[Inhoud]LX.VOORNAMELIJK OVER HUWELIJKSZAKEN.Het groote halfjaarlijksche feest, dat door doctor Blimber gegeven werd, en waarop al de jonge heeren werden genoodigd, was naar behooren gevierd; en de jonge heeren hadden zich, zonder onvoegzame betooning van lichtzinnige blijdschap en verzadigd van geleerdheid, naar huis begeven. Skettles ging het land uit, om zijn vader Sir Barnet Skettles te gaan opzoeken, wiens innemende manieren hem eene diplomatische betrekking hadden verschaft, waarvan de honneurs door hem en Lady Skettles tot algemeen genoegen—zelfs van hunne eigene landgenooten—werden waargenomen; iets, dat bijna voor een mirakel werd gehouden. Tozer, thans een rijzig jonkman, was zoo vol oudheidkunde, dat hij in zijne kennis van het Engelsch bijna met een echten ouden Romein gelijkstond: een roem, die zijne goede ouders met de teederste aandoeningen vervulde, en den vader en moeder van Briggs (wiens geleerdheid, gelijk slecht gepakte bagage, zoo in de war lag, dat hij nooit kon vinden wat hij noodig had) met schaamte het hoofd deed verbergen. De vruchten, welke de laatste jonge heer met veel moeite van den boom der kennis had geplukt, waren zoodanig gebroeid, dat zij, gelijk heel ontijdig fruit, niets van den waren smaak hadden behouden. Jonge heer Bitherstone, bij wien het forceerstelsel het minder ongelukkige en niet ongewone gevolg had van niet den minsten duurzamen indruk na te laten, was veel beter op zijn gemak, en zich thans aan boord van een naarBengalenbestemd schip bevindende, was hij met zulk een bewonderenswaardigen spoed aan het vergeten, dat het twijfelachtig was of zelfs zijne declinatiën van substantieven tot aan het eind van de reis zouden duren.Toen doctor Blimber, op den ochtend van het feest, volgens zijne vaste gewoonte had moeten zeggen: “Jonge heeren, op den vijf en twintigsten der volgende maand zullen wij onze studiën hervatten,” was hij van zijne vaste gewoonte afgeweken en had gezegd: “Jonge heeren, toen onze vriend Cincinnatus zich naar zijne hoeve terug begaf, leest men niet, dat hij den senaat een Romein voorstelde, dien hij tot zijn opvolger zocht te benoemen. Doch er is hier een Romein,” zeide doctor Blimber, en legde zijne hand op Feeder’s schouder, “adolescens imprimis gravis et doctus, jonge heeren, wien ik, een tweede Cincinnatus, aanmijnkleinen senaat, als hun toekomstigen dictator wensch voor te stellen. Jonge heeren, op den vijf en twintigsten der volgende maand zullen wij onze studiën hervatten, onder de auspiciën van mijnheer Feeder.” Op dit bericht (hetwelk doctor Blimber de ouders vooraf beleefdelijk had medegedeeld) lieten de jonge heeren een eerekreet hooren; en Tozer bood den doctor, in aller naam, een inktkoker aan, met eene redevoering, die zeer weinig van de moedertaal, maar vijftien aanhalingen uit het Latijn en zeven uit het Grieksch bevatte, hetgeen de jongsten der jonge heeren met ongenoegen en wangunst vervulde, en hen deed zeggen: “Wel ja, het was heel mooi voor dien langen Tozer, maar zij hadden hun geld niet gegeven om er langen Tozer mee te laten pronken; hadden zij wel? Wat had lange Tozer er meer part aan dan de anderen? Het waszijninktkoker immers niet? Waarom kon hij niet van het goed van anderen afblijven?” met andere uitdrukkingen van ontevredenheid, waaraan zij niet beter lucht schenen te kunnen geven dan door hem langen Tozer te noemen.[422]Geen woord was den jongen heeren gezegd, geen wenk was hun gegeven van een aanstaand huwelijk tusschen mijnheer Feeder en de schoone Cornelia Blimber. Doctor Blimber vooral scheen moeite te doen om een gezicht te zetten alsof niets hem meer zou verrassen; maar de jonge heeren wisten het toch zeer wel, en toen zij vertrokken om het gezelschap hunner betrekkingen en vrienden te gaan opzoeken, was het met eerbiedig ontzag, dat zij van mijnheer Feeder afscheid namen.Feeder’s romaneske droomen waren vervuld. De doctor had besloten het huis van buiten te laten schilderen en geheel te repareeren, en zijne zaak en Cornelia aan hem over te doen. Het schilderen en repareeren begon daags nadat de jonge heeren vertrokken, en ziet! nu was de bruiloftsochtend gekomen, en Cornelia, met een nieuwen bril, stond gereed om zich naar het huwelijksaltaar te laten leiden.De doctor met zijne geleerde beenen, en mevrouw Blimber met een lila hoed, en mijnheer Feeder, met zijne knokkige vingers en borstelig hoofd, en mijnheer Feeder’s broeder, de eerwaarde heer Alfred Feeder, die de plechtigheid zou verrichten, waren allen in het salon bijeen, en Cornelia, met hare oranjebloesems en bruidsjuffertjes, was juist naar beneden gekomen en zag er, gelijk van ouds, wat ingeknepen maar allerbekoorlijkst uit, toen de deur geopend werd, en de jonkman met slechte oogen, met luider stem, de volgende proclamatie deed:“Mijnheer en mevrouw Toots!”En daarop trad Toots binnen, zeer zwaarlijvig geworden en met eene dame aan den arm, die zeer fraai en met smaak gekleed was, en zeer heldere zwarte oogen had.“Mevrouw Blimber,” zeide Toots, “laat ik u mijne vrouw mogen presenteeren.”Mevrouw Blimber was verrukt haar te mogen recipieeren. Mevrouw Blimber was wel wat uit de hoogte, maar toch zeer vriendelijk.“En daar ge mij lang gekend hebt, weet ge,” zeide Toots, “laat ik u mogen verzekeren, dat zij een van de buitengemeenste vrouwenis, die er ooit geleefd hebben.”—“Maar lieve!” zeide mevrouw Toots.—“Op mijn woord van eer, dat is zij,” zeide Toots, “Ik—ik verzeker u, mevrouw Blimber, zij is eene zeer buitengemeene vrouw.”Mevrouw Toots lachte vroolijk, en mevrouw Blimber bracht haar naar Cornelia. Toen Toots deze insgelijks zijn compliment had gemaakt, en zijn ouden leermeester begroet, die, met toespeling op den huwelijken staat, zeide: “Wel zoo, Toots. Dus zijt ge nu in ons gild gekomen, Toots!” ging hij met Feeder ter zijde naar een venster.Mijnheer Feeder, die zeer vroolijk was, plaatste zich in de houding van een bokser, en gaf Toots kunstmatig een stootje op het borstbeen.“Wel, oude jongen!” zeide Feeder lachende. “Daar zijn wij er. Allebei gevangen. He?”— “Feeder,” antwoordde Toots, “ik feliciteer u. Als gij zoo—zoo—zoo volmaakt gelukkig zijt in den echten staat, als ik ben, zult gij niets meer te verlangen hebben.”—“Ik vergeet mijne oude vrienden niet, ziet ge,” zeide Feeder. “Ik vraag ze op mijne bruiloft.”—“Feeder,” antwoordde Toots met ernst, “de zaak is, dat er verscheidene omstandigheden bestonden, die mij verhinderden om u iets mede te deelen voordat mijn huwelijk voltrokken was. Vooreerst had ik mij, wat jufvrouw Dombey betreft, als een redeloos dier bij u aangesteld; en ik gevoelde wel, als ik u op eene bruiloft vroeg, dat ge natuurlijk zoudt denken dat het met jufvrouw Dombey was, waardoor ophelderingen te pas zouden zijn gekomen, die mij, op mijn woord van eer, in die crisis, geheel overstelpt zouden hebben. Ten tweede, werd ons huwelijk zeer stil gehouden; want er was niemand bij dan een vriend van mij en mijne vrouw, die kapitein is bij—ik weet eigenlijk niet recht waarbij,” zeide Toots, “maar dat is van geen beduiden. Ik hoop, Feeder, dat ik, door u een bericht van het voorgevallene te schrijven, eer mevrouw Toots en ik op reis gingen, aan al de verplichtingen der vriendschap heb voldaan.”—“Toots, mijn jongen,” zeide Feeder, hem de hand gevende, “ik stak er den gek maar mee.”—“En nu, Feeder,” zeide Toots, “zou ik gaarne willen weten, wat gij van mijn huwelijk denkt.”—“Ik vind het heerlijk,” antwoordde Feeder.—“Zoo, vindt gij het heerlijk, Feeder?” zeide Toots met grooten ernst. “Hoe heerlijk moet ik het dan niet vinden! Want gij kunt nooit weten welk eene buitengemeene vrouw zij is.”Feeder wilde dit gaarne op goed geloof aannemen maar Toots schudde zijn hoofd en wilde er niet van hooren dat dit mogelijk zou zijn.“Gij ziet wel,” zeide Toots, “watikmet eene vrouw noodig had, was—kortom, was verstand.Geld, Feeder, had ik wel. Verstand had ik—had ik niet veel.”Feeder prevelde: “O ja wel, Toots, dat hadt ge wel!” Maar Toots zeide:“Neen, Feeder, dat had ik niet. Waarom zou ik het verbloemen? Dat had ik niet. Ik wist datdaarverstand was,” zeide Toots, naar zijne vrouw wijzende, “bij hoopen. Ik had geene betrekkingen, die zich over rang of stand konden ergeren of boos maken, want ik had geheel geene betrekkingen. Ik heb nooit iemand gehad, die mij toekwam, behalve mijn voogd; en hem, Feeder, heb ik altijd voor een struikroover gehouden. Dus was het niet te denken, weet ge,” zeide Toots, “dat ik naar zijne meening zou vragen.”—“Neen,” zeide Feeder.—“Derhalve ging ik naar mijne eigene meening te werk,” hervatte Toots, “en het was een gelukkige dag toen ik dat deed, Feeder. Niemand dan ik alleen kan zeggen hoeveel verstand die vrouw heeft. Als de rechten der vrouwen en al die soort van dingen[423]ooit goed te recht gebracht worden, zal haar krachtig verstand het moeten doen.—Suze, melieve,” zeide Toots, plotseling om het gordijn van het venster kijkende, “maak het u toch niet te druk!”—“Ik praat maar, beste,” zeide mevrouw Toots.—“Maar, liefje,” hervatte Toots, “ik bid u, maak het u toch niet te druk. Gij moet waarlijk voorzichtig zijn. Maak het u toch niet te druk, lieve Suze; zij raakt zoo licht opgewonden,” zeide Toots, ter zijde tot mevrouw Blimber, “en dan vergeet zij den dokter heel en al.”Mevrouw Blimber hield mevrouw Toots de noodzakelijkheid voor om voorzichtig te zijn, toen Feeder haar zijn arm bood om haar naar een van de koetsen te brengen, waarmede men naar de kerk zou rijden. Doctor Blimber geleidde mevrouw Toots, en Toots de schoone bruid, om welker stralenden bril twee gazige bruidsjuffertjes als vlindertjes fladderden. Feeder’s broeder, de eerwaarde heer Alfred Feeder, was reeds vooruitgegaan.De plechtigheid werd met alle staatsie verricht. Cornelia, met hare gekroesde krulletjes, hield zich zeer bedaard; en doctor Blimber gaf haar weg als een man, die daartoe ten volle besloten was. De gazige bruidsjuffertjes schenen het meest ontroerd. Mevrouw Blimber was aangedaan, maar met mate, en zeide den eerwaarden heer Alfred Feeder onderweg naar huis, dat zij, als zij Cicero maar in zijne afzondering teTusculumgezien had, nu geen wensch meer onvoldaan zou hebben.Er volgde een ontbijt, dat tot hetzelfde kleine gezelschap beperkt bleef, en waarbij Feeder geducht vroolijk was en zijne vroolijkheid zoodanig aan mevrouw Toots mededeelde, dat men Toots verscheidene malen over de tafel heen hoorde zeggen: “Lieve Suze, maak het u toch niet te druk!” Het fraaiste van alles was, dat Toots zich verplicht achtte om eene aanspraak te houden en, in weerwil van alle telegrafische teekenen zijner vrouw om het hem te ontraden, dit werkelijk voor het eerst van zijn leven deed.“Ik kan waarlijk, in dit huis,” zeide Toots, “waar ik—wat er ook somtijds met—met mijne hersenen mocht gedaan zijn—dat van geen beduiden is en ik ook niemand verwijt—altijd als een lid van doctor Blimber’s familie ben behandeld, en lang zelfs een eigen lessenaar heb gehad—mijn vriend Feeder niet zien—”—“Trouwen,” blies mevrouw Toots hem in.—“Het zal bij deze gelegenheid niet ongepast en niet geheel onbelangrijk wezen,” zeide Toots met een vergenoegd gezicht, “hier aan te merken, dat mijne vrouw eene zeer buitengemeene vrouw is, en dit veel beter zou doen dan ik zelf—mijn vriend Feeder niet zien trouwen—inzonderheid met—”—“Met jufvrouw Blimber,” fluisterde mevrouw Toots hem toe.—“Met mevrouw Feeder, lieve,” zeide Toots, op den zachten toon eener afzonderlijke redewisseling. “Wat God vereenigd heeft, zal niemand—weet ge wel? Ik kan mijn vriend Feeder niet zien trouwen,inzonderheidmet mevrouw Feeder—zonder hunne—hunne toasten in te stellen; en moge,” zeide Toots, zijne oogen op zijne vrouw vestigende, als om zich daardoor tot eene hooge vlucht te inspireeren, “de toorts van Hymen een vreugdevuur voor hen wezen, en mogen de bloemen, die wij heden op hun pad hebben gestrooid, alle—alle somberheid verbannen.”Doctor Blimber, die veel van zinnebeeldige uitdrukkingen hield, klapte zachtjes in zijne handen en zeide knikkende: “Zeer wel gezegd, Toots, zeer wel gezegd, inderdaad.” Feeder antwoordde met eene schertsende dankbetuiging, met gevoel getemperd. Zijn eerwaarde broeder bracht een zeer fraaien toast op den doctor en mevrouw Blimber uit, en de bruidegom zelf wederom een nauwelijks minder fraaien op de glanzige bruidsjuffertjes. Toen ontboezemde doctor Blimber met eene galmende stem en in een pastoralen trant eenige gedachten over het rieten dak, waaronder hij met mevrouw Blimber zou gaan wonen, en over de bijen, die om hunne stulp zouden gonzen. Kort daarna hief de voorzichtige mevrouw Blimber—daar des doctors oogen opmerkelijk begonnen te flikkeren, en zijn schoonzoon reeds had aangemerkt, dat de klok voor de gekken gemaakt was, en gevraagd had of mevrouw Toots ook zong—de zitting op, en zond Cornelia, zeer koel en rustig, met den man van haar hart in eene postkoets heen.Mijnheer en mevrouw Toots begaven zich naar deBedford(mevrouw Toots was daar in vroeger tijd, toen zij nog Nipper heette, meer geweest) en vonden daar een brief, waaraan Toots zulk een geducht langen tijd besteedde om hem te lezen, dat mevrouw Toots er ongerust over werd.“Lieve Suze,” zeide Toots, “ongerustheid en schrik zijn nog erger dan drukte. Ik bid u, blijf toch bedaard!”—“Van wien is hij?” zeide mevrouw Toots.—“Wel melieve,” was het antwoord, “van kapitein Gills. Schrik nu maar niet. Walters en jufvrouw Dombey worden thuis gewacht.”—“Beste,” zeide mevrouw Toots, haastig en zeer bleek van de sofa opstaande, “wil mij maar niet bedriegen, want dat baat toch niet. Zij zijn thuis gekomen—dat zie ik duidelijk aan uw gezicht.”—“Zij is toch eene buitengemeene vrouw!” riep Toots met bewonderende verrukking uit. “Gij hebt volkomen gelijk, lieve, zij zijn thuis. Jufvrouw Dombey heeft haar vader gezien, en zij zijn verzoend.”—“Verzoend!” riep mevrouw Toots, hare handen samenslaande.—“Lieve,” zeide Toots, “ik bid u, maak het u toch niet te druk. Denk om den dokter. Kapitein Gills zegt—of eigenlijk zegt hij dat niet, maar ik verbeeld mij, dat ik uit zijn schrijven kan begrijpen—dat jufvrouw Dombey haar ongelukkigen vader uit zijn oude huis heeft weggehaald en meegenomen, naar dat waar zij en Walters wonen—dat hij daar heel ziek ligt—stervende, naar men[424]denkt, en dat zij hem nacht en dag oppast.”Mevrouw Toots begon bitter te schreien.