LIX.

[Inhoud]LIX.VERGELDING.Wederom zijn er veranderingen gekomen over het groote huis in de lange stille straat, eens het tooneel van Florence’s kindsheid en eenzaamheid. Het is nog een groot huis, bestand tegen wind en weder, zonder reten in het dak, zonder gebroken ruiten of vervallene muren; maar het is niettemin eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.Towlinson en zijn gezelschap willen in het eerst geen geloof slaan aan de loopende geruchten, die zij hooren. De keukenmeid zegt dat ons crediet, Goddank, niet zoo gemakkelijk te schokken is; en Towlinson verwacht nu ook te zullen hooren, dat de Bank vanEngelandzal springen, of de juweelen uit de Tower verkocht zullen worden. Maar dan komen de Gazette en Perch; en Perch brengt jufvrouw Perch mede, om er in de keuken over te praten en een genoeglijken avond te slijten.Zoodra er geen twijfel meer aan is, wordt het Towlinson’s grootste bekommering, dat het een bankroet van belang zal zijn—dat het om niet minder dan honderd duizend pond zal te doen zijn. Perch denkt dat honderd duizend pond nog lang niet genoeg zal zijn om het tekort te dekken. De vrouwen, met jufvrouw Perch en de keukenmeid aan het hoofd, herhalen dikwijls “honderd duizend pond,” met zeker eerbiedig genoegen, alsof het uitspreken van die woorden met het betasten van het geld gelijkstond; en de werkmeid, die een oogje op Towlinson heeft, wenscht dat zij maar het honderdste gedeelte van die som had, om aan den man harer keus te schenken. Towlinson, nog aan zijne oude grieven gedachtig, is van oordeel dat een buitenlander kwalijk zou weten wat met zooveel geld te doen, of hij moest het aan zijne bakkebaarden te koste leggen, welke bittere schimpschoot de werkmeid met tranen in de oogen doet heengaan.Maar niet om lang weg te blijven, want de keukenmeid, die den naam heeft van zeer goedhartig te zijn, zegt dat zij, wat zij ook doen, elkander nu moeten bijstaan, Towlinson, want dat het niet te zeggen is hoe gauw zij verdeeld[412]zullen raken. Zij hebben in dat huis (zegt de keukenmeid) eene begrafenis, eene bruiloft en een wegloopen beleefd, en laat het niet gezegd worden, dat zij op zulk een tijd als dezen niet eensgezind konden blijven. Jufvrouw Perch wordt door deze roerende toespraak diep getroffen, en merkt openlijk aan dat de keukenmeid een engel is. Towlinson antwoordt de keukenmeid, ver mag het van hem zijn om die eensgezindheid, waarnaar hij ook verlangt, in den weg te staan. Hij gaat de werkmeid opzoeken, en met die jonge juffer aan den arm terugkomende, onderricht hij de keuken, dat hij met buitenlanders den gek steekt, en dat hij en Anne nu besloten hebben om elkander maar te nemen, en zich inOxford Marketin de groentenering en wat daarbij behoort te vestigen, waarvoor hij de gunst en recommandatie verzoekt. Dit bericht wordt met toejuiching ontvangen; en jufvrouw Perch, in de toekomst vooruitziende, fluistert de keukenmeid plechtig het woord “meisjes” in het oor.Ongeluk in de familie zonder smullen in het onderhuis is eene onmogelijkheid. De keukenmeid maakt dus wat warms klaar voor het avondmaal, waarbij Towlinson een kreeftenslaadje bezorgt. Zelfs mevrouw Pipchin, door het gebeurde ontroerd, schelt en laat verzoeken dat het overgeblevene stukje koek voor haar gewarmd zal worden, en als het haar gebracht wordt er een glas geheeten sherry bij gedaan zal worden, dewijl zij gevoelt dat zij van haar streek is.Er wordt weinig over mijnheer Dombey gesproken, zeer weinig. Voornamelijk poogt men te raden, hoelang hij wel zou geweten hebben dat dit gebeuren zou. De schrandere keukenmeid zegt: “O, al heel lang. Daar moogt ge wel op zweren.” En wanneer men Perch er naar vraagt, bevestigt hij hare meening. Iemand verwondert zich wat hij nu doen zal, en of hij nu naar eene betrekking zal zoeken. Towlinson denkt van neen, en geeft een wenk van een van die fatsoenlijke armhuizen. “Waar hij een tuintje kan hebben,” zegt de keukenmeid beklaaglijk, “en in den zomer zijne erwtjes kan planten, niet waar?”—“Juist,” antwoordt Towlinson, “en broeder van het een of ander worden.”—“Wij zijn allemaal broeders,” merkte jufvrouw Perch aan, daartoe ophoudende met drinken.—“Behalve de zusters,” zegt haar man.—“Hoe zijn de machtigen gevallen,” merkte de keukenmeid aan.—“Hoogmoed gaat voor den val; dat is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven,” laat de werkmeid hierop volgen.Het is verwonderlijk hoe deugdzaam zij zich gevoelen, bij het maken dezer bespiegelingen, en van welk eene christelijke eensgezindheid zij zich bewust zijn, om de algemeene ramp met gelatenheid te dragen. Slechts eenmaal wordt deze loffelijke gemoedsgesteldheid verstoord: en dit geschiedt door eene jonge keukenmeid van lager rang, die, nadat zij lang met een open mond heeft zitten luisteren, onverwacht de volgende woorden uitstoot: “Als het loon eens niet betaald wierd!” Het gezelschap blijft een oogenblik sprakeloos; maar de keukenmeid, zich het eerst herstellende, keert zich naar de onvoorzichtige spreekster en verzoekt te mogen weten, hoe zij de familie, wier brood zij eet, durft beleedigen met zoo iets te zeggen, en of zij denkt dat iemand, die nog een aasje eerlijkheid heeft, arme dienstboden hun loon zou onthouden? “Want alsdatuw godsdienst is, Mary Daws,” zegt de keukenmeid met warmte, “dan weet ik niet waar gij eens naar toe denkt te gaan.”Towlinson weet het ook niet; niemand weet het; en de jonge keukenmeid, die het zelve niet recht schijnt te weten, en algemeen wordt uitgejouwd, wordt doodelijk beschaamd en verlegen.Na eenige dagen beginnen er vreemde lieden in huis te komen, en elkander in de eetzaal te bestellen, alsof zij daar woonden. Vooral is er een heer, met een Mozaïsch Arabischen gelaatsvorm, en een zeer zwaren horlogeketting, die in hun salon loopt te fluiten, en terwijl hij naar een ander heer wacht, die altijd pen en inkt in zijn zak heeft, Towlinson (wien hij vrijpostig jongetje noemt) vraagt, of hij ook toevallig weet hoeveel dat behangsel, rood met goud, nieuw gekost heeft. De bezoekers van de eetzaal worden met elken dag talrijker, en ieder heer schijnt een inktkoker in zijn zak te hebben, en dien ook te gebruiken. Eindelijk zegt men dat er verkooping zal plaats hebben; en dan komen er nog meer lieden met pen en inkt in den zak, die een detachement van lieden met petten kommandeeren, en de tapijten laten opnemen en de meubelen overhoop laten halen en duizenden merken van hunne schoenzolen in het voorhuis en op de trap afdrukken.De dienstbodenraad beneden blijft al dien tijd zitting houden, en daar men niets anders te doen heeft, verricht men wonderen van eetkunst. Eindelijk worden allen eens in mevrouw Pipchin’s kamer geroepen en door deze dame op vinnigen toon aldus aangesproken:“Uw meester is in ongelegenheden. Dat zult ge wel weten, denk ik?”Towlinson, als spreker, erkent eene algemeene kennis van dit feit.“En gij zijt allen al op den uitkijk voor u zelven, daar durf ik voor instaan,” zegt mevrouw Pipchin, dreigend haar hoofd schuddende.Eene schelle stem uit de achterhoede roept: “Niet meer dan gij.”—“Denkt gij zoo, onbeschaamde prij?” zegt de gramstorige dame, met een vurig oog over de andere hoofden heenkijkende.—“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk[413]ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?”—“Dat gij heen kunt gaan zoo gauw als ge maar wilt,” zegt mevrouw Pipchin. “Hoe eer hoe beter, en ik hoop dat ik nooit weer uw gezicht zal zien.”Daarmede haalt zij een linnen zakje uit, en telt de keukenmeid haar loon voor tot op dien dag en nog eene maand bovendien, maar houdt het geld vast, tot eene quitantie daarvoor behoorlijk is geteekend, tot aan den laatsten ophaal toe; waarna zij het met zichtbaren weerzin loslaat. Deze ceremonie herhaalt mevrouw Pipchin met ieder lid van het huishouden, totdat allen betaald zijn.“Nu kunnen zij, die willen, zich dadelijk voortmaken,” zegt mevrouw Pipchin, “en zij, die willen, kunnen nog eene week of zoo hier blijven, om te helpen. Behalve,” zegt de gramstorige dame, “die slet van eene keukenmeid, die dadelijk heen zal.”—“Dat zal zij zekerlijk,” antwoordt de keukenmeid. “Ik wensch u goedendag, mevrouw Pipchin, en wensch van harte dat ik u een compliment kon maken over de vriendelijkheid van uw gezicht.”—“Maak dat gij wegkomt,” zegt mevrouw Pipchin, met haar voet stampende.De keukenmeid gaat heen met eene vriendelijke deftigheid, die mevrouw Pipchin nog meer kwaad maakt, en weldra voegen de anderen zich beneden bij haar.Dan zegt Towlinson dat hij vooreerst wilde voorstellen eene kleine versnapering te gebruiken, en dat hij onder het gebruik daarvan eene opmerking wilde maken, die hij denkt dat in de positie, waarin zij zich bevinden, wel zal te pas komen. Terwijl men de versnapering met smaak gebruikt, deelt Towlinson zijne opmerking mede, die daarop neerkomt, dat de keukenmeid heengaat, en dat, als wij ons zelven niet trouw zijn, niemand ons meer trouw zal zijn. Dat zij in dit huis lang te zamen hebben gewoond, en hun best hebben gedaan om gezellig te zijn. (Daarop zegt de keukenmeid met aandoening: “Luister! Luister!” en jufvrouw Perch, die wederom daar en tot aan de keel toe vol is, stort tranen). En dat hij meent, dat men tegenwoordig moet begrijpen: “Een weg, allemaal weg!” De werkmeid wordt door deze edelmoedige ontboezeming zeer geroerd, en geeft ze met warmte haar bijval. De keukenmeid zegt te gevoelen dat het zoo behoort, en hoopt maar dat het niet als een compliment voor haar, maar uit gevoel van plicht wordt gedaan. Towlinson antwoordt—uit gevoel van plicht; en dat, nu hij genoodzaakt is voor zijn gevoelen uit te komen, hij openlijk wil zeggen, dat hij het niet voor heel fatsoenlijk houdt in een huis te blijven waar verkoopingen en zulke dingen aan de hand zijn. De werkmeid is daarvan overtuigd en verhaalt tot bevestiging, dat een vreemd man met eene pet haar dien morgen op de trap heeft willen kussen. Dit doet Towlinson van zijn stoel opspringen om den booswicht te gaan opzoeken en hem een pak slaag te geven; maar de dames houden hem vast, en smeeken hem om te bedaren, en te bedenken dat het gemakkelijker en wijzer is, het tooneel van zulke onwelvoeglijkheden terstond te verlaten. Jufvrouw Perch, de zaak in een nieuw licht plaatsende, toont aan, dat zelfs de kieschheid voor mijnheer Dombey, die zich in zijne kamers opsluit, een overhaasten aftocht voorschrijft. “Want wat,” zegt de goede vrouw, “zou hij moeten gevoelen, als hij een van de arme dienstboden ontmoette, die hij eens bedrieglijk heeft doen denken dat hij onmetelijk rijk was.” De keukenmeid wordt door deze zedekundige bespiegelingen zoodanig getroffen, dat jufvrouw Perch er nog verscheidene vrome bedenkingen bijvoegt. Het wordt iedereen duidelijk dat zij allen moeten vertrekken. Koffers worden gepakt, vigilantes gehaald en met schemeravond is er niemand van den troep meer over.Het huis staat nog, groot en tegen weer en wind bestand, in de lange, stille straat; maar is toch eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.De mannen met petten blijven de meubelen overhoophalen; en de heeren met pen en inkt maken inventarissen daarvan, en zitten op stukken huisraad, nooit gemaakt om op te zitten, en eten brood en kaas uit de herberg van andere stukken huisraad, nooit gemaakt om van te eten, en schijnen er vermaak in te scheppen om de kostbaarste voorwerpen tot het vreemdste gebruik te bezigen. Er hebben ook chaotische combinatiën van dingen plaats. In de eetzaal ziet men matrassen en bedden; het glas en porselein raakt naar de oranjerie; het groot tafelservies wordt op de lange divan in het groote salon op stapeltjes gezet; en de traproedjes, aan bossen gebonden, staan op marmeren schoorsteenmantels te pronk. Eindelijk wordt een haardkleedje met een gedrukt biljet daarop van het balkon uitgehangen, en dergelijke sieraden prijken aan beide zijden van de straatdeur.Dan staat er den geheelen dag lang een trein van bemodderde sjeezen en wagentjes in de straat; en troepen smerige heerschappen, joden en christenen, loopen het geheele huis door, tikken met hunne knokkels tegen de spiegels, slaan wanluidende accoorden op de piano’s aan, vegen met natte vingers over de schilderijen, ademen op de lemmeten der beste tafelmessen, beuken de kussens van stoelen en sofa’s met hunne vuile vuisten, betasten de bedden, schuiven al de laden uit en in, laten zilveren lepels en vorken balanceeren, bekijken zelfs de draden van het linnengoed, en vinden alles ver beneden hunne verwachting. Het geheele huis heeft geene geheime plaats meer. Vreemde snoeshanen gluren even nieuwsgierig tusschen[414]het keukengereedschap als in de kleerkas op zolder. Grove kerels, met kaal gesleten hoeden, kijken uit de vensters der slaapkamers en maken grappen met vrienden op straat. Stille narekenaars gaan met catalogussen in de kleedkamers, en maken daar met stompjes potlood aanteekeningen op den kant. Twee uitdragers klimmen zelfs een zolderluik uit en genieten op het dak een panoramisch overzicht van de andere huizen. Dat zwermen en gonzen, op- en neerloopen en begluren, duurt dagen lang. Dombey’s inboedel is publiek te zien.Dan wordt er in het beste salon eene verschansing van tafels gemaakt, en op de groote mahoniehouten eettafel met gedraaide pooten wordt de lessenaar van den vendumeester gezet, en de troepen van smerige heerschappen, joden en christenen, de vreemde snoeshanen en de grove kerels met kaal gesleten hoeden, verzamelen zich daaromheen, en zetten zich op alles in hun bereik, de schoorsteenmantels ingesloten, en gaan aan het bieden. Heet, stofferig en gonzend zijn de kamers den geheelen dag, en hoog boven de hitte, het stof en het gegons, is de vendumeester aanhoudend met hoofd en schouders, stem en hamer aan het werk. De mannen met petten worden rood en ongeduldig van het dragen met nommers, en nog worden er nommers aangedragen en weggedragen. Somtijds worden er grappen gemaakt en ontstaat er een algemeen geschater. Dit duurt den geheelen dag en nog drie volgende dagen. Dombey’s inboedel wordt publiek verkocht.Dan komen de bemodderde sjeezen en wagentjes terug, te gelijk met een trein van vrachtwagens en karren en een heirleger van sjouwerlieden. Den geheelen dag zijn de mannen met petten aan het werk met schroevendraaiers en nijptangen, of waggelen zij op de trap bij dozijnen te gelijk onder zware vrachten, of tillen zij de geheele rotsen van mahoniehout, rozenhout of spiegelglas in sjeezen, wagentjes, vrachtwagens en karren. Allerlei soorten van voertuigen worden gebezigd, van mestwagens af tot kruiwagens toe. Het ledikantje van den armen Paul wordt op een ezelkarretje weggevoerd. Bijna eene week lang wordt Dombey’s inboedel weggehaald.Eindelijk is alles weg. Men heeft niets in huis gelaten dan verstrooide bladen van catalogussen, hoopjes hooi en stroo, en eene batterij van tinnen kannen achter de voordeur. De mannen met petten verzamelen hun gereedschap in zakken, nemen die op schouder en stappen heen. Een van de heeren met pen en inkt gaat, als eene laatste oplettendheid, het geheele huis nog eens door, zet biljetten voor de vensters, waarbij wordt aangekondigd dat het te huur is, en sluit de luiken. Ten laatste volgt hij de mannen met petten. Niemand van de indringers blijft er. Het huis is eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.Mevrouw Pipchin’s apartement, benevens die geslotene kamers beneden, waar de gordijnen altijd dichtgeschoven blijven, zijn bij de algemeene verwoesting gespaard. Mevrouw Pipchin is onder het gewoel stug en steenig in hare kamer blijven zitten, of is onder de verkooping eens even komen kijken, om te zien wat het goed opbracht, of om op zekeren leuningstoel te bieden. Mevrouw Pipchin heeft het hoogste bod op dien leuningstoel gedaan, en zit op haar eigendom, wanneer mevrouw Chick haar komt opzoeken.“Hoe gaat het met mijn broeder, mevrouw Pipchin?” zegt mevrouw Chick.—“Daar weet ik niet meer van dan de drommel,” zegt mevrouw Pipchin. “Hij bewijst mij nooit de eer om met mij te spreken. Hij laat zijn eten en drinken in de kamer naast zijne kamer zetten; en wat hij gebruikt komt hij daar gebruiken als er niemand is. Het kan niet helpen of ge mij al vraagt. Ik weet er niet meer van dan de man in het zuiden, die zijn mond brandde bij het eten van koude pap.”Dit zegt de stekelige mevrouw Pipchin met eene heftige beweging.“Maar mijn goede hemel!” roept mevrouw Chick zeer zoetsappig uit. “Hoelang moet dat dan duren! Als mijn broeder zich geene inspanning wil vergen, mevrouw Pipchin, wat zal er dan van hem worden? Ik heb waarlijk gedacht, dat hij genoeg gezien had, wat er van komt als men zich geene inspanning wil vergen, om zich voor zulk eene noodlottige dwaling te laten waarschuwen.”—“Wel heere mijn tijd!” zegt mevrouw Pipchin, haar neus wrijvende. “Mij dunkt, er wordt machtig veel gedoente over gemaakt. Het is zulk een vreemd geval niet. Er zijn wel meer menschen, die tegenspoed hebben gehad, en hun boel hebben moeten verkoopen. Dat heb ik ook moeten doen.”—“Mijn broeder,” vervolgt mevrouw Chick diepzinnig, “is zulk een singulier man. Hij is de singulierste man dien ik ooit gezien heb. Zou men gelooven, dat, toen hij de tijding kreeg van het huwelijk en de emigratie van dat onnatuurlijke kind—het is nu een troost voor mij, te bedenken dat ik altijd gezegd heb, dat dat meisje iets buitengewoons over zich had; maar niemand let op mij—zou iemand gelooven, zeg ik, dat hij zich toen naar mij omkeerde en zeide, dat hij gemeend had aan mij te zien, dat zij bij mij in huis was gekomen? Wel mijn hemeltje! En zou iemand gelooven, dat, toen ik alleen maar tegen hem zeide: “Paul, ik mag heel onnoozel wezen, en dat geloof ik ook zelf wel, maar ik kan niet begrijpen hoe uwe zaken in dien staat zijn geraakt,” hij toen tegen mij uitviel, en verzocht dat ik niet meer bij hem zou komen eer hij naar mij vroeg? Wel,[415]groote goedheid!”—“Ja,” zegt mevrouw Pipchin. “Het is jammer dat hij niet wat meer met mijnen te doen heeft gehad. Zij zouden zijn humeur wel hebben klein gekregen.”—“En waar moet het op uitloopen?” hervat mevrouw Chick, zonder op de aanmerkingen van mevrouw Pipchin te letten. “Dat zou ik wel willen weten. Wat denkt mijn broeder te doen? Hij moet toch iets doen. Het baat niet of hij al in zijne kamers zit opgesloten. De zaken zullen niet naar hem toe komen. Neen, hij moet er zelf naar toe gaan. Waarom gaat hij dan niet? Hij weet wel waar hij naar toe moest gaan, zou ik denken; daar hij al zijn leven zaken heeft gedaan. Waarom gaat hij dan niet daarheen?”Nadat mevrouw Chick deze hechte keten van redeneeringen had gesmeed, zweeg zij eene poos, om die zelve te bewonderen.“Buitendien,” vervolgde zij toen, op denzelfden redeneertrant, “wie heeft ooit van zulk eene stijfhoofdigheid gehoord, als dat hij door al die akeligheden heen hier opgesloten blijft? Het is alsof hij nergens anders had kunnen heengaan. Hij had immers bij ons aan huis kunnen komen. Hij weet toch dat hij daar thuis is, zou ik denken? Mijnheer Chick heeft hem dat tot vervelens toe gezegd, en ik heb hem met mijn eigen mond gezegd: “Beste Paul, gij verbeeldt u toch zeker niet, omdat uwe zaken in dien staat zijn geraakt, dat ge daarom minder thuis zijt bij zulke nauwe betrekkingen als wij? Gij verbeeldt u toch niet, dat wij naar de rest van de wereld gelijken?” Maar neen, hier blijft hij door dat alles heen, en hier zit hij nu nog. Wel, mijn hemel! als het huis eens verhuurd werd—wat zou hij dan doen? Dan kon hij toch niet hier blijven. Als hij dat probeerde, zou hem eene actie worden aangedaan en dat alles, en dan moest hij toch heengaan. Waarom gaat hij dan niet dadelijk, in plaats van op het laatst? En dat brengt mij weder op hetgeen ik daar zoo even gezegd heb, en doet mij natuurlijk vragen, wat er het eind van moet zijn?”—“Ik weet wel wat er het eind van zal zijn, voor zooveel mij aangaat,” antwoordt mevrouw Pipchin, “en dat is mij genoeg. Ik ga nu oppakken in een snap.”—“In een wat, mevrouw Pipchin?” vraagt mevrouw Chick.—“In een snap,” antwoordt mevrouw Pipchin scherp.—“Wel zoo! Ik kan u waarlijk niet laken, mevrouw Pipchin,” zegt mevrouw Chick met rondborstigheid.—“Het zou mij zoo tamelijk hetzelfde zijn, al kondt ge dat,” antwoordt de stekelige mevrouw Pipchin. “In allen gevalle, ik ga heen. Ik kan hier niet blijven. Ik zou binnen de week dood zijn. Ik heb gisteren mijn eigen varkenskarbonaadje moeten braden, en daar ben ik niet aan gewoon. Mijn gestel zou er onder bezwijken. Buitendien, ik had, eer ik hier kwam, eene goede klandizie teBrighton—het kleine goed van Pankey alleen bracht mij tachtig pond ’s jaars op—en die kan ik niet weggooien. Ik heb aan mijne nicht geschreven, en zij verwacht mij nu thuis.”—“Hebt gij met mijn broeder gesproken?” vraagt mevrouw Chick.—“Wel ja, het is heel gemakkelijk hem te spreken te krijgen,” antwoordt mevrouw Pipchin. “Ik heb hem gisteren toegeroepen, dat ik hier tot niets meer diende, en dat het beter zou zijn als hij mij om jufvrouw Richards liet zenden. Hij bromde zoo iets dat ja meende, en toen heb ik om haar gezonden. Brommen, nog al! Als hij mijnheer Pipchin geweest was, zou hij nog reden gehad hebben om te brommen. Ba! Ik kan het niet uitstaan.”Hier rijst de voordeelige dame, die zooveel standvastigheid en deugd uit de mijnen vanPeruheeft opgepompt, van haar gekussend eigendom op, om mevrouw Chick de deur uit te laten. Mevrouw Chick, tot het laatste toe het singuliere karakter van haar broeder beklagende, gaat stil weder heen, zeer ingenomen met hare eigene schranderheid en helderheid van hoofd.In den schemeravond komt Toodle, die geen dienst heeft, met Polly en een koffer, en laat ze, met een klinkenden kus, in het ledige voorhuis, waarvan de stilte een sterken indruk op zijn gemoed maakt.“Ik zal u eens wat zeggen, Polly, mijn lief,” zegt Toodle. “Nu ik machinist ben en het zoo goed in de wereld heb, zou ik u niet hier laten komen, om u te verkniezen, als het niet om vroegere gunsten was. Maar vroegere gunsten, Polly, moet men nooit vergeten. Buitendien, voor iemand, die in tegenspoed is, is uw gezicht eene hartsterking. Laat ik het dus nog een zoen geven, lief! Gij wenscht niet beter dan wel te doen, dat weet ik; en ik denk dat dit wel gedaan en een plicht is. Goeden nacht, Polly.”Nu komt mevrouw Pipchin aan, geheel in het zwart; zij heeft haar goed opgepakt, en haar stoel (voorheen een lievelingsstoel van Dombey en voor een prijsje door haar gekocht) dicht bij de deur gereed staan, en wacht maar op een goederenwagon, dien zij gehuurd heeft om haar en haar eigendom naarBrightonte brengen.Weldra komt deze. Nadat de garderobe is opgeladen, wordt de stoel in een geschikt hoekje geplaatst en met hooi vastgestopt, daar mevrouw Pipchin voornemens is op reis in dien stoel te blijven zitten. Daarna wordt zij zelve in het rijtuig geholpen en zet zij zich met een strak gezicht op haar zetel. Hare grijze oogen hebben een slangachtigen glans, als verheugde zij zich in het vooruitzicht op haar geboterden toast, op hare karbonaadjes, op het kwellen en sarren van kleine kinderen, op het afsnauwen van de arme Berry en de andere vermaken van haar menschenvreetsterskasteel. Zij lacht[416]bijna terwijl de wagen voortrijdt en zij hare zwarte bombazijnen rokken gladstrijkt.Het huis is zulk eene ruïne, dat de ratten gevlucht zijn en er geen enkele meer van over is.Maar Polly, schoon alleen in het verlatene huis—want in de geslotene kamers, waar de vroegere meester zijn hoofd verbergt, vindt zij geene gezelligheid—is niet lang alleen. Het is avond, en zij zit in de huishoudsterskamer te werken, en poogt te vergeten welk een eenzaam huis het is, en wat er in is omgegaan, toen aan de voordeur wordt geklopt, en het geluid door de ledige ruimte galmt. Nadat zij de deur heeft geopend, komt zij door het galmende voorhuis terug, vergezeld door eene vrouwelijke gedaante met een dichtsluitend zwart hoedje. Het is jufvrouw Tox, en jufvrouw Tox heeft roode oogen.