—niet deze vlucht, maar de vlucht, waar gij aan dacht—hebt gij mij gezegd dat ik, nu ik u die bijeenkomst had gegeven, zoodat gij u daar bij mij kondt laten ontdekken, als gij dat goedvondt, en ik u dikwijls te voren met mij alleen had laten zijn—en gelegenheid daartoe gemaakt had, was uw gezegde—en ik u openlijk bekend had, dat ik voor mijn man geen ander gevoel dan afkeer koesterde en om mij zelve niet gaf—reeds verloren was; dat ik u macht had gegeven om mijn naam door het slijk te slepen—dat mijne eer van een enkel woord van u afhing.”—“In de liefde zijn alle krijgslisten …” viel hij er met een glimlach op in. “Hetoudespreekwoord …”—“Op dien avond en toen,” zeide Edith, “kwam er een einde aan mijn langdurigen strijd met iets, dat geene achting voor mijn goeden naam was—ik weet niet wat het was—misschien gehechtheid aan dat laatste overschot van liefde. Op dien avond en toen keerde ik alles den rug behalve mijn haat en mijne wraak. Ik deed een slag, die uw trotschen meester in het stof neervelde, en u daar voor mij zette, gelijk gij mij nu aanziet en weet wat ik meen.”Hij sprong met een zwaren vloek van zijn stoel op. Zij stak hare hand in hare borst, en geen vinger beefde, geen haar op haar hoofd trilde. Hij bleef stil staan, zij insgelijks, met de tafel en den stoel tusschen hen in.“Als ik vergeet dat die man zijne lippen aan de mijne bracht en mij in zijne armen sloot, gelijk hij van avond nog eens gedaan heeft,” zeide Edith, naar hem wijzende; “als ik de smet van zijn kus op mijne wang vergeet—de wang, waartegen Florence haar schuldeloos gezichtje wilde leggen—als ik mijne ontmoeting met haar vergeet, terwijl die smet mij zoo heet aankleefde, en hoe de bewustheid mij overstelpte dat ik, terwijl ik haar van de kwellingen bevrijdde, die ik haar door mijne liefde had veroorzaakt, te gelijk haar naam door den mijnen tot schande bracht, en haar, als zij aan mij dacht, ook altijd zou doen denken aan de eerste maal, dat zij een schuldig schepsel ontweek—dan, echtgenoot, van wien ik voortaan gescheiden ben, zal ik de laatste twee jaren vergeten, en herdoen, wat ik gedaan heb, en u uw waan benemen.”Hare flikkerende oogen, even opgeslagen, vestigden zich nu weder op Carker, en zij reikte hem met hare linkerhand eenige brieven toe.“Zie deze!” zeide zij verachtelijk. “Die hebt gij mij gezonden in den valschen naam, waaronder gij reist, een hier, andere onderweg. Zij zijn niet geopend. Neem ze terug!”Zij kneep ze in hare hand ineen en wierp ze hem voor de voeten.“Wij vinden elkander van nacht en scheiden van nacht,” zeide zij. “Gij hebt wat te vroeg op Siciliaansche dagen van weelderig genot gerekend. Gij hadt nog wat langer kunnen kruipen en vleien en uwe verradersrol spelen, en nog rijker worden. Gij koopt uwe wellustige rust wat te duur.”—“Edith,” antwoordde hij, haar met zijne hand dreigende. “Ga zitten! Houd op daarmee! Welke duivel regeert u?”—“Hun[380]naam is Legioen,” antwoordde zij, zich trotsch oprichtende; “gij en uw meester hebt ze in een vruchtbaar huis opgekweekt, en zij zullen u beiden verscheuren. Gij valschaard, valsch voor hem, valsch voor zijn onschuldig kind, valsch voor iedereen en aan alle kanten, ga heen en poch op mij, en knarsetand, omdat gij weet dat gij liegt!”Hij stond voor haar, mompelend en dreigend, en keek rond alsof hij naar iets zocht, dat hem helpen kon om haar te overmeesteren; maar zij bleef even onverschrokken staan.“In elke logen, waarmede gij snoeft,” zeide zij, “triomfeer ik. Ik kies u uit als den gemeensten kerel dien ik ken, den pluimstrijker en het werktuig van den trotschen tiran, opdat zijne wond dieper zou gaan en pijnlijker steken. Snoef, en wreek mij zoo op hem! Gij weet hoe gij van nacht hier zijt gekomen, en gij weet hoe armzalig gij daar staat; gij ziet u zelven met kleuren even verachtelijk, zoo niet even hatelijk, als waarmede ik u zie. Snoef dan, en wreek mij op u zelven.”Het schuim stond op zijne lippen, het zweet op zijn voorhoofd. Als zij maar voor een half oogenblik had gewankeld, zou hij haar hebben aangepakt en vastgebonden; maar zij stond zoo vast als eene rots, en hare doordringende oogen werden niet van hem afgewend.“Wij scheiden zoo niet,” zeide hij. “Denkt gij dat ik suf ben, om u in zulk eene dolle bui te laten gaan?”—“Denkt gij,” antwoordde zij, “dat ik tegen te houden ben.”—“Dat zal ik beproeven, mijn liefje,” zeide hij, met eene driftige beweging van zijne hand.—“God zij u genadig, als gij beproeft dichter bij mij te komen,” antwoordde zij.—“En als ik nu eens niet zoo snoeven wilde?” zeide hij. “Als ik mij ook eens omkeerde? Kom aan!” Hij liet zijne tanden wederom eenigszins blinken. “Wij moeten accoord daarvan maken, ofikzou iets onverwachts kunnen doen. Ga zitten, ga zitten!”—“Te laat!” riep zij uit, met oogen, waaruit vonken schenen te schieten. “Ik heb eer en goeden naam in den wind gestrooid. Ik heb besloten de schande te dragen, die aan mij kleven zal—maar ik wil dat ik die ten onrechte draag—en dat gij dat ook weet—en dat hij het nooit kan en zal weten. Ik zal sterven zonder woord of teeken. Daarom ben ik hier met u alleen in het holste van den nacht. Daarom heb ik u hier onder een valschen naam als uwe vrouw afgewacht. Daarom heb ik mij door deze lieden hier laten zien. Niets kan u nu meer redden.”Hij had zijne ziel wel willen verkoopen om haar met hare schoonheid aan den grond te doen vastwortelen, hare armen te doen verlammen, en haar in zijn geweld te hebben. Maar hij kon haar niet aanzien zonder bevreesd voor haar te zijn. Hij zag eene kracht in haar, die onweerstaanbaar was. Hij zag dat zij wanhopig was en dat haar onuitdoofbare haat tegen hem voor niets zou terugdeinzen. Zijne oogen volgden de hand, die met zulk een doodelijk opzet in hare borst werd gestoken, en hij dacht dat die hand, als zij naar hem stiet en miste, even snel naar hare eigene borst zou stooten.Hij waagde het dus niet haar te naderen, maar de deur, waardoor hij was binnengekomen, was achter hem, en hij ging achteruit om die te sluiten.“Voor het laatst, laat u waarschuwen! Zorg voor u zelven!” zeide zij en glimlachte nog eens. “Gij zijt verraden, gelijk alle verraders worden. Het is bekend geworden, dat gij hier zijt of hier zoudt komen. Zoo waar als ik leef, heb ik van avond mijn man hier in een rijtuig gezien.”—“Hoer, dat is gelogen!” schreeuwde Carker.Op het oogenblik werd er hard aan de schel in de voorzaal getrokken. Hij verbleekte, terwijl zij hare hand ophief, als ware zij eene tooveres, op wier wil dat geluid zich liet hooren.“Luister! Hoort ge dat?”Hij zette zijn rug tegen de deur; want hij zag eene verandering in haar en verbeeldde zich, dat zij vooruitkwam om hem voorbij te gaan. Maar in een oogenblik was zij verdwenen door de andere deur, die in de slaapkamer uitkwam, en was deze achter haar gesloten.Toen zij zich eens had omgekeerd, eens haar strakken blik van hem had afgeweerd, gevoelde hij, dat hij met haar kon kampen. Hij meende dat de schrik van dit onverwachte nachtgerucht haar overmeesterd had, des te gemakkelijker door den overspannen toestand waarin zij verkeerde. Hij duwde de dubbele deur open en volgde haar, bijna oogenblikkelijk.Maar de kamer was donker, en daar zij op zijn roepen geen antwoord gaf, moest hij teruggaan om de lamp. Hij hield die omhoog en keek overal rond, verwachtende haar ergens in een hoek te zien weggekropen; maar de kamer was ledig. Zoo ging hij achtereenvolgens naar het salon en de eetzaal, met den onzekeren tred van iemand die ergens vreemd is, zag vreesachtig rond en keek achter sofa’s en kamerschutten, maar zij was er niet. Neen, ook niet in de voorzaal, die zoo ledig was, dat hij dit met eene enkelen blik kon zien.Al dien tijd werd er bij herhaling aan de schel getrokken, en bonsden zij, die buiten stonden, op de deur. Hij zette zijne lamp op een afstand neer, ging dichtbij en luisterde. Verscheidene stemmen waren te gelijk aan het spreken, twee ten minste daarvan in het Engelsch; en schoon de deur dik en de verwarring groot was, kende hij eene daarvan te wel om te twijfelen wiens stem het was.Hij nam zijne lamp weder op en ging snel terug door al de kamers heen, bij elk vertrek,[381]dat hij verliet, stilstaande en naar haar rondziende, met het licht boven zijn hoofd. Zoo stond hij in de slaapkamer, toen de deur, die in den geheimen gang uitkwam, hem in het oog viel. Hij ging er naar toe, en vond ze aan den anderen kant gesloten; maar zij had bij het uitgaan eene voile laten vallen en tusschen de deur ingesloten.Al dien tijd stond men op de trap te schellen en met handen en voeten op de deur te rammelen.Hij was geen lafaard; maar deze geluiden, het voorafgaande, het vreemde der plaats, dat hem verbijsterde, de verijdeling zijner plannen (want, vreemd genoeg, hij zou veel stouter zijn geweest als zij hem gelukt waren), het nachtelijk uur, de herinnering dat hij niemand nabij zich had op wien hij zich voor een vriendendienst kon beroepen, vooral het plotselinge gevoel, dat zelfs zijn hart als lood bezwaarde, dat de man, wiens vertrouwen hij had misbruikt en dien hij zoo verraderlijk had bedrogen, daar was om hem zijn masker af te rukken en uit te dagen,—dat alles vervulde hem met een blinden schrik. Hij poogde de deur te openen, waartusschen de voile was ingesloten, maar zij wederstond zijn geweld. Hij schoof een der vensters open en keek door het zonneblind naar beneden op de plaats; maar het was een hooge sprong, en de steenen waren genadeloos.Het schellen en bonzen bleef nog aanhouden—zijn angst nam toe—hij ging weder naar de deur in de slaapkamer, en met nieuwe pogingen, telkens sterker dan te voren zijne krachten inspannende, wrong hij ze open. Daar hij niet veraf eene smalle trap zag en de nachtlucht naar boven voelde komen, ging hij zachtjes terug om hoed en jas te halen, sloot de deur achter zich zoo goed hij kon, sloop met het licht in de hand naar beneden, deed het uit toen hij de straatdeur zag, zette de lamp in een hoek neer, en ging naar buiten, waar de sterren schitterden.

