[Inhoud]LVI.VERSCHEIDENE MENSCHEN VERHEUGD EN DE KEMPHAAN VERONTWAARDIGD.De adelborst was in volle levendigheid. Toots en Suze waren eindelijk gekomen. Suze was naar boven gevlogen als een meisje dat van hare zinnen was, en Toots en de Kemphaan waren naar het achterkamertje gegaan.“O, mijne allerliefste jufvrouw Flore!” riep Suze, Florence’s kamer binnenstuivende, “als ik denk dat het zoover komen moest, en ik u hier moet vinden, mijn lief duifje, met geen mensch om u te bedienen, en geen huis waar gij thuis zijt; maar nu zal ik nooit weer heengaan, jufvrouw Flore, want al mag ik geen mos verzamelen, ik ben toch geen rollende steen, en mijn hart is ook geen steen, of anders zou het niet barsten zooals het nu barst, och Heere, och Heere!”Deze woorden in één adem uitstortende, sloot Suze hare meesteres, bij welke zij op hare knieën lag, vast in hare armen.“O, liefje,” riep Suze uit, “ik weet al wat er gebeurd is, ik weet het alles, mijn hart, en ik stik er van; geef mij toch lucht!”—“Suze, lieve goede Suze!” zeide Florence.—“O zegen haar! Ik, die nog zulk eene kleine meid was, toen zij een klein kind was! en zal zij nu waarlijk en wezenlijk gaan trouwen!” riep Suze, met eene uitbarsting van blijdschap en smart, van trotschheid en verdriet, en de hemel weet hoeveel meer strijdige aandoeningen.—“Wie heeft u dat gezegd?” zeide Florence.—“Och lieve tijd! Die onnoozele Toots,” antwoordde Suze, zenuwachtig lachende. “Ik wist wel dat het waar moest wezen, liefje, omdat hij zich zoo aanstelde. Hij is een allerbeste, onnoozelste jongen. En zal mijn schat,” vervolgde Suze, hare meesteres omhelzende, en in tranen uitbarstende, “dan waarlijk gaan trouwen!”De mengeling van medelijden, blijdschap, teederheid, bezorgdheid en spijt, waarmede Suze telkens op dit onderwerp terugkwam, en dan telkens haar hoofd ophief, om het jeugdige gezichtje aan te zien en te kussen, en dan haar hoofd weder op den schouder harer meesteres liet zinken, en haar liefkoosde, was iets zoo hartelijks en aardigs als men ooit in de wereld iets gezien heeft.“Kom, kom!” zeide de troostende stem van Florence weldra. “Nu zijt ge immers weer bedaard, Suze?”Zij zat op den grond, aan de voeten harer meesteres, te lachen en te snikken, en hield met de eene hand haar zakdoek voor hare oogen, terwijl zij met de andere Diogenes streelde, die haar gezicht likte. In die houding verklaarde zij dat zij weer bedaard was, en lachte en schreide nog wat meer, ten bewijze daarvan.“Ik—ik—ik heb nooit zulk een schepsel gezien als die Toots,” zeide Suze, “in al mijn leven niet!”—“Zoo goedaardig,” zeide Florence.—“En zoo comisch!” snikte Suze. “De manier zooals hij zich in de koets bij mij aanstelde, met dien schandaligen Kemphaan op den bok.”—“Wat zeide hij dan, Suze?” vroeg Florence beschroomd.—“Och, hij had het over luitenant Walters en kapitein Gills, en over u, jufvrouw Flore, en het stille graf,” zeide Suze.—“Het stille graf?” herhaalde Florence.—“Hij zegt,” zeide Suze, in een zenuwachtig geschater uitbarstende, “dat hij nu dadelijk daarin zal dalen, heel weltevreden; maar wees gerust, lieve jufvrouw Flore, dat zal hij toch niet, hij is daartoe veel te gelukkig als hij andere menschen gelukkig ziet; hij mag geen Salomon wezen,” vervolgde zij met hare gewone radheid van tong, “en ik zeg ook niet dat hij er een is, maar dat zeg ik, dat er nooit iemand geweest is, die minder eigenlievend was dan hij!”Daar Suze nog zenuwachtig was, begon zij na het afleggen dezer nadrukkelijke verklaring onmatig te lachen en onderrichtte Florence daarna dat hij beneden wachtte om haar te zien, hetgeen eene rijke belooning voor hem wezen zou voor de moeite, die zijne laatste onderneming hem gekost had.Florence belastte Suze om Toots als eene gunst te gaan verzoeken, dat zij het genoegen mocht hebben om hem voor zijne goedheid te danken, en weinige oogenblikken later liet Suze den jongen heer binnen, nog zeer slordig in zijn voorkomen en buitengemeen stotterende.“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots. “Nog eens vergunning te verwerven om—om—om te staren—ten minste, niet te staren maar—ik weet niet recht wat ik wilde zeggen, maar het is van geen beduiden.”—“Ik moet u zoo dikwijls danken,” zeide Florence, hem beide hare handen gevende, terwijl al hare onschuldige dankbaarheid haar uit de oogen straalde, “dat ik geene woorden meer heb, en niet weet hoe ik het doen zal.”—“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, met eene akelig holle stem, “als het mogelijk was dat gij, met uw engelachtig karakter, mij kondt vloeken, zoudt ge mij—als ik het zoo mag uitdrukken—oneindig minder overhoopsmijten, dan door deze onverdiende uitdrukkingen van vriendelijkheid. De werking daarvan op mij—is—maar,” zeide Toots, kort afbrekende, “dat is iets dat nu niet te pas komt, en van geheel geen beduiden.”Daar het niet mogelijk scheen hierop anders te antwoorden, dan door hem nog eens te bedanken, deed Florence dit nog eens.“Ik wenschte deze gelegenheid waar te nemen, als ik mocht, jufvrouw Dombey,” zeide Toots, “om een woordje van opheldering te spreken. Ik zou het genoegen gehad hebben[389]om—om al vroeger met Suze terug te komen; maar vooreerst wisten wij niet hoe de bloedverwant heette, bij wien zij in huis was gegaan, en ten tweede was zij al weder van dien bloedverwant vandaan en naar een ander gegaan, die veel verder woonde, zoodat ik haast niet geloof dat het van den Kemphaan, met al zijne schranderheid, te vergen was haar heel gauw te vinden.”Florence was daarvan overtuigd.Daarna zat hij in het achterkamertje vier pijpen achtereen te rooken, en daar vond men hem na verloop van dien tijd bij zich zelven zitten grinniken. (blz. 392).Daarna zat hij in het achterkamertje vier pijpen achtereen te rooken, en daar vond men hem na verloop van dien tijd bij zich zelven zitten grinniken.(blz. 392).“Maar dat is eigenlijk de zaak niet,” hervatte Toots. “Het gezelschap van Suze, verzeker ik u, jufvrouw Dombey, is in mijn gemoedstoestand een troost en een genoegen geweest, die men zich gemakkelijker kan verbeelden dan beschrijven. De reis heeft hare eigene belooning medegebracht. Maar dat is eigenlijk ook de zaak niet. Jufvrouw Dombey, ik heb al vroeger eens gezegd, dat ik wel weet dat ik niet ben wat men heel schrander noemt. Ik ben mij daarvan volkomen bewust. Ik weet niet, dat iemand beter bekend kan zijn—als de uitdrukking niet wat al te sterk was, zou ik zeggen met de botheid van zijn eigen kop—dan ik het ben. Maar jufvrouw Dombey, in weerwil daarvan begrijp ik toch wel den—den staat van zaken—met luitenant Walters. Welke zielesmart mij die staat van zaken ook veroorzaakt[390]mag hebben (dat van geheel geen belang is), ik ben verplicht te zeggen, dat luitenant Walters een persoon is, die mij voorkomt den zegen waardig te zijn die hem ten deel is gevallen. Mag hij dien lang genieten, en zoo hoog waardeeren als een geheel ander en zeer onwaardig persoon, dien ik niet behoef te noemen, zou gedaan hebben! Dat is evenwel de zaak niet. Jufvrouw Dombey, kapitein Gills is een vriend van mij, en gedurende den tusschentijd, die nu verloopt, geloof ik dat het kapitein Gills genoegen zou verschaffen als ik nu en dan hier kwam. Het zou mij ook genoegen verschaffen zoo nu en dan te komen. Maar ik kan niet vergeten hoe ongelukkig ik mij eens op den hoek van het plein teBrightonheb gecompromitteerd; en als mijne tegenwoordigheid hier in den allergeringsten graad onaangenaam mocht wezen, verzoek ik u maar om het mij te zeggen, en ik verzeker u dat ik u volkomen zal begrijpen. Ik zal het volstrekt niet voor onvriendelijk houden, en zal mij maar al te zeer verheugen aldus met uw vertrouwen te worden vereerd.”—“Mijnheer Toots,” antwoordde Florence, “als gij, die zulk een oud en trouw vriend van mij zijt, nu niet meer hier aan huis wildet komen, zoudt ge mij een groot verdriet veroorzaken. Het kan nooit, nooit anders dan een genoegen voor mij wezen u te zien.”—“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, zijn zakdoek uithalende, “als ik een traan stort, is het een traan van vreugde. Het is van geen beduiden, en ik ben u zeer verplicht. Ik zal wel mogen aanmerken, na hetgeen gij daar zoo even gezegd hebt, dat het mijn voornemen niet is mijn eigen persoon nog langer te verwaarloozen.”Florence ontving deze aankondiging met een allerliefst verwonderd gezichtje, als begreep zij niet wat Toots daarmede bedoelde.“Ik meen,” zeide Toots, “dat ik het voor mijn plicht jegens mijne medemenschen zal houden, om mij, tot het stille graf mij roept, zoo goed mogelijk voor te doen, en om—om mijne laarzen zoo blinkend te laten poetsen, als—als omstandigheden veroorloven. Dit is de laatste maal, jufvrouw Dombey, dat ik u met eene aanmerking van bijzonderen en persoonlijken aard lastig val. Ik ben u waarlijk zeer dankbaar. Ik ben over het geheel niet zoo vlug van begrip als mijne vrienden wel konden wenschen, of als ik zelf wel zou wenschen, maar op mijn woord van eer, ik begrijp toch bijzonder wel en ben zeer gevoelig voor al wat goedhartig en vriendelijk is. Ik weet,” vervolgde hij vol vuur, “dat ik mijn gevoel nu bijzonder krachtig zou kunnen uitdrukken, als—als ik maar een begin kon vinden.”Daar hij, na eene poos gewacht te hebben, het begin niet scheen te kunnen vinden, nam Toots haastig afscheid en ging weder naar beneden om den kapitein op te zoeken, dien hij in den winkel vond.“Kapitein Gills,” zeide Toots, “wat er nu tusschen ons zal plaats hebben, blijft onder het heiligste zegel van vertrouwen. Het is een gevolg, kapitein Gills, van wat er boven tusschen mij en jufvrouw Dombey heeft plaats gehad.”—“Boven in den mast en tusschendeks, mijn jongen?” mompelde de kapitein.—“Juist, kapitein Gills,” antwoordde Toots, wiens toestemming te hartelijker was, omdat hij geheel niet wist, wat de kapitein meende. “Jufvrouw Dombey, geloof ik, kapitein Gills, zal binnen kort met luitenant Walters vereenigd worden?”—“Wel ja, mijn jongen. Wij zijn hier allemaal scheepskameraads. Walter en zijn liefje zullen samen worden gepaard in den echtelijken staat, zoodra de verboden gedaan zijn,” fluisterde kapitein Cuttle hem in het oor.—“De verboden, kapitein Gills?” herhaalde Toots.—“In de kerk, daar ginder,” antwoordde de kapitein, met zijn duim over zijn schouder wijzende.—“O ja,” zeide Toots.—“En dan,” zeide de kapitein met zijn schor gefluister, Toots een stootje op de borst gevende en toen een stap achteruit doende met een blik vol bewonderende opgetogenheid. “Wat dan? Dan gaat dat lieve schepseltje, zoo teertjes opgebracht als een Oost-Indisch vogeltje, met Walter over de bulderende zee op reis naarChina.”—“Goede hemel, kapitein Gills!” riep Toots uit.—“Ja,” zeide de kapitein met een knikje. “Het schip, dat hem opnam, toen hij in dien orkaan schipbreuk had geleden, was een Chinavaarder en Walter deed de reis mee, en bracht zich in gunst—als een knappe, brave jongen—en toen dus de opperkoopman teCantonstierf, kwam hij in zijne plaats—hij was te voren al in zijne plaats geweest—en nu is hij opperkoopman aan boord van een ander schip van dezelfde reeders. En zoo ziet ge,” herhaalde de kapitein nadenkend, “gaat dat lieve schepseltje met Walter mee over de woeste zee op reis naarChina.”Toots en kapitein Cuttle slaakten te gelijk een zucht.“Waarom niet?” zeide de kapitein. “Zij is hem trouw, en hij is haar trouw. Zij, die haar liefgehad en bewaard moesten hebben, hebben haar slecht behandeld. Toen zij, uit haar huis gejaagd, hier bij mij kwam en daar op die planken neerviel, was haar hartje gebroken. Dat zag ik wel. Dat weet ik wel. Er is niets dan trouwe liefde, dat het ooit weer kan lappen. Als ik dat niet wist, en niet wist, dat Walter haar trouw liefheeft, broeder, zou ik deze blauwe armen en beenen laten afhakken, eer ik haar liet gaan. Maar dat weet ik, en wat nu? Nu zeg ik, de hemel zij met hen allebei, en dat zal hij ook! Amen!”—“Kapitein Gills,” zeide Toots hierop, “laat ik het genoegen hebben[391]van u de hand te geven. Gij hebt eene manier om zoo iets te zeggen, waarvan ik eene pleizierige warmte langs mijn ganschen rug krijg. Ik zeg ook amen. Gij weet wel, kapitein Gills, dat ik jufvrouw Dombey insgelijks heb aangebeden.”—“Vroolijk maar, mijn jongen!” zeide de kapitein, zijne hand op Toots’ schouder leggende. “Sta vast!”—“Het is mijn voornemen, kapitein Gills,” antwoordde de dappere Toots, “om zoo vroolijk te zijn en zoo vast te staan als ik maar kan. Als het stille graf zich opent, kapitein Gills, zal ik klaar zijn om mij te laten begraven, maar niet eer. Daar ik niet heel zeker ben van mijn vermogen over mij zelven, wenschte ik evenwel u iets te zeggen, wat ik u als eene bijzondere gunst verzoek om aan luitenant Walters over te brengen, namelijk als volgt.”—“Namelijk als volgt,” herhaalde de kapitein. “Sta vast!”—“Daar jufvrouw Dombey zoo onuitsprekelijk goed is,” vervolgde Toots met waterige oogen, “om te zeggen, dat mijne tegenwoordigheid haar het tegendeel van onaangenaam is, en gij en iedereen hier niet minder inschikkelijk en verdraagzaam zijt voor iemand,” zeide Toots met oogenblikkelijke neerslachtigheid, “die eigenlijk voor niets in de wereld schijnt te deugen, zal ik des avonds hier zoo af en aan blijven komen, gedurende den korten tijd, dien wij allen nog bij elkaar kunnen zijn. Maar wat ik vraag is dit. Als ik somtijds ondervind, dat ik het gezicht van luitenant Walters’ zaligheid niet kan verdragen en dan naar buiten stuif, hoop ik, kapitein Gills, dat gij en hij dat voor een ongeluk, en niet voor mijne schuld of gebrek aan zelfstrijd zult houden. Dat gij u overtuigd zult houden, dat ik geen levend wezen—en allerminst luitenant Walters eenigen haat toedraag; en dat gij ter loops zult aanmerken, dat ik eene wandeling ga doen, of waarschijnlijk op de klok van de Koninklijke Beurs wil gaan kijken hoe laat het is. Als gij deze schikking kondt aannemen, kapitein Gills, en voor luitenant Walters instaan, zou dat eene verlichting voor mijn gevoel zijn, waarvoor ik gaarne een gedeelte van mijn aanzienlijk vermogen zou willen opofferen.”—“Zeg maar niet meer, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Gij kunt geene vlag hijschen, of Walter en ik zullen ze respecteeren.”—“Kapitein Gills,” zeide Toots, “nu ben ik gerust. Ik wensch de goede meening van iedereen hier te behouden. Ik—ik meen het goed, op mijn woord van eer, hoe slecht ik mij ook mag voordoen. Gij begrijpt wel,” zeide Toots, “het is net alsof Burgess en Comp. iemand eene allerbuitengemeenste pantalon wilden maken, en het fatsoen, dat zij voor den geest hadden, maar niet konden treffen.”Met deze gelukkige opheldering, waarop hij wel eenigszins trotsch scheen, gaf Toots den kapitein een zegenwensch tot afscheid en vertrok.De brave kapitein was, met zijn hartediefje in huis en Suze om haar te bedienen, een hoogst gelukkig man. Met elken dag begon zijn gezicht meer te blinken. Na eenige onderhandelingen met Suze (voor welker wijsheid de kapitein den diepsten eerbied koesterde) stelde hij Florence voor, dat de dochter der bejaarde dame, die gewoonlijk op deLeadenhallmarktonder eene blauwe paraplu zat, om redenen van voorzichtigheid, in de tijdelijke waarneming der huiselijke bezigheden zou vervangen worden door iemand, die hun niet onbekend was en op welke zij zich veilig konden verlaten. Suze, die erbij was, noemde toen, volgens vroegere afspraak met den kapitein, jufvrouw Richards. Deze naam alleen deed Florence reeds ophelderen. En toen Suze zich dien namiddag naar de woning der Toodle’s begeven had, om jufvrouw Richards eens te polsen, kwam zij nog denzelfden avond in zegepraal terug, vergezeld door Polly, nog met hetzelfde ronde gezicht en dezelfde roode wangen, wier blijdschap, toen zij Florence wederzag, nauwelijks minder hartelijk was, dan die van Suze.Toen deze fijne streek gelukt was—waarover de kapitein zich ongemeen verheugde, gelijk hij, trouwens, over alles deed wat er gebeurde—moest Florence Suze op de naderende scheiding voorbereiden. Dit was veel moeielijker taak, daar Suze zich vast in het hoofd gezet had, dat zij teruggekomen was om hare oude meesteres nooit weer te verlaten.“Wat loon betreft, lieve jufvrouw Flore,” zeide zij, “gij zoudt toch niet zoo gering van mij denken om daarvan te spreken, want ik heb geld overgelegd, en ik zou mijne liefde en dienst toch op zulk een tijd niet willen verkoopen, al had ik nooit van de spaarbank geweten of al waren alle spaarbanken bankroet; maar ge zijt nooit zonder mij geweest, lieveling, van den tijd af toen uwe goede mama werd weggenomen, en al heb ik niets om op te roemen, ge zijt toch aan mij gewend, en o mijne lieve meesteres van zoovele jaren, denk er toch niet aan om zonder mij heen te gaan, want dat mag en dat kan niet!”—“Maar, lieve Suze, ik ga eene lange, heel lange reis doen.”—“Wel, jufvrouw Flore, en wat zou dat? Zooveel te meer zult ge mij noodig hebben. Ik ben niet bang voor eene lange reis, Goddank!” zeide de onverzettelijke Suze.—“Maar Suze, ik ga met Walter, en met Walter zou ik overal heen gaan. Walter is arm en ik ben doodarm, en ik moet nu mij zelve leeren helpen en hem leeren helpen.”—“Lieve jufvrouw Flore,” riep Suze, heftig haar hoofd schuddende, “het is niets nieuws voor u, u zelve te helpen en anderen ook, en zoo geduldig en trouw te zijn als het edelste hart wezen kan, maar laat ik met mijnheer Walter Gay spreken en het met hem afmaken, want u zoo alleen door de[392]wereld te laten zwalken, dat kan ik niet en wil ik niet.”—“Alleen, Suze?” antwoordde Florence. “Alleen? en Walter neemt mij mee!” O welk een helder lachje vertoonden hare trekken! Dat had hij moeten zien. “Ik ben overtuigd, dat ge niet met Walter zult spreken, als ik u vraag om dat niet te doen,” voegde zij er vriendelijk bij; “en ik bid u, doe dat niet, lieve!”—“Waarom niet, jufvrouw Flore?” snikte Suze.—“Omdat ik,” zeide Florence, “zijne vrouw zal worden, om hem geheel mijn hart te geven, en met hem te leven en te sterven. Hij kon denken, als hij u hoorde zeggen wat ge mij gezegd hebt, dat ik bang ben voor wat ik voor mij heb, of dat gij reden hebt om bang voor mij te zijn. En Suze, ik heb hem lief!”Suze was zoo geroerd door den zachten ernst dezer woorden, waarbij het gezichtje der spreekster nog schooner en reiner werd dan ooit, dat zij niets anders kon doen dan haar nog eens om den hals vallen en uitroepen, of haar lief meesteresje dan waarlijk, waarlijk zou gaan trouwen, en haar nogmaals en nogmaals bejammeren en liefkoozen.Maar Suze, hoewel onderhevig aan vrouwelijke zwakheden, was ook wel in staat om zich te bedwingen, en van dien tijd af sprak zij nooit weder van de zaak, en was zij altijd vroolijk, werkzaam, vol moed en hoop. Zij onderrichtte, wel is waar, Toots in het geheim, dat zij zich maar zoolang zoo hield, en dat zij, alsjufvrouwDombey eens weg was, een jammerlijk schouwspel zou worden; en Toots gaf haar te kennen, dat dit ook zijn geval was, en dat zij hunne tranen te zamen zouden vermengen; maar in tegenwoordigheid van Florence gaf zij nooit lucht aan haar gevoel.Zoo beperkt en eenvoudig als Florence’s garderobe was—welk een contrast bij die, welke voor het laatste huwelijk, dat zij had bijgewoond, was aangeschaft—was er veel te doen om die gereed te krijgen, en Suze Nipper zat den geheelen dag bij haar te werken met den vereenigden ijver van vijftig naaisters. De verwonderlijke bijdragen tot deze uitrusting, die kapitein Cuttle zou hebben geleverd, als men hem had laten begaan—gelijk rozeroode parasols, gekleurde zijden kousen, blauwe schoenen en andere aan boord niet minder noodzakelijke voorwerpen—zouden, als men ze wilde optellen, vrij wat ruimte beslaan. Hij liet zich echter, door verschillende valsche voorstellingen, overhalen om zijne giften tot een werkdoosje en een toiletkistje te bepalen, van welke beide hij de grootste soort aanschafte, die voor geld te krijgen was. Nog tien of veertien dagen naderhand zat hij doorgaans het grootste gedeelte van den dag deze kistjes aan te staren; verdeeld tusschen bewondering en een angstigen twijfel, dat zij niet prachtig genoeg waren, en dikwijls de straat opstuivende om het een of ander ongerijmds te koopen, hetwelk hij dacht, dat nog ontbrak om de benoodigdheden te completeeren. Maar zijn meesterstuk was, dat hij ze beide eens op een morgen wegbracht, om de woorden “Florence Gay” te laten graveeren op de koperen hartjes, die in de deksels waren ingelegd. Daarna zat hij in het achterkamertje vier pijpen achtereen te rooken, en daar vond men hem na verloop van dien tijd bij zich zelven zitten grinniken.Walter had het druk en was den geheelen dag weg, maar kwam elken ochtend vroeg naar Florence zien en sleet elken avond bij haar. Florence verliet hare hooge kamers nooit dan om beneden naar hem te wachten als het zijn tijd was om te komen, of hem, door zijn arm omstrengeld, weder naar de deur te brengen en somtijds even de straat op te kijken. In de schemering waren zij altijd bij elkander. O zalige tijd! O rust voor het zwervende hart! O diepe bron van liefde, waarin zooveel verzonken lag!Zij had dat wreede teeken nog op hare borst. Dat rees tegen haar vader op met den adem dien zij haalde, dat lag tusschen haar en haar minnaar als hij haar aan zijn hart drukte. Maar zij vergat het. Bij het kloppen van zijn hart voor haar en het hare voor hem, werden alle stugge, ongevoelige harten vergeten. Broos en teer was zij, maar zij had eene macht van liefde in haar binnenste, die haar uit zijn beeld alleen eene wereld deed scheppen waar zij toevlucht en rust vond.Hoe dikwijls rezen het groote huis en de oude dagen voor haar op in het schemeruur, wanneer die arm, zoo trotsch en zoo teeder, haar omgaf, en zij, bij die herinnering, zich dicht aan hem vastklemde! Hoe dikwijls sloeg zij, bij de gedachte aan dien nacht, toen zij naar die kamer ging en dien onvergetelijken blik ontmoette, hare oogen op naar die, welke haar met zooveel ernst en liefde bewaakten, en schreide zij van blijdschap over zulk eene wijkplaats! Hoe veiliger zij zich daar gevoelde, des te meer had zij het lieve doode kind in hare gedachten; maar alsof zij haar vader toen voor de laatste maal had gezien, toen hij lag te slapen en zij hem een kus op de wang drukte, liet zij hem altijd zoo blijven en kwam zij in hare verbeelding nooit dat uur voorbij.“Lieve Walter,” zeide Florence eens op een avond, toen het bijna donker was, “weet ge wel wat ik vandaag gedacht heb?”—“Gedacht hoe de tijd voorbijvliegt, en hoe spoedig wij op zee zullen zijn, lieve Florence?”—“Dat meen ik niet, Walter, schoon ik daar ook wel aan denk. Ik heb gedacht welk een last ik toch voor u ben.”—“Een dierbare, heilige last, hartjelief! Wel, daaraan denk ik somtijds ook.”—“Gij lacht, Walter. Ik weet wel dat gij veel[393]meer daaraan denkt dan ik. Maar ik meen kosten.”—“Kosten, Florence?”—“Aan geld, lieve. Al die toebereidselen, waarmee Suze het zoo druk heeft—ik heb zelve heel weinig kunnen koopen. Gij waart toch al arm. Maar hoeveel armer zal ik u maken, Walter!”—“En hoeveel rijker, Florence!”Florence lachte en schudde haar hoofdje.“Buitendien,” zeide Walter, “lang geleden—eer ik naar zee ging—werd mij eens een beursje gegeven, liefste, met geld er in.”—“Och!” antwoordde Florence, met een treurig lachje. “Heel weinig, heel weinig, Walter. Maar gij moet niet denken,” en zij legde haar handje op zijn schouder, “dat het mij spijt dat ik zulk een last voor u ben. Neen, lieve, ik ben er blij om. Ik stel er mijn geluk in. Ik zou het voor de geheele wereld niet anders willen hebben.”—“Ik waarlijk ook niet, lieve Florence.”—“Ja, maar, Walter, gij kunt het nooit zoo gevoelen als ik. Ik ben zoo trotsch op u! het doet mijn hart zoo van verrukking zwellen, dat zij, die van u spreken, moeten zeggen, dat gij een arm, verstooten meisje hebt getrouwd, dat hier schuilplaats had gezocht; dat geen ander thuis, geene andere vrienden had; dat niets—niets had! O Walter, als ik u millioenen had kunnen aanbrengen, zou ik om uwentwil nooit zoo vergenoegd kunnen zijn, als ik nu ben.”—“En gij, lieve Florence, zijt gij niets?” antwoordde hij.—“Neen, niets, Walter. Niets dan uwe vrouw.” Het handje gleed om zijn hals, en de stem kwam al nader en nader bij. “Ik ben niets meer dat niet één met u is. Ik heb geen hoop op aarde meer, die niet van u komt. Ik heb niets dat mij dierbaar is, of gij zijt het.”O, wel mocht Toots het kleine gezelschap dien avond verlaten en tweemaal heengaan om zijn horloge naar de klok op de Beurs gelijk te zetten, en nog eens om eene afspraak met zijn bankier, die hij zich eensklaps herinnerde, en nog eens om een wandelingetje naar de pomp vanAldgateen terug te doen.Maar eer hij op deze tochten uitging, of eigenlijk eer hij nog kwam en voordat er licht werd gebracht, zeide Walter:“Het is laf,..... dat is het. Het is laf.” (blz. 399).“Het is laf,.…. dat is het. Het is laf.” (blz. 399).“Florence, lieve, de lading van ons schip is haast afgeloopen, en waarschijnlijk zal het juist op den dag van ons trouwen de rivier afzakken. Zullen wij dan dien dag vertrekken[394]en inKentblijven tot wij teGravesendaan boord gaan?”—“Als het u zoo belieft, Walter. Ik zal overal gelukkig zijn. Maar—”—“Wel, mijn liefje?”—“Gij weet,” zeide Florence, “dat wij geene partij zullen geven, en dat niemand ons aan onze kleeren van andere menschen zal onderscheiden. Daar wij nu denzelfden dag vertrekken, wilt gij—wilt ge mij dan dien morgen ergens brengen, Walter—vroeg—eer wij naar de kerk gaan?”Walter scheen haar te verstaan, gelijk zulk een waarlijk verliefd minnaar behoort te doen, en bevestigde zijne bereidvaardige belofte met een kus, met meer dan een misschien; en dien geheelen ernstigen, kalmen, vreedzamen avond was Florence zeer vergenoegd.Toen kwamen Suze en de kaarsen de stille kamer in, en kort daarop de thee, de kapitein en Toots, die, gelijk zoo even gezegd is, verscheidene malen weder wegliep en een onrustigen avond had. Dit was echter iets buitengewoons; doorgaans kon hij rustig blijven zitten, terwijl hij met den kapitein, met raad en toezicht van jufvrouw Nipper,cribbagespeelde, en zich in de berekeningen van dat spel verdiepte, hetgeen hij een zeer goed middel vond om zich geheel en al suf te maken.Des kapiteins gezicht bood bij zulke gelegenheden een der fraaiste voorbeelden van menigvuldigheid en afwisseling van uitdrukkingen aan. Zijne instinctmatige kieschheid en ridderlijke galanterie voor Florence leerden hem dan wel, dat het geen tijd was voor luidruchtige vroolijkheid of heftige uitbarstingen van blijdschap. Maar aan den anderen kant zochten opkomende herinneringen van Mooie Peggy nu en dan naar een uitweg, en dreven den kapitein om zich onherstelbaar te compromitteeren. Dan weder werd zijne bewondering voor Florence en Walter—een welpassend paar inderdaad en wel waardig om de oogen te trekken, door jeugd, liefde en schoonheid—zoo machtig, dat hij zijne kaarten neerlegde en hen met stralende oogen aanzag, terwijl hij zijn gezicht met zijn zakdoek wreef, tot hij, misschien, door het plotseling heenstuiven van Toots werd gewaarschuwd, dat hij onbewust het werktuig was geweest om dien jonkman rampzalig te maken. Deze bemerking deed den kapitein dan treurig worden, totdat Toots terugkwam, wanneer hij zijne kaarten weder opvatte, en Suze ter zijde een aantal oogjes en knikjes gaf, om aan te duiden dat hij zoo iets niet weer zou doen. De toestand, waarin hij dan geraakte, was misschien de merkwaardigste; want terwijl hij zijn best deed om alle uitdrukking van zijn gelaat te verbannen, zat hij in het rond te staren met een gezicht, waarop al die uitdrukkingen te gelijk met elkander worstelden. Ingenomene bewondering van Florence en Walter overwon echter altijd de andere en bleef dan alleen heerschen, of het moest gebeuren dat Toots wederom heenstoof, en dan bleef de kapitein als een boetvaardig zondaar zitten, tot deze terugkwam, zich nu en dan met eene stem vol zelfverwijt zachtjes vermanende om “vast te staan,” of knorrig op “Edward Cuttle” brommende, over het gebrek aan omzichtigheid dat zijn gedrag deed blijken.Een der zwaarste beproevingen van Toots werd echter door hem zelven opgezocht. Toen de zondag naderde, waarop het laatste dier kerkelijke “verboden” zou plaats hebben, waarvan de kapitein gesproken had, gaf Toots aldus den staat van zijn gevoel aan Suze Nipper te kennen.