“Liefste Suze,” zeide Toots, “als gij eenigszins met mogelijkheid kunt, denk dan toch om den dokter. Als gij niet kunt, is het van geen beduiden; maar doe er toch uw best toe.”Zijne vrouw, die eensklaps hare oude manieren weder aannam, bad hem zoo aandoenlijk om haar naar haar lievelingetje, haar meesteresje te brengen, dat Toots, wiens medelijden en bewondering even groot waren, van ganscher harte daarin bewilligde, en zij afspraken om terstond te vertrekken en in eigen persoon antwoord te brengen op den brief des kapiteins.Nu hadden zekere toevalligheden den kapitein (naar wien mijnheer en mevrouw Toots zoo spoedig op reis zouden gaan) dien dag zelven op het bloemenpad des huwelijks gebracht, niet als hoofdpersoon, maar als getuige. Dit had zich aldus toegedragen.Toen de kapitein, tot zijn onbeschrijfelijk genoegen, Florence en haar kindje voor een oogenblik had gezien, en een langen tijd met Walter gepraat, ging hij eene wandeling doen, daar hij het noodig achtte eens eenzaam na te denken over de wisselvalligheid der menschelijke zaken, en zijn blinkenden hoed te schudden over het ongeluk van mijnheer Dombey, met wien hij innig medelijden had. Hij zou zich zelfs zeer droefgeestig over het lot van dien heer hebben gemaakt, als hij niet om het kindje had gedacht, dat hem, telkens als het hem in het hoofd kwam, zoozeer verheugde, dat hij hardop lachende langs de straat stapte, en zelfs meer dan eens, in eene vlaag van plotselinge verrukking, tot verbazing der aanschouwers, zijn blinkenden hoed omhoogwierp en weder opving. De snelle afwisselingen van licht en schaduw, waaraan deze twee tegenstrijdige onderwerpen van bespiegeling den kapitein blootstelden, hadden zulk een invloed op zijne gemoedsrust, dat hij gevoelde eene lange wandeling noodig te hebben om tot bedaren te komen; en daar streelende herinneringen hiertoe veel konden bijdragen, verkoos hij eens in zijne oude buurt te gaan rondwandelen, tusschen masten, roeispanen, blokkenmakers, scheepsbeschuitbakkers, kolendragers, teerketels, matrozen, kanalen, dokken, draaibruggen en andere kalmeerende voorwerpen.Deze vreedzame tooneelen werkten zoo weldadig op het gemoed des kapiteins, dat hij met stille tevredenheid voortwandelde, en zich zelfs binnensmonds met het liedje van Mooie Peggy verlustigde, toen hij, een hoek omslaande, eensklaps sprakeloos bleef staan op het gezicht van een zegepralenden optocht, die naar hem toekwam.Aan het hoofd van dien stoet was de geduchte jufvrouw MacStinger, die met een gezicht vol onverzettelijke vastberadenheid, en met een reusachtig horloge op hare steenharde borst pronkende, hetwelk de kapitein terstond als het eigendom van Bunsby herkende, niemand anders dan dien diepdenkenden zeeman zelven onder den arm had; terwijl hij, met het neerslachtig verstrooide gezicht van een gevangene, die in een vreemd land wordt weggevoerd, zich geduldig aan haar wil overgaf. Achter deze kwamen de kleine MacStinger’s in een troepje, juichende, en achter deze twee dames, van onverschrokken uitzicht, met een kort heertje met een hoogen hoed tusschen haar beiden, die insgelijks juichte; geheel achteraan Bunsby’s jongen, met paraplu’s beladen. De schrikkelijk pralende opschik der geheele bende zou, al hadden de dames niet zoo vastberaden en onverschrokken gekeken, genoegzaam hebben aangeduid dat de trein een offerstoet, en dat Bunsby het slachtoffer was.De eerste gedachte des kapiteins was aan den loop te gaan. Dit scheen ook de eerste gedachte van Bunsby te zijn, hoe hopeloos de uitvoering daarvan ook moest blijken. Maar toen er een herkenningskreet uit het gezelschap opging, en Alexander MacStinger met opene armen naar den kapitein kwam toeloopen, streek deze de vlag.“Wel, kapitein Cuttle!” zeide jufvrouw MacStinger. “Dat is wel toevallig. Ik ben nu niet meer kwaad op u, kapitein Cuttle; gij behoeft niet bang te zijn dat ik iets meer zal zeggen. Ik hoop in een anderen geest naar het altaar te gaan.” Hier zweeg zij even, blies met eene lange inademing hare borst op, en zeide, op het slachtoffer doelende: “Mijn aanstaande, kapitein Cuttle.”De neerslachtige Bunsby keek rechts noch links, noch naar zijne bruid, noch naar zijn vriend, maar vlak voor zich naar niets. Toen de kapitein zijne hand uitstak, stak Bunsby ook de zijne uit; maar op des kapiteins groet sprak hij geen woord.“Kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, “als gij oude grieven wilt genezen, en uw vriend, mijn aanstaande, nog op het laatste oogenblik zien als jong gezel, zullen wij blijde zijn met uw gezelschap naar de kerk. Hier is eene jufvrouw,” zeide zij, zich naar de onverschrokkenste der twee dames keerende, “mijne bruidsjuffer, die gaarne uw geleide zal aannemen, kapitein Cuttle.”De korte heer met den hoogen hoed, die de echtgenoot der andere dame bleek te zijn, en zich blijkbaar verheugde, dat een zijner medemenschen tot zijn eigen staat zou verlaagd worden, liet de bedoelde dame daarop los; welke toen dadelijk kapitein Cuttle beetpakte, en aanmerkende dat men geen tijd te verzuimen had, met eene forsche stem bevel gaf om op te marcheeren.Des kapiteins bekommering over zijn vriend, niet ongemengd in het eerst met bekommering over zich zelven—want eene onbestemde vrees, dat hij wel met geweld getrouwd zou kunnen worden, vervulde hem, tot zijne kennis van het formulier hem te hulp kwam, en hij zich de wettige verplichting herinnerde om te zeggen: “Ik[425]wil,” zich persoonlijk veilig achtte zoolang hij voornemens was om op alle vragen duidelijk te antwoorden: “Ik wil niet”—bracht hem geweldig aan het zweeten, en belette hem eene poos op te merken, welken weg de stoet nam en wat er gesproken werd. Toen zijne ontroering wat bedaarde, vernam hij van zijne dame, dat zij de weduwe van zekeren mijnheer Bokum was, die een post aan het tolkantoor had gehad; dat zij de dierbaarste vriendin van jufvrouw MacStinger was, welke zij als een voorbeeld voor hare sekse beschouwde; dat zij dikwijls van den kapitein had gehoord, van wien zij hoopte dat zijn vroeger leven hem berouwde; dat zij vertrouwde dat Bunsby wel wist welk een zegen hem ten deel viel, maar dat zij vreesde dat de mannen zelden wisten wat zulke zegeningen waren, voordat zij ze verloren; met nog meer van dien aard.“Neen, neen!” riep Florence, terugdeinzende toen zij opstond, en de handen uitstekende om haar van zich af te weren. “Mama!” (blz. 430).“Neen, neen!” riep Florence, terugdeinzende toen zij opstond, en de handen uitstekende om haar van zich af te weren. “Mama!”(blz. 430).Al dien tijd kon de kapitein niet nalaten op te merken, dat jufvrouw Bokum den bruidegom nauwlettend in het oog hield, en dat zij, als men aan den hoek van een steegje kwam, hetwelk eene vlucht scheen te kunnen begunstigen, zich gereed hield om zulk eene vlucht desnoods te beletten. Ook de andere dame en haar man, het korte heertje met den hoogen hoed, waren blijkbaar, volgens afspraak, op hunne hoede; en bovendien hield jufvrouw MacStinger den ongelukkigen Bunsby zoo stevig vast, dat elke poging om te ontsnappen verijdeld moest worden. Dit viel[426]zelfs het gepeupel in het oog, dat door schreeuwen en uitjouwen zijn begrip van de zaak aan den dag legde; waarvoor de geduchte jufvrouw MacStinger zich geheel onverschillig hield, terwijl Bunsby zelf in een staat van bewusteloosheid scheen te verkeeren.De kapitein deed verscheidene pogingen om zich met dezen philosoof in gemeenschap te stellen, al was het maar door een enkel woord of een teeken; maar dit mislukte hem telkens, zoowel door de waakzaamheid der wacht, als door de moeielijkheid, die het altijd inhad om door eenig zichtbaar teeken Bunsby’s aandacht te trekken. Zoo naderden zij de kerk, een net, van binnen en van buiten gewit gebouw, onlangs door den eerwaarden Melchizedek Hawler gehuurd, die op dringend aanzoek had toegegeven dat de wereld nog twee jaren in wezen zou blijven, maar zijne volgelingen had onderricht dat zij dan stellig moest vergaan.Terwijl de eerwaarde Melchizedek een lang gebed deed, nam de kapitein eene gelegenheid waar om den bruidegom in het oor te brommen:“Hoe gaat het, mijn jongen, hoe gaat het?”Waarop Bunsby, met eene vergetelheid van den eerwaarden Melchizedek, die alleen door zijne wanhopige omstandigheden kon verontschuldigd worden, antwoordde:“Verd … md slecht.”—“Jack Bunsby,” fluisterde de kapitein, “doet gij dit hier uit eigen vrijen wil?”Bunsby antwoordde: “Neen!”—“Waarom doet gij het dan, mijn jongen?” vroeg de kapitein niet onnatuurlijk.Bunsby, altijd nog met een onbeweeglijk gezicht naar den anderen kant van de wereld kijkende, gaf geen antwoord.“Waarom scheert gij u niet weg?” zeide de kapitein.—“He?” fluisterde Bunsby, met eene oogenblikkelijke schemering van hoop.—“Scheer je weg,” zeide de kapitein.—“Wat zou het baten?” antwoordde de neerslachtige wijze. “Zij zou mij toch wel weer pakken.”—“Probeer maar!” hernam de kapitein. “Moed gehouden! Kom aan! Nu is het tijd. Loop, Jack Bunsby!”Maar in plaats van dien raad te volgen, antwoordde Jack Bunsby akelig fluisterend:“Het is alles begonnen met die kist van u. Waarom heb ik haar dien avond ooit konvooi gegeven?”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein met schrik, “ik dacht dat gij haar den baas waart, en niet zij u. Een man, die zulke gevoelens heeft als gij!”Bunsby slaakte slechts een gesmoorden zucht.“Kom aan!” zeide de kapitein, hem met zijn elleboog aanstootende. “Nu is het tijd. Loop! Ik zal u den rug dekken. De tijd vliegt om. Bunsby! Het is voor de vrijheid. Wilt gij?—eens.”Bunsby bleef onbeweeglijk.“Bunsby,” fluisterde de kapitein. “Wilt gij?—tweemaal.”Bunsby wilde nog niet.“Bunsby!” drong de kapitein. “Het is voor de vrijheid. Wilt gij?—driemaal. Nu of nooit.”Bunsby deed het nooit, want een oogenblik later was hij met jufvrouw MacStinger getrouwd.Eene der akeligste omstandigheden der geheele plechtigheid voor den kapitein was de doodelijke belangstelling, welke Juliana MacStinger liet blijken, en de noodlottige aandacht, waarmede dat veelbelovende kind, alreeds het evenbeeld harer moeder, alles gadesloeg wat er gebeurde. De kapitein zag daarin eene oneindig voortloopende reeks van valstrikken voor mannen—eeuwen van druk en dwang, waartoe de zeevaarders gedoemd waren. Het gezicht was veel opmerkelijker dan de onverzettelijke onverschrokkenheid van jufvrouw Bokum en de andere dame, de blijdschap van het korte heertje met den hoogen hoed, of zelfs de wreede onverschilligheid van jufvrouw MacStinger. De jongeheeren MacStinger begrepen weinig van hetgeen er voorviel, en gaven er nog minder om, daar zij onder de plechtigheid voornamelijk bezig waren met op elkanders laarzen te trappen; het contrast met deze ellendige kinderen deed echter de vroegrijpe vrouw in Juliana des te heerlijker uitkomen. Nog een paar jaren, dacht de kapitein, en het zou iemand slecht bekomen te gaan logeeren waar dat kind was.De plechtigheid werd besloten met een algemeenen aanval der jeugdige familie op Bunsby, die met den teederen naam van vader begroet en om halve stuivers gevraagd werd. Toen deze uitstortingen van gevoel waren afgeloopen, en de stoet gereed was om weder te vertrekken, werd men nog eene poos opgehouden door een onverwachten inval van Alexander MacStinger. Dat lieve kind denkende, dat in eene kerk buiten de gewone godsdienstoefening niets anders kon gebeuren dan begraven, verbeeldde zich vast, dat zijne moeder nu begraven en voor altijd voor hem verloren was; en in den angst dezer overtuiging schreeuwde hij zoo hard, dat hij er blauw van in het gezicht werd. Hoe treffend dat blijk van teerhartigheid ook voor zijne moeder was, lag het niet in het karakter dier buitengemeene vrouw te dulden, dat deze zwakheid al te ver werd gedreven. Nadat zij dus vruchteloos gepoogd had haar zoontje door stompen, schudden, toesnauwen en dergelijke middelen tot een beter begrip te brengen, bracht zij het in de opene lucht en beproefde eene andere methode, waarvan het gezelschap kennis kreeg door eene snelle opvolging van scherpe geluiden, naar een applaudissement gelijkende, en daarna door Alexander, met een rood gezicht en luid weeklagende, op den koudsten steen van het kerkpleintje te zien zitten.De processie, nu gereed om naarBrig Placeterug te keeren, waar een bruiloftsmaal bereid was, begaf zich weder op weg, niet zonder dat Bunsby van de verzamelde menigte een aantal luimige felicitatiën met zijn pas gewonnen geluk[427]ontving. De kapitein ging mede tot aan de deur van het huis, maar ongerust geworden door de zachtere manieren van jufvrouw Bokum, die, nu zij van hare taak was ontheven—want de waakzaamheid der dames nam zeer merkbaar af zoodra de bruidegom veilig getrouwd was—meer tijd had om hem hare belangstelling te toonen, nam hij daar afscheid, met eene flauwe verontschuldiging wegens eene vroegere afspraak, en eene even flauwe belofte om straks terug te komen. De kapitein had nog eene reden tot ongerustheid in de gedachte, dat hij de eerste aanleiding tot Bunsby’s ongeluk had gegeven, hoewel zonder dit te bedoelen en alleen door zijn onbeperkt vertrouwen op de vermogens van dien philosoof.Naar den houten adelborst en Sam Gills terug te keeren, en niet eerst te gaan vragen hoe mijnheer Dombey voer—hoewel het huis, waar deze ziek lag, ver buitenLondenen op den zoom eener frissche heide stond—kon de kapitein niet op zich verkrijgen. Hij liet zich dus, als hij moe werd, een eindje rijden, en deed zoo vroolijk den tocht.De gordijnen waren gesloten en het huis was zoo stil, dat de kapitein bijna bang was om aan te kloppen; maar toen hij aan de deur luisterde, hoorde hij dichtbij zacht spreken, en daarop voorzichtig aankloppende, werd hij door Toots ingelaten. Toots en zijne vrouw waren zoo pas gekomen, daar zij naar den adelborst waren geweest om hem te zoeken, en daar het adres hadden gekregen.Zij waren er echter niet zoo kort, of mevrouw Toots had het kindje reeds weten te krijgen, en zat het op de trap te kussen en te liefkoozen. Florence stond gebukt naast haar, en niemand had kunnen zeggen, wien mevrouw Toots het meest liefkoosde, de moeder of het kind, of wie teerder was, Florence voor hare Suze, of Suze voor haar, of beide voor het wichtje; zoo vol liefde en blijde beweging was de kleine groep.“En isuwpapa zoo erg ziek, mijne allerliefste jufvrouw Flore?” zeide Suze.—“Hij is heel, heel ziek,” antwoordde Florence. “Maar, lieve Suze,gij moet mij nu niet aanspreken zooals ge vroeger placht te doen. En wat is dat!” zeide Florence, met verbazing hare kleeren aanrakende. “Uw oud japonnetje, lieve? Uwe oude muts, en krullen en alles?”Suze barstte in tranen uit, en bedekte het handje, dat haar zoo verwonderd had aangeraakt, met kussen.“Mijne lieve jufvrouw Dombey,” zeide Toots nader komende, “dat zal ik u verklaren. Zij is de buitengemeenste vrouw van de wereld. Er zijn er niet veel die haar gelijken. Zij heeft altijd gezegd—zoo zeide zij eer wij getrouwd waren, en zoo zeide zij nog vandaag—dat zij, als gij thuis kwaamt, naar u toe zou gaan eveneens gekleed als toen zij u placht te dienen, uit vrees dat zij u anders vreemd zou voorkomen en gij minder van haar mocht houden. Ik bewonder haar bovenal zoo gekleed,” zeide Toots. “Ik aanbid haar als zij zoo gekleed is! Mijne lieve jufvrouw Dombey, nu zal zij weder uwe kamenier zijn, uwe oppasster, alles wat zij ooit geweest is en nog meer. Zij is geheel niet veranderd. Maar lieve Suze,” zeide Toots, die met diep gevoel had gesproken, “al wat ik vraag is, dat gij om den dokter denkt en het u niet al te druk maakt.”