LIV.DE VLUCHTELINGEN.

De tijd, een uur voor middernacht; de plaats, een Fransch apartement, bestaande uit een half dozijn vertrekken;—eene donkere koude antichambre of corridor, eene eetzaal, een salon, eene slaapkamer, en een kabinet of boudoir, kleiner en meer afgelegen dan de andere kamers. Dat alles afgesloten met eene dubbele deur, die op de groote trap uitkomt, maar elke kamer voorzien van twee of drie eigene deuren, die verscheidene middelen van gemeenschap aanbieden met het overige van het apartement, en zekere smalle gangen tusschen de muren, die, gelijk in zulke huizen niet ongewoon is, naar eene achtertrap voeren, welke onderaan een uitgang in eene achterstraat heeft. Alles gelegen op de verdieping van een hotel, zoo groot, dat dit apartement nog niet eens eene geheele rij vensters beslaat aan den eenen kant van het binnenplein, waarop de vier zijden van het gebouw uitzien.Eene pracht, genoeg verbleekt om iets zwaarmoedigs te hebben, en nog schitterend genoeg, om door zekeren zweem van staatsie het gewone gebruik te belemmeren, heerschte in deze vertrekken. De wanden en zolderingen waren beschilderd en verguld; de vloeren waren ingelegd en geboend; roode draperieën hingen om vensters, deuren en spiegels; branches, gewrongen en door elkander gevlochten gelijk takken van boomen of hoornen van dieren, staken uit de wandpaneelen. Maar overdag, wanneer de luiken, nu dicht gesloten, open waren, en het licht binnenscheen, waren onder al dien opschik de sporen zichtbaar van slijting en stof, van zonneschijn, vochtigheid en rook, en lange tusschenpoozen van gebrek aan gebruik en bewoning, wanneer zulke staatsiekamers schijnen te verkwijnen evenals menschen doen, die in eene gevangenis zijn opgesloten. Zelfs de avond en de groepen van brandende kaarsen konden deze sporen niet geheel uitwisschen, schoon het algemeene geflikker ze minder deed opmerken.Het geflikker van helder brandende bougies en de weerkaatsing daarvan in spiegels, van verguldsel en schitterende kleuren, was dezen avond tot maar eene kamer beperkt—dat kleine vertrekje, achter de andere zoo pas opgenoemde. Uit de voorzaal gezien, waar eene flauwe lamp brandde, door het donkere verschiet van opene deuren, scheen het glansrijk en kostbaar als een juweel. In het hart van dien glans zat eene schoone vrouw—Edith.Zij was alleen. Haar gelaat had nog dezelfde uitdrukking van uitdagenden trots. Hare wangen waren eenigszins vermagerd, hare oogen schenen eenigszins grooter, maar hadden nog meer glans, en hare fiere houding was juist dezelfde. Geene schaamte op haar voorhoofd; geen laat berouw boog haar trotschen hals. Nog even statig en gebiedend, en toch onverschillig voor zich zelve en alle andere dingen, zat zij daar, met hare donkere oogen neergeslagen, naar iemand te wachten.Geen boek, geen werk, geene bezigheid hoegenaamd behalve hare eigene gedachten, kortte den slependen tijd. Een voornemen, krachtig genoeg om haar voor niets anders aandacht te laten, vervulde haar. Met dicht geknepene lippen, die beefden als zij ze voor een oogenblik van dat bedwang ontsloeg; met opgespannen neusgaten, met samengeknepene handen, en met haar voornemen in hare zwoegende borst, zat zij daar te wachten.Toen zij een sleutel in de buitendeur hoorde[376]steken, en daarop een voetstap in de voorzaal volgde, sprong zij op en riep: “Wie is daar?” Het antwoord was in het Fransch, en twee mannen kwamen met rammelende borden, om de tafel te dekken voor het souper.Wie had hen dat belast? vroeg zij.Monsieur had het besteld, toen het hem beliefde dat apartement te nemen. Monsieur had gezegd, toen hij hieren routeeen uur was gebleven en een brief voor madame had gelaten—madame had dien brief toch wel ontvangen?“Ja.”Duizendmaal pardon! De plotselinge vrees, dat hij vergeten kon zijn, had hem, een man met een kaal hoofd en een grooten baard, van een naburigen restaurant, tot wanhoop gebracht! Monsieur had gezegd, dat het souper op dat uur gereed moest wezen; en had in zijn brief madame ook gewaarschuwd wat hij besteld had. Monsieur had het Gouden Hoofd de eer bewezen om te verzoeken, dat het souper uitgelezen en keurig zou zijn. Monsieur zou bevinden, dat zijn vertrouwen in het Gouden Hoofd niet verkeerd geplaatst was geweest.Edith zeide niets meer, maar zag peinzend toe, terwijl zij de tafel voor twee personen dekten en wijn daarop zetten. Eer zij gedaan hadden stond zij op, en eene lamp nemende, ging zij in de slaapkamer en het salon, waar zij haastig maar nauwkeurig al de deuren onderzocht, vooral eene deur in de laatste kamer, die in een smallen gang uitkwam. Zij nam den sleutel daaruit en stak dien aan den buitenkant. Daarna kwam zij terug.De mannen—waarvan de tweede er zeer donker en galachtig uitzag, met een buisje, glad geschoren en met zwarte, zeer kort geknipte haren—hadden de tafel gedekt en stonden nu hun werk aan te zien. Hij, die eerst gesproken had, vroeg of madame dacht, dat het nog lang zou duren eer monsieur kwam.Zij kon dat niet zeggen. Het kwam er niet op aan.Pardon! Daar was het souper. Het moest nu dadelijk gebruikt worden. Monsieur (die Fransch sprak als een engel—of als een Franschman—dat was hetzelfde) had met zeer veel nadruk van zijne preciesheid gesproken. Maar de Engelsche natie had zulk een groot genie voor preciesheid. Ha, welk gerucht! Groote Hemel, daar was monsieur. “Le voilà!”Inderdaad, monsieur, door den ander van de twee ingelaten, kwam, met zijne blinkende tanden, door de donkere kamers aan, alsof hij geheel en al mond was; maar in dat heiligdom van licht en kleur gekomen, bleek hij een man ten voeten uit te zijn, omhelsde madame en sprak haar in de Fransche taal aan als zijne bekoorlijke vrouw.“Mijn God! madame zal flauw vallen. Madame is overstelpt van blijdschap.” De man met het kale hoofd en den baard merkte dit op en riep dit uit.Madame was maar bevend teruggedeinsd. Eer de woorden nog geheel waren uitgesproken, stond zij met hare hand op een fluweelen rug van een leuningstoel, tot hare volle lengte opgericht, en met een onbeweeglijk strak gezicht.“François is naar het Gouden Hoofd gevlogen om het souper. Hij vliegt bij zulke gelegenheden als een engel of een vogel. De bagage van monsieur is in zijne kamer. Alles is gearrangeerd. Het souper zal in een oogenblik hier zijn.” Deze feiten werden door den kalen man met buigingen en glimlachjes aangekondigd, en weldra kwam het souper.De warme schotels stonden op een komfoor; de koude waren reeds, met het noodige tafelgereedschap, op een buffet gezet. Monsieur was met deze schikking tevreden. Dat de tafel zoo klein was beviel hem zeer wel. Zij moesten het komfoor maar op den grond zetten en heengaan. Hij zou zelf de schotels wel verplaatsen.“Pardon!” zeide de kale man zeer beleefd. Dat was onmogelijk.Monsieur was van een ander gevoelen. Hij had dien avond geene verdere bediening noodig.“Maar madame,” gaf de kale man in bedenking.Madame, antwoordde monsieur, had hare eigene kamenier. Dat was genoeg.Een millioen maal pardon! Neen! Madame had geene kamenier.“Ik ben alleen hier gekomen,” zeide Edith. “Dat was mijne verkiezing zoo. Ik ben wel aan het reizen gewoon; ik heb geene bediening noodig. Zij behoeven mij niemand te zenden.”Monsieur liet, bij zijne eerste onmogelijkheid blijvende, de twee bedienden de buitendeur uit en sloot die achter hen. Toen de kale man zich omkeerde om te buigen, merkte hij op dat madame nog met hare hand op den fluweelen rug van den leuningstoel stond, en dat zij hem geheel niet scheen te zien, hoewel zij recht voor zich uitkeek.Toen het gerucht, dat Carker maakte bij het sluiten der deur, door de reeks der kamers klonk en dof gesmoord die laatste scheen te bereiken, klonk Edith te gelijk eene kerkklok in de ooren, die twaalf sloeg. Zij hoorde hem stilstaan, alsof hij die klok insgelijks hoorde en luisterde, en toen naar haar terugkomen, met eene lange reeks van voetstappen door de stilte, en naarmate hij verder kwam elke deur achter zich sluitende. Hare hand verliet een oogenblik den fluweelen rug van den stoel, om een mes op de tafel binnen haar bereik te brengen; toen stond zij weder gelijk zij te voren had gestaan.“Hoe vreemd dat gij alleen hier komt, lieve,” zeide hij toen hij de kamer inkwam.—“Wat!” zeide zij.[377]Haar toon was zoo ruw; de snelle wending van haar hoofd zoo woest; hare houding zoo terugstootend, en haar gezicht zoo donker en dreigend, dat hij haar met de lamp in de hand bleef staan aanzien, alsof zij hem had doen versteenen.“Ik zeg,” herhaalde hij eindelijk met zijn allerbeleefdsten glimlach, “hoe vreemd, geheel alleen hier te komen! Dat was waarlijk wel eene noodelooze voorzichtigheid, die zich zelve had kunnen verijdelen. Gij hadt teHavreofRouaaneene dienstbode moeten nemen, en hebt daartoe overvloedig tijd gehad, hoewel gij de grilligste en ongemakkelijkste van alle vrouwen zijt, gelijk gij ook de schoonste zijt, mijn lief.”Hare oogen zagen hem aan met een vreemden glans, maar zij bleef met hare hand op den stoel staan leunen, en sprak geen woord.