[Inhoud]LXI.NOG EEN WEDERZIEN.Florence had wel hulp noodig. Haar vader had groote behoefte daaraan, en dit maakte den bijstand harer oude vriendin onwaardeerbaar. De dood zweefde over zijne peluw. Reeds eene schim van wat hij vroeger was, ziek naar het lichaam en afgemarteld naar den geest, had hij zijn hoofd neergelegd op het bed, dat zijne dochter voor hem gespreid had, en het niet weder opgebeurd.Zij was altijd bij hem. Doorgaans kende hij haar, hoewel zijne ontstelde hersenen haar dikwijls in vreemde omstandigheden verplaatsten. Zoo sprak hij haar somtijds aan alsof zijn zoon pas gestorven was, en zeide hij, dat, schoon hij er niets van had gezegd dat zij bij dat bedje zooveel dienst bewees, hij het toch wel gezien had—toch wel gezien had; en dan verborg hij snikkend zijn gezicht, en stak hij zijne vermagerde hand uit. Somtijds vroeg hij naar haar zelve. “Waar is Florence?”—“Ik ben hier, papa; ik ben hier.”—“Ik ken haar niet!” riep hij dan uit. “Wij zijn zoo lang gescheiden geweest, dat ik haar niet ken.” En dan staarde hij zoo angstig rond, dat zij zich verheugde als het haar gelukte de tranen terug te roepen, die zij anders zoo ijverig poogde te drogen.Somtijds zwierf hij uren lang door tooneelen van vroeger tijd, waar Florence hem dikwijls niet meer kon volgen. Dan herhaalde hij die kinderlijke vraag: “Wat is geld?” en peinsde daarover, en redeneerde met zich zelven, meer of minder geregeld, om een goed antwoord te vinden; alsof zij hem nog nooit dan op dat oogenblik was voorgesteld. Dan herhaalde hij mijmerend den naam zijner oude firma duizenden malen achtereen, en keerde bij elke herhaling zijn hoofd op het kussen om. Dan telde hij zijne kinderen—een—twee, stuitte, keerde zich om, en begon weder opnieuw.Maar dit was alleen wanneer zijn geest het meest verbijsterd was. Meestal hielden zijne gedachten zich alleen met Florence bezig. Wat hij het meeste deed was dit: Hij herriep dien nacht, waaraan hij kort geleden zooveel had gedacht, dien nacht toen zij beneden in zijne kamer kwam, en verbeeldde zich dat zijn hart hem verwijtingen deed, en hij haar na- en de trap opging om haar terug te halen. Dan, dien tijd verwarrende met de latere dagen van de vele voetstappen, verwonderde hij zich over hun aantal, en begon hij, terwijl[428]hij haar volgde, ze te tellen. Dan was er eensklaps een bloedige voetstap, die tusschen de andere voortliep; en daarna begonnen er deuren open te staan, door welke hij in spiegels akelige afbeeldsels zag van bleeke mannen, die iets in hunne borst verborgen. Maar onder die menigte van voetstappen en den bloedigen voetstap, hier en daar, bleef toch steeds de stap van Florence. Altijd ging zij hem vooruit, altijd volgde haar zijn rustelooze geest, aanhoudend tellende, al verder en al hooger, als naar den top van een toren, zoo hoog, dat men jaren noodig had om hem te beklimmen.Eens vroeg hij of dat niet Suze was, die niet lang geleden had gesproken.Florence antwoordde “ja, lieve papa,” en vroeg of hij haar zou willen zien.Hij antwoordde “zeer gaarne;” en Suze kwam, niet weinig bevende, voor zijn bed.Dit scheen eene groote verademing voor hem te zijn. Hij verzocht haar om niet heen te gaan; hij vergaf haar wat zij hem gezegd had, en zij moest nu weer blijven. Florence en hij waren nu geheel anders, zeide hij, en zeer gelukkig. Zij moest hier maar naar zien. Hij meende dat hij het lieve hoofdje op zijn kussen neertrok en naast het zijne legde.Zoo bleef hij dagen en weken. Eindelijk werd hij stiller, en lag nu als eene flauwe schim van een man op zijn bed, en sprak zoo zacht dat men hem alleen hooren kon als men dicht bij zijne lippen luisterde. Het was nu een dof genot voor hem daar te liggen, met het venster open, en uit te zien naar de zomerlucht en de boomen, en des avonds naar de ondergaande zon; de schaduwen der wolken en de bladeren gade te slaan, terwijl het was alsof hij zekere sympathie met schaduwen gevoelde. Het was natuurlijk dat hij dit deed. Voor hem waren het leven en de wereld niets anders.Hij begon nu te toonen, dat hij om Florence’s vermoeienis dacht, en spande zijne zwakke krachten dikwijls in om haar toe te fluisteren: “Ga toch eens wat wandelen, liefje, in de vrije lucht. Ga eens naar uw goeden oom.” Eens, toen Walter in de kamer was, wenkte hij dezen om bij hem te komen en te bukken; en zijne hand drukkende, fluisterde hij hem toe, wel te weten dat hij hem zijn kind kon toevertrouwen, als hij dood was.Op een avond tegen het ondergaan der zon, toen Florence en Walter bij elkander in zijne kamer zaten, gelijk hij gaarne had, gebeurde het dat Florence, die haar kindje op den schoot had, zachtjes voor den kleine begon te zingen—hetzelfde oude liedje, dat zij zoo dikwijls voor het doode kind had gezongen. Hij kon dit toen nog niet verdragen; zijne bevende hand uitstekende, bad hij haar om op te houden; maar des anderen daags vroeg hij haar om het nog eens te zingen, en dit des avonds dikwijls te doen. Zij zong, en hij luisterde met een afgewend gezicht.Op zekeren tijd zat Florence bij zijn venster, met haar werkmandje tusschen haar en Suze, die haar nog trouw gezelschap hield. Hij was ingesluimerd. Het was avond, maar zou nog een paar uren licht blijven; de rustige stilte bracht Florence in eene peinzende stemming. Zij zat mijmerend te denken aan het oogenblik toen hij, die daar zoo veranderd lag, haar voor het eerst aan hare schoone mama had voorgesteld, toen Walter haar op den schouder tikte en met zekeren schrik deed omzien.“Lieve,” zeide Walter, “er is iemand beneden, die u verlangt te spreken.”Zij verbeeldde zich dat Walter ernstig zag, en vroeg hem of er iets gebeurd was.“Neen, neen, liefje,” antwoordde Walter. “Ik heb al zelf met dien heer gesproken. Er is niets gebeurd. Zult ge komen?”Florence vertrouwde haar vader aan de zwartoogige mevrouw Toots, die zoo wakker zat te werken als eene zwartoogige vrouw maar kon, en ging met Walter naar beneden. In het vroolijke voorkamertje, dat op den tuin uitzag, zat een heer, die, toen zij binnentrad, opstond om naar haar toe te komen, maar door iets eigenaardigs van zijne beenen zijdwaarts afsloeg, en slechts door de tafel werd gestuit.Nu dacht Florence aan neef Feenix, dien zij in de schaduw van het gebladerte eerst niet had herkend. Neef Feenix vatte hare hand en wenschte haar geluk met haar huwelijk.“Ik had wel kunnen wenschen,” zeide neef Feenix, zich neerzettende toen Florence was gaan zitten, “al vroeger gelegenheid te hebben om u mijne felicitatiën aan te bieden; maar onbewimpeld gezegd, er hebben zooveel onaangename omstandigheden plaats gehad, die elkander, om zoo te zeggen, op de hielen volgden, dat ik zelf in een drommel van een staat ben geweest, geheel ongeschikt voor conversatie of gezelschap. Het eenige gezelschap, dat ik gehad heb, is mijn eigen gezelschap geweest; en het is zeker alles behalve vleiend voor iemands eigenliefde, als hij ondervindt dat hij, onbewimpeld gezegd, de capaciteit heeft om zich zelven doodelijk te vervelen.”Uit iets verlegens en gedwongens in neef Feenix’ manieren—die, in weerwil zijner kleine zonderlingheden, altijd de manieren van eengentlemanhad—en ook uit Walter’s voorkomen, maakte Florence op, dat hierop iets moest volgen, dat een meer bepaald doel had.“Ik heb mijn vriend, mijnheer Gay, als ik de eer mag hebben om hem zoo te noemen,” zeide neef Feenix, “al gezegd, dat het mij verheugt te hooren dat mijn vriend Dombey stellig aan de beterhand is. Ik vertrouw, dat mijn vriend Dombey zich niet al te zeer over het verlies van geldelijk vermogen zal kwellen. Ik kan niet zeggen, dat ik ooit zelf een groot verlies van geldelijk vermogen ondervonden heb, daar ik, onbewimpeld gezegd, nooit heel veel te verliezen heb gehad.[429]Maar zooveel als ik verliezen kon, heb ik toch verloren, en ik kan niet vinden dat ik het mij bijzonder aantrek. Ik weet, dat mijn vriend Dombey een verduiveld eerlijk man is; en het moet mijn vriend Dombey tot een grooten troost strekken, te weten dat men algemeen zoo over hem denkt. Zelfs Tommy Screwzer—een man, die een verbazend galachtig gestel heeft en met wien mijn vriend Gay denkelijk wel bekend is—kan geen woord daartegen inbrengen.”Florence gevoelde meer en meer dat er iets komen moest, en zag ernstig daarnaar uit; zoo ernstig, dat neef Feenix, alsof zij gesproken had, antwoordde:“De zaak is, dat mijn vriend Gay en ik er over gesproken hebben, in hoeverre het voegzaam zou zijn u om eene gunst te verzoeken, en dat ik de toestemming van mijn vriend Gay heb—die mij met eene vriendelijkheid en openhartigheid is te gemoet gekomen, waarvoor ik hem zeer verplicht ben—om u daarom te verzoeken. Ik ben wel bewust, dat eene zoo beminnelijke dame als de bekoorlijke en talentrijke dochter van mijn vriend Dombey, niet veel aandrang zal noodig hebben; maar het doet mij toch genoegen, dat ik door mijn vriend Gay’s invloed en goedkeuring word gerugsteund. Gelijk in mijn parlementstijd, als iemand eene motie te doen had—dat in die dagen zelden gebeurde, want wij werden door de hoofden der partijen streng onder discipline gehouden, dat heel goed voor ons was en belette dat wij ons gedurig blootstelden, gelijk velen van ons gaarne zouden gedaan hebben—evenals in mijn parlementstijd, gelijk ik zeide, als iemand alleen een klakkebos had af te schieten, het voor heel slim gehouden werd te zeggen, dat hij het geluk had van te gelooven dat het zijn gevoelen niet aan weerklank in de borst van mijnheer Pitt ontbrak, den stuurman, die de stormen tartte en bemeesterde. Waarop dan een verduiveld groot getal van leden dadelijk bravo riep en hem zoo moed gaf. Schoon de waarheid is, dat die kerels, die order hadden om hard bravo te roepen, als de naam van mijnheer Pitt genoemd werd, daaraan zoo gewoon waren dat zij er altijd van wakker werden. Anders wisten zij zoo geheel niet wat er omging, dat Conversatie-Brown gewoonlijk placht te zeggen—een man van vier flesschen in de financiën, wien de vader van mijn vriend Gay wel zou gekend hebben, want het was voor den tijd van mijn vriend Gay zelf—dat, als er iemand gezegd had, tot zijn leedwezen het Huis te moeten berichten dat er in het portaal een van de leden lag, die eene beroerte had gekregen, en dat de naam van dat lid mijnheer Pitt was, er even geducht bravo zou zijn geroepen.”Dit verschuiven van hetgeen er komen moest maakte Florence zeer onrustig, en zij keek, met toenemende ontroering, van neef Feenix naar Walter.“Er is niets gebeurd, liefje,” zeide Walter.— “Er is niets gebeurd, op mijne eer,” zeide neef Feenix; “en het spijt mij zeer, het middel te zijn om u een oogenblik ongerustheid te veroorzaken. Ik verzoek u te mogen verzekeren, dat er niets gebeurd is. De gunst, die ik te vragen heb, is eenvoudig—maar het komt mij waarlijk zoo buitengemeen zonderling voor, dat ik mijn vriend Gay ten uiterste verplicht zou zijn, als hij zoo goed wilde wezen—hoe zal ik het zeggen—om het ijs te breken.”“Walter, aldus uitgenoodigd, en gedrongen door den blik, waarmede Florence naar hem omzag, zeide:“Liefste, het is niet meer dan dit. Dat gij eens naarLondenwilt rijden met dezen heer, dien gij kent.”—“En met mijn vriend Gay insgelijks—neem mij niet kwalijk,” viel neef Feenix er op in.—“En met mij, om er ergens eene visite te brengen.”—“Aan wien?” vroeg Florence, van den een naar den ander ziende.—“Als ik u bidden mocht,” zeide neef Feenix, “om niet op een antwoord op die vraag aan te dringen, zou ik gaarne de vrijheid willen nemen om dat verzoek te doen.”—“Weetgijhet, Walter?” zeide Florence.—“Ja.”—“En vindt gij het goed?”—“Ja. Alleen omdat ik zeker ben, dat gij het ook goed zoudt vinden, Florence, schoon er redenen kunnen zijn, gelijk ik wel begrijp, die het beter maken dat er vooraf niets meer van gezegd wordt.”—“Als papa nog slaapt, of mij missen kan, als hij wakker is, zal ik terstond gereed zijn,” antwoordde Florence. En stil opstaande verliet zij de kamer, na nog even naar hen te hebben omgezien met een blik, die wel eenigszins angstig was, maar toch aanduidde dat zij zich geheel op hen verliet.Toen zij terugkwam, gereed om mede te gaan, stonden zij bij het venster ernstig met elkander te spreken; en Florence kon niet nalaten zich te verwonderen wat het onderwerp was, dat hen in zoo korten tijd zoo wel met elkander bekend had gemaakt. Maar zij verwonderde zich niet over den blik van trotschheid en liefde, waarmede haar echtgenoot afbrak toen zij binnenkwam, want zij zag hem nooit of die blik vloog haar te gemoet.“Ik zal een kaartje voor mijn vriend Dombey laten,” zeide neef Feenix, “oprechtelijk vertrouwende dat hij met ieder uur in gezondheid en krachten zal bijkomen. En ik hoop, dat mijn vriend Dombey mij de gunst zal bewijzen, om mij te houden voor iemand, die eene verduiveld warme bewondering voor zijn karakter heeft, als een Engelsch koopman en een verduiveld echtgentlemante gelijk. Mijn buiten is verduiveld in verval, maar als mijn vriend Dombey verandering van lucht mocht noodig hebben, en daar zijn kwartier wou nemen, zou hij het eene buitengemeen gezonde plek vinden—gelijk het ook wel wezen mag, want het is er verbazend vervelend. Als mijn vriend Dombey lang zwak mocht blijven, en mij vergunde hem iets te recommandeeren,[430]dat mij zelf dikwijls heeft goedgedaan, als iemand die somtijds heel raar is geweest, en die tamelijk ongeregeld leefde, zou ik zeggen, laat het dan eendooiervan een ei zijn, met suiker en nootmuskaat geklopt, in een glas sherry, en ’s morgens gebruikt met een sneedje drogen toast. Jackson, die de bokszaal inBond Streethield—een uitstekend man in zijn vak, van wien mijn vriend Gay zeker wel gehoord zal hebben—placht te zeggen, dat men, om voor het boksen kracht te krijgen, rum nam in plaats van sherry. Maar in dit geval zou ik sherry recommandeeren, omdat mijn vriend Dombey niet wel is; en de rum hem dus, om het onbewimpeld te zeggen, naar het hoofd zou kunnen vliegen en hem meer kwaad- dan goeddoen.”Dit alles zeide neef Feenix op eene manier, waaruit duidelijk bleek dat hij onrustig en zenuwachtig was. Toen Florence zijn arm gevende, en zijne eigenzinnige beenen, die den tuin schenen te willen inkuieren, met alle kracht in bedwang houdende, bracht hij haar naar de deur en hielp haar in de koets, die naar haar stond te wachten.De twee heeren stapten insgelijks in en men reed voort.De rit duurde zoolang, dat het reeds donker werd toen men in zekere stille, deftige straten in het westen vanLondenkwam. Florence stak nu hare hand in die van Walter, en keek met strakken ernst en telkens klimmende aandoening elke nieuwe straat in, die men insloeg.Toen de koets eindelijk ophield voor dat huis inBrook Street, waar het heillooze huwelijk van haar vader gevierd was, zeide zij: “Walter, wat is dit? Wie is er hier?” Toen Walter haar met een enkel woord bemoedigde, maar eigenlijk geen antwoord gaf, keek zij naar den gevel op en zag dat al de vensters gesloten waren, alsof het huis onbewoond was. Neef Feenix was nu uitgestapt en bood haar zijne hand.“Komt gij niet, Walter?” zeide Florence.—“Neen, ik zal hier blijven. Beef maar niet. Er is niets te vreezen, lieve Florence.”—“Dat weet ik wel, als gij zoo dichtbij zijt. Daarvan ben ik zeker, maar—”De deur werd zachtjes geopend, zonder dat er was aangeklopt, en neef Feenix bracht haar uit den zomeravond het geslotene, dompige huis binnen. Somberder dan ooit, scheen het van de bruiloft af gesloten te zijn gebleven, en sedert aanhoudend duisternis en zwaarmoedigheid te hebben verzameld.Florence ging bevende de schemerachtige trap op en bleef met haar geleider voor de deur van het salon staan. Hij opende die zonder spreken, en gaf haar een wenk om naar de achterkamer te gaan, terwijl hij daar bleef. Na een oogenblik aarzelens gehoorzaamde Florence.Bij het venster aan eene tafel, waar zij scheen gelezen of geteekend te hebben, zat eene dame, die haar hoofd, naar het wegstervend licht gekeerd, op hare hand liet rusten. Florence kwam twijfelend nader, en bleef toen eensklaps stilstaan, als had zij alle vermogen om zich te bewegen verloren. De dame keerde haar hoofd om.