[Inhoud]LXII.BESLUIT.Eene flesch, die in langen tijd geen daglicht heeft gezien en ruig is van stof en spinrag, is in den zonneschijn gebracht, en de goudkleurige wijn daarin verspreidt een glans over de tafel.Het is de laatste flesch van dien ouden madera.“Gij hebt volkomen gelijk, mijnheer Gills,” zegt Dombey, “dit is een zeer zeldzame en keurige wijn.”De kapitein, die van het gezelschap is, straalt van blijdschap. Er speelt een lichtkrans van verrukking om zijn gloeiend voorhoofd.“Wij hadden ons altijd beloofd, mijnheer,” hervat de oude man, “Ned en ik, meen ik—”Dombey knikt den kapitein toe, die al meer en meer blinkt van sprakeloos genoegen.“—dat wij die flesch op een of anderen dag zouden drinken op Walter’s behoudene thuiskomst, hoewel wij nooit aan zulk een thuis hadden gedacht. Als gij er niet tegen hebt, mijnheer, dat wij dien ouden gril involgen, laten wij dan dit eerste glas aan Walter en zijne vrouw wijden.”—“Aan Walter en zijne vrouw!” zegt Dombey. “Florence, mijn kind,” en keert zich naar haar toe, om haar een kus te geven.—“Aan Walter en zijne vrouw!” zegt Toots.—“Aan Walter en zijne vrouw!” roept de kapitein. “Hoera!” en daar de kapitein een sterk verlangen toont om met zijn glas tegen een ander glas te klinken, houdt Dombey hem bereidvaardig het zijne toe. De anderen volgen dit voorbeeld, en er ontstaat een vroolijk geklingel, als werden er schelle trouwklokjes geluid.Andere bespaarde wijn wordt ouder, gelijk de oude madera in zijn tijd deed; en stof en spinrag verzamelen zich om de flesschen.Dombey is een man met sneeuwwitte haren, wiens gelaat diepe sporen van zorg en lijden vertoont; maar het zijn sporen van een storm, die voor altijd voorbij is, en die een helderen avond heeft achtergelaten.Eerzuchtige plannen ontrusten hem niet meer. Zijn eenige trots is zijne dochter en haar echtgenoot. Hij is stil en peinzend, en zit altijd bij zijne dochter. Jufvrouw Tox komt niet zelden in den familiekring, waarmede zij zeer is ingenomen, en wordt daarin gaarne gezien. Hare bewondering voor haar eenmaal statigen begunstiger is, sedert den ochtend van haar schrik inPrincess’s Place, geheel platonisch geweest, maar in het minste niet verzwakt.Niets is hem uit de schipbreuk van zijn vermogen overgebleven, dan zekere jaarlijksche som, die hij weet niet waar vandaan komt, met een ernstig verzoek, dat hij dit niet wil pogen te ontdekken, en eene verzekering dat het eene schuld en eene daad van vergoeding is. Hij heeft met zijn ouden boekhouder daarover geraadpleegd, die overtuigd is, dat hij dat geld met eere kan aannemen, en niet twijfelt of het spruit uit eene nu lang vergetene zaak uit den tijd der oude firma.Die oude vrijer, geen oud vrijer meer, is thans getrouwd, en dat wel met de zuster van den grijsharigen junior. Hij komt somtijds, maar zelden, zijn ouden patroon bezoeken. Er bestaat eene reden in de geschiedenis van den grijsharigen junior en eene nog sterkere reden in zijn naam, waarom hij van zijn ouden patroon verwijderd moet blijven, en daar hij bij zijne zuster en haar man woont, deelen deze in zijne afzondering. Walter bezoekt hen somtijds—Florence insgelijks—en dan galmen kunstige duetten voor piano en violoncel door het vroolijke huis.En hoe gaat het den houten adelborst in deze veranderde dagen? Wel, hij staat daar nog, met den rechtervoet vooruit, observatiën op huurkoetsen doende, en wakkerder dan ooit, daar hij nieuw geschilderd is van zijn steekhoed af tot aan zijne schoenen met gespen; en boven hem blinken, met gouden letters, deze namen:GILLS EN CUTTLE.De houten adelborst doet wel geene grootere zaken dan hij vroeger deed, maar men zegt, dat eenige speculatiën van mijnheer Gills verbazend goed afloopen, en dat hij, in plaats van in die opzichten bij zijn tijd ten achteren te zijn, dien eigenlijk een weinigje vooruit was, en hij moest afwachten tot hij rijp werd. Men vertelt, dat het geld, hetwelk mijnheer Gills in die speculatiën had gezet, hem nu goede renten begint op te brengen, die zelfs al hooger en hooger worden. Zeker is het, dat hij, als hij met zijnkoffiebruinpak, zijn chronometer in den zak en zijn bril op het voorhoofd, aan zijne winkeldeur staat, het zich volstrekt niet schijnt aan te trekken dat er geene klanten komen, maar er zeer vroolijk en weltevreden uitziet, hoewel nog even nevelachtig als vroeger.Wat zijn compagnon, den kapitein, betreft, deze leeft in eene verbeelding van drukte, die nog beter is dan de werkelijkheid. Hij is zoo overtuigd, dat de adelborst van het grootste gewicht is voor den handel en de zeevaart des lands, als hij met mogelijkheid wezen kon, indien geen schip zonder bijstand van den adelborst de haven vanLondenverliet. Zijne blijdschap in zijn eigen naam boven de deur is onuitputtelijk. Twintigmaal op een dag stapt hij de straat op, om van den overkant naar dien naam te kijken, en telkens zegt hij dan: “Edward Cuttle, mijn jongen, als uwe moeder eens had kunnen weten, dat gij ooit een man van wetenschap zoudt worden, dan zou de goede oude ziel toch versteld hebben gestaan!”Maar daar komt Toots met geweldige vaart op den adelborst aan, en met een hoogrood gezicht stuift hij het achterkamertje binnen.[435]“Kapitein Gills en mijnheer Sams,” zegt Toots, “ik ben verheugd u te kunnen berichten, dat mevrouw Toots eene vermeerdering van hare familie heeft gehad.”—“Dat strekt haar tot eer,” roept de kapitein.—“Ik feliciteer u, mijnheer Toots,” zegt Sam.—“Wel bedankt,” grinnikt Toots. “Ik ben u zeer verplicht. Ik wist wel dat ge blij zoudt zijn het te hooren, en daarom kwam ik zelf maar eens aanloopen. Wij komen nu vooruit. Daar is Florence, en Suze, en nu nog een kleintje.”—“Een meisje?” vraagt de kapitein.—“Ja, kapitein Gills,” antwoordde Toots, “en daar ben ik ook blij om. Hoe meermalen wij die buitengemeene vrouw kunnen herhalen, zooveel te beter, naar mijn gevoelen!”—“Sta vast,” zegt de kapitein, zich naar de oude vierkante flesch zonder hals keerende—want het is avond en de tafel is volgens gewoonte van pijpen en glazen voorzien. “Dat is op hare gezondheid, en mag zij er nog eens zoo veel krijgen!”—“Wel bedankt, kapitein Gills,” zegt de verheugde Toots. “Dat wensch ik ook. Als gij er niet tegen hebt, daar het nu toch niemand hinderen kan, zal ik eene pijp nemen, dunkt mij.”Toots begint te rooken, en wordt zeer spraakzaam.“Van alle merkwaardige voorbeelden van haar uitmuntend verstand, die mij die buitengemeene vrouw gegeven heeft, kapitein Gills en mijnheer Sams,” zegt Toots, “is er geen opmerkelijker, dunkt mij, dan de volmaaktheid, waarmede zij mijne vereering van jufvrouw Dombey heeft begrepen.”Beide hoorders stemmen dit toe.