“Ik heb u nooit zoo schoon gezien als van avond,” hervatte Carker. “Zelfs het portret, dat ik gedurende dezen harden proeftijd in mijn gemoed heb omgedragen, en dat ik nacht en dag heb beschouwd, wordt door de werkelijkheid overtroffen,”Geen woord. Geen blik. Hare oogen geheel verborgen door de hangende wimpers, maar haar hoofd recht opgericht.Nog op hare knieën en met hare oogen op het vuur gevestigd. (blz. 373).Nog op hare knieën en met hare oogen op het vuur gevestigd.(blz. 373).“Harde en strenge bedingen waren het!” zeide Carker met een glimlach; “maar zij zijn allen vervuld en voorbij, en maken het tegenwoordige des te verrukkelijker en te veiliger.Siciliëzal onze wijkplaats zijn. In het traagste[378]en verkwikkelijkste gedeelte der wereld, mijn liefje, zullen wij beide vergoeding zoeken voor de oude slavernij.”Hij kwam vroolijk naar haar toe, toen zij eensklaps het mes van de tafel greep, en hij een stap terugdeinsde.“Blijf staan,” zeide zij, “of ik zal u vermoorden.”De plotselinge verandering in haar, de woede en afschuw, die in hare oogen flikkerden deden hem stilstaan alsof een brand hem had gestuit.“Blijf staan,” zeide zij. “Kom niet nader, op uw leven.”“Kom, kom! Wij zijn alleen, en niemand hoort of ziet ons. Denkt gij mij bang te maken met die kuurtjes van deugdzame dames?”—“Denkt gijmijbang te maken,” antwoordde zij woest, “met mij te herinneren dat ik hier alleen ben en er geene hulp nabij is? Denkt gij mij daardoor van eenig plan of voornemen af te schrikken? Mij, die met opzet hier alleen ben? Als ik bang voor u was geweest, zou ik dan hier zijn, in het holste van den nacht, om u in uw gezicht te zeggen wat ik u zeggen zal?”—“En wat is dat,” zeide hij, “gij schoone haneveer? Schooner zóó dan eene andere vrouw in haar best humeur?”—“Ik zeg u niets voordat gij naar dien stoel teruggaat,” antwoordde zij,—“behalve dit nog eens—kom niet nader. Geen stap nader. Ik zeg u, als gij dat doet, zoo waar als de hemel ons ziet, zal ik u vermoorden.”—“Ziet gij mij bij vergissing voor uw man aan?” vroeg hij grijnzend.Zonder zich te verwaardigen om antwoord te geven, strekte zij haar arm uit, en wees naar den stoel. Hij beet op zijne lippen, rimpelde zijn voorhoofd, lachte, en zette er zich op neer, met eene teleurstelling en verlegenheid, die hij onmogelijk kon ontveinzen; zenuwachtig op zijne nagels bijtende, keek hij haar zijdelings met bittere wreveligheid aan, hoewel hij wilde veinzen dat hij zich met hare grilligheid vermaakte.Zij legde het mes op de tafel neer, en naar hare borst wijzende, zeide zij:“Ik heb hier iets zitten dat geen minnepand is, en liever dan nog eens te verdragen dat ge mij aanraakt zou ik het tegen u gebruiken—en dat weet gij, terwijl ik spreek—met minder bezwaar dan tegen eenig kruipend gedierte dat er leeft.”Hij veinsde schertsend te lachen en verzocht haar om haar spelletje spoedig uit te spelen, want dat het souper koud werd. Maar de geheime blik, waarmede hij haar aanzag, werd norscher en dreigender, en meer dan eens stampte hij met een gemompelden vloek op den grond.“Hoe dikwijls,” zeide Edith, hem met haar donkersten blik aanziende, “heeft uwe vermetele snoodheid mij met schimp en beleedigingen vervolgd? Hoe dikwijls ben ik, door uwe beleefde manieren, uwe spottende woorden en blikken met mijne vrijage en mijn huwelijk geplaagd? Hoe dikwijls hebt gij mijne wond van liefde voor dat lieve, mishandelde meisje, blootgelegd en opgereten? Hoe dikwijls hebt gij het vuur aangeblazen, dat mij twee jaren lang gemarteld heeft, en mij in verzoeking willen brengen om mij dolzinnig over mijne marteling te wreken?”—“Ik twijfel er niet aan, mevrouw,” antwoordde hij, “of gij hebt er goede rekening van gehouden, en zult het dus wel juist weten. Kom, kom, Edith. Tegen uw man, dien ellendigen bloed, mocht dit aangaan.…”—“Wat,” zeide zij, hem aanziende met eene trotsche minachting, waaronder hij wegkromp, hoewel hij zich goed wilde houden, “als al mijne andere redenen om hem te verachten als veertjes hadden weggeblazen kunnen worden, zou het bijna reeds genoeg zijn geweest dat hij u tot raadsman en gunsteling had.”—“Is dat de reden waarom ge met mij zijt weggeloopen?” vroeg hij tergend.—“Ja, en waarom wij elkander nu voor de laatste maal zien. Ellendeling! Wij komen dezen nacht bijeen, en scheiden dezen nacht. Geen oogenblik nadat ik gedaan heb met spreken, zal ik meer hier blijven.”Hij keerde zich naar haar om met zijn afschuwelijksten blik, en greep de tafel met zijne hand aan; maar stond niet op, en deed of zeide niets anders om haar te dreigen.“Ik ben eene vrouw,” zeide zij, hem strak aanziende, “die van hare kindsheid af beschaamd gemaakt en verstaald is. Ik ben aangeboden, afgekeurd, opgeveild en uitgeloofd, tot mijne ziel er van walgde. Ik had geen talent, dat mij van nut had kunnen wezen, of het is opgevijzeld en uitgestald, om mijne waarde te verhoogen, alsof de omroeper het door de straten had uitgeschreeuwd. Mijne arme, trotsche betrekkingen zagen dat aan en keurden het goed, en elke band tusschen ons is losgemaakt. Er is niemand van hen om wien ik zooveel geef, als ik om een schoothondje zou geven. Ik sta alleen, alleen in de wereld, en weet wel welk eene valsche wereld het voor mij geweest is, en welk eene valsche rol ik er in gespeeld heb. Gij weet dat, en gij weet dat mijn goede naam voor de wereld geene waarde voor mij heeft.”—“Ja, dat heb ik mij wel verbeeld,” antwoordde hij.—“En er op gerekend,” hernam zij, “en mij daarom vervolgd. Al te onverschillig geworden voor eenigen anderen tegenstand dan onverschilligheid tegen den dagelijkschen arbeid der handen, die mij daartoe gevormd hadden, en wetende dat mijn huwelijk ten minste zou beletten dat ik langer werd rondgevent, liet ik mij verkoopen, zoo schandelijk als ooit eene vrouw met een touw om den hals op eene markt is verkocht. Dat weet gij.”—“Ja,” zeide hij, al zijne tanden toonende. “Dat[379]weet ik.”—“Nu, daarop hebt gij gerekend en mij daarom vervolgd,” zeide zij nog eens. “Van mijn trouwdag af vond ik mij blootgesteld aan zulk eene nieuwe schande—aan zulke aanzoeken en vervolgingen (zoo duidelijk uitgedrukt alsof zij met de grofste woorden geschreven en mij telkens in de hand gestopt waren) van een en denzelfden gemeenen schurk, dat het mij was alsof ik tot dien tijd toe nog nooit vernedering had gevoeld. Die schande deed mijn echtgenoot mij aan; hij zelf overstelpte mij daarmede; met zijne eigene handen dompelde hij mij daarin, en dat herhaalde hij geheel eigenwillig honderden malen. En zoo—door die twee van ieder rustpunt verdrongen, dat ik nog had—door die twee gedwongen om het laatste overblijfsel van liefde en zachtheid in mijn binnenste te verzaken, of het onschuldige voorwerp daarvan tot een nieuw onheil te wezen—van den een naar den ander gedreven, en door den een belaagd als ik den ander ontsnapte—steeg mijne gramschap tegen beiden bijna tot razernij. Ik weet niet wien ik meer haatte—den meester of den knecht.”Hij lette scherp op haar, terwijl zij daar voor hem stond in de zegepraal harer vergramde schoonheid. Zij was vastberaden, dat zag hij; onverschrokken; niet meer bevreesd voor hem dan voor een worm.“Wat zou ik tegen u van eer of kuischheid zeggen!” vervolgde zij. “Welke beteekenis zouden die woorden voor u hebben; welke beteekenis zouden zij voor mij hebben! Maar als ik u zeg, dat de minste aanraking van uwe hand mijn bloed van tegenzin doet stollen; dat gij van het uur af toen ik u voor het eerst zag en haatte tot nu toe, nu mijn onwillekeurige afschuw van u is vergroot door al de kennis, die ik van u heb opgedaan, gij een walgelijk schepsel voor mij zijt geweest, dat op aarde geen gelijke meer heeft; hoe dan?”Hij antwoordde met een flauwen lach: “Ja, hoe dan, mijne koningin?”“Op dien avond toen gij, aangemoedigd door het tooneel, dat gij hadt bijgewoond, het hart hadt om in mijne kamer te komen en mij aan te spreken,” zeide zij, “wat is er toen voorgevallen?”Hij haalde zijne schouders op en lachte wederom.“Wat is er toen voorgevallen?” zeide zij.—“Uw geheugen is zoo goed,” antwoordde hij, “dat gij het u zonder twijfel wel herinneren kunt.”—“Dat kan ik,” zeide zij. “Hoor dan! Mij toen deze vlucht voorstellende—niet deze vlucht, maar de vlucht, waar gij aan dacht—hebt gij mij gezegd dat ik, nu ik u die bijeenkomst had gegeven, zoodat gij u daar bij mij kondt laten ontdekken, als gij dat goedvondt, en ik u dikwijls te voren met mij alleen had laten zijn—en gelegenheid daartoe gemaakt had, was uw gezegde—en ik u openlijk bekend had, dat ik voor mijn man geen ander gevoel dan afkeer koesterde en om mij zelve niet gaf—reeds verloren was; dat ik u macht had gegeven om mijn naam door het slijk te slepen—dat mijne eer van een enkel woord van u afhing.”—“In de liefde zijn alle krijgslisten …” viel hij er met een glimlach op in. “Hetoudespreekwoord …”—“Op dien avond en toen,” zeide Edith, “kwam er een einde aan mijn langdurigen strijd met iets, dat geene achting voor mijn goeden naam was—ik weet niet wat het was—misschien gehechtheid aan dat laatste overschot van liefde. Op dien avond en toen keerde ik alles den rug behalve mijn haat en mijne wraak. Ik deed een slag, die uw trotschen meester in het stof neervelde, en u daar voor mij zette, gelijk gij mij nu aanziet en weet wat ik meen.”Hij sprong met een zwaren vloek van zijn stoel op. Zij stak hare hand in hare borst, en geen vinger beefde, geen haar op haar hoofd trilde. Hij bleef stil staan, zij insgelijks, met de tafel en den stoel tusschen hen in.