V.

[Inhoud]V.PAUL GROEIT VOORSPOEDIG EN WORDT GEDOOPT.Kleine Paul, die uit het bloed der Toodle’s geene smetstof opnam, werd van dag tot dag grooter en sterker. Van dag tot dag werd hij ook vuriger door jufvrouw Tox geliefkoosd, wier hartelijkheid in zooverre door Dombey werd gewaardeerd, dat hij haar voor eene zeer verstandige vrouw begon te houden, wier gevoel haar tot eer strekte en aanmoediging verdiende. Hij was zoo mild met zijne nederbuigende goedheid, dat hij niet alleen bij verschillende gelegenheden in het bijzonder voor haar boog, maar ook zijne zuster nu en dan een statig compliment voor haar opdroeg, zooals: “Zeg uwe vriendin, Louise, dat zij zeer goed is,” of “zeg jufvrouw Tox, Louise, dat ik haar verplicht[23]ben;” onderscheidingen, welke op de aldus vereerde dame een diepen indruk maakten.Jufvrouw Tox was gewoon mevrouw Chick dikwijls te verzekeren, dat niets hare belangstelling kon te boven gaan in alles wat maar met de ontwikkeling van dat lieve kind in betrekking stond; en iemand die haar gedrag waarnam had dit ook zonder zulk eene verklaring wel kunnen begrijpen. Zij woonde de onschuldige maaltijden van den jeugdigen erfgenaam met onuitsprekelijk genoegen bij, bijna met een gezicht alsof zij evenveel deel had aan het onthaal als Richards. Bij de kleine ceremoniën van het bad en toilet was zij met geestdrift behulpzaam. Het toedienen van kinderlijke medicijnen deed al de levendige sympathie van haar gemoed ontwaken; en toen zij bij zekere gelegenheid in eene kast was verscholen (waarin zij uit zedigheid de vlucht had genomen) toen Dombey door zijne zuster in de kinderkamer werd gebracht, om zijn zoon, die naar bed geholpen werd, in een kort en luchtig linnen japonnetje, eene kleine wandeling, tegen den heuvel van Richard’s japon op, te zien doen, was jufvrouw Tox zoo verrukt dat zij niet nalaten kon uit te roepen: “Is hij niet lekker, mijnheer Dombey! Is hij geen Cupidootje, mijnheer!” en toen bijna achter de kastdeur neerzonk van verlegenheid en schaamte.“Louise,” zeide Dombey eens tot zijne zuster, “ik denk waarlijk, dat ik uwe vriendin eene kleine gedachtenis moet vereeren bij gelegenheid als Paul gedoopt wordt. Zij heeft van den eersten af zooveel hartelijkheid voor het kind getoond, en schijnt hare positie zoo wel te begrijpen (eene zeer zeldzame verdienste in deze wereld, moet ik met leedwezen zeggen) dat het mij waarlijk aangenaam zou zijn haar een blijk van onderscheiding te geven.”Laat het de verdiensten van jufvrouw Tox niet verkleinen, als hier wordt aangestipt, dat in de oogen van Dombey, gelijk in sommige anderen die wel eens het licht zien, diegenen alleen zulk een toppunt van kennis bereikt hadden, dat zij hunne eigene positie begrepen, die een gepasten eerbied voor de zijne toonden. Hunne verdienste was niet zoozeer daarin gelegen, dat zij zich zelven kenden, als dat zij hem kenden en laag voor hem bogen.“Mijn beste Paul,” antwoordde zijne zuster, “gij laat jufvrouw Tox niet meer dan recht wedervaren, gelijk ik wel wist dat een man van uw doorzicht doen zou. Ik geloof, als er drie woorden in de taal zijn, waarvoor zij eene achting heeft, die bijna tot eerbied gaat, het de woorden zijn: Dombey en Zoon.”—“Wel,” zeide Dombey, “ik wil het gelooven. Het strekt jufvrouw Tox tot eer.”—“En wat een gedachtenisje betreft, beste Paul,” vervolgde zijne zuster, “kan ik niets anders zeggen, dan dat alles wat ge jufvrouw Tox maar geven kunt, als eene reliquie bewaard en vereerd zal worden. Maar er is een middel, mijn beste Paul, om uw gevoel voor de vriendelijkheid van jufvrouw Tox op eene nog vleiender manier te toonen, als ge daartoe genegen mocht zijn.”—“Hoe zoo?” vroeg Dombey.—“Het is natuurlijk een punt van belang, watconnectieen invloed betreft, welke peten een kind krijgt,” hervatte mevrouw Chick.—“Ik weet niet waarom zij dat voor mijn zoon zouden wezen,” zeide Dombey koel.—“Heel waar, beste Paul,” hervatte mevrouw Chick, met eene buitengewone vertooning van levendigheid, “en heel juist uitgedrukt. Ik had niet anders van u kunnen verwachten. Ik had wel kunnen weten dat dit uw gevoelen zou zijn. Misschien,” hier haperde mevrouw Chick weder, als niet gerust of zij wel op den rechten weg was, “misschien is dat wel eene reden waarom gij er minder bezwaar in zoudt hebben om jufvrouw Tox tot meter van den lieven kleine te nemen, al was het maar als plaatsvervangster van iemand anders. Dat dit als eene groote eer en onderscheiding zou worden opgenomen, Paul, behoef ik niet te zeggen.”—“Louise,” zeide Dombey na eene korte poos van stilte, “het is niet te vooronderstellen …”—“Zeker niet,” riep mevrouw Chick, zich haastende om eene weigering vooruit te loopen; “ik heb het ook nooit gedacht.”Dombey zag haar ongeduldig aan.“Laat mij niet schrikken, lieve Paul,” zeide zijne zuster, “want daar kan ik niet tegen. Ik ben lang niet sterk. Ik ben, sedert die arme lieve Fanny stierf, nog niet recht op mijn verhaal gekomen.”Dombey keek eens naar den zakdoek, dien zijne zuster voor hare oogen hield, en hervatte:“Het is niet te vooronderstellen, zeg ik …”—“En ik zeg,” prevelde mevrouw Chick, “dat ik het ook nooit gedacht heb.”—“Goede hemel, Louise!” zeide Dombey.—“Neen; mijn lieve Paul,” bracht zij met tranen en deftigheid hiertegen in, “ik moet waarlijk mogen spreken. Ik ben niet zoo knap, of zoo beredeneerd, of zoo welsprekend, of zoo iets anders als gij zijt. Dat weet ik heel wel. Zooveel te erger voor mij. Maar al waren het de laatste woorden die ik spreken moest—en laatste woorden moeten voor u en mij iets heel ernstigs wezen, Paul, na die arme lieve Fanny—dan zou ik nog zeggen, dat ik het nooit gedacht had. En wat meer is,” voegde mevrouw Chick er met nog grootere deftigheid bij, alsof zij haar verpletterend argument tot nog toe had teruggehouden, “ik heb het ook nooit gedacht.”Dombey ging eens naar het venster en kwam weder terug.“Het is niet te vooronderstellen, Louise,” zeide hij (mevrouw Chick had hare vlag aan den mast gespijkerd, en herhaalde “dat weet ik wel,” maar hij lette er niet op) “of er zijn[24]velen die, vooronderstellende dat ik in zulk een geval eenige aanspraken erkende, hoogere aanspraken op mij zouden hebben dan jufvrouw Tox. Maar dat doe ik niet. Ik erken zoo iets niet. Paul en ik zullen in staat zijn, als die tijd komt, om pal te staan—het kantoor, met andere woorden, zal in staat wezen om pal te staan, en zich te handhaven, en zich voort te planten, alleen en van zelf, zonder zulke alledaagsche hulpmiddelen. De soort van vreemde hulp welke de menschen gewoonlijk voor hunne kinderen zoeken, ben ik in staat te verachten, ben ik boven verheven, hoop ik. Als Paul’s kindsheid maar gelukkig verloopt, en ik hem zonder tijdverzuim geschikt zie worden voor de loopbaan, waarvoor hij bestemd is, ben ik tevreden. Hij zal zich vermogende vrienden maken zooveel hij wil, in later tijd, als hij werkzaam is om het aanzien en crediet der firma te handhaven,—en uit te breiden, als dat mogelijk is—tot zoolang ben ik genoeg voor hem, misschien, en alles in alles. Ik wil veel liever mijne gevoeligheid toonen voor de verplichtende handelwijs van een verdienstelijk persoon gelijk uwe vriendin. Laat het dus zoo zijn; en uw man en ik zullen kunnen volstaan voor de andere getuigen, durf ik zeggen.”Door deze gezegden, met groote statigheid uitgesproken, had Dombey waarlijk de geheime gewaarwordingen van zijn hart geopenbaard. Een onbeschrijfelijk wantrouwen dat zich iemand tusschen hem en zijn zoon zou plaatsen; eene trotsche vrees dat hij in den eerbied en de onderdanigheid van den knaap een mededinger of deelgenoot zou krijgen; een pijnlijke twijfel, pas bij hem opgekomen, dat hij niet onfeilbaar was in zijne macht om den wil van andere menschen te buigen en te dwingen; eene even pijnlijke benauwdheid voor eene tweede teleurstelling of belemmering; dit waren toen de heerschende aandoeningen zijner ziel. In al zijn leven had hij nooit een vriend gehad. Zijn koud en stug gemoed had er evenmin een gezocht als gevonden. En thans, nu dat gemoed zijne geheele kracht verzamelde om ze op een partijdig plan van vaderlijke baatzucht en eerzucht te richten, was het alsof de bevrozen stroom, in plaats van door dien invloed vrij te worden en helder voort te vloeien, slechts voor een oogenblik was ontdooid om zijn last op te nemen, en toen daarmede tot een enkel onbewegelijk blok was bevrozen.Aldus om hare onbeduidendheid tot het meterschap van den kleinen Paul verheven, was jufvrouw Tox van dat uur af tot dien post gekozen en benoemd; en Dombey gaf verder zijn welbehagen te kennen dat de plechtigheid, reeds lang vertraagd, zonder verder uitstel zou plaats hebben. Zijne zuster, die zulk een uitstekend gelukkigen afloop niet had durven verwachten, verwijderde zich zoodra zij maar kon, om dien aan hare beste vriendin mede te deelen, en Dombey bleef alleen in zijne bibliotheek.In de kinderkamer heerschte alles behalve eenzaamheid; want daar genoten mevrouw Chick en jufvrouw Tox een gezelligen avond, tot zoo groot misnoegen van Susanna Nipper, dat die jonge jufvrouw elke gelegenheid waarnam om achter de deur leelijke gezichten te trekken. Haar gevoel was bij deze gelegenheid zoodanig opgewonden, dat zij het onmisbaar vond zich deze verlichting te geven, zonder zelfs het genoegen van toeschouwers of deelneming te hebben. Gelijk de dolende ridders van den ouden tijd hun gemoed verlichtten door de namen hunner meesteressen in woestijnen en andere eenzame plaatsen te snijden of te graveeren, waar geene waarschijnlijkheid was dat ooit iemand zou komen om ze te lezen, zoo trok Susanna Nipper haar mopneusje schimpend in latafels en kleerkassen op, zoo schoot zij blikken van minachting in een buffet, en spottend schele lonken in eene steenen kan: zoo zond zij tegenspraak en scheldwoorden buiten de deur den gang in.De twee indringsters, die in eene zalige onbewustheid van de gevoelens der jonge juffer verkeerden, bleven echter gerust zitten terwijl kleine Paul werd uitgekleed, zijne luchtige wandeling deed, nog eens de borst nam en naar bed werd geholpen, en zetten zich toen bij het vuur om thee te drinken. De twee kinderen sliepen nu, door de goede diensten van Polly, in deze kamer; en het was niet voordat de dames aan hare theetafel waren gevestigd, dat zij toevallig naar de bedjes ziende, om Florence dachten.“Wat slaapt zij gerust,” zeide jufvrouw Tox. “Wel, ge weet, melieve, zij heefttegenwoordigveel beweging over dag,” antwoordde mevrouw Chick, “nu zij zoo druk met kleinen Paul speelt.”—“Zij is een wonderlijk kind,” zeide jufvrouw Tox.—“Melieve,” antwoordde mevrouw Chick zeer zacht. “Hare mama, heel en al.”—“Waarlijk!” zeide jufvrouw Tox. “Och Heere!”Jufvrouw Tox zeide dit op een toon van het diepste medelijden, schoon zij niet wist waarom, behalve dat dit van haar verwacht werd.“Florence zal nooit, nooit, nooit een Dombey worden,” zeide mevrouw Chick,“niet al wordt zij duizend jaar oud.”Jufvrouw Tox trok hare wenkbrauwen op en was wederom vol medelijden.“Ik kwel en pijnig mij zelve over haar,” zeide mevrouw Chick, met een zuchtje van bescheidene verdienste. “Ik weet waarlijk niet wat er van haar worden moet als zij ouder wordt, of wat hare positie zal moeten zijn. Zij neemt haar papa in het minste niet voor zich in. Hoe kan men ook denken dat zij dat zou doen,[25]daar zij zoo weinig naar een Dombey gelijkt?”Mevrouw Tox keek alsof zij tegen zulk eene bondige redeneering niets zag in te brengen.“En het kind, ziet ge,” zeide mevrouw Chick in diep vertrouwen, “heeft heel en al het karakter van die arme lieve Fanny. Zij zal zich in later tijd nooit eene inspanning vergen, durf ik wel zeggen. Nooit! Zij zal zich nooit om haar vaders hart slingeren en winden gelijk …”—“Gelijk het klimop?” gaf jufvrouw Tox in bedenking.—“Gelijk het klimop,” stemde mevrouw Chick toe … “Nooit!Nooit zal zij zichin haar papa’s boezem verschuilen, en in zijne genegenheid sluipen gelijk—de …”—“Gelijk de schichtige ree,” zeide mevrouw Tox.—“Gelijk de schichtige ree,” zeide mevrouw Chick. “Nooit! Arme Fanny! En hoeveel heb ik toch van haar gehouden!”—“Gij moet u maar niet bedroeven, lieve vriendin,” zeide jufvrouw Tox met eene troostende stem. “Kom, kom, waarlijk niet! Gij hebt al te veel gevoel.”—“Wij hebben allen onze gebreken,” zeide mevrouw Chick schreiende en haar hoofd schuddende. “Dat durf ik wel zeggen. Ik ben nooit blind voor de hare geweest. Dat heb ik nooit gezegd. Verre van daar. Maar hoeveel heb ik toch van haar gehouden!”Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen. (blz. 28).Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen.(blz. 28).Welk eene voldoening was het voor mevrouw Chick—eene tamelijk alledaagsche zottin, bij welke vergeleken, hare schoonzuster een engel van vrouwelijk verstand en zachtaardigheid was geweest—de nagedachtenis dier dame[26]met zulke verschoonende zachtheid te behandelen—evenals zij haar zelve in haar leven had gedaan—en zoo geheel in zich zelve te gelooven, zich zelve te foppen, en zich zoo ongemeen te streelen met de kracht harer verdraagzaamheid! Welk eene aangename deugd moet de verdraagzaamheid wezen als wij gelijk hebben, wanneer zij reeds zoo aangenaam is als wij ongelijk hebben en geheel buiten staat zijn om aan te toonen hoe wij met het voorrecht bekleed komen om haar te mogen uitoefenen!Mevrouw Chick zat nog hare oogen af te drogen en haar hoofd te schudden, toen Richards de vrijheid nam om haar te waarschuwen dat jonge jufvrouw Florence wakker was en overeind zat. Zij was overeind gekomen, gelijk de min zeide, en hare oogleden waren nat van tranen. Maar niemand zag ze glinsteren behalve Polly. Niemand anders boog zich over haar heen en fluisterde haar troostende woorden toe, of was dichtbij genoeg om het onstuimig kloppen van haar hartje te hooren.“O lieve min,” zeide het kind, haar ernstig aanziende. “Laat ik bij mijn broertje liggen.”—“Waarom, liefje?” zeide Richards.—“Och, ik denk dat hij mij wel liefheeft,” riep het kind verwilderd uit. “Laat ik bij hem liggen. Och toe!”Mevrouw Chick kwam nu met eenige moederlijke woorden tusschen beiden om haar te beduiden dat zij als een zoet kind moest gaan slapen, maar Florence herhaalde haar smeekend verzoek met een angstig gezichtje en eene door snikken afgebroken stem.“Ik zal hem niet wakker maken,” zeide zij, met een hangend hoofd de handjes voor de oogen houdende. “Ik zal hem maar even met mijne hand aanraken en dan gaan slapen. Och, laat ik van nacht maar bij mijn broertje liggen, want ik geloof dat hij veel van mij houdt.”Richards nam haar zonder een woord te spreken op, droeg haar naar het bedje waarin het kind sliep en legde haar naast het wichtje neer. Florence kroop zoo dicht bij hem als zij kon doen zonder zijne rust te storen; strekte schroomvallig een arm uit, zoodat hij om den hals van haar broertje kwam, verborg haar gezichtje op den anderen arm, waarover hare vochtige losgeraakte haren heenvielen, en bleef toen roerloos liggen.