LV.

[Inhoud]LV.ROB DE SLIJPER VERLIEST ZIJNE BETREKKING.De portier van het ijzeren hek, dat het binnenplein van de straat afsloot, had het deurtje van zijn huis opengelaten en was heengegaan, zonder twijfel door het gerucht op de groote trap nieuwsgierig geworden. Zachtjes de klink oplichtende, sloop Carker naar buiten, sloot het kletterende hek met zoo weinig gerucht als mogelijk was, en snelde heen.In zijne koorts van ergernis en machtelooze woede, had de laatste schrik hem geheel overmeesterd. Zijn angst was zoo groot dat hij liever blindelings tegen bijna ieder gevaar zou zijn ingeloopen, dan den man te ontmoeten, dien hij twee uren geleden niet het minste had geteld. Zijne woedende komst, geheel onverwacht; de klank van zijne stem; dat zij zoo op het punt geweest waren om elkander onder de oogen te komen—daarover zou hij zich na de eerste ontsteltenis hebben heen gezet, en zoo onbeschaamd met zijne schuld hebben gepraald als ooit een booswicht gedaan heeft. Maar dat zijne mijn tegen hem zelven was gesprongen, scheen al zijne stoutheid en zelfvertrouwen vermorseld te hebben. In het stof getreden als een kruipend gedierte; daarheen gelokt om hem te bespotten; gesmaad en verschopt door de trotsche vrouw, wier gemoed hij langzaam had vergiftigd, naar hij meende, tot zij tot eene dienares voor zijne vermaken was gezonken; betrapt in zijn bedrog, en met zijne vossenhuid afgestroopt, sloop hij verslagen, beschaamd en vreesachtig heen.Nog een andere schrik, geheel buiten verband met de gedachte van vervolgd te worden, trof hem eensklaps als een electrische schok, terwijl hij door de straten ging. Iets denkbeeldigs en ontzettends, iets onbegrijpelijks en onverklaarbaars, een gedruis, vergezeld met een dreunen van den grond, een gieren en suizen van iets door de lucht, alsof de dood zelf op zijne geduchte vleugelen kwam aanstormen. Hij kroop op zijde als om dat voorwerp te laten voorbijvliegen. Het vloog niet voorbij, het was er nooit geweest, maar welk eene ontsteltenis had het toch achtergelaten.Hij hief zijn angstig gezicht naar den nachthemel op, waar de sterren, zoo vreedzaam, hem beschenen gelijk toen hij pas in de lucht kwam, en bleef staan om te overleggen wat hij doen zou. De vrees om in eene vreemde afgelegene plaats te worden overvallen, waar de wetten hem misschien niet zouden beschermen—het nieuwe van het gevoel, dat het hem daarom hier zoo vreemd was, omdat hij eensklaps met zijne verwoeste plannen alleen was gebleven—zijn nog grooter angst om nu inItaliëof opSiciliëschuilplaats te zoeken, waar, dacht hij, op elken hoek eener straat een kerel kon worden gehuurd om hem te vermoorden—de wispelturigheid van schuld en vrees—misschien zeker gevoel dat, nu al zijne plannen waren omgekeerd, hij insgelijks moest omkeeren—dreef hem om dit werkelijk te doen en zich weder naarEngelandte begeven.“Daar ben ik in allen gevalle veiliger. Als ik er niet toe mocht besluiten,” dacht hij, “om dien gek satisfactie te geven, is het minder waarschijnlijk dat ik daar zal worden opgespoord, dan nu hier buitenslands. En als ik het mocht doen (als die verwenschte vlaag van schrik maar over is) zal ik daar ten minste niet alleen zijn,[382]zonder iemand om mee te spreken, of mij raad te geven of bij te staan. Ik wil mij niet laten achterhalen en afmaken als een rat.”Hij mompelde Edith’s naam en balde zijne vuist. Terwijl hij in de schaduw der huizen voortsloop, klemde hij zijne tanden samen, en prevelde geduchte vervloekingen over haar hoofd, en keek heen en weder, alsof hij haar zocht. Zoo sloop hij voort tot aan de poort van een herbergplein. Men was in bed; maar het schellen deed weldra een man met eene lantaren aankomen, met wien hij spoedig in het donkere koetshuis was en dong over het huren van een ouden phaëton, naarParijs.De onderhandeling duurde kort, en spoedig werden de paarden gehaald. Zeggende dat het rijtuig hem maar volgen moest, zoodra zij waren voorgespannen, sloop hij weder heen, de stad uit, de oude vestingwerken door en den open weg op, die als een stroom over de donkere vlakte scheen voort te glijden.Waarheen vloeide hij? Wat was het eind er van? Toen hij stilstond, en terwijl hem zoo iets in de gedachten kwam, over de sombere vlakte uitkeek, waar dunne boompjes de richting van den weg aanduidden, kwam weder dat geduchte gedruis achter hem aan, vloog hem weder met onweerstaanbare, doodelijke vaart voorbij, en liet wederom niets achter dan eene ontzetting, even donker als in het uitzicht, even onbestemd als de gezichteinder.Er was geen wind; er was geen voorbijzwevende schaduw over het veld; er was geen gerucht. De stad lag achter hem, hier en daar verlicht, en sterrenwerelden verborgen zich achter den toren en het kerkdak, die nauwelijks een tegen de lucht afstekenden omtrek vertoonden. Duisternis en eenzaamheid lagen overal om hem heen, en hij hoorde de klokken flauw twee uur slaan.Hij ging voort, een langen tijd en een verren weg naar het hem voorkwam, en bleef dikwijls stilstaan om te luisteren. Eindelijk begroette het gerinkel van bellen zijne angstig luisterende ooren. Nu zachter, dan luider, dan weder onhoorbaar, nu zeer langzaam klinkend over slechten grond, dan vlug en vroolijk, kwam het aan; tot met een luidruchtig geroep en zweepgeklap een tot aan de oogen ingebakerde postiljon zijne vier trappelende paarden naast hem ophield.“Wie gaat daar! monsieur?”—“Ja.”—“Monsieur heeft heel ver gewandeld in den donkeren nacht.”—“Dat doet er niet toe. Ieder zijn smaak. Waren er nog andere paarden aan het posthuis besteld?”—“Duizend duivels!—en pardons! Nog andere paarden? Op dit uur? Neen.”—“Luister, mijn vriend. Ik heb groote haast. Laat eens zien hoe hard wij kunnen rijden. Hoe harder, des te meer drinkgeld. Voort dan! Snel!”—“Hallo! Hoep! Hallo! Hi!” En voort ging het in galop door het donkere landschap, dat modder en stof als zeeschuim in de lucht vlogen.Het gekletter en geraas was een weergalm van het verwarde oproer in de gedachten des vluchtelings. Niets was helder van buiten, niets helder van binnen. Voorwerpen, die voorbijvlogen, in elkander versmolten, flauw onderscheiden werden, in verwarring verdwenen! Voorbij de afwisselende plekjes struikgewas en de huisjes vlak langs den weg eene akelige ledige vlakte. Voorbij de afwisselende beelden, die voor zijn geest oprezen en weder verdwenen zoodra zij zich vertoonden, eene donkere ledigheid van woede, vrees en teleurgestelde schurkerij. Nu en dan kwam er een zuchtje berglucht van het afgelegeneJuragebergte, en verdween langs de vlakte. Somtijds kwam dat gierende gedruis, dat zoo woedend en akelig was, wederom door zijne verbeelding suizen, ging voorbij, en liet eene ijzing in zijn bloed achter.De lantarens, op den warhoop van paardenkoppen schijnende, met den ingebakerden postiljon en zijn fladderenden mantel, vormden duizend onduidelijke gedaanten, die aan zijne gedachten beantwoordden. Schimmen, welbekende menschen, over hunne lessenaren en boeken gebukt, in hunne welbekende houdingen; vreemde verschijnselen van den man dien hij ontvluchtte of van Edith; herhalingen, in het gerinkel der bellen of het geratel der wielen, van woorden die gesproken waren; eene verwarring van tijd en plaats, welke den laatsten nacht tot eene maand geleden, eene maand geleden tot den laatsten nacht maakte—die zijn thuis nu ongenaakbaar ver, dan oogenblikkelijk bereikbaar deed schijnen, gejaagdheid, verwarring, duisternis en oproer in zijn geest en overal om hem heen.—Hallo! Hi! Voort in galop door het zwarte landschap, dat slijk en stof als zeeschuim wegvliegen, terwijl de dampende paarden snuiven en trappelen alsof ieder door een duivel bereden werd; voort in dollen zegevierenden ren langs den donkeren weg—waarheen?Wederom komt dat onbeschrijfelijke gedruis achter hem aan, en terwijl het voorbijvliegt, rinkelen de bellen hem in de ooren “waarheen?” De wielen brullen hem in de ooren “waarheen?” Al het gerucht en geratel vormt zich tot dien kreet. De lichten en schaduwen dansen als elfen om de koppen der paarden. Nu geen ophouden, geen vertragen! Voort, voort! Voort met hem in dollen ren langs den donkeren weg!Hij kon niet duidelijk denken. Hij kon het eene voorwerp zijner gedachten niet genoeg van het andere onderscheiden, om er eene minuut lang bij te blijven vertoeven. Het verijdelen van zijn plan om zich voor vroeger bedwang eene wellustige vergoeding te verschaffen; de straf voor zijn verraad aan iemand, die hem eerlijk en edelmoedig behandeld had, maar van wien[383]hij ieder trotsch woord en blik sedert jaren had opgezameld en op interest gezet—want valsche en listige menschen verachten en haten altijd heimelijk het voorwerp hunner vleierij, en wrokken altijd over het betalen en aannemen dier hulde, die zij weten dat geene waarde heeft; dat waren de onderwerpen die hem het meest voor den geest zweefden. Eene stille woede tegen de vrouw, die hem zoo verschalkt en zich zelve zoo gewroken had, was daarmede altijd gemengd; onbekookte, wanstaltige plannen tot vergelding van haar bedrijf dreven in zijn brein rond; maar niets was duidelijk. Zekere gejaagdheid en tegenstrijdigheid beheerschte al zijne gedachten. Zelfs terwijl hij zoo druk bezig was met dit koortsige, verwarde denken, was zijne eenige steeds blijvende gedachte, dat hij het nadenken tot zekeren onbepaalden tijd wilde uitstellen.Toen kwamen de oude dagen voor het tweede huwelijk hem weder in het geheugen. Hij dacht hoe jaloersch hij op het knaapje, hoe jaloersch hij op het meisje geweest was, hoe listig hij alle indringers op een afstand had gehouden, en om den man, dien hij misleidde, een kring had getrokken, waarover niemand dan hij zelf moest heen stappen; en toen dacht hij: had hij dat alles gedaan om nu, als een betrapte dief, voor niemand anders dan hem, dien hij zoo bedrogen had en zoo verachtte, te vluchten?Hij had uit wrevel over zijne lafhartigheid de handen wel aan zich zelven kunnen slaan, maar die lafhartigheid was als het ware de schaduw zijner nederlaag, en kon niet daarvan worden afgescheiden. Zijn vertrouwen op zijne eigene schurkerij zoo met één slag te zien verwoesten, zelf te weten dat hij zulk een ellendig werktuig was geweest, dit had hem zoo goed als verlamd. Met machtelooze woede vloekte hij op Edith, haatte hij Dombey en haatte hij zich zelven, maar toch vluchtte hij, en kon hij niet anders dan vluchten.Nogmaals en nogmaals luisterde hij naar het gerucht van wielen achter hem. Nogmaals en nogmaals verbeeldde hij zich dat hij het al luider en luider hoorde aankomen. Eindelijk was hij er zoo van overtuigd, dat hij riep: “Houd op!” en liever grond wilde verliezen dan langer die onzekerheid verdragen.Zijn bevel deed rijtuig, paarden en postiljon met een schok op elkander stuiven en stilstaan.“Duivel!” riep de postiljon, over zijn schouder omkijkende. “Wat is er?”—“Luister! Wat is dat?”—“Wat?”—“Dat geluid.”—“O hemel! stil dan, vervloekte brigand!” tot een paard, dat zijne bellen schudde. “Wat voor geluid?”—“Daar achter ons. Is dat niet een ander rijtuig in galop? Daar! Wat is dat?”—“Schelm met een varkenskop, sta stil!” tot een ander paard, dat een ander beet, dat de twee andere schichtig maakte, die steigerden en trappelden. “Daar komt niets aan.”—“Niets?”—“Niets, dan daar ginds de dag.”—“Gij hebt gelijk, geloof ik. Ik hoor nu ook niets. Rijd maar voort.”De in elkander gewarde equipage, half verborgen in den damp, die van de paarden opstijgt, rijdt eerst langzaam voort, want de postiljon, buiten noodzaak in zijne vaart gestuit, haalt brommig zijn zakmes uit en maakt een nieuwen slag aan zijne zweep. En toen “Hallo Ho!” Nog eens in dollen ren.En nu verbleekten de sterren, en brak de dageraad aan, en in het rijtuig overeindstaande en terugziende, kon de vluchteling den weg onderscheiden, dien hij had afgelegd, en zich overtuigen dat er geen reiziger meer in het gezicht was. En spoedig werd het helder dag, en begon de zon op korenvelden en wijngaarden te schijnen, en gingen eenzame arbeiders uit tijdelijke hutjes, bij groote steenhoopen aan den weg, aan het werk om dien weg te herstellen, en hun brood zitten eten. Later gingen er landlieden naar hun dagwerk of naar de markt, of stonden zij aan de deuren van armoedige huisjes ledig naar hem te kijken, terwijl hij voorbijreed. En toen kwam het posthuis, waar de modder een half voet hoog op het voorplein lag, met rookende mesthoopen en bouwvallige schuren; en aan dit fraaie plein stond een uitgestrekt oud kasteel, met de helft der vensters toegemetseld en met eene groene schimmel begroeid van de steenen borstwering van het terras, tot aan de naar dompertjes gelijkende torenspitsen.Lusteloos in een hoek van het rijtuig gedoken, en zich om niets anders bekommerende dan dat men hard doorreed—behalve wanneer hij, een kwartier achtereen, opstond en achteromkeek, hetgeen hij telkens deed als men een vrij uitzicht had—reed hij nog voort, nog het nadenken onbepaald uitstellende, en toch steeds gepijnigd door allerlei verwarde gedachten.Schaamte, teleurstelling en wreveligheid knaagden aan zijn hart, eene gedurige vrees om ingehaald of ontmoet te worden—want hij was zelf zonder eenige reden bevreesd voor de reizigers, die hem op den weg tegenkwamen—drukte hem ter neer. Dezelfde ondraaglijke angst en ontzetting, die hem in den nacht hadden overvallen, keerden overdag onverzwakt terug. Het eentonige rinkelen der bellen en stampen der paarden; de eentonigheid van zijn angst en nuttelooze woede; het eentonige rad van vrees, spijt en gramschap, dat al om en om draaide; dat alles maakte de reis tot een visioen, waarin niets werkelijk bestaan had dan zijne eigene marteling.Het was een visioen van lange wegen, welke zich tot den gezichteinder uitstrekten, die steeds terugweek en nooit bereikt werd; van slecht[384]bestrate steden, niet op- en neerloopende straten, waar gezichten voor de donkere deuren en doffe vensters kwamen, waar rijen van bemodderde koeien en ossen, in lange straten te koop vastgebonden, stonden te loeien en te stooten, en op hunne botte koppen slagen met knuppels kregen, hard genoeg om ze de hersenen in te slaan; van bruggen, kruisen, kerken, posthuizen, nieuwe paarden tegen wil en dank voorgespannen, en paarden van het laatste station, dampende en hijgende, hunne koppen zwaarmoedig bij eene staldeur bij elkander stekende; van kleine kerkhoven met zwarte kruisen, schuins bij graven gezet, en verwelkte kransen daaraan hangende; en wederom van lange, lange wegen, die zich, heuvel op en heuvel af, naar den verraderlijken gezichteinder voortsleepten.Van morgen, middag, avond en nacht en het opkomen der maan. Van lange wegen voor eene poos achtergelaten en het ratelen over eene ongelijke straat, en het opkijken tusschen de huizen naar een grooten kerktoren; van uitstappen en haastig eten, en glazen wijn drinken, die geen vervroolijkenden invloed hadden; van te voet buiten te komen, tusschen een zwerm van bedelaars—blindemannen met trillende oogleden, geleid door oude vrouwen, die hen kaarsen voor het gezicht hielden, onwijze kinderen, lammen en kreupelen—van door het rumoer heen te gaan en van zijne plaats naar de omhooggekeerde gezichten en uitgestokene handen te kijken, met een haastig opkomenden angst van een vervolger te herkennen—van weder voort te rennen langs den langen, langen weg, dof en versuft in zijn hoek gedoken, of op te staan om te zien waar mijlen ver op een plekje van denzelfden eindeloozen weg de maan scheen, of om te kijken om te zien wie er volgde.Van nooit te slapen, maar somtijds met ongeslotene oogen te dutten, en met een schrik op te springen en overluid te antwoorden op eene denkbeeldige stem. Van zich zelven te vervloeken, dat hij daar was, dat hij gevlucht was, dat hij haar had laten gaan, dat hij hem niet had afgewacht en uitgetart. Van een doodelijken wrok tegen de geheele wereld, maar vooral