[Inhoud]LVIII.NA EEN TIJDSVERLOOP.De zee had een geheel jaar lang hare getijden gehad. Een geheel jaar lang waren winden en wolken gekomen en gegaan, en had de tijd, in storm en zonneschijn, zijn rusteloozen arbeid verricht. Een geheel jaar lang hadden de getijden van het wisselend menschenlot den hun toegewezen loop gehouden. Een geheel jaar[404]lang had het vermaarde kantoor van Dombey en Zoon voor zijn leven gestreden, tegen onverwachte tegenspoeden, nadeelige geruchten, ongelukkige waagstukken, ongunstige tijden, en vooral tegen de verdwaasdheid van den eigenaar, die zijne ondernemingen geene haarbreedte wilde inkrimpen, die naar geen woord van waarschuwing wilde luisteren, dat het schip, waarmede hij den storm wilde tarten, zwak was en het niet kon uithouden.Het jaar was om, en het groote kantoor was gevallen.Op een zomermiddag, omtrent een jaar na dat huwelijk in deCity, werd er op de Beurs over een groot bankroet gemompeld. Zeker koud en trotsch man, daar welbekend, was er niet, en was door niemand vertegenwoordigd. Den volgenden dag hoorde men, dat het kantoor van Dombey en Zoon zijne betalingen had gestaakt, en den volgenden avond werd er eene lijst van bankroetiers uitgegeven, met dien naam bovenaan.Nu had de wereld veel te zeggen. Het was eene onnoozele, lichtgeloovige, erg mishandelde wereld. Het was eene wereld, waarin men nog nooit van een ander soort van bankroeten had gehoord. Er waren geene voorname mannen in, die wijd en zijd handel dreven met valschen godsdienst, vaderlandsliefde, deugd en eer. Er was geen papier in omloop, waarvan iemand rijkelijk leefde, en waarbij groote sommen van braafheid werden beloofd, waarvoor geen kapitaal aanwezig was. Nergens kwam men ooit iets te kort behalve geld. De wereld was heel boos; en die menschen vooral, die men in eene slechtere wereld voor insolvente speculanten in vertooning en geveinsdheid had kunnen houden, waren ten hoogste verontwaardigd.Nu werd Perch, den kantoorlooper, door het spel der omstandigheden eene nieuwe verzoeking tot losbandigheid aangeboden. Het scheen zijn lot te zijn, telkens wakker te moeten worden om zich beroemd te vinden. Pas gisteren, mocht men zeggen, was hij weder in het bijzondere leven afgedaald, na zijne vermaardheid door die vlucht en de daaropvolgende gebeurtenissen; en nu werd hij weder door dat bankroet tot een gewichtiger persoon dan ooit gemaakt. Van zijn bankje in het groote kantoor opstaande, waar hij nu naar de vreemde gezichten zat te kijken, die spoedig bijna al de oude klerken vervingen, behoefde Perch zich maar op straat of voor de toonbank van het Koninklijke Wapen te vertoonen, om eene menigte vragen te hooren, waaronder bijna zeker de belangrijke vraag voorkwam, wat hij te drinken wilde hebben. Dan weidde Perch uit over de uren van hooggaanden angst, die hij en zijne vrouw teBall’s Pondhadden doorgestaan, toen zij pas begonnen te vermoeden, dat “de zaak niet goed ging.” Dan vertelde Perch de hem aangapende luisteraars, met eene zachte stem, alsof het lijk van het overledene kantoor nog onbegraven in de naaste kamer lag, hoe jufvrouw Perch het eerst was begonnen te vermoeden, dat de zaak niet goed ging, door dat zij hem (Perch) in zijn slaap had hooren kermen: “Zestig percent! Zestig percent!” Welk onrustig droomen en slaapspreken hij vermoedde dat ontstaan moest wezen uit den indruk, dien de verandering in mijnheer Dombey’s gezicht op hem maakte. Dan onderrichtte hij hun hoe hij eens gezegd had: “Mag ik zoo vrij zijn om te vragen, mijnheer, is uw gemoed niet gerust?” en hoe mijnheer Dombey had geantwoord: “Mijn trouwe Perch—maar neen, het kan niet zijn!” en zich toen met de hand voor het voorhoofd had geslagen en gezegd: “Verlaat mij, Perch!” Dan, kortom, vertelde Perch, als slachtoffer van zijne positie, eene menigte van allerhande logens, zich zelven tot tranen roerende door diegene, die van een aandoenlijken aard waren, en werkelijk geloovende, dat de verzinsels van gisteren, door de herhaling, vandaag eene soort van waarheid kregen.Perch besloot deze mededeelingen altijd door weemoedig aan te merken, dat, natuurlijk, wat hij ook mocht vermoed hebben (alsof hij ooit iets vermoed had) hethemniet voegde het vertrouwen van zijn patroon te verraden—deed het wel? Welk gezegde (daar er crediteuren bij waren) altijd gehouden werd zijn gevoel tot eer te strekken. Zoo ging hij doorgaans met een gebalsemd geweten heen en liet hij een aangenamen indruk achter, als hij weder naar zijn bankje terugkeerde, om daar naar de vreemdelingen te zitten kijken, die zoo vrij met die groote geheimen, de boeken, omgingen, of nu en dan op de teenen naar Dombey’s ledige kamer te sluipen en het vuur op te poken, of aan de deur een luchtje te scheppen en nog een treurig praatje met een bekenden voorbijganger te houden, of zich door kleine beleefdheden den voornaamsten der vreemde indringers te vriend te maken, van wien hij een postje bij eene assurantiemaatschappij verwachtte, als de zaken van het kantoor geliquideerd waren.Voor majoor Bagstock was het bankroet wezenlijk eene ramp. De majoor had niet veel gevoel voor anderen—al zijne aandacht was op J. B. gevestigd en hij was ook aan niet veel gemoedsbewegingen onderhevig, of men moest hoesten en hijgen gemoedsbewegingen kunnen noemen. Maar hij had in zijne club zoodanig met zijn vriend Dombey gepronkt, en de leden in het algemeen zoo dikwijls zijn rijkdom naar het hoofd gegooid, dat de club, die toch maar menschelijk was, er in juichte dit den majoor nu betaald te kunnen zetten, door hem met eene vertooning van groote meewarigheid te vragen, of hij dien geweldigen tuimel ook eenigszins verwacht had, en hoe zijn vriend Dombey zich[405]daaronder hield. Op al zulke vragen antwoordde de majoor, purperrood wordende, dat het eene booze wereld was, mijnheer; dat Joey anders zijn weetje wel wist, maar zich had laten foppen als een kind; dat, als gij J. Bagstock dit voorspeld hadt, toen hij met Dombey op reis ging en dien vagebond door geheelFrankrijknajoeg, J. Bagstock u zou hebben uitgelachen—uitgelachen, mijnheer. Dat Joe bedrogen was, mijnheer, gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker was; zoo zelfs, dat als Joe’s vader morgen uit zijn graf opstond, hij den ouden heer voor geen stuiver zou vertrouwen, maar hem zou zeggen dat zijn zoon Josh een te oud soldaat was om zich nog eens te laten beetnemen, mijnheer. Dat hij een achterdochtige, knorrige, versletene, ongeloovige ijzervreter was, mijnheer; en dat, als het met het fatsoen van een ruwen en taaien majoor van de oude school strookte, die de eer had gehad persoonlijk bekend te zijn en geprezen te worden met en door Hunne Koninklijke Hoogheden de Hertogen vanYorkenKent, om in eene ton te kruipen en daarin te blijven wonen, hij waarachtig, mijnheer, morgen eene ton inPall Mallzou laten zetten, om zijne verachting voor het menschdom te toonen.Dit alles, en nog vele variatiën van hetzelfde deuntje, ontboezemde de majoor met zulke beroerteachtige verschijnselen, zulk een rollen van zijn hoofd, en zulk een gebrom van verontwaardiging en kwaadheid, dat de jongste leden der club zich verbeeldden, dat hij geld in het kantoor van zijn vriend Dombey gezet en dit verloren had; maar de oudere en slimmere leden, die Joe beter kenden, wilden daarvan niet hooren. De ongelukkige inboorling, die geen gevoelen daaromtrent uitte, had schrikkelijk veel te lijden, niet alleen in zijn zedelijk gevoel, dat op ieder uur van den dag door den majoor gemarteld werd, maar ook in zijne lichamelijke gevoeligheid voor stompen en builen, waarvoor hij gedurig blootstond. Zes geheele weken lang na het bankroet leefde de ongelukkige buitenlander in een regentijd van laarzentrekkers en borstels.Mevrouw Chick had ten aanzien van dit schrikkelijk onheil drie denkbeelden. Het eerste was, dat zij het niet begrijpen kon. Het tweede, dat haar broeder zich niet ingespannen had. Het derde, dat het nooit gebeurd zou zijn, als zij op den dag dier eerste partij op het diner was gevraagd, en dat zij dit toen gezegd had.Niemands gevoelen weerde het ongeluk af, verlichtte of verzwaarde het. Men vernam dat de zaken van het kantoor zoo goed het gaan wilde geliquideerd zouden worden; dat mijnheer Dombey vrijwillig al wat hij bezat had afgestaan en van niemand eenige gunst wilde hebben. Dat er aan geen weder opvatten van de zaken te denken was, daar hij van geene schikking tot dat einde wilde hooren; dat hij alle posten van eer en vertrouwen, die hij, als een man van aanzien onder de kooplieden, bekleedde, had neergelegd; dat hij doodziek was, volgens sommigen; dat hij tot eene zwaarmoedige waanzinnigheid was vervallen, volgens anderen; dat hij geheel geruïneerd was, volgens allen.De klerken verstrooiden zich, nadat zij onder elkander een condoleantie-dineetje hadden gegeven, waarbij comische liedjes werden gezongen, en waarbij men zich uitmuntend vermaakte. Sommige kregen eene andere betrekking buitensland, sommige op een ander kantoor thuis; sommige gingen familiebetrekkingen opzoeken, voor welke zij zich eensklaps herinnerden eene bijzondere genegenheid te hebben; en sommige adverteerden in de couranten om eene plaats. Perch bleef van het geheele personeel alleen over, en zat op zijn bankje naar de vreemde indringers te kijken, of sloofde zich uit om den voornaamsten daarvan, die hem aan een postje bij de assurantiemaatschappij zou helpen, te believen. Spoedig begon het kantoor er smerig en verwaarloosd uit te zien. De koopman in pantoffels en halsbanden, op den hoek, zou getwijfeld hebben of het hem wel voegde om nu nog naar den rand van zijn hoed te wijzen, als Dombey zich daar weder had vertoond; de kruier, met zijne handen onder zijn wit sloofje, hield zedekundige bespiegelingen over den hoogmoed, waarvan het spreekwoord, naar zijne gedachten, niet te vergeefs zeide dat hij voor den val komt.Morfin, de oude vrijer met grijzende haren en bakkebaarden, was misschien de eenige van het kantoor—het hoofd daarvan natuurlijk uitgezonderd—die waarlijk diep getroffen was door de ramp, welke het overkomen was. Hij had Dombey vele jaren lang met genoegzamen eerbied behandeld, maar nooit zijn natuurlijk karakter ontveinsd, of tot eigen voordeel laaggeestig zijn heerschenden hartstocht gevleid. Hij had derhalve geene zelfverachting te wreken, geene lang knellende banden los te rukken. Hij werkte vroeg en laat om alles te verduidelijken wat in de boeken duister en ingewikkeld was; hield zich altijd gereed om op te helderen wat opheldering noodig had; zat dikwijls des avonds laat nog in zijne oude kamer op moeielijkheden te studeeren, door welker oplossing hij Dombey de onaangenaamheid kon besparen van persoonlijk ondervraagd te worden; en ging dan naar zijne woning teIslingtonom, eer hij naar bed ging, zijn gemoed tot kalmte te brengen door de treurigste en weemoedigste klanken uit zijne violoncel te halen.Hij zat zich eens op een avond, toen het verloop van den dag hem bijzonder ontmoedigd had, met het welluidend gebrom der zwaarste tonen te troosten, toen zijne huiswaardin (die gelukkig doof was, en geene andere bewustheid[406]had van zijne muziek dan door het gevoel van een dreunen door haar gebeente) hem kwam zeggen, dat er eene dame was om hem te spreken.“In den rouw,” zeide zij.De violoncel zweeg onmiddellijk, en nadat de speler dit instrument zeer behoedzaam op de sofa had gelegd, gaf hij een teeken, dat de dame mocht binnenkomen. Hij ging zelf terstond naar buiten en ontmoette Harriët Carker op het portaal.“Alleen!” zeide hij. “En John van morgen nog hier? Is er iets gebeurd, lieve? Maar neen,” voegde hij er bij, “uw gezichtje zegt heel wat anders.”—“Ik vrees dan dat het iets zeer eigenlievends verraadt,” antwoordde zij.—“Het staat heel vergenoegd,” zeide hij, “en als het eigenliefde verraadt, is dat, als wat nieuws, wel de moeite waard om bij u te zien. Maar ik geloof dat niet.”Hij had nu een stoel voor haar gezet, en plaatste zich tegenover haar, terwijl de violoncel op de sofa tusschen hen in lag.“Het zal u niet verwonderen dat ik alleen kom, of dat John u niet gezegd heeft dat ik zou komen,” zeide Harriët, “en zult gijdatwel gelooven, als ik u zeg waarom ik kom. Mag ik dat nu doen?”—“Gij kunt niet beter.”—“Waart ge niet bezig?”Hij wees naar de violoncel en zeide: “Dat ben ik den geheelen dag geweest. Hier is mijn getuige. Ik heb hem al mijne zorgen toevertrouwd. Ik wenschte dat ik er geen had dan voor mij zelven.”—“Is het geheel ten einde met het kantoor?”—“Geheel ten einde.”—“Zal het nooit weer worden hervat?”—“Nooit.”De heldere uitdrukking van haar gezichtje werd niet verduisterd, toen hare lippen dit woord herhaalden. Hij scheen dit met eenige verwondering onwillekeurig op te merken en zeide nog eens:“Nooit. Gij herinnert u wel wat ik gezegd heb. Het is sedert lang onmogelijk geweest hem van iets te overtuigen, onmogelijk met hem te redeneeren; somtijds onmogelijk hem te naderen. Het ergste is gebeurd. Het huis is gevallen om nooit weer opgebouwd te worden.”—“En is mijnheer Dombey zelf geruïneerd?”—“Geruïneerd.”—“Heeft hij geen bijzonder vermogen over? Niets?”Zekere drift in haar toon en iets dat bijna blijdschap was in haar blik, scheen hem meer en meer te verwonderen, en hem tevens te leur te stellen en wanluidend met zijn eigen gevoel te strijden. Hij trommelde met zijne vingers op de tafel, zag haar oplettend aan, schudde zijn hoofd en zeide, na eene poos:“De middelen van mijnheer Dombey zijn mij niet nauwkeurig bekend; maar hoewel zij ontwijfelbaar zeer groot zijn, zijn daarentegen zijne verplichtingen ontzettend. Hij is een man van eer en strenge rechtschapenheid. Een ander in zijne positie had zich kunnen redden, en menigeen zou dat gedaan hebben, door een accoord te maken, dat het verlies van hen, die zaken met hem hadden gedaan, maar zeer weinig, bijna onmerkbaar, zou vergroot hebben, en waardoor hij iets zou hebben overgehouden om van te leven. Maar hij heeft besloten den laatsten penning te betalen, die zijne middelen kunnen opbrengen. Zijne eigene woorden zijn, dat hij alle schulden van het kantoor geheel of bijna geheel zal afdoen, en dat niemand veel kan verliezen. O, jufvrouw Harriët, het zou ons geen kwaad doen, als wij meer bedachten, dan wij dit wel doen, dat ondeugden somtijds maar tot een uiterste gedrevene deugden zijn! Nu vertoont zijn trots zich van den goeden kant.”Zij hoorde hem aan met geen of weinig verandering in hare trekken, en met eene verdeelde aandacht, die bewees, dat zij aan iets anders dacht. Toen hij zweeg, vroeg zij hem haastig:“Hebt gij hem binnen kort gezien?”—“Niemand ziet hem. Als deze crisis van zijne zaken hem noodzaakt om zijn huis te verlaten, gaat hij om die reden uit, en dan weder naar huis, en sluit zich op, en wil niemand zien. Hij heeft mij een brief geschreven, waarin hij van onze vroegere betrekking spreekt, met meer eer voor mij dan ik verdiende, en afscheid van mij neemt. Ik ben huiverig, om mij nu aan hem op te dringen, daar ik in betere tijden nooit veel omgang met hem gehad heb; maar ik heb toch beproefd dat te doen. Ik heb geschreven, ben daar naar toe gegaan, heb gebeden. Geheel vruchteloos.”Hij sloeg haar gade, als hoopte hij dat zij meer meewarigheid aan den dag zou leggen, dan zij nog gedaan had, en sprak met ernst en gevoel, als om meer indruk op haar te maken; maar hare trekken veranderden niet.“Wel, jufvrouw Harriët,” zeide hij met een gezicht vol teleurstelling, “dat doet er niet toe. Gij zijt hier gekomen om dit te hooren. Gij hebt iets anders en aangenamers in uwe gedachten. Laat het ook in de mijne komen, dan zullen wij meer op gelijken voet met elkander praten. Kom aan.”—“Neen, wij hebben hetzelfde in onze gedachten,” antwoordde Harriët met onbewimpelde verrassing. “Is dat niet waarschijnlijk? Is het niet natuurlijk, dat John en ik veel denken en spreken over die groote veranderingen? Mijnheer Dombey, dien hij zoovele jaren gediend heeft—gij weet op welken voet—zoo arm geworden als gij zegt, en wij rijk!”Welk een goed en oprecht gezichtje zij ook had, beviel het den ouden vrijer met grijzend haar thans, nu deze straal van blijdschap het verhelderde, toch minder dan het hem ooit had bevallen.[407]“Ik behoef u niet te herinneren,” vervolgde Harriët, hare oogen neerslaande naar haar zwart kleed, “waardoor onze omstandigheden zoo veranderd zijn. Gij hebt niet vergeten, dat onze broeder James, op dien schrikkelijken dag, geen testament naliet en geene bloedverwanten behalve ons?”Het gezichtje was hem nu aangenamer, schoon het bleek en treurig werd, dan een oogenblik geleden. Hij scheen vrijer adem te halen.“Gij kent onze geschiedenis,” zeide zij, “de geschiedenis van mijne beide broeders, in betrekking tot dien ongelukkigen man, van wien gij zoo naar waarheid hebt gesproken. Gij weet, hoe weinig behoeften wij hebben—John en ik—en hoe weinig het geld ons kan baten, na het leven, dat wij zoovele jaren te zamen hebben geleid; vooral nu hij, door uwe goedheid, een inkomen heeft, dat ruim genoeg voor ons is. Gij zijt dus niet onvoorbereid om te hooren, welke gunst ik van u kom vragen?”—“Dat weet ik haast niet. Een oogenblik geleden was ik het wel. Nu geloof ik van neen.”—“Van mijn dooden broeder zeg ik niets. Als de dooden weten wat wij doen—maar gij verstaat mij. Van mijn levenden broeder zou ik veel kunnen zeggen, maar wat behoef ik meer te zeggen, dan dat die plichtvervulling, waartoe ik uwe onmisbare hulp kom vragen, geheel zijne gedachte is, en hij niet kan rusten voordat hij ze volbracht heeft.”Zij sloeg hare oogen neder, en de blijdschap, die haar gezicht verhelderde, begon nu voor de oplettende oogen, die haar gadesloegen, iets schoons te krijgen.