[Inhoud]LX.VOORNAMELIJK OVER HUWELIJKSZAKEN.Het groote halfjaarlijksche feest, dat door doctor Blimber gegeven werd, en waarop al de jonge heeren werden genoodigd, was naar behooren gevierd; en de jonge heeren hadden zich, zonder onvoegzame betooning van lichtzinnige blijdschap en verzadigd van geleerdheid, naar huis begeven. Skettles ging het land uit, om zijn vader Sir Barnet Skettles te gaan opzoeken, wiens innemende manieren hem eene diplomatische betrekking hadden verschaft, waarvan de honneurs door hem en Lady Skettles tot algemeen genoegen—zelfs van hunne eigene landgenooten—werden waargenomen; iets, dat bijna voor een mirakel werd gehouden. Tozer, thans een rijzig jonkman, was zoo vol oudheidkunde, dat hij in zijne kennis van het Engelsch bijna met een echten ouden Romein gelijkstond: een roem, die zijne goede ouders met de teederste aandoeningen vervulde, en den vader en moeder van Briggs (wiens geleerdheid, gelijk slecht gepakte bagage, zoo in de war lag, dat hij nooit kon vinden wat hij noodig had) met schaamte het hoofd deed verbergen. De vruchten, welke de laatste jonge heer met veel moeite van den boom der kennis had geplukt, waren zoodanig gebroeid, dat zij, gelijk heel ontijdig fruit, niets van den waren smaak hadden behouden. Jonge heer Bitherstone, bij wien het forceerstelsel het minder ongelukkige en niet ongewone gevolg had van niet den minsten duurzamen indruk na te laten, was veel beter op zijn gemak, en zich thans aan boord van een naarBengalenbestemd schip bevindende, was hij met zulk een bewonderenswaardigen spoed aan het vergeten, dat het twijfelachtig was of zelfs zijne declinatiën van substantieven tot aan het eind van de reis zouden duren.Toen doctor Blimber, op den ochtend van het feest, volgens zijne vaste gewoonte had moeten zeggen: “Jonge heeren, op den vijf en twintigsten der volgende maand zullen wij onze studiën hervatten,” was hij van zijne vaste gewoonte afgeweken en had gezegd: “Jonge heeren, toen onze vriend Cincinnatus zich naar zijne hoeve terug begaf, leest men niet, dat hij den senaat een Romein voorstelde, dien hij tot zijn opvolger zocht te benoemen. Doch er is hier een Romein,” zeide doctor Blimber, en legde zijne hand op Feeder’s schouder, “adolescens imprimis gravis et doctus, jonge heeren, wien ik, een tweede Cincinnatus, aanmijnkleinen senaat, als hun toekomstigen dictator wensch voor te stellen. Jonge heeren, op den vijf en twintigsten der volgende maand zullen wij onze studiën hervatten, onder de auspiciën van mijnheer Feeder.” Op dit bericht (hetwelk doctor Blimber de ouders vooraf beleefdelijk had medegedeeld) lieten de jonge heeren een eerekreet hooren; en Tozer bood den doctor, in aller naam, een inktkoker aan, met eene redevoering, die zeer weinig van de moedertaal, maar vijftien aanhalingen uit het Latijn en zeven uit het Grieksch bevatte, hetgeen de jongsten der jonge heeren met ongenoegen en wangunst vervulde, en hen deed zeggen: “Wel ja, het was heel mooi voor dien langen Tozer, maar zij hadden hun geld niet gegeven om er langen Tozer mee te laten pronken; hadden zij wel? Wat had lange Tozer er meer part aan dan de anderen? Het waszijninktkoker immers niet? Waarom kon hij niet van het goed van anderen afblijven?” met andere uitdrukkingen van ontevredenheid, waaraan zij niet beter lucht schenen te kunnen geven dan door hem langen Tozer te noemen.[422]Geen woord was den jongen heeren gezegd, geen wenk was hun gegeven van een aanstaand huwelijk tusschen mijnheer Feeder en de schoone Cornelia Blimber. Doctor Blimber vooral scheen moeite te doen om een gezicht te zetten alsof niets hem meer zou verrassen; maar de jonge heeren wisten het toch zeer wel, en toen zij vertrokken om het gezelschap hunner betrekkingen en vrienden te gaan opzoeken, was het met eerbiedig ontzag, dat zij van mijnheer Feeder afscheid namen.Feeder’s romaneske droomen waren vervuld. De doctor had besloten het huis van buiten te laten schilderen en geheel te repareeren, en zijne zaak en Cornelia aan hem over te doen. Het schilderen en repareeren begon daags nadat de jonge heeren vertrokken, en ziet! nu was de bruiloftsochtend gekomen, en Cornelia, met een nieuwen bril, stond gereed om zich naar het huwelijksaltaar te laten leiden.De doctor met zijne geleerde beenen, en mevrouw Blimber met een lila hoed, en mijnheer Feeder, met zijne knokkige vingers en borstelig hoofd, en mijnheer Feeder’s broeder, de eerwaarde heer Alfred Feeder, die de plechtigheid zou verrichten, waren allen in het salon bijeen, en Cornelia, met hare oranjebloesems en bruidsjuffertjes, was juist naar beneden gekomen en zag er, gelijk van ouds, wat ingeknepen maar allerbekoorlijkst uit, toen de deur geopend werd, en de jonkman met slechte oogen, met luider stem, de volgende proclamatie deed:“Mijnheer en mevrouw Toots!”En daarop trad Toots binnen, zeer zwaarlijvig geworden en met eene dame aan den arm, die zeer fraai en met smaak gekleed was, en zeer heldere zwarte oogen had.“Mevrouw Blimber,” zeide Toots, “laat ik u mijne vrouw mogen presenteeren.”Mevrouw Blimber was verrukt haar te mogen recipieeren. Mevrouw Blimber was wel wat uit de hoogte, maar toch zeer vriendelijk.“En daar ge mij lang gekend hebt, weet ge,” zeide Toots, “laat ik u mogen verzekeren, dat zij een van de buitengemeenste vrouwenis, die er ooit geleefd hebben.”—“Maar lieve!” zeide mevrouw Toots.—“Op mijn woord van eer, dat is zij,” zeide Toots, “Ik—ik verzeker u, mevrouw Blimber, zij is eene zeer buitengemeene vrouw.”Mevrouw Toots lachte vroolijk, en mevrouw Blimber bracht haar naar Cornelia. Toen Toots deze insgelijks zijn compliment had gemaakt, en zijn ouden leermeester begroet, die, met toespeling op den huwelijken staat, zeide: “Wel zoo, Toots. Dus zijt ge nu in ons gild gekomen, Toots!” ging hij met Feeder ter zijde naar een venster.Mijnheer Feeder, die zeer vroolijk was, plaatste zich in de houding van een bokser, en gaf Toots kunstmatig een stootje op het borstbeen.“Wel, oude jongen!” zeide Feeder lachende. “Daar zijn wij er. Allebei gevangen. He?”— “Feeder,” antwoordde Toots, “ik feliciteer u. Als gij zoo—zoo—zoo volmaakt gelukkig zijt in den echten staat, als ik ben, zult gij niets meer te verlangen hebben.”—“Ik vergeet mijne oude vrienden niet, ziet ge,” zeide Feeder. “Ik vraag ze op mijne bruiloft.”—“Feeder,” antwoordde Toots met ernst, “de zaak is, dat er verscheidene omstandigheden bestonden, die mij verhinderden om u iets mede te deelen voordat mijn huwelijk voltrokken was. Vooreerst had ik mij, wat jufvrouw Dombey betreft, als een redeloos dier bij u aangesteld; en ik gevoelde wel, als ik u op eene bruiloft vroeg, dat ge natuurlijk zoudt denken dat het met jufvrouw Dombey was, waardoor ophelderingen te pas zouden zijn gekomen, die mij, op mijn woord van eer, in die crisis, geheel overstelpt zouden hebben. Ten tweede, werd ons huwelijk zeer stil gehouden; want er was niemand bij dan een vriend van mij en mijne vrouw, die kapitein is bij—ik weet eigenlijk niet recht waarbij,” zeide Toots, “maar dat is van geen beduiden. Ik hoop, Feeder, dat ik, door u een bericht van het voorgevallene te schrijven, eer mevrouw Toots en ik op reis gingen, aan al de verplichtingen der vriendschap heb voldaan.”—“Toots, mijn jongen,” zeide Feeder, hem de hand gevende, “ik stak er den gek maar mee.”—“En nu, Feeder,” zeide Toots, “zou ik gaarne willen weten, wat gij van mijn huwelijk denkt.”—“Ik vind het heerlijk,” antwoordde Feeder.—“Zoo, vindt gij het heerlijk, Feeder?” zeide Toots met grooten ernst. “Hoe heerlijk moet ik het dan niet vinden! Want gij kunt nooit weten welk eene buitengemeene vrouw zij is.”Feeder wilde dit gaarne op goed geloof aannemen maar Toots schudde zijn hoofd en wilde er niet van hooren dat dit mogelijk zou zijn.“Gij ziet wel,” zeide Toots, “watikmet eene vrouw noodig had, was—kortom, was verstand.Geld, Feeder, had ik wel. Verstand had ik—had ik niet veel.”Feeder prevelde: “O ja wel, Toots, dat hadt ge wel!” Maar Toots zeide:“Neen, Feeder, dat had ik niet. Waarom zou ik het verbloemen? Dat had ik niet. Ik wist datdaarverstand was,” zeide Toots, naar zijne vrouw wijzende, “bij hoopen. Ik had geene betrekkingen, die zich over rang of stand konden ergeren of boos maken, want ik had geheel geene betrekkingen. Ik heb nooit iemand gehad, die mij toekwam, behalve mijn voogd; en hem, Feeder, heb ik altijd voor een struikroover gehouden. Dus was het niet te denken, weet ge,” zeide Toots, “dat ik naar zijne meening zou vragen.”—“Neen,” zeide Feeder.—“Derhalve ging ik naar mijne eigene meening te werk,” hervatte Toots, “en het was een gelukkige dag toen ik dat deed, Feeder. Niemand dan ik alleen kan zeggen hoeveel verstand die vrouw heeft. Als de rechten der vrouwen en al die soort van dingen[423]ooit goed te recht gebracht worden, zal haar krachtig verstand het moeten doen.—Suze, melieve,” zeide Toots, plotseling om het gordijn van het venster kijkende, “maak het u toch niet te druk!”—“Ik praat maar, beste,” zeide mevrouw Toots.—“Maar, liefje,” hervatte Toots, “ik bid u, maak het u toch niet te druk. Gij moet waarlijk voorzichtig zijn. Maak het u toch niet te druk, lieve Suze; zij raakt zoo licht opgewonden,” zeide Toots, ter zijde tot mevrouw Blimber, “en dan vergeet zij den dokter heel en al.”Mevrouw Blimber hield mevrouw Toots de noodzakelijkheid voor om voorzichtig te zijn, toen Feeder haar zijn arm bood om haar naar een van de koetsen te brengen, waarmede men naar de kerk zou rijden. Doctor Blimber geleidde mevrouw Toots, en Toots de schoone bruid, om welker stralenden bril twee gazige bruidsjuffertjes als vlindertjes fladderden. Feeder’s broeder, de eerwaarde heer Alfred Feeder, was reeds vooruitgegaan.De plechtigheid werd met alle staatsie verricht. Cornelia, met hare gekroesde krulletjes, hield zich zeer bedaard; en doctor Blimber gaf haar weg als een man, die daartoe ten volle besloten was. De gazige bruidsjuffertjes schenen het meest ontroerd. Mevrouw Blimber was aangedaan, maar met mate, en zeide den eerwaarden heer Alfred Feeder onderweg naar huis, dat zij, als zij Cicero maar in zijne afzondering teTusculumgezien had, nu geen wensch meer onvoldaan zou hebben.Er volgde een ontbijt, dat tot hetzelfde kleine gezelschap beperkt bleef, en waarbij Feeder geducht vroolijk was en zijne vroolijkheid zoodanig aan mevrouw Toots mededeelde, dat men Toots verscheidene malen over de tafel heen hoorde zeggen: “Lieve Suze, maak het u toch niet te druk!” Het fraaiste van alles was, dat Toots zich verplicht achtte om eene aanspraak te houden en, in weerwil van alle telegrafische teekenen zijner vrouw om het hem te ontraden, dit werkelijk voor het eerst van zijn leven deed.“Ik kan waarlijk, in dit huis,” zeide Toots, “waar ik—wat er ook somtijds met—met mijne hersenen mocht gedaan zijn—dat van geen beduiden is en ik ook niemand verwijt—altijd als een lid van doctor Blimber’s familie ben behandeld, en lang zelfs een eigen lessenaar heb gehad—mijn vriend Feeder niet zien—”—“Trouwen,” blies mevrouw Toots hem in.—“Het zal bij deze gelegenheid niet ongepast en niet geheel onbelangrijk wezen,” zeide Toots met een vergenoegd gezicht, “hier aan te merken, dat mijne vrouw eene zeer buitengemeene vrouw is, en dit veel beter zou doen dan ik zelf—mijn vriend Feeder niet zien trouwen—inzonderheid met—”—“Met jufvrouw Blimber,” fluisterde mevrouw Toots hem toe.—“Met mevrouw Feeder, lieve,” zeide Toots, op den zachten toon eener afzonderlijke redewisseling. “Wat God vereenigd heeft, zal niemand—weet ge wel? Ik kan mijn vriend Feeder niet zien trouwen,inzonderheidmet mevrouw Feeder—zonder hunne—hunne toasten in te stellen; en moge,” zeide Toots, zijne oogen op zijne vrouw vestigende, als om zich daardoor tot eene hooge vlucht te inspireeren, “de toorts van Hymen een vreugdevuur voor hen wezen, en mogen de bloemen, die wij heden op hun pad hebben gestrooid, alle—alle somberheid verbannen.”Doctor Blimber, die veel van zinnebeeldige uitdrukkingen hield, klapte zachtjes in zijne handen en zeide knikkende: “Zeer wel gezegd, Toots, zeer wel gezegd, inderdaad.” Feeder antwoordde met eene schertsende dankbetuiging, met gevoel getemperd. Zijn eerwaarde broeder bracht een zeer fraaien toast op den doctor en mevrouw Blimber uit, en de bruidegom zelf wederom een nauwelijks minder fraaien op de glanzige bruidsjuffertjes. Toen ontboezemde doctor Blimber met eene galmende stem en in een pastoralen trant eenige gedachten over het rieten dak, waaronder hij met mevrouw Blimber zou gaan wonen, en over de bijen, die om hunne stulp zouden gonzen. Kort daarna hief de voorzichtige mevrouw Blimber—daar des doctors oogen opmerkelijk begonnen te flikkeren, en zijn schoonzoon reeds had aangemerkt, dat de klok voor de gekken gemaakt was, en gevraagd had of mevrouw Toots ook zong—de zitting op, en zond Cornelia, zeer koel en rustig, met den man van haar hart in eene postkoets heen.Mijnheer en mevrouw Toots begaven zich naar deBedford(mevrouw Toots was daar in vroeger tijd, toen zij nog Nipper heette, meer geweest) en vonden daar een brief, waaraan Toots zulk een geducht langen tijd besteedde om hem te lezen, dat mevrouw Toots er ongerust over werd.“Lieve Suze,” zeide Toots, “ongerustheid en schrik zijn nog erger dan drukte. Ik bid u, blijf toch bedaard!”—“Van wien is hij?” zeide mevrouw Toots.—“Wel melieve,” was het antwoord, “van kapitein Gills. Schrik nu maar niet. Walters en jufvrouw Dombey worden thuis gewacht.”—“Beste,” zeide mevrouw Toots, haastig en zeer bleek van de sofa opstaande, “wil mij maar niet bedriegen, want dat baat toch niet. Zij zijn thuis gekomen—dat zie ik duidelijk aan uw gezicht.”—“Zij is toch eene buitengemeene vrouw!” riep Toots met bewonderende verrukking uit. “Gij hebt volkomen gelijk, lieve, zij zijn thuis. Jufvrouw Dombey heeft haar vader gezien, en zij zijn verzoend.”—“Verzoend!” riep mevrouw Toots, hare handen samenslaande.—“Lieve,” zeide Toots, “ik bid u, maak het u toch niet te druk. Denk om den dokter. Kapitein Gills zegt—of eigenlijk zegt hij dat niet, maar ik verbeeld mij, dat ik uit zijn schrijven kan begrijpen—dat jufvrouw Dombey haar ongelukkigen vader uit zijn oude huis heeft weggehaald en meegenomen, naar dat waar zij en Walters wonen—dat hij daar heel ziek ligt—stervende, naar men[424]denkt, en dat zij hem nacht en dag oppast.”Mevrouw Toots begon bitter te schreien.