“O Polly,” zeide jufvrouw Tox, “toen ik daar straks bij u aan huis kwam om de kinderen nog een lesje te geven, kreeg ik de boodschap die gij voor mij gelaten hadt; en zoodra ik wat tot mij zelve kwam ben ik u nagekomen. Is hier niemand behalve gij?”—“Geene levende ziel,” antwoordt Polly.—“Hebt gij hem gezien?” fluistert jufvrouw Tox.—“O heere neen,” antwoordt Polly. “Hij heeft zich in geene dagen laten zien. Zij zeggen mij, dat hij nooit buiten zijne kamer komt.”—“Zegt men ook dat hij ziek is?” vraagt jufvrouw Tox.—“Neen, jufvrouw, niet dat ik weet,” antwoordt Polly. “Maar zijne ziel is ziek. In dat opzicht moet het heel slecht met hem gesteld zijn!”Het medelijden van jufvrouw Tox is zoo groot dat zij nauwelijks kan spreken. Zij is geen kuikentje meer, maar zij is toch van ouderdom niet taai geworden. Haar hart is nog teer, haar medelijden en hare hulde zijn van echte soort. Onder het medaillon met het vischachtige oog draagt jufvrouw Tox betere eigenschappen dan menigeen met eene minder belachelijke buitenzijde, eigenschappen, die de fraaiste uitwendige hoedanigheden vele jaren kunnen overleven.Het duurt lang eer jufvrouw Tox heengaat, en eer Polly, terwijl hare kaars op de holle trap staat, haar de straat af nakijkt, om nog zoolang gezelschap aan haar te hebben, en ongezind is, om het akelige huis weder binnen te gaan, en de ledigheid daarvan met de zware grendels te laten weergalmen, en naar bed te sluipen. Dat alles doet Polly evenwel; en des morgens zet zij in eene van die kamers de dingen, die men haar gezegd heeft gereed te maken, en gaat dan heen, en komt er niet weder binnen voor den volgenden morgen op hetzelfde uur. Er hangen daar schellen, maar er wordt nooit aan getrokken; en hoewel zij somtijds een voetstap kan hooren heen en weer gaan, komt die nooit naar buiten.Jufvrouw Tox komt dien dag vroeg terug. Het begint nu hare bezigheid te worden, kleine lekkernijen gereed te maken—of wat voor haar lekkernijen zijn—om den volgenden morgen in die kamer te zetten. Deze bezigheid geeft haar zooveel genoegen, dat zij ze van dien tijd af geregeld aanhoudt, en dagelijks iets in haar mandje medebrengt om in die kamer te zetten. Evenzoo brengt zij, in papier gewikkeld, een stukje koud vleesch, eene schapentong, of eene halve kip mede, om zelve te eten, en deze collations met Polly deelende, slijt zij het grootste gedeelte van haar tijd in het bouwvallige huis, dat de ratten ontvlucht zijn; zich met schrik verschuilende op het minste geluid, in- en uitsluipende alsof zij kwaad deed, niets verlangende dan trouw te zijn aan het gevallen voorwerp harer bewondering, zonder dat hij het weet, zonder dat iemand in de wereld het weet, dan eene eenvoudige arme vrouw.De majoor weet het ook; maar niemand verneemt het van hem, schoon hij zelf er veel vroolijker door wordt. In eene vlaag van nieuwsgierigheid heeft de majoor den inboorling last gegeven om nu en dan naar het huis te gaan kijken en er naar te vernemen waar Dombey blijft. De inboorling heeft hem de trouw van jufvrouw Tox gerapporteerd, en de majoor is bijna gestikt van het lachen. Van dat uur af is hij op den duur nog blauwer, en mompelt hij telkens, met uit het hoofd puilende oogen, bij zich zelven: “Verduiveld, mijnheer, dat wijf is stapelzot.”En de geruïneerde koopman. Hoe slijt hij zijne uren, alleen?“Laat hij zich dat in die kamer herinneren, over jaren!” Hij herinnerde het zich. Het drukte hem zwaar op het gemoed, zwaarder dan al het andere.“Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren. De regen, die op het dak klettert, de wind, die om het huis heen zucht, hebben misschien iets voorspellends in hun treurig geluid. Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren!”Hij herinnerde het zich. In den ellendigen nacht dacht hij er aan, op den akeligen dag, bij den rampzaligen dageraad, in de spookachtige schemering. Hij dacht er aan. In knagende zielesmart, met wroeging en wanhoop. “Papa, papa! Spreek toch tegen mij, lieve papa!” Hij hoorde de woorden weder, en zag het gezichtje. Hij zag het op de bevende handjes zinken, en hoorde den zachten, langgerekten kreet hemelwaarts stijgen.Hij was gevallen; om nooit weder opgericht te worden. Voor den nacht van zijn ondergang als koopman was geene morgenzon; voor de vlek zijner huiselijke schande was geen reinigingsmiddel; niets, Goddank, kon zijn dood kind in het leven terugroepen. Maar datgene, wat hij in het geheele verleden zoo geheel anders[417]had kunnen maken—datgene, wat het verleden zelf zoo geheel anders had kunnen maken, schoon hij daaraan nu bijna niet dacht—datgene wat zijn eigen werk was, wat hij zich zoo gemakkelijk tot een vloek had gemaakt—dat was de kwelling zijner ziel.“O mijn God, vergeef mij, want dat heb ik zeer noodig!” (blz. 420).“O mijn God, vergeef mij, want dat heb ik zeer noodig!” (blz. 420).O, hij dacht er wel aan! De regen, die op het dak kletterde, de wind, die om het huis heen zuchtte, in dien nacht, hadden iets voorspellends gehad in hun treurig geluid. Hij wist nu wat hij gedaan had. Hij wist nu, dat hij datgene op zijn hoofd had geroepen, dat het lager deed bukken dan de zwaarste slag der fortuin. Hij wist nu wat het was, verworpen en verlaten te zijn, nu elke bloesem van liefde, die hij in het schuldelooze hart zijner dochter had doen verwelken, in asch veranderd op hem neersneeuwde.Hij dacht aan haar, gelijk zij was op dien avond toen hij en zijne bruid naar huis kwamen. Hij dacht aan haar gelijk zij was onder al de huiselijke gebeurtenissen van het nu verwoeste huis. Hij dacht nu, dat, van alles om hem heen, zij alleen nooit veranderd was. Zijn zoon was tot stof vergaan, zijne trotsche vrouw was tot eene schandvlek harer sekse geworden, zijn vleier en vriend was in een schurkachtigen booswicht veranderd, zijne schatten waren weggesmolten, zelfs de muren, die hem schuilplaats gaven, zagen een vreemdeling in hem; zij alleen had hem altijd hetzelfde lieve, zachtaardige gezichtje[418]getoond. Ja, tot het laatste toe. Zij was nooit voor hem veranderd—hij was ook nooit voor haar veranderd—en zij was verloren.Toen zij een voor een voor zijne gedachten wegzonken—zijn hoopvolle zoon, zijne vrouw, zijn vriend, zijn vermogen—o, hoe helderde toen de nevel op, waardoor hij haar gezien had, en hoe vertoonde zich toen hare ware gedaante! O, hoeveel beter dan dit, dat hij haar had liefgehad gelijk hij zijn zoon had gedaan, en haar verloren had gelijk zijn zoon, en hen te zamen in een vroegtijdig graf had gelegd!In zijn trots—want hij was nog trotsch—liet hij de wereld zich vrij van hem verwijderen. Toen zij van hem afviel, schudde hij haar af. Hetzij hij zich verbeeldde dat haar gelaat medelijden of onverschilligheid uitdrukte, hij schuwde het evenzeer. Hij kon niet denken aan eenig gezelschap in zijne ellende, dan die eene, die hij van zich had gedreven. Wat hij tot haar zou gezegd hebben, of welken troost hij haar zou hebben toegelaten hem te geven, stelde hij zich nooit duidelijk voor. Maar hij wist altijd, dat zij hem trouw zou zijn geweest, als hij haar dat maar had toegelaten. Hij wist altijd, dat zijhemnu nog meer zou hebben liefgehad dan anders; hij was zoo zeker, dat dit in haar karakter lag, als dat er een hemel boven hem was; en zoo zat hij, in zijne eenzaamheid, van uur tot uur te denken. Dag aan dag verhaalde hem dit; nacht op nacht leerde hem die wetenschap.Die wetenschap begon, buiten allen twijfel (hoe langzaam zij een tijd lang ook vorderde) met de ontvangst van den brief van haar jeugdigen echtgenoot, en de zekerheid dat zij weg was. En toch—zoo trotsch was hij in zijn val, of zoozeer dacht hij aan haar alleen als aan iets, dat het zijne had kunnen wezen maar dat hij onherroepelijk verloren had—dat hij, als hij hare stem in de naaste kamer had kunnen hooren, niet naar haar toe zou zijn gegaan. Als hij haar op straat had kunnen zien, en zij niet meer had gedaan dan hem aanzien, gelijk zij placht te doen, zou hij haar met een strak, onverzoenlijk gezicht zijn voorbijgegaan, en haar niet aangesproken of zijn blik verzacht hebben, al had zijn hart ook kort daarop moeten breken. Hoe woest zijne gedachten, of hoe heftig zijne gramschap ook geweest waren, toen hij pas van haar huwelijk hoorde, dat was nu alles voorbij. Hij dacht voornamelijk aan hetgeen had kunnen zijn, en zoo niet was. Wat was, lag alles daarin opgesloten, dat zij verloren was en hij van smart en berouw verging.En nu gevoelde hij, dat hem twee kinderen in dat huis geboren waren, en dat er tusschen hem en de kale, ledige muren een band bestond, droevig, maar moeielijk los te rukken, daar hij aan eene dubbele kindsheid en een dubbel verlies was vastgeknoopt. Hij had gedacht het huis te verlaten—wetende dat hij gaan moest, hoewel niet wetende waarheen—op den avond van den dag, toen dit gevoel voor het eerst bij hem wortel vatte; maar hij besloot nog een nacht te blijven en in dien nacht nog eens al de kamers door te gaan.In het holst van den nacht kwam hij uit zijne eenzaamheid, en met eene kaars in de hand ging hij de trap op. Van al de voetstappen daar, die de trap zoo gemeen maakten als de publieke straat, was er niet een, dacht hij, of hij had dien op zijn hoofd zelf voelen zetten, in dien tijd toen hij verborgen luisterde. Hij zag naar hun aantal, hunne haast en hunne verwarring—de eene voetstap den ander uitdelgende, en de op- en neergaande sporen elkander verdringende—en dacht, met schrik en verbazing over zich zelven, hoeveel hij in dien tijd moest geleden hebben, en hoeveel reden hij had om een veranderd mensch te zijn. Hij dacht bovendien—o, was er ergens in de wereld een voetstap, die in een oogenblik de helft van die sporen had kunnen uitwisschen!—en hij boog zijn hoofd en schreide, terwijl hij naar boven ging.Hij zag bijna dien voetstap voor hem uitgaan. Hij bleef stilstaan, keek op naar de lantaren; en eene gedaante, zelve nog kinderlijk, maar een kind dragende, en al klimmend zingende, scheen zich daar weder te vertoonen. Wederom was het dezelfde gedaante, alleen, voor een oogenblik met ingehouden adem stilstaande, terwijl de glanzige lokken los om het betraande gezichtje krulden, en naar hem terugziende.Hij ging de kamers door, nog kort geleden zoo vol weelde, nu zoo kaal en akelig, en naar het scheen zelfs van grootte en vorm veranderd. Het gedrang van voetstappen was hier even dicht; en dezelfde gedachte aan het lijden, dat hij verduurd had, verschrikte en verbijsterde hem. Hij begon te vreezen, dat al dat gewoel in zijne hersenen hem van zijn verstand zou brengen, en dat zijne gedachten reeds hare duidelijkheid verloren en onnaspoorlijk door elkander dwarrelden, evenals die voetstappen.Hij wist niet eens welke van die kamers zij bewoond had toen zij alleen was. Hij verliet ze gaarne om hoogerop te gaan. Daar waren herinneringen in menigte, die met zijne valsche vrouw, zijn valschen vriend en dienaar, de valsche gronden voor zijn hoogmoed in verband stonden; maar hij schoof ze nu allen terzijde, om alleen met weemoed en jammer aan zijne twee kinderen te denken.Overal die voetstappen! Zij hadden zelfs geen eerbied gehad voor de oude kamer omhoog, waar het ledikantje gestaan had; hij kon daar nauwelijks eene schoone plek vinden, om zich bij den muur op den grond te werpen, arme verslagene man, en zijne tranen onbedwongen te laten vloeien. Hij had hier lang geleden zoovele tranen gestort, dat hij zich in deze kamer[419]minder over zijne zwakheid schaamde dan ergens anders—misschien had hij wel met die bewustheid naar voorwendselen gezocht om hier te komen. Hier was hij met gebogen rug en op de borst gezonken hoofd binnengetreden. Hier, op de bloote planken neergeworpen, had hij in het holste van den nacht geschreid, alleen—zelfs toen nog een trotsch man, die, als eene vriendelijke hand hem had kunnen aanraken, of een vriendelijk gezicht had kunnen binnenkijken, zou zijn opgestaan en met een afgewend gelaat weder naar zijne cel zou zijn gegaan.Toen de dag aanbrak, was hij weder in zijne kamers opgesloten. Hij had vandaag willen heengaan, maar hij klemde zich vast aan dien band in het huis, als het laatste en eenige dat hem overschoot. Hij wilde morgen gaan. Morgen kwam. Wederom wilde hij morgen gaan. Elken nacht kwam hij, zonder dat iemand het wist, zijne kamer uit en dwaalde als een spook door het geplunderde huis. Menigen ochtend zat hij achter de dichtgeschovene gordijnen van zijn venster, waar het licht nog maar flauw doorheen scheen, over het verlies van zijne twee kinderen te mijmeren. Het was nu niet één kind meer. Hij hereenigde hen in zijne gedachten, en zij waren nooit gescheiden. O, dat hij hen had kunnen vereenigen in zijne vroegere liefde en in den dood, en dat het eene niet zooveel erger dan de dood was geweest!Sterke gemoedsbewegingen waren hem niet vreemd, zelfs voor zijne laatste rampen. Dat zijn zij nooit voor stroeve, onverzettelijke karakters, want het kost hun een harden kamp om stroef en onverzettelijk te zijn. Een lang ondermijnde grond zinkt dikwijls in een oogenblik in; wat hier op zoovele wijzen ondermijnd was, kruimelde langzamerhand al meer en meer weg, naarmate de trage uren verliepen.Eindelijk begon hij te denken, dat hij geheel niet behoefde heen te gaan. Hij kon nog opgeven wat zijne crediteuren hem gelaten hadden (dat zij hem niet meer hadden gelaten was zijn eigen bedrijf) en den band tusschen hem en het verwoeste huis slechts te verscheuren, door dien anderen band te verscheuren, die—Het was toen dat zijn voetstap hoorbaar werd, terwijl hij in de gewezene huishoudsterskamer op en neer ging; maar niet hoorbaar in zijne ware beteekenis, of het geluid zou schrikverwekkend zijn geweest.De wereld was nog rusteloos met hem bezig. Dit kwam hem wederom te binnen. Zij was aan het fluisteren en babbelen. Zij was nooit stil. Dit en de ingewikkelde verwarring der voetstappen martelde hem dood. Alles begon voor zijne oogen eene roodachtige kleur aan te nemen. Dombey en Zoon was niet meer—zijne kinderen waren niet meer. Hij moest daarover denken—morgen.Toen het morgen was geworden dacht hij er over; en terwijl hij zat te denken zag hij nu en dan in den spiegel—zijn beeld.Een spookachtig vermagerd en vervallen afbeeldsel van zich zelven zat bij den ledigen haard te peinzen. Nu tilde dat afbeeldsel zijn hoofd op, en bezag de rimpels en holten van zijn eigen gezicht; dan liet het zijn hoofd weder hangen en peinsde weder. Nu stond het op en wandelde rond; nu ging het naar de naaste kamer en kwam terug met iets van het toilettafeltje in zijne borst. Nu keek het naar den onderkant der deur en dacht—stil! Wat dacht het?Het dacht dat, als er bloed naar dien kant sijpelde en in het voorhuis doorlekte, het lang zou moeten duren eer het zoover kwam. Het zou zoo langzaam voortkruipen, met hier een stilstaand plasje, en dan een loopend sprankje, en weder een stilstaand plasje, dat een doodelijk gekwetste wel dood zou zijn eer hij op die manier werd ontdekt. Toen het een langen tijd daarover had gedacht, stond het weder op en stapte heen en weder met de hand in de borst. Hij zag tusschenbeide naar dat afbeeldsel, lette nieuwsgierig op de beweging daarvan, en merkte op hoe moorddadig die hand er uitzag.Nu dacht het weder. Wat dacht het?Of zij in het bloed zouden trappen, als het zoover gekropen was, en het door het huis dragen tusschen al die voetstappen, en zelfs naar buiten op straat.Het zette zich neder, met de oogen op den ledigen haard, en terwijl het in gedachten verzonk kwam er een lichtglans in de kamer—een zonnestraal. Maar het bespeurde niets daarvan en bleef zitten denken. Plotseling stond het op, met een allerakeligst gezicht, en die moorddadige hand greep naar wat het in de borst had.Toen werd de hand gestuit door een kreet van schrik, liefde en verrukking—en hij zag in den spiegel niets anders meer dan zich zelven, en aan zijne voeten, zijne dochter!Ja! Zijne dochter! Zie hier! Op den grond, zich aan hem vastklemmende, hem roepende, biddend hare handen vouwende.“Papa! Lieve papa! Vergeef mij, vergeef mij! Ik ben teruggekomen om op mijne knieën uwe vergiffenis te vragen. Ik kan zonder vergiffenis nooit meer gelukkig zijn.”Nog onveranderd. Van de geheele wereld zij alleen onveranderd. Nog hetzelfde gezichtje naar hem opheffende als in dien rampzaligen nacht. En zij vraagtzijnevergiffenis!“Lieve papa, o, zie mij zoo vreemd niet aan! Ik was nooit voornemens u te verlaten, ik had er te voren nooit aan gedacht. Ik was buiten mij zelve toen ik heenging, en kon niet nadenken. Lieve papa, ik ben veranderd. Ik heb berouw. Ik erken mijne schuld. Ik ken mijn plicht nu beter. Papa, stoot mij niet van u af, of ik zal het besterven!”Hij waggelde naar zijn stoel. Hij voelde haar[420]zijne armen om haar hals trekken; hij voelde haar de hare om zijn hals slaan; hij voelde hare kussen op zijn gezicht; hij voelde hare vochtige wang tegen de zijne leggen; hij voelde—o, hoe diep!—al wat hij gedaan had.Tegen de borst die hij gekneusd had, tegen het hart dat hij bijna gebroken had, legde zij zijn gezicht, nu met zijne handen bedekt, en zeide snikkende:“Lieve papa, ik ben moeder. Ik heb een kind, dat Walter spoedig bij den naam zal noemen, waarbij ik u noem. Toen het geboren was, en ik gevoelde hoe lief ik het had, gevoelde ik ook wat ik gedaan had toen ik u verliet. Vergeef mij, lieve papa. O, zeg dat God mij en mijn kindje zegene!”Hij zou het gezegd hebben, als hij kon. Hij zou zijne handen hebben opgeheven en haar om vergiffenis gesmeekt, maar zij vatte ze in de hare en trok ze snel naar omlaag.“Mijn kindje werd op zee geboren, papa. Ik bad God (en dat deed Walter ook) om mij te sparen, dat ik thuis mocht komen. Zoodra ik aan land kon gezet worden, kwam ik naar u toe. Laten wij nu nooit meer gescheiden worden, lieve papa, nooit meer gescheiden worden!”Zijn hoofd, nu grijs, werd door haar arm omvangen; en hij slaakte een kermenden zucht bij de gedachte, dat hij nog nooit zoo gerust had.“Gij zult toch met mij naar huis komen, papa, en mijn kindje zien. Een jongen, papa. Hij heet Paul. Ik denk—ik hoop—hij gelijkt—”Hare tranen stuitten haar.“Lieve papa, om mijn kind, om den naam, dien wij het gegeven hebben, om mijnentwil, vergeef Walter. Hij is zoo goed en teer voor mij. Ik ben zoo gelukkig met hem. Het was zijne schuld niet, dat wij getrouwd werden. Het was de mijne. Ik had hem zoo lief.”Zij omhelsde hem nog vaster en teerder.“Hij is de lieveling van mijn hart, papa. Ik zou voor hem sterven. Hij zal u liefhebben en eeren evenals ik zal doen. Wij zullen ons kindje leeren om u lief te hebben en te eeren; wij zullen hem zeggen, als hij het verstaan kan, dat gij eens een zoon van dien naam hebt gehad, en dat hij stierf, en dat gij zeer bedroefd waart; maar dat hij in den hemel is, waar wij allen hem hopen te zien, als onze tijd van rusten komt. Geef mij een kus, papa, als belofte, dat gij u met Walter zult verzoenen—met mijn beminden man—met den vader van het kind, dat mij geleerd heeft terug te komen.”Toen zij, opnieuw in tranen uitbarstende, hem nog vaster omhelsde, gaf hij haar een kus en zijne oogen opslaande, zeide hij: “O mijn God, vergeef mij, want dat heb ik zeer noodig!”Toen liet hij zijn hoofd weder zinken, en beklaagde haar en liefkoosde haar, en lang, zeer lang was er geen geluid in huis, en bleven zij in elkanders armen gesloten; in dien heerlijken zonneschijn, die met Florence was binnengeslopen.Hij kleedde zich om uit te gaan, zich gedwee onderwerpende aan hare bede; en met zwakke schreden, bevend omziende naar de kamer, waarin hij zoolang was opgesloten, en waar hij zijn beeld in den spiegel had gezien, ging hij met haar het voorhuis in. Florence, nauwelijks rondkijkende, opdat zij hem niet opnieuw aan hunne laatste scheiding zou herinneren—want hunne voeten waren op dezelfde steenen, waar hij in zijne blinde razernij naar haar had geslagen—en dicht bij hem blijvende, met hare oogen naar de zijne en zijn arm om haar heen, bracht hem naar eene koets, die voor de deur stond te wachten, en nam hem mede.Toen kwamen jufvrouw Tox en Polly uit haar schuilhoek, en juichten met tranen. En toen pakten zij zijne kleederen en boeken zeer zorgvuldig in, en gaven ze des avonds aan de lieden, die Florence zond om ze te halen. En toen dronken zij een laatst kopje thee in het eenzame huis.“En zoo heeft Dombey en Zoon, gelijk ik bij zekere gelegenheid aanmerkte,” zeide jufvrouw Tox, aan het eind van een geheelen sleep van herinneringen, “toch eene dochter moeten wezen, Polly.”—“En wat eene goede dochter!” riep Polly uit.—“Daar hebt gij gelijk in,” zeide jufvrouw Tox; “en het strekt u tot eer, Polly, dat gij altijd hare vriendin zijt geweest, toen zij nog een klein kind was. Gij zijt hare vriendin geweest, lang voor dat ik het was, Polly,” zeide jufvrouw Tox, “en ge zijt een goed schepsel.—Robin!”Jufvrouw Tox richtte dit woord tot een jong mensch, met een rond hoofd, dat niet in de beste omstandigheden en zeer neerslachtig van geest scheen te zijn, en in een afgelegen hoek zat. Opstaande, vertoonde hij de trekken en gestalte van den Slijper.“Robin,” zeide jufvrouw Tox, “ik heb zoo even tegen uwe moeder aangemerkt, gelijk gij wel zult gehoord hebben, dat zij een goed schepsel is.”—“En dat is zij ook, jufvrouw,” zeide de Slijper, niet zonder gevoel.—“Heel goed, Robin,” hervatte jufvrouw Tox, “het verheugt mij u dat te hooren zeggen. Nu, Robin, daar ik u, op uw dringend verzoek, als mijn bediende op de proef zal nemen, om u weder tot een fatsoenlijken jongen te maken, wil ik deze treffende gelegenheid waarnemen om aan te merken, dat ik hoop dat gij nooit zult vergeten, dat gij eene goede moeder hebt, en gij pogen zult u zoo te gedragen dat gij haar tot een troost zijt.”—“Bij mijne ziel, dat wil ik, jufvrouw,” antwoordde de Slijper. “Ik heb veel uitgestaan en mijne voornemens zijn nu zoo goed, als een arme drommel—”—“Gij moest u dat woord afwennen, Robin, als het u belieft,” viel jufvrouw Tox er zeer beleefd op in.—“Als het u belieft, jufvrouw, als een arme stakker dan—”—“Verplicht, Robin,”[421]antwoordde jufvrouw Tox. “Maar ik zou liever zeggen als een redelijk wezen.”—“Als een redelijk wezen,” zeide de Slijper.—“Veel beter,” zeide jufvrouw Tox vergenoegd.—“Dat drukt veel meer uit.”—“Ze maar hebben kan,” vervolgde Rob. “Als men geen Slijper van mij gemaakt had, jufvrouw en moeder, dat een allerongelukkigst ding was voor zulk een armen drom—voor een redelijk wezen.”—“Heel goed,” merkte jufvrouw Tox tevreden aan.—“En als ik niet door de vogels op een slechten weg was gebracht en toen in een slechten dienst was gekomen,” zeide de Slijper, “hoop ik dat ik het beter zou hebben gemaakt. Maar het is nooit te laat voor een—”—“Redelijk,” blies jufvrouw Tox hem in.—“Wezen,” zeide de Slijper, “om zich te beteren; en ik hoop mij te beteren, jufvrouw, als ge mij op de proef wilt nemen; en ik verzoek moeder, om vader en mijne broertjes en zusjes van mij te groeten, en het hun te zeggen.”—“Het verheugt mij buitengemeen dit van u te hooren,” zeide jufvrouw Tox. “Wilt gij eene boterham gebruiken en een kopje thee, Robin, eer wij gaan?”De Slijper weigerde niet, en at alsof hij langen tijd op kort rantsoen had gestaan.Toen jufvrouw Tox en Polly zich met hoeden en doeken hadden gereedgemaakt om te vertrekken, gaf Rob zijne moeder een kus en volgde hij zijne nieuwe meesteres; terwijl Polly hem hopend nazag, met iets in hare oogen, dat lichtende kringen om de gaslantarens veroorzaakte. Toen sloot Polly de straatdeur, bracht den sleutel bij iemand in de buurt, en liep zoo hard zij kon naar huis, zich vooraf verheugende in de schelklinkende blijdschap, welke hare onverwachte komst zou veroorzaken. Het groote huis, stom voor alles wat er in geleden was en al de veranderingen die het had gezien, bleef somber de straat aanstaren, en wees alle nadere vragen af met het bericht, dat het te huur was.