“Arme kleine,” zeide jufvrouw Tox. “Zij heeft gedroomd, denk ik zeker.”Dit geringe voorval had den loop van het gesprek zoodanig gestoord, dat het moeielijk weder op te vatten was; en bovendien was mevrouw Chick zoodanig ontroerd door de beschouwing van haar eigen verdraagzaam karakter, dat zij geen lust meer had om te praten. De twee vriendinnen maakten dus spoedig een eind aan haar theedrinken, en er werd een knecht gezonden, om voor jufvrouw Tox eene vigilante te halen. Jufvrouw Tox had groote ondervinding van vigilantes, en als zij met eene zou wegrijden, was dit doorgaans een werk dat tijd kostte, daar zij zeer stelselmatig in de toebereidselen daartoe was.“Wees zoo goed, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “om eerst met pen en inkt naar buiten te gaan en zijn nommer duidelijk op te schrijven.”—“Ja, jufvrouw!” zeide Towlinson.—“En dan, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “wees zoo goed om het kussen om te keeren.—Dat is doorgaans vochtig, melieve,” voegde zij er ter zijde tot mevrouw Chick bij.—“Ja, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En dan moet ik u, als het u belieft, Towlinson,” hervatte jufvrouw Tox, “nog met dit kaartje en dezen schelling lastig vallen. Hij moet mij op dit kaartje brengen, en wel verstaan dat hij om geene reden meer dan dien schelling zal krijgen.”—“Neen, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En—het spijt me dat ik u zooveel moeite geef, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox peinzend.—“Geheel niet, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“Zeg den man dan, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “dat een oom van de dame een rechter is, en dat hij, als hij haar eenige impertinentie toont, schrikkelijk gestraft zal worden. Gij kunt u wel houden, als het u belieft, Towlinson, alsof ge hem dat maar vriendschappelijk zegt, en omdat gij weet dat dit met een ander man gebeurde, die nu al dood is.”—“Zekerlijk, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En nu goeden nacht, mijn lief, lief petekindje,” zeide jufvrouw Tox, met een zacht regentje van kussen bij elke herhaling van het woord “lief.” “En Louise, beste vriendin, beloof me dat ge wat warms zult gebruiken eer ge naar bed gaat, en dat gij u niet bedroefd zult maken.”Het was met groote moeite dat Susanna Nipper, met de zwarte oogen, die strak stond te kijken, zich bij deze crisis en tot aan het kort daarop volgend vertrek van mevrouw Chick in bedwang hield. Maar toen de kinderkamer eindelijk van de dames was bevrijd, verschafte zij zich eenige vergoeding voor het geweld dat zij zich had aangedaan.“Ge zoudt me zes weken lang in een dwangjak kunnen zetten,” zeide zij, “en als het uitging zou ik nog maar nijdiger wezen. Wie heeft ooit van twee zulke draken gehoord, Richards?”—“En dan te zeggen dat zij gedroomd had, arm kind!” zeide Polly.—“O, gij lievertjes!” riep Susanna, en neeg voor de deur waardoor de dames waren heengegaan. “Nooit eene Dombey worden zal ze; het is wel te hopen dat ze niet zal; wij hebben er niet meer zoo noodig; een is al genoeg.”—“Maak de kinderen niet wakker, lieve Suze,” zeide Polly.—“Ik ben u wel zeer verplicht, jufvrouw[27]Richards,” zeide Susanna, die in hare gramschap weinig onderscheid tusschen vriend en vijand kende; “ik gevoel mij waarlijk vereerd dat ik bevelen van u ontvang, want ik ben toch maar eene zwarte slavin en mesties. Jufvrouw Richards, als gij mij nog meer orders geven kunt, zeg ze dan maar.”—“Gekheid! Orders!” zeide Polly.—“O lieve deugd, jufvrouw Richards,” riep Susanna, “die maar kort blijft mag de anderen, die voor vast geplaatst zijn, altijd orders geven. Wist ge dat niet? Wel, waar zijt ge dan geboren, jufvrouw Richards? Maar waar gij ook geboren moogt wezen, jufvrouw Richards,” hierbij schudde zij geweldig haar hoofd, “en wanneer en hoe (dat ge zelve best weten zult), gij moogt toch wel onthouden, als het u belieft, dat het één ding is orders te geven, en geheel iets anders ze aan te nemen. Iemand mag een ander zeggen om hals over kop van eene brug te springen in vijf en veertig voet water, jufvrouw Richards, maar de ander kan wel geen lust hebben om te duiken.”—“Zie daar nu,” zeide Polly, “ge zijt boos omdat gij een goedhartig schepsel zijt en veel van jonge jufvrouw Florence houdt; en toch valt ge mij op het lijf, omdat er niemand anders is.”—“Het is heel gemakkelijk voor sommige menschen om in een goed humeur te blijven, jufvrouw Richards,” antwoordde Suze, eenigszins verzacht, “als van hun kind zooveel werk wordt gemaakt als een prins, en het gestreeld wordt tot het zijne vrienden ik weet niet waar zou wenschen; maar als een lief, mooi, onschuldig dingetje, dat nooit een kwaad woord hooren moest, achteraf wordt gezet, dan is het een heel ander geval. Wel heere mijn tijd, jonge jufvrouw Flore, gij goddeloos ondeugend kind, als gij uwe oogen niet dadelijk toedoet, zal ik de bietebauwen roepen die op de vliering wonen om u levend te komen opeten.”Daarop maakte zij een gruwelijk gebulk, dat van een bietebauw uit het rundergeslacht moest komen, ongeduldig om zijn strengen plicht te vervullen. Nadat zij het meisje verder had gerustgesteld door haar het dek over het hoofd te slaan en het kussen drie of vier nijdige stompen te geven, sloeg zij hare armen over elkander, kneep zij haar mond dicht en bleef zij het overige van den avond naar het vuur zitten kijken.Schoon men in kinderkamertaal van kleinen Paul zeide, dat hij voor zijn ouderdom heel kennelijk was, lette hij toch op dat alles even weinig als op de toebereidselen tot zijn doopen op den tweeden dag daaraanvolgende, die evenwel—zoover de zorg voor zijn opschik, en die van zijn zusje, de min en de kindermeid betrof—met veel drukte in zijne tegenwoordigheid plaats hadden. Even weinig toonde hij op den bepaalden morgen eenig gevoel van het gewichtige daarvan; hij was integendeel buitengewoon genegen om te slapen en het zijne oppassters kwalijk te nemen dat zij hem kleedden om uit te gaan.Het was juist een ijzergrauwe najaarsdag, met een guren oostenwind—een dag geheel in overeenstemming met de plechtigheid. Dombey representeerde in zich zelven den wind, de duisternis en het najaarsachtige van dit doopfeest. Hij stond in zijne bibliotheek om het gezelschap te ontvangen, even koud en guur als het weder, en als hij door de glazen kamer naar de boomen in het tuintje keek, kwamen hunne bruine en gele bladeren naar omlaag dwarrelen, alsof zijn blik ze deed verdorren.Bah! Het waren zwarte, koude kamers; zij schenen, evenals de bewoners van het huis, in den rouw te zijn. De boeken, nauwkeurig volgens de grootte gerangschikt en als soldaten in gelid geschaard, schenen in hunne koude, harde, gladde monteeringen, met hun allen slechts één denkbeeld te hebben, en dat was bevriezend. De boekenkast, met geslotene glazen deuren, weerde alle familiariteiten af. De heer Pitt, in het brons, bovenop, zonder eenig spoor van zijne hemelsche afkomst over zich, bewaarde dien ontoegankelijken schat gelijk een betooverde moor. Eene stofferige urne, uit eene oude grafstede opgedolven, op elken hoogen hoek, predikte rouw en vergankelijkheid, als van twee preekstoelen; en de spiegel in den schoorsteenmantel, welke Dombey en zijn portret in éénen terugkaatste, scheen vol zwaarmoedig gepeins.Het stijve, hoekerige haardgereedschap scheen nauwer verwantschap dan iets anders daar op Dombey te kunnen doen gelden, met zijn dichtgeknoopten rok, zijne witte das, zijn zwaren gouden horlogeketting en zijne krakende laarzen. Maar dit was voor de komst van mijnheer en mevrouw Chick, die zich weldra vertoonden.“Mijn beste Paul,” prevelde mevrouw Chick, terwijl zij hem omhelsde, “het begin, hoop ik, van vele blijde dagen.”—“Dank u, Louise,” zeide Dombey stroef. “Hoe vaart ge, mijnheer John?”—“Hoe vaart gij, mijnheer?” zeide Chick.Hij gaf Dombey de hand, alsof hij vreesde dat die hem zou electriseeren. Dombey nam ze aan alsof zij een visch of eene zeeplant of eene dergelijke klamme zelfstandigheid was, en gaf ze hem terstond met statige beleefdheid weder terug.“Misschien, Louise,” zeide Dombey, zijn hoofd eenigszins in zijne das omdraaiende, alsof het op eene spil stond, “zoudt ge liever vuur gehad hebben?”—“O mijn lieve Paul,” zeide mevrouw Chick, die veel moeite had om hare tanden het klapperen te beletten, “voor mij niet.”—“Mijnheer John,” zeide Dombey, “gij voelt toch geene kilheid?”[28]Mijnheer John, die zijne handen reeds tot over de polsen in zijne broekzakken had gestoken, betuigde dat hij het warm genoeg vond.Hij voegde er zachtjes bij, “met mijn tiere liere la,” toen hij gelukkig door Towlinson werd gestuit, die jufvrouw Tox aandiende.En nu trad deze schoone binnen, met een blauwen neus en een onbeschrijfelijk koudbont gezicht, daaraan te wijten dat zij zich, om de plechtigheid eer aan te doen, zeer dun in een warhoop van fladderende lapjes en strookjes had gekleed.“Hoe vaart gij, jufvrouw Tox?” zeide Dombey.Te midden harer uitspreidende gazen strooken zonk jufvrouw Tox geheel in elkander, evenals een tooneelkijker die ingeschoven wordt; zij neeg zoo laag uit erkentelijkheid dat Dombey haar een paar stappen te gemoet kwam.“Ik kan deze gelegenheid nooit vergeten, mijnheer,” zeide jufvrouw Tox zachtjes. “Dat is onmogelijk. Mijne lieve Louise, ik kan haast het getuigenis van mijne zinnen niet gelooven.”Indien jufvrouw Tox het getuigenis van een harer zinnen gelooven kon, was het een zeer koude dag. Dit was volkomen duidelijk. Zij nam de eerste gelegenheid waar om den bloedsomloop in het tipje van haar neus te bevorderen door dit heimelijk met haar zakdoek te wrijven, opdat het door deszelfs bijzonder lage temperatuur het wichtje niet op eene onaangename wijs zou verbazen, als zij het een kus zou komen geven.Weldra verscheen dit wichtje, in groote staatsie door Richards gedragen, terwijl Florence, in bewaring van Susanna Nipper, als dienaar van politie, achteraankwam. Hoewel het gezelschapje uit de kinderkamer thans in lichter rouw was gekleed dan in het eerst, had het voorkomen der moederlooze kinderen toch iets, niet geschikt om den dag helderder te doen schijnen. Ook begon het wichtje—misschien was het wel om den neus van jufvrouw Tox—te schreeuwen, en verhinderde daardoor mijnheer Chick in de ongepaste volvoering van een zeer welgemeend voornemen dat hij had, namelijk om bijzonder werk van Florence te maken. Want deze heer, ongevoelig voor de hoogere aanspraken van een volmaakten Dombey (misschien wel omdat hij zelf de eer had van met eene Dombey vereenigd te zijn, en aan dat uitmuntende gewoon was geworden) had waarlijk veel schik in haar, toonde dit ook, en was nu gereed om dit op zijne manier weder te toonen, toen Paul begon te schreien, en zijne wederhelft hem stuitte.“Kom, Florence, kind!” zeide hare tante levendig. “Wat doet ge nu toch, liefje? Laat u aan hem kijken. Houd hem wat bezig!”De lucht in het rond werd al kouder en kouder, of had dit wel kunnen worden, terwijl Dombey stijf en stil naar zijn dochtertje stond te kijken, dat in hare handjes klappende voor den troon van zijn zoon en erfgenaam op de teenen ging staan en hem verlokte van zijne hooge waardigheid op haar neer te zien. Eene welgemeende beweging van Richards mag daartoe hebben geholpen, maar hij keek naar omlaag en hield zich stil. Als zijn zusje zich achter de min verschool, volgde hij haar met de oogen; en als zij met een dartelen kreet naar hem kwam uitkijken, sprong hij op en kraaide—hardop lachende als zij op hem kwam toeloopen, en terwijl zij hem met zoentjes smoorde, scheen hij met zijne kleine handjes hare krullen te liefkoozen.Behaagde het Dombey toen hij dit zag? Hij toonde geen genoegen door het ontspannen van een enkelen trek; maar uitwendige blijken van eenigerlei gevoel waren bij hem iets buitengewoons. Als er een zonnestraal in de kamer sloop om de kinderen onder hun spel te beschijnen, bereikte hij zijn gezicht toch niet. Hij bleef zoo strak en koel toekijken, dat het warme licht zelfs uit de lachende oogen der kleine Florence verdween, toen zij eindelijk toevallig de zijnen ontmoette.Het was wel een donkere grauwe najaarsdag, en in de korte poos van stilte, die hierop volgde, vielen de bladeren treurig neer.“Mijnheer John,” zeide Dombey, op zijn horloge ziende, en daarna hoed en handschoenen opnemende. “Neem mijne zuster, als het u belieft; mijn arm is vandaag voor jufvrouw Tox. Gij moest liever met jongen heer Paul vooruitgaan, Richards. Wees heel voorzichtig.”In Dombey’s koets zaten Dombey en Zoon, jufvrouw Tox, mevrouw Chick, Richards en Florence; in een ander rijtuigje volgden Susanna Nipper en de eigenaar, mijnheer Chick. Susanna keek aanhoudend uit het portier, om niet verlegen te worden, dat zij het groote gezicht van dien heer zoo vlak over zich had, en dacht telkens als er iets rammelde, dat hij eene voegzame vereering voor haar in een papiertje deed.Eens op weg naar de kerk, klapte Dombey tot vermaak van zijn zoon in de handen; bij welk voorbeeld van vaderlijke geestvervoering jufvrouw Tox verrukt was. Doch met uitsluiting van dit voorval, bestond het voornaamste verschil tusschen dit naar een doop rijdend gezelschap en een gezelschap in eene rouwkoets, in de kleur van de koets en de paarden.Aan de deur der kerk werden zij door een geduchten kerkeknecht ontvangen. Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen, en naast hem bij het portier bleef staan, scheen wel een tweede kerkeknecht te zijn. Een minder prachtig maar veel geduchter tuchtmeester; de tuchtmeester van den huiselijken kring en het dagelijksche leven.De hand van jufvrouw Tox beefde, toen zij die door Dombey’s arm stak, en zich, door[29]een steekhoed en een bont gekleurden kraag voorafgegaan, de trappen voelde opleiden. Voor een oogenblik scheen het naar die andere plechtigheid te gelijken.—“Wilt gij dezen man hebben, Lucretia?”—“Ja, ik wil.”—“Breng het kind maar gauw hier uit de lucht,” fluisterde de kerkeknecht, de binnendeur der kerk open houdende.Kleine Paul had wel met Hamlet mogen vragen: “In mijn graf?” zoo kil en dompig was het daar. De hooge met donkere stof bekleede preekstoel en leeslessenaar, het akelige verschiet van ledige banken, die zich onder de galerijen uitstrekten en tot aan het dak opstegen, waar zij zich in de schaduw van het groote sombere orgel verloren; de stofferige matten en koude steenen zerken; de smerige vrije banken in de zijgangen; en de vochtige hoek bij het klokkentouw, waar de zwarte schragen, bij begrafenissen gebezigd, waren weggeborgen, benevens eenige schoppen en manden en een paar ringen grafachtig touw; de vreemde, onaangename reuk en het lijkachtige licht, alles strookte met elkander. Het was een koud en akelig tooneel.