“Suze,” zeide hij, “ik word naar het gebouw toegetrokken. De woorden, die mij voor altijd van jufvrouw Dombey afsnijden, zullen mij als eene doodklok in de ooren klinken, dat weet ge wel, maar op mijn woord van eer, ik gevoel dat ik ze moet hooren. Wilt ge daarom morgen met mij meegaan naar de kerk?”Jufvrouw Nipper verklaarde zich bereid om dit te doen, indien dit mijnheer Toots eenig genoegen gaf, maar bad hem om van dat denkbeeld af te zien.“Suze,” antwoordde Toots, met plechtigen ernst, “eer iemand nog mijn baard begon op te merken behalve ik zelf, aanbad ik jufvrouw Dombey al. Terwijl ik nog een slachtoffer der slavernij van Blimber was, aanbad ik jufvrouw Dombey. Toen mijn eigendom mij niet wettig meer kon onthouden worden en—en ik het dus kreeg—aanbad ik jufvrouw Dombey. De geboden, die haar aan luitenant Walters toewijzen, en mij tot—duisternis veroordeelen,” zeide Toots, nadat hij even naar eene krachtige uitdrukking had gezocht—“mogen schrikkelijk zijn, zullen schrikkelijk zijn; maar ik gevoel dat ik wenschen zou ze te hooren uitspreken. Ik gevoel dat ik wenschen zou zeker te weten, dat de grond onder mij is weggemaaid, dat ik geen hoop meer kan koesteren, kortom, dat ik omverlig.”Suze Nipper kon niet anders dan Toots’ ongelukkigen toestand beklagen, en onder deze omstandigheden bewilligen om met hem mede te gaan, hetgeen zij den volgenden morgen deed.De kerk, die Walter tot dat einde had gekozen, was een oud vervallen kerkje, door een doolhof van achterstraten en stegen ingesloten, met eene kleine begraafplaats er om heen, en zelve begraven in een soort van kelder, door de naburige huizen gevormd. Van binnen was zij donker en leelijk, met hooge eikenhouten banken, waarin omtrent twintig menschen elken zondag verzonken, terwijl de slaperige stem van een hulpprediker door de ledige ruimte galmde. Evenwel kwijnde deze kerk niet uit gebrek aan gezelschap van andere kerken, want de torens verhieven zich in het rond, zoo dicht als de[395]scheepsmasten op de rivier. Het zou zelfs moeielijk zijn geweest ze van den toren dezer kerk te tellen, zooveel waren er. Op bijna ieder ledig plekje in het rond stond eene kerk. Het verwarde gebengel der klokken, op den zondagochtend toen Suze en Toots zich daarheen begaven, was verdoovend. Er waren twintig kerken dicht bijeen, die allen de menschen riepen om er in te komen.De twee verdwaalde schapen werden door een kerkeknecht in eene ruime bank gekooid, en daar het nog vroeg was, zaten zij eene poos de vergadering te tellen, naar de teleurgestelde klok omhoog in den toren te luisteren, of naar een armoedig oud manneke in het portaal te kijken, die de klok luidde, waartoe hij zijn voet in een soort van stijgbeugel had gestoken. Nadat Toots lang naar de groote boeken op den voorlezerslessenaar had getuurd, fluisterde hij Suze toe dat hij zich verwonderde waar de geboden bewaard werden, maar de jonge dame schudde slechts met een donker gezicht haar hoofd en wilde nu van geen aardsche zaken weten.Toots kon evenwel zijne gedachten niet van de geboden aftrekken, en zat blijkbaar onder den geheelen dienst daarnaar te wachten. Toen de tijd, om ze te lezen, naderde, legde de arme jongen eene groote onrust aan den dag, die niet verminderde door de onverwachte verschijning van kapitein Cuttle vooraan op de galerij. Toen de voorlezer de lijst aan den predikant gaf, hield Toots, hoewel hij zat, zich aan de bank vast; maar toen de namen van Walter Gay en Florence Dombey voor de derde en laatste maal werden opgelezen, werd hij zoodanig door zijn gevoel overweldigd, dat hij zonder hoed de kerk uitstoof, gevolgd door den kerkeknecht, den banksluiter en twee heeren van het medische vak, die toevallig daar waren. De eerstgenoemde kwam weldra terug om den hoed te halen en jufvrouw Nipper fluisterend te onderrichten, dat zij zich niet ongerust over mijnheer behoefde te maken, daar mijnheer zeide dat zijne ongesteldheid van geen belang was.Jufvrouw Nipper, die gevoelde dat de oogen van dat gedeelte vanEuropa, dat wekelijks in de hooge banken verzonk, op haar gevestigd waren, zou door dit voorval reeds verlegen genoeg zijn geworden, al ware het daarbij gebleven; te meer daar de kapitein vooraan op de galerij zich bewust was, dat hij in een geheimzinnig verband er mede stond, en niet nalaten kon dit besef aan de vergadering te doen opmerken. Maar de buitengemeene onrustigheid van Toots maakte haar toestand weldra nog veel neteliger. Deze jonge heer, buiten staat om alleen op het kerkhof eene prooi zijner eenzame gepeinzen te blijven, en ook buiten twijfel verlangend om zijn eerbied te toonen voor eene plechtigheid, die hij eenigermate gestoord had, kwam eensklaps terug—niet naar zijne bank, maar zette zich op eene vrije bank in den zijgang, tusschen twee oude vrouwen, die gewoon waren wekelijks eene portie brood te komen ontvangen, welke op eene plank in het portaal voor haar gereed lag. Zoo bleef Toots zitten, tot groote stoornis der vergadering, die niet laten kon naar hem te kijken, tot zijn gevoel hem weder overweldigde en hij nogmaals onverwacht vertrok. Nu niet weder in de kerk durvende komen en toch wenschende in zekere gemeenschap te blijven met hetgeen er in omging, zag men Toots daarna, met een bedrukt gezicht door een of ander venster binnenkijken; en daar hij verscheidene vensters van buiten bereiken kon, en zijne onrust zeer groot was, werd het niet alleen moeielijk te gissen voor welk venster hij zich de volgende maal zou vertoonen, maar was ook de geheele gemeente, terwijl zij naar de preek luisterde, als het ware gedwongen, over die kansen der verschillende vensters te denken. Toots’ bewegingen op het kerkhof waren echter zoo ongeregeld, dat hij doorgaans alle berekening te leur stelde, en evenals het popje of balletje van een goochelaar, daar verscheen waar men hem allerminst verwachtte; en deze verschijningen maakten te meer indruk omdat het voor hem moeielijk was om naar binnen, en voor de anderen gemakkelijk om naar buiten te zien, hetgeen ten gevolge had dat hij telkens, veel langer dan men zou verwacht hebben, met zijn gezicht dicht voor het glas bleef staan, tot hij eensklaps bespeurde dat aller oogen op hem gevestigd waren, en dan verdween.Dit gedrag van Toots en de medeplichtigheid, waarvan de kapitein zich bewust toonde, maakte Suze’s positie zoo netelig, dat het einde der godsdienstoefening haar een groote verademing gaf, en zij niet zoo vriendelijk als gewoonlijk voor Toots was, toen deze haar en den kapitein op den terugweg onderrichtte, dat hij nu, zeker wetende dat hij geene hoop meer had, zich tevredener gevoelde—of eigenlijk niet tevredener, maar tevredener en diep rampzalig.Nu verliep de tijd inderdaad snel tot aan den avond voor den dag, waarop het huwelijk was bepaald. Allen waren op de bovenkamer van den Adelborst bijeen en vreesden voor geene stoornis; want er waren nu geene huurders meer in huis; de adelborst had het geheel alleen. Zij waren ernstig en stil, in het vooruitzicht op den volgenden morgen, maar toch matig vroolijk. Florence, naast Walter gezeten, maakte een handwerkje af, dat tot een afscheidsgeschenk voor den kapitein bestemd was. De kapitein speeldecribbagemet Toots; Toots liet zich door Suze raadgeven. Suze gaf haar raad met alle heimelijkheid en omzichtigheid. Diogenes lag te luisteren, en liet nu en dan een half gesmoorden blaf hooren, waarover[396]hij zich dan weder scheen te schamen, alsof hij twijfelde, of hij er wel reden voor had.“Stil, stil!” zeide de kapitein tot Diogenes; “wat scheelt u? Ge schijnt niet op uw gemak van avond, mijn jongen.”Diogenes kwispelstaartte, maar stak terstond daarna zijne ooren op en liet weder een blaf hooren, waarover hij den kapitein verschooning verzocht door nog eens te kwispelstaarten.“Ik ben van gedachten, Di,” zeide de kapitein, in zijne kaart kijkende en peinzend zijne kin met zijn haak wrijvende, “dat gij aan jufvrouw Richards twijfelt; maar als gij zulk een hond zijt als ik u voor houd, zult gij u daarop beter bedenken, want zij ziet er veel te goed uit om niet te deugen. Kom aan, broeder,” tot Toots; “als ge klaar zijt, speel dan op.”De kapitein sprak met bedaardheid en had al zijne aandacht op het spel, maar eensklaps liet hij zijne kaarten uit de hand vallen, sperde hij mond en oogen wijd open, trok hij zijne beenen onder zijn stoel op, en bleef hij met stomme verbazing naar de deur zitten staren. Toen in het gezelschap rondkijkende en ziende dat niemand de reden zijner verwondering opmerkte, herstelde hij zich met een snik, gaf een geduchten slag op de tafel, riep met eene daverende stem: “Sam Gills, a-hoy!” en tuimelde in de armen van eene oude duffelschen jas, die met Polly de kamer was ingekomen.Een oogenblik later viel Walter in de armen van de duffelschen jas. Een oogenblik later deed Florence hetzelfde. Een oogenblik later had kapitein Cuttle jufvrouw Richards en Suze om den hals gepakt, en schudde hij de hand van Toots, roepende, terwijl hij zijn haak boven zijn hoofd wuifde: “Hoera, mijn jongen, hoera!” Waarop Toots, geheel buiten staat om zich dit gedrag te verklaren, zeer beleefd antwoordde: “Zekerlijk, kapitein Cuttle, wat u maar belieft.”De duffelschen jas, en de ruige muts en bouffante, die daarbij behoorden, keerden zich van den kapitein en Florence weder naar Walter, en klanken kwamen daaruit, alsof een oud man daarbinnen snikte, terwijl de ruige armen Walter vast omklemden. Ondertusschen heerschte er eene algemeene stilte, en bruineerde de kapitein met grooten ijver zijn neus. Maar toen de duffelschen jas Walter weder losliet, kwam Florence naderbij, en toen zij met hun beiden jas, muts en bouffante wegnamen, onthulden zij den ouden instrumentmaker; wat magerder en meer vervallen dan voorheen, met zijne oude ronde pruik, zijn oud koffiebruin pak en zijn ouden onfeilbaren chronometer tikkende in zijn zak.“Zoo propvol wetenschap als hij ooit geweest is,” zeide de verheugde kapitein. “Sam Gills, Sam Gills, waar zijt ge toch zoolang gebleven, oude jongen?”—“Ik ben half blind, Ned,” zeide de oude man, “en bijna doofstom van blijdschap.”—“Nog zijne eigene stem,” zeide de kapitein, met opgetogenheid rondziende, “nog zijne eigene stem, zoo propvol wetenschap als zij ooit geweest is!SamGills, mijn jongen, kom nu voor anker, onder uw eigen wijnstok en vijgeboom, als een oud patriarch als ge zijt, en doe eens rapport van uwe avonturen, met uwe eigene stem, die ons nog zoo goed heugt. Het is de stem,” zeide de kapitein, met nadruk, en door middel van zijn haak beduidende dat hij eene aanhaling deed, “van den luiaard; ik hoorde hem klagen, gij hebt mij te vroeg gewekt, ik moet nog slapen. Verstrooi zijne vijanden en doe ze vallen.”De kapitein zette zich neer als iemand, die het gevoel van alle aanwezigen zeer gelukkig had uitgedrukt, en stond dadelijk weder op om Toots te presenteeren, die zeer verbaasd was over de komst van iemand, die aanspraak scheen te maken op den naam van Gills.“Schoon ik het pleizier niet had van u te kennen, mijnheer,” stotterde Toots, “eer gij—eer gij—”—“Waart verdwenen voor het oog, maar trouw in het hart,” blies de kapitein hem zachtjes in.—“Juist zoo, kapitein Gills,” zeide Toots. “Schoon ik het pleizier niet had van u te kennen, mijnheer—mijnheer Sams,” zeide hij, door een gelukkigen inval op dien naam komende, “eer dat plaats had, doet het mij toch het grootste genoegen, verzeker ik u, u—u te leeren kennen. Ik hoop,” zeide Toots, “dat gij naar omstandigheden wel vaart.”Met deze beleefde woorden ging Toots blozend en grinnikend zitten.De oude instrumentmaker, in een hoekje tusschen Walter en Florence gezeten, antwoordde den kapitein aldus:“Ned Cuttle, beste jongen, al heb ik iets van de gebeurtenissen en veranderingen hier gehoord, van mijne vroolijke vriendin daar,” daarbij knikte hij tegen jufvrouw Richards, wier gezicht geheel glimlach was,—“welk een pleizierig gezicht heeft zij om een zwerveling welkom thuis te heeten!” zeide de oude man afbrekende en op zijne oude droomerige manier zijne handen wrijvende.—“Luister!” riep de kapitein ernstig. “Het is de vrouw, die het geheele menschdom verleidt. Daarover,” ter zijde tot Toots, “kunt gij uw Adam en Eva op nazien, broeder.”—“Dat zal ik niet verzuimen, kapitein Gills,” antwoordde Toots.—“Schoon ik iets van de gebeurtenissen en veranderingen hier gehoord heb,” hervatte de oude instrumentmaker, zijn ouden bril uit zijn zak halende en dien op de oude manier op zijn voorhoofd zettende, “zij zijn zoo groot en onverwacht, en ik ben zoo overweldigd door het gezicht van mijn lieven jongen, en door de”—hier zag hij naar de neergeslagene oogen van Florence en sprak niet voort—“dat ik—dat ik van avond niet veel kan zeggen. Maar, mijn beste Ned Cuttle, waarom hebt gij niet geschreven?”[397]De verbazing, die zich op des kapiteins trekken vertoonde, deed Toots zoodanig schrikken, dat zijne oogen stijf bleven staan, zoodat hij ze niet van des kapiteins gezicht kon afwenden.“Geschreven!” herhaalde de kapitein. “Geschreven, Sam Gills!”—“Ja,” zeide de oude man, “hetzij naarBarbados, of naarJamaica, of naarDemerary. Zoo had ik u gevraagd.”—“Gevraagd, Sam Gills!” herhaalde de kapitein wederom.—“Ja,” zeide de oude man. “Weet gij het niet meer, Ned? Dat hebt ge toch zeker niet vergeten? Telkens als ik u schreef.”De kapitein nam zijn blinkenden hoed af, zette dien op zijn haak, en bleef, terwijl hij zijn haar van achteren met zijne hand gladstreek, in het rond zitten kijken, als een beeld van berustende verwondering.“Gij schijnt mij niet te begrijpen, Ned,” merkte de oude man aan.—“Sam Gills,” antwoordde de kapitein, na hem en de anderen nog eene poos zonder spreken te hebben aangestaard. “Ik ben heelemaal van mijn koers. Laat eens een paar woorden glippen van die avonturen, wilt ge. Ik kan er maar geen hoogte van krijgen,” zeide de kapitein, peinzend in het rond kijkende.—“Gij weet wel, Ned,” zeide de oude man, “waarom ik hier vandaan ben gegaan? Gij hebt mijn pakje toch opengedaan?”—“Wel ja, wel ja,” zeide de kapitein. “Ik heb het pakje opengedaan.”—“En gelezen ook?” zeide de oude man.—“En gelezen ook,” antwoordde de kapitein, hem oplettend aanziende, en begon toen uit zijn geheugen op te zeggen: “Mijn beste Ned Cuttle, toen ik naar deWest-Indiënvertrok om tijding te gaan zoeken van mijn lieven—Daar zit hij! Daar is Walter!” zeide de kapitein, als ware het eene verademing voor hem iets te kunnen aangrijpen, dat ontwijfelbaar en onbetwistbaar was. “Wel, Ned, let nu eens even op,” zeide de oude man. “Toen ik de eerste maal schreef—dat was vanBarbados—zeide ik dat, hoewel ge dien brief zoudt ontvangen lang voor dat het jaar om was, ik toch gaarne had, dat ge het pakje opendeedt, daar dat de reden zou verklaren waarom ik was heengegaan. Goed! Toen ik de tweede, en de derde, misschien de vierde maal schreef—dat was vanJamaica—zeide ik, dat ik nog in denzelfden staat was, en geene rust had, en niet uit dat werelddeel kon terugkomen, eer ik wist of mijn jongen verongelukt of gered was. Toen ik de volgende maal schreef—dat was, denk ik, uitDemerary, niet waar?”—“Dat was, denkt hij, uitDemerary!” zeide de kapitein, hopeloos rondziende.—“Zeide ik,” vervolgde de oude man, “dat er nog geen zeker bericht was gekomen. Dat ik in dat werelddeel vele kapiteins en anderen had gevonden, die mij sedert jaren hadden gekend, en die mij hielpen om hier en daar heen te komen, en voor wie ik tot dank daarvoor nu en dan eene kleinigheid in mijn oud beroep kon doen. Dat iedereen met mij begaan was, en zeker belang in mijn zwerven scheen te stellen; en dat ik begon te denken, dat het mijn lot zou zijn om zoo zoekende naar tijding van mijn jongen, tot aan mijn dood toe heen en weder te kruisen.”—“Begon te denken, dat hij een geleerde Vliegende Hollander was!” zeide de kapitein, evenals te voren, met den grootsten ernst.—“Maar toen eens op een dag de tijding kwam, Ned—dat was opBarbados, toen ik daar weer terug was—dat een Chinavaarder op de thuisreis gepraaid was, die mijn jongen aan boord had, toen, Ned, nam ik de eerste scheepsgelegenheid waar om weer naar huis te gaan; en zoo kwam ik van avond hier, om te vinden dat het waar is, Goddank!” zeide de oude man met vromen ernst.Nadat de kapitein eerbiedig zijn hoofd had gebogen keek hij starend den geheelen kring in het rond, met Toots beginnende en met den instrumentmaker besluitende, en zeide toen ernstig:“Sam Gills. Wat ik nu zal zeggen, zal u geheel overstaagsmijten. Geen een van die brieven is ooit aan Edward Cuttle behandigd. Geen een van die brieven,” herhaalde de kapitein, om zijne verklaring des te plechtiger te maken, “is ooit aan Edward Cuttle behandigd.”—“Ik heb ze toch eigenhandig op de post gedaan, en eigenhandig geadresseerd,Brig Place, nommer negen,” riep de oude man uit.Alle kleur verdween van des kapiteins gezicht en kwam terstond daarop gloeiend terug.“Wat meent ge, Sam Gills, mijn vriend, metBrig Place, nommer negen?” zeide de kapitein.—“Meenen? Het huis waar gij woont, Ned,” antwoordde de oude man, “bij jufvrouw—hoe heet zij ook weer? Ik zal mijn eigen naam nog vergeten, maar ik ben bij mijn tijd ten achter—dat was ik altijd, weet ge wel—en suf van hoofd, jufvrouw—”—“Sam Gills,” zeide de kapitein, alsof hij het onwaarschijnlijkste geval van de wereld onderstelde, “het is toch de naam van MacStinger niet, dien gij u wilt te binnen brengen?”—“Wel natuurlijk is het die,” riep de instrumentmaker uit. “Wel zeker Ned, jufvrouw MacStinger!”Kapitein Cuttle wiens oogen nu zoo wijd openstonden als zij maar konden, liet een allerschelst gefluit hooren, en stond toen sprakeloos te kijken.“Zeg mij dat nog eens, als ge zoo goed wilt zijn, Sam Gills,” zeide hij eindelijk.—“Al die brieven,”antwoordde oom Sam, met zijn rechter voorvinger in de palm zijner linkerhand tikkende, met eene duidelijkheid en regelmatigheid, die zelfs zijn onfeilbare chronometer tot eer zou hebben gestrekt, “heb ik eigenhandig op de post gedaan, en eigenhandig geadresseerd, aan kapitein Cuttle, ten huize van jufvrouw[398]MacStinger,Brig Place, nommer negen.”De kapitein nam zijn blinkenden hoed van den haak, keek er eens in, zette hem op zijn hoofd en ging weder zitten.“Wel, vrienden allemaal,” zeide de kapitein, vol verslagenheid rondkijkende, “daar was ik vandaan geloopen.”—“En niemand wist waar gij naar toe waart, kapitein Cuttle” riep Walter haastig uit.—“Zegen ons, Walter,” antwoordde de kapitein, zijn hoofd schuddende, “zij zou mij nooit hebben laten gaan om hier op het goed te passen. Ik kon niet anders doen dan wegloopen. Och Heere, Walter!” zeide de kapitein. “Gij hebt haar nog maar bij stil weer gezien. Maar gij moest haar eens zien als het stormt!”—“Ikzou haar wel klein krijgen,” zeide Suze zachtjes.—“Zoudt ge—denkt gij dat, liefje?” antwoordde de kapitein met flauwe bewondering. “Wel, kindlief, dat strekt u tot eer. Maar wat mij betreft, er is geen wild dier, dat ik niet liever zou staan. Ik heb mijne kist alleen weggekregen door middel van een vriend, waar niemand tegen op kan. Het kon niet baten of men daar al brieven zond. Zij zou ze toch niet aannemen. Wel waarlijk,” zeide de kapitein, “het was haast een waagstuk ze te gaan bestellen!”—“Dus is het vrij duidelijk, kapitein Cuttle,” zeide Walter, “dat wij allen, maar gij en oom Sam vooral, niet weinig angst en zorg aan die jufvrouw MacStinger te danken hebben.”De algemeene verplichting aan die manhaftige weduwe was zoo duidelijk, dat de kapitein deze stelling niet tegensprak; maar daar hij zich eenigszins over zijne positie schaamde—hoewel niemand verder van de zaak sprak, en Walter, zich het laatste gesprek daarover herinnerende, dit vooral vermeed—bleef zijn gezicht vijf minuten lang—een buitengewone tijd voor hem—betrokken. Toen helderde het weder op, en kreeg hij lust om iedereen nogmaals en nogmaals over de hand te geven.Vroeg, maar niet voordat oom Sam en Walter elkander eenigszins uitvoerig van hunne avonturen en gevaren hadden verteld, namen allen, behalve Walter, afscheid van Florence, en gingen beneden naar het achterkamertje. Hier kwam Walter spoedig bij hen en zeide dat Florence eenigszins droefgeestig en zwaarmoedig was, en naar bed zou gaan. Hoewel zij haar daar beneden niet hadden kunnen storen, spraken zij na dien tijd toch fluisterend, en ieder toonde op zijne verschillende manier zijne teerhartigheid voor Walter’s jeugdige bruid. Oom Sam ontving eene uitvoerige mededeeling van alles wat haar aanging, en Toots was zeer gevoelig voor de kieschheid, waarmede Walter het gewicht zijner diensten en het noodzakelijke zijner tegenwoordigheid bij deze kleine raadsvergadering deed uitkomen.“Mijnheer Toots,” zeide Walter, toen hij hem aan de deur verliet. “Wij zullen elkander morgenochtend toch zien?”—“Luitenant Walters,” antwoordde Toots, hem vurig de hand drukkende. “Ik zal zeker tegenwoordig zijn.”—“Dit is de laatste avond, dat wij elkander in langen tijd zullen zien—misschien de laatste avond dat wij elkander ooit zullen zien,” zeide Walter. “Zulk een edel hart als het uwe moet het wel gevoelen, denk ik, wanneer een ander hart daaraan verbonden is. Gij weet wel, hoop ik, hoe dankbaar ik u ben.”—“Walters,” antwoordde Toots, met aandoening, “het zou mij verheugen als ik gevoelde, dat gij daartoe reden hadt.”—“Florence,” hervatte Walter, “heeft mij, op den laatsten avond dat zij haar eigen naam draagt, doen beloven—pas zoo even, toen gij ons bij elkander liet,—dat ik u zou zeggen, met verzekering van hare hartelijke genegenheid—”Toots sloeg zijne hand aan den deurpost en drukte zijne oogen op zijne hand.“Van hare hartelijke genegenheid,” herhaalde Walter, “dat zij nooit een vriend kan hebben, dien zij boven u zal schatten. Dat zij uwe trouwe welwillendheid voor haar nooit zal vergeten. Dat zij van avond in haar gebed aan u gedachtig is, en hoopt dat gij nog aan haar denken zult als zij ver weg is. Zal ik haar van u iets zeggen?”—“Zeg, Walters,” antwoordde Toots onduidelijk, “dat ik alle dagen aan haar zal denken, maar nooit zonder mij gelukkig te gevoelen omdat ik weet, dat zij getrouwd is met den man dien zij liefheeft, en die haar liefheeft. Zeg haar, als het u belieft, dat ik zeker ben, dat haar man haar—zelfs haar—waardig is—en dat ik mij verheug over hare keus.”Toen Toots aan deze woorden kwam werd hij duidelijker, en zijne oogen van den deurpost opslaande, zeide hij ze stoutweg. Toen drukte hij Walter nog eens de hand, met eene hartelijkheid, die Walter niet miste te beantwoorden, en ging heen.Met hem ging de Kemphaan, dien hij sedert eenigen tijd elken avond medegebracht en in den winkel gelaten had, met het denkbeeld, dat er onverwachte omstandigheden konden ontstaan, waarin de dapperheid van dien uitstekenden persoon den adelborst van dienst zou kunnen zijn. De gaslantarens gaven een valsch licht, of hij kneep op eene afschuwelijke manier zijn oog dicht, en haalde daarbij even leelijk zijn neus op, toen Toots, de straat overstappende, omkeek naar de kamer waar Florence sliep. Onderweg naar huis liet hij meer vijandige neigingen tegen andere voetgangers blijken, dan een beoefenaar der vreedzame kunst van zelfverdediging wel paste. Thuis gekomen, bleef hij, in plaats van Toots in zijne apartementen alleen te laten, voor dezen staan, zijn witten hoed met beide handen op den rand wiegelende, en zijn neus (die meermalen beschadigd[399]en niet te best gelapt was) ophalende op eene manier, die alles behalve eerbiedig kon heeten.Daar zijn patroon druk met zijne eigene gedachten bezig was, merkte hij dit niet op, voordat de Kemphaan, die niet onopgemerkt wilde blijven, met zijne tong zekere klinkende geluiden maakte.“Nu, baas,” zeide de Kemphaan zeer stroef, toen hij eindelijk de oogen van Toots had getrokken, “wou ik maar eens weten of het met die malligheid moet afloopen, of dat gij er ernst van zult maken?”—“Kemphaan,” antwoordde Toots. “Verklaar u wat duidelijker.”—“Wel dan, kort en goed, baas,” zeide de Kemphaan. “Ik ben geen man om een woord weg te gooien. Zoo is het. Zal er een geboft worden?”Toen hij deze vraag deed, liet de Kemphaan zijn hoed vallen, maakte daarop eene parade met de linkerhand, viel met de rechtervuist uit om zijn vermeenden vijand een geweldigen stomp te geven, schudde vinnig zijn hoofd en stelde zich weder in postuur.“Kom aan, baas,” zeide de Kemphaan; “zal het lorrendraaierij zijn of meenens? Wat van de twee?”—“Kemphaan,” antwoordde Toots, “uwe uitdrukkingen zijn grof, en uwe meening is donker.”—“Dan zal ik ze ronduit zeggen, baas!” hervatte de Kemphaan. “Het is laf.”—“Wat is laf, Kemphaan?” vroeg Toots.—“Datis laf,” antwoordde de Kemphaan, met eene geduchte rimpeling van zijn beschadigden neus. “Daar nu, baas. Wat zeg ik. Nu die stijve hark al op zij is,” met deze minachtende benaming is het te denken, dat hij mijnheer Dombey wilde aanduiden, “en gij den winner op uw gemak zijn bekomst zoudt kunnen geven, laat gij het er bij zitten! Bij zitten!” herhaalde de Kemphaan, met verachtelijken nadruk. “Dat is laf, zeg ik.”—“Kemphaan,” zeide Toots met strengheid, “ge zijt een rechte gier. Uwe gevoelens zijn gruwelijk.”—“Ik houd het met courage en zuiver spel, baas,” antwoordde de Kemphaan. “En dat zijn mijne gevoelens. Ik kan geen lafheid velen. Ik ben een publiek persoon; voor de toonbank van den Kleinen Olifant kan men naar mij vernemen, en geen patroon van mij moet iets doen dat laf is. En het is laf,” zeide de Kemphaan met toenemenden nadruk. “Het is laf.”—“Kemphaan,”zeide Toots. “Ik begin van u te walgen.”—“Dan zijn wij met ons beiden, baas,” antwoordde de Kemphaan. “Kom aan. Ik zal een voorslag doen. Gij hebt mij meer dan eens of tweemaal van kastelein worden gesproken. Maar dat komt er niet op aan. Geef mij morgen een bankje van vijftig pond, en laat mij gaan.”—“Kemphaan,” antwoordde Toots, “na de hatelijke gevoelens, die gij aan den dag hebt gelegd, zal ik blij zijn als ik op die manier van u af ben.”—“Gedaan dan!” zeide de Kemphaan. “Het is te koop. Uw gedrag bevalt mij niet. Het is laf,” zeide de Kemphaan, die, naar het scheen, niets anders wist te zeggen, maar dit toch niet scheen te kunnen zwijgen. “Dat is het. Het is laf.”Toots en de Kemphaan vonden dus in het verschil hunner zedelijke begrippen eene reden om te scheiden; en toen Toots ging slapen, droomde hij genoeglijk van Florence, die op den laatsten avond van haar meisjesleven aan hem als een vriend gedacht en hem van hare hartelijke genegenheid had laten verzekeren.