“Omdat ik, weet ge,” zegt Toots, “nooit van gevoelens ten aanzien van jufvrouw Dombey ben veranderd. Die zijn nog dezelfde als ooit voorheen. Zij is nog hetzelfde heerlijke verschijnsel voor mij, als voordat ik met Walters kennis maakte. Toen mevrouw Toots en ik het eerst daarvan begonnen te spreken—van de liefde, weet ge wel, kapitein Gills.”—“Ja, ja, mijn jongen,” zegt de kapitein, “die iedereen wel eens in de war brengt—zooals gij in het boek kunt nazien—”—“Dat zal ik zeker doen, kapitein Gills,” zegt Toots met grooten ernst. “Toen wij het eerst van zulke dingen begonnen te praten, zeide ik haar, dat ik was, wat men eene verdorde bloem zou noemen.”De kapitein is zeer ingenomen met deze figuurlijke uitdrukking en mompelt, dat geene bloem, die er bloeit, bij de roos kan halen.“Maar, och Heere,” vervolgt Toots, “zij was evengoed bekend met den staat van mijn gevoel als ik zelf. Ik kon erhaarniets meer van vertellen. Zij was de eenige, die zich tusschen mij en het stille graf kon plaatsen, en dat deed zij op eene manier, die mij tot eene eeuwige bewondering moet dwingen. Zij weet, dat er niemand in de wereld is, tegen wie ik zoo opzie, als tegen jufvrouw Dombey. Zij weet, dat er niets in de wereld is, dat ik niet voor jufvrouw Dombey zou willen doen. Zij weet, dat ik haar voor de schoonste, de beminnelijkste, de engelachtigste van hare sekse houd. En wat zegt zij daarvan? Het verstandigste dat iemand zou kunnen zeggen: “Gij hebt gelijk, beste. Ik denk eveneens.”—“Ik ook,” zegt de kapitein.—“Ik ook,” zegt Sam Gills.—“En dan,” hervat Toots, nadat hij eene poos peinzend aan zijne pijp heeft getrokken, terwijl zijn gezicht de innigste tevredenheid uitdrukt, “hoe oplettend is mijne vrouw! En hoe schrander! Welke aanmerkingen kan zij maken! Pas gisteravond, toen wij in het genot onzer echtelijke zaligheid bij elkander zaten—dat, op mijn woord van eer, nog maar eene flauwe uitdrukking is om mijn gevoel in het gezelschap van mijne vrouw aan te duiden—zeide zij, hoe opmerkelijk het was, die tegenwoordige positie van onzen vriend Walters. “Daar is hij,” zegt mijne vrouw, “van het zeevaren bevrijd, na die eerste lange reis met zijne jonge vrouw;” dat was hij ook, weet gij wel, mijnheer Sams.”—“Dat is waar,” zegt de oude instrumentmaker, in zijne handen wrijvende.—”“Daarvan,” zegt mijne vrouw, “wordt hij dadelijk bevrijd, krijgt thuis een post van groot vertrouwen bij hetzelfde kantoor, toont zich dat wederom waardig, klimt verbazend snel al hooger en hooger op; bemind door iedereen; door zijn oom bijgestaan op den tijd toen hem dat juist zoo goed te pas kwam als maar mogelijk was,”—dat ook zoo is, geloof ik, mijnheer Sams? Mijne vrouw heeft het altijd recht.”—“Ja, ja,” zegt de oude Sam lachende. “Dat is waar. Menige van onze verlorene schepen, met goud bevracht, zijn nog thuis gekomen. Kleine vaartuigjes, mijnheer Toots, maar die mijn jongen toch wel te pas kwamen.”—“Juist zoo!” zegt Toots. “Gij zult nooit vinden dat mijne vrouw het verkeerd heeft. “Hier is hij nu, in die omstandigheden,” zegt die buitengemeene vrouw—“en wat volgt er nu uit? Wat volgt er nu?” zegt zij. Let nu eens op, kapitein Gills en mijnheer Sams, hoe diep haar verstand doordringt. “Wel, dat,” zegt zij, “onder de oogen van mijnheer Dombey, de grondslag wordt gelegd van een gebouw,” dat was hare uitdrukking,” zegt Toots met opgetogenheid, “van een gebouw, dat het kantoor misschien nog zal overtreffen, waarvan hij eens aan het hoofd stond, en waarvan hij (een gewoon gebrek, maar een groot gebrek, zegt mijne vrouw), de kleine beginselen had vergeten. Zoo,” zeide mijne vrouw, “zal er uit zijne dochter toch nog een andere Dombey en Zoon opkomen—neen opstaan,” was haar woord, “en zegepralen!””Toots geeft, met behulp van zijne pijp—die hij gaarne bezigt om oratorische gebaren te maken, daar het eigenlijke gebruik hem onaangename gewaarwordingen veroorzaakt—zooveel nadruk aan de voorspelling zijner vrouw, dat de kapitein, op den hoogsten trap van opgewondenheid, zijn blinkenden hoed wegwerpt en uitroept:[436]“Sam Gills, gij man van wetenschap en mijn oude compagnon, wat heb ik Walter gezegd om na te lezen op dien avond toen hij pas op het kantoor was gekomen? Was het niet deze aanhaling: “Keer terug, Whittington, en als gij oud geworden zijt, zult gij er niet van afwijken.” Waren dat de woorden niet, Sam Gills?”—“Zekerlijk waren zij het, Ned,” antwoordde de oude instrumentmaker. “Ik herinner het mij nog wel.”—“Dan zal ik u eens wat zeggen,” hervat de kapitein, in zijn stoel achteroverleunende en zijne borst uitzettende om eens geducht te schreeuwen. “Ik zal u Mooie Peggy laten hooren, van het begin tot het eind; en sta vast, allebei voor het koor!”Andere bespaarde wijn wordt ouder, gelijk de oude madera in zijn tijd deed; en stof en spinrag verzamelen zich om de flesschen.De najaarsdagen zijn nog zacht en helder; en op het zeestrand wandelen dikwijls eene jonge dame en een oud heer met sneeuwwitte haren. Zij hebben twee kinderen, een jongetje en een meisje bij zich, en doorgaans houdt een oude hond hen gezelschap.De oude heer met witte haren wandelt met het knaapje, praat met hem, helpt hem bij zijn spel, bewaakt hem, alsof hij het doel van zijn leven was. Als het kind nadenkend is, is de oude heer ook nadenkend; en somtijds, als het bij hem zit, en naar hem opkijkt, en allerlei vragen doet, neemt hij het zachte handje in zijne hand, en vergeet, het zoo vasthoudende, antwoord te geven. Dan zegt het kind:“Wat, grootpapa? Gelijk ik weder zoo naar mijn armen kleinen oom?”—“Ja, Paul. Maar hij was zwak, en gij zijt heel sterk.”—“O, ja, ik ben heel sterk.”—“En hij lag op een bedje bij de zee, en gij kunt rondloopen.”En dan wandelen zij weder op, want de heer met witte haren ziet het kind liefst in beweging; en daar men hen zooveel bij elkander ziet, wordt er veel van gesproken dat zij zoo aan elkander gehecht zijn.Maar niemand behalve Florence weet hoe innig die heer met sneeuwwitte haren aan het meisje is gehecht. Daarvan wordt nooit gesproken. Het kind zelf verwondert zich bijna over het geheim, dat hij in zeker opzicht daarvan maakt. Hij bewaart haar als een schat in zijn hart. Hij kan haar nooit alleen zien zitten. Hij verbeeldt zich, dat zij zich verwaarloosd gevoelt, als er toch geene de minste reden daarvoor is. Hij sluipt heen om naar haar te zien als zij ligt te slapen. Hij heeft gaarne dat zij hem des morgens komt wakker maken. Hij is het teederst voor haar, en toont dat ook het meest, als er niemand anders bij is. Somtijds zegt het kind:“Lieve grootpapa, waarom krijgt gij tranen in de oogen als gij mij een zoentje geeft?”Dan antwoordt hij slechts: “Kleine Florence! Kleine Florence!” en strijkt de krullen weg, die hare ernstige oogen beschaduwen.Lieve grootpapa, waarom krijgt gij tranen in de oogen als gij mij een zoentje geeft?