[Inhoud]LIX.VERGELDING.Wederom zijn er veranderingen gekomen over het groote huis in de lange stille straat, eens het tooneel van Florence’s kindsheid en eenzaamheid. Het is nog een groot huis, bestand tegen wind en weder, zonder reten in het dak, zonder gebroken ruiten of vervallene muren; maar het is niettemin eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.Towlinson en zijn gezelschap willen in het eerst geen geloof slaan aan de loopende geruchten, die zij hooren. De keukenmeid zegt dat ons crediet, Goddank, niet zoo gemakkelijk te schokken is; en Towlinson verwacht nu ook te zullen hooren, dat de Bank vanEngelandzal springen, of de juweelen uit de Tower verkocht zullen worden. Maar dan komen de Gazette en Perch; en Perch brengt jufvrouw Perch mede, om er in de keuken over te praten en een genoeglijken avond te slijten.Zoodra er geen twijfel meer aan is, wordt het Towlinson’s grootste bekommering, dat het een bankroet van belang zal zijn—dat het om niet minder dan honderd duizend pond zal te doen zijn. Perch denkt dat honderd duizend pond nog lang niet genoeg zal zijn om het tekort te dekken. De vrouwen, met jufvrouw Perch en de keukenmeid aan het hoofd, herhalen dikwijls “honderd duizend pond,” met zeker eerbiedig genoegen, alsof het uitspreken van die woorden met het betasten van het geld gelijkstond; en de werkmeid, die een oogje op Towlinson heeft, wenscht dat zij maar het honderdste gedeelte van die som had, om aan den man harer keus te schenken. Towlinson, nog aan zijne oude grieven gedachtig, is van oordeel dat een buitenlander kwalijk zou weten wat met zooveel geld te doen, of hij moest het aan zijne bakkebaarden te koste leggen, welke bittere schimpschoot de werkmeid met tranen in de oogen doet heengaan.Maar niet om lang weg te blijven, want de keukenmeid, die den naam heeft van zeer goedhartig te zijn, zegt dat zij, wat zij ook doen, elkander nu moeten bijstaan, Towlinson, want dat het niet te zeggen is hoe gauw zij verdeeld[412]zullen raken. Zij hebben in dat huis (zegt de keukenmeid) eene begrafenis, eene bruiloft en een wegloopen beleefd, en laat het niet gezegd worden, dat zij op zulk een tijd als dezen niet eensgezind konden blijven. Jufvrouw Perch wordt door deze roerende toespraak diep getroffen, en merkt openlijk aan dat de keukenmeid een engel is. Towlinson antwoordt de keukenmeid, ver mag het van hem zijn om die eensgezindheid, waarnaar hij ook verlangt, in den weg te staan. Hij gaat de werkmeid opzoeken, en met die jonge juffer aan den arm terugkomende, onderricht hij de keuken, dat hij met buitenlanders den gek steekt, en dat hij en Anne nu besloten hebben om elkander maar te nemen, en zich inOxford Marketin de groentenering en wat daarbij behoort te vestigen, waarvoor hij de gunst en recommandatie verzoekt. Dit bericht wordt met toejuiching ontvangen; en jufvrouw Perch, in de toekomst vooruitziende, fluistert de keukenmeid plechtig het woord “meisjes” in het oor.Ongeluk in de familie zonder smullen in het onderhuis is eene onmogelijkheid. De keukenmeid maakt dus wat warms klaar voor het avondmaal, waarbij Towlinson een kreeftenslaadje bezorgt. Zelfs mevrouw Pipchin, door het gebeurde ontroerd, schelt en laat verzoeken dat het overgeblevene stukje koek voor haar gewarmd zal worden, en als het haar gebracht wordt er een glas geheeten sherry bij gedaan zal worden, dewijl zij gevoelt dat zij van haar streek is.Er wordt weinig over mijnheer Dombey gesproken, zeer weinig. Voornamelijk poogt men te raden, hoelang hij wel zou geweten hebben dat dit gebeuren zou. De schrandere keukenmeid zegt: “O, al heel lang. Daar moogt ge wel op zweren.” En wanneer men Perch er naar vraagt, bevestigt hij hare meening. Iemand verwondert zich wat hij nu doen zal, en of hij nu naar eene betrekking zal zoeken. Towlinson denkt van neen, en geeft een wenk van een van die fatsoenlijke armhuizen. “Waar hij een tuintje kan hebben,” zegt de keukenmeid beklaaglijk, “en in den zomer zijne erwtjes kan planten, niet waar?”—“Juist,” antwoordt Towlinson, “en broeder van het een of ander worden.”—“Wij zijn allemaal broeders,” merkte jufvrouw Perch aan, daartoe ophoudende met drinken.—“Behalve de zusters,” zegt haar man.—“Hoe zijn de machtigen gevallen,” merkte de keukenmeid aan.—“Hoogmoed gaat voor den val; dat is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven,” laat de werkmeid hierop volgen.Het is verwonderlijk hoe deugdzaam zij zich gevoelen, bij het maken dezer bespiegelingen, en van welk eene christelijke eensgezindheid zij zich bewust zijn, om de algemeene ramp met gelatenheid te dragen. Slechts eenmaal wordt deze loffelijke gemoedsgesteldheid verstoord: en dit geschiedt door eene jonge keukenmeid van lager rang, die, nadat zij lang met een open mond heeft zitten luisteren, onverwacht de volgende woorden uitstoot: “Als het loon eens niet betaald wierd!” Het gezelschap blijft een oogenblik sprakeloos; maar de keukenmeid, zich het eerst herstellende, keert zich naar de onvoorzichtige spreekster en verzoekt te mogen weten, hoe zij de familie, wier brood zij eet, durft beleedigen met zoo iets te zeggen, en of zij denkt dat iemand, die nog een aasje eerlijkheid heeft, arme dienstboden hun loon zou onthouden? “Want alsdatuw godsdienst is, Mary Daws,” zegt de keukenmeid met warmte, “dan weet ik niet waar gij eens naar toe denkt te gaan.”Towlinson weet het ook niet; niemand weet het; en de jonge keukenmeid, die het zelve niet recht schijnt te weten, en algemeen wordt uitgejouwd, wordt doodelijk beschaamd en verlegen.Na eenige dagen beginnen er vreemde lieden in huis te komen, en elkander in de eetzaal te bestellen, alsof zij daar woonden. Vooral is er een heer, met een Mozaïsch Arabischen gelaatsvorm, en een zeer zwaren horlogeketting, die in hun salon loopt te fluiten, en terwijl hij naar een ander heer wacht, die altijd pen en inkt in zijn zak heeft, Towlinson (wien hij vrijpostig jongetje noemt) vraagt, of hij ook toevallig weet hoeveel dat behangsel, rood met goud, nieuw gekost heeft. De bezoekers van de eetzaal worden met elken dag talrijker, en ieder heer schijnt een inktkoker in zijn zak te hebben, en dien ook te gebruiken. Eindelijk zegt men dat er verkooping zal plaats hebben; en dan komen er nog meer lieden met pen en inkt in den zak, die een detachement van lieden met petten kommandeeren, en de tapijten laten opnemen en de meubelen overhoop laten halen en duizenden merken van hunne schoenzolen in het voorhuis en op de trap afdrukken.De dienstbodenraad beneden blijft al dien tijd zitting houden, en daar men niets anders te doen heeft, verricht men wonderen van eetkunst. Eindelijk worden allen eens in mevrouw Pipchin’s kamer geroepen en door deze dame op vinnigen toon aldus aangesproken:“Uw meester is in ongelegenheden. Dat zult ge wel weten, denk ik?”Towlinson, als spreker, erkent eene algemeene kennis van dit feit.“En gij zijt allen al op den uitkijk voor u zelven, daar durf ik voor instaan,” zegt mevrouw Pipchin, dreigend haar hoofd schuddende.Eene schelle stem uit de achterhoede roept: “Niet meer dan gij.”—“Denkt gij zoo, onbeschaamde prij?” zegt de gramstorige dame, met een vurig oog over de andere hoofden heenkijkende.—“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk[413]ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?”—“Dat gij heen kunt gaan zoo gauw als ge maar wilt,” zegt mevrouw Pipchin. “Hoe eer hoe beter, en ik hoop dat ik nooit weer uw gezicht zal zien.”Daarmede haalt zij een linnen zakje uit, en telt de keukenmeid haar loon voor tot op dien dag en nog eene maand bovendien, maar houdt het geld vast, tot eene quitantie daarvoor behoorlijk is geteekend, tot aan den laatsten ophaal toe; waarna zij het met zichtbaren weerzin loslaat. Deze ceremonie herhaalt mevrouw Pipchin met ieder lid van het huishouden, totdat allen betaald zijn.“Nu kunnen zij, die willen, zich dadelijk voortmaken,” zegt mevrouw Pipchin, “en zij, die willen, kunnen nog eene week of zoo hier blijven, om te helpen. Behalve,” zegt de gramstorige dame, “die slet van eene keukenmeid, die dadelijk heen zal.”—“Dat zal zij zekerlijk,” antwoordt de keukenmeid. “Ik wensch u goedendag, mevrouw Pipchin, en wensch van harte dat ik u een compliment kon maken over de vriendelijkheid van uw gezicht.”—“Maak dat gij wegkomt,” zegt mevrouw Pipchin, met haar voet stampende.De keukenmeid gaat heen met eene vriendelijke deftigheid, die mevrouw Pipchin nog meer kwaad maakt, en weldra voegen de anderen zich beneden bij haar.Dan zegt Towlinson dat hij vooreerst wilde voorstellen eene kleine versnapering te gebruiken, en dat hij onder het gebruik daarvan eene opmerking wilde maken, die hij denkt dat in de positie, waarin zij zich bevinden, wel zal te pas komen. Terwijl men de versnapering met smaak gebruikt, deelt Towlinson zijne opmerking mede, die daarop neerkomt, dat de keukenmeid heengaat, en dat, als wij ons zelven niet trouw zijn, niemand ons meer trouw zal zijn. Dat zij in dit huis lang te zamen hebben gewoond, en hun best hebben gedaan om gezellig te zijn. (Daarop zegt de keukenmeid met aandoening: “Luister! Luister!” en jufvrouw Perch, die wederom daar en tot aan de keel toe vol is, stort tranen). En dat hij meent, dat men tegenwoordig moet begrijpen: “Een weg, allemaal weg!” De werkmeid wordt door deze edelmoedige ontboezeming zeer geroerd, en geeft ze met warmte haar bijval. De keukenmeid zegt te gevoelen dat het zoo behoort, en hoopt maar dat het niet als een compliment voor haar, maar uit gevoel van plicht wordt gedaan. Towlinson antwoordt—uit gevoel van plicht; en dat, nu hij genoodzaakt is voor zijn gevoelen uit te komen, hij openlijk wil zeggen, dat hij het niet voor heel fatsoenlijk houdt in een huis te blijven waar verkoopingen en zulke dingen aan de hand zijn. De werkmeid is daarvan overtuigd en verhaalt tot bevestiging, dat een vreemd man met eene pet haar dien morgen op de trap heeft willen kussen. Dit doet Towlinson van zijn stoel opspringen om den booswicht te gaan opzoeken en hem een pak slaag te geven; maar de dames houden hem vast, en smeeken hem om te bedaren, en te bedenken dat het gemakkelijker en wijzer is, het tooneel van zulke onwelvoeglijkheden terstond te verlaten. Jufvrouw Perch, de zaak in een nieuw licht plaatsende, toont aan, dat zelfs de kieschheid voor mijnheer Dombey, die zich in zijne kamers opsluit, een overhaasten aftocht voorschrijft. “Want wat,” zegt de goede vrouw, “zou hij moeten gevoelen, als hij een van de arme dienstboden ontmoette, die hij eens bedrieglijk heeft doen denken dat hij onmetelijk rijk was.” De keukenmeid wordt door deze zedekundige bespiegelingen zoodanig getroffen, dat jufvrouw Perch er nog verscheidene vrome bedenkingen bijvoegt. Het wordt iedereen duidelijk dat zij allen moeten vertrekken. Koffers worden gepakt, vigilantes gehaald en met schemeravond is er niemand van den troep meer over.Het huis staat nog, groot en tegen weer en wind bestand, in de lange, stille straat; maar is toch eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.De mannen met petten blijven de meubelen overhoophalen; en de heeren met pen en inkt maken inventarissen daarvan, en zitten op stukken huisraad, nooit gemaakt om op te zitten, en eten brood en kaas uit de herberg van andere stukken huisraad, nooit gemaakt om van te eten, en schijnen er vermaak in te scheppen om de kostbaarste voorwerpen tot het vreemdste gebruik te bezigen. Er hebben ook chaotische combinatiën van dingen plaats. In de eetzaal ziet men matrassen en bedden; het glas en porselein raakt naar de oranjerie; het groot tafelservies wordt op de lange divan in het groote salon op stapeltjes gezet; en de traproedjes, aan bossen gebonden, staan op marmeren schoorsteenmantels te pronk. Eindelijk wordt een haardkleedje met een gedrukt biljet daarop van het balkon uitgehangen, en dergelijke sieraden prijken aan beide zijden van de straatdeur.Dan staat er den geheelen dag lang een trein van bemodderde sjeezen en wagentjes in de straat; en troepen smerige heerschappen, joden en christenen, loopen het geheele huis door, tikken met hunne knokkels tegen de spiegels, slaan wanluidende accoorden op de piano’s aan, vegen met natte vingers over de schilderijen, ademen op de lemmeten der beste tafelmessen, beuken de kussens van stoelen en sofa’s met hunne vuile vuisten, betasten de bedden, schuiven al de laden uit en in, laten zilveren lepels en vorken balanceeren, bekijken zelfs de draden van het linnengoed, en vinden alles ver beneden hunne verwachting. Het geheele huis heeft geene geheime plaats meer. Vreemde snoeshanen gluren even nieuwsgierig tusschen[414]het keukengereedschap als in de kleerkas op zolder. Grove kerels, met kaal gesleten hoeden, kijken uit de vensters der slaapkamers en maken grappen met vrienden op straat. Stille narekenaars gaan met catalogussen in de kleedkamers, en maken daar met stompjes potlood aanteekeningen op den kant. Twee uitdragers klimmen zelfs een zolderluik uit en genieten op het dak een panoramisch overzicht van de andere huizen. Dat zwermen en gonzen, op- en neerloopen en begluren, duurt dagen lang. Dombey’s inboedel is publiek te zien.Dan wordt er in het beste salon eene verschansing van tafels gemaakt, en op de groote mahoniehouten eettafel met gedraaide pooten wordt de lessenaar van den vendumeester gezet, en de troepen van smerige heerschappen, joden en christenen, de vreemde snoeshanen en de grove kerels met kaal gesleten hoeden, verzamelen zich daaromheen, en zetten zich op alles in hun bereik, de schoorsteenmantels ingesloten, en gaan aan het bieden. Heet, stofferig en gonzend zijn de kamers den geheelen dag, en hoog boven de hitte, het stof en het gegons, is de vendumeester aanhoudend met hoofd en schouders, stem en hamer aan het werk. De mannen met petten worden rood en ongeduldig van het dragen met nommers, en nog worden er nommers aangedragen en weggedragen. Somtijds worden er grappen gemaakt en ontstaat er een algemeen geschater. Dit duurt den geheelen dag en nog drie volgende dagen. Dombey’s inboedel wordt publiek verkocht.Dan komen de bemodderde sjeezen en wagentjes terug, te gelijk met een trein van vrachtwagens en karren en een heirleger van sjouwerlieden. Den geheelen dag zijn de mannen met petten aan het werk met schroevendraaiers en nijptangen, of waggelen zij op de trap bij dozijnen te gelijk onder zware vrachten, of tillen zij de geheele rotsen van mahoniehout, rozenhout of spiegelglas in sjeezen, wagentjes, vrachtwagens en karren. Allerlei soorten van voertuigen worden gebezigd, van mestwagens af tot kruiwagens toe. Het ledikantje van den armen Paul wordt op een ezelkarretje weggevoerd. Bijna eene week lang wordt Dombey’s inboedel weggehaald.Eindelijk is alles weg. Men heeft niets in huis gelaten dan verstrooide bladen van catalogussen, hoopjes hooi en stroo, en eene batterij van tinnen kannen achter de voordeur. De mannen met petten verzamelen hun gereedschap in zakken, nemen die op schouder en stappen heen. Een van de heeren met pen en inkt gaat, als eene laatste oplettendheid, het geheele huis nog eens door, zet biljetten voor de vensters, waarbij wordt aangekondigd dat het te huur is, en sluit de luiken. Ten laatste volgt hij de mannen met petten. Niemand van de indringers blijft er. Het huis is eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.Mevrouw Pipchin’s apartement, benevens die geslotene kamers beneden, waar de gordijnen altijd dichtgeschoven blijven, zijn bij de algemeene verwoesting gespaard. Mevrouw Pipchin is onder het gewoel stug en steenig in hare kamer blijven zitten, of is onder de verkooping eens even komen kijken, om te zien wat het goed opbracht, of om op zekeren leuningstoel te bieden. Mevrouw Pipchin heeft het hoogste bod op dien leuningstoel gedaan, en zit op haar eigendom, wanneer mevrouw Chick haar komt opzoeken.“Hoe gaat het met mijn broeder, mevrouw Pipchin?” zegt mevrouw Chick.—“Daar weet ik niet meer van dan de drommel,” zegt mevrouw Pipchin. “Hij bewijst mij nooit de eer om met mij te spreken. Hij laat zijn eten en drinken in de kamer naast zijne kamer zetten; en wat hij gebruikt komt hij daar gebruiken als er niemand is. Het kan niet helpen of ge mij al vraagt. Ik weet er niet meer van dan de man in het zuiden, die zijn mond brandde bij het eten van koude pap.”Dit zegt de stekelige mevrouw Pipchin met eene heftige beweging.“Maar mijn goede hemel!” roept mevrouw Chick zeer zoetsappig uit. “Hoelang moet dat dan duren! Als mijn broeder zich geene inspanning wil vergen, mevrouw Pipchin, wat zal er dan van hem worden? Ik heb waarlijk gedacht, dat hij genoeg gezien had, wat er van komt als men zich geene inspanning wil vergen, om zich voor zulk eene noodlottige dwaling te laten waarschuwen.”—“Wel heere mijn tijd!” zegt mevrouw Pipchin, haar neus wrijvende. “Mij dunkt, er wordt machtig veel gedoente over gemaakt. Het is zulk een vreemd geval niet. Er zijn wel meer menschen, die tegenspoed hebben gehad, en hun boel hebben moeten verkoopen. Dat heb ik ook moeten doen.”—“Mijn broeder,” vervolgt mevrouw Chick diepzinnig, “is zulk een singulier man. Hij is de singulierste man dien ik ooit gezien heb. Zou men gelooven, dat, toen hij de tijding kreeg van het huwelijk en de emigratie van dat onnatuurlijke kind—het is nu een troost voor mij, te bedenken dat ik altijd gezegd heb, dat dat meisje iets buitengewoons over zich had; maar niemand let op mij—zou iemand gelooven, zeg ik, dat hij zich toen naar mij omkeerde en zeide, dat hij gemeend had aan mij te zien, dat zij bij mij in huis was gekomen? Wel mijn hemeltje! En zou iemand gelooven, dat, toen ik alleen maar tegen hem zeide: “Paul, ik mag heel onnoozel wezen, en dat geloof ik ook zelf wel, maar ik kan niet begrijpen hoe uwe zaken in dien staat zijn geraakt,” hij toen tegen mij uitviel, en verzocht dat ik niet meer bij hem zou komen eer hij naar mij vroeg? Wel,[415]groote goedheid!”—“Ja,” zegt mevrouw Pipchin. “Het is jammer dat hij niet wat meer met mijnen te doen heeft gehad. Zij zouden zijn humeur wel hebben klein gekregen.”—“En waar moet het op uitloopen?” hervat mevrouw Chick, zonder op de aanmerkingen van mevrouw Pipchin te letten. “Dat zou ik wel willen weten. Wat denkt mijn broeder te doen? Hij moet toch iets doen. Het baat niet of hij al in zijne kamers zit opgesloten. De zaken zullen niet naar hem toe komen. Neen, hij moet er zelf naar toe gaan. Waarom gaat hij dan niet? Hij weet wel waar hij naar toe moest gaan, zou ik denken; daar hij al zijn leven zaken heeft gedaan. Waarom gaat hij dan niet daarheen?”Nadat mevrouw Chick deze hechte keten van redeneeringen had gesmeed, zweeg zij eene poos, om die zelve te bewonderen.“Buitendien,” vervolgde zij toen, op denzelfden redeneertrant, “wie heeft ooit van zulk eene stijfhoofdigheid gehoord, als dat hij door al die akeligheden heen hier opgesloten blijft? Het is alsof hij nergens anders had kunnen heengaan. Hij had immers bij ons aan huis kunnen komen. Hij weet toch dat hij daar thuis is, zou ik denken? Mijnheer Chick heeft hem dat tot vervelens toe gezegd, en ik heb hem met mijn eigen mond gezegd: “Beste Paul, gij verbeeldt u toch zeker niet, omdat uwe zaken in dien staat zijn geraakt, dat ge daarom minder thuis zijt bij zulke nauwe betrekkingen als wij? Gij verbeeldt u toch niet, dat wij naar de rest van de wereld gelijken?” Maar neen, hier blijft hij door dat alles heen, en hier zit hij nu nog. Wel, mijn hemel! als het huis eens verhuurd werd—wat zou hij dan doen? Dan kon hij toch niet hier blijven. Als hij dat probeerde, zou hem eene actie worden aangedaan en dat alles, en dan moest hij toch heengaan. Waarom gaat hij dan niet dadelijk, in plaats van op het laatst? En dat brengt mij weder op hetgeen ik daar zoo even gezegd heb, en doet mij natuurlijk vragen, wat er het eind van moet zijn?”—“Ik weet wel wat er het eind van zal zijn, voor zooveel mij aangaat,” antwoordt mevrouw Pipchin, “en dat is mij genoeg. Ik ga nu oppakken in een snap.”—“In een wat, mevrouw Pipchin?” vraagt mevrouw Chick.—“In een snap,” antwoordt mevrouw Pipchin scherp.—“Wel zoo! Ik kan u waarlijk niet laken, mevrouw Pipchin,” zegt mevrouw Chick met rondborstigheid.—“Het zou mij zoo tamelijk hetzelfde zijn, al kondt ge dat,” antwoordt de stekelige mevrouw Pipchin. “In allen gevalle, ik ga heen. Ik kan hier niet blijven. Ik zou binnen de week dood zijn. Ik heb gisteren mijn eigen varkenskarbonaadje moeten braden, en daar ben ik niet aan gewoon. Mijn gestel zou er onder bezwijken. Buitendien, ik had, eer ik hier kwam, eene goede klandizie teBrighton—het kleine goed van Pankey alleen bracht mij tachtig pond ’s jaars op—en die kan ik niet weggooien. Ik heb aan mijne nicht geschreven, en zij verwacht mij nu thuis.”—“Hebt gij met mijn broeder gesproken?” vraagt mevrouw Chick.—“Wel ja, het is heel gemakkelijk hem te spreken te krijgen,” antwoordt mevrouw Pipchin. “Ik heb hem gisteren toegeroepen, dat ik hier tot niets meer diende, en dat het beter zou zijn als hij mij om jufvrouw Richards liet zenden. Hij bromde zoo iets dat ja meende, en toen heb ik om haar gezonden. Brommen, nog al! Als hij mijnheer Pipchin geweest was, zou hij nog reden gehad hebben om te brommen. Ba! Ik kan het niet uitstaan.”Hier rijst de voordeelige dame, die zooveel standvastigheid en deugd uit de mijnen vanPeruheeft opgepompt, van haar gekussend eigendom op, om mevrouw Chick de deur uit te laten. Mevrouw Chick, tot het laatste toe het singuliere karakter van haar broeder beklagende, gaat stil weder heen, zeer ingenomen met hare eigene schranderheid en helderheid van hoofd.In den schemeravond komt Toodle, die geen dienst heeft, met Polly en een koffer, en laat ze, met een klinkenden kus, in het ledige voorhuis, waarvan de stilte een sterken indruk op zijn gemoed maakt.“Ik zal u eens wat zeggen, Polly, mijn lief,” zegt Toodle. “Nu ik machinist ben en het zoo goed in de wereld heb, zou ik u niet hier laten komen, om u te verkniezen, als het niet om vroegere gunsten was. Maar vroegere gunsten, Polly, moet men nooit vergeten. Buitendien, voor iemand, die in tegenspoed is, is uw gezicht eene hartsterking. Laat ik het dus nog een zoen geven, lief! Gij wenscht niet beter dan wel te doen, dat weet ik; en ik denk dat dit wel gedaan en een plicht is. Goeden nacht, Polly.”Nu komt mevrouw Pipchin aan, geheel in het zwart; zij heeft haar goed opgepakt, en haar stoel (voorheen een lievelingsstoel van Dombey en voor een prijsje door haar gekocht) dicht bij de deur gereed staan, en wacht maar op een goederenwagon, dien zij gehuurd heeft om haar en haar eigendom naarBrightonte brengen.Weldra komt deze. Nadat de garderobe is opgeladen, wordt de stoel in een geschikt hoekje geplaatst en met hooi vastgestopt, daar mevrouw Pipchin voornemens is op reis in dien stoel te blijven zitten. Daarna wordt zij zelve in het rijtuig geholpen en zet zij zich met een strak gezicht op haar zetel. Hare grijze oogen hebben een slangachtigen glans, als verheugde zij zich in het vooruitzicht op haar geboterden toast, op hare karbonaadjes, op het kwellen en sarren van kleine kinderen, op het afsnauwen van de arme Berry en de andere vermaken van haar menschenvreetsterskasteel. Zij lacht[416]bijna terwijl de wagen voortrijdt en zij hare zwarte bombazijnen rokken gladstrijkt.Het huis is zulk eene ruïne, dat de ratten gevlucht zijn en er geen enkele meer van over is.Maar Polly, schoon alleen in het verlatene huis—want in de geslotene kamers, waar de vroegere meester zijn hoofd verbergt, vindt zij geene gezelligheid—is niet lang alleen. Het is avond, en zij zit in de huishoudsterskamer te werken, en poogt te vergeten welk een eenzaam huis het is, en wat er in is omgegaan, toen aan de voordeur wordt geklopt, en het geluid door de ledige ruimte galmt. Nadat zij de deur heeft geopend, komt zij door het galmende voorhuis terug, vergezeld door eene vrouwelijke gedaante met een dichtsluitend zwart hoedje. Het is jufvrouw Tox, en jufvrouw Tox heeft roode oogen.