[Inhoud]LVI.VERSCHEIDENE MENSCHEN VERHEUGD EN DE KEMPHAAN VERONTWAARDIGD.De adelborst was in volle levendigheid. Toots en Suze waren eindelijk gekomen. Suze was naar boven gevlogen als een meisje dat van hare zinnen was, en Toots en de Kemphaan waren naar het achterkamertje gegaan.“O, mijne allerliefste jufvrouw Flore!” riep Suze, Florence’s kamer binnenstuivende, “als ik denk dat het zoover komen moest, en ik u hier moet vinden, mijn lief duifje, met geen mensch om u te bedienen, en geen huis waar gij thuis zijt; maar nu zal ik nooit weer heengaan, jufvrouw Flore, want al mag ik geen mos verzamelen, ik ben toch geen rollende steen, en mijn hart is ook geen steen, of anders zou het niet barsten zooals het nu barst, och Heere, och Heere!”Deze woorden in één adem uitstortende, sloot Suze hare meesteres, bij welke zij op hare knieën lag, vast in hare armen.“O, liefje,” riep Suze uit, “ik weet al wat er gebeurd is, ik weet het alles, mijn hart, en ik stik er van; geef mij toch lucht!”—“Suze, lieve goede Suze!” zeide Florence.—“O zegen haar! Ik, die nog zulk eene kleine meid was, toen zij een klein kind was! en zal zij nu waarlijk en wezenlijk gaan trouwen!” riep Suze, met eene uitbarsting van blijdschap en smart, van trotschheid en verdriet, en de hemel weet hoeveel meer strijdige aandoeningen.—“Wie heeft u dat gezegd?” zeide Florence.—“Och lieve tijd! Die onnoozele Toots,” antwoordde Suze, zenuwachtig lachende. “Ik wist wel dat het waar moest wezen, liefje, omdat hij zich zoo aanstelde. Hij is een allerbeste, onnoozelste jongen. En zal mijn schat,” vervolgde Suze, hare meesteres omhelzende, en in tranen uitbarstende, “dan waarlijk gaan trouwen!”De mengeling van medelijden, blijdschap, teederheid, bezorgdheid en spijt, waarmede Suze telkens op dit onderwerp terugkwam, en dan telkens haar hoofd ophief, om het jeugdige gezichtje aan te zien en te kussen, en dan haar hoofd weder op den schouder harer meesteres liet zinken, en haar liefkoosde, was iets zoo hartelijks en aardigs als men ooit in de wereld iets gezien heeft.“Kom, kom!” zeide de troostende stem van Florence weldra. “Nu zijt ge immers weer bedaard, Suze?”Zij zat op den grond, aan de voeten harer meesteres, te lachen en te snikken, en hield met de eene hand haar zakdoek voor hare oogen, terwijl zij met de andere Diogenes streelde, die haar gezicht likte. In die houding verklaarde zij dat zij weer bedaard was, en lachte en schreide nog wat meer, ten bewijze daarvan.“Ik—ik—ik heb nooit zulk een schepsel gezien als die Toots,” zeide Suze, “in al mijn leven niet!”—“Zoo goedaardig,” zeide Florence.—“En zoo comisch!” snikte Suze. “De manier zooals hij zich in de koets bij mij aanstelde, met dien schandaligen Kemphaan op den bok.”—“Wat zeide hij dan, Suze?” vroeg Florence beschroomd.—“Och, hij had het over luitenant Walters en kapitein Gills, en over u, jufvrouw Flore, en het stille graf,” zeide Suze.—“Het stille graf?” herhaalde Florence.—“Hij zegt,” zeide Suze, in een zenuwachtig geschater uitbarstende, “dat hij nu dadelijk daarin zal dalen, heel weltevreden; maar wees gerust, lieve jufvrouw Flore, dat zal hij toch niet, hij is daartoe veel te gelukkig als hij andere menschen gelukkig ziet; hij mag geen Salomon wezen,” vervolgde zij met hare gewone radheid van tong, “en ik zeg ook niet dat hij er een is, maar dat zeg ik, dat er nooit iemand geweest is, die minder eigenlievend was dan hij!”Daar Suze nog zenuwachtig was, begon zij na het afleggen dezer nadrukkelijke verklaring onmatig te lachen en onderrichtte Florence daarna dat hij beneden wachtte om haar te zien, hetgeen eene rijke belooning voor hem wezen zou voor de moeite, die zijne laatste onderneming hem gekost had.Florence belastte Suze om Toots als eene gunst te gaan verzoeken, dat zij het genoegen mocht hebben om hem voor zijne goedheid te danken, en weinige oogenblikken later liet Suze den jongen heer binnen, nog zeer slordig in zijn voorkomen en buitengemeen stotterende.“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots. “Nog eens vergunning te verwerven om—om—om te staren—ten minste, niet te staren maar—ik weet niet recht wat ik wilde zeggen, maar het is van geen beduiden.”—“Ik moet u zoo dikwijls danken,” zeide Florence, hem beide hare handen gevende, terwijl al hare onschuldige dankbaarheid haar uit de oogen straalde, “dat ik geene woorden meer heb, en niet weet hoe ik het doen zal.”—“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, met eene akelig holle stem, “als het mogelijk was dat gij, met uw engelachtig karakter, mij kondt vloeken, zoudt ge mij—als ik het zoo mag uitdrukken—oneindig minder overhoopsmijten, dan door deze onverdiende uitdrukkingen van vriendelijkheid. De werking daarvan op mij—is—maar,” zeide Toots, kort afbrekende, “dat is iets dat nu niet te pas komt, en van geheel geen beduiden.”Daar het niet mogelijk scheen hierop anders te antwoorden, dan door hem nog eens te bedanken, deed Florence dit nog eens.“Ik wenschte deze gelegenheid waar te nemen, als ik mocht, jufvrouw Dombey,” zeide Toots, “om een woordje van opheldering te spreken. Ik zou het genoegen gehad hebben[389]om—om al vroeger met Suze terug te komen; maar vooreerst wisten wij niet hoe de bloedverwant heette, bij wien zij in huis was gegaan, en ten tweede was zij al weder van dien bloedverwant vandaan en naar een ander gegaan, die veel verder woonde, zoodat ik haast niet geloof dat het van den Kemphaan, met al zijne schranderheid, te vergen was haar heel gauw te vinden.”Florence was daarvan overtuigd.Daarna zat hij in het achterkamertje vier pijpen achtereen te rooken, en daar vond men hem na verloop van dien tijd bij zich zelven zitten grinniken. (blz. 392).Daarna zat hij in het achterkamertje vier pijpen achtereen te rooken, en daar vond men hem na verloop van dien tijd bij zich zelven zitten grinniken.(blz. 392).“Maar dat is eigenlijk de zaak niet,” hervatte Toots. “Het gezelschap van Suze, verzeker ik u, jufvrouw Dombey, is in mijn gemoedstoestand een troost en een genoegen geweest, die men zich gemakkelijker kan verbeelden dan beschrijven. De reis heeft hare eigene belooning medegebracht. Maar dat is eigenlijk ook de zaak niet. Jufvrouw Dombey, ik heb al vroeger eens gezegd, dat ik wel weet dat ik niet ben wat men heel schrander noemt. Ik ben mij daarvan volkomen bewust. Ik weet niet, dat iemand beter bekend kan zijn—als de uitdrukking niet wat al te sterk was, zou ik zeggen met de botheid van zijn eigen kop—dan ik het ben. Maar jufvrouw Dombey, in weerwil daarvan begrijp ik toch wel den—den staat van zaken—met luitenant Walters. Welke zielesmart mij die staat van zaken ook veroorzaakt[390]mag hebben (dat van geheel geen belang is), ik ben verplicht te zeggen, dat luitenant Walters een persoon is, die mij voorkomt den zegen waardig te zijn die hem ten deel is gevallen. Mag hij dien lang genieten, en zoo hoog waardeeren als een geheel ander en zeer onwaardig persoon, dien ik niet behoef te noemen, zou gedaan hebben! Dat is evenwel de zaak niet. Jufvrouw Dombey, kapitein Gills is een vriend van mij, en gedurende den tusschentijd, die nu verloopt, geloof ik dat het kapitein Gills genoegen zou verschaffen als ik nu en dan hier kwam. Het zou mij ook genoegen verschaffen zoo nu en dan te komen. Maar ik kan niet vergeten hoe ongelukkig ik mij eens op den hoek van het plein teBrightonheb gecompromitteerd; en als mijne tegenwoordigheid hier in den allergeringsten graad onaangenaam mocht wezen, verzoek ik u maar om het mij te zeggen, en ik verzeker u dat ik u volkomen zal begrijpen. Ik zal het volstrekt niet voor onvriendelijk houden, en zal mij maar al te zeer verheugen aldus met uw vertrouwen te worden vereerd.”—“Mijnheer Toots,” antwoordde Florence, “als gij, die zulk een oud en trouw vriend van mij zijt, nu niet meer hier aan huis wildet komen, zoudt ge mij een groot verdriet veroorzaken. Het kan nooit, nooit anders dan een genoegen voor mij wezen u te zien.”—“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, zijn zakdoek uithalende, “als ik een traan stort, is het een traan van vreugde. Het is van geen beduiden, en ik ben u zeer verplicht. Ik zal wel mogen aanmerken, na hetgeen gij daar zoo even gezegd hebt, dat het mijn voornemen niet is mijn eigen persoon nog langer te verwaarloozen.”Florence ontving deze aankondiging met een allerliefst verwonderd gezichtje, als begreep zij niet wat Toots daarmede bedoelde.“Ik meen,” zeide Toots, “dat ik het voor mijn plicht jegens mijne medemenschen zal houden, om mij, tot het stille graf mij roept, zoo goed mogelijk voor te doen, en om—om mijne laarzen zoo blinkend te laten poetsen, als—als omstandigheden veroorloven. Dit is de laatste maal, jufvrouw Dombey, dat ik u met eene aanmerking van bijzonderen en persoonlijken aard lastig val. Ik ben u waarlijk zeer dankbaar. Ik ben over het geheel niet zoo vlug van begrip als mijne vrienden wel konden wenschen, of als ik zelf wel zou wenschen, maar op mijn woord van eer, ik begrijp toch bijzonder wel en ben zeer gevoelig voor al wat goedhartig en vriendelijk is. Ik weet,” vervolgde hij vol vuur, “dat ik mijn gevoel nu bijzonder krachtig zou kunnen uitdrukken, als—als ik maar een begin kon vinden.”Daar hij, na eene poos gewacht te hebben, het begin niet scheen te kunnen vinden, nam Toots haastig afscheid en ging weder naar beneden om den kapitein op te zoeken, dien hij in den winkel vond.“Kapitein Gills,” zeide Toots, “wat er nu tusschen ons zal plaats hebben, blijft onder het heiligste zegel van vertrouwen. Het is een gevolg, kapitein Gills, van wat er boven tusschen mij en jufvrouw Dombey heeft plaats gehad.”—“Boven in den mast en tusschendeks, mijn jongen?” mompelde de kapitein.—“Juist, kapitein Gills,” antwoordde Toots, wiens toestemming te hartelijker was, omdat hij geheel niet wist, wat de kapitein meende. “Jufvrouw Dombey, geloof ik, kapitein Gills, zal binnen kort met luitenant Walters vereenigd worden?”—“Wel ja, mijn jongen. Wij zijn hier allemaal scheepskameraads. Walter en zijn liefje zullen samen worden gepaard in den echtelijken staat, zoodra de verboden gedaan zijn,” fluisterde kapitein Cuttle hem in het oor.—“De verboden, kapitein Gills?” herhaalde Toots.—“In de kerk, daar ginder,” antwoordde de kapitein, met zijn duim over zijn schouder wijzende.—“O ja,” zeide Toots.—“En dan,” zeide de kapitein met zijn schor gefluister, Toots een stootje op de borst gevende en toen een stap achteruit doende met een blik vol bewonderende opgetogenheid. “Wat dan? Dan gaat dat lieve schepseltje, zoo teertjes opgebracht als een Oost-Indisch vogeltje, met Walter over de bulderende zee op reis naarChina.”—“Goede hemel, kapitein Gills!” riep Toots uit.—“Ja,” zeide de kapitein met een knikje. “Het schip, dat hem opnam, toen hij in dien orkaan schipbreuk had geleden, was een Chinavaarder en Walter deed de reis mee, en bracht zich in gunst—als een knappe, brave jongen—en toen dus de opperkoopman teCantonstierf, kwam hij in zijne plaats—hij was te voren al in zijne plaats geweest—en nu is hij opperkoopman aan boord van een ander schip van dezelfde reeders. En zoo ziet ge,” herhaalde de kapitein nadenkend, “gaat dat lieve schepseltje met Walter mee over de woeste zee op reis naarChina.”Toots en kapitein Cuttle slaakten te gelijk een zucht.“Waarom niet?” zeide de kapitein. “Zij is hem trouw, en hij is haar trouw. Zij, die haar liefgehad en bewaard moesten hebben, hebben haar slecht behandeld. Toen zij, uit haar huis gejaagd, hier bij mij kwam en daar op die planken neerviel, was haar hartje gebroken. Dat zag ik wel. Dat weet ik wel. Er is niets dan trouwe liefde, dat het ooit weer kan lappen. Als ik dat niet wist, en niet wist, dat Walter haar trouw liefheeft, broeder, zou ik deze blauwe armen en beenen laten afhakken, eer ik haar liet gaan. Maar dat weet ik, en wat nu? Nu zeg ik, de hemel zij met hen allebei, en dat zal hij ook! Amen!”—“Kapitein Gills,” zeide Toots hierop, “laat ik het genoegen hebben[391]van u de hand te geven. Gij hebt eene manier om zoo iets te zeggen, waarvan ik eene pleizierige warmte langs mijn ganschen rug krijg. Ik zeg ook amen. Gij weet wel, kapitein Gills, dat ik jufvrouw Dombey insgelijks heb aangebeden.”—“Vroolijk maar, mijn jongen!” zeide de kapitein, zijne hand op Toots’ schouder leggende. “Sta vast!”—“Het is mijn voornemen, kapitein Gills,” antwoordde de dappere Toots, “om zoo vroolijk te zijn en zoo vast te staan als ik maar kan. Als het stille graf zich opent, kapitein Gills, zal ik klaar zijn om mij te laten begraven, maar niet eer. Daar ik niet heel zeker ben van mijn vermogen over mij zelven, wenschte ik evenwel u iets te zeggen, wat ik u als eene bijzondere gunst verzoek om aan luitenant Walters over te brengen, namelijk als volgt.”—“Namelijk als volgt,” herhaalde de kapitein. “Sta vast!”—“Daar jufvrouw Dombey zoo onuitsprekelijk goed is,” vervolgde Toots met waterige oogen, “om te zeggen, dat mijne tegenwoordigheid haar het tegendeel van onaangenaam is, en gij en iedereen hier niet minder inschikkelijk en verdraagzaam zijt voor iemand,” zeide Toots met oogenblikkelijke neerslachtigheid, “die eigenlijk voor niets in de wereld schijnt te deugen, zal ik des avonds hier zoo af en aan blijven komen, gedurende den korten tijd, dien wij allen nog bij elkaar kunnen zijn. Maar wat ik vraag is dit. Als ik somtijds ondervind, dat ik het gezicht van luitenant Walters’ zaligheid niet kan verdragen en dan naar buiten stuif, hoop ik, kapitein Gills, dat gij en hij dat voor een ongeluk, en niet voor mijne schuld of gebrek aan zelfstrijd zult houden. Dat gij u overtuigd zult houden, dat ik geen levend wezen—en allerminst luitenant Walters eenigen haat toedraag; en dat gij ter loops zult aanmerken, dat ik eene wandeling ga doen, of waarschijnlijk op de klok van de Koninklijke Beurs wil gaan kijken hoe laat het is. Als gij deze schikking kondt aannemen, kapitein Gills, en voor luitenant Walters instaan, zou dat eene verlichting voor mijn gevoel zijn, waarvoor ik gaarne een gedeelte van mijn aanzienlijk vermogen zou willen opofferen.”—“Zeg maar niet meer, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Gij kunt geene vlag hijschen, of Walter en ik zullen ze respecteeren.”—“Kapitein Gills,” zeide Toots, “nu ben ik gerust. Ik wensch de goede meening van iedereen hier te behouden. Ik—ik meen het goed, op mijn woord van eer, hoe slecht ik mij ook mag voordoen. Gij begrijpt wel,” zeide Toots, “het is net alsof Burgess en Comp. iemand eene allerbuitengemeenste pantalon wilden maken, en het fatsoen, dat zij voor den geest hadden, maar niet konden treffen.”Met deze gelukkige opheldering, waarop hij wel eenigszins trotsch scheen, gaf Toots den kapitein een zegenwensch tot afscheid en vertrok.De brave kapitein was, met zijn hartediefje in huis en Suze om haar te bedienen, een hoogst gelukkig man. Met elken dag begon zijn gezicht meer te blinken. Na eenige onderhandelingen met Suze (voor welker wijsheid de kapitein den diepsten eerbied koesterde) stelde hij Florence voor, dat de dochter der bejaarde dame, die gewoonlijk op deLeadenhallmarktonder eene blauwe paraplu zat, om redenen van voorzichtigheid, in de tijdelijke waarneming der huiselijke bezigheden zou vervangen worden door iemand, die hun niet onbekend was en op welke zij zich veilig konden verlaten. Suze, die erbij was, noemde toen, volgens vroegere afspraak met den kapitein, jufvrouw Richards. Deze naam alleen deed Florence reeds ophelderen. En toen Suze zich dien namiddag naar de woning der Toodle’s begeven had, om jufvrouw Richards eens te polsen, kwam zij nog denzelfden avond in zegepraal terug, vergezeld door Polly, nog met hetzelfde ronde gezicht en dezelfde roode wangen, wier blijdschap, toen zij Florence wederzag, nauwelijks minder hartelijk was, dan die van Suze.Toen deze fijne streek gelukt was—waarover de kapitein zich ongemeen verheugde, gelijk hij, trouwens, over alles deed wat er gebeurde—moest Florence Suze op de naderende scheiding voorbereiden. Dit was veel moeielijker taak, daar Suze zich vast in het hoofd gezet had, dat zij teruggekomen was om hare oude meesteres nooit weer te verlaten.“Wat loon betreft, lieve jufvrouw Flore,” zeide zij, “gij zoudt toch niet zoo gering van mij denken om daarvan te spreken, want ik heb geld overgelegd, en ik zou mijne liefde en dienst toch op zulk een tijd niet willen verkoopen, al had ik nooit van de spaarbank geweten of al waren alle spaarbanken bankroet; maar ge zijt nooit zonder mij geweest, lieveling, van den tijd af toen uwe goede mama werd weggenomen, en al heb ik niets om op te roemen, ge zijt toch aan mij gewend, en o mijne lieve meesteres van zoovele jaren, denk er toch niet aan om zonder mij heen te gaan, want dat mag en dat kan niet!”—“Maar, lieve Suze, ik ga eene lange, heel lange reis doen.”—“Wel, jufvrouw Flore, en wat zou dat? Zooveel te meer zult ge mij noodig hebben. Ik ben niet bang voor eene lange reis, Goddank!” zeide de onverzettelijke Suze.—“Maar Suze, ik ga met Walter, en met Walter zou ik overal heen gaan. Walter is arm en ik ben doodarm, en ik moet nu mij zelve leeren helpen en hem leeren helpen.”—“Lieve jufvrouw Flore,” riep Suze, heftig haar hoofd schuddende, “het is niets nieuws voor u, u zelve te helpen en anderen ook, en zoo geduldig en trouw te zijn als het edelste hart wezen kan, maar laat ik met mijnheer Walter Gay spreken en het met hem afmaken, want u zoo alleen door de[392]wereld te laten zwalken, dat kan ik niet en wil ik niet.”—“Alleen, Suze?” antwoordde Florence. “Alleen? en Walter neemt mij mee!” O welk een helder lachje vertoonden hare trekken! Dat had hij moeten zien. “Ik ben overtuigd, dat ge niet met Walter zult spreken, als ik u vraag om dat niet te doen,” voegde zij er vriendelijk bij; “en ik bid u, doe dat niet, lieve!”—“Waarom niet, jufvrouw Flore?” snikte Suze.—“Omdat ik,” zeide Florence, “zijne vrouw zal worden, om hem geheel mijn hart te geven, en met hem te leven en te sterven. Hij kon denken, als hij u hoorde zeggen wat ge mij gezegd hebt, dat ik bang ben voor wat ik voor mij heb, of dat gij reden hebt om bang voor mij te zijn. En Suze, ik heb hem lief!”Suze was zoo geroerd door den zachten ernst dezer woorden, waarbij het gezichtje der spreekster nog schooner en reiner werd dan ooit, dat zij niets anders kon doen dan haar nog eens om den hals vallen en uitroepen, of haar lief meesteresje dan waarlijk, waarlijk zou gaan trouwen, en haar nogmaals en nogmaals bejammeren en liefkoozen.Maar Suze, hoewel onderhevig aan vrouwelijke zwakheden, was ook wel in staat om zich te bedwingen, en van dien tijd af sprak zij nooit weder van de zaak, en was zij altijd vroolijk, werkzaam, vol moed en hoop. Zij onderrichtte, wel is waar, Toots in het geheim, dat zij zich maar zoolang zoo hield, en dat zij, alsjufvrouwDombey eens weg was, een jammerlijk schouwspel zou worden; en Toots gaf haar te kennen, dat dit ook zijn geval was, en dat zij hunne tranen te zamen zouden vermengen; maar in tegenwoordigheid van Florence gaf zij nooit lucht aan haar gevoel.Zoo beperkt en eenvoudig als Florence’s garderobe was—welk een contrast bij die, welke voor het laatste huwelijk, dat zij had bijgewoond, was aangeschaft—was er veel te doen om die gereed te krijgen, en Suze Nipper zat den geheelen dag bij haar te werken met den vereenigden ijver van vijftig naaisters. De verwonderlijke bijdragen tot deze uitrusting, die kapitein Cuttle zou hebben geleverd, als men hem had laten begaan—gelijk rozeroode parasols, gekleurde zijden kousen, blauwe schoenen en andere aan boord niet minder noodzakelijke voorwerpen—zouden, als men ze wilde optellen, vrij wat ruimte beslaan. Hij liet zich echter, door verschillende valsche voorstellingen, overhalen om zijne giften tot een werkdoosje en een toiletkistje te bepalen, van welke beide hij de grootste soort aanschafte, die voor geld te krijgen was. Nog tien of veertien dagen naderhand zat hij doorgaans het grootste gedeelte van den dag deze kistjes aan te staren; verdeeld tusschen bewondering en een angstigen twijfel, dat zij niet prachtig genoeg waren, en dikwijls de straat opstuivende om het een of ander ongerijmds te koopen, hetwelk hij dacht, dat nog ontbrak om de benoodigdheden te completeeren. Maar zijn meesterstuk was, dat hij ze beide eens op een morgen wegbracht, om de woorden “Florence Gay” te laten graveeren op de koperen hartjes, die in de deksels waren ingelegd. Daarna zat hij in het achterkamertje vier pijpen achtereen te rooken, en daar vond men hem na verloop van dien tijd bij zich zelven zitten grinniken.Walter had het druk en was den geheelen dag weg, maar kwam elken ochtend vroeg naar Florence zien en sleet elken avond bij haar. Florence verliet hare hooge kamers nooit dan om beneden naar hem te wachten als het zijn tijd was om te komen, of hem, door zijn arm omstrengeld, weder naar de deur te brengen en somtijds even de straat op te kijken. In de schemering waren zij altijd bij elkander. O zalige tijd! O rust voor het zwervende hart! O diepe bron van liefde, waarin zooveel verzonken lag!Zij had dat wreede teeken nog op hare borst. Dat rees tegen haar vader op met den adem dien zij haalde, dat lag tusschen haar en haar minnaar als hij haar aan zijn hart drukte. Maar zij vergat het. Bij het kloppen van zijn hart voor haar en het hare voor hem, werden alle stugge, ongevoelige harten vergeten. Broos en teer was zij, maar zij had eene macht van liefde in haar binnenste, die haar uit zijn beeld alleen eene wereld deed scheppen waar zij toevlucht en rust vond.Hoe dikwijls rezen het groote huis en de oude dagen voor haar op in het schemeruur, wanneer die arm, zoo trotsch en zoo teeder, haar omgaf, en zij, bij die herinnering, zich dicht aan hem vastklemde! Hoe dikwijls sloeg zij, bij de gedachte aan dien nacht, toen zij naar die kamer ging en dien onvergetelijken blik ontmoette, hare oogen op naar die, welke haar met zooveel ernst en liefde bewaakten, en schreide zij van blijdschap over zulk eene wijkplaats! Hoe veiliger zij zich daar gevoelde, des te meer had zij het lieve doode kind in hare gedachten; maar alsof zij haar vader toen voor de laatste maal had gezien, toen hij lag te slapen en zij hem een kus op de wang drukte, liet zij hem altijd zoo blijven en kwam zij in hare verbeelding nooit dat uur voorbij.“Lieve Walter,” zeide Florence eens op een avond, toen het bijna donker was, “weet ge wel wat ik vandaag gedacht heb?”—“Gedacht hoe de tijd voorbijvliegt, en hoe spoedig wij op zee zullen zijn, lieve Florence?”—“Dat meen ik niet, Walter, schoon ik daar ook wel aan denk. Ik heb gedacht welk een last ik toch voor u ben.”—“Een dierbare, heilige last, hartjelief! Wel, daaraan denk ik somtijds ook.”—“Gij lacht, Walter. Ik weet wel dat gij veel[393]meer daaraan denkt dan ik. Maar ik meen kosten.”—“Kosten, Florence?”—“Aan geld, lieve. Al die toebereidselen, waarmee Suze het zoo druk heeft—ik heb zelve heel weinig kunnen koopen. Gij waart toch al arm. Maar hoeveel armer zal ik u maken, Walter!”—“En hoeveel rijker, Florence!”Florence lachte en schudde haar hoofdje.“Buitendien,” zeide Walter, “lang geleden—eer ik naar zee ging—werd mij eens een beursje gegeven, liefste, met geld er in.”—“Och!” antwoordde Florence, met een treurig lachje. “Heel weinig, heel weinig, Walter. Maar gij moet niet denken,” en zij legde haar handje op zijn schouder, “dat het mij spijt dat ik zulk een last voor u ben. Neen, lieve, ik ben er blij om. Ik stel er mijn geluk in. Ik zou het voor de geheele wereld niet anders willen hebben.”—“Ik waarlijk ook niet, lieve Florence.”—“Ja, maar, Walter, gij kunt het nooit zoo gevoelen als ik. Ik ben zoo trotsch op u! het doet mijn hart zoo van verrukking zwellen, dat zij, die van u spreken, moeten zeggen, dat gij een arm, verstooten meisje hebt getrouwd, dat hier schuilplaats had gezocht; dat geen ander thuis, geene andere vrienden had; dat niets—niets had! O Walter, als ik u millioenen had kunnen aanbrengen, zou ik om uwentwil nooit zoo vergenoegd kunnen zijn, als ik nu ben.”—“En gij, lieve Florence, zijt gij niets?” antwoordde hij.—“Neen, niets, Walter. Niets dan uwe vrouw.” Het handje gleed om zijn hals, en de stem kwam al nader en nader bij. “Ik ben niets meer dat niet één met u is. Ik heb geen hoop op aarde meer, die niet van u komt. Ik heb niets dat mij dierbaar is, of gij zijt het.”O, wel mocht Toots het kleine gezelschap dien avond verlaten en tweemaal heengaan om zijn horloge naar de klok op de Beurs gelijk te zetten, en nog eens om eene afspraak met zijn bankier, die hij zich eensklaps herinnerde, en nog eens om een wandelingetje naar de pomp vanAldgateen terug te doen.Maar eer hij op deze tochten uitging, of eigenlijk eer hij nog kwam en voordat er licht werd gebracht, zeide Walter:“Het is laf,..... dat is het. Het is laf.” (blz. 399).“Het is laf,.…. dat is het. Het is laf.” (blz. 399).“Florence, lieve, de lading van ons schip is haast afgeloopen, en waarschijnlijk zal het juist op den dag van ons trouwen de rivier afzakken. Zullen wij dan dien dag vertrekken[394]en inKentblijven tot wij teGravesendaan boord gaan?”—“Als het u zoo belieft, Walter. Ik zal overal gelukkig zijn. Maar—”—“Wel, mijn liefje?”—“Gij weet,” zeide Florence, “dat wij geene partij zullen geven, en dat niemand ons aan onze kleeren van andere menschen zal onderscheiden. Daar wij nu denzelfden dag vertrekken, wilt gij—wilt ge mij dan dien morgen ergens brengen, Walter—vroeg—eer wij naar de kerk gaan?”Walter scheen haar te verstaan, gelijk zulk een waarlijk verliefd minnaar behoort te doen, en bevestigde zijne bereidvaardige belofte met een kus, met meer dan een misschien; en dien geheelen ernstigen, kalmen, vreedzamen avond was Florence zeer vergenoegd.Toen kwamen Suze en de kaarsen de stille kamer in, en kort daarop de thee, de kapitein en Toots, die, gelijk zoo even gezegd is, verscheidene malen weder wegliep en een onrustigen avond had. Dit was echter iets buitengewoons; doorgaans kon hij rustig blijven zitten, terwijl hij met den kapitein, met raad en toezicht van jufvrouw Nipper,cribbagespeelde, en zich in de berekeningen van dat spel verdiepte, hetgeen hij een zeer goed middel vond om zich geheel en al suf te maken.Des kapiteins gezicht bood bij zulke gelegenheden een der fraaiste voorbeelden van menigvuldigheid en afwisseling van uitdrukkingen aan. Zijne instinctmatige kieschheid en ridderlijke galanterie voor Florence leerden hem dan wel, dat het geen tijd was voor luidruchtige vroolijkheid of heftige uitbarstingen van blijdschap. Maar aan den anderen kant zochten opkomende herinneringen van Mooie Peggy nu en dan naar een uitweg, en dreven den kapitein om zich onherstelbaar te compromitteeren. Dan weder werd zijne bewondering voor Florence en Walter—een welpassend paar inderdaad en wel waardig om de oogen te trekken, door jeugd, liefde en schoonheid—zoo machtig, dat hij zijne kaarten neerlegde en hen met stralende oogen aanzag, terwijl hij zijn gezicht met zijn zakdoek wreef, tot hij, misschien, door het plotseling heenstuiven van Toots werd gewaarschuwd, dat hij onbewust het werktuig was geweest om dien jonkman rampzalig te maken. Deze bemerking deed den kapitein dan treurig worden, totdat Toots terugkwam, wanneer hij zijne kaarten weder opvatte, en Suze ter zijde een aantal oogjes en knikjes gaf, om aan te duiden dat hij zoo iets niet weer zou doen. De toestand, waarin hij dan geraakte, was misschien de merkwaardigste; want terwijl hij zijn best deed om alle uitdrukking van zijn gelaat te verbannen, zat hij in het rond te staren met een gezicht, waarop al die uitdrukkingen te gelijk met elkander worstelden. Ingenomene bewondering van Florence en Walter overwon echter altijd de andere en bleef dan alleen heerschen, of het moest gebeuren dat Toots wederom heenstoof, en dan bleef de kapitein als een boetvaardig zondaar zitten, tot deze terugkwam, zich nu en dan met eene stem vol zelfverwijt zachtjes vermanende om “vast te staan,” of knorrig op “Edward Cuttle” brommende, over het gebrek aan omzichtigheid dat zijn gedrag deed blijken.Een der zwaarste beproevingen van Toots werd echter door hem zelven opgezocht. Toen de zondag naderde, waarop het laatste dier kerkelijke “verboden” zou plaats hebben, waarvan de kapitein gesproken had, gaf Toots aldus den staat van zijn gevoel aan Suze Nipper te kennen.