“Er wordt juist getrouwd, mijnheer,” zeide de kerkeknecht; “maar het zal zoo meteen gedaan zijn, als gij hier maar even in de kerkekamer wilt gaan.”Eer hij zich weder omkeerde om vooruit te gaan, maakte hij voor Dombey eene buiging met een half glimlachje van herkenning, om aan te duiden dat het hem (den kerkeknecht) nog wel heugde het genoegen te hebben gehad van op hem te wachten toen hij zijne vrouw kwam begraven, en hoopte dat hij sedert wel in zijn schik was geweest.Zelfs de trouwplechtigheid, die zij zagen toen zij het altaar voorbijgingen, had iets akeligs. De bruid was te oud en de bruidegom te jong, en een oud maar zeer pronkerig gekleed heertje met één oog en een lorgnet voor de andere ledige holte, was bruidsvader, en de vrienden stonden te huiveren. In de kerkekamer rookte het; en een bejaarde, overwerkte en karig betaalde procureursklerk, die “iets moest nazoeken,” liep met zijn voorvinger langs de perkamenten bladen van een ontzaglijk register (een van eene lange reeks dergelijke boeken) propvol aanteekeningen van begrafenissen. Boven den schoorsteen was eene grondteekening van de grafgewelven onder de kerk; en mijnheer Chick, die om het gezelschap te vervroolijken de bijgeschreven verklaring overluid voorlas, had de aanwijzing van mevrouw Dombey’s graf voluit gelezen, eer hij zich kon bedenken.Na nog eene koude poos wachtens, riep eene aamborstige stoelenzetster, met een kuch, die aan het kerkhof, niet aan de kerk, moest doen denken, hen naar de doopvont. Hier wachtte men nog een poosje terwijl de pas getrouwden en hun gezelschap in de kerkekamer draalden; en ondertusschen liep de aamborstige stoelenzetster, nog harder hoestende,—gedeeltelijk omdat zij dit niet laten kon, gedeeltelijk opdat het aftrekkende gezelschap haar niet zou vergeten—door de kerk rond.Weldra kwam de klerk (de eenige die er eenigszins vroolijk uitzag—en hij was een aanspreker) met eene kan warm water aan, en terwijl hij dit in de doopvont goot, zeide hij iets van de kilheid weg te nemen, hetgeen millioenen emmers kokend heet water niet hadden kunnen doen. Toen verscheen de geestelijke, een jong hulpprediker, met een zacht en vriendelijk gezicht, maar blijkbaar bang voor het kind, gelijk de hoofdpersoon in eene spookhistorie, “eene lange gedaante geheel in ’t wit;” op wiens gezicht Paul de kerk met zijn geschreeuw vervulde, niet ophoudende voordat hij met een leiblauw gezichtje werd weggebracht.Zelfs toen dit, tot verademing van alle aanwezigen geschied was, hoorde men hem nog zoolang de plechtigheid verder duurde, in het portaal, nu flauwer dan harder, dan bijna stil, dan weder met een onbedwingbaar gevoel van zijne grieven uitbarstende. Dit trok de aandacht der twee dames zoodanig af, dat mevrouw Chick gedurig den middelgang instapte om boodschappen met de stoelenzetster te zenden, terwijl jufvrouw Tox haar gebedenboek bij het buskruitverraad openhield, en nu en dan de antwoorden uit dat formulier oplas.Onder dit alles bleef Dombey zoo stijf en statig als ooit, en droeg er misschien toe bij om het zoo koud te maken, dat den jongen hulpprediker onder het lezen eene dampwolk uit den mond vloog. De eenige maal dat hij zijn gezicht eenigszins ontspande, was toen de geestelijke, bij het lezen der toespraak aan het slot (hetgeen hij zeer eenvoudig en zonder eenige gemaaktheid deed) aangaande de toekomstige ondervraging van het kind door de doopgetuigen, toevallig mijnheer Chick aanzag; en toen had men Dombey door een blik vol majesteit kunnen zien uitdrukken, dat hij zijn schoonbroeder wel eens daarop wilde betrappen.Het zou misschien goed voor Dombey zijn geweest als hij wat minder aan zijne eigene waardigheid had gedacht, en wat meer aan den grooten oorsprong en het gewichtige doel der plechtigheid, waaraan hij zoo stijf en statig deel nam. Zijne verwaandheid stond in een vreemd contrast met de geschiedenis dier instelling.Toen alles voorbij was, gaf hij zijn arm weder aan jufvrouw Tox en leidde haar naar de kerkekamer, waar hij den geestelijke onderrichtte hoeveel genoegen het hem zou verschaft hebben de eer van zijn gezelschap aan den maaltijd te verzoeken, indien zijne ongelukkige huiselijke omstandigheden dit niet hadden verhinderd. Toen het register geteekend, het doopgeld[30]betaald, de stoelenzetster (die weer zeer erg hoestte) bedacht, de kerkeknecht bevredigd, en de doodgraver (die toevallig in het portaal stond en met groote belangstelling naar het weder keek) niet vergeten was, stapte men weder in de koetsen en reed in dezelfde kille gezelligheid naar huis.Daar vonden zij den ouden heer Pitt, zijn neus ophalende voor een koud collation, in koude pracht van glas- en zilverwerk opgezet, en dat meer naar een diner op een paradebed dan naar een gezellig onthaal geleek. Bij hunne aankomst bracht jufvrouw Tox een kroesje voor haar petekind te voorschijn, en mijnheer Chick een mes, vork en lepel in een doosje. Dombey haalde een armband voor jufvrouw Tox voor den dag; en bij het ontvangen dezer gedachtenis was jufvrouw Tox teeder aangedaan.“Mijnheer John,” zeide Dombey, “wilt gij aan het eind van de tafel plaats nemen, als het u belieft. Wat hebt gij daar, mijnheer John?”—“Ik heb hier eene koude kalfsschijf, mijnheer,” antwoordde Chick, zeer hard zijne handen wrijvende. “Wat hebt gij daar, mijnheer?”—“Dit,” antwoordde Dombey, “is eene toebereiding van kouden kalfskop, geloof ik. Ik zie ook koude kippen—ham—kreeften—sla—jufvrouw Tox, wilt ge mij de eer bewijzen om eens te drinken? Champagne voor jufvrouw Tox.”Er stak kiespijn in alles. De wijn was zoo bitter en koud, dat hij jufvrouw Tox een gilletje afdwong, hetwelk zij met groote moeite in een lachje veranderde. Het kalfsvleesch kwam uit zulk eene luchtige vliegenkast, dat het eerste proefje er van mijnheer Chick een gevoel als van koud lood tot in de teenen zond. Dombey alleen bleef onbewogen. Hij had op eene Russische kermis te koop gehangen kunnen worden als een staaltje van een bevrozen gentleman.De heerschende invloed was zelfs zijne zuster te erg. Zij deed geene poging tot vleierij of beuzelpraatjes, maar alleen haar best om er zoo warm uit te zien als zij kon.“Wel, mijnheer,” zeide Chick, na eene lange stilte een wanhopigen sprong doende, en een glas sherry inschenkende; “ik zal dit, mijnheer, als ge mij permitteert, op het welzijn van den kleinen Paul drinken.”—“Zegen hem!” prevelde jufvrouw Tox, een teugje nemende.—“Lieve kleine Dombey!” fluisterde mevrouw Chick.—“Mijnheer John,” zeide Dombey met strengen ernst, “mijn zoon zou zonder twijfel zijne verplichting aan u gevoelen en uitdrukken, als hij reeds in staat was om de gunst, die gij hem bewezen hebt, te waardeeren. Hij zal in vervolg van tijd, vertrouw ik, bewijzen berekend te zijn voor alle verantwoordelijkheid, welke de verplichtende welwillendheid van vrienden en betrekkingen in het bijzondere leven, of de gewichtige plichten van onze openbare positie hem kunnen opleggen.”De toon waarop dit gezegd werd liet geen wederantwoord toe, en Chick verzonk dus nogmaals in neerslachtigheid en stilzwijgen. Niet zoo jufvrouw Tox, die met nog meer opgetogene aandacht en nog meer uitdrukking in het overhangen van haar hoofd dan gewoonlijk naar Dombey geluisterd had, en nu over de tafel leunde en zachtjes tot mevrouw Chick zeide:“Louise!”—“Lieve vriendin,” zeide mevrouw Chick.—“Gewichtige plichten van onze openbare positie hem mag—ik heb de juiste uitdrukking vergeten.”—“Hem mogen blootstellen,” zeide mevrouw Chick.—“Neem mij niet kwalijk, lieve,” hervatte jufvrouw Tox, “ik geloof van neen. Het was meer welluidend en vloeiend. De verplichtende welwillendheid van vrienden en betrekkingen in het bijzondere leven, of de gewichtige plichten van onze openbare positie hem—kunnen—opleggen?”—“Opleggen—o wel zeker,” zeide mevrouw Chick.Jufvrouw Tox klapte zegevierend in hare kleine handjes en zeide, in verrukking hare oogen opslaande: “Dat is welsprekend!”Dombey had ondertusschen last gegeven dat Richards zou geroepen worden. Deze trad nu nijgende binnen, maar zonder kind, daar Paul, na de vermoeienis van dien morgen, in slaap geraakt was. Nadat Dombey aan deze onderhoorige een glas wijn had gegeven, sprak hij haar met deze woorden aan: vooraf zette jufvrouw Tox haar hoofd reeds op zijde en maakte andere kleine schikkingen om ze in haar hart te graveeren.“In de zes maanden of daaromtrent, Richards, die gij hier in huis hebt gewoond, hebt gij uw plicht gedaan. Verlangende om u bij deze gelegenheid een geringen dienst te bewijzen, heb ik nagedacht hoe ik best dat oogmerk zou kunnen bereiken, en ben ik ook te rade gegaan met mijne zuster, mevrouw …”—“Chick,” viel de heer van dien naam er op in.—“O, stil toch, als ’t ublieft!” zeide jufvrouw Tox.—“Ik wilde u zeggen, Richards,” hervatte Dombey, met een ontzettenden blik naar mijnheer John, “dat ik bij het nemen van mijn besluit verder bestuurd werd door de herinnering van een gesprek, dat ik in deze kamer met uw man heb gehouden, bij gelegenheid dat gij gehuurd werdt, en waarbij hij mij de treurige omstandigheid mededeelde, dat uwe familie, hij zelf aan het hoofd, in onwetendheid was gedompeld en verzonken.”Richards sloeg onder de deftigheid dezer bestraffing de oogen neer.“Ik ben verre van datgene toegedaan te zijn,” vervolgde Dombey, “wat menschen, die overdreven liberale gevoelens hebben, algemeene opvoeding noemen. Maar het is noodzakelijk[31]dat de mindere klassen onderricht blijven ontvangen om hunne positie te kennen en zich behoorlijk te gedragen. In zooverre geef ik mijne goedkeuring aan scholen. Daar ik macht heb om een kind te plaatsen in de fondatie eener oude instelling, die naar een achtbaar gilde, de Liefdadige Slijpers wordt genoemd, waar niet alleen den scholieren eene heilzame opvoeding wordt gegeven, maar zij insgelijks van eene bovenkleeding en een onderscheidingsteeken worden voorzien, heb ik (vooraf door mevrouw Chick met uwe familie in overleg getreden) uw oudsten zoon tot de opengevallene plaats benoemd, en heeft hij vandaag, naar ik onderricht ben, de kleeding aangenomen. Het nommer van haar zoon is, geloof ik,” vervolgde hij, zich naar zijne zuster keerende, en sprekende alsof het kind eene huurkoets was, “honderd zeven en veertig. Louise, dat kunt gij haar zeggen.”—“Honderd zeven en veertig,” zeide mevrouw Chick. “De kleeding, Richards, is een mooie, warme, blauwe saaien rok met lange panden, en eene pet van dezelfde stof, met oranje uitgemonsterd, roode wollen kousen, en eene korte leeren broek, heel sterk. Men zou zulk goed zelf kunnen dragen,” zeide mevrouw Chick, met geestvervoering, “en er dankbaar voor zijn.”—“Wel, Richards!” zeide jufvrouw Tox. “Nu moogt ge wel trotsch wezen. De Liefdadige Slijpers!”—“Ik ben u zeker wel zeer verplicht, mijnheer,” antwoordde Richards flauw, “en houd het voor eene groote goedheid dat gij om mijne kleintjes denkt.” Te gelijker tijd rees eene verschijning van Biler als een Liefdadig Slijpertje, met zijne korte beentjes in de door mevrouw Chick beschrevene, onverslijtelijke broek gepakt, voor Richards’ oogen op, en deed ze wateren.—“Het verheugt mij wel te zien, dat ge zooveel gevoel hebt, Richards,” zeide jufvrouw Tox.—“Het doet iemand bijna hopen, dat doet het waarlijk,” zeide mevrouw Chick, die er zich op beroemde dat zij altijd het beste van de menschen vertrouwde, “dat er nog een vonkje van dankbaarheid en rechtschapenheid in de wereld is.”Richards beantwoordde deze complimenten door te nijgen en eene dankbetuiging te prevelen; maar het geheel onmogelijk vindende om zich te herstellen van de ontroering, welke het beeld van haar zoon met zijn kort lederen broekje haar veroorzaakt had, ging zij langzamerhand naar de deur, en was hartelijk blijde toen zij daaruit ontsnapt was.De tijdelijke teekenen van een gedeeltelijken dooi, die met haar verschenen waren, verdwenen ook met haar; en de vorst viel weder in, zoo koud en hard als ooit. Men hoorde mijnheer Chick aan het eind van de tafel tweemaal een wijsje brommen, maar beide keeren was het een brok van den doodenmarsch in Saul. Het gezelschap scheen al kouder en kouder te worden en langzamerhand in een geheel bevrozen toestand over te gaan, gelijk het collation waarom het verzameld was. Eindelijk zag mevrouw Chick jufvrouw Tox aan en zond jufvrouw Tox dien blik terug; beiden stonden op en zeiden dat het waarlijk tijd was om te gaan. Daar Dombey dit bericht met volmaakte gelijkmoedigheid ontving, namen zij afscheid van dezen heer en vertrokken weldra onder de hoede van mijnheer Chick, die, toen zij het huis den rug hadden gekeerd en den meester in zijne gewone eenzame grootheid gelaten, zijne handen in zijne zakken stak, zich in het rijtuig achterover liet zakken, en een van zijne lijfdeuntjes geheel uitfloot, waarbij hij zulk een dreigend en somber uitdagend gezicht zette, dat mevrouw Chick niet durfde protesteeren of hem op eenigerlei manieren hinderlijk zijn.Richards kon, hoewel zij den kleinen Paul op haar schoot had, haar eigen eerstgeborene niet vergeten. Zij gevoelde dat dit ondankbaar was; maar de invloed van den dag strekte zich zelfs tot de Liefdadige Slijpers uit, en zij kon niet nalaten zijn tinnen plaatje op de mouw, met nommer honderd zeven en veertig, voor iets te houden dat ook heel streng en hard was. Zij sprak ook in de kinderkamer van zijne kleine beentjes, en werd nogmaals gekweld door zijne schim in uniform.“Ik weet niet wat ik wel geven wou,” zeide Polly, “om het arme lieve kind nog eens te zien eer hij er aan gewoon wordt.”—“Wel, zal ik u eens wat zeggen, jufvrouw Richards,” zeide Suze, die zij in haar vertrouwen had genomen, “ga hem zien en stel zoo uw gemoed gerust.”—“Mijnheer Dombey zal het niet willen hebben,” zeide Polly.—“Niet, jufvrouw Richards!” liet Suze hierop volgen. “Hij zou het wel graag willen hebben, denk ik, als men het hem vroeg.”—“Gij zoudt het hem geheel niet vragen, geloof ik?” zeide Polly.—“Neen, jufvrouw Richards, wel ten contrarie,” antwoordde Suze; “en daar die twee inspecteurs, Tox en Chick, morgen niet op de wacht denken te zijn, zooals ik ze heb hooren zeggen, zullen jonge jufvrouw Flore en ik morgenochtend met u meegaan, en als ge dan wilt, jufvrouw Richards, kunnen we daar evengoed een straatje op en neer kuieren als ergens anders—nog beter zelfs.”Polly verwierp dit denkbeeld in het eerst met vrij veel drift; maar langzamerhand begon zij het toch te begunstigen, toen de verbodene schilderijen van hare kinderen en haar eigen huis haar al duidelijker voor de oogen kwamen. Eindelijk beredeneerende dat er toch geen groot kwaad in kon steken als zij eens even aan de deur aanging, nam zij Suze’s voorslag aan.Toen de zaak aldus was afgesproken, begon[32]kleine Paul jammerlijk te schreeuwen, alsof hij een voorgevoel had dat er geen goed van zou komen.“Wat scheelt het kind toch?” vroeg Suze.—“Hij is koud, denk ik,” zeide Polly, met den kleine heen en weer wandelende en hem sussende.Het was waarlijk een gure najaarsavond; en toen zij wandelde en suste, en door de beslagene vensters uitkijkende, den kleine dichter aan hare borst drukte, vielen de verdorde bladeren bij geheele vlagen af.