“Het moet zeer stil en geheim gedaan worden,” vervolgde zij. “Uwe kunde en ondervinding zullen u wel een weg aanwijzen om het te doen. Mijnheer Dombey zal misschien in de meening kunnen gebracht worden, dat er onverwacht nog iets uit de schipbreuk van zijn vermogen is gered; of dat het eene vrijwillige hulde aan zijn eervol karakter is van sommigen, met wie hij groote zaken heeft gedaan; of dat het de betaling van eene lang uitgeschrapte schuld is. Er moeten vele manieren zijn om het te doen. Gij zult de beste wel weten te kiezen. De gunst, die ik van u kom vragen, is dat gij dit voor ons op uwe eigene vriendelijke, edele, bedachtzame manier wilt doen. Dat gij er nooit van tegen John wilt spreken, wiens grootste genoegen in deze daad van vergoeding is, ze onbekend en ongeprezen te verrichten; dat maar een zeer klein gedeelte der erfenis voor ons bewaard zal worden, totdat mijnheer Dombey zijn leven lang de interest van het overige zal genoten hebben; dat gij ons geheim getrouw zult bewaren—maar daarvan ben ik zeker; en dat er van dezen tijd af tusschen u en mij maar zelden van gefluisterd mag worden, maar het alleen in mijne gedachten mag leven, als eene nieuwe reden tot dankbaarheid aan den hemel, en tot blijde trotschheid op mijn broeder.”Zulk eene blijdschap kon van het gelaat van een engel stralen, wanneer één boetvaardig zondaar den hemel binnentreedt, onder negen en negentig rechtvaardigen. Zij werd niet beneveld door de tranen, die hare oogen vulden, maar blonk daardoor nog te helderder uit.“Mijne lieve Harriët,” zeide Morfin, na eene poos van stilte, “daarop was ik geheel niet verdacht. Moet ik verstaan, dat gij uw eigen aandeel in de erfenis aan uw goed oogmerk dienstbaar wilt maken, evenals dat van John?”—“O ja,” antwoordde zij. “Nu wij zoolang alles te zamen hebben gedeeld, en geene zorg of hoop of doel van elkander afgescheiden hebben gehad, zou ik het nu kunnen dragen, dat ik van mijn deel hierin werd uitgesloten? Mag ik niet vorderen, tot het laatste toe mijn broeders deel- en lotgenoote te zijn?”—“De hemel verhoede, dat ik dat zou betwisten,” antwoordde hij.—“Wij mogen ons dus op uwe vriendschappelijke hulp verlaten?” zeide zij, “Dat wist ik ook wel.”—“Ik zou een slechter mensch wezen—dan ik hoop te zijn, of mij zelve gaarne voor zou houden, als ik u dat niet met hart en ziel kon verzekeren. Dat moogt gij, zonder bedenken. Op mijne eer, ik zal uw geheim bewaren. En als het blijken mocht, dat mijnheer Dombey zoo arm is, als ik vrees dat blijken zal, wanneer hij bij een voornemen blijft, waarvan niemand hem schijnt te kunnen afbrengen, zal ik u helpen om het plan uit te voeren, waartoe gij en John gemeenschappelijk besloten hebt.”Zij gaf hem hare hand en dankte hem met hartelijke blijdschap.“Harriët,” zeide hij, hare hand vasthoudende, “u een woord te zeggen van de waarde van eenige opoffering, die gij nu doen kunt—vooral van eene opoffering van enkel geld—zou nutteloos en aanmatigend zijn. U te vermanen om u nog eens op uw voornemen te bedenken, of het binnen engere grenzen te beperken, zou, dat gevoel ik, dit evenzeer wezen. Het voegt mij niet, het groote slot eener groote geschiedenis te bederven door iemand mijn eigen zwak begrip te willen opdringen. Het voegt mij alleen, mijn hoofd te buigen voor wat gij mij toevertrouwt, overtuigd, dat het u door iets hoogers wordt ingegeven, dan mijne ellendige wereldkennis. Ik wil dit alleen zeggen; ik ben uw getrouwe rentmeester; en ik wil dat, en uw uitverkoren vriend, liever zijn, dan ik iets anders in de wereld zou kunnen wezen, of ik moest u zelve kunnen zijn.”Zij dankte hem nog eens hartelijk en wenschte hem goedennacht.“Gaat gij naar huis?” zeide hij. “Laat mij met u meegaan.”—“Van avond niet. Ik ga[408]nu niet naar huis. Ik moet nog alleen een bezoek brengen. Zult gij morgen komen?”—“Goed, goed,” zeide hij. “Ik zal morgen komen. Ondertusschen zal ik eens daarover denken. Misschien zultgijer ook over denken, lieve Harriët—en—en een weinigje aan mij denken in verband daarmede.”Hij hielp haar in eene koets, die haar voor de deur stond te wachten; en als zijne huiswaardin niet doof was geweest, had zij hem, terwijl hij weder naar boven ging, hooren mompelen, dat wij slaven der gewoonte zijn, en dat het eene treurige gewoonte is een oud vrijer te zijn.Daar de violoncel nog tusschen de twee stoelen op de sofa lag, nam hij dat instrument op, zonder den ledigen stoel weg te zetten, en zat, zijn hoofd schuddende tegen den ledigen stoel, nog lang, zeer lang te zagen. De uitdrukking, die hij in het eerst aan zijn instrument mededeelde, schoon weemoedig en aandoenlijk, was nog niets bij de uitdrukking, die hij aan zijn eigen gezicht gaf, en die zoo sterk was, dat hij meer dan eens kapitein Cuttle’s hulpmiddel moest te baat nemen en zijn gezicht met zijne mouw afvegen. Langzamerhand evenwel ging de violoncel, in overeenstemming met zijn eigen gemoed, tot de vroolijke tonen van den Zangerigen Hoefsmid over, welke melodie hij nogmaals en nogmaals overspeelde, tot zijn eigen verhelderd gezicht blonk gelijk het metaal op het aanbeeld van een echten hoefsmid. Kortom, de violoncel en de ledige stoel hielden den ouden vrijer gezelschap tot dicht bij middernacht; en toen hij zijn avondmaal gebruikte, scheen de violoncel, in den hoek der sofa overeindgezet, uit zijne kromme oogholten tegen den ledigen stoel te lonken, alsof beide meer wisten dan zij konden zeggen.Toen Harriët het huis verliet, reed de voerman der huurkoets, een weg inslaande die hem blijkbaar niet nieuw was, verscheidene straten in die voorstad door, tot hij aan eene opene plek kwam, waar, tusschen tuinen, eenige nederige oude huisjes stonden. Aan het tuinhek van een dier huisjes hield hij op en stapte Harriët af.Toen zij zacht aanschelde, werd haar opengedaan door eene vrouw met een beklaaglijk, bijna kleurloos gezicht, opgetrokkene wenkbrauwen en het hoofd op zijde hangende, die diep voor haar neeg en haar door den tuin naar het huis bracht.“Hoe is het met de zieke van avond?” zeide Harriët.—“Heel min, vrees ik, jufvrouw. O, hoe dikwijls doet zij mij aan mijn ooms Betsey Jane denken!” antwoordde de vrouw met zekere treurige verrukking.—“In welk opzicht?” vroeg Harriët.—“In alle opzichten, jufvrouw,” was het antwoord, “behalve dat zij volwassen is, en Betsey Jane, toen zij op den oever van den dood lag, nog maar een kind was.”—“Maar gij hebt mij verteld dat zij beter werd,” merkte Harriët aan, “en dus is er des te meer reden om te hopen, jufvrouw Wickam.”—“Och, jufvrouw, hoop is iets heel goeds voor menschen, die ze verdragen kunnen,” zeide jufvrouw Wickam, haar hoofd schuddende. “Ik ben er niet toe in staat, maar ik mag het toch wel lijden. Ik benijd zelfs de menschen, die zoo gelukkig zijn.”—“Gij moest wat vroolijker wezen,” merkte Harriët aan.—“Wel bedankt, jufvrouw, inderdaad,” antwoordde jufvrouw Wickam zeer stroef. “Al wilde ik dat, dan zou de eenzaamheid van mijn post hier—gij zult mij niet kwalijk nemen, dat ik zoo vrij spreek—mij dat toch binnen vier en twintig uren onmogelijk maken. Maar dat is nog niet alles. Ik wilde liever niet. Van het weinigje moed, dat ik er ooit toe had, ben ik eenige jaren geleden teBrightonberoofd, en ik geloof dat het zoo beter voor mij is.”Het was dezelfde jufvrouw Wickam, die jufvrouw Richards als verzorgster van den kleinen Paul had vervangen, en die nu meende, dat zij door het bedoelde verlies, onder het dak der beminnelijke mevrouw Pipchin, inderdaad gewonnen had. De uitmuntende, door lange gewoonte geheiligde, methode, volgens welke doorgaans de akeligste en onaangenaamste menschen, die men met mogelijkheid vinden kan, tot ziekenoppassters en dergelijke betrekkingen worden verkozen, had jufvrouw Wickam eene zeer goede klandizie in dat vak bezorgd, en deed hare ernstige denkwijs als eene aanbeveling te meer beschouwen.Jufvrouw Wickam, ging, met opgetrokkene wenkbrauwen, het hoofd op zijde en het licht in de hand, vooruit naar boven naar eene nette, zindelijke kamer, waaraan eene andere flauw verlichte kamer grensde, waarin een bed stond. In de eerste kamer zat eene oude vrouw voor het opene venster werktuiglijk in de duisternis te staren. In de tweede lag, op het bed uitgestrekt, de schim van eene gedaante, die eens op een winteravond den stormwind en den regen tartte, nu nauwelijks te herkennen, behalve aan het lange zwarte haar, dat zoo bijzonder zwart scheen bij het bleeke gezicht en al het witte in het rond.O, die sterke oogen en dat zwakke lichaam! Die oogen, die zich snel en helder naar de deur keerden toen Harriët binnenkwam, en dat zwakke hoofd, dat zich niet kon opbeuren en zich zoo langzaam op het kussen omdraaide!“Alice!” zeide Harriët vriendelijk. “Kom ik niet laat van avond?”—“Het schijnt altijd laat, maar gij komt toch altijd vroeg.”Harriët had zich nu bij het bed neergezet, en legde hare hand op de uitgeteerde hand, die op het dek lag.“Ge zijt wat beter?”[409]Jufvrouw Wickam, die als een naargeestig spook aan het einde van het bed stond, schudde zeer krachtig haar hoofd om dit vermoeden tegen te spreken.“Het komt er weinig op aan,” zeide Alice met een flauwen glimlach. “Beter of erger vandaag, maakt maar een dag verschil—misschien zooveel niet eens.”De ernstig denkende jufvrouw Wickam gaf door een zwaren zucht hare goedkeuring te kennen; en nadat zij het dek aan het voeteneinde had betast, als dacht zij de koude voeten van de lijderes daardoor heen te voelen, ging zij wat met de medicijnfleschjes op de tafel rinkelen, als wilde zij zeggen: “zoolang er leven is, moet men toch innemen.”“Neen,” fluisterde Alice, “slecht gedrag en wroeging, vermoeienis, gebrek, weer en wind, storm van buiten en storm van binnen, hebben mijn leven versleten. Het zal niet lang meer duren.”Zij trok, zoo sprekende, de hand hooger op en legde haar gezicht daartegen.“Ik lig hier somtijds te denken, dat ik gaarne zou willen leven tot ik tijd had gehad, om u te toonen hoe dankbaar ik zou kunnen zijn. Maar dat is eene zwakheid en gaat gauw voorbij. Het is beter zóó voor u. Beter voor mij.”Hoe geheel anders vatte zij de hand, dan zij eens bij dien haard op dien barren winteravond had gedaan. Haat, woede, roekeloosheid, halsstarrigheid—zie hier wat er van komt. Dit is het einde.Nadat jufvrouw Wickam genoeg met de fleschjes had gerinkeld, kwam zij nu met het drankje aan. Zij keek de lijderes scherp aan terwijl zij dronk, kneep haar mond daarbij dicht en schudde haar hoofd, om aan te duiden, dat geene martelingen haar konden doen zeggen, dat het een hopeloos geval was. Daarna ging zij heen om zich beneden met wat gebak te versterken.“Hoelang is het geleden,” zeide Alice, “dat ik bij u kwam en u zeide wat ik gedaan had, en gij onderricht werdt, dat het te laat was om iemand na te zenden?”—“Over het jaar,” antwoordde Harriët.—“Over het jaar,” zeide Alice, haar peinzend aanziende. “Maanden aan maanden sedert gij mij hier gebracht hebt!”“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?” (blz. 413).“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?”(blz. 413).[410]Harriët antwoordde: “Ja!”“Mij hier gebracht hebt met geweld van goedheid en zachtheid! Mij!” zeide Alice, haar gezicht achter de hand verbergende. “En mij tot een mensch hebt gemaakt door de oogen en woorden van eene vrouw en de daden van een engel!”Harriët, over haar heengebogen, poogde haar te bedaren en te troosten. Weldra vroeg Alice, nog zoo liggende, met die hand tegen haar gezicht, om hare moeder te roepen.Harriët riep haar meer dan eens, maar de oude vrouw was zoo verdiept in haar turen in de duisternis, dat zij niet hoorde. Eerst toen Harriët naar haar toe ging en haar aanraakte, stond zij op en kwam.“Moeder!” zeide Alice, die hand weder vattende, en hare glansrijke oogen liefdevol op hare weldoenster vestigende; “zeg haar wat gij weet.”—“Van avond, liefje?”—“Ja, moeder,” antwoordde Alice, zacht en plechtig. “Vanavond.”De oude vrouw, wier verstand door angst of wroeging gekrenkt scheen te zijn, kwam naar het bed gekropen, aan den kant tegenover dien, waar Harriët zat; en daar neerknielende, zoodat zij haar gerimpeld gezicht op gelijke hoogte met het dek bracht, en hare hand uitstekende, zoodat zij Alice’s arm aanraakte, begon zij:“Mijne mooie dochter—”Hemel, welk een kreet was dat, waarmede zij zich stuitte, toen zij de gedaante in dat bed aanzag!“Al lang geleden veranderd, moeder,” zeide Alice zonder haar aan te zien. “Maak u daarom nu niet meer bedroefd.”—“Mijne dochter,” zeide de oude vrouw haperend, “die gauw weer beter zal worden, en ze dan allen beschaamd zal maken met haar mooi.”Alice zag Harriët met een treurigen glimlach aan, en streelde die hand, maar zeide niets.“Die gauw weer beter zal worden, zeg ik,” herhaalde de oude vrouw, dreigende hare dorre vuist schuddende, “en ze dan allemaal beschaamd maken met haar mooi—dat zal zij. Ik zeg dat zij zal—dat moet zij,” als sprak zij met hartstochtelijke drift tegen een onzichtbaar persoon bij het bed, die haar tegensprak. “Mijne dochter is verzaakt en verbannen, maar zij kon op hare bloedverwantschap op groote lieden roemen, als zij wilde. Ja, op groote trotsche lieden! Er bestaat ook bloedverwantschap zonder uwe geestelijken en trouwringen—zij maken ze, maar zij kunnen ze niet breken—en mijne dochter is van goede familie. Wijs mij mevrouw Dombey, en gij wijst mij Alice’s volle nicht.”Harriët zag van de oude vrouw naar de glanzige oogen, die haar aanstaarden, en las daarin eene bevestiging.“Wat!” riep de oude vrouw, met akelige ijdelheid haar hoofd oprichtende. “Al ben ik nu oud en leelijk—maar toch veel ouder door mijne manier van leven dan door mijne jaren—ik ben eens zoo jong geweest als iemand. Ja, en zoo mooi ook als velen! Ik was een frisch boerenmeisje in mijn tijd, liefje,” haar arm over het bed naar Harriët uitstrekkende, “en zag er goed uit. Waar ik woonde waren mevrouw Dombey’s vader en zijn broeder de vroolijkste heeren, die daar vanLondenkwamen logeeren—maar zij zijn al lang dood! och Heere! al heel lang. De broeder, die mijn Ally’s vader was, al het langst van de twee.”Zij lichtte haar hoofd op en zag hare dochter turend aan, als bracht de herinnering harer eigene jeugd haar op die van haar kind. Toen viel zij eensklaps met haar gezicht op het bed, en klemde haar hoofd tusschen hare handen.“Zij geleken zoo sterk op elkander,” zeide de oude vrouw, zonder op te zien, “als twee broeders maar konden doen, zoo gelijk van jaren—zij scheelden niet veel meer dan een jaar, herinner ik mij—en als gij mijne dochter hadt kunnen zien, zooals ik haar eens gezien heb, vlak naast de dochter van dien anderen, zoudt gij, met al het verschil van kleeding en manieren, gezien hebben, dat zij op elkander geleken. O, de gelijkenis is weg—en het is mijne dochter—mijne dochter alleen—die zoo moest veranderen!”—“Wij zullen allen veranderen, moeder, op onze beurt,” zeide Alice.—“Beurt!” riep de oude vrouw. “Maar waarom niet hare beurt even gauw als mijn dochters beurt! De moeder moet veranderd zijn—zij zag er even oud en gerimpeld uit als ik, door haar blanketsel heen—maarzijwas mooi gebleven. Wat hebikgedaan, wat heb ik erger gedaan dan die andere, dat mijne dochter alleen daar moet liggen verkwijnen!”Met een woesten gil liep zij naar de kamer, waaruit zij gekomen was; maar terstond weder in eene andere stemming komende, keerde zij weerom, kroop naar Harriët toe en zeide:“Dat is het wat Alice wilde, dat ik zou zeggen, liefje. Dat is alles. Ik ontdekte het eens op een zomer inWarwickshire, toen ik haar zag en vroeg wie zij was. Zulke bloedverwanten konden mij toen niet baten. Zij zouden mij niet erkend hebben en hadden mij niets te geven. Ik zou ze misschien naderhand toch om een beetje geld hebben gevraagd, als het niet om Alice was geweest; zij zou mij vermoord hebben, geloof ik, als ik het gedaan had. Zij was zoo trotsch als die andere op hare manier,” zeide de oude vrouw, vreesachtig het gezicht harer dochter aanrakende en daarop hare hand terugtrekkende, “al houdt zij zich nu zoo bedaard; maar zij zal ze toch nog beschaamd maken met haar mooi. Ha, ha! zij zal ze beschaamd maken—mijne mooie dochter!”De lach, waarmede zij heenging, was akeliger dan haar gillen; akeliger dan het kinderachtig gejammer, dat daarop volgde; akeliger[411]dan de sufheid, waarmede zij zich weder op haar stoel zette en in de duisternis staarde.De oogen van Alice waren al dien tijd op Harriët gevestigd gebleven, welker hand zij niet had losgelaten. Nu zeide zij:“Terwijl ik hier lag, dacht ik dikwijls dat ik u dit gaarne wilde doen weten. Het kon, dacht ik, iets verklaren, dat er toe bijdroeg om mij te verharden. Ik had, onder mijn kwaad doen, zooveel van mijne verwaarloosde plichten gehoord, dat ik begon te gelooven dat anderen integendeel hun plicht jegens mij hadden verzuimd, en dat er van het zaad, dat zij gezaaid hadden, geen andere oogst kon groeien. Ik meende te zien dat, wanneer dames eene slechte moeder en een onaangenaam leven hadden, zij op hare manier ook den slechten weg opgingen, maar dat hare manier niet zoo schandelijk was als de mijne, en dat zij daarvoor God mochten danken. Dat is alles voorbij. Het is nu als een droom, dien ik mij niet goed meer kan herinneren. Het heeft meer en meer naar een droom gaan gelijken, sedert den dag toen gij begonnen zijt hier bij mij te zitten en voor mij te lezen. Ik zeg het u maar, zooveel ik mij herinner. Wilt ge nog wat voor mij lezen?”Harriët trok hare hand terug om het boek open te slaan, toen Alice die nog even vasthield.“Gij zult mijne moeder niet vergeten? Ik vergeef haar, als ik reden daartoe heb. Ik weet dat zij mij vergeeft, en dat zij in haar hart bedroefd is. Gij zult haar niet vergeten?”—“Nooit, Alice!”—“Een oogenblik nog. Leg mijn hoofd zoo, lieve, dat ik, als gij leest, de woorden op uw vriendelijk gezicht kan zien.”Harriët voldeed aan dit verlangen en las—las uit het eeuwige boek voor alle vermoeiden en zwaar beladenen, voor al de rampzaligen, gevallenen en verwaarloosden dezer aarde—las de gezegende geschiedenis, waarin de blinde, de lamme, de kreupele bedelaar, de misdadiger, de vrouw met schande bevlekt, zij, die door hen, welke zich beter achten, worden vermeden, allen hun deel hebben, dat door geene menschelijke trotschheid of onverschilligheid, door al de eeuwen, die deze wereld duren zal, heen, kan worden weggenomen of niet het duizendste deel van een grein verminderd—las de woorden en daden van Hem, die medelijden had met alle smarten en angsten van het menschelijk leven.“Ik zal morgenochtend heel vroeg terugkomen,” zeide Harriët toen zij het boek sloot.De glanzige oogen, nog op haar gelaat gevestigd, sloten zich voor een oogenblik en openden zich weder, en Alice kuste en zegende haar.Dezelfde oogen volgden haar naar de deur, en toen deze gesloten werd, kwam er een glimlach op het kalme bleeke gelaat.Die oogen wendden zich niet weder af. Zij legde hare hand op hare borst, prevelde den heiligen naam, die voor haar gelezen was, en het leven verdween uit hare trekken, gelijk een licht dat men wegneemt.Niets lag daar meer dan de ruïne van het sterfelijke huis, dat de storm had geteisterd, en het zwarte haar, dat in den winterwind had gefladderd.
