[Inhoud]LVII.NOG EEN HUWELIJK.Sownds de kerkeknecht en jufvrouw Miff, de plaatsbewaarster, zijn vroeg op hun post in de fraaie kerk waar Dombey getrouwd werd. Een geelzuchtig oud heer uitIndiëzal dien morgen eene jonge vrouw trouwen, en zes koetsen, vol heeren en dames, worden verwacht, en jufvrouw Miff heeft gehoord dat de geelzuchtige heer den weg naar de kerk wel met diamanten zou kunnen beleggen en ze bijna niet missen.De huwelijkszegen zal van de beste qualiteit zijn, want ze zal door een buitengemeen eerwaardig heer, een Deken, worden uitgesproken, en de bruid zal, als een buitengewoon presentje, worden weggegeven door een generaal, die daartoe opzettelijk van het ministerie van oorlog komt.Jufvrouw Miff kan gemeene lieden dien ochtend nog minder verdragen dan gewoonlijk, en zij is altijd zeer streng in dit opzicht. Jufvrouw Miff heeft geene staathuishoudkunde bestudeerd (zij denkt dat die wetenschap met de Dissenters in verband staat; Baptisten, of Wesleyanen, of zulk volk, zegt zij), maar zij kan toch nooit begrijpen wat gemeene lieden zich hebben te laten trouwen. “Wat drommel,” zegt jufvrouw Miff, “men leest dezelfde formulieren voor hen, en in plaats van souvereinen, krijgt men halve schellingen.”Sownds, de kerkeknecht, is liberaler dan jufvrouw Miff—maar hij is ook geen plaatsbewaarster. “Het moet toch gedaan worden, jufvrouw,” zegt hij. “Wij moeten ze trouwen. Wij moeten onze nationale scholen hebben om aan het hoofd van te gaan, en wij moeten onze staande legers hebben. Wij moeten ze dus wel trouwen, jufvrouw,” zegt Sownds, “om het land aan den gang te houden.”Sownds zit op de stoep en jufvrouw Miff veegt de kerk aan, wanneer een jong paartje, eenvoudig gekleed, binnenkomt. Het stemmige hoedje van jufvrouw Miff wordt driftig naar hen[400]toegekeerd, want dit vroege bezoek doet haar aan een geheim huwelijk denken. Maar zij willen zich niet laten trouwen. “Zij willen de kerk maar eens rondgaan,” zegt de heer, en daar hij jufvrouw Miff een fatsoenlijk fooitje in de hand stopt, wordt haar zuur gezicht wat vriendelijker, duikt het stemmige hoedje, en kraakt hare droge houterige gestalte.Jufvrouw Miff hervat haar stoffen, en schudt de kussens op—want men zegt dat de geelzuchtige oude heer gevoelige knieën heeft—maar houdt haar glazig plaatsbewaarsters oog op het paartje, dat de kerk rondwandelt. “Ahem!” kucht jufvrouw Miff, wier kuch droger is dan het hooi in eenig knielkussen, dat zij in bewaring heeft, “gij zult op een ochtend wel eens bij ons komen, liefjes, als ik mij niet zeer vergis.”Zij zien naar een steen in den muur, ter gedachtenis van een doode daar geplaatst. Zij zijn ver van jufvrouw Miff af, maar deze kan toch met een half oog zien, hoe zij op zijn arm leunt, en hoe zijn hoofd tot haar neergebogen is. “Wel, wel,” zegt jufvrouw Miff, “ge zoudt wel erger kunnen doen. Want ge zijt een knap paar.”Jufvrouw Miff’s gezegde heeft niets persoonlijks. Zij spreekt slechts van de materialen van haar beroep. Zij let bijna niet meer op paartjes dan op doodkisten. Zij is zulk eene magere, stokkerige, droge oude vrouw, dat men haast evenveel gevoel in eene geschaafde krul zou kunnen verwachten. Sownds daarentegen, die vleezig is, heeft een ander temperament. Hij zegt, terwijl zij op de stoep het heengaande paartje staan na te zien, dat zij een net figuurtje heeft, niet waar, en zoo goed hij zien kon (want zij liet haar hoofdje hangen toen zij buitenkwam) een ongemeen lief gezichtje. “Over het geheel, jufvrouw Miff,” zegt Sownds zeer smakelijk, “is zij wat men een rozeknopje zou kunnen noemen.”Jufvrouw Miff stemt dit met een droog knikje toe, maar keurt het zoo weinig goed, dat zij heimelijk voorneemt, dat zij de vrouw van Sownds niet zou willen worden voor zooveel geld als hij haar maar geven kon, kerkeknecht als hij is.En wat zegt het jonge paartje als het de kerk verlaat en het hek uitgaat?“Lieve Walter, ik dank u. Nu kan ik vergenoegd heengaan.”—“En als wij terugkomen, Florence, zullen wij nog eens naar zijn graf komen zien.”Florence slaat hare heldere, maar betraande oogen naar hem op, en legt hare andere hand op het handje, dat zijn arm omknelt.“Het is nog heel vroeg, Walter, en de straten zijn bijna leeg. Laten wij nog wat wandelen.”—“Maar ge zult zoo moe worden, liefje.”—“O neen! Ik was heel moe de eerste maal toen wij samen wandelden, maar vandaag zal ik niet moe worden.”En zoo—niet veel veranderd—zij even onschuldig en hartelijk—hij even rondborstig, even vol hoop en nog trotscher op haar—wandelen Florence en Walter, op den ochtend van hun trouwdag, te zamen langs de straten.Zelfs niet bij die kinderlijke wandeling van zoolang geleden, waren zij meer van de geheele wereld om hen heen afgezonderd geweest, dan op dien ochtend. De kinderlijke voeten van zoolang geleden betraden geen zulken toovergrond als zij nu betraden. Kinderlijke liefde en vertrouwen kunnen menigmaal ontstaan en menigmaal gegeven worden, maar Florence’s vrouwelijk hart kan maar eenmaal worden weggeschonken, en kan, als het verworpen of verwaarloosd wordt, slechts verkwijnen en sterven.Zij nemen de stilste straten en komen die, waar hare oude woning staat, niet nabij. Het is een heldere, warme zomerochtend, en de zon beschijnt hen, terwijl zij op den zich verdonkerenden nevel toegaan, die deCityoverspreidt. Schatten worden in de winkels ontbloot; juweelen, goud en zilver schitteren voor de zonnige vensters van den goudsmid, en groote huizen werpen eene statige schaduw op hen als zij voorbijgaan. Maar door het licht en door de schaduw wandelen zij verliefd te zamen voort, zonder om andere schatten te denken dan zij nu in elkander hebben.Langzamerhand komen zij in donkerder, smaller straten, waar men de zon, nu geel, dan rood, niet anders ziet dan op de hoeken of op kleine opene plekken, waar een boom of eene van de ontelbare kerken staat, of waar een opgang met trappen is, of een wonderlijk plekje tuin, of eene begraafplaats met bijna zwarte zerken en gedenksteenen. Vol vertrouwen en liefde, gaat Florence door al die smalle straatjes en stegen, aan zijn arm hangende, met hem mede, om zijne vrouw te worden.Haar hart klopt nu sneller, want Walter zegt haar dat hunne kerk dichtbij is. Zij gaan eenige groote pakhuizen voorbij, met wagens en karrelieden voor de deur, die den weg verstoppen—maar Florence ziet of hoort hen niet—en dan wordt de lucht stil en het daglicht duister, en staat zij te beven in de kerk, die een zonderlingen reuk, gelijk een kelder heeft.Het smerige oude manneke, luider van de teleurgestelde klok, staat in het portaal, en heeft zijn hoed in de doopvont gelegd—want hij, de doodgraver, is daar geheel thuis. Hij brengt hen in eene oude, stofferige, met bruin hout beschotene kerkekamer, die wel naar eene hoekkast gelijkt, waaruit de planken zijn weggenomen, waar de doorwormde registers een reuk verspreiden gelijk verschaalde snuif, hetgeen de betraande Suze aan het niezen helpt.Hoe jeugdig en schoon is de bruid in deze[401]oude stofferige kamer, met niets om haar heen dat haar verwant is, behalve haar aanstaanden echtgenoot! Daar is een stofferige oude voorlezer, die onder eene poort aan den overkant, achter eene geheele verschansing van paaltjes, een soort van verschaald nieuwswinkeltje hield. Daar is eene stofferige oude plaatsbewaarster, die voor niemand te zorgen heeft dan zich zelve, en daarmede moeite genoeg heeft. Daar is een stofferige oude kerkeknecht (de kerkeknecht en plaatsbewaarster, die Toots verleden zondag zijn nageloopen) die iets te doen heeft met een gild, dat dichtbij een huis of eene hal heeft, met een geschilderd venster er in, dat geen sterveling nog ooit gezien heeft. Er zijn stofferige houten lijstwerken, met in- en uitspringende hoeken, boven het altaar en om de galerij, en boven een opschrift, hetwelk vermeldt wat de Meester en Broeders van het gemelde gild in het jaar een duizend zeshonderd vier en negentig gedaan hebben. Er zijn stofferige oude klankborden boven den preekstoel en den leeslessenaar, die er uitzien als deksels om op den predikant en den voorlezer neergelaten te worden, in geval zij aanstoot geven. Daar zijn alle mogelijke inrichtingen en gemakken tot het bewaren van stof, behalve op het kerkhof, dat maar zeer bekrompen is.Dat Joe bedrogen was, mijnheer, gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker was. (blz. 405).Dat Joe bedrogen was, mijnheer, gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker was.(blz. 405).De kapitein, oom Sam en Toots zijn gekomen, de geestelijke trekt in de kerkekamer zijn overkleed aan, terwijl de voorlezer om hem rondgaat en er het stof afblaast, en de bruid en de bruidegom staan voor het altaar. Er is geene bruidsjuffer,—of Suze Nipper moet er een zijn—en geen beter vader dan kapitein Cuttle. Een man met een houten been, die op een appel kauwt en een blauwen zak draagt, komt eens binnen om te zien wat er gebeurt; maar niets vindende om hem te vermaken, gaat hij stampend weder heen tusschen de galmende echo’s van het portaal.Geen vriendelijken lichtstraal ziet men Florence beschijnen, terwijl zij met schroomvallig gebogen hoofd voor het altaar knielt. De ochtendzon is daar uitgemetseld. Buiten staat een schrale boom, waarin de musschen een weinigje zitten te tjilpen; en in een plekje zonneschijn op een zoldertje hangt een lijster, die onder het formulier schel begint te zingen, terwijl de man met het houten been heenstampt. De amens van den stofferigen voorlezer schijnen, gelijk die van Macbeth, in zijne keel te blijven steken; maar kapitein Cuttle helpt hem er aan, en doet dit zoo van goeder harte, dat hij drie geheel nieuwe amens invoegt, op plaatsen van het formulier waar men ze nog nooit heeft gehoord.