[Inhoud]V.PAUL GROEIT VOORSPOEDIG EN WORDT GEDOOPT.Kleine Paul, die uit het bloed der Toodle’s geene smetstof opnam, werd van dag tot dag grooter en sterker. Van dag tot dag werd hij ook vuriger door jufvrouw Tox geliefkoosd, wier hartelijkheid in zooverre door Dombey werd gewaardeerd, dat hij haar voor eene zeer verstandige vrouw begon te houden, wier gevoel haar tot eer strekte en aanmoediging verdiende. Hij was zoo mild met zijne nederbuigende goedheid, dat hij niet alleen bij verschillende gelegenheden in het bijzonder voor haar boog, maar ook zijne zuster nu en dan een statig compliment voor haar opdroeg, zooals: “Zeg uwe vriendin, Louise, dat zij zeer goed is,” of “zeg jufvrouw Tox, Louise, dat ik haar verplicht[23]ben;” onderscheidingen, welke op de aldus vereerde dame een diepen indruk maakten.Jufvrouw Tox was gewoon mevrouw Chick dikwijls te verzekeren, dat niets hare belangstelling kon te boven gaan in alles wat maar met de ontwikkeling van dat lieve kind in betrekking stond; en iemand die haar gedrag waarnam had dit ook zonder zulk eene verklaring wel kunnen begrijpen. Zij woonde de onschuldige maaltijden van den jeugdigen erfgenaam met onuitsprekelijk genoegen bij, bijna met een gezicht alsof zij evenveel deel had aan het onthaal als Richards. Bij de kleine ceremoniën van het bad en toilet was zij met geestdrift behulpzaam. Het toedienen van kinderlijke medicijnen deed al de levendige sympathie van haar gemoed ontwaken; en toen zij bij zekere gelegenheid in eene kast was verscholen (waarin zij uit zedigheid de vlucht had genomen) toen Dombey door zijne zuster in de kinderkamer werd gebracht, om zijn zoon, die naar bed geholpen werd, in een kort en luchtig linnen japonnetje, eene kleine wandeling, tegen den heuvel van Richard’s japon op, te zien doen, was jufvrouw Tox zoo verrukt dat zij niet nalaten kon uit te roepen: “Is hij niet lekker, mijnheer Dombey! Is hij geen Cupidootje, mijnheer!” en toen bijna achter de kastdeur neerzonk van verlegenheid en schaamte.“Louise,” zeide Dombey eens tot zijne zuster, “ik denk waarlijk, dat ik uwe vriendin eene kleine gedachtenis moet vereeren bij gelegenheid als Paul gedoopt wordt. Zij heeft van den eersten af zooveel hartelijkheid voor het kind getoond, en schijnt hare positie zoo wel te begrijpen (eene zeer zeldzame verdienste in deze wereld, moet ik met leedwezen zeggen) dat het mij waarlijk aangenaam zou zijn haar een blijk van onderscheiding te geven.”Laat het de verdiensten van jufvrouw Tox niet verkleinen, als hier wordt aangestipt, dat in de oogen van Dombey, gelijk in sommige anderen die wel eens het licht zien, diegenen alleen zulk een toppunt van kennis bereikt hadden, dat zij hunne eigene positie begrepen, die een gepasten eerbied voor de zijne toonden. Hunne verdienste was niet zoozeer daarin gelegen, dat zij zich zelven kenden, als dat zij hem kenden en laag voor hem bogen.“Mijn beste Paul,” antwoordde zijne zuster, “gij laat jufvrouw Tox niet meer dan recht wedervaren, gelijk ik wel wist dat een man van uw doorzicht doen zou. Ik geloof, als er drie woorden in de taal zijn, waarvoor zij eene achting heeft, die bijna tot eerbied gaat, het de woorden zijn: Dombey en Zoon.”—“Wel,” zeide Dombey, “ik wil het gelooven. Het strekt jufvrouw Tox tot eer.”—“En wat een gedachtenisje betreft, beste Paul,” vervolgde zijne zuster, “kan ik niets anders zeggen, dan dat alles wat ge jufvrouw Tox maar geven kunt, als eene reliquie bewaard en vereerd zal worden. Maar er is een middel, mijn beste Paul, om uw gevoel voor de vriendelijkheid van jufvrouw Tox op eene nog vleiender manier te toonen, als ge daartoe genegen mocht zijn.”—“Hoe zoo?” vroeg Dombey.—“Het is natuurlijk een punt van belang, watconnectieen invloed betreft, welke peten een kind krijgt,” hervatte mevrouw Chick.—“Ik weet niet waarom zij dat voor mijn zoon zouden wezen,” zeide Dombey koel.—“Heel waar, beste Paul,” hervatte mevrouw Chick, met eene buitengewone vertooning van levendigheid, “en heel juist uitgedrukt. Ik had niet anders van u kunnen verwachten. Ik had wel kunnen weten dat dit uw gevoelen zou zijn. Misschien,” hier haperde mevrouw Chick weder, als niet gerust of zij wel op den rechten weg was, “misschien is dat wel eene reden waarom gij er minder bezwaar in zoudt hebben om jufvrouw Tox tot meter van den lieven kleine te nemen, al was het maar als plaatsvervangster van iemand anders. Dat dit als eene groote eer en onderscheiding zou worden opgenomen, Paul, behoef ik niet te zeggen.”—“Louise,” zeide Dombey na eene korte poos van stilte, “het is niet te vooronderstellen …”—“Zeker niet,” riep mevrouw Chick, zich haastende om eene weigering vooruit te loopen; “ik heb het ook nooit gedacht.”Dombey zag haar ongeduldig aan.“Laat mij niet schrikken, lieve Paul,” zeide zijne zuster, “want daar kan ik niet tegen. Ik ben lang niet sterk. Ik ben, sedert die arme lieve Fanny stierf, nog niet recht op mijn verhaal gekomen.”Dombey keek eens naar den zakdoek, dien zijne zuster voor hare oogen hield, en hervatte:“Het is niet te vooronderstellen, zeg ik …”—“En ik zeg,” prevelde mevrouw Chick, “dat ik het ook nooit gedacht heb.”—“Goede hemel, Louise!” zeide Dombey.—“Neen; mijn lieve Paul,” bracht zij met tranen en deftigheid hiertegen in, “ik moet waarlijk mogen spreken. Ik ben niet zoo knap, of zoo beredeneerd, of zoo welsprekend, of zoo iets anders als gij zijt. Dat weet ik heel wel. Zooveel te erger voor mij. Maar al waren het de laatste woorden die ik spreken moest—en laatste woorden moeten voor u en mij iets heel ernstigs wezen, Paul, na die arme lieve Fanny—dan zou ik nog zeggen, dat ik het nooit gedacht had. En wat meer is,” voegde mevrouw Chick er met nog grootere deftigheid bij, alsof zij haar verpletterend argument tot nog toe had teruggehouden, “ik heb het ook nooit gedacht.”Dombey ging eens naar het venster en kwam weder terug.“Het is niet te vooronderstellen, Louise,” zeide hij (mevrouw Chick had hare vlag aan den mast gespijkerd, en herhaalde “dat weet ik wel,” maar hij lette er niet op) “of er zijn[24]velen die, vooronderstellende dat ik in zulk een geval eenige aanspraken erkende, hoogere aanspraken op mij zouden hebben dan jufvrouw Tox. Maar dat doe ik niet. Ik erken zoo iets niet. Paul en ik zullen in staat zijn, als die tijd komt, om pal te staan—het kantoor, met andere woorden, zal in staat wezen om pal te staan, en zich te handhaven, en zich voort te planten, alleen en van zelf, zonder zulke alledaagsche hulpmiddelen. De soort van vreemde hulp welke de menschen gewoonlijk voor hunne kinderen zoeken, ben ik in staat te verachten, ben ik boven verheven, hoop ik. Als Paul’s kindsheid maar gelukkig verloopt, en ik hem zonder tijdverzuim geschikt zie worden voor de loopbaan, waarvoor hij bestemd is, ben ik tevreden. Hij zal zich vermogende vrienden maken zooveel hij wil, in later tijd, als hij werkzaam is om het aanzien en crediet der firma te handhaven,—en uit te breiden, als dat mogelijk is—tot zoolang ben ik genoeg voor hem, misschien, en alles in alles. Ik wil veel liever mijne gevoeligheid toonen voor de verplichtende handelwijs van een verdienstelijk persoon gelijk uwe vriendin. Laat het dus zoo zijn; en uw man en ik zullen kunnen volstaan voor de andere getuigen, durf ik zeggen.”Door deze gezegden, met groote statigheid uitgesproken, had Dombey waarlijk de geheime gewaarwordingen van zijn hart geopenbaard. Een onbeschrijfelijk wantrouwen dat zich iemand tusschen hem en zijn zoon zou plaatsen; eene trotsche vrees dat hij in den eerbied en de onderdanigheid van den knaap een mededinger of deelgenoot zou krijgen; een pijnlijke twijfel, pas bij hem opgekomen, dat hij niet onfeilbaar was in zijne macht om den wil van andere menschen te buigen en te dwingen; eene even pijnlijke benauwdheid voor eene tweede teleurstelling of belemmering; dit waren toen de heerschende aandoeningen zijner ziel. In al zijn leven had hij nooit een vriend gehad. Zijn koud en stug gemoed had er evenmin een gezocht als gevonden. En thans, nu dat gemoed zijne geheele kracht verzamelde om ze op een partijdig plan van vaderlijke baatzucht en eerzucht te richten, was het alsof de bevrozen stroom, in plaats van door dien invloed vrij te worden en helder voort te vloeien, slechts voor een oogenblik was ontdooid om zijn last op te nemen, en toen daarmede tot een enkel onbewegelijk blok was bevrozen.Aldus om hare onbeduidendheid tot het meterschap van den kleinen Paul verheven, was jufvrouw Tox van dat uur af tot dien post gekozen en benoemd; en Dombey gaf verder zijn welbehagen te kennen dat de plechtigheid, reeds lang vertraagd, zonder verder uitstel zou plaats hebben. Zijne zuster, die zulk een uitstekend gelukkigen afloop niet had durven verwachten, verwijderde zich zoodra zij maar kon, om dien aan hare beste vriendin mede te deelen, en Dombey bleef alleen in zijne bibliotheek.In de kinderkamer heerschte alles behalve eenzaamheid; want daar genoten mevrouw Chick en jufvrouw Tox een gezelligen avond, tot zoo groot misnoegen van Susanna Nipper, dat die jonge jufvrouw elke gelegenheid waarnam om achter de deur leelijke gezichten te trekken. Haar gevoel was bij deze gelegenheid zoodanig opgewonden, dat zij het onmisbaar vond zich deze verlichting te geven, zonder zelfs het genoegen van toeschouwers of deelneming te hebben. Gelijk de dolende ridders van den ouden tijd hun gemoed verlichtten door de namen hunner meesteressen in woestijnen en andere eenzame plaatsen te snijden of te graveeren, waar geene waarschijnlijkheid was dat ooit iemand zou komen om ze te lezen, zoo trok Susanna Nipper haar mopneusje schimpend in latafels en kleerkassen op, zoo schoot zij blikken van minachting in een buffet, en spottend schele lonken in eene steenen kan: zoo zond zij tegenspraak en scheldwoorden buiten de deur den gang in.De twee indringsters, die in eene zalige onbewustheid van de gevoelens der jonge juffer verkeerden, bleven echter gerust zitten terwijl kleine Paul werd uitgekleed, zijne luchtige wandeling deed, nog eens de borst nam en naar bed werd geholpen, en zetten zich toen bij het vuur om thee te drinken. De twee kinderen sliepen nu, door de goede diensten van Polly, in deze kamer; en het was niet voordat de dames aan hare theetafel waren gevestigd, dat zij toevallig naar de bedjes ziende, om Florence dachten.“Wat slaapt zij gerust,” zeide jufvrouw Tox. “Wel, ge weet, melieve, zij heefttegenwoordigveel beweging over dag,” antwoordde mevrouw Chick, “nu zij zoo druk met kleinen Paul speelt.”—“Zij is een wonderlijk kind,” zeide jufvrouw Tox.—“Melieve,” antwoordde mevrouw Chick zeer zacht. “Hare mama, heel en al.”—“Waarlijk!” zeide jufvrouw Tox. “Och Heere!”Jufvrouw Tox zeide dit op een toon van het diepste medelijden, schoon zij niet wist waarom, behalve dat dit van haar verwacht werd.“Florence zal nooit, nooit, nooit een Dombey worden,” zeide mevrouw Chick,“niet al wordt zij duizend jaar oud.”Jufvrouw Tox trok hare wenkbrauwen op en was wederom vol medelijden.“Ik kwel en pijnig mij zelve over haar,” zeide mevrouw Chick, met een zuchtje van bescheidene verdienste. “Ik weet waarlijk niet wat er van haar worden moet als zij ouder wordt, of wat hare positie zal moeten zijn. Zij neemt haar papa in het minste niet voor zich in. Hoe kan men ook denken dat zij dat zou doen,[25]daar zij zoo weinig naar een Dombey gelijkt?”Mevrouw Tox keek alsof zij tegen zulk eene bondige redeneering niets zag in te brengen.“En het kind, ziet ge,” zeide mevrouw Chick in diep vertrouwen, “heeft heel en al het karakter van die arme lieve Fanny. Zij zal zich in later tijd nooit eene inspanning vergen, durf ik wel zeggen. Nooit! Zij zal zich nooit om haar vaders hart slingeren en winden gelijk …”—“Gelijk het klimop?” gaf jufvrouw Tox in bedenking.—“Gelijk het klimop,” stemde mevrouw Chick toe … “Nooit!Nooit zal zij zichin haar papa’s boezem verschuilen, en in zijne genegenheid sluipen gelijk—de …”—“Gelijk de schichtige ree,” zeide mevrouw Tox.—“Gelijk de schichtige ree,” zeide mevrouw Chick. “Nooit! Arme Fanny! En hoeveel heb ik toch van haar gehouden!”—“Gij moet u maar niet bedroeven, lieve vriendin,” zeide jufvrouw Tox met eene troostende stem. “Kom, kom, waarlijk niet! Gij hebt al te veel gevoel.”—“Wij hebben allen onze gebreken,” zeide mevrouw Chick schreiende en haar hoofd schuddende. “Dat durf ik wel zeggen. Ik ben nooit blind voor de hare geweest. Dat heb ik nooit gezegd. Verre van daar. Maar hoeveel heb ik toch van haar gehouden!”Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen. (blz. 28).Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen.(blz. 28).Welk eene voldoening was het voor mevrouw Chick—eene tamelijk alledaagsche zottin, bij welke vergeleken, hare schoonzuster een engel van vrouwelijk verstand en zachtaardigheid was geweest—de nagedachtenis dier dame[26]met zulke verschoonende zachtheid te behandelen—evenals zij haar zelve in haar leven had gedaan—en zoo geheel in zich zelve te gelooven, zich zelve te foppen, en zich zoo ongemeen te streelen met de kracht harer verdraagzaamheid! Welk eene aangename deugd moet de verdraagzaamheid wezen als wij gelijk hebben, wanneer zij reeds zoo aangenaam is als wij ongelijk hebben en geheel buiten staat zijn om aan te toonen hoe wij met het voorrecht bekleed komen om haar te mogen uitoefenen!Mevrouw Chick zat nog hare oogen af te drogen en haar hoofd te schudden, toen Richards de vrijheid nam om haar te waarschuwen dat jonge jufvrouw Florence wakker was en overeind zat. Zij was overeind gekomen, gelijk de min zeide, en hare oogleden waren nat van tranen. Maar niemand zag ze glinsteren behalve Polly. Niemand anders boog zich over haar heen en fluisterde haar troostende woorden toe, of was dichtbij genoeg om het onstuimig kloppen van haar hartje te hooren.