“Liefste Suze,” zeide Toots, “als gij eenigszins met mogelijkheid kunt, denk dan toch om den dokter. Als gij niet kunt, is het van geen beduiden; maar doe er toch uw best toe.”Zijne vrouw, die eensklaps hare oude manieren weder aannam, bad hem zoo aandoenlijk om haar naar haar lievelingetje, haar meesteresje te brengen, dat Toots, wiens medelijden en bewondering even groot waren, van ganscher harte daarin bewilligde, en zij afspraken om terstond te vertrekken en in eigen persoon antwoord te brengen op den brief des kapiteins.Nu hadden zekere toevalligheden den kapitein (naar wien mijnheer en mevrouw Toots zoo spoedig op reis zouden gaan) dien dag zelven op het bloemenpad des huwelijks gebracht, niet als hoofdpersoon, maar als getuige. Dit had zich aldus toegedragen.Toen de kapitein, tot zijn onbeschrijfelijk genoegen, Florence en haar kindje voor een oogenblik had gezien, en een langen tijd met Walter gepraat, ging hij eene wandeling doen, daar hij het noodig achtte eens eenzaam na te denken over de wisselvalligheid der menschelijke zaken, en zijn blinkenden hoed te schudden over het ongeluk van mijnheer Dombey, met wien hij innig medelijden had. Hij zou zich zelfs zeer droefgeestig over het lot van dien heer hebben gemaakt, als hij niet om het kindje had gedacht, dat hem, telkens als het hem in het hoofd kwam, zoozeer verheugde, dat hij hardop lachende langs de straat stapte, en zelfs meer dan eens, in eene vlaag van plotselinge verrukking, tot verbazing der aanschouwers, zijn blinkenden hoed omhoogwierp en weder opving. De snelle afwisselingen van licht en schaduw, waaraan deze twee tegenstrijdige onderwerpen van bespiegeling den kapitein blootstelden, hadden zulk een invloed op zijne gemoedsrust, dat hij gevoelde eene lange wandeling noodig te hebben om tot bedaren te komen; en daar streelende herinneringen hiertoe veel konden bijdragen, verkoos hij eens in zijne oude buurt te gaan rondwandelen, tusschen masten, roeispanen, blokkenmakers, scheepsbeschuitbakkers, kolendragers, teerketels, matrozen, kanalen, dokken, draaibruggen en andere kalmeerende voorwerpen.Deze vreedzame tooneelen werkten zoo weldadig op het gemoed des kapiteins, dat hij met stille tevredenheid voortwandelde, en zich zelfs binnensmonds met het liedje van Mooie Peggy verlustigde, toen hij, een hoek omslaande, eensklaps sprakeloos bleef staan op het gezicht van een zegepralenden optocht, die naar hem toekwam.Aan het hoofd van dien stoet was de geduchte jufvrouw MacStinger, die met een gezicht vol onverzettelijke vastberadenheid, en met een reusachtig horloge op hare steenharde borst pronkende, hetwelk de kapitein terstond als het eigendom van Bunsby herkende, niemand anders dan dien diepdenkenden zeeman zelven onder den arm had; terwijl hij, met het neerslachtig verstrooide gezicht van een gevangene, die in een vreemd land wordt weggevoerd, zich geduldig aan haar wil overgaf. Achter deze kwamen de kleine MacStinger’s in een troepje, juichende, en achter deze twee dames, van onverschrokken uitzicht, met een kort heertje met een hoogen hoed tusschen haar beiden, die insgelijks juichte; geheel achteraan Bunsby’s jongen, met paraplu’s beladen. De schrikkelijk pralende opschik der geheele bende zou, al hadden de dames niet zoo vastberaden en onverschrokken gekeken, genoegzaam hebben aangeduid dat de trein een offerstoet, en dat Bunsby het slachtoffer was.De eerste gedachte des kapiteins was aan den loop te gaan. Dit scheen ook de eerste gedachte van Bunsby te zijn, hoe hopeloos de uitvoering daarvan ook moest blijken. Maar toen er een herkenningskreet uit het gezelschap opging, en Alexander MacStinger met opene armen naar den kapitein kwam toeloopen, streek deze de vlag.“Wel, kapitein Cuttle!” zeide jufvrouw MacStinger. “Dat is wel toevallig. Ik ben nu niet meer kwaad op u, kapitein Cuttle; gij behoeft niet bang te zijn dat ik iets meer zal zeggen. Ik hoop in een anderen geest naar het altaar te gaan.” Hier zweeg zij even, blies met eene lange inademing hare borst op, en zeide, op het slachtoffer doelende: “Mijn aanstaande, kapitein Cuttle.”De neerslachtige Bunsby keek rechts noch links, noch naar zijne bruid, noch naar zijn vriend, maar vlak voor zich naar niets. Toen de kapitein zijne hand uitstak, stak Bunsby ook de zijne uit; maar op des kapiteins groet sprak hij geen woord.“Kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, “als gij oude grieven wilt genezen, en uw vriend, mijn aanstaande, nog op het laatste oogenblik zien als jong gezel, zullen wij blijde zijn met uw gezelschap naar de kerk. Hier is eene jufvrouw,” zeide zij, zich naar de onverschrokkenste der twee dames keerende, “mijne bruidsjuffer, die gaarne uw geleide zal aannemen, kapitein Cuttle.”De korte heer met den hoogen hoed, die de echtgenoot der andere dame bleek te zijn, en zich blijkbaar verheugde, dat een zijner medemenschen tot zijn eigen staat zou verlaagd worden, liet de bedoelde dame daarop los; welke toen dadelijk kapitein Cuttle beetpakte, en aanmerkende dat men geen tijd te verzuimen had, met eene forsche stem bevel gaf om op te marcheeren.Des kapiteins bekommering over zijn vriend, niet ongemengd in het eerst met bekommering over zich zelven—want eene onbestemde vrees, dat hij wel met geweld getrouwd zou kunnen worden, vervulde hem, tot zijne kennis van het formulier hem te hulp kwam, en hij zich de wettige verplichting herinnerde om te zeggen: “Ik[425]wil,” zich persoonlijk veilig achtte zoolang hij voornemens was om op alle vragen duidelijk te antwoorden: “Ik wil niet”—bracht hem geweldig aan het zweeten, en belette hem eene poos op te merken, welken weg de stoet nam en wat er gesproken werd. Toen zijne ontroering wat bedaarde, vernam hij van zijne dame, dat zij de weduwe van zekeren mijnheer Bokum was, die een post aan het tolkantoor had gehad; dat zij de dierbaarste vriendin van jufvrouw MacStinger was, welke zij als een voorbeeld voor hare sekse beschouwde; dat zij dikwijls van den kapitein had gehoord, van wien zij hoopte dat zijn vroeger leven hem berouwde; dat zij vertrouwde dat Bunsby wel wist welk een zegen hem ten deel viel, maar dat zij vreesde dat de mannen zelden wisten wat zulke zegeningen waren, voordat zij ze verloren; met nog meer van dien aard.“Neen, neen!” riep Florence, terugdeinzende toen zij opstond, en de handen uitstekende om haar van zich af te weren. “Mama!” (blz. 430).“Neen, neen!” riep Florence, terugdeinzende toen zij opstond, en de handen uitstekende om haar van zich af te weren. “Mama!”(blz. 430).Al dien tijd kon de kapitein niet nalaten op te merken, dat jufvrouw Bokum den bruidegom nauwlettend in het oog hield, en dat zij, als men aan den hoek van een steegje kwam, hetwelk eene vlucht scheen te kunnen begunstigen, zich gereed hield om zulk eene vlucht desnoods te beletten. Ook de andere dame en haar man, het korte heertje met den hoogen hoed, waren blijkbaar, volgens afspraak, op hunne hoede; en bovendien hield jufvrouw MacStinger den ongelukkigen Bunsby zoo stevig vast, dat elke poging om te ontsnappen verijdeld moest worden. Dit viel[426]zelfs het gepeupel in het oog, dat door schreeuwen en uitjouwen zijn begrip van de zaak aan den dag legde; waarvoor de geduchte jufvrouw MacStinger zich geheel onverschillig hield, terwijl Bunsby zelf in een staat van bewusteloosheid scheen te verkeeren.De kapitein deed verscheidene pogingen om zich met dezen philosoof in gemeenschap te stellen, al was het maar door een enkel woord of een teeken; maar dit mislukte hem telkens, zoowel door de waakzaamheid der wacht, als door de moeielijkheid, die het altijd inhad om door eenig zichtbaar teeken Bunsby’s aandacht te trekken. Zoo naderden zij de kerk, een net, van binnen en van buiten gewit gebouw, onlangs door den eerwaarden Melchizedek Hawler gehuurd, die op dringend aanzoek had toegegeven dat de wereld nog twee jaren in wezen zou blijven, maar zijne volgelingen had onderricht dat zij dan stellig moest vergaan.Terwijl de eerwaarde Melchizedek een lang gebed deed, nam de kapitein eene gelegenheid waar om den bruidegom in het oor te brommen:“Hoe gaat het, mijn jongen, hoe gaat het?”Waarop Bunsby, met eene vergetelheid van den eerwaarden Melchizedek, die alleen door zijne wanhopige omstandigheden kon verontschuldigd worden, antwoordde:“Verd … md slecht.”—“Jack Bunsby,” fluisterde de kapitein, “doet gij dit hier uit eigen vrijen wil?”Bunsby antwoordde: “Neen!”—“Waarom doet gij het dan, mijn jongen?” vroeg de kapitein niet onnatuurlijk.Bunsby, altijd nog met een onbeweeglijk gezicht naar den anderen kant van de wereld kijkende, gaf geen antwoord.“Waarom scheert gij u niet weg?” zeide de kapitein.—“He?” fluisterde Bunsby, met eene oogenblikkelijke schemering van hoop.—“Scheer je weg,” zeide de kapitein.—“Wat zou het baten?” antwoordde de neerslachtige wijze. “Zij zou mij toch wel weer pakken.”—“Probeer maar!” hernam de kapitein. “Moed gehouden! Kom aan! Nu is het tijd. Loop, Jack Bunsby!”Maar in plaats van dien raad te volgen, antwoordde Jack Bunsby akelig fluisterend:“Het is alles begonnen met die kist van u. Waarom heb ik haar dien avond ooit konvooi gegeven?”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein met schrik, “ik dacht dat gij haar den baas waart, en niet zij u. Een man, die zulke gevoelens heeft als gij!”Bunsby slaakte slechts een gesmoorden zucht.“Kom aan!” zeide de kapitein, hem met zijn elleboog aanstootende. “Nu is het tijd. Loop! Ik zal u den rug dekken. De tijd vliegt om. Bunsby! Het is voor de vrijheid. Wilt gij?—eens.”Bunsby bleef onbeweeglijk.“Bunsby,” fluisterde de kapitein. “Wilt gij?—tweemaal.”Bunsby wilde nog niet.“Bunsby!” drong de kapitein. “Het is voor de vrijheid. Wilt gij?—driemaal. Nu of nooit.”Bunsby deed het nooit, want een oogenblik later was hij met jufvrouw MacStinger getrouwd.Eene der akeligste omstandigheden der geheele plechtigheid voor den kapitein was de doodelijke belangstelling, welke Juliana MacStinger liet blijken, en de noodlottige aandacht, waarmede dat veelbelovende kind, alreeds het evenbeeld harer moeder, alles gadesloeg wat er gebeurde. De kapitein zag daarin eene oneindig voortloopende reeks van valstrikken voor mannen—eeuwen van druk en dwang, waartoe de zeevaarders gedoemd waren. Het gezicht was veel opmerkelijker dan de onverzettelijke onverschrokkenheid van jufvrouw Bokum en de andere dame, de blijdschap van het korte heertje met den hoogen hoed, of zelfs de wreede onverschilligheid van jufvrouw MacStinger. De jongeheeren MacStinger begrepen weinig van hetgeen er voorviel, en gaven er nog minder om, daar zij onder de plechtigheid voornamelijk bezig waren met op elkanders laarzen te trappen; het contrast met deze ellendige kinderen deed echter de vroegrijpe vrouw in Juliana des te heerlijker uitkomen. Nog een paar jaren, dacht de kapitein, en het zou iemand slecht bekomen te gaan logeeren waar dat kind was.De plechtigheid werd besloten met een algemeenen aanval der jeugdige familie op Bunsby, die met den teederen naam van vader begroet en om halve stuivers gevraagd werd. Toen deze uitstortingen van gevoel waren afgeloopen, en de stoet gereed was om weder te vertrekken, werd men nog eene poos opgehouden door een onverwachten inval van Alexander MacStinger. Dat lieve kind denkende, dat in eene kerk buiten de gewone godsdienstoefening niets anders kon gebeuren dan begraven, verbeeldde zich vast, dat zijne moeder nu begraven en voor altijd voor hem verloren was; en in den angst dezer overtuiging schreeuwde hij zoo hard, dat hij er blauw van in het gezicht werd. Hoe treffend dat blijk van teerhartigheid ook voor zijne moeder was, lag het niet in het karakter dier buitengemeene vrouw te dulden, dat deze zwakheid al te ver werd gedreven. Nadat zij dus vruchteloos gepoogd had haar zoontje door stompen, schudden, toesnauwen en dergelijke middelen tot een beter begrip te brengen, bracht zij het in de opene lucht en beproefde eene andere methode, waarvan het gezelschap kennis kreeg door eene snelle opvolging van scherpe geluiden, naar een applaudissement gelijkende, en daarna door Alexander, met een rood gezicht en luid weeklagende, op den koudsten steen van het kerkpleintje te zien zitten.De processie, nu gereed om naarBrig Placeterug te keeren, waar een bruiloftsmaal bereid was, begaf zich weder op weg, niet zonder dat Bunsby van de verzamelde menigte een aantal luimige felicitatiën met zijn pas gewonnen geluk[427]ontving. De kapitein ging mede tot aan de deur van het huis, maar ongerust geworden door de zachtere manieren van jufvrouw Bokum, die, nu zij van hare taak was ontheven—want de waakzaamheid der dames nam zeer merkbaar af zoodra de bruidegom veilig getrouwd was—meer tijd had om hem hare belangstelling te toonen, nam hij daar afscheid, met eene flauwe verontschuldiging wegens eene vroegere afspraak, en eene even flauwe belofte om straks terug te komen. De kapitein had nog eene reden tot ongerustheid in de gedachte, dat hij de eerste aanleiding tot Bunsby’s ongeluk had gegeven, hoewel zonder dit te bedoelen en alleen door zijn onbeperkt vertrouwen op de vermogens van dien philosoof.Naar den houten adelborst en Sam Gills terug te keeren, en niet eerst te gaan vragen hoe mijnheer Dombey voer—hoewel het huis, waar deze ziek lag, ver buitenLondenen op den zoom eener frissche heide stond—kon de kapitein niet op zich verkrijgen. Hij liet zich dus, als hij moe werd, een eindje rijden, en deed zoo vroolijk den tocht.De gordijnen waren gesloten en het huis was zoo stil, dat de kapitein bijna bang was om aan te kloppen; maar toen hij aan de deur luisterde, hoorde hij dichtbij zacht spreken, en daarop voorzichtig aankloppende, werd hij door Toots ingelaten. Toots en zijne vrouw waren zoo pas gekomen, daar zij naar den adelborst waren geweest om hem te zoeken, en daar het adres hadden gekregen.Zij waren er echter niet zoo kort, of mevrouw Toots had het kindje reeds weten te krijgen, en zat het op de trap te kussen en te liefkoozen. Florence stond gebukt naast haar, en niemand had kunnen zeggen, wien mevrouw Toots het meest liefkoosde, de moeder of het kind, of wie teerder was, Florence voor hare Suze, of Suze voor haar, of beide voor het wichtje; zoo vol liefde en blijde beweging was de kleine groep.“En isuwpapa zoo erg ziek, mijne allerliefste jufvrouw Flore?” zeide Suze.—“Hij is heel, heel ziek,” antwoordde Florence. “Maar, lieve Suze,gij moet mij nu niet aanspreken zooals ge vroeger placht te doen. En wat is dat!” zeide Florence, met verbazing hare kleeren aanrakende. “Uw oud japonnetje, lieve? Uwe oude muts, en krullen en alles?”Suze barstte in tranen uit, en bedekte het handje, dat haar zoo verwonderd had aangeraakt, met kussen.“Mijne lieve jufvrouw Dombey,” zeide Toots nader komende, “dat zal ik u verklaren. Zij is de buitengemeenste vrouw van de wereld. Er zijn er niet veel die haar gelijken. Zij heeft altijd gezegd—zoo zeide zij eer wij getrouwd waren, en zoo zeide zij nog vandaag—dat zij, als gij thuis kwaamt, naar u toe zou gaan eveneens gekleed als toen zij u placht te dienen, uit vrees dat zij u anders vreemd zou voorkomen en gij minder van haar mocht houden. Ik bewonder haar bovenal zoo gekleed,” zeide Toots. “Ik aanbid haar als zij zoo gekleed is! Mijne lieve jufvrouw Dombey, nu zal zij weder uwe kamenier zijn, uwe oppasster, alles wat zij ooit geweest is en nog meer. Zij is geheel niet veranderd. Maar lieve Suze,” zeide Toots, die met diep gevoel had gesproken, “al wat ik vraag is, dat gij om den dokter denkt en het u niet al te druk maakt.”
LX.VOORNAMELIJK OVER HUWELIJKSZAKEN.