“Groote hemel,” zeide zij, “wat is dit?”—“Neen, neen!” riep Florence, terugdeinzende toen zij opstond, en de handen uitstekende om haar van zich af te weren. “Mama!”Zij stonden elkander aan te zien. De hartstochten hadden het doen verwelken, maar het was toch nog het gezicht van Edith—nog schoon en statig. Het was nog het gezichtje van Florence, en door den afschrik, dien het uitdrukte, blonken medelijden, smart en eene dankbaar teedere herinnering heen. Op beider gelaat stonden verwondering en vrees geschilderd, terwijl zij elkander roerloos en sprakeloos stonden aan te zien, over den zwarten afgrond van het verledene heen.Florence was de eerste die veranderde. In tranen uitbarstende, riep zij, uit het volle hart: “O, mama, mama, waarom moeten wij elkander zoo wederzien? Waarom zijt gij ooit goed voor mij geweest, toen niemand anders dat was, dat wij elkander zoo moeten wederzien!”Edith bleef stom en roerloos voor haar staan en zag haar strak aan.“Ik durf er niet aan denken,” zeide Florence, “ik kom zoo van papa’s ziekbed. Wij zijn nu nooit van elkander af en zullen dat nooit weer zijn. Als gij wilt dat ik hem vergiffenis vraag, zal ik het doen, mama. Ik ben bijna zeker dat hij ze nu geven zal, als ik er hem om vraag. Moge de Hemel ze u ook geven en u troosten!”Zij sprak geen woord.“Walter—ik ben met hem getrouwd en wij hebben een zoontje,” zeide Florence schroomvallig, “is voor de deur en heeft mij hier gebracht. Ik zal hem zeggen dat gij berouw hebt, dat gij veranderd zijt,” zeide Florence, haar droevig aanziende, “en hij zal papa met mij aanspreken, dat weet ik. Is er behalve dat iets wat ik doen kan?”Edith, nu hare stilte verbrekende, maar zonder een oog of lid te bewegen, zeide langzaam:“De smet op uw naam, op dien van uw man en van uw kind. Zal die ooit vergeven worden, Florence?”—“Ooit vergeven, mama? Dat is al vergeven, vrijwillig, vrijwillig, zoowel door Walter als door mij. Als dat een troost voor u is, is er niets dat gij zekerder gelooven moogt. Gij spreekt niet—gij spreekt niet van papa,” zeide Florence haperend; “maar ik ben toch overtuigd, dat gij wenscht dat ik om zijne vergiffenis zal vragen. Daarvan ben ik zeker.”Zij sprak geen woord.“Ik zal,” zeide Florence, “ik zal ze u brengen, als gij het mij wilt laten doen; en dan misschien zullen wij meer gelijk wij vroeger voor elkander plachten te zijn afscheid nemen. Ik heb niet van u geschrikt, mama,” zeide Florence zeer zacht, en nu naderbijkomende, “omdat ik bang voor u ben, of vrees dat gij mij schande zoudt aandoen. Ik wensch maar mijn plicht jegens papa te doen.[431]Hij is mij nu heel dierbaar, en ik ben hem heel dierbaar. Maar ik kan toch nooit vergeten, dat gij heel goed voor mij zijt geweest. O, bid den hemel toch,” riep Florence, aan hare borst vallende, “bid den Hemel toch om al die zonde en schande te vergeven, en om mij te vergeven, dat ik dit niet laten kan (als het kwaad is), wanneer ik bedenk wat gij vroeger waart.”Edith, alsof Florence’s zwaarte haar neerdrukte, zonk op hare knieën en vatte haar om den hals.“Florence!”riep zij. “Mijn goede engel! Eer ik weder razend word, eer mijne verstoktheid terugkomt en mij doet verstommen, geloof mij, bij mijne ziel, ik ben onschuldig.”—“Mama!”—“Schuldig aan veel! Schuldig aan datgene wat voor altijd eene woestijn tusschen ons plaatst. Schuldig aan datgene wat mij mijn leven lang van al wat rein en goed is—van u, van de geheele wereld, moet afzonderen. Schuldig aan eene blinde hartstochtelijke wraakzucht, waarvan ik zelfs nu nog geen berouw kan of wil hebben; maar niet schuldig met dien doode. Voor God niet!”Op hare knieën liggende, stak zij beide handen op en bezwoer het.“Florence,” zeide zij, “rein en liefderijk wezen—gij, die ik liefheb—die mij lang geleden hadt kunnen doen veranderen, en zelfs in de vrouw, die ik ben, voor een tijd eenige verandering teweegbracht—geloof mij, daaraan ben ik onschuldig; en laat mij nog eens dit dierbare hoofd voor de laatste maal aan mijn eenzaam hart leggen!”Zij was ontroerd en schreide. Als zij in vroegere dagen meermalen zoo geweest was, had zij nu gelukkiger kunnen zijn.“Er is niets anders in de wereld,” zeide zij, “dat mij deze ontkentenis had kunnen afpersen. Geene liefde, geen haat, geene hoop, geene bedreiging. Ik zeide, dat ik sterven wilde, zonder een woord te spreken of een teeken te geven. Ik had zoo kunnen doen, en zou zoo gedaan hebben, als wij elkander niet hadden weergezien, Florence.”—“Ik vertrouw,” zeide neef Feenix, die nu naar de deur kwam trippelen, en half in, half buiten de kamer het woord nam, “dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht mij nu niet kwalijk zal nemen, dat ik, door eene kleine list, deze ontmoeting heb teweeggebracht. Ik kan niet zeggen, dat ik in het eerst geheel ongeloovig was aan de mogelijkheid, dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht zich ongelukkig gecompromitteerd zou hebben met dien overledene met zijne witte tanden; omdat iemand, onbewimpeld gezegd, in deze wereld—die verduiveld wonderlijke omstandigheden oplevert, en stellig het onbegrijpelijkste ding is waarvan iemand ondervinding heeft—somtijds heel vreemde dingen van dien aard waarneemt. Maar, gelijk ik mijn vriend Dombey eens zeide, ik kon de schuld van mijne bekoorlijke en talentrijke nicht niet toegeven, voordat die volkomen bewezen was. En daar ik gevoelde, toen die overledene, om het onbewimpeld te zeggen, op zulk eene verduiveld gruwelijke manier was omgekomen, dat hare positie zeer onaangenaam was—en daar ik buitendien gevoelde dat onze familie eenigszins te laken was, dat zij zich niet meer aan haar had laten gelegen liggen, en dat wij eene onoplettende familie zijn—en dat mijne tante, hoewel eene verduiveld levendige vrouw, misschien niet de allerbeste moeder geweest was—nam ik de vrijheid om haar inFrankrijkte gaan opzoeken, en haar zooveel protectie aan te bieden, als iemand, die zoo kaal is als ik, kon aanbieden. Bij welke gelegenheid mijne bekoorlijke en talentrijke nicht mij de eer bewees van te zeggen, dat zij mij, op mijne manier, voor een verduiveld goed soort van kerel hield, en dat zij zich dus onder mijne protectie stelde. Hetgeen ik, onbewimpeld gezegd, voor eene groote vriendelijkheid van mijne bekoorlijke en talentrijke nicht hield, daar ik geweldig wrak begin te worden, en hare zorg mij van veel dienst is geweest.”Edith, die Florence naar eene sofa had gebracht, wenkte met hare hand, als wilde zij hem verzoeken om niets meer te zeggen.“Mijne bekoorlijke en talentrijke nicht,” hervatte neef Feenix, die nog bij de deur bleef rondtrippelen, “zal het mij niet kwalijk nemen, als ik, tot voldoening van mij zelven en van haar en van mijn vriend Dombey, wiens bekoorlijke en talentrijke dochter wij zoozeer bewonderen, mijne aanmerkingen nog wat verder voortzet. Zij zal zich wel herinneren dat zij en ik, van den eersten af, nooit een woord over hare vlucht hebben gewisseld. Mijne gedachte was altijd wel, dat er iets geheimzinnigs in de zaak was, dat zij wel zou kunnen ophelderen als zij wilde. Maar daar mijne bekoorlijke en talentrijke nicht eene verduiveld resolute vrouw is, wist ik wel dat er, om het onbewimpeld te zeggen, geen gekscheren met haar was, en wilde ik mij dus aan geene discussiën met haar wagen. Maar daar ik sedert eenigen tijd bemerkte, dat haar zwak zekere zeer krachtige soort van teederheid voor de dochter van mijn vriend Dombey scheen te zijn, viel het mij in dat het, als ik eene aan beide kanten onverwachte ontmoeting kon teweegbrengen, misschien heilzame gevolgen zou hebben. Toen wij dus zoo in stilte inLondenwaren, eer wij naar het zuiden vanItaliëgaan, om daar te blijven tot wij, om het onbewimpeld te zeggen, naar ons laatste huis gaan, dat eene verduiveld onaangename herinnering is, deed ik mijn best om de woning van mijn vriend Gay op te sporen—een welgemaakt man, ongemeen rondborstig van karakter, die mijne bekoorlijke en talentrijke nicht denkelijk wel bekend zal zijn—en had toen het geluk van zijne beminnelijke vrouw te mogen hier brengen. En nu,” zeide neef Feenix, met een ernst, die door het luchtige van zijn toon en het omslachtige zijner manier van spreken heen blonk, “bezweer ik mijne nicht om niet halverwege[432]te blijven staan, maar zoover zij kan te recht te helpen wat zij verkeerd heeft gedaan—niet voor de eer van hare familie, niet voor haar eigen goeden naam, niet om een van die redenen, die ongelukkige omstandigheden haar hebben geleerd voor onbeduidend, of, om het onbewimpeld te zeggen, voor weinig beter dan larie te houden—maar omdat het verkeerd en niet recht is.”Neef Feenix’ beenen waren nu zoo goed om hem weg te brengen; en de twee alleen bij elkander latende, sloot hij de deur.Edith bleef eene poos stil zitten, dicht naast Florence. Toen haalde zij een verzegeld papier uit hare borst.“Ik heb lang met mij zelve overlegd,” zeide zij zacht, “of ik dat al of niet zou schrijven, in geval ik onverwacht mocht sterven en dan wenschen zou het te hebben gedaan. Naderhand heb ik weder overlegd of ik het al of niet zou vernietigen. Neem het, Florence. De waarheid staat er in geschreven.”—“Is het voor papa?” zeide Florence.—“Het is voor wien gij wilt,” antwoordde Edith. “Het wordt u gegeven, en hij krijgt het van u. Hij had het anders nooit kunnen krijgen.”Wederom bleven zij zwijgend zitten, in de toenemende duisternis.“Mama,” zeide Florence,“hij heeft zijn vermogen verloren; hij is op den oever van den dood geweest; hij zal misschien zelfs nu nog niet herstellen. Is er geen woord, dat ik hem van u zal zeggen?”—“Hebt gij mij niet gezegd,” vroeg Edith, “dat gij hem zeer dierbaar waart?”—“Ja,”antwoordde Florence met eene van aandoening bevende stem.—“Zeg hem dan, dat het mij spijt, dat wij elkander ooit hebben ontmoet.”—“Niets meer?” zeide Florence na eene poos van stilte.—“Zeg hem, als hij er naar vraagt, dat ik geen berouw heb van wat ik gedaan heb—nog niet—want als het morgen nog eens moest gedaan worden, zou ik het doen. Maar als hij veranderd is—”Zij zweeg. Er was iets in de stille aanraking van Florence’s hand, dat haar stuitte.“Maar dat, nuhijveranderd is, hij wel weet dat het nu nooit gebeuren zou. Zeg hem, dat ik wensch dat het nooit gebeurd was.”—“Mag ik zeggen,” zeide Florence, “dat het u speet te hooren dat hij zooveel geleden heeft!”—“Niet,” antwoordde zij, “als hij daardoor geleerd heeft, dat zijne dochter hem zeer dierbaar is. Eens zal het hem zelf niet spijten, als hij dat daardoor heeft geleerd, Florence!”—“Gij wenscht hem goeds, gij zoudt willen, dat hij gelukkig was. Ik ben overtuigd, dat zoudt gij!” zeide Florence. “O, laat ik hem dat kunnen zeggen, als ik er eens gelegenheid toe heb!”Edith zat met hare donkere oogen strak voor zich te staren, en gaf geen antwoord voordat Florence hare bede had herhaald; toen trok zij hare hand door haar arm en zeide, peinzend in den nacht daarbuiten starende:“Zeg hem, dat als hij in zijne eigene tegenwoordige stemming redenen kan vinden om medelijden te hebben met mijn vroeger lot, ik hem daarom heb laten verzoeken. Zeg hem dat, als hij redenen kan vinden om met minder bitterheid aan mij te denken, ik hem daarom heb verzocht. Zeg hem dat, schoon wij voor elkander dood zijn en elkander aan dezen kant van het graf nooit zullen wederzien, hij weet dat er nu toch één gevoel in gemeenschap tusschen ons is, dat er nooit vroeger was.”Hare stugheid scheen te zwichten, en er stonden tranen in hare donkere oogen.“Door dat gevoel,” zeide zij, “vertrouw ik dat hij beter over mij en ik beter over hem zal leeren denken. Als hij Florence het meeste liefheeft, zal hij mij het minste haten. Als hij zich het gelukkigst gevoelt in haar en hare kinderen, zal hij het meeste berouw hebben over zijn eigen aandeel in den donkeren droom van ons huwelijksleven. Dan zal ik ook berouw hebben—laat hem dat weten—en denken dat ik, toen ik zooveel dacht aan al de oorzaken, die mij gemaakt hadden tot hetgeen ik was, meer had moeten denken aan de oorzaken, die hem gemaakt hadden wat hij was. Dan zal ik trachten hem zijn deel in de schuld te vergeven. Laat hij trachten om mij mijn deel te vergeven.”—“O mama,” zeide Florence, “hoe verlicht het mijn hart, zelfs bij zulk een wederzien en afscheid, dat ik dit hoor.”—“Vreemde woorden in mijne eigene ooren,” zeide Edith, “en vreemd voor mijne stem om ze uit te spreken. Maar al was ik het rampzalige schepsel geweest, waarvoor ik hem reden gaf mij te houden, dan geloof ik dat ik ze toch had kunnen uitspreken, als ik gehoord had, dat gij en hij elkander zeer dierbaar waart. Laat hij, als gij hem het dierbaarste zijt, altijd gevoelen, dat hij dan het zachtst over mij denkt—en ik het zachtst over hem denk! Dit zijn de laatste woorden, die ik hem zend. En nu vaarwel, mijn liefste leven!”Zij sloot haar in hare armen, en scheen geheel hare vrouwenziel van liefde en teederheid in eens uit te storten.“Deze kus voor uw kind! Deze kussen tot een zegen over uw hoofd! Dierbare Florence! Allerliefste! Vaarwel!”—“Toch om elkander nog weer te zien!” riep Florence uit.—“Nooit weder! Nooit weder! Als ge mij in deze donkere kamer alleen laat, denk dan dat ge mij in het graf hebt gelaten. Onthoud alleen dat ik eens leefde, en dat ik u liefhad.”En Florence verliet haar, zonder haar gezicht meer te zien, maar tot het laatste toe door hare liefkoozingen vergezeld.Neef Feenix wachtte haar aan de deur, en bracht haar beneden in de sombere eetzaal bij Walter, op wiens schouder zij haar hoofd liet zinken om uit te schreien.“Het spijt mij verduiveld,” zeide neef Feenix, op de eenvoudigste manier en zonder het eenigszins te verbloemen zijne mouwboorden naar zijne[433]oogen brengende, “dat de bekoorlijke en talentrijke dochter van mijn vriend Dombey en beminnelijke vrouw van mijn vriend Gay, haar gevoelig hart zoo geschokt moet gevoelen door de zoo even afgeloopene samenkomst. Maar ik hoop en vertrouw dat ik toch wel heb gedaan, en dat mijn geëerde vriend Dombey zijn gemoed verlicht zal vinden door de ontdekkingen, die nu hebben plaats gehad. Ik betreur het buitengemeen, dat mijn vriend Dombey zich, om het onbewimpeld te zeggen, zoo verduiveld in den pekel heeft geholpen door eene alliantie met onze familie; maar ik ben sterk van gevoelen, dat als die helsche schavuit Carker—die man met zijne witte tanden—er niet geweest was, alles tamelijk glad zou hebben gegaan. Ten aanzien van mijne nicht, die mij de eer bewijst van eene buitengewoon goede meening van mij te hebben opgevat, kan ik de beminnelijke vrouw van mijn vriend Gay verzekeren, dat zij er op aan kan, dat ik, om het onbewimpeld te zeggen, een vader voor haar ben. En wat al die afwisselingen in het menschelijk leven aangaat, en de wonderlijke manier, waarop wij ons gedurig gedragen, is al wat ik zeggen kan, met mijn vriend Shakespeare—een man, die niet voor ééne eeuw, maar voor alle tijden leefde, en met wien mijn vriend Gay buiten twijfel bekend is—dat het naar de schaduw van een droom gelijkt.”Kapitein Cuttle laat hen Mooie Peggy hooren, van het begin tot het eind. (blz. 436).Kapitein Cuttle laat hen Mooie Peggy hooren, van het begin tot het eind.(blz. 436).[434]