“O lieve min,” zeide het kind, haar ernstig aanziende. “Laat ik bij mijn broertje liggen.”—“Waarom, liefje?” zeide Richards.—“Och, ik denk dat hij mij wel liefheeft,” riep het kind verwilderd uit. “Laat ik bij hem liggen. Och toe!”Mevrouw Chick kwam nu met eenige moederlijke woorden tusschen beiden om haar te beduiden dat zij als een zoet kind moest gaan slapen, maar Florence herhaalde haar smeekend verzoek met een angstig gezichtje en eene door snikken afgebroken stem.“Ik zal hem niet wakker maken,” zeide zij, met een hangend hoofd de handjes voor de oogen houdende. “Ik zal hem maar even met mijne hand aanraken en dan gaan slapen. Och, laat ik van nacht maar bij mijn broertje liggen, want ik geloof dat hij veel van mij houdt.”Richards nam haar zonder een woord te spreken op, droeg haar naar het bedje waarin het kind sliep en legde haar naast het wichtje neer. Florence kroop zoo dicht bij hem als zij kon doen zonder zijne rust te storen; strekte schroomvallig een arm uit, zoodat hij om den hals van haar broertje kwam, verborg haar gezichtje op den anderen arm, waarover hare vochtige losgeraakte haren heenvielen, en bleef toen roerloos liggen.“Arme kleine,” zeide jufvrouw Tox. “Zij heeft gedroomd, denk ik zeker.”Dit geringe voorval had den loop van het gesprek zoodanig gestoord, dat het moeielijk weder op te vatten was; en bovendien was mevrouw Chick zoodanig ontroerd door de beschouwing van haar eigen verdraagzaam karakter, dat zij geen lust meer had om te praten. De twee vriendinnen maakten dus spoedig een eind aan haar theedrinken, en er werd een knecht gezonden, om voor jufvrouw Tox eene vigilante te halen. Jufvrouw Tox had groote ondervinding van vigilantes, en als zij met eene zou wegrijden, was dit doorgaans een werk dat tijd kostte, daar zij zeer stelselmatig in de toebereidselen daartoe was.“Wees zoo goed, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “om eerst met pen en inkt naar buiten te gaan en zijn nommer duidelijk op te schrijven.”—“Ja, jufvrouw!” zeide Towlinson.—“En dan, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “wees zoo goed om het kussen om te keeren.—Dat is doorgaans vochtig, melieve,” voegde zij er ter zijde tot mevrouw Chick bij.—“Ja, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En dan moet ik u, als het u belieft, Towlinson,” hervatte jufvrouw Tox, “nog met dit kaartje en dezen schelling lastig vallen. Hij moet mij op dit kaartje brengen, en wel verstaan dat hij om geene reden meer dan dien schelling zal krijgen.”—“Neen, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En—het spijt me dat ik u zooveel moeite geef, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox peinzend.—“Geheel niet, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“Zeg den man dan, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “dat een oom van de dame een rechter is, en dat hij, als hij haar eenige impertinentie toont, schrikkelijk gestraft zal worden. Gij kunt u wel houden, als het u belieft, Towlinson, alsof ge hem dat maar vriendschappelijk zegt, en omdat gij weet dat dit met een ander man gebeurde, die nu al dood is.”—“Zekerlijk, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En nu goeden nacht, mijn lief, lief petekindje,” zeide jufvrouw Tox, met een zacht regentje van kussen bij elke herhaling van het woord “lief.” “En Louise, beste vriendin, beloof me dat ge wat warms zult gebruiken eer ge naar bed gaat, en dat gij u niet bedroefd zult maken.”Het was met groote moeite dat Susanna Nipper, met de zwarte oogen, die strak stond te kijken, zich bij deze crisis en tot aan het kort daarop volgend vertrek van mevrouw Chick in bedwang hield. Maar toen de kinderkamer eindelijk van de dames was bevrijd, verschafte zij zich eenige vergoeding voor het geweld dat zij zich had aangedaan.“Ge zoudt me zes weken lang in een dwangjak kunnen zetten,” zeide zij, “en als het uitging zou ik nog maar nijdiger wezen. Wie heeft ooit van twee zulke draken gehoord, Richards?”—“En dan te zeggen dat zij gedroomd had, arm kind!” zeide Polly.—“O, gij lievertjes!” riep Susanna, en neeg voor de deur waardoor de dames waren heengegaan. “Nooit eene Dombey worden zal ze; het is wel te hopen dat ze niet zal; wij hebben er niet meer zoo noodig; een is al genoeg.”—“Maak de kinderen niet wakker, lieve Suze,” zeide Polly.—“Ik ben u wel zeer verplicht, jufvrouw[27]Richards,” zeide Susanna, die in hare gramschap weinig onderscheid tusschen vriend en vijand kende; “ik gevoel mij waarlijk vereerd dat ik bevelen van u ontvang, want ik ben toch maar eene zwarte slavin en mesties. Jufvrouw Richards, als gij mij nog meer orders geven kunt, zeg ze dan maar.”—“Gekheid! Orders!” zeide Polly.—“O lieve deugd, jufvrouw Richards,” riep Susanna, “die maar kort blijft mag de anderen, die voor vast geplaatst zijn, altijd orders geven. Wist ge dat niet? Wel, waar zijt ge dan geboren, jufvrouw Richards? Maar waar gij ook geboren moogt wezen, jufvrouw Richards,” hierbij schudde zij geweldig haar hoofd, “en wanneer en hoe (dat ge zelve best weten zult), gij moogt toch wel onthouden, als het u belieft, dat het één ding is orders te geven, en geheel iets anders ze aan te nemen. Iemand mag een ander zeggen om hals over kop van eene brug te springen in vijf en veertig voet water, jufvrouw Richards, maar de ander kan wel geen lust hebben om te duiken.”—“Zie daar nu,” zeide Polly, “ge zijt boos omdat gij een goedhartig schepsel zijt en veel van jonge jufvrouw Florence houdt; en toch valt ge mij op het lijf, omdat er niemand anders is.”—“Het is heel gemakkelijk voor sommige menschen om in een goed humeur te blijven, jufvrouw Richards,” antwoordde Suze, eenigszins verzacht, “als van hun kind zooveel werk wordt gemaakt als een prins, en het gestreeld wordt tot het zijne vrienden ik weet niet waar zou wenschen; maar als een lief, mooi, onschuldig dingetje, dat nooit een kwaad woord hooren moest, achteraf wordt gezet, dan is het een heel ander geval. Wel heere mijn tijd, jonge jufvrouw Flore, gij goddeloos ondeugend kind, als gij uwe oogen niet dadelijk toedoet, zal ik de bietebauwen roepen die op de vliering wonen om u levend te komen opeten.”Daarop maakte zij een gruwelijk gebulk, dat van een bietebauw uit het rundergeslacht moest komen, ongeduldig om zijn strengen plicht te vervullen. Nadat zij het meisje verder had gerustgesteld door haar het dek over het hoofd te slaan en het kussen drie of vier nijdige stompen te geven, sloeg zij hare armen over elkander, kneep zij haar mond dicht en bleef zij het overige van den avond naar het vuur zitten kijken.Schoon men in kinderkamertaal van kleinen Paul zeide, dat hij voor zijn ouderdom heel kennelijk was, lette hij toch op dat alles even weinig als op de toebereidselen tot zijn doopen op den tweeden dag daaraanvolgende, die evenwel—zoover de zorg voor zijn opschik, en die van zijn zusje, de min en de kindermeid betrof—met veel drukte in zijne tegenwoordigheid plaats hadden. Even weinig toonde hij op den bepaalden morgen eenig gevoel van het gewichtige daarvan; hij was integendeel buitengewoon genegen om te slapen en het zijne oppassters kwalijk te nemen dat zij hem kleedden om uit te gaan.Het was juist een ijzergrauwe najaarsdag, met een guren oostenwind—een dag geheel in overeenstemming met de plechtigheid. Dombey representeerde in zich zelven den wind, de duisternis en het najaarsachtige van dit doopfeest. Hij stond in zijne bibliotheek om het gezelschap te ontvangen, even koud en guur als het weder, en als hij door de glazen kamer naar de boomen in het tuintje keek, kwamen hunne bruine en gele bladeren naar omlaag dwarrelen, alsof zijn blik ze deed verdorren.Bah! Het waren zwarte, koude kamers; zij schenen, evenals de bewoners van het huis, in den rouw te zijn. De boeken, nauwkeurig volgens de grootte gerangschikt en als soldaten in gelid geschaard, schenen in hunne koude, harde, gladde monteeringen, met hun allen slechts één denkbeeld te hebben, en dat was bevriezend. De boekenkast, met geslotene glazen deuren, weerde alle familiariteiten af. De heer Pitt, in het brons, bovenop, zonder eenig spoor van zijne hemelsche afkomst over zich, bewaarde dien ontoegankelijken schat gelijk een betooverde moor. Eene stofferige urne, uit eene oude grafstede opgedolven, op elken hoogen hoek, predikte rouw en vergankelijkheid, als van twee preekstoelen; en de spiegel in den schoorsteenmantel, welke Dombey en zijn portret in éénen terugkaatste, scheen vol zwaarmoedig gepeins.Het stijve, hoekerige haardgereedschap scheen nauwer verwantschap dan iets anders daar op Dombey te kunnen doen gelden, met zijn dichtgeknoopten rok, zijne witte das, zijn zwaren gouden horlogeketting en zijne krakende laarzen. Maar dit was voor de komst van mijnheer en mevrouw Chick, die zich weldra vertoonden.“Mijn beste Paul,” prevelde mevrouw Chick, terwijl zij hem omhelsde, “het begin, hoop ik, van vele blijde dagen.”—“Dank u, Louise,” zeide Dombey stroef. “Hoe vaart ge, mijnheer John?”—“Hoe vaart gij, mijnheer?” zeide Chick.Hij gaf Dombey de hand, alsof hij vreesde dat die hem zou electriseeren. Dombey nam ze aan alsof zij een visch of eene zeeplant of eene dergelijke klamme zelfstandigheid was, en gaf ze hem terstond met statige beleefdheid weder terug.“Misschien, Louise,” zeide Dombey, zijn hoofd eenigszins in zijne das omdraaiende, alsof het op eene spil stond, “zoudt ge liever vuur gehad hebben?”—“O mijn lieve Paul,” zeide mevrouw Chick, die veel moeite had om hare tanden het klapperen te beletten, “voor mij niet.”—“Mijnheer John,” zeide Dombey, “gij voelt toch geene kilheid?”[28]Mijnheer John, die zijne handen reeds tot over de polsen in zijne broekzakken had gestoken, betuigde dat hij het warm genoeg vond.Hij voegde er zachtjes bij, “met mijn tiere liere la,” toen hij gelukkig door Towlinson werd gestuit, die jufvrouw Tox aandiende.En nu trad deze schoone binnen, met een blauwen neus en een onbeschrijfelijk koudbont gezicht, daaraan te wijten dat zij zich, om de plechtigheid eer aan te doen, zeer dun in een warhoop van fladderende lapjes en strookjes had gekleed.“Hoe vaart gij, jufvrouw Tox?” zeide Dombey.Te midden harer uitspreidende gazen strooken zonk jufvrouw Tox geheel in elkander, evenals een tooneelkijker die ingeschoven wordt; zij neeg zoo laag uit erkentelijkheid dat Dombey haar een paar stappen te gemoet kwam.“Ik kan deze gelegenheid nooit vergeten, mijnheer,” zeide jufvrouw Tox zachtjes. “Dat is onmogelijk. Mijne lieve Louise, ik kan haast het getuigenis van mijne zinnen niet gelooven.”Indien jufvrouw Tox het getuigenis van een harer zinnen gelooven kon, was het een zeer koude dag. Dit was volkomen duidelijk. Zij nam de eerste gelegenheid waar om den bloedsomloop in het tipje van haar neus te bevorderen door dit heimelijk met haar zakdoek te wrijven, opdat het door deszelfs bijzonder lage temperatuur het wichtje niet op eene onaangename wijs zou verbazen, als zij het een kus zou komen geven.Weldra verscheen dit wichtje, in groote staatsie door Richards gedragen, terwijl Florence, in bewaring van Susanna Nipper, als dienaar van politie, achteraankwam. Hoewel het gezelschapje uit de kinderkamer thans in lichter rouw was gekleed dan in het eerst, had het voorkomen der moederlooze kinderen toch iets, niet geschikt om den dag helderder te doen schijnen. Ook begon het wichtje—misschien was het wel om den neus van jufvrouw Tox—te schreeuwen, en verhinderde daardoor mijnheer Chick in de ongepaste volvoering van een zeer welgemeend voornemen dat hij had, namelijk om bijzonder werk van Florence te maken. Want deze heer, ongevoelig voor de hoogere aanspraken van een volmaakten Dombey (misschien wel omdat hij zelf de eer had van met eene Dombey vereenigd te zijn, en aan dat uitmuntende gewoon was geworden) had waarlijk veel schik in haar, toonde dit ook, en was nu gereed om dit op zijne manier weder te toonen, toen Paul begon te schreien, en zijne wederhelft hem stuitte.“Kom, Florence, kind!” zeide hare tante levendig. “Wat doet ge nu toch, liefje? Laat u aan hem kijken. Houd hem wat bezig!”De lucht in het rond werd al kouder en kouder, of had dit wel kunnen worden, terwijl Dombey stijf en stil naar zijn dochtertje stond te kijken, dat in hare handjes klappende voor den troon van zijn zoon en erfgenaam op de teenen ging staan en hem verlokte van zijne hooge waardigheid op haar neer te zien. Eene welgemeende beweging van Richards mag daartoe hebben geholpen, maar hij keek naar omlaag en hield zich stil. Als zijn zusje zich achter de min verschool, volgde hij haar met de oogen; en als zij met een dartelen kreet naar hem kwam uitkijken, sprong hij op en kraaide—hardop lachende als zij op hem kwam toeloopen, en terwijl zij hem met zoentjes smoorde, scheen hij met zijne kleine handjes hare krullen te liefkoozen.Behaagde het Dombey toen hij dit zag? Hij toonde geen genoegen door het ontspannen van een enkelen trek; maar uitwendige blijken van eenigerlei gevoel waren bij hem iets buitengewoons. Als er een zonnestraal in de kamer sloop om de kinderen onder hun spel te beschijnen, bereikte hij zijn gezicht toch niet. Hij bleef zoo strak en koel toekijken, dat het warme licht zelfs uit de lachende oogen der kleine Florence verdween, toen zij eindelijk toevallig de zijnen ontmoette.Het was wel een donkere grauwe najaarsdag, en in de korte poos van stilte, die hierop volgde, vielen de bladeren treurig neer.