[Inhoud]LVIII.NA EEN TIJDSVERLOOP.De zee had een geheel jaar lang hare getijden gehad. Een geheel jaar lang waren winden en wolken gekomen en gegaan, en had de tijd, in storm en zonneschijn, zijn rusteloozen arbeid verricht. Een geheel jaar lang hadden de getijden van het wisselend menschenlot den hun toegewezen loop gehouden. Een geheel jaar[404]lang had het vermaarde kantoor van Dombey en Zoon voor zijn leven gestreden, tegen onverwachte tegenspoeden, nadeelige geruchten, ongelukkige waagstukken, ongunstige tijden, en vooral tegen de verdwaasdheid van den eigenaar, die zijne ondernemingen geene haarbreedte wilde inkrimpen, die naar geen woord van waarschuwing wilde luisteren, dat het schip, waarmede hij den storm wilde tarten, zwak was en het niet kon uithouden.Het jaar was om, en het groote kantoor was gevallen.Op een zomermiddag, omtrent een jaar na dat huwelijk in deCity, werd er op de Beurs over een groot bankroet gemompeld. Zeker koud en trotsch man, daar welbekend, was er niet, en was door niemand vertegenwoordigd. Den volgenden dag hoorde men, dat het kantoor van Dombey en Zoon zijne betalingen had gestaakt, en den volgenden avond werd er eene lijst van bankroetiers uitgegeven, met dien naam bovenaan.Nu had de wereld veel te zeggen. Het was eene onnoozele, lichtgeloovige, erg mishandelde wereld. Het was eene wereld, waarin men nog nooit van een ander soort van bankroeten had gehoord. Er waren geene voorname mannen in, die wijd en zijd handel dreven met valschen godsdienst, vaderlandsliefde, deugd en eer. Er was geen papier in omloop, waarvan iemand rijkelijk leefde, en waarbij groote sommen van braafheid werden beloofd, waarvoor geen kapitaal aanwezig was. Nergens kwam men ooit iets te kort behalve geld. De wereld was heel boos; en die menschen vooral, die men in eene slechtere wereld voor insolvente speculanten in vertooning en geveinsdheid had kunnen houden, waren ten hoogste verontwaardigd.Nu werd Perch, den kantoorlooper, door het spel der omstandigheden eene nieuwe verzoeking tot losbandigheid aangeboden. Het scheen zijn lot te zijn, telkens wakker te moeten worden om zich beroemd te vinden. Pas gisteren, mocht men zeggen, was hij weder in het bijzondere leven afgedaald, na zijne vermaardheid door die vlucht en de daaropvolgende gebeurtenissen; en nu werd hij weder door dat bankroet tot een gewichtiger persoon dan ooit gemaakt. Van zijn bankje in het groote kantoor opstaande, waar hij nu naar de vreemde gezichten zat te kijken, die spoedig bijna al de oude klerken vervingen, behoefde Perch zich maar op straat of voor de toonbank van het Koninklijke Wapen te vertoonen, om eene menigte vragen te hooren, waaronder bijna zeker de belangrijke vraag voorkwam, wat hij te drinken wilde hebben. Dan weidde Perch uit over de uren van hooggaanden angst, die hij en zijne vrouw teBall’s Pondhadden doorgestaan, toen zij pas begonnen te vermoeden, dat “de zaak niet goed ging.” Dan vertelde Perch de hem aangapende luisteraars, met eene zachte stem, alsof het lijk van het overledene kantoor nog onbegraven in de naaste kamer lag, hoe jufvrouw Perch het eerst was begonnen te vermoeden, dat de zaak niet goed ging, door dat zij hem (Perch) in zijn slaap had hooren kermen: “Zestig percent! Zestig percent!” Welk onrustig droomen en slaapspreken hij vermoedde dat ontstaan moest wezen uit den indruk, dien de verandering in mijnheer Dombey’s gezicht op hem maakte. Dan onderrichtte hij hun hoe hij eens gezegd had: “Mag ik zoo vrij zijn om te vragen, mijnheer, is uw gemoed niet gerust?” en hoe mijnheer Dombey had geantwoord: “Mijn trouwe Perch—maar neen, het kan niet zijn!” en zich toen met de hand voor het voorhoofd had geslagen en gezegd: “Verlaat mij, Perch!” Dan, kortom, vertelde Perch, als slachtoffer van zijne positie, eene menigte van allerhande logens, zich zelven tot tranen roerende door diegene, die van een aandoenlijken aard waren, en werkelijk geloovende, dat de verzinsels van gisteren, door de herhaling, vandaag eene soort van waarheid kregen.Perch besloot deze mededeelingen altijd door weemoedig aan te merken, dat, natuurlijk, wat hij ook mocht vermoed hebben (alsof hij ooit iets vermoed had) hethemniet voegde het vertrouwen van zijn patroon te verraden—deed het wel? Welk gezegde (daar er crediteuren bij waren) altijd gehouden werd zijn gevoel tot eer te strekken. Zoo ging hij doorgaans met een gebalsemd geweten heen en liet hij een aangenamen indruk achter, als hij weder naar zijn bankje terugkeerde, om daar naar de vreemdelingen te zitten kijken, die zoo vrij met die groote geheimen, de boeken, omgingen, of nu en dan op de teenen naar Dombey’s ledige kamer te sluipen en het vuur op te poken, of aan de deur een luchtje te scheppen en nog een treurig praatje met een bekenden voorbijganger te houden, of zich door kleine beleefdheden den voornaamsten der vreemde indringers te vriend te maken, van wien hij een postje bij eene assurantiemaatschappij verwachtte, als de zaken van het kantoor geliquideerd waren.Voor majoor Bagstock was het bankroet wezenlijk eene ramp. De majoor had niet veel gevoel voor anderen—al zijne aandacht was op J. B. gevestigd en hij was ook aan niet veel gemoedsbewegingen onderhevig, of men moest hoesten en hijgen gemoedsbewegingen kunnen noemen. Maar hij had in zijne club zoodanig met zijn vriend Dombey gepronkt, en de leden in het algemeen zoo dikwijls zijn rijkdom naar het hoofd gegooid, dat de club, die toch maar menschelijk was, er in juichte dit den majoor nu betaald te kunnen zetten, door hem met eene vertooning van groote meewarigheid te vragen, of hij dien geweldigen tuimel ook eenigszins verwacht had, en hoe zijn vriend Dombey zich[405]daaronder hield. Op al zulke vragen antwoordde de majoor, purperrood wordende, dat het eene booze wereld was, mijnheer; dat Joey anders zijn weetje wel wist, maar zich had laten foppen als een kind; dat, als gij J. Bagstock dit voorspeld hadt, toen hij met Dombey op reis ging en dien vagebond door geheelFrankrijknajoeg, J. Bagstock u zou hebben uitgelachen—uitgelachen, mijnheer. Dat Joe bedrogen was, mijnheer, gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker was; zoo zelfs, dat als Joe’s vader morgen uit zijn graf opstond, hij den ouden heer voor geen stuiver zou vertrouwen, maar hem zou zeggen dat zijn zoon Josh een te oud soldaat was om zich nog eens te laten beetnemen, mijnheer. Dat hij een achterdochtige, knorrige, versletene, ongeloovige ijzervreter was, mijnheer; en dat, als het met het fatsoen van een ruwen en taaien majoor van de oude school strookte, die de eer had gehad persoonlijk bekend te zijn en geprezen te worden met en door Hunne Koninklijke Hoogheden de Hertogen vanYorkenKent, om in eene ton te kruipen en daarin te blijven wonen, hij waarachtig, mijnheer, morgen eene ton inPall Mallzou laten zetten, om zijne verachting voor het menschdom te toonen.Dit alles, en nog vele variatiën van hetzelfde deuntje, ontboezemde de majoor met zulke beroerteachtige verschijnselen, zulk een rollen van zijn hoofd, en zulk een gebrom van verontwaardiging en kwaadheid, dat de jongste leden der club zich verbeeldden, dat hij geld in het kantoor van zijn vriend Dombey gezet en dit verloren had; maar de oudere en slimmere leden, die Joe beter kenden, wilden daarvan niet hooren. De ongelukkige inboorling, die geen gevoelen daaromtrent uitte, had schrikkelijk veel te lijden, niet alleen in zijn zedelijk gevoel, dat op ieder uur van den dag door den majoor gemarteld werd, maar ook in zijne lichamelijke gevoeligheid voor stompen en builen, waarvoor hij gedurig blootstond. Zes geheele weken lang na het bankroet leefde de ongelukkige buitenlander in een regentijd van laarzentrekkers en borstels.Mevrouw Chick had ten aanzien van dit schrikkelijk onheil drie denkbeelden. Het eerste was, dat zij het niet begrijpen kon. Het tweede, dat haar broeder zich niet ingespannen had. Het derde, dat het nooit gebeurd zou zijn, als zij op den dag dier eerste partij op het diner was gevraagd, en dat zij dit toen gezegd had.Niemands gevoelen weerde het ongeluk af, verlichtte of verzwaarde het. Men vernam dat de zaken van het kantoor zoo goed het gaan wilde geliquideerd zouden worden; dat mijnheer Dombey vrijwillig al wat hij bezat had afgestaan en van niemand eenige gunst wilde hebben. Dat er aan geen weder opvatten van de zaken te denken was, daar hij van geene schikking tot dat einde wilde hooren; dat hij alle posten van eer en vertrouwen, die hij, als een man van aanzien onder de kooplieden, bekleedde, had neergelegd; dat hij doodziek was, volgens sommigen; dat hij tot eene zwaarmoedige waanzinnigheid was vervallen, volgens anderen; dat hij geheel geruïneerd was, volgens allen.De klerken verstrooiden zich, nadat zij onder elkander een condoleantie-dineetje hadden gegeven, waarbij comische liedjes werden gezongen, en waarbij men zich uitmuntend vermaakte. Sommige kregen eene andere betrekking buitensland, sommige op een ander kantoor thuis; sommige gingen familiebetrekkingen opzoeken, voor welke zij zich eensklaps herinnerden eene bijzondere genegenheid te hebben; en sommige adverteerden in de couranten om eene plaats. Perch bleef van het geheele personeel alleen over, en zat op zijn bankje naar de vreemde indringers te kijken, of sloofde zich uit om den voornaamsten daarvan, die hem aan een postje bij de assurantiemaatschappij zou helpen, te believen. Spoedig begon het kantoor er smerig en verwaarloosd uit te zien. De koopman in pantoffels en halsbanden, op den hoek, zou getwijfeld hebben of het hem wel voegde om nu nog naar den rand van zijn hoed te wijzen, als Dombey zich daar weder had vertoond; de kruier, met zijne handen onder zijn wit sloofje, hield zedekundige bespiegelingen over den hoogmoed, waarvan het spreekwoord, naar zijne gedachten, niet te vergeefs zeide dat hij voor den val komt.Morfin, de oude vrijer met grijzende haren en bakkebaarden, was misschien de eenige van het kantoor—het hoofd daarvan natuurlijk uitgezonderd—die waarlijk diep getroffen was door de ramp, welke het overkomen was. Hij had Dombey vele jaren lang met genoegzamen eerbied behandeld, maar nooit zijn natuurlijk karakter ontveinsd, of tot eigen voordeel laaggeestig zijn heerschenden hartstocht gevleid. Hij had derhalve geene zelfverachting te wreken, geene lang knellende banden los te rukken. Hij werkte vroeg en laat om alles te verduidelijken wat in de boeken duister en ingewikkeld was; hield zich altijd gereed om op te helderen wat opheldering noodig had; zat dikwijls des avonds laat nog in zijne oude kamer op moeielijkheden te studeeren, door welker oplossing hij Dombey de onaangenaamheid kon besparen van persoonlijk ondervraagd te worden; en ging dan naar zijne woning teIslingtonom, eer hij naar bed ging, zijn gemoed tot kalmte te brengen door de treurigste en weemoedigste klanken uit zijne violoncel te halen.Hij zat zich eens op een avond, toen het verloop van den dag hem bijzonder ontmoedigd had, met het welluidend gebrom der zwaarste tonen te troosten, toen zijne huiswaardin (die gelukkig doof was, en geene andere bewustheid[406]had van zijne muziek dan door het gevoel van een dreunen door haar gebeente) hem kwam zeggen, dat er eene dame was om hem te spreken.“In den rouw,” zeide zij.De violoncel zweeg onmiddellijk, en nadat de speler dit instrument zeer behoedzaam op de sofa had gelegd, gaf hij een teeken, dat de dame mocht binnenkomen. Hij ging zelf terstond naar buiten en ontmoette Harriët Carker op het portaal.“Alleen!” zeide hij. “En John van morgen nog hier? Is er iets gebeurd, lieve? Maar neen,” voegde hij er bij, “uw gezichtje zegt heel wat anders.”—“Ik vrees dan dat het iets zeer eigenlievends verraadt,” antwoordde zij.—“Het staat heel vergenoegd,” zeide hij, “en als het eigenliefde verraadt, is dat, als wat nieuws, wel de moeite waard om bij u te zien. Maar ik geloof dat niet.”Hij had nu een stoel voor haar gezet, en plaatste zich tegenover haar, terwijl de violoncel op de sofa tusschen hen in lag.“Het zal u niet verwonderen dat ik alleen kom, of dat John u niet gezegd heeft dat ik zou komen,” zeide Harriët, “en zult gijdatwel gelooven, als ik u zeg waarom ik kom. Mag ik dat nu doen?”—“Gij kunt niet beter.”—“Waart ge niet bezig?”Hij wees naar de violoncel en zeide: “Dat ben ik den geheelen dag geweest. Hier is mijn getuige. Ik heb hem al mijne zorgen toevertrouwd. Ik wenschte dat ik er geen had dan voor mij zelven.”—“Is het geheel ten einde met het kantoor?”—“Geheel ten einde.”—“Zal het nooit weer worden hervat?”—“Nooit.”De heldere uitdrukking van haar gezichtje werd niet verduisterd, toen hare lippen dit woord herhaalden. Hij scheen dit met eenige verwondering onwillekeurig op te merken en zeide nog eens:“Nooit. Gij herinnert u wel wat ik gezegd heb. Het is sedert lang onmogelijk geweest hem van iets te overtuigen, onmogelijk met hem te redeneeren; somtijds onmogelijk hem te naderen. Het ergste is gebeurd. Het huis is gevallen om nooit weer opgebouwd te worden.”—“En is mijnheer Dombey zelf geruïneerd?”—“Geruïneerd.”—“Heeft hij geen bijzonder vermogen over? Niets?”Zekere drift in haar toon en iets dat bijna blijdschap was in haar blik, scheen hem meer en meer te verwonderen, en hem tevens te leur te stellen en wanluidend met zijn eigen gevoel te strijden. Hij trommelde met zijne vingers op de tafel, zag haar oplettend aan, schudde zijn hoofd en zeide, na eene poos:“De middelen van mijnheer Dombey zijn mij niet nauwkeurig bekend; maar hoewel zij ontwijfelbaar zeer groot zijn, zijn daarentegen zijne verplichtingen ontzettend. Hij is een man van eer en strenge rechtschapenheid. Een ander in zijne positie had zich kunnen redden, en menigeen zou dat gedaan hebben, door een accoord te maken, dat het verlies van hen, die zaken met hem hadden gedaan, maar zeer weinig, bijna onmerkbaar, zou vergroot hebben, en waardoor hij iets zou hebben overgehouden om van te leven. Maar hij heeft besloten den laatsten penning te betalen, die zijne middelen kunnen opbrengen. Zijne eigene woorden zijn, dat hij alle schulden van het kantoor geheel of bijna geheel zal afdoen, en dat niemand veel kan verliezen. O, jufvrouw Harriët, het zou ons geen kwaad doen, als wij meer bedachten, dan wij dit wel doen, dat ondeugden somtijds maar tot een uiterste gedrevene deugden zijn! Nu vertoont zijn trots zich van den goeden kant.”Zij hoorde hem aan met geen of weinig verandering in hare trekken, en met eene verdeelde aandacht, die bewees, dat zij aan iets anders dacht. Toen hij zweeg, vroeg zij hem haastig:“Hebt gij hem binnen kort gezien?”—“Niemand ziet hem. Als deze crisis van zijne zaken hem noodzaakt om zijn huis te verlaten, gaat hij om die reden uit, en dan weder naar huis, en sluit zich op, en wil niemand zien. Hij heeft mij een brief geschreven, waarin hij van onze vroegere betrekking spreekt, met meer eer voor mij dan ik verdiende, en afscheid van mij neemt. Ik ben huiverig, om mij nu aan hem op te dringen, daar ik in betere tijden nooit veel omgang met hem gehad heb; maar ik heb toch beproefd dat te doen. Ik heb geschreven, ben daar naar toe gegaan, heb gebeden. Geheel vruchteloos.”Hij sloeg haar gade, als hoopte hij dat zij meer meewarigheid aan den dag zou leggen, dan zij nog gedaan had, en sprak met ernst en gevoel, als om meer indruk op haar te maken; maar hare trekken veranderden niet.“Wel, jufvrouw Harriët,” zeide hij met een gezicht vol teleurstelling, “dat doet er niet toe. Gij zijt hier gekomen om dit te hooren. Gij hebt iets anders en aangenamers in uwe gedachten. Laat het ook in de mijne komen, dan zullen wij meer op gelijken voet met elkander praten. Kom aan.”—“Neen, wij hebben hetzelfde in onze gedachten,” antwoordde Harriët met onbewimpelde verrassing. “Is dat niet waarschijnlijk? Is het niet natuurlijk, dat John en ik veel denken en spreken over die groote veranderingen? Mijnheer Dombey, dien hij zoovele jaren gediend heeft—gij weet op welken voet—zoo arm geworden als gij zegt, en wij rijk!”Welk een goed en oprecht gezichtje zij ook had, beviel het den ouden vrijer met grijzend haar thans, nu deze straal van blijdschap het verhelderde, toch minder dan het hem ooit had bevallen.[407]“Ik behoef u niet te herinneren,” vervolgde Harriët, hare oogen neerslaande naar haar zwart kleed, “waardoor onze omstandigheden zoo veranderd zijn. Gij hebt niet vergeten, dat onze broeder James, op dien schrikkelijken dag, geen testament naliet en geene bloedverwanten behalve ons?”Het gezichtje was hem nu aangenamer, schoon het bleek en treurig werd, dan een oogenblik geleden. Hij scheen vrijer adem te halen.“Gij kent onze geschiedenis,” zeide zij, “de geschiedenis van mijne beide broeders, in betrekking tot dien ongelukkigen man, van wien gij zoo naar waarheid hebt gesproken. Gij weet, hoe weinig behoeften wij hebben—John en ik—en hoe weinig het geld ons kan baten, na het leven, dat wij zoovele jaren te zamen hebben geleid; vooral nu hij, door uwe goedheid, een inkomen heeft, dat ruim genoeg voor ons is. Gij zijt dus niet onvoorbereid om te hooren, welke gunst ik van u kom vragen?”—“Dat weet ik haast niet. Een oogenblik geleden was ik het wel. Nu geloof ik van neen.”—“Van mijn dooden broeder zeg ik niets. Als de dooden weten wat wij doen—maar gij verstaat mij. Van mijn levenden broeder zou ik veel kunnen zeggen, maar wat behoef ik meer te zeggen, dan dat die plichtvervulling, waartoe ik uwe onmisbare hulp kom vragen, geheel zijne gedachte is, en hij niet kan rusten voordat hij ze volbracht heeft.”Zij sloeg hare oogen neder, en de blijdschap, die haar gezicht verhelderde, begon nu voor de oplettende oogen, die haar gadesloegen, iets schoons te krijgen.“Het moet zeer stil en geheim gedaan worden,” vervolgde zij. “Uwe kunde en ondervinding zullen u wel een weg aanwijzen om het te doen. Mijnheer Dombey zal misschien in de meening kunnen gebracht worden, dat er onverwacht nog iets uit de schipbreuk van zijn vermogen is gered; of dat het eene vrijwillige hulde aan zijn eervol karakter is van sommigen, met wie hij groote zaken heeft gedaan; of dat het de betaling van eene lang uitgeschrapte schuld is. Er moeten vele manieren zijn om het te doen. Gij zult de beste wel weten te kiezen. De gunst, die ik van u kom vragen, is dat gij dit voor ons op uwe eigene vriendelijke, edele, bedachtzame manier wilt doen. Dat gij er nooit van tegen John wilt spreken, wiens grootste genoegen in deze daad van vergoeding is, ze onbekend en ongeprezen te verrichten; dat maar een zeer klein gedeelte der erfenis voor ons bewaard zal worden, totdat mijnheer Dombey zijn leven lang de interest van het overige zal genoten hebben; dat gij ons geheim getrouw zult bewaren—maar daarvan ben ik zeker; en dat er van dezen tijd af tusschen u en mij maar zelden van gefluisterd mag worden, maar het alleen in mijne gedachten mag leven, als eene nieuwe reden tot dankbaarheid aan den hemel, en tot blijde trotschheid op mijn broeder.”Zulk eene blijdschap kon van het gelaat van een engel stralen, wanneer één boetvaardig zondaar den hemel binnentreedt, onder negen en negentig rechtvaardigen. Zij werd niet beneveld door de tranen, die hare oogen vulden, maar blonk daardoor nog te helderder uit.