“O Polly,” zeide jufvrouw Tox, “toen ik daar straks bij u aan huis kwam om de kinderen nog een lesje te geven, kreeg ik de boodschap die gij voor mij gelaten hadt; en zoodra ik wat tot mij zelve kwam ben ik u nagekomen. Is hier niemand behalve gij?”—“Geene levende ziel,” antwoordt Polly.—“Hebt gij hem gezien?” fluistert jufvrouw Tox.—“O heere neen,” antwoordt Polly. “Hij heeft zich in geene dagen laten zien. Zij zeggen mij, dat hij nooit buiten zijne kamer komt.”—“Zegt men ook dat hij ziek is?” vraagt jufvrouw Tox.—“Neen, jufvrouw, niet dat ik weet,” antwoordt Polly. “Maar zijne ziel is ziek. In dat opzicht moet het heel slecht met hem gesteld zijn!”Het medelijden van jufvrouw Tox is zoo groot dat zij nauwelijks kan spreken. Zij is geen kuikentje meer, maar zij is toch van ouderdom niet taai geworden. Haar hart is nog teer, haar medelijden en hare hulde zijn van echte soort. Onder het medaillon met het vischachtige oog draagt jufvrouw Tox betere eigenschappen dan menigeen met eene minder belachelijke buitenzijde, eigenschappen, die de fraaiste uitwendige hoedanigheden vele jaren kunnen overleven.Het duurt lang eer jufvrouw Tox heengaat, en eer Polly, terwijl hare kaars op de holle trap staat, haar de straat af nakijkt, om nog zoolang gezelschap aan haar te hebben, en ongezind is, om het akelige huis weder binnen te gaan, en de ledigheid daarvan met de zware grendels te laten weergalmen, en naar bed te sluipen. Dat alles doet Polly evenwel; en des morgens zet zij in eene van die kamers de dingen, die men haar gezegd heeft gereed te maken, en gaat dan heen, en komt er niet weder binnen voor den volgenden morgen op hetzelfde uur. Er hangen daar schellen, maar er wordt nooit aan getrokken; en hoewel zij somtijds een voetstap kan hooren heen en weer gaan, komt die nooit naar buiten.Jufvrouw Tox komt dien dag vroeg terug. Het begint nu hare bezigheid te worden, kleine lekkernijen gereed te maken—of wat voor haar lekkernijen zijn—om den volgenden morgen in die kamer te zetten. Deze bezigheid geeft haar zooveel genoegen, dat zij ze van dien tijd af geregeld aanhoudt, en dagelijks iets in haar mandje medebrengt om in die kamer te zetten. Evenzoo brengt zij, in papier gewikkeld, een stukje koud vleesch, eene schapentong, of eene halve kip mede, om zelve te eten, en deze collations met Polly deelende, slijt zij het grootste gedeelte van haar tijd in het bouwvallige huis, dat de ratten ontvlucht zijn; zich met schrik verschuilende op het minste geluid, in- en uitsluipende alsof zij kwaad deed, niets verlangende dan trouw te zijn aan het gevallen voorwerp harer bewondering, zonder dat hij het weet, zonder dat iemand in de wereld het weet, dan eene eenvoudige arme vrouw.De majoor weet het ook; maar niemand verneemt het van hem, schoon hij zelf er veel vroolijker door wordt. In eene vlaag van nieuwsgierigheid heeft de majoor den inboorling last gegeven om nu en dan naar het huis te gaan kijken en er naar te vernemen waar Dombey blijft. De inboorling heeft hem de trouw van jufvrouw Tox gerapporteerd, en de majoor is bijna gestikt van het lachen. Van dat uur af is hij op den duur nog blauwer, en mompelt hij telkens, met uit het hoofd puilende oogen, bij zich zelven: “Verduiveld, mijnheer, dat wijf is stapelzot.”En de geruïneerde koopman. Hoe slijt hij zijne uren, alleen?“Laat hij zich dat in die kamer herinneren, over jaren!” Hij herinnerde het zich. Het drukte hem zwaar op het gemoed, zwaarder dan al het andere.“Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren. De regen, die op het dak klettert, de wind, die om het huis heen zucht, hebben misschien iets voorspellends in hun treurig geluid. Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren!”Hij herinnerde het zich. In den ellendigen nacht dacht hij er aan, op den akeligen dag, bij den rampzaligen dageraad, in de spookachtige schemering. Hij dacht er aan. In knagende zielesmart, met wroeging en wanhoop. “Papa, papa! Spreek toch tegen mij, lieve papa!” Hij hoorde de woorden weder, en zag het gezichtje. Hij zag het op de bevende handjes zinken, en hoorde den zachten, langgerekten kreet hemelwaarts stijgen.Hij was gevallen; om nooit weder opgericht te worden. Voor den nacht van zijn ondergang als koopman was geene morgenzon; voor de vlek zijner huiselijke schande was geen reinigingsmiddel; niets, Goddank, kon zijn dood kind in het leven terugroepen. Maar datgene, wat hij in het geheele verleden zoo geheel anders[417]had kunnen maken—datgene, wat het verleden zelf zoo geheel anders had kunnen maken, schoon hij daaraan nu bijna niet dacht—datgene wat zijn eigen werk was, wat hij zich zoo gemakkelijk tot een vloek had gemaakt—dat was de kwelling zijner ziel.“O mijn God, vergeef mij, want dat heb ik zeer noodig!” (blz. 420).“O mijn God, vergeef mij, want dat heb ik zeer noodig!” (blz. 420).O, hij dacht er wel aan! De regen, die op het dak kletterde, de wind, die om het huis heen zuchtte, in dien nacht, hadden iets voorspellends gehad in hun treurig geluid. Hij wist nu wat hij gedaan had. Hij wist nu, dat hij datgene op zijn hoofd had geroepen, dat het lager deed bukken dan de zwaarste slag der fortuin. Hij wist nu wat het was, verworpen en verlaten te zijn, nu elke bloesem van liefde, die hij in het schuldelooze hart zijner dochter had doen verwelken, in asch veranderd op hem neersneeuwde.Hij dacht aan haar, gelijk zij was op dien avond toen hij en zijne bruid naar huis kwamen. Hij dacht aan haar gelijk zij was onder al de huiselijke gebeurtenissen van het nu verwoeste huis. Hij dacht nu, dat, van alles om hem heen, zij alleen nooit veranderd was. Zijn zoon was tot stof vergaan, zijne trotsche vrouw was tot eene schandvlek harer sekse geworden, zijn vleier en vriend was in een schurkachtigen booswicht veranderd, zijne schatten waren weggesmolten, zelfs de muren, die hem schuilplaats gaven, zagen een vreemdeling in hem; zij alleen had hem altijd hetzelfde lieve, zachtaardige gezichtje[418]getoond. Ja, tot het laatste toe. Zij was nooit voor hem veranderd—hij was ook nooit voor haar veranderd—en zij was verloren.Toen zij een voor een voor zijne gedachten wegzonken—zijn hoopvolle zoon, zijne vrouw, zijn vriend, zijn vermogen—o, hoe helderde toen de nevel op, waardoor hij haar gezien had, en hoe vertoonde zich toen hare ware gedaante! O, hoeveel beter dan dit, dat hij haar had liefgehad gelijk hij zijn zoon had gedaan, en haar verloren had gelijk zijn zoon, en hen te zamen in een vroegtijdig graf had gelegd!In zijn trots—want hij was nog trotsch—liet hij de wereld zich vrij van hem verwijderen. Toen zij van hem afviel, schudde hij haar af. Hetzij hij zich verbeeldde dat haar gelaat medelijden of onverschilligheid uitdrukte, hij schuwde het evenzeer. Hij kon niet denken aan eenig gezelschap in zijne ellende, dan die eene, die hij van zich had gedreven. Wat hij tot haar zou gezegd hebben, of welken troost hij haar zou hebben toegelaten hem te geven, stelde hij zich nooit duidelijk voor. Maar hij wist altijd, dat zij hem trouw zou zijn geweest, als hij haar dat maar had toegelaten. Hij wist altijd, dat zijhemnu nog meer zou hebben liefgehad dan anders; hij was zoo zeker, dat dit in haar karakter lag, als dat er een hemel boven hem was; en zoo zat hij, in zijne eenzaamheid, van uur tot uur te denken. Dag aan dag verhaalde hem dit; nacht op nacht leerde hem die wetenschap.Die wetenschap begon, buiten allen twijfel (hoe langzaam zij een tijd lang ook vorderde) met de ontvangst van den brief van haar jeugdigen echtgenoot, en de zekerheid dat zij weg was. En toch—zoo trotsch was hij in zijn val, of zoozeer dacht hij aan haar alleen als aan iets, dat het zijne had kunnen wezen maar dat hij onherroepelijk verloren had—dat hij, als hij hare stem in de naaste kamer had kunnen hooren, niet naar haar toe zou zijn gegaan. Als hij haar op straat had kunnen zien, en zij niet meer had gedaan dan hem aanzien, gelijk zij placht te doen, zou hij haar met een strak, onverzoenlijk gezicht zijn voorbijgegaan, en haar niet aangesproken of zijn blik verzacht hebben, al had zijn hart ook kort daarop moeten breken. Hoe woest zijne gedachten, of hoe heftig zijne gramschap ook geweest waren, toen hij pas van haar huwelijk hoorde, dat was nu alles voorbij. Hij dacht voornamelijk aan hetgeen had kunnen zijn, en zoo niet was. Wat was, lag alles daarin opgesloten, dat zij verloren was en hij van smart en berouw verging.En nu gevoelde hij, dat hem twee kinderen in dat huis geboren waren, en dat er tusschen hem en de kale, ledige muren een band bestond, droevig, maar moeielijk los te rukken, daar hij aan eene dubbele kindsheid en een dubbel verlies was vastgeknoopt. Hij had gedacht het huis te verlaten—wetende dat hij gaan moest, hoewel niet wetende waarheen—op den avond van den dag, toen dit gevoel voor het eerst bij hem wortel vatte; maar hij besloot nog een nacht te blijven en in dien nacht nog eens al de kamers door te gaan.In het holst van den nacht kwam hij uit zijne eenzaamheid, en met eene kaars in de hand ging hij de trap op. Van al de voetstappen daar, die de trap zoo gemeen maakten als de publieke straat, was er niet een, dacht hij, of hij had dien op zijn hoofd zelf voelen zetten, in dien tijd toen hij verborgen luisterde. Hij zag naar hun aantal, hunne haast en hunne verwarring—de eene voetstap den ander uitdelgende, en de op- en neergaande sporen elkander verdringende—en dacht, met schrik en verbazing over zich zelven, hoeveel hij in dien tijd moest geleden hebben, en hoeveel reden hij had om een veranderd mensch te zijn. Hij dacht bovendien—o, was er ergens in de wereld een voetstap, die in een oogenblik de helft van die sporen had kunnen uitwisschen!—en hij boog zijn hoofd en schreide, terwijl hij naar boven ging.Hij zag bijna dien voetstap voor hem uitgaan. Hij bleef stilstaan, keek op naar de lantaren; en eene gedaante, zelve nog kinderlijk, maar een kind dragende, en al klimmend zingende, scheen zich daar weder te vertoonen. Wederom was het dezelfde gedaante, alleen, voor een oogenblik met ingehouden adem stilstaande, terwijl de glanzige lokken los om het betraande gezichtje krulden, en naar hem terugziende.Hij ging de kamers door, nog kort geleden zoo vol weelde, nu zoo kaal en akelig, en naar het scheen zelfs van grootte en vorm veranderd. Het gedrang van voetstappen was hier even dicht; en dezelfde gedachte aan het lijden, dat hij verduurd had, verschrikte en verbijsterde hem. Hij begon te vreezen, dat al dat gewoel in zijne hersenen hem van zijn verstand zou brengen, en dat zijne gedachten reeds hare duidelijkheid verloren en onnaspoorlijk door elkander dwarrelden, evenals die voetstappen.Hij wist niet eens welke van die kamers zij bewoond had toen zij alleen was. Hij verliet ze gaarne om hoogerop te gaan. Daar waren herinneringen in menigte, die met zijne valsche vrouw, zijn valschen vriend en dienaar, de valsche gronden voor zijn hoogmoed in verband stonden; maar hij schoof ze nu allen terzijde, om alleen met weemoed en jammer aan zijne twee kinderen te denken.Overal die voetstappen! Zij hadden zelfs geen eerbied gehad voor de oude kamer omhoog, waar het ledikantje gestaan had; hij kon daar nauwelijks eene schoone plek vinden, om zich bij den muur op den grond te werpen, arme verslagene man, en zijne tranen onbedwongen te laten vloeien. Hij had hier lang geleden zoovele tranen gestort, dat hij zich in deze kamer[419]minder over zijne zwakheid schaamde dan ergens anders—misschien had hij wel met die bewustheid naar voorwendselen gezocht om hier te komen. Hier was hij met gebogen rug en op de borst gezonken hoofd binnengetreden. Hier, op de bloote planken neergeworpen, had hij in het holste van den nacht geschreid, alleen—zelfs toen nog een trotsch man, die, als eene vriendelijke hand hem had kunnen aanraken, of een vriendelijk gezicht had kunnen binnenkijken, zou zijn opgestaan en met een afgewend gelaat weder naar zijne cel zou zijn gegaan.Toen de dag aanbrak, was hij weder in zijne kamers opgesloten. Hij had vandaag willen heengaan, maar hij klemde zich vast aan dien band in het huis, als het laatste en eenige dat hem overschoot. Hij wilde morgen gaan. Morgen kwam. Wederom wilde hij morgen gaan. Elken nacht kwam hij, zonder dat iemand het wist, zijne kamer uit en dwaalde als een spook door het geplunderde huis. Menigen ochtend zat hij achter de dichtgeschovene gordijnen van zijn venster, waar het licht nog maar flauw doorheen scheen, over het verlies van zijne twee kinderen te mijmeren. Het was nu niet één kind meer. Hij hereenigde hen in zijne gedachten, en zij waren nooit gescheiden. O, dat hij hen had kunnen vereenigen in zijne vroegere liefde en in den dood, en dat het eene niet zooveel erger dan de dood was geweest!Sterke gemoedsbewegingen waren hem niet vreemd, zelfs voor zijne laatste rampen. Dat zijn zij nooit voor stroeve, onverzettelijke karakters, want het kost hun een harden kamp om stroef en onverzettelijk te zijn. Een lang ondermijnde grond zinkt dikwijls in een oogenblik in; wat hier op zoovele wijzen ondermijnd was, kruimelde langzamerhand al meer en meer weg, naarmate de trage uren verliepen.Eindelijk begon hij te denken, dat hij geheel niet behoefde heen te gaan. Hij kon nog opgeven wat zijne crediteuren hem gelaten hadden (dat zij hem niet meer hadden gelaten was zijn eigen bedrijf) en den band tusschen hem en het verwoeste huis slechts te verscheuren, door dien anderen band te verscheuren, die—Het was toen dat zijn voetstap hoorbaar werd, terwijl hij in de gewezene huishoudsterskamer op en neer ging; maar niet hoorbaar in zijne ware beteekenis, of het geluid zou schrikverwekkend zijn geweest.De wereld was nog rusteloos met hem bezig. Dit kwam hem wederom te binnen. Zij was aan het fluisteren en babbelen. Zij was nooit stil. Dit en de ingewikkelde verwarring der voetstappen martelde hem dood. Alles begon voor zijne oogen eene roodachtige kleur aan te nemen. Dombey en Zoon was niet meer—zijne kinderen waren niet meer. Hij moest daarover denken—morgen.Toen het morgen was geworden dacht hij er over; en terwijl hij zat te denken zag hij nu en dan in den spiegel—zijn beeld.Een spookachtig vermagerd en vervallen afbeeldsel van zich zelven zat bij den ledigen haard te peinzen. Nu tilde dat afbeeldsel zijn hoofd op, en bezag de rimpels en holten van zijn eigen gezicht; dan liet het zijn hoofd weder hangen en peinsde weder. Nu stond het op en wandelde rond; nu ging het naar de naaste kamer en kwam terug met iets van het toilettafeltje in zijne borst. Nu keek het naar den onderkant der deur en dacht—stil! Wat dacht het?Het dacht dat, als er bloed naar dien kant sijpelde en in het voorhuis doorlekte, het lang zou moeten duren eer het zoover kwam. Het zou zoo langzaam voortkruipen, met hier een stilstaand plasje, en dan een loopend sprankje, en weder een stilstaand plasje, dat een doodelijk gekwetste wel dood zou zijn eer hij op die manier werd ontdekt. Toen het een langen tijd daarover had gedacht, stond het weder op en stapte heen en weder met de hand in de borst. Hij zag tusschenbeide naar dat afbeeldsel, lette nieuwsgierig op de beweging daarvan, en merkte op hoe moorddadig die hand er uitzag.Nu dacht het weder. Wat dacht het?Of zij in het bloed zouden trappen, als het zoover gekropen was, en het door het huis dragen tusschen al die voetstappen, en zelfs naar buiten op straat.Het zette zich neder, met de oogen op den ledigen haard, en terwijl het in gedachten verzonk kwam er een lichtglans in de kamer—een zonnestraal. Maar het bespeurde niets daarvan en bleef zitten denken. Plotseling stond het op, met een allerakeligst gezicht, en die moorddadige hand greep naar wat het in de borst had.Toen werd de hand gestuit door een kreet van schrik, liefde en verrukking—en hij zag in den spiegel niets anders meer dan zich zelven, en aan zijne voeten, zijne dochter!Ja! Zijne dochter! Zie hier! Op den grond, zich aan hem vastklemmende, hem roepende, biddend hare handen vouwende.“Papa! Lieve papa! Vergeef mij, vergeef mij! Ik ben teruggekomen om op mijne knieën uwe vergiffenis te vragen. Ik kan zonder vergiffenis nooit meer gelukkig zijn.”Nog onveranderd. Van de geheele wereld zij alleen onveranderd. Nog hetzelfde gezichtje naar hem opheffende als in dien rampzaligen nacht. En zij vraagtzijnevergiffenis!“Lieve papa, o, zie mij zoo vreemd niet aan! Ik was nooit voornemens u te verlaten, ik had er te voren nooit aan gedacht. Ik was buiten mij zelve toen ik heenging, en kon niet nadenken. Lieve papa, ik ben veranderd. Ik heb berouw. Ik erken mijne schuld. Ik ken mijn plicht nu beter. Papa, stoot mij niet van u af, of ik zal het besterven!”Hij waggelde naar zijn stoel. Hij voelde haar[420]zijne armen om haar hals trekken; hij voelde haar de hare om zijn hals slaan; hij voelde hare kussen op zijn gezicht; hij voelde hare vochtige wang tegen de zijne leggen; hij voelde—o, hoe diep!—al wat hij gedaan had.Tegen de borst die hij gekneusd had, tegen het hart dat hij bijna gebroken had, legde zij zijn gezicht, nu met zijne handen bedekt, en zeide snikkende:“Lieve papa, ik ben moeder. Ik heb een kind, dat Walter spoedig bij den naam zal noemen, waarbij ik u noem. Toen het geboren was, en ik gevoelde hoe lief ik het had, gevoelde ik ook wat ik gedaan had toen ik u verliet. Vergeef mij, lieve papa. O, zeg dat God mij en mijn kindje zegene!”Hij zou het gezegd hebben, als hij kon. Hij zou zijne handen hebben opgeheven en haar om vergiffenis gesmeekt, maar zij vatte ze in de hare en trok ze snel naar omlaag.“Mijn kindje werd op zee geboren, papa. Ik bad God (en dat deed Walter ook) om mij te sparen, dat ik thuis mocht komen. Zoodra ik aan land kon gezet worden, kwam ik naar u toe. Laten wij nu nooit meer gescheiden worden, lieve papa, nooit meer gescheiden worden!”Zijn hoofd, nu grijs, werd door haar arm omvangen; en hij slaakte een kermenden zucht bij de gedachte, dat hij nog nooit zoo gerust had.“Gij zult toch met mij naar huis komen, papa, en mijn kindje zien. Een jongen, papa. Hij heet Paul. Ik denk—ik hoop—hij gelijkt—”Hare tranen stuitten haar.“Lieve papa, om mijn kind, om den naam, dien wij het gegeven hebben, om mijnentwil, vergeef Walter. Hij is zoo goed en teer voor mij. Ik ben zoo gelukkig met hem. Het was zijne schuld niet, dat wij getrouwd werden. Het was de mijne. Ik had hem zoo lief.”Zij omhelsde hem nog vaster en teerder.“Hij is de lieveling van mijn hart, papa. Ik zou voor hem sterven. Hij zal u liefhebben en eeren evenals ik zal doen. Wij zullen ons kindje leeren om u lief te hebben en te eeren; wij zullen hem zeggen, als hij het verstaan kan, dat gij eens een zoon van dien naam hebt gehad, en dat hij stierf, en dat gij zeer bedroefd waart; maar dat hij in den hemel is, waar wij allen hem hopen te zien, als onze tijd van rusten komt. Geef mij een kus, papa, als belofte, dat gij u met Walter zult verzoenen—met mijn beminden man—met den vader van het kind, dat mij geleerd heeft terug te komen.”Toen zij, opnieuw in tranen uitbarstende, hem nog vaster omhelsde, gaf hij haar een kus en zijne oogen opslaande, zeide hij: “O mijn God, vergeef mij, want dat heb ik zeer noodig!”Toen liet hij zijn hoofd weder zinken, en beklaagde haar en liefkoosde haar, en lang, zeer lang was er geen geluid in huis, en bleven zij in elkanders armen gesloten; in dien heerlijken zonneschijn, die met Florence was binnengeslopen.Hij kleedde zich om uit te gaan, zich gedwee onderwerpende aan hare bede; en met zwakke schreden, bevend omziende naar de kamer, waarin hij zoolang was opgesloten, en waar hij zijn beeld in den spiegel had gezien, ging hij met haar het voorhuis in. Florence, nauwelijks rondkijkende, opdat zij hem niet opnieuw aan hunne laatste scheiding zou herinneren—want hunne voeten waren op dezelfde steenen, waar hij in zijne blinde razernij naar haar had geslagen—en dicht bij hem blijvende, met hare oogen naar de zijne en zijn arm om haar heen, bracht hem naar eene koets, die voor de deur stond te wachten, en nam hem mede.Toen kwamen jufvrouw Tox en Polly uit haar schuilhoek, en juichten met tranen. En toen pakten zij zijne kleederen en boeken zeer zorgvuldig in, en gaven ze des avonds aan de lieden, die Florence zond om ze te halen. En toen dronken zij een laatst kopje thee in het eenzame huis.“En zoo heeft Dombey en Zoon, gelijk ik bij zekere gelegenheid aanmerkte,” zeide jufvrouw Tox, aan het eind van een geheelen sleep van herinneringen, “toch eene dochter moeten wezen, Polly.”—“En wat eene goede dochter!” riep Polly uit.—“Daar hebt gij gelijk in,” zeide jufvrouw Tox; “en het strekt u tot eer, Polly, dat gij altijd hare vriendin zijt geweest, toen zij nog een klein kind was. Gij zijt hare vriendin geweest, lang voor dat ik het was, Polly,” zeide jufvrouw Tox, “en ge zijt een goed schepsel.—Robin!”Jufvrouw Tox richtte dit woord tot een jong mensch, met een rond hoofd, dat niet in de beste omstandigheden en zeer neerslachtig van geest scheen te zijn, en in een afgelegen hoek zat. Opstaande, vertoonde hij de trekken en gestalte van den Slijper.“Robin,” zeide jufvrouw Tox, “ik heb zoo even tegen uwe moeder aangemerkt, gelijk gij wel zult gehoord hebben, dat zij een goed schepsel is.”—“En dat is zij ook, jufvrouw,” zeide de Slijper, niet zonder gevoel.—“Heel goed, Robin,” hervatte jufvrouw Tox, “het verheugt mij u dat te hooren zeggen. Nu, Robin, daar ik u, op uw dringend verzoek, als mijn bediende op de proef zal nemen, om u weder tot een fatsoenlijken jongen te maken, wil ik deze treffende gelegenheid waarnemen om aan te merken, dat ik hoop dat gij nooit zult vergeten, dat gij eene goede moeder hebt, en gij pogen zult u zoo te gedragen dat gij haar tot een troost zijt.”—“Bij mijne ziel, dat wil ik, jufvrouw,” antwoordde de Slijper. “Ik heb veel uitgestaan en mijne voornemens zijn nu zoo goed, als een arme drommel—”—“Gij moest u dat woord afwennen, Robin, als het u belieft,” viel jufvrouw Tox er zeer beleefd op in.—“Als het u belieft, jufvrouw, als een arme stakker dan—”—“Verplicht, Robin,”[421]antwoordde jufvrouw Tox. “Maar ik zou liever zeggen als een redelijk wezen.”—“Als een redelijk wezen,” zeide de Slijper.—“Veel beter,” zeide jufvrouw Tox vergenoegd.—“Dat drukt veel meer uit.”—“Ze maar hebben kan,” vervolgde Rob. “Als men geen Slijper van mij gemaakt had, jufvrouw en moeder, dat een allerongelukkigst ding was voor zulk een armen drom—voor een redelijk wezen.”—“Heel goed,” merkte jufvrouw Tox tevreden aan.—“En als ik niet door de vogels op een slechten weg was gebracht en toen in een slechten dienst was gekomen,” zeide de Slijper, “hoop ik dat ik het beter zou hebben gemaakt. Maar het is nooit te laat voor een—”—“Redelijk,” blies jufvrouw Tox hem in.—“Wezen,” zeide de Slijper, “om zich te beteren; en ik hoop mij te beteren, jufvrouw, als ge mij op de proef wilt nemen; en ik verzoek moeder, om vader en mijne broertjes en zusjes van mij te groeten, en het hun te zeggen.”—“Het verheugt mij buitengemeen dit van u te hooren,” zeide jufvrouw Tox. “Wilt gij eene boterham gebruiken en een kopje thee, Robin, eer wij gaan?”De Slijper weigerde niet, en at alsof hij langen tijd op kort rantsoen had gestaan.Toen jufvrouw Tox en Polly zich met hoeden en doeken hadden gereedgemaakt om te vertrekken, gaf Rob zijne moeder een kus en volgde hij zijne nieuwe meesteres; terwijl Polly hem hopend nazag, met iets in hare oogen, dat lichtende kringen om de gaslantarens veroorzaakte. Toen sloot Polly de straatdeur, bracht den sleutel bij iemand in de buurt, en liep zoo hard zij kon naar huis, zich vooraf verheugende in de schelklinkende blijdschap, welke hare onverwachte komst zou veroorzaken. Het groote huis, stom voor alles wat er in geleden was en al de veranderingen die het had gezien, bleef somber de straat aanstaren, en wees alle nadere vragen af met het bericht, dat het te huur was.