“Mijnheer John,” zeide Dombey, op zijn horloge ziende, en daarna hoed en handschoenen opnemende. “Neem mijne zuster, als het u belieft; mijn arm is vandaag voor jufvrouw Tox. Gij moest liever met jongen heer Paul vooruitgaan, Richards. Wees heel voorzichtig.”In Dombey’s koets zaten Dombey en Zoon, jufvrouw Tox, mevrouw Chick, Richards en Florence; in een ander rijtuigje volgden Susanna Nipper en de eigenaar, mijnheer Chick. Susanna keek aanhoudend uit het portier, om niet verlegen te worden, dat zij het groote gezicht van dien heer zoo vlak over zich had, en dacht telkens als er iets rammelde, dat hij eene voegzame vereering voor haar in een papiertje deed.Eens op weg naar de kerk, klapte Dombey tot vermaak van zijn zoon in de handen; bij welk voorbeeld van vaderlijke geestvervoering jufvrouw Tox verrukt was. Doch met uitsluiting van dit voorval, bestond het voornaamste verschil tusschen dit naar een doop rijdend gezelschap en een gezelschap in eene rouwkoets, in de kleur van de koets en de paarden.Aan de deur der kerk werden zij door een geduchten kerkeknecht ontvangen. Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen, en naast hem bij het portier bleef staan, scheen wel een tweede kerkeknecht te zijn. Een minder prachtig maar veel geduchter tuchtmeester; de tuchtmeester van den huiselijken kring en het dagelijksche leven.De hand van jufvrouw Tox beefde, toen zij die door Dombey’s arm stak, en zich, door[29]een steekhoed en een bont gekleurden kraag voorafgegaan, de trappen voelde opleiden. Voor een oogenblik scheen het naar die andere plechtigheid te gelijken.—“Wilt gij dezen man hebben, Lucretia?”—“Ja, ik wil.”—“Breng het kind maar gauw hier uit de lucht,” fluisterde de kerkeknecht, de binnendeur der kerk open houdende.Kleine Paul had wel met Hamlet mogen vragen: “In mijn graf?” zoo kil en dompig was het daar. De hooge met donkere stof bekleede preekstoel en leeslessenaar, het akelige verschiet van ledige banken, die zich onder de galerijen uitstrekten en tot aan het dak opstegen, waar zij zich in de schaduw van het groote sombere orgel verloren; de stofferige matten en koude steenen zerken; de smerige vrije banken in de zijgangen; en de vochtige hoek bij het klokkentouw, waar de zwarte schragen, bij begrafenissen gebezigd, waren weggeborgen, benevens eenige schoppen en manden en een paar ringen grafachtig touw; de vreemde, onaangename reuk en het lijkachtige licht, alles strookte met elkander. Het was een koud en akelig tooneel.“Er wordt juist getrouwd, mijnheer,” zeide de kerkeknecht; “maar het zal zoo meteen gedaan zijn, als gij hier maar even in de kerkekamer wilt gaan.”Eer hij zich weder omkeerde om vooruit te gaan, maakte hij voor Dombey eene buiging met een half glimlachje van herkenning, om aan te duiden dat het hem (den kerkeknecht) nog wel heugde het genoegen te hebben gehad van op hem te wachten toen hij zijne vrouw kwam begraven, en hoopte dat hij sedert wel in zijn schik was geweest.Zelfs de trouwplechtigheid, die zij zagen toen zij het altaar voorbijgingen, had iets akeligs. De bruid was te oud en de bruidegom te jong, en een oud maar zeer pronkerig gekleed heertje met één oog en een lorgnet voor de andere ledige holte, was bruidsvader, en de vrienden stonden te huiveren. In de kerkekamer rookte het; en een bejaarde, overwerkte en karig betaalde procureursklerk, die “iets moest nazoeken,” liep met zijn voorvinger langs de perkamenten bladen van een ontzaglijk register (een van eene lange reeks dergelijke boeken) propvol aanteekeningen van begrafenissen. Boven den schoorsteen was eene grondteekening van de grafgewelven onder de kerk; en mijnheer Chick, die om het gezelschap te vervroolijken de bijgeschreven verklaring overluid voorlas, had de aanwijzing van mevrouw Dombey’s graf voluit gelezen, eer hij zich kon bedenken.Na nog eene koude poos wachtens, riep eene aamborstige stoelenzetster, met een kuch, die aan het kerkhof, niet aan de kerk, moest doen denken, hen naar de doopvont. Hier wachtte men nog een poosje terwijl de pas getrouwden en hun gezelschap in de kerkekamer draalden; en ondertusschen liep de aamborstige stoelenzetster, nog harder hoestende,—gedeeltelijk omdat zij dit niet laten kon, gedeeltelijk opdat het aftrekkende gezelschap haar niet zou vergeten—door de kerk rond.Weldra kwam de klerk (de eenige die er eenigszins vroolijk uitzag—en hij was een aanspreker) met eene kan warm water aan, en terwijl hij dit in de doopvont goot, zeide hij iets van de kilheid weg te nemen, hetgeen millioenen emmers kokend heet water niet hadden kunnen doen. Toen verscheen de geestelijke, een jong hulpprediker, met een zacht en vriendelijk gezicht, maar blijkbaar bang voor het kind, gelijk de hoofdpersoon in eene spookhistorie, “eene lange gedaante geheel in ’t wit;” op wiens gezicht Paul de kerk met zijn geschreeuw vervulde, niet ophoudende voordat hij met een leiblauw gezichtje werd weggebracht.Zelfs toen dit, tot verademing van alle aanwezigen geschied was, hoorde men hem nog zoolang de plechtigheid verder duurde, in het portaal, nu flauwer dan harder, dan bijna stil, dan weder met een onbedwingbaar gevoel van zijne grieven uitbarstende. Dit trok de aandacht der twee dames zoodanig af, dat mevrouw Chick gedurig den middelgang instapte om boodschappen met de stoelenzetster te zenden, terwijl jufvrouw Tox haar gebedenboek bij het buskruitverraad openhield, en nu en dan de antwoorden uit dat formulier oplas.Onder dit alles bleef Dombey zoo stijf en statig als ooit, en droeg er misschien toe bij om het zoo koud te maken, dat den jongen hulpprediker onder het lezen eene dampwolk uit den mond vloog. De eenige maal dat hij zijn gezicht eenigszins ontspande, was toen de geestelijke, bij het lezen der toespraak aan het slot (hetgeen hij zeer eenvoudig en zonder eenige gemaaktheid deed) aangaande de toekomstige ondervraging van het kind door de doopgetuigen, toevallig mijnheer Chick aanzag; en toen had men Dombey door een blik vol majesteit kunnen zien uitdrukken, dat hij zijn schoonbroeder wel eens daarop wilde betrappen.Het zou misschien goed voor Dombey zijn geweest als hij wat minder aan zijne eigene waardigheid had gedacht, en wat meer aan den grooten oorsprong en het gewichtige doel der plechtigheid, waaraan hij zoo stijf en statig deel nam. Zijne verwaandheid stond in een vreemd contrast met de geschiedenis dier instelling.Toen alles voorbij was, gaf hij zijn arm weder aan jufvrouw Tox en leidde haar naar de kerkekamer, waar hij den geestelijke onderrichtte hoeveel genoegen het hem zou verschaft hebben de eer van zijn gezelschap aan den maaltijd te verzoeken, indien zijne ongelukkige huiselijke omstandigheden dit niet hadden verhinderd. Toen het register geteekend, het doopgeld[30]betaald, de stoelenzetster (die weer zeer erg hoestte) bedacht, de kerkeknecht bevredigd, en de doodgraver (die toevallig in het portaal stond en met groote belangstelling naar het weder keek) niet vergeten was, stapte men weder in de koetsen en reed in dezelfde kille gezelligheid naar huis.Daar vonden zij den ouden heer Pitt, zijn neus ophalende voor een koud collation, in koude pracht van glas- en zilverwerk opgezet, en dat meer naar een diner op een paradebed dan naar een gezellig onthaal geleek. Bij hunne aankomst bracht jufvrouw Tox een kroesje voor haar petekind te voorschijn, en mijnheer Chick een mes, vork en lepel in een doosje. Dombey haalde een armband voor jufvrouw Tox voor den dag; en bij het ontvangen dezer gedachtenis was jufvrouw Tox teeder aangedaan.“Mijnheer John,” zeide Dombey, “wilt gij aan het eind van de tafel plaats nemen, als het u belieft. Wat hebt gij daar, mijnheer John?”—“Ik heb hier eene koude kalfsschijf, mijnheer,” antwoordde Chick, zeer hard zijne handen wrijvende. “Wat hebt gij daar, mijnheer?”—“Dit,” antwoordde Dombey, “is eene toebereiding van kouden kalfskop, geloof ik. Ik zie ook koude kippen—ham—kreeften—sla—jufvrouw Tox, wilt ge mij de eer bewijzen om eens te drinken? Champagne voor jufvrouw Tox.”Er stak kiespijn in alles. De wijn was zoo bitter en koud, dat hij jufvrouw Tox een gilletje afdwong, hetwelk zij met groote moeite in een lachje veranderde. Het kalfsvleesch kwam uit zulk eene luchtige vliegenkast, dat het eerste proefje er van mijnheer Chick een gevoel als van koud lood tot in de teenen zond. Dombey alleen bleef onbewogen. Hij had op eene Russische kermis te koop gehangen kunnen worden als een staaltje van een bevrozen gentleman.De heerschende invloed was zelfs zijne zuster te erg. Zij deed geene poging tot vleierij of beuzelpraatjes, maar alleen haar best om er zoo warm uit te zien als zij kon.“Wel, mijnheer,” zeide Chick, na eene lange stilte een wanhopigen sprong doende, en een glas sherry inschenkende; “ik zal dit, mijnheer, als ge mij permitteert, op het welzijn van den kleinen Paul drinken.”—“Zegen hem!” prevelde jufvrouw Tox, een teugje nemende.—“Lieve kleine Dombey!” fluisterde mevrouw Chick.—“Mijnheer John,” zeide Dombey met strengen ernst, “mijn zoon zou zonder twijfel zijne verplichting aan u gevoelen en uitdrukken, als hij reeds in staat was om de gunst, die gij hem bewezen hebt, te waardeeren. Hij zal in vervolg van tijd, vertrouw ik, bewijzen berekend te zijn voor alle verantwoordelijkheid, welke de verplichtende welwillendheid van vrienden en betrekkingen in het bijzondere leven, of de gewichtige plichten van onze openbare positie hem kunnen opleggen.”De toon waarop dit gezegd werd liet geen wederantwoord toe, en Chick verzonk dus nogmaals in neerslachtigheid en stilzwijgen. Niet zoo jufvrouw Tox, die met nog meer opgetogene aandacht en nog meer uitdrukking in het overhangen van haar hoofd dan gewoonlijk naar Dombey geluisterd had, en nu over de tafel leunde en zachtjes tot mevrouw Chick zeide:“Louise!”—“Lieve vriendin,” zeide mevrouw Chick.—“Gewichtige plichten van onze openbare positie hem mag—ik heb de juiste uitdrukking vergeten.”—“Hem mogen blootstellen,” zeide mevrouw Chick.—“Neem mij niet kwalijk, lieve,” hervatte jufvrouw Tox, “ik geloof van neen. Het was meer welluidend en vloeiend. De verplichtende welwillendheid van vrienden en betrekkingen in het bijzondere leven, of de gewichtige plichten van onze openbare positie hem—kunnen—opleggen?”—“Opleggen—o wel zeker,” zeide mevrouw Chick.Jufvrouw Tox klapte zegevierend in hare kleine handjes en zeide, in verrukking hare oogen opslaande: “Dat is welsprekend!”Dombey had ondertusschen last gegeven dat Richards zou geroepen worden. Deze trad nu nijgende binnen, maar zonder kind, daar Paul, na de vermoeienis van dien morgen, in slaap geraakt was. Nadat Dombey aan deze onderhoorige een glas wijn had gegeven, sprak hij haar met deze woorden aan: vooraf zette jufvrouw Tox haar hoofd reeds op zijde en maakte andere kleine schikkingen om ze in haar hart te graveeren.“In de zes maanden of daaromtrent, Richards, die gij hier in huis hebt gewoond, hebt gij uw plicht gedaan. Verlangende om u bij deze gelegenheid een geringen dienst te bewijzen, heb ik nagedacht hoe ik best dat oogmerk zou kunnen bereiken, en ben ik ook te rade gegaan met mijne zuster, mevrouw …”—“Chick,” viel de heer van dien naam er op in.—“O, stil toch, als ’t ublieft!” zeide jufvrouw Tox.—“Ik wilde u zeggen, Richards,” hervatte Dombey, met een ontzettenden blik naar mijnheer John, “dat ik bij het nemen van mijn besluit verder bestuurd werd door de herinnering van een gesprek, dat ik in deze kamer met uw man heb gehouden, bij gelegenheid dat gij gehuurd werdt, en waarbij hij mij de treurige omstandigheid mededeelde, dat uwe familie, hij zelf aan het hoofd, in onwetendheid was gedompeld en verzonken.”Richards sloeg onder de deftigheid dezer bestraffing de oogen neer.“Ik ben verre van datgene toegedaan te zijn,” vervolgde Dombey, “wat menschen, die overdreven liberale gevoelens hebben, algemeene opvoeding noemen. Maar het is noodzakelijk[31]dat de mindere klassen onderricht blijven ontvangen om hunne positie te kennen en zich behoorlijk te gedragen. In zooverre geef ik mijne goedkeuring aan scholen. Daar ik macht heb om een kind te plaatsen in de fondatie eener oude instelling, die naar een achtbaar gilde, de Liefdadige Slijpers wordt genoemd, waar niet alleen den scholieren eene heilzame opvoeding wordt gegeven, maar zij insgelijks van eene bovenkleeding en een onderscheidingsteeken worden voorzien, heb ik (vooraf door mevrouw Chick met uwe familie in overleg getreden) uw oudsten zoon tot de opengevallene plaats benoemd, en heeft hij vandaag, naar ik onderricht ben, de kleeding aangenomen. Het nommer van haar zoon is, geloof ik,” vervolgde hij, zich naar zijne zuster keerende, en sprekende alsof het kind eene huurkoets was, “honderd zeven en veertig. Louise, dat kunt gij haar zeggen.”—“Honderd zeven en veertig,” zeide mevrouw Chick. “De kleeding, Richards, is een mooie, warme, blauwe saaien rok met lange panden, en eene pet van dezelfde stof, met oranje uitgemonsterd, roode wollen kousen, en eene korte leeren broek, heel sterk. Men zou zulk goed zelf kunnen dragen,” zeide mevrouw Chick, met geestvervoering, “en er dankbaar voor zijn.”—“Wel, Richards!” zeide jufvrouw Tox. “Nu moogt ge wel trotsch wezen. De Liefdadige Slijpers!”—“Ik ben u zeker wel zeer verplicht, mijnheer,” antwoordde Richards flauw, “en houd het voor eene groote goedheid dat gij om mijne kleintjes denkt.” Te gelijker tijd rees eene verschijning van Biler als een Liefdadig Slijpertje, met zijne korte beentjes in de door mevrouw Chick beschrevene, onverslijtelijke broek gepakt, voor Richards’ oogen op, en deed ze wateren.—“Het verheugt mij wel te zien, dat ge zooveel gevoel hebt, Richards,” zeide jufvrouw Tox.