[Inhoud]LXI.NOG EEN WEDERZIEN.Florence had wel hulp noodig. Haar vader had groote behoefte daaraan, en dit maakte den bijstand harer oude vriendin onwaardeerbaar. De dood zweefde over zijne peluw. Reeds eene schim van wat hij vroeger was, ziek naar het lichaam en afgemarteld naar den geest, had hij zijn hoofd neergelegd op het bed, dat zijne dochter voor hem gespreid had, en het niet weder opgebeurd.Zij was altijd bij hem. Doorgaans kende hij haar, hoewel zijne ontstelde hersenen haar dikwijls in vreemde omstandigheden verplaatsten. Zoo sprak hij haar somtijds aan alsof zijn zoon pas gestorven was, en zeide hij, dat, schoon hij er niets van had gezegd dat zij bij dat bedje zooveel dienst bewees, hij het toch wel gezien had—toch wel gezien had; en dan verborg hij snikkend zijn gezicht, en stak hij zijne vermagerde hand uit. Somtijds vroeg hij naar haar zelve. “Waar is Florence?”—“Ik ben hier, papa; ik ben hier.”—“Ik ken haar niet!” riep hij dan uit. “Wij zijn zoo lang gescheiden geweest, dat ik haar niet ken.” En dan staarde hij zoo angstig rond, dat zij zich verheugde als het haar gelukte de tranen terug te roepen, die zij anders zoo ijverig poogde te drogen.Somtijds zwierf hij uren lang door tooneelen van vroeger tijd, waar Florence hem dikwijls niet meer kon volgen. Dan herhaalde hij die kinderlijke vraag: “Wat is geld?” en peinsde daarover, en redeneerde met zich zelven, meer of minder geregeld, om een goed antwoord te vinden; alsof zij hem nog nooit dan op dat oogenblik was voorgesteld. Dan herhaalde hij mijmerend den naam zijner oude firma duizenden malen achtereen, en keerde bij elke herhaling zijn hoofd op het kussen om. Dan telde hij zijne kinderen—een—twee, stuitte, keerde zich om, en begon weder opnieuw.Maar dit was alleen wanneer zijn geest het meest verbijsterd was. Meestal hielden zijne gedachten zich alleen met Florence bezig. Wat hij het meeste deed was dit: Hij herriep dien nacht, waaraan hij kort geleden zooveel had gedacht, dien nacht toen zij beneden in zijne kamer kwam, en verbeeldde zich dat zijn hart hem verwijtingen deed, en hij haar na- en de trap opging om haar terug te halen. Dan, dien tijd verwarrende met de latere dagen van de vele voetstappen, verwonderde hij zich over hun aantal, en begon hij, terwijl[428]hij haar volgde, ze te tellen. Dan was er eensklaps een bloedige voetstap, die tusschen de andere voortliep; en daarna begonnen er deuren open te staan, door welke hij in spiegels akelige afbeeldsels zag van bleeke mannen, die iets in hunne borst verborgen. Maar onder die menigte van voetstappen en den bloedigen voetstap, hier en daar, bleef toch steeds de stap van Florence. Altijd ging zij hem vooruit, altijd volgde haar zijn rustelooze geest, aanhoudend tellende, al verder en al hooger, als naar den top van een toren, zoo hoog, dat men jaren noodig had om hem te beklimmen.Eens vroeg hij of dat niet Suze was, die niet lang geleden had gesproken.Florence antwoordde “ja, lieve papa,” en vroeg of hij haar zou willen zien.Hij antwoordde “zeer gaarne;” en Suze kwam, niet weinig bevende, voor zijn bed.Dit scheen eene groote verademing voor hem te zijn. Hij verzocht haar om niet heen te gaan; hij vergaf haar wat zij hem gezegd had, en zij moest nu weer blijven. Florence en hij waren nu geheel anders, zeide hij, en zeer gelukkig. Zij moest hier maar naar zien. Hij meende dat hij het lieve hoofdje op zijn kussen neertrok en naast het zijne legde.Zoo bleef hij dagen en weken. Eindelijk werd hij stiller, en lag nu als eene flauwe schim van een man op zijn bed, en sprak zoo zacht dat men hem alleen hooren kon als men dicht bij zijne lippen luisterde. Het was nu een dof genot voor hem daar te liggen, met het venster open, en uit te zien naar de zomerlucht en de boomen, en des avonds naar de ondergaande zon; de schaduwen der wolken en de bladeren gade te slaan, terwijl het was alsof hij zekere sympathie met schaduwen gevoelde. Het was natuurlijk dat hij dit deed. Voor hem waren het leven en de wereld niets anders.Hij begon nu te toonen, dat hij om Florence’s vermoeienis dacht, en spande zijne zwakke krachten dikwijls in om haar toe te fluisteren: “Ga toch eens wat wandelen, liefje, in de vrije lucht. Ga eens naar uw goeden oom.” Eens, toen Walter in de kamer was, wenkte hij dezen om bij hem te komen en te bukken; en zijne hand drukkende, fluisterde hij hem toe, wel te weten dat hij hem zijn kind kon toevertrouwen, als hij dood was.Op een avond tegen het ondergaan der zon, toen Florence en Walter bij elkander in zijne kamer zaten, gelijk hij gaarne had, gebeurde het dat Florence, die haar kindje op den schoot had, zachtjes voor den kleine begon te zingen—hetzelfde oude liedje, dat zij zoo dikwijls voor het doode kind had gezongen. Hij kon dit toen nog niet verdragen; zijne bevende hand uitstekende, bad hij haar om op te houden; maar des anderen daags vroeg hij haar om het nog eens te zingen, en dit des avonds dikwijls te doen. Zij zong, en hij luisterde met een afgewend gezicht.Op zekeren tijd zat Florence bij zijn venster, met haar werkmandje tusschen haar en Suze, die haar nog trouw gezelschap hield. Hij was ingesluimerd. Het was avond, maar zou nog een paar uren licht blijven; de rustige stilte bracht Florence in eene peinzende stemming. Zij zat mijmerend te denken aan het oogenblik toen hij, die daar zoo veranderd lag, haar voor het eerst aan hare schoone mama had voorgesteld, toen Walter haar op den schouder tikte en met zekeren schrik deed omzien.“Lieve,” zeide Walter, “er is iemand beneden, die u verlangt te spreken.”Zij verbeeldde zich dat Walter ernstig zag, en vroeg hem of er iets gebeurd was.“Neen, neen, liefje,” antwoordde Walter. “Ik heb al zelf met dien heer gesproken. Er is niets gebeurd. Zult ge komen?”Florence vertrouwde haar vader aan de zwartoogige mevrouw Toots, die zoo wakker zat te werken als eene zwartoogige vrouw maar kon, en ging met Walter naar beneden. In het vroolijke voorkamertje, dat op den tuin uitzag, zat een heer, die, toen zij binnentrad, opstond om naar haar toe te komen, maar door iets eigenaardigs van zijne beenen zijdwaarts afsloeg, en slechts door de tafel werd gestuit.Nu dacht Florence aan neef Feenix, dien zij in de schaduw van het gebladerte eerst niet had herkend. Neef Feenix vatte hare hand en wenschte haar geluk met haar huwelijk.“Ik had wel kunnen wenschen,” zeide neef Feenix, zich neerzettende toen Florence was gaan zitten, “al vroeger gelegenheid te hebben om u mijne felicitatiën aan te bieden; maar onbewimpeld gezegd, er hebben zooveel onaangename omstandigheden plaats gehad, die elkander, om zoo te zeggen, op de hielen volgden, dat ik zelf in een drommel van een staat ben geweest, geheel ongeschikt voor conversatie of gezelschap. Het eenige gezelschap, dat ik gehad heb, is mijn eigen gezelschap geweest; en het is zeker alles behalve vleiend voor iemands eigenliefde, als hij ondervindt dat hij, onbewimpeld gezegd, de capaciteit heeft om zich zelven doodelijk te vervelen.”Uit iets verlegens en gedwongens in neef Feenix’ manieren—die, in weerwil zijner kleine zonderlingheden, altijd de manieren van eengentlemanhad—en ook uit Walter’s voorkomen, maakte Florence op, dat hierop iets moest volgen, dat een meer bepaald doel had.“Ik heb mijn vriend, mijnheer Gay, als ik de eer mag hebben om hem zoo te noemen,” zeide neef Feenix, “al gezegd, dat het mij verheugt te hooren dat mijn vriend Dombey stellig aan de beterhand is. Ik vertrouw, dat mijn vriend Dombey zich niet al te zeer over het verlies van geldelijk vermogen zal kwellen. Ik kan niet zeggen, dat ik ooit zelf een groot verlies van geldelijk vermogen ondervonden heb, daar ik, onbewimpeld gezegd, nooit heel veel te verliezen heb gehad.[429]Maar zooveel als ik verliezen kon, heb ik toch verloren, en ik kan niet vinden dat ik het mij bijzonder aantrek. Ik weet, dat mijn vriend Dombey een verduiveld eerlijk man is; en het moet mijn vriend Dombey tot een grooten troost strekken, te weten dat men algemeen zoo over hem denkt. Zelfs Tommy Screwzer—een man, die een verbazend galachtig gestel heeft en met wien mijn vriend Gay denkelijk wel bekend is—kan geen woord daartegen inbrengen.”Florence gevoelde meer en meer dat er iets komen moest, en zag ernstig daarnaar uit; zoo ernstig, dat neef Feenix, alsof zij gesproken had, antwoordde:“De zaak is, dat mijn vriend Gay en ik er over gesproken hebben, in hoeverre het voegzaam zou zijn u om eene gunst te verzoeken, en dat ik de toestemming van mijn vriend Gay heb—die mij met eene vriendelijkheid en openhartigheid is te gemoet gekomen, waarvoor ik hem zeer verplicht ben—om u daarom te verzoeken. Ik ben wel bewust, dat eene zoo beminnelijke dame als de bekoorlijke en talentrijke dochter van mijn vriend Dombey, niet veel aandrang zal noodig hebben; maar het doet mij toch genoegen, dat ik door mijn vriend Gay’s invloed en goedkeuring word gerugsteund. Gelijk in mijn parlementstijd, als iemand eene motie te doen had—dat in die dagen zelden gebeurde, want wij werden door de hoofden der partijen streng onder discipline gehouden, dat heel goed voor ons was en belette dat wij ons gedurig blootstelden, gelijk velen van ons gaarne zouden gedaan hebben—evenals in mijn parlementstijd, gelijk ik zeide, als iemand alleen een klakkebos had af te schieten, het voor heel slim gehouden werd te zeggen, dat hij het geluk had van te gelooven dat het zijn gevoelen niet aan weerklank in de borst van mijnheer Pitt ontbrak, den stuurman, die de stormen tartte en bemeesterde. Waarop dan een verduiveld groot getal van leden dadelijk bravo riep en hem zoo moed gaf. Schoon de waarheid is, dat die kerels, die order hadden om hard bravo te roepen, als de naam van mijnheer Pitt genoemd werd, daaraan zoo gewoon waren dat zij er altijd van wakker werden. Anders wisten zij zoo geheel niet wat er omging, dat Conversatie-Brown gewoonlijk placht te zeggen—een man van vier flesschen in de financiën, wien de vader van mijn vriend Gay wel zou gekend hebben, want het was voor den tijd van mijn vriend Gay zelf—dat, als er iemand gezegd had, tot zijn leedwezen het Huis te moeten berichten dat er in het portaal een van de leden lag, die eene beroerte had gekregen, en dat de naam van dat lid mijnheer Pitt was, er even geducht bravo zou zijn geroepen.”Dit verschuiven van hetgeen er komen moest maakte Florence zeer onrustig, en zij keek, met toenemende ontroering, van neef Feenix naar Walter.“Er is niets gebeurd, liefje,” zeide Walter.— “Er is niets gebeurd, op mijne eer,” zeide neef Feenix; “en het spijt mij zeer, het middel te zijn om u een oogenblik ongerustheid te veroorzaken. Ik verzoek u te mogen verzekeren, dat er niets gebeurd is. De gunst, die ik te vragen heb, is eenvoudig—maar het komt mij waarlijk zoo buitengemeen zonderling voor, dat ik mijn vriend Gay ten uiterste verplicht zou zijn, als hij zoo goed wilde wezen—hoe zal ik het zeggen—om het ijs te breken.”“Walter, aldus uitgenoodigd, en gedrongen door den blik, waarmede Florence naar hem omzag, zeide:“Liefste, het is niet meer dan dit. Dat gij eens naarLondenwilt rijden met dezen heer, dien gij kent.”—“En met mijn vriend Gay insgelijks—neem mij niet kwalijk,” viel neef Feenix er op in.—“En met mij, om er ergens eene visite te brengen.”—“Aan wien?” vroeg Florence, van den een naar den ander ziende.—“Als ik u bidden mocht,” zeide neef Feenix, “om niet op een antwoord op die vraag aan te dringen, zou ik gaarne de vrijheid willen nemen om dat verzoek te doen.”—“Weetgijhet, Walter?” zeide Florence.—“Ja.”—“En vindt gij het goed?”—“Ja. Alleen omdat ik zeker ben, dat gij het ook goed zoudt vinden, Florence, schoon er redenen kunnen zijn, gelijk ik wel begrijp, die het beter maken dat er vooraf niets meer van gezegd wordt.”—“Als papa nog slaapt, of mij missen kan, als hij wakker is, zal ik terstond gereed zijn,” antwoordde Florence. En stil opstaande verliet zij de kamer, na nog even naar hen te hebben omgezien met een blik, die wel eenigszins angstig was, maar toch aanduidde dat zij zich geheel op hen verliet.Toen zij terugkwam, gereed om mede te gaan, stonden zij bij het venster ernstig met elkander te spreken; en Florence kon niet nalaten zich te verwonderen wat het onderwerp was, dat hen in zoo korten tijd zoo wel met elkander bekend had gemaakt. Maar zij verwonderde zich niet over den blik van trotschheid en liefde, waarmede haar echtgenoot afbrak toen zij binnenkwam, want zij zag hem nooit of die blik vloog haar te gemoet.“Ik zal een kaartje voor mijn vriend Dombey laten,” zeide neef Feenix, “oprechtelijk vertrouwende dat hij met ieder uur in gezondheid en krachten zal bijkomen. En ik hoop, dat mijn vriend Dombey mij de gunst zal bewijzen, om mij te houden voor iemand, die eene verduiveld warme bewondering voor zijn karakter heeft, als een Engelsch koopman en een verduiveld echtgentlemante gelijk. Mijn buiten is verduiveld in verval, maar als mijn vriend Dombey verandering van lucht mocht noodig hebben, en daar zijn kwartier wou nemen, zou hij het eene buitengemeen gezonde plek vinden—gelijk het ook wel wezen mag, want het is er verbazend vervelend. Als mijn vriend Dombey lang zwak mocht blijven, en mij vergunde hem iets te recommandeeren,[430]dat mij zelf dikwijls heeft goedgedaan, als iemand die somtijds heel raar is geweest, en die tamelijk ongeregeld leefde, zou ik zeggen, laat het dan eendooiervan een ei zijn, met suiker en nootmuskaat geklopt, in een glas sherry, en ’s morgens gebruikt met een sneedje drogen toast. Jackson, die de bokszaal inBond Streethield—een uitstekend man in zijn vak, van wien mijn vriend Gay zeker wel gehoord zal hebben—placht te zeggen, dat men, om voor het boksen kracht te krijgen, rum nam in plaats van sherry. Maar in dit geval zou ik sherry recommandeeren, omdat mijn vriend Dombey niet wel is; en de rum hem dus, om het onbewimpeld te zeggen, naar het hoofd zou kunnen vliegen en hem meer kwaad- dan goeddoen.”Dit alles zeide neef Feenix op eene manier, waaruit duidelijk bleek dat hij onrustig en zenuwachtig was. Toen Florence zijn arm gevende, en zijne eigenzinnige beenen, die den tuin schenen te willen inkuieren, met alle kracht in bedwang houdende, bracht hij haar naar de deur en hielp haar in de koets, die naar haar stond te wachten.De twee heeren stapten insgelijks in en men reed voort.De rit duurde zoolang, dat het reeds donker werd toen men in zekere stille, deftige straten in het westen vanLondenkwam. Florence stak nu hare hand in die van Walter, en keek met strakken ernst en telkens klimmende aandoening elke nieuwe straat in, die men insloeg.Toen de koets eindelijk ophield voor dat huis inBrook Street, waar het heillooze huwelijk van haar vader gevierd was, zeide zij: “Walter, wat is dit? Wie is er hier?” Toen Walter haar met een enkel woord bemoedigde, maar eigenlijk geen antwoord gaf, keek zij naar den gevel op en zag dat al de vensters gesloten waren, alsof het huis onbewoond was. Neef Feenix was nu uitgestapt en bood haar zijne hand.“Komt gij niet, Walter?” zeide Florence.—“Neen, ik zal hier blijven. Beef maar niet. Er is niets te vreezen, lieve Florence.”—“Dat weet ik wel, als gij zoo dichtbij zijt. Daarvan ben ik zeker, maar—”De deur werd zachtjes geopend, zonder dat er was aangeklopt, en neef Feenix bracht haar uit den zomeravond het geslotene, dompige huis binnen. Somberder dan ooit, scheen het van de bruiloft af gesloten te zijn gebleven, en sedert aanhoudend duisternis en zwaarmoedigheid te hebben verzameld.Florence ging bevende de schemerachtige trap op en bleef met haar geleider voor de deur van het salon staan. Hij opende die zonder spreken, en gaf haar een wenk om naar de achterkamer te gaan, terwijl hij daar bleef. Na een oogenblik aarzelens gehoorzaamde Florence.Bij het venster aan eene tafel, waar zij scheen gelezen of geteekend te hebben, zat eene dame, die haar hoofd, naar het wegstervend licht gekeerd, op hare hand liet rusten. Florence kwam twijfelend nader, en bleef toen eensklaps stilstaan, als had zij alle vermogen om zich te bewegen verloren. De dame keerde haar hoofd om.