tegen zich zelven. Van alles wel te willen verdelgen terwijl hij voorbijreed.Het was een koortsig visioen van verledene en tegenwoordige dingen allen ondereen geward, van zijn leven en zijne reis te zamen gesmolten. Van in dolle vaart ergens heengevoerd te worden, waar hij heenmoest. Van oude tooneelen, oprijzende tusschen de nieuwe, waardoor hij heenreed. Van te peinzen en te mijmeren over hetgeen lang geleden en veraf was, en niet te letten op de voorwerpen, die hij wezenlijk zag, maar toch met eene vermoeiende bewustheid dat zij hem verbijsterden, en als zij verdwenen hunne beelden in zijn gloeiend brein achterlieten.Een visioen van veranderingen op veranderingen, en toch dezelfde eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Van stad en land, pesthuizen, paarden, postiljons, heuvel en dal, droog weder en regen, wegen en straten, licht en duisternis, hoogten en laagten, en toch dezelfde eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Een visioen van eindelijk de hoofdstad te naderen, langs drukke wegen, en voorbij oude domkerken te rijden, en door kleine steden en dorpen te vliegen, minder dun dan te voren langs den weg gesprenkeld, en in zijn hoek gedoken te zitten, met zijn mantel half voor zijn gezicht, als voorbijgangers hem aankeken.Van voort en voort te rennen, altijd het denken uitstellende, en altijd gemarteld door zijne woelige gedachten; van buiten staat te zijn om te berekenen hoelang hij onderweg was geweest, of te begrijpen hoe de plaatsen elkander op zijne reis hadden gevolgd. Van dorstig, duizelig en half krankzinnig te zijn. Van ondanks dat alles toch voort te jagen, alsof hij niet kon ophouden, enParijsbinnen te rijden, waar de troebele rivier ongestoord haar snellen loop vervolgde, tusschen twee bruisende stroomen van leven en beweging.Dan een verward visioen van bruggen, kaden, eindelooze straten; van wijnhuizen, waterdragers, gedrang van menschen, soldaten, koetsen, trommels en gaanderijen. Van een algemeen gewoel en gerucht, dat de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven eindelijk verzwolg. Van het langzaam verminderen van dat gerucht, toen hij met een ander rijtuig eene andere barrière uitreed. Van het terugkomen, terwijl hij zeewaarts reed, van de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust.Van avond en nacht wederom. Van lange wegen wederom, en duisternis, en flauwe lichtjes voor de vensters langs den weg; en steeds de oude eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Van het aankomen van den dag en het opgaan der zon. Van langzaam tegen een heuvel op te kruien en op den top de frissche zeelucht te gevoelen, en het morgenlicht op de kammen der golven in de verte te zien spelen. Van naar de reede te komen, met hoog water, en de visschersscheepjes aan land te zien komen, en blijde vrouwen en kinderen daarnaar te zien wachten. Van netten en visscherskleeren, op het strand te drogen gespreid; van druk bezige matrozen, en hunne stemmen omhoog tusschen masten en touwen; van de dartelheid en helderheid van het water, en het schitteren overal.Van de kust te verlaten en daarnaar terug te zien van het dek, terwijl er een nevel op[385]het water hing, met eene kleine opening hier en daar, waardoor men het land zag, helder door de zon beschenen. Van het deinen en murmelen der kalme zee. Van eene andere grauwe streep op het water, voor den boeg van het schip, die met spoed duidelijker en hooger werd. Van klippen en gebouwen, en een windmolen en eene kerk, die daar al duidelijker en duidelijker zichtbaar werden. Van eindelijk in effen water te komen, en aan te leggen bij een hoofd, van waar groepen menschen naar beneden keken en hunne vrienden aan boord begroetten. Van snel tusschen hen door te gaan, iedereen vermijdende, en eindelijk weder inEngelandte zijn.Hij had in zijn droom gedacht van naar een afgelegen landstadje te gaan dat hij kende, en zich daar stil te houden, terwijl hij heimelijk vernam naar wat er was voorgevallen, en overlegde hoe hij handelen moest. Nog in denzelfden versuften toestand, herinnerde hij zich zeker station aan den spoorweg, waar hij een zijtak naar de plaats zijner bestemming zou moeten inslaan, en waar eene stille herberg was. Daar nam hij zich voor eene poos uit te rusten.Met dit voornemen sloop hij terstond in een spoorrijtuig, en daar in zijn mantel gewikkeld liggende, alsof hij sliep, werd hij spoedig ver van de zee en diep in het groene binnenland gevoerd. Op de bedoelde plaats gekomen keek hij voorzichtig rond. Zijne herinnering had hem niet misleid. Het was eene stille, afgelegene plek, aan den zoom van een boschje. Slechts een huis, pas gebouwd of tot het tegenwoordige doel ingericht, stond daar, door een netten tuin omgeven; de naastbijzijnde kleine stad was toch eenige mijlen ver. Hier stapte hij dus af, en naar de herberg gaande, zonder dat iemand hem opmerkte, verzekerde hij zich van twee bovenkamers, die in elkander uitkwamen, en die hij afgelegen genoeg vond.Hij zag het gezicht van wraakzuchtige woede tot zwijmelenden schrik overgaan. (blz. 387).Hij zag het gezicht van wraakzuchtige woede tot zwijmelenden schrik overgaan.(blz. 387).Zijn doel was uit te rusten, en zelfbeheersching en bedaardheid terug te krijgen. Doffe verslagenheid en woede—zoodat hij, terwijl hij op zijne kamer heen en weder ging, op zijne tanden knarste—hadden hem geheel overmeesterd. Zijne gedachten, die zich niet lieten stuiten of besturen, zwierven nog waarheen zij wilden en sleepten hem mede. Hij was versuft en dood moede.[386]Maar, alsof er een vloek op hem lag dat hij nooit zou rusten, wilden zijne slaperige zinnen hunne bewustheid maar niet verliezen. Hij had in dit opzicht niet meer heerschappij over hen, dan alsof zij een ander hadden toebehoord. Het was niet dat zij hem dwongen om op tegenwoordige klanken en voorwerpen te letten, maar zij wilden zich niet laten afbrengen van eene woelige herhaling zijner geheele reis. Deze werd hem gedurig en op eens weder voorgehouden. Zij stond daar weder, met hare donkere oogen vol verachting op hem gevestigd; en hij reed niettemin voort, door stad en land, door licht en duisternis, door regen en zonneschijn, over puinwegen en straatsteenen, heuvelen en dalen, hoogten en laagten, gemarteld en versuft door de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en zonder rust.“Wat is het voor een dag?” vroeg hij aan den knecht, die zijne tafel kwam dekken.—“Dag, mijnheer?”—“Is het woensdag?”—“Woensdag, mijnheer? Neen, mijnheer. Donderdag, mijnheer.”—“Het was mij ontschoten. Hoe laat is het? Mijn horloge is niet opgewonden.”—“Het is op slag van vijven, mijnheer. Lang op reis geweest, misschien, mijnheer?”—“Ja.”—“Heel vermoeiend voor het hoofd, mijnheer. Zelf niet veel gewoon met spoor te reizen, mijnheer; maar de heeren zeggen dat dikwijls.”—“Komen hier veel heeren?”—“Nog al, mijnheer. Tegenwoordig niemand hier. Nu juist een beetje slap. Alles gaat slap, mijnheer.”Hij gaf geen antwoord, maar was op de sofa, waarop hij gelegen had, in eene zittende houding overeindgekomen, en staarde nu, voorovergeleund, met de armen op de knieën, naar den grond. Hij kon zijne oplettendheid geene minuut lang meester blijven. Zij vloog heen waar zij wilde, maar verloor zich nooit een oogenblik in den slaap.Hij dronk na den maaltijd vrij veel wijn, maar vruchteloos. Geen zoodanig kunstmiddel wilde hem slaap in de oogen brengen. Zijne gedachten, nog minder geregeld, sleepten hem ongenadig mede—als werd een rampzalige, tot zulk eene straf veroordeeld, achter de hoeven van wilde paarden medegesleept. Geene vergetelheid, en geene rust.Hoelang hij daar zat te drinken en te mijmeren, en in verbeelding herwaarts en derwaarts gesleept werd, had niemand minder nauwkeurig kunnen zeggen dan hij zelf. Maar hij wist dat hij langen tijd bij kaarslicht had gezeten, toen hij met plotselingen schrik overeindsprong.Want nu was het inderdaad geene verbeelding. De grond dreunde, het huis trilde, en het wilde, jagende gedruis was in de lucht! Hij voelde het aankomen en voorbijvliegen; en zelfs toen hij naar het venster was gesneld en zag wat het was, stond hij er nog voor te huiveren, en deinsde hij terug alsof het niet veilig was uit te zien.Een vloek op den vuurduivel, die zoo onverwacht kwam aandonderen, nu door de afgelegene vallei na te sporen was door een lichtglans en eene rookwolk, en toen verdwenen was! Het was hem te moede alsof hij uit de baan van dat monster was gerukt en daardoor alleen bewaard van aan stukken gescheurd te worden. Het deed hem zelfs nu nog huiveren en beven, nu het flauwste geluid niet meer te hooren was, en de sporen van den ijzeren weg, die hij in den maneschijn kon volgen tot zij in één punt samenliepen, zoo ledig en stil waren als eene woestijn.Buiten staat om te rusten, en onweerstaanbaar—of hij dacht zoo—naar dezen weg getrokken, ging hij naar buiten en kuierde langs den rand, en lette op het pad, dat de trein bereden had, aan de nog rookende sintels te onderscheiden. Na eene wandeling van omtrent een half uur, in de richting waarin de trein was verdwenen, keerde hij om en stapte den anderen kant op—altijd langs den kant van den weg blijvende—den tuin der herberg weder voorbij, en nog een heel eind verder, en keek nieuwsgierig naar bruggen, seinpalen en lampen, en verwonderde zich wanneer er een andere vuurduivel zou voorbijkomen.Een dreunen van den grond en eene snelle trilling in zijne ooren; een gil in de verte; een dof licht, dat snel naderde en in twee roode oogen en een schitterend vuur veranderde, waaruit gloeiende kolen op den grond vielen; een brullend, zich reusachtig uitzettend gevaarte, dat met onweerstaanbare vaart aankwam, een snuivende wind en een geratel—nog een vuurduivel was voorbijgevlogen, en hij hield zich aan een hek vast, als om zich te redden.Hij wachtte naar nog een, en naar nog een. Hij wandelde terug naar het eerste punt, en weder terug naar dit, en keek nog steeds, door het vermoeiende visioen zijner reis heen, naar die naderende monsters uit. Hij bleef bij het station dralen, om te wachten tot er daar een zou ophouden, en toen dit er een deed, en losgerukt werd om water in te nemen, en hij vlak er bij stond en hij de zware wielen en het koperen voorhoofd van het monster zag, dacht hij welk eene gruwelijke kracht het had. IJselijk! De groote wielen langzaam te zien ronddraaien, en te denken, dat men er door overreden en verpletterd kon worden.Ongesteld door den wijn en het gebrek aan rust—een gebrek dat niets, al was hij nog zoo moede, wilde vervullen—oefenden deze voorwerpen en gedachten een koortsachtigen invloed op hem uit. Toen hij weder naar zijne kamer ging, hetgeen hij eerst tegen middernacht deed, vervolgden zij hem nog, en bleef[387]hij nog naar de komst van een ander monster zitten luisteren.Zoo was het ook in zijn bed, waarheen hij zich begaf zonder hoop om te slapen. Hij bleef nog liggen luisteren; en als hij het dreunen en trillen voelde, stond hij op en ging naar het venster, om, gelijk hij daar kon, het doffe licht in twee ronde oogen te zien veranderen, en de gloeiende kolen uit het schitterende vuur te zien vallen, en de snuivende vaart van het monster waar te nemen, en zijn spoor van licht en rook door de vallei te volgen. Dan keek hij uit in de richting, waarin hij met den dageraad wilde vertrekken, daar hij hier toch niet rusten kon, en ging weder liggen, en werd wederom geplaagd door het visioen zijner reis, en de oude eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, tot er weder een ander monster kwam. Dit duurde den geheelen nacht. Wel verre van de heerschappij over zich zelven te herkrijgen, scheen hij die zoo mogelijk meer en meer te verliezen. Toen de dageraad aanbrak, werd hij nog gemarteld door zijn denken, en wilde hij nog het nadenken uitstellen tot hij daartoe beter in staat was; het verledene, het tegenwoordige, de toekomst, alles dwarrelde voor hem dooreen, en hij had alle vermogen verloren om iets met vastheid in het oog te houden.“Hoe laat ga ik hier vandaan, hebt gij gezegd?” vroeg hij den knecht, die hem des nachts bediend had en nu met eene kaars binnenkwam.—“Tegen kwartier over vieren, mijnheer. Om vier uur komt de expres-trein—maar die houdt hier niet op.”Hij streek met zijne hand over zijn kloppend hoofd en keek op zijn horloge. Bij half vier.“Denkelijk zal er niemand met u meegaan, mijnheer,” merkte de knecht aan. “Nog twee heeren hier, mijnheer, maar die wachten op den trein naarLonden.”—“Ik dacht, dat gij gezegd hadt, dat er niemand hier was,” zeide Carker, zich naar hem omkeerende met een flauwen zweem van zijn ouden glimlach, als hij kwaad of achterdochtig was.—“Toen niet, mijnheer. Twee heeren zijn van nacht gekomen, met den korten trein die hier blijft, mijnheer. Warm water, mijnheer?”—“Neen. En neem de kaars maar weg. Er is daglicht genoeg.”Daar hij zich half gekleed in het bed had geworpen, stond hij al weder voor het venster toen de knecht uitging. Het koude licht van den dageraad had den nacht vervangen, en reeds zag men den rooden gloed der naderende zon in de lucht. Hij poogde zijn hoofd en gezicht met water te verfrisschen—maar het had voor hem geene verkoelende kracht—trok haastig zijne kleeren aan, betaalde wat hij schuldig was en ging naar buiten.Hij vond de lucht, die hem aanwoei, onaangenaam kil. Het had zwaar gedauwd, en verhit als hij was, deed de koelte hem huiveren. Na even te hebben omgekeken naar den kant waar hij des nachts had gewandeld, en naar de seinlichten, thans door het daglicht verdoofd en van geen nut meer, keerde hij zich naar den kant der zon, en zag deze in al hare heerlijkheid opgaan.Zoo plechtig en schoon, zoo goddelijk prachtig. Terwijl hij zijne flauwe oogen op haar vestigde, waar zij oprees stil en statig, onbeneveld door al de goddeloosheid, die hare stralen sedert het begin der wereld hadden beschenen, wie zal zeggen of toen eene flauwe bewustheid van het bestaan der deugd op aarde en hare belooning in den hemel, zich niet zelfs aan hem openbaarde? Als hij ooit met een zweem van teederheid en wroeging aan zijn broeder en zijne zuster dacht, wie zal zeggen dat het toen niet was?Wel mocht dat toen zijn. De dood was hem nabij. Hij was afgezonderd van de levende wereld, en had den voet in het graf.Hij betaalde zijn geld voor de reis naar het landstadje, waaraan hij gedacht had; en wandelde alleen heen en weder, en keek de ijzeren sporen langs, door de vallei in de eene richting, en naar eene donkere brug in de andere; toen hij, zijne wandeling stakende en omkeerende aan het einde eener houten gaanderij, waarop hij heen en weder stapte, den man, voor wien hij de vlucht had genomen, de deur zag uitkomen, door welke hij zelf daar gekomen was. Zij herkenden elkander terstond.In de duizeling der verrassing wankelde hij en tuimelde van de planken af op den lager weg naast hem. Maar zich terstond weder herstellende, deed hij een paar schreden achterwaarts op dien weg, om den afstand tusschen hen te vergrooten, en zag, kort en snel ademhalende, zijn vervolger aan.Hij hoorde roepen—nog eens—zag het gezicht van wraakzuchtige woede tot zwijmelenden schrik overgaan—voelde den grond dreunen—wist in een oogenblik dat het monster aankwam—gaf een gil—keek om—zag de roode oogen, schemerachtig flauw in het daglicht, dicht achter hem—werd neergesmeten, opgepakt en rondgeslingerd door een getand raderwerk, dat hem om en om liet draaien, hem van lid tot lid verscheurde, zijn bloed met een vuurgloed oplekte, en de verminkte stukken zijner leden in de lucht wierp.Toen de reiziger, die herkend was, uit zijne bezwijming bijkwam, zag hij op een afstand vier mannen, die op eene plank tusschen hen iets wegdroegen, dat overdekt was en doodstil lag, terwijl anderen eenige honden wegjoegen, die langs den weg liepen te snuffelen en de sporen van zijn bloed met asch bestrooiden.[388]