LIX.VERGELDING.

Wederom zijn er veranderingen gekomen over het groote huis in de lange stille straat, eens het tooneel van Florence’s kindsheid en eenzaamheid. Het is nog een groot huis, bestand tegen wind en weder, zonder reten in het dak, zonder gebroken ruiten of vervallene muren; maar het is niettemin eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.Towlinson en zijn gezelschap willen in het eerst geen geloof slaan aan de loopende geruchten, die zij hooren. De keukenmeid zegt dat ons crediet, Goddank, niet zoo gemakkelijk te schokken is; en Towlinson verwacht nu ook te zullen hooren, dat de Bank vanEngelandzal springen, of de juweelen uit de Tower verkocht zullen worden. Maar dan komen de Gazette en Perch; en Perch brengt jufvrouw Perch mede, om er in de keuken over te praten en een genoeglijken avond te slijten.Zoodra er geen twijfel meer aan is, wordt het Towlinson’s grootste bekommering, dat het een bankroet van belang zal zijn—dat het om niet minder dan honderd duizend pond zal te doen zijn. Perch denkt dat honderd duizend pond nog lang niet genoeg zal zijn om het tekort te dekken. De vrouwen, met jufvrouw Perch en de keukenmeid aan het hoofd, herhalen dikwijls “honderd duizend pond,” met zeker eerbiedig genoegen, alsof het uitspreken van die woorden met het betasten van het geld gelijkstond; en de werkmeid, die een oogje op Towlinson heeft, wenscht dat zij maar het honderdste gedeelte van die som had, om aan den man harer keus te schenken. Towlinson, nog aan zijne oude grieven gedachtig, is van oordeel dat een buitenlander kwalijk zou weten wat met zooveel geld te doen, of hij moest het aan zijne bakkebaarden te koste leggen, welke bittere schimpschoot de werkmeid met tranen in de oogen doet heengaan.Maar niet om lang weg te blijven, want de keukenmeid, die den naam heeft van zeer goedhartig te zijn, zegt dat zij, wat zij ook doen, elkander nu moeten bijstaan, Towlinson, want dat het niet te zeggen is hoe gauw zij verdeeld[412]zullen raken. Zij hebben in dat huis (zegt de keukenmeid) eene begrafenis, eene bruiloft en een wegloopen beleefd, en laat het niet gezegd worden, dat zij op zulk een tijd als dezen niet eensgezind konden blijven. Jufvrouw Perch wordt door deze roerende toespraak diep getroffen, en merkt openlijk aan dat de keukenmeid een engel is. Towlinson antwoordt de keukenmeid, ver mag het van hem zijn om die eensgezindheid, waarnaar hij ook verlangt, in den weg te staan. Hij gaat de werkmeid opzoeken, en met die jonge juffer aan den arm terugkomende, onderricht hij de keuken, dat hij met buitenlanders den gek steekt, en dat hij en Anne nu besloten hebben om elkander maar te nemen, en zich inOxford Marketin de groentenering en wat daarbij behoort te vestigen, waarvoor hij de gunst en recommandatie verzoekt. Dit bericht wordt met toejuiching ontvangen; en jufvrouw Perch, in de toekomst vooruitziende, fluistert de keukenmeid plechtig het woord “meisjes” in het oor.Ongeluk in de familie zonder smullen in het onderhuis is eene onmogelijkheid. De keukenmeid maakt dus wat warms klaar voor het avondmaal, waarbij Towlinson een kreeftenslaadje bezorgt. Zelfs mevrouw Pipchin, door het gebeurde ontroerd, schelt en laat verzoeken dat het overgeblevene stukje koek voor haar gewarmd zal worden, en als het haar gebracht wordt er een glas geheeten sherry bij gedaan zal worden, dewijl zij gevoelt dat zij van haar streek is.Er wordt weinig over mijnheer Dombey gesproken, zeer weinig. Voornamelijk poogt men te raden, hoelang hij wel zou geweten hebben dat dit gebeuren zou. De schrandere keukenmeid zegt: “O, al heel lang. Daar moogt ge wel op zweren.” En wanneer men Perch er naar vraagt, bevestigt hij hare meening. Iemand verwondert zich wat hij nu doen zal, en of hij nu naar eene betrekking zal zoeken. Towlinson denkt van neen, en geeft een wenk van een van die fatsoenlijke armhuizen. “Waar hij een tuintje kan hebben,” zegt de keukenmeid beklaaglijk, “en in den zomer zijne erwtjes kan planten, niet waar?”—“Juist,” antwoordt Towlinson, “en broeder van het een of ander worden.”—“Wij zijn allemaal broeders,” merkte jufvrouw Perch aan, daartoe ophoudende met drinken.—“Behalve de zusters,” zegt haar man.—“Hoe zijn de machtigen gevallen,” merkte de keukenmeid aan.—“Hoogmoed gaat voor den val; dat is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven,” laat de werkmeid hierop volgen.Het is verwonderlijk hoe deugdzaam zij zich gevoelen, bij het maken dezer bespiegelingen, en van welk eene christelijke eensgezindheid zij zich bewust zijn, om de algemeene ramp met gelatenheid te dragen. Slechts eenmaal wordt deze loffelijke gemoedsgesteldheid verstoord: en dit geschiedt door eene jonge keukenmeid van lager rang, die, nadat zij lang met een open mond heeft zitten luisteren, onverwacht de volgende woorden uitstoot: “Als het loon eens niet betaald wierd!” Het gezelschap blijft een oogenblik sprakeloos; maar de keukenmeid, zich het eerst herstellende, keert zich naar de onvoorzichtige spreekster en verzoekt te mogen weten, hoe zij de familie, wier brood zij eet, durft beleedigen met zoo iets te zeggen, en of zij denkt dat iemand, die nog een aasje eerlijkheid heeft, arme dienstboden hun loon zou onthouden? “Want alsdatuw godsdienst is, Mary Daws,” zegt de keukenmeid met warmte, “dan weet ik niet waar gij eens naar toe denkt te gaan.”Towlinson weet het ook niet; niemand weet het; en de jonge keukenmeid, die het zelve niet recht schijnt te weten, en algemeen wordt uitgejouwd, wordt doodelijk beschaamd en verlegen.Na eenige dagen beginnen er vreemde lieden in huis te komen, en elkander in de eetzaal te bestellen, alsof zij daar woonden. Vooral is er een heer, met een Mozaïsch Arabischen gelaatsvorm, en een zeer zwaren horlogeketting, die in hun salon loopt te fluiten, en terwijl hij naar een ander heer wacht, die altijd pen en inkt in zijn zak heeft, Towlinson (wien hij vrijpostig jongetje noemt) vraagt, of hij ook toevallig weet hoeveel dat behangsel, rood met goud, nieuw gekost heeft. De bezoekers van de eetzaal worden met elken dag talrijker, en ieder heer schijnt een inktkoker in zijn zak te hebben, en dien ook te gebruiken. Eindelijk zegt men dat er verkooping zal plaats hebben; en dan komen er nog meer lieden met pen en inkt in den zak, die een detachement van lieden met petten kommandeeren, en de tapijten laten opnemen en de meubelen overhoop laten halen en duizenden merken van hunne schoenzolen in het voorhuis en op de trap afdrukken.De dienstbodenraad beneden blijft al dien tijd zitting houden, en daar men niets anders te doen heeft, verricht men wonderen van eetkunst. Eindelijk worden allen eens in mevrouw Pipchin’s kamer geroepen en door deze dame op vinnigen toon aldus aangesproken:“Uw meester is in ongelegenheden. Dat zult ge wel weten, denk ik?”Towlinson, als spreker, erkent eene algemeene kennis van dit feit.“En gij zijt allen al op den uitkijk voor u zelven, daar durf ik voor instaan,” zegt mevrouw Pipchin, dreigend haar hoofd schuddende.Eene schelle stem uit de achterhoede roept: “Niet meer dan gij.”—“Denkt gij zoo, onbeschaamde prij?” zegt de gramstorige dame, met een vurig oog over de andere hoofden heenkijkende.—“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk[413]ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?”—“Dat gij heen kunt gaan zoo gauw als ge maar wilt,” zegt mevrouw Pipchin. “Hoe eer hoe beter, en ik hoop dat ik nooit weer uw gezicht zal zien.”Daarmede haalt zij een linnen zakje uit, en telt de keukenmeid haar loon voor tot op dien dag en nog eene maand bovendien, maar houdt het geld vast, tot eene quitantie daarvoor behoorlijk is geteekend, tot aan den laatsten ophaal toe; waarna zij het met zichtbaren weerzin loslaat. Deze ceremonie herhaalt mevrouw Pipchin met ieder lid van het huishouden, totdat allen betaald zijn.“Nu kunnen zij, die willen, zich dadelijk voortmaken,” zegt mevrouw Pipchin, “en zij, die willen, kunnen nog eene week of zoo hier blijven, om te helpen. Behalve,” zegt de gramstorige dame, “die slet van eene keukenmeid, die dadelijk heen zal.”—“Dat zal zij zekerlijk,” antwoordt de keukenmeid. “Ik wensch u goedendag, mevrouw Pipchin, en wensch van harte dat ik u een compliment kon maken over de vriendelijkheid van uw gezicht.”—“Maak dat gij wegkomt,” zegt mevrouw Pipchin, met haar voet stampende.De keukenmeid gaat heen met eene vriendelijke deftigheid, die mevrouw Pipchin nog meer kwaad maakt, en weldra voegen de anderen zich beneden bij haar.Dan zegt Towlinson dat hij vooreerst wilde voorstellen eene kleine versnapering te gebruiken, en dat hij onder het gebruik daarvan eene opmerking wilde maken, die hij denkt dat in de positie, waarin zij zich bevinden, wel zal te pas komen. Terwijl men de versnapering met smaak gebruikt, deelt Towlinson zijne opmerking mede, die daarop neerkomt, dat de keukenmeid heengaat, en dat, als wij ons zelven niet trouw zijn, niemand ons meer trouw zal zijn. Dat zij in dit huis lang te zamen hebben gewoond, en hun best hebben gedaan om gezellig te zijn. (Daarop zegt de keukenmeid met aandoening: “Luister! Luister!” en jufvrouw Perch, die wederom daar en tot aan de keel toe vol is, stort tranen). En dat hij meent, dat men tegenwoordig moet begrijpen: “Een weg, allemaal weg!” De werkmeid wordt door deze edelmoedige ontboezeming zeer geroerd, en geeft ze met warmte haar bijval. De keukenmeid zegt te gevoelen dat het zoo behoort, en hoopt maar dat het niet als een compliment voor haar, maar uit gevoel van plicht wordt gedaan. Towlinson antwoordt—uit gevoel van plicht; en dat, nu hij genoodzaakt is voor zijn gevoelen uit te komen, hij openlijk wil zeggen, dat hij het niet voor heel fatsoenlijk houdt in een huis te blijven waar verkoopingen en zulke dingen aan de hand zijn. De werkmeid is daarvan overtuigd en verhaalt tot bevestiging, dat een vreemd man met eene pet haar dien morgen op de trap heeft willen kussen. Dit doet Towlinson van zijn stoel opspringen om den booswicht te gaan opzoeken en hem een pak slaag te geven; maar de dames houden hem vast, en smeeken hem om te bedaren, en te bedenken dat het gemakkelijker en wijzer is, het tooneel van zulke onwelvoeglijkheden terstond te verlaten. Jufvrouw Perch, de zaak in een nieuw licht plaatsende, toont aan, dat zelfs de kieschheid voor mijnheer Dombey, die zich in zijne kamers opsluit, een overhaasten aftocht voorschrijft. “Want wat,” zegt de goede vrouw, “zou hij moeten gevoelen, als hij een van de arme dienstboden ontmoette, die hij eens bedrieglijk heeft doen denken dat hij onmetelijk rijk was.” De keukenmeid wordt door deze zedekundige bespiegelingen zoodanig getroffen, dat jufvrouw Perch er nog verscheidene vrome bedenkingen bijvoegt. Het wordt iedereen duidelijk dat zij allen moeten vertrekken. Koffers worden gepakt, vigilantes gehaald en met schemeravond is er niemand van den troep meer over.Het huis staat nog, groot en tegen weer en wind bestand, in de lange, stille straat; maar is toch eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.De mannen met petten blijven de meubelen overhoophalen; en de heeren met pen en inkt maken inventarissen daarvan, en zitten op stukken huisraad, nooit gemaakt om op te zitten, en eten brood en kaas uit de herberg van andere stukken huisraad, nooit gemaakt om van te eten, en schijnen er vermaak in te scheppen om de kostbaarste voorwerpen tot het vreemdste gebruik te bezigen. Er hebben ook chaotische combinatiën van dingen plaats. In de eetzaal ziet men matrassen en bedden; het glas en porselein raakt naar de oranjerie; het groot tafelservies wordt op de lange divan in het groote salon op stapeltjes gezet; en de traproedjes, aan bossen gebonden, staan op marmeren schoorsteenmantels te pronk. Eindelijk wordt een haardkleedje met een gedrukt biljet daarop van het balkon uitgehangen, en dergelijke sieraden prijken aan beide zijden van de straatdeur.Dan staat er den geheelen dag lang een trein van bemodderde sjeezen en wagentjes in de straat; en troepen smerige heerschappen, joden en christenen, loopen het geheele huis door, tikken met hunne knokkels tegen de spiegels, slaan wanluidende accoorden op de piano’s aan, vegen met natte vingers over de schilderijen, ademen op de lemmeten der beste tafelmessen, beuken de kussens van stoelen en sofa’s met hunne vuile vuisten, betasten de bedden, schuiven al de laden uit en in, laten zilveren lepels en vorken balanceeren, bekijken zelfs de draden van het linnengoed, en vinden alles ver beneden hunne verwachting. Het geheele huis heeft geene geheime plaats meer. Vreemde snoeshanen gluren even nieuwsgierig tusschen[414]het keukengereedschap als in de kleerkas op zolder. Grove kerels, met kaal gesleten hoeden, kijken uit de vensters der slaapkamers en maken grappen met vrienden op straat. Stille narekenaars gaan met catalogussen in de kleedkamers, en maken daar met stompjes potlood aanteekeningen op den kant. Twee uitdragers klimmen zelfs een zolderluik uit en genieten op het dak een panoramisch overzicht van de andere huizen. Dat zwermen en gonzen, op- en neerloopen en begluren, duurt dagen lang. Dombey’s inboedel is publiek te zien.Dan wordt er in het beste salon eene verschansing van tafels gemaakt, en op de groote mahoniehouten eettafel met gedraaide pooten wordt de lessenaar van den vendumeester gezet, en de troepen van smerige heerschappen, joden en christenen, de vreemde snoeshanen en de grove kerels met kaal gesleten hoeden, verzamelen zich daaromheen, en zetten zich op alles in hun bereik, de schoorsteenmantels ingesloten, en gaan aan het bieden. Heet, stofferig en gonzend zijn de kamers den geheelen dag, en hoog boven de hitte, het stof en het gegons, is de vendumeester aanhoudend met hoofd en schouders, stem en hamer aan het werk. De mannen met petten worden rood en ongeduldig van het dragen met nommers, en nog worden er nommers aangedragen en weggedragen. Somtijds worden er grappen gemaakt en ontstaat er een algemeen geschater. Dit duurt den geheelen dag en nog drie volgende dagen. Dombey’s inboedel wordt publiek verkocht.Dan komen de bemodderde sjeezen en wagentjes terug, te gelijk met een trein van vrachtwagens en karren en een heirleger van sjouwerlieden. Den geheelen dag zijn de mannen met petten aan het werk met schroevendraaiers en nijptangen, of waggelen zij op de trap bij dozijnen te gelijk onder zware vrachten, of tillen zij de geheele rotsen van mahoniehout, rozenhout of spiegelglas in sjeezen, wagentjes, vrachtwagens en karren. Allerlei soorten van voertuigen worden gebezigd, van mestwagens af tot kruiwagens toe. Het ledikantje van den armen Paul wordt op een ezelkarretje weggevoerd. Bijna eene week lang wordt Dombey’s inboedel weggehaald.Eindelijk is alles weg. Men heeft niets in huis gelaten dan verstrooide bladen van catalogussen, hoopjes hooi en stroo, en eene batterij van tinnen kannen achter de voordeur. De mannen met petten verzamelen hun gereedschap in zakken, nemen die op schouder en stappen heen. Een van de heeren met pen en inkt gaat, als eene laatste oplettendheid, het geheele huis nog eens door, zet biljetten voor de vensters, waarbij wordt aangekondigd dat het te huur is, en sluit de luiken. Ten laatste volgt hij de mannen met petten. Niemand van de indringers blijft er. Het huis is eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.Mevrouw Pipchin’s apartement, benevens die geslotene kamers beneden, waar de gordijnen altijd dichtgeschoven blijven, zijn bij de algemeene verwoesting gespaard. Mevrouw Pipchin is onder het gewoel stug en steenig in hare kamer blijven zitten, of is onder de verkooping eens even komen kijken, om te zien wat het goed opbracht, of om op zekeren leuningstoel te bieden. Mevrouw Pipchin heeft het hoogste bod op dien leuningstoel gedaan, en zit op haar eigendom, wanneer mevrouw Chick haar komt opzoeken.“Hoe gaat het met mijn broeder, mevrouw Pipchin?” zegt mevrouw Chick.—“Daar weet ik niet meer van dan de drommel,” zegt mevrouw Pipchin. “Hij bewijst mij nooit de eer om met mij te spreken. Hij laat zijn eten en drinken in de kamer naast zijne kamer zetten; en wat hij gebruikt komt hij daar gebruiken als er niemand is. Het kan niet helpen of ge mij al vraagt. Ik weet er niet meer van dan de man in het zuiden, die zijn mond brandde bij het eten van koude pap.”Dit zegt de stekelige mevrouw Pipchin met eene heftige beweging.“Maar mijn goede hemel!” roept mevrouw Chick zeer zoetsappig uit. “Hoelang moet dat dan duren! Als mijn broeder zich geene inspanning wil vergen, mevrouw Pipchin, wat zal er dan van hem worden? Ik heb waarlijk gedacht, dat hij genoeg gezien had, wat er van komt als men zich geene inspanning wil vergen, om zich voor zulk eene noodlottige dwaling te laten waarschuwen.”—“Wel heere mijn tijd!” zegt mevrouw Pipchin, haar neus wrijvende. “Mij dunkt, er wordt machtig veel gedoente over gemaakt. Het is zulk een vreemd geval niet. Er zijn wel meer menschen, die tegenspoed hebben gehad, en hun boel hebben moeten verkoopen. Dat heb ik ook moeten doen.”—“Mijn broeder,” vervolgt mevrouw Chick diepzinnig, “is zulk een singulier man. Hij is de singulierste man dien ik ooit gezien heb. Zou men gelooven, dat, toen hij de tijding kreeg van het huwelijk en de emigratie van dat onnatuurlijke kind—het is nu een troost voor mij, te bedenken dat ik altijd gezegd heb, dat dat meisje iets buitengewoons over zich had; maar niemand let op mij—zou iemand gelooven, zeg ik, dat hij zich toen naar mij omkeerde en zeide, dat hij gemeend had aan mij te zien, dat zij bij mij in huis was gekomen? Wel mijn hemeltje! En zou iemand gelooven, dat, toen ik alleen maar tegen hem zeide: “Paul, ik mag heel onnoozel wezen, en dat geloof ik ook zelf wel, maar ik kan niet begrijpen hoe uwe zaken in dien staat zijn geraakt,” hij toen tegen mij uitviel, en verzocht dat ik niet meer bij hem zou komen eer hij naar mij vroeg? Wel,[415]groote goedheid!”—“Ja,” zegt mevrouw Pipchin. “Het is jammer dat hij niet wat meer met mijnen te doen heeft gehad. Zij zouden zijn humeur wel hebben klein gekregen.”—“En waar moet het op uitloopen?” hervat mevrouw Chick, zonder op de aanmerkingen van mevrouw Pipchin te letten. “Dat zou ik wel willen weten. Wat denkt mijn broeder te doen? Hij moet toch iets doen. Het baat niet of hij al in zijne kamers zit opgesloten. De zaken zullen niet naar hem toe komen. Neen, hij moet er zelf naar toe gaan. Waarom gaat hij dan niet? Hij weet wel waar hij naar toe moest gaan, zou ik denken; daar hij al zijn leven zaken heeft gedaan. Waarom gaat hij dan niet daarheen?”Nadat mevrouw Chick deze hechte keten van redeneeringen had gesmeed, zweeg zij eene poos, om die zelve te bewonderen.“Buitendien,” vervolgde zij toen, op denzelfden redeneertrant, “wie heeft ooit van zulk eene stijfhoofdigheid gehoord, als dat hij door al die akeligheden heen hier opgesloten blijft? Het is alsof hij nergens anders had kunnen heengaan. Hij had immers bij ons aan huis kunnen komen. Hij weet toch dat hij daar thuis is, zou ik denken? Mijnheer Chick heeft hem dat tot vervelens toe gezegd, en ik heb hem met mijn eigen mond gezegd: “Beste Paul, gij verbeeldt u toch zeker niet, omdat uwe zaken in dien staat zijn geraakt, dat ge daarom minder thuis zijt bij zulke nauwe betrekkingen als wij? Gij verbeeldt u toch niet, dat wij naar de rest van de wereld gelijken?” Maar neen, hier blijft hij door dat alles heen, en hier zit hij nu nog. Wel, mijn hemel! als het huis eens verhuurd werd—wat zou hij dan doen? Dan kon hij toch niet hier blijven. Als hij dat probeerde, zou hem eene actie worden aangedaan en dat alles, en dan moest hij toch heengaan. Waarom gaat hij dan niet dadelijk, in plaats van op het laatst? En dat brengt mij weder op hetgeen ik daar zoo even gezegd heb, en doet mij natuurlijk vragen, wat er het eind van moet zijn?”—“Ik weet wel wat er het eind van zal zijn, voor zooveel mij aangaat,” antwoordt mevrouw Pipchin, “en dat is mij genoeg. Ik ga nu oppakken in een snap.”—“In een wat, mevrouw Pipchin?” vraagt mevrouw Chick.—“In een snap,” antwoordt mevrouw Pipchin scherp.—“Wel zoo! Ik kan u waarlijk niet laken, mevrouw Pipchin,” zegt mevrouw Chick met rondborstigheid.—“Het zou mij zoo tamelijk hetzelfde zijn, al kondt ge dat,” antwoordt de stekelige mevrouw Pipchin. “In allen gevalle, ik ga heen. Ik kan hier niet blijven. Ik zou binnen de week dood zijn. Ik heb gisteren mijn eigen varkenskarbonaadje moeten braden, en daar ben ik niet aan gewoon. Mijn gestel zou er onder bezwijken. Buitendien, ik had, eer ik hier kwam, eene goede klandizie teBrighton—het kleine goed van Pankey alleen bracht mij tachtig pond ’s jaars op—en die kan ik niet weggooien. Ik heb aan mijne nicht geschreven, en zij verwacht mij nu thuis.”—“Hebt gij met mijn broeder gesproken?” vraagt mevrouw Chick.—“Wel ja, het is heel gemakkelijk hem te spreken te krijgen,” antwoordt mevrouw Pipchin. “Ik heb hem gisteren toegeroepen, dat ik hier tot niets meer diende, en dat het beter zou zijn als hij mij om jufvrouw Richards liet zenden. Hij bromde zoo iets dat ja meende, en toen heb ik om haar gezonden. Brommen, nog al! Als hij mijnheer Pipchin geweest was, zou hij nog reden gehad hebben om te brommen. Ba! Ik kan het niet uitstaan.”Hier rijst de voordeelige dame, die zooveel standvastigheid en deugd uit de mijnen vanPeruheeft opgepompt, van haar gekussend eigendom op, om mevrouw Chick de deur uit te laten. Mevrouw Chick, tot het laatste toe het singuliere karakter van haar broeder beklagende, gaat stil weder heen, zeer ingenomen met hare eigene schranderheid en helderheid van hoofd.In den schemeravond komt Toodle, die geen dienst heeft, met Polly en een koffer, en laat ze, met een klinkenden kus, in het ledige voorhuis, waarvan de stilte een sterken indruk op zijn gemoed maakt.“Ik zal u eens wat zeggen, Polly, mijn lief,” zegt Toodle. “Nu ik machinist ben en het zoo goed in de wereld heb, zou ik u niet hier laten komen, om u te verkniezen, als het niet om vroegere gunsten was. Maar vroegere gunsten, Polly, moet men nooit vergeten. Buitendien, voor iemand, die in tegenspoed is, is uw gezicht eene hartsterking. Laat ik het dus nog een zoen geven, lief! Gij wenscht niet beter dan wel te doen, dat weet ik; en ik denk dat dit wel gedaan en een plicht is. Goeden nacht, Polly.”Nu komt mevrouw Pipchin aan, geheel in het zwart; zij heeft haar goed opgepakt, en haar stoel (voorheen een lievelingsstoel van Dombey en voor een prijsje door haar gekocht) dicht bij de deur gereed staan, en wacht maar op een goederenwagon, dien zij gehuurd heeft om haar en haar eigendom naarBrightonte brengen.Weldra komt deze. Nadat de garderobe is opgeladen, wordt de stoel in een geschikt hoekje geplaatst en met hooi vastgestopt, daar mevrouw Pipchin voornemens is op reis in dien stoel te blijven zitten. Daarna wordt zij zelve in het rijtuig geholpen en zet zij zich met een strak gezicht op haar zetel. Hare grijze oogen hebben een slangachtigen glans, als verheugde zij zich in het vooruitzicht op haar geboterden toast, op hare karbonaadjes, op het kwellen en sarren van kleine kinderen, op het afsnauwen van de arme Berry en de andere vermaken van haar menschenvreetsterskasteel. Zij lacht[416]bijna terwijl de wagen voortrijdt en zij hare zwarte bombazijnen rokken gladstrijkt.Het huis is zulk eene ruïne, dat de ratten gevlucht zijn en er geen enkele meer van over is.Maar Polly, schoon alleen in het verlatene huis—want in de geslotene kamers, waar de vroegere meester zijn hoofd verbergt, vindt zij geene gezelligheid—is niet lang alleen. Het is avond, en zij zit in de huishoudsterskamer te werken, en poogt te vergeten welk een eenzaam huis het is, en wat er in is omgegaan, toen aan de voordeur wordt geklopt, en het geluid door de ledige ruimte galmt. Nadat zij de deur heeft geopend, komt zij door het galmende voorhuis terug, vergezeld door eene vrouwelijke gedaante met een dichtsluitend zwart hoedje. Het is jufvrouw Tox, en jufvrouw Tox heeft roode oogen.