[Inhoud]LXII.BESLUIT.Eene flesch, die in langen tijd geen daglicht heeft gezien en ruig is van stof en spinrag, is in den zonneschijn gebracht, en de goudkleurige wijn daarin verspreidt een glans over de tafel.Het is de laatste flesch van dien ouden madera.“Gij hebt volkomen gelijk, mijnheer Gills,” zegt Dombey, “dit is een zeer zeldzame en keurige wijn.”De kapitein, die van het gezelschap is, straalt van blijdschap. Er speelt een lichtkrans van verrukking om zijn gloeiend voorhoofd.“Wij hadden ons altijd beloofd, mijnheer,” hervat de oude man, “Ned en ik, meen ik—”Dombey knikt den kapitein toe, die al meer en meer blinkt van sprakeloos genoegen.“—dat wij die flesch op een of anderen dag zouden drinken op Walter’s behoudene thuiskomst, hoewel wij nooit aan zulk een thuis hadden gedacht. Als gij er niet tegen hebt, mijnheer, dat wij dien ouden gril involgen, laten wij dan dit eerste glas aan Walter en zijne vrouw wijden.”—“Aan Walter en zijne vrouw!” zegt Dombey. “Florence, mijn kind,” en keert zich naar haar toe, om haar een kus te geven.—“Aan Walter en zijne vrouw!” zegt Toots.—“Aan Walter en zijne vrouw!” roept de kapitein. “Hoera!” en daar de kapitein een sterk verlangen toont om met zijn glas tegen een ander glas te klinken, houdt Dombey hem bereidvaardig het zijne toe. De anderen volgen dit voorbeeld, en er ontstaat een vroolijk geklingel, als werden er schelle trouwklokjes geluid.Andere bespaarde wijn wordt ouder, gelijk de oude madera in zijn tijd deed; en stof en spinrag verzamelen zich om de flesschen.Dombey is een man met sneeuwwitte haren, wiens gelaat diepe sporen van zorg en lijden vertoont; maar het zijn sporen van een storm, die voor altijd voorbij is, en die een helderen avond heeft achtergelaten.Eerzuchtige plannen ontrusten hem niet meer. Zijn eenige trots is zijne dochter en haar echtgenoot. Hij is stil en peinzend, en zit altijd bij zijne dochter. Jufvrouw Tox komt niet zelden in den familiekring, waarmede zij zeer is ingenomen, en wordt daarin gaarne gezien. Hare bewondering voor haar eenmaal statigen begunstiger is, sedert den ochtend van haar schrik inPrincess’s Place, geheel platonisch geweest, maar in het minste niet verzwakt.Niets is hem uit de schipbreuk van zijn vermogen overgebleven, dan zekere jaarlijksche som, die hij weet niet waar vandaan komt, met een ernstig verzoek, dat hij dit niet wil pogen te ontdekken, en eene verzekering dat het eene schuld en eene daad van vergoeding is. Hij heeft met zijn ouden boekhouder daarover geraadpleegd, die overtuigd is, dat hij dat geld met eere kan aannemen, en niet twijfelt of het spruit uit eene nu lang vergetene zaak uit den tijd der oude firma.Die oude vrijer, geen oud vrijer meer, is thans getrouwd, en dat wel met de zuster van den grijsharigen junior. Hij komt somtijds, maar zelden, zijn ouden patroon bezoeken. Er bestaat eene reden in de geschiedenis van den grijsharigen junior en eene nog sterkere reden in zijn naam, waarom hij van zijn ouden patroon verwijderd moet blijven, en daar hij bij zijne zuster en haar man woont, deelen deze in zijne afzondering. Walter bezoekt hen somtijds—Florence insgelijks—en dan galmen kunstige duetten voor piano en violoncel door het vroolijke huis.En hoe gaat het den houten adelborst in deze veranderde dagen? Wel, hij staat daar nog, met den rechtervoet vooruit, observatiën op huurkoetsen doende, en wakkerder dan ooit, daar hij nieuw geschilderd is van zijn steekhoed af tot aan zijne schoenen met gespen; en boven hem blinken, met gouden letters, deze namen:GILLS EN CUTTLE.De houten adelborst doet wel geene grootere zaken dan hij vroeger deed, maar men zegt, dat eenige speculatiën van mijnheer Gills verbazend goed afloopen, en dat hij, in plaats van in die opzichten bij zijn tijd ten achteren te zijn, dien eigenlijk een weinigje vooruit was, en hij moest afwachten tot hij rijp werd. Men vertelt, dat het geld, hetwelk mijnheer Gills in die speculatiën had gezet, hem nu goede renten begint op te brengen, die zelfs al hooger en hooger worden. Zeker is het, dat hij, als hij met zijnkoffiebruinpak, zijn chronometer in den zak en zijn bril op het voorhoofd, aan zijne winkeldeur staat, het zich volstrekt niet schijnt aan te trekken dat er geene klanten komen, maar er zeer vroolijk en weltevreden uitziet, hoewel nog even nevelachtig als vroeger.Wat zijn compagnon, den kapitein, betreft, deze leeft in eene verbeelding van drukte, die nog beter is dan de werkelijkheid. Hij is zoo overtuigd, dat de adelborst van het grootste gewicht is voor den handel en de zeevaart des lands, als hij met mogelijkheid wezen kon, indien geen schip zonder bijstand van den adelborst de haven vanLondenverliet. Zijne blijdschap in zijn eigen naam boven de deur is onuitputtelijk. Twintigmaal op een dag stapt hij de straat op, om van den overkant naar dien naam te kijken, en telkens zegt hij dan: “Edward Cuttle, mijn jongen, als uwe moeder eens had kunnen weten, dat gij ooit een man van wetenschap zoudt worden, dan zou de goede oude ziel toch versteld hebben gestaan!”Maar daar komt Toots met geweldige vaart op den adelborst aan, en met een hoogrood gezicht stuift hij het achterkamertje binnen.[435]“Kapitein Gills en mijnheer Sams,” zegt Toots, “ik ben verheugd u te kunnen berichten, dat mevrouw Toots eene vermeerdering van hare familie heeft gehad.”—“Dat strekt haar tot eer,” roept de kapitein.—“Ik feliciteer u, mijnheer Toots,” zegt Sam.—“Wel bedankt,” grinnikt Toots. “Ik ben u zeer verplicht. Ik wist wel dat ge blij zoudt zijn het te hooren, en daarom kwam ik zelf maar eens aanloopen. Wij komen nu vooruit. Daar is Florence, en Suze, en nu nog een kleintje.”—“Een meisje?” vraagt de kapitein.—“Ja, kapitein Gills,” antwoordde Toots, “en daar ben ik ook blij om. Hoe meermalen wij die buitengemeene vrouw kunnen herhalen, zooveel te beter, naar mijn gevoelen!”—“Sta vast,” zegt de kapitein, zich naar de oude vierkante flesch zonder hals keerende—want het is avond en de tafel is volgens gewoonte van pijpen en glazen voorzien. “Dat is op hare gezondheid, en mag zij er nog eens zoo veel krijgen!”—“Wel bedankt, kapitein Gills,” zegt de verheugde Toots. “Dat wensch ik ook. Als gij er niet tegen hebt, daar het nu toch niemand hinderen kan, zal ik eene pijp nemen, dunkt mij.”Toots begint te rooken, en wordt zeer spraakzaam.“Van alle merkwaardige voorbeelden van haar uitmuntend verstand, die mij die buitengemeene vrouw gegeven heeft, kapitein Gills en mijnheer Sams,” zegt Toots, “is er geen opmerkelijker, dunkt mij, dan de volmaaktheid, waarmede zij mijne vereering van jufvrouw Dombey heeft begrepen.”Beide hoorders stemmen dit toe.