“Als ik vergeet dat die man zijne lippen aan de mijne bracht en mij in zijne armen sloot, gelijk hij van avond nog eens gedaan heeft,” zeide Edith, naar hem wijzende; “als ik de smet van zijn kus op mijne wang vergeet—de wang, waartegen Florence haar schuldeloos gezichtje wilde leggen—als ik mijne ontmoeting met haar vergeet, terwijl die smet mij zoo heet aankleefde, en hoe de bewustheid mij overstelpte dat ik, terwijl ik haar van de kwellingen bevrijdde, die ik haar door mijne liefde had veroorzaakt, te gelijk haar naam door den mijnen tot schande bracht, en haar, als zij aan mij dacht, ook altijd zou doen denken aan de eerste maal, dat zij een schuldig schepsel ontweek—dan, echtgenoot, van wien ik voortaan gescheiden ben, zal ik de laatste twee jaren vergeten, en herdoen, wat ik gedaan heb, en u uw waan benemen.”Hare flikkerende oogen, even opgeslagen, vestigden zich nu weder op Carker, en zij reikte hem met hare linkerhand eenige brieven toe.“Zie deze!” zeide zij verachtelijk. “Die hebt gij mij gezonden in den valschen naam, waaronder gij reist, een hier, andere onderweg. Zij zijn niet geopend. Neem ze terug!”Zij kneep ze in hare hand ineen en wierp ze hem voor de voeten.“Wij vinden elkander van nacht en scheiden van nacht,” zeide zij. “Gij hebt wat te vroeg op Siciliaansche dagen van weelderig genot gerekend. Gij hadt nog wat langer kunnen kruipen en vleien en uwe verradersrol spelen, en nog rijker worden. Gij koopt uwe wellustige rust wat te duur.”—“Edith,” antwoordde hij, haar met zijne hand dreigende. “Ga zitten! Houd op daarmee! Welke duivel regeert u?”—“Hun[380]naam is Legioen,” antwoordde zij, zich trotsch oprichtende; “gij en uw meester hebt ze in een vruchtbaar huis opgekweekt, en zij zullen u beiden verscheuren. Gij valschaard, valsch voor hem, valsch voor zijn onschuldig kind, valsch voor iedereen en aan alle kanten, ga heen en poch op mij, en knarsetand, omdat gij weet dat gij liegt!”Hij stond voor haar, mompelend en dreigend, en keek rond alsof hij naar iets zocht, dat hem helpen kon om haar te overmeesteren; maar zij bleef even onverschrokken staan.“In elke logen, waarmede gij snoeft,” zeide zij, “triomfeer ik. Ik kies u uit als den gemeensten kerel dien ik ken, den pluimstrijker en het werktuig van den trotschen tiran, opdat zijne wond dieper zou gaan en pijnlijker steken. Snoef, en wreek mij zoo op hem! Gij weet hoe gij van nacht hier zijt gekomen, en gij weet hoe armzalig gij daar staat; gij ziet u zelven met kleuren even verachtelijk, zoo niet even hatelijk, als waarmede ik u zie. Snoef dan, en wreek mij op u zelven.”Het schuim stond op zijne lippen, het zweet op zijn voorhoofd. Als zij maar voor een half oogenblik had gewankeld, zou hij haar hebben aangepakt en vastgebonden; maar zij stond zoo vast als eene rots, en hare doordringende oogen werden niet van hem afgewend.“Wij scheiden zoo niet,” zeide hij. “Denkt gij dat ik suf ben, om u in zulk eene dolle bui te laten gaan?”—“Denkt gij,” antwoordde zij, “dat ik tegen te houden ben.”—“Dat zal ik beproeven, mijn liefje,” zeide hij, met eene driftige beweging van zijne hand.—“God zij u genadig, als gij beproeft dichter bij mij te komen,” antwoordde zij.—“En als ik nu eens niet zoo snoeven wilde?” zeide hij. “Als ik mij ook eens omkeerde? Kom aan!” Hij liet zijne tanden wederom eenigszins blinken. “Wij moeten accoord daarvan maken, ofikzou iets onverwachts kunnen doen. Ga zitten, ga zitten!”—“Te laat!” riep zij uit, met oogen, waaruit vonken schenen te schieten. “Ik heb eer en goeden naam in den wind gestrooid. Ik heb besloten de schande te dragen, die aan mij kleven zal—maar ik wil dat ik die ten onrechte draag—en dat gij dat ook weet—en dat hij het nooit kan en zal weten. Ik zal sterven zonder woord of teeken. Daarom ben ik hier met u alleen in het holste van den nacht. Daarom heb ik u hier onder een valschen naam als uwe vrouw afgewacht. Daarom heb ik mij door deze lieden hier laten zien. Niets kan u nu meer redden.”Hij had zijne ziel wel willen verkoopen om haar met hare schoonheid aan den grond te doen vastwortelen, hare armen te doen verlammen, en haar in zijn geweld te hebben. Maar hij kon haar niet aanzien zonder bevreesd voor haar te zijn. Hij zag eene kracht in haar, die onweerstaanbaar was. Hij zag dat zij wanhopig was en dat haar onuitdoofbare haat tegen hem voor niets zou terugdeinzen. Zijne oogen volgden de hand, die met zulk een doodelijk opzet in hare borst werd gestoken, en hij dacht dat die hand, als zij naar hem stiet en miste, even snel naar hare eigene borst zou stooten.Hij waagde het dus niet haar te naderen, maar de deur, waardoor hij was binnengekomen, was achter hem, en hij ging achteruit om die te sluiten.“Voor het laatst, laat u waarschuwen! Zorg voor u zelven!” zeide zij en glimlachte nog eens. “Gij zijt verraden, gelijk alle verraders worden. Het is bekend geworden, dat gij hier zijt of hier zoudt komen. Zoo waar als ik leef, heb ik van avond mijn man hier in een rijtuig gezien.”—“Hoer, dat is gelogen!” schreeuwde Carker.Op het oogenblik werd er hard aan de schel in de voorzaal getrokken. Hij verbleekte, terwijl zij hare hand ophief, als ware zij eene tooveres, op wier wil dat geluid zich liet hooren.“Luister! Hoort ge dat?”Hij zette zijn rug tegen de deur; want hij zag eene verandering in haar en verbeeldde zich, dat zij vooruitkwam om hem voorbij te gaan. Maar in een oogenblik was zij verdwenen door de andere deur, die in de slaapkamer uitkwam, en was deze achter haar gesloten.Toen zij zich eens had omgekeerd, eens haar strakken blik van hem had afgeweerd, gevoelde hij, dat hij met haar kon kampen. Hij meende dat de schrik van dit onverwachte nachtgerucht haar overmeesterd had, des te gemakkelijker door den overspannen toestand waarin zij verkeerde. Hij duwde de dubbele deur open en volgde haar, bijna oogenblikkelijk.Maar de kamer was donker, en daar zij op zijn roepen geen antwoord gaf, moest hij teruggaan om de lamp. Hij hield die omhoog en keek overal rond, verwachtende haar ergens in een hoek te zien weggekropen; maar de kamer was ledig. Zoo ging hij achtereenvolgens naar het salon en de eetzaal, met den onzekeren tred van iemand die ergens vreemd is, zag vreesachtig rond en keek achter sofa’s en kamerschutten, maar zij was er niet. Neen, ook niet in de voorzaal, die zoo ledig was, dat hij dit met eene enkelen blik kon zien.Al dien tijd werd er bij herhaling aan de schel getrokken, en bonsden zij, die buiten stonden, op de deur. Hij zette zijne lamp op een afstand neer, ging dichtbij en luisterde. Verscheidene stemmen waren te gelijk aan het spreken, twee ten minste daarvan in het Engelsch; en schoon de deur dik en de verwarring groot was, kende hij eene daarvan te wel om te twijfelen wiens stem het was.Hij nam zijne lamp weder op en ging snel terug door al de kamers heen, bij elk vertrek,[381]dat hij verliet, stilstaande en naar haar rondziende, met het licht boven zijn hoofd. Zoo stond hij in de slaapkamer, toen de deur, die in den geheimen gang uitkwam, hem in het oog viel. Hij ging er naar toe, en vond ze aan den anderen kant gesloten; maar zij had bij het uitgaan eene voile laten vallen en tusschen de deur ingesloten.Al dien tijd stond men op de trap te schellen en met handen en voeten op de deur te rammelen.Hij was geen lafaard; maar deze geluiden, het voorafgaande, het vreemde der plaats, dat hem verbijsterde, de verijdeling zijner plannen (want, vreemd genoeg, hij zou veel stouter zijn geweest als zij hem gelukt waren), het nachtelijk uur, de herinnering dat hij niemand nabij zich had op wien hij zich voor een vriendendienst kon beroepen, vooral het plotselinge gevoel, dat zelfs zijn hart als lood bezwaarde, dat de man, wiens vertrouwen hij had misbruikt en dien hij zoo verraderlijk had bedrogen, daar was om hem zijn masker af te rukken en uit te dagen,—dat alles vervulde hem met een blinden schrik. Hij poogde de deur te openen, waartusschen de voile was ingesloten, maar zij wederstond zijn geweld. Hij schoof een der vensters open en keek door het zonneblind naar beneden op de plaats; maar het was een hooge sprong, en de steenen waren genadeloos.Het schellen en bonzen bleef nog aanhouden—zijn angst nam toe—hij ging weder naar de deur in de slaapkamer, en met nieuwe pogingen, telkens sterker dan te voren zijne krachten inspannende, wrong hij ze open. Daar hij niet veraf eene smalle trap zag en de nachtlucht naar boven voelde komen, ging hij zachtjes terug om hoed en jas te halen, sloot de deur achter zich zoo goed hij kon, sloop met het licht in de hand naar beneden, deed het uit toen hij de straatdeur zag, zette de lamp in een hoek neer, en ging naar buiten, waar de sterren schitterden.