“Mijne lieve Harriët,” zeide Morfin, na eene poos van stilte, “daarop was ik geheel niet verdacht. Moet ik verstaan, dat gij uw eigen aandeel in de erfenis aan uw goed oogmerk dienstbaar wilt maken, evenals dat van John?”—“O ja,” antwoordde zij. “Nu wij zoolang alles te zamen hebben gedeeld, en geene zorg of hoop of doel van elkander afgescheiden hebben gehad, zou ik het nu kunnen dragen, dat ik van mijn deel hierin werd uitgesloten? Mag ik niet vorderen, tot het laatste toe mijn broeders deel- en lotgenoote te zijn?”—“De hemel verhoede, dat ik dat zou betwisten,” antwoordde hij.—“Wij mogen ons dus op uwe vriendschappelijke hulp verlaten?” zeide zij, “Dat wist ik ook wel.”—“Ik zou een slechter mensch wezen—dan ik hoop te zijn, of mij zelve gaarne voor zou houden, als ik u dat niet met hart en ziel kon verzekeren. Dat moogt gij, zonder bedenken. Op mijne eer, ik zal uw geheim bewaren. En als het blijken mocht, dat mijnheer Dombey zoo arm is, als ik vrees dat blijken zal, wanneer hij bij een voornemen blijft, waarvan niemand hem schijnt te kunnen afbrengen, zal ik u helpen om het plan uit te voeren, waartoe gij en John gemeenschappelijk besloten hebt.”Zij gaf hem hare hand en dankte hem met hartelijke blijdschap.“Harriët,” zeide hij, hare hand vasthoudende, “u een woord te zeggen van de waarde van eenige opoffering, die gij nu doen kunt—vooral van eene opoffering van enkel geld—zou nutteloos en aanmatigend zijn. U te vermanen om u nog eens op uw voornemen te bedenken, of het binnen engere grenzen te beperken, zou, dat gevoel ik, dit evenzeer wezen. Het voegt mij niet, het groote slot eener groote geschiedenis te bederven door iemand mijn eigen zwak begrip te willen opdringen. Het voegt mij alleen, mijn hoofd te buigen voor wat gij mij toevertrouwt, overtuigd, dat het u door iets hoogers wordt ingegeven, dan mijne ellendige wereldkennis. Ik wil dit alleen zeggen; ik ben uw getrouwe rentmeester; en ik wil dat, en uw uitverkoren vriend, liever zijn, dan ik iets anders in de wereld zou kunnen wezen, of ik moest u zelve kunnen zijn.”Zij dankte hem nog eens hartelijk en wenschte hem goedennacht.“Gaat gij naar huis?” zeide hij. “Laat mij met u meegaan.”—“Van avond niet. Ik ga[408]nu niet naar huis. Ik moet nog alleen een bezoek brengen. Zult gij morgen komen?”—“Goed, goed,” zeide hij. “Ik zal morgen komen. Ondertusschen zal ik eens daarover denken. Misschien zultgijer ook over denken, lieve Harriët—en—en een weinigje aan mij denken in verband daarmede.”Hij hielp haar in eene koets, die haar voor de deur stond te wachten; en als zijne huiswaardin niet doof was geweest, had zij hem, terwijl hij weder naar boven ging, hooren mompelen, dat wij slaven der gewoonte zijn, en dat het eene treurige gewoonte is een oud vrijer te zijn.Daar de violoncel nog tusschen de twee stoelen op de sofa lag, nam hij dat instrument op, zonder den ledigen stoel weg te zetten, en zat, zijn hoofd schuddende tegen den ledigen stoel, nog lang, zeer lang te zagen. De uitdrukking, die hij in het eerst aan zijn instrument mededeelde, schoon weemoedig en aandoenlijk, was nog niets bij de uitdrukking, die hij aan zijn eigen gezicht gaf, en die zoo sterk was, dat hij meer dan eens kapitein Cuttle’s hulpmiddel moest te baat nemen en zijn gezicht met zijne mouw afvegen. Langzamerhand evenwel ging de violoncel, in overeenstemming met zijn eigen gemoed, tot de vroolijke tonen van den Zangerigen Hoefsmid over, welke melodie hij nogmaals en nogmaals overspeelde, tot zijn eigen verhelderd gezicht blonk gelijk het metaal op het aanbeeld van een echten hoefsmid. Kortom, de violoncel en de ledige stoel hielden den ouden vrijer gezelschap tot dicht bij middernacht; en toen hij zijn avondmaal gebruikte, scheen de violoncel, in den hoek der sofa overeindgezet, uit zijne kromme oogholten tegen den ledigen stoel te lonken, alsof beide meer wisten dan zij konden zeggen.Toen Harriët het huis verliet, reed de voerman der huurkoets, een weg inslaande die hem blijkbaar niet nieuw was, verscheidene straten in die voorstad door, tot hij aan eene opene plek kwam, waar, tusschen tuinen, eenige nederige oude huisjes stonden. Aan het tuinhek van een dier huisjes hield hij op en stapte Harriët af.Toen zij zacht aanschelde, werd haar opengedaan door eene vrouw met een beklaaglijk, bijna kleurloos gezicht, opgetrokkene wenkbrauwen en het hoofd op zijde hangende, die diep voor haar neeg en haar door den tuin naar het huis bracht.“Hoe is het met de zieke van avond?” zeide Harriët.—“Heel min, vrees ik, jufvrouw. O, hoe dikwijls doet zij mij aan mijn ooms Betsey Jane denken!” antwoordde de vrouw met zekere treurige verrukking.—“In welk opzicht?” vroeg Harriët.—“In alle opzichten, jufvrouw,” was het antwoord, “behalve dat zij volwassen is, en Betsey Jane, toen zij op den oever van den dood lag, nog maar een kind was.”—“Maar gij hebt mij verteld dat zij beter werd,” merkte Harriët aan, “en dus is er des te meer reden om te hopen, jufvrouw Wickam.”—“Och, jufvrouw, hoop is iets heel goeds voor menschen, die ze verdragen kunnen,” zeide jufvrouw Wickam, haar hoofd schuddende. “Ik ben er niet toe in staat, maar ik mag het toch wel lijden. Ik benijd zelfs de menschen, die zoo gelukkig zijn.”—“Gij moest wat vroolijker wezen,” merkte Harriët aan.—“Wel bedankt, jufvrouw, inderdaad,” antwoordde jufvrouw Wickam zeer stroef. “Al wilde ik dat, dan zou de eenzaamheid van mijn post hier—gij zult mij niet kwalijk nemen, dat ik zoo vrij spreek—mij dat toch binnen vier en twintig uren onmogelijk maken. Maar dat is nog niet alles. Ik wilde liever niet. Van het weinigje moed, dat ik er ooit toe had, ben ik eenige jaren geleden teBrightonberoofd, en ik geloof dat het zoo beter voor mij is.”Het was dezelfde jufvrouw Wickam, die jufvrouw Richards als verzorgster van den kleinen Paul had vervangen, en die nu meende, dat zij door het bedoelde verlies, onder het dak der beminnelijke mevrouw Pipchin, inderdaad gewonnen had. De uitmuntende, door lange gewoonte geheiligde, methode, volgens welke doorgaans de akeligste en onaangenaamste menschen, die men met mogelijkheid vinden kan, tot ziekenoppassters en dergelijke betrekkingen worden verkozen, had jufvrouw Wickam eene zeer goede klandizie in dat vak bezorgd, en deed hare ernstige denkwijs als eene aanbeveling te meer beschouwen.Jufvrouw Wickam, ging, met opgetrokkene wenkbrauwen, het hoofd op zijde en het licht in de hand, vooruit naar boven naar eene nette, zindelijke kamer, waaraan eene andere flauw verlichte kamer grensde, waarin een bed stond. In de eerste kamer zat eene oude vrouw voor het opene venster werktuiglijk in de duisternis te staren. In de tweede lag, op het bed uitgestrekt, de schim van eene gedaante, die eens op een winteravond den stormwind en den regen tartte, nu nauwelijks te herkennen, behalve aan het lange zwarte haar, dat zoo bijzonder zwart scheen bij het bleeke gezicht en al het witte in het rond.O, die sterke oogen en dat zwakke lichaam! Die oogen, die zich snel en helder naar de deur keerden toen Harriët binnenkwam, en dat zwakke hoofd, dat zich niet kon opbeuren en zich zoo langzaam op het kussen omdraaide!“Alice!” zeide Harriët vriendelijk. “Kom ik niet laat van avond?”—“Het schijnt altijd laat, maar gij komt toch altijd vroeg.”Harriët had zich nu bij het bed neergezet, en legde hare hand op de uitgeteerde hand, die op het dek lag.“Ge zijt wat beter?”[409]Jufvrouw Wickam, die als een naargeestig spook aan het einde van het bed stond, schudde zeer krachtig haar hoofd om dit vermoeden tegen te spreken.“Het komt er weinig op aan,” zeide Alice met een flauwen glimlach. “Beter of erger vandaag, maakt maar een dag verschil—misschien zooveel niet eens.”De ernstig denkende jufvrouw Wickam gaf door een zwaren zucht hare goedkeuring te kennen; en nadat zij het dek aan het voeteneinde had betast, als dacht zij de koude voeten van de lijderes daardoor heen te voelen, ging zij wat met de medicijnfleschjes op de tafel rinkelen, als wilde zij zeggen: “zoolang er leven is, moet men toch innemen.”“Neen,” fluisterde Alice, “slecht gedrag en wroeging, vermoeienis, gebrek, weer en wind, storm van buiten en storm van binnen, hebben mijn leven versleten. Het zal niet lang meer duren.”Zij trok, zoo sprekende, de hand hooger op en legde haar gezicht daartegen.“Ik lig hier somtijds te denken, dat ik gaarne zou willen leven tot ik tijd had gehad, om u te toonen hoe dankbaar ik zou kunnen zijn. Maar dat is eene zwakheid en gaat gauw voorbij. Het is beter zóó voor u. Beter voor mij.”Hoe geheel anders vatte zij de hand, dan zij eens bij dien haard op dien barren winteravond had gedaan. Haat, woede, roekeloosheid, halsstarrigheid—zie hier wat er van komt. Dit is het einde.Nadat jufvrouw Wickam genoeg met de fleschjes had gerinkeld, kwam zij nu met het drankje aan. Zij keek de lijderes scherp aan terwijl zij dronk, kneep haar mond daarbij dicht en schudde haar hoofd, om aan te duiden, dat geene martelingen haar konden doen zeggen, dat het een hopeloos geval was. Daarna ging zij heen om zich beneden met wat gebak te versterken.“Hoelang is het geleden,” zeide Alice, “dat ik bij u kwam en u zeide wat ik gedaan had, en gij onderricht werdt, dat het te laat was om iemand na te zenden?”—“Over het jaar,” antwoordde Harriët.—“Over het jaar,” zeide Alice, haar peinzend aanziende. “Maanden aan maanden sedert gij mij hier gebracht hebt!”“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?” (blz. 413).“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?”(blz. 413).[410]Harriët antwoordde: “Ja!”“Mij hier gebracht hebt met geweld van goedheid en zachtheid! Mij!” zeide Alice, haar gezicht achter de hand verbergende. “En mij tot een mensch hebt gemaakt door de oogen en woorden van eene vrouw en de daden van een engel!”Harriët, over haar heengebogen, poogde haar te bedaren en te troosten. Weldra vroeg Alice, nog zoo liggende, met die hand tegen haar gezicht, om hare moeder te roepen.Harriët riep haar meer dan eens, maar de oude vrouw was zoo verdiept in haar turen in de duisternis, dat zij niet hoorde. Eerst toen Harriët naar haar toe ging en haar aanraakte, stond zij op en kwam.“Moeder!” zeide Alice, die hand weder vattende, en hare glansrijke oogen liefdevol op hare weldoenster vestigende; “zeg haar wat gij weet.”—“Van avond, liefje?”—“Ja, moeder,” antwoordde Alice, zacht en plechtig. “Vanavond.”De oude vrouw, wier verstand door angst of wroeging gekrenkt scheen te zijn, kwam naar het bed gekropen, aan den kant tegenover dien, waar Harriët zat; en daar neerknielende, zoodat zij haar gerimpeld gezicht op gelijke hoogte met het dek bracht, en hare hand uitstekende, zoodat zij Alice’s arm aanraakte, begon zij:“Mijne mooie dochter—”Hemel, welk een kreet was dat, waarmede zij zich stuitte, toen zij de gedaante in dat bed aanzag!“Al lang geleden veranderd, moeder,” zeide Alice zonder haar aan te zien. “Maak u daarom nu niet meer bedroefd.”—“Mijne dochter,” zeide de oude vrouw haperend, “die gauw weer beter zal worden, en ze dan allen beschaamd zal maken met haar mooi.”Alice zag Harriët met een treurigen glimlach aan, en streelde die hand, maar zeide niets.“Die gauw weer beter zal worden, zeg ik,” herhaalde de oude vrouw, dreigende hare dorre vuist schuddende, “en ze dan allemaal beschaamd maken met haar mooi—dat zal zij. Ik zeg dat zij zal—dat moet zij,” als sprak zij met hartstochtelijke drift tegen een onzichtbaar persoon bij het bed, die haar tegensprak. “Mijne dochter is verzaakt en verbannen, maar zij kon op hare bloedverwantschap op groote lieden roemen, als zij wilde. Ja, op groote trotsche lieden! Er bestaat ook bloedverwantschap zonder uwe geestelijken en trouwringen—zij maken ze, maar zij kunnen ze niet breken—en mijne dochter is van goede familie. Wijs mij mevrouw Dombey, en gij wijst mij Alice’s volle nicht.”Harriët zag van de oude vrouw naar de glanzige oogen, die haar aanstaarden, en las daarin eene bevestiging.“Wat!” riep de oude vrouw, met akelige ijdelheid haar hoofd oprichtende. “Al ben ik nu oud en leelijk—maar toch veel ouder door mijne manier van leven dan door mijne jaren—ik ben eens zoo jong geweest als iemand. Ja, en zoo mooi ook als velen! Ik was een frisch boerenmeisje in mijn tijd, liefje,” haar arm over het bed naar Harriët uitstrekkende, “en zag er goed uit. Waar ik woonde waren mevrouw Dombey’s vader en zijn broeder de vroolijkste heeren, die daar vanLondenkwamen logeeren—maar zij zijn al lang dood! och Heere! al heel lang. De broeder, die mijn Ally’s vader was, al het langst van de twee.”Zij lichtte haar hoofd op en zag hare dochter turend aan, als bracht de herinnering harer eigene jeugd haar op die van haar kind. Toen viel zij eensklaps met haar gezicht op het bed, en klemde haar hoofd tusschen hare handen.“Zij geleken zoo sterk op elkander,” zeide de oude vrouw, zonder op te zien, “als twee broeders maar konden doen, zoo gelijk van jaren—zij scheelden niet veel meer dan een jaar, herinner ik mij—en als gij mijne dochter hadt kunnen zien, zooals ik haar eens gezien heb, vlak naast de dochter van dien anderen, zoudt gij, met al het verschil van kleeding en manieren, gezien hebben, dat zij op elkander geleken. O, de gelijkenis is weg—en het is mijne dochter—mijne dochter alleen—die zoo moest veranderen!”—“Wij zullen allen veranderen, moeder, op onze beurt,” zeide Alice.—“Beurt!” riep de oude vrouw. “Maar waarom niet hare beurt even gauw als mijn dochters beurt! De moeder moet veranderd zijn—zij zag er even oud en gerimpeld uit als ik, door haar blanketsel heen—maarzijwas mooi gebleven. Wat hebikgedaan, wat heb ik erger gedaan dan die andere, dat mijne dochter alleen daar moet liggen verkwijnen!”Met een woesten gil liep zij naar de kamer, waaruit zij gekomen was; maar terstond weder in eene andere stemming komende, keerde zij weerom, kroop naar Harriët toe en zeide:“Dat is het wat Alice wilde, dat ik zou zeggen, liefje. Dat is alles. Ik ontdekte het eens op een zomer inWarwickshire, toen ik haar zag en vroeg wie zij was. Zulke bloedverwanten konden mij toen niet baten. Zij zouden mij niet erkend hebben en hadden mij niets te geven. Ik zou ze misschien naderhand toch om een beetje geld hebben gevraagd, als het niet om Alice was geweest; zij zou mij vermoord hebben, geloof ik, als ik het gedaan had. Zij was zoo trotsch als die andere op hare manier,” zeide de oude vrouw, vreesachtig het gezicht harer dochter aanrakende en daarop hare hand terugtrekkende, “al houdt zij zich nu zoo bedaard; maar zij zal ze toch nog beschaamd maken met haar mooi. Ha, ha! zij zal ze beschaamd maken—mijne mooie dochter!”De lach, waarmede zij heenging, was akeliger dan haar gillen; akeliger dan het kinderachtig gejammer, dat daarop volgde; akeliger[411]dan de sufheid, waarmede zij zich weder op haar stoel zette en in de duisternis staarde.De oogen van Alice waren al dien tijd op Harriët gevestigd gebleven, welker hand zij niet had losgelaten. Nu zeide zij:“Terwijl ik hier lag, dacht ik dikwijls dat ik u dit gaarne wilde doen weten. Het kon, dacht ik, iets verklaren, dat er toe bijdroeg om mij te verharden. Ik had, onder mijn kwaad doen, zooveel van mijne verwaarloosde plichten gehoord, dat ik begon te gelooven dat anderen integendeel hun plicht jegens mij hadden verzuimd, en dat er van het zaad, dat zij gezaaid hadden, geen andere oogst kon groeien. Ik meende te zien dat, wanneer dames eene slechte moeder en een onaangenaam leven hadden, zij op hare manier ook den slechten weg opgingen, maar dat hare manier niet zoo schandelijk was als de mijne, en dat zij daarvoor God mochten danken. Dat is alles voorbij. Het is nu als een droom, dien ik mij niet goed meer kan herinneren. Het heeft meer en meer naar een droom gaan gelijken, sedert den dag toen gij begonnen zijt hier bij mij te zitten en voor mij te lezen. Ik zeg het u maar, zooveel ik mij herinner. Wilt ge nog wat voor mij lezen?”Harriët trok hare hand terug om het boek open te slaan, toen Alice die nog even vasthield.“Gij zult mijne moeder niet vergeten? Ik vergeef haar, als ik reden daartoe heb. Ik weet dat zij mij vergeeft, en dat zij in haar hart bedroefd is. Gij zult haar niet vergeten?”—“Nooit, Alice!”—“Een oogenblik nog. Leg mijn hoofd zoo, lieve, dat ik, als gij leest, de woorden op uw vriendelijk gezicht kan zien.”Harriët voldeed aan dit verlangen en las—las uit het eeuwige boek voor alle vermoeiden en zwaar beladenen, voor al de rampzaligen, gevallenen en verwaarloosden dezer aarde—las de gezegende geschiedenis, waarin de blinde, de lamme, de kreupele bedelaar, de misdadiger, de vrouw met schande bevlekt, zij, die door hen, welke zich beter achten, worden vermeden, allen hun deel hebben, dat door geene menschelijke trotschheid of onverschilligheid, door al de eeuwen, die deze wereld duren zal, heen, kan worden weggenomen of niet het duizendste deel van een grein verminderd—las de woorden en daden van Hem, die medelijden had met alle smarten en angsten van het menschelijk leven.“Ik zal morgenochtend heel vroeg terugkomen,” zeide Harriët toen zij het boek sloot.De glanzige oogen, nog op haar gelaat gevestigd, sloten zich voor een oogenblik en openden zich weder, en Alice kuste en zegende haar.Dezelfde oogen volgden haar naar de deur, en toen deze gesloten werd, kwam er een glimlach op het kalme bleeke gelaat.Die oogen wendden zich niet weder af. Zij legde hare hand op hare borst, prevelde den heiligen naam, die voor haar gelezen was, en het leven verdween uit hare trekken, gelijk een licht dat men wegneemt.Niets lag daar meer dan de ruïne van het sterfelijke huis, dat de storm had geteisterd, en het zwarte haar, dat in den winterwind had gefladderd.
LVIII.NA EEN TIJDSVERLOOP.