“O Polly,” zeide jufvrouw Tox, “toen ik daar straks bij u aan huis kwam om de kinderen nog een lesje te geven, kreeg ik de boodschap die gij voor mij gelaten hadt; en zoodra ik wat tot mij zelve kwam ben ik u nagekomen. Is hier niemand behalve gij?”—“Geene levende ziel,” antwoordt Polly.—“Hebt gij hem gezien?” fluistert jufvrouw Tox.—“O heere neen,” antwoordt Polly. “Hij heeft zich in geene dagen laten zien. Zij zeggen mij, dat hij nooit buiten zijne kamer komt.”—“Zegt men ook dat hij ziek is?” vraagt jufvrouw Tox.—“Neen, jufvrouw, niet dat ik weet,” antwoordt Polly. “Maar zijne ziel is ziek. In dat opzicht moet het heel slecht met hem gesteld zijn!”Het medelijden van jufvrouw Tox is zoo groot dat zij nauwelijks kan spreken. Zij is geen kuikentje meer, maar zij is toch van ouderdom niet taai geworden. Haar hart is nog teer, haar medelijden en hare hulde zijn van echte soort. Onder het medaillon met het vischachtige oog draagt jufvrouw Tox betere eigenschappen dan menigeen met eene minder belachelijke buitenzijde, eigenschappen, die de fraaiste uitwendige hoedanigheden vele jaren kunnen overleven.Het duurt lang eer jufvrouw Tox heengaat, en eer Polly, terwijl hare kaars op de holle trap staat, haar de straat af nakijkt, om nog zoolang gezelschap aan haar te hebben, en ongezind is, om het akelige huis weder binnen te gaan, en de ledigheid daarvan met de zware grendels te laten weergalmen, en naar bed te sluipen. Dat alles doet Polly evenwel; en des morgens zet zij in eene van die kamers de dingen, die men haar gezegd heeft gereed te maken, en gaat dan heen, en komt er niet weder binnen voor den volgenden morgen op hetzelfde uur. Er hangen daar schellen, maar er wordt nooit aan getrokken; en hoewel zij somtijds een voetstap kan hooren heen en weer gaan, komt die nooit naar buiten.Jufvrouw Tox komt dien dag vroeg terug. Het begint nu hare bezigheid te worden, kleine lekkernijen gereed te maken—of wat voor haar lekkernijen zijn—om den volgenden morgen in die kamer te zetten. Deze bezigheid geeft haar zooveel genoegen, dat zij ze van dien tijd af geregeld aanhoudt, en dagelijks iets in haar mandje medebrengt om in die kamer te zetten. Evenzoo brengt zij, in papier gewikkeld, een stukje koud vleesch, eene schapentong, of eene halve kip mede, om zelve te eten, en deze collations met Polly deelende, slijt zij het grootste gedeelte van haar tijd in het bouwvallige huis, dat de ratten ontvlucht zijn; zich met schrik verschuilende op het minste geluid, in- en uitsluipende alsof zij kwaad deed, niets verlangende dan trouw te zijn aan het gevallen voorwerp harer bewondering, zonder dat hij het weet, zonder dat iemand in de wereld het weet, dan eene eenvoudige arme vrouw.De majoor weet het ook; maar niemand verneemt het van hem, schoon hij zelf er veel vroolijker door wordt. In eene vlaag van nieuwsgierigheid heeft de majoor den inboorling last gegeven om nu en dan naar het huis te gaan kijken en er naar te vernemen waar Dombey blijft. De inboorling heeft hem de trouw van jufvrouw Tox gerapporteerd, en de majoor is bijna gestikt van het lachen. Van dat uur af is hij op den duur nog blauwer, en mompelt hij telkens, met uit het hoofd puilende oogen, bij zich zelven: “Verduiveld, mijnheer, dat wijf is stapelzot.”En de geruïneerde koopman. Hoe slijt hij zijne uren, alleen?“Laat hij zich dat in die kamer herinneren, over jaren!” Hij herinnerde het zich. Het drukte hem zwaar op het gemoed, zwaarder dan al het andere.“Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren. De regen, die op het dak klettert, de wind, die om het huis heen zucht, hebben misschien iets voorspellends in hun treurig geluid. Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren!”Hij herinnerde het zich. In den ellendigen nacht dacht hij er aan, op den akeligen dag, bij den rampzaligen dageraad, in de spookachtige schemering. Hij dacht er aan. In knagende zielesmart, met wroeging en wanhoop. “Papa, papa! Spreek toch tegen mij, lieve papa!” Hij hoorde de woorden weder, en zag het gezichtje. Hij zag het op de bevende handjes zinken, en hoorde den zachten, langgerekten kreet hemelwaarts stijgen.Hij was gevallen; om nooit weder opgericht te worden. Voor den nacht van zijn ondergang als koopman was geene morgenzon; voor de vlek zijner huiselijke schande was geen reinigingsmiddel; niets, Goddank, kon zijn dood kind in het leven terugroepen. Maar datgene, wat hij in het geheele verleden zoo geheel anders[417]had kunnen maken—datgene, wat het verleden zelf zoo geheel anders had kunnen maken, schoon hij daaraan nu bijna niet dacht—datgene wat zijn eigen werk was, wat hij zich zoo gemakkelijk tot een vloek had gemaakt—dat was de kwelling zijner ziel.“O mijn God, vergeef mij, want dat heb ik zeer noodig!” (blz. 420).“O mijn God, vergeef mij, want dat heb ik zeer noodig!” (blz. 420).O, hij dacht er wel aan! De regen, die op het dak kletterde, de wind, die om het huis heen zuchtte, in dien nacht, hadden iets voorspellends gehad in hun treurig geluid. Hij wist nu wat hij gedaan had. Hij wist nu, dat hij datgene op zijn hoofd had geroepen, dat het lager deed bukken dan de zwaarste slag der fortuin. Hij wist nu wat het was, verworpen en verlaten te zijn, nu elke bloesem van liefde, die hij in het schuldelooze hart zijner dochter had doen verwelken, in asch veranderd op hem neersneeuwde.Hij dacht aan haar, gelijk zij was op dien avond toen hij en zijne bruid naar huis kwamen. Hij dacht aan haar gelijk zij was onder al de huiselijke gebeurtenissen van het nu verwoeste huis. Hij dacht nu, dat, van alles om hem heen, zij alleen nooit veranderd was. Zijn zoon was tot stof vergaan, zijne trotsche vrouw was tot eene schandvlek harer sekse geworden, zijn vleier en vriend was in een schurkachtigen booswicht veranderd, zijne schatten waren weggesmolten, zelfs de muren, die hem schuilplaats gaven, zagen een vreemdeling in hem; zij alleen had hem altijd hetzelfde lieve, zachtaardige gezichtje[418]getoond. Ja, tot het laatste toe. Zij was nooit voor hem veranderd—hij was ook nooit voor haar veranderd—en zij was verloren.Toen zij een voor een voor zijne gedachten wegzonken—zijn hoopvolle zoon, zijne vrouw, zijn vriend, zijn vermogen—o, hoe helderde toen de nevel op, waardoor hij haar gezien had, en hoe vertoonde zich toen hare ware gedaante! O, hoeveel beter dan dit, dat hij haar had liefgehad gelijk hij zijn zoon had gedaan, en haar verloren had gelijk zijn zoon, en hen te zamen in een vroegtijdig graf had gelegd!In zijn trots—want hij was nog trotsch—liet hij de wereld zich vrij van hem verwijderen. Toen zij van hem afviel, schudde hij haar af. Hetzij hij zich verbeeldde dat haar gelaat medelijden of onverschilligheid uitdrukte, hij schuwde het evenzeer. Hij kon niet denken aan eenig gezelschap in zijne ellende, dan die eene, die hij van zich had gedreven. Wat hij tot haar zou gezegd hebben, of welken troost hij haar zou hebben toegelaten hem te geven, stelde hij zich nooit duidelijk voor. Maar hij wist altijd, dat zij hem trouw zou zijn geweest, als hij haar dat maar had toegelaten. Hij wist altijd, dat zijhemnu nog meer zou hebben liefgehad dan anders; hij was zoo zeker, dat dit in haar karakter lag, als dat er een hemel boven hem was; en zoo zat hij, in zijne eenzaamheid, van uur tot uur te denken. Dag aan dag verhaalde hem dit; nacht op nacht leerde hem die wetenschap.Die wetenschap begon, buiten allen twijfel (hoe langzaam zij een tijd lang ook vorderde) met de ontvangst van den brief van haar jeugdigen echtgenoot, en de zekerheid dat zij weg was. En toch—zoo trotsch was hij in zijn val, of zoozeer dacht hij aan haar alleen als aan iets, dat het zijne had kunnen wezen maar dat hij onherroepelijk verloren had—dat hij, als hij hare stem in de naaste kamer had kunnen hooren, niet naar haar toe zou zijn gegaan. Als hij haar op straat had kunnen zien, en zij niet meer had gedaan dan hem aanzien, gelijk zij placht te doen, zou hij haar met een strak, onverzoenlijk gezicht zijn voorbijgegaan, en haar niet aangesproken of zijn blik verzacht hebben, al had zijn hart ook kort daarop moeten breken. Hoe woest zijne gedachten, of hoe heftig zijne gramschap ook geweest waren, toen hij pas van haar huwelijk hoorde, dat was nu alles voorbij. Hij dacht voornamelijk aan hetgeen had kunnen zijn, en zoo niet was. Wat was, lag alles daarin opgesloten, dat zij verloren was en hij van smart en berouw verging.En nu gevoelde hij, dat hem twee kinderen in dat huis geboren waren, en dat er tusschen hem en de kale, ledige muren een band bestond, droevig, maar moeielijk los te rukken, daar hij aan eene dubbele kindsheid en een dubbel verlies was vastgeknoopt. Hij had gedacht het huis te verlaten—wetende dat hij gaan moest, hoewel niet wetende waarheen—op den avond van den dag, toen dit gevoel voor het eerst bij hem wortel vatte; maar hij besloot nog een nacht te blijven en in dien nacht nog eens al de kamers door te gaan.In het holst van den nacht kwam hij uit zijne eenzaamheid, en met eene kaars in de hand ging hij de trap op. Van al de voetstappen daar, die de trap zoo gemeen maakten als de publieke straat, was er niet een, dacht hij, of hij had dien op zijn hoofd zelf voelen zetten, in dien tijd toen hij verborgen luisterde. Hij zag naar hun aantal, hunne haast en hunne verwarring—de eene voetstap den ander uitdelgende, en de op- en neergaande sporen elkander verdringende—en dacht, met schrik en verbazing over zich zelven, hoeveel hij in dien tijd moest geleden hebben, en hoeveel reden hij had om een veranderd mensch te zijn. Hij dacht bovendien—o, was er ergens in de wereld een voetstap, die in een oogenblik de helft van die sporen had kunnen uitwisschen!—en hij boog zijn hoofd en schreide, terwijl hij naar boven ging.Hij zag bijna dien voetstap voor hem uitgaan. Hij bleef stilstaan, keek op naar de lantaren; en eene gedaante, zelve nog kinderlijk, maar een kind dragende, en al klimmend zingende, scheen zich daar weder te vertoonen. Wederom was het dezelfde gedaante, alleen, voor een oogenblik met ingehouden adem stilstaande, terwijl de glanzige lokken los om het betraande gezichtje krulden, en naar hem terugziende.Hij ging de kamers door, nog kort geleden zoo vol weelde, nu zoo kaal en akelig, en naar het scheen zelfs van grootte en vorm veranderd. Het gedrang van voetstappen was hier even dicht; en dezelfde gedachte aan het lijden, dat hij verduurd had, verschrikte en verbijsterde hem. Hij begon te vreezen, dat al dat gewoel in zijne hersenen hem van zijn verstand zou brengen, en dat zijne gedachten reeds hare duidelijkheid verloren en onnaspoorlijk door elkander dwarrelden, evenals die voetstappen.Hij wist niet eens welke van die kamers zij bewoond had toen zij alleen was. Hij verliet ze gaarne om hoogerop te gaan. Daar waren herinneringen in menigte, die met zijne valsche vrouw, zijn valschen vriend en dienaar, de valsche gronden voor zijn hoogmoed in verband stonden; maar hij schoof ze nu allen terzijde, om alleen met weemoed en jammer aan zijne twee kinderen te denken.Overal die voetstappen! Zij hadden zelfs geen eerbied gehad voor de oude kamer omhoog, waar het ledikantje gestaan had; hij kon daar nauwelijks eene schoone plek vinden, om zich bij den muur op den grond te werpen, arme verslagene man, en zijne tranen onbedwongen te laten vloeien. Hij had hier lang geleden zoovele tranen gestort, dat hij zich in deze kamer[419]minder over zijne zwakheid schaamde dan ergens anders—misschien had hij wel met die bewustheid naar voorwendselen gezocht om hier te komen. Hier was hij met gebogen rug en op de borst gezonken hoofd binnengetreden. Hier, op de bloote planken neergeworpen, had hij in het holste van den nacht geschreid, alleen—zelfs toen nog een trotsch man, die, als eene vriendelijke hand hem had kunnen aanraken, of een vriendelijk gezicht had kunnen binnenkijken, zou zijn opgestaan en met een afgewend gelaat weder naar zijne cel zou zijn gegaan.Toen de dag aanbrak, was hij weder in zijne kamers opgesloten. Hij had vandaag willen heengaan, maar hij klemde zich vast aan dien band in het huis, als het laatste en eenige dat hem overschoot. Hij wilde morgen gaan. Morgen kwam. Wederom wilde hij morgen gaan. Elken nacht kwam hij, zonder dat iemand het wist, zijne kamer uit en dwaalde als een spook door het geplunderde huis. Menigen ochtend zat hij achter de dichtgeschovene gordijnen van zijn venster, waar het licht nog maar flauw doorheen scheen, over het verlies van zijne twee kinderen te mijmeren. Het was nu niet één kind meer. Hij hereenigde hen in zijne gedachten, en zij waren nooit gescheiden. O, dat hij hen had kunnen vereenigen in zijne vroegere liefde en in den dood, en dat het eene niet zooveel erger dan de dood was geweest!Sterke gemoedsbewegingen waren hem niet vreemd, zelfs voor zijne laatste rampen. Dat zijn zij nooit voor stroeve, onverzettelijke karakters, want het kost hun een harden kamp om stroef en onverzettelijk te zijn. Een lang ondermijnde grond zinkt dikwijls in een oogenblik in; wat hier op zoovele wijzen ondermijnd was, kruimelde langzamerhand al meer en meer weg, naarmate de trage uren verliepen.Eindelijk begon hij te denken, dat hij geheel niet behoefde heen te gaan. Hij kon nog opgeven wat zijne crediteuren hem gelaten hadden (dat zij hem niet meer hadden gelaten was zijn eigen bedrijf) en den band tusschen hem en het verwoeste huis slechts te verscheuren, door dien anderen band te verscheuren, die—Het was toen dat zijn voetstap hoorbaar werd, terwijl hij in de gewezene huishoudsterskamer op en neer ging; maar niet hoorbaar in zijne ware beteekenis, of het geluid zou schrikverwekkend zijn geweest.De wereld was nog rusteloos met hem bezig. Dit kwam hem wederom te binnen. Zij was aan het fluisteren en babbelen. Zij was nooit stil. Dit en de ingewikkelde verwarring der voetstappen martelde hem dood. Alles begon voor zijne oogen eene roodachtige kleur aan te nemen. Dombey en Zoon was niet meer—zijne kinderen waren niet meer. Hij moest daarover denken—morgen.Toen het morgen was geworden dacht hij er over; en terwijl hij zat te denken zag hij nu en dan in den spiegel—zijn beeld.Een spookachtig vermagerd en vervallen afbeeldsel van zich zelven zat bij den ledigen haard te peinzen. Nu tilde dat afbeeldsel zijn hoofd op, en bezag de rimpels en holten van zijn eigen gezicht; dan liet het zijn hoofd weder hangen en peinsde weder. Nu stond het op en wandelde rond; nu ging het naar de naaste kamer en kwam terug met iets van het toilettafeltje in zijne borst. Nu keek het naar den onderkant der deur en dacht—stil! Wat dacht het?Het dacht dat, als er bloed naar dien kant sijpelde en in het voorhuis doorlekte, het lang zou moeten duren eer het zoover kwam. Het zou zoo langzaam voortkruipen, met hier een stilstaand plasje, en dan een loopend sprankje, en weder een stilstaand plasje, dat een doodelijk gekwetste wel dood zou zijn eer hij op die manier werd ontdekt. Toen het een langen tijd daarover had gedacht, stond het weder op en stapte heen en weder met de hand in de borst. Hij zag tusschenbeide naar dat afbeeldsel, lette nieuwsgierig op de beweging daarvan, en merkte op hoe moorddadig die hand er uitzag.Nu dacht het weder. Wat dacht het?Of zij in het bloed zouden trappen, als het zoover gekropen was, en het door het huis dragen tusschen al die voetstappen, en zelfs naar buiten op straat.Het zette zich neder, met de oogen op den ledigen haard, en terwijl het in gedachten verzonk kwam er een lichtglans in de kamer—een zonnestraal. Maar het bespeurde niets daarvan en bleef zitten denken. Plotseling stond het op, met een allerakeligst gezicht, en die moorddadige hand greep naar wat het in de borst had.Toen werd de hand gestuit door een kreet van schrik, liefde en verrukking—en hij zag in den spiegel niets anders meer dan zich zelven, en aan zijne voeten, zijne dochter!Ja! Zijne dochter! Zie hier! Op den grond, zich aan hem vastklemmende, hem roepende, biddend hare handen vouwende.“Papa! Lieve papa! Vergeef mij, vergeef mij! Ik ben teruggekomen om op mijne knieën uwe vergiffenis te vragen. Ik kan zonder vergiffenis nooit meer gelukkig zijn.”Nog onveranderd. Van de geheele wereld zij alleen onveranderd. Nog hetzelfde gezichtje naar hem opheffende als in dien rampzaligen nacht. En zij vraagtzijnevergiffenis!“Lieve papa, o, zie mij zoo vreemd niet aan! Ik was nooit voornemens u te verlaten, ik had er te voren nooit aan gedacht. Ik was buiten mij zelve toen ik heenging, en kon niet nadenken. Lieve papa, ik ben veranderd. Ik heb berouw. Ik erken mijne schuld. Ik ken mijn plicht nu beter. Papa, stoot mij niet van u af, of ik zal het besterven!”Hij waggelde naar zijn stoel. Hij voelde haar[420]zijne armen om haar hals trekken; hij voelde haar de hare om zijn hals slaan; hij voelde hare kussen op zijn gezicht; hij voelde hare vochtige wang tegen de zijne leggen; hij voelde—o, hoe diep!—al wat hij gedaan had.Tegen de borst die hij gekneusd had, tegen het hart dat hij bijna gebroken had, legde zij zijn gezicht, nu met zijne handen bedekt, en zeide snikkende:“Lieve papa, ik ben moeder. Ik heb een kind, dat Walter spoedig bij den naam zal noemen, waarbij ik u noem. Toen het geboren was, en ik gevoelde hoe lief ik het had, gevoelde ik ook wat ik gedaan had toen ik u verliet. Vergeef mij, lieve papa. O, zeg dat God mij en mijn kindje zegene!”Hij zou het gezegd hebben, als hij kon. Hij zou zijne handen hebben opgeheven en haar om vergiffenis gesmeekt, maar zij vatte ze in de hare en trok ze snel naar omlaag.“Mijn kindje werd op zee geboren, papa. Ik bad God (en dat deed Walter ook) om mij te sparen, dat ik thuis mocht komen. Zoodra ik aan land kon gezet worden, kwam ik naar u toe. Laten wij nu nooit meer gescheiden worden, lieve papa, nooit meer gescheiden worden!”Zijn hoofd, nu grijs, werd door haar arm omvangen; en hij slaakte een kermenden zucht bij de gedachte, dat hij nog nooit zoo gerust had.“Gij zult toch met mij naar huis komen, papa, en mijn kindje zien. Een jongen, papa. Hij heet Paul. Ik denk—ik hoop—hij gelijkt—”Hare tranen stuitten haar.“Lieve papa, om mijn kind, om den naam, dien wij het gegeven hebben, om mijnentwil, vergeef Walter. Hij is zoo goed en teer voor mij. Ik ben zoo gelukkig met hem. Het was zijne schuld niet, dat wij getrouwd werden. Het was de mijne. Ik had hem zoo lief.”Zij omhelsde hem nog vaster en teerder.“Hij is de lieveling van mijn hart, papa. Ik zou voor hem sterven. Hij zal u liefhebben en eeren evenals ik zal doen. Wij zullen ons kindje leeren om u lief te hebben en te eeren; wij zullen hem zeggen, als hij het verstaan kan, dat gij eens een zoon van dien naam hebt gehad, en dat hij stierf, en dat gij zeer bedroefd waart; maar dat hij in den hemel is, waar wij allen hem hopen te zien, als onze tijd van rusten komt. Geef mij een kus, papa, als belofte, dat gij u met Walter zult verzoenen—met mijn beminden man—met den vader van het kind, dat mij geleerd heeft terug te komen.”Toen zij, opnieuw in tranen uitbarstende, hem nog vaster omhelsde, gaf hij haar een kus en zijne oogen opslaande, zeide hij: “O mijn God, vergeef mij, want dat heb ik zeer noodig!”Toen liet hij zijn hoofd weder zinken, en beklaagde haar en liefkoosde haar, en lang, zeer lang was er geen geluid in huis, en bleven zij in elkanders armen gesloten; in dien heerlijken zonneschijn, die met Florence was binnengeslopen.Hij kleedde zich om uit te gaan, zich gedwee onderwerpende aan hare bede; en met zwakke schreden, bevend omziende naar de kamer, waarin hij zoolang was opgesloten, en waar hij zijn beeld in den spiegel had gezien, ging hij met haar het voorhuis in. Florence, nauwelijks rondkijkende, opdat zij hem niet opnieuw aan hunne laatste scheiding zou herinneren—want hunne voeten waren op dezelfde steenen, waar hij in zijne blinde razernij naar haar had geslagen—en dicht bij hem blijvende, met hare oogen naar de zijne en zijn arm om haar heen, bracht hem naar eene koets, die voor de deur stond te wachten, en nam hem mede.Toen kwamen jufvrouw Tox en Polly uit haar schuilhoek, en juichten met tranen. En toen pakten zij zijne kleederen en boeken zeer zorgvuldig in, en gaven ze des avonds aan de lieden, die Florence zond om ze te halen. En toen dronken zij een laatst kopje thee in het eenzame huis.“En zoo heeft Dombey en Zoon, gelijk ik bij zekere gelegenheid aanmerkte,” zeide jufvrouw Tox, aan het eind van een geheelen sleep van herinneringen, “toch eene dochter moeten wezen, Polly.”—“En wat eene goede dochter!” riep Polly uit.—“Daar hebt gij gelijk in,” zeide jufvrouw Tox; “en het strekt u tot eer, Polly, dat gij altijd hare vriendin zijt geweest, toen zij nog een klein kind was. Gij zijt hare vriendin geweest, lang voor dat ik het was, Polly,” zeide jufvrouw Tox, “en ge zijt een goed schepsel.—Robin!”Jufvrouw Tox richtte dit woord tot een jong mensch, met een rond hoofd, dat niet in de beste omstandigheden en zeer neerslachtig van geest scheen te zijn, en in een afgelegen hoek zat. Opstaande, vertoonde hij de trekken en gestalte van den Slijper.“Robin,” zeide jufvrouw Tox, “ik heb zoo even tegen uwe moeder aangemerkt, gelijk gij wel zult gehoord hebben, dat zij een goed schepsel is.”—“En dat is zij ook, jufvrouw,” zeide de Slijper, niet zonder gevoel.—“Heel goed, Robin,” hervatte jufvrouw Tox, “het verheugt mij u dat te hooren zeggen. Nu, Robin, daar ik u, op uw dringend verzoek, als mijn bediende op de proef zal nemen, om u weder tot een fatsoenlijken jongen te maken, wil ik deze treffende gelegenheid waarnemen om aan te merken, dat ik hoop dat gij nooit zult vergeten, dat gij eene goede moeder hebt, en gij pogen zult u zoo te gedragen dat gij haar tot een troost zijt.”—“Bij mijne ziel, dat wil ik, jufvrouw,” antwoordde de Slijper. “Ik heb veel uitgestaan en mijne voornemens zijn nu zoo goed, als een arme drommel—”—“Gij moest u dat woord afwennen, Robin, als het u belieft,” viel jufvrouw Tox er zeer beleefd op in.—“Als het u belieft, jufvrouw, als een arme stakker dan—”—“Verplicht, Robin,”[421]antwoordde jufvrouw Tox. “Maar ik zou liever zeggen als een redelijk wezen.”—“Als een redelijk wezen,” zeide de Slijper.—“Veel beter,” zeide jufvrouw Tox vergenoegd.—“Dat drukt veel meer uit.”—“Ze maar hebben kan,” vervolgde Rob. “Als men geen Slijper van mij gemaakt had, jufvrouw en moeder, dat een allerongelukkigst ding was voor zulk een armen drom—voor een redelijk wezen.”—“Heel goed,” merkte jufvrouw Tox tevreden aan.—“En als ik niet door de vogels op een slechten weg was gebracht en toen in een slechten dienst was gekomen,” zeide de Slijper, “hoop ik dat ik het beter zou hebben gemaakt. Maar het is nooit te laat voor een—”—“Redelijk,” blies jufvrouw Tox hem in.—“Wezen,” zeide de Slijper, “om zich te beteren; en ik hoop mij te beteren, jufvrouw, als ge mij op de proef wilt nemen; en ik verzoek moeder, om vader en mijne broertjes en zusjes van mij te groeten, en het hun te zeggen.”—“Het verheugt mij buitengemeen dit van u te hooren,” zeide jufvrouw Tox. “Wilt gij eene boterham gebruiken en een kopje thee, Robin, eer wij gaan?”De Slijper weigerde niet, en at alsof hij langen tijd op kort rantsoen had gestaan.Toen jufvrouw Tox en Polly zich met hoeden en doeken hadden gereedgemaakt om te vertrekken, gaf Rob zijne moeder een kus en volgde hij zijne nieuwe meesteres; terwijl Polly hem hopend nazag, met iets in hare oogen, dat lichtende kringen om de gaslantarens veroorzaakte. Toen sloot Polly de straatdeur, bracht den sleutel bij iemand in de buurt, en liep zoo hard zij kon naar huis, zich vooraf verheugende in de schelklinkende blijdschap, welke hare onverwachte komst zou veroorzaken. Het groote huis, stom voor alles wat er in geleden was en al de veranderingen die het had gezien, bleef somber de straat aanstaren, en wees alle nadere vragen af met het bericht, dat het te huur was.