De tijd, een uur voor middernacht; de plaats, een Fransch apartement, bestaande uit een half dozijn vertrekken;—eene donkere koude antichambre of corridor, eene eetzaal, een salon, eene slaapkamer, en een kabinet of boudoir, kleiner en meer afgelegen dan de andere kamers. Dat alles afgesloten met eene dubbele deur, die op de groote trap uitkomt, maar elke kamer voorzien van twee of drie eigene deuren, die verscheidene middelen van gemeenschap aanbieden met het overige van het apartement, en zekere smalle gangen tusschen de muren, die, gelijk in zulke huizen niet ongewoon is, naar eene achtertrap voeren, welke onderaan een uitgang in eene achterstraat heeft. Alles gelegen op de verdieping van een hotel, zoo groot, dat dit apartement nog niet eens eene geheele rij vensters beslaat aan den eenen kant van het binnenplein, waarop de vier zijden van het gebouw uitzien.

Eene pracht, genoeg verbleekt om iets zwaarmoedigs te hebben, en nog schitterend genoeg, om door zekeren zweem van staatsie het gewone gebruik te belemmeren, heerschte in deze vertrekken. De wanden en zolderingen waren beschilderd en verguld; de vloeren waren ingelegd en geboend; roode draperieën hingen om vensters, deuren en spiegels; branches, gewrongen en door elkander gevlochten gelijk takken van boomen of hoornen van dieren, staken uit de wandpaneelen. Maar overdag, wanneer de luiken, nu dicht gesloten, open waren, en het licht binnenscheen, waren onder al dien opschik de sporen zichtbaar van slijting en stof, van zonneschijn, vochtigheid en rook, en lange tusschenpoozen van gebrek aan gebruik en bewoning, wanneer zulke staatsiekamers schijnen te verkwijnen evenals menschen doen, die in eene gevangenis zijn opgesloten. Zelfs de avond en de groepen van brandende kaarsen konden deze sporen niet geheel uitwisschen, schoon het algemeene geflikker ze minder deed opmerken.

Het geflikker van helder brandende bougies en de weerkaatsing daarvan in spiegels, van verguldsel en schitterende kleuren, was dezen avond tot maar eene kamer beperkt—dat kleine vertrekje, achter de andere zoo pas opgenoemde. Uit de voorzaal gezien, waar eene flauwe lamp brandde, door het donkere verschiet van opene deuren, scheen het glansrijk en kostbaar als een juweel. In het hart van dien glans zat eene schoone vrouw—Edith.

Zij was alleen. Haar gelaat had nog dezelfde uitdrukking van uitdagenden trots. Hare wangen waren eenigszins vermagerd, hare oogen schenen eenigszins grooter, maar hadden nog meer glans, en hare fiere houding was juist dezelfde. Geene schaamte op haar voorhoofd; geen laat berouw boog haar trotschen hals. Nog even statig en gebiedend, en toch onverschillig voor zich zelve en alle andere dingen, zat zij daar, met hare donkere oogen neergeslagen, naar iemand te wachten.

Geen boek, geen werk, geene bezigheid hoegenaamd behalve hare eigene gedachten, kortte den slependen tijd. Een voornemen, krachtig genoeg om haar voor niets anders aandacht te laten, vervulde haar. Met dicht geknepene lippen, die beefden als zij ze voor een oogenblik van dat bedwang ontsloeg; met opgespannen neusgaten, met samengeknepene handen, en met haar voornemen in hare zwoegende borst, zat zij daar te wachten.

Toen zij een sleutel in de buitendeur hoorde[376]steken, en daarop een voetstap in de voorzaal volgde, sprong zij op en riep: “Wie is daar?” Het antwoord was in het Fransch, en twee mannen kwamen met rammelende borden, om de tafel te dekken voor het souper.