[402]Zij zijn getrouwd, en hebben hunne namen geteekend in een dier oude muffe registers, en de geestelijke heeft zijn overkleed aan het stof teruggegeven en is zelf naar huis gegaan. In een donker hoekje der donkere kerk ligt Florence in Suze’s armen te schreien. Toots’ oogen zijn rood. De kapitein wrijft zijn neus, oom Sam heeft zijn bril van zijn voorhoofd naar omlaag geschoven en is de deur uitgegaan.“God zegen u, Suze, lieve Suze! Als gij ooit getuigenis kunt geven van de liefde, die ik voor Walter heb, en de reden die ik heb om hem lief te hebben, doe het dan om zijnentwil. Goedendag! Vaarwel!”Zij hebben het beter gevonden, niet naar den Adelborst terug te gaan, maar zoo te scheiden; eene koets staat dichtbij naar hen te wachten.Suze kan niet spreken; zij snikt maar en liefkoost hare meesteres. Toots komt nader, poogt haar op te beuren, en wil haar geleider zijn. Florence geeft hem hare hand—geeft hem, uit de volheid van haar hart, hare lippen—kust oom Sam en kapitein Cuttle, en wordt door haar jongen man heengeleid.Maar Suze kan het niet uitstaan dat Florence met eene droevige herinnering van haar zal vertrekken. Zij had zoo geheel anders willen zijn, en doet zich zelve bittere verwijten. Eene laatste poging willende doen tot herstel van haar goeden naam, rukt zij zich van Toots los, en loopt de koets na om een afscheidsglimlach te laten zien. De kapitein, haar oogmerk radende, zet haar na, want hij acht het ook zijn plicht om hen, zoo mogelijk, met een hoera te laten heenrijden. Oom Sam en Toots blijven buiten de kerk naar hen staan wachten.De koets is weg, maar de straat, die steil afloopt, is smal en aan het einde verstopt, en Suze kan zien dat de koets in de verte moet blijven staan. Kapitein Cuttle volgt haar terwijl zij heenstuift, en wuift met zijn blinkenden hoed, als een sein dat misschien de rechte koets zal aantrekken, en misschien ook niet.Suze loopt den kapitein vooruit en bereikt de koets. Zij kijkt het portier in, ziet Walter en naast hem het lieve gezichtje, slaat hare handen samen en gilt uit:“Jufvrouw Flore, lieveling! Zie mij toch aan. Wij zijn allen zoo blij nu. Nog eens goedendag, mijn schat, nog eens!”Hoe Suze het doet weet zij niet, maar zij bereikt het portier, kust haar en heeft in een oogenblik de armen om haar hals.“Wij zijn allen zoo—zoo blij nu, lieve jufvrouw Florence!” zegt Suze, met eene zeer verdachte hapering in haar adem. “Gij—gij zult nu niet boos op mij zijn? Zult ge wel?”—“Boos, Suze?”—“Neen, neen, dat zult ge zeker niet. Ik zeg, dat zult ge niet, mijn lief meesteresje!” roept Suze. “En hier is de kapitein ook—uw vriend de kapitein, weet ge wel—om u nog eens goedendag te zeggen.”—“Hoera, mijn hartediefje!” schreeuwt de kapitein, met een gezicht vol krachtige ontroering. “Hoera, Walter, mijn jongen, hoera! hoera!”Met den jongen man aan het eene portier, en de jonge vrouw aan het andere, met den kapitein op de eene trede, en Suze op de andere, terwijl de koets tegen wil en dank moet voortrijden, en al de andere koetsen en wagens oproerig worden omdat zij tegenstribbelt, was er nooit zooveel verwarring op vier wielen. Maar Suze Nipper blijft dapper bij haar stuk. Zij houdt tot het laatste toe een lachend gezicht, door tranen heen lachende, naar hare meesteres gewend. Zelfs toen zij achter wordt gelaten, blijft de kapitein nog beurtelings voor het portier verschijnen en verdwijnen, en roept: “Hoera, mijn jongen! Hoera, mijn hartediefje!” tot elke poging om de koets langer bij te houden, hopeloos is. Eindelijk is de koets weg. De kapitein komt bij Suze terug, zij bezwijmt, en wordt een bakkerswinkel ingebracht om weer bij te komen.Oom Sam en Toots blijven op het kerkhof geduldig zitten wachten op de rollaag van het hek, tot kapitein Cuttle en Suze terugkomen. Daar geen van allen wenscht te spreken of toegesproken te worden, zijn zij uitmuntend gezelschap voor elkander en volkomen tevreden. Wanneer zij allen weder bij den houten adelborst komen en zich aan het ontbijt zetten, kan niemand een brok aanraken. Kapitein Cuttle wil zich houden alsof hij razend van honger was, maar moet het opgeven. Toots zegt, na het ontbijt, dat hij des avonds zal terugkomen, en loopt den geheelen dag door de stadtekuieren, met een onbestemd gevoel, alsof hij in geen veertien dagen naar bed was geweest.Er heerscht eene vreemde aantrekkingskracht in het huis en de kamer, waar men zoo dikwijls bij elkander is geweest, en waaruit zooveel verdwenen is. Dit verscherpt, en verzacht tegelijk, de smart der scheiding. Toots zegt Suze, als hij des avonds terugkomt, dat hij den geheelen dag zoo ellendig is geweest, en dat dit gevoel hem toch wel bevalt. Hij neemt Suze Nipper, daar hij met haar alleen is, in zijn vertrouwen, en vertelt haar wat hij wel gevoelde toen zij hem zoo oprecht hare meening zeide over de waarschijnlijkheid of jufvrouw Dombey hem ooit zou liefkrijgen. In de vertrouwelijkheid, door deze gemeenschappelijke herinneringen en hunne tranen voortgebracht, doet Toots het voorstel, dat zij te zamen zullen uitgaan en wat voor het avondeten koopen. Daar Suze hierin toestemt koopen zij een goed aantal kleinigheden; en met hulp van jufvrouw Richards zetten zij, eer de kapitein en oom Sam thuis komen, een prachtig souper gereed.De kapitein en de oude Sam zijn aan boord[403]van het schip geweest, en hebben Di daar gehuisvest en de kisten en koffers bezorgd. Zij hebben veel te vertellen, hoe bemind en geacht Walter is, en hoeveel gemakken hij zal hebben, en hoe hij in stilte vroeg en laat heeft gewerkt, om zijne kajuit, gelijk de kapitein zegt, tot “een schilderijtje” te maken, en zijn vrouwtje daarmee te verrassen. “Eene admiraalskajuit,” zegt de kapitein, “kan niet netter wezen.”Maar het grootste genoegen van den kapitein is, te weten, dat het groote horloge, en de suikertang en de theelepeltjes aan boord zijn; en telkens mompelt hij bij zich zelven: “Edward Cuttle, mijn jongen, gij hebt nooit in uw leven beter koers bezeild, dan toen gij dat kapitaaltje hebt overgemaakt, gansch en gaar. Gij hadt wel gezien hoe het land lag, Edward; en dat strekt u tot eer, mijn jongen.”De oude instrumentmaker is nog verstrooider en mistiger dan hij placht te zijn, en trekt zich het huwelijk en het afscheid erg aan. Maar het troost hem zeer, dat hij zijn ouden bondgenoot, Ned Cuttle, bij zich heeft, en hij zet zich met een vergenoegd en dankbaar gezicht aan het avondmaal.“Mijn jongen is bewaard geworden en het gaat hem goed,” zegt de oude man, in zijne handen wrijvende. “Wat recht heb ik om anders dan dankbaar en tevreden te zijn!”De kapitein, die zich nog niet aan tafel heeft gezet, maar eenigen tijd onrustig heeft rondgedrenteld, en nu aarzelend voor zijne plaats staat, ziet zijn ouden vriend twijfelachtig aan, en zegt:“Sam, daar is die laatste flesch ouden Madera nog beneden. Zoudt ge ze van avond niet boven willen hebben, oude jongen, om op de gezondheid van Walter en zijne vrouw leeg te drinken?”De instrumentmaker ziet den kapitein peinzend aan, steekt de hand in den borstzak van zijne koffiebruine jas, haalt zijne portefeuille te voorschijn en neemt er een brief uit.“Aan mijnheer Dombey,” zegt de oude man. “Van Walter. Om over drie weken te zenden. Ik zal hem lezen:—“Mijnheer. Ik ben met uwe dochter getrouwd. Zij is met mij op eene verre reis gegaan. Dat ik geheel aan haar ben toegewijd, geeft mij geene aanspraak op haar of op u, maar God weet dat ik dat ben. Waarom ik, die haar boven al de aardsche dingen liefheb, haar toch, zonder gewetensbezwaar, heb vereenigd met al de onzekerheden en gevaren van mijn leven, zal ik niet zeggen. Gij weet wel waarom, en gij zijt haar vader. Doe haar geene verwijten. Zij heeft u nooit iets verweten. Ik denk of hoop niet, dat gij mij ooit zult vergeven. Er is niets, dat ik minder verwacht. Maar indien er een uur mocht komen, waarin het u een troost zou zijn te gelooven, dat Florence altijd iemand bij zich heeft, die het tot de grootste taak van zijn leven maakt hare herinnering van vroegere smart uit te wisschen, verzeker ik u plechtig, dat gij dan in dat geloof gerust kunt wezen.””Samuel stak den brief weder zorgvuldig in zijne portefeuille en de portefeuille in zijn zak.“Wij willen de laatste flesch van dien ouden Madera nog niet drinken, Ned,” zeide de oude man peinzend. “Nog niet.”—“Nog niet,” zeide de kapitein toestemmend. “Neen. Nog niet.”Suze en Toots zijn van hetzelfde gevoelen. Na eene poos van stilte zetten zij zich allen aan den maaltijd en drinken met iets anders op de gezondheid van het jonge paar; en de laatste flesch van dien ouden Madera blijft nog ongestoord onder stof en spinrag liggen.Eenige dagen zijn verloopen, en een statig schip is op zee, en spreidt zijne witte vleugelen uit voor den gunstigen wind.Op het dek, voor den ruwsten man aan boord een beeld van al wat schoon en schuldeloos is—iets dat goed en aangenaam is daar te hebben, en dat de reis voorspoedig moet maken—is Florence. Het is avond, en zij en Walter zitten alleen, turende op de baan van licht over de zee, tusschen hen en de maan.Eindelijk kan zij niet duidelijk meer zien door de tranen in hare oogen; en dan laat zij haar hoofdje aan zijne borst zinken, en slaat hare armen om zijn hals en zegt: “O, lieve Walter, ik ben zoo gelukkig.”Haar echtgenoot drukt haar aan zijn hart, en zij blijven stil zitten, en het statige schip vaart zachtjes voort.“Als ik de zee hoor en naar haar zit te turen,” zegt Florence, “brengt mij dat zoovele dagen voor den geest. Het doet mij zooveel denken—”—“Aan Paul, liefste. Dat weet ik.”Aan Paul en Walter. De stemmen in de golven fluisteren Florence, met haar onophoudelijk gemurmel, gedurig toe van eene liefde, eeuwig en onveranderlijk, niet door de grenzen dezer wereld, of door het einde van den tijd beperkt, maar reikende, over de zee, over het luchtruim heen, tot in het verre onzichtbare land!