De zee had een geheel jaar lang hare getijden gehad. Een geheel jaar lang waren winden en wolken gekomen en gegaan, en had de tijd, in storm en zonneschijn, zijn rusteloozen arbeid verricht. Een geheel jaar lang hadden de getijden van het wisselend menschenlot den hun toegewezen loop gehouden. Een geheel jaar[404]lang had het vermaarde kantoor van Dombey en Zoon voor zijn leven gestreden, tegen onverwachte tegenspoeden, nadeelige geruchten, ongelukkige waagstukken, ongunstige tijden, en vooral tegen de verdwaasdheid van den eigenaar, die zijne ondernemingen geene haarbreedte wilde inkrimpen, die naar geen woord van waarschuwing wilde luisteren, dat het schip, waarmede hij den storm wilde tarten, zwak was en het niet kon uithouden.Het jaar was om, en het groote kantoor was gevallen.Op een zomermiddag, omtrent een jaar na dat huwelijk in deCity, werd er op de Beurs over een groot bankroet gemompeld. Zeker koud en trotsch man, daar welbekend, was er niet, en was door niemand vertegenwoordigd. Den volgenden dag hoorde men, dat het kantoor van Dombey en Zoon zijne betalingen had gestaakt, en den volgenden avond werd er eene lijst van bankroetiers uitgegeven, met dien naam bovenaan.Nu had de wereld veel te zeggen. Het was eene onnoozele, lichtgeloovige, erg mishandelde wereld. Het was eene wereld, waarin men nog nooit van een ander soort van bankroeten had gehoord. Er waren geene voorname mannen in, die wijd en zijd handel dreven met valschen godsdienst, vaderlandsliefde, deugd en eer. Er was geen papier in omloop, waarvan iemand rijkelijk leefde, en waarbij groote sommen van braafheid werden beloofd, waarvoor geen kapitaal aanwezig was. Nergens kwam men ooit iets te kort behalve geld. De wereld was heel boos; en die menschen vooral, die men in eene slechtere wereld voor insolvente speculanten in vertooning en geveinsdheid had kunnen houden, waren ten hoogste verontwaardigd.Nu werd Perch, den kantoorlooper, door het spel der omstandigheden eene nieuwe verzoeking tot losbandigheid aangeboden. Het scheen zijn lot te zijn, telkens wakker te moeten worden om zich beroemd te vinden. Pas gisteren, mocht men zeggen, was hij weder in het bijzondere leven afgedaald, na zijne vermaardheid door die vlucht en de daaropvolgende gebeurtenissen; en nu werd hij weder door dat bankroet tot een gewichtiger persoon dan ooit gemaakt. Van zijn bankje in het groote kantoor opstaande, waar hij nu naar de vreemde gezichten zat te kijken, die spoedig bijna al de oude klerken vervingen, behoefde Perch zich maar op straat of voor de toonbank van het Koninklijke Wapen te vertoonen, om eene menigte vragen te hooren, waaronder bijna zeker de belangrijke vraag voorkwam, wat hij te drinken wilde hebben. Dan weidde Perch uit over de uren van hooggaanden angst, die hij en zijne vrouw teBall’s Pondhadden doorgestaan, toen zij pas begonnen te vermoeden, dat “de zaak niet goed ging.” Dan vertelde Perch de hem aangapende luisteraars, met eene zachte stem, alsof het lijk van het overledene kantoor nog onbegraven in de naaste kamer lag, hoe jufvrouw Perch het eerst was begonnen te vermoeden, dat de zaak niet goed ging, door dat zij hem (Perch) in zijn slaap had hooren kermen: “Zestig percent! Zestig percent!” Welk onrustig droomen en slaapspreken hij vermoedde dat ontstaan moest wezen uit den indruk, dien de verandering in mijnheer Dombey’s gezicht op hem maakte. Dan onderrichtte hij hun hoe hij eens gezegd had: “Mag ik zoo vrij zijn om te vragen, mijnheer, is uw gemoed niet gerust?” en hoe mijnheer Dombey had geantwoord: “Mijn trouwe Perch—maar neen, het kan niet zijn!” en zich toen met de hand voor het voorhoofd had geslagen en gezegd: “Verlaat mij, Perch!” Dan, kortom, vertelde Perch, als slachtoffer van zijne positie, eene menigte van allerhande logens, zich zelven tot tranen roerende door diegene, die van een aandoenlijken aard waren, en werkelijk geloovende, dat de verzinsels van gisteren, door de herhaling, vandaag eene soort van waarheid kregen.Perch besloot deze mededeelingen altijd door weemoedig aan te merken, dat, natuurlijk, wat hij ook mocht vermoed hebben (alsof hij ooit iets vermoed had) hethemniet voegde het vertrouwen van zijn patroon te verraden—deed het wel? Welk gezegde (daar er crediteuren bij waren) altijd gehouden werd zijn gevoel tot eer te strekken. Zoo ging hij doorgaans met een gebalsemd geweten heen en liet hij een aangenamen indruk achter, als hij weder naar zijn bankje terugkeerde, om daar naar de vreemdelingen te zitten kijken, die zoo vrij met die groote geheimen, de boeken, omgingen, of nu en dan op de teenen naar Dombey’s ledige kamer te sluipen en het vuur op te poken, of aan de deur een luchtje te scheppen en nog een treurig praatje met een bekenden voorbijganger te houden, of zich door kleine beleefdheden den voornaamsten der vreemde indringers te vriend te maken, van wien hij een postje bij eene assurantiemaatschappij verwachtte, als de zaken van het kantoor geliquideerd waren.Voor majoor Bagstock was het bankroet wezenlijk eene ramp. De majoor had niet veel gevoel voor anderen—al zijne aandacht was op J. B. gevestigd en hij was ook aan niet veel gemoedsbewegingen onderhevig, of men moest hoesten en hijgen gemoedsbewegingen kunnen noemen. Maar hij had in zijne club zoodanig met zijn vriend Dombey gepronkt, en de leden in het algemeen zoo dikwijls zijn rijkdom naar het hoofd gegooid, dat de club, die toch maar menschelijk was, er in juichte dit den majoor nu betaald te kunnen zetten, door hem met eene vertooning van groote meewarigheid te vragen, of hij dien geweldigen tuimel ook eenigszins verwacht had, en hoe zijn vriend Dombey zich[405]daaronder hield. Op al zulke vragen antwoordde de majoor, purperrood wordende, dat het eene booze wereld was, mijnheer; dat Joey anders zijn weetje wel wist, maar zich had laten foppen als een kind; dat, als gij J. Bagstock dit voorspeld hadt, toen hij met Dombey op reis ging en dien vagebond door geheelFrankrijknajoeg, J. Bagstock u zou hebben uitgelachen—uitgelachen, mijnheer. Dat Joe bedrogen was, mijnheer, gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker was; zoo zelfs, dat als Joe’s vader morgen uit zijn graf opstond, hij den ouden heer voor geen stuiver zou vertrouwen, maar hem zou zeggen dat zijn zoon Josh een te oud soldaat was om zich nog eens te laten beetnemen, mijnheer. Dat hij een achterdochtige, knorrige, versletene, ongeloovige ijzervreter was, mijnheer; en dat, als het met het fatsoen van een ruwen en taaien majoor van de oude school strookte, die de eer had gehad persoonlijk bekend te zijn en geprezen te worden met en door Hunne Koninklijke Hoogheden de Hertogen vanYorkenKent, om in eene ton te kruipen en daarin te blijven wonen, hij waarachtig, mijnheer, morgen eene ton inPall Mallzou laten zetten, om zijne verachting voor het menschdom te toonen.Dit alles, en nog vele variatiën van hetzelfde deuntje, ontboezemde de majoor met zulke beroerteachtige verschijnselen, zulk een rollen van zijn hoofd, en zulk een gebrom van verontwaardiging en kwaadheid, dat de jongste leden der club zich verbeeldden, dat hij geld in het kantoor van zijn vriend Dombey gezet en dit verloren had; maar de oudere en slimmere leden, die Joe beter kenden, wilden daarvan niet hooren. De ongelukkige inboorling, die geen gevoelen daaromtrent uitte, had schrikkelijk veel te lijden, niet alleen in zijn zedelijk gevoel, dat op ieder uur van den dag door den majoor gemarteld werd, maar ook in zijne lichamelijke gevoeligheid voor stompen en builen, waarvoor hij gedurig blootstond. Zes geheele weken lang na het bankroet leefde de ongelukkige buitenlander in een regentijd van laarzentrekkers en borstels.Mevrouw Chick had ten aanzien van dit schrikkelijk onheil drie denkbeelden. Het eerste was, dat zij het niet begrijpen kon. Het tweede, dat haar broeder zich niet ingespannen had. Het derde, dat het nooit gebeurd zou zijn, als zij op den dag dier eerste partij op het diner was gevraagd, en dat zij dit toen gezegd had.Niemands gevoelen weerde het ongeluk af, verlichtte of verzwaarde het. Men vernam dat de zaken van het kantoor zoo goed het gaan wilde geliquideerd zouden worden; dat mijnheer Dombey vrijwillig al wat hij bezat had afgestaan en van niemand eenige gunst wilde hebben. Dat er aan geen weder opvatten van de zaken te denken was, daar hij van geene schikking tot dat einde wilde hooren; dat hij alle posten van eer en vertrouwen, die hij, als een man van aanzien onder de kooplieden, bekleedde, had neergelegd; dat hij doodziek was, volgens sommigen; dat hij tot eene zwaarmoedige waanzinnigheid was vervallen, volgens anderen; dat hij geheel geruïneerd was, volgens allen.De klerken verstrooiden zich, nadat zij onder elkander een condoleantie-dineetje hadden gegeven, waarbij comische liedjes werden gezongen, en waarbij men zich uitmuntend vermaakte. Sommige kregen eene andere betrekking buitensland, sommige op een ander kantoor thuis; sommige gingen familiebetrekkingen opzoeken, voor welke zij zich eensklaps herinnerden eene bijzondere genegenheid te hebben; en sommige adverteerden in de couranten om eene plaats. Perch bleef van het geheele personeel alleen over, en zat op zijn bankje naar de vreemde indringers te kijken, of sloofde zich uit om den voornaamsten daarvan, die hem aan een postje bij de assurantiemaatschappij zou helpen, te believen. Spoedig begon het kantoor er smerig en verwaarloosd uit te zien. De koopman in pantoffels en halsbanden, op den hoek, zou getwijfeld hebben of het hem wel voegde om nu nog naar den rand van zijn hoed te wijzen, als Dombey zich daar weder had vertoond; de kruier, met zijne handen onder zijn wit sloofje, hield zedekundige bespiegelingen over den hoogmoed, waarvan het spreekwoord, naar zijne gedachten, niet te vergeefs zeide dat hij voor den val komt.Morfin, de oude vrijer met grijzende haren en bakkebaarden, was misschien de eenige van het kantoor—het hoofd daarvan natuurlijk uitgezonderd—die waarlijk diep getroffen was door de ramp, welke het overkomen was. Hij had Dombey vele jaren lang met genoegzamen eerbied behandeld, maar nooit zijn natuurlijk karakter ontveinsd, of tot eigen voordeel laaggeestig zijn heerschenden hartstocht gevleid. Hij had derhalve geene zelfverachting te wreken, geene lang knellende banden los te rukken. Hij werkte vroeg en laat om alles te verduidelijken wat in de boeken duister en ingewikkeld was; hield zich altijd gereed om op te helderen wat opheldering noodig had; zat dikwijls des avonds laat nog in zijne oude kamer op moeielijkheden te studeeren, door welker oplossing hij Dombey de onaangenaamheid kon besparen van persoonlijk ondervraagd te worden; en ging dan naar zijne woning teIslingtonom, eer hij naar bed ging, zijn gemoed tot kalmte te brengen door de treurigste en weemoedigste klanken uit zijne violoncel te halen.Hij zat zich eens op een avond, toen het verloop van den dag hem bijzonder ontmoedigd had, met het welluidend gebrom der zwaarste tonen te troosten, toen zijne huiswaardin (die gelukkig doof was, en geene andere bewustheid[406]had van zijne muziek dan door het gevoel van een dreunen door haar gebeente) hem kwam zeggen, dat er eene dame was om hem te spreken.“In den rouw,” zeide zij.De violoncel zweeg onmiddellijk, en nadat de speler dit instrument zeer behoedzaam op de sofa had gelegd, gaf hij een teeken, dat de dame mocht binnenkomen. Hij ging zelf terstond naar buiten en ontmoette Harriët Carker op het portaal.“Alleen!” zeide hij. “En John van morgen nog hier? Is er iets gebeurd, lieve? Maar neen,” voegde hij er bij, “uw gezichtje zegt heel wat anders.”—“Ik vrees dan dat het iets zeer eigenlievends verraadt,” antwoordde zij.—“Het staat heel vergenoegd,” zeide hij, “en als het eigenliefde verraadt, is dat, als wat nieuws, wel de moeite waard om bij u te zien. Maar ik geloof dat niet.”Hij had nu een stoel voor haar gezet, en plaatste zich tegenover haar, terwijl de violoncel op de sofa tusschen hen in lag.“Het zal u niet verwonderen dat ik alleen kom, of dat John u niet gezegd heeft dat ik zou komen,” zeide Harriët, “en zult gijdatwel gelooven, als ik u zeg waarom ik kom. Mag ik dat nu doen?”—“Gij kunt niet beter.”—“Waart ge niet bezig?”Hij wees naar de violoncel en zeide: “Dat ben ik den geheelen dag geweest. Hier is mijn getuige. Ik heb hem al mijne zorgen toevertrouwd. Ik wenschte dat ik er geen had dan voor mij zelven.”—“Is het geheel ten einde met het kantoor?”—“Geheel ten einde.”—“Zal het nooit weer worden hervat?”—“Nooit.”De heldere uitdrukking van haar gezichtje werd niet verduisterd, toen hare lippen dit woord herhaalden. Hij scheen dit met eenige verwondering onwillekeurig op te merken en zeide nog eens:“Nooit. Gij herinnert u wel wat ik gezegd heb. Het is sedert lang onmogelijk geweest hem van iets te overtuigen, onmogelijk met hem te redeneeren; somtijds onmogelijk hem te naderen. Het ergste is gebeurd. Het huis is gevallen om nooit weer opgebouwd te worden.”—“En is mijnheer Dombey zelf geruïneerd?”—“Geruïneerd.”—“Heeft hij geen bijzonder vermogen over? Niets?”Zekere drift in haar toon en iets dat bijna blijdschap was in haar blik, scheen hem meer en meer te verwonderen, en hem tevens te leur te stellen en wanluidend met zijn eigen gevoel te strijden. Hij trommelde met zijne vingers op de tafel, zag haar oplettend aan, schudde zijn hoofd en zeide, na eene poos:“De middelen van mijnheer Dombey zijn mij niet nauwkeurig bekend; maar hoewel zij ontwijfelbaar zeer groot zijn, zijn daarentegen zijne verplichtingen ontzettend. Hij is een man van eer en strenge rechtschapenheid. Een ander in zijne positie had zich kunnen redden, en menigeen zou dat gedaan hebben, door een accoord te maken, dat het verlies van hen, die zaken met hem hadden gedaan, maar zeer weinig, bijna onmerkbaar, zou vergroot hebben, en waardoor hij iets zou hebben overgehouden om van te leven. Maar hij heeft besloten den laatsten penning te betalen, die zijne middelen kunnen opbrengen. Zijne eigene woorden zijn, dat hij alle schulden van het kantoor geheel of bijna geheel zal afdoen, en dat niemand veel kan verliezen. O, jufvrouw Harriët, het zou ons geen kwaad doen, als wij meer bedachten, dan wij dit wel doen, dat ondeugden somtijds maar tot een uiterste gedrevene deugden zijn! Nu vertoont zijn trots zich van den goeden kant.”Zij hoorde hem aan met geen of weinig verandering in hare trekken, en met eene verdeelde aandacht, die bewees, dat zij aan iets anders dacht. Toen hij zweeg, vroeg zij hem haastig:“Hebt gij hem binnen kort gezien?”—“Niemand ziet hem. Als deze crisis van zijne zaken hem noodzaakt om zijn huis te verlaten, gaat hij om die reden uit, en dan weder naar huis, en sluit zich op, en wil niemand zien. Hij heeft mij een brief geschreven, waarin hij van onze vroegere betrekking spreekt, met meer eer voor mij dan ik verdiende, en afscheid van mij neemt. Ik ben huiverig, om mij nu aan hem op te dringen, daar ik in betere tijden nooit veel omgang met hem gehad heb; maar ik heb toch beproefd dat te doen. Ik heb geschreven, ben daar naar toe gegaan, heb gebeden. Geheel vruchteloos.”Hij sloeg haar gade, als hoopte hij dat zij meer meewarigheid aan den dag zou leggen, dan zij nog gedaan had, en sprak met ernst en gevoel, als om meer indruk op haar te maken; maar hare trekken veranderden niet.“Wel, jufvrouw Harriët,” zeide hij met een gezicht vol teleurstelling, “dat doet er niet toe. Gij zijt hier gekomen om dit te hooren. Gij hebt iets anders en aangenamers in uwe gedachten. Laat het ook in de mijne komen, dan zullen wij meer op gelijken voet met elkander praten. Kom aan.”—“Neen, wij hebben hetzelfde in onze gedachten,” antwoordde Harriët met onbewimpelde verrassing. “Is dat niet waarschijnlijk? Is het niet natuurlijk, dat John en ik veel denken en spreken over die groote veranderingen? Mijnheer Dombey, dien hij zoovele jaren gediend heeft—gij weet op welken voet—zoo arm geworden als gij zegt, en wij rijk!”Welk een goed en oprecht gezichtje zij ook had, beviel het den ouden vrijer met grijzend haar thans, nu deze straal van blijdschap het verhelderde, toch minder dan het hem ooit had bevallen.[407]“Ik behoef u niet te herinneren,” vervolgde Harriët, hare oogen neerslaande naar haar zwart kleed, “waardoor onze omstandigheden zoo veranderd zijn. Gij hebt niet vergeten, dat onze broeder James, op dien schrikkelijken dag, geen testament naliet en geene bloedverwanten behalve ons?”Het gezichtje was hem nu aangenamer, schoon het bleek en treurig werd, dan een oogenblik geleden. Hij scheen vrijer adem te halen.“Gij kent onze geschiedenis,” zeide zij, “de geschiedenis van mijne beide broeders, in betrekking tot dien ongelukkigen man, van wien gij zoo naar waarheid hebt gesproken. Gij weet, hoe weinig behoeften wij hebben—John en ik—en hoe weinig het geld ons kan baten, na het leven, dat wij zoovele jaren te zamen hebben geleid; vooral nu hij, door uwe goedheid, een inkomen heeft, dat ruim genoeg voor ons is. Gij zijt dus niet onvoorbereid om te hooren, welke gunst ik van u kom vragen?”—“Dat weet ik haast niet. Een oogenblik geleden was ik het wel. Nu geloof ik van neen.”—“Van mijn dooden broeder zeg ik niets. Als de dooden weten wat wij doen—maar gij verstaat mij. Van mijn levenden broeder zou ik veel kunnen zeggen, maar wat behoef ik meer te zeggen, dan dat die plichtvervulling, waartoe ik uwe onmisbare hulp kom vragen, geheel zijne gedachte is, en hij niet kan rusten voordat hij ze volbracht heeft.”Zij sloeg hare oogen neder, en de blijdschap, die haar gezicht verhelderde, begon nu voor de oplettende oogen, die haar gadesloegen, iets schoons te krijgen.“Het moet zeer stil en geheim gedaan worden,” vervolgde zij. “Uwe kunde en ondervinding zullen u wel een weg aanwijzen om het te doen. Mijnheer Dombey zal misschien in de meening kunnen gebracht worden, dat er onverwacht nog iets uit de schipbreuk van zijn vermogen is gered; of dat het eene vrijwillige hulde aan zijn eervol karakter is van sommigen, met wie hij groote zaken heeft gedaan; of dat het de betaling van eene lang uitgeschrapte schuld is. Er moeten vele manieren zijn om het te doen. Gij zult de beste wel weten te kiezen. De gunst, die ik van u kom vragen, is dat gij dit voor ons op uwe eigene vriendelijke, edele, bedachtzame manier wilt doen. Dat gij er nooit van tegen John wilt spreken, wiens grootste genoegen in deze daad van vergoeding is, ze onbekend en ongeprezen te verrichten; dat maar een zeer klein gedeelte der erfenis voor ons bewaard zal worden, totdat mijnheer Dombey zijn leven lang de interest van het overige zal genoten hebben; dat gij ons geheim getrouw zult bewaren—maar daarvan ben ik zeker; en dat er van dezen tijd af tusschen u en mij maar zelden van gefluisterd mag worden, maar het alleen in mijne gedachten mag leven, als eene nieuwe reden tot dankbaarheid aan den hemel, en tot blijde trotschheid op mijn broeder.”Zulk eene blijdschap kon van het gelaat van een engel stralen, wanneer één boetvaardig zondaar den hemel binnentreedt, onder negen en negentig rechtvaardigen. Zij werd niet beneveld door de tranen, die hare oogen vulden, maar blonk daardoor nog te helderder uit.