—“Het doet iemand bijna hopen, dat doet het waarlijk,” zeide mevrouw Chick, die er zich op beroemde dat zij altijd het beste van de menschen vertrouwde, “dat er nog een vonkje van dankbaarheid en rechtschapenheid in de wereld is.”Richards beantwoordde deze complimenten door te nijgen en eene dankbetuiging te prevelen; maar het geheel onmogelijk vindende om zich te herstellen van de ontroering, welke het beeld van haar zoon met zijn kort lederen broekje haar veroorzaakt had, ging zij langzamerhand naar de deur, en was hartelijk blijde toen zij daaruit ontsnapt was.De tijdelijke teekenen van een gedeeltelijken dooi, die met haar verschenen waren, verdwenen ook met haar; en de vorst viel weder in, zoo koud en hard als ooit. Men hoorde mijnheer Chick aan het eind van de tafel tweemaal een wijsje brommen, maar beide keeren was het een brok van den doodenmarsch in Saul. Het gezelschap scheen al kouder en kouder te worden en langzamerhand in een geheel bevrozen toestand over te gaan, gelijk het collation waarom het verzameld was. Eindelijk zag mevrouw Chick jufvrouw Tox aan en zond jufvrouw Tox dien blik terug; beiden stonden op en zeiden dat het waarlijk tijd was om te gaan. Daar Dombey dit bericht met volmaakte gelijkmoedigheid ontving, namen zij afscheid van dezen heer en vertrokken weldra onder de hoede van mijnheer Chick, die, toen zij het huis den rug hadden gekeerd en den meester in zijne gewone eenzame grootheid gelaten, zijne handen in zijne zakken stak, zich in het rijtuig achterover liet zakken, en een van zijne lijfdeuntjes geheel uitfloot, waarbij hij zulk een dreigend en somber uitdagend gezicht zette, dat mevrouw Chick niet durfde protesteeren of hem op eenigerlei manieren hinderlijk zijn.Richards kon, hoewel zij den kleinen Paul op haar schoot had, haar eigen eerstgeborene niet vergeten. Zij gevoelde dat dit ondankbaar was; maar de invloed van den dag strekte zich zelfs tot de Liefdadige Slijpers uit, en zij kon niet nalaten zijn tinnen plaatje op de mouw, met nommer honderd zeven en veertig, voor iets te houden dat ook heel streng en hard was. Zij sprak ook in de kinderkamer van zijne kleine beentjes, en werd nogmaals gekweld door zijne schim in uniform.“Ik weet niet wat ik wel geven wou,” zeide Polly, “om het arme lieve kind nog eens te zien eer hij er aan gewoon wordt.”—“Wel, zal ik u eens wat zeggen, jufvrouw Richards,” zeide Suze, die zij in haar vertrouwen had genomen, “ga hem zien en stel zoo uw gemoed gerust.”—“Mijnheer Dombey zal het niet willen hebben,” zeide Polly.—“Niet, jufvrouw Richards!” liet Suze hierop volgen. “Hij zou het wel graag willen hebben, denk ik, als men het hem vroeg.”—“Gij zoudt het hem geheel niet vragen, geloof ik?” zeide Polly.—“Neen, jufvrouw Richards, wel ten contrarie,” antwoordde Suze; “en daar die twee inspecteurs, Tox en Chick, morgen niet op de wacht denken te zijn, zooals ik ze heb hooren zeggen, zullen jonge jufvrouw Flore en ik morgenochtend met u meegaan, en als ge dan wilt, jufvrouw Richards, kunnen we daar evengoed een straatje op en neer kuieren als ergens anders—nog beter zelfs.”Polly verwierp dit denkbeeld in het eerst met vrij veel drift; maar langzamerhand begon zij het toch te begunstigen, toen de verbodene schilderijen van hare kinderen en haar eigen huis haar al duidelijker voor de oogen kwamen. Eindelijk beredeneerende dat er toch geen groot kwaad in kon steken als zij eens even aan de deur aanging, nam zij Suze’s voorslag aan.Toen de zaak aldus was afgesproken, begon[32]kleine Paul jammerlijk te schreeuwen, alsof hij een voorgevoel had dat er geen goed van zou komen.“Wat scheelt het kind toch?” vroeg Suze.—“Hij is koud, denk ik,” zeide Polly, met den kleine heen en weer wandelende en hem sussende.Het was waarlijk een gure najaarsavond; en toen zij wandelde en suste, en door de beslagene vensters uitkijkende, den kleine dichter aan hare borst drukte, vielen de verdorde bladeren bij geheele vlagen af.

V.PAUL GROEIT VOORSPOEDIG EN WORDT GEDOOPT.

Kleine Paul, die uit het bloed der Toodle’s geene smetstof opnam, werd van dag tot dag grooter en sterker. Van dag tot dag werd hij ook vuriger door jufvrouw Tox geliefkoosd, wier hartelijkheid in zooverre door Dombey werd gewaardeerd, dat hij haar voor eene zeer verstandige vrouw begon te houden, wier gevoel haar tot eer strekte en aanmoediging verdiende. Hij was zoo mild met zijne nederbuigende goedheid, dat hij niet alleen bij verschillende gelegenheden in het bijzonder voor haar boog, maar ook zijne zuster nu en dan een statig compliment voor haar opdroeg, zooals: “Zeg uwe vriendin, Louise, dat zij zeer goed is,” of “zeg jufvrouw Tox, Louise, dat ik haar verplicht[23]ben;” onderscheidingen, welke op de aldus vereerde dame een diepen indruk maakten.Jufvrouw Tox was gewoon mevrouw Chick dikwijls te verzekeren, dat niets hare belangstelling kon te boven gaan in alles wat maar met de ontwikkeling van dat lieve kind in betrekking stond; en iemand die haar gedrag waarnam had dit ook zonder zulk eene verklaring wel kunnen begrijpen. Zij woonde de onschuldige maaltijden van den jeugdigen erfgenaam met onuitsprekelijk genoegen bij, bijna met een gezicht alsof zij evenveel deel had aan het onthaal als Richards. Bij de kleine ceremoniën van het bad en toilet was zij met geestdrift behulpzaam. Het toedienen van kinderlijke medicijnen deed al de levendige sympathie van haar gemoed ontwaken; en toen zij bij zekere gelegenheid in eene kast was verscholen (waarin zij uit zedigheid de vlucht had genomen) toen Dombey door zijne zuster in de kinderkamer werd gebracht, om zijn zoon, die naar bed geholpen werd, in een kort en luchtig linnen japonnetje, eene kleine wandeling, tegen den heuvel van Richard’s japon op, te zien doen, was jufvrouw Tox zoo verrukt dat zij niet nalaten kon uit te roepen: “Is hij niet lekker, mijnheer Dombey! Is hij geen Cupidootje, mijnheer!” en toen bijna achter de kastdeur neerzonk van verlegenheid en schaamte.“Louise,” zeide Dombey eens tot zijne zuster, “ik denk waarlijk, dat ik uwe vriendin eene kleine gedachtenis moet vereeren bij gelegenheid als Paul gedoopt wordt. Zij heeft van den eersten af zooveel hartelijkheid voor het kind getoond, en schijnt hare positie zoo wel te begrijpen (eene zeer zeldzame verdienste in deze wereld, moet ik met leedwezen zeggen) dat het mij waarlijk aangenaam zou zijn haar een blijk van onderscheiding te geven.”Laat het de verdiensten van jufvrouw Tox niet verkleinen, als hier wordt aangestipt, dat in de oogen van Dombey, gelijk in sommige anderen die wel eens het licht zien, diegenen alleen zulk een toppunt van kennis bereikt hadden, dat zij hunne eigene positie begrepen, die een gepasten eerbied voor de zijne toonden. Hunne verdienste was niet zoozeer daarin gelegen, dat zij zich zelven kenden, als dat zij hem kenden en laag voor hem bogen.“Mijn beste Paul,” antwoordde zijne zuster, “gij laat jufvrouw Tox niet meer dan recht wedervaren, gelijk ik wel wist dat een man van uw doorzicht doen zou. Ik geloof, als er drie woorden in de taal zijn, waarvoor zij eene achting heeft, die bijna tot eerbied gaat, het de woorden zijn: Dombey en Zoon.”—“Wel,” zeide Dombey, “ik wil het gelooven. Het strekt jufvrouw Tox tot eer.”—“En wat een gedachtenisje betreft, beste Paul,” vervolgde zijne zuster, “kan ik niets anders zeggen, dan dat alles wat ge jufvrouw Tox maar geven kunt, als eene reliquie bewaard en vereerd zal worden. Maar er is een middel, mijn beste Paul, om uw gevoel voor de vriendelijkheid van jufvrouw Tox op eene nog vleiender manier te toonen, als ge daartoe genegen mocht zijn.”—“Hoe zoo?” vroeg Dombey.—“Het is natuurlijk een punt van belang, watconnectieen invloed betreft, welke peten een kind krijgt,” hervatte mevrouw Chick.—“Ik weet niet waarom zij dat voor mijn zoon zouden wezen,” zeide Dombey koel.—“Heel waar, beste Paul,” hervatte mevrouw Chick, met eene buitengewone vertooning van levendigheid, “en heel juist uitgedrukt. Ik had niet anders van u kunnen verwachten. Ik had wel kunnen weten dat dit uw gevoelen zou zijn. Misschien,” hier haperde mevrouw Chick weder, als niet gerust of zij wel op den rechten weg was, “misschien is dat wel eene reden waarom gij er minder bezwaar in zoudt hebben om jufvrouw Tox tot meter van den lieven kleine te nemen, al was het maar als plaatsvervangster van iemand anders. Dat dit als eene groote eer en onderscheiding zou worden opgenomen, Paul, behoef ik niet te zeggen.”—“Louise,” zeide Dombey na eene korte poos van stilte, “het is niet te vooronderstellen …”—“Zeker niet,” riep mevrouw Chick, zich haastende om eene weigering vooruit te loopen; “ik heb het ook nooit gedacht.”Dombey zag haar ongeduldig aan.“Laat mij niet schrikken, lieve Paul,” zeide zijne zuster, “want daar kan ik niet tegen. Ik ben lang niet sterk. Ik ben, sedert die arme lieve Fanny stierf, nog niet recht op mijn verhaal gekomen.”Dombey keek eens naar den zakdoek, dien zijne zuster voor hare oogen hield, en hervatte:“Het is niet te vooronderstellen, zeg ik …”—“En ik zeg,” prevelde mevrouw Chick, “dat ik het ook nooit gedacht heb.”—“Goede hemel, Louise!” zeide Dombey.—“Neen; mijn lieve Paul,” bracht zij met tranen en deftigheid hiertegen in, “ik moet waarlijk mogen spreken. Ik ben niet zoo knap, of zoo beredeneerd, of zoo welsprekend, of zoo iets anders als gij zijt. Dat weet ik heel wel. Zooveel te erger voor mij. Maar al waren het de laatste woorden die ik spreken moest—en laatste woorden moeten voor u en mij iets heel ernstigs wezen, Paul, na die arme lieve Fanny—dan zou ik nog zeggen, dat ik het nooit gedacht had. En wat meer is,” voegde mevrouw Chick er met nog grootere deftigheid bij, alsof zij haar verpletterend argument tot nog toe had teruggehouden, “ik heb het ook nooit gedacht.”Dombey ging eens naar het venster en kwam weder terug.“Het is niet te vooronderstellen, Louise,” zeide hij (mevrouw Chick had hare vlag aan den mast gespijkerd, en herhaalde “dat weet ik wel,” maar hij lette er niet op) “of er zijn[24]velen die, vooronderstellende dat ik in zulk een geval eenige aanspraken erkende, hoogere aanspraken op mij zouden hebben dan jufvrouw Tox. Maar dat doe ik niet. Ik erken zoo iets niet. Paul en ik zullen in staat zijn, als die tijd komt, om pal te staan—het kantoor, met andere woorden, zal in staat wezen om pal te staan, en zich te handhaven, en zich voort te planten, alleen en van zelf, zonder zulke alledaagsche hulpmiddelen. De soort van vreemde hulp welke de menschen gewoonlijk voor hunne kinderen zoeken, ben ik in staat te verachten, ben ik boven verheven, hoop ik. Als Paul’s kindsheid maar gelukkig verloopt, en ik hem zonder tijdverzuim geschikt zie worden voor de loopbaan, waarvoor hij bestemd is, ben ik tevreden. Hij zal zich vermogende vrienden maken zooveel hij wil, in later tijd, als hij werkzaam is om het aanzien en crediet der firma te handhaven,—en uit te breiden, als dat mogelijk is—tot zoolang ben ik genoeg voor hem, misschien, en alles in alles. Ik wil veel liever mijne gevoeligheid toonen voor de verplichtende handelwijs van een verdienstelijk persoon gelijk uwe vriendin. Laat het dus zoo zijn; en uw man en ik zullen kunnen volstaan voor de andere getuigen, durf ik zeggen.”Door deze gezegden, met groote statigheid uitgesproken, had Dombey waarlijk de geheime gewaarwordingen van zijn hart geopenbaard. Een onbeschrijfelijk wantrouwen dat zich iemand tusschen hem en zijn zoon zou plaatsen; eene trotsche vrees dat hij in den eerbied en de onderdanigheid van den knaap een mededinger of deelgenoot zou krijgen; een pijnlijke twijfel, pas bij hem opgekomen, dat hij niet onfeilbaar was in zijne macht om den wil van andere menschen te buigen en te dwingen; eene even pijnlijke benauwdheid voor eene tweede teleurstelling of belemmering; dit waren toen de heerschende aandoeningen zijner ziel. In al zijn leven had hij nooit een vriend gehad. Zijn koud en stug gemoed had er evenmin een gezocht als gevonden. En thans, nu dat gemoed zijne geheele kracht verzamelde om ze op een partijdig plan van vaderlijke baatzucht en eerzucht te richten, was het alsof de bevrozen stroom, in plaats van door dien invloed vrij te worden en helder voort te vloeien, slechts voor een oogenblik was ontdooid om zijn last op te nemen, en toen daarmede tot een enkel onbewegelijk blok was bevrozen.Aldus om hare onbeduidendheid tot het meterschap van den kleinen Paul verheven, was jufvrouw Tox van dat uur af tot dien post gekozen en benoemd; en Dombey gaf verder zijn welbehagen te kennen dat de plechtigheid, reeds lang vertraagd, zonder verder uitstel zou plaats hebben. Zijne zuster, die zulk een uitstekend gelukkigen afloop niet had durven verwachten, verwijderde zich zoodra zij maar kon, om dien aan hare beste vriendin mede te deelen, en Dombey bleef alleen in zijne bibliotheek.In de kinderkamer heerschte alles behalve eenzaamheid; want daar genoten mevrouw Chick en jufvrouw Tox een gezelligen avond, tot zoo groot misnoegen van Susanna Nipper, dat die jonge jufvrouw elke gelegenheid waarnam om achter de deur leelijke gezichten te trekken. Haar gevoel was bij deze gelegenheid zoodanig opgewonden, dat zij het onmisbaar vond zich deze verlichting te geven, zonder zelfs het genoegen van toeschouwers of deelneming te hebben. Gelijk de dolende ridders van den ouden tijd hun gemoed verlichtten door de namen hunner meesteressen in woestijnen en andere eenzame plaatsen te snijden of te graveeren, waar geene waarschijnlijkheid was dat ooit iemand zou komen om ze te lezen, zoo trok Susanna Nipper haar mopneusje schimpend in latafels en kleerkassen op, zoo schoot zij blikken van minachting in een buffet, en spottend schele lonken in eene steenen kan: zoo zond zij tegenspraak en scheldwoorden buiten de deur den gang in.De twee indringsters, die in eene zalige onbewustheid van de gevoelens der jonge juffer verkeerden, bleven echter gerust zitten terwijl kleine Paul werd uitgekleed, zijne luchtige wandeling deed, nog eens de borst nam en naar bed werd geholpen, en zetten zich toen bij het vuur om thee te drinken. De twee kinderen sliepen nu, door de goede diensten van Polly, in deze kamer; en het was niet voordat de dames aan hare theetafel waren gevestigd, dat zij toevallig naar de bedjes ziende, om Florence dachten.