Het groote halfjaarlijksche feest, dat door doctor Blimber gegeven werd, en waarop al de jonge heeren werden genoodigd, was naar behooren gevierd; en de jonge heeren hadden zich, zonder onvoegzame betooning van lichtzinnige blijdschap en verzadigd van geleerdheid, naar huis begeven. Skettles ging het land uit, om zijn vader Sir Barnet Skettles te gaan opzoeken, wiens innemende manieren hem eene diplomatische betrekking hadden verschaft, waarvan de honneurs door hem en Lady Skettles tot algemeen genoegen—zelfs van hunne eigene landgenooten—werden waargenomen; iets, dat bijna voor een mirakel werd gehouden. Tozer, thans een rijzig jonkman, was zoo vol oudheidkunde, dat hij in zijne kennis van het Engelsch bijna met een echten ouden Romein gelijkstond: een roem, die zijne goede ouders met de teederste aandoeningen vervulde, en den vader en moeder van Briggs (wiens geleerdheid, gelijk slecht gepakte bagage, zoo in de war lag, dat hij nooit kon vinden wat hij noodig had) met schaamte het hoofd deed verbergen. De vruchten, welke de laatste jonge heer met veel moeite van den boom der kennis had geplukt, waren zoodanig gebroeid, dat zij, gelijk heel ontijdig fruit, niets van den waren smaak hadden behouden. Jonge heer Bitherstone, bij wien het forceerstelsel het minder ongelukkige en niet ongewone gevolg had van niet den minsten duurzamen indruk na te laten, was veel beter op zijn gemak, en zich thans aan boord van een naarBengalenbestemd schip bevindende, was hij met zulk een bewonderenswaardigen spoed aan het vergeten, dat het twijfelachtig was of zelfs zijne declinatiën van substantieven tot aan het eind van de reis zouden duren.Toen doctor Blimber, op den ochtend van het feest, volgens zijne vaste gewoonte had moeten zeggen: “Jonge heeren, op den vijf en twintigsten der volgende maand zullen wij onze studiën hervatten,” was hij van zijne vaste gewoonte afgeweken en had gezegd: “Jonge heeren, toen onze vriend Cincinnatus zich naar zijne hoeve terug begaf, leest men niet, dat hij den senaat een Romein voorstelde, dien hij tot zijn opvolger zocht te benoemen. Doch er is hier een Romein,” zeide doctor Blimber, en legde zijne hand op Feeder’s schouder, “adolescens imprimis gravis et doctus, jonge heeren, wien ik, een tweede Cincinnatus, aanmijnkleinen senaat, als hun toekomstigen dictator wensch voor te stellen. Jonge heeren, op den vijf en twintigsten der volgende maand zullen wij onze studiën hervatten, onder de auspiciën van mijnheer Feeder.” Op dit bericht (hetwelk doctor Blimber de ouders vooraf beleefdelijk had medegedeeld) lieten de jonge heeren een eerekreet hooren; en Tozer bood den doctor, in aller naam, een inktkoker aan, met eene redevoering, die zeer weinig van de moedertaal, maar vijftien aanhalingen uit het Latijn en zeven uit het Grieksch bevatte, hetgeen de jongsten der jonge heeren met ongenoegen en wangunst vervulde, en hen deed zeggen: “Wel ja, het was heel mooi voor dien langen Tozer, maar zij hadden hun geld niet gegeven om er langen Tozer mee te laten pronken; hadden zij wel? Wat had lange Tozer er meer part aan dan de anderen? Het waszijninktkoker immers niet? Waarom kon hij niet van het goed van anderen afblijven?” met andere uitdrukkingen van ontevredenheid, waaraan zij niet beter lucht schenen te kunnen geven dan door hem langen Tozer te noemen.[422]Geen woord was den jongen heeren gezegd, geen wenk was hun gegeven van een aanstaand huwelijk tusschen mijnheer Feeder en de schoone Cornelia Blimber. Doctor Blimber vooral scheen moeite te doen om een gezicht te zetten alsof niets hem meer zou verrassen; maar de jonge heeren wisten het toch zeer wel, en toen zij vertrokken om het gezelschap hunner betrekkingen en vrienden te gaan opzoeken, was het met eerbiedig ontzag, dat zij van mijnheer Feeder afscheid namen.Feeder’s romaneske droomen waren vervuld. De doctor had besloten het huis van buiten te laten schilderen en geheel te repareeren, en zijne zaak en Cornelia aan hem over te doen. Het schilderen en repareeren begon daags nadat de jonge heeren vertrokken, en ziet! nu was de bruiloftsochtend gekomen, en Cornelia, met een nieuwen bril, stond gereed om zich naar het huwelijksaltaar te laten leiden.De doctor met zijne geleerde beenen, en mevrouw Blimber met een lila hoed, en mijnheer Feeder, met zijne knokkige vingers en borstelig hoofd, en mijnheer Feeder’s broeder, de eerwaarde heer Alfred Feeder, die de plechtigheid zou verrichten, waren allen in het salon bijeen, en Cornelia, met hare oranjebloesems en bruidsjuffertjes, was juist naar beneden gekomen en zag er, gelijk van ouds, wat ingeknepen maar allerbekoorlijkst uit, toen de deur geopend werd, en de jonkman met slechte oogen, met luider stem, de volgende proclamatie deed:“Mijnheer en mevrouw Toots!”En daarop trad Toots binnen, zeer zwaarlijvig geworden en met eene dame aan den arm, die zeer fraai en met smaak gekleed was, en zeer heldere zwarte oogen had.“Mevrouw Blimber,” zeide Toots, “laat ik u mijne vrouw mogen presenteeren.”Mevrouw Blimber was verrukt haar te mogen recipieeren. Mevrouw Blimber was wel wat uit de hoogte, maar toch zeer vriendelijk.“En daar ge mij lang gekend hebt, weet ge,” zeide Toots, “laat ik u mogen verzekeren, dat zij een van de buitengemeenste vrouwenis, die er ooit geleefd hebben.”—“Maar lieve!” zeide mevrouw Toots.—“Op mijn woord van eer, dat is zij,” zeide Toots, “Ik—ik verzeker u, mevrouw Blimber, zij is eene zeer buitengemeene vrouw.”Mevrouw Toots lachte vroolijk, en mevrouw Blimber bracht haar naar Cornelia. Toen Toots deze insgelijks zijn compliment had gemaakt, en zijn ouden leermeester begroet, die, met toespeling op den huwelijken staat, zeide: “Wel zoo, Toots. Dus zijt ge nu in ons gild gekomen, Toots!” ging hij met Feeder ter zijde naar een venster.Mijnheer Feeder, die zeer vroolijk was, plaatste zich in de houding van een bokser, en gaf Toots kunstmatig een stootje op het borstbeen.“Wel, oude jongen!” zeide Feeder lachende. “Daar zijn wij er. Allebei gevangen. He?”— “Feeder,” antwoordde Toots, “ik feliciteer u. Als gij zoo—zoo—zoo volmaakt gelukkig zijt in den echten staat, als ik ben, zult gij niets meer te verlangen hebben.”—“Ik vergeet mijne oude vrienden niet, ziet ge,” zeide Feeder. “Ik vraag ze op mijne bruiloft.”—“Feeder,” antwoordde Toots met ernst, “de zaak is, dat er verscheidene omstandigheden bestonden, die mij verhinderden om u iets mede te deelen voordat mijn huwelijk voltrokken was. Vooreerst had ik mij, wat jufvrouw Dombey betreft, als een redeloos dier bij u aangesteld; en ik gevoelde wel, als ik u op eene bruiloft vroeg, dat ge natuurlijk zoudt denken dat het met jufvrouw Dombey was, waardoor ophelderingen te pas zouden zijn gekomen, die mij, op mijn woord van eer, in die crisis, geheel overstelpt zouden hebben. Ten tweede, werd ons huwelijk zeer stil gehouden; want er was niemand bij dan een vriend van mij en mijne vrouw, die kapitein is bij—ik weet eigenlijk niet recht waarbij,” zeide Toots, “maar dat is van geen beduiden. Ik hoop, Feeder, dat ik, door u een bericht van het voorgevallene te schrijven, eer mevrouw Toots en ik op reis gingen, aan al de verplichtingen der vriendschap heb voldaan.”—“Toots, mijn jongen,” zeide Feeder, hem de hand gevende, “ik stak er den gek maar mee.”—“En nu, Feeder,” zeide Toots, “zou ik gaarne willen weten, wat gij van mijn huwelijk denkt.”—“Ik vind het heerlijk,” antwoordde Feeder.—“Zoo, vindt gij het heerlijk, Feeder?” zeide Toots met grooten ernst. “Hoe heerlijk moet ik het dan niet vinden! Want gij kunt nooit weten welk eene buitengemeene vrouw zij is.”Feeder wilde dit gaarne op goed geloof aannemen maar Toots schudde zijn hoofd en wilde er niet van hooren dat dit mogelijk zou zijn.“Gij ziet wel,” zeide Toots, “watikmet eene vrouw noodig had, was—kortom, was verstand.Geld, Feeder, had ik wel. Verstand had ik—had ik niet veel.”Feeder prevelde: “O ja wel, Toots, dat hadt ge wel!” Maar Toots zeide:“Neen, Feeder, dat had ik niet. Waarom zou ik het verbloemen? Dat had ik niet. Ik wist datdaarverstand was,” zeide Toots, naar zijne vrouw wijzende, “bij hoopen. Ik had geene betrekkingen, die zich over rang of stand konden ergeren of boos maken, want ik had geheel geene betrekkingen. Ik heb nooit iemand gehad, die mij toekwam, behalve mijn voogd; en hem, Feeder, heb ik altijd voor een struikroover gehouden. Dus was het niet te denken, weet ge,” zeide Toots, “dat ik naar zijne meening zou vragen.”—“Neen,” zeide Feeder.—“Derhalve ging ik naar mijne eigene meening te werk,” hervatte Toots, “en het was een gelukkige dag toen ik dat deed, Feeder. Niemand dan ik alleen kan zeggen hoeveel verstand die vrouw heeft. Als de rechten der vrouwen en al die soort van dingen[423]ooit goed te recht gebracht worden, zal haar krachtig verstand het moeten doen.—Suze, melieve,” zeide Toots, plotseling om het gordijn van het venster kijkende, “maak het u toch niet te druk!”—“Ik praat maar, beste,” zeide mevrouw Toots.—“Maar, liefje,” hervatte Toots, “ik bid u, maak het u toch niet te druk. Gij moet waarlijk voorzichtig zijn. Maak het u toch niet te druk, lieve Suze; zij raakt zoo licht opgewonden,” zeide Toots, ter zijde tot mevrouw Blimber, “en dan vergeet zij den dokter heel en al.”Mevrouw Blimber hield mevrouw Toots de noodzakelijkheid voor om voorzichtig te zijn, toen Feeder haar zijn arm bood om haar naar een van de koetsen te brengen, waarmede men naar de kerk zou rijden. Doctor Blimber geleidde mevrouw Toots, en Toots de schoone bruid, om welker stralenden bril twee gazige bruidsjuffertjes als vlindertjes fladderden. Feeder’s broeder, de eerwaarde heer Alfred Feeder, was reeds vooruitgegaan.De plechtigheid werd met alle staatsie verricht. Cornelia, met hare gekroesde krulletjes, hield zich zeer bedaard; en doctor Blimber gaf haar weg als een man, die daartoe ten volle besloten was. De gazige bruidsjuffertjes schenen het meest ontroerd. Mevrouw Blimber was aangedaan, maar met mate, en zeide den eerwaarden heer Alfred Feeder onderweg naar huis, dat zij, als zij Cicero maar in zijne afzondering teTusculumgezien had, nu geen wensch meer onvoldaan zou hebben.Er volgde een ontbijt, dat tot hetzelfde kleine gezelschap beperkt bleef, en waarbij Feeder geducht vroolijk was en zijne vroolijkheid zoodanig aan mevrouw Toots mededeelde, dat men Toots verscheidene malen over de tafel heen hoorde zeggen: “Lieve Suze, maak het u toch niet te druk!” Het fraaiste van alles was, dat Toots zich verplicht achtte om eene aanspraak te houden en, in weerwil van alle telegrafische teekenen zijner vrouw om het hem te ontraden, dit werkelijk voor het eerst van zijn leven deed.“Ik kan waarlijk, in dit huis,” zeide Toots, “waar ik—wat er ook somtijds met—met mijne hersenen mocht gedaan zijn—dat van geen beduiden is en ik ook niemand verwijt—altijd als een lid van doctor Blimber’s familie ben behandeld, en lang zelfs een eigen lessenaar heb gehad—mijn vriend Feeder niet zien—”—“Trouwen,” blies mevrouw Toots hem in.—“Het zal bij deze gelegenheid niet ongepast en niet geheel onbelangrijk wezen,” zeide Toots met een vergenoegd gezicht, “hier aan te merken, dat mijne vrouw eene zeer buitengemeene vrouw is, en dit veel beter zou doen dan ik zelf—mijn vriend Feeder niet zien trouwen—inzonderheid met—”—“Met jufvrouw Blimber,” fluisterde mevrouw Toots hem toe.—“Met mevrouw Feeder, lieve,” zeide Toots, op den zachten toon eener afzonderlijke redewisseling. “Wat God vereenigd heeft, zal niemand—weet ge wel? Ik kan mijn vriend Feeder niet zien trouwen,inzonderheidmet mevrouw Feeder—zonder hunne—hunne toasten in te stellen; en moge,” zeide Toots, zijne oogen op zijne vrouw vestigende, als om zich daardoor tot eene hooge vlucht te inspireeren, “de toorts van Hymen een vreugdevuur voor hen wezen, en mogen de bloemen, die wij heden op hun pad hebben gestrooid, alle—alle somberheid verbannen.”Doctor Blimber, die veel van zinnebeeldige uitdrukkingen hield, klapte zachtjes in zijne handen en zeide knikkende: “Zeer wel gezegd, Toots, zeer wel gezegd, inderdaad.” Feeder antwoordde met eene schertsende dankbetuiging, met gevoel getemperd. Zijn eerwaarde broeder bracht een zeer fraaien toast op den doctor en mevrouw Blimber uit, en de bruidegom zelf wederom een nauwelijks minder fraaien op de glanzige bruidsjuffertjes. Toen ontboezemde doctor Blimber met eene galmende stem en in een pastoralen trant eenige gedachten over het rieten dak, waaronder hij met mevrouw Blimber zou gaan wonen, en over de bijen, die om hunne stulp zouden gonzen. Kort daarna hief de voorzichtige mevrouw Blimber—daar des doctors oogen opmerkelijk begonnen te flikkeren, en zijn schoonzoon reeds had aangemerkt, dat de klok voor de gekken gemaakt was, en gevraagd had of mevrouw Toots ook zong—de zitting op, en zond Cornelia, zeer koel en rustig, met den man van haar hart in eene postkoets heen.Mijnheer en mevrouw Toots begaven zich naar deBedford(mevrouw Toots was daar in vroeger tijd, toen zij nog Nipper heette, meer geweest) en vonden daar een brief, waaraan Toots zulk een geducht langen tijd besteedde om hem te lezen, dat mevrouw Toots er ongerust over werd.“Lieve Suze,” zeide Toots, “ongerustheid en schrik zijn nog erger dan drukte. Ik bid u, blijf toch bedaard!”—“Van wien is hij?” zeide mevrouw Toots.—“Wel melieve,” was het antwoord, “van kapitein Gills. Schrik nu maar niet. Walters en jufvrouw Dombey worden thuis gewacht.”—“Beste,” zeide mevrouw Toots, haastig en zeer bleek van de sofa opstaande, “wil mij maar niet bedriegen, want dat baat toch niet. Zij zijn thuis gekomen—dat zie ik duidelijk aan uw gezicht.”—“Zij is toch eene buitengemeene vrouw!” riep Toots met bewonderende verrukking uit. “Gij hebt volkomen gelijk, lieve, zij zijn thuis. Jufvrouw Dombey heeft haar vader gezien, en zij zijn verzoend.”—“Verzoend!” riep mevrouw Toots, hare handen samenslaande.—“Lieve,” zeide Toots, “ik bid u, maak het u toch niet te druk. Denk om den dokter. Kapitein Gills zegt—of eigenlijk zegt hij dat niet, maar ik verbeeld mij, dat ik uit zijn schrijven kan begrijpen—dat jufvrouw Dombey haar ongelukkigen vader uit zijn oude huis heeft weggehaald en meegenomen, naar dat waar zij en Walters wonen—dat hij daar heel ziek ligt—stervende, naar men[424]denkt, en dat zij hem nacht en dag oppast.”Mevrouw Toots begon bitter te schreien.