“Groote hemel,” zeide zij, “wat is dit?”—“Neen, neen!” riep Florence, terugdeinzende toen zij opstond, en de handen uitstekende om haar van zich af te weren. “Mama!”Zij stonden elkander aan te zien. De hartstochten hadden het doen verwelken, maar het was toch nog het gezicht van Edith—nog schoon en statig. Het was nog het gezichtje van Florence, en door den afschrik, dien het uitdrukte, blonken medelijden, smart en eene dankbaar teedere herinnering heen. Op beider gelaat stonden verwondering en vrees geschilderd, terwijl zij elkander roerloos en sprakeloos stonden aan te zien, over den zwarten afgrond van het verledene heen.Florence was de eerste die veranderde. In tranen uitbarstende, riep zij, uit het volle hart: “O, mama, mama, waarom moeten wij elkander zoo wederzien? Waarom zijt gij ooit goed voor mij geweest, toen niemand anders dat was, dat wij elkander zoo moeten wederzien!”Edith bleef stom en roerloos voor haar staan en zag haar strak aan.“Ik durf er niet aan denken,” zeide Florence, “ik kom zoo van papa’s ziekbed. Wij zijn nu nooit van elkander af en zullen dat nooit weer zijn. Als gij wilt dat ik hem vergiffenis vraag, zal ik het doen, mama. Ik ben bijna zeker dat hij ze nu geven zal, als ik er hem om vraag. Moge de Hemel ze u ook geven en u troosten!”Zij sprak geen woord.“Walter—ik ben met hem getrouwd en wij hebben een zoontje,” zeide Florence schroomvallig, “is voor de deur en heeft mij hier gebracht. Ik zal hem zeggen dat gij berouw hebt, dat gij veranderd zijt,” zeide Florence, haar droevig aanziende, “en hij zal papa met mij aanspreken, dat weet ik. Is er behalve dat iets wat ik doen kan?”Edith, nu hare stilte verbrekende, maar zonder een oog of lid te bewegen, zeide langzaam:“De smet op uw naam, op dien van uw man en van uw kind. Zal die ooit vergeven worden, Florence?”—“Ooit vergeven, mama? Dat is al vergeven, vrijwillig, vrijwillig, zoowel door Walter als door mij. Als dat een troost voor u is, is er niets dat gij zekerder gelooven moogt. Gij spreekt niet—gij spreekt niet van papa,” zeide Florence haperend; “maar ik ben toch overtuigd, dat gij wenscht dat ik om zijne vergiffenis zal vragen. Daarvan ben ik zeker.”Zij sprak geen woord.“Ik zal,” zeide Florence, “ik zal ze u brengen, als gij het mij wilt laten doen; en dan misschien zullen wij meer gelijk wij vroeger voor elkander plachten te zijn afscheid nemen. Ik heb niet van u geschrikt, mama,” zeide Florence zeer zacht, en nu naderbijkomende, “omdat ik bang voor u ben, of vrees dat gij mij schande zoudt aandoen. Ik wensch maar mijn plicht jegens papa te doen.[431]Hij is mij nu heel dierbaar, en ik ben hem heel dierbaar. Maar ik kan toch nooit vergeten, dat gij heel goed voor mij zijt geweest. O, bid den hemel toch,” riep Florence, aan hare borst vallende, “bid den Hemel toch om al die zonde en schande te vergeven, en om mij te vergeven, dat ik dit niet laten kan (als het kwaad is), wanneer ik bedenk wat gij vroeger waart.”Edith, alsof Florence’s zwaarte haar neerdrukte, zonk op hare knieën en vatte haar om den hals.“Florence!”riep zij. “Mijn goede engel! Eer ik weder razend word, eer mijne verstoktheid terugkomt en mij doet verstommen, geloof mij, bij mijne ziel, ik ben onschuldig.”—“Mama!”—“Schuldig aan veel! Schuldig aan datgene wat voor altijd eene woestijn tusschen ons plaatst. Schuldig aan datgene wat mij mijn leven lang van al wat rein en goed is—van u, van de geheele wereld, moet afzonderen. Schuldig aan eene blinde hartstochtelijke wraakzucht, waarvan ik zelfs nu nog geen berouw kan of wil hebben; maar niet schuldig met dien doode. Voor God niet!”Op hare knieën liggende, stak zij beide handen op en bezwoer het.“Florence,” zeide zij, “rein en liefderijk wezen—gij, die ik liefheb—die mij lang geleden hadt kunnen doen veranderen, en zelfs in de vrouw, die ik ben, voor een tijd eenige verandering teweegbracht—geloof mij, daaraan ben ik onschuldig; en laat mij nog eens dit dierbare hoofd voor de laatste maal aan mijn eenzaam hart leggen!”Zij was ontroerd en schreide. Als zij in vroegere dagen meermalen zoo geweest was, had zij nu gelukkiger kunnen zijn.“Er is niets anders in de wereld,” zeide zij, “dat mij deze ontkentenis had kunnen afpersen. Geene liefde, geen haat, geene hoop, geene bedreiging. Ik zeide, dat ik sterven wilde, zonder een woord te spreken of een teeken te geven. Ik had zoo kunnen doen, en zou zoo gedaan hebben, als wij elkander niet hadden weergezien, Florence.”—“Ik vertrouw,” zeide neef Feenix, die nu naar de deur kwam trippelen, en half in, half buiten de kamer het woord nam, “dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht mij nu niet kwalijk zal nemen, dat ik, door eene kleine list, deze ontmoeting heb teweeggebracht. Ik kan niet zeggen, dat ik in het eerst geheel ongeloovig was aan de mogelijkheid, dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht zich ongelukkig gecompromitteerd zou hebben met dien overledene met zijne witte tanden; omdat iemand, onbewimpeld gezegd, in deze wereld—die verduiveld wonderlijke omstandigheden oplevert, en stellig het onbegrijpelijkste ding is waarvan iemand ondervinding heeft—somtijds heel vreemde dingen van dien aard waarneemt. Maar, gelijk ik mijn vriend Dombey eens zeide, ik kon de schuld van mijne bekoorlijke en talentrijke nicht niet toegeven, voordat die volkomen bewezen was. En daar ik gevoelde, toen die overledene, om het onbewimpeld te zeggen, op zulk eene verduiveld gruwelijke manier was omgekomen, dat hare positie zeer onaangenaam was—en daar ik buitendien gevoelde dat onze familie eenigszins te laken was, dat zij zich niet meer aan haar had laten gelegen liggen, en dat wij eene onoplettende familie zijn—en dat mijne tante, hoewel eene verduiveld levendige vrouw, misschien niet de allerbeste moeder geweest was—nam ik de vrijheid om haar inFrankrijkte gaan opzoeken, en haar zooveel protectie aan te bieden, als iemand, die zoo kaal is als ik, kon aanbieden. Bij welke gelegenheid mijne bekoorlijke en talentrijke nicht mij de eer bewees van te zeggen, dat zij mij, op mijne manier, voor een verduiveld goed soort van kerel hield, en dat zij zich dus onder mijne protectie stelde. Hetgeen ik, onbewimpeld gezegd, voor eene groote vriendelijkheid van mijne bekoorlijke en talentrijke nicht hield, daar ik geweldig wrak begin te worden, en hare zorg mij van veel dienst is geweest.”Edith, die Florence naar eene sofa had gebracht, wenkte met hare hand, als wilde zij hem verzoeken om niets meer te zeggen.“Mijne bekoorlijke en talentrijke nicht,” hervatte neef Feenix, die nog bij de deur bleef rondtrippelen, “zal het mij niet kwalijk nemen, als ik, tot voldoening van mij zelven en van haar en van mijn vriend Dombey, wiens bekoorlijke en talentrijke dochter wij zoozeer bewonderen, mijne aanmerkingen nog wat verder voortzet. Zij zal zich wel herinneren dat zij en ik, van den eersten af, nooit een woord over hare vlucht hebben gewisseld. Mijne gedachte was altijd wel, dat er iets geheimzinnigs in de zaak was, dat zij wel zou kunnen ophelderen als zij wilde. Maar daar mijne bekoorlijke en talentrijke nicht eene verduiveld resolute vrouw is, wist ik wel dat er, om het onbewimpeld te zeggen, geen gekscheren met haar was, en wilde ik mij dus aan geene discussiën met haar wagen. Maar daar ik sedert eenigen tijd bemerkte, dat haar zwak zekere zeer krachtige soort van teederheid voor de dochter van mijn vriend Dombey scheen te zijn, viel het mij in dat het, als ik eene aan beide kanten onverwachte ontmoeting kon teweegbrengen, misschien heilzame gevolgen zou hebben. Toen wij dus zoo in stilte inLondenwaren, eer wij naar het zuiden vanItaliëgaan, om daar te blijven tot wij, om het onbewimpeld te zeggen, naar ons laatste huis gaan, dat eene verduiveld onaangename herinnering is, deed ik mijn best om de woning van mijn vriend Gay op te sporen—een welgemaakt man, ongemeen rondborstig van karakter, die mijne bekoorlijke en talentrijke nicht denkelijk wel bekend zal zijn—en had toen het geluk van zijne beminnelijke vrouw te mogen hier brengen. En nu,” zeide neef Feenix, met een ernst, die door het luchtige van zijn toon en het omslachtige zijner manier van spreken heen blonk, “bezweer ik mijne nicht om niet halverwege[432]te blijven staan, maar zoover zij kan te recht te helpen wat zij verkeerd heeft gedaan—niet voor de eer van hare familie, niet voor haar eigen goeden naam, niet om een van die redenen, die ongelukkige omstandigheden haar hebben geleerd voor onbeduidend, of, om het onbewimpeld te zeggen, voor weinig beter dan larie te houden—maar omdat het verkeerd en niet recht is.”Neef Feenix’ beenen waren nu zoo goed om hem weg te brengen; en de twee alleen bij elkander latende, sloot hij de deur.Edith bleef eene poos stil zitten, dicht naast Florence. Toen haalde zij een verzegeld papier uit hare borst.“Ik heb lang met mij zelve overlegd,” zeide zij zacht, “of ik dat al of niet zou schrijven, in geval ik onverwacht mocht sterven en dan wenschen zou het te hebben gedaan. Naderhand heb ik weder overlegd of ik het al of niet zou vernietigen. Neem het, Florence. De waarheid staat er in geschreven.”—“Is het voor papa?” zeide Florence.—“Het is voor wien gij wilt,” antwoordde Edith. “Het wordt u gegeven, en hij krijgt het van u. Hij had het anders nooit kunnen krijgen.”Wederom bleven zij zwijgend zitten, in de toenemende duisternis.“Mama,” zeide Florence,“hij heeft zijn vermogen verloren; hij is op den oever van den dood geweest; hij zal misschien zelfs nu nog niet herstellen. Is er geen woord, dat ik hem van u zal zeggen?”—“Hebt gij mij niet gezegd,” vroeg Edith, “dat gij hem zeer dierbaar waart?”—“Ja,”antwoordde Florence met eene van aandoening bevende stem.—“Zeg hem dan, dat het mij spijt, dat wij elkander ooit hebben ontmoet.”—“Niets meer?” zeide Florence na eene poos van stilte.—“Zeg hem, als hij er naar vraagt, dat ik geen berouw heb van wat ik gedaan heb—nog niet—want als het morgen nog eens moest gedaan worden, zou ik het doen. Maar als hij veranderd is—”Zij zweeg. Er was iets in de stille aanraking van Florence’s hand, dat haar stuitte.“Maar dat, nuhijveranderd is, hij wel weet dat het nu nooit gebeuren zou. Zeg hem, dat ik wensch dat het nooit gebeurd was.”—“Mag ik zeggen,” zeide Florence, “dat het u speet te hooren dat hij zooveel geleden heeft!”—“Niet,” antwoordde zij, “als hij daardoor geleerd heeft, dat zijne dochter hem zeer dierbaar is. Eens zal het hem zelf niet spijten, als hij dat daardoor heeft geleerd, Florence!”—“Gij wenscht hem goeds, gij zoudt willen, dat hij gelukkig was. Ik ben overtuigd, dat zoudt gij!” zeide Florence. “O, laat ik hem dat kunnen zeggen, als ik er eens gelegenheid toe heb!”Edith zat met hare donkere oogen strak voor zich te staren, en gaf geen antwoord voordat Florence hare bede had herhaald; toen trok zij hare hand door haar arm en zeide, peinzend in den nacht daarbuiten starende:“Zeg hem, dat als hij in zijne eigene tegenwoordige stemming redenen kan vinden om medelijden te hebben met mijn vroeger lot, ik hem daarom heb laten verzoeken. Zeg hem dat, als hij redenen kan vinden om met minder bitterheid aan mij te denken, ik hem daarom heb verzocht. Zeg hem dat, schoon wij voor elkander dood zijn en elkander aan dezen kant van het graf nooit zullen wederzien, hij weet dat er nu toch één gevoel in gemeenschap tusschen ons is, dat er nooit vroeger was.”Hare stugheid scheen te zwichten, en er stonden tranen in hare donkere oogen.“Door dat gevoel,” zeide zij, “vertrouw ik dat hij beter over mij en ik beter over hem zal leeren denken. Als hij Florence het meeste liefheeft, zal hij mij het minste haten. Als hij zich het gelukkigst gevoelt in haar en hare kinderen, zal hij het meeste berouw hebben over zijn eigen aandeel in den donkeren droom van ons huwelijksleven. Dan zal ik ook berouw hebben—laat hem dat weten—en denken dat ik, toen ik zooveel dacht aan al de oorzaken, die mij gemaakt hadden tot hetgeen ik was, meer had moeten denken aan de oorzaken, die hem gemaakt hadden wat hij was. Dan zal ik trachten hem zijn deel in de schuld te vergeven. Laat hij trachten om mij mijn deel te vergeven.”—“O mama,” zeide Florence, “hoe verlicht het mijn hart, zelfs bij zulk een wederzien en afscheid, dat ik dit hoor.”—“Vreemde woorden in mijne eigene ooren,” zeide Edith, “en vreemd voor mijne stem om ze uit te spreken. Maar al was ik het rampzalige schepsel geweest, waarvoor ik hem reden gaf mij te houden, dan geloof ik dat ik ze toch had kunnen uitspreken, als ik gehoord had, dat gij en hij elkander zeer dierbaar waart. Laat hij, als gij hem het dierbaarste zijt, altijd gevoelen, dat hij dan het zachtst over mij denkt—en ik het zachtst over hem denk! Dit zijn de laatste woorden, die ik hem zend. En nu vaarwel, mijn liefste leven!”Zij sloot haar in hare armen, en scheen geheel hare vrouwenziel van liefde en teederheid in eens uit te storten.“Deze kus voor uw kind! Deze kussen tot een zegen over uw hoofd! Dierbare Florence! Allerliefste! Vaarwel!”—“Toch om elkander nog weer te zien!” riep Florence uit.—“Nooit weder! Nooit weder! Als ge mij in deze donkere kamer alleen laat, denk dan dat ge mij in het graf hebt gelaten. Onthoud alleen dat ik eens leefde, en dat ik u liefhad.”En Florence verliet haar, zonder haar gezicht meer te zien, maar tot het laatste toe door hare liefkoozingen vergezeld.Neef Feenix wachtte haar aan de deur, en bracht haar beneden in de sombere eetzaal bij Walter, op wiens schouder zij haar hoofd liet zinken om uit te schreien.“Het spijt mij verduiveld,” zeide neef Feenix, op de eenvoudigste manier en zonder het eenigszins te verbloemen zijne mouwboorden naar zijne[433]oogen brengende, “dat de bekoorlijke en talentrijke dochter van mijn vriend Dombey en beminnelijke vrouw van mijn vriend Gay, haar gevoelig hart zoo geschokt moet gevoelen door de zoo even afgeloopene samenkomst. Maar ik hoop en vertrouw dat ik toch wel heb gedaan, en dat mijn geëerde vriend Dombey zijn gemoed verlicht zal vinden door de ontdekkingen, die nu hebben plaats gehad. Ik betreur het buitengemeen, dat mijn vriend Dombey zich, om het onbewimpeld te zeggen, zoo verduiveld in den pekel heeft geholpen door eene alliantie met onze familie; maar ik ben sterk van gevoelen, dat als die helsche schavuit Carker—die man met zijne witte tanden—er niet geweest was, alles tamelijk glad zou hebben gegaan. Ten aanzien van mijne nicht, die mij de eer bewijst van eene buitengewoon goede meening van mij te hebben opgevat, kan ik de beminnelijke vrouw van mijn vriend Gay verzekeren, dat zij er op aan kan, dat ik, om het onbewimpeld te zeggen, een vader voor haar ben. En wat al die afwisselingen in het menschelijk leven aangaat, en de wonderlijke manier, waarop wij ons gedurig gedragen, is al wat ik zeggen kan, met mijn vriend Shakespeare—een man, die niet voor ééne eeuw, maar voor alle tijden leefde, en met wien mijn vriend Gay buiten twijfel bekend is—dat het naar de schaduw van een droom gelijkt.”Kapitein Cuttle laat hen Mooie Peggy hooren, van het begin tot het eind. (blz. 436).Kapitein Cuttle laat hen Mooie Peggy hooren, van het begin tot het eind.(blz. 436).[434]
LXI.NOG EEN WEDERZIEN.