[Inhoud]LVII.NOG EEN HUWELIJK.Sownds de kerkeknecht en jufvrouw Miff, de plaatsbewaarster, zijn vroeg op hun post in de fraaie kerk waar Dombey getrouwd werd. Een geelzuchtig oud heer uitIndiëzal dien morgen eene jonge vrouw trouwen, en zes koetsen, vol heeren en dames, worden verwacht, en jufvrouw Miff heeft gehoord dat de geelzuchtige heer den weg naar de kerk wel met diamanten zou kunnen beleggen en ze bijna niet missen.De huwelijkszegen zal van de beste qualiteit zijn, want ze zal door een buitengemeen eerwaardig heer, een Deken, worden uitgesproken, en de bruid zal, als een buitengewoon presentje, worden weggegeven door een generaal, die daartoe opzettelijk van het ministerie van oorlog komt.Jufvrouw Miff kan gemeene lieden dien ochtend nog minder verdragen dan gewoonlijk, en zij is altijd zeer streng in dit opzicht. Jufvrouw Miff heeft geene staathuishoudkunde bestudeerd (zij denkt dat die wetenschap met de Dissenters in verband staat; Baptisten, of Wesleyanen, of zulk volk, zegt zij), maar zij kan toch nooit begrijpen wat gemeene lieden zich hebben te laten trouwen. “Wat drommel,” zegt jufvrouw Miff, “men leest dezelfde formulieren voor hen, en in plaats van souvereinen, krijgt men halve schellingen.”Sownds, de kerkeknecht, is liberaler dan jufvrouw Miff—maar hij is ook geen plaatsbewaarster. “Het moet toch gedaan worden, jufvrouw,” zegt hij. “Wij moeten ze trouwen. Wij moeten onze nationale scholen hebben om aan het hoofd van te gaan, en wij moeten onze staande legers hebben. Wij moeten ze dus wel trouwen, jufvrouw,” zegt Sownds, “om het land aan den gang te houden.”Sownds zit op de stoep en jufvrouw Miff veegt de kerk aan, wanneer een jong paartje, eenvoudig gekleed, binnenkomt. Het stemmige hoedje van jufvrouw Miff wordt driftig naar hen[400]toegekeerd, want dit vroege bezoek doet haar aan een geheim huwelijk denken. Maar zij willen zich niet laten trouwen. “Zij willen de kerk maar eens rondgaan,” zegt de heer, en daar hij jufvrouw Miff een fatsoenlijk fooitje in de hand stopt, wordt haar zuur gezicht wat vriendelijker, duikt het stemmige hoedje, en kraakt hare droge houterige gestalte.Jufvrouw Miff hervat haar stoffen, en schudt de kussens op—want men zegt dat de geelzuchtige oude heer gevoelige knieën heeft—maar houdt haar glazig plaatsbewaarsters oog op het paartje, dat de kerk rondwandelt. “Ahem!” kucht jufvrouw Miff, wier kuch droger is dan het hooi in eenig knielkussen, dat zij in bewaring heeft, “gij zult op een ochtend wel eens bij ons komen, liefjes, als ik mij niet zeer vergis.”Zij zien naar een steen in den muur, ter gedachtenis van een doode daar geplaatst. Zij zijn ver van jufvrouw Miff af, maar deze kan toch met een half oog zien, hoe zij op zijn arm leunt, en hoe zijn hoofd tot haar neergebogen is. “Wel, wel,” zegt jufvrouw Miff, “ge zoudt wel erger kunnen doen. Want ge zijt een knap paar.”Jufvrouw Miff’s gezegde heeft niets persoonlijks. Zij spreekt slechts van de materialen van haar beroep. Zij let bijna niet meer op paartjes dan op doodkisten. Zij is zulk eene magere, stokkerige, droge oude vrouw, dat men haast evenveel gevoel in eene geschaafde krul zou kunnen verwachten. Sownds daarentegen, die vleezig is, heeft een ander temperament. Hij zegt, terwijl zij op de stoep het heengaande paartje staan na te zien, dat zij een net figuurtje heeft, niet waar, en zoo goed hij zien kon (want zij liet haar hoofdje hangen toen zij buitenkwam) een ongemeen lief gezichtje. “Over het geheel, jufvrouw Miff,” zegt Sownds zeer smakelijk, “is zij wat men een rozeknopje zou kunnen noemen.”Jufvrouw Miff stemt dit met een droog knikje toe, maar keurt het zoo weinig goed, dat zij heimelijk voorneemt, dat zij de vrouw van Sownds niet zou willen worden voor zooveel geld als hij haar maar geven kon, kerkeknecht als hij is.En wat zegt het jonge paartje als het de kerk verlaat en het hek uitgaat?“Lieve Walter, ik dank u. Nu kan ik vergenoegd heengaan.”—“En als wij terugkomen, Florence, zullen wij nog eens naar zijn graf komen zien.”Florence slaat hare heldere, maar betraande oogen naar hem op, en legt hare andere hand op het handje, dat zijn arm omknelt.“Het is nog heel vroeg, Walter, en de straten zijn bijna leeg. Laten wij nog wat wandelen.”—“Maar ge zult zoo moe worden, liefje.”—“O neen! Ik was heel moe de eerste maal toen wij samen wandelden, maar vandaag zal ik niet moe worden.”En zoo—niet veel veranderd—zij even onschuldig en hartelijk—hij even rondborstig, even vol hoop en nog trotscher op haar—wandelen Florence en Walter, op den ochtend van hun trouwdag, te zamen langs de straten.Zelfs niet bij die kinderlijke wandeling van zoolang geleden, waren zij meer van de geheele wereld om hen heen afgezonderd geweest, dan op dien ochtend. De kinderlijke voeten van zoolang geleden betraden geen zulken toovergrond als zij nu betraden. Kinderlijke liefde en vertrouwen kunnen menigmaal ontstaan en menigmaal gegeven worden, maar Florence’s vrouwelijk hart kan maar eenmaal worden weggeschonken, en kan, als het verworpen of verwaarloosd wordt, slechts verkwijnen en sterven.Zij nemen de stilste straten en komen die, waar hare oude woning staat, niet nabij. Het is een heldere, warme zomerochtend, en de zon beschijnt hen, terwijl zij op den zich verdonkerenden nevel toegaan, die deCityoverspreidt. Schatten worden in de winkels ontbloot; juweelen, goud en zilver schitteren voor de zonnige vensters van den goudsmid, en groote huizen werpen eene statige schaduw op hen als zij voorbijgaan. Maar door het licht en door de schaduw wandelen zij verliefd te zamen voort, zonder om andere schatten te denken dan zij nu in elkander hebben.Langzamerhand komen zij in donkerder, smaller straten, waar men de zon, nu geel, dan rood, niet anders ziet dan op de hoeken of op kleine opene plekken, waar een boom of eene van de ontelbare kerken staat, of waar een opgang met trappen is, of een wonderlijk plekje tuin, of eene begraafplaats met bijna zwarte zerken en gedenksteenen. Vol vertrouwen en liefde, gaat Florence door al die smalle straatjes en stegen, aan zijn arm hangende, met hem mede, om zijne vrouw te worden.Haar hart klopt nu sneller, want Walter zegt haar dat hunne kerk dichtbij is. Zij gaan eenige groote pakhuizen voorbij, met wagens en karrelieden voor de deur, die den weg verstoppen—maar Florence ziet of hoort hen niet—en dan wordt de lucht stil en het daglicht duister, en staat zij te beven in de kerk, die een zonderlingen reuk, gelijk een kelder heeft.Het smerige oude manneke, luider van de teleurgestelde klok, staat in het portaal, en heeft zijn hoed in de doopvont gelegd—want hij, de doodgraver, is daar geheel thuis. Hij brengt hen in eene oude, stofferige, met bruin hout beschotene kerkekamer, die wel naar eene hoekkast gelijkt, waaruit de planken zijn weggenomen, waar de doorwormde registers een reuk verspreiden gelijk verschaalde snuif, hetgeen de betraande Suze aan het niezen helpt.Hoe jeugdig en schoon is de bruid in deze[401]oude stofferige kamer, met niets om haar heen dat haar verwant is, behalve haar aanstaanden echtgenoot! Daar is een stofferige oude voorlezer, die onder eene poort aan den overkant, achter eene geheele verschansing van paaltjes, een soort van verschaald nieuwswinkeltje hield. Daar is eene stofferige oude plaatsbewaarster, die voor niemand te zorgen heeft dan zich zelve, en daarmede moeite genoeg heeft. Daar is een stofferige oude kerkeknecht (de kerkeknecht en plaatsbewaarster, die Toots verleden zondag zijn nageloopen) die iets te doen heeft met een gild, dat dichtbij een huis of eene hal heeft, met een geschilderd venster er in, dat geen sterveling nog ooit gezien heeft. Er zijn stofferige houten lijstwerken, met in- en uitspringende hoeken, boven het altaar en om de galerij, en boven een opschrift, hetwelk vermeldt wat de Meester en Broeders van het gemelde gild in het jaar een duizend zeshonderd vier en negentig gedaan hebben. Er zijn stofferige oude klankborden boven den preekstoel en den leeslessenaar, die er uitzien als deksels om op den predikant en den voorlezer neergelaten te worden, in geval zij aanstoot geven. Daar zijn alle mogelijke inrichtingen en gemakken tot het bewaren van stof, behalve op het kerkhof, dat maar zeer bekrompen is.Dat Joe bedrogen was, mijnheer, gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker was. (blz. 405).Dat Joe bedrogen was, mijnheer, gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker was.(blz. 405).De kapitein, oom Sam en Toots zijn gekomen, de geestelijke trekt in de kerkekamer zijn overkleed aan, terwijl de voorlezer om hem rondgaat en er het stof afblaast, en de bruid en de bruidegom staan voor het altaar. Er is geene bruidsjuffer,—of Suze Nipper moet er een zijn—en geen beter vader dan kapitein Cuttle. Een man met een houten been, die op een appel kauwt en een blauwen zak draagt, komt eens binnen om te zien wat er gebeurt; maar niets vindende om hem te vermaken, gaat hij stampend weder heen tusschen de galmende echo’s van het portaal.Geen vriendelijken lichtstraal ziet men Florence beschijnen, terwijl zij met schroomvallig gebogen hoofd voor het altaar knielt. De ochtendzon is daar uitgemetseld. Buiten staat een schrale boom, waarin de musschen een weinigje zitten te tjilpen; en in een plekje zonneschijn op een zoldertje hangt een lijster, die onder het formulier schel begint te zingen, terwijl de man met het houten been heenstampt. De amens van den stofferigen voorlezer schijnen, gelijk die van Macbeth, in zijne keel te blijven steken; maar kapitein Cuttle helpt hem er aan, en doet dit zoo van goeder harte, dat hij drie geheel nieuwe amens invoegt, op plaatsen van het formulier waar men ze nog nooit heeft gehoord.