“Suze,” zeide hij, “ik word naar het gebouw toegetrokken. De woorden, die mij voor altijd van jufvrouw Dombey afsnijden, zullen mij als eene doodklok in de ooren klinken, dat weet ge wel, maar op mijn woord van eer, ik gevoel dat ik ze moet hooren. Wilt ge daarom morgen met mij meegaan naar de kerk?”Jufvrouw Nipper verklaarde zich bereid om dit te doen, indien dit mijnheer Toots eenig genoegen gaf, maar bad hem om van dat denkbeeld af te zien.“Suze,” antwoordde Toots, met plechtigen ernst, “eer iemand nog mijn baard begon op te merken behalve ik zelf, aanbad ik jufvrouw Dombey al. Terwijl ik nog een slachtoffer der slavernij van Blimber was, aanbad ik jufvrouw Dombey. Toen mijn eigendom mij niet wettig meer kon onthouden worden en—en ik het dus kreeg—aanbad ik jufvrouw Dombey. De geboden, die haar aan luitenant Walters toewijzen, en mij tot—duisternis veroordeelen,” zeide Toots, nadat hij even naar eene krachtige uitdrukking had gezocht—“mogen schrikkelijk zijn, zullen schrikkelijk zijn; maar ik gevoel dat ik wenschen zou ze te hooren uitspreken. Ik gevoel dat ik wenschen zou zeker te weten, dat de grond onder mij is weggemaaid, dat ik geen hoop meer kan koesteren, kortom, dat ik omverlig.”Suze Nipper kon niet anders dan Toots’ ongelukkigen toestand beklagen, en onder deze omstandigheden bewilligen om met hem mede te gaan, hetgeen zij den volgenden morgen deed.De kerk, die Walter tot dat einde had gekozen, was een oud vervallen kerkje, door een doolhof van achterstraten en stegen ingesloten, met eene kleine begraafplaats er om heen, en zelve begraven in een soort van kelder, door de naburige huizen gevormd. Van binnen was zij donker en leelijk, met hooge eikenhouten banken, waarin omtrent twintig menschen elken zondag verzonken, terwijl de slaperige stem van een hulpprediker door de ledige ruimte galmde. Evenwel kwijnde deze kerk niet uit gebrek aan gezelschap van andere kerken, want de torens verhieven zich in het rond, zoo dicht als de[395]scheepsmasten op de rivier. Het zou zelfs moeielijk zijn geweest ze van den toren dezer kerk te tellen, zooveel waren er. Op bijna ieder ledig plekje in het rond stond eene kerk. Het verwarde gebengel der klokken, op den zondagochtend toen Suze en Toots zich daarheen begaven, was verdoovend. Er waren twintig kerken dicht bijeen, die allen de menschen riepen om er in te komen.De twee verdwaalde schapen werden door een kerkeknecht in eene ruime bank gekooid, en daar het nog vroeg was, zaten zij eene poos de vergadering te tellen, naar de teleurgestelde klok omhoog in den toren te luisteren, of naar een armoedig oud manneke in het portaal te kijken, die de klok luidde, waartoe hij zijn voet in een soort van stijgbeugel had gestoken. Nadat Toots lang naar de groote boeken op den voorlezerslessenaar had getuurd, fluisterde hij Suze toe dat hij zich verwonderde waar de geboden bewaard werden, maar de jonge dame schudde slechts met een donker gezicht haar hoofd en wilde nu van geen aardsche zaken weten.Toots kon evenwel zijne gedachten niet van de geboden aftrekken, en zat blijkbaar onder den geheelen dienst daarnaar te wachten. Toen de tijd, om ze te lezen, naderde, legde de arme jongen eene groote onrust aan den dag, die niet verminderde door de onverwachte verschijning van kapitein Cuttle vooraan op de galerij. Toen de voorlezer de lijst aan den predikant gaf, hield Toots, hoewel hij zat, zich aan de bank vast; maar toen de namen van Walter Gay en Florence Dombey voor de derde en laatste maal werden opgelezen, werd hij zoodanig door zijn gevoel overweldigd, dat hij zonder hoed de kerk uitstoof, gevolgd door den kerkeknecht, den banksluiter en twee heeren van het medische vak, die toevallig daar waren. De eerstgenoemde kwam weldra terug om den hoed te halen en jufvrouw Nipper fluisterend te onderrichten, dat zij zich niet ongerust over mijnheer behoefde te maken, daar mijnheer zeide dat zijne ongesteldheid van geen belang was.Jufvrouw Nipper, die gevoelde dat de oogen van dat gedeelte vanEuropa, dat wekelijks in de hooge banken verzonk, op haar gevestigd waren, zou door dit voorval reeds verlegen genoeg zijn geworden, al ware het daarbij gebleven; te meer daar de kapitein vooraan op de galerij zich bewust was, dat hij in een geheimzinnig verband er mede stond, en niet nalaten kon dit besef aan de vergadering te doen opmerken. Maar de buitengemeene onrustigheid van Toots maakte haar toestand weldra nog veel neteliger. Deze jonge heer, buiten staat om alleen op het kerkhof eene prooi zijner eenzame gepeinzen te blijven, en ook buiten twijfel verlangend om zijn eerbied te toonen voor eene plechtigheid, die hij eenigermate gestoord had, kwam eensklaps terug—niet naar zijne bank, maar zette zich op eene vrije bank in den zijgang, tusschen twee oude vrouwen, die gewoon waren wekelijks eene portie brood te komen ontvangen, welke op eene plank in het portaal voor haar gereed lag. Zoo bleef Toots zitten, tot groote stoornis der vergadering, die niet laten kon naar hem te kijken, tot zijn gevoel hem weder overweldigde en hij nogmaals onverwacht vertrok. Nu niet weder in de kerk durvende komen en toch wenschende in zekere gemeenschap te blijven met hetgeen er in omging, zag men Toots daarna, met een bedrukt gezicht door een of ander venster binnenkijken; en daar hij verscheidene vensters van buiten bereiken kon, en zijne onrust zeer groot was, werd het niet alleen moeielijk te gissen voor welk venster hij zich de volgende maal zou vertoonen, maar was ook de geheele gemeente, terwijl zij naar de preek luisterde, als het ware gedwongen, over die kansen der verschillende vensters te denken. Toots’ bewegingen op het kerkhof waren echter zoo ongeregeld, dat hij doorgaans alle berekening te leur stelde, en evenals het popje of balletje van een goochelaar, daar verscheen waar men hem allerminst verwachtte; en deze verschijningen maakten te meer indruk omdat het voor hem moeielijk was om naar binnen, en voor de anderen gemakkelijk om naar buiten te zien, hetgeen ten gevolge had dat hij telkens, veel langer dan men zou verwacht hebben, met zijn gezicht dicht voor het glas bleef staan, tot hij eensklaps bespeurde dat aller oogen op hem gevestigd waren, en dan verdween.Dit gedrag van Toots en de medeplichtigheid, waarvan de kapitein zich bewust toonde, maakte Suze’s positie zoo netelig, dat het einde der godsdienstoefening haar een groote verademing gaf, en zij niet zoo vriendelijk als gewoonlijk voor Toots was, toen deze haar en den kapitein op den terugweg onderrichtte, dat hij nu, zeker wetende dat hij geene hoop meer had, zich tevredener gevoelde—of eigenlijk niet tevredener, maar tevredener en diep rampzalig.Nu verliep de tijd inderdaad snel tot aan den avond voor den dag, waarop het huwelijk was bepaald. Allen waren op de bovenkamer van den Adelborst bijeen en vreesden voor geene stoornis; want er waren nu geene huurders meer in huis; de adelborst had het geheel alleen. Zij waren ernstig en stil, in het vooruitzicht op den volgenden morgen, maar toch matig vroolijk. Florence, naast Walter gezeten, maakte een handwerkje af, dat tot een afscheidsgeschenk voor den kapitein bestemd was. De kapitein speeldecribbagemet Toots; Toots liet zich door Suze raadgeven. Suze gaf haar raad met alle heimelijkheid en omzichtigheid. Diogenes lag te luisteren, en liet nu en dan een half gesmoorden blaf hooren, waarover[396]hij zich dan weder scheen te schamen, alsof hij twijfelde, of hij er wel reden voor had.“Stil, stil!” zeide de kapitein tot Diogenes; “wat scheelt u? Ge schijnt niet op uw gemak van avond, mijn jongen.”Diogenes kwispelstaartte, maar stak terstond daarna zijne ooren op en liet weder een blaf hooren, waarover hij den kapitein verschooning verzocht door nog eens te kwispelstaarten.“Ik ben van gedachten, Di,” zeide de kapitein, in zijne kaart kijkende en peinzend zijne kin met zijn haak wrijvende, “dat gij aan jufvrouw Richards twijfelt; maar als gij zulk een hond zijt als ik u voor houd, zult gij u daarop beter bedenken, want zij ziet er veel te goed uit om niet te deugen. Kom aan, broeder,” tot Toots; “als ge klaar zijt, speel dan op.”De kapitein sprak met bedaardheid en had al zijne aandacht op het spel, maar eensklaps liet hij zijne kaarten uit de hand vallen, sperde hij mond en oogen wijd open, trok hij zijne beenen onder zijn stoel op, en bleef hij met stomme verbazing naar de deur zitten staren. Toen in het gezelschap rondkijkende en ziende dat niemand de reden zijner verwondering opmerkte, herstelde hij zich met een snik, gaf een geduchten slag op de tafel, riep met eene daverende stem: “Sam Gills, a-hoy!” en tuimelde in de armen van eene oude duffelschen jas, die met Polly de kamer was ingekomen.Een oogenblik later viel Walter in de armen van de duffelschen jas. Een oogenblik later deed Florence hetzelfde. Een oogenblik later had kapitein Cuttle jufvrouw Richards en Suze om den hals gepakt, en schudde hij de hand van Toots, roepende, terwijl hij zijn haak boven zijn hoofd wuifde: “Hoera, mijn jongen, hoera!” Waarop Toots, geheel buiten staat om zich dit gedrag te verklaren, zeer beleefd antwoordde: “Zekerlijk, kapitein Cuttle, wat u maar belieft.”De duffelschen jas, en de ruige muts en bouffante, die daarbij behoorden, keerden zich van den kapitein en Florence weder naar Walter, en klanken kwamen daaruit, alsof een oud man daarbinnen snikte, terwijl de ruige armen Walter vast omklemden. Ondertusschen heerschte er eene algemeene stilte, en bruineerde de kapitein met grooten ijver zijn neus. Maar toen de duffelschen jas Walter weder losliet, kwam Florence naderbij, en toen zij met hun beiden jas, muts en bouffante wegnamen, onthulden zij den ouden instrumentmaker; wat magerder en meer vervallen dan voorheen, met zijne oude ronde pruik, zijn oud koffiebruin pak en zijn ouden onfeilbaren chronometer tikkende in zijn zak.“Zoo propvol wetenschap als hij ooit geweest is,” zeide de verheugde kapitein. “Sam Gills, Sam Gills, waar zijt ge toch zoolang gebleven, oude jongen?”—“Ik ben half blind, Ned,” zeide de oude man, “en bijna doofstom van blijdschap.”—“Nog zijne eigene stem,” zeide de kapitein, met opgetogenheid rondziende, “nog zijne eigene stem, zoo propvol wetenschap als zij ooit geweest is!SamGills, mijn jongen, kom nu voor anker, onder uw eigen wijnstok en vijgeboom, als een oud patriarch als ge zijt, en doe eens rapport van uwe avonturen, met uwe eigene stem, die ons nog zoo goed heugt. Het is de stem,” zeide de kapitein, met nadruk, en door middel van zijn haak beduidende dat hij eene aanhaling deed, “van den luiaard; ik hoorde hem klagen, gij hebt mij te vroeg gewekt, ik moet nog slapen. Verstrooi zijne vijanden en doe ze vallen.”De kapitein zette zich neer als iemand, die het gevoel van alle aanwezigen zeer gelukkig had uitgedrukt, en stond dadelijk weder op om Toots te presenteeren, die zeer verbaasd was over de komst van iemand, die aanspraak scheen te maken op den naam van Gills.“Schoon ik het pleizier niet had van u te kennen, mijnheer,” stotterde Toots, “eer gij—eer gij—”—“Waart verdwenen voor het oog, maar trouw in het hart,” blies de kapitein hem zachtjes in.—“Juist zoo, kapitein Gills,” zeide Toots. “Schoon ik het pleizier niet had van u te kennen, mijnheer—mijnheer Sams,” zeide hij, door een gelukkigen inval op dien naam komende, “eer dat plaats had, doet het mij toch het grootste genoegen, verzeker ik u, u—u te leeren kennen. Ik hoop,” zeide Toots, “dat gij naar omstandigheden wel vaart.”Met deze beleefde woorden ging Toots blozend en grinnikend zitten.De oude instrumentmaker, in een hoekje tusschen Walter en Florence gezeten, antwoordde den kapitein aldus:“Ned Cuttle, beste jongen, al heb ik iets van de gebeurtenissen en veranderingen hier gehoord, van mijne vroolijke vriendin daar,” daarbij knikte hij tegen jufvrouw Richards, wier gezicht geheel glimlach was,—“welk een pleizierig gezicht heeft zij om een zwerveling welkom thuis te heeten!” zeide de oude man afbrekende en op zijne oude droomerige manier zijne handen wrijvende.—“Luister!” riep de kapitein ernstig. “Het is de vrouw, die het geheele menschdom verleidt. Daarover,” ter zijde tot Toots, “kunt gij uw Adam en Eva op nazien, broeder.”—“Dat zal ik niet verzuimen, kapitein Gills,” antwoordde Toots.—“Schoon ik iets van de gebeurtenissen en veranderingen hier gehoord heb,” hervatte de oude instrumentmaker, zijn ouden bril uit zijn zak halende en dien op de oude manier op zijn voorhoofd zettende, “zij zijn zoo groot en onverwacht, en ik ben zoo overweldigd door het gezicht van mijn lieven jongen, en door de”—hier zag hij naar de neergeslagene oogen van Florence en sprak niet voort—“dat ik—dat ik van avond niet veel kan zeggen. Maar, mijn beste Ned Cuttle, waarom hebt gij niet geschreven?”[397]De verbazing, die zich op des kapiteins trekken vertoonde, deed Toots zoodanig schrikken, dat zijne oogen stijf bleven staan, zoodat hij ze niet van des kapiteins gezicht kon afwenden.“Geschreven!” herhaalde de kapitein. “Geschreven, Sam Gills!”—“Ja,” zeide de oude man, “hetzij naarBarbados, of naarJamaica, of naarDemerary. Zoo had ik u gevraagd.”—“Gevraagd, Sam Gills!” herhaalde de kapitein wederom.—“Ja,” zeide de oude man. “Weet gij het niet meer, Ned? Dat hebt ge toch zeker niet vergeten? Telkens als ik u schreef.”De kapitein nam zijn blinkenden hoed af, zette dien op zijn haak, en bleef, terwijl hij zijn haar van achteren met zijne hand gladstreek, in het rond zitten kijken, als een beeld van berustende verwondering.“Gij schijnt mij niet te begrijpen, Ned,” merkte de oude man aan.—“Sam Gills,” antwoordde de kapitein, na hem en de anderen nog eene poos zonder spreken te hebben aangestaard. “Ik ben heelemaal van mijn koers. Laat eens een paar woorden glippen van die avonturen, wilt ge. Ik kan er maar geen hoogte van krijgen,” zeide de kapitein, peinzend in het rond kijkende.—“Gij weet wel, Ned,” zeide de oude man, “waarom ik hier vandaan ben gegaan? Gij hebt mijn pakje toch opengedaan?”—“Wel ja, wel ja,” zeide de kapitein. “Ik heb het pakje opengedaan.”—“En gelezen ook?” zeide de oude man.—“En gelezen ook,” antwoordde de kapitein, hem oplettend aanziende, en begon toen uit zijn geheugen op te zeggen: “Mijn beste Ned Cuttle, toen ik naar deWest-Indiënvertrok om tijding te gaan zoeken van mijn lieven—Daar zit hij! Daar is Walter!” zeide de kapitein, als ware het eene verademing voor hem iets te kunnen aangrijpen, dat ontwijfelbaar en onbetwistbaar was. “Wel, Ned, let nu eens even op,” zeide de oude man. “Toen ik de eerste maal schreef—dat was vanBarbados—zeide ik dat, hoewel ge dien brief zoudt ontvangen lang voor dat het jaar om was, ik toch gaarne had, dat ge het pakje opendeedt, daar dat de reden zou verklaren waarom ik was heengegaan. Goed! Toen ik de tweede, en de derde, misschien de vierde maal schreef—dat was vanJamaica—zeide ik, dat ik nog in denzelfden staat was, en geene rust had, en niet uit dat werelddeel kon terugkomen, eer ik wist of mijn jongen verongelukt of gered was. Toen ik de volgende maal schreef—dat was, denk ik, uitDemerary, niet waar?”—“Dat was, denkt hij, uitDemerary!” zeide de kapitein, hopeloos rondziende.—“Zeide ik,” vervolgde de oude man, “dat er nog geen zeker bericht was gekomen. Dat ik in dat werelddeel vele kapiteins en anderen had gevonden, die mij sedert jaren hadden gekend, en die mij hielpen om hier en daar heen te komen, en voor wie ik tot dank daarvoor nu en dan eene kleinigheid in mijn oud beroep kon doen. Dat iedereen met mij begaan was, en zeker belang in mijn zwerven scheen te stellen; en dat ik begon te denken, dat het mijn lot zou zijn om zoo zoekende naar tijding van mijn jongen, tot aan mijn dood toe heen en weder te kruisen.”—“Begon te denken, dat hij een geleerde Vliegende Hollander was!” zeide de kapitein, evenals te voren, met den grootsten ernst.—“Maar toen eens op een dag de tijding kwam, Ned—dat was opBarbados, toen ik daar weer terug was—dat een Chinavaarder op de thuisreis gepraaid was, die mijn jongen aan boord had, toen, Ned, nam ik de eerste scheepsgelegenheid waar om weer naar huis te gaan; en zoo kwam ik van avond hier, om te vinden dat het waar is, Goddank!” zeide de oude man met vromen ernst.Nadat de kapitein eerbiedig zijn hoofd had gebogen keek hij starend den geheelen kring in het rond, met Toots beginnende en met den instrumentmaker besluitende, en zeide toen ernstig:“Sam Gills. Wat ik nu zal zeggen, zal u geheel overstaagsmijten. Geen een van die brieven is ooit aan Edward Cuttle behandigd. Geen een van die brieven,” herhaalde de kapitein, om zijne verklaring des te plechtiger te maken, “is ooit aan Edward Cuttle behandigd.”—“Ik heb ze toch eigenhandig op de post gedaan, en eigenhandig geadresseerd,Brig Place, nommer negen,” riep de oude man uit.Alle kleur verdween van des kapiteins gezicht en kwam terstond daarop gloeiend terug.“Wat meent ge, Sam Gills, mijn vriend, metBrig Place, nommer negen?” zeide de kapitein.—“Meenen? Het huis waar gij woont, Ned,” antwoordde de oude man, “bij jufvrouw—hoe heet zij ook weer? Ik zal mijn eigen naam nog vergeten, maar ik ben bij mijn tijd ten achter—dat was ik altijd, weet ge wel—en suf van hoofd, jufvrouw—”—“Sam Gills,” zeide de kapitein, alsof hij het onwaarschijnlijkste geval van de wereld onderstelde, “het is toch de naam van MacStinger niet, dien gij u wilt te binnen brengen?”—“Wel natuurlijk is het die,” riep de instrumentmaker uit. “Wel zeker Ned, jufvrouw MacStinger!”Kapitein Cuttle wiens oogen nu zoo wijd openstonden als zij maar konden, liet een allerschelst gefluit hooren, en stond toen sprakeloos te kijken.“Zeg mij dat nog eens, als ge zoo goed wilt zijn, Sam Gills,” zeide hij eindelijk.—“Al die brieven,”antwoordde oom Sam, met zijn rechter voorvinger in de palm zijner linkerhand tikkende, met eene duidelijkheid en regelmatigheid, die zelfs zijn onfeilbare chronometer tot eer zou hebben gestrekt, “heb ik eigenhandig op de post gedaan, en eigenhandig geadresseerd, aan kapitein Cuttle, ten huize van jufvrouw[398]MacStinger,Brig Place, nommer negen.”De kapitein nam zijn blinkenden hoed van den haak, keek er eens in, zette hem op zijn hoofd en ging weder zitten.“Wel, vrienden allemaal,” zeide de kapitein, vol verslagenheid rondkijkende, “daar was ik vandaan geloopen.”—“En niemand wist waar gij naar toe waart, kapitein Cuttle” riep Walter haastig uit.—“Zegen ons, Walter,” antwoordde de kapitein, zijn hoofd schuddende, “zij zou mij nooit hebben laten gaan om hier op het goed te passen. Ik kon niet anders doen dan wegloopen. Och Heere, Walter!” zeide de kapitein. “Gij hebt haar nog maar bij stil weer gezien. Maar gij moest haar eens zien als het stormt!”—“Ikzou haar wel klein krijgen,” zeide Suze zachtjes.—“Zoudt ge—denkt gij dat, liefje?” antwoordde de kapitein met flauwe bewondering. “Wel, kindlief, dat strekt u tot eer. Maar wat mij betreft, er is geen wild dier, dat ik niet liever zou staan. Ik heb mijne kist alleen weggekregen door middel van een vriend, waar niemand tegen op kan. Het kon niet baten of men daar al brieven zond. Zij zou ze toch niet aannemen. Wel waarlijk,” zeide de kapitein, “het was haast een waagstuk ze te gaan bestellen!”—“Dus is het vrij duidelijk, kapitein Cuttle,” zeide Walter, “dat wij allen, maar gij en oom Sam vooral, niet weinig angst en zorg aan die jufvrouw MacStinger te danken hebben.”De algemeene verplichting aan die manhaftige weduwe was zoo duidelijk, dat de kapitein deze stelling niet tegensprak; maar daar hij zich eenigszins over zijne positie schaamde—hoewel niemand verder van de zaak sprak, en Walter, zich het laatste gesprek daarover herinnerende, dit vooral vermeed—bleef zijn gezicht vijf minuten lang—een buitengewone tijd voor hem—betrokken. Toen helderde het weder op, en kreeg hij lust om iedereen nogmaals en nogmaals over de hand te geven.Vroeg, maar niet voordat oom Sam en Walter elkander eenigszins uitvoerig van hunne avonturen en gevaren hadden verteld, namen allen, behalve Walter, afscheid van Florence, en gingen beneden naar het achterkamertje. Hier kwam Walter spoedig bij hen en zeide dat Florence eenigszins droefgeestig en zwaarmoedig was, en naar bed zou gaan. Hoewel zij haar daar beneden niet hadden kunnen storen, spraken zij na dien tijd toch fluisterend, en ieder toonde op zijne verschillende manier zijne teerhartigheid voor Walter’s jeugdige bruid. Oom Sam ontving eene uitvoerige mededeeling van alles wat haar aanging, en Toots was zeer gevoelig voor de kieschheid, waarmede Walter het gewicht zijner diensten en het noodzakelijke zijner tegenwoordigheid bij deze kleine raadsvergadering deed uitkomen.“Mijnheer Toots,” zeide Walter, toen hij hem aan de deur verliet. “Wij zullen elkander morgenochtend toch zien?”—“Luitenant Walters,” antwoordde Toots, hem vurig de hand drukkende. “Ik zal zeker tegenwoordig zijn.”—“Dit is de laatste avond, dat wij elkander in langen tijd zullen zien—misschien de laatste avond dat wij elkander ooit zullen zien,” zeide Walter. “Zulk een edel hart als het uwe moet het wel gevoelen, denk ik, wanneer een ander hart daaraan verbonden is. Gij weet wel, hoop ik, hoe dankbaar ik u ben.”—“Walters,” antwoordde Toots, met aandoening, “het zou mij verheugen als ik gevoelde, dat gij daartoe reden hadt.”—“Florence,” hervatte Walter, “heeft mij, op den laatsten avond dat zij haar eigen naam draagt, doen beloven—pas zoo even, toen gij ons bij elkander liet,—dat ik u zou zeggen, met verzekering van hare hartelijke genegenheid—”Toots sloeg zijne hand aan den deurpost en drukte zijne oogen op zijne hand.“Van hare hartelijke genegenheid,” herhaalde Walter, “dat zij nooit een vriend kan hebben, dien zij boven u zal schatten. Dat zij uwe trouwe welwillendheid voor haar nooit zal vergeten. Dat zij van avond in haar gebed aan u gedachtig is, en hoopt dat gij nog aan haar denken zult als zij ver weg is. Zal ik haar van u iets zeggen?”—“Zeg, Walters,” antwoordde Toots onduidelijk, “dat ik alle dagen aan haar zal denken, maar nooit zonder mij gelukkig te gevoelen omdat ik weet, dat zij getrouwd is met den man dien zij liefheeft, en die haar liefheeft. Zeg haar, als het u belieft, dat ik zeker ben, dat haar man haar—zelfs haar—waardig is—en dat ik mij verheug over hare keus.”Toen Toots aan deze woorden kwam werd hij duidelijker, en zijne oogen van den deurpost opslaande, zeide hij ze stoutweg. Toen drukte hij Walter nog eens de hand, met eene hartelijkheid, die Walter niet miste te beantwoorden, en ging heen.Met hem ging de Kemphaan, dien hij sedert eenigen tijd elken avond medegebracht en in den winkel gelaten had, met het denkbeeld, dat er onverwachte omstandigheden konden ontstaan, waarin de dapperheid van dien uitstekenden persoon den adelborst van dienst zou kunnen zijn. De gaslantarens gaven een valsch licht, of hij kneep op eene afschuwelijke manier zijn oog dicht, en haalde daarbij even leelijk zijn neus op, toen Toots, de straat overstappende, omkeek naar de kamer waar Florence sliep. Onderweg naar huis liet hij meer vijandige neigingen tegen andere voetgangers blijken, dan een beoefenaar der vreedzame kunst van zelfverdediging wel paste. Thuis gekomen, bleef hij, in plaats van Toots in zijne apartementen alleen te laten, voor dezen staan, zijn witten hoed met beide handen op den rand wiegelende, en zijn neus (die meermalen beschadigd[399]en niet te best gelapt was) ophalende op eene manier, die alles behalve eerbiedig kon heeten.Daar zijn patroon druk met zijne eigene gedachten bezig was, merkte hij dit niet op, voordat de Kemphaan, die niet onopgemerkt wilde blijven, met zijne tong zekere klinkende geluiden maakte.“Nu, baas,” zeide de Kemphaan zeer stroef, toen hij eindelijk de oogen van Toots had getrokken, “wou ik maar eens weten of het met die malligheid moet afloopen, of dat gij er ernst van zult maken?”—“Kemphaan,” antwoordde Toots. “Verklaar u wat duidelijker.”—“Wel dan, kort en goed, baas,” zeide de Kemphaan. “Ik ben geen man om een woord weg te gooien. Zoo is het. Zal er een geboft worden?”Toen hij deze vraag deed, liet de Kemphaan zijn hoed vallen, maakte daarop eene parade met de linkerhand, viel met de rechtervuist uit om zijn vermeenden vijand een geweldigen stomp te geven, schudde vinnig zijn hoofd en stelde zich weder in postuur.“Kom aan, baas,” zeide de Kemphaan; “zal het lorrendraaierij zijn of meenens? Wat van de twee?”—“Kemphaan,” antwoordde Toots, “uwe uitdrukkingen zijn grof, en uwe meening is donker.”—“Dan zal ik ze ronduit zeggen, baas!” hervatte de Kemphaan. “Het is laf.”—“Wat is laf, Kemphaan?” vroeg Toots.—“Datis laf,” antwoordde de Kemphaan, met eene geduchte rimpeling van zijn beschadigden neus. “Daar nu, baas. Wat zeg ik. Nu die stijve hark al op zij is,” met deze minachtende benaming is het te denken, dat hij mijnheer Dombey wilde aanduiden, “en gij den winner op uw gemak zijn bekomst zoudt kunnen geven, laat gij het er bij zitten! Bij zitten!” herhaalde de Kemphaan, met verachtelijken nadruk. “Dat is laf, zeg ik.”—“Kemphaan,” zeide Toots met strengheid, “ge zijt een rechte gier. Uwe gevoelens zijn gruwelijk.”—“Ik houd het met courage en zuiver spel, baas,” antwoordde de Kemphaan. “En dat zijn mijne gevoelens. Ik kan geen lafheid velen. Ik ben een publiek persoon; voor de toonbank van den Kleinen Olifant kan men naar mij vernemen, en geen patroon van mij moet iets doen dat laf is. En het is laf,” zeide de Kemphaan met toenemenden nadruk. “Het is laf.”—“Kemphaan,”zeide Toots. “Ik begin van u te walgen.”—“Dan zijn wij met ons beiden, baas,” antwoordde de Kemphaan. “Kom aan. Ik zal een voorslag doen. Gij hebt mij meer dan eens of tweemaal van kastelein worden gesproken. Maar dat komt er niet op aan. Geef mij morgen een bankje van vijftig pond, en laat mij gaan.”—“Kemphaan,” antwoordde Toots, “na de hatelijke gevoelens, die gij aan den dag hebt gelegd, zal ik blij zijn als ik op die manier van u af ben.”—“Gedaan dan!” zeide de Kemphaan. “Het is te koop. Uw gedrag bevalt mij niet. Het is laf,” zeide de Kemphaan, die, naar het scheen, niets anders wist te zeggen, maar dit toch niet scheen te kunnen zwijgen. “Dat is het. Het is laf.”Toots en de Kemphaan vonden dus in het verschil hunner zedelijke begrippen eene reden om te scheiden; en toen Toots ging slapen, droomde hij genoeglijk van Florence, die op den laatsten avond van haar meisjesleven aan hem als een vriend gedacht en hem van hare hartelijke genegenheid had laten verzekeren.
LVI.VERSCHEIDENE MENSCHEN VERHEUGD EN DE KEMPHAAN VERONTWAARDIGD.