[Inhoud]LV.ROB DE SLIJPER VERLIEST ZIJNE BETREKKING.De portier van het ijzeren hek, dat het binnenplein van de straat afsloot, had het deurtje van zijn huis opengelaten en was heengegaan, zonder twijfel door het gerucht op de groote trap nieuwsgierig geworden. Zachtjes de klink oplichtende, sloop Carker naar buiten, sloot het kletterende hek met zoo weinig gerucht als mogelijk was, en snelde heen.In zijne koorts van ergernis en machtelooze woede, had de laatste schrik hem geheel overmeesterd. Zijn angst was zoo groot dat hij liever blindelings tegen bijna ieder gevaar zou zijn ingeloopen, dan den man te ontmoeten, dien hij twee uren geleden niet het minste had geteld. Zijne woedende komst, geheel onverwacht; de klank van zijne stem; dat zij zoo op het punt geweest waren om elkander onder de oogen te komen—daarover zou hij zich na de eerste ontsteltenis hebben heen gezet, en zoo onbeschaamd met zijne schuld hebben gepraald als ooit een booswicht gedaan heeft. Maar dat zijne mijn tegen hem zelven was gesprongen, scheen al zijne stoutheid en zelfvertrouwen vermorseld te hebben. In het stof getreden als een kruipend gedierte; daarheen gelokt om hem te bespotten; gesmaad en verschopt door de trotsche vrouw, wier gemoed hij langzaam had vergiftigd, naar hij meende, tot zij tot eene dienares voor zijne vermaken was gezonken; betrapt in zijn bedrog, en met zijne vossenhuid afgestroopt, sloop hij verslagen, beschaamd en vreesachtig heen.Nog een andere schrik, geheel buiten verband met de gedachte van vervolgd te worden, trof hem eensklaps als een electrische schok, terwijl hij door de straten ging. Iets denkbeeldigs en ontzettends, iets onbegrijpelijks en onverklaarbaars, een gedruis, vergezeld met een dreunen van den grond, een gieren en suizen van iets door de lucht, alsof de dood zelf op zijne geduchte vleugelen kwam aanstormen. Hij kroop op zijde als om dat voorwerp te laten voorbijvliegen. Het vloog niet voorbij, het was er nooit geweest, maar welk eene ontsteltenis had het toch achtergelaten.Hij hief zijn angstig gezicht naar den nachthemel op, waar de sterren, zoo vreedzaam, hem beschenen gelijk toen hij pas in de lucht kwam, en bleef staan om te overleggen wat hij doen zou. De vrees om in eene vreemde afgelegene plaats te worden overvallen, waar de wetten hem misschien niet zouden beschermen—het nieuwe van het gevoel, dat het hem daarom hier zoo vreemd was, omdat hij eensklaps met zijne verwoeste plannen alleen was gebleven—zijn nog grooter angst om nu inItaliëof opSiciliëschuilplaats te zoeken, waar, dacht hij, op elken hoek eener straat een kerel kon worden gehuurd om hem te vermoorden—de wispelturigheid van schuld en vrees—misschien zeker gevoel dat, nu al zijne plannen waren omgekeerd, hij insgelijks moest omkeeren—dreef hem om dit werkelijk te doen en zich weder naarEngelandte begeven.“Daar ben ik in allen gevalle veiliger. Als ik er niet toe mocht besluiten,” dacht hij, “om dien gek satisfactie te geven, is het minder waarschijnlijk dat ik daar zal worden opgespoord, dan nu hier buitenslands. En als ik het mocht doen (als die verwenschte vlaag van schrik maar over is) zal ik daar ten minste niet alleen zijn,[382]zonder iemand om mee te spreken, of mij raad te geven of bij te staan. Ik wil mij niet laten achterhalen en afmaken als een rat.”Hij mompelde Edith’s naam en balde zijne vuist. Terwijl hij in de schaduw der huizen voortsloop, klemde hij zijne tanden samen, en prevelde geduchte vervloekingen over haar hoofd, en keek heen en weder, alsof hij haar zocht. Zoo sloop hij voort tot aan de poort van een herbergplein. Men was in bed; maar het schellen deed weldra een man met eene lantaren aankomen, met wien hij spoedig in het donkere koetshuis was en dong over het huren van een ouden phaëton, naarParijs.De onderhandeling duurde kort, en spoedig werden de paarden gehaald. Zeggende dat het rijtuig hem maar volgen moest, zoodra zij waren voorgespannen, sloop hij weder heen, de stad uit, de oude vestingwerken door en den open weg op, die als een stroom over de donkere vlakte scheen voort te glijden.Waarheen vloeide hij? Wat was het eind er van? Toen hij stilstond, en terwijl hem zoo iets in de gedachten kwam, over de sombere vlakte uitkeek, waar dunne boompjes de richting van den weg aanduidden, kwam weder dat geduchte gedruis achter hem aan, vloog hem weder met onweerstaanbare, doodelijke vaart voorbij, en liet wederom niets achter dan eene ontzetting, even donker als in het uitzicht, even onbestemd als de gezichteinder.Er was geen wind; er was geen voorbijzwevende schaduw over het veld; er was geen gerucht. De stad lag achter hem, hier en daar verlicht, en sterrenwerelden verborgen zich achter den toren en het kerkdak, die nauwelijks een tegen de lucht afstekenden omtrek vertoonden. Duisternis en eenzaamheid lagen overal om hem heen, en hij hoorde de klokken flauw twee uur slaan.Hij ging voort, een langen tijd en een verren weg naar het hem voorkwam, en bleef dikwijls stilstaan om te luisteren. Eindelijk begroette het gerinkel van bellen zijne angstig luisterende ooren. Nu zachter, dan luider, dan weder onhoorbaar, nu zeer langzaam klinkend over slechten grond, dan vlug en vroolijk, kwam het aan; tot met een luidruchtig geroep en zweepgeklap een tot aan de oogen ingebakerde postiljon zijne vier trappelende paarden naast hem ophield.“Wie gaat daar! monsieur?”—“Ja.”—“Monsieur heeft heel ver gewandeld in den donkeren nacht.”—“Dat doet er niet toe. Ieder zijn smaak. Waren er nog andere paarden aan het posthuis besteld?”—“Duizend duivels!—en pardons! Nog andere paarden? Op dit uur? Neen.”—“Luister, mijn vriend. Ik heb groote haast. Laat eens zien hoe hard wij kunnen rijden. Hoe harder, des te meer drinkgeld. Voort dan! Snel!”—“Hallo! Hoep! Hallo! Hi!” En voort ging het in galop door het donkere landschap, dat modder en stof als zeeschuim in de lucht vlogen.Het gekletter en geraas was een weergalm van het verwarde oproer in de gedachten des vluchtelings. Niets was helder van buiten, niets helder van binnen. Voorwerpen, die voorbijvlogen, in elkander versmolten, flauw onderscheiden werden, in verwarring verdwenen! Voorbij de afwisselende plekjes struikgewas en de huisjes vlak langs den weg eene akelige ledige vlakte. Voorbij de afwisselende beelden, die voor zijn geest oprezen en weder verdwenen zoodra zij zich vertoonden, eene donkere ledigheid van woede, vrees en teleurgestelde schurkerij. Nu en dan kwam er een zuchtje berglucht van het afgelegeneJuragebergte, en verdween langs de vlakte. Somtijds kwam dat gierende gedruis, dat zoo woedend en akelig was, wederom door zijne verbeelding suizen, ging voorbij, en liet eene ijzing in zijn bloed achter.De lantarens, op den warhoop van paardenkoppen schijnende, met den ingebakerden postiljon en zijn fladderenden mantel, vormden duizend onduidelijke gedaanten, die aan zijne gedachten beantwoordden. Schimmen, welbekende menschen, over hunne lessenaren en boeken gebukt, in hunne welbekende houdingen; vreemde verschijnselen van den man dien hij ontvluchtte of van Edith; herhalingen, in het gerinkel der bellen of het geratel der wielen, van woorden die gesproken waren; eene verwarring van tijd en plaats, welke den laatsten nacht tot eene maand geleden, eene maand geleden tot den laatsten nacht maakte—die zijn thuis nu ongenaakbaar ver, dan oogenblikkelijk bereikbaar deed schijnen, gejaagdheid, verwarring, duisternis en oproer in zijn geest en overal om hem heen.—Hallo! Hi! Voort in galop door het zwarte landschap, dat slijk en stof als zeeschuim wegvliegen, terwijl de dampende paarden snuiven en trappelen alsof ieder door een duivel bereden werd; voort in dollen zegevierenden ren langs den donkeren weg—waarheen?Wederom komt dat onbeschrijfelijke gedruis achter hem aan, en terwijl het voorbijvliegt, rinkelen de bellen hem in de ooren “waarheen?” De wielen brullen hem in de ooren “waarheen?” Al het gerucht en geratel vormt zich tot dien kreet. De lichten en schaduwen dansen als elfen om de koppen der paarden. Nu geen ophouden, geen vertragen! Voort, voort! Voort met hem in dollen ren langs den donkeren weg!Hij kon niet duidelijk denken. Hij kon het eene voorwerp zijner gedachten niet genoeg van het andere onderscheiden, om er eene minuut lang bij te blijven vertoeven. Het verijdelen van zijn plan om zich voor vroeger bedwang eene wellustige vergoeding te verschaffen; de straf voor zijn verraad aan iemand, die hem eerlijk en edelmoedig behandeld had, maar van wien[383]hij ieder trotsch woord en blik sedert jaren had opgezameld en op interest gezet—want valsche en listige menschen verachten en haten altijd heimelijk het voorwerp hunner vleierij, en wrokken altijd over het betalen en aannemen dier hulde, die zij weten dat geene waarde heeft; dat waren de onderwerpen die hem het meest voor den geest zweefden. Eene stille woede tegen de vrouw, die hem zoo verschalkt en zich zelve zoo gewroken had, was daarmede altijd gemengd; onbekookte, wanstaltige plannen tot vergelding van haar bedrijf dreven in zijn brein rond; maar niets was duidelijk. Zekere gejaagdheid en tegenstrijdigheid beheerschte al zijne gedachten. Zelfs terwijl hij zoo druk bezig was met dit koortsige, verwarde denken, was zijne eenige steeds blijvende gedachte, dat hij het nadenken tot zekeren onbepaalden tijd wilde uitstellen.Toen kwamen de oude dagen voor het tweede huwelijk hem weder in het geheugen. Hij dacht hoe jaloersch hij op het knaapje, hoe jaloersch hij op het meisje geweest was, hoe listig hij alle indringers op een afstand had gehouden, en om den man, dien hij misleidde, een kring had getrokken, waarover niemand dan hij zelf moest heen stappen; en toen dacht hij: had hij dat alles gedaan om nu, als een betrapte dief, voor niemand anders dan hem, dien hij zoo bedrogen had en zoo verachtte, te vluchten?Hij had uit wrevel over zijne lafhartigheid de handen wel aan zich zelven kunnen slaan, maar die lafhartigheid was als het ware de schaduw zijner nederlaag, en kon niet daarvan worden afgescheiden. Zijn vertrouwen op zijne eigene schurkerij zoo met één slag te zien verwoesten, zelf te weten dat hij zulk een ellendig werktuig was geweest, dit had hem zoo goed als verlamd. Met machtelooze woede vloekte hij op Edith, haatte hij Dombey en haatte hij zich zelven, maar toch vluchtte hij, en kon hij niet anders dan vluchten.Nogmaals en nogmaals luisterde hij naar het gerucht van wielen achter hem. Nogmaals en nogmaals verbeeldde hij zich dat hij het al luider en luider hoorde aankomen. Eindelijk was hij er zoo van overtuigd, dat hij riep: “Houd op!” en liever grond wilde verliezen dan langer die onzekerheid verdragen.Zijn bevel deed rijtuig, paarden en postiljon met een schok op elkander stuiven en stilstaan.“Duivel!” riep de postiljon, over zijn schouder omkijkende. “Wat is er?”—“Luister! Wat is dat?”—“Wat?”—“Dat geluid.”—“O hemel! stil dan, vervloekte brigand!” tot een paard, dat zijne bellen schudde. “Wat voor geluid?”—“Daar achter ons. Is dat niet een ander rijtuig in galop? Daar! Wat is dat?”—“Schelm met een varkenskop, sta stil!” tot een ander paard, dat een ander beet, dat de twee andere schichtig maakte, die steigerden en trappelden. “Daar komt niets aan.”—“Niets?”—“Niets, dan daar ginds de dag.”—“Gij hebt gelijk, geloof ik. Ik hoor nu ook niets. Rijd maar voort.”De in elkander gewarde equipage, half verborgen in den damp, die van de paarden opstijgt, rijdt eerst langzaam voort, want de postiljon, buiten noodzaak in zijne vaart gestuit, haalt brommig zijn zakmes uit en maakt een nieuwen slag aan zijne zweep. En toen “Hallo Ho!” Nog eens in dollen ren.En nu verbleekten de sterren, en brak de dageraad aan, en in het rijtuig overeindstaande en terugziende, kon de vluchteling den weg onderscheiden, dien hij had afgelegd, en zich overtuigen dat er geen reiziger meer in het gezicht was. En spoedig werd het helder dag, en begon de zon op korenvelden en wijngaarden te schijnen, en gingen eenzame arbeiders uit tijdelijke hutjes, bij groote steenhoopen aan den weg, aan het werk om dien weg te herstellen, en hun brood zitten eten. Later gingen er landlieden naar hun dagwerk of naar de markt, of stonden zij aan de deuren van armoedige huisjes ledig naar hem te kijken, terwijl hij voorbijreed. En toen kwam het posthuis, waar de modder een half voet hoog op het voorplein lag, met rookende mesthoopen en bouwvallige schuren; en aan dit fraaie plein stond een uitgestrekt oud kasteel, met de helft der vensters toegemetseld en met eene groene schimmel begroeid van de steenen borstwering van het terras, tot aan de naar dompertjes gelijkende torenspitsen.Lusteloos in een hoek van het rijtuig gedoken, en zich om niets anders bekommerende dan dat men hard doorreed—behalve wanneer hij, een kwartier achtereen, opstond en achteromkeek, hetgeen hij telkens deed als men een vrij uitzicht had—reed hij nog voort, nog het nadenken onbepaald uitstellende, en toch steeds gepijnigd door allerlei verwarde gedachten.Schaamte, teleurstelling en wreveligheid knaagden aan zijn hart, eene gedurige vrees om ingehaald of ontmoet te worden—want hij was zelf zonder eenige reden bevreesd voor de reizigers, die hem op den weg tegenkwamen—drukte hem ter neer. Dezelfde ondraaglijke angst en ontzetting, die hem in den nacht hadden overvallen, keerden overdag onverzwakt terug. Het eentonige rinkelen der bellen en stampen der paarden; de eentonigheid van zijn angst en nuttelooze woede; het eentonige rad van vrees, spijt en gramschap, dat al om en om draaide; dat alles maakte de reis tot een visioen, waarin niets werkelijk bestaan had dan zijne eigene marteling.Het was een visioen van lange wegen, welke zich tot den gezichteinder uitstrekten, die steeds terugweek en nooit bereikt werd; van slecht[384]bestrate steden, niet op- en neerloopende straten, waar gezichten voor de donkere deuren en doffe vensters kwamen, waar rijen van bemodderde koeien en ossen, in lange straten te koop vastgebonden, stonden te loeien en te stooten, en op hunne botte koppen slagen met knuppels kregen, hard genoeg om ze de hersenen in te slaan; van bruggen, kruisen, kerken, posthuizen, nieuwe paarden tegen wil en dank voorgespannen, en paarden van het laatste station, dampende en hijgende, hunne koppen zwaarmoedig bij eene staldeur bij elkander stekende; van kleine kerkhoven met zwarte kruisen, schuins bij graven gezet, en verwelkte kransen daaraan hangende; en wederom van lange, lange wegen, die zich, heuvel op en heuvel af, naar den verraderlijken gezichteinder voortsleepten.Van morgen, middag, avond en nacht en het opkomen der maan. Van lange wegen voor eene poos achtergelaten en het ratelen over eene ongelijke straat, en het opkijken tusschen de huizen naar een grooten kerktoren; van uitstappen en haastig eten, en glazen wijn drinken, die geen vervroolijkenden invloed hadden; van te voet buiten te komen, tusschen een zwerm van bedelaars—blindemannen met trillende oogleden, geleid door oude vrouwen, die hen kaarsen voor het gezicht hielden, onwijze kinderen, lammen en kreupelen—van door het rumoer heen te gaan en van zijne plaats naar de omhooggekeerde gezichten en uitgestokene handen te kijken, met een haastig opkomenden angst van een vervolger te herkennen—van weder voort te rennen langs den langen, langen weg, dof en versuft in zijn hoek gedoken, of op te staan om te zien waar mijlen ver op een plekje van denzelfden eindeloozen weg de maan scheen, of om te kijken om te zien wie er volgde.Van nooit te slapen, maar somtijds met ongeslotene oogen te dutten, en met een schrik op te springen en overluid te antwoorden op eene denkbeeldige stem. Van zich zelven te vervloeken, dat hij daar was, dat hij gevlucht was, dat hij haar had laten gaan, dat hij hem niet had afgewacht en uitgetart. Van een doodelijken wrok tegen de geheele wereld, maar vooral