“Mijne lieve Harriët,” zeide Morfin, na eene poos van stilte, “daarop was ik geheel niet verdacht. Moet ik verstaan, dat gij uw eigen aandeel in de erfenis aan uw goed oogmerk dienstbaar wilt maken, evenals dat van John?”—“O ja,” antwoordde zij. “Nu wij zoolang alles te zamen hebben gedeeld, en geene zorg of hoop of doel van elkander afgescheiden hebben gehad, zou ik het nu kunnen dragen, dat ik van mijn deel hierin werd uitgesloten? Mag ik niet vorderen, tot het laatste toe mijn broeders deel- en lotgenoote te zijn?”—“De hemel verhoede, dat ik dat zou betwisten,” antwoordde hij.—“Wij mogen ons dus op uwe vriendschappelijke hulp verlaten?” zeide zij, “Dat wist ik ook wel.”—“Ik zou een slechter mensch wezen—dan ik hoop te zijn, of mij zelve gaarne voor zou houden, als ik u dat niet met hart en ziel kon verzekeren. Dat moogt gij, zonder bedenken. Op mijne eer, ik zal uw geheim bewaren. En als het blijken mocht, dat mijnheer Dombey zoo arm is, als ik vrees dat blijken zal, wanneer hij bij een voornemen blijft, waarvan niemand hem schijnt te kunnen afbrengen, zal ik u helpen om het plan uit te voeren, waartoe gij en John gemeenschappelijk besloten hebt.”Zij gaf hem hare hand en dankte hem met hartelijke blijdschap.“Harriët,” zeide hij, hare hand vasthoudende, “u een woord te zeggen van de waarde van eenige opoffering, die gij nu doen kunt—vooral van eene opoffering van enkel geld—zou nutteloos en aanmatigend zijn. U te vermanen om u nog eens op uw voornemen te bedenken, of het binnen engere grenzen te beperken, zou, dat gevoel ik, dit evenzeer wezen. Het voegt mij niet, het groote slot eener groote geschiedenis te bederven door iemand mijn eigen zwak begrip te willen opdringen. Het voegt mij alleen, mijn hoofd te buigen voor wat gij mij toevertrouwt, overtuigd, dat het u door iets hoogers wordt ingegeven, dan mijne ellendige wereldkennis. Ik wil dit alleen zeggen; ik ben uw getrouwe rentmeester; en ik wil dat, en uw uitverkoren vriend, liever zijn, dan ik iets anders in de wereld zou kunnen wezen, of ik moest u zelve kunnen zijn.”Zij dankte hem nog eens hartelijk en wenschte hem goedennacht.“Gaat gij naar huis?” zeide hij. “Laat mij met u meegaan.”—“Van avond niet. Ik ga[408]nu niet naar huis. Ik moet nog alleen een bezoek brengen. Zult gij morgen komen?”—“Goed, goed,” zeide hij. “Ik zal morgen komen. Ondertusschen zal ik eens daarover denken. Misschien zultgijer ook over denken, lieve Harriët—en—en een weinigje aan mij denken in verband daarmede.”Hij hielp haar in eene koets, die haar voor de deur stond te wachten; en als zijne huiswaardin niet doof was geweest, had zij hem, terwijl hij weder naar boven ging, hooren mompelen, dat wij slaven der gewoonte zijn, en dat het eene treurige gewoonte is een oud vrijer te zijn.Daar de violoncel nog tusschen de twee stoelen op de sofa lag, nam hij dat instrument op, zonder den ledigen stoel weg te zetten, en zat, zijn hoofd schuddende tegen den ledigen stoel, nog lang, zeer lang te zagen. De uitdrukking, die hij in het eerst aan zijn instrument mededeelde, schoon weemoedig en aandoenlijk, was nog niets bij de uitdrukking, die hij aan zijn eigen gezicht gaf, en die zoo sterk was, dat hij meer dan eens kapitein Cuttle’s hulpmiddel moest te baat nemen en zijn gezicht met zijne mouw afvegen. Langzamerhand evenwel ging de violoncel, in overeenstemming met zijn eigen gemoed, tot de vroolijke tonen van den Zangerigen Hoefsmid over, welke melodie hij nogmaals en nogmaals overspeelde, tot zijn eigen verhelderd gezicht blonk gelijk het metaal op het aanbeeld van een echten hoefsmid. Kortom, de violoncel en de ledige stoel hielden den ouden vrijer gezelschap tot dicht bij middernacht; en toen hij zijn avondmaal gebruikte, scheen de violoncel, in den hoek der sofa overeindgezet, uit zijne kromme oogholten tegen den ledigen stoel te lonken, alsof beide meer wisten dan zij konden zeggen.Toen Harriët het huis verliet, reed de voerman der huurkoets, een weg inslaande die hem blijkbaar niet nieuw was, verscheidene straten in die voorstad door, tot hij aan eene opene plek kwam, waar, tusschen tuinen, eenige nederige oude huisjes stonden. Aan het tuinhek van een dier huisjes hield hij op en stapte Harriët af.Toen zij zacht aanschelde, werd haar opengedaan door eene vrouw met een beklaaglijk, bijna kleurloos gezicht, opgetrokkene wenkbrauwen en het hoofd op zijde hangende, die diep voor haar neeg en haar door den tuin naar het huis bracht.“Hoe is het met de zieke van avond?” zeide Harriët.—“Heel min, vrees ik, jufvrouw. O, hoe dikwijls doet zij mij aan mijn ooms Betsey Jane denken!” antwoordde de vrouw met zekere treurige verrukking.—“In welk opzicht?” vroeg Harriët.—“In alle opzichten, jufvrouw,” was het antwoord, “behalve dat zij volwassen is, en Betsey Jane, toen zij op den oever van den dood lag, nog maar een kind was.”—“Maar gij hebt mij verteld dat zij beter werd,” merkte Harriët aan, “en dus is er des te meer reden om te hopen, jufvrouw Wickam.”—“Och, jufvrouw, hoop is iets heel goeds voor menschen, die ze verdragen kunnen,” zeide jufvrouw Wickam, haar hoofd schuddende. “Ik ben er niet toe in staat, maar ik mag het toch wel lijden. Ik benijd zelfs de menschen, die zoo gelukkig zijn.”—“Gij moest wat vroolijker wezen,” merkte Harriët aan.—“Wel bedankt, jufvrouw, inderdaad,” antwoordde jufvrouw Wickam zeer stroef. “Al wilde ik dat, dan zou de eenzaamheid van mijn post hier—gij zult mij niet kwalijk nemen, dat ik zoo vrij spreek—mij dat toch binnen vier en twintig uren onmogelijk maken. Maar dat is nog niet alles. Ik wilde liever niet. Van het weinigje moed, dat ik er ooit toe had, ben ik eenige jaren geleden teBrightonberoofd, en ik geloof dat het zoo beter voor mij is.”Het was dezelfde jufvrouw Wickam, die jufvrouw Richards als verzorgster van den kleinen Paul had vervangen, en die nu meende, dat zij door het bedoelde verlies, onder het dak der beminnelijke mevrouw Pipchin, inderdaad gewonnen had. De uitmuntende, door lange gewoonte geheiligde, methode, volgens welke doorgaans de akeligste en onaangenaamste menschen, die men met mogelijkheid vinden kan, tot ziekenoppassters en dergelijke betrekkingen worden verkozen, had jufvrouw Wickam eene zeer goede klandizie in dat vak bezorgd, en deed hare ernstige denkwijs als eene aanbeveling te meer beschouwen.Jufvrouw Wickam, ging, met opgetrokkene wenkbrauwen, het hoofd op zijde en het licht in de hand, vooruit naar boven naar eene nette, zindelijke kamer, waaraan eene andere flauw verlichte kamer grensde, waarin een bed stond. In de eerste kamer zat eene oude vrouw voor het opene venster werktuiglijk in de duisternis te staren. In de tweede lag, op het bed uitgestrekt, de schim van eene gedaante, die eens op een winteravond den stormwind en den regen tartte, nu nauwelijks te herkennen, behalve aan het lange zwarte haar, dat zoo bijzonder zwart scheen bij het bleeke gezicht en al het witte in het rond.O, die sterke oogen en dat zwakke lichaam! Die oogen, die zich snel en helder naar de deur keerden toen Harriët binnenkwam, en dat zwakke hoofd, dat zich niet kon opbeuren en zich zoo langzaam op het kussen omdraaide!“Alice!” zeide Harriët vriendelijk. “Kom ik niet laat van avond?”—“Het schijnt altijd laat, maar gij komt toch altijd vroeg.”Harriët had zich nu bij het bed neergezet, en legde hare hand op de uitgeteerde hand, die op het dek lag.“Ge zijt wat beter?”[409]Jufvrouw Wickam, die als een naargeestig spook aan het einde van het bed stond, schudde zeer krachtig haar hoofd om dit vermoeden tegen te spreken.“Het komt er weinig op aan,” zeide Alice met een flauwen glimlach. “Beter of erger vandaag, maakt maar een dag verschil—misschien zooveel niet eens.”De ernstig denkende jufvrouw Wickam gaf door een zwaren zucht hare goedkeuring te kennen; en nadat zij het dek aan het voeteneinde had betast, als dacht zij de koude voeten van de lijderes daardoor heen te voelen, ging zij wat met de medicijnfleschjes op de tafel rinkelen, als wilde zij zeggen: “zoolang er leven is, moet men toch innemen.”“Neen,” fluisterde Alice, “slecht gedrag en wroeging, vermoeienis, gebrek, weer en wind, storm van buiten en storm van binnen, hebben mijn leven versleten. Het zal niet lang meer duren.”Zij trok, zoo sprekende, de hand hooger op en legde haar gezicht daartegen.“Ik lig hier somtijds te denken, dat ik gaarne zou willen leven tot ik tijd had gehad, om u te toonen hoe dankbaar ik zou kunnen zijn. Maar dat is eene zwakheid en gaat gauw voorbij. Het is beter zóó voor u. Beter voor mij.”Hoe geheel anders vatte zij de hand, dan zij eens bij dien haard op dien barren winteravond had gedaan. Haat, woede, roekeloosheid, halsstarrigheid—zie hier wat er van komt. Dit is het einde.Nadat jufvrouw Wickam genoeg met de fleschjes had gerinkeld, kwam zij nu met het drankje aan. Zij keek de lijderes scherp aan terwijl zij dronk, kneep haar mond daarbij dicht en schudde haar hoofd, om aan te duiden, dat geene martelingen haar konden doen zeggen, dat het een hopeloos geval was. Daarna ging zij heen om zich beneden met wat gebak te versterken.“Hoelang is het geleden,” zeide Alice, “dat ik bij u kwam en u zeide wat ik gedaan had, en gij onderricht werdt, dat het te laat was om iemand na te zenden?”—“Over het jaar,” antwoordde Harriët.—“Over het jaar,” zeide Alice, haar peinzend aanziende. “Maanden aan maanden sedert gij mij hier gebracht hebt!”“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?” (blz. 413).“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?”(blz. 413).[410]Harriët antwoordde: “Ja!”“Mij hier gebracht hebt met geweld van goedheid en zachtheid! Mij!” zeide Alice, haar gezicht achter de hand verbergende. “En mij tot een mensch hebt gemaakt door de oogen en woorden van eene vrouw en de daden van een engel!”Harriët, over haar heengebogen, poogde haar te bedaren en te troosten. Weldra vroeg Alice, nog zoo liggende, met die hand tegen haar gezicht, om hare moeder te roepen.Harriët riep haar meer dan eens, maar de oude vrouw was zoo verdiept in haar turen in de duisternis, dat zij niet hoorde. Eerst toen Harriët naar haar toe ging en haar aanraakte, stond zij op en kwam.“Moeder!” zeide Alice, die hand weder vattende, en hare glansrijke oogen liefdevol op hare weldoenster vestigende; “zeg haar wat gij weet.”—“Van avond, liefje?”—“Ja, moeder,” antwoordde Alice, zacht en plechtig. “Vanavond.”De oude vrouw, wier verstand door angst of wroeging gekrenkt scheen te zijn, kwam naar het bed gekropen, aan den kant tegenover dien, waar Harriët zat; en daar neerknielende, zoodat zij haar gerimpeld gezicht op gelijke hoogte met het dek bracht, en hare hand uitstekende, zoodat zij Alice’s arm aanraakte, begon zij:“Mijne mooie dochter—”Hemel, welk een kreet was dat, waarmede zij zich stuitte, toen zij de gedaante in dat bed aanzag!“Al lang geleden veranderd, moeder,” zeide Alice zonder haar aan te zien. “Maak u daarom nu niet meer bedroefd.”—“Mijne dochter,” zeide de oude vrouw haperend, “die gauw weer beter zal worden, en ze dan allen beschaamd zal maken met haar mooi.”Alice zag Harriët met een treurigen glimlach aan, en streelde die hand, maar zeide niets.“Die gauw weer beter zal worden, zeg ik,” herhaalde de oude vrouw, dreigende hare dorre vuist schuddende, “en ze dan allemaal beschaamd maken met haar mooi—dat zal zij. Ik zeg dat zij zal—dat moet zij,” als sprak zij met hartstochtelijke drift tegen een onzichtbaar persoon bij het bed, die haar tegensprak. “Mijne dochter is verzaakt en verbannen, maar zij kon op hare bloedverwantschap op groote lieden roemen, als zij wilde. Ja, op groote trotsche lieden! Er bestaat ook bloedverwantschap zonder uwe geestelijken en trouwringen—zij maken ze, maar zij kunnen ze niet breken—en mijne dochter is van goede familie. Wijs mij mevrouw Dombey, en gij wijst mij Alice’s volle nicht.”Harriët zag van de oude vrouw naar de glanzige oogen, die haar aanstaarden, en las daarin eene bevestiging.“Wat!” riep de oude vrouw, met akelige ijdelheid haar hoofd oprichtende. “Al ben ik nu oud en leelijk—maar toch veel ouder door mijne manier van leven dan door mijne jaren—ik ben eens zoo jong geweest als iemand. Ja, en zoo mooi ook als velen! Ik was een frisch boerenmeisje in mijn tijd, liefje,” haar arm over het bed naar Harriët uitstrekkende, “en zag er goed uit. Waar ik woonde waren mevrouw Dombey’s vader en zijn broeder de vroolijkste heeren, die daar vanLondenkwamen logeeren—maar zij zijn al lang dood! och Heere! al heel lang. De broeder, die mijn Ally’s vader was, al het langst van de twee.”Zij lichtte haar hoofd op en zag hare dochter turend aan, als bracht de herinnering harer eigene jeugd haar op die van haar kind. Toen viel zij eensklaps met haar gezicht op het bed, en klemde haar hoofd tusschen hare handen.“Zij geleken zoo sterk op elkander,” zeide de oude vrouw, zonder op te zien, “als twee broeders maar konden doen, zoo gelijk van jaren—zij scheelden niet veel meer dan een jaar, herinner ik mij—en als gij mijne dochter hadt kunnen zien, zooals ik haar eens gezien heb, vlak naast de dochter van dien anderen, zoudt gij, met al het verschil van kleeding en manieren, gezien hebben, dat zij op elkander geleken. O, de gelijkenis is weg—en het is mijne dochter—mijne dochter alleen—die zoo moest veranderen!”—“Wij zullen allen veranderen, moeder, op onze beurt,” zeide Alice.—“Beurt!” riep de oude vrouw. “Maar waarom niet hare beurt even gauw als mijn dochters beurt! De moeder moet veranderd zijn—zij zag er even oud en gerimpeld uit als ik, door haar blanketsel heen—maarzijwas mooi gebleven. Wat hebikgedaan, wat heb ik erger gedaan dan die andere, dat mijne dochter alleen daar moet liggen verkwijnen!”Met een woesten gil liep zij naar de kamer, waaruit zij gekomen was; maar terstond weder in eene andere stemming komende, keerde zij weerom, kroop naar Harriët toe en zeide:“Dat is het wat Alice wilde, dat ik zou zeggen, liefje. Dat is alles. Ik ontdekte het eens op een zomer inWarwickshire, toen ik haar zag en vroeg wie zij was. Zulke bloedverwanten konden mij toen niet baten. Zij zouden mij niet erkend hebben en hadden mij niets te geven. Ik zou ze misschien naderhand toch om een beetje geld hebben gevraagd, als het niet om Alice was geweest; zij zou mij vermoord hebben, geloof ik, als ik het gedaan had. Zij was zoo trotsch als die andere op hare manier,” zeide de oude vrouw, vreesachtig het gezicht harer dochter aanrakende en daarop hare hand terugtrekkende, “al houdt zij zich nu zoo bedaard; maar zij zal ze toch nog beschaamd maken met haar mooi. Ha, ha! zij zal ze beschaamd maken—mijne mooie dochter!”De lach, waarmede zij heenging, was akeliger dan haar gillen; akeliger dan het kinderachtig gejammer, dat daarop volgde; akeliger[411]dan de sufheid, waarmede zij zich weder op haar stoel zette en in de duisternis staarde.De oogen van Alice waren al dien tijd op Harriët gevestigd gebleven, welker hand zij niet had losgelaten. Nu zeide zij:“Terwijl ik hier lag, dacht ik dikwijls dat ik u dit gaarne wilde doen weten. Het kon, dacht ik, iets verklaren, dat er toe bijdroeg om mij te verharden. Ik had, onder mijn kwaad doen, zooveel van mijne verwaarloosde plichten gehoord, dat ik begon te gelooven dat anderen integendeel hun plicht jegens mij hadden verzuimd, en dat er van het zaad, dat zij gezaaid hadden, geen andere oogst kon groeien. Ik meende te zien dat, wanneer dames eene slechte moeder en een onaangenaam leven hadden, zij op hare manier ook den slechten weg opgingen, maar dat hare manier niet zoo schandelijk was als de mijne, en dat zij daarvoor God mochten danken. Dat is alles voorbij. Het is nu als een droom, dien ik mij niet goed meer kan herinneren. Het heeft meer en meer naar een droom gaan gelijken, sedert den dag toen gij begonnen zijt hier bij mij te zitten en voor mij te lezen. Ik zeg het u maar, zooveel ik mij herinner. Wilt ge nog wat voor mij lezen?”Harriët trok hare hand terug om het boek open te slaan, toen Alice die nog even vasthield.“Gij zult mijne moeder niet vergeten? Ik vergeef haar, als ik reden daartoe heb. Ik weet dat zij mij vergeeft, en dat zij in haar hart bedroefd is. Gij zult haar niet vergeten?”—“Nooit, Alice!”—“Een oogenblik nog. Leg mijn hoofd zoo, lieve, dat ik, als gij leest, de woorden op uw vriendelijk gezicht kan zien.”Harriët voldeed aan dit verlangen en las—las uit het eeuwige boek voor alle vermoeiden en zwaar beladenen, voor al de rampzaligen, gevallenen en verwaarloosden dezer aarde—las de gezegende geschiedenis, waarin de blinde, de lamme, de kreupele bedelaar, de misdadiger, de vrouw met schande bevlekt, zij, die door hen, welke zich beter achten, worden vermeden, allen hun deel hebben, dat door geene menschelijke trotschheid of onverschilligheid, door al de eeuwen, die deze wereld duren zal, heen, kan worden weggenomen of niet het duizendste deel van een grein verminderd—las de woorden en daden van Hem, die medelijden had met alle smarten en angsten van het menschelijk leven.“Ik zal morgenochtend heel vroeg terugkomen,” zeide Harriët toen zij het boek sloot.De glanzige oogen, nog op haar gelaat gevestigd, sloten zich voor een oogenblik en openden zich weder, en Alice kuste en zegende haar.Dezelfde oogen volgden haar naar de deur, en toen deze gesloten werd, kwam er een glimlach op het kalme bleeke gelaat.Die oogen wendden zich niet weder af. Zij legde hare hand op hare borst, prevelde den heiligen naam, die voor haar gelezen was, en het leven verdween uit hare trekken, gelijk een licht dat men wegneemt.Niets lag daar meer dan de ruïne van het sterfelijke huis, dat de storm had geteisterd, en het zwarte haar, dat in den winterwind had gefladderd.