Wie had hen dat belast? vroeg zij.

Monsieur had het besteld, toen het hem beliefde dat apartement te nemen. Monsieur had gezegd, toen hij hieren routeeen uur was gebleven en een brief voor madame had gelaten—madame had dien brief toch wel ontvangen?

“Ja.”

Duizendmaal pardon! De plotselinge vrees, dat hij vergeten kon zijn, had hem, een man met een kaal hoofd en een grooten baard, van een naburigen restaurant, tot wanhoop gebracht! Monsieur had gezegd, dat het souper op dat uur gereed moest wezen; en had in zijn brief madame ook gewaarschuwd wat hij besteld had. Monsieur had het Gouden Hoofd de eer bewezen om te verzoeken, dat het souper uitgelezen en keurig zou zijn. Monsieur zou bevinden, dat zijn vertrouwen in het Gouden Hoofd niet verkeerd geplaatst was geweest.

Edith zeide niets meer, maar zag peinzend toe, terwijl zij de tafel voor twee personen dekten en wijn daarop zetten. Eer zij gedaan hadden stond zij op, en eene lamp nemende, ging zij in de slaapkamer en het salon, waar zij haastig maar nauwkeurig al de deuren onderzocht, vooral eene deur in de laatste kamer, die in een smallen gang uitkwam. Zij nam den sleutel daaruit en stak dien aan den buitenkant. Daarna kwam zij terug.

De mannen—waarvan de tweede er zeer donker en galachtig uitzag, met een buisje, glad geschoren en met zwarte, zeer kort geknipte haren—hadden de tafel gedekt en stonden nu hun werk aan te zien. Hij, die eerst gesproken had, vroeg of madame dacht, dat het nog lang zou duren eer monsieur kwam.

Zij kon dat niet zeggen. Het kwam er niet op aan.

Pardon! Daar was het souper. Het moest nu dadelijk gebruikt worden. Monsieur (die Fransch sprak als een engel—of als een Franschman—dat was hetzelfde) had met zeer veel nadruk van zijne preciesheid gesproken. Maar de Engelsche natie had zulk een groot genie voor preciesheid. Ha, welk gerucht! Groote Hemel, daar was monsieur. “Le voilà!”

Inderdaad, monsieur, door den ander van de twee ingelaten, kwam, met zijne blinkende tanden, door de donkere kamers aan, alsof hij geheel en al mond was; maar in dat heiligdom van licht en kleur gekomen, bleek hij een man ten voeten uit te zijn, omhelsde madame en sprak haar in de Fransche taal aan als zijne bekoorlijke vrouw.

“Mijn God! madame zal flauw vallen. Madame is overstelpt van blijdschap.” De man met het kale hoofd en den baard merkte dit op en riep dit uit.

Madame was maar bevend teruggedeinsd. Eer de woorden nog geheel waren uitgesproken, stond zij met hare hand op een fluweelen rug van een leuningstoel, tot hare volle lengte opgericht, en met een onbeweeglijk strak gezicht.

“François is naar het Gouden Hoofd gevlogen om het souper. Hij vliegt bij zulke gelegenheden als een engel of een vogel. De bagage van monsieur is in zijne kamer. Alles is gearrangeerd. Het souper zal in een oogenblik hier zijn.” Deze feiten werden door den kalen man met buigingen en glimlachjes aangekondigd, en weldra kwam het souper.

De warme schotels stonden op een komfoor; de koude waren reeds, met het noodige tafelgereedschap, op een buffet gezet. Monsieur was met deze schikking tevreden. Dat de tafel zoo klein was beviel hem zeer wel. Zij moesten het komfoor maar op den grond zetten en heengaan. Hij zou zelf de schotels wel verplaatsen.

“Pardon!” zeide de kale man zeer beleefd. Dat was onmogelijk.

Monsieur was van een ander gevoelen. Hij had dien avond geene verdere bediening noodig.

“Maar madame,” gaf de kale man in bedenking.

Madame, antwoordde monsieur, had hare eigene kamenier. Dat was genoeg.

Een millioen maal pardon! Neen! Madame had geene kamenier.

“Ik ben alleen hier gekomen,” zeide Edith. “Dat was mijne verkiezing zoo. Ik ben wel aan het reizen gewoon; ik heb geene bediening noodig. Zij behoeven mij niemand te zenden.”

Monsieur liet, bij zijne eerste onmogelijkheid blijvende, de twee bedienden de buitendeur uit en sloot die achter hen. Toen de kale man zich omkeerde om te buigen, merkte hij op dat madame nog met hare hand op den fluweelen rug van den leuningstoel stond, en dat zij hem geheel niet scheen te zien, hoewel zij recht voor zich uitkeek.

Toen het gerucht, dat Carker maakte bij het sluiten der deur, door de reeks der kamers klonk en dof gesmoord die laatste scheen te bereiken, klonk Edith te gelijk eene kerkklok in de ooren, die twaalf sloeg. Zij hoorde hem stilstaan, alsof hij die klok insgelijks hoorde en luisterde, en toen naar haar terugkomen, met eene lange reeks van voetstappen door de stilte, en naarmate hij verder kwam elke deur achter zich sluitende. Hare hand verliet een oogenblik den fluweelen rug van den stoel, om een mes op de tafel binnen haar bereik te brengen; toen stond zij weder gelijk zij te voren had gestaan.

“Hoe vreemd dat gij alleen hier komt, lieve,” zeide hij toen hij de kamer inkwam.—“Wat!” zeide zij.[377]

Haar toon was zoo ruw; de snelle wending van haar hoofd zoo woest; hare houding zoo terugstootend, en haar gezicht zoo donker en dreigend, dat hij haar met de lamp in de hand bleef staan aanzien, alsof zij hem had doen versteenen.

“Ik zeg,” herhaalde hij eindelijk met zijn allerbeleefdsten glimlach, “hoe vreemd, geheel alleen hier te komen! Dat was waarlijk wel eene noodelooze voorzichtigheid, die zich zelve had kunnen verijdelen. Gij hadt teHavreofRouaaneene dienstbode moeten nemen, en hebt daartoe overvloedig tijd gehad, hoewel gij de grilligste en ongemakkelijkste van alle vrouwen zijt, gelijk gij ook de schoonste zijt, mijn lief.”

Hare oogen zagen hem aan met een vreemden glans, maar zij bleef met hare hand op den stoel staan leunen, en sprak geen woord.

“Ik heb u nooit zoo schoon gezien als van avond,” hervatte Carker. “Zelfs het portret, dat ik gedurende dezen harden proeftijd in mijn gemoed heb omgedragen, en dat ik nacht en dag heb beschouwd, wordt door de werkelijkheid overtroffen,”

Geen woord. Geen blik. Hare oogen geheel verborgen door de hangende wimpers, maar haar hoofd recht opgericht.

Nog op hare knieën en met hare oogen op het vuur gevestigd. (blz. 373).Nog op hare knieën en met hare oogen op het vuur gevestigd.(blz. 373).

Nog op hare knieën en met hare oogen op het vuur gevestigd.(blz. 373).

“Harde en strenge bedingen waren het!” zeide Carker met een glimlach; “maar zij zijn allen vervuld en voorbij, en maken het tegenwoordige des te verrukkelijker en te veiliger.Siciliëzal onze wijkplaats zijn. In het traagste[378]en verkwikkelijkste gedeelte der wereld, mijn liefje, zullen wij beide vergoeding zoeken voor de oude slavernij.”

Hij kwam vroolijk naar haar toe, toen zij eensklaps het mes van de tafel greep, en hij een stap terugdeinsde.

“Blijf staan,” zeide zij, “of ik zal u vermoorden.”

De plotselinge verandering in haar, de woede en afschuw, die in hare oogen flikkerden deden hem stilstaan alsof een brand hem had gestuit.

“Blijf staan,” zeide zij. “Kom niet nader, op uw leven.”

“Kom, kom! Wij zijn alleen, en niemand hoort of ziet ons. Denkt gij mij bang te maken met die kuurtjes van deugdzame dames?”—“Denkt gijmijbang te maken,” antwoordde zij woest, “met mij te herinneren dat ik hier alleen ben en er geene hulp nabij is? Denkt gij mij daardoor van eenig plan of voornemen af te schrikken? Mij, die met opzet hier alleen ben? Als ik bang voor u was geweest, zou ik dan hier zijn, in het holste van den nacht, om u in uw gezicht te zeggen wat ik u zeggen zal?”—“En wat is dat,” zeide hij, “gij schoone haneveer? Schooner zóó dan eene andere vrouw in haar best humeur?”—“Ik zeg u niets voordat gij naar dien stoel teruggaat,” antwoordde zij,—“behalve dit nog eens—kom niet nader. Geen stap nader. Ik zeg u, als gij dat doet, zoo waar als de hemel ons ziet, zal ik u vermoorden.”—“Ziet gij mij bij vergissing voor uw man aan?” vroeg hij grijnzend.