tegen zich zelven. Van alles wel te willen verdelgen terwijl hij voorbijreed.Het was een koortsig visioen van verledene en tegenwoordige dingen allen ondereen geward, van zijn leven en zijne reis te zamen gesmolten. Van in dolle vaart ergens heengevoerd te worden, waar hij heenmoest. Van oude tooneelen, oprijzende tusschen de nieuwe, waardoor hij heenreed. Van te peinzen en te mijmeren over hetgeen lang geleden en veraf was, en niet te letten op de voorwerpen, die hij wezenlijk zag, maar toch met eene vermoeiende bewustheid dat zij hem verbijsterden, en als zij verdwenen hunne beelden in zijn gloeiend brein achterlieten.Een visioen van veranderingen op veranderingen, en toch dezelfde eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Van stad en land, pesthuizen, paarden, postiljons, heuvel en dal, droog weder en regen, wegen en straten, licht en duisternis, hoogten en laagten, en toch dezelfde eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Een visioen van eindelijk de hoofdstad te naderen, langs drukke wegen, en voorbij oude domkerken te rijden, en door kleine steden en dorpen te vliegen, minder dun dan te voren langs den weg gesprenkeld, en in zijn hoek gedoken te zitten, met zijn mantel half voor zijn gezicht, als voorbijgangers hem aankeken.Van voort en voort te rennen, altijd het denken uitstellende, en altijd gemarteld door zijne woelige gedachten; van buiten staat te zijn om te berekenen hoelang hij onderweg was geweest, of te begrijpen hoe de plaatsen elkander op zijne reis hadden gevolgd. Van dorstig, duizelig en half krankzinnig te zijn. Van ondanks dat alles toch voort te jagen, alsof hij niet kon ophouden, enParijsbinnen te rijden, waar de troebele rivier ongestoord haar snellen loop vervolgde, tusschen twee bruisende stroomen van leven en beweging.Dan een verward visioen van bruggen, kaden, eindelooze straten; van wijnhuizen, waterdragers, gedrang van menschen, soldaten, koetsen, trommels en gaanderijen. Van een algemeen gewoel en gerucht, dat de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven eindelijk verzwolg. Van het langzaam verminderen van dat gerucht, toen hij met een ander rijtuig eene andere barrière uitreed. Van het terugkomen, terwijl hij zeewaarts reed, van de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust.Van avond en nacht wederom. Van lange wegen wederom, en duisternis, en flauwe lichtjes voor de vensters langs den weg; en steeds de oude eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Van het aankomen van den dag en het opgaan der zon. Van langzaam tegen een heuvel op te kruien en op den top de frissche zeelucht te gevoelen, en het morgenlicht op de kammen der golven in de verte te zien spelen. Van naar de reede te komen, met hoog water, en de visschersscheepjes aan land te zien komen, en blijde vrouwen en kinderen daarnaar te zien wachten. Van netten en visscherskleeren, op het strand te drogen gespreid; van druk bezige matrozen, en hunne stemmen omhoog tusschen masten en touwen; van de dartelheid en helderheid van het water, en het schitteren overal.Van de kust te verlaten en daarnaar terug te zien van het dek, terwijl er een nevel op[385]het water hing, met eene kleine opening hier en daar, waardoor men het land zag, helder door de zon beschenen. Van het deinen en murmelen der kalme zee. Van eene andere grauwe streep op het water, voor den boeg van het schip, die met spoed duidelijker en hooger werd. Van klippen en gebouwen, en een windmolen en eene kerk, die daar al duidelijker en duidelijker zichtbaar werden. Van eindelijk in effen water te komen, en aan te leggen bij een hoofd, van waar groepen menschen naar beneden keken en hunne vrienden aan boord begroetten. Van snel tusschen hen door te gaan, iedereen vermijdende, en eindelijk weder inEngelandte zijn.Hij had in zijn droom gedacht van naar een afgelegen landstadje te gaan dat hij kende, en zich daar stil te houden, terwijl hij heimelijk vernam naar wat er was voorgevallen, en overlegde hoe hij handelen moest. Nog in denzelfden versuften toestand, herinnerde hij zich zeker station aan den spoorweg, waar hij een zijtak naar de plaats zijner bestemming zou moeten inslaan, en waar eene stille herberg was. Daar nam hij zich voor eene poos uit te rusten.Met dit voornemen sloop hij terstond in een spoorrijtuig, en daar in zijn mantel gewikkeld liggende, alsof hij sliep, werd hij spoedig ver van de zee en diep in het groene binnenland gevoerd. Op de bedoelde plaats gekomen keek hij voorzichtig rond. Zijne herinnering had hem niet misleid. Het was eene stille, afgelegene plek, aan den zoom van een boschje. Slechts een huis, pas gebouwd of tot het tegenwoordige doel ingericht, stond daar, door een netten tuin omgeven; de naastbijzijnde kleine stad was toch eenige mijlen ver. Hier stapte hij dus af, en naar de herberg gaande, zonder dat iemand hem opmerkte, verzekerde hij zich van twee bovenkamers, die in elkander uitkwamen, en die hij afgelegen genoeg vond.Hij zag het gezicht van wraakzuchtige woede tot zwijmelenden schrik overgaan. (blz. 387).Hij zag het gezicht van wraakzuchtige woede tot zwijmelenden schrik overgaan.(blz. 387).Zijn doel was uit te rusten, en zelfbeheersching en bedaardheid terug te krijgen. Doffe verslagenheid en woede—zoodat hij, terwijl hij op zijne kamer heen en weder ging, op zijne tanden knarste—hadden hem geheel overmeesterd. Zijne gedachten, die zich niet lieten stuiten of besturen, zwierven nog waarheen zij wilden en sleepten hem mede. Hij was versuft en dood moede.[386]Maar, alsof er een vloek op hem lag dat hij nooit zou rusten, wilden zijne slaperige zinnen hunne bewustheid maar niet verliezen. Hij had in dit opzicht niet meer heerschappij over hen, dan alsof zij een ander hadden toebehoord. Het was niet dat zij hem dwongen om op tegenwoordige klanken en voorwerpen te letten, maar zij wilden zich niet laten afbrengen van eene woelige herhaling zijner geheele reis. Deze werd hem gedurig en op eens weder voorgehouden. Zij stond daar weder, met hare donkere oogen vol verachting op hem gevestigd; en hij reed niettemin voort, door stad en land, door licht en duisternis, door regen en zonneschijn, over puinwegen en straatsteenen, heuvelen en dalen, hoogten en laagten, gemarteld en versuft door de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en zonder rust.“Wat is het voor een dag?” vroeg hij aan den knecht, die zijne tafel kwam dekken.—“Dag, mijnheer?”—“Is het woensdag?”—“Woensdag, mijnheer? Neen, mijnheer. Donderdag, mijnheer.”—“Het was mij ontschoten. Hoe laat is het? Mijn horloge is niet opgewonden.”—“Het is op slag van vijven, mijnheer. Lang op reis geweest, misschien, mijnheer?”—“Ja.”—“Heel vermoeiend voor het hoofd, mijnheer. Zelf niet veel gewoon met spoor te reizen, mijnheer; maar de heeren zeggen dat dikwijls.”—“Komen hier veel heeren?”—“Nog al, mijnheer. Tegenwoordig niemand hier. Nu juist een beetje slap. Alles gaat slap, mijnheer.”Hij gaf geen antwoord, maar was op de sofa, waarop hij gelegen had, in eene zittende houding overeindgekomen, en staarde nu, voorovergeleund, met de armen op de knieën, naar den grond. Hij kon zijne oplettendheid geene minuut lang meester blijven. Zij vloog heen waar zij wilde, maar verloor zich nooit een oogenblik in den slaap.Hij dronk na den maaltijd vrij veel wijn, maar vruchteloos. Geen zoodanig kunstmiddel wilde hem slaap in de oogen brengen. Zijne gedachten, nog minder geregeld, sleepten hem ongenadig mede—als werd een rampzalige, tot zulk eene straf veroordeeld, achter de hoeven van wilde paarden medegesleept. Geene vergetelheid, en geene rust.Hoelang hij daar zat te drinken en te mijmeren, en in verbeelding herwaarts en derwaarts gesleept werd, had niemand minder nauwkeurig kunnen zeggen dan hij zelf. Maar hij wist dat hij langen tijd bij kaarslicht had gezeten, toen hij met plotselingen schrik overeindsprong.Want nu was het inderdaad geene verbeelding. De grond dreunde, het huis trilde, en het wilde, jagende gedruis was in de lucht! Hij voelde het aankomen en voorbijvliegen; en zelfs toen hij naar het venster was gesneld en zag wat het was, stond hij er nog voor te huiveren, en deinsde hij terug alsof het niet veilig was uit te zien.Een vloek op den vuurduivel, die zoo onverwacht kwam aandonderen, nu door de afgelegene vallei na te sporen was door een lichtglans en eene rookwolk, en toen verdwenen was! Het was hem te moede alsof hij uit de baan van dat monster was gerukt en daardoor alleen bewaard van aan stukken gescheurd te worden. Het deed hem zelfs nu nog huiveren en beven, nu het flauwste geluid niet meer te hooren was, en de sporen van den ijzeren weg, die hij in den maneschijn kon volgen tot zij in één punt samenliepen, zoo ledig en stil waren als eene woestijn.Buiten staat om te rusten, en onweerstaanbaar—of hij dacht zoo—naar dezen weg getrokken, ging hij naar buiten en kuierde langs den rand, en lette op het pad, dat de trein bereden had, aan de nog rookende sintels te onderscheiden. Na eene wandeling van omtrent een half uur, in de richting waarin de trein was verdwenen, keerde hij om en stapte den anderen kant op—altijd langs den kant van den weg blijvende—den tuin der herberg weder voorbij, en nog een heel eind verder, en keek nieuwsgierig naar bruggen, seinpalen en lampen, en verwonderde zich wanneer er een andere vuurduivel zou voorbijkomen.Een dreunen van den grond en eene snelle trilling in zijne ooren; een gil in de verte; een dof licht, dat snel naderde en in twee roode oogen en een schitterend vuur veranderde, waaruit gloeiende kolen op den grond vielen; een brullend, zich reusachtig uitzettend gevaarte, dat met onweerstaanbare vaart aankwam, een snuivende wind en een geratel—nog een vuurduivel was voorbijgevlogen, en hij hield zich aan een hek vast, als om zich te redden.Hij wachtte naar nog een, en naar nog een. Hij wandelde terug naar het eerste punt, en weder terug naar dit, en keek nog steeds, door het vermoeiende visioen zijner reis heen, naar die naderende monsters uit. Hij bleef bij het station dralen, om te wachten tot er daar een zou ophouden, en toen dit er een deed, en losgerukt werd om water in te nemen, en hij vlak er bij stond en hij de zware wielen en het koperen voorhoofd van het monster zag, dacht hij welk eene gruwelijke kracht het had. IJselijk! De groote wielen langzaam te zien ronddraaien, en te denken, dat men er door overreden en verpletterd kon worden.Ongesteld door den wijn en het gebrek aan rust—een gebrek dat niets, al was hij nog zoo moede, wilde vervullen—oefenden deze voorwerpen en gedachten een koortsachtigen invloed op hem uit. Toen hij weder naar zijne kamer ging, hetgeen hij eerst tegen middernacht deed, vervolgden zij hem nog, en bleef[387]hij nog naar de komst van een ander monster zitten luisteren.Zoo was het ook in zijn bed, waarheen hij zich begaf zonder hoop om te slapen. Hij bleef nog liggen luisteren; en als hij het dreunen en trillen voelde, stond hij op en ging naar het venster, om, gelijk hij daar kon, het doffe licht in twee ronde oogen te zien veranderen, en de gloeiende kolen uit het schitterende vuur te zien vallen, en de snuivende vaart van het monster waar te nemen, en zijn spoor van licht en rook door de vallei te volgen. Dan keek hij uit in de richting, waarin hij met den dageraad wilde vertrekken, daar hij hier toch niet rusten kon, en ging weder liggen, en werd wederom geplaagd door het visioen zijner reis, en de oude eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, tot er weder een ander monster kwam. Dit duurde den geheelen nacht. Wel verre van de heerschappij over zich zelven te herkrijgen, scheen hij die zoo mogelijk meer en meer te verliezen. Toen de dageraad aanbrak, werd hij nog gemarteld door zijn denken, en wilde hij nog het nadenken uitstellen tot hij daartoe beter in staat was; het verledene, het tegenwoordige, de toekomst, alles dwarrelde voor hem dooreen, en hij had alle vermogen verloren om iets met vastheid in het oog te houden.“Hoe laat ga ik hier vandaan, hebt gij gezegd?” vroeg hij den knecht, die hem des nachts bediend had en nu met eene kaars binnenkwam.—“Tegen kwartier over vieren, mijnheer. Om vier uur komt de expres-trein—maar die houdt hier niet op.”Hij streek met zijne hand over zijn kloppend hoofd en keek op zijn horloge. Bij half vier.“Denkelijk zal er niemand met u meegaan, mijnheer,” merkte de knecht aan. “Nog twee heeren hier, mijnheer, maar die wachten op den trein naarLonden.”—“Ik dacht, dat gij gezegd hadt, dat er niemand hier was,” zeide Carker, zich naar hem omkeerende met een flauwen zweem van zijn ouden glimlach, als hij kwaad of achterdochtig was.—“Toen niet, mijnheer. Twee heeren zijn van nacht gekomen, met den korten trein die hier blijft, mijnheer. Warm water, mijnheer?”—“Neen. En neem de kaars maar weg. Er is daglicht genoeg.”Daar hij zich half gekleed in het bed had geworpen, stond hij al weder voor het venster toen de knecht uitging. Het koude licht van den dageraad had den nacht vervangen, en reeds zag men den rooden gloed der naderende zon in de lucht. Hij poogde zijn hoofd en gezicht met water te verfrisschen—maar het had voor hem geene verkoelende kracht—trok haastig zijne kleeren aan, betaalde wat hij schuldig was en ging naar buiten.Hij vond de lucht, die hem aanwoei, onaangenaam kil. Het had zwaar gedauwd, en verhit als hij was, deed de koelte hem huiveren. Na even te hebben omgekeken naar den kant waar hij des nachts had gewandeld, en naar de seinlichten, thans door het daglicht verdoofd en van geen nut meer, keerde hij zich naar den kant der zon, en zag deze in al hare heerlijkheid opgaan.Zoo plechtig en schoon, zoo goddelijk prachtig. Terwijl hij zijne flauwe oogen op haar vestigde, waar zij oprees stil en statig, onbeneveld door al de goddeloosheid, die hare stralen sedert het begin der wereld hadden beschenen, wie zal zeggen of toen eene flauwe bewustheid van het bestaan der deugd op aarde en hare belooning in den hemel, zich niet zelfs aan hem openbaarde? Als hij ooit met een zweem van teederheid en wroeging aan zijn broeder en zijne zuster dacht, wie zal zeggen dat het toen niet was?Wel mocht dat toen zijn. De dood was hem nabij. Hij was afgezonderd van de levende wereld, en had den voet in het graf.Hij betaalde zijn geld voor de reis naar het landstadje, waaraan hij gedacht had; en wandelde alleen heen en weder, en keek de ijzeren sporen langs, door de vallei in de eene richting, en naar eene donkere brug in de andere; toen hij, zijne wandeling stakende en omkeerende aan het einde eener houten gaanderij, waarop hij heen en weder stapte, den man, voor wien hij de vlucht had genomen, de deur zag uitkomen, door welke hij zelf daar gekomen was. Zij herkenden elkander terstond.In de duizeling der verrassing wankelde hij en tuimelde van de planken af op den lager weg naast hem. Maar zich terstond weder herstellende, deed hij een paar schreden achterwaarts op dien weg, om den afstand tusschen hen te vergrooten, en zag, kort en snel ademhalende, zijn vervolger aan.Hij hoorde roepen—nog eens—zag het gezicht van wraakzuchtige woede tot zwijmelenden schrik overgaan—voelde den grond dreunen—wist in een oogenblik dat het monster aankwam—gaf een gil—keek om—zag de roode oogen, schemerachtig flauw in het daglicht, dicht achter hem—werd neergesmeten, opgepakt en rondgeslingerd door een getand raderwerk, dat hem om en om liet draaien, hem van lid tot lid verscheurde, zijn bloed met een vuurgloed oplekte, en de verminkte stukken zijner leden in de lucht wierp.Toen de reiziger, die herkend was, uit zijne bezwijming bijkwam, zag hij op een afstand vier mannen, die op eene plank tusschen hen iets wegdroegen, dat overdekt was en doodstil lag, terwijl anderen eenige honden wegjoegen, die langs den weg liepen te snuffelen en de sporen van zijn bloed met asch bestrooiden.[388]