“Liefste Suze,” zeide Toots, “als gij eenigszins met mogelijkheid kunt, denk dan toch om den dokter. Als gij niet kunt, is het van geen beduiden; maar doe er toch uw best toe.”Zijne vrouw, die eensklaps hare oude manieren weder aannam, bad hem zoo aandoenlijk om haar naar haar lievelingetje, haar meesteresje te brengen, dat Toots, wiens medelijden en bewondering even groot waren, van ganscher harte daarin bewilligde, en zij afspraken om terstond te vertrekken en in eigen persoon antwoord te brengen op den brief des kapiteins.Nu hadden zekere toevalligheden den kapitein (naar wien mijnheer en mevrouw Toots zoo spoedig op reis zouden gaan) dien dag zelven op het bloemenpad des huwelijks gebracht, niet als hoofdpersoon, maar als getuige. Dit had zich aldus toegedragen.Toen de kapitein, tot zijn onbeschrijfelijk genoegen, Florence en haar kindje voor een oogenblik had gezien, en een langen tijd met Walter gepraat, ging hij eene wandeling doen, daar hij het noodig achtte eens eenzaam na te denken over de wisselvalligheid der menschelijke zaken, en zijn blinkenden hoed te schudden over het ongeluk van mijnheer Dombey, met wien hij innig medelijden had. Hij zou zich zelfs zeer droefgeestig over het lot van dien heer hebben gemaakt, als hij niet om het kindje had gedacht, dat hem, telkens als het hem in het hoofd kwam, zoozeer verheugde, dat hij hardop lachende langs de straat stapte, en zelfs meer dan eens, in eene vlaag van plotselinge verrukking, tot verbazing der aanschouwers, zijn blinkenden hoed omhoogwierp en weder opving. De snelle afwisselingen van licht en schaduw, waaraan deze twee tegenstrijdige onderwerpen van bespiegeling den kapitein blootstelden, hadden zulk een invloed op zijne gemoedsrust, dat hij gevoelde eene lange wandeling noodig te hebben om tot bedaren te komen; en daar streelende herinneringen hiertoe veel konden bijdragen, verkoos hij eens in zijne oude buurt te gaan rondwandelen, tusschen masten, roeispanen, blokkenmakers, scheepsbeschuitbakkers, kolendragers, teerketels, matrozen, kanalen, dokken, draaibruggen en andere kalmeerende voorwerpen.Deze vreedzame tooneelen werkten zoo weldadig op het gemoed des kapiteins, dat hij met stille tevredenheid voortwandelde, en zich zelfs binnensmonds met het liedje van Mooie Peggy verlustigde, toen hij, een hoek omslaande, eensklaps sprakeloos bleef staan op het gezicht van een zegepralenden optocht, die naar hem toekwam.Aan het hoofd van dien stoet was de geduchte jufvrouw MacStinger, die met een gezicht vol onverzettelijke vastberadenheid, en met een reusachtig horloge op hare steenharde borst pronkende, hetwelk de kapitein terstond als het eigendom van Bunsby herkende, niemand anders dan dien diepdenkenden zeeman zelven onder den arm had; terwijl hij, met het neerslachtig verstrooide gezicht van een gevangene, die in een vreemd land wordt weggevoerd, zich geduldig aan haar wil overgaf. Achter deze kwamen de kleine MacStinger’s in een troepje, juichende, en achter deze twee dames, van onverschrokken uitzicht, met een kort heertje met een hoogen hoed tusschen haar beiden, die insgelijks juichte; geheel achteraan Bunsby’s jongen, met paraplu’s beladen. De schrikkelijk pralende opschik der geheele bende zou, al hadden de dames niet zoo vastberaden en onverschrokken gekeken, genoegzaam hebben aangeduid dat de trein een offerstoet, en dat Bunsby het slachtoffer was.De eerste gedachte des kapiteins was aan den loop te gaan. Dit scheen ook de eerste gedachte van Bunsby te zijn, hoe hopeloos de uitvoering daarvan ook moest blijken. Maar toen er een herkenningskreet uit het gezelschap opging, en Alexander MacStinger met opene armen naar den kapitein kwam toeloopen, streek deze de vlag.“Wel, kapitein Cuttle!” zeide jufvrouw MacStinger. “Dat is wel toevallig. Ik ben nu niet meer kwaad op u, kapitein Cuttle; gij behoeft niet bang te zijn dat ik iets meer zal zeggen. Ik hoop in een anderen geest naar het altaar te gaan.” Hier zweeg zij even, blies met eene lange inademing hare borst op, en zeide, op het slachtoffer doelende: “Mijn aanstaande, kapitein Cuttle.”De neerslachtige Bunsby keek rechts noch links, noch naar zijne bruid, noch naar zijn vriend, maar vlak voor zich naar niets. Toen de kapitein zijne hand uitstak, stak Bunsby ook de zijne uit; maar op des kapiteins groet sprak hij geen woord.“Kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, “als gij oude grieven wilt genezen, en uw vriend, mijn aanstaande, nog op het laatste oogenblik zien als jong gezel, zullen wij blijde zijn met uw gezelschap naar de kerk. Hier is eene jufvrouw,” zeide zij, zich naar de onverschrokkenste der twee dames keerende, “mijne bruidsjuffer, die gaarne uw geleide zal aannemen, kapitein Cuttle.”De korte heer met den hoogen hoed, die de echtgenoot der andere dame bleek te zijn, en zich blijkbaar verheugde, dat een zijner medemenschen tot zijn eigen staat zou verlaagd worden, liet de bedoelde dame daarop los; welke toen dadelijk kapitein Cuttle beetpakte, en aanmerkende dat men geen tijd te verzuimen had, met eene forsche stem bevel gaf om op te marcheeren.Des kapiteins bekommering over zijn vriend, niet ongemengd in het eerst met bekommering over zich zelven—want eene onbestemde vrees, dat hij wel met geweld getrouwd zou kunnen worden, vervulde hem, tot zijne kennis van het formulier hem te hulp kwam, en hij zich de wettige verplichting herinnerde om te zeggen: “Ik[425]wil,” zich persoonlijk veilig achtte zoolang hij voornemens was om op alle vragen duidelijk te antwoorden: “Ik wil niet”—bracht hem geweldig aan het zweeten, en belette hem eene poos op te merken, welken weg de stoet nam en wat er gesproken werd. Toen zijne ontroering wat bedaarde, vernam hij van zijne dame, dat zij de weduwe van zekeren mijnheer Bokum was, die een post aan het tolkantoor had gehad; dat zij de dierbaarste vriendin van jufvrouw MacStinger was, welke zij als een voorbeeld voor hare sekse beschouwde; dat zij dikwijls van den kapitein had gehoord, van wien zij hoopte dat zijn vroeger leven hem berouwde; dat zij vertrouwde dat Bunsby wel wist welk een zegen hem ten deel viel, maar dat zij vreesde dat de mannen zelden wisten wat zulke zegeningen waren, voordat zij ze verloren; met nog meer van dien aard.“Neen, neen!” riep Florence, terugdeinzende toen zij opstond, en de handen uitstekende om haar van zich af te weren. “Mama!” (blz. 430).“Neen, neen!” riep Florence, terugdeinzende toen zij opstond, en de handen uitstekende om haar van zich af te weren. “Mama!”(blz. 430).Al dien tijd kon de kapitein niet nalaten op te merken, dat jufvrouw Bokum den bruidegom nauwlettend in het oog hield, en dat zij, als men aan den hoek van een steegje kwam, hetwelk eene vlucht scheen te kunnen begunstigen, zich gereed hield om zulk eene vlucht desnoods te beletten. Ook de andere dame en haar man, het korte heertje met den hoogen hoed, waren blijkbaar, volgens afspraak, op hunne hoede; en bovendien hield jufvrouw MacStinger den ongelukkigen Bunsby zoo stevig vast, dat elke poging om te ontsnappen verijdeld moest worden. Dit viel[426]zelfs het gepeupel in het oog, dat door schreeuwen en uitjouwen zijn begrip van de zaak aan den dag legde; waarvoor de geduchte jufvrouw MacStinger zich geheel onverschillig hield, terwijl Bunsby zelf in een staat van bewusteloosheid scheen te verkeeren.De kapitein deed verscheidene pogingen om zich met dezen philosoof in gemeenschap te stellen, al was het maar door een enkel woord of een teeken; maar dit mislukte hem telkens, zoowel door de waakzaamheid der wacht, als door de moeielijkheid, die het altijd inhad om door eenig zichtbaar teeken Bunsby’s aandacht te trekken. Zoo naderden zij de kerk, een net, van binnen en van buiten gewit gebouw, onlangs door den eerwaarden Melchizedek Hawler gehuurd, die op dringend aanzoek had toegegeven dat de wereld nog twee jaren in wezen zou blijven, maar zijne volgelingen had onderricht dat zij dan stellig moest vergaan.Terwijl de eerwaarde Melchizedek een lang gebed deed, nam de kapitein eene gelegenheid waar om den bruidegom in het oor te brommen:“Hoe gaat het, mijn jongen, hoe gaat het?”Waarop Bunsby, met eene vergetelheid van den eerwaarden Melchizedek, die alleen door zijne wanhopige omstandigheden kon verontschuldigd worden, antwoordde:“Verd … md slecht.”—“Jack Bunsby,” fluisterde de kapitein, “doet gij dit hier uit eigen vrijen wil?”Bunsby antwoordde: “Neen!”—“Waarom doet gij het dan, mijn jongen?” vroeg de kapitein niet onnatuurlijk.Bunsby, altijd nog met een onbeweeglijk gezicht naar den anderen kant van de wereld kijkende, gaf geen antwoord.“Waarom scheert gij u niet weg?” zeide de kapitein.—“He?” fluisterde Bunsby, met eene oogenblikkelijke schemering van hoop.—“Scheer je weg,” zeide de kapitein.—“Wat zou het baten?” antwoordde de neerslachtige wijze. “Zij zou mij toch wel weer pakken.”—“Probeer maar!” hernam de kapitein. “Moed gehouden! Kom aan! Nu is het tijd. Loop, Jack Bunsby!”Maar in plaats van dien raad te volgen, antwoordde Jack Bunsby akelig fluisterend:“Het is alles begonnen met die kist van u. Waarom heb ik haar dien avond ooit konvooi gegeven?”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein met schrik, “ik dacht dat gij haar den baas waart, en niet zij u. Een man, die zulke gevoelens heeft als gij!”Bunsby slaakte slechts een gesmoorden zucht.“Kom aan!” zeide de kapitein, hem met zijn elleboog aanstootende. “Nu is het tijd. Loop! Ik zal u den rug dekken. De tijd vliegt om. Bunsby! Het is voor de vrijheid. Wilt gij?—eens.”Bunsby bleef onbeweeglijk.“Bunsby,” fluisterde de kapitein. “Wilt gij?—tweemaal.”Bunsby wilde nog niet.“Bunsby!” drong de kapitein. “Het is voor de vrijheid. Wilt gij?—driemaal. Nu of nooit.”Bunsby deed het nooit, want een oogenblik later was hij met jufvrouw MacStinger getrouwd.Eene der akeligste omstandigheden der geheele plechtigheid voor den kapitein was de doodelijke belangstelling, welke Juliana MacStinger liet blijken, en de noodlottige aandacht, waarmede dat veelbelovende kind, alreeds het evenbeeld harer moeder, alles gadesloeg wat er gebeurde. De kapitein zag daarin eene oneindig voortloopende reeks van valstrikken voor mannen—eeuwen van druk en dwang, waartoe de zeevaarders gedoemd waren. Het gezicht was veel opmerkelijker dan de onverzettelijke onverschrokkenheid van jufvrouw Bokum en de andere dame, de blijdschap van het korte heertje met den hoogen hoed, of zelfs de wreede onverschilligheid van jufvrouw MacStinger. De jongeheeren MacStinger begrepen weinig van hetgeen er voorviel, en gaven er nog minder om, daar zij onder de plechtigheid voornamelijk bezig waren met op elkanders laarzen te trappen; het contrast met deze ellendige kinderen deed echter de vroegrijpe vrouw in Juliana des te heerlijker uitkomen. Nog een paar jaren, dacht de kapitein, en het zou iemand slecht bekomen te gaan logeeren waar dat kind was.De plechtigheid werd besloten met een algemeenen aanval der jeugdige familie op Bunsby, die met den teederen naam van vader begroet en om halve stuivers gevraagd werd. Toen deze uitstortingen van gevoel waren afgeloopen, en de stoet gereed was om weder te vertrekken, werd men nog eene poos opgehouden door een onverwachten inval van Alexander MacStinger. Dat lieve kind denkende, dat in eene kerk buiten de gewone godsdienstoefening niets anders kon gebeuren dan begraven, verbeeldde zich vast, dat zijne moeder nu begraven en voor altijd voor hem verloren was; en in den angst dezer overtuiging schreeuwde hij zoo hard, dat hij er blauw van in het gezicht werd. Hoe treffend dat blijk van teerhartigheid ook voor zijne moeder was, lag het niet in het karakter dier buitengemeene vrouw te dulden, dat deze zwakheid al te ver werd gedreven. Nadat zij dus vruchteloos gepoogd had haar zoontje door stompen, schudden, toesnauwen en dergelijke middelen tot een beter begrip te brengen, bracht zij het in de opene lucht en beproefde eene andere methode, waarvan het gezelschap kennis kreeg door eene snelle opvolging van scherpe geluiden, naar een applaudissement gelijkende, en daarna door Alexander, met een rood gezicht en luid weeklagende, op den koudsten steen van het kerkpleintje te zien zitten.De processie, nu gereed om naarBrig Placeterug te keeren, waar een bruiloftsmaal bereid was, begaf zich weder op weg, niet zonder dat Bunsby van de verzamelde menigte een aantal luimige felicitatiën met zijn pas gewonnen geluk[427]ontving. De kapitein ging mede tot aan de deur van het huis, maar ongerust geworden door de zachtere manieren van jufvrouw Bokum, die, nu zij van hare taak was ontheven—want de waakzaamheid der dames nam zeer merkbaar af zoodra de bruidegom veilig getrouwd was—meer tijd had om hem hare belangstelling te toonen, nam hij daar afscheid, met eene flauwe verontschuldiging wegens eene vroegere afspraak, en eene even flauwe belofte om straks terug te komen. De kapitein had nog eene reden tot ongerustheid in de gedachte, dat hij de eerste aanleiding tot Bunsby’s ongeluk had gegeven, hoewel zonder dit te bedoelen en alleen door zijn onbeperkt vertrouwen op de vermogens van dien philosoof.Naar den houten adelborst en Sam Gills terug te keeren, en niet eerst te gaan vragen hoe mijnheer Dombey voer—hoewel het huis, waar deze ziek lag, ver buitenLondenen op den zoom eener frissche heide stond—kon de kapitein niet op zich verkrijgen. Hij liet zich dus, als hij moe werd, een eindje rijden, en deed zoo vroolijk den tocht.De gordijnen waren gesloten en het huis was zoo stil, dat de kapitein bijna bang was om aan te kloppen; maar toen hij aan de deur luisterde, hoorde hij dichtbij zacht spreken, en daarop voorzichtig aankloppende, werd hij door Toots ingelaten. Toots en zijne vrouw waren zoo pas gekomen, daar zij naar den adelborst waren geweest om hem te zoeken, en daar het adres hadden gekregen.Zij waren er echter niet zoo kort, of mevrouw Toots had het kindje reeds weten te krijgen, en zat het op de trap te kussen en te liefkoozen. Florence stond gebukt naast haar, en niemand had kunnen zeggen, wien mevrouw Toots het meest liefkoosde, de moeder of het kind, of wie teerder was, Florence voor hare Suze, of Suze voor haar, of beide voor het wichtje; zoo vol liefde en blijde beweging was de kleine groep.“En isuwpapa zoo erg ziek, mijne allerliefste jufvrouw Flore?” zeide Suze.—“Hij is heel, heel ziek,” antwoordde Florence. “Maar, lieve Suze,gij moet mij nu niet aanspreken zooals ge vroeger placht te doen. En wat is dat!” zeide Florence, met verbazing hare kleeren aanrakende. “Uw oud japonnetje, lieve? Uwe oude muts, en krullen en alles?”Suze barstte in tranen uit, en bedekte het handje, dat haar zoo verwonderd had aangeraakt, met kussen.“Mijne lieve jufvrouw Dombey,” zeide Toots nader komende, “dat zal ik u verklaren. Zij is de buitengemeenste vrouw van de wereld. Er zijn er niet veel die haar gelijken. Zij heeft altijd gezegd—zoo zeide zij eer wij getrouwd waren, en zoo zeide zij nog vandaag—dat zij, als gij thuis kwaamt, naar u toe zou gaan eveneens gekleed als toen zij u placht te dienen, uit vrees dat zij u anders vreemd zou voorkomen en gij minder van haar mocht houden. Ik bewonder haar bovenal zoo gekleed,” zeide Toots. “Ik aanbid haar als zij zoo gekleed is! Mijne lieve jufvrouw Dombey, nu zal zij weder uwe kamenier zijn, uwe oppasster, alles wat zij ooit geweest is en nog meer. Zij is geheel niet veranderd. Maar lieve Suze,” zeide Toots, die met diep gevoel had gesproken, “al wat ik vraag is, dat gij om den dokter denkt en het u niet al te druk maakt.”