“Omdat ik, weet ge,” zegt Toots, “nooit van gevoelens ten aanzien van jufvrouw Dombey ben veranderd. Die zijn nog dezelfde als ooit voorheen. Zij is nog hetzelfde heerlijke verschijnsel voor mij, als voordat ik met Walters kennis maakte. Toen mevrouw Toots en ik het eerst daarvan begonnen te spreken—van de liefde, weet ge wel, kapitein Gills.”—“Ja, ja, mijn jongen,” zegt de kapitein, “die iedereen wel eens in de war brengt—zooals gij in het boek kunt nazien—”—“Dat zal ik zeker doen, kapitein Gills,” zegt Toots met grooten ernst. “Toen wij het eerst van zulke dingen begonnen te praten, zeide ik haar, dat ik was, wat men eene verdorde bloem zou noemen.”De kapitein is zeer ingenomen met deze figuurlijke uitdrukking en mompelt, dat geene bloem, die er bloeit, bij de roos kan halen.“Maar, och Heere,” vervolgt Toots, “zij was evengoed bekend met den staat van mijn gevoel als ik zelf. Ik kon erhaarniets meer van vertellen. Zij was de eenige, die zich tusschen mij en het stille graf kon plaatsen, en dat deed zij op eene manier, die mij tot eene eeuwige bewondering moet dwingen. Zij weet, dat er niemand in de wereld is, tegen wie ik zoo opzie, als tegen jufvrouw Dombey. Zij weet, dat er niets in de wereld is, dat ik niet voor jufvrouw Dombey zou willen doen. Zij weet, dat ik haar voor de schoonste, de beminnelijkste, de engelachtigste van hare sekse houd. En wat zegt zij daarvan? Het verstandigste dat iemand zou kunnen zeggen: “Gij hebt gelijk, beste. Ik denk eveneens.”—“Ik ook,” zegt de kapitein.—“Ik ook,” zegt Sam Gills.—“En dan,” hervat Toots, nadat hij eene poos peinzend aan zijne pijp heeft getrokken, terwijl zijn gezicht de innigste tevredenheid uitdrukt, “hoe oplettend is mijne vrouw! En hoe schrander! Welke aanmerkingen kan zij maken! Pas gisteravond, toen wij in het genot onzer echtelijke zaligheid bij elkander zaten—dat, op mijn woord van eer, nog maar eene flauwe uitdrukking is om mijn gevoel in het gezelschap van mijne vrouw aan te duiden—zeide zij, hoe opmerkelijk het was, die tegenwoordige positie van onzen vriend Walters. “Daar is hij,” zegt mijne vrouw, “van het zeevaren bevrijd, na die eerste lange reis met zijne jonge vrouw;” dat was hij ook, weet gij wel, mijnheer Sams.”—“Dat is waar,” zegt de oude instrumentmaker, in zijne handen wrijvende.—”“Daarvan,” zegt mijne vrouw, “wordt hij dadelijk bevrijd, krijgt thuis een post van groot vertrouwen bij hetzelfde kantoor, toont zich dat wederom waardig, klimt verbazend snel al hooger en hooger op; bemind door iedereen; door zijn oom bijgestaan op den tijd toen hem dat juist zoo goed te pas kwam als maar mogelijk was,”—dat ook zoo is, geloof ik, mijnheer Sams? Mijne vrouw heeft het altijd recht.”—“Ja, ja,” zegt de oude Sam lachende. “Dat is waar. Menige van onze verlorene schepen, met goud bevracht, zijn nog thuis gekomen. Kleine vaartuigjes, mijnheer Toots, maar die mijn jongen toch wel te pas kwamen.”—“Juist zoo!” zegt Toots. “Gij zult nooit vinden dat mijne vrouw het verkeerd heeft. “Hier is hij nu, in die omstandigheden,” zegt die buitengemeene vrouw—“en wat volgt er nu uit? Wat volgt er nu?” zegt zij. Let nu eens op, kapitein Gills en mijnheer Sams, hoe diep haar verstand doordringt. “Wel, dat,” zegt zij, “onder de oogen van mijnheer Dombey, de grondslag wordt gelegd van een gebouw,” dat was hare uitdrukking,” zegt Toots met opgetogenheid, “van een gebouw, dat het kantoor misschien nog zal overtreffen, waarvan hij eens aan het hoofd stond, en waarvan hij (een gewoon gebrek, maar een groot gebrek, zegt mijne vrouw), de kleine beginselen had vergeten. Zoo,” zeide mijne vrouw, “zal er uit zijne dochter toch nog een andere Dombey en Zoon opkomen—neen opstaan,” was haar woord, “en zegepralen!””Toots geeft, met behulp van zijne pijp—die hij gaarne bezigt om oratorische gebaren te maken, daar het eigenlijke gebruik hem onaangename gewaarwordingen veroorzaakt—zooveel nadruk aan de voorspelling zijner vrouw, dat de kapitein, op den hoogsten trap van opgewondenheid, zijn blinkenden hoed wegwerpt en uitroept:[436]“Sam Gills, gij man van wetenschap en mijn oude compagnon, wat heb ik Walter gezegd om na te lezen op dien avond toen hij pas op het kantoor was gekomen? Was het niet deze aanhaling: “Keer terug, Whittington, en als gij oud geworden zijt, zult gij er niet van afwijken.” Waren dat de woorden niet, Sam Gills?”—“Zekerlijk waren zij het, Ned,” antwoordde de oude instrumentmaker. “Ik herinner het mij nog wel.”—“Dan zal ik u eens wat zeggen,” hervat de kapitein, in zijn stoel achteroverleunende en zijne borst uitzettende om eens geducht te schreeuwen. “Ik zal u Mooie Peggy laten hooren, van het begin tot het eind; en sta vast, allebei voor het koor!”Andere bespaarde wijn wordt ouder, gelijk de oude madera in zijn tijd deed; en stof en spinrag verzamelen zich om de flesschen.De najaarsdagen zijn nog zacht en helder; en op het zeestrand wandelen dikwijls eene jonge dame en een oud heer met sneeuwwitte haren. Zij hebben twee kinderen, een jongetje en een meisje bij zich, en doorgaans houdt een oude hond hen gezelschap.De oude heer met witte haren wandelt met het knaapje, praat met hem, helpt hem bij zijn spel, bewaakt hem, alsof hij het doel van zijn leven was. Als het kind nadenkend is, is de oude heer ook nadenkend; en somtijds, als het bij hem zit, en naar hem opkijkt, en allerlei vragen doet, neemt hij het zachte handje in zijne hand, en vergeet, het zoo vasthoudende, antwoord te geven. Dan zegt het kind:“Wat, grootpapa? Gelijk ik weder zoo naar mijn armen kleinen oom?”—“Ja, Paul. Maar hij was zwak, en gij zijt heel sterk.”—“O, ja, ik ben heel sterk.”—“En hij lag op een bedje bij de zee, en gij kunt rondloopen.”En dan wandelen zij weder op, want de heer met witte haren ziet het kind liefst in beweging; en daar men hen zooveel bij elkander ziet, wordt er veel van gesproken dat zij zoo aan elkander gehecht zijn.Maar niemand behalve Florence weet hoe innig die heer met sneeuwwitte haren aan het meisje is gehecht. Daarvan wordt nooit gesproken. Het kind zelf verwondert zich bijna over het geheim, dat hij in zeker opzicht daarvan maakt. Hij bewaart haar als een schat in zijn hart. Hij kan haar nooit alleen zien zitten. Hij verbeeldt zich, dat zij zich verwaarloosd gevoelt, als er toch geene de minste reden daarvoor is. Hij sluipt heen om naar haar te zien als zij ligt te slapen. Hij heeft gaarne dat zij hem des morgens komt wakker maken. Hij is het teederst voor haar, en toont dat ook het meest, als er niemand anders bij is. Somtijds zegt het kind:“Lieve grootpapa, waarom krijgt gij tranen in de oogen als gij mij een zoentje geeft?”Dan antwoordt hij slechts: “Kleine Florence! Kleine Florence!” en strijkt de krullen weg, die hare ernstige oogen beschaduwen.Lieve grootpapa, waarom krijgt gij tranen in de oogen als gij mij een zoentje geeft?