De adelborst was in volle levendigheid. Toots en Suze waren eindelijk gekomen. Suze was naar boven gevlogen als een meisje dat van hare zinnen was, en Toots en de Kemphaan waren naar het achterkamertje gegaan.“O, mijne allerliefste jufvrouw Flore!” riep Suze, Florence’s kamer binnenstuivende, “als ik denk dat het zoover komen moest, en ik u hier moet vinden, mijn lief duifje, met geen mensch om u te bedienen, en geen huis waar gij thuis zijt; maar nu zal ik nooit weer heengaan, jufvrouw Flore, want al mag ik geen mos verzamelen, ik ben toch geen rollende steen, en mijn hart is ook geen steen, of anders zou het niet barsten zooals het nu barst, och Heere, och Heere!”Deze woorden in één adem uitstortende, sloot Suze hare meesteres, bij welke zij op hare knieën lag, vast in hare armen.“O, liefje,” riep Suze uit, “ik weet al wat er gebeurd is, ik weet het alles, mijn hart, en ik stik er van; geef mij toch lucht!”—“Suze, lieve goede Suze!” zeide Florence.—“O zegen haar! Ik, die nog zulk eene kleine meid was, toen zij een klein kind was! en zal zij nu waarlijk en wezenlijk gaan trouwen!” riep Suze, met eene uitbarsting van blijdschap en smart, van trotschheid en verdriet, en de hemel weet hoeveel meer strijdige aandoeningen.—“Wie heeft u dat gezegd?” zeide Florence.—“Och lieve tijd! Die onnoozele Toots,” antwoordde Suze, zenuwachtig lachende. “Ik wist wel dat het waar moest wezen, liefje, omdat hij zich zoo aanstelde. Hij is een allerbeste, onnoozelste jongen. En zal mijn schat,” vervolgde Suze, hare meesteres omhelzende, en in tranen uitbarstende, “dan waarlijk gaan trouwen!”De mengeling van medelijden, blijdschap, teederheid, bezorgdheid en spijt, waarmede Suze telkens op dit onderwerp terugkwam, en dan telkens haar hoofd ophief, om het jeugdige gezichtje aan te zien en te kussen, en dan haar hoofd weder op den schouder harer meesteres liet zinken, en haar liefkoosde, was iets zoo hartelijks en aardigs als men ooit in de wereld iets gezien heeft.“Kom, kom!” zeide de troostende stem van Florence weldra. “Nu zijt ge immers weer bedaard, Suze?”Zij zat op den grond, aan de voeten harer meesteres, te lachen en te snikken, en hield met de eene hand haar zakdoek voor hare oogen, terwijl zij met de andere Diogenes streelde, die haar gezicht likte. In die houding verklaarde zij dat zij weer bedaard was, en lachte en schreide nog wat meer, ten bewijze daarvan.“Ik—ik—ik heb nooit zulk een schepsel gezien als die Toots,” zeide Suze, “in al mijn leven niet!”—“Zoo goedaardig,” zeide Florence.—“En zoo comisch!” snikte Suze. “De manier zooals hij zich in de koets bij mij aanstelde, met dien schandaligen Kemphaan op den bok.”—“Wat zeide hij dan, Suze?” vroeg Florence beschroomd.—“Och, hij had het over luitenant Walters en kapitein Gills, en over u, jufvrouw Flore, en het stille graf,” zeide Suze.—“Het stille graf?” herhaalde Florence.—“Hij zegt,” zeide Suze, in een zenuwachtig geschater uitbarstende, “dat hij nu dadelijk daarin zal dalen, heel weltevreden; maar wees gerust, lieve jufvrouw Flore, dat zal hij toch niet, hij is daartoe veel te gelukkig als hij andere menschen gelukkig ziet; hij mag geen Salomon wezen,” vervolgde zij met hare gewone radheid van tong, “en ik zeg ook niet dat hij er een is, maar dat zeg ik, dat er nooit iemand geweest is, die minder eigenlievend was dan hij!”Daar Suze nog zenuwachtig was, begon zij na het afleggen dezer nadrukkelijke verklaring onmatig te lachen en onderrichtte Florence daarna dat hij beneden wachtte om haar te zien, hetgeen eene rijke belooning voor hem wezen zou voor de moeite, die zijne laatste onderneming hem gekost had.Florence belastte Suze om Toots als eene gunst te gaan verzoeken, dat zij het genoegen mocht hebben om hem voor zijne goedheid te danken, en weinige oogenblikken later liet Suze den jongen heer binnen, nog zeer slordig in zijn voorkomen en buitengemeen stotterende.“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots. “Nog eens vergunning te verwerven om—om—om te staren—ten minste, niet te staren maar—ik weet niet recht wat ik wilde zeggen, maar het is van geen beduiden.”—“Ik moet u zoo dikwijls danken,” zeide Florence, hem beide hare handen gevende, terwijl al hare onschuldige dankbaarheid haar uit de oogen straalde, “dat ik geene woorden meer heb, en niet weet hoe ik het doen zal.”—“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, met eene akelig holle stem, “als het mogelijk was dat gij, met uw engelachtig karakter, mij kondt vloeken, zoudt ge mij—als ik het zoo mag uitdrukken—oneindig minder overhoopsmijten, dan door deze onverdiende uitdrukkingen van vriendelijkheid. De werking daarvan op mij—is—maar,” zeide Toots, kort afbrekende, “dat is iets dat nu niet te pas komt, en van geheel geen beduiden.”Daar het niet mogelijk scheen hierop anders te antwoorden, dan door hem nog eens te bedanken, deed Florence dit nog eens.“Ik wenschte deze gelegenheid waar te nemen, als ik mocht, jufvrouw Dombey,” zeide Toots, “om een woordje van opheldering te spreken. Ik zou het genoegen gehad hebben[389]om—om al vroeger met Suze terug te komen; maar vooreerst wisten wij niet hoe de bloedverwant heette, bij wien zij in huis was gegaan, en ten tweede was zij al weder van dien bloedverwant vandaan en naar een ander gegaan, die veel verder woonde, zoodat ik haast niet geloof dat het van den Kemphaan, met al zijne schranderheid, te vergen was haar heel gauw te vinden.”Florence was daarvan overtuigd.Daarna zat hij in het achterkamertje vier pijpen achtereen te rooken, en daar vond men hem na verloop van dien tijd bij zich zelven zitten grinniken. (blz. 392).Daarna zat hij in het achterkamertje vier pijpen achtereen te rooken, en daar vond men hem na verloop van dien tijd bij zich zelven zitten grinniken.(blz. 392).“Maar dat is eigenlijk de zaak niet,” hervatte Toots. “Het gezelschap van Suze, verzeker ik u, jufvrouw Dombey, is in mijn gemoedstoestand een troost en een genoegen geweest, die men zich gemakkelijker kan verbeelden dan beschrijven. De reis heeft hare eigene belooning medegebracht. Maar dat is eigenlijk ook de zaak niet. Jufvrouw Dombey, ik heb al vroeger eens gezegd, dat ik wel weet dat ik niet ben wat men heel schrander noemt. Ik ben mij daarvan volkomen bewust. Ik weet niet, dat iemand beter bekend kan zijn—als de uitdrukking niet wat al te sterk was, zou ik zeggen met de botheid van zijn eigen kop—dan ik het ben. Maar jufvrouw Dombey, in weerwil daarvan begrijp ik toch wel den—den staat van zaken—met luitenant Walters. Welke zielesmart mij die staat van zaken ook veroorzaakt[390]mag hebben (dat van geheel geen belang is), ik ben verplicht te zeggen, dat luitenant Walters een persoon is, die mij voorkomt den zegen waardig te zijn die hem ten deel is gevallen. Mag hij dien lang genieten, en zoo hoog waardeeren als een geheel ander en zeer onwaardig persoon, dien ik niet behoef te noemen, zou gedaan hebben! Dat is evenwel de zaak niet. Jufvrouw Dombey, kapitein Gills is een vriend van mij, en gedurende den tusschentijd, die nu verloopt, geloof ik dat het kapitein Gills genoegen zou verschaffen als ik nu en dan hier kwam. Het zou mij ook genoegen verschaffen zoo nu en dan te komen. Maar ik kan niet vergeten hoe ongelukkig ik mij eens op den hoek van het plein teBrightonheb gecompromitteerd; en als mijne tegenwoordigheid hier in den allergeringsten graad onaangenaam mocht wezen, verzoek ik u maar om het mij te zeggen, en ik verzeker u dat ik u volkomen zal begrijpen. Ik zal het volstrekt niet voor onvriendelijk houden, en zal mij maar al te zeer verheugen aldus met uw vertrouwen te worden vereerd.”—“Mijnheer Toots,” antwoordde Florence, “als gij, die zulk een oud en trouw vriend van mij zijt, nu niet meer hier aan huis wildet komen, zoudt ge mij een groot verdriet veroorzaken. Het kan nooit, nooit anders dan een genoegen voor mij wezen u te zien.”—“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, zijn zakdoek uithalende, “als ik een traan stort, is het een traan van vreugde. Het is van geen beduiden, en ik ben u zeer verplicht. Ik zal wel mogen aanmerken, na hetgeen gij daar zoo even gezegd hebt, dat het mijn voornemen niet is mijn eigen persoon nog langer te verwaarloozen.”Florence ontving deze aankondiging met een allerliefst verwonderd gezichtje, als begreep zij niet wat Toots daarmede bedoelde.“Ik meen,” zeide Toots, “dat ik het voor mijn plicht jegens mijne medemenschen zal houden, om mij, tot het stille graf mij roept, zoo goed mogelijk voor te doen, en om—om mijne laarzen zoo blinkend te laten poetsen, als—als omstandigheden veroorloven. Dit is de laatste maal, jufvrouw Dombey, dat ik u met eene aanmerking van bijzonderen en persoonlijken aard lastig val. Ik ben u waarlijk zeer dankbaar. Ik ben over het geheel niet zoo vlug van begrip als mijne vrienden wel konden wenschen, of als ik zelf wel zou wenschen, maar op mijn woord van eer, ik begrijp toch bijzonder wel en ben zeer gevoelig voor al wat goedhartig en vriendelijk is. Ik weet,” vervolgde hij vol vuur, “dat ik mijn gevoel nu bijzonder krachtig zou kunnen uitdrukken, als—als ik maar een begin kon vinden.”Daar hij, na eene poos gewacht te hebben, het begin niet scheen te kunnen vinden, nam Toots haastig afscheid en ging weder naar beneden om den kapitein op te zoeken, dien hij in den winkel vond.“Kapitein Gills,” zeide Toots, “wat er nu tusschen ons zal plaats hebben, blijft onder het heiligste zegel van vertrouwen. Het is een gevolg, kapitein Gills, van wat er boven tusschen mij en jufvrouw Dombey heeft plaats gehad.”—“Boven in den mast en tusschendeks, mijn jongen?” mompelde de kapitein.—“Juist, kapitein Gills,” antwoordde Toots, wiens toestemming te hartelijker was, omdat hij geheel niet wist, wat de kapitein meende. “Jufvrouw Dombey, geloof ik, kapitein Gills, zal binnen kort met luitenant Walters vereenigd worden?”—“Wel ja, mijn jongen. Wij zijn hier allemaal scheepskameraads. Walter en zijn liefje zullen samen worden gepaard in den echtelijken staat, zoodra de verboden gedaan zijn,” fluisterde kapitein Cuttle hem in het oor.—“De verboden, kapitein Gills?” herhaalde Toots.—“In de kerk, daar ginder,” antwoordde de kapitein, met zijn duim over zijn schouder wijzende.—“O ja,” zeide Toots.—“En dan,” zeide de kapitein met zijn schor gefluister, Toots een stootje op de borst gevende en toen een stap achteruit doende met een blik vol bewonderende opgetogenheid. “Wat dan? Dan gaat dat lieve schepseltje, zoo teertjes opgebracht als een Oost-Indisch vogeltje, met Walter over de bulderende zee op reis naarChina.”—“Goede hemel, kapitein Gills!” riep Toots uit.—“Ja,” zeide de kapitein met een knikje. “Het schip, dat hem opnam, toen hij in dien orkaan schipbreuk had geleden, was een Chinavaarder en Walter deed de reis mee, en bracht zich in gunst—als een knappe, brave jongen—en toen dus de opperkoopman teCantonstierf, kwam hij in zijne plaats—hij was te voren al in zijne plaats geweest—en nu is hij opperkoopman aan boord van een ander schip van dezelfde reeders. En zoo ziet ge,” herhaalde de kapitein nadenkend, “gaat dat lieve schepseltje met Walter mee over de woeste zee op reis naarChina.”Toots en kapitein Cuttle slaakten te gelijk een zucht.“Waarom niet?” zeide de kapitein. “Zij is hem trouw, en hij is haar trouw. Zij, die haar liefgehad en bewaard moesten hebben, hebben haar slecht behandeld. Toen zij, uit haar huis gejaagd, hier bij mij kwam en daar op die planken neerviel, was haar hartje gebroken. Dat zag ik wel. Dat weet ik wel. Er is niets dan trouwe liefde, dat het ooit weer kan lappen. Als ik dat niet wist, en niet wist, dat Walter haar trouw liefheeft, broeder, zou ik deze blauwe armen en beenen laten afhakken, eer ik haar liet gaan. Maar dat weet ik, en wat nu? Nu zeg ik, de hemel zij met hen allebei, en dat zal hij ook! Amen!”—“Kapitein Gills,” zeide Toots hierop, “laat ik het genoegen hebben[391]van u de hand te geven. Gij hebt eene manier om zoo iets te zeggen, waarvan ik eene pleizierige warmte langs mijn ganschen rug krijg. Ik zeg ook amen. Gij weet wel, kapitein Gills, dat ik jufvrouw Dombey insgelijks heb aangebeden.”—“Vroolijk maar, mijn jongen!” zeide de kapitein, zijne hand op Toots’ schouder leggende. “Sta vast!”—“Het is mijn voornemen, kapitein Gills,” antwoordde de dappere Toots, “om zoo vroolijk te zijn en zoo vast te staan als ik maar kan. Als het stille graf zich opent, kapitein Gills, zal ik klaar zijn om mij te laten begraven, maar niet eer. Daar ik niet heel zeker ben van mijn vermogen over mij zelven, wenschte ik evenwel u iets te zeggen, wat ik u als eene bijzondere gunst verzoek om aan luitenant Walters over te brengen, namelijk als volgt.”—“Namelijk als volgt,” herhaalde de kapitein. “Sta vast!”—“Daar jufvrouw Dombey zoo onuitsprekelijk goed is,” vervolgde Toots met waterige oogen, “om te zeggen, dat mijne tegenwoordigheid haar het tegendeel van onaangenaam is, en gij en iedereen hier niet minder inschikkelijk en verdraagzaam zijt voor iemand,” zeide Toots met oogenblikkelijke neerslachtigheid, “die eigenlijk voor niets in de wereld schijnt te deugen, zal ik des avonds hier zoo af en aan blijven komen, gedurende den korten tijd, dien wij allen nog bij elkaar kunnen zijn. Maar wat ik vraag is dit. Als ik somtijds ondervind, dat ik het gezicht van luitenant Walters’ zaligheid niet kan verdragen en dan naar buiten stuif, hoop ik, kapitein Gills, dat gij en hij dat voor een ongeluk, en niet voor mijne schuld of gebrek aan zelfstrijd zult houden. Dat gij u overtuigd zult houden, dat ik geen levend wezen—en allerminst luitenant Walters eenigen haat toedraag; en dat gij ter loops zult aanmerken, dat ik eene wandeling ga doen, of waarschijnlijk op de klok van de Koninklijke Beurs wil gaan kijken hoe laat het is. Als gij deze schikking kondt aannemen, kapitein Gills, en voor luitenant Walters instaan, zou dat eene verlichting voor mijn gevoel zijn, waarvoor ik gaarne een gedeelte van mijn aanzienlijk vermogen zou willen opofferen.”—“Zeg maar niet meer, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Gij kunt geene vlag hijschen, of Walter en ik zullen ze respecteeren.”—“Kapitein Gills,” zeide Toots, “nu ben ik gerust. Ik wensch de goede meening van iedereen hier te behouden. Ik—ik meen het goed, op mijn woord van eer, hoe slecht ik mij ook mag voordoen. Gij begrijpt wel,” zeide Toots, “het is net alsof Burgess en Comp. iemand eene allerbuitengemeenste pantalon wilden maken, en het fatsoen, dat zij voor den geest hadden, maar niet konden treffen.”Met deze gelukkige opheldering, waarop hij wel eenigszins trotsch scheen, gaf Toots den kapitein een zegenwensch tot afscheid en vertrok.De brave kapitein was, met zijn hartediefje in huis en Suze om haar te bedienen, een hoogst gelukkig man. Met elken dag begon zijn gezicht meer te blinken. Na eenige onderhandelingen met Suze (voor welker wijsheid de kapitein den diepsten eerbied koesterde) stelde hij Florence voor, dat de dochter der bejaarde dame, die gewoonlijk op deLeadenhallmarktonder eene blauwe paraplu zat, om redenen van voorzichtigheid, in de tijdelijke waarneming der huiselijke bezigheden zou vervangen worden door iemand, die hun niet onbekend was en op welke zij zich veilig konden verlaten. Suze, die erbij was, noemde toen, volgens vroegere afspraak met den kapitein, jufvrouw Richards. Deze naam alleen deed Florence reeds ophelderen. En toen Suze zich dien namiddag naar de woning der Toodle’s begeven had, om jufvrouw Richards eens te polsen, kwam zij nog denzelfden avond in zegepraal terug, vergezeld door Polly, nog met hetzelfde ronde gezicht en dezelfde roode wangen, wier blijdschap, toen zij Florence wederzag, nauwelijks minder hartelijk was, dan die van Suze.Toen deze fijne streek gelukt was—waarover de kapitein zich ongemeen verheugde, gelijk hij, trouwens, over alles deed wat er gebeurde—moest Florence Suze op de naderende scheiding voorbereiden. Dit was veel moeielijker taak, daar Suze zich vast in het hoofd gezet had, dat zij teruggekomen was om hare oude meesteres nooit weer te verlaten.“Wat loon betreft, lieve jufvrouw Flore,” zeide zij, “gij zoudt toch niet zoo gering van mij denken om daarvan te spreken, want ik heb geld overgelegd, en ik zou mijne liefde en dienst toch op zulk een tijd niet willen verkoopen, al had ik nooit van de spaarbank geweten of al waren alle spaarbanken bankroet; maar ge zijt nooit zonder mij geweest, lieveling, van den tijd af toen uwe goede mama werd weggenomen, en al heb ik niets om op te roemen, ge zijt toch aan mij gewend, en o mijne lieve meesteres van zoovele jaren, denk er toch niet aan om zonder mij heen te gaan, want dat mag en dat kan niet!”—“Maar, lieve Suze, ik ga eene lange, heel lange reis doen.”—“Wel, jufvrouw Flore, en wat zou dat? Zooveel te meer zult ge mij noodig hebben. Ik ben niet bang voor eene lange reis, Goddank!” zeide de onverzettelijke Suze.—“Maar Suze, ik ga met Walter, en met Walter zou ik overal heen gaan. Walter is arm en ik ben doodarm, en ik moet nu mij zelve leeren helpen en hem leeren helpen.”—“Lieve jufvrouw Flore,” riep Suze, heftig haar hoofd schuddende, “het is niets nieuws voor u, u zelve te helpen en anderen ook, en zoo geduldig en trouw te zijn als het edelste hart wezen kan, maar laat ik met mijnheer Walter Gay spreken en het met hem afmaken, want u zoo alleen door de[392]wereld te laten zwalken, dat kan ik niet en wil ik niet.”—“Alleen, Suze?” antwoordde Florence. “Alleen? en Walter neemt mij mee!” O welk een helder lachje vertoonden hare trekken! Dat had hij moeten zien. “Ik ben overtuigd, dat ge niet met Walter zult spreken, als ik u vraag om dat niet te doen,” voegde zij er vriendelijk bij; “en ik bid u, doe dat niet, lieve!”—“Waarom niet, jufvrouw Flore?” snikte Suze.—“Omdat ik,” zeide Florence, “zijne vrouw zal worden, om hem geheel mijn hart te geven, en met hem te leven en te sterven. Hij kon denken, als hij u hoorde zeggen wat ge mij gezegd hebt, dat ik bang ben voor wat ik voor mij heb, of dat gij reden hebt om bang voor mij te zijn. En Suze, ik heb hem lief!”Suze was zoo geroerd door den zachten ernst dezer woorden, waarbij het gezichtje der spreekster nog schooner en reiner werd dan ooit, dat zij niets anders kon doen dan haar nog eens om den hals vallen en uitroepen, of haar lief meesteresje dan waarlijk, waarlijk zou gaan trouwen, en haar nogmaals en nogmaals bejammeren en liefkoozen.Maar Suze, hoewel onderhevig aan vrouwelijke zwakheden, was ook wel in staat om zich te bedwingen, en van dien tijd af sprak zij nooit weder van de zaak, en was zij altijd vroolijk, werkzaam, vol moed en hoop. Zij onderrichtte, wel is waar, Toots in het geheim, dat zij zich maar zoolang zoo hield, en dat zij, alsjufvrouwDombey eens weg was, een jammerlijk schouwspel zou worden; en Toots gaf haar te kennen, dat dit ook zijn geval was, en dat zij hunne tranen te zamen zouden vermengen; maar in tegenwoordigheid van Florence gaf zij nooit lucht aan haar gevoel.Zoo beperkt en eenvoudig als Florence’s garderobe was—welk een contrast bij die, welke voor het laatste huwelijk, dat zij had bijgewoond, was aangeschaft—was er veel te doen om die gereed te krijgen, en Suze Nipper zat den geheelen dag bij haar te werken met den vereenigden ijver van vijftig naaisters. De verwonderlijke bijdragen tot deze uitrusting, die kapitein Cuttle zou hebben geleverd, als men hem had laten begaan—gelijk rozeroode parasols, gekleurde zijden kousen, blauwe schoenen en andere aan boord niet minder noodzakelijke voorwerpen—zouden, als men ze wilde optellen, vrij wat ruimte beslaan. Hij liet zich echter, door verschillende valsche voorstellingen, overhalen om zijne giften tot een werkdoosje en een toiletkistje te bepalen, van welke beide hij de grootste soort aanschafte, die voor geld te krijgen was. Nog tien of veertien dagen naderhand zat hij doorgaans het grootste gedeelte van den dag deze kistjes aan te staren; verdeeld tusschen bewondering en een angstigen twijfel, dat zij niet prachtig genoeg waren, en dikwijls de straat opstuivende om het een of ander ongerijmds te koopen, hetwelk hij dacht, dat nog ontbrak om de benoodigdheden te completeeren. Maar zijn meesterstuk was, dat hij ze beide eens op een morgen wegbracht, om de woorden “Florence Gay” te laten graveeren op de koperen hartjes, die in de deksels waren ingelegd. Daarna zat hij in het achterkamertje vier pijpen achtereen te rooken, en daar vond men hem na verloop van dien tijd bij zich zelven zitten grinniken.Walter had het druk en was den geheelen dag weg, maar kwam elken ochtend vroeg naar Florence zien en sleet elken avond bij haar. Florence verliet hare hooge kamers nooit dan om beneden naar hem te wachten als het zijn tijd was om te komen, of hem, door zijn arm omstrengeld, weder naar de deur te brengen en somtijds even de straat op te kijken. In de schemering waren zij altijd bij elkander. O zalige tijd! O rust voor het zwervende hart! O diepe bron van liefde, waarin zooveel verzonken lag!Zij had dat wreede teeken nog op hare borst. Dat rees tegen haar vader op met den adem dien zij haalde, dat lag tusschen haar en haar minnaar als hij haar aan zijn hart drukte. Maar zij vergat het. Bij het kloppen van zijn hart voor haar en het hare voor hem, werden alle stugge, ongevoelige harten vergeten. Broos en teer was zij, maar zij had eene macht van liefde in haar binnenste, die haar uit zijn beeld alleen eene wereld deed scheppen waar zij toevlucht en rust vond.Hoe dikwijls rezen het groote huis en de oude dagen voor haar op in het schemeruur, wanneer die arm, zoo trotsch en zoo teeder, haar omgaf, en zij, bij die herinnering, zich dicht aan hem vastklemde! Hoe dikwijls sloeg zij, bij de gedachte aan dien nacht, toen zij naar die kamer ging en dien onvergetelijken blik ontmoette, hare oogen op naar die, welke haar met zooveel ernst en liefde bewaakten, en schreide zij van blijdschap over zulk eene wijkplaats! Hoe veiliger zij zich daar gevoelde, des te meer had zij het lieve doode kind in hare gedachten; maar alsof zij haar vader toen voor de laatste maal had gezien, toen hij lag te slapen en zij hem een kus op de wang drukte, liet zij hem altijd zoo blijven en kwam zij in hare verbeelding nooit dat uur voorbij.“Lieve Walter,” zeide Florence eens op een avond, toen het bijna donker was, “weet ge wel wat ik vandaag gedacht heb?”—“Gedacht hoe de tijd voorbijvliegt, en hoe spoedig wij op zee zullen zijn, lieve Florence?”—“Dat meen ik niet, Walter, schoon ik daar ook wel aan denk. Ik heb gedacht welk een last ik toch voor u ben.”—“Een dierbare, heilige last, hartjelief! Wel, daaraan denk ik somtijds ook.”—“Gij lacht, Walter. Ik weet wel dat gij veel[393]meer daaraan denkt dan ik. Maar ik meen kosten.”—“Kosten, Florence?”—“Aan geld, lieve. Al die toebereidselen, waarmee Suze het zoo druk heeft—ik heb zelve heel weinig kunnen koopen. Gij waart toch al arm. Maar hoeveel armer zal ik u maken, Walter!”—“En hoeveel rijker, Florence!”Florence lachte en schudde haar hoofdje.“Buitendien,” zeide Walter, “lang geleden—eer ik naar zee ging—werd mij eens een beursje gegeven, liefste, met geld er in.”—“Och!” antwoordde Florence, met een treurig lachje. “Heel weinig, heel weinig, Walter. Maar gij moet niet denken,” en zij legde haar handje op zijn schouder, “dat het mij spijt dat ik zulk een last voor u ben. Neen, lieve, ik ben er blij om. Ik stel er mijn geluk in. Ik zou het voor de geheele wereld niet anders willen hebben.”—“Ik waarlijk ook niet, lieve Florence.”—“Ja, maar, Walter, gij kunt het nooit zoo gevoelen als ik. Ik ben zoo trotsch op u! het doet mijn hart zoo van verrukking zwellen, dat zij, die van u spreken, moeten zeggen, dat gij een arm, verstooten meisje hebt getrouwd, dat hier schuilplaats had gezocht; dat geen ander thuis, geene andere vrienden had; dat niets—niets had! O Walter, als ik u millioenen had kunnen aanbrengen, zou ik om uwentwil nooit zoo vergenoegd kunnen zijn, als ik nu ben.”—“En gij, lieve Florence, zijt gij niets?” antwoordde hij.—“Neen, niets, Walter. Niets dan uwe vrouw.” Het handje gleed om zijn hals, en de stem kwam al nader en nader bij. “Ik ben niets meer dat niet één met u is. Ik heb geen hoop op aarde meer, die niet van u komt. Ik heb niets dat mij dierbaar is, of gij zijt het.”O, wel mocht Toots het kleine gezelschap dien avond verlaten en tweemaal heengaan om zijn horloge naar de klok op de Beurs gelijk te zetten, en nog eens om eene afspraak met zijn bankier, die hij zich eensklaps herinnerde, en nog eens om een wandelingetje naar de pomp vanAldgateen terug te doen.Maar eer hij op deze tochten uitging, of eigenlijk eer hij nog kwam en voordat er licht werd gebracht, zeide Walter:“Het is laf,..... dat is het. Het is laf.” (blz. 399).“Het is laf,.…. dat is het. Het is laf.” (blz. 399).“Florence, lieve, de lading van ons schip is haast afgeloopen, en waarschijnlijk zal het juist op den dag van ons trouwen de rivier afzakken. Zullen wij dan dien dag vertrekken[394]en inKentblijven tot wij teGravesendaan boord gaan?”—“Als het u zoo belieft, Walter. Ik zal overal gelukkig zijn. Maar—”—“Wel, mijn liefje?”—“Gij weet,” zeide Florence, “dat wij geene partij zullen geven, en dat niemand ons aan onze kleeren van andere menschen zal onderscheiden. Daar wij nu denzelfden dag vertrekken, wilt gij—wilt ge mij dan dien morgen ergens brengen, Walter—vroeg—eer wij naar de kerk gaan?”Walter scheen haar te verstaan, gelijk zulk een waarlijk verliefd minnaar behoort te doen, en bevestigde zijne bereidvaardige belofte met een kus, met meer dan een misschien; en dien geheelen ernstigen, kalmen, vreedzamen avond was Florence zeer vergenoegd.Toen kwamen Suze en de kaarsen de stille kamer in, en kort daarop de thee, de kapitein en Toots, die, gelijk zoo even gezegd is, verscheidene malen weder wegliep en een onrustigen avond had. Dit was echter iets buitengewoons; doorgaans kon hij rustig blijven zitten, terwijl hij met den kapitein, met raad en toezicht van jufvrouw Nipper,cribbagespeelde, en zich in de berekeningen van dat spel verdiepte, hetgeen hij een zeer goed middel vond om zich geheel en al suf te maken.Des kapiteins gezicht bood bij zulke gelegenheden een der fraaiste voorbeelden van menigvuldigheid en afwisseling van uitdrukkingen aan. Zijne instinctmatige kieschheid en ridderlijke galanterie voor Florence leerden hem dan wel, dat het geen tijd was voor luidruchtige vroolijkheid of heftige uitbarstingen van blijdschap. Maar aan den anderen kant zochten opkomende herinneringen van Mooie Peggy nu en dan naar een uitweg, en dreven den kapitein om zich onherstelbaar te compromitteeren. Dan weder werd zijne bewondering voor Florence en Walter—een welpassend paar inderdaad en wel waardig om de oogen te trekken, door jeugd, liefde en schoonheid—zoo machtig, dat hij zijne kaarten neerlegde en hen met stralende oogen aanzag, terwijl hij zijn gezicht met zijn zakdoek wreef, tot hij, misschien, door het plotseling heenstuiven van Toots werd gewaarschuwd, dat hij onbewust het werktuig was geweest om dien jonkman rampzalig te maken. Deze bemerking deed den kapitein dan treurig worden, totdat Toots terugkwam, wanneer hij zijne kaarten weder opvatte, en Suze ter zijde een aantal oogjes en knikjes gaf, om aan te duiden dat hij zoo iets niet weer zou doen. De toestand, waarin hij dan geraakte, was misschien de merkwaardigste; want terwijl hij zijn best deed om alle uitdrukking van zijn gelaat te verbannen, zat hij in het rond te staren met een gezicht, waarop al die uitdrukkingen te gelijk met elkander worstelden. Ingenomene bewondering van Florence en Walter overwon echter altijd de andere en bleef dan alleen heerschen, of het moest gebeuren dat Toots wederom heenstoof, en dan bleef de kapitein als een boetvaardig zondaar zitten, tot deze terugkwam, zich nu en dan met eene stem vol zelfverwijt zachtjes vermanende om “vast te staan,” of knorrig op “Edward Cuttle” brommende, over het gebrek aan omzichtigheid dat zijn gedrag deed blijken.Een der zwaarste beproevingen van Toots werd echter door hem zelven opgezocht. Toen de zondag naderde, waarop het laatste dier kerkelijke “verboden” zou plaats hebben, waarvan de kapitein gesproken had, gaf Toots aldus den staat van zijn gevoel aan Suze Nipper te kennen.