Zonder zich te verwaardigen om antwoord te geven, strekte zij haar arm uit, en wees naar den stoel. Hij beet op zijne lippen, rimpelde zijn voorhoofd, lachte, en zette er zich op neer, met eene teleurstelling en verlegenheid, die hij onmogelijk kon ontveinzen; zenuwachtig op zijne nagels bijtende, keek hij haar zijdelings met bittere wreveligheid aan, hoewel hij wilde veinzen dat hij zich met hare grilligheid vermaakte.

Zij legde het mes op de tafel neer, en naar hare borst wijzende, zeide zij:

“Ik heb hier iets zitten dat geen minnepand is, en liever dan nog eens te verdragen dat ge mij aanraakt zou ik het tegen u gebruiken—en dat weet gij, terwijl ik spreek—met minder bezwaar dan tegen eenig kruipend gedierte dat er leeft.”

Hij veinsde schertsend te lachen en verzocht haar om haar spelletje spoedig uit te spelen, want dat het souper koud werd. Maar de geheime blik, waarmede hij haar aanzag, werd norscher en dreigender, en meer dan eens stampte hij met een gemompelden vloek op den grond.

“Hoe dikwijls,” zeide Edith, hem met haar donkersten blik aanziende, “heeft uwe vermetele snoodheid mij met schimp en beleedigingen vervolgd? Hoe dikwijls ben ik, door uwe beleefde manieren, uwe spottende woorden en blikken met mijne vrijage en mijn huwelijk geplaagd? Hoe dikwijls hebt gij mijne wond van liefde voor dat lieve, mishandelde meisje, blootgelegd en opgereten? Hoe dikwijls hebt gij het vuur aangeblazen, dat mij twee jaren lang gemarteld heeft, en mij in verzoeking willen brengen om mij dolzinnig over mijne marteling te wreken?”—“Ik twijfel er niet aan, mevrouw,” antwoordde hij, “of gij hebt er goede rekening van gehouden, en zult het dus wel juist weten. Kom, kom, Edith. Tegen uw man, dien ellendigen bloed, mocht dit aangaan.…”—“Wat,” zeide zij, hem aanziende met eene trotsche minachting, waaronder hij wegkromp, hoewel hij zich goed wilde houden, “als al mijne andere redenen om hem te verachten als veertjes hadden weggeblazen kunnen worden, zou het bijna reeds genoeg zijn geweest dat hij u tot raadsman en gunsteling had.”—“Is dat de reden waarom ge met mij zijt weggeloopen?” vroeg hij tergend.—“Ja, en waarom wij elkander nu voor de laatste maal zien. Ellendeling! Wij komen dezen nacht bijeen, en scheiden dezen nacht. Geen oogenblik nadat ik gedaan heb met spreken, zal ik meer hier blijven.”

Hij keerde zich naar haar om met zijn afschuwelijksten blik, en greep de tafel met zijne hand aan; maar stond niet op, en deed of zeide niets anders om haar te dreigen.

“Ik ben eene vrouw,” zeide zij, hem strak aanziende, “die van hare kindsheid af beschaamd gemaakt en verstaald is. Ik ben aangeboden, afgekeurd, opgeveild en uitgeloofd, tot mijne ziel er van walgde. Ik had geen talent, dat mij van nut had kunnen wezen, of het is opgevijzeld en uitgestald, om mijne waarde te verhoogen, alsof de omroeper het door de straten had uitgeschreeuwd. Mijne arme, trotsche betrekkingen zagen dat aan en keurden het goed, en elke band tusschen ons is losgemaakt. Er is niemand van hen om wien ik zooveel geef, als ik om een schoothondje zou geven. Ik sta alleen, alleen in de wereld, en weet wel welk eene valsche wereld het voor mij geweest is, en welk eene valsche rol ik er in gespeeld heb. Gij weet dat, en gij weet dat mijn goede naam voor de wereld geene waarde voor mij heeft.”—“Ja, dat heb ik mij wel verbeeld,” antwoordde hij.—“En er op gerekend,” hernam zij, “en mij daarom vervolgd. Al te onverschillig geworden voor eenigen anderen tegenstand dan onverschilligheid tegen den dagelijkschen arbeid der handen, die mij daartoe gevormd hadden, en wetende dat mijn huwelijk ten minste zou beletten dat ik langer werd rondgevent, liet ik mij verkoopen, zoo schandelijk als ooit eene vrouw met een touw om den hals op eene markt is verkocht. Dat weet gij.”—“Ja,” zeide hij, al zijne tanden toonende. “Dat[379]weet ik.”—“Nu, daarop hebt gij gerekend en mij daarom vervolgd,” zeide zij nog eens. “Van mijn trouwdag af vond ik mij blootgesteld aan zulk eene nieuwe schande—aan zulke aanzoeken en vervolgingen (zoo duidelijk uitgedrukt alsof zij met de grofste woorden geschreven en mij telkens in de hand gestopt waren) van een en denzelfden gemeenen schurk, dat het mij was alsof ik tot dien tijd toe nog nooit vernedering had gevoeld. Die schande deed mijn echtgenoot mij aan; hij zelf overstelpte mij daarmede; met zijne eigene handen dompelde hij mij daarin, en dat herhaalde hij geheel eigenwillig honderden malen. En zoo—door die twee van ieder rustpunt verdrongen, dat ik nog had—door die twee gedwongen om het laatste overblijfsel van liefde en zachtheid in mijn binnenste te verzaken, of het onschuldige voorwerp daarvan tot een nieuw onheil te wezen—van den een naar den ander gedreven, en door den een belaagd als ik den ander ontsnapte—steeg mijne gramschap tegen beiden bijna tot razernij. Ik weet niet wien ik meer haatte—den meester of den knecht.”

Hij lette scherp op haar, terwijl zij daar voor hem stond in de zegepraal harer vergramde schoonheid. Zij was vastberaden, dat zag hij; onverschrokken; niet meer bevreesd voor hem dan voor een worm.

“Wat zou ik tegen u van eer of kuischheid zeggen!” vervolgde zij. “Welke beteekenis zouden die woorden voor u hebben; welke beteekenis zouden zij voor mij hebben! Maar als ik u zeg, dat de minste aanraking van uwe hand mijn bloed van tegenzin doet stollen; dat gij van het uur af toen ik u voor het eerst zag en haatte tot nu toe, nu mijn onwillekeurige afschuw van u is vergroot door al de kennis, die ik van u heb opgedaan, gij een walgelijk schepsel voor mij zijt geweest, dat op aarde geen gelijke meer heeft; hoe dan?”

Hij antwoordde met een flauwen lach: “Ja, hoe dan, mijne koningin?”

“Op dien avond toen gij, aangemoedigd door het tooneel, dat gij hadt bijgewoond, het hart hadt om in mijne kamer te komen en mij aan te spreken,” zeide zij, “wat is er toen voorgevallen?”

Hij haalde zijne schouders op en lachte wederom.

“Wat is er toen voorgevallen?” zeide zij.—“Uw geheugen is zoo goed,” antwoordde hij, “dat gij het u zonder twijfel wel herinneren kunt.”—“Dat kan ik,” zeide zij. “Hoor dan! Mij toen deze vlucht voorstellende—niet deze vlucht, maar de vlucht, waar gij aan dacht—hebt gij mij gezegd dat ik, nu ik u die bijeenkomst had gegeven, zoodat gij u daar bij mij kondt laten ontdekken, als gij dat goedvondt, en ik u dikwijls te voren met mij alleen had laten zijn—en gelegenheid daartoe gemaakt had, was uw gezegde—en ik u openlijk bekend had, dat ik voor mijn man geen ander gevoel dan afkeer koesterde en om mij zelve niet gaf—reeds verloren was; dat ik u macht had gegeven om mijn naam door het slijk te slepen—dat mijne eer van een enkel woord van u afhing.”—“In de liefde zijn alle krijgslisten …” viel hij er met een glimlach op in. “Hetoudespreekwoord …”—“Op dien avond en toen,” zeide Edith, “kwam er een einde aan mijn langdurigen strijd met iets, dat geene achting voor mijn goeden naam was—ik weet niet wat het was—misschien gehechtheid aan dat laatste overschot van liefde. Op dien avond en toen keerde ik alles den rug behalve mijn haat en mijne wraak. Ik deed een slag, die uw trotschen meester in het stof neervelde, en u daar voor mij zette, gelijk gij mij nu aanziet en weet wat ik meen.”

Hij sprong met een zwaren vloek van zijn stoel op. Zij stak hare hand in hare borst, en geen vinger beefde, geen haar op haar hoofd trilde. Hij bleef stil staan, zij insgelijks, met de tafel en den stoel tusschen hen in.

“Als ik vergeet dat die man zijne lippen aan de mijne bracht en mij in zijne armen sloot, gelijk hij van avond nog eens gedaan heeft,” zeide Edith, naar hem wijzende; “als ik de smet van zijn kus op mijne wang vergeet—de wang, waartegen Florence haar schuldeloos gezichtje wilde leggen—als ik mijne ontmoeting met haar vergeet, terwijl die smet mij zoo heet aankleefde, en hoe de bewustheid mij overstelpte dat ik, terwijl ik haar van de kwellingen bevrijdde, die ik haar door mijne liefde had veroorzaakt, te gelijk haar naam door den mijnen tot schande bracht, en haar, als zij aan mij dacht, ook altijd zou doen denken aan de eerste maal, dat zij een schuldig schepsel ontweek—dan, echtgenoot, van wien ik voortaan gescheiden ben, zal ik de laatste twee jaren vergeten, en herdoen, wat ik gedaan heb, en u uw waan benemen.”