LXII.BESLUIT.
Eene flesch, die in langen tijd geen daglicht heeft gezien en ruig is van stof en spinrag, is in den zonneschijn gebracht, en de goudkleurige wijn daarin verspreidt een glans over de tafel.Het is de laatste flesch van dien ouden madera.“Gij hebt volkomen gelijk, mijnheer Gills,” zegt Dombey, “dit is een zeer zeldzame en keurige wijn.”De kapitein, die van het gezelschap is, straalt van blijdschap. Er speelt een lichtkrans van verrukking om zijn gloeiend voorhoofd.“Wij hadden ons altijd beloofd, mijnheer,” hervat de oude man, “Ned en ik, meen ik—”Dombey knikt den kapitein toe, die al meer en meer blinkt van sprakeloos genoegen.“—dat wij die flesch op een of anderen dag zouden drinken op Walter’s behoudene thuiskomst, hoewel wij nooit aan zulk een thuis hadden gedacht. Als gij er niet tegen hebt, mijnheer, dat wij dien ouden gril involgen, laten wij dan dit eerste glas aan Walter en zijne vrouw wijden.”—“Aan Walter en zijne vrouw!” zegt Dombey. “Florence, mijn kind,” en keert zich naar haar toe, om haar een kus te geven.—“Aan Walter en zijne vrouw!” zegt Toots.—“Aan Walter en zijne vrouw!” roept de kapitein. “Hoera!” en daar de kapitein een sterk verlangen toont om met zijn glas tegen een ander glas te klinken, houdt Dombey hem bereidvaardig het zijne toe. De anderen volgen dit voorbeeld, en er ontstaat een vroolijk geklingel, als werden er schelle trouwklokjes geluid.Andere bespaarde wijn wordt ouder, gelijk de oude madera in zijn tijd deed; en stof en spinrag verzamelen zich om de flesschen.Dombey is een man met sneeuwwitte haren, wiens gelaat diepe sporen van zorg en lijden vertoont; maar het zijn sporen van een storm, die voor altijd voorbij is, en die een helderen avond heeft achtergelaten.Eerzuchtige plannen ontrusten hem niet meer. Zijn eenige trots is zijne dochter en haar echtgenoot. Hij is stil en peinzend, en zit altijd bij zijne dochter. Jufvrouw Tox komt niet zelden in den familiekring, waarmede zij zeer is ingenomen, en wordt daarin gaarne gezien. Hare bewondering voor haar eenmaal statigen begunstiger is, sedert den ochtend van haar schrik inPrincess’s Place, geheel platonisch geweest, maar in het minste niet verzwakt.Niets is hem uit de schipbreuk van zijn vermogen overgebleven, dan zekere jaarlijksche som, die hij weet niet waar vandaan komt, met een ernstig verzoek, dat hij dit niet wil pogen te ontdekken, en eene verzekering dat het eene schuld en eene daad van vergoeding is. Hij heeft met zijn ouden boekhouder daarover geraadpleegd, die overtuigd is, dat hij dat geld met eere kan aannemen, en niet twijfelt of het spruit uit eene nu lang vergetene zaak uit den tijd der oude firma.Die oude vrijer, geen oud vrijer meer, is thans getrouwd, en dat wel met de zuster van den grijsharigen junior. Hij komt somtijds, maar zelden, zijn ouden patroon bezoeken. Er bestaat eene reden in de geschiedenis van den grijsharigen junior en eene nog sterkere reden in zijn naam, waarom hij van zijn ouden patroon verwijderd moet blijven, en daar hij bij zijne zuster en haar man woont, deelen deze in zijne afzondering. Walter bezoekt hen somtijds—Florence insgelijks—en dan galmen kunstige duetten voor piano en violoncel door het vroolijke huis.En hoe gaat het den houten adelborst in deze veranderde dagen? Wel, hij staat daar nog, met den rechtervoet vooruit, observatiën op huurkoetsen doende, en wakkerder dan ooit, daar hij nieuw geschilderd is van zijn steekhoed af tot aan zijne schoenen met gespen; en boven hem blinken, met gouden letters, deze namen:GILLS EN CUTTLE.De houten adelborst doet wel geene grootere zaken dan hij vroeger deed, maar men zegt, dat eenige speculatiën van mijnheer Gills verbazend goed afloopen, en dat hij, in plaats van in die opzichten bij zijn tijd ten achteren te zijn, dien eigenlijk een weinigje vooruit was, en hij moest afwachten tot hij rijp werd. Men vertelt, dat het geld, hetwelk mijnheer Gills in die speculatiën had gezet, hem nu goede renten begint op te brengen, die zelfs al hooger en hooger worden. Zeker is het, dat hij, als hij met zijnkoffiebruinpak, zijn chronometer in den zak en zijn bril op het voorhoofd, aan zijne winkeldeur staat, het zich volstrekt niet schijnt aan te trekken dat er geene klanten komen, maar er zeer vroolijk en weltevreden uitziet, hoewel nog even nevelachtig als vroeger.Wat zijn compagnon, den kapitein, betreft, deze leeft in eene verbeelding van drukte, die nog beter is dan de werkelijkheid. Hij is zoo overtuigd, dat de adelborst van het grootste gewicht is voor den handel en de zeevaart des lands, als hij met mogelijkheid wezen kon, indien geen schip zonder bijstand van den adelborst de haven vanLondenverliet. Zijne blijdschap in zijn eigen naam boven de deur is onuitputtelijk. Twintigmaal op een dag stapt hij de straat op, om van den overkant naar dien naam te kijken, en telkens zegt hij dan: “Edward Cuttle, mijn jongen, als uwe moeder eens had kunnen weten, dat gij ooit een man van wetenschap zoudt worden, dan zou de goede oude ziel toch versteld hebben gestaan!”Maar daar komt Toots met geweldige vaart op den adelborst aan, en met een hoogrood gezicht stuift hij het achterkamertje binnen.[435]“Kapitein Gills en mijnheer Sams,” zegt Toots, “ik ben verheugd u te kunnen berichten, dat mevrouw Toots eene vermeerdering van hare familie heeft gehad.”—“Dat strekt haar tot eer,” roept de kapitein.—“Ik feliciteer u, mijnheer Toots,” zegt Sam.—“Wel bedankt,” grinnikt Toots. “Ik ben u zeer verplicht. Ik wist wel dat ge blij zoudt zijn het te hooren, en daarom kwam ik zelf maar eens aanloopen. Wij komen nu vooruit. Daar is Florence, en Suze, en nu nog een kleintje.”—“Een meisje?” vraagt de kapitein.—“Ja, kapitein Gills,” antwoordde Toots, “en daar ben ik ook blij om. Hoe meermalen wij die buitengemeene vrouw kunnen herhalen, zooveel te beter, naar mijn gevoelen!”—“Sta vast,” zegt de kapitein, zich naar de oude vierkante flesch zonder hals keerende—want het is avond en de tafel is volgens gewoonte van pijpen en glazen voorzien. “Dat is op hare gezondheid, en mag zij er nog eens zoo veel krijgen!”—“Wel bedankt, kapitein Gills,” zegt de verheugde Toots. “Dat wensch ik ook. Als gij er niet tegen hebt, daar het nu toch niemand hinderen kan, zal ik eene pijp nemen, dunkt mij.”Toots begint te rooken, en wordt zeer spraakzaam.“Van alle merkwaardige voorbeelden van haar uitmuntend verstand, die mij die buitengemeene vrouw gegeven heeft, kapitein Gills en mijnheer Sams,” zegt Toots, “is er geen opmerkelijker, dunkt mij, dan de volmaaktheid, waarmede zij mijne vereering van jufvrouw Dombey heeft begrepen.”Beide hoorders stemmen dit toe.