[402]Zij zijn getrouwd, en hebben hunne namen geteekend in een dier oude muffe registers, en de geestelijke heeft zijn overkleed aan het stof teruggegeven en is zelf naar huis gegaan. In een donker hoekje der donkere kerk ligt Florence in Suze’s armen te schreien. Toots’ oogen zijn rood. De kapitein wrijft zijn neus, oom Sam heeft zijn bril van zijn voorhoofd naar omlaag geschoven en is de deur uitgegaan.“God zegen u, Suze, lieve Suze! Als gij ooit getuigenis kunt geven van de liefde, die ik voor Walter heb, en de reden die ik heb om hem lief te hebben, doe het dan om zijnentwil. Goedendag! Vaarwel!”Zij hebben het beter gevonden, niet naar den Adelborst terug te gaan, maar zoo te scheiden; eene koets staat dichtbij naar hen te wachten.Suze kan niet spreken; zij snikt maar en liefkoost hare meesteres. Toots komt nader, poogt haar op te beuren, en wil haar geleider zijn. Florence geeft hem hare hand—geeft hem, uit de volheid van haar hart, hare lippen—kust oom Sam en kapitein Cuttle, en wordt door haar jongen man heengeleid.Maar Suze kan het niet uitstaan dat Florence met eene droevige herinnering van haar zal vertrekken. Zij had zoo geheel anders willen zijn, en doet zich zelve bittere verwijten. Eene laatste poging willende doen tot herstel van haar goeden naam, rukt zij zich van Toots los, en loopt de koets na om een afscheidsglimlach te laten zien. De kapitein, haar oogmerk radende, zet haar na, want hij acht het ook zijn plicht om hen, zoo mogelijk, met een hoera te laten heenrijden. Oom Sam en Toots blijven buiten de kerk naar hen staan wachten.De koets is weg, maar de straat, die steil afloopt, is smal en aan het einde verstopt, en Suze kan zien dat de koets in de verte moet blijven staan. Kapitein Cuttle volgt haar terwijl zij heenstuift, en wuift met zijn blinkenden hoed, als een sein dat misschien de rechte koets zal aantrekken, en misschien ook niet.Suze loopt den kapitein vooruit en bereikt de koets. Zij kijkt het portier in, ziet Walter en naast hem het lieve gezichtje, slaat hare handen samen en gilt uit:“Jufvrouw Flore, lieveling! Zie mij toch aan. Wij zijn allen zoo blij nu. Nog eens goedendag, mijn schat, nog eens!”Hoe Suze het doet weet zij niet, maar zij bereikt het portier, kust haar en heeft in een oogenblik de armen om haar hals.“Wij zijn allen zoo—zoo blij nu, lieve jufvrouw Florence!” zegt Suze, met eene zeer verdachte hapering in haar adem. “Gij—gij zult nu niet boos op mij zijn? Zult ge wel?”—“Boos, Suze?”—“Neen, neen, dat zult ge zeker niet. Ik zeg, dat zult ge niet, mijn lief meesteresje!” roept Suze. “En hier is de kapitein ook—uw vriend de kapitein, weet ge wel—om u nog eens goedendag te zeggen.”—“Hoera, mijn hartediefje!” schreeuwt de kapitein, met een gezicht vol krachtige ontroering. “Hoera, Walter, mijn jongen, hoera! hoera!”Met den jongen man aan het eene portier, en de jonge vrouw aan het andere, met den kapitein op de eene trede, en Suze op de andere, terwijl de koets tegen wil en dank moet voortrijden, en al de andere koetsen en wagens oproerig worden omdat zij tegenstribbelt, was er nooit zooveel verwarring op vier wielen. Maar Suze Nipper blijft dapper bij haar stuk. Zij houdt tot het laatste toe een lachend gezicht, door tranen heen lachende, naar hare meesteres gewend. Zelfs toen zij achter wordt gelaten, blijft de kapitein nog beurtelings voor het portier verschijnen en verdwijnen, en roept: “Hoera, mijn jongen! Hoera, mijn hartediefje!” tot elke poging om de koets langer bij te houden, hopeloos is. Eindelijk is de koets weg. De kapitein komt bij Suze terug, zij bezwijmt, en wordt een bakkerswinkel ingebracht om weer bij te komen.Oom Sam en Toots blijven op het kerkhof geduldig zitten wachten op de rollaag van het hek, tot kapitein Cuttle en Suze terugkomen. Daar geen van allen wenscht te spreken of toegesproken te worden, zijn zij uitmuntend gezelschap voor elkander en volkomen tevreden. Wanneer zij allen weder bij den houten adelborst komen en zich aan het ontbijt zetten, kan niemand een brok aanraken. Kapitein Cuttle wil zich houden alsof hij razend van honger was, maar moet het opgeven. Toots zegt, na het ontbijt, dat hij des avonds zal terugkomen, en loopt den geheelen dag door de stadtekuieren, met een onbestemd gevoel, alsof hij in geen veertien dagen naar bed was geweest.Er heerscht eene vreemde aantrekkingskracht in het huis en de kamer, waar men zoo dikwijls bij elkander is geweest, en waaruit zooveel verdwenen is. Dit verscherpt, en verzacht tegelijk, de smart der scheiding. Toots zegt Suze, als hij des avonds terugkomt, dat hij den geheelen dag zoo ellendig is geweest, en dat dit gevoel hem toch wel bevalt. Hij neemt Suze Nipper, daar hij met haar alleen is, in zijn vertrouwen, en vertelt haar wat hij wel gevoelde toen zij hem zoo oprecht hare meening zeide over de waarschijnlijkheid of jufvrouw Dombey hem ooit zou liefkrijgen. In de vertrouwelijkheid, door deze gemeenschappelijke herinneringen en hunne tranen voortgebracht, doet Toots het voorstel, dat zij te zamen zullen uitgaan en wat voor het avondeten koopen. Daar Suze hierin toestemt koopen zij een goed aantal kleinigheden; en met hulp van jufvrouw Richards zetten zij, eer de kapitein en oom Sam thuis komen, een prachtig souper gereed.De kapitein en de oude Sam zijn aan boord[403]van het schip geweest, en hebben Di daar gehuisvest en de kisten en koffers bezorgd. Zij hebben veel te vertellen, hoe bemind en geacht Walter is, en hoeveel gemakken hij zal hebben, en hoe hij in stilte vroeg en laat heeft gewerkt, om zijne kajuit, gelijk de kapitein zegt, tot “een schilderijtje” te maken, en zijn vrouwtje daarmee te verrassen. “Eene admiraalskajuit,” zegt de kapitein, “kan niet netter wezen.”Maar het grootste genoegen van den kapitein is, te weten, dat het groote horloge, en de suikertang en de theelepeltjes aan boord zijn; en telkens mompelt hij bij zich zelven: “Edward Cuttle, mijn jongen, gij hebt nooit in uw leven beter koers bezeild, dan toen gij dat kapitaaltje hebt overgemaakt, gansch en gaar. Gij hadt wel gezien hoe het land lag, Edward; en dat strekt u tot eer, mijn jongen.”De oude instrumentmaker is nog verstrooider en mistiger dan hij placht te zijn, en trekt zich het huwelijk en het afscheid erg aan. Maar het troost hem zeer, dat hij zijn ouden bondgenoot, Ned Cuttle, bij zich heeft, en hij zet zich met een vergenoegd en dankbaar gezicht aan het avondmaal.“Mijn jongen is bewaard geworden en het gaat hem goed,” zegt de oude man, in zijne handen wrijvende. “Wat recht heb ik om anders dan dankbaar en tevreden te zijn!”De kapitein, die zich nog niet aan tafel heeft gezet, maar eenigen tijd onrustig heeft rondgedrenteld, en nu aarzelend voor zijne plaats staat, ziet zijn ouden vriend twijfelachtig aan, en zegt:“Sam, daar is die laatste flesch ouden Madera nog beneden. Zoudt ge ze van avond niet boven willen hebben, oude jongen, om op de gezondheid van Walter en zijne vrouw leeg te drinken?”De instrumentmaker ziet den kapitein peinzend aan, steekt de hand in den borstzak van zijne koffiebruine jas, haalt zijne portefeuille te voorschijn en neemt er een brief uit.“Aan mijnheer Dombey,” zegt de oude man. “Van Walter. Om over drie weken te zenden. Ik zal hem lezen:—“Mijnheer. Ik ben met uwe dochter getrouwd. Zij is met mij op eene verre reis gegaan. Dat ik geheel aan haar ben toegewijd, geeft mij geene aanspraak op haar of op u, maar God weet dat ik dat ben. Waarom ik, die haar boven al de aardsche dingen liefheb, haar toch, zonder gewetensbezwaar, heb vereenigd met al de onzekerheden en gevaren van mijn leven, zal ik niet zeggen. Gij weet wel waarom, en gij zijt haar vader. Doe haar geene verwijten. Zij heeft u nooit iets verweten. Ik denk of hoop niet, dat gij mij ooit zult vergeven. Er is niets, dat ik minder verwacht. Maar indien er een uur mocht komen, waarin het u een troost zou zijn te gelooven, dat Florence altijd iemand bij zich heeft, die het tot de grootste taak van zijn leven maakt hare herinnering van vroegere smart uit te wisschen, verzeker ik u plechtig, dat gij dan in dat geloof gerust kunt wezen.””Samuel stak den brief weder zorgvuldig in zijne portefeuille en de portefeuille in zijn zak.“Wij willen de laatste flesch van dien ouden Madera nog niet drinken, Ned,” zeide de oude man peinzend. “Nog niet.”—“Nog niet,” zeide de kapitein toestemmend. “Neen. Nog niet.”Suze en Toots zijn van hetzelfde gevoelen. Na eene poos van stilte zetten zij zich allen aan den maaltijd en drinken met iets anders op de gezondheid van het jonge paar; en de laatste flesch van dien ouden Madera blijft nog ongestoord onder stof en spinrag liggen.Eenige dagen zijn verloopen, en een statig schip is op zee, en spreidt zijne witte vleugelen uit voor den gunstigen wind.Op het dek, voor den ruwsten man aan boord een beeld van al wat schoon en schuldeloos is—iets dat goed en aangenaam is daar te hebben, en dat de reis voorspoedig moet maken—is Florence. Het is avond, en zij en Walter zitten alleen, turende op de baan van licht over de zee, tusschen hen en de maan.Eindelijk kan zij niet duidelijk meer zien door de tranen in hare oogen; en dan laat zij haar hoofdje aan zijne borst zinken, en slaat hare armen om zijn hals en zegt: “O, lieve Walter, ik ben zoo gelukkig.”Haar echtgenoot drukt haar aan zijn hart, en zij blijven stil zitten, en het statige schip vaart zachtjes voort.“Als ik de zee hoor en naar haar zit te turen,” zegt Florence, “brengt mij dat zoovele dagen voor den geest. Het doet mij zooveel denken—”—“Aan Paul, liefste. Dat weet ik.”Aan Paul en Walter. De stemmen in de golven fluisteren Florence, met haar onophoudelijk gemurmel, gedurig toe van eene liefde, eeuwig en onveranderlijk, niet door de grenzen dezer wereld, of door het einde van den tijd beperkt, maar reikende, over de zee, over het luchtruim heen, tot in het verre onzichtbare land!
LVII.NOG EEN HUWELIJK.