Wederom zijn er veranderingen gekomen over het groote huis in de lange stille straat, eens het tooneel van Florence’s kindsheid en eenzaamheid. Het is nog een groot huis, bestand tegen wind en weder, zonder reten in het dak, zonder gebroken ruiten of vervallene muren; maar het is niettemin eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.

Towlinson en zijn gezelschap willen in het eerst geen geloof slaan aan de loopende geruchten, die zij hooren. De keukenmeid zegt dat ons crediet, Goddank, niet zoo gemakkelijk te schokken is; en Towlinson verwacht nu ook te zullen hooren, dat de Bank vanEngelandzal springen, of de juweelen uit de Tower verkocht zullen worden. Maar dan komen de Gazette en Perch; en Perch brengt jufvrouw Perch mede, om er in de keuken over te praten en een genoeglijken avond te slijten.

Zoodra er geen twijfel meer aan is, wordt het Towlinson’s grootste bekommering, dat het een bankroet van belang zal zijn—dat het om niet minder dan honderd duizend pond zal te doen zijn. Perch denkt dat honderd duizend pond nog lang niet genoeg zal zijn om het tekort te dekken. De vrouwen, met jufvrouw Perch en de keukenmeid aan het hoofd, herhalen dikwijls “honderd duizend pond,” met zeker eerbiedig genoegen, alsof het uitspreken van die woorden met het betasten van het geld gelijkstond; en de werkmeid, die een oogje op Towlinson heeft, wenscht dat zij maar het honderdste gedeelte van die som had, om aan den man harer keus te schenken. Towlinson, nog aan zijne oude grieven gedachtig, is van oordeel dat een buitenlander kwalijk zou weten wat met zooveel geld te doen, of hij moest het aan zijne bakkebaarden te koste leggen, welke bittere schimpschoot de werkmeid met tranen in de oogen doet heengaan.

Maar niet om lang weg te blijven, want de keukenmeid, die den naam heeft van zeer goedhartig te zijn, zegt dat zij, wat zij ook doen, elkander nu moeten bijstaan, Towlinson, want dat het niet te zeggen is hoe gauw zij verdeeld[412]zullen raken. Zij hebben in dat huis (zegt de keukenmeid) eene begrafenis, eene bruiloft en een wegloopen beleefd, en laat het niet gezegd worden, dat zij op zulk een tijd als dezen niet eensgezind konden blijven. Jufvrouw Perch wordt door deze roerende toespraak diep getroffen, en merkt openlijk aan dat de keukenmeid een engel is. Towlinson antwoordt de keukenmeid, ver mag het van hem zijn om die eensgezindheid, waarnaar hij ook verlangt, in den weg te staan. Hij gaat de werkmeid opzoeken, en met die jonge juffer aan den arm terugkomende, onderricht hij de keuken, dat hij met buitenlanders den gek steekt, en dat hij en Anne nu besloten hebben om elkander maar te nemen, en zich inOxford Marketin de groentenering en wat daarbij behoort te vestigen, waarvoor hij de gunst en recommandatie verzoekt. Dit bericht wordt met toejuiching ontvangen; en jufvrouw Perch, in de toekomst vooruitziende, fluistert de keukenmeid plechtig het woord “meisjes” in het oor.

Ongeluk in de familie zonder smullen in het onderhuis is eene onmogelijkheid. De keukenmeid maakt dus wat warms klaar voor het avondmaal, waarbij Towlinson een kreeftenslaadje bezorgt. Zelfs mevrouw Pipchin, door het gebeurde ontroerd, schelt en laat verzoeken dat het overgeblevene stukje koek voor haar gewarmd zal worden, en als het haar gebracht wordt er een glas geheeten sherry bij gedaan zal worden, dewijl zij gevoelt dat zij van haar streek is.

Er wordt weinig over mijnheer Dombey gesproken, zeer weinig. Voornamelijk poogt men te raden, hoelang hij wel zou geweten hebben dat dit gebeuren zou. De schrandere keukenmeid zegt: “O, al heel lang. Daar moogt ge wel op zweren.” En wanneer men Perch er naar vraagt, bevestigt hij hare meening. Iemand verwondert zich wat hij nu doen zal, en of hij nu naar eene betrekking zal zoeken. Towlinson denkt van neen, en geeft een wenk van een van die fatsoenlijke armhuizen. “Waar hij een tuintje kan hebben,” zegt de keukenmeid beklaaglijk, “en in den zomer zijne erwtjes kan planten, niet waar?”—“Juist,” antwoordt Towlinson, “en broeder van het een of ander worden.”—“Wij zijn allemaal broeders,” merkte jufvrouw Perch aan, daartoe ophoudende met drinken.—“Behalve de zusters,” zegt haar man.—“Hoe zijn de machtigen gevallen,” merkte de keukenmeid aan.—“Hoogmoed gaat voor den val; dat is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven,” laat de werkmeid hierop volgen.

Het is verwonderlijk hoe deugdzaam zij zich gevoelen, bij het maken dezer bespiegelingen, en van welk eene christelijke eensgezindheid zij zich bewust zijn, om de algemeene ramp met gelatenheid te dragen. Slechts eenmaal wordt deze loffelijke gemoedsgesteldheid verstoord: en dit geschiedt door eene jonge keukenmeid van lager rang, die, nadat zij lang met een open mond heeft zitten luisteren, onverwacht de volgende woorden uitstoot: “Als het loon eens niet betaald wierd!” Het gezelschap blijft een oogenblik sprakeloos; maar de keukenmeid, zich het eerst herstellende, keert zich naar de onvoorzichtige spreekster en verzoekt te mogen weten, hoe zij de familie, wier brood zij eet, durft beleedigen met zoo iets te zeggen, en of zij denkt dat iemand, die nog een aasje eerlijkheid heeft, arme dienstboden hun loon zou onthouden? “Want alsdatuw godsdienst is, Mary Daws,” zegt de keukenmeid met warmte, “dan weet ik niet waar gij eens naar toe denkt te gaan.”

Towlinson weet het ook niet; niemand weet het; en de jonge keukenmeid, die het zelve niet recht schijnt te weten, en algemeen wordt uitgejouwd, wordt doodelijk beschaamd en verlegen.

Na eenige dagen beginnen er vreemde lieden in huis te komen, en elkander in de eetzaal te bestellen, alsof zij daar woonden. Vooral is er een heer, met een Mozaïsch Arabischen gelaatsvorm, en een zeer zwaren horlogeketting, die in hun salon loopt te fluiten, en terwijl hij naar een ander heer wacht, die altijd pen en inkt in zijn zak heeft, Towlinson (wien hij vrijpostig jongetje noemt) vraagt, of hij ook toevallig weet hoeveel dat behangsel, rood met goud, nieuw gekost heeft. De bezoekers van de eetzaal worden met elken dag talrijker, en ieder heer schijnt een inktkoker in zijn zak te hebben, en dien ook te gebruiken. Eindelijk zegt men dat er verkooping zal plaats hebben; en dan komen er nog meer lieden met pen en inkt in den zak, die een detachement van lieden met petten kommandeeren, en de tapijten laten opnemen en de meubelen overhoop laten halen en duizenden merken van hunne schoenzolen in het voorhuis en op de trap afdrukken.

De dienstbodenraad beneden blijft al dien tijd zitting houden, en daar men niets anders te doen heeft, verricht men wonderen van eetkunst. Eindelijk worden allen eens in mevrouw Pipchin’s kamer geroepen en door deze dame op vinnigen toon aldus aangesproken:

“Uw meester is in ongelegenheden. Dat zult ge wel weten, denk ik?”

Towlinson, als spreker, erkent eene algemeene kennis van dit feit.

“En gij zijt allen al op den uitkijk voor u zelven, daar durf ik voor instaan,” zegt mevrouw Pipchin, dreigend haar hoofd schuddende.

Eene schelle stem uit de achterhoede roept: “Niet meer dan gij.”—“Denkt gij zoo, onbeschaamde prij?” zegt de gramstorige dame, met een vurig oog over de andere hoofden heenkijkende.—“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk[413]ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?”—“Dat gij heen kunt gaan zoo gauw als ge maar wilt,” zegt mevrouw Pipchin. “Hoe eer hoe beter, en ik hoop dat ik nooit weer uw gezicht zal zien.”

Daarmede haalt zij een linnen zakje uit, en telt de keukenmeid haar loon voor tot op dien dag en nog eene maand bovendien, maar houdt het geld vast, tot eene quitantie daarvoor behoorlijk is geteekend, tot aan den laatsten ophaal toe; waarna zij het met zichtbaren weerzin loslaat. Deze ceremonie herhaalt mevrouw Pipchin met ieder lid van het huishouden, totdat allen betaald zijn.

“Nu kunnen zij, die willen, zich dadelijk voortmaken,” zegt mevrouw Pipchin, “en zij, die willen, kunnen nog eene week of zoo hier blijven, om te helpen. Behalve,” zegt de gramstorige dame, “die slet van eene keukenmeid, die dadelijk heen zal.”—“Dat zal zij zekerlijk,” antwoordt de keukenmeid. “Ik wensch u goedendag, mevrouw Pipchin, en wensch van harte dat ik u een compliment kon maken over de vriendelijkheid van uw gezicht.”—“Maak dat gij wegkomt,” zegt mevrouw Pipchin, met haar voet stampende.

De keukenmeid gaat heen met eene vriendelijke deftigheid, die mevrouw Pipchin nog meer kwaad maakt, en weldra voegen de anderen zich beneden bij haar.

Dan zegt Towlinson dat hij vooreerst wilde voorstellen eene kleine versnapering te gebruiken, en dat hij onder het gebruik daarvan eene opmerking wilde maken, die hij denkt dat in de positie, waarin zij zich bevinden, wel zal te pas komen. Terwijl men de versnapering met smaak gebruikt, deelt Towlinson zijne opmerking mede, die daarop neerkomt, dat de keukenmeid heengaat, en dat, als wij ons zelven niet trouw zijn, niemand ons meer trouw zal zijn. Dat zij in dit huis lang te zamen hebben gewoond, en hun best hebben gedaan om gezellig te zijn. (Daarop zegt de keukenmeid met aandoening: “Luister! Luister!” en jufvrouw Perch, die wederom daar en tot aan de keel toe vol is, stort tranen). En dat hij meent, dat men tegenwoordig moet begrijpen: “Een weg, allemaal weg!” De werkmeid wordt door deze edelmoedige ontboezeming zeer geroerd, en geeft ze met warmte haar bijval. De keukenmeid zegt te gevoelen dat het zoo behoort, en hoopt maar dat het niet als een compliment voor haar, maar uit gevoel van plicht wordt gedaan. Towlinson antwoordt—uit gevoel van plicht; en dat, nu hij genoodzaakt is voor zijn gevoelen uit te komen, hij openlijk wil zeggen, dat hij het niet voor heel fatsoenlijk houdt in een huis te blijven waar verkoopingen en zulke dingen aan de hand zijn. De werkmeid is daarvan overtuigd en verhaalt tot bevestiging, dat een vreemd man met eene pet haar dien morgen op de trap heeft willen kussen. Dit doet Towlinson van zijn stoel opspringen om den booswicht te gaan opzoeken en hem een pak slaag te geven; maar de dames houden hem vast, en smeeken hem om te bedaren, en te bedenken dat het gemakkelijker en wijzer is, het tooneel van zulke onwelvoeglijkheden terstond te verlaten. Jufvrouw Perch, de zaak in een nieuw licht plaatsende, toont aan, dat zelfs de kieschheid voor mijnheer Dombey, die zich in zijne kamers opsluit, een overhaasten aftocht voorschrijft. “Want wat,” zegt de goede vrouw, “zou hij moeten gevoelen, als hij een van de arme dienstboden ontmoette, die hij eens bedrieglijk heeft doen denken dat hij onmetelijk rijk was.” De keukenmeid wordt door deze zedekundige bespiegelingen zoodanig getroffen, dat jufvrouw Perch er nog verscheidene vrome bedenkingen bijvoegt. Het wordt iedereen duidelijk dat zij allen moeten vertrekken. Koffers worden gepakt, vigilantes gehaald en met schemeravond is er niemand van den troep meer over.

Het huis staat nog, groot en tegen weer en wind bestand, in de lange, stille straat; maar is toch eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.

De mannen met petten blijven de meubelen overhoophalen; en de heeren met pen en inkt maken inventarissen daarvan, en zitten op stukken huisraad, nooit gemaakt om op te zitten, en eten brood en kaas uit de herberg van andere stukken huisraad, nooit gemaakt om van te eten, en schijnen er vermaak in te scheppen om de kostbaarste voorwerpen tot het vreemdste gebruik te bezigen. Er hebben ook chaotische combinatiën van dingen plaats. In de eetzaal ziet men matrassen en bedden; het glas en porselein raakt naar de oranjerie; het groot tafelservies wordt op de lange divan in het groote salon op stapeltjes gezet; en de traproedjes, aan bossen gebonden, staan op marmeren schoorsteenmantels te pronk. Eindelijk wordt een haardkleedje met een gedrukt biljet daarop van het balkon uitgehangen, en dergelijke sieraden prijken aan beide zijden van de straatdeur.

Dan staat er den geheelen dag lang een trein van bemodderde sjeezen en wagentjes in de straat; en troepen smerige heerschappen, joden en christenen, loopen het geheele huis door, tikken met hunne knokkels tegen de spiegels, slaan wanluidende accoorden op de piano’s aan, vegen met natte vingers over de schilderijen, ademen op de lemmeten der beste tafelmessen, beuken de kussens van stoelen en sofa’s met hunne vuile vuisten, betasten de bedden, schuiven al de laden uit en in, laten zilveren lepels en vorken balanceeren, bekijken zelfs de draden van het linnengoed, en vinden alles ver beneden hunne verwachting. Het geheele huis heeft geene geheime plaats meer. Vreemde snoeshanen gluren even nieuwsgierig tusschen[414]het keukengereedschap als in de kleerkas op zolder. Grove kerels, met kaal gesleten hoeden, kijken uit de vensters der slaapkamers en maken grappen met vrienden op straat. Stille narekenaars gaan met catalogussen in de kleedkamers, en maken daar met stompjes potlood aanteekeningen op den kant. Twee uitdragers klimmen zelfs een zolderluik uit en genieten op het dak een panoramisch overzicht van de andere huizen. Dat zwermen en gonzen, op- en neerloopen en begluren, duurt dagen lang. Dombey’s inboedel is publiek te zien.

Dan wordt er in het beste salon eene verschansing van tafels gemaakt, en op de groote mahoniehouten eettafel met gedraaide pooten wordt de lessenaar van den vendumeester gezet, en de troepen van smerige heerschappen, joden en christenen, de vreemde snoeshanen en de grove kerels met kaal gesleten hoeden, verzamelen zich daaromheen, en zetten zich op alles in hun bereik, de schoorsteenmantels ingesloten, en gaan aan het bieden. Heet, stofferig en gonzend zijn de kamers den geheelen dag, en hoog boven de hitte, het stof en het gegons, is de vendumeester aanhoudend met hoofd en schouders, stem en hamer aan het werk. De mannen met petten worden rood en ongeduldig van het dragen met nommers, en nog worden er nommers aangedragen en weggedragen. Somtijds worden er grappen gemaakt en ontstaat er een algemeen geschater. Dit duurt den geheelen dag en nog drie volgende dagen. Dombey’s inboedel wordt publiek verkocht.

Dan komen de bemodderde sjeezen en wagentjes terug, te gelijk met een trein van vrachtwagens en karren en een heirleger van sjouwerlieden. Den geheelen dag zijn de mannen met petten aan het werk met schroevendraaiers en nijptangen, of waggelen zij op de trap bij dozijnen te gelijk onder zware vrachten, of tillen zij de geheele rotsen van mahoniehout, rozenhout of spiegelglas in sjeezen, wagentjes, vrachtwagens en karren. Allerlei soorten van voertuigen worden gebezigd, van mestwagens af tot kruiwagens toe. Het ledikantje van den armen Paul wordt op een ezelkarretje weggevoerd. Bijna eene week lang wordt Dombey’s inboedel weggehaald.

Eindelijk is alles weg. Men heeft niets in huis gelaten dan verstrooide bladen van catalogussen, hoopjes hooi en stroo, en eene batterij van tinnen kannen achter de voordeur. De mannen met petten verzamelen hun gereedschap in zakken, nemen die op schouder en stappen heen. Een van de heeren met pen en inkt gaat, als eene laatste oplettendheid, het geheele huis nog eens door, zet biljetten voor de vensters, waarbij wordt aangekondigd dat het te huur is, en sluit de luiken. Ten laatste volgt hij de mannen met petten. Niemand van de indringers blijft er. Het huis is eene ruïne, en de ratten ontvluchten het.

Mevrouw Pipchin’s apartement, benevens die geslotene kamers beneden, waar de gordijnen altijd dichtgeschoven blijven, zijn bij de algemeene verwoesting gespaard. Mevrouw Pipchin is onder het gewoel stug en steenig in hare kamer blijven zitten, of is onder de verkooping eens even komen kijken, om te zien wat het goed opbracht, of om op zekeren leuningstoel te bieden. Mevrouw Pipchin heeft het hoogste bod op dien leuningstoel gedaan, en zit op haar eigendom, wanneer mevrouw Chick haar komt opzoeken.

“Hoe gaat het met mijn broeder, mevrouw Pipchin?” zegt mevrouw Chick.—“Daar weet ik niet meer van dan de drommel,” zegt mevrouw Pipchin. “Hij bewijst mij nooit de eer om met mij te spreken. Hij laat zijn eten en drinken in de kamer naast zijne kamer zetten; en wat hij gebruikt komt hij daar gebruiken als er niemand is. Het kan niet helpen of ge mij al vraagt. Ik weet er niet meer van dan de man in het zuiden, die zijn mond brandde bij het eten van koude pap.”

Dit zegt de stekelige mevrouw Pipchin met eene heftige beweging.

“Maar mijn goede hemel!” roept mevrouw Chick zeer zoetsappig uit. “Hoelang moet dat dan duren! Als mijn broeder zich geene inspanning wil vergen, mevrouw Pipchin, wat zal er dan van hem worden? Ik heb waarlijk gedacht, dat hij genoeg gezien had, wat er van komt als men zich geene inspanning wil vergen, om zich voor zulk eene noodlottige dwaling te laten waarschuwen.”—“Wel heere mijn tijd!” zegt mevrouw Pipchin, haar neus wrijvende. “Mij dunkt, er wordt machtig veel gedoente over gemaakt. Het is zulk een vreemd geval niet. Er zijn wel meer menschen, die tegenspoed hebben gehad, en hun boel hebben moeten verkoopen. Dat heb ik ook moeten doen.”—“Mijn broeder,” vervolgt mevrouw Chick diepzinnig, “is zulk een singulier man. Hij is de singulierste man dien ik ooit gezien heb. Zou men gelooven, dat, toen hij de tijding kreeg van het huwelijk en de emigratie van dat onnatuurlijke kind—het is nu een troost voor mij, te bedenken dat ik altijd gezegd heb, dat dat meisje iets buitengewoons over zich had; maar niemand let op mij—zou iemand gelooven, zeg ik, dat hij zich toen naar mij omkeerde en zeide, dat hij gemeend had aan mij te zien, dat zij bij mij in huis was gekomen? Wel mijn hemeltje! En zou iemand gelooven, dat, toen ik alleen maar tegen hem zeide: “Paul, ik mag heel onnoozel wezen, en dat geloof ik ook zelf wel, maar ik kan niet begrijpen hoe uwe zaken in dien staat zijn geraakt,” hij toen tegen mij uitviel, en verzocht dat ik niet meer bij hem zou komen eer hij naar mij vroeg? Wel,[415]groote goedheid!”—“Ja,” zegt mevrouw Pipchin. “Het is jammer dat hij niet wat meer met mijnen te doen heeft gehad. Zij zouden zijn humeur wel hebben klein gekregen.”—“En waar moet het op uitloopen?” hervat mevrouw Chick, zonder op de aanmerkingen van mevrouw Pipchin te letten. “Dat zou ik wel willen weten. Wat denkt mijn broeder te doen? Hij moet toch iets doen. Het baat niet of hij al in zijne kamers zit opgesloten. De zaken zullen niet naar hem toe komen. Neen, hij moet er zelf naar toe gaan. Waarom gaat hij dan niet? Hij weet wel waar hij naar toe moest gaan, zou ik denken; daar hij al zijn leven zaken heeft gedaan. Waarom gaat hij dan niet daarheen?”

Nadat mevrouw Chick deze hechte keten van redeneeringen had gesmeed, zweeg zij eene poos, om die zelve te bewonderen.

“Buitendien,” vervolgde zij toen, op denzelfden redeneertrant, “wie heeft ooit van zulk eene stijfhoofdigheid gehoord, als dat hij door al die akeligheden heen hier opgesloten blijft? Het is alsof hij nergens anders had kunnen heengaan. Hij had immers bij ons aan huis kunnen komen. Hij weet toch dat hij daar thuis is, zou ik denken? Mijnheer Chick heeft hem dat tot vervelens toe gezegd, en ik heb hem met mijn eigen mond gezegd: “Beste Paul, gij verbeeldt u toch zeker niet, omdat uwe zaken in dien staat zijn geraakt, dat ge daarom minder thuis zijt bij zulke nauwe betrekkingen als wij? Gij verbeeldt u toch niet, dat wij naar de rest van de wereld gelijken?” Maar neen, hier blijft hij door dat alles heen, en hier zit hij nu nog. Wel, mijn hemel! als het huis eens verhuurd werd—wat zou hij dan doen? Dan kon hij toch niet hier blijven. Als hij dat probeerde, zou hem eene actie worden aangedaan en dat alles, en dan moest hij toch heengaan. Waarom gaat hij dan niet dadelijk, in plaats van op het laatst? En dat brengt mij weder op hetgeen ik daar zoo even gezegd heb, en doet mij natuurlijk vragen, wat er het eind van moet zijn?”—“Ik weet wel wat er het eind van zal zijn, voor zooveel mij aangaat,” antwoordt mevrouw Pipchin, “en dat is mij genoeg. Ik ga nu oppakken in een snap.”—“In een wat, mevrouw Pipchin?” vraagt mevrouw Chick.—“In een snap,” antwoordt mevrouw Pipchin scherp.—“Wel zoo! Ik kan u waarlijk niet laken, mevrouw Pipchin,” zegt mevrouw Chick met rondborstigheid.—“Het zou mij zoo tamelijk hetzelfde zijn, al kondt ge dat,” antwoordt de stekelige mevrouw Pipchin. “In allen gevalle, ik ga heen. Ik kan hier niet blijven. Ik zou binnen de week dood zijn. Ik heb gisteren mijn eigen varkenskarbonaadje moeten braden, en daar ben ik niet aan gewoon. Mijn gestel zou er onder bezwijken. Buitendien, ik had, eer ik hier kwam, eene goede klandizie teBrighton—het kleine goed van Pankey alleen bracht mij tachtig pond ’s jaars op—en die kan ik niet weggooien. Ik heb aan mijne nicht geschreven, en zij verwacht mij nu thuis.”—“Hebt gij met mijn broeder gesproken?” vraagt mevrouw Chick.—“Wel ja, het is heel gemakkelijk hem te spreken te krijgen,” antwoordt mevrouw Pipchin. “Ik heb hem gisteren toegeroepen, dat ik hier tot niets meer diende, en dat het beter zou zijn als hij mij om jufvrouw Richards liet zenden. Hij bromde zoo iets dat ja meende, en toen heb ik om haar gezonden. Brommen, nog al! Als hij mijnheer Pipchin geweest was, zou hij nog reden gehad hebben om te brommen. Ba! Ik kan het niet uitstaan.”

Hier rijst de voordeelige dame, die zooveel standvastigheid en deugd uit de mijnen vanPeruheeft opgepompt, van haar gekussend eigendom op, om mevrouw Chick de deur uit te laten. Mevrouw Chick, tot het laatste toe het singuliere karakter van haar broeder beklagende, gaat stil weder heen, zeer ingenomen met hare eigene schranderheid en helderheid van hoofd.

In den schemeravond komt Toodle, die geen dienst heeft, met Polly en een koffer, en laat ze, met een klinkenden kus, in het ledige voorhuis, waarvan de stilte een sterken indruk op zijn gemoed maakt.

“Ik zal u eens wat zeggen, Polly, mijn lief,” zegt Toodle. “Nu ik machinist ben en het zoo goed in de wereld heb, zou ik u niet hier laten komen, om u te verkniezen, als het niet om vroegere gunsten was. Maar vroegere gunsten, Polly, moet men nooit vergeten. Buitendien, voor iemand, die in tegenspoed is, is uw gezicht eene hartsterking. Laat ik het dus nog een zoen geven, lief! Gij wenscht niet beter dan wel te doen, dat weet ik; en ik denk dat dit wel gedaan en een plicht is. Goeden nacht, Polly.”

Nu komt mevrouw Pipchin aan, geheel in het zwart; zij heeft haar goed opgepakt, en haar stoel (voorheen een lievelingsstoel van Dombey en voor een prijsje door haar gekocht) dicht bij de deur gereed staan, en wacht maar op een goederenwagon, dien zij gehuurd heeft om haar en haar eigendom naarBrightonte brengen.

Weldra komt deze. Nadat de garderobe is opgeladen, wordt de stoel in een geschikt hoekje geplaatst en met hooi vastgestopt, daar mevrouw Pipchin voornemens is op reis in dien stoel te blijven zitten. Daarna wordt zij zelve in het rijtuig geholpen en zet zij zich met een strak gezicht op haar zetel. Hare grijze oogen hebben een slangachtigen glans, als verheugde zij zich in het vooruitzicht op haar geboterden toast, op hare karbonaadjes, op het kwellen en sarren van kleine kinderen, op het afsnauwen van de arme Berry en de andere vermaken van haar menschenvreetsterskasteel. Zij lacht[416]bijna terwijl de wagen voortrijdt en zij hare zwarte bombazijnen rokken gladstrijkt.

Het huis is zulk eene ruïne, dat de ratten gevlucht zijn en er geen enkele meer van over is.

Maar Polly, schoon alleen in het verlatene huis—want in de geslotene kamers, waar de vroegere meester zijn hoofd verbergt, vindt zij geene gezelligheid—is niet lang alleen. Het is avond, en zij zit in de huishoudsterskamer te werken, en poogt te vergeten welk een eenzaam huis het is, en wat er in is omgegaan, toen aan de voordeur wordt geklopt, en het geluid door de ledige ruimte galmt. Nadat zij de deur heeft geopend, komt zij door het galmende voorhuis terug, vergezeld door eene vrouwelijke gedaante met een dichtsluitend zwart hoedje. Het is jufvrouw Tox, en jufvrouw Tox heeft roode oogen.