“Omdat ik, weet ge,” zegt Toots, “nooit van gevoelens ten aanzien van jufvrouw Dombey ben veranderd. Die zijn nog dezelfde als ooit voorheen. Zij is nog hetzelfde heerlijke verschijnsel voor mij, als voordat ik met Walters kennis maakte. Toen mevrouw Toots en ik het eerst daarvan begonnen te spreken—van de liefde, weet ge wel, kapitein Gills.”—“Ja, ja, mijn jongen,” zegt de kapitein, “die iedereen wel eens in de war brengt—zooals gij in het boek kunt nazien—”—“Dat zal ik zeker doen, kapitein Gills,” zegt Toots met grooten ernst. “Toen wij het eerst van zulke dingen begonnen te praten, zeide ik haar, dat ik was, wat men eene verdorde bloem zou noemen.”De kapitein is zeer ingenomen met deze figuurlijke uitdrukking en mompelt, dat geene bloem, die er bloeit, bij de roos kan halen.“Maar, och Heere,” vervolgt Toots, “zij was evengoed bekend met den staat van mijn gevoel als ik zelf. Ik kon erhaarniets meer van vertellen. Zij was de eenige, die zich tusschen mij en het stille graf kon plaatsen, en dat deed zij op eene manier, die mij tot eene eeuwige bewondering moet dwingen. Zij weet, dat er niemand in de wereld is, tegen wie ik zoo opzie, als tegen jufvrouw Dombey. Zij weet, dat er niets in de wereld is, dat ik niet voor jufvrouw Dombey zou willen doen. Zij weet, dat ik haar voor de schoonste, de beminnelijkste, de engelachtigste van hare sekse houd. En wat zegt zij daarvan? Het verstandigste dat iemand zou kunnen zeggen: “Gij hebt gelijk, beste. Ik denk eveneens.”—“Ik ook,” zegt de kapitein.—“Ik ook,” zegt Sam Gills.—“En dan,” hervat Toots, nadat hij eene poos peinzend aan zijne pijp heeft getrokken, terwijl zijn gezicht de innigste tevredenheid uitdrukt, “hoe oplettend is mijne vrouw! En hoe schrander! Welke aanmerkingen kan zij maken! Pas gisteravond, toen wij in het genot onzer echtelijke zaligheid bij elkander zaten—dat, op mijn woord van eer, nog maar eene flauwe uitdrukking is om mijn gevoel in het gezelschap van mijne vrouw aan te duiden—zeide zij, hoe opmerkelijk het was, die tegenwoordige positie van onzen vriend Walters. “Daar is hij,” zegt mijne vrouw, “van het zeevaren bevrijd, na die eerste lange reis met zijne jonge vrouw;” dat was hij ook, weet gij wel, mijnheer Sams.”—“Dat is waar,” zegt de oude instrumentmaker, in zijne handen wrijvende.—”“Daarvan,” zegt mijne vrouw, “wordt hij dadelijk bevrijd, krijgt thuis een post van groot vertrouwen bij hetzelfde kantoor, toont zich dat wederom waardig, klimt verbazend snel al hooger en hooger op; bemind door iedereen; door zijn oom bijgestaan op den tijd toen hem dat juist zoo goed te pas kwam als maar mogelijk was,”—dat ook zoo is, geloof ik, mijnheer Sams? Mijne vrouw heeft het altijd recht.”—“Ja, ja,” zegt de oude Sam lachende. “Dat is waar. Menige van onze verlorene schepen, met goud bevracht, zijn nog thuis gekomen. Kleine vaartuigjes, mijnheer Toots, maar die mijn jongen toch wel te pas kwamen.”—“Juist zoo!” zegt Toots. “Gij zult nooit vinden dat mijne vrouw het verkeerd heeft. “Hier is hij nu, in die omstandigheden,” zegt die buitengemeene vrouw—“en wat volgt er nu uit? Wat volgt er nu?” zegt zij. Let nu eens op, kapitein Gills en mijnheer Sams, hoe diep haar verstand doordringt. “Wel, dat,” zegt zij, “onder de oogen van mijnheer Dombey, de grondslag wordt gelegd van een gebouw,” dat was hare uitdrukking,” zegt Toots met opgetogenheid, “van een gebouw, dat het kantoor misschien nog zal overtreffen, waarvan hij eens aan het hoofd stond, en waarvan hij (een gewoon gebrek, maar een groot gebrek, zegt mijne vrouw), de kleine beginselen had vergeten. Zoo,” zeide mijne vrouw, “zal er uit zijne dochter toch nog een andere Dombey en Zoon opkomen—neen opstaan,” was haar woord, “en zegepralen!””Toots geeft, met behulp van zijne pijp—die hij gaarne bezigt om oratorische gebaren te maken, daar het eigenlijke gebruik hem onaangename gewaarwordingen veroorzaakt—zooveel nadruk aan de voorspelling zijner vrouw, dat de kapitein, op den hoogsten trap van opgewondenheid, zijn blinkenden hoed wegwerpt en uitroept:[436]“Sam Gills, gij man van wetenschap en mijn oude compagnon, wat heb ik Walter gezegd om na te lezen op dien avond toen hij pas op het kantoor was gekomen? Was het niet deze aanhaling: “Keer terug, Whittington, en als gij oud geworden zijt, zult gij er niet van afwijken.” Waren dat de woorden niet, Sam Gills?”—“Zekerlijk waren zij het, Ned,” antwoordde de oude instrumentmaker. “Ik herinner het mij nog wel.”—“Dan zal ik u eens wat zeggen,” hervat de kapitein, in zijn stoel achteroverleunende en zijne borst uitzettende om eens geducht te schreeuwen. “Ik zal u Mooie Peggy laten hooren, van het begin tot het eind; en sta vast, allebei voor het koor!”Andere bespaarde wijn wordt ouder, gelijk de oude madera in zijn tijd deed; en stof en spinrag verzamelen zich om de flesschen.De najaarsdagen zijn nog zacht en helder; en op het zeestrand wandelen dikwijls eene jonge dame en een oud heer met sneeuwwitte haren. Zij hebben twee kinderen, een jongetje en een meisje bij zich, en doorgaans houdt een oude hond hen gezelschap.De oude heer met witte haren wandelt met het knaapje, praat met hem, helpt hem bij zijn spel, bewaakt hem, alsof hij het doel van zijn leven was. Als het kind nadenkend is, is de oude heer ook nadenkend; en somtijds, als het bij hem zit, en naar hem opkijkt, en allerlei vragen doet, neemt hij het zachte handje in zijne hand, en vergeet, het zoo vasthoudende, antwoord te geven. Dan zegt het kind:“Wat, grootpapa? Gelijk ik weder zoo naar mijn armen kleinen oom?”—“Ja, Paul. Maar hij was zwak, en gij zijt heel sterk.”—“O, ja, ik ben heel sterk.”—“En hij lag op een bedje bij de zee, en gij kunt rondloopen.”En dan wandelen zij weder op, want de heer met witte haren ziet het kind liefst in beweging; en daar men hen zooveel bij elkander ziet, wordt er veel van gesproken dat zij zoo aan elkander gehecht zijn.Maar niemand behalve Florence weet hoe innig die heer met sneeuwwitte haren aan het meisje is gehecht. Daarvan wordt nooit gesproken. Het kind zelf verwondert zich bijna over het geheim, dat hij in zeker opzicht daarvan maakt. Hij bewaart haar als een schat in zijn hart. Hij kan haar nooit alleen zien zitten. Hij verbeeldt zich, dat zij zich verwaarloosd gevoelt, als er toch geene de minste reden daarvoor is. Hij sluipt heen om naar haar te zien als zij ligt te slapen. Hij heeft gaarne dat zij hem des morgens komt wakker maken. Hij is het teederst voor haar, en toont dat ook het meest, als er niemand anders bij is. Somtijds zegt het kind:“Lieve grootpapa, waarom krijgt gij tranen in de oogen als gij mij een zoentje geeft?”Dan antwoordt hij slechts: “Kleine Florence! Kleine Florence!” en strijkt de krullen weg, die hare ernstige oogen beschaduwen.Lieve grootpapa, waarom krijgt gij tranen in de oogen als gij mij een zoentje geeft?