Hare flikkerende oogen, even opgeslagen, vestigden zich nu weder op Carker, en zij reikte hem met hare linkerhand eenige brieven toe.

“Zie deze!” zeide zij verachtelijk. “Die hebt gij mij gezonden in den valschen naam, waaronder gij reist, een hier, andere onderweg. Zij zijn niet geopend. Neem ze terug!”

Zij kneep ze in hare hand ineen en wierp ze hem voor de voeten.

“Wij vinden elkander van nacht en scheiden van nacht,” zeide zij. “Gij hebt wat te vroeg op Siciliaansche dagen van weelderig genot gerekend. Gij hadt nog wat langer kunnen kruipen en vleien en uwe verradersrol spelen, en nog rijker worden. Gij koopt uwe wellustige rust wat te duur.”—“Edith,” antwoordde hij, haar met zijne hand dreigende. “Ga zitten! Houd op daarmee! Welke duivel regeert u?”—“Hun[380]naam is Legioen,” antwoordde zij, zich trotsch oprichtende; “gij en uw meester hebt ze in een vruchtbaar huis opgekweekt, en zij zullen u beiden verscheuren. Gij valschaard, valsch voor hem, valsch voor zijn onschuldig kind, valsch voor iedereen en aan alle kanten, ga heen en poch op mij, en knarsetand, omdat gij weet dat gij liegt!”

Hij stond voor haar, mompelend en dreigend, en keek rond alsof hij naar iets zocht, dat hem helpen kon om haar te overmeesteren; maar zij bleef even onverschrokken staan.

“In elke logen, waarmede gij snoeft,” zeide zij, “triomfeer ik. Ik kies u uit als den gemeensten kerel dien ik ken, den pluimstrijker en het werktuig van den trotschen tiran, opdat zijne wond dieper zou gaan en pijnlijker steken. Snoef, en wreek mij zoo op hem! Gij weet hoe gij van nacht hier zijt gekomen, en gij weet hoe armzalig gij daar staat; gij ziet u zelven met kleuren even verachtelijk, zoo niet even hatelijk, als waarmede ik u zie. Snoef dan, en wreek mij op u zelven.”

Het schuim stond op zijne lippen, het zweet op zijn voorhoofd. Als zij maar voor een half oogenblik had gewankeld, zou hij haar hebben aangepakt en vastgebonden; maar zij stond zoo vast als eene rots, en hare doordringende oogen werden niet van hem afgewend.

“Wij scheiden zoo niet,” zeide hij. “Denkt gij dat ik suf ben, om u in zulk eene dolle bui te laten gaan?”—“Denkt gij,” antwoordde zij, “dat ik tegen te houden ben.”—“Dat zal ik beproeven, mijn liefje,” zeide hij, met eene driftige beweging van zijne hand.—“God zij u genadig, als gij beproeft dichter bij mij te komen,” antwoordde zij.—“En als ik nu eens niet zoo snoeven wilde?” zeide hij. “Als ik mij ook eens omkeerde? Kom aan!” Hij liet zijne tanden wederom eenigszins blinken. “Wij moeten accoord daarvan maken, ofikzou iets onverwachts kunnen doen. Ga zitten, ga zitten!”—“Te laat!” riep zij uit, met oogen, waaruit vonken schenen te schieten. “Ik heb eer en goeden naam in den wind gestrooid. Ik heb besloten de schande te dragen, die aan mij kleven zal—maar ik wil dat ik die ten onrechte draag—en dat gij dat ook weet—en dat hij het nooit kan en zal weten. Ik zal sterven zonder woord of teeken. Daarom ben ik hier met u alleen in het holste van den nacht. Daarom heb ik u hier onder een valschen naam als uwe vrouw afgewacht. Daarom heb ik mij door deze lieden hier laten zien. Niets kan u nu meer redden.”

Hij had zijne ziel wel willen verkoopen om haar met hare schoonheid aan den grond te doen vastwortelen, hare armen te doen verlammen, en haar in zijn geweld te hebben. Maar hij kon haar niet aanzien zonder bevreesd voor haar te zijn. Hij zag eene kracht in haar, die onweerstaanbaar was. Hij zag dat zij wanhopig was en dat haar onuitdoofbare haat tegen hem voor niets zou terugdeinzen. Zijne oogen volgden de hand, die met zulk een doodelijk opzet in hare borst werd gestoken, en hij dacht dat die hand, als zij naar hem stiet en miste, even snel naar hare eigene borst zou stooten.

Hij waagde het dus niet haar te naderen, maar de deur, waardoor hij was binnengekomen, was achter hem, en hij ging achteruit om die te sluiten.

“Voor het laatst, laat u waarschuwen! Zorg voor u zelven!” zeide zij en glimlachte nog eens. “Gij zijt verraden, gelijk alle verraders worden. Het is bekend geworden, dat gij hier zijt of hier zoudt komen. Zoo waar als ik leef, heb ik van avond mijn man hier in een rijtuig gezien.”—“Hoer, dat is gelogen!” schreeuwde Carker.

Op het oogenblik werd er hard aan de schel in de voorzaal getrokken. Hij verbleekte, terwijl zij hare hand ophief, als ware zij eene tooveres, op wier wil dat geluid zich liet hooren.

“Luister! Hoort ge dat?”

Hij zette zijn rug tegen de deur; want hij zag eene verandering in haar en verbeeldde zich, dat zij vooruitkwam om hem voorbij te gaan. Maar in een oogenblik was zij verdwenen door de andere deur, die in de slaapkamer uitkwam, en was deze achter haar gesloten.

Toen zij zich eens had omgekeerd, eens haar strakken blik van hem had afgeweerd, gevoelde hij, dat hij met haar kon kampen. Hij meende dat de schrik van dit onverwachte nachtgerucht haar overmeesterd had, des te gemakkelijker door den overspannen toestand waarin zij verkeerde. Hij duwde de dubbele deur open en volgde haar, bijna oogenblikkelijk.

Maar de kamer was donker, en daar zij op zijn roepen geen antwoord gaf, moest hij teruggaan om de lamp. Hij hield die omhoog en keek overal rond, verwachtende haar ergens in een hoek te zien weggekropen; maar de kamer was ledig. Zoo ging hij achtereenvolgens naar het salon en de eetzaal, met den onzekeren tred van iemand die ergens vreemd is, zag vreesachtig rond en keek achter sofa’s en kamerschutten, maar zij was er niet. Neen, ook niet in de voorzaal, die zoo ledig was, dat hij dit met eene enkelen blik kon zien.

Al dien tijd werd er bij herhaling aan de schel getrokken, en bonsden zij, die buiten stonden, op de deur. Hij zette zijne lamp op een afstand neer, ging dichtbij en luisterde. Verscheidene stemmen waren te gelijk aan het spreken, twee ten minste daarvan in het Engelsch; en schoon de deur dik en de verwarring groot was, kende hij eene daarvan te wel om te twijfelen wiens stem het was.

Hij nam zijne lamp weder op en ging snel terug door al de kamers heen, bij elk vertrek,[381]dat hij verliet, stilstaande en naar haar rondziende, met het licht boven zijn hoofd. Zoo stond hij in de slaapkamer, toen de deur, die in den geheimen gang uitkwam, hem in het oog viel. Hij ging er naar toe, en vond ze aan den anderen kant gesloten; maar zij had bij het uitgaan eene voile laten vallen en tusschen de deur ingesloten.

Al dien tijd stond men op de trap te schellen en met handen en voeten op de deur te rammelen.

Hij was geen lafaard; maar deze geluiden, het voorafgaande, het vreemde der plaats, dat hem verbijsterde, de verijdeling zijner plannen (want, vreemd genoeg, hij zou veel stouter zijn geweest als zij hem gelukt waren), het nachtelijk uur, de herinnering dat hij niemand nabij zich had op wien hij zich voor een vriendendienst kon beroepen, vooral het plotselinge gevoel, dat zelfs zijn hart als lood bezwaarde, dat de man, wiens vertrouwen hij had misbruikt en dien hij zoo verraderlijk had bedrogen, daar was om hem zijn masker af te rukken en uit te dagen,—dat alles vervulde hem met een blinden schrik. Hij poogde de deur te openen, waartusschen de voile was ingesloten, maar zij wederstond zijn geweld. Hij schoof een der vensters open en keek door het zonneblind naar beneden op de plaats; maar het was een hooge sprong, en de steenen waren genadeloos.

Het schellen en bonzen bleef nog aanhouden—zijn angst nam toe—hij ging weder naar de deur in de slaapkamer, en met nieuwe pogingen, telkens sterker dan te voren zijne krachten inspannende, wrong hij ze open. Daar hij niet veraf eene smalle trap zag en de nachtlucht naar boven voelde komen, ging hij zachtjes terug om hoed en jas te halen, sloot de deur achter zich zoo goed hij kon, sloop met het licht in de hand naar beneden, deed het uit toen hij de straatdeur zag, zette de lamp in een hoek neer, en ging naar buiten, waar de sterren schitterden.


Back to IndexNext