Sownds de kerkeknecht en jufvrouw Miff, de plaatsbewaarster, zijn vroeg op hun post in de fraaie kerk waar Dombey getrouwd werd. Een geelzuchtig oud heer uitIndiëzal dien morgen eene jonge vrouw trouwen, en zes koetsen, vol heeren en dames, worden verwacht, en jufvrouw Miff heeft gehoord dat de geelzuchtige heer den weg naar de kerk wel met diamanten zou kunnen beleggen en ze bijna niet missen.De huwelijkszegen zal van de beste qualiteit zijn, want ze zal door een buitengemeen eerwaardig heer, een Deken, worden uitgesproken, en de bruid zal, als een buitengewoon presentje, worden weggegeven door een generaal, die daartoe opzettelijk van het ministerie van oorlog komt.Jufvrouw Miff kan gemeene lieden dien ochtend nog minder verdragen dan gewoonlijk, en zij is altijd zeer streng in dit opzicht. Jufvrouw Miff heeft geene staathuishoudkunde bestudeerd (zij denkt dat die wetenschap met de Dissenters in verband staat; Baptisten, of Wesleyanen, of zulk volk, zegt zij), maar zij kan toch nooit begrijpen wat gemeene lieden zich hebben te laten trouwen. “Wat drommel,” zegt jufvrouw Miff, “men leest dezelfde formulieren voor hen, en in plaats van souvereinen, krijgt men halve schellingen.”Sownds, de kerkeknecht, is liberaler dan jufvrouw Miff—maar hij is ook geen plaatsbewaarster. “Het moet toch gedaan worden, jufvrouw,” zegt hij. “Wij moeten ze trouwen. Wij moeten onze nationale scholen hebben om aan het hoofd van te gaan, en wij moeten onze staande legers hebben. Wij moeten ze dus wel trouwen, jufvrouw,” zegt Sownds, “om het land aan den gang te houden.”Sownds zit op de stoep en jufvrouw Miff veegt de kerk aan, wanneer een jong paartje, eenvoudig gekleed, binnenkomt. Het stemmige hoedje van jufvrouw Miff wordt driftig naar hen[400]toegekeerd, want dit vroege bezoek doet haar aan een geheim huwelijk denken. Maar zij willen zich niet laten trouwen. “Zij willen de kerk maar eens rondgaan,” zegt de heer, en daar hij jufvrouw Miff een fatsoenlijk fooitje in de hand stopt, wordt haar zuur gezicht wat vriendelijker, duikt het stemmige hoedje, en kraakt hare droge houterige gestalte.Jufvrouw Miff hervat haar stoffen, en schudt de kussens op—want men zegt dat de geelzuchtige oude heer gevoelige knieën heeft—maar houdt haar glazig plaatsbewaarsters oog op het paartje, dat de kerk rondwandelt. “Ahem!” kucht jufvrouw Miff, wier kuch droger is dan het hooi in eenig knielkussen, dat zij in bewaring heeft, “gij zult op een ochtend wel eens bij ons komen, liefjes, als ik mij niet zeer vergis.”Zij zien naar een steen in den muur, ter gedachtenis van een doode daar geplaatst. Zij zijn ver van jufvrouw Miff af, maar deze kan toch met een half oog zien, hoe zij op zijn arm leunt, en hoe zijn hoofd tot haar neergebogen is. “Wel, wel,” zegt jufvrouw Miff, “ge zoudt wel erger kunnen doen. Want ge zijt een knap paar.”Jufvrouw Miff’s gezegde heeft niets persoonlijks. Zij spreekt slechts van de materialen van haar beroep. Zij let bijna niet meer op paartjes dan op doodkisten. Zij is zulk eene magere, stokkerige, droge oude vrouw, dat men haast evenveel gevoel in eene geschaafde krul zou kunnen verwachten. Sownds daarentegen, die vleezig is, heeft een ander temperament. Hij zegt, terwijl zij op de stoep het heengaande paartje staan na te zien, dat zij een net figuurtje heeft, niet waar, en zoo goed hij zien kon (want zij liet haar hoofdje hangen toen zij buitenkwam) een ongemeen lief gezichtje. “Over het geheel, jufvrouw Miff,” zegt Sownds zeer smakelijk, “is zij wat men een rozeknopje zou kunnen noemen.”Jufvrouw Miff stemt dit met een droog knikje toe, maar keurt het zoo weinig goed, dat zij heimelijk voorneemt, dat zij de vrouw van Sownds niet zou willen worden voor zooveel geld als hij haar maar geven kon, kerkeknecht als hij is.En wat zegt het jonge paartje als het de kerk verlaat en het hek uitgaat?“Lieve Walter, ik dank u. Nu kan ik vergenoegd heengaan.”—“En als wij terugkomen, Florence, zullen wij nog eens naar zijn graf komen zien.”Florence slaat hare heldere, maar betraande oogen naar hem op, en legt hare andere hand op het handje, dat zijn arm omknelt.“Het is nog heel vroeg, Walter, en de straten zijn bijna leeg. Laten wij nog wat wandelen.”—“Maar ge zult zoo moe worden, liefje.”—“O neen! Ik was heel moe de eerste maal toen wij samen wandelden, maar vandaag zal ik niet moe worden.”En zoo—niet veel veranderd—zij even onschuldig en hartelijk—hij even rondborstig, even vol hoop en nog trotscher op haar—wandelen Florence en Walter, op den ochtend van hun trouwdag, te zamen langs de straten.Zelfs niet bij die kinderlijke wandeling van zoolang geleden, waren zij meer van de geheele wereld om hen heen afgezonderd geweest, dan op dien ochtend. De kinderlijke voeten van zoolang geleden betraden geen zulken toovergrond als zij nu betraden. Kinderlijke liefde en vertrouwen kunnen menigmaal ontstaan en menigmaal gegeven worden, maar Florence’s vrouwelijk hart kan maar eenmaal worden weggeschonken, en kan, als het verworpen of verwaarloosd wordt, slechts verkwijnen en sterven.Zij nemen de stilste straten en komen die, waar hare oude woning staat, niet nabij. Het is een heldere, warme zomerochtend, en de zon beschijnt hen, terwijl zij op den zich verdonkerenden nevel toegaan, die deCityoverspreidt. Schatten worden in de winkels ontbloot; juweelen, goud en zilver schitteren voor de zonnige vensters van den goudsmid, en groote huizen werpen eene statige schaduw op hen als zij voorbijgaan. Maar door het licht en door de schaduw wandelen zij verliefd te zamen voort, zonder om andere schatten te denken dan zij nu in elkander hebben.Langzamerhand komen zij in donkerder, smaller straten, waar men de zon, nu geel, dan rood, niet anders ziet dan op de hoeken of op kleine opene plekken, waar een boom of eene van de ontelbare kerken staat, of waar een opgang met trappen is, of een wonderlijk plekje tuin, of eene begraafplaats met bijna zwarte zerken en gedenksteenen. Vol vertrouwen en liefde, gaat Florence door al die smalle straatjes en stegen, aan zijn arm hangende, met hem mede, om zijne vrouw te worden.Haar hart klopt nu sneller, want Walter zegt haar dat hunne kerk dichtbij is. Zij gaan eenige groote pakhuizen voorbij, met wagens en karrelieden voor de deur, die den weg verstoppen—maar Florence ziet of hoort hen niet—en dan wordt de lucht stil en het daglicht duister, en staat zij te beven in de kerk, die een zonderlingen reuk, gelijk een kelder heeft.Het smerige oude manneke, luider van de teleurgestelde klok, staat in het portaal, en heeft zijn hoed in de doopvont gelegd—want hij, de doodgraver, is daar geheel thuis. Hij brengt hen in eene oude, stofferige, met bruin hout beschotene kerkekamer, die wel naar eene hoekkast gelijkt, waaruit de planken zijn weggenomen, waar de doorwormde registers een reuk verspreiden gelijk verschaalde snuif, hetgeen de betraande Suze aan het niezen helpt.Hoe jeugdig en schoon is de bruid in deze[401]oude stofferige kamer, met niets om haar heen dat haar verwant is, behalve haar aanstaanden echtgenoot! Daar is een stofferige oude voorlezer, die onder eene poort aan den overkant, achter eene geheele verschansing van paaltjes, een soort van verschaald nieuwswinkeltje hield. Daar is eene stofferige oude plaatsbewaarster, die voor niemand te zorgen heeft dan zich zelve, en daarmede moeite genoeg heeft. Daar is een stofferige oude kerkeknecht (de kerkeknecht en plaatsbewaarster, die Toots verleden zondag zijn nageloopen) die iets te doen heeft met een gild, dat dichtbij een huis of eene hal heeft, met een geschilderd venster er in, dat geen sterveling nog ooit gezien heeft. Er zijn stofferige houten lijstwerken, met in- en uitspringende hoeken, boven het altaar en om de galerij, en boven een opschrift, hetwelk vermeldt wat de Meester en Broeders van het gemelde gild in het jaar een duizend zeshonderd vier en negentig gedaan hebben. Er zijn stofferige oude klankborden boven den preekstoel en den leeslessenaar, die er uitzien als deksels om op den predikant en den voorlezer neergelaten te worden, in geval zij aanstoot geven. Daar zijn alle mogelijke inrichtingen en gemakken tot het bewaren van stof, behalve op het kerkhof, dat maar zeer bekrompen is.Dat Joe bedrogen was, mijnheer, gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker was. (blz. 405).Dat Joe bedrogen was, mijnheer, gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker was.(blz. 405).De kapitein, oom Sam en Toots zijn gekomen, de geestelijke trekt in de kerkekamer zijn overkleed aan, terwijl de voorlezer om hem rondgaat en er het stof afblaast, en de bruid en de bruidegom staan voor het altaar. Er is geene bruidsjuffer,—of Suze Nipper moet er een zijn—en geen beter vader dan kapitein Cuttle. Een man met een houten been, die op een appel kauwt en een blauwen zak draagt, komt eens binnen om te zien wat er gebeurt; maar niets vindende om hem te vermaken, gaat hij stampend weder heen tusschen de galmende echo’s van het portaal.Geen vriendelijken lichtstraal ziet men Florence beschijnen, terwijl zij met schroomvallig gebogen hoofd voor het altaar knielt. De ochtendzon is daar uitgemetseld. Buiten staat een schrale boom, waarin de musschen een weinigje zitten te tjilpen; en in een plekje zonneschijn op een zoldertje hangt een lijster, die onder het formulier schel begint te zingen, terwijl de man met het houten been heenstampt. De amens van den stofferigen voorlezer schijnen, gelijk die van Macbeth, in zijne keel te blijven steken; maar kapitein Cuttle helpt hem er aan, en doet dit zoo van goeder harte, dat hij drie geheel nieuwe amens invoegt, op plaatsen van het formulier waar men ze nog nooit heeft gehoord.