Florence had wel hulp noodig. Haar vader had groote behoefte daaraan, en dit maakte den bijstand harer oude vriendin onwaardeerbaar. De dood zweefde over zijne peluw. Reeds eene schim van wat hij vroeger was, ziek naar het lichaam en afgemarteld naar den geest, had hij zijn hoofd neergelegd op het bed, dat zijne dochter voor hem gespreid had, en het niet weder opgebeurd.Zij was altijd bij hem. Doorgaans kende hij haar, hoewel zijne ontstelde hersenen haar dikwijls in vreemde omstandigheden verplaatsten. Zoo sprak hij haar somtijds aan alsof zijn zoon pas gestorven was, en zeide hij, dat, schoon hij er niets van had gezegd dat zij bij dat bedje zooveel dienst bewees, hij het toch wel gezien had—toch wel gezien had; en dan verborg hij snikkend zijn gezicht, en stak hij zijne vermagerde hand uit. Somtijds vroeg hij naar haar zelve. “Waar is Florence?”—“Ik ben hier, papa; ik ben hier.”—“Ik ken haar niet!” riep hij dan uit. “Wij zijn zoo lang gescheiden geweest, dat ik haar niet ken.” En dan staarde hij zoo angstig rond, dat zij zich verheugde als het haar gelukte de tranen terug te roepen, die zij anders zoo ijverig poogde te drogen.Somtijds zwierf hij uren lang door tooneelen van vroeger tijd, waar Florence hem dikwijls niet meer kon volgen. Dan herhaalde hij die kinderlijke vraag: “Wat is geld?” en peinsde daarover, en redeneerde met zich zelven, meer of minder geregeld, om een goed antwoord te vinden; alsof zij hem nog nooit dan op dat oogenblik was voorgesteld. Dan herhaalde hij mijmerend den naam zijner oude firma duizenden malen achtereen, en keerde bij elke herhaling zijn hoofd op het kussen om. Dan telde hij zijne kinderen—een—twee, stuitte, keerde zich om, en begon weder opnieuw.Maar dit was alleen wanneer zijn geest het meest verbijsterd was. Meestal hielden zijne gedachten zich alleen met Florence bezig. Wat hij het meeste deed was dit: Hij herriep dien nacht, waaraan hij kort geleden zooveel had gedacht, dien nacht toen zij beneden in zijne kamer kwam, en verbeeldde zich dat zijn hart hem verwijtingen deed, en hij haar na- en de trap opging om haar terug te halen. Dan, dien tijd verwarrende met de latere dagen van de vele voetstappen, verwonderde hij zich over hun aantal, en begon hij, terwijl[428]hij haar volgde, ze te tellen. Dan was er eensklaps een bloedige voetstap, die tusschen de andere voortliep; en daarna begonnen er deuren open te staan, door welke hij in spiegels akelige afbeeldsels zag van bleeke mannen, die iets in hunne borst verborgen. Maar onder die menigte van voetstappen en den bloedigen voetstap, hier en daar, bleef toch steeds de stap van Florence. Altijd ging zij hem vooruit, altijd volgde haar zijn rustelooze geest, aanhoudend tellende, al verder en al hooger, als naar den top van een toren, zoo hoog, dat men jaren noodig had om hem te beklimmen.Eens vroeg hij of dat niet Suze was, die niet lang geleden had gesproken.Florence antwoordde “ja, lieve papa,” en vroeg of hij haar zou willen zien.Hij antwoordde “zeer gaarne;” en Suze kwam, niet weinig bevende, voor zijn bed.Dit scheen eene groote verademing voor hem te zijn. Hij verzocht haar om niet heen te gaan; hij vergaf haar wat zij hem gezegd had, en zij moest nu weer blijven. Florence en hij waren nu geheel anders, zeide hij, en zeer gelukkig. Zij moest hier maar naar zien. Hij meende dat hij het lieve hoofdje op zijn kussen neertrok en naast het zijne legde.Zoo bleef hij dagen en weken. Eindelijk werd hij stiller, en lag nu als eene flauwe schim van een man op zijn bed, en sprak zoo zacht dat men hem alleen hooren kon als men dicht bij zijne lippen luisterde. Het was nu een dof genot voor hem daar te liggen, met het venster open, en uit te zien naar de zomerlucht en de boomen, en des avonds naar de ondergaande zon; de schaduwen der wolken en de bladeren gade te slaan, terwijl het was alsof hij zekere sympathie met schaduwen gevoelde. Het was natuurlijk dat hij dit deed. Voor hem waren het leven en de wereld niets anders.Hij begon nu te toonen, dat hij om Florence’s vermoeienis dacht, en spande zijne zwakke krachten dikwijls in om haar toe te fluisteren: “Ga toch eens wat wandelen, liefje, in de vrije lucht. Ga eens naar uw goeden oom.” Eens, toen Walter in de kamer was, wenkte hij dezen om bij hem te komen en te bukken; en zijne hand drukkende, fluisterde hij hem toe, wel te weten dat hij hem zijn kind kon toevertrouwen, als hij dood was.Op een avond tegen het ondergaan der zon, toen Florence en Walter bij elkander in zijne kamer zaten, gelijk hij gaarne had, gebeurde het dat Florence, die haar kindje op den schoot had, zachtjes voor den kleine begon te zingen—hetzelfde oude liedje, dat zij zoo dikwijls voor het doode kind had gezongen. Hij kon dit toen nog niet verdragen; zijne bevende hand uitstekende, bad hij haar om op te houden; maar des anderen daags vroeg hij haar om het nog eens te zingen, en dit des avonds dikwijls te doen. Zij zong, en hij luisterde met een afgewend gezicht.Op zekeren tijd zat Florence bij zijn venster, met haar werkmandje tusschen haar en Suze, die haar nog trouw gezelschap hield. Hij was ingesluimerd. Het was avond, maar zou nog een paar uren licht blijven; de rustige stilte bracht Florence in eene peinzende stemming. Zij zat mijmerend te denken aan het oogenblik toen hij, die daar zoo veranderd lag, haar voor het eerst aan hare schoone mama had voorgesteld, toen Walter haar op den schouder tikte en met zekeren schrik deed omzien.“Lieve,” zeide Walter, “er is iemand beneden, die u verlangt te spreken.”Zij verbeeldde zich dat Walter ernstig zag, en vroeg hem of er iets gebeurd was.“Neen, neen, liefje,” antwoordde Walter. “Ik heb al zelf met dien heer gesproken. Er is niets gebeurd. Zult ge komen?”Florence vertrouwde haar vader aan de zwartoogige mevrouw Toots, die zoo wakker zat te werken als eene zwartoogige vrouw maar kon, en ging met Walter naar beneden. In het vroolijke voorkamertje, dat op den tuin uitzag, zat een heer, die, toen zij binnentrad, opstond om naar haar toe te komen, maar door iets eigenaardigs van zijne beenen zijdwaarts afsloeg, en slechts door de tafel werd gestuit.Nu dacht Florence aan neef Feenix, dien zij in de schaduw van het gebladerte eerst niet had herkend. Neef Feenix vatte hare hand en wenschte haar geluk met haar huwelijk.“Ik had wel kunnen wenschen,” zeide neef Feenix, zich neerzettende toen Florence was gaan zitten, “al vroeger gelegenheid te hebben om u mijne felicitatiën aan te bieden; maar onbewimpeld gezegd, er hebben zooveel onaangename omstandigheden plaats gehad, die elkander, om zoo te zeggen, op de hielen volgden, dat ik zelf in een drommel van een staat ben geweest, geheel ongeschikt voor conversatie of gezelschap. Het eenige gezelschap, dat ik gehad heb, is mijn eigen gezelschap geweest; en het is zeker alles behalve vleiend voor iemands eigenliefde, als hij ondervindt dat hij, onbewimpeld gezegd, de capaciteit heeft om zich zelven doodelijk te vervelen.”Uit iets verlegens en gedwongens in neef Feenix’ manieren—die, in weerwil zijner kleine zonderlingheden, altijd de manieren van eengentlemanhad—en ook uit Walter’s voorkomen, maakte Florence op, dat hierop iets moest volgen, dat een meer bepaald doel had.“Ik heb mijn vriend, mijnheer Gay, als ik de eer mag hebben om hem zoo te noemen,” zeide neef Feenix, “al gezegd, dat het mij verheugt te hooren dat mijn vriend Dombey stellig aan de beterhand is. Ik vertrouw, dat mijn vriend Dombey zich niet al te zeer over het verlies van geldelijk vermogen zal kwellen. Ik kan niet zeggen, dat ik ooit zelf een groot verlies van geldelijk vermogen ondervonden heb, daar ik, onbewimpeld gezegd, nooit heel veel te verliezen heb gehad.[429]Maar zooveel als ik verliezen kon, heb ik toch verloren, en ik kan niet vinden dat ik het mij bijzonder aantrek. Ik weet, dat mijn vriend Dombey een verduiveld eerlijk man is; en het moet mijn vriend Dombey tot een grooten troost strekken, te weten dat men algemeen zoo over hem denkt. Zelfs Tommy Screwzer—een man, die een verbazend galachtig gestel heeft en met wien mijn vriend Gay denkelijk wel bekend is—kan geen woord daartegen inbrengen.”Florence gevoelde meer en meer dat er iets komen moest, en zag ernstig daarnaar uit; zoo ernstig, dat neef Feenix, alsof zij gesproken had, antwoordde:“De zaak is, dat mijn vriend Gay en ik er over gesproken hebben, in hoeverre het voegzaam zou zijn u om eene gunst te verzoeken, en dat ik de toestemming van mijn vriend Gay heb—die mij met eene vriendelijkheid en openhartigheid is te gemoet gekomen, waarvoor ik hem zeer verplicht ben—om u daarom te verzoeken. Ik ben wel bewust, dat eene zoo beminnelijke dame als de bekoorlijke en talentrijke dochter van mijn vriend Dombey, niet veel aandrang zal noodig hebben; maar het doet mij toch genoegen, dat ik door mijn vriend Gay’s invloed en goedkeuring word gerugsteund. Gelijk in mijn parlementstijd, als iemand eene motie te doen had—dat in die dagen zelden gebeurde, want wij werden door de hoofden der partijen streng onder discipline gehouden, dat heel goed voor ons was en belette dat wij ons gedurig blootstelden, gelijk velen van ons gaarne zouden gedaan hebben—evenals in mijn parlementstijd, gelijk ik zeide, als iemand alleen een klakkebos had af te schieten, het voor heel slim gehouden werd te zeggen, dat hij het geluk had van te gelooven dat het zijn gevoelen niet aan weerklank in de borst van mijnheer Pitt ontbrak, den stuurman, die de stormen tartte en bemeesterde. Waarop dan een verduiveld groot getal van leden dadelijk bravo riep en hem zoo moed gaf. Schoon de waarheid is, dat die kerels, die order hadden om hard bravo te roepen, als de naam van mijnheer Pitt genoemd werd, daaraan zoo gewoon waren dat zij er altijd van wakker werden. Anders wisten zij zoo geheel niet wat er omging, dat Conversatie-Brown gewoonlijk placht te zeggen—een man van vier flesschen in de financiën, wien de vader van mijn vriend Gay wel zou gekend hebben, want het was voor den tijd van mijn vriend Gay zelf—dat, als er iemand gezegd had, tot zijn leedwezen het Huis te moeten berichten dat er in het portaal een van de leden lag, die eene beroerte had gekregen, en dat de naam van dat lid mijnheer Pitt was, er even geducht bravo zou zijn geroepen.”Dit verschuiven van hetgeen er komen moest maakte Florence zeer onrustig, en zij keek, met toenemende ontroering, van neef Feenix naar Walter.“Er is niets gebeurd, liefje,” zeide Walter.— “Er is niets gebeurd, op mijne eer,” zeide neef Feenix; “en het spijt mij zeer, het middel te zijn om u een oogenblik ongerustheid te veroorzaken. Ik verzoek u te mogen verzekeren, dat er niets gebeurd is. De gunst, die ik te vragen heb, is eenvoudig—maar het komt mij waarlijk zoo buitengemeen zonderling voor, dat ik mijn vriend Gay ten uiterste verplicht zou zijn, als hij zoo goed wilde wezen—hoe zal ik het zeggen—om het ijs te breken.”“Walter, aldus uitgenoodigd, en gedrongen door den blik, waarmede Florence naar hem omzag, zeide:“Liefste, het is niet meer dan dit. Dat gij eens naarLondenwilt rijden met dezen heer, dien gij kent.”—“En met mijn vriend Gay insgelijks—neem mij niet kwalijk,” viel neef Feenix er op in.—“En met mij, om er ergens eene visite te brengen.”—“Aan wien?” vroeg Florence, van den een naar den ander ziende.—“Als ik u bidden mocht,” zeide neef Feenix, “om niet op een antwoord op die vraag aan te dringen, zou ik gaarne de vrijheid willen nemen om dat verzoek te doen.”—“Weetgijhet, Walter?” zeide Florence.—“Ja.”—“En vindt gij het goed?”—“Ja. Alleen omdat ik zeker ben, dat gij het ook goed zoudt vinden, Florence, schoon er redenen kunnen zijn, gelijk ik wel begrijp, die het beter maken dat er vooraf niets meer van gezegd wordt.”—“Als papa nog slaapt, of mij missen kan, als hij wakker is, zal ik terstond gereed zijn,” antwoordde Florence. En stil opstaande verliet zij de kamer, na nog even naar hen te hebben omgezien met een blik, die wel eenigszins angstig was, maar toch aanduidde dat zij zich geheel op hen verliet.Toen zij terugkwam, gereed om mede te gaan, stonden zij bij het venster ernstig met elkander te spreken; en Florence kon niet nalaten zich te verwonderen wat het onderwerp was, dat hen in zoo korten tijd zoo wel met elkander bekend had gemaakt. Maar zij verwonderde zich niet over den blik van trotschheid en liefde, waarmede haar echtgenoot afbrak toen zij binnenkwam, want zij zag hem nooit of die blik vloog haar te gemoet.“Ik zal een kaartje voor mijn vriend Dombey laten,” zeide neef Feenix, “oprechtelijk vertrouwende dat hij met ieder uur in gezondheid en krachten zal bijkomen. En ik hoop, dat mijn vriend Dombey mij de gunst zal bewijzen, om mij te houden voor iemand, die eene verduiveld warme bewondering voor zijn karakter heeft, als een Engelsch koopman en een verduiveld echtgentlemante gelijk. Mijn buiten is verduiveld in verval, maar als mijn vriend Dombey verandering van lucht mocht noodig hebben, en daar zijn kwartier wou nemen, zou hij het eene buitengemeen gezonde plek vinden—gelijk het ook wel wezen mag, want het is er verbazend vervelend. Als mijn vriend Dombey lang zwak mocht blijven, en mij vergunde hem iets te recommandeeren,[430]dat mij zelf dikwijls heeft goedgedaan, als iemand die somtijds heel raar is geweest, en die tamelijk ongeregeld leefde, zou ik zeggen, laat het dan eendooiervan een ei zijn, met suiker en nootmuskaat geklopt, in een glas sherry, en ’s morgens gebruikt met een sneedje drogen toast. Jackson, die de bokszaal inBond Streethield—een uitstekend man in zijn vak, van wien mijn vriend Gay zeker wel gehoord zal hebben—placht te zeggen, dat men, om voor het boksen kracht te krijgen, rum nam in plaats van sherry. Maar in dit geval zou ik sherry recommandeeren, omdat mijn vriend Dombey niet wel is; en de rum hem dus, om het onbewimpeld te zeggen, naar het hoofd zou kunnen vliegen en hem meer kwaad- dan goeddoen.”Dit alles zeide neef Feenix op eene manier, waaruit duidelijk bleek dat hij onrustig en zenuwachtig was. Toen Florence zijn arm gevende, en zijne eigenzinnige beenen, die den tuin schenen te willen inkuieren, met alle kracht in bedwang houdende, bracht hij haar naar de deur en hielp haar in de koets, die naar haar stond te wachten.De twee heeren stapten insgelijks in en men reed voort.De rit duurde zoolang, dat het reeds donker werd toen men in zekere stille, deftige straten in het westen vanLondenkwam. Florence stak nu hare hand in die van Walter, en keek met strakken ernst en telkens klimmende aandoening elke nieuwe straat in, die men insloeg.Toen de koets eindelijk ophield voor dat huis inBrook Street, waar het heillooze huwelijk van haar vader gevierd was, zeide zij: “Walter, wat is dit? Wie is er hier?” Toen Walter haar met een enkel woord bemoedigde, maar eigenlijk geen antwoord gaf, keek zij naar den gevel op en zag dat al de vensters gesloten waren, alsof het huis onbewoond was. Neef Feenix was nu uitgestapt en bood haar zijne hand.“Komt gij niet, Walter?” zeide Florence.—“Neen, ik zal hier blijven. Beef maar niet. Er is niets te vreezen, lieve Florence.”—“Dat weet ik wel, als gij zoo dichtbij zijt. Daarvan ben ik zeker, maar—”De deur werd zachtjes geopend, zonder dat er was aangeklopt, en neef Feenix bracht haar uit den zomeravond het geslotene, dompige huis binnen. Somberder dan ooit, scheen het van de bruiloft af gesloten te zijn gebleven, en sedert aanhoudend duisternis en zwaarmoedigheid te hebben verzameld.Florence ging bevende de schemerachtige trap op en bleef met haar geleider voor de deur van het salon staan. Hij opende die zonder spreken, en gaf haar een wenk om naar de achterkamer te gaan, terwijl hij daar bleef. Na een oogenblik aarzelens gehoorzaamde Florence.Bij het venster aan eene tafel, waar zij scheen gelezen of geteekend te hebben, zat eene dame, die haar hoofd, naar het wegstervend licht gekeerd, op hare hand liet rusten. Florence kwam twijfelend nader, en bleef toen eensklaps stilstaan, als had zij alle vermogen om zich te bewegen verloren. De dame keerde haar hoofd om.