De zee had een geheel jaar lang hare getijden gehad. Een geheel jaar lang waren winden en wolken gekomen en gegaan, en had de tijd, in storm en zonneschijn, zijn rusteloozen arbeid verricht. Een geheel jaar lang hadden de getijden van het wisselend menschenlot den hun toegewezen loop gehouden. Een geheel jaar[404]lang had het vermaarde kantoor van Dombey en Zoon voor zijn leven gestreden, tegen onverwachte tegenspoeden, nadeelige geruchten, ongelukkige waagstukken, ongunstige tijden, en vooral tegen de verdwaasdheid van den eigenaar, die zijne ondernemingen geene haarbreedte wilde inkrimpen, die naar geen woord van waarschuwing wilde luisteren, dat het schip, waarmede hij den storm wilde tarten, zwak was en het niet kon uithouden.
Het jaar was om, en het groote kantoor was gevallen.
Op een zomermiddag, omtrent een jaar na dat huwelijk in deCity, werd er op de Beurs over een groot bankroet gemompeld. Zeker koud en trotsch man, daar welbekend, was er niet, en was door niemand vertegenwoordigd. Den volgenden dag hoorde men, dat het kantoor van Dombey en Zoon zijne betalingen had gestaakt, en den volgenden avond werd er eene lijst van bankroetiers uitgegeven, met dien naam bovenaan.
Nu had de wereld veel te zeggen. Het was eene onnoozele, lichtgeloovige, erg mishandelde wereld. Het was eene wereld, waarin men nog nooit van een ander soort van bankroeten had gehoord. Er waren geene voorname mannen in, die wijd en zijd handel dreven met valschen godsdienst, vaderlandsliefde, deugd en eer. Er was geen papier in omloop, waarvan iemand rijkelijk leefde, en waarbij groote sommen van braafheid werden beloofd, waarvoor geen kapitaal aanwezig was. Nergens kwam men ooit iets te kort behalve geld. De wereld was heel boos; en die menschen vooral, die men in eene slechtere wereld voor insolvente speculanten in vertooning en geveinsdheid had kunnen houden, waren ten hoogste verontwaardigd.
Nu werd Perch, den kantoorlooper, door het spel der omstandigheden eene nieuwe verzoeking tot losbandigheid aangeboden. Het scheen zijn lot te zijn, telkens wakker te moeten worden om zich beroemd te vinden. Pas gisteren, mocht men zeggen, was hij weder in het bijzondere leven afgedaald, na zijne vermaardheid door die vlucht en de daaropvolgende gebeurtenissen; en nu werd hij weder door dat bankroet tot een gewichtiger persoon dan ooit gemaakt. Van zijn bankje in het groote kantoor opstaande, waar hij nu naar de vreemde gezichten zat te kijken, die spoedig bijna al de oude klerken vervingen, behoefde Perch zich maar op straat of voor de toonbank van het Koninklijke Wapen te vertoonen, om eene menigte vragen te hooren, waaronder bijna zeker de belangrijke vraag voorkwam, wat hij te drinken wilde hebben. Dan weidde Perch uit over de uren van hooggaanden angst, die hij en zijne vrouw teBall’s Pondhadden doorgestaan, toen zij pas begonnen te vermoeden, dat “de zaak niet goed ging.” Dan vertelde Perch de hem aangapende luisteraars, met eene zachte stem, alsof het lijk van het overledene kantoor nog onbegraven in de naaste kamer lag, hoe jufvrouw Perch het eerst was begonnen te vermoeden, dat de zaak niet goed ging, door dat zij hem (Perch) in zijn slaap had hooren kermen: “Zestig percent! Zestig percent!” Welk onrustig droomen en slaapspreken hij vermoedde dat ontstaan moest wezen uit den indruk, dien de verandering in mijnheer Dombey’s gezicht op hem maakte. Dan onderrichtte hij hun hoe hij eens gezegd had: “Mag ik zoo vrij zijn om te vragen, mijnheer, is uw gemoed niet gerust?” en hoe mijnheer Dombey had geantwoord: “Mijn trouwe Perch—maar neen, het kan niet zijn!” en zich toen met de hand voor het voorhoofd had geslagen en gezegd: “Verlaat mij, Perch!” Dan, kortom, vertelde Perch, als slachtoffer van zijne positie, eene menigte van allerhande logens, zich zelven tot tranen roerende door diegene, die van een aandoenlijken aard waren, en werkelijk geloovende, dat de verzinsels van gisteren, door de herhaling, vandaag eene soort van waarheid kregen.
Perch besloot deze mededeelingen altijd door weemoedig aan te merken, dat, natuurlijk, wat hij ook mocht vermoed hebben (alsof hij ooit iets vermoed had) hethemniet voegde het vertrouwen van zijn patroon te verraden—deed het wel? Welk gezegde (daar er crediteuren bij waren) altijd gehouden werd zijn gevoel tot eer te strekken. Zoo ging hij doorgaans met een gebalsemd geweten heen en liet hij een aangenamen indruk achter, als hij weder naar zijn bankje terugkeerde, om daar naar de vreemdelingen te zitten kijken, die zoo vrij met die groote geheimen, de boeken, omgingen, of nu en dan op de teenen naar Dombey’s ledige kamer te sluipen en het vuur op te poken, of aan de deur een luchtje te scheppen en nog een treurig praatje met een bekenden voorbijganger te houden, of zich door kleine beleefdheden den voornaamsten der vreemde indringers te vriend te maken, van wien hij een postje bij eene assurantiemaatschappij verwachtte, als de zaken van het kantoor geliquideerd waren.
Voor majoor Bagstock was het bankroet wezenlijk eene ramp. De majoor had niet veel gevoel voor anderen—al zijne aandacht was op J. B. gevestigd en hij was ook aan niet veel gemoedsbewegingen onderhevig, of men moest hoesten en hijgen gemoedsbewegingen kunnen noemen. Maar hij had in zijne club zoodanig met zijn vriend Dombey gepronkt, en de leden in het algemeen zoo dikwijls zijn rijkdom naar het hoofd gegooid, dat de club, die toch maar menschelijk was, er in juichte dit den majoor nu betaald te kunnen zetten, door hem met eene vertooning van groote meewarigheid te vragen, of hij dien geweldigen tuimel ook eenigszins verwacht had, en hoe zijn vriend Dombey zich[405]daaronder hield. Op al zulke vragen antwoordde de majoor, purperrood wordende, dat het eene booze wereld was, mijnheer; dat Joey anders zijn weetje wel wist, maar zich had laten foppen als een kind; dat, als gij J. Bagstock dit voorspeld hadt, toen hij met Dombey op reis ging en dien vagebond door geheelFrankrijknajoeg, J. Bagstock u zou hebben uitgelachen—uitgelachen, mijnheer. Dat Joe bedrogen was, mijnheer, gefopt, geblinddoekt, om den tuin geleid, maar dat hij nu klaar wakker was; zoo zelfs, dat als Joe’s vader morgen uit zijn graf opstond, hij den ouden heer voor geen stuiver zou vertrouwen, maar hem zou zeggen dat zijn zoon Josh een te oud soldaat was om zich nog eens te laten beetnemen, mijnheer. Dat hij een achterdochtige, knorrige, versletene, ongeloovige ijzervreter was, mijnheer; en dat, als het met het fatsoen van een ruwen en taaien majoor van de oude school strookte, die de eer had gehad persoonlijk bekend te zijn en geprezen te worden met en door Hunne Koninklijke Hoogheden de Hertogen vanYorkenKent, om in eene ton te kruipen en daarin te blijven wonen, hij waarachtig, mijnheer, morgen eene ton inPall Mallzou laten zetten, om zijne verachting voor het menschdom te toonen.
Dit alles, en nog vele variatiën van hetzelfde deuntje, ontboezemde de majoor met zulke beroerteachtige verschijnselen, zulk een rollen van zijn hoofd, en zulk een gebrom van verontwaardiging en kwaadheid, dat de jongste leden der club zich verbeeldden, dat hij geld in het kantoor van zijn vriend Dombey gezet en dit verloren had; maar de oudere en slimmere leden, die Joe beter kenden, wilden daarvan niet hooren. De ongelukkige inboorling, die geen gevoelen daaromtrent uitte, had schrikkelijk veel te lijden, niet alleen in zijn zedelijk gevoel, dat op ieder uur van den dag door den majoor gemarteld werd, maar ook in zijne lichamelijke gevoeligheid voor stompen en builen, waarvoor hij gedurig blootstond. Zes geheele weken lang na het bankroet leefde de ongelukkige buitenlander in een regentijd van laarzentrekkers en borstels.
Mevrouw Chick had ten aanzien van dit schrikkelijk onheil drie denkbeelden. Het eerste was, dat zij het niet begrijpen kon. Het tweede, dat haar broeder zich niet ingespannen had. Het derde, dat het nooit gebeurd zou zijn, als zij op den dag dier eerste partij op het diner was gevraagd, en dat zij dit toen gezegd had.
Niemands gevoelen weerde het ongeluk af, verlichtte of verzwaarde het. Men vernam dat de zaken van het kantoor zoo goed het gaan wilde geliquideerd zouden worden; dat mijnheer Dombey vrijwillig al wat hij bezat had afgestaan en van niemand eenige gunst wilde hebben. Dat er aan geen weder opvatten van de zaken te denken was, daar hij van geene schikking tot dat einde wilde hooren; dat hij alle posten van eer en vertrouwen, die hij, als een man van aanzien onder de kooplieden, bekleedde, had neergelegd; dat hij doodziek was, volgens sommigen; dat hij tot eene zwaarmoedige waanzinnigheid was vervallen, volgens anderen; dat hij geheel geruïneerd was, volgens allen.
De klerken verstrooiden zich, nadat zij onder elkander een condoleantie-dineetje hadden gegeven, waarbij comische liedjes werden gezongen, en waarbij men zich uitmuntend vermaakte. Sommige kregen eene andere betrekking buitensland, sommige op een ander kantoor thuis; sommige gingen familiebetrekkingen opzoeken, voor welke zij zich eensklaps herinnerden eene bijzondere genegenheid te hebben; en sommige adverteerden in de couranten om eene plaats. Perch bleef van het geheele personeel alleen over, en zat op zijn bankje naar de vreemde indringers te kijken, of sloofde zich uit om den voornaamsten daarvan, die hem aan een postje bij de assurantiemaatschappij zou helpen, te believen. Spoedig begon het kantoor er smerig en verwaarloosd uit te zien. De koopman in pantoffels en halsbanden, op den hoek, zou getwijfeld hebben of het hem wel voegde om nu nog naar den rand van zijn hoed te wijzen, als Dombey zich daar weder had vertoond; de kruier, met zijne handen onder zijn wit sloofje, hield zedekundige bespiegelingen over den hoogmoed, waarvan het spreekwoord, naar zijne gedachten, niet te vergeefs zeide dat hij voor den val komt.
Morfin, de oude vrijer met grijzende haren en bakkebaarden, was misschien de eenige van het kantoor—het hoofd daarvan natuurlijk uitgezonderd—die waarlijk diep getroffen was door de ramp, welke het overkomen was. Hij had Dombey vele jaren lang met genoegzamen eerbied behandeld, maar nooit zijn natuurlijk karakter ontveinsd, of tot eigen voordeel laaggeestig zijn heerschenden hartstocht gevleid. Hij had derhalve geene zelfverachting te wreken, geene lang knellende banden los te rukken. Hij werkte vroeg en laat om alles te verduidelijken wat in de boeken duister en ingewikkeld was; hield zich altijd gereed om op te helderen wat opheldering noodig had; zat dikwijls des avonds laat nog in zijne oude kamer op moeielijkheden te studeeren, door welker oplossing hij Dombey de onaangenaamheid kon besparen van persoonlijk ondervraagd te worden; en ging dan naar zijne woning teIslingtonom, eer hij naar bed ging, zijn gemoed tot kalmte te brengen door de treurigste en weemoedigste klanken uit zijne violoncel te halen.
Hij zat zich eens op een avond, toen het verloop van den dag hem bijzonder ontmoedigd had, met het welluidend gebrom der zwaarste tonen te troosten, toen zijne huiswaardin (die gelukkig doof was, en geene andere bewustheid[406]had van zijne muziek dan door het gevoel van een dreunen door haar gebeente) hem kwam zeggen, dat er eene dame was om hem te spreken.
“In den rouw,” zeide zij.
De violoncel zweeg onmiddellijk, en nadat de speler dit instrument zeer behoedzaam op de sofa had gelegd, gaf hij een teeken, dat de dame mocht binnenkomen. Hij ging zelf terstond naar buiten en ontmoette Harriët Carker op het portaal.
“Alleen!” zeide hij. “En John van morgen nog hier? Is er iets gebeurd, lieve? Maar neen,” voegde hij er bij, “uw gezichtje zegt heel wat anders.”—“Ik vrees dan dat het iets zeer eigenlievends verraadt,” antwoordde zij.—“Het staat heel vergenoegd,” zeide hij, “en als het eigenliefde verraadt, is dat, als wat nieuws, wel de moeite waard om bij u te zien. Maar ik geloof dat niet.”
Hij had nu een stoel voor haar gezet, en plaatste zich tegenover haar, terwijl de violoncel op de sofa tusschen hen in lag.
“Het zal u niet verwonderen dat ik alleen kom, of dat John u niet gezegd heeft dat ik zou komen,” zeide Harriët, “en zult gijdatwel gelooven, als ik u zeg waarom ik kom. Mag ik dat nu doen?”—“Gij kunt niet beter.”—“Waart ge niet bezig?”
Hij wees naar de violoncel en zeide: “Dat ben ik den geheelen dag geweest. Hier is mijn getuige. Ik heb hem al mijne zorgen toevertrouwd. Ik wenschte dat ik er geen had dan voor mij zelven.”—“Is het geheel ten einde met het kantoor?”—“Geheel ten einde.”—“Zal het nooit weer worden hervat?”—“Nooit.”
De heldere uitdrukking van haar gezichtje werd niet verduisterd, toen hare lippen dit woord herhaalden. Hij scheen dit met eenige verwondering onwillekeurig op te merken en zeide nog eens:
“Nooit. Gij herinnert u wel wat ik gezegd heb. Het is sedert lang onmogelijk geweest hem van iets te overtuigen, onmogelijk met hem te redeneeren; somtijds onmogelijk hem te naderen. Het ergste is gebeurd. Het huis is gevallen om nooit weer opgebouwd te worden.”—“En is mijnheer Dombey zelf geruïneerd?”—“Geruïneerd.”—“Heeft hij geen bijzonder vermogen over? Niets?”
Zekere drift in haar toon en iets dat bijna blijdschap was in haar blik, scheen hem meer en meer te verwonderen, en hem tevens te leur te stellen en wanluidend met zijn eigen gevoel te strijden. Hij trommelde met zijne vingers op de tafel, zag haar oplettend aan, schudde zijn hoofd en zeide, na eene poos:
“De middelen van mijnheer Dombey zijn mij niet nauwkeurig bekend; maar hoewel zij ontwijfelbaar zeer groot zijn, zijn daarentegen zijne verplichtingen ontzettend. Hij is een man van eer en strenge rechtschapenheid. Een ander in zijne positie had zich kunnen redden, en menigeen zou dat gedaan hebben, door een accoord te maken, dat het verlies van hen, die zaken met hem hadden gedaan, maar zeer weinig, bijna onmerkbaar, zou vergroot hebben, en waardoor hij iets zou hebben overgehouden om van te leven. Maar hij heeft besloten den laatsten penning te betalen, die zijne middelen kunnen opbrengen. Zijne eigene woorden zijn, dat hij alle schulden van het kantoor geheel of bijna geheel zal afdoen, en dat niemand veel kan verliezen. O, jufvrouw Harriët, het zou ons geen kwaad doen, als wij meer bedachten, dan wij dit wel doen, dat ondeugden somtijds maar tot een uiterste gedrevene deugden zijn! Nu vertoont zijn trots zich van den goeden kant.”
Zij hoorde hem aan met geen of weinig verandering in hare trekken, en met eene verdeelde aandacht, die bewees, dat zij aan iets anders dacht. Toen hij zweeg, vroeg zij hem haastig:
“Hebt gij hem binnen kort gezien?”—“Niemand ziet hem. Als deze crisis van zijne zaken hem noodzaakt om zijn huis te verlaten, gaat hij om die reden uit, en dan weder naar huis, en sluit zich op, en wil niemand zien. Hij heeft mij een brief geschreven, waarin hij van onze vroegere betrekking spreekt, met meer eer voor mij dan ik verdiende, en afscheid van mij neemt. Ik ben huiverig, om mij nu aan hem op te dringen, daar ik in betere tijden nooit veel omgang met hem gehad heb; maar ik heb toch beproefd dat te doen. Ik heb geschreven, ben daar naar toe gegaan, heb gebeden. Geheel vruchteloos.”
Hij sloeg haar gade, als hoopte hij dat zij meer meewarigheid aan den dag zou leggen, dan zij nog gedaan had, en sprak met ernst en gevoel, als om meer indruk op haar te maken; maar hare trekken veranderden niet.
“Wel, jufvrouw Harriët,” zeide hij met een gezicht vol teleurstelling, “dat doet er niet toe. Gij zijt hier gekomen om dit te hooren. Gij hebt iets anders en aangenamers in uwe gedachten. Laat het ook in de mijne komen, dan zullen wij meer op gelijken voet met elkander praten. Kom aan.”—“Neen, wij hebben hetzelfde in onze gedachten,” antwoordde Harriët met onbewimpelde verrassing. “Is dat niet waarschijnlijk? Is het niet natuurlijk, dat John en ik veel denken en spreken over die groote veranderingen? Mijnheer Dombey, dien hij zoovele jaren gediend heeft—gij weet op welken voet—zoo arm geworden als gij zegt, en wij rijk!”
Welk een goed en oprecht gezichtje zij ook had, beviel het den ouden vrijer met grijzend haar thans, nu deze straal van blijdschap het verhelderde, toch minder dan het hem ooit had bevallen.[407]
“Ik behoef u niet te herinneren,” vervolgde Harriët, hare oogen neerslaande naar haar zwart kleed, “waardoor onze omstandigheden zoo veranderd zijn. Gij hebt niet vergeten, dat onze broeder James, op dien schrikkelijken dag, geen testament naliet en geene bloedverwanten behalve ons?”
Het gezichtje was hem nu aangenamer, schoon het bleek en treurig werd, dan een oogenblik geleden. Hij scheen vrijer adem te halen.
“Gij kent onze geschiedenis,” zeide zij, “de geschiedenis van mijne beide broeders, in betrekking tot dien ongelukkigen man, van wien gij zoo naar waarheid hebt gesproken. Gij weet, hoe weinig behoeften wij hebben—John en ik—en hoe weinig het geld ons kan baten, na het leven, dat wij zoovele jaren te zamen hebben geleid; vooral nu hij, door uwe goedheid, een inkomen heeft, dat ruim genoeg voor ons is. Gij zijt dus niet onvoorbereid om te hooren, welke gunst ik van u kom vragen?”—“Dat weet ik haast niet. Een oogenblik geleden was ik het wel. Nu geloof ik van neen.”—“Van mijn dooden broeder zeg ik niets. Als de dooden weten wat wij doen—maar gij verstaat mij. Van mijn levenden broeder zou ik veel kunnen zeggen, maar wat behoef ik meer te zeggen, dan dat die plichtvervulling, waartoe ik uwe onmisbare hulp kom vragen, geheel zijne gedachte is, en hij niet kan rusten voordat hij ze volbracht heeft.”
Zij sloeg hare oogen neder, en de blijdschap, die haar gezicht verhelderde, begon nu voor de oplettende oogen, die haar gadesloegen, iets schoons te krijgen.
“Het moet zeer stil en geheim gedaan worden,” vervolgde zij. “Uwe kunde en ondervinding zullen u wel een weg aanwijzen om het te doen. Mijnheer Dombey zal misschien in de meening kunnen gebracht worden, dat er onverwacht nog iets uit de schipbreuk van zijn vermogen is gered; of dat het eene vrijwillige hulde aan zijn eervol karakter is van sommigen, met wie hij groote zaken heeft gedaan; of dat het de betaling van eene lang uitgeschrapte schuld is. Er moeten vele manieren zijn om het te doen. Gij zult de beste wel weten te kiezen. De gunst, die ik van u kom vragen, is dat gij dit voor ons op uwe eigene vriendelijke, edele, bedachtzame manier wilt doen. Dat gij er nooit van tegen John wilt spreken, wiens grootste genoegen in deze daad van vergoeding is, ze onbekend en ongeprezen te verrichten; dat maar een zeer klein gedeelte der erfenis voor ons bewaard zal worden, totdat mijnheer Dombey zijn leven lang de interest van het overige zal genoten hebben; dat gij ons geheim getrouw zult bewaren—maar daarvan ben ik zeker; en dat er van dezen tijd af tusschen u en mij maar zelden van gefluisterd mag worden, maar het alleen in mijne gedachten mag leven, als eene nieuwe reden tot dankbaarheid aan den hemel, en tot blijde trotschheid op mijn broeder.”