[402]Zij zijn getrouwd, en hebben hunne namen geteekend in een dier oude muffe registers, en de geestelijke heeft zijn overkleed aan het stof teruggegeven en is zelf naar huis gegaan. In een donker hoekje der donkere kerk ligt Florence in Suze’s armen te schreien. Toots’ oogen zijn rood. De kapitein wrijft zijn neus, oom Sam heeft zijn bril van zijn voorhoofd naar omlaag geschoven en is de deur uitgegaan.“God zegen u, Suze, lieve Suze! Als gij ooit getuigenis kunt geven van de liefde, die ik voor Walter heb, en de reden die ik heb om hem lief te hebben, doe het dan om zijnentwil. Goedendag! Vaarwel!”Zij hebben het beter gevonden, niet naar den Adelborst terug te gaan, maar zoo te scheiden; eene koets staat dichtbij naar hen te wachten.Suze kan niet spreken; zij snikt maar en liefkoost hare meesteres. Toots komt nader, poogt haar op te beuren, en wil haar geleider zijn. Florence geeft hem hare hand—geeft hem, uit de volheid van haar hart, hare lippen—kust oom Sam en kapitein Cuttle, en wordt door haar jongen man heengeleid.Maar Suze kan het niet uitstaan dat Florence met eene droevige herinnering van haar zal vertrekken. Zij had zoo geheel anders willen zijn, en doet zich zelve bittere verwijten. Eene laatste poging willende doen tot herstel van haar goeden naam, rukt zij zich van Toots los, en loopt de koets na om een afscheidsglimlach te laten zien. De kapitein, haar oogmerk radende, zet haar na, want hij acht het ook zijn plicht om hen, zoo mogelijk, met een hoera te laten heenrijden. Oom Sam en Toots blijven buiten de kerk naar hen staan wachten.De koets is weg, maar de straat, die steil afloopt, is smal en aan het einde verstopt, en Suze kan zien dat de koets in de verte moet blijven staan. Kapitein Cuttle volgt haar terwijl zij heenstuift, en wuift met zijn blinkenden hoed, als een sein dat misschien de rechte koets zal aantrekken, en misschien ook niet.Suze loopt den kapitein vooruit en bereikt de koets. Zij kijkt het portier in, ziet Walter en naast hem het lieve gezichtje, slaat hare handen samen en gilt uit:“Jufvrouw Flore, lieveling! Zie mij toch aan. Wij zijn allen zoo blij nu. Nog eens goedendag, mijn schat, nog eens!”Hoe Suze het doet weet zij niet, maar zij bereikt het portier, kust haar en heeft in een oogenblik de armen om haar hals.“Wij zijn allen zoo—zoo blij nu, lieve jufvrouw Florence!” zegt Suze, met eene zeer verdachte hapering in haar adem. “Gij—gij zult nu niet boos op mij zijn? Zult ge wel?”—“Boos, Suze?”—“Neen, neen, dat zult ge zeker niet. Ik zeg, dat zult ge niet, mijn lief meesteresje!” roept Suze. “En hier is de kapitein ook—uw vriend de kapitein, weet ge wel—om u nog eens goedendag te zeggen.”—“Hoera, mijn hartediefje!” schreeuwt de kapitein, met een gezicht vol krachtige ontroering. “Hoera, Walter, mijn jongen, hoera! hoera!”Met den jongen man aan het eene portier, en de jonge vrouw aan het andere, met den kapitein op de eene trede, en Suze op de andere, terwijl de koets tegen wil en dank moet voortrijden, en al de andere koetsen en wagens oproerig worden omdat zij tegenstribbelt, was er nooit zooveel verwarring op vier wielen. Maar Suze Nipper blijft dapper bij haar stuk. Zij houdt tot het laatste toe een lachend gezicht, door tranen heen lachende, naar hare meesteres gewend. Zelfs toen zij achter wordt gelaten, blijft de kapitein nog beurtelings voor het portier verschijnen en verdwijnen, en roept: “Hoera, mijn jongen! Hoera, mijn hartediefje!” tot elke poging om de koets langer bij te houden, hopeloos is. Eindelijk is de koets weg. De kapitein komt bij Suze terug, zij bezwijmt, en wordt een bakkerswinkel ingebracht om weer bij te komen.Oom Sam en Toots blijven op het kerkhof geduldig zitten wachten op de rollaag van het hek, tot kapitein Cuttle en Suze terugkomen. Daar geen van allen wenscht te spreken of toegesproken te worden, zijn zij uitmuntend gezelschap voor elkander en volkomen tevreden. Wanneer zij allen weder bij den houten adelborst komen en zich aan het ontbijt zetten, kan niemand een brok aanraken. Kapitein Cuttle wil zich houden alsof hij razend van honger was, maar moet het opgeven. Toots zegt, na het ontbijt, dat hij des avonds zal terugkomen, en loopt den geheelen dag door de stadtekuieren, met een onbestemd gevoel, alsof hij in geen veertien dagen naar bed was geweest.Er heerscht eene vreemde aantrekkingskracht in het huis en de kamer, waar men zoo dikwijls bij elkander is geweest, en waaruit zooveel verdwenen is. Dit verscherpt, en verzacht tegelijk, de smart der scheiding. Toots zegt Suze, als hij des avonds terugkomt, dat hij den geheelen dag zoo ellendig is geweest, en dat dit gevoel hem toch wel bevalt. Hij neemt Suze Nipper, daar hij met haar alleen is, in zijn vertrouwen, en vertelt haar wat hij wel gevoelde toen zij hem zoo oprecht hare meening zeide over de waarschijnlijkheid of jufvrouw Dombey hem ooit zou liefkrijgen. In de vertrouwelijkheid, door deze gemeenschappelijke herinneringen en hunne tranen voortgebracht, doet Toots het voorstel, dat zij te zamen zullen uitgaan en wat voor het avondeten koopen. Daar Suze hierin toestemt koopen zij een goed aantal kleinigheden; en met hulp van jufvrouw Richards zetten zij, eer de kapitein en oom Sam thuis komen, een prachtig souper gereed.De kapitein en de oude Sam zijn aan boord[403]van het schip geweest, en hebben Di daar gehuisvest en de kisten en koffers bezorgd. Zij hebben veel te vertellen, hoe bemind en geacht Walter is, en hoeveel gemakken hij zal hebben, en hoe hij in stilte vroeg en laat heeft gewerkt, om zijne kajuit, gelijk de kapitein zegt, tot “een schilderijtje” te maken, en zijn vrouwtje daarmee te verrassen. “Eene admiraalskajuit,” zegt de kapitein, “kan niet netter wezen.”Maar het grootste genoegen van den kapitein is, te weten, dat het groote horloge, en de suikertang en de theelepeltjes aan boord zijn; en telkens mompelt hij bij zich zelven: “Edward Cuttle, mijn jongen, gij hebt nooit in uw leven beter koers bezeild, dan toen gij dat kapitaaltje hebt overgemaakt, gansch en gaar. Gij hadt wel gezien hoe het land lag, Edward; en dat strekt u tot eer, mijn jongen.”De oude instrumentmaker is nog verstrooider en mistiger dan hij placht te zijn, en trekt zich het huwelijk en het afscheid erg aan. Maar het troost hem zeer, dat hij zijn ouden bondgenoot, Ned Cuttle, bij zich heeft, en hij zet zich met een vergenoegd en dankbaar gezicht aan het avondmaal.“Mijn jongen is bewaard geworden en het gaat hem goed,” zegt de oude man, in zijne handen wrijvende. “Wat recht heb ik om anders dan dankbaar en tevreden te zijn!”De kapitein, die zich nog niet aan tafel heeft gezet, maar eenigen tijd onrustig heeft rondgedrenteld, en nu aarzelend voor zijne plaats staat, ziet zijn ouden vriend twijfelachtig aan, en zegt:“Sam, daar is die laatste flesch ouden Madera nog beneden. Zoudt ge ze van avond niet boven willen hebben, oude jongen, om op de gezondheid van Walter en zijne vrouw leeg te drinken?”De instrumentmaker ziet den kapitein peinzend aan, steekt de hand in den borstzak van zijne koffiebruine jas, haalt zijne portefeuille te voorschijn en neemt er een brief uit.“Aan mijnheer Dombey,” zegt de oude man. “Van Walter. Om over drie weken te zenden. Ik zal hem lezen:—“Mijnheer. Ik ben met uwe dochter getrouwd. Zij is met mij op eene verre reis gegaan. Dat ik geheel aan haar ben toegewijd, geeft mij geene aanspraak op haar of op u, maar God weet dat ik dat ben. Waarom ik, die haar boven al de aardsche dingen liefheb, haar toch, zonder gewetensbezwaar, heb vereenigd met al de onzekerheden en gevaren van mijn leven, zal ik niet zeggen. Gij weet wel waarom, en gij zijt haar vader. Doe haar geene verwijten. Zij heeft u nooit iets verweten. Ik denk of hoop niet, dat gij mij ooit zult vergeven. Er is niets, dat ik minder verwacht. Maar indien er een uur mocht komen, waarin het u een troost zou zijn te gelooven, dat Florence altijd iemand bij zich heeft, die het tot de grootste taak van zijn leven maakt hare herinnering van vroegere smart uit te wisschen, verzeker ik u plechtig, dat gij dan in dat geloof gerust kunt wezen.””Samuel stak den brief weder zorgvuldig in zijne portefeuille en de portefeuille in zijn zak.“Wij willen de laatste flesch van dien ouden Madera nog niet drinken, Ned,” zeide de oude man peinzend. “Nog niet.”—“Nog niet,” zeide de kapitein toestemmend. “Neen. Nog niet.”Suze en Toots zijn van hetzelfde gevoelen. Na eene poos van stilte zetten zij zich allen aan den maaltijd en drinken met iets anders op de gezondheid van het jonge paar; en de laatste flesch van dien ouden Madera blijft nog ongestoord onder stof en spinrag liggen.Eenige dagen zijn verloopen, en een statig schip is op zee, en spreidt zijne witte vleugelen uit voor den gunstigen wind.Op het dek, voor den ruwsten man aan boord een beeld van al wat schoon en schuldeloos is—iets dat goed en aangenaam is daar te hebben, en dat de reis voorspoedig moet maken—is Florence. Het is avond, en zij en Walter zitten alleen, turende op de baan van licht over de zee, tusschen hen en de maan.Eindelijk kan zij niet duidelijk meer zien door de tranen in hare oogen; en dan laat zij haar hoofdje aan zijne borst zinken, en slaat hare armen om zijn hals en zegt: “O, lieve Walter, ik ben zoo gelukkig.”Haar echtgenoot drukt haar aan zijn hart, en zij blijven stil zitten, en het statige schip vaart zachtjes voort.“Als ik de zee hoor en naar haar zit te turen,” zegt Florence, “brengt mij dat zoovele dagen voor den geest. Het doet mij zooveel denken—”—“Aan Paul, liefste. Dat weet ik.”Aan Paul en Walter. De stemmen in de golven fluisteren Florence, met haar onophoudelijk gemurmel, gedurig toe van eene liefde, eeuwig en onveranderlijk, niet door de grenzen dezer wereld, of door het einde van den tijd beperkt, maar reikende, over de zee, over het luchtruim heen, tot in het verre onzichtbare land!