“Suze,” zeide hij, “ik word naar het gebouw toegetrokken. De woorden, die mij voor altijd van jufvrouw Dombey afsnijden, zullen mij als eene doodklok in de ooren klinken, dat weet ge wel, maar op mijn woord van eer, ik gevoel dat ik ze moet hooren. Wilt ge daarom morgen met mij meegaan naar de kerk?”Jufvrouw Nipper verklaarde zich bereid om dit te doen, indien dit mijnheer Toots eenig genoegen gaf, maar bad hem om van dat denkbeeld af te zien.“Suze,” antwoordde Toots, met plechtigen ernst, “eer iemand nog mijn baard begon op te merken behalve ik zelf, aanbad ik jufvrouw Dombey al. Terwijl ik nog een slachtoffer der slavernij van Blimber was, aanbad ik jufvrouw Dombey. Toen mijn eigendom mij niet wettig meer kon onthouden worden en—en ik het dus kreeg—aanbad ik jufvrouw Dombey. De geboden, die haar aan luitenant Walters toewijzen, en mij tot—duisternis veroordeelen,” zeide Toots, nadat hij even naar eene krachtige uitdrukking had gezocht—“mogen schrikkelijk zijn, zullen schrikkelijk zijn; maar ik gevoel dat ik wenschen zou ze te hooren uitspreken. Ik gevoel dat ik wenschen zou zeker te weten, dat de grond onder mij is weggemaaid, dat ik geen hoop meer kan koesteren, kortom, dat ik omverlig.”Suze Nipper kon niet anders dan Toots’ ongelukkigen toestand beklagen, en onder deze omstandigheden bewilligen om met hem mede te gaan, hetgeen zij den volgenden morgen deed.De kerk, die Walter tot dat einde had gekozen, was een oud vervallen kerkje, door een doolhof van achterstraten en stegen ingesloten, met eene kleine begraafplaats er om heen, en zelve begraven in een soort van kelder, door de naburige huizen gevormd. Van binnen was zij donker en leelijk, met hooge eikenhouten banken, waarin omtrent twintig menschen elken zondag verzonken, terwijl de slaperige stem van een hulpprediker door de ledige ruimte galmde. Evenwel kwijnde deze kerk niet uit gebrek aan gezelschap van andere kerken, want de torens verhieven zich in het rond, zoo dicht als de[395]scheepsmasten op de rivier. Het zou zelfs moeielijk zijn geweest ze van den toren dezer kerk te tellen, zooveel waren er. Op bijna ieder ledig plekje in het rond stond eene kerk. Het verwarde gebengel der klokken, op den zondagochtend toen Suze en Toots zich daarheen begaven, was verdoovend. Er waren twintig kerken dicht bijeen, die allen de menschen riepen om er in te komen.De twee verdwaalde schapen werden door een kerkeknecht in eene ruime bank gekooid, en daar het nog vroeg was, zaten zij eene poos de vergadering te tellen, naar de teleurgestelde klok omhoog in den toren te luisteren, of naar een armoedig oud manneke in het portaal te kijken, die de klok luidde, waartoe hij zijn voet in een soort van stijgbeugel had gestoken. Nadat Toots lang naar de groote boeken op den voorlezerslessenaar had getuurd, fluisterde hij Suze toe dat hij zich verwonderde waar de geboden bewaard werden, maar de jonge dame schudde slechts met een donker gezicht haar hoofd en wilde nu van geen aardsche zaken weten.Toots kon evenwel zijne gedachten niet van de geboden aftrekken, en zat blijkbaar onder den geheelen dienst daarnaar te wachten. Toen de tijd, om ze te lezen, naderde, legde de arme jongen eene groote onrust aan den dag, die niet verminderde door de onverwachte verschijning van kapitein Cuttle vooraan op de galerij. Toen de voorlezer de lijst aan den predikant gaf, hield Toots, hoewel hij zat, zich aan de bank vast; maar toen de namen van Walter Gay en Florence Dombey voor de derde en laatste maal werden opgelezen, werd hij zoodanig door zijn gevoel overweldigd, dat hij zonder hoed de kerk uitstoof, gevolgd door den kerkeknecht, den banksluiter en twee heeren van het medische vak, die toevallig daar waren. De eerstgenoemde kwam weldra terug om den hoed te halen en jufvrouw Nipper fluisterend te onderrichten, dat zij zich niet ongerust over mijnheer behoefde te maken, daar mijnheer zeide dat zijne ongesteldheid van geen belang was.Jufvrouw Nipper, die gevoelde dat de oogen van dat gedeelte vanEuropa, dat wekelijks in de hooge banken verzonk, op haar gevestigd waren, zou door dit voorval reeds verlegen genoeg zijn geworden, al ware het daarbij gebleven; te meer daar de kapitein vooraan op de galerij zich bewust was, dat hij in een geheimzinnig verband er mede stond, en niet nalaten kon dit besef aan de vergadering te doen opmerken. Maar de buitengemeene onrustigheid van Toots maakte haar toestand weldra nog veel neteliger. Deze jonge heer, buiten staat om alleen op het kerkhof eene prooi zijner eenzame gepeinzen te blijven, en ook buiten twijfel verlangend om zijn eerbied te toonen voor eene plechtigheid, die hij eenigermate gestoord had, kwam eensklaps terug—niet naar zijne bank, maar zette zich op eene vrije bank in den zijgang, tusschen twee oude vrouwen, die gewoon waren wekelijks eene portie brood te komen ontvangen, welke op eene plank in het portaal voor haar gereed lag. Zoo bleef Toots zitten, tot groote stoornis der vergadering, die niet laten kon naar hem te kijken, tot zijn gevoel hem weder overweldigde en hij nogmaals onverwacht vertrok. Nu niet weder in de kerk durvende komen en toch wenschende in zekere gemeenschap te blijven met hetgeen er in omging, zag men Toots daarna, met een bedrukt gezicht door een of ander venster binnenkijken; en daar hij verscheidene vensters van buiten bereiken kon, en zijne onrust zeer groot was, werd het niet alleen moeielijk te gissen voor welk venster hij zich de volgende maal zou vertoonen, maar was ook de geheele gemeente, terwijl zij naar de preek luisterde, als het ware gedwongen, over die kansen der verschillende vensters te denken. Toots’ bewegingen op het kerkhof waren echter zoo ongeregeld, dat hij doorgaans alle berekening te leur stelde, en evenals het popje of balletje van een goochelaar, daar verscheen waar men hem allerminst verwachtte; en deze verschijningen maakten te meer indruk omdat het voor hem moeielijk was om naar binnen, en voor de anderen gemakkelijk om naar buiten te zien, hetgeen ten gevolge had dat hij telkens, veel langer dan men zou verwacht hebben, met zijn gezicht dicht voor het glas bleef staan, tot hij eensklaps bespeurde dat aller oogen op hem gevestigd waren, en dan verdween.Dit gedrag van Toots en de medeplichtigheid, waarvan de kapitein zich bewust toonde, maakte Suze’s positie zoo netelig, dat het einde der godsdienstoefening haar een groote verademing gaf, en zij niet zoo vriendelijk als gewoonlijk voor Toots was, toen deze haar en den kapitein op den terugweg onderrichtte, dat hij nu, zeker wetende dat hij geene hoop meer had, zich tevredener gevoelde—of eigenlijk niet tevredener, maar tevredener en diep rampzalig.Nu verliep de tijd inderdaad snel tot aan den avond voor den dag, waarop het huwelijk was bepaald. Allen waren op de bovenkamer van den Adelborst bijeen en vreesden voor geene stoornis; want er waren nu geene huurders meer in huis; de adelborst had het geheel alleen. Zij waren ernstig en stil, in het vooruitzicht op den volgenden morgen, maar toch matig vroolijk. Florence, naast Walter gezeten, maakte een handwerkje af, dat tot een afscheidsgeschenk voor den kapitein bestemd was. De kapitein speeldecribbagemet Toots; Toots liet zich door Suze raadgeven. Suze gaf haar raad met alle heimelijkheid en omzichtigheid. Diogenes lag te luisteren, en liet nu en dan een half gesmoorden blaf hooren, waarover[396]hij zich dan weder scheen te schamen, alsof hij twijfelde, of hij er wel reden voor had.“Stil, stil!” zeide de kapitein tot Diogenes; “wat scheelt u? Ge schijnt niet op uw gemak van avond, mijn jongen.”Diogenes kwispelstaartte, maar stak terstond daarna zijne ooren op en liet weder een blaf hooren, waarover hij den kapitein verschooning verzocht door nog eens te kwispelstaarten.“Ik ben van gedachten, Di,” zeide de kapitein, in zijne kaart kijkende en peinzend zijne kin met zijn haak wrijvende, “dat gij aan jufvrouw Richards twijfelt; maar als gij zulk een hond zijt als ik u voor houd, zult gij u daarop beter bedenken, want zij ziet er veel te goed uit om niet te deugen. Kom aan, broeder,” tot Toots; “als ge klaar zijt, speel dan op.”De kapitein sprak met bedaardheid en had al zijne aandacht op het spel, maar eensklaps liet hij zijne kaarten uit de hand vallen, sperde hij mond en oogen wijd open, trok hij zijne beenen onder zijn stoel op, en bleef hij met stomme verbazing naar de deur zitten staren. Toen in het gezelschap rondkijkende en ziende dat niemand de reden zijner verwondering opmerkte, herstelde hij zich met een snik, gaf een geduchten slag op de tafel, riep met eene daverende stem: “Sam Gills, a-hoy!” en tuimelde in de armen van eene oude duffelschen jas, die met Polly de kamer was ingekomen.Een oogenblik later viel Walter in de armen van de duffelschen jas. Een oogenblik later deed Florence hetzelfde. Een oogenblik later had kapitein Cuttle jufvrouw Richards en Suze om den hals gepakt, en schudde hij de hand van Toots, roepende, terwijl hij zijn haak boven zijn hoofd wuifde: “Hoera, mijn jongen, hoera!” Waarop Toots, geheel buiten staat om zich dit gedrag te verklaren, zeer beleefd antwoordde: “Zekerlijk, kapitein Cuttle, wat u maar belieft.”De duffelschen jas, en de ruige muts en bouffante, die daarbij behoorden, keerden zich van den kapitein en Florence weder naar Walter, en klanken kwamen daaruit, alsof een oud man daarbinnen snikte, terwijl de ruige armen Walter vast omklemden. Ondertusschen heerschte er eene algemeene stilte, en bruineerde de kapitein met grooten ijver zijn neus. Maar toen de duffelschen jas Walter weder losliet, kwam Florence naderbij, en toen zij met hun beiden jas, muts en bouffante wegnamen, onthulden zij den ouden instrumentmaker; wat magerder en meer vervallen dan voorheen, met zijne oude ronde pruik, zijn oud koffiebruin pak en zijn ouden onfeilbaren chronometer tikkende in zijn zak.“Zoo propvol wetenschap als hij ooit geweest is,” zeide de verheugde kapitein. “Sam Gills, Sam Gills, waar zijt ge toch zoolang gebleven, oude jongen?”—“Ik ben half blind, Ned,” zeide de oude man, “en bijna doofstom van blijdschap.”—“Nog zijne eigene stem,” zeide de kapitein, met opgetogenheid rondziende, “nog zijne eigene stem, zoo propvol wetenschap als zij ooit geweest is!SamGills, mijn jongen, kom nu voor anker, onder uw eigen wijnstok en vijgeboom, als een oud patriarch als ge zijt, en doe eens rapport van uwe avonturen, met uwe eigene stem, die ons nog zoo goed heugt. Het is de stem,” zeide de kapitein, met nadruk, en door middel van zijn haak beduidende dat hij eene aanhaling deed, “van den luiaard; ik hoorde hem klagen, gij hebt mij te vroeg gewekt, ik moet nog slapen. Verstrooi zijne vijanden en doe ze vallen.”De kapitein zette zich neer als iemand, die het gevoel van alle aanwezigen zeer gelukkig had uitgedrukt, en stond dadelijk weder op om Toots te presenteeren, die zeer verbaasd was over de komst van iemand, die aanspraak scheen te maken op den naam van Gills.“Schoon ik het pleizier niet had van u te kennen, mijnheer,” stotterde Toots, “eer gij—eer gij—”—“Waart verdwenen voor het oog, maar trouw in het hart,” blies de kapitein hem zachtjes in.—“Juist zoo, kapitein Gills,” zeide Toots. “Schoon ik het pleizier niet had van u te kennen, mijnheer—mijnheer Sams,” zeide hij, door een gelukkigen inval op dien naam komende, “eer dat plaats had, doet het mij toch het grootste genoegen, verzeker ik u, u—u te leeren kennen. Ik hoop,” zeide Toots, “dat gij naar omstandigheden wel vaart.”Met deze beleefde woorden ging Toots blozend en grinnikend zitten.De oude instrumentmaker, in een hoekje tusschen Walter en Florence gezeten, antwoordde den kapitein aldus:“Ned Cuttle, beste jongen, al heb ik iets van de gebeurtenissen en veranderingen hier gehoord, van mijne vroolijke vriendin daar,” daarbij knikte hij tegen jufvrouw Richards, wier gezicht geheel glimlach was,—“welk een pleizierig gezicht heeft zij om een zwerveling welkom thuis te heeten!” zeide de oude man afbrekende en op zijne oude droomerige manier zijne handen wrijvende.—“Luister!” riep de kapitein ernstig. “Het is de vrouw, die het geheele menschdom verleidt. Daarover,” ter zijde tot Toots, “kunt gij uw Adam en Eva op nazien, broeder.”—“Dat zal ik niet verzuimen, kapitein Gills,” antwoordde Toots.—“Schoon ik iets van de gebeurtenissen en veranderingen hier gehoord heb,” hervatte de oude instrumentmaker, zijn ouden bril uit zijn zak halende en dien op de oude manier op zijn voorhoofd zettende, “zij zijn zoo groot en onverwacht, en ik ben zoo overweldigd door het gezicht van mijn lieven jongen, en door de”—hier zag hij naar de neergeslagene oogen van Florence en sprak niet voort—“dat ik—dat ik van avond niet veel kan zeggen. Maar, mijn beste Ned Cuttle, waarom hebt gij niet geschreven?”[397]De verbazing, die zich op des kapiteins trekken vertoonde, deed Toots zoodanig schrikken, dat zijne oogen stijf bleven staan, zoodat hij ze niet van des kapiteins gezicht kon afwenden.“Geschreven!” herhaalde de kapitein. “Geschreven, Sam Gills!”—“Ja,” zeide de oude man, “hetzij naarBarbados, of naarJamaica, of naarDemerary. Zoo had ik u gevraagd.”—“Gevraagd, Sam Gills!” herhaalde de kapitein wederom.—“Ja,” zeide de oude man. “Weet gij het niet meer, Ned? Dat hebt ge toch zeker niet vergeten? Telkens als ik u schreef.”De kapitein nam zijn blinkenden hoed af, zette dien op zijn haak, en bleef, terwijl hij zijn haar van achteren met zijne hand gladstreek, in het rond zitten kijken, als een beeld van berustende verwondering.“Gij schijnt mij niet te begrijpen, Ned,” merkte de oude man aan.—“Sam Gills,” antwoordde de kapitein, na hem en de anderen nog eene poos zonder spreken te hebben aangestaard. “Ik ben heelemaal van mijn koers. Laat eens een paar woorden glippen van die avonturen, wilt ge. Ik kan er maar geen hoogte van krijgen,” zeide de kapitein, peinzend in het rond kijkende.—“Gij weet wel, Ned,” zeide de oude man, “waarom ik hier vandaan ben gegaan? Gij hebt mijn pakje toch opengedaan?”—“Wel ja, wel ja,” zeide de kapitein. “Ik heb het pakje opengedaan.”—“En gelezen ook?” zeide de oude man.—“En gelezen ook,” antwoordde de kapitein, hem oplettend aanziende, en begon toen uit zijn geheugen op te zeggen: “Mijn beste Ned Cuttle, toen ik naar deWest-Indiënvertrok om tijding te gaan zoeken van mijn lieven—Daar zit hij! Daar is Walter!” zeide de kapitein, als ware het eene verademing voor hem iets te kunnen aangrijpen, dat ontwijfelbaar en onbetwistbaar was. “Wel, Ned, let nu eens even op,” zeide de oude man. “Toen ik de eerste maal schreef—dat was vanBarbados—zeide ik dat, hoewel ge dien brief zoudt ontvangen lang voor dat het jaar om was, ik toch gaarne had, dat ge het pakje opendeedt, daar dat de reden zou verklaren waarom ik was heengegaan. Goed! Toen ik de tweede, en de derde, misschien de vierde maal schreef—dat was vanJamaica—zeide ik, dat ik nog in denzelfden staat was, en geene rust had, en niet uit dat werelddeel kon terugkomen, eer ik wist of mijn jongen verongelukt of gered was. Toen ik de volgende maal schreef—dat was, denk ik, uitDemerary, niet waar?”—“Dat was, denkt hij, uitDemerary!” zeide de kapitein, hopeloos rondziende.—“Zeide ik,” vervolgde de oude man, “dat er nog geen zeker bericht was gekomen. Dat ik in dat werelddeel vele kapiteins en anderen had gevonden, die mij sedert jaren hadden gekend, en die mij hielpen om hier en daar heen te komen, en voor wie ik tot dank daarvoor nu en dan eene kleinigheid in mijn oud beroep kon doen. Dat iedereen met mij begaan was, en zeker belang in mijn zwerven scheen te stellen; en dat ik begon te denken, dat het mijn lot zou zijn om zoo zoekende naar tijding van mijn jongen, tot aan mijn dood toe heen en weder te kruisen.”—“Begon te denken, dat hij een geleerde Vliegende Hollander was!” zeide de kapitein, evenals te voren, met den grootsten ernst.—“Maar toen eens op een dag de tijding kwam, Ned—dat was opBarbados, toen ik daar weer terug was—dat een Chinavaarder op de thuisreis gepraaid was, die mijn jongen aan boord had, toen, Ned, nam ik de eerste scheepsgelegenheid waar om weer naar huis te gaan; en zoo kwam ik van avond hier, om te vinden dat het waar is, Goddank!” zeide de oude man met vromen ernst.Nadat de kapitein eerbiedig zijn hoofd had gebogen keek hij starend den geheelen kring in het rond, met Toots beginnende en met den instrumentmaker besluitende, en zeide toen ernstig:“Sam Gills. Wat ik nu zal zeggen, zal u geheel overstaagsmijten. Geen een van die brieven is ooit aan Edward Cuttle behandigd. Geen een van die brieven,” herhaalde de kapitein, om zijne verklaring des te plechtiger te maken, “is ooit aan Edward Cuttle behandigd.”—“Ik heb ze toch eigenhandig op de post gedaan, en eigenhandig geadresseerd,Brig Place, nommer negen,” riep de oude man uit.Alle kleur verdween van des kapiteins gezicht en kwam terstond daarop gloeiend terug.“Wat meent ge, Sam Gills, mijn vriend, metBrig Place, nommer negen?” zeide de kapitein.—“Meenen? Het huis waar gij woont, Ned,” antwoordde de oude man, “bij jufvrouw—hoe heet zij ook weer? Ik zal mijn eigen naam nog vergeten, maar ik ben bij mijn tijd ten achter—dat was ik altijd, weet ge wel—en suf van hoofd, jufvrouw—”—“Sam Gills,” zeide de kapitein, alsof hij het onwaarschijnlijkste geval van de wereld onderstelde, “het is toch de naam van MacStinger niet, dien gij u wilt te binnen brengen?”—“Wel natuurlijk is het die,” riep de instrumentmaker uit. “Wel zeker Ned, jufvrouw MacStinger!”Kapitein Cuttle wiens oogen nu zoo wijd openstonden als zij maar konden, liet een allerschelst gefluit hooren, en stond toen sprakeloos te kijken.“Zeg mij dat nog eens, als ge zoo goed wilt zijn, Sam Gills,” zeide hij eindelijk.—“Al die brieven,”antwoordde oom Sam, met zijn rechter voorvinger in de palm zijner linkerhand tikkende, met eene duidelijkheid en regelmatigheid, die zelfs zijn onfeilbare chronometer tot eer zou hebben gestrekt, “heb ik eigenhandig op de post gedaan, en eigenhandig geadresseerd, aan kapitein Cuttle, ten huize van jufvrouw[398]MacStinger,Brig Place, nommer negen.”De kapitein nam zijn blinkenden hoed van den haak, keek er eens in, zette hem op zijn hoofd en ging weder zitten.“Wel, vrienden allemaal,” zeide de kapitein, vol verslagenheid rondkijkende, “daar was ik vandaan geloopen.”—“En niemand wist waar gij naar toe waart, kapitein Cuttle” riep Walter haastig uit.—“Zegen ons, Walter,” antwoordde de kapitein, zijn hoofd schuddende, “zij zou mij nooit hebben laten gaan om hier op het goed te passen. Ik kon niet anders doen dan wegloopen. Och Heere, Walter!” zeide de kapitein. “Gij hebt haar nog maar bij stil weer gezien. Maar gij moest haar eens zien als het stormt!”—“Ikzou haar wel klein krijgen,” zeide Suze zachtjes.—“Zoudt ge—denkt gij dat, liefje?” antwoordde de kapitein met flauwe bewondering. “Wel, kindlief, dat strekt u tot eer. Maar wat mij betreft, er is geen wild dier, dat ik niet liever zou staan. Ik heb mijne kist alleen weggekregen door middel van een vriend, waar niemand tegen op kan. Het kon niet baten of men daar al brieven zond. Zij zou ze toch niet aannemen. Wel waarlijk,” zeide de kapitein, “het was haast een waagstuk ze te gaan bestellen!”—“Dus is het vrij duidelijk, kapitein Cuttle,” zeide Walter, “dat wij allen, maar gij en oom Sam vooral, niet weinig angst en zorg aan die jufvrouw MacStinger te danken hebben.”De algemeene verplichting aan die manhaftige weduwe was zoo duidelijk, dat de kapitein deze stelling niet tegensprak; maar daar hij zich eenigszins over zijne positie schaamde—hoewel niemand verder van de zaak sprak, en Walter, zich het laatste gesprek daarover herinnerende, dit vooral vermeed—bleef zijn gezicht vijf minuten lang—een buitengewone tijd voor hem—betrokken. Toen helderde het weder op, en kreeg hij lust om iedereen nogmaals en nogmaals over de hand te geven.Vroeg, maar niet voordat oom Sam en Walter elkander eenigszins uitvoerig van hunne avonturen en gevaren hadden verteld, namen allen, behalve Walter, afscheid van Florence, en gingen beneden naar het achterkamertje. Hier kwam Walter spoedig bij hen en zeide dat Florence eenigszins droefgeestig en zwaarmoedig was, en naar bed zou gaan. Hoewel zij haar daar beneden niet hadden kunnen storen, spraken zij na dien tijd toch fluisterend, en ieder toonde op zijne verschillende manier zijne teerhartigheid voor Walter’s jeugdige bruid. Oom Sam ontving eene uitvoerige mededeeling van alles wat haar aanging, en Toots was zeer gevoelig voor de kieschheid, waarmede Walter het gewicht zijner diensten en het noodzakelijke zijner tegenwoordigheid bij deze kleine raadsvergadering deed uitkomen.“Mijnheer Toots,” zeide Walter, toen hij hem aan de deur verliet. “Wij zullen elkander morgenochtend toch zien?”—“Luitenant Walters,” antwoordde Toots, hem vurig de hand drukkende. “Ik zal zeker tegenwoordig zijn.”—“Dit is de laatste avond, dat wij elkander in langen tijd zullen zien—misschien de laatste avond dat wij elkander ooit zullen zien,” zeide Walter. “Zulk een edel hart als het uwe moet het wel gevoelen, denk ik, wanneer een ander hart daaraan verbonden is. Gij weet wel, hoop ik, hoe dankbaar ik u ben.”—“Walters,” antwoordde Toots, met aandoening, “het zou mij verheugen als ik gevoelde, dat gij daartoe reden hadt.”—“Florence,” hervatte Walter, “heeft mij, op den laatsten avond dat zij haar eigen naam draagt, doen beloven—pas zoo even, toen gij ons bij elkander liet,—dat ik u zou zeggen, met verzekering van hare hartelijke genegenheid—”Toots sloeg zijne hand aan den deurpost en drukte zijne oogen op zijne hand.“Van hare hartelijke genegenheid,” herhaalde Walter, “dat zij nooit een vriend kan hebben, dien zij boven u zal schatten. Dat zij uwe trouwe welwillendheid voor haar nooit zal vergeten. Dat zij van avond in haar gebed aan u gedachtig is, en hoopt dat gij nog aan haar denken zult als zij ver weg is. Zal ik haar van u iets zeggen?”—“Zeg, Walters,” antwoordde Toots onduidelijk, “dat ik alle dagen aan haar zal denken, maar nooit zonder mij gelukkig te gevoelen omdat ik weet, dat zij getrouwd is met den man dien zij liefheeft, en die haar liefheeft. Zeg haar, als het u belieft, dat ik zeker ben, dat haar man haar—zelfs haar—waardig is—en dat ik mij verheug over hare keus.”Toen Toots aan deze woorden kwam werd hij duidelijker, en zijne oogen van den deurpost opslaande, zeide hij ze stoutweg. Toen drukte hij Walter nog eens de hand, met eene hartelijkheid, die Walter niet miste te beantwoorden, en ging heen.Met hem ging de Kemphaan, dien hij sedert eenigen tijd elken avond medegebracht en in den winkel gelaten had, met het denkbeeld, dat er onverwachte omstandigheden konden ontstaan, waarin de dapperheid van dien uitstekenden persoon den adelborst van dienst zou kunnen zijn. De gaslantarens gaven een valsch licht, of hij kneep op eene afschuwelijke manier zijn oog dicht, en haalde daarbij even leelijk zijn neus op, toen Toots, de straat overstappende, omkeek naar de kamer waar Florence sliep. Onderweg naar huis liet hij meer vijandige neigingen tegen andere voetgangers blijken, dan een beoefenaar der vreedzame kunst van zelfverdediging wel paste. Thuis gekomen, bleef hij, in plaats van Toots in zijne apartementen alleen te laten, voor dezen staan, zijn witten hoed met beide handen op den rand wiegelende, en zijn neus (die meermalen beschadigd[399]en niet te best gelapt was) ophalende op eene manier, die alles behalve eerbiedig kon heeten.Daar zijn patroon druk met zijne eigene gedachten bezig was, merkte hij dit niet op, voordat de Kemphaan, die niet onopgemerkt wilde blijven, met zijne tong zekere klinkende geluiden maakte.“Nu, baas,” zeide de Kemphaan zeer stroef, toen hij eindelijk de oogen van Toots had getrokken, “wou ik maar eens weten of het met die malligheid moet afloopen, of dat gij er ernst van zult maken?”—“Kemphaan,” antwoordde Toots. “Verklaar u wat duidelijker.”—“Wel dan, kort en goed, baas,” zeide de Kemphaan. “Ik ben geen man om een woord weg te gooien. Zoo is het. Zal er een geboft worden?”Toen hij deze vraag deed, liet de Kemphaan zijn hoed vallen, maakte daarop eene parade met de linkerhand, viel met de rechtervuist uit om zijn vermeenden vijand een geweldigen stomp te geven, schudde vinnig zijn hoofd en stelde zich weder in postuur.“Kom aan, baas,” zeide de Kemphaan; “zal het lorrendraaierij zijn of meenens? Wat van de twee?”—“Kemphaan,” antwoordde Toots, “uwe uitdrukkingen zijn grof, en uwe meening is donker.”—“Dan zal ik ze ronduit zeggen, baas!” hervatte de Kemphaan. “Het is laf.”—“Wat is laf, Kemphaan?” vroeg Toots.—“Datis laf,” antwoordde de Kemphaan, met eene geduchte rimpeling van zijn beschadigden neus. “Daar nu, baas. Wat zeg ik. Nu die stijve hark al op zij is,” met deze minachtende benaming is het te denken, dat hij mijnheer Dombey wilde aanduiden, “en gij den winner op uw gemak zijn bekomst zoudt kunnen geven, laat gij het er bij zitten! Bij zitten!” herhaalde de Kemphaan, met verachtelijken nadruk. “Dat is laf, zeg ik.”—“Kemphaan,” zeide Toots met strengheid, “ge zijt een rechte gier. Uwe gevoelens zijn gruwelijk.”—“Ik houd het met courage en zuiver spel, baas,” antwoordde de Kemphaan. “En dat zijn mijne gevoelens. Ik kan geen lafheid velen. Ik ben een publiek persoon; voor de toonbank van den Kleinen Olifant kan men naar mij vernemen, en geen patroon van mij moet iets doen dat laf is. En het is laf,” zeide de Kemphaan met toenemenden nadruk. “Het is laf.”—“Kemphaan,”zeide Toots. “Ik begin van u te walgen.”—“Dan zijn wij met ons beiden, baas,” antwoordde de Kemphaan. “Kom aan. Ik zal een voorslag doen. Gij hebt mij meer dan eens of tweemaal van kastelein worden gesproken. Maar dat komt er niet op aan. Geef mij morgen een bankje van vijftig pond, en laat mij gaan.”—“Kemphaan,” antwoordde Toots, “na de hatelijke gevoelens, die gij aan den dag hebt gelegd, zal ik blij zijn als ik op die manier van u af ben.”—“Gedaan dan!” zeide de Kemphaan. “Het is te koop. Uw gedrag bevalt mij niet. Het is laf,” zeide de Kemphaan, die, naar het scheen, niets anders wist te zeggen, maar dit toch niet scheen te kunnen zwijgen. “Dat is het. Het is laf.”Toots en de Kemphaan vonden dus in het verschil hunner zedelijke begrippen eene reden om te scheiden; en toen Toots ging slapen, droomde hij genoeglijk van Florence, die op den laatsten avond van haar meisjesleven aan hem als een vriend gedacht en hem van hare hartelijke genegenheid had laten verzekeren.
De adelborst was in volle levendigheid. Toots en Suze waren eindelijk gekomen. Suze was naar boven gevlogen als een meisje dat van hare zinnen was, en Toots en de Kemphaan waren naar het achterkamertje gegaan.