Eene flesch, die in langen tijd geen daglicht heeft gezien en ruig is van stof en spinrag, is in den zonneschijn gebracht, en de goudkleurige wijn daarin verspreidt een glans over de tafel.
Het is de laatste flesch van dien ouden madera.
“Gij hebt volkomen gelijk, mijnheer Gills,” zegt Dombey, “dit is een zeer zeldzame en keurige wijn.”
De kapitein, die van het gezelschap is, straalt van blijdschap. Er speelt een lichtkrans van verrukking om zijn gloeiend voorhoofd.
“Wij hadden ons altijd beloofd, mijnheer,” hervat de oude man, “Ned en ik, meen ik—”
Dombey knikt den kapitein toe, die al meer en meer blinkt van sprakeloos genoegen.
“—dat wij die flesch op een of anderen dag zouden drinken op Walter’s behoudene thuiskomst, hoewel wij nooit aan zulk een thuis hadden gedacht. Als gij er niet tegen hebt, mijnheer, dat wij dien ouden gril involgen, laten wij dan dit eerste glas aan Walter en zijne vrouw wijden.”—“Aan Walter en zijne vrouw!” zegt Dombey. “Florence, mijn kind,” en keert zich naar haar toe, om haar een kus te geven.—“Aan Walter en zijne vrouw!” zegt Toots.—“Aan Walter en zijne vrouw!” roept de kapitein. “Hoera!” en daar de kapitein een sterk verlangen toont om met zijn glas tegen een ander glas te klinken, houdt Dombey hem bereidvaardig het zijne toe. De anderen volgen dit voorbeeld, en er ontstaat een vroolijk geklingel, als werden er schelle trouwklokjes geluid.
Andere bespaarde wijn wordt ouder, gelijk de oude madera in zijn tijd deed; en stof en spinrag verzamelen zich om de flesschen.
Dombey is een man met sneeuwwitte haren, wiens gelaat diepe sporen van zorg en lijden vertoont; maar het zijn sporen van een storm, die voor altijd voorbij is, en die een helderen avond heeft achtergelaten.
Eerzuchtige plannen ontrusten hem niet meer. Zijn eenige trots is zijne dochter en haar echtgenoot. Hij is stil en peinzend, en zit altijd bij zijne dochter. Jufvrouw Tox komt niet zelden in den familiekring, waarmede zij zeer is ingenomen, en wordt daarin gaarne gezien. Hare bewondering voor haar eenmaal statigen begunstiger is, sedert den ochtend van haar schrik inPrincess’s Place, geheel platonisch geweest, maar in het minste niet verzwakt.
Niets is hem uit de schipbreuk van zijn vermogen overgebleven, dan zekere jaarlijksche som, die hij weet niet waar vandaan komt, met een ernstig verzoek, dat hij dit niet wil pogen te ontdekken, en eene verzekering dat het eene schuld en eene daad van vergoeding is. Hij heeft met zijn ouden boekhouder daarover geraadpleegd, die overtuigd is, dat hij dat geld met eere kan aannemen, en niet twijfelt of het spruit uit eene nu lang vergetene zaak uit den tijd der oude firma.
Die oude vrijer, geen oud vrijer meer, is thans getrouwd, en dat wel met de zuster van den grijsharigen junior. Hij komt somtijds, maar zelden, zijn ouden patroon bezoeken. Er bestaat eene reden in de geschiedenis van den grijsharigen junior en eene nog sterkere reden in zijn naam, waarom hij van zijn ouden patroon verwijderd moet blijven, en daar hij bij zijne zuster en haar man woont, deelen deze in zijne afzondering. Walter bezoekt hen somtijds—Florence insgelijks—en dan galmen kunstige duetten voor piano en violoncel door het vroolijke huis.
En hoe gaat het den houten adelborst in deze veranderde dagen? Wel, hij staat daar nog, met den rechtervoet vooruit, observatiën op huurkoetsen doende, en wakkerder dan ooit, daar hij nieuw geschilderd is van zijn steekhoed af tot aan zijne schoenen met gespen; en boven hem blinken, met gouden letters, deze namen:
GILLS EN CUTTLE.
De houten adelborst doet wel geene grootere zaken dan hij vroeger deed, maar men zegt, dat eenige speculatiën van mijnheer Gills verbazend goed afloopen, en dat hij, in plaats van in die opzichten bij zijn tijd ten achteren te zijn, dien eigenlijk een weinigje vooruit was, en hij moest afwachten tot hij rijp werd. Men vertelt, dat het geld, hetwelk mijnheer Gills in die speculatiën had gezet, hem nu goede renten begint op te brengen, die zelfs al hooger en hooger worden. Zeker is het, dat hij, als hij met zijnkoffiebruinpak, zijn chronometer in den zak en zijn bril op het voorhoofd, aan zijne winkeldeur staat, het zich volstrekt niet schijnt aan te trekken dat er geene klanten komen, maar er zeer vroolijk en weltevreden uitziet, hoewel nog even nevelachtig als vroeger.
Wat zijn compagnon, den kapitein, betreft, deze leeft in eene verbeelding van drukte, die nog beter is dan de werkelijkheid. Hij is zoo overtuigd, dat de adelborst van het grootste gewicht is voor den handel en de zeevaart des lands, als hij met mogelijkheid wezen kon, indien geen schip zonder bijstand van den adelborst de haven vanLondenverliet. Zijne blijdschap in zijn eigen naam boven de deur is onuitputtelijk. Twintigmaal op een dag stapt hij de straat op, om van den overkant naar dien naam te kijken, en telkens zegt hij dan: “Edward Cuttle, mijn jongen, als uwe moeder eens had kunnen weten, dat gij ooit een man van wetenschap zoudt worden, dan zou de goede oude ziel toch versteld hebben gestaan!”
Maar daar komt Toots met geweldige vaart op den adelborst aan, en met een hoogrood gezicht stuift hij het achterkamertje binnen.[435]
“Kapitein Gills en mijnheer Sams,” zegt Toots, “ik ben verheugd u te kunnen berichten, dat mevrouw Toots eene vermeerdering van hare familie heeft gehad.”—“Dat strekt haar tot eer,” roept de kapitein.—“Ik feliciteer u, mijnheer Toots,” zegt Sam.—“Wel bedankt,” grinnikt Toots. “Ik ben u zeer verplicht. Ik wist wel dat ge blij zoudt zijn het te hooren, en daarom kwam ik zelf maar eens aanloopen. Wij komen nu vooruit. Daar is Florence, en Suze, en nu nog een kleintje.”—“Een meisje?” vraagt de kapitein.—“Ja, kapitein Gills,” antwoordde Toots, “en daar ben ik ook blij om. Hoe meermalen wij die buitengemeene vrouw kunnen herhalen, zooveel te beter, naar mijn gevoelen!”—“Sta vast,” zegt de kapitein, zich naar de oude vierkante flesch zonder hals keerende—want het is avond en de tafel is volgens gewoonte van pijpen en glazen voorzien. “Dat is op hare gezondheid, en mag zij er nog eens zoo veel krijgen!”—“Wel bedankt, kapitein Gills,” zegt de verheugde Toots. “Dat wensch ik ook. Als gij er niet tegen hebt, daar het nu toch niemand hinderen kan, zal ik eene pijp nemen, dunkt mij.”
Toots begint te rooken, en wordt zeer spraakzaam.
“Van alle merkwaardige voorbeelden van haar uitmuntend verstand, die mij die buitengemeene vrouw gegeven heeft, kapitein Gills en mijnheer Sams,” zegt Toots, “is er geen opmerkelijker, dunkt mij, dan de volmaaktheid, waarmede zij mijne vereering van jufvrouw Dombey heeft begrepen.”
Beide hoorders stemmen dit toe.