LV.ROB DE SLIJPER VERLIEST ZIJNE BETREKKING.

De portier van het ijzeren hek, dat het binnenplein van de straat afsloot, had het deurtje van zijn huis opengelaten en was heengegaan, zonder twijfel door het gerucht op de groote trap nieuwsgierig geworden. Zachtjes de klink oplichtende, sloop Carker naar buiten, sloot het kletterende hek met zoo weinig gerucht als mogelijk was, en snelde heen.In zijne koorts van ergernis en machtelooze woede, had de laatste schrik hem geheel overmeesterd. Zijn angst was zoo groot dat hij liever blindelings tegen bijna ieder gevaar zou zijn ingeloopen, dan den man te ontmoeten, dien hij twee uren geleden niet het minste had geteld. Zijne woedende komst, geheel onverwacht; de klank van zijne stem; dat zij zoo op het punt geweest waren om elkander onder de oogen te komen—daarover zou hij zich na de eerste ontsteltenis hebben heen gezet, en zoo onbeschaamd met zijne schuld hebben gepraald als ooit een booswicht gedaan heeft. Maar dat zijne mijn tegen hem zelven was gesprongen, scheen al zijne stoutheid en zelfvertrouwen vermorseld te hebben. In het stof getreden als een kruipend gedierte; daarheen gelokt om hem te bespotten; gesmaad en verschopt door de trotsche vrouw, wier gemoed hij langzaam had vergiftigd, naar hij meende, tot zij tot eene dienares voor zijne vermaken was gezonken; betrapt in zijn bedrog, en met zijne vossenhuid afgestroopt, sloop hij verslagen, beschaamd en vreesachtig heen.Nog een andere schrik, geheel buiten verband met de gedachte van vervolgd te worden, trof hem eensklaps als een electrische schok, terwijl hij door de straten ging. Iets denkbeeldigs en ontzettends, iets onbegrijpelijks en onverklaarbaars, een gedruis, vergezeld met een dreunen van den grond, een gieren en suizen van iets door de lucht, alsof de dood zelf op zijne geduchte vleugelen kwam aanstormen. Hij kroop op zijde als om dat voorwerp te laten voorbijvliegen. Het vloog niet voorbij, het was er nooit geweest, maar welk eene ontsteltenis had het toch achtergelaten.Hij hief zijn angstig gezicht naar den nachthemel op, waar de sterren, zoo vreedzaam, hem beschenen gelijk toen hij pas in de lucht kwam, en bleef staan om te overleggen wat hij doen zou. De vrees om in eene vreemde afgelegene plaats te worden overvallen, waar de wetten hem misschien niet zouden beschermen—het nieuwe van het gevoel, dat het hem daarom hier zoo vreemd was, omdat hij eensklaps met zijne verwoeste plannen alleen was gebleven—zijn nog grooter angst om nu inItaliëof opSiciliëschuilplaats te zoeken, waar, dacht hij, op elken hoek eener straat een kerel kon worden gehuurd om hem te vermoorden—de wispelturigheid van schuld en vrees—misschien zeker gevoel dat, nu al zijne plannen waren omgekeerd, hij insgelijks moest omkeeren—dreef hem om dit werkelijk te doen en zich weder naarEngelandte begeven.“Daar ben ik in allen gevalle veiliger. Als ik er niet toe mocht besluiten,” dacht hij, “om dien gek satisfactie te geven, is het minder waarschijnlijk dat ik daar zal worden opgespoord, dan nu hier buitenslands. En als ik het mocht doen (als die verwenschte vlaag van schrik maar over is) zal ik daar ten minste niet alleen zijn,[382]zonder iemand om mee te spreken, of mij raad te geven of bij te staan. Ik wil mij niet laten achterhalen en afmaken als een rat.”Hij mompelde Edith’s naam en balde zijne vuist. Terwijl hij in de schaduw der huizen voortsloop, klemde hij zijne tanden samen, en prevelde geduchte vervloekingen over haar hoofd, en keek heen en weder, alsof hij haar zocht. Zoo sloop hij voort tot aan de poort van een herbergplein. Men was in bed; maar het schellen deed weldra een man met eene lantaren aankomen, met wien hij spoedig in het donkere koetshuis was en dong over het huren van een ouden phaëton, naarParijs.De onderhandeling duurde kort, en spoedig werden de paarden gehaald. Zeggende dat het rijtuig hem maar volgen moest, zoodra zij waren voorgespannen, sloop hij weder heen, de stad uit, de oude vestingwerken door en den open weg op, die als een stroom over de donkere vlakte scheen voort te glijden.Waarheen vloeide hij? Wat was het eind er van? Toen hij stilstond, en terwijl hem zoo iets in de gedachten kwam, over de sombere vlakte uitkeek, waar dunne boompjes de richting van den weg aanduidden, kwam weder dat geduchte gedruis achter hem aan, vloog hem weder met onweerstaanbare, doodelijke vaart voorbij, en liet wederom niets achter dan eene ontzetting, even donker als in het uitzicht, even onbestemd als de gezichteinder.Er was geen wind; er was geen voorbijzwevende schaduw over het veld; er was geen gerucht. De stad lag achter hem, hier en daar verlicht, en sterrenwerelden verborgen zich achter den toren en het kerkdak, die nauwelijks een tegen de lucht afstekenden omtrek vertoonden. Duisternis en eenzaamheid lagen overal om hem heen, en hij hoorde de klokken flauw twee uur slaan.Hij ging voort, een langen tijd en een verren weg naar het hem voorkwam, en bleef dikwijls stilstaan om te luisteren. Eindelijk begroette het gerinkel van bellen zijne angstig luisterende ooren. Nu zachter, dan luider, dan weder onhoorbaar, nu zeer langzaam klinkend over slechten grond, dan vlug en vroolijk, kwam het aan; tot met een luidruchtig geroep en zweepgeklap een tot aan de oogen ingebakerde postiljon zijne vier trappelende paarden naast hem ophield.“Wie gaat daar! monsieur?”—“Ja.”—“Monsieur heeft heel ver gewandeld in den donkeren nacht.”—“Dat doet er niet toe. Ieder zijn smaak. Waren er nog andere paarden aan het posthuis besteld?”—“Duizend duivels!—en pardons! Nog andere paarden? Op dit uur? Neen.”—“Luister, mijn vriend. Ik heb groote haast. Laat eens zien hoe hard wij kunnen rijden. Hoe harder, des te meer drinkgeld. Voort dan! Snel!”—“Hallo! Hoep! Hallo! Hi!” En voort ging het in galop door het donkere landschap, dat modder en stof als zeeschuim in de lucht vlogen.Het gekletter en geraas was een weergalm van het verwarde oproer in de gedachten des vluchtelings. Niets was helder van buiten, niets helder van binnen. Voorwerpen, die voorbijvlogen, in elkander versmolten, flauw onderscheiden werden, in verwarring verdwenen! Voorbij de afwisselende plekjes struikgewas en de huisjes vlak langs den weg eene akelige ledige vlakte. Voorbij de afwisselende beelden, die voor zijn geest oprezen en weder verdwenen zoodra zij zich vertoonden, eene donkere ledigheid van woede, vrees en teleurgestelde schurkerij. Nu en dan kwam er een zuchtje berglucht van het afgelegeneJuragebergte, en verdween langs de vlakte. Somtijds kwam dat gierende gedruis, dat zoo woedend en akelig was, wederom door zijne verbeelding suizen, ging voorbij, en liet eene ijzing in zijn bloed achter.De lantarens, op den warhoop van paardenkoppen schijnende, met den ingebakerden postiljon en zijn fladderenden mantel, vormden duizend onduidelijke gedaanten, die aan zijne gedachten beantwoordden. Schimmen, welbekende menschen, over hunne lessenaren en boeken gebukt, in hunne welbekende houdingen; vreemde verschijnselen van den man dien hij ontvluchtte of van Edith; herhalingen, in het gerinkel der bellen of het geratel der wielen, van woorden die gesproken waren; eene verwarring van tijd en plaats, welke den laatsten nacht tot eene maand geleden, eene maand geleden tot den laatsten nacht maakte—die zijn thuis nu ongenaakbaar ver, dan oogenblikkelijk bereikbaar deed schijnen, gejaagdheid, verwarring, duisternis en oproer in zijn geest en overal om hem heen.—Hallo! Hi! Voort in galop door het zwarte landschap, dat slijk en stof als zeeschuim wegvliegen, terwijl de dampende paarden snuiven en trappelen alsof ieder door een duivel bereden werd; voort in dollen zegevierenden ren langs den donkeren weg—waarheen?Wederom komt dat onbeschrijfelijke gedruis achter hem aan, en terwijl het voorbijvliegt, rinkelen de bellen hem in de ooren “waarheen?” De wielen brullen hem in de ooren “waarheen?” Al het gerucht en geratel vormt zich tot dien kreet. De lichten en schaduwen dansen als elfen om de koppen der paarden. Nu geen ophouden, geen vertragen! Voort, voort! Voort met hem in dollen ren langs den donkeren weg!Hij kon niet duidelijk denken. Hij kon het eene voorwerp zijner gedachten niet genoeg van het andere onderscheiden, om er eene minuut lang bij te blijven vertoeven. Het verijdelen van zijn plan om zich voor vroeger bedwang eene wellustige vergoeding te verschaffen; de straf voor zijn verraad aan iemand, die hem eerlijk en edelmoedig behandeld had, maar van wien[383]hij ieder trotsch woord en blik sedert jaren had opgezameld en op interest gezet—want valsche en listige menschen verachten en haten altijd heimelijk het voorwerp hunner vleierij, en wrokken altijd over het betalen en aannemen dier hulde, die zij weten dat geene waarde heeft; dat waren de onderwerpen die hem het meest voor den geest zweefden. Eene stille woede tegen de vrouw, die hem zoo verschalkt en zich zelve zoo gewroken had, was daarmede altijd gemengd; onbekookte, wanstaltige plannen tot vergelding van haar bedrijf dreven in zijn brein rond; maar niets was duidelijk. Zekere gejaagdheid en tegenstrijdigheid beheerschte al zijne gedachten. Zelfs terwijl hij zoo druk bezig was met dit koortsige, verwarde denken, was zijne eenige steeds blijvende gedachte, dat hij het nadenken tot zekeren onbepaalden tijd wilde uitstellen.Toen kwamen de oude dagen voor het tweede huwelijk hem weder in het geheugen. Hij dacht hoe jaloersch hij op het knaapje, hoe jaloersch hij op het meisje geweest was, hoe listig hij alle indringers op een afstand had gehouden, en om den man, dien hij misleidde, een kring had getrokken, waarover niemand dan hij zelf moest heen stappen; en toen dacht hij: had hij dat alles gedaan om nu, als een betrapte dief, voor niemand anders dan hem, dien hij zoo bedrogen had en zoo verachtte, te vluchten?Hij had uit wrevel over zijne lafhartigheid de handen wel aan zich zelven kunnen slaan, maar die lafhartigheid was als het ware de schaduw zijner nederlaag, en kon niet daarvan worden afgescheiden. Zijn vertrouwen op zijne eigene schurkerij zoo met één slag te zien verwoesten, zelf te weten dat hij zulk een ellendig werktuig was geweest, dit had hem zoo goed als verlamd. Met machtelooze woede vloekte hij op Edith, haatte hij Dombey en haatte hij zich zelven, maar toch vluchtte hij, en kon hij niet anders dan vluchten.Nogmaals en nogmaals luisterde hij naar het gerucht van wielen achter hem. Nogmaals en nogmaals verbeeldde hij zich dat hij het al luider en luider hoorde aankomen. Eindelijk was hij er zoo van overtuigd, dat hij riep: “Houd op!” en liever grond wilde verliezen dan langer die onzekerheid verdragen.Zijn bevel deed rijtuig, paarden en postiljon met een schok op elkander stuiven en stilstaan.“Duivel!” riep de postiljon, over zijn schouder omkijkende. “Wat is er?”—“Luister! Wat is dat?”—“Wat?”—“Dat geluid.”—“O hemel! stil dan, vervloekte brigand!” tot een paard, dat zijne bellen schudde. “Wat voor geluid?”—“Daar achter ons. Is dat niet een ander rijtuig in galop? Daar! Wat is dat?”—“Schelm met een varkenskop, sta stil!” tot een ander paard, dat een ander beet, dat de twee andere schichtig maakte, die steigerden en trappelden. “Daar komt niets aan.”—“Niets?”—“Niets, dan daar ginds de dag.”—“Gij hebt gelijk, geloof ik. Ik hoor nu ook niets. Rijd maar voort.”De in elkander gewarde equipage, half verborgen in den damp, die van de paarden opstijgt, rijdt eerst langzaam voort, want de postiljon, buiten noodzaak in zijne vaart gestuit, haalt brommig zijn zakmes uit en maakt een nieuwen slag aan zijne zweep. En toen “Hallo Ho!” Nog eens in dollen ren.En nu verbleekten de sterren, en brak de dageraad aan, en in het rijtuig overeindstaande en terugziende, kon de vluchteling den weg onderscheiden, dien hij had afgelegd, en zich overtuigen dat er geen reiziger meer in het gezicht was. En spoedig werd het helder dag, en begon de zon op korenvelden en wijngaarden te schijnen, en gingen eenzame arbeiders uit tijdelijke hutjes, bij groote steenhoopen aan den weg, aan het werk om dien weg te herstellen, en hun brood zitten eten. Later gingen er landlieden naar hun dagwerk of naar de markt, of stonden zij aan de deuren van armoedige huisjes ledig naar hem te kijken, terwijl hij voorbijreed. En toen kwam het posthuis, waar de modder een half voet hoog op het voorplein lag, met rookende mesthoopen en bouwvallige schuren; en aan dit fraaie plein stond een uitgestrekt oud kasteel, met de helft der vensters toegemetseld en met eene groene schimmel begroeid van de steenen borstwering van het terras, tot aan de naar dompertjes gelijkende torenspitsen.Lusteloos in een hoek van het rijtuig gedoken, en zich om niets anders bekommerende dan dat men hard doorreed—behalve wanneer hij, een kwartier achtereen, opstond en achteromkeek, hetgeen hij telkens deed als men een vrij uitzicht had—reed hij nog voort, nog het nadenken onbepaald uitstellende, en toch steeds gepijnigd door allerlei verwarde gedachten.Schaamte, teleurstelling en wreveligheid knaagden aan zijn hart, eene gedurige vrees om ingehaald of ontmoet te worden—want hij was zelf zonder eenige reden bevreesd voor de reizigers, die hem op den weg tegenkwamen—drukte hem ter neer. Dezelfde ondraaglijke angst en ontzetting, die hem in den nacht hadden overvallen, keerden overdag onverzwakt terug. Het eentonige rinkelen der bellen en stampen der paarden; de eentonigheid van zijn angst en nuttelooze woede; het eentonige rad van vrees, spijt en gramschap, dat al om en om draaide; dat alles maakte de reis tot een visioen, waarin niets werkelijk bestaan had dan zijne eigene marteling.Het was een visioen van lange wegen, welke zich tot den gezichteinder uitstrekten, die steeds terugweek en nooit bereikt werd; van slecht[384]bestrate steden, niet op- en neerloopende straten, waar gezichten voor de donkere deuren en doffe vensters kwamen, waar rijen van bemodderde koeien en ossen, in lange straten te koop vastgebonden, stonden te loeien en te stooten, en op hunne botte koppen slagen met knuppels kregen, hard genoeg om ze de hersenen in te slaan; van bruggen, kruisen, kerken, posthuizen, nieuwe paarden tegen wil en dank voorgespannen, en paarden van het laatste station, dampende en hijgende, hunne koppen zwaarmoedig bij eene staldeur bij elkander stekende; van kleine kerkhoven met zwarte kruisen, schuins bij graven gezet, en verwelkte kransen daaraan hangende; en wederom van lange, lange wegen, die zich, heuvel op en heuvel af, naar den verraderlijken gezichteinder voortsleepten.Van morgen, middag, avond en nacht en het opkomen der maan. Van lange wegen voor eene poos achtergelaten en het ratelen over eene ongelijke straat, en het opkijken tusschen de huizen naar een grooten kerktoren; van uitstappen en haastig eten, en glazen wijn drinken, die geen vervroolijkenden invloed hadden; van te voet buiten te komen, tusschen een zwerm van bedelaars—blindemannen met trillende oogleden, geleid door oude vrouwen, die hen kaarsen voor het gezicht hielden, onwijze kinderen, lammen en kreupelen—van door het rumoer heen te gaan en van zijne plaats naar de omhooggekeerde gezichten en uitgestokene handen te kijken, met een haastig opkomenden angst van een vervolger te herkennen—van weder voort te rennen langs den langen, langen weg, dof en versuft in zijn hoek gedoken, of op te staan om te zien waar mijlen ver op een plekje van denzelfden eindeloozen weg de maan scheen, of om te kijken om te zien wie er volgde.Van nooit te slapen, maar somtijds met ongeslotene oogen te dutten, en met een schrik op te springen en overluid te antwoorden op eene denkbeeldige stem. Van zich zelven te vervloeken, dat hij daar was, dat hij gevlucht was, dat hij haar had laten gaan, dat hij hem niet had afgewacht en uitgetart. Van een doodelijken wrok tegen de geheele wereld, maar vooral tegen zich zelven. Van alles wel te willen verdelgen terwijl hij voorbijreed.Het was een koortsig visioen van verledene en tegenwoordige dingen allen ondereen geward, van zijn leven en zijne reis te zamen gesmolten. Van in dolle vaart ergens heengevoerd te worden, waar hij heenmoest. Van oude tooneelen, oprijzende tusschen de nieuwe, waardoor hij heenreed. Van te peinzen en te mijmeren over hetgeen lang geleden en veraf was, en niet te letten op de voorwerpen, die hij wezenlijk zag, maar toch met eene vermoeiende bewustheid dat zij hem verbijsterden, en als zij verdwenen hunne beelden in zijn gloeiend brein achterlieten.Een visioen van veranderingen op veranderingen, en toch dezelfde eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Van stad en land, pesthuizen, paarden, postiljons, heuvel en dal, droog weder en regen, wegen en straten, licht en duisternis, hoogten en laagten, en toch dezelfde eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Een visioen van eindelijk de hoofdstad te naderen, langs drukke wegen, en voorbij oude domkerken te rijden, en door kleine steden en dorpen te vliegen, minder dun dan te voren langs den weg gesprenkeld, en in zijn hoek gedoken te zitten, met zijn mantel half voor zijn gezicht, als voorbijgangers hem aankeken.Van voort en voort te rennen, altijd het denken uitstellende, en altijd gemarteld door zijne woelige gedachten; van buiten staat te zijn om te berekenen hoelang hij onderweg was geweest, of te begrijpen hoe de plaatsen elkander op zijne reis hadden gevolgd. Van dorstig, duizelig en half krankzinnig te zijn. Van ondanks dat alles toch voort te jagen, alsof hij niet kon ophouden, enParijsbinnen te rijden, waar de troebele rivier ongestoord haar snellen loop vervolgde, tusschen twee bruisende stroomen van leven en beweging.Dan een verward visioen van bruggen, kaden, eindelooze straten; van wijnhuizen, waterdragers, gedrang van menschen, soldaten, koetsen, trommels en gaanderijen. Van een algemeen gewoel en gerucht, dat de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven eindelijk verzwolg. Van het langzaam verminderen van dat gerucht, toen hij met een ander rijtuig eene andere barrière uitreed. Van het terugkomen, terwijl hij zeewaarts reed, van de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust.Van avond en nacht wederom. Van lange wegen wederom, en duisternis, en flauwe lichtjes voor de vensters langs den weg; en steeds de oude eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Van het aankomen van den dag en het opgaan der zon. Van langzaam tegen een heuvel op te kruien en op den top de frissche zeelucht te gevoelen, en het morgenlicht op de kammen der golven in de verte te zien spelen. Van naar de reede te komen, met hoog water, en de visschersscheepjes aan land te zien komen, en blijde vrouwen en kinderen daarnaar te zien wachten. Van netten en visscherskleeren, op het strand te drogen gespreid; van druk bezige matrozen, en hunne stemmen omhoog tusschen masten en touwen; van de dartelheid en helderheid van het water, en het schitteren overal.Van de kust te verlaten en daarnaar terug te zien van het dek, terwijl er een nevel op[385]het water hing, met eene kleine opening hier en daar, waardoor men het land zag, helder door de zon beschenen. Van het deinen en murmelen der kalme zee. Van eene andere grauwe streep op het water, voor den boeg van het schip, die met spoed duidelijker en hooger werd. Van klippen en gebouwen, en een windmolen en eene kerk, die daar al duidelijker en duidelijker zichtbaar werden. Van eindelijk in effen water te komen, en aan te leggen bij een hoofd, van waar groepen menschen naar beneden keken en hunne vrienden aan boord begroetten. Van snel tusschen hen door te gaan, iedereen vermijdende, en eindelijk weder inEngelandte zijn.Hij had in zijn droom gedacht van naar een afgelegen landstadje te gaan dat hij kende, en zich daar stil te houden, terwijl hij heimelijk vernam naar wat er was voorgevallen, en overlegde hoe hij handelen moest. Nog in denzelfden versuften toestand, herinnerde hij zich zeker station aan den spoorweg, waar hij een zijtak naar de plaats zijner bestemming zou moeten inslaan, en waar eene stille herberg was. Daar nam hij zich voor eene poos uit te rusten.Met dit voornemen sloop hij terstond in een spoorrijtuig, en daar in zijn mantel gewikkeld liggende, alsof hij sliep, werd hij spoedig ver van de zee en diep in het groene binnenland gevoerd. Op de bedoelde plaats gekomen keek hij voorzichtig rond. Zijne herinnering had hem niet misleid. Het was eene stille, afgelegene plek, aan den zoom van een boschje. Slechts een huis, pas gebouwd of tot het tegenwoordige doel ingericht, stond daar, door een netten tuin omgeven; de naastbijzijnde kleine stad was toch eenige mijlen ver. Hier stapte hij dus af, en naar de herberg gaande, zonder dat iemand hem opmerkte, verzekerde hij zich van twee bovenkamers, die in elkander uitkwamen, en die hij afgelegen genoeg vond.Hij zag het gezicht van wraakzuchtige woede tot zwijmelenden schrik overgaan. (blz. 387).Hij zag het gezicht van wraakzuchtige woede tot zwijmelenden schrik overgaan.(blz. 387).Zijn doel was uit te rusten, en zelfbeheersching en bedaardheid terug te krijgen. Doffe verslagenheid en woede—zoodat hij, terwijl hij op zijne kamer heen en weder ging, op zijne tanden knarste—hadden hem geheel overmeesterd. Zijne gedachten, die zich niet lieten stuiten of besturen, zwierven nog waarheen zij wilden en sleepten hem mede. Hij was versuft en dood moede.[386]Maar, alsof er een vloek op hem lag dat hij nooit zou rusten, wilden zijne slaperige zinnen hunne bewustheid maar niet verliezen. Hij had in dit opzicht niet meer heerschappij over hen, dan alsof zij een ander hadden toebehoord. Het was niet dat zij hem dwongen om op tegenwoordige klanken en voorwerpen te letten, maar zij wilden zich niet laten afbrengen van eene woelige herhaling zijner geheele reis. Deze werd hem gedurig en op eens weder voorgehouden. Zij stond daar weder, met hare donkere oogen vol verachting op hem gevestigd; en hij reed niettemin voort, door stad en land, door licht en duisternis, door regen en zonneschijn, over puinwegen en straatsteenen, heuvelen en dalen, hoogten en laagten, gemarteld en versuft door de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en zonder rust.“Wat is het voor een dag?” vroeg hij aan den knecht, die zijne tafel kwam dekken.—“Dag, mijnheer?”—“Is het woensdag?”—“Woensdag, mijnheer? Neen, mijnheer. Donderdag, mijnheer.”—“Het was mij ontschoten. Hoe laat is het? Mijn horloge is niet opgewonden.”—“Het is op slag van vijven, mijnheer. Lang op reis geweest, misschien, mijnheer?”—“Ja.”—“Heel vermoeiend voor het hoofd, mijnheer. Zelf niet veel gewoon met spoor te reizen, mijnheer; maar de heeren zeggen dat dikwijls.”—“Komen hier veel heeren?”—“Nog al, mijnheer. Tegenwoordig niemand hier. Nu juist een beetje slap. Alles gaat slap, mijnheer.”Hij gaf geen antwoord, maar was op de sofa, waarop hij gelegen had, in eene zittende houding overeindgekomen, en staarde nu, voorovergeleund, met de armen op de knieën, naar den grond. Hij kon zijne oplettendheid geene minuut lang meester blijven. Zij vloog heen waar zij wilde, maar verloor zich nooit een oogenblik in den slaap.Hij dronk na den maaltijd vrij veel wijn, maar vruchteloos. Geen zoodanig kunstmiddel wilde hem slaap in de oogen brengen. Zijne gedachten, nog minder geregeld, sleepten hem ongenadig mede—als werd een rampzalige, tot zulk eene straf veroordeeld, achter de hoeven van wilde paarden medegesleept. Geene vergetelheid, en geene rust.Hoelang hij daar zat te drinken en te mijmeren, en in verbeelding herwaarts en derwaarts gesleept werd, had niemand minder nauwkeurig kunnen zeggen dan hij zelf. Maar hij wist dat hij langen tijd bij kaarslicht had gezeten, toen hij met plotselingen schrik overeindsprong.Want nu was het inderdaad geene verbeelding. De grond dreunde, het huis trilde, en het wilde, jagende gedruis was in de lucht! Hij voelde het aankomen en voorbijvliegen; en zelfs toen hij naar het venster was gesneld en zag wat het was, stond hij er nog voor te huiveren, en deinsde hij terug alsof het niet veilig was uit te zien.Een vloek op den vuurduivel, die zoo onverwacht kwam aandonderen, nu door de afgelegene vallei na te sporen was door een lichtglans en eene rookwolk, en toen verdwenen was! Het was hem te moede alsof hij uit de baan van dat monster was gerukt en daardoor alleen bewaard van aan stukken gescheurd te worden. Het deed hem zelfs nu nog huiveren en beven, nu het flauwste geluid niet meer te hooren was, en de sporen van den ijzeren weg, die hij in den maneschijn kon volgen tot zij in één punt samenliepen, zoo ledig en stil waren als eene woestijn.Buiten staat om te rusten, en onweerstaanbaar—of hij dacht zoo—naar dezen weg getrokken, ging hij naar buiten en kuierde langs den rand, en lette op het pad, dat de trein bereden had, aan de nog rookende sintels te onderscheiden. Na eene wandeling van omtrent een half uur, in de richting waarin de trein was verdwenen, keerde hij om en stapte den anderen kant op—altijd langs den kant van den weg blijvende—den tuin der herberg weder voorbij, en nog een heel eind verder, en keek nieuwsgierig naar bruggen, seinpalen en lampen, en verwonderde zich wanneer er een andere vuurduivel zou voorbijkomen.Een dreunen van den grond en eene snelle trilling in zijne ooren; een gil in de verte; een dof licht, dat snel naderde en in twee roode oogen en een schitterend vuur veranderde, waaruit gloeiende kolen op den grond vielen; een brullend, zich reusachtig uitzettend gevaarte, dat met onweerstaanbare vaart aankwam, een snuivende wind en een geratel—nog een vuurduivel was voorbijgevlogen, en hij hield zich aan een hek vast, als om zich te redden.Hij wachtte naar nog een, en naar nog een. Hij wandelde terug naar het eerste punt, en weder terug naar dit, en keek nog steeds, door het vermoeiende visioen zijner reis heen, naar die naderende monsters uit. Hij bleef bij het station dralen, om te wachten tot er daar een zou ophouden, en toen dit er een deed, en losgerukt werd om water in te nemen, en hij vlak er bij stond en hij de zware wielen en het koperen voorhoofd van het monster zag, dacht hij welk eene gruwelijke kracht het had. IJselijk! De groote wielen langzaam te zien ronddraaien, en te denken, dat men er door overreden en verpletterd kon worden.Ongesteld door den wijn en het gebrek aan rust—een gebrek dat niets, al was hij nog zoo moede, wilde vervullen—oefenden deze voorwerpen en gedachten een koortsachtigen invloed op hem uit. Toen hij weder naar zijne kamer ging, hetgeen hij eerst tegen middernacht deed, vervolgden zij hem nog, en bleef[387]hij nog naar de komst van een ander monster zitten luisteren.Zoo was het ook in zijn bed, waarheen hij zich begaf zonder hoop om te slapen. Hij bleef nog liggen luisteren; en als hij het dreunen en trillen voelde, stond hij op en ging naar het venster, om, gelijk hij daar kon, het doffe licht in twee ronde oogen te zien veranderen, en de gloeiende kolen uit het schitterende vuur te zien vallen, en de snuivende vaart van het monster waar te nemen, en zijn spoor van licht en rook door de vallei te volgen. Dan keek hij uit in de richting, waarin hij met den dageraad wilde vertrekken, daar hij hier toch niet rusten kon, en ging weder liggen, en werd wederom geplaagd door het visioen zijner reis, en de oude eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, tot er weder een ander monster kwam. Dit duurde den geheelen nacht. Wel verre van de heerschappij over zich zelven te herkrijgen, scheen hij die zoo mogelijk meer en meer te verliezen. Toen de dageraad aanbrak, werd hij nog gemarteld door zijn denken, en wilde hij nog het nadenken uitstellen tot hij daartoe beter in staat was; het verledene, het tegenwoordige, de toekomst, alles dwarrelde voor hem dooreen, en hij had alle vermogen verloren om iets met vastheid in het oog te houden.“Hoe laat ga ik hier vandaan, hebt gij gezegd?” vroeg hij den knecht, die hem des nachts bediend had en nu met eene kaars binnenkwam.—“Tegen kwartier over vieren, mijnheer. Om vier uur komt de expres-trein—maar die houdt hier niet op.”Hij streek met zijne hand over zijn kloppend hoofd en keek op zijn horloge. Bij half vier.“Denkelijk zal er niemand met u meegaan, mijnheer,” merkte de knecht aan. “Nog twee heeren hier, mijnheer, maar die wachten op den trein naarLonden.”—“Ik dacht, dat gij gezegd hadt, dat er niemand hier was,” zeide Carker, zich naar hem omkeerende met een flauwen zweem van zijn ouden glimlach, als hij kwaad of achterdochtig was.—“Toen niet, mijnheer. Twee heeren zijn van nacht gekomen, met den korten trein die hier blijft, mijnheer. Warm water, mijnheer?”—“Neen. En neem de kaars maar weg. Er is daglicht genoeg.”Daar hij zich half gekleed in het bed had geworpen, stond hij al weder voor het venster toen de knecht uitging. Het koude licht van den dageraad had den nacht vervangen, en reeds zag men den rooden gloed der naderende zon in de lucht. Hij poogde zijn hoofd en gezicht met water te verfrisschen—maar het had voor hem geene verkoelende kracht—trok haastig zijne kleeren aan, betaalde wat hij schuldig was en ging naar buiten.Hij vond de lucht, die hem aanwoei, onaangenaam kil. Het had zwaar gedauwd, en verhit als hij was, deed de koelte hem huiveren. Na even te hebben omgekeken naar den kant waar hij des nachts had gewandeld, en naar de seinlichten, thans door het daglicht verdoofd en van geen nut meer, keerde hij zich naar den kant der zon, en zag deze in al hare heerlijkheid opgaan.Zoo plechtig en schoon, zoo goddelijk prachtig. Terwijl hij zijne flauwe oogen op haar vestigde, waar zij oprees stil en statig, onbeneveld door al de goddeloosheid, die hare stralen sedert het begin der wereld hadden beschenen, wie zal zeggen of toen eene flauwe bewustheid van het bestaan der deugd op aarde en hare belooning in den hemel, zich niet zelfs aan hem openbaarde? Als hij ooit met een zweem van teederheid en wroeging aan zijn broeder en zijne zuster dacht, wie zal zeggen dat het toen niet was?Wel mocht dat toen zijn. De dood was hem nabij. Hij was afgezonderd van de levende wereld, en had den voet in het graf.Hij betaalde zijn geld voor de reis naar het landstadje, waaraan hij gedacht had; en wandelde alleen heen en weder, en keek de ijzeren sporen langs, door de vallei in de eene richting, en naar eene donkere brug in de andere; toen hij, zijne wandeling stakende en omkeerende aan het einde eener houten gaanderij, waarop hij heen en weder stapte, den man, voor wien hij de vlucht had genomen, de deur zag uitkomen, door welke hij zelf daar gekomen was. Zij herkenden elkander terstond.In de duizeling der verrassing wankelde hij en tuimelde van de planken af op den lager weg naast hem. Maar zich terstond weder herstellende, deed hij een paar schreden achterwaarts op dien weg, om den afstand tusschen hen te vergrooten, en zag, kort en snel ademhalende, zijn vervolger aan.Hij hoorde roepen—nog eens—zag het gezicht van wraakzuchtige woede tot zwijmelenden schrik overgaan—voelde den grond dreunen—wist in een oogenblik dat het monster aankwam—gaf een gil—keek om—zag de roode oogen, schemerachtig flauw in het daglicht, dicht achter hem—werd neergesmeten, opgepakt en rondgeslingerd door een getand raderwerk, dat hem om en om liet draaien, hem van lid tot lid verscheurde, zijn bloed met een vuurgloed oplekte, en de verminkte stukken zijner leden in de lucht wierp.Toen de reiziger, die herkend was, uit zijne bezwijming bijkwam, zag hij op een afstand vier mannen, die op eene plank tusschen hen iets wegdroegen, dat overdekt was en doodstil lag, terwijl anderen eenige honden wegjoegen, die langs den weg liepen te snuffelen en de sporen van zijn bloed met asch bestrooiden.[388]