“O Polly,” zeide jufvrouw Tox, “toen ik daar straks bij u aan huis kwam om de kinderen nog een lesje te geven, kreeg ik de boodschap die gij voor mij gelaten hadt; en zoodra ik wat tot mij zelve kwam ben ik u nagekomen. Is hier niemand behalve gij?”—“Geene levende ziel,” antwoordt Polly.—“Hebt gij hem gezien?” fluistert jufvrouw Tox.—“O heere neen,” antwoordt Polly. “Hij heeft zich in geene dagen laten zien. Zij zeggen mij, dat hij nooit buiten zijne kamer komt.”—“Zegt men ook dat hij ziek is?” vraagt jufvrouw Tox.—“Neen, jufvrouw, niet dat ik weet,” antwoordt Polly. “Maar zijne ziel is ziek. In dat opzicht moet het heel slecht met hem gesteld zijn!”

Het medelijden van jufvrouw Tox is zoo groot dat zij nauwelijks kan spreken. Zij is geen kuikentje meer, maar zij is toch van ouderdom niet taai geworden. Haar hart is nog teer, haar medelijden en hare hulde zijn van echte soort. Onder het medaillon met het vischachtige oog draagt jufvrouw Tox betere eigenschappen dan menigeen met eene minder belachelijke buitenzijde, eigenschappen, die de fraaiste uitwendige hoedanigheden vele jaren kunnen overleven.

Het duurt lang eer jufvrouw Tox heengaat, en eer Polly, terwijl hare kaars op de holle trap staat, haar de straat af nakijkt, om nog zoolang gezelschap aan haar te hebben, en ongezind is, om het akelige huis weder binnen te gaan, en de ledigheid daarvan met de zware grendels te laten weergalmen, en naar bed te sluipen. Dat alles doet Polly evenwel; en des morgens zet zij in eene van die kamers de dingen, die men haar gezegd heeft gereed te maken, en gaat dan heen, en komt er niet weder binnen voor den volgenden morgen op hetzelfde uur. Er hangen daar schellen, maar er wordt nooit aan getrokken; en hoewel zij somtijds een voetstap kan hooren heen en weer gaan, komt die nooit naar buiten.

Jufvrouw Tox komt dien dag vroeg terug. Het begint nu hare bezigheid te worden, kleine lekkernijen gereed te maken—of wat voor haar lekkernijen zijn—om den volgenden morgen in die kamer te zetten. Deze bezigheid geeft haar zooveel genoegen, dat zij ze van dien tijd af geregeld aanhoudt, en dagelijks iets in haar mandje medebrengt om in die kamer te zetten. Evenzoo brengt zij, in papier gewikkeld, een stukje koud vleesch, eene schapentong, of eene halve kip mede, om zelve te eten, en deze collations met Polly deelende, slijt zij het grootste gedeelte van haar tijd in het bouwvallige huis, dat de ratten ontvlucht zijn; zich met schrik verschuilende op het minste geluid, in- en uitsluipende alsof zij kwaad deed, niets verlangende dan trouw te zijn aan het gevallen voorwerp harer bewondering, zonder dat hij het weet, zonder dat iemand in de wereld het weet, dan eene eenvoudige arme vrouw.

De majoor weet het ook; maar niemand verneemt het van hem, schoon hij zelf er veel vroolijker door wordt. In eene vlaag van nieuwsgierigheid heeft de majoor den inboorling last gegeven om nu en dan naar het huis te gaan kijken en er naar te vernemen waar Dombey blijft. De inboorling heeft hem de trouw van jufvrouw Tox gerapporteerd, en de majoor is bijna gestikt van het lachen. Van dat uur af is hij op den duur nog blauwer, en mompelt hij telkens, met uit het hoofd puilende oogen, bij zich zelven: “Verduiveld, mijnheer, dat wijf is stapelzot.”

En de geruïneerde koopman. Hoe slijt hij zijne uren, alleen?

“Laat hij zich dat in die kamer herinneren, over jaren!” Hij herinnerde het zich. Het drukte hem zwaar op het gemoed, zwaarder dan al het andere.

“Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren. De regen, die op het dak klettert, de wind, die om het huis heen zucht, hebben misschien iets voorspellends in hun treurig geluid. Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren!”

Hij herinnerde het zich. In den ellendigen nacht dacht hij er aan, op den akeligen dag, bij den rampzaligen dageraad, in de spookachtige schemering. Hij dacht er aan. In knagende zielesmart, met wroeging en wanhoop. “Papa, papa! Spreek toch tegen mij, lieve papa!” Hij hoorde de woorden weder, en zag het gezichtje. Hij zag het op de bevende handjes zinken, en hoorde den zachten, langgerekten kreet hemelwaarts stijgen.

Hij was gevallen; om nooit weder opgericht te worden. Voor den nacht van zijn ondergang als koopman was geene morgenzon; voor de vlek zijner huiselijke schande was geen reinigingsmiddel; niets, Goddank, kon zijn dood kind in het leven terugroepen. Maar datgene, wat hij in het geheele verleden zoo geheel anders[417]had kunnen maken—datgene, wat het verleden zelf zoo geheel anders had kunnen maken, schoon hij daaraan nu bijna niet dacht—datgene wat zijn eigen werk was, wat hij zich zoo gemakkelijk tot een vloek had gemaakt—dat was de kwelling zijner ziel.

“O mijn God, vergeef mij, want dat heb ik zeer noodig!” (blz. 420).“O mijn God, vergeef mij, want dat heb ik zeer noodig!” (blz. 420).

“O mijn God, vergeef mij, want dat heb ik zeer noodig!” (blz. 420).

O, hij dacht er wel aan! De regen, die op het dak kletterde, de wind, die om het huis heen zuchtte, in dien nacht, hadden iets voorspellends gehad in hun treurig geluid. Hij wist nu wat hij gedaan had. Hij wist nu, dat hij datgene op zijn hoofd had geroepen, dat het lager deed bukken dan de zwaarste slag der fortuin. Hij wist nu wat het was, verworpen en verlaten te zijn, nu elke bloesem van liefde, die hij in het schuldelooze hart zijner dochter had doen verwelken, in asch veranderd op hem neersneeuwde.

Hij dacht aan haar, gelijk zij was op dien avond toen hij en zijne bruid naar huis kwamen. Hij dacht aan haar gelijk zij was onder al de huiselijke gebeurtenissen van het nu verwoeste huis. Hij dacht nu, dat, van alles om hem heen, zij alleen nooit veranderd was. Zijn zoon was tot stof vergaan, zijne trotsche vrouw was tot eene schandvlek harer sekse geworden, zijn vleier en vriend was in een schurkachtigen booswicht veranderd, zijne schatten waren weggesmolten, zelfs de muren, die hem schuilplaats gaven, zagen een vreemdeling in hem; zij alleen had hem altijd hetzelfde lieve, zachtaardige gezichtje[418]getoond. Ja, tot het laatste toe. Zij was nooit voor hem veranderd—hij was ook nooit voor haar veranderd—en zij was verloren.

Toen zij een voor een voor zijne gedachten wegzonken—zijn hoopvolle zoon, zijne vrouw, zijn vriend, zijn vermogen—o, hoe helderde toen de nevel op, waardoor hij haar gezien had, en hoe vertoonde zich toen hare ware gedaante! O, hoeveel beter dan dit, dat hij haar had liefgehad gelijk hij zijn zoon had gedaan, en haar verloren had gelijk zijn zoon, en hen te zamen in een vroegtijdig graf had gelegd!

In zijn trots—want hij was nog trotsch—liet hij de wereld zich vrij van hem verwijderen. Toen zij van hem afviel, schudde hij haar af. Hetzij hij zich verbeeldde dat haar gelaat medelijden of onverschilligheid uitdrukte, hij schuwde het evenzeer. Hij kon niet denken aan eenig gezelschap in zijne ellende, dan die eene, die hij van zich had gedreven. Wat hij tot haar zou gezegd hebben, of welken troost hij haar zou hebben toegelaten hem te geven, stelde hij zich nooit duidelijk voor. Maar hij wist altijd, dat zij hem trouw zou zijn geweest, als hij haar dat maar had toegelaten. Hij wist altijd, dat zijhemnu nog meer zou hebben liefgehad dan anders; hij was zoo zeker, dat dit in haar karakter lag, als dat er een hemel boven hem was; en zoo zat hij, in zijne eenzaamheid, van uur tot uur te denken. Dag aan dag verhaalde hem dit; nacht op nacht leerde hem die wetenschap.

Die wetenschap begon, buiten allen twijfel (hoe langzaam zij een tijd lang ook vorderde) met de ontvangst van den brief van haar jeugdigen echtgenoot, en de zekerheid dat zij weg was. En toch—zoo trotsch was hij in zijn val, of zoozeer dacht hij aan haar alleen als aan iets, dat het zijne had kunnen wezen maar dat hij onherroepelijk verloren had—dat hij, als hij hare stem in de naaste kamer had kunnen hooren, niet naar haar toe zou zijn gegaan. Als hij haar op straat had kunnen zien, en zij niet meer had gedaan dan hem aanzien, gelijk zij placht te doen, zou hij haar met een strak, onverzoenlijk gezicht zijn voorbijgegaan, en haar niet aangesproken of zijn blik verzacht hebben, al had zijn hart ook kort daarop moeten breken. Hoe woest zijne gedachten, of hoe heftig zijne gramschap ook geweest waren, toen hij pas van haar huwelijk hoorde, dat was nu alles voorbij. Hij dacht voornamelijk aan hetgeen had kunnen zijn, en zoo niet was. Wat was, lag alles daarin opgesloten, dat zij verloren was en hij van smart en berouw verging.

En nu gevoelde hij, dat hem twee kinderen in dat huis geboren waren, en dat er tusschen hem en de kale, ledige muren een band bestond, droevig, maar moeielijk los te rukken, daar hij aan eene dubbele kindsheid en een dubbel verlies was vastgeknoopt. Hij had gedacht het huis te verlaten—wetende dat hij gaan moest, hoewel niet wetende waarheen—op den avond van den dag, toen dit gevoel voor het eerst bij hem wortel vatte; maar hij besloot nog een nacht te blijven en in dien nacht nog eens al de kamers door te gaan.

In het holst van den nacht kwam hij uit zijne eenzaamheid, en met eene kaars in de hand ging hij de trap op. Van al de voetstappen daar, die de trap zoo gemeen maakten als de publieke straat, was er niet een, dacht hij, of hij had dien op zijn hoofd zelf voelen zetten, in dien tijd toen hij verborgen luisterde. Hij zag naar hun aantal, hunne haast en hunne verwarring—de eene voetstap den ander uitdelgende, en de op- en neergaande sporen elkander verdringende—en dacht, met schrik en verbazing over zich zelven, hoeveel hij in dien tijd moest geleden hebben, en hoeveel reden hij had om een veranderd mensch te zijn. Hij dacht bovendien—o, was er ergens in de wereld een voetstap, die in een oogenblik de helft van die sporen had kunnen uitwisschen!—en hij boog zijn hoofd en schreide, terwijl hij naar boven ging.

Hij zag bijna dien voetstap voor hem uitgaan. Hij bleef stilstaan, keek op naar de lantaren; en eene gedaante, zelve nog kinderlijk, maar een kind dragende, en al klimmend zingende, scheen zich daar weder te vertoonen. Wederom was het dezelfde gedaante, alleen, voor een oogenblik met ingehouden adem stilstaande, terwijl de glanzige lokken los om het betraande gezichtje krulden, en naar hem terugziende.

Hij ging de kamers door, nog kort geleden zoo vol weelde, nu zoo kaal en akelig, en naar het scheen zelfs van grootte en vorm veranderd. Het gedrang van voetstappen was hier even dicht; en dezelfde gedachte aan het lijden, dat hij verduurd had, verschrikte en verbijsterde hem. Hij begon te vreezen, dat al dat gewoel in zijne hersenen hem van zijn verstand zou brengen, en dat zijne gedachten reeds hare duidelijkheid verloren en onnaspoorlijk door elkander dwarrelden, evenals die voetstappen.

Hij wist niet eens welke van die kamers zij bewoond had toen zij alleen was. Hij verliet ze gaarne om hoogerop te gaan. Daar waren herinneringen in menigte, die met zijne valsche vrouw, zijn valschen vriend en dienaar, de valsche gronden voor zijn hoogmoed in verband stonden; maar hij schoof ze nu allen terzijde, om alleen met weemoed en jammer aan zijne twee kinderen te denken.

Overal die voetstappen! Zij hadden zelfs geen eerbied gehad voor de oude kamer omhoog, waar het ledikantje gestaan had; hij kon daar nauwelijks eene schoone plek vinden, om zich bij den muur op den grond te werpen, arme verslagene man, en zijne tranen onbedwongen te laten vloeien. Hij had hier lang geleden zoovele tranen gestort, dat hij zich in deze kamer[419]minder over zijne zwakheid schaamde dan ergens anders—misschien had hij wel met die bewustheid naar voorwendselen gezocht om hier te komen. Hier was hij met gebogen rug en op de borst gezonken hoofd binnengetreden. Hier, op de bloote planken neergeworpen, had hij in het holste van den nacht geschreid, alleen—zelfs toen nog een trotsch man, die, als eene vriendelijke hand hem had kunnen aanraken, of een vriendelijk gezicht had kunnen binnenkijken, zou zijn opgestaan en met een afgewend gelaat weder naar zijne cel zou zijn gegaan.

Toen de dag aanbrak, was hij weder in zijne kamers opgesloten. Hij had vandaag willen heengaan, maar hij klemde zich vast aan dien band in het huis, als het laatste en eenige dat hem overschoot. Hij wilde morgen gaan. Morgen kwam. Wederom wilde hij morgen gaan. Elken nacht kwam hij, zonder dat iemand het wist, zijne kamer uit en dwaalde als een spook door het geplunderde huis. Menigen ochtend zat hij achter de dichtgeschovene gordijnen van zijn venster, waar het licht nog maar flauw doorheen scheen, over het verlies van zijne twee kinderen te mijmeren. Het was nu niet één kind meer. Hij hereenigde hen in zijne gedachten, en zij waren nooit gescheiden. O, dat hij hen had kunnen vereenigen in zijne vroegere liefde en in den dood, en dat het eene niet zooveel erger dan de dood was geweest!

Sterke gemoedsbewegingen waren hem niet vreemd, zelfs voor zijne laatste rampen. Dat zijn zij nooit voor stroeve, onverzettelijke karakters, want het kost hun een harden kamp om stroef en onverzettelijk te zijn. Een lang ondermijnde grond zinkt dikwijls in een oogenblik in; wat hier op zoovele wijzen ondermijnd was, kruimelde langzamerhand al meer en meer weg, naarmate de trage uren verliepen.

Eindelijk begon hij te denken, dat hij geheel niet behoefde heen te gaan. Hij kon nog opgeven wat zijne crediteuren hem gelaten hadden (dat zij hem niet meer hadden gelaten was zijn eigen bedrijf) en den band tusschen hem en het verwoeste huis slechts te verscheuren, door dien anderen band te verscheuren, die—

Het was toen dat zijn voetstap hoorbaar werd, terwijl hij in de gewezene huishoudsterskamer op en neer ging; maar niet hoorbaar in zijne ware beteekenis, of het geluid zou schrikverwekkend zijn geweest.

De wereld was nog rusteloos met hem bezig. Dit kwam hem wederom te binnen. Zij was aan het fluisteren en babbelen. Zij was nooit stil. Dit en de ingewikkelde verwarring der voetstappen martelde hem dood. Alles begon voor zijne oogen eene roodachtige kleur aan te nemen. Dombey en Zoon was niet meer—zijne kinderen waren niet meer. Hij moest daarover denken—morgen.

Toen het morgen was geworden dacht hij er over; en terwijl hij zat te denken zag hij nu en dan in den spiegel—zijn beeld.

Een spookachtig vermagerd en vervallen afbeeldsel van zich zelven zat bij den ledigen haard te peinzen. Nu tilde dat afbeeldsel zijn hoofd op, en bezag de rimpels en holten van zijn eigen gezicht; dan liet het zijn hoofd weder hangen en peinsde weder. Nu stond het op en wandelde rond; nu ging het naar de naaste kamer en kwam terug met iets van het toilettafeltje in zijne borst. Nu keek het naar den onderkant der deur en dacht—stil! Wat dacht het?

Het dacht dat, als er bloed naar dien kant sijpelde en in het voorhuis doorlekte, het lang zou moeten duren eer het zoover kwam. Het zou zoo langzaam voortkruipen, met hier een stilstaand plasje, en dan een loopend sprankje, en weder een stilstaand plasje, dat een doodelijk gekwetste wel dood zou zijn eer hij op die manier werd ontdekt. Toen het een langen tijd daarover had gedacht, stond het weder op en stapte heen en weder met de hand in de borst. Hij zag tusschenbeide naar dat afbeeldsel, lette nieuwsgierig op de beweging daarvan, en merkte op hoe moorddadig die hand er uitzag.

Nu dacht het weder. Wat dacht het?

Of zij in het bloed zouden trappen, als het zoover gekropen was, en het door het huis dragen tusschen al die voetstappen, en zelfs naar buiten op straat.

Het zette zich neder, met de oogen op den ledigen haard, en terwijl het in gedachten verzonk kwam er een lichtglans in de kamer—een zonnestraal. Maar het bespeurde niets daarvan en bleef zitten denken. Plotseling stond het op, met een allerakeligst gezicht, en die moorddadige hand greep naar wat het in de borst had.

Toen werd de hand gestuit door een kreet van schrik, liefde en verrukking—en hij zag in den spiegel niets anders meer dan zich zelven, en aan zijne voeten, zijne dochter!

Ja! Zijne dochter! Zie hier! Op den grond, zich aan hem vastklemmende, hem roepende, biddend hare handen vouwende.

“Papa! Lieve papa! Vergeef mij, vergeef mij! Ik ben teruggekomen om op mijne knieën uwe vergiffenis te vragen. Ik kan zonder vergiffenis nooit meer gelukkig zijn.”

Nog onveranderd. Van de geheele wereld zij alleen onveranderd. Nog hetzelfde gezichtje naar hem opheffende als in dien rampzaligen nacht. En zij vraagtzijnevergiffenis!

“Lieve papa, o, zie mij zoo vreemd niet aan! Ik was nooit voornemens u te verlaten, ik had er te voren nooit aan gedacht. Ik was buiten mij zelve toen ik heenging, en kon niet nadenken. Lieve papa, ik ben veranderd. Ik heb berouw. Ik erken mijne schuld. Ik ken mijn plicht nu beter. Papa, stoot mij niet van u af, of ik zal het besterven!”

Hij waggelde naar zijn stoel. Hij voelde haar[420]zijne armen om haar hals trekken; hij voelde haar de hare om zijn hals slaan; hij voelde hare kussen op zijn gezicht; hij voelde hare vochtige wang tegen de zijne leggen; hij voelde—o, hoe diep!—al wat hij gedaan had.

Tegen de borst die hij gekneusd had, tegen het hart dat hij bijna gebroken had, legde zij zijn gezicht, nu met zijne handen bedekt, en zeide snikkende:

“Lieve papa, ik ben moeder. Ik heb een kind, dat Walter spoedig bij den naam zal noemen, waarbij ik u noem. Toen het geboren was, en ik gevoelde hoe lief ik het had, gevoelde ik ook wat ik gedaan had toen ik u verliet. Vergeef mij, lieve papa. O, zeg dat God mij en mijn kindje zegene!”

Hij zou het gezegd hebben, als hij kon. Hij zou zijne handen hebben opgeheven en haar om vergiffenis gesmeekt, maar zij vatte ze in de hare en trok ze snel naar omlaag.

“Mijn kindje werd op zee geboren, papa. Ik bad God (en dat deed Walter ook) om mij te sparen, dat ik thuis mocht komen. Zoodra ik aan land kon gezet worden, kwam ik naar u toe. Laten wij nu nooit meer gescheiden worden, lieve papa, nooit meer gescheiden worden!”

Zijn hoofd, nu grijs, werd door haar arm omvangen; en hij slaakte een kermenden zucht bij de gedachte, dat hij nog nooit zoo gerust had.

“Gij zult toch met mij naar huis komen, papa, en mijn kindje zien. Een jongen, papa. Hij heet Paul. Ik denk—ik hoop—hij gelijkt—”

Hare tranen stuitten haar.

“Lieve papa, om mijn kind, om den naam, dien wij het gegeven hebben, om mijnentwil, vergeef Walter. Hij is zoo goed en teer voor mij. Ik ben zoo gelukkig met hem. Het was zijne schuld niet, dat wij getrouwd werden. Het was de mijne. Ik had hem zoo lief.”

Zij omhelsde hem nog vaster en teerder.

“Hij is de lieveling van mijn hart, papa. Ik zou voor hem sterven. Hij zal u liefhebben en eeren evenals ik zal doen. Wij zullen ons kindje leeren om u lief te hebben en te eeren; wij zullen hem zeggen, als hij het verstaan kan, dat gij eens een zoon van dien naam hebt gehad, en dat hij stierf, en dat gij zeer bedroefd waart; maar dat hij in den hemel is, waar wij allen hem hopen te zien, als onze tijd van rusten komt. Geef mij een kus, papa, als belofte, dat gij u met Walter zult verzoenen—met mijn beminden man—met den vader van het kind, dat mij geleerd heeft terug te komen.”

Toen zij, opnieuw in tranen uitbarstende, hem nog vaster omhelsde, gaf hij haar een kus en zijne oogen opslaande, zeide hij: “O mijn God, vergeef mij, want dat heb ik zeer noodig!”

Toen liet hij zijn hoofd weder zinken, en beklaagde haar en liefkoosde haar, en lang, zeer lang was er geen geluid in huis, en bleven zij in elkanders armen gesloten; in dien heerlijken zonneschijn, die met Florence was binnengeslopen.

Hij kleedde zich om uit te gaan, zich gedwee onderwerpende aan hare bede; en met zwakke schreden, bevend omziende naar de kamer, waarin hij zoolang was opgesloten, en waar hij zijn beeld in den spiegel had gezien, ging hij met haar het voorhuis in. Florence, nauwelijks rondkijkende, opdat zij hem niet opnieuw aan hunne laatste scheiding zou herinneren—want hunne voeten waren op dezelfde steenen, waar hij in zijne blinde razernij naar haar had geslagen—en dicht bij hem blijvende, met hare oogen naar de zijne en zijn arm om haar heen, bracht hem naar eene koets, die voor de deur stond te wachten, en nam hem mede.

Toen kwamen jufvrouw Tox en Polly uit haar schuilhoek, en juichten met tranen. En toen pakten zij zijne kleederen en boeken zeer zorgvuldig in, en gaven ze des avonds aan de lieden, die Florence zond om ze te halen. En toen dronken zij een laatst kopje thee in het eenzame huis.

“En zoo heeft Dombey en Zoon, gelijk ik bij zekere gelegenheid aanmerkte,” zeide jufvrouw Tox, aan het eind van een geheelen sleep van herinneringen, “toch eene dochter moeten wezen, Polly.”—“En wat eene goede dochter!” riep Polly uit.—“Daar hebt gij gelijk in,” zeide jufvrouw Tox; “en het strekt u tot eer, Polly, dat gij altijd hare vriendin zijt geweest, toen zij nog een klein kind was. Gij zijt hare vriendin geweest, lang voor dat ik het was, Polly,” zeide jufvrouw Tox, “en ge zijt een goed schepsel.—Robin!”

Jufvrouw Tox richtte dit woord tot een jong mensch, met een rond hoofd, dat niet in de beste omstandigheden en zeer neerslachtig van geest scheen te zijn, en in een afgelegen hoek zat. Opstaande, vertoonde hij de trekken en gestalte van den Slijper.

“Robin,” zeide jufvrouw Tox, “ik heb zoo even tegen uwe moeder aangemerkt, gelijk gij wel zult gehoord hebben, dat zij een goed schepsel is.”—“En dat is zij ook, jufvrouw,” zeide de Slijper, niet zonder gevoel.—“Heel goed, Robin,” hervatte jufvrouw Tox, “het verheugt mij u dat te hooren zeggen. Nu, Robin, daar ik u, op uw dringend verzoek, als mijn bediende op de proef zal nemen, om u weder tot een fatsoenlijken jongen te maken, wil ik deze treffende gelegenheid waarnemen om aan te merken, dat ik hoop dat gij nooit zult vergeten, dat gij eene goede moeder hebt, en gij pogen zult u zoo te gedragen dat gij haar tot een troost zijt.”—“Bij mijne ziel, dat wil ik, jufvrouw,” antwoordde de Slijper. “Ik heb veel uitgestaan en mijne voornemens zijn nu zoo goed, als een arme drommel—”—“Gij moest u dat woord afwennen, Robin, als het u belieft,” viel jufvrouw Tox er zeer beleefd op in.—“Als het u belieft, jufvrouw, als een arme stakker dan—”—“Verplicht, Robin,”[421]antwoordde jufvrouw Tox. “Maar ik zou liever zeggen als een redelijk wezen.”—“Als een redelijk wezen,” zeide de Slijper.—“Veel beter,” zeide jufvrouw Tox vergenoegd.—“Dat drukt veel meer uit.”—“Ze maar hebben kan,” vervolgde Rob. “Als men geen Slijper van mij gemaakt had, jufvrouw en moeder, dat een allerongelukkigst ding was voor zulk een armen drom—voor een redelijk wezen.”—“Heel goed,” merkte jufvrouw Tox tevreden aan.—“En als ik niet door de vogels op een slechten weg was gebracht en toen in een slechten dienst was gekomen,” zeide de Slijper, “hoop ik dat ik het beter zou hebben gemaakt. Maar het is nooit te laat voor een—”—“Redelijk,” blies jufvrouw Tox hem in.—“Wezen,” zeide de Slijper, “om zich te beteren; en ik hoop mij te beteren, jufvrouw, als ge mij op de proef wilt nemen; en ik verzoek moeder, om vader en mijne broertjes en zusjes van mij te groeten, en het hun te zeggen.”—“Het verheugt mij buitengemeen dit van u te hooren,” zeide jufvrouw Tox. “Wilt gij eene boterham gebruiken en een kopje thee, Robin, eer wij gaan?”

De Slijper weigerde niet, en at alsof hij langen tijd op kort rantsoen had gestaan.

Toen jufvrouw Tox en Polly zich met hoeden en doeken hadden gereedgemaakt om te vertrekken, gaf Rob zijne moeder een kus en volgde hij zijne nieuwe meesteres; terwijl Polly hem hopend nazag, met iets in hare oogen, dat lichtende kringen om de gaslantarens veroorzaakte. Toen sloot Polly de straatdeur, bracht den sleutel bij iemand in de buurt, en liep zoo hard zij kon naar huis, zich vooraf verheugende in de schelklinkende blijdschap, welke hare onverwachte komst zou veroorzaken. Het groote huis, stom voor alles wat er in geleden was en al de veranderingen die het had gezien, bleef somber de straat aanstaren, en wees alle nadere vragen af met het bericht, dat het te huur was.


Back to IndexNext