Sownds de kerkeknecht en jufvrouw Miff, de plaatsbewaarster, zijn vroeg op hun post in de fraaie kerk waar Dombey getrouwd werd. Een geelzuchtig oud heer uitIndiëzal dien morgen eene jonge vrouw trouwen, en zes koetsen, vol heeren en dames, worden verwacht, en jufvrouw Miff heeft gehoord dat de geelzuchtige heer den weg naar de kerk wel met diamanten zou kunnen beleggen en ze bijna niet missen.
De huwelijkszegen zal van de beste qualiteit zijn, want ze zal door een buitengemeen eerwaardig heer, een Deken, worden uitgesproken, en de bruid zal, als een buitengewoon presentje, worden weggegeven door een generaal, die daartoe opzettelijk van het ministerie van oorlog komt.
Jufvrouw Miff kan gemeene lieden dien ochtend nog minder verdragen dan gewoonlijk, en zij is altijd zeer streng in dit opzicht. Jufvrouw Miff heeft geene staathuishoudkunde bestudeerd (zij denkt dat die wetenschap met de Dissenters in verband staat; Baptisten, of Wesleyanen, of zulk volk, zegt zij), maar zij kan toch nooit begrijpen wat gemeene lieden zich hebben te laten trouwen. “Wat drommel,” zegt jufvrouw Miff, “men leest dezelfde formulieren voor hen, en in plaats van souvereinen, krijgt men halve schellingen.”
Sownds, de kerkeknecht, is liberaler dan jufvrouw Miff—maar hij is ook geen plaatsbewaarster. “Het moet toch gedaan worden, jufvrouw,” zegt hij. “Wij moeten ze trouwen. Wij moeten onze nationale scholen hebben om aan het hoofd van te gaan, en wij moeten onze staande legers hebben. Wij moeten ze dus wel trouwen, jufvrouw,” zegt Sownds, “om het land aan den gang te houden.”
Sownds zit op de stoep en jufvrouw Miff veegt de kerk aan, wanneer een jong paartje, eenvoudig gekleed, binnenkomt. Het stemmige hoedje van jufvrouw Miff wordt driftig naar hen[400]toegekeerd, want dit vroege bezoek doet haar aan een geheim huwelijk denken. Maar zij willen zich niet laten trouwen. “Zij willen de kerk maar eens rondgaan,” zegt de heer, en daar hij jufvrouw Miff een fatsoenlijk fooitje in de hand stopt, wordt haar zuur gezicht wat vriendelijker, duikt het stemmige hoedje, en kraakt hare droge houterige gestalte.
Jufvrouw Miff hervat haar stoffen, en schudt de kussens op—want men zegt dat de geelzuchtige oude heer gevoelige knieën heeft—maar houdt haar glazig plaatsbewaarsters oog op het paartje, dat de kerk rondwandelt. “Ahem!” kucht jufvrouw Miff, wier kuch droger is dan het hooi in eenig knielkussen, dat zij in bewaring heeft, “gij zult op een ochtend wel eens bij ons komen, liefjes, als ik mij niet zeer vergis.”
Zij zien naar een steen in den muur, ter gedachtenis van een doode daar geplaatst. Zij zijn ver van jufvrouw Miff af, maar deze kan toch met een half oog zien, hoe zij op zijn arm leunt, en hoe zijn hoofd tot haar neergebogen is. “Wel, wel,” zegt jufvrouw Miff, “ge zoudt wel erger kunnen doen. Want ge zijt een knap paar.”
Jufvrouw Miff’s gezegde heeft niets persoonlijks. Zij spreekt slechts van de materialen van haar beroep. Zij let bijna niet meer op paartjes dan op doodkisten. Zij is zulk eene magere, stokkerige, droge oude vrouw, dat men haast evenveel gevoel in eene geschaafde krul zou kunnen verwachten. Sownds daarentegen, die vleezig is, heeft een ander temperament. Hij zegt, terwijl zij op de stoep het heengaande paartje staan na te zien, dat zij een net figuurtje heeft, niet waar, en zoo goed hij zien kon (want zij liet haar hoofdje hangen toen zij buitenkwam) een ongemeen lief gezichtje. “Over het geheel, jufvrouw Miff,” zegt Sownds zeer smakelijk, “is zij wat men een rozeknopje zou kunnen noemen.”
Jufvrouw Miff stemt dit met een droog knikje toe, maar keurt het zoo weinig goed, dat zij heimelijk voorneemt, dat zij de vrouw van Sownds niet zou willen worden voor zooveel geld als hij haar maar geven kon, kerkeknecht als hij is.
En wat zegt het jonge paartje als het de kerk verlaat en het hek uitgaat?
“Lieve Walter, ik dank u. Nu kan ik vergenoegd heengaan.”—“En als wij terugkomen, Florence, zullen wij nog eens naar zijn graf komen zien.”
Florence slaat hare heldere, maar betraande oogen naar hem op, en legt hare andere hand op het handje, dat zijn arm omknelt.
“Het is nog heel vroeg, Walter, en de straten zijn bijna leeg. Laten wij nog wat wandelen.”—“Maar ge zult zoo moe worden, liefje.”—“O neen! Ik was heel moe de eerste maal toen wij samen wandelden, maar vandaag zal ik niet moe worden.”
En zoo—niet veel veranderd—zij even onschuldig en hartelijk—hij even rondborstig, even vol hoop en nog trotscher op haar—wandelen Florence en Walter, op den ochtend van hun trouwdag, te zamen langs de straten.
Zelfs niet bij die kinderlijke wandeling van zoolang geleden, waren zij meer van de geheele wereld om hen heen afgezonderd geweest, dan op dien ochtend. De kinderlijke voeten van zoolang geleden betraden geen zulken toovergrond als zij nu betraden. Kinderlijke liefde en vertrouwen kunnen menigmaal ontstaan en menigmaal gegeven worden, maar Florence’s vrouwelijk hart kan maar eenmaal worden weggeschonken, en kan, als het verworpen of verwaarloosd wordt, slechts verkwijnen en sterven.
Zij nemen de stilste straten en komen die, waar hare oude woning staat, niet nabij. Het is een heldere, warme zomerochtend, en de zon beschijnt hen, terwijl zij op den zich verdonkerenden nevel toegaan, die deCityoverspreidt. Schatten worden in de winkels ontbloot; juweelen, goud en zilver schitteren voor de zonnige vensters van den goudsmid, en groote huizen werpen eene statige schaduw op hen als zij voorbijgaan. Maar door het licht en door de schaduw wandelen zij verliefd te zamen voort, zonder om andere schatten te denken dan zij nu in elkander hebben.
Langzamerhand komen zij in donkerder, smaller straten, waar men de zon, nu geel, dan rood, niet anders ziet dan op de hoeken of op kleine opene plekken, waar een boom of eene van de ontelbare kerken staat, of waar een opgang met trappen is, of een wonderlijk plekje tuin, of eene begraafplaats met bijna zwarte zerken en gedenksteenen. Vol vertrouwen en liefde, gaat Florence door al die smalle straatjes en stegen, aan zijn arm hangende, met hem mede, om zijne vrouw te worden.
Haar hart klopt nu sneller, want Walter zegt haar dat hunne kerk dichtbij is. Zij gaan eenige groote pakhuizen voorbij, met wagens en karrelieden voor de deur, die den weg verstoppen—maar Florence ziet of hoort hen niet—en dan wordt de lucht stil en het daglicht duister, en staat zij te beven in de kerk, die een zonderlingen reuk, gelijk een kelder heeft.
Het smerige oude manneke, luider van de teleurgestelde klok, staat in het portaal, en heeft zijn hoed in de doopvont gelegd—want hij, de doodgraver, is daar geheel thuis. Hij brengt hen in eene oude, stofferige, met bruin hout beschotene kerkekamer, die wel naar eene hoekkast gelijkt, waaruit de planken zijn weggenomen, waar de doorwormde registers een reuk verspreiden gelijk verschaalde snuif, hetgeen de betraande Suze aan het niezen helpt.
Hoe jeugdig en schoon is de bruid in deze[401]oude stofferige kamer, met niets om haar heen dat haar verwant is, behalve haar aanstaanden echtgenoot! Daar is een stofferige oude voorlezer, die onder eene poort aan den overkant, achter eene geheele verschansing van paaltjes, een soort van verschaald nieuwswinkeltje hield. Daar is eene stofferige oude plaatsbewaarster, die voor niemand te zorgen heeft dan zich zelve, en daarmede moeite genoeg heeft. Daar is een stofferige oude kerkeknecht (de kerkeknecht en plaatsbewaarster, die Toots verleden zondag zijn nageloopen) die iets te doen heeft met een gild, dat dichtbij een huis of eene hal heeft, met een geschilderd venster er in, dat geen sterveling nog ooit gezien heeft. Er zijn stofferige houten lijstwerken, met in- en uitspringende hoeken, boven het altaar en om de galerij, en boven een opschrift, hetwelk vermeldt wat de Meester en Broeders van het gemelde gild in het jaar een duizend zeshonderd vier en negentig gedaan hebben. Er zijn stofferige oude klankborden boven den preekstoel en den leeslessenaar, die er uitzien als deksels om op den predikant en den voorlezer neergelaten te worden, in geval zij aanstoot geven. Daar zijn alle mogelijke inrichtingen en gemakken tot het bewaren van stof, behalve op het kerkhof, dat maar zeer bekrompen is.
Dat Joe bedrogen was, mijnheer, gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker was. (blz. 405).Dat Joe bedrogen was, mijnheer, gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker was.(blz. 405).
Dat Joe bedrogen was, mijnheer, gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker was.(blz. 405).
De kapitein, oom Sam en Toots zijn gekomen, de geestelijke trekt in de kerkekamer zijn overkleed aan, terwijl de voorlezer om hem rondgaat en er het stof afblaast, en de bruid en de bruidegom staan voor het altaar. Er is geene bruidsjuffer,—of Suze Nipper moet er een zijn—en geen beter vader dan kapitein Cuttle. Een man met een houten been, die op een appel kauwt en een blauwen zak draagt, komt eens binnen om te zien wat er gebeurt; maar niets vindende om hem te vermaken, gaat hij stampend weder heen tusschen de galmende echo’s van het portaal.
Geen vriendelijken lichtstraal ziet men Florence beschijnen, terwijl zij met schroomvallig gebogen hoofd voor het altaar knielt. De ochtendzon is daar uitgemetseld. Buiten staat een schrale boom, waarin de musschen een weinigje zitten te tjilpen; en in een plekje zonneschijn op een zoldertje hangt een lijster, die onder het formulier schel begint te zingen, terwijl de man met het houten been heenstampt. De amens van den stofferigen voorlezer schijnen, gelijk die van Macbeth, in zijne keel te blijven steken; maar kapitein Cuttle helpt hem er aan, en doet dit zoo van goeder harte, dat hij drie geheel nieuwe amens invoegt, op plaatsen van het formulier waar men ze nog nooit heeft gehoord.[402]
Zij zijn getrouwd, en hebben hunne namen geteekend in een dier oude muffe registers, en de geestelijke heeft zijn overkleed aan het stof teruggegeven en is zelf naar huis gegaan. In een donker hoekje der donkere kerk ligt Florence in Suze’s armen te schreien. Toots’ oogen zijn rood. De kapitein wrijft zijn neus, oom Sam heeft zijn bril van zijn voorhoofd naar omlaag geschoven en is de deur uitgegaan.