De portier van het ijzeren hek, dat het binnenplein van de straat afsloot, had het deurtje van zijn huis opengelaten en was heengegaan, zonder twijfel door het gerucht op de groote trap nieuwsgierig geworden. Zachtjes de klink oplichtende, sloop Carker naar buiten, sloot het kletterende hek met zoo weinig gerucht als mogelijk was, en snelde heen.

In zijne koorts van ergernis en machtelooze woede, had de laatste schrik hem geheel overmeesterd. Zijn angst was zoo groot dat hij liever blindelings tegen bijna ieder gevaar zou zijn ingeloopen, dan den man te ontmoeten, dien hij twee uren geleden niet het minste had geteld. Zijne woedende komst, geheel onverwacht; de klank van zijne stem; dat zij zoo op het punt geweest waren om elkander onder de oogen te komen—daarover zou hij zich na de eerste ontsteltenis hebben heen gezet, en zoo onbeschaamd met zijne schuld hebben gepraald als ooit een booswicht gedaan heeft. Maar dat zijne mijn tegen hem zelven was gesprongen, scheen al zijne stoutheid en zelfvertrouwen vermorseld te hebben. In het stof getreden als een kruipend gedierte; daarheen gelokt om hem te bespotten; gesmaad en verschopt door de trotsche vrouw, wier gemoed hij langzaam had vergiftigd, naar hij meende, tot zij tot eene dienares voor zijne vermaken was gezonken; betrapt in zijn bedrog, en met zijne vossenhuid afgestroopt, sloop hij verslagen, beschaamd en vreesachtig heen.