“O, mijne allerliefste jufvrouw Flore!” riep Suze, Florence’s kamer binnenstuivende, “als ik denk dat het zoover komen moest, en ik u hier moet vinden, mijn lief duifje, met geen mensch om u te bedienen, en geen huis waar gij thuis zijt; maar nu zal ik nooit weer heengaan, jufvrouw Flore, want al mag ik geen mos verzamelen, ik ben toch geen rollende steen, en mijn hart is ook geen steen, of anders zou het niet barsten zooals het nu barst, och Heere, och Heere!”
Deze woorden in één adem uitstortende, sloot Suze hare meesteres, bij welke zij op hare knieën lag, vast in hare armen.
“O, liefje,” riep Suze uit, “ik weet al wat er gebeurd is, ik weet het alles, mijn hart, en ik stik er van; geef mij toch lucht!”—“Suze, lieve goede Suze!” zeide Florence.—“O zegen haar! Ik, die nog zulk eene kleine meid was, toen zij een klein kind was! en zal zij nu waarlijk en wezenlijk gaan trouwen!” riep Suze, met eene uitbarsting van blijdschap en smart, van trotschheid en verdriet, en de hemel weet hoeveel meer strijdige aandoeningen.—“Wie heeft u dat gezegd?” zeide Florence.—“Och lieve tijd! Die onnoozele Toots,” antwoordde Suze, zenuwachtig lachende. “Ik wist wel dat het waar moest wezen, liefje, omdat hij zich zoo aanstelde. Hij is een allerbeste, onnoozelste jongen. En zal mijn schat,” vervolgde Suze, hare meesteres omhelzende, en in tranen uitbarstende, “dan waarlijk gaan trouwen!”
De mengeling van medelijden, blijdschap, teederheid, bezorgdheid en spijt, waarmede Suze telkens op dit onderwerp terugkwam, en dan telkens haar hoofd ophief, om het jeugdige gezichtje aan te zien en te kussen, en dan haar hoofd weder op den schouder harer meesteres liet zinken, en haar liefkoosde, was iets zoo hartelijks en aardigs als men ooit in de wereld iets gezien heeft.
“Kom, kom!” zeide de troostende stem van Florence weldra. “Nu zijt ge immers weer bedaard, Suze?”
Zij zat op den grond, aan de voeten harer meesteres, te lachen en te snikken, en hield met de eene hand haar zakdoek voor hare oogen, terwijl zij met de andere Diogenes streelde, die haar gezicht likte. In die houding verklaarde zij dat zij weer bedaard was, en lachte en schreide nog wat meer, ten bewijze daarvan.
“Ik—ik—ik heb nooit zulk een schepsel gezien als die Toots,” zeide Suze, “in al mijn leven niet!”—“Zoo goedaardig,” zeide Florence.—“En zoo comisch!” snikte Suze. “De manier zooals hij zich in de koets bij mij aanstelde, met dien schandaligen Kemphaan op den bok.”—“Wat zeide hij dan, Suze?” vroeg Florence beschroomd.—“Och, hij had het over luitenant Walters en kapitein Gills, en over u, jufvrouw Flore, en het stille graf,” zeide Suze.—“Het stille graf?” herhaalde Florence.—“Hij zegt,” zeide Suze, in een zenuwachtig geschater uitbarstende, “dat hij nu dadelijk daarin zal dalen, heel weltevreden; maar wees gerust, lieve jufvrouw Flore, dat zal hij toch niet, hij is daartoe veel te gelukkig als hij andere menschen gelukkig ziet; hij mag geen Salomon wezen,” vervolgde zij met hare gewone radheid van tong, “en ik zeg ook niet dat hij er een is, maar dat zeg ik, dat er nooit iemand geweest is, die minder eigenlievend was dan hij!”
Daar Suze nog zenuwachtig was, begon zij na het afleggen dezer nadrukkelijke verklaring onmatig te lachen en onderrichtte Florence daarna dat hij beneden wachtte om haar te zien, hetgeen eene rijke belooning voor hem wezen zou voor de moeite, die zijne laatste onderneming hem gekost had.
Florence belastte Suze om Toots als eene gunst te gaan verzoeken, dat zij het genoegen mocht hebben om hem voor zijne goedheid te danken, en weinige oogenblikken later liet Suze den jongen heer binnen, nog zeer slordig in zijn voorkomen en buitengemeen stotterende.
“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots. “Nog eens vergunning te verwerven om—om—om te staren—ten minste, niet te staren maar—ik weet niet recht wat ik wilde zeggen, maar het is van geen beduiden.”—“Ik moet u zoo dikwijls danken,” zeide Florence, hem beide hare handen gevende, terwijl al hare onschuldige dankbaarheid haar uit de oogen straalde, “dat ik geene woorden meer heb, en niet weet hoe ik het doen zal.”—“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, met eene akelig holle stem, “als het mogelijk was dat gij, met uw engelachtig karakter, mij kondt vloeken, zoudt ge mij—als ik het zoo mag uitdrukken—oneindig minder overhoopsmijten, dan door deze onverdiende uitdrukkingen van vriendelijkheid. De werking daarvan op mij—is—maar,” zeide Toots, kort afbrekende, “dat is iets dat nu niet te pas komt, en van geheel geen beduiden.”
Daar het niet mogelijk scheen hierop anders te antwoorden, dan door hem nog eens te bedanken, deed Florence dit nog eens.
“Ik wenschte deze gelegenheid waar te nemen, als ik mocht, jufvrouw Dombey,” zeide Toots, “om een woordje van opheldering te spreken. Ik zou het genoegen gehad hebben[389]om—om al vroeger met Suze terug te komen; maar vooreerst wisten wij niet hoe de bloedverwant heette, bij wien zij in huis was gegaan, en ten tweede was zij al weder van dien bloedverwant vandaan en naar een ander gegaan, die veel verder woonde, zoodat ik haast niet geloof dat het van den Kemphaan, met al zijne schranderheid, te vergen was haar heel gauw te vinden.”
Florence was daarvan overtuigd.
Daarna zat hij in het achterkamertje vier pijpen achtereen te rooken, en daar vond men hem na verloop van dien tijd bij zich zelven zitten grinniken. (blz. 392).Daarna zat hij in het achterkamertje vier pijpen achtereen te rooken, en daar vond men hem na verloop van dien tijd bij zich zelven zitten grinniken.(blz. 392).
Daarna zat hij in het achterkamertje vier pijpen achtereen te rooken, en daar vond men hem na verloop van dien tijd bij zich zelven zitten grinniken.(blz. 392).
“Maar dat is eigenlijk de zaak niet,” hervatte Toots. “Het gezelschap van Suze, verzeker ik u, jufvrouw Dombey, is in mijn gemoedstoestand een troost en een genoegen geweest, die men zich gemakkelijker kan verbeelden dan beschrijven. De reis heeft hare eigene belooning medegebracht. Maar dat is eigenlijk ook de zaak niet. Jufvrouw Dombey, ik heb al vroeger eens gezegd, dat ik wel weet dat ik niet ben wat men heel schrander noemt. Ik ben mij daarvan volkomen bewust. Ik weet niet, dat iemand beter bekend kan zijn—als de uitdrukking niet wat al te sterk was, zou ik zeggen met de botheid van zijn eigen kop—dan ik het ben. Maar jufvrouw Dombey, in weerwil daarvan begrijp ik toch wel den—den staat van zaken—met luitenant Walters. Welke zielesmart mij die staat van zaken ook veroorzaakt[390]mag hebben (dat van geheel geen belang is), ik ben verplicht te zeggen, dat luitenant Walters een persoon is, die mij voorkomt den zegen waardig te zijn die hem ten deel is gevallen. Mag hij dien lang genieten, en zoo hoog waardeeren als een geheel ander en zeer onwaardig persoon, dien ik niet behoef te noemen, zou gedaan hebben! Dat is evenwel de zaak niet. Jufvrouw Dombey, kapitein Gills is een vriend van mij, en gedurende den tusschentijd, die nu verloopt, geloof ik dat het kapitein Gills genoegen zou verschaffen als ik nu en dan hier kwam. Het zou mij ook genoegen verschaffen zoo nu en dan te komen. Maar ik kan niet vergeten hoe ongelukkig ik mij eens op den hoek van het plein teBrightonheb gecompromitteerd; en als mijne tegenwoordigheid hier in den allergeringsten graad onaangenaam mocht wezen, verzoek ik u maar om het mij te zeggen, en ik verzeker u dat ik u volkomen zal begrijpen. Ik zal het volstrekt niet voor onvriendelijk houden, en zal mij maar al te zeer verheugen aldus met uw vertrouwen te worden vereerd.”—“Mijnheer Toots,” antwoordde Florence, “als gij, die zulk een oud en trouw vriend van mij zijt, nu niet meer hier aan huis wildet komen, zoudt ge mij een groot verdriet veroorzaken. Het kan nooit, nooit anders dan een genoegen voor mij wezen u te zien.”—“Jufvrouw Dombey,” zeide Toots, zijn zakdoek uithalende, “als ik een traan stort, is het een traan van vreugde. Het is van geen beduiden, en ik ben u zeer verplicht. Ik zal wel mogen aanmerken, na hetgeen gij daar zoo even gezegd hebt, dat het mijn voornemen niet is mijn eigen persoon nog langer te verwaarloozen.”
Florence ontving deze aankondiging met een allerliefst verwonderd gezichtje, als begreep zij niet wat Toots daarmede bedoelde.
“Ik meen,” zeide Toots, “dat ik het voor mijn plicht jegens mijne medemenschen zal houden, om mij, tot het stille graf mij roept, zoo goed mogelijk voor te doen, en om—om mijne laarzen zoo blinkend te laten poetsen, als—als omstandigheden veroorloven. Dit is de laatste maal, jufvrouw Dombey, dat ik u met eene aanmerking van bijzonderen en persoonlijken aard lastig val. Ik ben u waarlijk zeer dankbaar. Ik ben over het geheel niet zoo vlug van begrip als mijne vrienden wel konden wenschen, of als ik zelf wel zou wenschen, maar op mijn woord van eer, ik begrijp toch bijzonder wel en ben zeer gevoelig voor al wat goedhartig en vriendelijk is. Ik weet,” vervolgde hij vol vuur, “dat ik mijn gevoel nu bijzonder krachtig zou kunnen uitdrukken, als—als ik maar een begin kon vinden.”
Daar hij, na eene poos gewacht te hebben, het begin niet scheen te kunnen vinden, nam Toots haastig afscheid en ging weder naar beneden om den kapitein op te zoeken, dien hij in den winkel vond.
“Kapitein Gills,” zeide Toots, “wat er nu tusschen ons zal plaats hebben, blijft onder het heiligste zegel van vertrouwen. Het is een gevolg, kapitein Gills, van wat er boven tusschen mij en jufvrouw Dombey heeft plaats gehad.”—“Boven in den mast en tusschendeks, mijn jongen?” mompelde de kapitein.—“Juist, kapitein Gills,” antwoordde Toots, wiens toestemming te hartelijker was, omdat hij geheel niet wist, wat de kapitein meende. “Jufvrouw Dombey, geloof ik, kapitein Gills, zal binnen kort met luitenant Walters vereenigd worden?”—“Wel ja, mijn jongen. Wij zijn hier allemaal scheepskameraads. Walter en zijn liefje zullen samen worden gepaard in den echtelijken staat, zoodra de verboden gedaan zijn,” fluisterde kapitein Cuttle hem in het oor.—“De verboden, kapitein Gills?” herhaalde Toots.—“In de kerk, daar ginder,” antwoordde de kapitein, met zijn duim over zijn schouder wijzende.—“O ja,” zeide Toots.—“En dan,” zeide de kapitein met zijn schor gefluister, Toots een stootje op de borst gevende en toen een stap achteruit doende met een blik vol bewonderende opgetogenheid. “Wat dan? Dan gaat dat lieve schepseltje, zoo teertjes opgebracht als een Oost-Indisch vogeltje, met Walter over de bulderende zee op reis naarChina.”—“Goede hemel, kapitein Gills!” riep Toots uit.—“Ja,” zeide de kapitein met een knikje. “Het schip, dat hem opnam, toen hij in dien orkaan schipbreuk had geleden, was een Chinavaarder en Walter deed de reis mee, en bracht zich in gunst—als een knappe, brave jongen—en toen dus de opperkoopman teCantonstierf, kwam hij in zijne plaats—hij was te voren al in zijne plaats geweest—en nu is hij opperkoopman aan boord van een ander schip van dezelfde reeders. En zoo ziet ge,” herhaalde de kapitein nadenkend, “gaat dat lieve schepseltje met Walter mee over de woeste zee op reis naarChina.”
Toots en kapitein Cuttle slaakten te gelijk een zucht.
“Waarom niet?” zeide de kapitein. “Zij is hem trouw, en hij is haar trouw. Zij, die haar liefgehad en bewaard moesten hebben, hebben haar slecht behandeld. Toen zij, uit haar huis gejaagd, hier bij mij kwam en daar op die planken neerviel, was haar hartje gebroken. Dat zag ik wel. Dat weet ik wel. Er is niets dan trouwe liefde, dat het ooit weer kan lappen. Als ik dat niet wist, en niet wist, dat Walter haar trouw liefheeft, broeder, zou ik deze blauwe armen en beenen laten afhakken, eer ik haar liet gaan. Maar dat weet ik, en wat nu? Nu zeg ik, de hemel zij met hen allebei, en dat zal hij ook! Amen!”—“Kapitein Gills,” zeide Toots hierop, “laat ik het genoegen hebben[391]van u de hand te geven. Gij hebt eene manier om zoo iets te zeggen, waarvan ik eene pleizierige warmte langs mijn ganschen rug krijg. Ik zeg ook amen. Gij weet wel, kapitein Gills, dat ik jufvrouw Dombey insgelijks heb aangebeden.”—“Vroolijk maar, mijn jongen!” zeide de kapitein, zijne hand op Toots’ schouder leggende. “Sta vast!”—“Het is mijn voornemen, kapitein Gills,” antwoordde de dappere Toots, “om zoo vroolijk te zijn en zoo vast te staan als ik maar kan. Als het stille graf zich opent, kapitein Gills, zal ik klaar zijn om mij te laten begraven, maar niet eer. Daar ik niet heel zeker ben van mijn vermogen over mij zelven, wenschte ik evenwel u iets te zeggen, wat ik u als eene bijzondere gunst verzoek om aan luitenant Walters over te brengen, namelijk als volgt.”—“Namelijk als volgt,” herhaalde de kapitein. “Sta vast!”—“Daar jufvrouw Dombey zoo onuitsprekelijk goed is,” vervolgde Toots met waterige oogen, “om te zeggen, dat mijne tegenwoordigheid haar het tegendeel van onaangenaam is, en gij en iedereen hier niet minder inschikkelijk en verdraagzaam zijt voor iemand,” zeide Toots met oogenblikkelijke neerslachtigheid, “die eigenlijk voor niets in de wereld schijnt te deugen, zal ik des avonds hier zoo af en aan blijven komen, gedurende den korten tijd, dien wij allen nog bij elkaar kunnen zijn. Maar wat ik vraag is dit. Als ik somtijds ondervind, dat ik het gezicht van luitenant Walters’ zaligheid niet kan verdragen en dan naar buiten stuif, hoop ik, kapitein Gills, dat gij en hij dat voor een ongeluk, en niet voor mijne schuld of gebrek aan zelfstrijd zult houden. Dat gij u overtuigd zult houden, dat ik geen levend wezen—en allerminst luitenant Walters eenigen haat toedraag; en dat gij ter loops zult aanmerken, dat ik eene wandeling ga doen, of waarschijnlijk op de klok van de Koninklijke Beurs wil gaan kijken hoe laat het is. Als gij deze schikking kondt aannemen, kapitein Gills, en voor luitenant Walters instaan, zou dat eene verlichting voor mijn gevoel zijn, waarvoor ik gaarne een gedeelte van mijn aanzienlijk vermogen zou willen opofferen.”—“Zeg maar niet meer, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Gij kunt geene vlag hijschen, of Walter en ik zullen ze respecteeren.”—“Kapitein Gills,” zeide Toots, “nu ben ik gerust. Ik wensch de goede meening van iedereen hier te behouden. Ik—ik meen het goed, op mijn woord van eer, hoe slecht ik mij ook mag voordoen. Gij begrijpt wel,” zeide Toots, “het is net alsof Burgess en Comp. iemand eene allerbuitengemeenste pantalon wilden maken, en het fatsoen, dat zij voor den geest hadden, maar niet konden treffen.”
Met deze gelukkige opheldering, waarop hij wel eenigszins trotsch scheen, gaf Toots den kapitein een zegenwensch tot afscheid en vertrok.
De brave kapitein was, met zijn hartediefje in huis en Suze om haar te bedienen, een hoogst gelukkig man. Met elken dag begon zijn gezicht meer te blinken. Na eenige onderhandelingen met Suze (voor welker wijsheid de kapitein den diepsten eerbied koesterde) stelde hij Florence voor, dat de dochter der bejaarde dame, die gewoonlijk op deLeadenhallmarktonder eene blauwe paraplu zat, om redenen van voorzichtigheid, in de tijdelijke waarneming der huiselijke bezigheden zou vervangen worden door iemand, die hun niet onbekend was en op welke zij zich veilig konden verlaten. Suze, die erbij was, noemde toen, volgens vroegere afspraak met den kapitein, jufvrouw Richards. Deze naam alleen deed Florence reeds ophelderen. En toen Suze zich dien namiddag naar de woning der Toodle’s begeven had, om jufvrouw Richards eens te polsen, kwam zij nog denzelfden avond in zegepraal terug, vergezeld door Polly, nog met hetzelfde ronde gezicht en dezelfde roode wangen, wier blijdschap, toen zij Florence wederzag, nauwelijks minder hartelijk was, dan die van Suze.
Toen deze fijne streek gelukt was—waarover de kapitein zich ongemeen verheugde, gelijk hij, trouwens, over alles deed wat er gebeurde—moest Florence Suze op de naderende scheiding voorbereiden. Dit was veel moeielijker taak, daar Suze zich vast in het hoofd gezet had, dat zij teruggekomen was om hare oude meesteres nooit weer te verlaten.
“Wat loon betreft, lieve jufvrouw Flore,” zeide zij, “gij zoudt toch niet zoo gering van mij denken om daarvan te spreken, want ik heb geld overgelegd, en ik zou mijne liefde en dienst toch op zulk een tijd niet willen verkoopen, al had ik nooit van de spaarbank geweten of al waren alle spaarbanken bankroet; maar ge zijt nooit zonder mij geweest, lieveling, van den tijd af toen uwe goede mama werd weggenomen, en al heb ik niets om op te roemen, ge zijt toch aan mij gewend, en o mijne lieve meesteres van zoovele jaren, denk er toch niet aan om zonder mij heen te gaan, want dat mag en dat kan niet!”—“Maar, lieve Suze, ik ga eene lange, heel lange reis doen.”—“Wel, jufvrouw Flore, en wat zou dat? Zooveel te meer zult ge mij noodig hebben. Ik ben niet bang voor eene lange reis, Goddank!” zeide de onverzettelijke Suze.—“Maar Suze, ik ga met Walter, en met Walter zou ik overal heen gaan. Walter is arm en ik ben doodarm, en ik moet nu mij zelve leeren helpen en hem leeren helpen.”—“Lieve jufvrouw Flore,” riep Suze, heftig haar hoofd schuddende, “het is niets nieuws voor u, u zelve te helpen en anderen ook, en zoo geduldig en trouw te zijn als het edelste hart wezen kan, maar laat ik met mijnheer Walter Gay spreken en het met hem afmaken, want u zoo alleen door de[392]wereld te laten zwalken, dat kan ik niet en wil ik niet.”—“Alleen, Suze?” antwoordde Florence. “Alleen? en Walter neemt mij mee!” O welk een helder lachje vertoonden hare trekken! Dat had hij moeten zien. “Ik ben overtuigd, dat ge niet met Walter zult spreken, als ik u vraag om dat niet te doen,” voegde zij er vriendelijk bij; “en ik bid u, doe dat niet, lieve!”—“Waarom niet, jufvrouw Flore?” snikte Suze.—“Omdat ik,” zeide Florence, “zijne vrouw zal worden, om hem geheel mijn hart te geven, en met hem te leven en te sterven. Hij kon denken, als hij u hoorde zeggen wat ge mij gezegd hebt, dat ik bang ben voor wat ik voor mij heb, of dat gij reden hebt om bang voor mij te zijn. En Suze, ik heb hem lief!”
Suze was zoo geroerd door den zachten ernst dezer woorden, waarbij het gezichtje der spreekster nog schooner en reiner werd dan ooit, dat zij niets anders kon doen dan haar nog eens om den hals vallen en uitroepen, of haar lief meesteresje dan waarlijk, waarlijk zou gaan trouwen, en haar nogmaals en nogmaals bejammeren en liefkoozen.
Maar Suze, hoewel onderhevig aan vrouwelijke zwakheden, was ook wel in staat om zich te bedwingen, en van dien tijd af sprak zij nooit weder van de zaak, en was zij altijd vroolijk, werkzaam, vol moed en hoop. Zij onderrichtte, wel is waar, Toots in het geheim, dat zij zich maar zoolang zoo hield, en dat zij, alsjufvrouwDombey eens weg was, een jammerlijk schouwspel zou worden; en Toots gaf haar te kennen, dat dit ook zijn geval was, en dat zij hunne tranen te zamen zouden vermengen; maar in tegenwoordigheid van Florence gaf zij nooit lucht aan haar gevoel.
Zoo beperkt en eenvoudig als Florence’s garderobe was—welk een contrast bij die, welke voor het laatste huwelijk, dat zij had bijgewoond, was aangeschaft—was er veel te doen om die gereed te krijgen, en Suze Nipper zat den geheelen dag bij haar te werken met den vereenigden ijver van vijftig naaisters. De verwonderlijke bijdragen tot deze uitrusting, die kapitein Cuttle zou hebben geleverd, als men hem had laten begaan—gelijk rozeroode parasols, gekleurde zijden kousen, blauwe schoenen en andere aan boord niet minder noodzakelijke voorwerpen—zouden, als men ze wilde optellen, vrij wat ruimte beslaan. Hij liet zich echter, door verschillende valsche voorstellingen, overhalen om zijne giften tot een werkdoosje en een toiletkistje te bepalen, van welke beide hij de grootste soort aanschafte, die voor geld te krijgen was. Nog tien of veertien dagen naderhand zat hij doorgaans het grootste gedeelte van den dag deze kistjes aan te staren; verdeeld tusschen bewondering en een angstigen twijfel, dat zij niet prachtig genoeg waren, en dikwijls de straat opstuivende om het een of ander ongerijmds te koopen, hetwelk hij dacht, dat nog ontbrak om de benoodigdheden te completeeren. Maar zijn meesterstuk was, dat hij ze beide eens op een morgen wegbracht, om de woorden “Florence Gay” te laten graveeren op de koperen hartjes, die in de deksels waren ingelegd. Daarna zat hij in het achterkamertje vier pijpen achtereen te rooken, en daar vond men hem na verloop van dien tijd bij zich zelven zitten grinniken.
Walter had het druk en was den geheelen dag weg, maar kwam elken ochtend vroeg naar Florence zien en sleet elken avond bij haar. Florence verliet hare hooge kamers nooit dan om beneden naar hem te wachten als het zijn tijd was om te komen, of hem, door zijn arm omstrengeld, weder naar de deur te brengen en somtijds even de straat op te kijken. In de schemering waren zij altijd bij elkander. O zalige tijd! O rust voor het zwervende hart! O diepe bron van liefde, waarin zooveel verzonken lag!
Zij had dat wreede teeken nog op hare borst. Dat rees tegen haar vader op met den adem dien zij haalde, dat lag tusschen haar en haar minnaar als hij haar aan zijn hart drukte. Maar zij vergat het. Bij het kloppen van zijn hart voor haar en het hare voor hem, werden alle stugge, ongevoelige harten vergeten. Broos en teer was zij, maar zij had eene macht van liefde in haar binnenste, die haar uit zijn beeld alleen eene wereld deed scheppen waar zij toevlucht en rust vond.
Hoe dikwijls rezen het groote huis en de oude dagen voor haar op in het schemeruur, wanneer die arm, zoo trotsch en zoo teeder, haar omgaf, en zij, bij die herinnering, zich dicht aan hem vastklemde! Hoe dikwijls sloeg zij, bij de gedachte aan dien nacht, toen zij naar die kamer ging en dien onvergetelijken blik ontmoette, hare oogen op naar die, welke haar met zooveel ernst en liefde bewaakten, en schreide zij van blijdschap over zulk eene wijkplaats! Hoe veiliger zij zich daar gevoelde, des te meer had zij het lieve doode kind in hare gedachten; maar alsof zij haar vader toen voor de laatste maal had gezien, toen hij lag te slapen en zij hem een kus op de wang drukte, liet zij hem altijd zoo blijven en kwam zij in hare verbeelding nooit dat uur voorbij.
“Lieve Walter,” zeide Florence eens op een avond, toen het bijna donker was, “weet ge wel wat ik vandaag gedacht heb?”—“Gedacht hoe de tijd voorbijvliegt, en hoe spoedig wij op zee zullen zijn, lieve Florence?”—“Dat meen ik niet, Walter, schoon ik daar ook wel aan denk. Ik heb gedacht welk een last ik toch voor u ben.”—“Een dierbare, heilige last, hartjelief! Wel, daaraan denk ik somtijds ook.”—“Gij lacht, Walter. Ik weet wel dat gij veel[393]meer daaraan denkt dan ik. Maar ik meen kosten.”—“Kosten, Florence?”—“Aan geld, lieve. Al die toebereidselen, waarmee Suze het zoo druk heeft—ik heb zelve heel weinig kunnen koopen. Gij waart toch al arm. Maar hoeveel armer zal ik u maken, Walter!”—“En hoeveel rijker, Florence!”
Florence lachte en schudde haar hoofdje.
“Buitendien,” zeide Walter, “lang geleden—eer ik naar zee ging—werd mij eens een beursje gegeven, liefste, met geld er in.”—“Och!” antwoordde Florence, met een treurig lachje. “Heel weinig, heel weinig, Walter. Maar gij moet niet denken,” en zij legde haar handje op zijn schouder, “dat het mij spijt dat ik zulk een last voor u ben. Neen, lieve, ik ben er blij om. Ik stel er mijn geluk in. Ik zou het voor de geheele wereld niet anders willen hebben.”—“Ik waarlijk ook niet, lieve Florence.”—“Ja, maar, Walter, gij kunt het nooit zoo gevoelen als ik. Ik ben zoo trotsch op u! het doet mijn hart zoo van verrukking zwellen, dat zij, die van u spreken, moeten zeggen, dat gij een arm, verstooten meisje hebt getrouwd, dat hier schuilplaats had gezocht; dat geen ander thuis, geene andere vrienden had; dat niets—niets had! O Walter, als ik u millioenen had kunnen aanbrengen, zou ik om uwentwil nooit zoo vergenoegd kunnen zijn, als ik nu ben.”—“En gij, lieve Florence, zijt gij niets?” antwoordde hij.—“Neen, niets, Walter. Niets dan uwe vrouw.” Het handje gleed om zijn hals, en de stem kwam al nader en nader bij. “Ik ben niets meer dat niet één met u is. Ik heb geen hoop op aarde meer, die niet van u komt. Ik heb niets dat mij dierbaar is, of gij zijt het.”
O, wel mocht Toots het kleine gezelschap dien avond verlaten en tweemaal heengaan om zijn horloge naar de klok op de Beurs gelijk te zetten, en nog eens om eene afspraak met zijn bankier, die hij zich eensklaps herinnerde, en nog eens om een wandelingetje naar de pomp vanAldgateen terug te doen.
Maar eer hij op deze tochten uitging, of eigenlijk eer hij nog kwam en voordat er licht werd gebracht, zeide Walter:
“Het is laf,..... dat is het. Het is laf.” (blz. 399).“Het is laf,.…. dat is het. Het is laf.” (blz. 399).
“Het is laf,.…. dat is het. Het is laf.” (blz. 399).
“Florence, lieve, de lading van ons schip is haast afgeloopen, en waarschijnlijk zal het juist op den dag van ons trouwen de rivier afzakken. Zullen wij dan dien dag vertrekken[394]en inKentblijven tot wij teGravesendaan boord gaan?”—“Als het u zoo belieft, Walter. Ik zal overal gelukkig zijn. Maar—”—“Wel, mijn liefje?”—“Gij weet,” zeide Florence, “dat wij geene partij zullen geven, en dat niemand ons aan onze kleeren van andere menschen zal onderscheiden. Daar wij nu denzelfden dag vertrekken, wilt gij—wilt ge mij dan dien morgen ergens brengen, Walter—vroeg—eer wij naar de kerk gaan?”
Walter scheen haar te verstaan, gelijk zulk een waarlijk verliefd minnaar behoort te doen, en bevestigde zijne bereidvaardige belofte met een kus, met meer dan een misschien; en dien geheelen ernstigen, kalmen, vreedzamen avond was Florence zeer vergenoegd.
Toen kwamen Suze en de kaarsen de stille kamer in, en kort daarop de thee, de kapitein en Toots, die, gelijk zoo even gezegd is, verscheidene malen weder wegliep en een onrustigen avond had. Dit was echter iets buitengewoons; doorgaans kon hij rustig blijven zitten, terwijl hij met den kapitein, met raad en toezicht van jufvrouw Nipper,cribbagespeelde, en zich in de berekeningen van dat spel verdiepte, hetgeen hij een zeer goed middel vond om zich geheel en al suf te maken.
Des kapiteins gezicht bood bij zulke gelegenheden een der fraaiste voorbeelden van menigvuldigheid en afwisseling van uitdrukkingen aan. Zijne instinctmatige kieschheid en ridderlijke galanterie voor Florence leerden hem dan wel, dat het geen tijd was voor luidruchtige vroolijkheid of heftige uitbarstingen van blijdschap. Maar aan den anderen kant zochten opkomende herinneringen van Mooie Peggy nu en dan naar een uitweg, en dreven den kapitein om zich onherstelbaar te compromitteeren. Dan weder werd zijne bewondering voor Florence en Walter—een welpassend paar inderdaad en wel waardig om de oogen te trekken, door jeugd, liefde en schoonheid—zoo machtig, dat hij zijne kaarten neerlegde en hen met stralende oogen aanzag, terwijl hij zijn gezicht met zijn zakdoek wreef, tot hij, misschien, door het plotseling heenstuiven van Toots werd gewaarschuwd, dat hij onbewust het werktuig was geweest om dien jonkman rampzalig te maken. Deze bemerking deed den kapitein dan treurig worden, totdat Toots terugkwam, wanneer hij zijne kaarten weder opvatte, en Suze ter zijde een aantal oogjes en knikjes gaf, om aan te duiden dat hij zoo iets niet weer zou doen. De toestand, waarin hij dan geraakte, was misschien de merkwaardigste; want terwijl hij zijn best deed om alle uitdrukking van zijn gelaat te verbannen, zat hij in het rond te staren met een gezicht, waarop al die uitdrukkingen te gelijk met elkander worstelden. Ingenomene bewondering van Florence en Walter overwon echter altijd de andere en bleef dan alleen heerschen, of het moest gebeuren dat Toots wederom heenstoof, en dan bleef de kapitein als een boetvaardig zondaar zitten, tot deze terugkwam, zich nu en dan met eene stem vol zelfverwijt zachtjes vermanende om “vast te staan,” of knorrig op “Edward Cuttle” brommende, over het gebrek aan omzichtigheid dat zijn gedrag deed blijken.