“Groote hemel,” zeide zij, “wat is dit?”—“Neen, neen!” riep Florence, terugdeinzende toen zij opstond, en de handen uitstekende om haar van zich af te weren. “Mama!”Zij stonden elkander aan te zien. De hartstochten hadden het doen verwelken, maar het was toch nog het gezicht van Edith—nog schoon en statig. Het was nog het gezichtje van Florence, en door den afschrik, dien het uitdrukte, blonken medelijden, smart en eene dankbaar teedere herinnering heen. Op beider gelaat stonden verwondering en vrees geschilderd, terwijl zij elkander roerloos en sprakeloos stonden aan te zien, over den zwarten afgrond van het verledene heen.Florence was de eerste die veranderde. In tranen uitbarstende, riep zij, uit het volle hart: “O, mama, mama, waarom moeten wij elkander zoo wederzien? Waarom zijt gij ooit goed voor mij geweest, toen niemand anders dat was, dat wij elkander zoo moeten wederzien!”Edith bleef stom en roerloos voor haar staan en zag haar strak aan.“Ik durf er niet aan denken,” zeide Florence, “ik kom zoo van papa’s ziekbed. Wij zijn nu nooit van elkander af en zullen dat nooit weer zijn. Als gij wilt dat ik hem vergiffenis vraag, zal ik het doen, mama. Ik ben bijna zeker dat hij ze nu geven zal, als ik er hem om vraag. Moge de Hemel ze u ook geven en u troosten!”Zij sprak geen woord.“Walter—ik ben met hem getrouwd en wij hebben een zoontje,” zeide Florence schroomvallig, “is voor de deur en heeft mij hier gebracht. Ik zal hem zeggen dat gij berouw hebt, dat gij veranderd zijt,” zeide Florence, haar droevig aanziende, “en hij zal papa met mij aanspreken, dat weet ik. Is er behalve dat iets wat ik doen kan?”Edith, nu hare stilte verbrekende, maar zonder een oog of lid te bewegen, zeide langzaam:“De smet op uw naam, op dien van uw man en van uw kind. Zal die ooit vergeven worden, Florence?”—“Ooit vergeven, mama? Dat is al vergeven, vrijwillig, vrijwillig, zoowel door Walter als door mij. Als dat een troost voor u is, is er niets dat gij zekerder gelooven moogt. Gij spreekt niet—gij spreekt niet van papa,” zeide Florence haperend; “maar ik ben toch overtuigd, dat gij wenscht dat ik om zijne vergiffenis zal vragen. Daarvan ben ik zeker.”Zij sprak geen woord.“Ik zal,” zeide Florence, “ik zal ze u brengen, als gij het mij wilt laten doen; en dan misschien zullen wij meer gelijk wij vroeger voor elkander plachten te zijn afscheid nemen. Ik heb niet van u geschrikt, mama,” zeide Florence zeer zacht, en nu naderbijkomende, “omdat ik bang voor u ben, of vrees dat gij mij schande zoudt aandoen. Ik wensch maar mijn plicht jegens papa te doen.[431]Hij is mij nu heel dierbaar, en ik ben hem heel dierbaar. Maar ik kan toch nooit vergeten, dat gij heel goed voor mij zijt geweest. O, bid den hemel toch,” riep Florence, aan hare borst vallende, “bid den Hemel toch om al die zonde en schande te vergeven, en om mij te vergeven, dat ik dit niet laten kan (als het kwaad is), wanneer ik bedenk wat gij vroeger waart.”Edith, alsof Florence’s zwaarte haar neerdrukte, zonk op hare knieën en vatte haar om den hals.“Florence!”riep zij. “Mijn goede engel! Eer ik weder razend word, eer mijne verstoktheid terugkomt en mij doet verstommen, geloof mij, bij mijne ziel, ik ben onschuldig.”—“Mama!”—“Schuldig aan veel! Schuldig aan datgene wat voor altijd eene woestijn tusschen ons plaatst. Schuldig aan datgene wat mij mijn leven lang van al wat rein en goed is—van u, van de geheele wereld, moet afzonderen. Schuldig aan eene blinde hartstochtelijke wraakzucht, waarvan ik zelfs nu nog geen berouw kan of wil hebben; maar niet schuldig met dien doode. Voor God niet!”Op hare knieën liggende, stak zij beide handen op en bezwoer het.“Florence,” zeide zij, “rein en liefderijk wezen—gij, die ik liefheb—die mij lang geleden hadt kunnen doen veranderen, en zelfs in de vrouw, die ik ben, voor een tijd eenige verandering teweegbracht—geloof mij, daaraan ben ik onschuldig; en laat mij nog eens dit dierbare hoofd voor de laatste maal aan mijn eenzaam hart leggen!”Zij was ontroerd en schreide. Als zij in vroegere dagen meermalen zoo geweest was, had zij nu gelukkiger kunnen zijn.“Er is niets anders in de wereld,” zeide zij, “dat mij deze ontkentenis had kunnen afpersen. Geene liefde, geen haat, geene hoop, geene bedreiging. Ik zeide, dat ik sterven wilde, zonder een woord te spreken of een teeken te geven. Ik had zoo kunnen doen, en zou zoo gedaan hebben, als wij elkander niet hadden weergezien, Florence.”—“Ik vertrouw,” zeide neef Feenix, die nu naar de deur kwam trippelen, en half in, half buiten de kamer het woord nam, “dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht mij nu niet kwalijk zal nemen, dat ik, door eene kleine list, deze ontmoeting heb teweeggebracht. Ik kan niet zeggen, dat ik in het eerst geheel ongeloovig was aan de mogelijkheid, dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht zich ongelukkig gecompromitteerd zou hebben met dien overledene met zijne witte tanden; omdat iemand, onbewimpeld gezegd, in deze wereld—die verduiveld wonderlijke omstandigheden oplevert, en stellig het onbegrijpelijkste ding is waarvan iemand ondervinding heeft—somtijds heel vreemde dingen van dien aard waarneemt. Maar, gelijk ik mijn vriend Dombey eens zeide, ik kon de schuld van mijne bekoorlijke en talentrijke nicht niet toegeven, voordat die volkomen bewezen was. En daar ik gevoelde, toen die overledene, om het onbewimpeld te zeggen, op zulk eene verduiveld gruwelijke manier was omgekomen, dat hare positie zeer onaangenaam was—en daar ik buitendien gevoelde dat onze familie eenigszins te laken was, dat zij zich niet meer aan haar had laten gelegen liggen, en dat wij eene onoplettende familie zijn—en dat mijne tante, hoewel eene verduiveld levendige vrouw, misschien niet de allerbeste moeder geweest was—nam ik de vrijheid om haar inFrankrijkte gaan opzoeken, en haar zooveel protectie aan te bieden, als iemand, die zoo kaal is als ik, kon aanbieden. Bij welke gelegenheid mijne bekoorlijke en talentrijke nicht mij de eer bewees van te zeggen, dat zij mij, op mijne manier, voor een verduiveld goed soort van kerel hield, en dat zij zich dus onder mijne protectie stelde. Hetgeen ik, onbewimpeld gezegd, voor eene groote vriendelijkheid van mijne bekoorlijke en talentrijke nicht hield, daar ik geweldig wrak begin te worden, en hare zorg mij van veel dienst is geweest.”Edith, die Florence naar eene sofa had gebracht, wenkte met hare hand, als wilde zij hem verzoeken om niets meer te zeggen.“Mijne bekoorlijke en talentrijke nicht,” hervatte neef Feenix, die nog bij de deur bleef rondtrippelen, “zal het mij niet kwalijk nemen, als ik, tot voldoening van mij zelven en van haar en van mijn vriend Dombey, wiens bekoorlijke en talentrijke dochter wij zoozeer bewonderen, mijne aanmerkingen nog wat verder voortzet. Zij zal zich wel herinneren dat zij en ik, van den eersten af, nooit een woord over hare vlucht hebben gewisseld. Mijne gedachte was altijd wel, dat er iets geheimzinnigs in de zaak was, dat zij wel zou kunnen ophelderen als zij wilde. Maar daar mijne bekoorlijke en talentrijke nicht eene verduiveld resolute vrouw is, wist ik wel dat er, om het onbewimpeld te zeggen, geen gekscheren met haar was, en wilde ik mij dus aan geene discussiën met haar wagen. Maar daar ik sedert eenigen tijd bemerkte, dat haar zwak zekere zeer krachtige soort van teederheid voor de dochter van mijn vriend Dombey scheen te zijn, viel het mij in dat het, als ik eene aan beide kanten onverwachte ontmoeting kon teweegbrengen, misschien heilzame gevolgen zou hebben. Toen wij dus zoo in stilte inLondenwaren, eer wij naar het zuiden vanItaliëgaan, om daar te blijven tot wij, om het onbewimpeld te zeggen, naar ons laatste huis gaan, dat eene verduiveld onaangename herinnering is, deed ik mijn best om de woning van mijn vriend Gay op te sporen—een welgemaakt man, ongemeen rondborstig van karakter, die mijne bekoorlijke en talentrijke nicht denkelijk wel bekend zal zijn—en had toen het geluk van zijne beminnelijke vrouw te mogen hier brengen. En nu,” zeide neef Feenix, met een ernst, die door het luchtige van zijn toon en het omslachtige zijner manier van spreken heen blonk, “bezweer ik mijne nicht om niet halverwege[432]te blijven staan, maar zoover zij kan te recht te helpen wat zij verkeerd heeft gedaan—niet voor de eer van hare familie, niet voor haar eigen goeden naam, niet om een van die redenen, die ongelukkige omstandigheden haar hebben geleerd voor onbeduidend, of, om het onbewimpeld te zeggen, voor weinig beter dan larie te houden—maar omdat het verkeerd en niet recht is.”Neef Feenix’ beenen waren nu zoo goed om hem weg te brengen; en de twee alleen bij elkander latende, sloot hij de deur.Edith bleef eene poos stil zitten, dicht naast Florence. Toen haalde zij een verzegeld papier uit hare borst.“Ik heb lang met mij zelve overlegd,” zeide zij zacht, “of ik dat al of niet zou schrijven, in geval ik onverwacht mocht sterven en dan wenschen zou het te hebben gedaan. Naderhand heb ik weder overlegd of ik het al of niet zou vernietigen. Neem het, Florence. De waarheid staat er in geschreven.”—“Is het voor papa?” zeide Florence.—“Het is voor wien gij wilt,” antwoordde Edith. “Het wordt u gegeven, en hij krijgt het van u. Hij had het anders nooit kunnen krijgen.”Wederom bleven zij zwijgend zitten, in de toenemende duisternis.“Mama,” zeide Florence,“hij heeft zijn vermogen verloren; hij is op den oever van den dood geweest; hij zal misschien zelfs nu nog niet herstellen. Is er geen woord, dat ik hem van u zal zeggen?”—“Hebt gij mij niet gezegd,” vroeg Edith, “dat gij hem zeer dierbaar waart?”—“Ja,”antwoordde Florence met eene van aandoening bevende stem.—“Zeg hem dan, dat het mij spijt, dat wij elkander ooit hebben ontmoet.”—“Niets meer?” zeide Florence na eene poos van stilte.—“Zeg hem, als hij er naar vraagt, dat ik geen berouw heb van wat ik gedaan heb—nog niet—want als het morgen nog eens moest gedaan worden, zou ik het doen. Maar als hij veranderd is—”Zij zweeg. Er was iets in de stille aanraking van Florence’s hand, dat haar stuitte.“Maar dat, nuhijveranderd is, hij wel weet dat het nu nooit gebeuren zou. Zeg hem, dat ik wensch dat het nooit gebeurd was.”—“Mag ik zeggen,” zeide Florence, “dat het u speet te hooren dat hij zooveel geleden heeft!”—“Niet,” antwoordde zij, “als hij daardoor geleerd heeft, dat zijne dochter hem zeer dierbaar is. Eens zal het hem zelf niet spijten, als hij dat daardoor heeft geleerd, Florence!”—“Gij wenscht hem goeds, gij zoudt willen, dat hij gelukkig was. Ik ben overtuigd, dat zoudt gij!” zeide Florence. “O, laat ik hem dat kunnen zeggen, als ik er eens gelegenheid toe heb!”Edith zat met hare donkere oogen strak voor zich te staren, en gaf geen antwoord voordat Florence hare bede had herhaald; toen trok zij hare hand door haar arm en zeide, peinzend in den nacht daarbuiten starende:“Zeg hem, dat als hij in zijne eigene tegenwoordige stemming redenen kan vinden om medelijden te hebben met mijn vroeger lot, ik hem daarom heb laten verzoeken. Zeg hem dat, als hij redenen kan vinden om met minder bitterheid aan mij te denken, ik hem daarom heb verzocht. Zeg hem dat, schoon wij voor elkander dood zijn en elkander aan dezen kant van het graf nooit zullen wederzien, hij weet dat er nu toch één gevoel in gemeenschap tusschen ons is, dat er nooit vroeger was.”Hare stugheid scheen te zwichten, en er stonden tranen in hare donkere oogen.“Door dat gevoel,” zeide zij, “vertrouw ik dat hij beter over mij en ik beter over hem zal leeren denken. Als hij Florence het meeste liefheeft, zal hij mij het minste haten. Als hij zich het gelukkigst gevoelt in haar en hare kinderen, zal hij het meeste berouw hebben over zijn eigen aandeel in den donkeren droom van ons huwelijksleven. Dan zal ik ook berouw hebben—laat hem dat weten—en denken dat ik, toen ik zooveel dacht aan al de oorzaken, die mij gemaakt hadden tot hetgeen ik was, meer had moeten denken aan de oorzaken, die hem gemaakt hadden wat hij was. Dan zal ik trachten hem zijn deel in de schuld te vergeven. Laat hij trachten om mij mijn deel te vergeven.”—“O mama,” zeide Florence, “hoe verlicht het mijn hart, zelfs bij zulk een wederzien en afscheid, dat ik dit hoor.”—“Vreemde woorden in mijne eigene ooren,” zeide Edith, “en vreemd voor mijne stem om ze uit te spreken. Maar al was ik het rampzalige schepsel geweest, waarvoor ik hem reden gaf mij te houden, dan geloof ik dat ik ze toch had kunnen uitspreken, als ik gehoord had, dat gij en hij elkander zeer dierbaar waart. Laat hij, als gij hem het dierbaarste zijt, altijd gevoelen, dat hij dan het zachtst over mij denkt—en ik het zachtst over hem denk! Dit zijn de laatste woorden, die ik hem zend. En nu vaarwel, mijn liefste leven!”Zij sloot haar in hare armen, en scheen geheel hare vrouwenziel van liefde en teederheid in eens uit te storten.“Deze kus voor uw kind! Deze kussen tot een zegen over uw hoofd! Dierbare Florence! Allerliefste! Vaarwel!”—“Toch om elkander nog weer te zien!” riep Florence uit.—“Nooit weder! Nooit weder! Als ge mij in deze donkere kamer alleen laat, denk dan dat ge mij in het graf hebt gelaten. Onthoud alleen dat ik eens leefde, en dat ik u liefhad.”En Florence verliet haar, zonder haar gezicht meer te zien, maar tot het laatste toe door hare liefkoozingen vergezeld.Neef Feenix wachtte haar aan de deur, en bracht haar beneden in de sombere eetzaal bij Walter, op wiens schouder zij haar hoofd liet zinken om uit te schreien.“Het spijt mij verduiveld,” zeide neef Feenix, op de eenvoudigste manier en zonder het eenigszins te verbloemen zijne mouwboorden naar zijne[433]oogen brengende, “dat de bekoorlijke en talentrijke dochter van mijn vriend Dombey en beminnelijke vrouw van mijn vriend Gay, haar gevoelig hart zoo geschokt moet gevoelen door de zoo even afgeloopene samenkomst. Maar ik hoop en vertrouw dat ik toch wel heb gedaan, en dat mijn geëerde vriend Dombey zijn gemoed verlicht zal vinden door de ontdekkingen, die nu hebben plaats gehad. Ik betreur het buitengemeen, dat mijn vriend Dombey zich, om het onbewimpeld te zeggen, zoo verduiveld in den pekel heeft geholpen door eene alliantie met onze familie; maar ik ben sterk van gevoelen, dat als die helsche schavuit Carker—die man met zijne witte tanden—er niet geweest was, alles tamelijk glad zou hebben gegaan. Ten aanzien van mijne nicht, die mij de eer bewijst van eene buitengewoon goede meening van mij te hebben opgevat, kan ik de beminnelijke vrouw van mijn vriend Gay verzekeren, dat zij er op aan kan, dat ik, om het onbewimpeld te zeggen, een vader voor haar ben. En wat al die afwisselingen in het menschelijk leven aangaat, en de wonderlijke manier, waarop wij ons gedurig gedragen, is al wat ik zeggen kan, met mijn vriend Shakespeare—een man, die niet voor ééne eeuw, maar voor alle tijden leefde, en met wien mijn vriend Gay buiten twijfel bekend is—dat het naar de schaduw van een droom gelijkt.”Kapitein Cuttle laat hen Mooie Peggy hooren, van het begin tot het eind. (blz. 436).Kapitein Cuttle laat hen Mooie Peggy hooren, van het begin tot het eind.(blz. 436).[434]
Florence had wel hulp noodig. Haar vader had groote behoefte daaraan, en dit maakte den bijstand harer oude vriendin onwaardeerbaar. De dood zweefde over zijne peluw. Reeds eene schim van wat hij vroeger was, ziek naar het lichaam en afgemarteld naar den geest, had hij zijn hoofd neergelegd op het bed, dat zijne dochter voor hem gespreid had, en het niet weder opgebeurd.