Nog een andere schrik, geheel buiten verband met de gedachte van vervolgd te worden, trof hem eensklaps als een electrische schok, terwijl hij door de straten ging. Iets denkbeeldigs en ontzettends, iets onbegrijpelijks en onverklaarbaars, een gedruis, vergezeld met een dreunen van den grond, een gieren en suizen van iets door de lucht, alsof de dood zelf op zijne geduchte vleugelen kwam aanstormen. Hij kroop op zijde als om dat voorwerp te laten voorbijvliegen. Het vloog niet voorbij, het was er nooit geweest, maar welk eene ontsteltenis had het toch achtergelaten.

Hij hief zijn angstig gezicht naar den nachthemel op, waar de sterren, zoo vreedzaam, hem beschenen gelijk toen hij pas in de lucht kwam, en bleef staan om te overleggen wat hij doen zou. De vrees om in eene vreemde afgelegene plaats te worden overvallen, waar de wetten hem misschien niet zouden beschermen—het nieuwe van het gevoel, dat het hem daarom hier zoo vreemd was, omdat hij eensklaps met zijne verwoeste plannen alleen was gebleven—zijn nog grooter angst om nu inItaliëof opSiciliëschuilplaats te zoeken, waar, dacht hij, op elken hoek eener straat een kerel kon worden gehuurd om hem te vermoorden—de wispelturigheid van schuld en vrees—misschien zeker gevoel dat, nu al zijne plannen waren omgekeerd, hij insgelijks moest omkeeren—dreef hem om dit werkelijk te doen en zich weder naarEngelandte begeven.

“Daar ben ik in allen gevalle veiliger. Als ik er niet toe mocht besluiten,” dacht hij, “om dien gek satisfactie te geven, is het minder waarschijnlijk dat ik daar zal worden opgespoord, dan nu hier buitenslands. En als ik het mocht doen (als die verwenschte vlaag van schrik maar over is) zal ik daar ten minste niet alleen zijn,[382]zonder iemand om mee te spreken, of mij raad te geven of bij te staan. Ik wil mij niet laten achterhalen en afmaken als een rat.”

Hij mompelde Edith’s naam en balde zijne vuist. Terwijl hij in de schaduw der huizen voortsloop, klemde hij zijne tanden samen, en prevelde geduchte vervloekingen over haar hoofd, en keek heen en weder, alsof hij haar zocht. Zoo sloop hij voort tot aan de poort van een herbergplein. Men was in bed; maar het schellen deed weldra een man met eene lantaren aankomen, met wien hij spoedig in het donkere koetshuis was en dong over het huren van een ouden phaëton, naarParijs.

De onderhandeling duurde kort, en spoedig werden de paarden gehaald. Zeggende dat het rijtuig hem maar volgen moest, zoodra zij waren voorgespannen, sloop hij weder heen, de stad uit, de oude vestingwerken door en den open weg op, die als een stroom over de donkere vlakte scheen voort te glijden.

Waarheen vloeide hij? Wat was het eind er van? Toen hij stilstond, en terwijl hem zoo iets in de gedachten kwam, over de sombere vlakte uitkeek, waar dunne boompjes de richting van den weg aanduidden, kwam weder dat geduchte gedruis achter hem aan, vloog hem weder met onweerstaanbare, doodelijke vaart voorbij, en liet wederom niets achter dan eene ontzetting, even donker als in het uitzicht, even onbestemd als de gezichteinder.

Er was geen wind; er was geen voorbijzwevende schaduw over het veld; er was geen gerucht. De stad lag achter hem, hier en daar verlicht, en sterrenwerelden verborgen zich achter den toren en het kerkdak, die nauwelijks een tegen de lucht afstekenden omtrek vertoonden. Duisternis en eenzaamheid lagen overal om hem heen, en hij hoorde de klokken flauw twee uur slaan.

Hij ging voort, een langen tijd en een verren weg naar het hem voorkwam, en bleef dikwijls stilstaan om te luisteren. Eindelijk begroette het gerinkel van bellen zijne angstig luisterende ooren. Nu zachter, dan luider, dan weder onhoorbaar, nu zeer langzaam klinkend over slechten grond, dan vlug en vroolijk, kwam het aan; tot met een luidruchtig geroep en zweepgeklap een tot aan de oogen ingebakerde postiljon zijne vier trappelende paarden naast hem ophield.

“Wie gaat daar! monsieur?”—“Ja.”—“Monsieur heeft heel ver gewandeld in den donkeren nacht.”—“Dat doet er niet toe. Ieder zijn smaak. Waren er nog andere paarden aan het posthuis besteld?”—“Duizend duivels!—en pardons! Nog andere paarden? Op dit uur? Neen.”—“Luister, mijn vriend. Ik heb groote haast. Laat eens zien hoe hard wij kunnen rijden. Hoe harder, des te meer drinkgeld. Voort dan! Snel!”—“Hallo! Hoep! Hallo! Hi!” En voort ging het in galop door het donkere landschap, dat modder en stof als zeeschuim in de lucht vlogen.

Het gekletter en geraas was een weergalm van het verwarde oproer in de gedachten des vluchtelings. Niets was helder van buiten, niets helder van binnen. Voorwerpen, die voorbijvlogen, in elkander versmolten, flauw onderscheiden werden, in verwarring verdwenen! Voorbij de afwisselende plekjes struikgewas en de huisjes vlak langs den weg eene akelige ledige vlakte. Voorbij de afwisselende beelden, die voor zijn geest oprezen en weder verdwenen zoodra zij zich vertoonden, eene donkere ledigheid van woede, vrees en teleurgestelde schurkerij. Nu en dan kwam er een zuchtje berglucht van het afgelegeneJuragebergte, en verdween langs de vlakte. Somtijds kwam dat gierende gedruis, dat zoo woedend en akelig was, wederom door zijne verbeelding suizen, ging voorbij, en liet eene ijzing in zijn bloed achter.

De lantarens, op den warhoop van paardenkoppen schijnende, met den ingebakerden postiljon en zijn fladderenden mantel, vormden duizend onduidelijke gedaanten, die aan zijne gedachten beantwoordden. Schimmen, welbekende menschen, over hunne lessenaren en boeken gebukt, in hunne welbekende houdingen; vreemde verschijnselen van den man dien hij ontvluchtte of van Edith; herhalingen, in het gerinkel der bellen of het geratel der wielen, van woorden die gesproken waren; eene verwarring van tijd en plaats, welke den laatsten nacht tot eene maand geleden, eene maand geleden tot den laatsten nacht maakte—die zijn thuis nu ongenaakbaar ver, dan oogenblikkelijk bereikbaar deed schijnen, gejaagdheid, verwarring, duisternis en oproer in zijn geest en overal om hem heen.—Hallo! Hi! Voort in galop door het zwarte landschap, dat slijk en stof als zeeschuim wegvliegen, terwijl de dampende paarden snuiven en trappelen alsof ieder door een duivel bereden werd; voort in dollen zegevierenden ren langs den donkeren weg—waarheen?

Wederom komt dat onbeschrijfelijke gedruis achter hem aan, en terwijl het voorbijvliegt, rinkelen de bellen hem in de ooren “waarheen?” De wielen brullen hem in de ooren “waarheen?” Al het gerucht en geratel vormt zich tot dien kreet. De lichten en schaduwen dansen als elfen om de koppen der paarden. Nu geen ophouden, geen vertragen! Voort, voort! Voort met hem in dollen ren langs den donkeren weg!

Hij kon niet duidelijk denken. Hij kon het eene voorwerp zijner gedachten niet genoeg van het andere onderscheiden, om er eene minuut lang bij te blijven vertoeven. Het verijdelen van zijn plan om zich voor vroeger bedwang eene wellustige vergoeding te verschaffen; de straf voor zijn verraad aan iemand, die hem eerlijk en edelmoedig behandeld had, maar van wien[383]hij ieder trotsch woord en blik sedert jaren had opgezameld en op interest gezet—want valsche en listige menschen verachten en haten altijd heimelijk het voorwerp hunner vleierij, en wrokken altijd over het betalen en aannemen dier hulde, die zij weten dat geene waarde heeft; dat waren de onderwerpen die hem het meest voor den geest zweefden. Eene stille woede tegen de vrouw, die hem zoo verschalkt en zich zelve zoo gewroken had, was daarmede altijd gemengd; onbekookte, wanstaltige plannen tot vergelding van haar bedrijf dreven in zijn brein rond; maar niets was duidelijk. Zekere gejaagdheid en tegenstrijdigheid beheerschte al zijne gedachten. Zelfs terwijl hij zoo druk bezig was met dit koortsige, verwarde denken, was zijne eenige steeds blijvende gedachte, dat hij het nadenken tot zekeren onbepaalden tijd wilde uitstellen.

Toen kwamen de oude dagen voor het tweede huwelijk hem weder in het geheugen. Hij dacht hoe jaloersch hij op het knaapje, hoe jaloersch hij op het meisje geweest was, hoe listig hij alle indringers op een afstand had gehouden, en om den man, dien hij misleidde, een kring had getrokken, waarover niemand dan hij zelf moest heen stappen; en toen dacht hij: had hij dat alles gedaan om nu, als een betrapte dief, voor niemand anders dan hem, dien hij zoo bedrogen had en zoo verachtte, te vluchten?

Hij had uit wrevel over zijne lafhartigheid de handen wel aan zich zelven kunnen slaan, maar die lafhartigheid was als het ware de schaduw zijner nederlaag, en kon niet daarvan worden afgescheiden. Zijn vertrouwen op zijne eigene schurkerij zoo met één slag te zien verwoesten, zelf te weten dat hij zulk een ellendig werktuig was geweest, dit had hem zoo goed als verlamd. Met machtelooze woede vloekte hij op Edith, haatte hij Dombey en haatte hij zich zelven, maar toch vluchtte hij, en kon hij niet anders dan vluchten.

Nogmaals en nogmaals luisterde hij naar het gerucht van wielen achter hem. Nogmaals en nogmaals verbeeldde hij zich dat hij het al luider en luider hoorde aankomen. Eindelijk was hij er zoo van overtuigd, dat hij riep: “Houd op!” en liever grond wilde verliezen dan langer die onzekerheid verdragen.

Zijn bevel deed rijtuig, paarden en postiljon met een schok op elkander stuiven en stilstaan.

“Duivel!” riep de postiljon, over zijn schouder omkijkende. “Wat is er?”—“Luister! Wat is dat?”—“Wat?”—“Dat geluid.”—“O hemel! stil dan, vervloekte brigand!” tot een paard, dat zijne bellen schudde. “Wat voor geluid?”—“Daar achter ons. Is dat niet een ander rijtuig in galop? Daar! Wat is dat?”—“Schelm met een varkenskop, sta stil!” tot een ander paard, dat een ander beet, dat de twee andere schichtig maakte, die steigerden en trappelden. “Daar komt niets aan.”—“Niets?”—“Niets, dan daar ginds de dag.”—“Gij hebt gelijk, geloof ik. Ik hoor nu ook niets. Rijd maar voort.”

De in elkander gewarde equipage, half verborgen in den damp, die van de paarden opstijgt, rijdt eerst langzaam voort, want de postiljon, buiten noodzaak in zijne vaart gestuit, haalt brommig zijn zakmes uit en maakt een nieuwen slag aan zijne zweep. En toen “Hallo Ho!” Nog eens in dollen ren.

En nu verbleekten de sterren, en brak de dageraad aan, en in het rijtuig overeindstaande en terugziende, kon de vluchteling den weg onderscheiden, dien hij had afgelegd, en zich overtuigen dat er geen reiziger meer in het gezicht was. En spoedig werd het helder dag, en begon de zon op korenvelden en wijngaarden te schijnen, en gingen eenzame arbeiders uit tijdelijke hutjes, bij groote steenhoopen aan den weg, aan het werk om dien weg te herstellen, en hun brood zitten eten. Later gingen er landlieden naar hun dagwerk of naar de markt, of stonden zij aan de deuren van armoedige huisjes ledig naar hem te kijken, terwijl hij voorbijreed. En toen kwam het posthuis, waar de modder een half voet hoog op het voorplein lag, met rookende mesthoopen en bouwvallige schuren; en aan dit fraaie plein stond een uitgestrekt oud kasteel, met de helft der vensters toegemetseld en met eene groene schimmel begroeid van de steenen borstwering van het terras, tot aan de naar dompertjes gelijkende torenspitsen.

Lusteloos in een hoek van het rijtuig gedoken, en zich om niets anders bekommerende dan dat men hard doorreed—behalve wanneer hij, een kwartier achtereen, opstond en achteromkeek, hetgeen hij telkens deed als men een vrij uitzicht had—reed hij nog voort, nog het nadenken onbepaald uitstellende, en toch steeds gepijnigd door allerlei verwarde gedachten.

Schaamte, teleurstelling en wreveligheid knaagden aan zijn hart, eene gedurige vrees om ingehaald of ontmoet te worden—want hij was zelf zonder eenige reden bevreesd voor de reizigers, die hem op den weg tegenkwamen—drukte hem ter neer. Dezelfde ondraaglijke angst en ontzetting, die hem in den nacht hadden overvallen, keerden overdag onverzwakt terug. Het eentonige rinkelen der bellen en stampen der paarden; de eentonigheid van zijn angst en nuttelooze woede; het eentonige rad van vrees, spijt en gramschap, dat al om en om draaide; dat alles maakte de reis tot een visioen, waarin niets werkelijk bestaan had dan zijne eigene marteling.

Het was een visioen van lange wegen, welke zich tot den gezichteinder uitstrekten, die steeds terugweek en nooit bereikt werd; van slecht[384]bestrate steden, niet op- en neerloopende straten, waar gezichten voor de donkere deuren en doffe vensters kwamen, waar rijen van bemodderde koeien en ossen, in lange straten te koop vastgebonden, stonden te loeien en te stooten, en op hunne botte koppen slagen met knuppels kregen, hard genoeg om ze de hersenen in te slaan; van bruggen, kruisen, kerken, posthuizen, nieuwe paarden tegen wil en dank voorgespannen, en paarden van het laatste station, dampende en hijgende, hunne koppen zwaarmoedig bij eene staldeur bij elkander stekende; van kleine kerkhoven met zwarte kruisen, schuins bij graven gezet, en verwelkte kransen daaraan hangende; en wederom van lange, lange wegen, die zich, heuvel op en heuvel af, naar den verraderlijken gezichteinder voortsleepten.

Van morgen, middag, avond en nacht en het opkomen der maan. Van lange wegen voor eene poos achtergelaten en het ratelen over eene ongelijke straat, en het opkijken tusschen de huizen naar een grooten kerktoren; van uitstappen en haastig eten, en glazen wijn drinken, die geen vervroolijkenden invloed hadden; van te voet buiten te komen, tusschen een zwerm van bedelaars—blindemannen met trillende oogleden, geleid door oude vrouwen, die hen kaarsen voor het gezicht hielden, onwijze kinderen, lammen en kreupelen—van door het rumoer heen te gaan en van zijne plaats naar de omhooggekeerde gezichten en uitgestokene handen te kijken, met een haastig opkomenden angst van een vervolger te herkennen—van weder voort te rennen langs den langen, langen weg, dof en versuft in zijn hoek gedoken, of op te staan om te zien waar mijlen ver op een plekje van denzelfden eindeloozen weg de maan scheen, of om te kijken om te zien wie er volgde.

Van nooit te slapen, maar somtijds met ongeslotene oogen te dutten, en met een schrik op te springen en overluid te antwoorden op eene denkbeeldige stem. Van zich zelven te vervloeken, dat hij daar was, dat hij gevlucht was, dat hij haar had laten gaan, dat hij hem niet had afgewacht en uitgetart. Van een doodelijken wrok tegen de geheele wereld, maar vooral tegen zich zelven. Van alles wel te willen verdelgen terwijl hij voorbijreed.