“Omdat ik, weet ge,” zegt Toots, “nooit van gevoelens ten aanzien van jufvrouw Dombey ben veranderd. Die zijn nog dezelfde als ooit voorheen. Zij is nog hetzelfde heerlijke verschijnsel voor mij, als voordat ik met Walters kennis maakte. Toen mevrouw Toots en ik het eerst daarvan begonnen te spreken—van de liefde, weet ge wel, kapitein Gills.”—“Ja, ja, mijn jongen,” zegt de kapitein, “die iedereen wel eens in de war brengt—zooals gij in het boek kunt nazien—”—“Dat zal ik zeker doen, kapitein Gills,” zegt Toots met grooten ernst. “Toen wij het eerst van zulke dingen begonnen te praten, zeide ik haar, dat ik was, wat men eene verdorde bloem zou noemen.”
De kapitein is zeer ingenomen met deze figuurlijke uitdrukking en mompelt, dat geene bloem, die er bloeit, bij de roos kan halen.
“Maar, och Heere,” vervolgt Toots, “zij was evengoed bekend met den staat van mijn gevoel als ik zelf. Ik kon erhaarniets meer van vertellen. Zij was de eenige, die zich tusschen mij en het stille graf kon plaatsen, en dat deed zij op eene manier, die mij tot eene eeuwige bewondering moet dwingen. Zij weet, dat er niemand in de wereld is, tegen wie ik zoo opzie, als tegen jufvrouw Dombey. Zij weet, dat er niets in de wereld is, dat ik niet voor jufvrouw Dombey zou willen doen. Zij weet, dat ik haar voor de schoonste, de beminnelijkste, de engelachtigste van hare sekse houd. En wat zegt zij daarvan? Het verstandigste dat iemand zou kunnen zeggen: “Gij hebt gelijk, beste. Ik denk eveneens.”—“Ik ook,” zegt de kapitein.—“Ik ook,” zegt Sam Gills.—“En dan,” hervat Toots, nadat hij eene poos peinzend aan zijne pijp heeft getrokken, terwijl zijn gezicht de innigste tevredenheid uitdrukt, “hoe oplettend is mijne vrouw! En hoe schrander! Welke aanmerkingen kan zij maken! Pas gisteravond, toen wij in het genot onzer echtelijke zaligheid bij elkander zaten—dat, op mijn woord van eer, nog maar eene flauwe uitdrukking is om mijn gevoel in het gezelschap van mijne vrouw aan te duiden—zeide zij, hoe opmerkelijk het was, die tegenwoordige positie van onzen vriend Walters. “Daar is hij,” zegt mijne vrouw, “van het zeevaren bevrijd, na die eerste lange reis met zijne jonge vrouw;” dat was hij ook, weet gij wel, mijnheer Sams.”—“Dat is waar,” zegt de oude instrumentmaker, in zijne handen wrijvende.—”“Daarvan,” zegt mijne vrouw, “wordt hij dadelijk bevrijd, krijgt thuis een post van groot vertrouwen bij hetzelfde kantoor, toont zich dat wederom waardig, klimt verbazend snel al hooger en hooger op; bemind door iedereen; door zijn oom bijgestaan op den tijd toen hem dat juist zoo goed te pas kwam als maar mogelijk was,”—dat ook zoo is, geloof ik, mijnheer Sams? Mijne vrouw heeft het altijd recht.”—“Ja, ja,” zegt de oude Sam lachende. “Dat is waar. Menige van onze verlorene schepen, met goud bevracht, zijn nog thuis gekomen. Kleine vaartuigjes, mijnheer Toots, maar die mijn jongen toch wel te pas kwamen.”—“Juist zoo!” zegt Toots. “Gij zult nooit vinden dat mijne vrouw het verkeerd heeft. “Hier is hij nu, in die omstandigheden,” zegt die buitengemeene vrouw—“en wat volgt er nu uit? Wat volgt er nu?” zegt zij. Let nu eens op, kapitein Gills en mijnheer Sams, hoe diep haar verstand doordringt. “Wel, dat,” zegt zij, “onder de oogen van mijnheer Dombey, de grondslag wordt gelegd van een gebouw,” dat was hare uitdrukking,” zegt Toots met opgetogenheid, “van een gebouw, dat het kantoor misschien nog zal overtreffen, waarvan hij eens aan het hoofd stond, en waarvan hij (een gewoon gebrek, maar een groot gebrek, zegt mijne vrouw), de kleine beginselen had vergeten. Zoo,” zeide mijne vrouw, “zal er uit zijne dochter toch nog een andere Dombey en Zoon opkomen—neen opstaan,” was haar woord, “en zegepralen!””
Toots geeft, met behulp van zijne pijp—die hij gaarne bezigt om oratorische gebaren te maken, daar het eigenlijke gebruik hem onaangename gewaarwordingen veroorzaakt—zooveel nadruk aan de voorspelling zijner vrouw, dat de kapitein, op den hoogsten trap van opgewondenheid, zijn blinkenden hoed wegwerpt en uitroept:[436]
“Sam Gills, gij man van wetenschap en mijn oude compagnon, wat heb ik Walter gezegd om na te lezen op dien avond toen hij pas op het kantoor was gekomen? Was het niet deze aanhaling: “Keer terug, Whittington, en als gij oud geworden zijt, zult gij er niet van afwijken.” Waren dat de woorden niet, Sam Gills?”—“Zekerlijk waren zij het, Ned,” antwoordde de oude instrumentmaker. “Ik herinner het mij nog wel.”—“Dan zal ik u eens wat zeggen,” hervat de kapitein, in zijn stoel achteroverleunende en zijne borst uitzettende om eens geducht te schreeuwen. “Ik zal u Mooie Peggy laten hooren, van het begin tot het eind; en sta vast, allebei voor het koor!”
Andere bespaarde wijn wordt ouder, gelijk de oude madera in zijn tijd deed; en stof en spinrag verzamelen zich om de flesschen.
De najaarsdagen zijn nog zacht en helder; en op het zeestrand wandelen dikwijls eene jonge dame en een oud heer met sneeuwwitte haren. Zij hebben twee kinderen, een jongetje en een meisje bij zich, en doorgaans houdt een oude hond hen gezelschap.
De oude heer met witte haren wandelt met het knaapje, praat met hem, helpt hem bij zijn spel, bewaakt hem, alsof hij het doel van zijn leven was. Als het kind nadenkend is, is de oude heer ook nadenkend; en somtijds, als het bij hem zit, en naar hem opkijkt, en allerlei vragen doet, neemt hij het zachte handje in zijne hand, en vergeet, het zoo vasthoudende, antwoord te geven. Dan zegt het kind:
“Wat, grootpapa? Gelijk ik weder zoo naar mijn armen kleinen oom?”—“Ja, Paul. Maar hij was zwak, en gij zijt heel sterk.”—“O, ja, ik ben heel sterk.”—“En hij lag op een bedje bij de zee, en gij kunt rondloopen.”
En dan wandelen zij weder op, want de heer met witte haren ziet het kind liefst in beweging; en daar men hen zooveel bij elkander ziet, wordt er veel van gesproken dat zij zoo aan elkander gehecht zijn.
Maar niemand behalve Florence weet hoe innig die heer met sneeuwwitte haren aan het meisje is gehecht. Daarvan wordt nooit gesproken. Het kind zelf verwondert zich bijna over het geheim, dat hij in zeker opzicht daarvan maakt. Hij bewaart haar als een schat in zijn hart. Hij kan haar nooit alleen zien zitten. Hij verbeeldt zich, dat zij zich verwaarloosd gevoelt, als er toch geene de minste reden daarvoor is. Hij sluipt heen om naar haar te zien als zij ligt te slapen. Hij heeft gaarne dat zij hem des morgens komt wakker maken. Hij is het teederst voor haar, en toont dat ook het meest, als er niemand anders bij is. Somtijds zegt het kind:
“Lieve grootpapa, waarom krijgt gij tranen in de oogen als gij mij een zoentje geeft?”
Dan antwoordt hij slechts: “Kleine Florence! Kleine Florence!” en strijkt de krullen weg, die hare ernstige oogen beschaduwen.
Lieve grootpapa, waarom krijgt gij tranen in de oogen als gij mij een zoentje geeft?