“God zegen u, Suze, lieve Suze! Als gij ooit getuigenis kunt geven van de liefde, die ik voor Walter heb, en de reden die ik heb om hem lief te hebben, doe het dan om zijnentwil. Goedendag! Vaarwel!”
Zij hebben het beter gevonden, niet naar den Adelborst terug te gaan, maar zoo te scheiden; eene koets staat dichtbij naar hen te wachten.
Suze kan niet spreken; zij snikt maar en liefkoost hare meesteres. Toots komt nader, poogt haar op te beuren, en wil haar geleider zijn. Florence geeft hem hare hand—geeft hem, uit de volheid van haar hart, hare lippen—kust oom Sam en kapitein Cuttle, en wordt door haar jongen man heengeleid.
Maar Suze kan het niet uitstaan dat Florence met eene droevige herinnering van haar zal vertrekken. Zij had zoo geheel anders willen zijn, en doet zich zelve bittere verwijten. Eene laatste poging willende doen tot herstel van haar goeden naam, rukt zij zich van Toots los, en loopt de koets na om een afscheidsglimlach te laten zien. De kapitein, haar oogmerk radende, zet haar na, want hij acht het ook zijn plicht om hen, zoo mogelijk, met een hoera te laten heenrijden. Oom Sam en Toots blijven buiten de kerk naar hen staan wachten.
De koets is weg, maar de straat, die steil afloopt, is smal en aan het einde verstopt, en Suze kan zien dat de koets in de verte moet blijven staan. Kapitein Cuttle volgt haar terwijl zij heenstuift, en wuift met zijn blinkenden hoed, als een sein dat misschien de rechte koets zal aantrekken, en misschien ook niet.
Suze loopt den kapitein vooruit en bereikt de koets. Zij kijkt het portier in, ziet Walter en naast hem het lieve gezichtje, slaat hare handen samen en gilt uit:
“Jufvrouw Flore, lieveling! Zie mij toch aan. Wij zijn allen zoo blij nu. Nog eens goedendag, mijn schat, nog eens!”
Hoe Suze het doet weet zij niet, maar zij bereikt het portier, kust haar en heeft in een oogenblik de armen om haar hals.
“Wij zijn allen zoo—zoo blij nu, lieve jufvrouw Florence!” zegt Suze, met eene zeer verdachte hapering in haar adem. “Gij—gij zult nu niet boos op mij zijn? Zult ge wel?”—“Boos, Suze?”—“Neen, neen, dat zult ge zeker niet. Ik zeg, dat zult ge niet, mijn lief meesteresje!” roept Suze. “En hier is de kapitein ook—uw vriend de kapitein, weet ge wel—om u nog eens goedendag te zeggen.”—“Hoera, mijn hartediefje!” schreeuwt de kapitein, met een gezicht vol krachtige ontroering. “Hoera, Walter, mijn jongen, hoera! hoera!”
Met den jongen man aan het eene portier, en de jonge vrouw aan het andere, met den kapitein op de eene trede, en Suze op de andere, terwijl de koets tegen wil en dank moet voortrijden, en al de andere koetsen en wagens oproerig worden omdat zij tegenstribbelt, was er nooit zooveel verwarring op vier wielen. Maar Suze Nipper blijft dapper bij haar stuk. Zij houdt tot het laatste toe een lachend gezicht, door tranen heen lachende, naar hare meesteres gewend. Zelfs toen zij achter wordt gelaten, blijft de kapitein nog beurtelings voor het portier verschijnen en verdwijnen, en roept: “Hoera, mijn jongen! Hoera, mijn hartediefje!” tot elke poging om de koets langer bij te houden, hopeloos is. Eindelijk is de koets weg. De kapitein komt bij Suze terug, zij bezwijmt, en wordt een bakkerswinkel ingebracht om weer bij te komen.
Oom Sam en Toots blijven op het kerkhof geduldig zitten wachten op de rollaag van het hek, tot kapitein Cuttle en Suze terugkomen. Daar geen van allen wenscht te spreken of toegesproken te worden, zijn zij uitmuntend gezelschap voor elkander en volkomen tevreden. Wanneer zij allen weder bij den houten adelborst komen en zich aan het ontbijt zetten, kan niemand een brok aanraken. Kapitein Cuttle wil zich houden alsof hij razend van honger was, maar moet het opgeven. Toots zegt, na het ontbijt, dat hij des avonds zal terugkomen, en loopt den geheelen dag door de stadtekuieren, met een onbestemd gevoel, alsof hij in geen veertien dagen naar bed was geweest.
Er heerscht eene vreemde aantrekkingskracht in het huis en de kamer, waar men zoo dikwijls bij elkander is geweest, en waaruit zooveel verdwenen is. Dit verscherpt, en verzacht tegelijk, de smart der scheiding. Toots zegt Suze, als hij des avonds terugkomt, dat hij den geheelen dag zoo ellendig is geweest, en dat dit gevoel hem toch wel bevalt. Hij neemt Suze Nipper, daar hij met haar alleen is, in zijn vertrouwen, en vertelt haar wat hij wel gevoelde toen zij hem zoo oprecht hare meening zeide over de waarschijnlijkheid of jufvrouw Dombey hem ooit zou liefkrijgen. In de vertrouwelijkheid, door deze gemeenschappelijke herinneringen en hunne tranen voortgebracht, doet Toots het voorstel, dat zij te zamen zullen uitgaan en wat voor het avondeten koopen. Daar Suze hierin toestemt koopen zij een goed aantal kleinigheden; en met hulp van jufvrouw Richards zetten zij, eer de kapitein en oom Sam thuis komen, een prachtig souper gereed.
De kapitein en de oude Sam zijn aan boord[403]van het schip geweest, en hebben Di daar gehuisvest en de kisten en koffers bezorgd. Zij hebben veel te vertellen, hoe bemind en geacht Walter is, en hoeveel gemakken hij zal hebben, en hoe hij in stilte vroeg en laat heeft gewerkt, om zijne kajuit, gelijk de kapitein zegt, tot “een schilderijtje” te maken, en zijn vrouwtje daarmee te verrassen. “Eene admiraalskajuit,” zegt de kapitein, “kan niet netter wezen.”
Maar het grootste genoegen van den kapitein is, te weten, dat het groote horloge, en de suikertang en de theelepeltjes aan boord zijn; en telkens mompelt hij bij zich zelven: “Edward Cuttle, mijn jongen, gij hebt nooit in uw leven beter koers bezeild, dan toen gij dat kapitaaltje hebt overgemaakt, gansch en gaar. Gij hadt wel gezien hoe het land lag, Edward; en dat strekt u tot eer, mijn jongen.”
De oude instrumentmaker is nog verstrooider en mistiger dan hij placht te zijn, en trekt zich het huwelijk en het afscheid erg aan. Maar het troost hem zeer, dat hij zijn ouden bondgenoot, Ned Cuttle, bij zich heeft, en hij zet zich met een vergenoegd en dankbaar gezicht aan het avondmaal.
“Mijn jongen is bewaard geworden en het gaat hem goed,” zegt de oude man, in zijne handen wrijvende. “Wat recht heb ik om anders dan dankbaar en tevreden te zijn!”
De kapitein, die zich nog niet aan tafel heeft gezet, maar eenigen tijd onrustig heeft rondgedrenteld, en nu aarzelend voor zijne plaats staat, ziet zijn ouden vriend twijfelachtig aan, en zegt:
“Sam, daar is die laatste flesch ouden Madera nog beneden. Zoudt ge ze van avond niet boven willen hebben, oude jongen, om op de gezondheid van Walter en zijne vrouw leeg te drinken?”
De instrumentmaker ziet den kapitein peinzend aan, steekt de hand in den borstzak van zijne koffiebruine jas, haalt zijne portefeuille te voorschijn en neemt er een brief uit.
“Aan mijnheer Dombey,” zegt de oude man. “Van Walter. Om over drie weken te zenden. Ik zal hem lezen:—“Mijnheer. Ik ben met uwe dochter getrouwd. Zij is met mij op eene verre reis gegaan. Dat ik geheel aan haar ben toegewijd, geeft mij geene aanspraak op haar of op u, maar God weet dat ik dat ben. Waarom ik, die haar boven al de aardsche dingen liefheb, haar toch, zonder gewetensbezwaar, heb vereenigd met al de onzekerheden en gevaren van mijn leven, zal ik niet zeggen. Gij weet wel waarom, en gij zijt haar vader. Doe haar geene verwijten. Zij heeft u nooit iets verweten. Ik denk of hoop niet, dat gij mij ooit zult vergeven. Er is niets, dat ik minder verwacht. Maar indien er een uur mocht komen, waarin het u een troost zou zijn te gelooven, dat Florence altijd iemand bij zich heeft, die het tot de grootste taak van zijn leven maakt hare herinnering van vroegere smart uit te wisschen, verzeker ik u plechtig, dat gij dan in dat geloof gerust kunt wezen.””
Samuel stak den brief weder zorgvuldig in zijne portefeuille en de portefeuille in zijn zak.
“Wij willen de laatste flesch van dien ouden Madera nog niet drinken, Ned,” zeide de oude man peinzend. “Nog niet.”—“Nog niet,” zeide de kapitein toestemmend. “Neen. Nog niet.”
Suze en Toots zijn van hetzelfde gevoelen. Na eene poos van stilte zetten zij zich allen aan den maaltijd en drinken met iets anders op de gezondheid van het jonge paar; en de laatste flesch van dien ouden Madera blijft nog ongestoord onder stof en spinrag liggen.
Eenige dagen zijn verloopen, en een statig schip is op zee, en spreidt zijne witte vleugelen uit voor den gunstigen wind.
Op het dek, voor den ruwsten man aan boord een beeld van al wat schoon en schuldeloos is—iets dat goed en aangenaam is daar te hebben, en dat de reis voorspoedig moet maken—is Florence. Het is avond, en zij en Walter zitten alleen, turende op de baan van licht over de zee, tusschen hen en de maan.
Eindelijk kan zij niet duidelijk meer zien door de tranen in hare oogen; en dan laat zij haar hoofdje aan zijne borst zinken, en slaat hare armen om zijn hals en zegt: “O, lieve Walter, ik ben zoo gelukkig.”
Haar echtgenoot drukt haar aan zijn hart, en zij blijven stil zitten, en het statige schip vaart zachtjes voort.
“Als ik de zee hoor en naar haar zit te turen,” zegt Florence, “brengt mij dat zoovele dagen voor den geest. Het doet mij zooveel denken—”—“Aan Paul, liefste. Dat weet ik.”
Aan Paul en Walter. De stemmen in de golven fluisteren Florence, met haar onophoudelijk gemurmel, gedurig toe van eene liefde, eeuwig en onveranderlijk, niet door de grenzen dezer wereld, of door het einde van den tijd beperkt, maar reikende, over de zee, over het luchtruim heen, tot in het verre onzichtbare land!