Het was een koortsig visioen van verledene en tegenwoordige dingen allen ondereen geward, van zijn leven en zijne reis te zamen gesmolten. Van in dolle vaart ergens heengevoerd te worden, waar hij heenmoest. Van oude tooneelen, oprijzende tusschen de nieuwe, waardoor hij heenreed. Van te peinzen en te mijmeren over hetgeen lang geleden en veraf was, en niet te letten op de voorwerpen, die hij wezenlijk zag, maar toch met eene vermoeiende bewustheid dat zij hem verbijsterden, en als zij verdwenen hunne beelden in zijn gloeiend brein achterlieten.

Een visioen van veranderingen op veranderingen, en toch dezelfde eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Van stad en land, pesthuizen, paarden, postiljons, heuvel en dal, droog weder en regen, wegen en straten, licht en duisternis, hoogten en laagten, en toch dezelfde eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Een visioen van eindelijk de hoofdstad te naderen, langs drukke wegen, en voorbij oude domkerken te rijden, en door kleine steden en dorpen te vliegen, minder dun dan te voren langs den weg gesprenkeld, en in zijn hoek gedoken te zitten, met zijn mantel half voor zijn gezicht, als voorbijgangers hem aankeken.

Van voort en voort te rennen, altijd het denken uitstellende, en altijd gemarteld door zijne woelige gedachten; van buiten staat te zijn om te berekenen hoelang hij onderweg was geweest, of te begrijpen hoe de plaatsen elkander op zijne reis hadden gevolgd. Van dorstig, duizelig en half krankzinnig te zijn. Van ondanks dat alles toch voort te jagen, alsof hij niet kon ophouden, enParijsbinnen te rijden, waar de troebele rivier ongestoord haar snellen loop vervolgde, tusschen twee bruisende stroomen van leven en beweging.

Dan een verward visioen van bruggen, kaden, eindelooze straten; van wijnhuizen, waterdragers, gedrang van menschen, soldaten, koetsen, trommels en gaanderijen. Van een algemeen gewoel en gerucht, dat de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven eindelijk verzwolg. Van het langzaam verminderen van dat gerucht, toen hij met een ander rijtuig eene andere barrière uitreed. Van het terugkomen, terwijl hij zeewaarts reed, van de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust.

Van avond en nacht wederom. Van lange wegen wederom, en duisternis, en flauwe lichtjes voor de vensters langs den weg; en steeds de oude eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en geene rust. Van het aankomen van den dag en het opgaan der zon. Van langzaam tegen een heuvel op te kruien en op den top de frissche zeelucht te gevoelen, en het morgenlicht op de kammen der golven in de verte te zien spelen. Van naar de reede te komen, met hoog water, en de visschersscheepjes aan land te zien komen, en blijde vrouwen en kinderen daarnaar te zien wachten. Van netten en visscherskleeren, op het strand te drogen gespreid; van druk bezige matrozen, en hunne stemmen omhoog tusschen masten en touwen; van de dartelheid en helderheid van het water, en het schitteren overal.

Van de kust te verlaten en daarnaar terug te zien van het dek, terwijl er een nevel op[385]het water hing, met eene kleine opening hier en daar, waardoor men het land zag, helder door de zon beschenen. Van het deinen en murmelen der kalme zee. Van eene andere grauwe streep op het water, voor den boeg van het schip, die met spoed duidelijker en hooger werd. Van klippen en gebouwen, en een windmolen en eene kerk, die daar al duidelijker en duidelijker zichtbaar werden. Van eindelijk in effen water te komen, en aan te leggen bij een hoofd, van waar groepen menschen naar beneden keken en hunne vrienden aan boord begroetten. Van snel tusschen hen door te gaan, iedereen vermijdende, en eindelijk weder inEngelandte zijn.

Hij had in zijn droom gedacht van naar een afgelegen landstadje te gaan dat hij kende, en zich daar stil te houden, terwijl hij heimelijk vernam naar wat er was voorgevallen, en overlegde hoe hij handelen moest. Nog in denzelfden versuften toestand, herinnerde hij zich zeker station aan den spoorweg, waar hij een zijtak naar de plaats zijner bestemming zou moeten inslaan, en waar eene stille herberg was. Daar nam hij zich voor eene poos uit te rusten.

Met dit voornemen sloop hij terstond in een spoorrijtuig, en daar in zijn mantel gewikkeld liggende, alsof hij sliep, werd hij spoedig ver van de zee en diep in het groene binnenland gevoerd. Op de bedoelde plaats gekomen keek hij voorzichtig rond. Zijne herinnering had hem niet misleid. Het was eene stille, afgelegene plek, aan den zoom van een boschje. Slechts een huis, pas gebouwd of tot het tegenwoordige doel ingericht, stond daar, door een netten tuin omgeven; de naastbijzijnde kleine stad was toch eenige mijlen ver. Hier stapte hij dus af, en naar de herberg gaande, zonder dat iemand hem opmerkte, verzekerde hij zich van twee bovenkamers, die in elkander uitkwamen, en die hij afgelegen genoeg vond.

Hij zag het gezicht van wraakzuchtige woede tot zwijmelenden schrik overgaan. (blz. 387).Hij zag het gezicht van wraakzuchtige woede tot zwijmelenden schrik overgaan.(blz. 387).

Hij zag het gezicht van wraakzuchtige woede tot zwijmelenden schrik overgaan.(blz. 387).

Zijn doel was uit te rusten, en zelfbeheersching en bedaardheid terug te krijgen. Doffe verslagenheid en woede—zoodat hij, terwijl hij op zijne kamer heen en weder ging, op zijne tanden knarste—hadden hem geheel overmeesterd. Zijne gedachten, die zich niet lieten stuiten of besturen, zwierven nog waarheen zij wilden en sleepten hem mede. Hij was versuft en dood moede.[386]

Maar, alsof er een vloek op hem lag dat hij nooit zou rusten, wilden zijne slaperige zinnen hunne bewustheid maar niet verliezen. Hij had in dit opzicht niet meer heerschappij over hen, dan alsof zij een ander hadden toebehoord. Het was niet dat zij hem dwongen om op tegenwoordige klanken en voorwerpen te letten, maar zij wilden zich niet laten afbrengen van eene woelige herhaling zijner geheele reis. Deze werd hem gedurig en op eens weder voorgehouden. Zij stond daar weder, met hare donkere oogen vol verachting op hem gevestigd; en hij reed niettemin voort, door stad en land, door licht en duisternis, door regen en zonneschijn, over puinwegen en straatsteenen, heuvelen en dalen, hoogten en laagten, gemarteld en versuft door de eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, en zonder rust.

“Wat is het voor een dag?” vroeg hij aan den knecht, die zijne tafel kwam dekken.—“Dag, mijnheer?”—“Is het woensdag?”—“Woensdag, mijnheer? Neen, mijnheer. Donderdag, mijnheer.”—“Het was mij ontschoten. Hoe laat is het? Mijn horloge is niet opgewonden.”—“Het is op slag van vijven, mijnheer. Lang op reis geweest, misschien, mijnheer?”—“Ja.”—“Heel vermoeiend voor het hoofd, mijnheer. Zelf niet veel gewoon met spoor te reizen, mijnheer; maar de heeren zeggen dat dikwijls.”—“Komen hier veel heeren?”—“Nog al, mijnheer. Tegenwoordig niemand hier. Nu juist een beetje slap. Alles gaat slap, mijnheer.”

Hij gaf geen antwoord, maar was op de sofa, waarop hij gelegen had, in eene zittende houding overeindgekomen, en staarde nu, voorovergeleund, met de armen op de knieën, naar den grond. Hij kon zijne oplettendheid geene minuut lang meester blijven. Zij vloog heen waar zij wilde, maar verloor zich nooit een oogenblik in den slaap.

Hij dronk na den maaltijd vrij veel wijn, maar vruchteloos. Geen zoodanig kunstmiddel wilde hem slaap in de oogen brengen. Zijne gedachten, nog minder geregeld, sleepten hem ongenadig mede—als werd een rampzalige, tot zulk eene straf veroordeeld, achter de hoeven van wilde paarden medegesleept. Geene vergetelheid, en geene rust.

Hoelang hij daar zat te drinken en te mijmeren, en in verbeelding herwaarts en derwaarts gesleept werd, had niemand minder nauwkeurig kunnen zeggen dan hij zelf. Maar hij wist dat hij langen tijd bij kaarslicht had gezeten, toen hij met plotselingen schrik overeindsprong.

Want nu was het inderdaad geene verbeelding. De grond dreunde, het huis trilde, en het wilde, jagende gedruis was in de lucht! Hij voelde het aankomen en voorbijvliegen; en zelfs toen hij naar het venster was gesneld en zag wat het was, stond hij er nog voor te huiveren, en deinsde hij terug alsof het niet veilig was uit te zien.

Een vloek op den vuurduivel, die zoo onverwacht kwam aandonderen, nu door de afgelegene vallei na te sporen was door een lichtglans en eene rookwolk, en toen verdwenen was! Het was hem te moede alsof hij uit de baan van dat monster was gerukt en daardoor alleen bewaard van aan stukken gescheurd te worden. Het deed hem zelfs nu nog huiveren en beven, nu het flauwste geluid niet meer te hooren was, en de sporen van den ijzeren weg, die hij in den maneschijn kon volgen tot zij in één punt samenliepen, zoo ledig en stil waren als eene woestijn.

Buiten staat om te rusten, en onweerstaanbaar—of hij dacht zoo—naar dezen weg getrokken, ging hij naar buiten en kuierde langs den rand, en lette op het pad, dat de trein bereden had, aan de nog rookende sintels te onderscheiden. Na eene wandeling van omtrent een half uur, in de richting waarin de trein was verdwenen, keerde hij om en stapte den anderen kant op—altijd langs den kant van den weg blijvende—den tuin der herberg weder voorbij, en nog een heel eind verder, en keek nieuwsgierig naar bruggen, seinpalen en lampen, en verwonderde zich wanneer er een andere vuurduivel zou voorbijkomen.

Een dreunen van den grond en eene snelle trilling in zijne ooren; een gil in de verte; een dof licht, dat snel naderde en in twee roode oogen en een schitterend vuur veranderde, waaruit gloeiende kolen op den grond vielen; een brullend, zich reusachtig uitzettend gevaarte, dat met onweerstaanbare vaart aankwam, een snuivende wind en een geratel—nog een vuurduivel was voorbijgevlogen, en hij hield zich aan een hek vast, als om zich te redden.

Hij wachtte naar nog een, en naar nog een. Hij wandelde terug naar het eerste punt, en weder terug naar dit, en keek nog steeds, door het vermoeiende visioen zijner reis heen, naar die naderende monsters uit. Hij bleef bij het station dralen, om te wachten tot er daar een zou ophouden, en toen dit er een deed, en losgerukt werd om water in te nemen, en hij vlak er bij stond en hij de zware wielen en het koperen voorhoofd van het monster zag, dacht hij welk eene gruwelijke kracht het had. IJselijk! De groote wielen langzaam te zien ronddraaien, en te denken, dat men er door overreden en verpletterd kon worden.

Ongesteld door den wijn en het gebrek aan rust—een gebrek dat niets, al was hij nog zoo moede, wilde vervullen—oefenden deze voorwerpen en gedachten een koortsachtigen invloed op hem uit. Toen hij weder naar zijne kamer ging, hetgeen hij eerst tegen middernacht deed, vervolgden zij hem nog, en bleef[387]hij nog naar de komst van een ander monster zitten luisteren.

Zoo was het ook in zijn bed, waarheen hij zich begaf zonder hoop om te slapen. Hij bleef nog liggen luisteren; en als hij het dreunen en trillen voelde, stond hij op en ging naar het venster, om, gelijk hij daar kon, het doffe licht in twee ronde oogen te zien veranderen, en de gloeiende kolen uit het schitterende vuur te zien vallen, en de snuivende vaart van het monster waar te nemen, en zijn spoor van licht en rook door de vallei te volgen. Dan keek hij uit in de richting, waarin hij met den dageraad wilde vertrekken, daar hij hier toch niet rusten kon, en ging weder liggen, en werd wederom geplaagd door het visioen zijner reis, en de oude eentonigheid van bellen, wielen en paardenhoeven, tot er weder een ander monster kwam. Dit duurde den geheelen nacht. Wel verre van de heerschappij over zich zelven te herkrijgen, scheen hij die zoo mogelijk meer en meer te verliezen. Toen de dageraad aanbrak, werd hij nog gemarteld door zijn denken, en wilde hij nog het nadenken uitstellen tot hij daartoe beter in staat was; het verledene, het tegenwoordige, de toekomst, alles dwarrelde voor hem dooreen, en hij had alle vermogen verloren om iets met vastheid in het oog te houden.

“Hoe laat ga ik hier vandaan, hebt gij gezegd?” vroeg hij den knecht, die hem des nachts bediend had en nu met eene kaars binnenkwam.—“Tegen kwartier over vieren, mijnheer. Om vier uur komt de expres-trein—maar die houdt hier niet op.”

Hij streek met zijne hand over zijn kloppend hoofd en keek op zijn horloge. Bij half vier.

“Denkelijk zal er niemand met u meegaan, mijnheer,” merkte de knecht aan. “Nog twee heeren hier, mijnheer, maar die wachten op den trein naarLonden.”—“Ik dacht, dat gij gezegd hadt, dat er niemand hier was,” zeide Carker, zich naar hem omkeerende met een flauwen zweem van zijn ouden glimlach, als hij kwaad of achterdochtig was.—“Toen niet, mijnheer. Twee heeren zijn van nacht gekomen, met den korten trein die hier blijft, mijnheer. Warm water, mijnheer?”—“Neen. En neem de kaars maar weg. Er is daglicht genoeg.”

Daar hij zich half gekleed in het bed had geworpen, stond hij al weder voor het venster toen de knecht uitging. Het koude licht van den dageraad had den nacht vervangen, en reeds zag men den rooden gloed der naderende zon in de lucht. Hij poogde zijn hoofd en gezicht met water te verfrisschen—maar het had voor hem geene verkoelende kracht—trok haastig zijne kleeren aan, betaalde wat hij schuldig was en ging naar buiten.

Hij vond de lucht, die hem aanwoei, onaangenaam kil. Het had zwaar gedauwd, en verhit als hij was, deed de koelte hem huiveren. Na even te hebben omgekeken naar den kant waar hij des nachts had gewandeld, en naar de seinlichten, thans door het daglicht verdoofd en van geen nut meer, keerde hij zich naar den kant der zon, en zag deze in al hare heerlijkheid opgaan.

Zoo plechtig en schoon, zoo goddelijk prachtig. Terwijl hij zijne flauwe oogen op haar vestigde, waar zij oprees stil en statig, onbeneveld door al de goddeloosheid, die hare stralen sedert het begin der wereld hadden beschenen, wie zal zeggen of toen eene flauwe bewustheid van het bestaan der deugd op aarde en hare belooning in den hemel, zich niet zelfs aan hem openbaarde? Als hij ooit met een zweem van teederheid en wroeging aan zijn broeder en zijne zuster dacht, wie zal zeggen dat het toen niet was?

Wel mocht dat toen zijn. De dood was hem nabij. Hij was afgezonderd van de levende wereld, en had den voet in het graf.

Hij betaalde zijn geld voor de reis naar het landstadje, waaraan hij gedacht had; en wandelde alleen heen en weder, en keek de ijzeren sporen langs, door de vallei in de eene richting, en naar eene donkere brug in de andere; toen hij, zijne wandeling stakende en omkeerende aan het einde eener houten gaanderij, waarop hij heen en weder stapte, den man, voor wien hij de vlucht had genomen, de deur zag uitkomen, door welke hij zelf daar gekomen was. Zij herkenden elkander terstond.

In de duizeling der verrassing wankelde hij en tuimelde van de planken af op den lager weg naast hem. Maar zich terstond weder herstellende, deed hij een paar schreden achterwaarts op dien weg, om den afstand tusschen hen te vergrooten, en zag, kort en snel ademhalende, zijn vervolger aan.

Hij hoorde roepen—nog eens—zag het gezicht van wraakzuchtige woede tot zwijmelenden schrik overgaan—voelde den grond dreunen—wist in een oogenblik dat het monster aankwam—gaf een gil—keek om—zag de roode oogen, schemerachtig flauw in het daglicht, dicht achter hem—werd neergesmeten, opgepakt en rondgeslingerd door een getand raderwerk, dat hem om en om liet draaien, hem van lid tot lid verscheurde, zijn bloed met een vuurgloed oplekte, en de verminkte stukken zijner leden in de lucht wierp.

Toen de reiziger, die herkend was, uit zijne bezwijming bijkwam, zag hij op een afstand vier mannen, die op eene plank tusschen hen iets wegdroegen, dat overdekt was en doodstil lag, terwijl anderen eenige honden wegjoegen, die langs den weg liepen te snuffelen en de sporen van zijn bloed met asch bestrooiden.[388]


Back to IndexNext