Een der zwaarste beproevingen van Toots werd echter door hem zelven opgezocht. Toen de zondag naderde, waarop het laatste dier kerkelijke “verboden” zou plaats hebben, waarvan de kapitein gesproken had, gaf Toots aldus den staat van zijn gevoel aan Suze Nipper te kennen.
“Suze,” zeide hij, “ik word naar het gebouw toegetrokken. De woorden, die mij voor altijd van jufvrouw Dombey afsnijden, zullen mij als eene doodklok in de ooren klinken, dat weet ge wel, maar op mijn woord van eer, ik gevoel dat ik ze moet hooren. Wilt ge daarom morgen met mij meegaan naar de kerk?”
Jufvrouw Nipper verklaarde zich bereid om dit te doen, indien dit mijnheer Toots eenig genoegen gaf, maar bad hem om van dat denkbeeld af te zien.
“Suze,” antwoordde Toots, met plechtigen ernst, “eer iemand nog mijn baard begon op te merken behalve ik zelf, aanbad ik jufvrouw Dombey al. Terwijl ik nog een slachtoffer der slavernij van Blimber was, aanbad ik jufvrouw Dombey. Toen mijn eigendom mij niet wettig meer kon onthouden worden en—en ik het dus kreeg—aanbad ik jufvrouw Dombey. De geboden, die haar aan luitenant Walters toewijzen, en mij tot—duisternis veroordeelen,” zeide Toots, nadat hij even naar eene krachtige uitdrukking had gezocht—“mogen schrikkelijk zijn, zullen schrikkelijk zijn; maar ik gevoel dat ik wenschen zou ze te hooren uitspreken. Ik gevoel dat ik wenschen zou zeker te weten, dat de grond onder mij is weggemaaid, dat ik geen hoop meer kan koesteren, kortom, dat ik omverlig.”
Suze Nipper kon niet anders dan Toots’ ongelukkigen toestand beklagen, en onder deze omstandigheden bewilligen om met hem mede te gaan, hetgeen zij den volgenden morgen deed.
De kerk, die Walter tot dat einde had gekozen, was een oud vervallen kerkje, door een doolhof van achterstraten en stegen ingesloten, met eene kleine begraafplaats er om heen, en zelve begraven in een soort van kelder, door de naburige huizen gevormd. Van binnen was zij donker en leelijk, met hooge eikenhouten banken, waarin omtrent twintig menschen elken zondag verzonken, terwijl de slaperige stem van een hulpprediker door de ledige ruimte galmde. Evenwel kwijnde deze kerk niet uit gebrek aan gezelschap van andere kerken, want de torens verhieven zich in het rond, zoo dicht als de[395]scheepsmasten op de rivier. Het zou zelfs moeielijk zijn geweest ze van den toren dezer kerk te tellen, zooveel waren er. Op bijna ieder ledig plekje in het rond stond eene kerk. Het verwarde gebengel der klokken, op den zondagochtend toen Suze en Toots zich daarheen begaven, was verdoovend. Er waren twintig kerken dicht bijeen, die allen de menschen riepen om er in te komen.
De twee verdwaalde schapen werden door een kerkeknecht in eene ruime bank gekooid, en daar het nog vroeg was, zaten zij eene poos de vergadering te tellen, naar de teleurgestelde klok omhoog in den toren te luisteren, of naar een armoedig oud manneke in het portaal te kijken, die de klok luidde, waartoe hij zijn voet in een soort van stijgbeugel had gestoken. Nadat Toots lang naar de groote boeken op den voorlezerslessenaar had getuurd, fluisterde hij Suze toe dat hij zich verwonderde waar de geboden bewaard werden, maar de jonge dame schudde slechts met een donker gezicht haar hoofd en wilde nu van geen aardsche zaken weten.
Toots kon evenwel zijne gedachten niet van de geboden aftrekken, en zat blijkbaar onder den geheelen dienst daarnaar te wachten. Toen de tijd, om ze te lezen, naderde, legde de arme jongen eene groote onrust aan den dag, die niet verminderde door de onverwachte verschijning van kapitein Cuttle vooraan op de galerij. Toen de voorlezer de lijst aan den predikant gaf, hield Toots, hoewel hij zat, zich aan de bank vast; maar toen de namen van Walter Gay en Florence Dombey voor de derde en laatste maal werden opgelezen, werd hij zoodanig door zijn gevoel overweldigd, dat hij zonder hoed de kerk uitstoof, gevolgd door den kerkeknecht, den banksluiter en twee heeren van het medische vak, die toevallig daar waren. De eerstgenoemde kwam weldra terug om den hoed te halen en jufvrouw Nipper fluisterend te onderrichten, dat zij zich niet ongerust over mijnheer behoefde te maken, daar mijnheer zeide dat zijne ongesteldheid van geen belang was.
Jufvrouw Nipper, die gevoelde dat de oogen van dat gedeelte vanEuropa, dat wekelijks in de hooge banken verzonk, op haar gevestigd waren, zou door dit voorval reeds verlegen genoeg zijn geworden, al ware het daarbij gebleven; te meer daar de kapitein vooraan op de galerij zich bewust was, dat hij in een geheimzinnig verband er mede stond, en niet nalaten kon dit besef aan de vergadering te doen opmerken. Maar de buitengemeene onrustigheid van Toots maakte haar toestand weldra nog veel neteliger. Deze jonge heer, buiten staat om alleen op het kerkhof eene prooi zijner eenzame gepeinzen te blijven, en ook buiten twijfel verlangend om zijn eerbied te toonen voor eene plechtigheid, die hij eenigermate gestoord had, kwam eensklaps terug—niet naar zijne bank, maar zette zich op eene vrije bank in den zijgang, tusschen twee oude vrouwen, die gewoon waren wekelijks eene portie brood te komen ontvangen, welke op eene plank in het portaal voor haar gereed lag. Zoo bleef Toots zitten, tot groote stoornis der vergadering, die niet laten kon naar hem te kijken, tot zijn gevoel hem weder overweldigde en hij nogmaals onverwacht vertrok. Nu niet weder in de kerk durvende komen en toch wenschende in zekere gemeenschap te blijven met hetgeen er in omging, zag men Toots daarna, met een bedrukt gezicht door een of ander venster binnenkijken; en daar hij verscheidene vensters van buiten bereiken kon, en zijne onrust zeer groot was, werd het niet alleen moeielijk te gissen voor welk venster hij zich de volgende maal zou vertoonen, maar was ook de geheele gemeente, terwijl zij naar de preek luisterde, als het ware gedwongen, over die kansen der verschillende vensters te denken. Toots’ bewegingen op het kerkhof waren echter zoo ongeregeld, dat hij doorgaans alle berekening te leur stelde, en evenals het popje of balletje van een goochelaar, daar verscheen waar men hem allerminst verwachtte; en deze verschijningen maakten te meer indruk omdat het voor hem moeielijk was om naar binnen, en voor de anderen gemakkelijk om naar buiten te zien, hetgeen ten gevolge had dat hij telkens, veel langer dan men zou verwacht hebben, met zijn gezicht dicht voor het glas bleef staan, tot hij eensklaps bespeurde dat aller oogen op hem gevestigd waren, en dan verdween.
Dit gedrag van Toots en de medeplichtigheid, waarvan de kapitein zich bewust toonde, maakte Suze’s positie zoo netelig, dat het einde der godsdienstoefening haar een groote verademing gaf, en zij niet zoo vriendelijk als gewoonlijk voor Toots was, toen deze haar en den kapitein op den terugweg onderrichtte, dat hij nu, zeker wetende dat hij geene hoop meer had, zich tevredener gevoelde—of eigenlijk niet tevredener, maar tevredener en diep rampzalig.
Nu verliep de tijd inderdaad snel tot aan den avond voor den dag, waarop het huwelijk was bepaald. Allen waren op de bovenkamer van den Adelborst bijeen en vreesden voor geene stoornis; want er waren nu geene huurders meer in huis; de adelborst had het geheel alleen. Zij waren ernstig en stil, in het vooruitzicht op den volgenden morgen, maar toch matig vroolijk. Florence, naast Walter gezeten, maakte een handwerkje af, dat tot een afscheidsgeschenk voor den kapitein bestemd was. De kapitein speeldecribbagemet Toots; Toots liet zich door Suze raadgeven. Suze gaf haar raad met alle heimelijkheid en omzichtigheid. Diogenes lag te luisteren, en liet nu en dan een half gesmoorden blaf hooren, waarover[396]hij zich dan weder scheen te schamen, alsof hij twijfelde, of hij er wel reden voor had.
“Stil, stil!” zeide de kapitein tot Diogenes; “wat scheelt u? Ge schijnt niet op uw gemak van avond, mijn jongen.”
Diogenes kwispelstaartte, maar stak terstond daarna zijne ooren op en liet weder een blaf hooren, waarover hij den kapitein verschooning verzocht door nog eens te kwispelstaarten.
“Ik ben van gedachten, Di,” zeide de kapitein, in zijne kaart kijkende en peinzend zijne kin met zijn haak wrijvende, “dat gij aan jufvrouw Richards twijfelt; maar als gij zulk een hond zijt als ik u voor houd, zult gij u daarop beter bedenken, want zij ziet er veel te goed uit om niet te deugen. Kom aan, broeder,” tot Toots; “als ge klaar zijt, speel dan op.”
De kapitein sprak met bedaardheid en had al zijne aandacht op het spel, maar eensklaps liet hij zijne kaarten uit de hand vallen, sperde hij mond en oogen wijd open, trok hij zijne beenen onder zijn stoel op, en bleef hij met stomme verbazing naar de deur zitten staren. Toen in het gezelschap rondkijkende en ziende dat niemand de reden zijner verwondering opmerkte, herstelde hij zich met een snik, gaf een geduchten slag op de tafel, riep met eene daverende stem: “Sam Gills, a-hoy!” en tuimelde in de armen van eene oude duffelschen jas, die met Polly de kamer was ingekomen.
Een oogenblik later viel Walter in de armen van de duffelschen jas. Een oogenblik later deed Florence hetzelfde. Een oogenblik later had kapitein Cuttle jufvrouw Richards en Suze om den hals gepakt, en schudde hij de hand van Toots, roepende, terwijl hij zijn haak boven zijn hoofd wuifde: “Hoera, mijn jongen, hoera!” Waarop Toots, geheel buiten staat om zich dit gedrag te verklaren, zeer beleefd antwoordde: “Zekerlijk, kapitein Cuttle, wat u maar belieft.”
De duffelschen jas, en de ruige muts en bouffante, die daarbij behoorden, keerden zich van den kapitein en Florence weder naar Walter, en klanken kwamen daaruit, alsof een oud man daarbinnen snikte, terwijl de ruige armen Walter vast omklemden. Ondertusschen heerschte er eene algemeene stilte, en bruineerde de kapitein met grooten ijver zijn neus. Maar toen de duffelschen jas Walter weder losliet, kwam Florence naderbij, en toen zij met hun beiden jas, muts en bouffante wegnamen, onthulden zij den ouden instrumentmaker; wat magerder en meer vervallen dan voorheen, met zijne oude ronde pruik, zijn oud koffiebruin pak en zijn ouden onfeilbaren chronometer tikkende in zijn zak.
“Zoo propvol wetenschap als hij ooit geweest is,” zeide de verheugde kapitein. “Sam Gills, Sam Gills, waar zijt ge toch zoolang gebleven, oude jongen?”—“Ik ben half blind, Ned,” zeide de oude man, “en bijna doofstom van blijdschap.”—“Nog zijne eigene stem,” zeide de kapitein, met opgetogenheid rondziende, “nog zijne eigene stem, zoo propvol wetenschap als zij ooit geweest is!SamGills, mijn jongen, kom nu voor anker, onder uw eigen wijnstok en vijgeboom, als een oud patriarch als ge zijt, en doe eens rapport van uwe avonturen, met uwe eigene stem, die ons nog zoo goed heugt. Het is de stem,” zeide de kapitein, met nadruk, en door middel van zijn haak beduidende dat hij eene aanhaling deed, “van den luiaard; ik hoorde hem klagen, gij hebt mij te vroeg gewekt, ik moet nog slapen. Verstrooi zijne vijanden en doe ze vallen.”
De kapitein zette zich neer als iemand, die het gevoel van alle aanwezigen zeer gelukkig had uitgedrukt, en stond dadelijk weder op om Toots te presenteeren, die zeer verbaasd was over de komst van iemand, die aanspraak scheen te maken op den naam van Gills.
“Schoon ik het pleizier niet had van u te kennen, mijnheer,” stotterde Toots, “eer gij—eer gij—”—“Waart verdwenen voor het oog, maar trouw in het hart,” blies de kapitein hem zachtjes in.—“Juist zoo, kapitein Gills,” zeide Toots. “Schoon ik het pleizier niet had van u te kennen, mijnheer—mijnheer Sams,” zeide hij, door een gelukkigen inval op dien naam komende, “eer dat plaats had, doet het mij toch het grootste genoegen, verzeker ik u, u—u te leeren kennen. Ik hoop,” zeide Toots, “dat gij naar omstandigheden wel vaart.”
Met deze beleefde woorden ging Toots blozend en grinnikend zitten.
De oude instrumentmaker, in een hoekje tusschen Walter en Florence gezeten, antwoordde den kapitein aldus:
“Ned Cuttle, beste jongen, al heb ik iets van de gebeurtenissen en veranderingen hier gehoord, van mijne vroolijke vriendin daar,” daarbij knikte hij tegen jufvrouw Richards, wier gezicht geheel glimlach was,—“welk een pleizierig gezicht heeft zij om een zwerveling welkom thuis te heeten!” zeide de oude man afbrekende en op zijne oude droomerige manier zijne handen wrijvende.—“Luister!” riep de kapitein ernstig. “Het is de vrouw, die het geheele menschdom verleidt. Daarover,” ter zijde tot Toots, “kunt gij uw Adam en Eva op nazien, broeder.”—“Dat zal ik niet verzuimen, kapitein Gills,” antwoordde Toots.—“Schoon ik iets van de gebeurtenissen en veranderingen hier gehoord heb,” hervatte de oude instrumentmaker, zijn ouden bril uit zijn zak halende en dien op de oude manier op zijn voorhoofd zettende, “zij zijn zoo groot en onverwacht, en ik ben zoo overweldigd door het gezicht van mijn lieven jongen, en door de”—hier zag hij naar de neergeslagene oogen van Florence en sprak niet voort—“dat ik—dat ik van avond niet veel kan zeggen. Maar, mijn beste Ned Cuttle, waarom hebt gij niet geschreven?”[397]
De verbazing, die zich op des kapiteins trekken vertoonde, deed Toots zoodanig schrikken, dat zijne oogen stijf bleven staan, zoodat hij ze niet van des kapiteins gezicht kon afwenden.
“Geschreven!” herhaalde de kapitein. “Geschreven, Sam Gills!”—“Ja,” zeide de oude man, “hetzij naarBarbados, of naarJamaica, of naarDemerary. Zoo had ik u gevraagd.”—“Gevraagd, Sam Gills!” herhaalde de kapitein wederom.—“Ja,” zeide de oude man. “Weet gij het niet meer, Ned? Dat hebt ge toch zeker niet vergeten? Telkens als ik u schreef.”
De kapitein nam zijn blinkenden hoed af, zette dien op zijn haak, en bleef, terwijl hij zijn haar van achteren met zijne hand gladstreek, in het rond zitten kijken, als een beeld van berustende verwondering.
“Gij schijnt mij niet te begrijpen, Ned,” merkte de oude man aan.—“Sam Gills,” antwoordde de kapitein, na hem en de anderen nog eene poos zonder spreken te hebben aangestaard. “Ik ben heelemaal van mijn koers. Laat eens een paar woorden glippen van die avonturen, wilt ge. Ik kan er maar geen hoogte van krijgen,” zeide de kapitein, peinzend in het rond kijkende.—“Gij weet wel, Ned,” zeide de oude man, “waarom ik hier vandaan ben gegaan? Gij hebt mijn pakje toch opengedaan?”—“Wel ja, wel ja,” zeide de kapitein. “Ik heb het pakje opengedaan.”—“En gelezen ook?” zeide de oude man.—“En gelezen ook,” antwoordde de kapitein, hem oplettend aanziende, en begon toen uit zijn geheugen op te zeggen: “Mijn beste Ned Cuttle, toen ik naar deWest-Indiënvertrok om tijding te gaan zoeken van mijn lieven—Daar zit hij! Daar is Walter!” zeide de kapitein, als ware het eene verademing voor hem iets te kunnen aangrijpen, dat ontwijfelbaar en onbetwistbaar was. “Wel, Ned, let nu eens even op,” zeide de oude man. “Toen ik de eerste maal schreef—dat was vanBarbados—zeide ik dat, hoewel ge dien brief zoudt ontvangen lang voor dat het jaar om was, ik toch gaarne had, dat ge het pakje opendeedt, daar dat de reden zou verklaren waarom ik was heengegaan. Goed! Toen ik de tweede, en de derde, misschien de vierde maal schreef—dat was vanJamaica—zeide ik, dat ik nog in denzelfden staat was, en geene rust had, en niet uit dat werelddeel kon terugkomen, eer ik wist of mijn jongen verongelukt of gered was. Toen ik de volgende maal schreef—dat was, denk ik, uitDemerary, niet waar?”—“Dat was, denkt hij, uitDemerary!” zeide de kapitein, hopeloos rondziende.—“Zeide ik,” vervolgde de oude man, “dat er nog geen zeker bericht was gekomen. Dat ik in dat werelddeel vele kapiteins en anderen had gevonden, die mij sedert jaren hadden gekend, en die mij hielpen om hier en daar heen te komen, en voor wie ik tot dank daarvoor nu en dan eene kleinigheid in mijn oud beroep kon doen. Dat iedereen met mij begaan was, en zeker belang in mijn zwerven scheen te stellen; en dat ik begon te denken, dat het mijn lot zou zijn om zoo zoekende naar tijding van mijn jongen, tot aan mijn dood toe heen en weder te kruisen.”—“Begon te denken, dat hij een geleerde Vliegende Hollander was!” zeide de kapitein, evenals te voren, met den grootsten ernst.—“Maar toen eens op een dag de tijding kwam, Ned—dat was opBarbados, toen ik daar weer terug was—dat een Chinavaarder op de thuisreis gepraaid was, die mijn jongen aan boord had, toen, Ned, nam ik de eerste scheepsgelegenheid waar om weer naar huis te gaan; en zoo kwam ik van avond hier, om te vinden dat het waar is, Goddank!” zeide de oude man met vromen ernst.
Nadat de kapitein eerbiedig zijn hoofd had gebogen keek hij starend den geheelen kring in het rond, met Toots beginnende en met den instrumentmaker besluitende, en zeide toen ernstig:
“Sam Gills. Wat ik nu zal zeggen, zal u geheel overstaagsmijten. Geen een van die brieven is ooit aan Edward Cuttle behandigd. Geen een van die brieven,” herhaalde de kapitein, om zijne verklaring des te plechtiger te maken, “is ooit aan Edward Cuttle behandigd.”—“Ik heb ze toch eigenhandig op de post gedaan, en eigenhandig geadresseerd,Brig Place, nommer negen,” riep de oude man uit.
Alle kleur verdween van des kapiteins gezicht en kwam terstond daarop gloeiend terug.
“Wat meent ge, Sam Gills, mijn vriend, metBrig Place, nommer negen?” zeide de kapitein.—“Meenen? Het huis waar gij woont, Ned,” antwoordde de oude man, “bij jufvrouw—hoe heet zij ook weer? Ik zal mijn eigen naam nog vergeten, maar ik ben bij mijn tijd ten achter—dat was ik altijd, weet ge wel—en suf van hoofd, jufvrouw—”—“Sam Gills,” zeide de kapitein, alsof hij het onwaarschijnlijkste geval van de wereld onderstelde, “het is toch de naam van MacStinger niet, dien gij u wilt te binnen brengen?”—“Wel natuurlijk is het die,” riep de instrumentmaker uit. “Wel zeker Ned, jufvrouw MacStinger!”
Kapitein Cuttle wiens oogen nu zoo wijd openstonden als zij maar konden, liet een allerschelst gefluit hooren, en stond toen sprakeloos te kijken.
“Zeg mij dat nog eens, als ge zoo goed wilt zijn, Sam Gills,” zeide hij eindelijk.—“Al die brieven,”antwoordde oom Sam, met zijn rechter voorvinger in de palm zijner linkerhand tikkende, met eene duidelijkheid en regelmatigheid, die zelfs zijn onfeilbare chronometer tot eer zou hebben gestrekt, “heb ik eigenhandig op de post gedaan, en eigenhandig geadresseerd, aan kapitein Cuttle, ten huize van jufvrouw[398]MacStinger,Brig Place, nommer negen.”
De kapitein nam zijn blinkenden hoed van den haak, keek er eens in, zette hem op zijn hoofd en ging weder zitten.
“Wel, vrienden allemaal,” zeide de kapitein, vol verslagenheid rondkijkende, “daar was ik vandaan geloopen.”—“En niemand wist waar gij naar toe waart, kapitein Cuttle” riep Walter haastig uit.—“Zegen ons, Walter,” antwoordde de kapitein, zijn hoofd schuddende, “zij zou mij nooit hebben laten gaan om hier op het goed te passen. Ik kon niet anders doen dan wegloopen. Och Heere, Walter!” zeide de kapitein. “Gij hebt haar nog maar bij stil weer gezien. Maar gij moest haar eens zien als het stormt!”—“Ikzou haar wel klein krijgen,” zeide Suze zachtjes.—“Zoudt ge—denkt gij dat, liefje?” antwoordde de kapitein met flauwe bewondering. “Wel, kindlief, dat strekt u tot eer. Maar wat mij betreft, er is geen wild dier, dat ik niet liever zou staan. Ik heb mijne kist alleen weggekregen door middel van een vriend, waar niemand tegen op kan. Het kon niet baten of men daar al brieven zond. Zij zou ze toch niet aannemen. Wel waarlijk,” zeide de kapitein, “het was haast een waagstuk ze te gaan bestellen!”—“Dus is het vrij duidelijk, kapitein Cuttle,” zeide Walter, “dat wij allen, maar gij en oom Sam vooral, niet weinig angst en zorg aan die jufvrouw MacStinger te danken hebben.”
De algemeene verplichting aan die manhaftige weduwe was zoo duidelijk, dat de kapitein deze stelling niet tegensprak; maar daar hij zich eenigszins over zijne positie schaamde—hoewel niemand verder van de zaak sprak, en Walter, zich het laatste gesprek daarover herinnerende, dit vooral vermeed—bleef zijn gezicht vijf minuten lang—een buitengewone tijd voor hem—betrokken. Toen helderde het weder op, en kreeg hij lust om iedereen nogmaals en nogmaals over de hand te geven.
Vroeg, maar niet voordat oom Sam en Walter elkander eenigszins uitvoerig van hunne avonturen en gevaren hadden verteld, namen allen, behalve Walter, afscheid van Florence, en gingen beneden naar het achterkamertje. Hier kwam Walter spoedig bij hen en zeide dat Florence eenigszins droefgeestig en zwaarmoedig was, en naar bed zou gaan. Hoewel zij haar daar beneden niet hadden kunnen storen, spraken zij na dien tijd toch fluisterend, en ieder toonde op zijne verschillende manier zijne teerhartigheid voor Walter’s jeugdige bruid. Oom Sam ontving eene uitvoerige mededeeling van alles wat haar aanging, en Toots was zeer gevoelig voor de kieschheid, waarmede Walter het gewicht zijner diensten en het noodzakelijke zijner tegenwoordigheid bij deze kleine raadsvergadering deed uitkomen.
“Mijnheer Toots,” zeide Walter, toen hij hem aan de deur verliet. “Wij zullen elkander morgenochtend toch zien?”—“Luitenant Walters,” antwoordde Toots, hem vurig de hand drukkende. “Ik zal zeker tegenwoordig zijn.”—“Dit is de laatste avond, dat wij elkander in langen tijd zullen zien—misschien de laatste avond dat wij elkander ooit zullen zien,” zeide Walter. “Zulk een edel hart als het uwe moet het wel gevoelen, denk ik, wanneer een ander hart daaraan verbonden is. Gij weet wel, hoop ik, hoe dankbaar ik u ben.”—“Walters,” antwoordde Toots, met aandoening, “het zou mij verheugen als ik gevoelde, dat gij daartoe reden hadt.”—“Florence,” hervatte Walter, “heeft mij, op den laatsten avond dat zij haar eigen naam draagt, doen beloven—pas zoo even, toen gij ons bij elkander liet,—dat ik u zou zeggen, met verzekering van hare hartelijke genegenheid—”
Toots sloeg zijne hand aan den deurpost en drukte zijne oogen op zijne hand.
“Van hare hartelijke genegenheid,” herhaalde Walter, “dat zij nooit een vriend kan hebben, dien zij boven u zal schatten. Dat zij uwe trouwe welwillendheid voor haar nooit zal vergeten. Dat zij van avond in haar gebed aan u gedachtig is, en hoopt dat gij nog aan haar denken zult als zij ver weg is. Zal ik haar van u iets zeggen?”—“Zeg, Walters,” antwoordde Toots onduidelijk, “dat ik alle dagen aan haar zal denken, maar nooit zonder mij gelukkig te gevoelen omdat ik weet, dat zij getrouwd is met den man dien zij liefheeft, en die haar liefheeft. Zeg haar, als het u belieft, dat ik zeker ben, dat haar man haar—zelfs haar—waardig is—en dat ik mij verheug over hare keus.”
Toen Toots aan deze woorden kwam werd hij duidelijker, en zijne oogen van den deurpost opslaande, zeide hij ze stoutweg. Toen drukte hij Walter nog eens de hand, met eene hartelijkheid, die Walter niet miste te beantwoorden, en ging heen.
Met hem ging de Kemphaan, dien hij sedert eenigen tijd elken avond medegebracht en in den winkel gelaten had, met het denkbeeld, dat er onverwachte omstandigheden konden ontstaan, waarin de dapperheid van dien uitstekenden persoon den adelborst van dienst zou kunnen zijn. De gaslantarens gaven een valsch licht, of hij kneep op eene afschuwelijke manier zijn oog dicht, en haalde daarbij even leelijk zijn neus op, toen Toots, de straat overstappende, omkeek naar de kamer waar Florence sliep. Onderweg naar huis liet hij meer vijandige neigingen tegen andere voetgangers blijken, dan een beoefenaar der vreedzame kunst van zelfverdediging wel paste. Thuis gekomen, bleef hij, in plaats van Toots in zijne apartementen alleen te laten, voor dezen staan, zijn witten hoed met beide handen op den rand wiegelende, en zijn neus (die meermalen beschadigd[399]en niet te best gelapt was) ophalende op eene manier, die alles behalve eerbiedig kon heeten.
Daar zijn patroon druk met zijne eigene gedachten bezig was, merkte hij dit niet op, voordat de Kemphaan, die niet onopgemerkt wilde blijven, met zijne tong zekere klinkende geluiden maakte.
“Nu, baas,” zeide de Kemphaan zeer stroef, toen hij eindelijk de oogen van Toots had getrokken, “wou ik maar eens weten of het met die malligheid moet afloopen, of dat gij er ernst van zult maken?”—“Kemphaan,” antwoordde Toots. “Verklaar u wat duidelijker.”—“Wel dan, kort en goed, baas,” zeide de Kemphaan. “Ik ben geen man om een woord weg te gooien. Zoo is het. Zal er een geboft worden?”
Toen hij deze vraag deed, liet de Kemphaan zijn hoed vallen, maakte daarop eene parade met de linkerhand, viel met de rechtervuist uit om zijn vermeenden vijand een geweldigen stomp te geven, schudde vinnig zijn hoofd en stelde zich weder in postuur.
“Kom aan, baas,” zeide de Kemphaan; “zal het lorrendraaierij zijn of meenens? Wat van de twee?”—“Kemphaan,” antwoordde Toots, “uwe uitdrukkingen zijn grof, en uwe meening is donker.”—“Dan zal ik ze ronduit zeggen, baas!” hervatte de Kemphaan. “Het is laf.”—“Wat is laf, Kemphaan?” vroeg Toots.—“Datis laf,” antwoordde de Kemphaan, met eene geduchte rimpeling van zijn beschadigden neus. “Daar nu, baas. Wat zeg ik. Nu die stijve hark al op zij is,” met deze minachtende benaming is het te denken, dat hij mijnheer Dombey wilde aanduiden, “en gij den winner op uw gemak zijn bekomst zoudt kunnen geven, laat gij het er bij zitten! Bij zitten!” herhaalde de Kemphaan, met verachtelijken nadruk. “Dat is laf, zeg ik.”—“Kemphaan,” zeide Toots met strengheid, “ge zijt een rechte gier. Uwe gevoelens zijn gruwelijk.”—“Ik houd het met courage en zuiver spel, baas,” antwoordde de Kemphaan. “En dat zijn mijne gevoelens. Ik kan geen lafheid velen. Ik ben een publiek persoon; voor de toonbank van den Kleinen Olifant kan men naar mij vernemen, en geen patroon van mij moet iets doen dat laf is. En het is laf,” zeide de Kemphaan met toenemenden nadruk. “Het is laf.”—“Kemphaan,”zeide Toots. “Ik begin van u te walgen.”—“Dan zijn wij met ons beiden, baas,” antwoordde de Kemphaan. “Kom aan. Ik zal een voorslag doen. Gij hebt mij meer dan eens of tweemaal van kastelein worden gesproken. Maar dat komt er niet op aan. Geef mij morgen een bankje van vijftig pond, en laat mij gaan.”—“Kemphaan,” antwoordde Toots, “na de hatelijke gevoelens, die gij aan den dag hebt gelegd, zal ik blij zijn als ik op die manier van u af ben.”—“Gedaan dan!” zeide de Kemphaan. “Het is te koop. Uw gedrag bevalt mij niet. Het is laf,” zeide de Kemphaan, die, naar het scheen, niets anders wist te zeggen, maar dit toch niet scheen te kunnen zwijgen. “Dat is het. Het is laf.”
Toots en de Kemphaan vonden dus in het verschil hunner zedelijke begrippen eene reden om te scheiden; en toen Toots ging slapen, droomde hij genoeglijk van Florence, die op den laatsten avond van haar meisjesleven aan hem als een vriend gedacht en hem van hare hartelijke genegenheid had laten verzekeren.