Het groote halfjaarlijksche feest, dat door doctor Blimber gegeven werd, en waarop al de jonge heeren werden genoodigd, was naar behooren gevierd; en de jonge heeren hadden zich, zonder onvoegzame betooning van lichtzinnige blijdschap en verzadigd van geleerdheid, naar huis begeven. Skettles ging het land uit, om zijn vader Sir Barnet Skettles te gaan opzoeken, wiens innemende manieren hem eene diplomatische betrekking hadden verschaft, waarvan de honneurs door hem en Lady Skettles tot algemeen genoegen—zelfs van hunne eigene landgenooten—werden waargenomen; iets, dat bijna voor een mirakel werd gehouden. Tozer, thans een rijzig jonkman, was zoo vol oudheidkunde, dat hij in zijne kennis van het Engelsch bijna met een echten ouden Romein gelijkstond: een roem, die zijne goede ouders met de teederste aandoeningen vervulde, en den vader en moeder van Briggs (wiens geleerdheid, gelijk slecht gepakte bagage, zoo in de war lag, dat hij nooit kon vinden wat hij noodig had) met schaamte het hoofd deed verbergen. De vruchten, welke de laatste jonge heer met veel moeite van den boom der kennis had geplukt, waren zoodanig gebroeid, dat zij, gelijk heel ontijdig fruit, niets van den waren smaak hadden behouden. Jonge heer Bitherstone, bij wien het forceerstelsel het minder ongelukkige en niet ongewone gevolg had van niet den minsten duurzamen indruk na te laten, was veel beter op zijn gemak, en zich thans aan boord van een naarBengalenbestemd schip bevindende, was hij met zulk een bewonderenswaardigen spoed aan het vergeten, dat het twijfelachtig was of zelfs zijne declinatiën van substantieven tot aan het eind van de reis zouden duren.
Toen doctor Blimber, op den ochtend van het feest, volgens zijne vaste gewoonte had moeten zeggen: “Jonge heeren, op den vijf en twintigsten der volgende maand zullen wij onze studiën hervatten,” was hij van zijne vaste gewoonte afgeweken en had gezegd: “Jonge heeren, toen onze vriend Cincinnatus zich naar zijne hoeve terug begaf, leest men niet, dat hij den senaat een Romein voorstelde, dien hij tot zijn opvolger zocht te benoemen. Doch er is hier een Romein,” zeide doctor Blimber, en legde zijne hand op Feeder’s schouder, “adolescens imprimis gravis et doctus, jonge heeren, wien ik, een tweede Cincinnatus, aanmijnkleinen senaat, als hun toekomstigen dictator wensch voor te stellen. Jonge heeren, op den vijf en twintigsten der volgende maand zullen wij onze studiën hervatten, onder de auspiciën van mijnheer Feeder.” Op dit bericht (hetwelk doctor Blimber de ouders vooraf beleefdelijk had medegedeeld) lieten de jonge heeren een eerekreet hooren; en Tozer bood den doctor, in aller naam, een inktkoker aan, met eene redevoering, die zeer weinig van de moedertaal, maar vijftien aanhalingen uit het Latijn en zeven uit het Grieksch bevatte, hetgeen de jongsten der jonge heeren met ongenoegen en wangunst vervulde, en hen deed zeggen: “Wel ja, het was heel mooi voor dien langen Tozer, maar zij hadden hun geld niet gegeven om er langen Tozer mee te laten pronken; hadden zij wel? Wat had lange Tozer er meer part aan dan de anderen? Het waszijninktkoker immers niet? Waarom kon hij niet van het goed van anderen afblijven?” met andere uitdrukkingen van ontevredenheid, waaraan zij niet beter lucht schenen te kunnen geven dan door hem langen Tozer te noemen.[422]
Geen woord was den jongen heeren gezegd, geen wenk was hun gegeven van een aanstaand huwelijk tusschen mijnheer Feeder en de schoone Cornelia Blimber. Doctor Blimber vooral scheen moeite te doen om een gezicht te zetten alsof niets hem meer zou verrassen; maar de jonge heeren wisten het toch zeer wel, en toen zij vertrokken om het gezelschap hunner betrekkingen en vrienden te gaan opzoeken, was het met eerbiedig ontzag, dat zij van mijnheer Feeder afscheid namen.
Feeder’s romaneske droomen waren vervuld. De doctor had besloten het huis van buiten te laten schilderen en geheel te repareeren, en zijne zaak en Cornelia aan hem over te doen. Het schilderen en repareeren begon daags nadat de jonge heeren vertrokken, en ziet! nu was de bruiloftsochtend gekomen, en Cornelia, met een nieuwen bril, stond gereed om zich naar het huwelijksaltaar te laten leiden.
De doctor met zijne geleerde beenen, en mevrouw Blimber met een lila hoed, en mijnheer Feeder, met zijne knokkige vingers en borstelig hoofd, en mijnheer Feeder’s broeder, de eerwaarde heer Alfred Feeder, die de plechtigheid zou verrichten, waren allen in het salon bijeen, en Cornelia, met hare oranjebloesems en bruidsjuffertjes, was juist naar beneden gekomen en zag er, gelijk van ouds, wat ingeknepen maar allerbekoorlijkst uit, toen de deur geopend werd, en de jonkman met slechte oogen, met luider stem, de volgende proclamatie deed:
“Mijnheer en mevrouw Toots!”
En daarop trad Toots binnen, zeer zwaarlijvig geworden en met eene dame aan den arm, die zeer fraai en met smaak gekleed was, en zeer heldere zwarte oogen had.
“Mevrouw Blimber,” zeide Toots, “laat ik u mijne vrouw mogen presenteeren.”
Mevrouw Blimber was verrukt haar te mogen recipieeren. Mevrouw Blimber was wel wat uit de hoogte, maar toch zeer vriendelijk.
“En daar ge mij lang gekend hebt, weet ge,” zeide Toots, “laat ik u mogen verzekeren, dat zij een van de buitengemeenste vrouwenis, die er ooit geleefd hebben.”—“Maar lieve!” zeide mevrouw Toots.—“Op mijn woord van eer, dat is zij,” zeide Toots, “Ik—ik verzeker u, mevrouw Blimber, zij is eene zeer buitengemeene vrouw.”
Mevrouw Toots lachte vroolijk, en mevrouw Blimber bracht haar naar Cornelia. Toen Toots deze insgelijks zijn compliment had gemaakt, en zijn ouden leermeester begroet, die, met toespeling op den huwelijken staat, zeide: “Wel zoo, Toots. Dus zijt ge nu in ons gild gekomen, Toots!” ging hij met Feeder ter zijde naar een venster.
Mijnheer Feeder, die zeer vroolijk was, plaatste zich in de houding van een bokser, en gaf Toots kunstmatig een stootje op het borstbeen.
“Wel, oude jongen!” zeide Feeder lachende. “Daar zijn wij er. Allebei gevangen. He?”— “Feeder,” antwoordde Toots, “ik feliciteer u. Als gij zoo—zoo—zoo volmaakt gelukkig zijt in den echten staat, als ik ben, zult gij niets meer te verlangen hebben.”—“Ik vergeet mijne oude vrienden niet, ziet ge,” zeide Feeder. “Ik vraag ze op mijne bruiloft.”—“Feeder,” antwoordde Toots met ernst, “de zaak is, dat er verscheidene omstandigheden bestonden, die mij verhinderden om u iets mede te deelen voordat mijn huwelijk voltrokken was. Vooreerst had ik mij, wat jufvrouw Dombey betreft, als een redeloos dier bij u aangesteld; en ik gevoelde wel, als ik u op eene bruiloft vroeg, dat ge natuurlijk zoudt denken dat het met jufvrouw Dombey was, waardoor ophelderingen te pas zouden zijn gekomen, die mij, op mijn woord van eer, in die crisis, geheel overstelpt zouden hebben. Ten tweede, werd ons huwelijk zeer stil gehouden; want er was niemand bij dan een vriend van mij en mijne vrouw, die kapitein is bij—ik weet eigenlijk niet recht waarbij,” zeide Toots, “maar dat is van geen beduiden. Ik hoop, Feeder, dat ik, door u een bericht van het voorgevallene te schrijven, eer mevrouw Toots en ik op reis gingen, aan al de verplichtingen der vriendschap heb voldaan.”—“Toots, mijn jongen,” zeide Feeder, hem de hand gevende, “ik stak er den gek maar mee.”—“En nu, Feeder,” zeide Toots, “zou ik gaarne willen weten, wat gij van mijn huwelijk denkt.”—“Ik vind het heerlijk,” antwoordde Feeder.—“Zoo, vindt gij het heerlijk, Feeder?” zeide Toots met grooten ernst. “Hoe heerlijk moet ik het dan niet vinden! Want gij kunt nooit weten welk eene buitengemeene vrouw zij is.”
Feeder wilde dit gaarne op goed geloof aannemen maar Toots schudde zijn hoofd en wilde er niet van hooren dat dit mogelijk zou zijn.
“Gij ziet wel,” zeide Toots, “watikmet eene vrouw noodig had, was—kortom, was verstand.Geld, Feeder, had ik wel. Verstand had ik—had ik niet veel.”
Feeder prevelde: “O ja wel, Toots, dat hadt ge wel!” Maar Toots zeide:
“Neen, Feeder, dat had ik niet. Waarom zou ik het verbloemen? Dat had ik niet. Ik wist datdaarverstand was,” zeide Toots, naar zijne vrouw wijzende, “bij hoopen. Ik had geene betrekkingen, die zich over rang of stand konden ergeren of boos maken, want ik had geheel geene betrekkingen. Ik heb nooit iemand gehad, die mij toekwam, behalve mijn voogd; en hem, Feeder, heb ik altijd voor een struikroover gehouden. Dus was het niet te denken, weet ge,” zeide Toots, “dat ik naar zijne meening zou vragen.”—“Neen,” zeide Feeder.—“Derhalve ging ik naar mijne eigene meening te werk,” hervatte Toots, “en het was een gelukkige dag toen ik dat deed, Feeder. Niemand dan ik alleen kan zeggen hoeveel verstand die vrouw heeft. Als de rechten der vrouwen en al die soort van dingen[423]ooit goed te recht gebracht worden, zal haar krachtig verstand het moeten doen.—Suze, melieve,” zeide Toots, plotseling om het gordijn van het venster kijkende, “maak het u toch niet te druk!”—“Ik praat maar, beste,” zeide mevrouw Toots.—“Maar, liefje,” hervatte Toots, “ik bid u, maak het u toch niet te druk. Gij moet waarlijk voorzichtig zijn. Maak het u toch niet te druk, lieve Suze; zij raakt zoo licht opgewonden,” zeide Toots, ter zijde tot mevrouw Blimber, “en dan vergeet zij den dokter heel en al.”
Mevrouw Blimber hield mevrouw Toots de noodzakelijkheid voor om voorzichtig te zijn, toen Feeder haar zijn arm bood om haar naar een van de koetsen te brengen, waarmede men naar de kerk zou rijden. Doctor Blimber geleidde mevrouw Toots, en Toots de schoone bruid, om welker stralenden bril twee gazige bruidsjuffertjes als vlindertjes fladderden. Feeder’s broeder, de eerwaarde heer Alfred Feeder, was reeds vooruitgegaan.
De plechtigheid werd met alle staatsie verricht. Cornelia, met hare gekroesde krulletjes, hield zich zeer bedaard; en doctor Blimber gaf haar weg als een man, die daartoe ten volle besloten was. De gazige bruidsjuffertjes schenen het meest ontroerd. Mevrouw Blimber was aangedaan, maar met mate, en zeide den eerwaarden heer Alfred Feeder onderweg naar huis, dat zij, als zij Cicero maar in zijne afzondering teTusculumgezien had, nu geen wensch meer onvoldaan zou hebben.
Er volgde een ontbijt, dat tot hetzelfde kleine gezelschap beperkt bleef, en waarbij Feeder geducht vroolijk was en zijne vroolijkheid zoodanig aan mevrouw Toots mededeelde, dat men Toots verscheidene malen over de tafel heen hoorde zeggen: “Lieve Suze, maak het u toch niet te druk!” Het fraaiste van alles was, dat Toots zich verplicht achtte om eene aanspraak te houden en, in weerwil van alle telegrafische teekenen zijner vrouw om het hem te ontraden, dit werkelijk voor het eerst van zijn leven deed.
“Ik kan waarlijk, in dit huis,” zeide Toots, “waar ik—wat er ook somtijds met—met mijne hersenen mocht gedaan zijn—dat van geen beduiden is en ik ook niemand verwijt—altijd als een lid van doctor Blimber’s familie ben behandeld, en lang zelfs een eigen lessenaar heb gehad—mijn vriend Feeder niet zien—”—“Trouwen,” blies mevrouw Toots hem in.—“Het zal bij deze gelegenheid niet ongepast en niet geheel onbelangrijk wezen,” zeide Toots met een vergenoegd gezicht, “hier aan te merken, dat mijne vrouw eene zeer buitengemeene vrouw is, en dit veel beter zou doen dan ik zelf—mijn vriend Feeder niet zien trouwen—inzonderheid met—”—“Met jufvrouw Blimber,” fluisterde mevrouw Toots hem toe.—“Met mevrouw Feeder, lieve,” zeide Toots, op den zachten toon eener afzonderlijke redewisseling. “Wat God vereenigd heeft, zal niemand—weet ge wel? Ik kan mijn vriend Feeder niet zien trouwen,inzonderheidmet mevrouw Feeder—zonder hunne—hunne toasten in te stellen; en moge,” zeide Toots, zijne oogen op zijne vrouw vestigende, als om zich daardoor tot eene hooge vlucht te inspireeren, “de toorts van Hymen een vreugdevuur voor hen wezen, en mogen de bloemen, die wij heden op hun pad hebben gestrooid, alle—alle somberheid verbannen.”
Doctor Blimber, die veel van zinnebeeldige uitdrukkingen hield, klapte zachtjes in zijne handen en zeide knikkende: “Zeer wel gezegd, Toots, zeer wel gezegd, inderdaad.” Feeder antwoordde met eene schertsende dankbetuiging, met gevoel getemperd. Zijn eerwaarde broeder bracht een zeer fraaien toast op den doctor en mevrouw Blimber uit, en de bruidegom zelf wederom een nauwelijks minder fraaien op de glanzige bruidsjuffertjes. Toen ontboezemde doctor Blimber met eene galmende stem en in een pastoralen trant eenige gedachten over het rieten dak, waaronder hij met mevrouw Blimber zou gaan wonen, en over de bijen, die om hunne stulp zouden gonzen. Kort daarna hief de voorzichtige mevrouw Blimber—daar des doctors oogen opmerkelijk begonnen te flikkeren, en zijn schoonzoon reeds had aangemerkt, dat de klok voor de gekken gemaakt was, en gevraagd had of mevrouw Toots ook zong—de zitting op, en zond Cornelia, zeer koel en rustig, met den man van haar hart in eene postkoets heen.
Mijnheer en mevrouw Toots begaven zich naar deBedford(mevrouw Toots was daar in vroeger tijd, toen zij nog Nipper heette, meer geweest) en vonden daar een brief, waaraan Toots zulk een geducht langen tijd besteedde om hem te lezen, dat mevrouw Toots er ongerust over werd.
“Lieve Suze,” zeide Toots, “ongerustheid en schrik zijn nog erger dan drukte. Ik bid u, blijf toch bedaard!”—“Van wien is hij?” zeide mevrouw Toots.—“Wel melieve,” was het antwoord, “van kapitein Gills. Schrik nu maar niet. Walters en jufvrouw Dombey worden thuis gewacht.”—“Beste,” zeide mevrouw Toots, haastig en zeer bleek van de sofa opstaande, “wil mij maar niet bedriegen, want dat baat toch niet. Zij zijn thuis gekomen—dat zie ik duidelijk aan uw gezicht.”—“Zij is toch eene buitengemeene vrouw!” riep Toots met bewonderende verrukking uit. “Gij hebt volkomen gelijk, lieve, zij zijn thuis. Jufvrouw Dombey heeft haar vader gezien, en zij zijn verzoend.”—“Verzoend!” riep mevrouw Toots, hare handen samenslaande.—“Lieve,” zeide Toots, “ik bid u, maak het u toch niet te druk. Denk om den dokter. Kapitein Gills zegt—of eigenlijk zegt hij dat niet, maar ik verbeeld mij, dat ik uit zijn schrijven kan begrijpen—dat jufvrouw Dombey haar ongelukkigen vader uit zijn oude huis heeft weggehaald en meegenomen, naar dat waar zij en Walters wonen—dat hij daar heel ziek ligt—stervende, naar men[424]denkt, en dat zij hem nacht en dag oppast.”
Mevrouw Toots begon bitter te schreien.
“Liefste Suze,” zeide Toots, “als gij eenigszins met mogelijkheid kunt, denk dan toch om den dokter. Als gij niet kunt, is het van geen beduiden; maar doe er toch uw best toe.”
Zijne vrouw, die eensklaps hare oude manieren weder aannam, bad hem zoo aandoenlijk om haar naar haar lievelingetje, haar meesteresje te brengen, dat Toots, wiens medelijden en bewondering even groot waren, van ganscher harte daarin bewilligde, en zij afspraken om terstond te vertrekken en in eigen persoon antwoord te brengen op den brief des kapiteins.