Zij was altijd bij hem. Doorgaans kende hij haar, hoewel zijne ontstelde hersenen haar dikwijls in vreemde omstandigheden verplaatsten. Zoo sprak hij haar somtijds aan alsof zijn zoon pas gestorven was, en zeide hij, dat, schoon hij er niets van had gezegd dat zij bij dat bedje zooveel dienst bewees, hij het toch wel gezien had—toch wel gezien had; en dan verborg hij snikkend zijn gezicht, en stak hij zijne vermagerde hand uit. Somtijds vroeg hij naar haar zelve. “Waar is Florence?”—“Ik ben hier, papa; ik ben hier.”—“Ik ken haar niet!” riep hij dan uit. “Wij zijn zoo lang gescheiden geweest, dat ik haar niet ken.” En dan staarde hij zoo angstig rond, dat zij zich verheugde als het haar gelukte de tranen terug te roepen, die zij anders zoo ijverig poogde te drogen.
Somtijds zwierf hij uren lang door tooneelen van vroeger tijd, waar Florence hem dikwijls niet meer kon volgen. Dan herhaalde hij die kinderlijke vraag: “Wat is geld?” en peinsde daarover, en redeneerde met zich zelven, meer of minder geregeld, om een goed antwoord te vinden; alsof zij hem nog nooit dan op dat oogenblik was voorgesteld. Dan herhaalde hij mijmerend den naam zijner oude firma duizenden malen achtereen, en keerde bij elke herhaling zijn hoofd op het kussen om. Dan telde hij zijne kinderen—een—twee, stuitte, keerde zich om, en begon weder opnieuw.
Maar dit was alleen wanneer zijn geest het meest verbijsterd was. Meestal hielden zijne gedachten zich alleen met Florence bezig. Wat hij het meeste deed was dit: Hij herriep dien nacht, waaraan hij kort geleden zooveel had gedacht, dien nacht toen zij beneden in zijne kamer kwam, en verbeeldde zich dat zijn hart hem verwijtingen deed, en hij haar na- en de trap opging om haar terug te halen. Dan, dien tijd verwarrende met de latere dagen van de vele voetstappen, verwonderde hij zich over hun aantal, en begon hij, terwijl[428]hij haar volgde, ze te tellen. Dan was er eensklaps een bloedige voetstap, die tusschen de andere voortliep; en daarna begonnen er deuren open te staan, door welke hij in spiegels akelige afbeeldsels zag van bleeke mannen, die iets in hunne borst verborgen. Maar onder die menigte van voetstappen en den bloedigen voetstap, hier en daar, bleef toch steeds de stap van Florence. Altijd ging zij hem vooruit, altijd volgde haar zijn rustelooze geest, aanhoudend tellende, al verder en al hooger, als naar den top van een toren, zoo hoog, dat men jaren noodig had om hem te beklimmen.
Eens vroeg hij of dat niet Suze was, die niet lang geleden had gesproken.
Florence antwoordde “ja, lieve papa,” en vroeg of hij haar zou willen zien.
Hij antwoordde “zeer gaarne;” en Suze kwam, niet weinig bevende, voor zijn bed.
Dit scheen eene groote verademing voor hem te zijn. Hij verzocht haar om niet heen te gaan; hij vergaf haar wat zij hem gezegd had, en zij moest nu weer blijven. Florence en hij waren nu geheel anders, zeide hij, en zeer gelukkig. Zij moest hier maar naar zien. Hij meende dat hij het lieve hoofdje op zijn kussen neertrok en naast het zijne legde.
Zoo bleef hij dagen en weken. Eindelijk werd hij stiller, en lag nu als eene flauwe schim van een man op zijn bed, en sprak zoo zacht dat men hem alleen hooren kon als men dicht bij zijne lippen luisterde. Het was nu een dof genot voor hem daar te liggen, met het venster open, en uit te zien naar de zomerlucht en de boomen, en des avonds naar de ondergaande zon; de schaduwen der wolken en de bladeren gade te slaan, terwijl het was alsof hij zekere sympathie met schaduwen gevoelde. Het was natuurlijk dat hij dit deed. Voor hem waren het leven en de wereld niets anders.
Hij begon nu te toonen, dat hij om Florence’s vermoeienis dacht, en spande zijne zwakke krachten dikwijls in om haar toe te fluisteren: “Ga toch eens wat wandelen, liefje, in de vrije lucht. Ga eens naar uw goeden oom.” Eens, toen Walter in de kamer was, wenkte hij dezen om bij hem te komen en te bukken; en zijne hand drukkende, fluisterde hij hem toe, wel te weten dat hij hem zijn kind kon toevertrouwen, als hij dood was.
Op een avond tegen het ondergaan der zon, toen Florence en Walter bij elkander in zijne kamer zaten, gelijk hij gaarne had, gebeurde het dat Florence, die haar kindje op den schoot had, zachtjes voor den kleine begon te zingen—hetzelfde oude liedje, dat zij zoo dikwijls voor het doode kind had gezongen. Hij kon dit toen nog niet verdragen; zijne bevende hand uitstekende, bad hij haar om op te houden; maar des anderen daags vroeg hij haar om het nog eens te zingen, en dit des avonds dikwijls te doen. Zij zong, en hij luisterde met een afgewend gezicht.
Op zekeren tijd zat Florence bij zijn venster, met haar werkmandje tusschen haar en Suze, die haar nog trouw gezelschap hield. Hij was ingesluimerd. Het was avond, maar zou nog een paar uren licht blijven; de rustige stilte bracht Florence in eene peinzende stemming. Zij zat mijmerend te denken aan het oogenblik toen hij, die daar zoo veranderd lag, haar voor het eerst aan hare schoone mama had voorgesteld, toen Walter haar op den schouder tikte en met zekeren schrik deed omzien.
“Lieve,” zeide Walter, “er is iemand beneden, die u verlangt te spreken.”
Zij verbeeldde zich dat Walter ernstig zag, en vroeg hem of er iets gebeurd was.
“Neen, neen, liefje,” antwoordde Walter. “Ik heb al zelf met dien heer gesproken. Er is niets gebeurd. Zult ge komen?”
Florence vertrouwde haar vader aan de zwartoogige mevrouw Toots, die zoo wakker zat te werken als eene zwartoogige vrouw maar kon, en ging met Walter naar beneden. In het vroolijke voorkamertje, dat op den tuin uitzag, zat een heer, die, toen zij binnentrad, opstond om naar haar toe te komen, maar door iets eigenaardigs van zijne beenen zijdwaarts afsloeg, en slechts door de tafel werd gestuit.
Nu dacht Florence aan neef Feenix, dien zij in de schaduw van het gebladerte eerst niet had herkend. Neef Feenix vatte hare hand en wenschte haar geluk met haar huwelijk.
“Ik had wel kunnen wenschen,” zeide neef Feenix, zich neerzettende toen Florence was gaan zitten, “al vroeger gelegenheid te hebben om u mijne felicitatiën aan te bieden; maar onbewimpeld gezegd, er hebben zooveel onaangename omstandigheden plaats gehad, die elkander, om zoo te zeggen, op de hielen volgden, dat ik zelf in een drommel van een staat ben geweest, geheel ongeschikt voor conversatie of gezelschap. Het eenige gezelschap, dat ik gehad heb, is mijn eigen gezelschap geweest; en het is zeker alles behalve vleiend voor iemands eigenliefde, als hij ondervindt dat hij, onbewimpeld gezegd, de capaciteit heeft om zich zelven doodelijk te vervelen.”
Uit iets verlegens en gedwongens in neef Feenix’ manieren—die, in weerwil zijner kleine zonderlingheden, altijd de manieren van eengentlemanhad—en ook uit Walter’s voorkomen, maakte Florence op, dat hierop iets moest volgen, dat een meer bepaald doel had.
“Ik heb mijn vriend, mijnheer Gay, als ik de eer mag hebben om hem zoo te noemen,” zeide neef Feenix, “al gezegd, dat het mij verheugt te hooren dat mijn vriend Dombey stellig aan de beterhand is. Ik vertrouw, dat mijn vriend Dombey zich niet al te zeer over het verlies van geldelijk vermogen zal kwellen. Ik kan niet zeggen, dat ik ooit zelf een groot verlies van geldelijk vermogen ondervonden heb, daar ik, onbewimpeld gezegd, nooit heel veel te verliezen heb gehad.[429]Maar zooveel als ik verliezen kon, heb ik toch verloren, en ik kan niet vinden dat ik het mij bijzonder aantrek. Ik weet, dat mijn vriend Dombey een verduiveld eerlijk man is; en het moet mijn vriend Dombey tot een grooten troost strekken, te weten dat men algemeen zoo over hem denkt. Zelfs Tommy Screwzer—een man, die een verbazend galachtig gestel heeft en met wien mijn vriend Gay denkelijk wel bekend is—kan geen woord daartegen inbrengen.”
Florence gevoelde meer en meer dat er iets komen moest, en zag ernstig daarnaar uit; zoo ernstig, dat neef Feenix, alsof zij gesproken had, antwoordde:
“De zaak is, dat mijn vriend Gay en ik er over gesproken hebben, in hoeverre het voegzaam zou zijn u om eene gunst te verzoeken, en dat ik de toestemming van mijn vriend Gay heb—die mij met eene vriendelijkheid en openhartigheid is te gemoet gekomen, waarvoor ik hem zeer verplicht ben—om u daarom te verzoeken. Ik ben wel bewust, dat eene zoo beminnelijke dame als de bekoorlijke en talentrijke dochter van mijn vriend Dombey, niet veel aandrang zal noodig hebben; maar het doet mij toch genoegen, dat ik door mijn vriend Gay’s invloed en goedkeuring word gerugsteund. Gelijk in mijn parlementstijd, als iemand eene motie te doen had—dat in die dagen zelden gebeurde, want wij werden door de hoofden der partijen streng onder discipline gehouden, dat heel goed voor ons was en belette dat wij ons gedurig blootstelden, gelijk velen van ons gaarne zouden gedaan hebben—evenals in mijn parlementstijd, gelijk ik zeide, als iemand alleen een klakkebos had af te schieten, het voor heel slim gehouden werd te zeggen, dat hij het geluk had van te gelooven dat het zijn gevoelen niet aan weerklank in de borst van mijnheer Pitt ontbrak, den stuurman, die de stormen tartte en bemeesterde. Waarop dan een verduiveld groot getal van leden dadelijk bravo riep en hem zoo moed gaf. Schoon de waarheid is, dat die kerels, die order hadden om hard bravo te roepen, als de naam van mijnheer Pitt genoemd werd, daaraan zoo gewoon waren dat zij er altijd van wakker werden. Anders wisten zij zoo geheel niet wat er omging, dat Conversatie-Brown gewoonlijk placht te zeggen—een man van vier flesschen in de financiën, wien de vader van mijn vriend Gay wel zou gekend hebben, want het was voor den tijd van mijn vriend Gay zelf—dat, als er iemand gezegd had, tot zijn leedwezen het Huis te moeten berichten dat er in het portaal een van de leden lag, die eene beroerte had gekregen, en dat de naam van dat lid mijnheer Pitt was, er even geducht bravo zou zijn geroepen.”
Dit verschuiven van hetgeen er komen moest maakte Florence zeer onrustig, en zij keek, met toenemende ontroering, van neef Feenix naar Walter.
“Er is niets gebeurd, liefje,” zeide Walter.— “Er is niets gebeurd, op mijne eer,” zeide neef Feenix; “en het spijt mij zeer, het middel te zijn om u een oogenblik ongerustheid te veroorzaken. Ik verzoek u te mogen verzekeren, dat er niets gebeurd is. De gunst, die ik te vragen heb, is eenvoudig—maar het komt mij waarlijk zoo buitengemeen zonderling voor, dat ik mijn vriend Gay ten uiterste verplicht zou zijn, als hij zoo goed wilde wezen—hoe zal ik het zeggen—om het ijs te breken.”
“Walter, aldus uitgenoodigd, en gedrongen door den blik, waarmede Florence naar hem omzag, zeide:
“Liefste, het is niet meer dan dit. Dat gij eens naarLondenwilt rijden met dezen heer, dien gij kent.”—“En met mijn vriend Gay insgelijks—neem mij niet kwalijk,” viel neef Feenix er op in.—“En met mij, om er ergens eene visite te brengen.”—“Aan wien?” vroeg Florence, van den een naar den ander ziende.—“Als ik u bidden mocht,” zeide neef Feenix, “om niet op een antwoord op die vraag aan te dringen, zou ik gaarne de vrijheid willen nemen om dat verzoek te doen.”—“Weetgijhet, Walter?” zeide Florence.—“Ja.”—“En vindt gij het goed?”—“Ja. Alleen omdat ik zeker ben, dat gij het ook goed zoudt vinden, Florence, schoon er redenen kunnen zijn, gelijk ik wel begrijp, die het beter maken dat er vooraf niets meer van gezegd wordt.”—“Als papa nog slaapt, of mij missen kan, als hij wakker is, zal ik terstond gereed zijn,” antwoordde Florence. En stil opstaande verliet zij de kamer, na nog even naar hen te hebben omgezien met een blik, die wel eenigszins angstig was, maar toch aanduidde dat zij zich geheel op hen verliet.
Toen zij terugkwam, gereed om mede te gaan, stonden zij bij het venster ernstig met elkander te spreken; en Florence kon niet nalaten zich te verwonderen wat het onderwerp was, dat hen in zoo korten tijd zoo wel met elkander bekend had gemaakt. Maar zij verwonderde zich niet over den blik van trotschheid en liefde, waarmede haar echtgenoot afbrak toen zij binnenkwam, want zij zag hem nooit of die blik vloog haar te gemoet.
“Ik zal een kaartje voor mijn vriend Dombey laten,” zeide neef Feenix, “oprechtelijk vertrouwende dat hij met ieder uur in gezondheid en krachten zal bijkomen. En ik hoop, dat mijn vriend Dombey mij de gunst zal bewijzen, om mij te houden voor iemand, die eene verduiveld warme bewondering voor zijn karakter heeft, als een Engelsch koopman en een verduiveld echtgentlemante gelijk. Mijn buiten is verduiveld in verval, maar als mijn vriend Dombey verandering van lucht mocht noodig hebben, en daar zijn kwartier wou nemen, zou hij het eene buitengemeen gezonde plek vinden—gelijk het ook wel wezen mag, want het is er verbazend vervelend. Als mijn vriend Dombey lang zwak mocht blijven, en mij vergunde hem iets te recommandeeren,[430]dat mij zelf dikwijls heeft goedgedaan, als iemand die somtijds heel raar is geweest, en die tamelijk ongeregeld leefde, zou ik zeggen, laat het dan eendooiervan een ei zijn, met suiker en nootmuskaat geklopt, in een glas sherry, en ’s morgens gebruikt met een sneedje drogen toast. Jackson, die de bokszaal inBond Streethield—een uitstekend man in zijn vak, van wien mijn vriend Gay zeker wel gehoord zal hebben—placht te zeggen, dat men, om voor het boksen kracht te krijgen, rum nam in plaats van sherry. Maar in dit geval zou ik sherry recommandeeren, omdat mijn vriend Dombey niet wel is; en de rum hem dus, om het onbewimpeld te zeggen, naar het hoofd zou kunnen vliegen en hem meer kwaad- dan goeddoen.”
Dit alles zeide neef Feenix op eene manier, waaruit duidelijk bleek dat hij onrustig en zenuwachtig was. Toen Florence zijn arm gevende, en zijne eigenzinnige beenen, die den tuin schenen te willen inkuieren, met alle kracht in bedwang houdende, bracht hij haar naar de deur en hielp haar in de koets, die naar haar stond te wachten.
De twee heeren stapten insgelijks in en men reed voort.
De rit duurde zoolang, dat het reeds donker werd toen men in zekere stille, deftige straten in het westen vanLondenkwam. Florence stak nu hare hand in die van Walter, en keek met strakken ernst en telkens klimmende aandoening elke nieuwe straat in, die men insloeg.
Toen de koets eindelijk ophield voor dat huis inBrook Street, waar het heillooze huwelijk van haar vader gevierd was, zeide zij: “Walter, wat is dit? Wie is er hier?” Toen Walter haar met een enkel woord bemoedigde, maar eigenlijk geen antwoord gaf, keek zij naar den gevel op en zag dat al de vensters gesloten waren, alsof het huis onbewoond was. Neef Feenix was nu uitgestapt en bood haar zijne hand.
“Komt gij niet, Walter?” zeide Florence.—“Neen, ik zal hier blijven. Beef maar niet. Er is niets te vreezen, lieve Florence.”—“Dat weet ik wel, als gij zoo dichtbij zijt. Daarvan ben ik zeker, maar—”
De deur werd zachtjes geopend, zonder dat er was aangeklopt, en neef Feenix bracht haar uit den zomeravond het geslotene, dompige huis binnen. Somberder dan ooit, scheen het van de bruiloft af gesloten te zijn gebleven, en sedert aanhoudend duisternis en zwaarmoedigheid te hebben verzameld.
Florence ging bevende de schemerachtige trap op en bleef met haar geleider voor de deur van het salon staan. Hij opende die zonder spreken, en gaf haar een wenk om naar de achterkamer te gaan, terwijl hij daar bleef. Na een oogenblik aarzelens gehoorzaamde Florence.