Zulk eene blijdschap kon van het gelaat van een engel stralen, wanneer één boetvaardig zondaar den hemel binnentreedt, onder negen en negentig rechtvaardigen. Zij werd niet beneveld door de tranen, die hare oogen vulden, maar blonk daardoor nog te helderder uit.
“Mijne lieve Harriët,” zeide Morfin, na eene poos van stilte, “daarop was ik geheel niet verdacht. Moet ik verstaan, dat gij uw eigen aandeel in de erfenis aan uw goed oogmerk dienstbaar wilt maken, evenals dat van John?”—“O ja,” antwoordde zij. “Nu wij zoolang alles te zamen hebben gedeeld, en geene zorg of hoop of doel van elkander afgescheiden hebben gehad, zou ik het nu kunnen dragen, dat ik van mijn deel hierin werd uitgesloten? Mag ik niet vorderen, tot het laatste toe mijn broeders deel- en lotgenoote te zijn?”—“De hemel verhoede, dat ik dat zou betwisten,” antwoordde hij.—“Wij mogen ons dus op uwe vriendschappelijke hulp verlaten?” zeide zij, “Dat wist ik ook wel.”—“Ik zou een slechter mensch wezen—dan ik hoop te zijn, of mij zelve gaarne voor zou houden, als ik u dat niet met hart en ziel kon verzekeren. Dat moogt gij, zonder bedenken. Op mijne eer, ik zal uw geheim bewaren. En als het blijken mocht, dat mijnheer Dombey zoo arm is, als ik vrees dat blijken zal, wanneer hij bij een voornemen blijft, waarvan niemand hem schijnt te kunnen afbrengen, zal ik u helpen om het plan uit te voeren, waartoe gij en John gemeenschappelijk besloten hebt.”
Zij gaf hem hare hand en dankte hem met hartelijke blijdschap.
“Harriët,” zeide hij, hare hand vasthoudende, “u een woord te zeggen van de waarde van eenige opoffering, die gij nu doen kunt—vooral van eene opoffering van enkel geld—zou nutteloos en aanmatigend zijn. U te vermanen om u nog eens op uw voornemen te bedenken, of het binnen engere grenzen te beperken, zou, dat gevoel ik, dit evenzeer wezen. Het voegt mij niet, het groote slot eener groote geschiedenis te bederven door iemand mijn eigen zwak begrip te willen opdringen. Het voegt mij alleen, mijn hoofd te buigen voor wat gij mij toevertrouwt, overtuigd, dat het u door iets hoogers wordt ingegeven, dan mijne ellendige wereldkennis. Ik wil dit alleen zeggen; ik ben uw getrouwe rentmeester; en ik wil dat, en uw uitverkoren vriend, liever zijn, dan ik iets anders in de wereld zou kunnen wezen, of ik moest u zelve kunnen zijn.”
Zij dankte hem nog eens hartelijk en wenschte hem goedennacht.
“Gaat gij naar huis?” zeide hij. “Laat mij met u meegaan.”—“Van avond niet. Ik ga[408]nu niet naar huis. Ik moet nog alleen een bezoek brengen. Zult gij morgen komen?”—“Goed, goed,” zeide hij. “Ik zal morgen komen. Ondertusschen zal ik eens daarover denken. Misschien zultgijer ook over denken, lieve Harriët—en—en een weinigje aan mij denken in verband daarmede.”
Hij hielp haar in eene koets, die haar voor de deur stond te wachten; en als zijne huiswaardin niet doof was geweest, had zij hem, terwijl hij weder naar boven ging, hooren mompelen, dat wij slaven der gewoonte zijn, en dat het eene treurige gewoonte is een oud vrijer te zijn.
Daar de violoncel nog tusschen de twee stoelen op de sofa lag, nam hij dat instrument op, zonder den ledigen stoel weg te zetten, en zat, zijn hoofd schuddende tegen den ledigen stoel, nog lang, zeer lang te zagen. De uitdrukking, die hij in het eerst aan zijn instrument mededeelde, schoon weemoedig en aandoenlijk, was nog niets bij de uitdrukking, die hij aan zijn eigen gezicht gaf, en die zoo sterk was, dat hij meer dan eens kapitein Cuttle’s hulpmiddel moest te baat nemen en zijn gezicht met zijne mouw afvegen. Langzamerhand evenwel ging de violoncel, in overeenstemming met zijn eigen gemoed, tot de vroolijke tonen van den Zangerigen Hoefsmid over, welke melodie hij nogmaals en nogmaals overspeelde, tot zijn eigen verhelderd gezicht blonk gelijk het metaal op het aanbeeld van een echten hoefsmid. Kortom, de violoncel en de ledige stoel hielden den ouden vrijer gezelschap tot dicht bij middernacht; en toen hij zijn avondmaal gebruikte, scheen de violoncel, in den hoek der sofa overeindgezet, uit zijne kromme oogholten tegen den ledigen stoel te lonken, alsof beide meer wisten dan zij konden zeggen.
Toen Harriët het huis verliet, reed de voerman der huurkoets, een weg inslaande die hem blijkbaar niet nieuw was, verscheidene straten in die voorstad door, tot hij aan eene opene plek kwam, waar, tusschen tuinen, eenige nederige oude huisjes stonden. Aan het tuinhek van een dier huisjes hield hij op en stapte Harriët af.
Toen zij zacht aanschelde, werd haar opengedaan door eene vrouw met een beklaaglijk, bijna kleurloos gezicht, opgetrokkene wenkbrauwen en het hoofd op zijde hangende, die diep voor haar neeg en haar door den tuin naar het huis bracht.
“Hoe is het met de zieke van avond?” zeide Harriët.—“Heel min, vrees ik, jufvrouw. O, hoe dikwijls doet zij mij aan mijn ooms Betsey Jane denken!” antwoordde de vrouw met zekere treurige verrukking.—“In welk opzicht?” vroeg Harriët.—“In alle opzichten, jufvrouw,” was het antwoord, “behalve dat zij volwassen is, en Betsey Jane, toen zij op den oever van den dood lag, nog maar een kind was.”—“Maar gij hebt mij verteld dat zij beter werd,” merkte Harriët aan, “en dus is er des te meer reden om te hopen, jufvrouw Wickam.”—“Och, jufvrouw, hoop is iets heel goeds voor menschen, die ze verdragen kunnen,” zeide jufvrouw Wickam, haar hoofd schuddende. “Ik ben er niet toe in staat, maar ik mag het toch wel lijden. Ik benijd zelfs de menschen, die zoo gelukkig zijn.”—“Gij moest wat vroolijker wezen,” merkte Harriët aan.—“Wel bedankt, jufvrouw, inderdaad,” antwoordde jufvrouw Wickam zeer stroef. “Al wilde ik dat, dan zou de eenzaamheid van mijn post hier—gij zult mij niet kwalijk nemen, dat ik zoo vrij spreek—mij dat toch binnen vier en twintig uren onmogelijk maken. Maar dat is nog niet alles. Ik wilde liever niet. Van het weinigje moed, dat ik er ooit toe had, ben ik eenige jaren geleden teBrightonberoofd, en ik geloof dat het zoo beter voor mij is.”
Het was dezelfde jufvrouw Wickam, die jufvrouw Richards als verzorgster van den kleinen Paul had vervangen, en die nu meende, dat zij door het bedoelde verlies, onder het dak der beminnelijke mevrouw Pipchin, inderdaad gewonnen had. De uitmuntende, door lange gewoonte geheiligde, methode, volgens welke doorgaans de akeligste en onaangenaamste menschen, die men met mogelijkheid vinden kan, tot ziekenoppassters en dergelijke betrekkingen worden verkozen, had jufvrouw Wickam eene zeer goede klandizie in dat vak bezorgd, en deed hare ernstige denkwijs als eene aanbeveling te meer beschouwen.
Jufvrouw Wickam, ging, met opgetrokkene wenkbrauwen, het hoofd op zijde en het licht in de hand, vooruit naar boven naar eene nette, zindelijke kamer, waaraan eene andere flauw verlichte kamer grensde, waarin een bed stond. In de eerste kamer zat eene oude vrouw voor het opene venster werktuiglijk in de duisternis te staren. In de tweede lag, op het bed uitgestrekt, de schim van eene gedaante, die eens op een winteravond den stormwind en den regen tartte, nu nauwelijks te herkennen, behalve aan het lange zwarte haar, dat zoo bijzonder zwart scheen bij het bleeke gezicht en al het witte in het rond.
O, die sterke oogen en dat zwakke lichaam! Die oogen, die zich snel en helder naar de deur keerden toen Harriët binnenkwam, en dat zwakke hoofd, dat zich niet kon opbeuren en zich zoo langzaam op het kussen omdraaide!
“Alice!” zeide Harriët vriendelijk. “Kom ik niet laat van avond?”—“Het schijnt altijd laat, maar gij komt toch altijd vroeg.”
Harriët had zich nu bij het bed neergezet, en legde hare hand op de uitgeteerde hand, die op het dek lag.
“Ge zijt wat beter?”[409]
Jufvrouw Wickam, die als een naargeestig spook aan het einde van het bed stond, schudde zeer krachtig haar hoofd om dit vermoeden tegen te spreken.
“Het komt er weinig op aan,” zeide Alice met een flauwen glimlach. “Beter of erger vandaag, maakt maar een dag verschil—misschien zooveel niet eens.”
De ernstig denkende jufvrouw Wickam gaf door een zwaren zucht hare goedkeuring te kennen; en nadat zij het dek aan het voeteneinde had betast, als dacht zij de koude voeten van de lijderes daardoor heen te voelen, ging zij wat met de medicijnfleschjes op de tafel rinkelen, als wilde zij zeggen: “zoolang er leven is, moet men toch innemen.”
“Neen,” fluisterde Alice, “slecht gedrag en wroeging, vermoeienis, gebrek, weer en wind, storm van buiten en storm van binnen, hebben mijn leven versleten. Het zal niet lang meer duren.”
Zij trok, zoo sprekende, de hand hooger op en legde haar gezicht daartegen.
“Ik lig hier somtijds te denken, dat ik gaarne zou willen leven tot ik tijd had gehad, om u te toonen hoe dankbaar ik zou kunnen zijn. Maar dat is eene zwakheid en gaat gauw voorbij. Het is beter zóó voor u. Beter voor mij.”
Hoe geheel anders vatte zij de hand, dan zij eens bij dien haard op dien barren winteravond had gedaan. Haat, woede, roekeloosheid, halsstarrigheid—zie hier wat er van komt. Dit is het einde.
Nadat jufvrouw Wickam genoeg met de fleschjes had gerinkeld, kwam zij nu met het drankje aan. Zij keek de lijderes scherp aan terwijl zij dronk, kneep haar mond daarbij dicht en schudde haar hoofd, om aan te duiden, dat geene martelingen haar konden doen zeggen, dat het een hopeloos geval was. Daarna ging zij heen om zich beneden met wat gebak te versterken.
“Hoelang is het geleden,” zeide Alice, “dat ik bij u kwam en u zeide wat ik gedaan had, en gij onderricht werdt, dat het te laat was om iemand na te zenden?”—“Over het jaar,” antwoordde Harriët.—“Over het jaar,” zeide Alice, haar peinzend aanziende. “Maanden aan maanden sedert gij mij hier gebracht hebt!”
“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?” (blz. 413).“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?”(blz. 413).
“Ja, mevrouw Pipchin, zoo denk ik,” antwoordt de keukenmeid, vooruitkomende. “En wat nu, als ik vragen mag?”(blz. 413).
[410]
Harriët antwoordde: “Ja!”
“Mij hier gebracht hebt met geweld van goedheid en zachtheid! Mij!” zeide Alice, haar gezicht achter de hand verbergende. “En mij tot een mensch hebt gemaakt door de oogen en woorden van eene vrouw en de daden van een engel!”
Harriët, over haar heengebogen, poogde haar te bedaren en te troosten. Weldra vroeg Alice, nog zoo liggende, met die hand tegen haar gezicht, om hare moeder te roepen.
Harriët riep haar meer dan eens, maar de oude vrouw was zoo verdiept in haar turen in de duisternis, dat zij niet hoorde. Eerst toen Harriët naar haar toe ging en haar aanraakte, stond zij op en kwam.
“Moeder!” zeide Alice, die hand weder vattende, en hare glansrijke oogen liefdevol op hare weldoenster vestigende; “zeg haar wat gij weet.”—“Van avond, liefje?”—“Ja, moeder,” antwoordde Alice, zacht en plechtig. “Vanavond.”
De oude vrouw, wier verstand door angst of wroeging gekrenkt scheen te zijn, kwam naar het bed gekropen, aan den kant tegenover dien, waar Harriët zat; en daar neerknielende, zoodat zij haar gerimpeld gezicht op gelijke hoogte met het dek bracht, en hare hand uitstekende, zoodat zij Alice’s arm aanraakte, begon zij:
“Mijne mooie dochter—”
Hemel, welk een kreet was dat, waarmede zij zich stuitte, toen zij de gedaante in dat bed aanzag!
“Al lang geleden veranderd, moeder,” zeide Alice zonder haar aan te zien. “Maak u daarom nu niet meer bedroefd.”—“Mijne dochter,” zeide de oude vrouw haperend, “die gauw weer beter zal worden, en ze dan allen beschaamd zal maken met haar mooi.”
Alice zag Harriët met een treurigen glimlach aan, en streelde die hand, maar zeide niets.
“Die gauw weer beter zal worden, zeg ik,” herhaalde de oude vrouw, dreigende hare dorre vuist schuddende, “en ze dan allemaal beschaamd maken met haar mooi—dat zal zij. Ik zeg dat zij zal—dat moet zij,” als sprak zij met hartstochtelijke drift tegen een onzichtbaar persoon bij het bed, die haar tegensprak. “Mijne dochter is verzaakt en verbannen, maar zij kon op hare bloedverwantschap op groote lieden roemen, als zij wilde. Ja, op groote trotsche lieden! Er bestaat ook bloedverwantschap zonder uwe geestelijken en trouwringen—zij maken ze, maar zij kunnen ze niet breken—en mijne dochter is van goede familie. Wijs mij mevrouw Dombey, en gij wijst mij Alice’s volle nicht.”
Harriët zag van de oude vrouw naar de glanzige oogen, die haar aanstaarden, en las daarin eene bevestiging.
“Wat!” riep de oude vrouw, met akelige ijdelheid haar hoofd oprichtende. “Al ben ik nu oud en leelijk—maar toch veel ouder door mijne manier van leven dan door mijne jaren—ik ben eens zoo jong geweest als iemand. Ja, en zoo mooi ook als velen! Ik was een frisch boerenmeisje in mijn tijd, liefje,” haar arm over het bed naar Harriët uitstrekkende, “en zag er goed uit. Waar ik woonde waren mevrouw Dombey’s vader en zijn broeder de vroolijkste heeren, die daar vanLondenkwamen logeeren—maar zij zijn al lang dood! och Heere! al heel lang. De broeder, die mijn Ally’s vader was, al het langst van de twee.”
Zij lichtte haar hoofd op en zag hare dochter turend aan, als bracht de herinnering harer eigene jeugd haar op die van haar kind. Toen viel zij eensklaps met haar gezicht op het bed, en klemde haar hoofd tusschen hare handen.
“Zij geleken zoo sterk op elkander,” zeide de oude vrouw, zonder op te zien, “als twee broeders maar konden doen, zoo gelijk van jaren—zij scheelden niet veel meer dan een jaar, herinner ik mij—en als gij mijne dochter hadt kunnen zien, zooals ik haar eens gezien heb, vlak naast de dochter van dien anderen, zoudt gij, met al het verschil van kleeding en manieren, gezien hebben, dat zij op elkander geleken. O, de gelijkenis is weg—en het is mijne dochter—mijne dochter alleen—die zoo moest veranderen!”—“Wij zullen allen veranderen, moeder, op onze beurt,” zeide Alice.—“Beurt!” riep de oude vrouw. “Maar waarom niet hare beurt even gauw als mijn dochters beurt! De moeder moet veranderd zijn—zij zag er even oud en gerimpeld uit als ik, door haar blanketsel heen—maarzijwas mooi gebleven. Wat hebikgedaan, wat heb ik erger gedaan dan die andere, dat mijne dochter alleen daar moet liggen verkwijnen!”
Met een woesten gil liep zij naar de kamer, waaruit zij gekomen was; maar terstond weder in eene andere stemming komende, keerde zij weerom, kroop naar Harriët toe en zeide:
“Dat is het wat Alice wilde, dat ik zou zeggen, liefje. Dat is alles. Ik ontdekte het eens op een zomer inWarwickshire, toen ik haar zag en vroeg wie zij was. Zulke bloedverwanten konden mij toen niet baten. Zij zouden mij niet erkend hebben en hadden mij niets te geven. Ik zou ze misschien naderhand toch om een beetje geld hebben gevraagd, als het niet om Alice was geweest; zij zou mij vermoord hebben, geloof ik, als ik het gedaan had. Zij was zoo trotsch als die andere op hare manier,” zeide de oude vrouw, vreesachtig het gezicht harer dochter aanrakende en daarop hare hand terugtrekkende, “al houdt zij zich nu zoo bedaard; maar zij zal ze toch nog beschaamd maken met haar mooi. Ha, ha! zij zal ze beschaamd maken—mijne mooie dochter!”
De lach, waarmede zij heenging, was akeliger dan haar gillen; akeliger dan het kinderachtig gejammer, dat daarop volgde; akeliger[411]dan de sufheid, waarmede zij zich weder op haar stoel zette en in de duisternis staarde.
De oogen van Alice waren al dien tijd op Harriët gevestigd gebleven, welker hand zij niet had losgelaten. Nu zeide zij:
“Terwijl ik hier lag, dacht ik dikwijls dat ik u dit gaarne wilde doen weten. Het kon, dacht ik, iets verklaren, dat er toe bijdroeg om mij te verharden. Ik had, onder mijn kwaad doen, zooveel van mijne verwaarloosde plichten gehoord, dat ik begon te gelooven dat anderen integendeel hun plicht jegens mij hadden verzuimd, en dat er van het zaad, dat zij gezaaid hadden, geen andere oogst kon groeien. Ik meende te zien dat, wanneer dames eene slechte moeder en een onaangenaam leven hadden, zij op hare manier ook den slechten weg opgingen, maar dat hare manier niet zoo schandelijk was als de mijne, en dat zij daarvoor God mochten danken. Dat is alles voorbij. Het is nu als een droom, dien ik mij niet goed meer kan herinneren. Het heeft meer en meer naar een droom gaan gelijken, sedert den dag toen gij begonnen zijt hier bij mij te zitten en voor mij te lezen. Ik zeg het u maar, zooveel ik mij herinner. Wilt ge nog wat voor mij lezen?”
Harriët trok hare hand terug om het boek open te slaan, toen Alice die nog even vasthield.
“Gij zult mijne moeder niet vergeten? Ik vergeef haar, als ik reden daartoe heb. Ik weet dat zij mij vergeeft, en dat zij in haar hart bedroefd is. Gij zult haar niet vergeten?”—“Nooit, Alice!”—“Een oogenblik nog. Leg mijn hoofd zoo, lieve, dat ik, als gij leest, de woorden op uw vriendelijk gezicht kan zien.”
Harriët voldeed aan dit verlangen en las—las uit het eeuwige boek voor alle vermoeiden en zwaar beladenen, voor al de rampzaligen, gevallenen en verwaarloosden dezer aarde—las de gezegende geschiedenis, waarin de blinde, de lamme, de kreupele bedelaar, de misdadiger, de vrouw met schande bevlekt, zij, die door hen, welke zich beter achten, worden vermeden, allen hun deel hebben, dat door geene menschelijke trotschheid of onverschilligheid, door al de eeuwen, die deze wereld duren zal, heen, kan worden weggenomen of niet het duizendste deel van een grein verminderd—las de woorden en daden van Hem, die medelijden had met alle smarten en angsten van het menschelijk leven.
“Ik zal morgenochtend heel vroeg terugkomen,” zeide Harriët toen zij het boek sloot.
De glanzige oogen, nog op haar gelaat gevestigd, sloten zich voor een oogenblik en openden zich weder, en Alice kuste en zegende haar.
Dezelfde oogen volgden haar naar de deur, en toen deze gesloten werd, kwam er een glimlach op het kalme bleeke gelaat.
Die oogen wendden zich niet weder af. Zij legde hare hand op hare borst, prevelde den heiligen naam, die voor haar gelezen was, en het leven verdween uit hare trekken, gelijk een licht dat men wegneemt.
Niets lag daar meer dan de ruïne van het sterfelijke huis, dat de storm had geteisterd, en het zwarte haar, dat in den winterwind had gefladderd.