Nu hadden zekere toevalligheden den kapitein (naar wien mijnheer en mevrouw Toots zoo spoedig op reis zouden gaan) dien dag zelven op het bloemenpad des huwelijks gebracht, niet als hoofdpersoon, maar als getuige. Dit had zich aldus toegedragen.
Toen de kapitein, tot zijn onbeschrijfelijk genoegen, Florence en haar kindje voor een oogenblik had gezien, en een langen tijd met Walter gepraat, ging hij eene wandeling doen, daar hij het noodig achtte eens eenzaam na te denken over de wisselvalligheid der menschelijke zaken, en zijn blinkenden hoed te schudden over het ongeluk van mijnheer Dombey, met wien hij innig medelijden had. Hij zou zich zelfs zeer droefgeestig over het lot van dien heer hebben gemaakt, als hij niet om het kindje had gedacht, dat hem, telkens als het hem in het hoofd kwam, zoozeer verheugde, dat hij hardop lachende langs de straat stapte, en zelfs meer dan eens, in eene vlaag van plotselinge verrukking, tot verbazing der aanschouwers, zijn blinkenden hoed omhoogwierp en weder opving. De snelle afwisselingen van licht en schaduw, waaraan deze twee tegenstrijdige onderwerpen van bespiegeling den kapitein blootstelden, hadden zulk een invloed op zijne gemoedsrust, dat hij gevoelde eene lange wandeling noodig te hebben om tot bedaren te komen; en daar streelende herinneringen hiertoe veel konden bijdragen, verkoos hij eens in zijne oude buurt te gaan rondwandelen, tusschen masten, roeispanen, blokkenmakers, scheepsbeschuitbakkers, kolendragers, teerketels, matrozen, kanalen, dokken, draaibruggen en andere kalmeerende voorwerpen.
Deze vreedzame tooneelen werkten zoo weldadig op het gemoed des kapiteins, dat hij met stille tevredenheid voortwandelde, en zich zelfs binnensmonds met het liedje van Mooie Peggy verlustigde, toen hij, een hoek omslaande, eensklaps sprakeloos bleef staan op het gezicht van een zegepralenden optocht, die naar hem toekwam.
Aan het hoofd van dien stoet was de geduchte jufvrouw MacStinger, die met een gezicht vol onverzettelijke vastberadenheid, en met een reusachtig horloge op hare steenharde borst pronkende, hetwelk de kapitein terstond als het eigendom van Bunsby herkende, niemand anders dan dien diepdenkenden zeeman zelven onder den arm had; terwijl hij, met het neerslachtig verstrooide gezicht van een gevangene, die in een vreemd land wordt weggevoerd, zich geduldig aan haar wil overgaf. Achter deze kwamen de kleine MacStinger’s in een troepje, juichende, en achter deze twee dames, van onverschrokken uitzicht, met een kort heertje met een hoogen hoed tusschen haar beiden, die insgelijks juichte; geheel achteraan Bunsby’s jongen, met paraplu’s beladen. De schrikkelijk pralende opschik der geheele bende zou, al hadden de dames niet zoo vastberaden en onverschrokken gekeken, genoegzaam hebben aangeduid dat de trein een offerstoet, en dat Bunsby het slachtoffer was.
De eerste gedachte des kapiteins was aan den loop te gaan. Dit scheen ook de eerste gedachte van Bunsby te zijn, hoe hopeloos de uitvoering daarvan ook moest blijken. Maar toen er een herkenningskreet uit het gezelschap opging, en Alexander MacStinger met opene armen naar den kapitein kwam toeloopen, streek deze de vlag.
“Wel, kapitein Cuttle!” zeide jufvrouw MacStinger. “Dat is wel toevallig. Ik ben nu niet meer kwaad op u, kapitein Cuttle; gij behoeft niet bang te zijn dat ik iets meer zal zeggen. Ik hoop in een anderen geest naar het altaar te gaan.” Hier zweeg zij even, blies met eene lange inademing hare borst op, en zeide, op het slachtoffer doelende: “Mijn aanstaande, kapitein Cuttle.”
De neerslachtige Bunsby keek rechts noch links, noch naar zijne bruid, noch naar zijn vriend, maar vlak voor zich naar niets. Toen de kapitein zijne hand uitstak, stak Bunsby ook de zijne uit; maar op des kapiteins groet sprak hij geen woord.
“Kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, “als gij oude grieven wilt genezen, en uw vriend, mijn aanstaande, nog op het laatste oogenblik zien als jong gezel, zullen wij blijde zijn met uw gezelschap naar de kerk. Hier is eene jufvrouw,” zeide zij, zich naar de onverschrokkenste der twee dames keerende, “mijne bruidsjuffer, die gaarne uw geleide zal aannemen, kapitein Cuttle.”
De korte heer met den hoogen hoed, die de echtgenoot der andere dame bleek te zijn, en zich blijkbaar verheugde, dat een zijner medemenschen tot zijn eigen staat zou verlaagd worden, liet de bedoelde dame daarop los; welke toen dadelijk kapitein Cuttle beetpakte, en aanmerkende dat men geen tijd te verzuimen had, met eene forsche stem bevel gaf om op te marcheeren.
Des kapiteins bekommering over zijn vriend, niet ongemengd in het eerst met bekommering over zich zelven—want eene onbestemde vrees, dat hij wel met geweld getrouwd zou kunnen worden, vervulde hem, tot zijne kennis van het formulier hem te hulp kwam, en hij zich de wettige verplichting herinnerde om te zeggen: “Ik[425]wil,” zich persoonlijk veilig achtte zoolang hij voornemens was om op alle vragen duidelijk te antwoorden: “Ik wil niet”—bracht hem geweldig aan het zweeten, en belette hem eene poos op te merken, welken weg de stoet nam en wat er gesproken werd. Toen zijne ontroering wat bedaarde, vernam hij van zijne dame, dat zij de weduwe van zekeren mijnheer Bokum was, die een post aan het tolkantoor had gehad; dat zij de dierbaarste vriendin van jufvrouw MacStinger was, welke zij als een voorbeeld voor hare sekse beschouwde; dat zij dikwijls van den kapitein had gehoord, van wien zij hoopte dat zijn vroeger leven hem berouwde; dat zij vertrouwde dat Bunsby wel wist welk een zegen hem ten deel viel, maar dat zij vreesde dat de mannen zelden wisten wat zulke zegeningen waren, voordat zij ze verloren; met nog meer van dien aard.
“Neen, neen!” riep Florence, terugdeinzende toen zij opstond, en de handen uitstekende om haar van zich af te weren. “Mama!” (blz. 430).“Neen, neen!” riep Florence, terugdeinzende toen zij opstond, en de handen uitstekende om haar van zich af te weren. “Mama!”(blz. 430).
“Neen, neen!” riep Florence, terugdeinzende toen zij opstond, en de handen uitstekende om haar van zich af te weren. “Mama!”(blz. 430).
Al dien tijd kon de kapitein niet nalaten op te merken, dat jufvrouw Bokum den bruidegom nauwlettend in het oog hield, en dat zij, als men aan den hoek van een steegje kwam, hetwelk eene vlucht scheen te kunnen begunstigen, zich gereed hield om zulk eene vlucht desnoods te beletten. Ook de andere dame en haar man, het korte heertje met den hoogen hoed, waren blijkbaar, volgens afspraak, op hunne hoede; en bovendien hield jufvrouw MacStinger den ongelukkigen Bunsby zoo stevig vast, dat elke poging om te ontsnappen verijdeld moest worden. Dit viel[426]zelfs het gepeupel in het oog, dat door schreeuwen en uitjouwen zijn begrip van de zaak aan den dag legde; waarvoor de geduchte jufvrouw MacStinger zich geheel onverschillig hield, terwijl Bunsby zelf in een staat van bewusteloosheid scheen te verkeeren.
De kapitein deed verscheidene pogingen om zich met dezen philosoof in gemeenschap te stellen, al was het maar door een enkel woord of een teeken; maar dit mislukte hem telkens, zoowel door de waakzaamheid der wacht, als door de moeielijkheid, die het altijd inhad om door eenig zichtbaar teeken Bunsby’s aandacht te trekken. Zoo naderden zij de kerk, een net, van binnen en van buiten gewit gebouw, onlangs door den eerwaarden Melchizedek Hawler gehuurd, die op dringend aanzoek had toegegeven dat de wereld nog twee jaren in wezen zou blijven, maar zijne volgelingen had onderricht dat zij dan stellig moest vergaan.
Terwijl de eerwaarde Melchizedek een lang gebed deed, nam de kapitein eene gelegenheid waar om den bruidegom in het oor te brommen:
“Hoe gaat het, mijn jongen, hoe gaat het?”
Waarop Bunsby, met eene vergetelheid van den eerwaarden Melchizedek, die alleen door zijne wanhopige omstandigheden kon verontschuldigd worden, antwoordde:
“Verd … md slecht.”—“Jack Bunsby,” fluisterde de kapitein, “doet gij dit hier uit eigen vrijen wil?”
Bunsby antwoordde: “Neen!”—“Waarom doet gij het dan, mijn jongen?” vroeg de kapitein niet onnatuurlijk.
Bunsby, altijd nog met een onbeweeglijk gezicht naar den anderen kant van de wereld kijkende, gaf geen antwoord.
“Waarom scheert gij u niet weg?” zeide de kapitein.—“He?” fluisterde Bunsby, met eene oogenblikkelijke schemering van hoop.—“Scheer je weg,” zeide de kapitein.—“Wat zou het baten?” antwoordde de neerslachtige wijze. “Zij zou mij toch wel weer pakken.”—“Probeer maar!” hernam de kapitein. “Moed gehouden! Kom aan! Nu is het tijd. Loop, Jack Bunsby!”
Maar in plaats van dien raad te volgen, antwoordde Jack Bunsby akelig fluisterend:
“Het is alles begonnen met die kist van u. Waarom heb ik haar dien avond ooit konvooi gegeven?”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein met schrik, “ik dacht dat gij haar den baas waart, en niet zij u. Een man, die zulke gevoelens heeft als gij!”
Bunsby slaakte slechts een gesmoorden zucht.
“Kom aan!” zeide de kapitein, hem met zijn elleboog aanstootende. “Nu is het tijd. Loop! Ik zal u den rug dekken. De tijd vliegt om. Bunsby! Het is voor de vrijheid. Wilt gij?—eens.”
Bunsby bleef onbeweeglijk.
“Bunsby,” fluisterde de kapitein. “Wilt gij?—tweemaal.”
Bunsby wilde nog niet.
“Bunsby!” drong de kapitein. “Het is voor de vrijheid. Wilt gij?—driemaal. Nu of nooit.”
Bunsby deed het nooit, want een oogenblik later was hij met jufvrouw MacStinger getrouwd.
Eene der akeligste omstandigheden der geheele plechtigheid voor den kapitein was de doodelijke belangstelling, welke Juliana MacStinger liet blijken, en de noodlottige aandacht, waarmede dat veelbelovende kind, alreeds het evenbeeld harer moeder, alles gadesloeg wat er gebeurde. De kapitein zag daarin eene oneindig voortloopende reeks van valstrikken voor mannen—eeuwen van druk en dwang, waartoe de zeevaarders gedoemd waren. Het gezicht was veel opmerkelijker dan de onverzettelijke onverschrokkenheid van jufvrouw Bokum en de andere dame, de blijdschap van het korte heertje met den hoogen hoed, of zelfs de wreede onverschilligheid van jufvrouw MacStinger. De jongeheeren MacStinger begrepen weinig van hetgeen er voorviel, en gaven er nog minder om, daar zij onder de plechtigheid voornamelijk bezig waren met op elkanders laarzen te trappen; het contrast met deze ellendige kinderen deed echter de vroegrijpe vrouw in Juliana des te heerlijker uitkomen. Nog een paar jaren, dacht de kapitein, en het zou iemand slecht bekomen te gaan logeeren waar dat kind was.
De plechtigheid werd besloten met een algemeenen aanval der jeugdige familie op Bunsby, die met den teederen naam van vader begroet en om halve stuivers gevraagd werd. Toen deze uitstortingen van gevoel waren afgeloopen, en de stoet gereed was om weder te vertrekken, werd men nog eene poos opgehouden door een onverwachten inval van Alexander MacStinger. Dat lieve kind denkende, dat in eene kerk buiten de gewone godsdienstoefening niets anders kon gebeuren dan begraven, verbeeldde zich vast, dat zijne moeder nu begraven en voor altijd voor hem verloren was; en in den angst dezer overtuiging schreeuwde hij zoo hard, dat hij er blauw van in het gezicht werd. Hoe treffend dat blijk van teerhartigheid ook voor zijne moeder was, lag het niet in het karakter dier buitengemeene vrouw te dulden, dat deze zwakheid al te ver werd gedreven. Nadat zij dus vruchteloos gepoogd had haar zoontje door stompen, schudden, toesnauwen en dergelijke middelen tot een beter begrip te brengen, bracht zij het in de opene lucht en beproefde eene andere methode, waarvan het gezelschap kennis kreeg door eene snelle opvolging van scherpe geluiden, naar een applaudissement gelijkende, en daarna door Alexander, met een rood gezicht en luid weeklagende, op den koudsten steen van het kerkpleintje te zien zitten.
De processie, nu gereed om naarBrig Placeterug te keeren, waar een bruiloftsmaal bereid was, begaf zich weder op weg, niet zonder dat Bunsby van de verzamelde menigte een aantal luimige felicitatiën met zijn pas gewonnen geluk[427]ontving. De kapitein ging mede tot aan de deur van het huis, maar ongerust geworden door de zachtere manieren van jufvrouw Bokum, die, nu zij van hare taak was ontheven—want de waakzaamheid der dames nam zeer merkbaar af zoodra de bruidegom veilig getrouwd was—meer tijd had om hem hare belangstelling te toonen, nam hij daar afscheid, met eene flauwe verontschuldiging wegens eene vroegere afspraak, en eene even flauwe belofte om straks terug te komen. De kapitein had nog eene reden tot ongerustheid in de gedachte, dat hij de eerste aanleiding tot Bunsby’s ongeluk had gegeven, hoewel zonder dit te bedoelen en alleen door zijn onbeperkt vertrouwen op de vermogens van dien philosoof.
Naar den houten adelborst en Sam Gills terug te keeren, en niet eerst te gaan vragen hoe mijnheer Dombey voer—hoewel het huis, waar deze ziek lag, ver buitenLondenen op den zoom eener frissche heide stond—kon de kapitein niet op zich verkrijgen. Hij liet zich dus, als hij moe werd, een eindje rijden, en deed zoo vroolijk den tocht.
De gordijnen waren gesloten en het huis was zoo stil, dat de kapitein bijna bang was om aan te kloppen; maar toen hij aan de deur luisterde, hoorde hij dichtbij zacht spreken, en daarop voorzichtig aankloppende, werd hij door Toots ingelaten. Toots en zijne vrouw waren zoo pas gekomen, daar zij naar den adelborst waren geweest om hem te zoeken, en daar het adres hadden gekregen.
Zij waren er echter niet zoo kort, of mevrouw Toots had het kindje reeds weten te krijgen, en zat het op de trap te kussen en te liefkoozen. Florence stond gebukt naast haar, en niemand had kunnen zeggen, wien mevrouw Toots het meest liefkoosde, de moeder of het kind, of wie teerder was, Florence voor hare Suze, of Suze voor haar, of beide voor het wichtje; zoo vol liefde en blijde beweging was de kleine groep.
“En isuwpapa zoo erg ziek, mijne allerliefste jufvrouw Flore?” zeide Suze.—“Hij is heel, heel ziek,” antwoordde Florence. “Maar, lieve Suze,gij moet mij nu niet aanspreken zooals ge vroeger placht te doen. En wat is dat!” zeide Florence, met verbazing hare kleeren aanrakende. “Uw oud japonnetje, lieve? Uwe oude muts, en krullen en alles?”
Suze barstte in tranen uit, en bedekte het handje, dat haar zoo verwonderd had aangeraakt, met kussen.
“Mijne lieve jufvrouw Dombey,” zeide Toots nader komende, “dat zal ik u verklaren. Zij is de buitengemeenste vrouw van de wereld. Er zijn er niet veel die haar gelijken. Zij heeft altijd gezegd—zoo zeide zij eer wij getrouwd waren, en zoo zeide zij nog vandaag—dat zij, als gij thuis kwaamt, naar u toe zou gaan eveneens gekleed als toen zij u placht te dienen, uit vrees dat zij u anders vreemd zou voorkomen en gij minder van haar mocht houden. Ik bewonder haar bovenal zoo gekleed,” zeide Toots. “Ik aanbid haar als zij zoo gekleed is! Mijne lieve jufvrouw Dombey, nu zal zij weder uwe kamenier zijn, uwe oppasster, alles wat zij ooit geweest is en nog meer. Zij is geheel niet veranderd. Maar lieve Suze,” zeide Toots, die met diep gevoel had gesproken, “al wat ik vraag is, dat gij om den dokter denkt en het u niet al te druk maakt.”