Bij het venster aan eene tafel, waar zij scheen gelezen of geteekend te hebben, zat eene dame, die haar hoofd, naar het wegstervend licht gekeerd, op hare hand liet rusten. Florence kwam twijfelend nader, en bleef toen eensklaps stilstaan, als had zij alle vermogen om zich te bewegen verloren. De dame keerde haar hoofd om.
“Groote hemel,” zeide zij, “wat is dit?”—“Neen, neen!” riep Florence, terugdeinzende toen zij opstond, en de handen uitstekende om haar van zich af te weren. “Mama!”
Zij stonden elkander aan te zien. De hartstochten hadden het doen verwelken, maar het was toch nog het gezicht van Edith—nog schoon en statig. Het was nog het gezichtje van Florence, en door den afschrik, dien het uitdrukte, blonken medelijden, smart en eene dankbaar teedere herinnering heen. Op beider gelaat stonden verwondering en vrees geschilderd, terwijl zij elkander roerloos en sprakeloos stonden aan te zien, over den zwarten afgrond van het verledene heen.
Florence was de eerste die veranderde. In tranen uitbarstende, riep zij, uit het volle hart: “O, mama, mama, waarom moeten wij elkander zoo wederzien? Waarom zijt gij ooit goed voor mij geweest, toen niemand anders dat was, dat wij elkander zoo moeten wederzien!”
Edith bleef stom en roerloos voor haar staan en zag haar strak aan.
“Ik durf er niet aan denken,” zeide Florence, “ik kom zoo van papa’s ziekbed. Wij zijn nu nooit van elkander af en zullen dat nooit weer zijn. Als gij wilt dat ik hem vergiffenis vraag, zal ik het doen, mama. Ik ben bijna zeker dat hij ze nu geven zal, als ik er hem om vraag. Moge de Hemel ze u ook geven en u troosten!”
Zij sprak geen woord.
“Walter—ik ben met hem getrouwd en wij hebben een zoontje,” zeide Florence schroomvallig, “is voor de deur en heeft mij hier gebracht. Ik zal hem zeggen dat gij berouw hebt, dat gij veranderd zijt,” zeide Florence, haar droevig aanziende, “en hij zal papa met mij aanspreken, dat weet ik. Is er behalve dat iets wat ik doen kan?”
Edith, nu hare stilte verbrekende, maar zonder een oog of lid te bewegen, zeide langzaam:
“De smet op uw naam, op dien van uw man en van uw kind. Zal die ooit vergeven worden, Florence?”—“Ooit vergeven, mama? Dat is al vergeven, vrijwillig, vrijwillig, zoowel door Walter als door mij. Als dat een troost voor u is, is er niets dat gij zekerder gelooven moogt. Gij spreekt niet—gij spreekt niet van papa,” zeide Florence haperend; “maar ik ben toch overtuigd, dat gij wenscht dat ik om zijne vergiffenis zal vragen. Daarvan ben ik zeker.”
Zij sprak geen woord.
“Ik zal,” zeide Florence, “ik zal ze u brengen, als gij het mij wilt laten doen; en dan misschien zullen wij meer gelijk wij vroeger voor elkander plachten te zijn afscheid nemen. Ik heb niet van u geschrikt, mama,” zeide Florence zeer zacht, en nu naderbijkomende, “omdat ik bang voor u ben, of vrees dat gij mij schande zoudt aandoen. Ik wensch maar mijn plicht jegens papa te doen.[431]Hij is mij nu heel dierbaar, en ik ben hem heel dierbaar. Maar ik kan toch nooit vergeten, dat gij heel goed voor mij zijt geweest. O, bid den hemel toch,” riep Florence, aan hare borst vallende, “bid den Hemel toch om al die zonde en schande te vergeven, en om mij te vergeven, dat ik dit niet laten kan (als het kwaad is), wanneer ik bedenk wat gij vroeger waart.”
Edith, alsof Florence’s zwaarte haar neerdrukte, zonk op hare knieën en vatte haar om den hals.
“Florence!”riep zij. “Mijn goede engel! Eer ik weder razend word, eer mijne verstoktheid terugkomt en mij doet verstommen, geloof mij, bij mijne ziel, ik ben onschuldig.”—“Mama!”—“Schuldig aan veel! Schuldig aan datgene wat voor altijd eene woestijn tusschen ons plaatst. Schuldig aan datgene wat mij mijn leven lang van al wat rein en goed is—van u, van de geheele wereld, moet afzonderen. Schuldig aan eene blinde hartstochtelijke wraakzucht, waarvan ik zelfs nu nog geen berouw kan of wil hebben; maar niet schuldig met dien doode. Voor God niet!”
Op hare knieën liggende, stak zij beide handen op en bezwoer het.
“Florence,” zeide zij, “rein en liefderijk wezen—gij, die ik liefheb—die mij lang geleden hadt kunnen doen veranderen, en zelfs in de vrouw, die ik ben, voor een tijd eenige verandering teweegbracht—geloof mij, daaraan ben ik onschuldig; en laat mij nog eens dit dierbare hoofd voor de laatste maal aan mijn eenzaam hart leggen!”
Zij was ontroerd en schreide. Als zij in vroegere dagen meermalen zoo geweest was, had zij nu gelukkiger kunnen zijn.
“Er is niets anders in de wereld,” zeide zij, “dat mij deze ontkentenis had kunnen afpersen. Geene liefde, geen haat, geene hoop, geene bedreiging. Ik zeide, dat ik sterven wilde, zonder een woord te spreken of een teeken te geven. Ik had zoo kunnen doen, en zou zoo gedaan hebben, als wij elkander niet hadden weergezien, Florence.”—“Ik vertrouw,” zeide neef Feenix, die nu naar de deur kwam trippelen, en half in, half buiten de kamer het woord nam, “dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht mij nu niet kwalijk zal nemen, dat ik, door eene kleine list, deze ontmoeting heb teweeggebracht. Ik kan niet zeggen, dat ik in het eerst geheel ongeloovig was aan de mogelijkheid, dat mijne bekoorlijke en talentrijke nicht zich ongelukkig gecompromitteerd zou hebben met dien overledene met zijne witte tanden; omdat iemand, onbewimpeld gezegd, in deze wereld—die verduiveld wonderlijke omstandigheden oplevert, en stellig het onbegrijpelijkste ding is waarvan iemand ondervinding heeft—somtijds heel vreemde dingen van dien aard waarneemt. Maar, gelijk ik mijn vriend Dombey eens zeide, ik kon de schuld van mijne bekoorlijke en talentrijke nicht niet toegeven, voordat die volkomen bewezen was. En daar ik gevoelde, toen die overledene, om het onbewimpeld te zeggen, op zulk eene verduiveld gruwelijke manier was omgekomen, dat hare positie zeer onaangenaam was—en daar ik buitendien gevoelde dat onze familie eenigszins te laken was, dat zij zich niet meer aan haar had laten gelegen liggen, en dat wij eene onoplettende familie zijn—en dat mijne tante, hoewel eene verduiveld levendige vrouw, misschien niet de allerbeste moeder geweest was—nam ik de vrijheid om haar inFrankrijkte gaan opzoeken, en haar zooveel protectie aan te bieden, als iemand, die zoo kaal is als ik, kon aanbieden. Bij welke gelegenheid mijne bekoorlijke en talentrijke nicht mij de eer bewees van te zeggen, dat zij mij, op mijne manier, voor een verduiveld goed soort van kerel hield, en dat zij zich dus onder mijne protectie stelde. Hetgeen ik, onbewimpeld gezegd, voor eene groote vriendelijkheid van mijne bekoorlijke en talentrijke nicht hield, daar ik geweldig wrak begin te worden, en hare zorg mij van veel dienst is geweest.”
Edith, die Florence naar eene sofa had gebracht, wenkte met hare hand, als wilde zij hem verzoeken om niets meer te zeggen.
“Mijne bekoorlijke en talentrijke nicht,” hervatte neef Feenix, die nog bij de deur bleef rondtrippelen, “zal het mij niet kwalijk nemen, als ik, tot voldoening van mij zelven en van haar en van mijn vriend Dombey, wiens bekoorlijke en talentrijke dochter wij zoozeer bewonderen, mijne aanmerkingen nog wat verder voortzet. Zij zal zich wel herinneren dat zij en ik, van den eersten af, nooit een woord over hare vlucht hebben gewisseld. Mijne gedachte was altijd wel, dat er iets geheimzinnigs in de zaak was, dat zij wel zou kunnen ophelderen als zij wilde. Maar daar mijne bekoorlijke en talentrijke nicht eene verduiveld resolute vrouw is, wist ik wel dat er, om het onbewimpeld te zeggen, geen gekscheren met haar was, en wilde ik mij dus aan geene discussiën met haar wagen. Maar daar ik sedert eenigen tijd bemerkte, dat haar zwak zekere zeer krachtige soort van teederheid voor de dochter van mijn vriend Dombey scheen te zijn, viel het mij in dat het, als ik eene aan beide kanten onverwachte ontmoeting kon teweegbrengen, misschien heilzame gevolgen zou hebben. Toen wij dus zoo in stilte inLondenwaren, eer wij naar het zuiden vanItaliëgaan, om daar te blijven tot wij, om het onbewimpeld te zeggen, naar ons laatste huis gaan, dat eene verduiveld onaangename herinnering is, deed ik mijn best om de woning van mijn vriend Gay op te sporen—een welgemaakt man, ongemeen rondborstig van karakter, die mijne bekoorlijke en talentrijke nicht denkelijk wel bekend zal zijn—en had toen het geluk van zijne beminnelijke vrouw te mogen hier brengen. En nu,” zeide neef Feenix, met een ernst, die door het luchtige van zijn toon en het omslachtige zijner manier van spreken heen blonk, “bezweer ik mijne nicht om niet halverwege[432]te blijven staan, maar zoover zij kan te recht te helpen wat zij verkeerd heeft gedaan—niet voor de eer van hare familie, niet voor haar eigen goeden naam, niet om een van die redenen, die ongelukkige omstandigheden haar hebben geleerd voor onbeduidend, of, om het onbewimpeld te zeggen, voor weinig beter dan larie te houden—maar omdat het verkeerd en niet recht is.”
Neef Feenix’ beenen waren nu zoo goed om hem weg te brengen; en de twee alleen bij elkander latende, sloot hij de deur.
Edith bleef eene poos stil zitten, dicht naast Florence. Toen haalde zij een verzegeld papier uit hare borst.
“Ik heb lang met mij zelve overlegd,” zeide zij zacht, “of ik dat al of niet zou schrijven, in geval ik onverwacht mocht sterven en dan wenschen zou het te hebben gedaan. Naderhand heb ik weder overlegd of ik het al of niet zou vernietigen. Neem het, Florence. De waarheid staat er in geschreven.”—“Is het voor papa?” zeide Florence.—“Het is voor wien gij wilt,” antwoordde Edith. “Het wordt u gegeven, en hij krijgt het van u. Hij had het anders nooit kunnen krijgen.”
Wederom bleven zij zwijgend zitten, in de toenemende duisternis.
“Mama,” zeide Florence,“hij heeft zijn vermogen verloren; hij is op den oever van den dood geweest; hij zal misschien zelfs nu nog niet herstellen. Is er geen woord, dat ik hem van u zal zeggen?”—“Hebt gij mij niet gezegd,” vroeg Edith, “dat gij hem zeer dierbaar waart?”—“Ja,”antwoordde Florence met eene van aandoening bevende stem.—“Zeg hem dan, dat het mij spijt, dat wij elkander ooit hebben ontmoet.”—“Niets meer?” zeide Florence na eene poos van stilte.—“Zeg hem, als hij er naar vraagt, dat ik geen berouw heb van wat ik gedaan heb—nog niet—want als het morgen nog eens moest gedaan worden, zou ik het doen. Maar als hij veranderd is—”
Zij zweeg. Er was iets in de stille aanraking van Florence’s hand, dat haar stuitte.
“Maar dat, nuhijveranderd is, hij wel weet dat het nu nooit gebeuren zou. Zeg hem, dat ik wensch dat het nooit gebeurd was.”—“Mag ik zeggen,” zeide Florence, “dat het u speet te hooren dat hij zooveel geleden heeft!”—“Niet,” antwoordde zij, “als hij daardoor geleerd heeft, dat zijne dochter hem zeer dierbaar is. Eens zal het hem zelf niet spijten, als hij dat daardoor heeft geleerd, Florence!”—“Gij wenscht hem goeds, gij zoudt willen, dat hij gelukkig was. Ik ben overtuigd, dat zoudt gij!” zeide Florence. “O, laat ik hem dat kunnen zeggen, als ik er eens gelegenheid toe heb!”
Edith zat met hare donkere oogen strak voor zich te staren, en gaf geen antwoord voordat Florence hare bede had herhaald; toen trok zij hare hand door haar arm en zeide, peinzend in den nacht daarbuiten starende:
“Zeg hem, dat als hij in zijne eigene tegenwoordige stemming redenen kan vinden om medelijden te hebben met mijn vroeger lot, ik hem daarom heb laten verzoeken. Zeg hem dat, als hij redenen kan vinden om met minder bitterheid aan mij te denken, ik hem daarom heb verzocht. Zeg hem dat, schoon wij voor elkander dood zijn en elkander aan dezen kant van het graf nooit zullen wederzien, hij weet dat er nu toch één gevoel in gemeenschap tusschen ons is, dat er nooit vroeger was.”
Hare stugheid scheen te zwichten, en er stonden tranen in hare donkere oogen.
“Door dat gevoel,” zeide zij, “vertrouw ik dat hij beter over mij en ik beter over hem zal leeren denken. Als hij Florence het meeste liefheeft, zal hij mij het minste haten. Als hij zich het gelukkigst gevoelt in haar en hare kinderen, zal hij het meeste berouw hebben over zijn eigen aandeel in den donkeren droom van ons huwelijksleven. Dan zal ik ook berouw hebben—laat hem dat weten—en denken dat ik, toen ik zooveel dacht aan al de oorzaken, die mij gemaakt hadden tot hetgeen ik was, meer had moeten denken aan de oorzaken, die hem gemaakt hadden wat hij was. Dan zal ik trachten hem zijn deel in de schuld te vergeven. Laat hij trachten om mij mijn deel te vergeven.”—“O mama,” zeide Florence, “hoe verlicht het mijn hart, zelfs bij zulk een wederzien en afscheid, dat ik dit hoor.”—“Vreemde woorden in mijne eigene ooren,” zeide Edith, “en vreemd voor mijne stem om ze uit te spreken. Maar al was ik het rampzalige schepsel geweest, waarvoor ik hem reden gaf mij te houden, dan geloof ik dat ik ze toch had kunnen uitspreken, als ik gehoord had, dat gij en hij elkander zeer dierbaar waart. Laat hij, als gij hem het dierbaarste zijt, altijd gevoelen, dat hij dan het zachtst over mij denkt—en ik het zachtst over hem denk! Dit zijn de laatste woorden, die ik hem zend. En nu vaarwel, mijn liefste leven!”
Zij sloot haar in hare armen, en scheen geheel hare vrouwenziel van liefde en teederheid in eens uit te storten.
“Deze kus voor uw kind! Deze kussen tot een zegen over uw hoofd! Dierbare Florence! Allerliefste! Vaarwel!”—“Toch om elkander nog weer te zien!” riep Florence uit.—“Nooit weder! Nooit weder! Als ge mij in deze donkere kamer alleen laat, denk dan dat ge mij in het graf hebt gelaten. Onthoud alleen dat ik eens leefde, en dat ik u liefhad.”
En Florence verliet haar, zonder haar gezicht meer te zien, maar tot het laatste toe door hare liefkoozingen vergezeld.
Neef Feenix wachtte haar aan de deur, en bracht haar beneden in de sombere eetzaal bij Walter, op wiens schouder zij haar hoofd liet zinken om uit te schreien.
“Het spijt mij verduiveld,” zeide neef Feenix, op de eenvoudigste manier en zonder het eenigszins te verbloemen zijne mouwboorden naar zijne[433]oogen brengende, “dat de bekoorlijke en talentrijke dochter van mijn vriend Dombey en beminnelijke vrouw van mijn vriend Gay, haar gevoelig hart zoo geschokt moet gevoelen door de zoo even afgeloopene samenkomst. Maar ik hoop en vertrouw dat ik toch wel heb gedaan, en dat mijn geëerde vriend Dombey zijn gemoed verlicht zal vinden door de ontdekkingen, die nu hebben plaats gehad. Ik betreur het buitengemeen, dat mijn vriend Dombey zich, om het onbewimpeld te zeggen, zoo verduiveld in den pekel heeft geholpen door eene alliantie met onze familie; maar ik ben sterk van gevoelen, dat als die helsche schavuit Carker—die man met zijne witte tanden—er niet geweest was, alles tamelijk glad zou hebben gegaan. Ten aanzien van mijne nicht, die mij de eer bewijst van eene buitengewoon goede meening van mij te hebben opgevat, kan ik de beminnelijke vrouw van mijn vriend Gay verzekeren, dat zij er op aan kan, dat ik, om het onbewimpeld te zeggen, een vader voor haar ben. En wat al die afwisselingen in het menschelijk leven aangaat, en de wonderlijke manier, waarop wij ons gedurig gedragen, is al wat ik zeggen kan, met mijn vriend Shakespeare—een man, die niet voor ééne eeuw, maar voor alle tijden leefde, en met wien mijn vriend Gay buiten twijfel bekend is—dat het naar de schaduw van een droom gelijkt.”
Kapitein Cuttle laat hen Mooie Peggy hooren, van het begin tot het eind. (blz. 436).Kapitein Cuttle laat hen Mooie Peggy hooren, van het begin tot het eind.(blz. 436).
Kapitein Cuttle laat hen Mooie Peggy hooren, van het begin tot het eind.(blz. 436).
[434]