“Wat slaapt zij gerust,” zeide jufvrouw Tox. “Wel, ge weet, melieve, zij heefttegenwoordigveel beweging over dag,” antwoordde mevrouw Chick, “nu zij zoo druk met kleinen Paul speelt.”—“Zij is een wonderlijk kind,” zeide jufvrouw Tox.—“Melieve,” antwoordde mevrouw Chick zeer zacht. “Hare mama, heel en al.”—“Waarlijk!” zeide jufvrouw Tox. “Och Heere!”Jufvrouw Tox zeide dit op een toon van het diepste medelijden, schoon zij niet wist waarom, behalve dat dit van haar verwacht werd.“Florence zal nooit, nooit, nooit een Dombey worden,” zeide mevrouw Chick,“niet al wordt zij duizend jaar oud.”Jufvrouw Tox trok hare wenkbrauwen op en was wederom vol medelijden.“Ik kwel en pijnig mij zelve over haar,” zeide mevrouw Chick, met een zuchtje van bescheidene verdienste. “Ik weet waarlijk niet wat er van haar worden moet als zij ouder wordt, of wat hare positie zal moeten zijn. Zij neemt haar papa in het minste niet voor zich in. Hoe kan men ook denken dat zij dat zou doen,[25]daar zij zoo weinig naar een Dombey gelijkt?”Mevrouw Tox keek alsof zij tegen zulk eene bondige redeneering niets zag in te brengen.“En het kind, ziet ge,” zeide mevrouw Chick in diep vertrouwen, “heeft heel en al het karakter van die arme lieve Fanny. Zij zal zich in later tijd nooit eene inspanning vergen, durf ik wel zeggen. Nooit! Zij zal zich nooit om haar vaders hart slingeren en winden gelijk …”—“Gelijk het klimop?” gaf jufvrouw Tox in bedenking.—“Gelijk het klimop,” stemde mevrouw Chick toe … “Nooit!Nooit zal zij zichin haar papa’s boezem verschuilen, en in zijne genegenheid sluipen gelijk—de …”—“Gelijk de schichtige ree,” zeide mevrouw Tox.—“Gelijk de schichtige ree,” zeide mevrouw Chick. “Nooit! Arme Fanny! En hoeveel heb ik toch van haar gehouden!”—“Gij moet u maar niet bedroeven, lieve vriendin,” zeide jufvrouw Tox met eene troostende stem. “Kom, kom, waarlijk niet! Gij hebt al te veel gevoel.”—“Wij hebben allen onze gebreken,” zeide mevrouw Chick schreiende en haar hoofd schuddende. “Dat durf ik wel zeggen. Ik ben nooit blind voor de hare geweest. Dat heb ik nooit gezegd. Verre van daar. Maar hoeveel heb ik toch van haar gehouden!”Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen. (blz. 28).Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen.(blz. 28).Welk eene voldoening was het voor mevrouw Chick—eene tamelijk alledaagsche zottin, bij welke vergeleken, hare schoonzuster een engel van vrouwelijk verstand en zachtaardigheid was geweest—de nagedachtenis dier dame[26]met zulke verschoonende zachtheid te behandelen—evenals zij haar zelve in haar leven had gedaan—en zoo geheel in zich zelve te gelooven, zich zelve te foppen, en zich zoo ongemeen te streelen met de kracht harer verdraagzaamheid! Welk eene aangename deugd moet de verdraagzaamheid wezen als wij gelijk hebben, wanneer zij reeds zoo aangenaam is als wij ongelijk hebben en geheel buiten staat zijn om aan te toonen hoe wij met het voorrecht bekleed komen om haar te mogen uitoefenen!Mevrouw Chick zat nog hare oogen af te drogen en haar hoofd te schudden, toen Richards de vrijheid nam om haar te waarschuwen dat jonge jufvrouw Florence wakker was en overeind zat. Zij was overeind gekomen, gelijk de min zeide, en hare oogleden waren nat van tranen. Maar niemand zag ze glinsteren behalve Polly. Niemand anders boog zich over haar heen en fluisterde haar troostende woorden toe, of was dichtbij genoeg om het onstuimig kloppen van haar hartje te hooren.“O lieve min,” zeide het kind, haar ernstig aanziende. “Laat ik bij mijn broertje liggen.”—“Waarom, liefje?” zeide Richards.—“Och, ik denk dat hij mij wel liefheeft,” riep het kind verwilderd uit. “Laat ik bij hem liggen. Och toe!”Mevrouw Chick kwam nu met eenige moederlijke woorden tusschen beiden om haar te beduiden dat zij als een zoet kind moest gaan slapen, maar Florence herhaalde haar smeekend verzoek met een angstig gezichtje en eene door snikken afgebroken stem.“Ik zal hem niet wakker maken,” zeide zij, met een hangend hoofd de handjes voor de oogen houdende. “Ik zal hem maar even met mijne hand aanraken en dan gaan slapen. Och, laat ik van nacht maar bij mijn broertje liggen, want ik geloof dat hij veel van mij houdt.”Richards nam haar zonder een woord te spreken op, droeg haar naar het bedje waarin het kind sliep en legde haar naast het wichtje neer. Florence kroop zoo dicht bij hem als zij kon doen zonder zijne rust te storen; strekte schroomvallig een arm uit, zoodat hij om den hals van haar broertje kwam, verborg haar gezichtje op den anderen arm, waarover hare vochtige losgeraakte haren heenvielen, en bleef toen roerloos liggen.“Arme kleine,” zeide jufvrouw Tox. “Zij heeft gedroomd, denk ik zeker.”Dit geringe voorval had den loop van het gesprek zoodanig gestoord, dat het moeielijk weder op te vatten was; en bovendien was mevrouw Chick zoodanig ontroerd door de beschouwing van haar eigen verdraagzaam karakter, dat zij geen lust meer had om te praten. De twee vriendinnen maakten dus spoedig een eind aan haar theedrinken, en er werd een knecht gezonden, om voor jufvrouw Tox eene vigilante te halen. Jufvrouw Tox had groote ondervinding van vigilantes, en als zij met eene zou wegrijden, was dit doorgaans een werk dat tijd kostte, daar zij zeer stelselmatig in de toebereidselen daartoe was.“Wees zoo goed, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “om eerst met pen en inkt naar buiten te gaan en zijn nommer duidelijk op te schrijven.”—“Ja, jufvrouw!” zeide Towlinson.—“En dan, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “wees zoo goed om het kussen om te keeren.—Dat is doorgaans vochtig, melieve,” voegde zij er ter zijde tot mevrouw Chick bij.—“Ja, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En dan moet ik u, als het u belieft, Towlinson,” hervatte jufvrouw Tox, “nog met dit kaartje en dezen schelling lastig vallen. Hij moet mij op dit kaartje brengen, en wel verstaan dat hij om geene reden meer dan dien schelling zal krijgen.”—“Neen, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En—het spijt me dat ik u zooveel moeite geef, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox peinzend.—“Geheel niet, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“Zeg den man dan, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “dat een oom van de dame een rechter is, en dat hij, als hij haar eenige impertinentie toont, schrikkelijk gestraft zal worden. Gij kunt u wel houden, als het u belieft, Towlinson, alsof ge hem dat maar vriendschappelijk zegt, en omdat gij weet dat dit met een ander man gebeurde, die nu al dood is.”—“Zekerlijk, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En nu goeden nacht, mijn lief, lief petekindje,” zeide jufvrouw Tox, met een zacht regentje van kussen bij elke herhaling van het woord “lief.” “En Louise, beste vriendin, beloof me dat ge wat warms zult gebruiken eer ge naar bed gaat, en dat gij u niet bedroefd zult maken.”Het was met groote moeite dat Susanna Nipper, met de zwarte oogen, die strak stond te kijken, zich bij deze crisis en tot aan het kort daarop volgend vertrek van mevrouw Chick in bedwang hield. Maar toen de kinderkamer eindelijk van de dames was bevrijd, verschafte zij zich eenige vergoeding voor het geweld dat zij zich had aangedaan.“Ge zoudt me zes weken lang in een dwangjak kunnen zetten,” zeide zij, “en als het uitging zou ik nog maar nijdiger wezen. Wie heeft ooit van twee zulke draken gehoord, Richards?”—“En dan te zeggen dat zij gedroomd had, arm kind!” zeide Polly.—“O, gij lievertjes!” riep Susanna, en neeg voor de deur waardoor de dames waren heengegaan. “Nooit eene Dombey worden zal ze; het is wel te hopen dat ze niet zal; wij hebben er niet meer zoo noodig; een is al genoeg.”—“Maak de kinderen niet wakker, lieve Suze,” zeide Polly.—“Ik ben u wel zeer verplicht, jufvrouw[27]Richards,” zeide Susanna, die in hare gramschap weinig onderscheid tusschen vriend en vijand kende; “ik gevoel mij waarlijk vereerd dat ik bevelen van u ontvang, want ik ben toch maar eene zwarte slavin en mesties. Jufvrouw Richards, als gij mij nog meer orders geven kunt, zeg ze dan maar.”—“Gekheid! Orders!” zeide Polly.—“O lieve deugd, jufvrouw Richards,” riep Susanna, “die maar kort blijft mag de anderen, die voor vast geplaatst zijn, altijd orders geven. Wist ge dat niet? Wel, waar zijt ge dan geboren, jufvrouw Richards? Maar waar gij ook geboren moogt wezen, jufvrouw Richards,” hierbij schudde zij geweldig haar hoofd, “en wanneer en hoe (dat ge zelve best weten zult), gij moogt toch wel onthouden, als het u belieft, dat het één ding is orders te geven, en geheel iets anders ze aan te nemen. Iemand mag een ander zeggen om hals over kop van eene brug te springen in vijf en veertig voet water, jufvrouw Richards, maar de ander kan wel geen lust hebben om te duiken.”—“Zie daar nu,” zeide Polly, “ge zijt boos omdat gij een goedhartig schepsel zijt en veel van jonge jufvrouw Florence houdt; en toch valt ge mij op het lijf, omdat er niemand anders is.”—“Het is heel gemakkelijk voor sommige menschen om in een goed humeur te blijven, jufvrouw Richards,” antwoordde Suze, eenigszins verzacht, “als van hun kind zooveel werk wordt gemaakt als een prins, en het gestreeld wordt tot het zijne vrienden ik weet niet waar zou wenschen; maar als een lief, mooi, onschuldig dingetje, dat nooit een kwaad woord hooren moest, achteraf wordt gezet, dan is het een heel ander geval. Wel heere mijn tijd, jonge jufvrouw Flore, gij goddeloos ondeugend kind, als gij uwe oogen niet dadelijk toedoet, zal ik de bietebauwen roepen die op de vliering wonen om u levend te komen opeten.”Daarop maakte zij een gruwelijk gebulk, dat van een bietebauw uit het rundergeslacht moest komen, ongeduldig om zijn strengen plicht te vervullen. Nadat zij het meisje verder had gerustgesteld door haar het dek over het hoofd te slaan en het kussen drie of vier nijdige stompen te geven, sloeg zij hare armen over elkander, kneep zij haar mond dicht en bleef zij het overige van den avond naar het vuur zitten kijken.Schoon men in kinderkamertaal van kleinen Paul zeide, dat hij voor zijn ouderdom heel kennelijk was, lette hij toch op dat alles even weinig als op de toebereidselen tot zijn doopen op den tweeden dag daaraanvolgende, die evenwel—zoover de zorg voor zijn opschik, en die van zijn zusje, de min en de kindermeid betrof—met veel drukte in zijne tegenwoordigheid plaats hadden. Even weinig toonde hij op den bepaalden morgen eenig gevoel van het gewichtige daarvan; hij was integendeel buitengewoon genegen om te slapen en het zijne oppassters kwalijk te nemen dat zij hem kleedden om uit te gaan.Het was juist een ijzergrauwe najaarsdag, met een guren oostenwind—een dag geheel in overeenstemming met de plechtigheid. Dombey representeerde in zich zelven den wind, de duisternis en het najaarsachtige van dit doopfeest. Hij stond in zijne bibliotheek om het gezelschap te ontvangen, even koud en guur als het weder, en als hij door de glazen kamer naar de boomen in het tuintje keek, kwamen hunne bruine en gele bladeren naar omlaag dwarrelen, alsof zijn blik ze deed verdorren.Bah! Het waren zwarte, koude kamers; zij schenen, evenals de bewoners van het huis, in den rouw te zijn. De boeken, nauwkeurig volgens de grootte gerangschikt en als soldaten in gelid geschaard, schenen in hunne koude, harde, gladde monteeringen, met hun allen slechts één denkbeeld te hebben, en dat was bevriezend. De boekenkast, met geslotene glazen deuren, weerde alle familiariteiten af. De heer Pitt, in het brons, bovenop, zonder eenig spoor van zijne hemelsche afkomst over zich, bewaarde dien ontoegankelijken schat gelijk een betooverde moor. Eene stofferige urne, uit eene oude grafstede opgedolven, op elken hoogen hoek, predikte rouw en vergankelijkheid, als van twee preekstoelen; en de spiegel in den schoorsteenmantel, welke Dombey en zijn portret in éénen terugkaatste, scheen vol zwaarmoedig gepeins.Het stijve, hoekerige haardgereedschap scheen nauwer verwantschap dan iets anders daar op Dombey te kunnen doen gelden, met zijn dichtgeknoopten rok, zijne witte das, zijn zwaren gouden horlogeketting en zijne krakende laarzen. Maar dit was voor de komst van mijnheer en mevrouw Chick, die zich weldra vertoonden.“Mijn beste Paul,” prevelde mevrouw Chick, terwijl zij hem omhelsde, “het begin, hoop ik, van vele blijde dagen.”—“Dank u, Louise,” zeide Dombey stroef. “Hoe vaart ge, mijnheer John?”—“Hoe vaart gij, mijnheer?” zeide Chick.Hij gaf Dombey de hand, alsof hij vreesde dat die hem zou electriseeren. Dombey nam ze aan alsof zij een visch of eene zeeplant of eene dergelijke klamme zelfstandigheid was, en gaf ze hem terstond met statige beleefdheid weder terug.“Misschien, Louise,” zeide Dombey, zijn hoofd eenigszins in zijne das omdraaiende, alsof het op eene spil stond, “zoudt ge liever vuur gehad hebben?”—“O mijn lieve Paul,” zeide mevrouw Chick, die veel moeite had om hare tanden het klapperen te beletten, “voor mij niet.”—“Mijnheer John,” zeide Dombey, “gij voelt toch geene kilheid?”[28]Mijnheer John, die zijne handen reeds tot over de polsen in zijne broekzakken had gestoken, betuigde dat hij het warm genoeg vond.Hij voegde er zachtjes bij, “met mijn tiere liere la,” toen hij gelukkig door Towlinson werd gestuit, die jufvrouw Tox aandiende.En nu trad deze schoone binnen, met een blauwen neus en een onbeschrijfelijk koudbont gezicht, daaraan te wijten dat zij zich, om de plechtigheid eer aan te doen, zeer dun in een warhoop van fladderende lapjes en strookjes had gekleed.“Hoe vaart gij, jufvrouw Tox?” zeide Dombey.Te midden harer uitspreidende gazen strooken zonk jufvrouw Tox geheel in elkander, evenals een tooneelkijker die ingeschoven wordt; zij neeg zoo laag uit erkentelijkheid dat Dombey haar een paar stappen te gemoet kwam.“Ik kan deze gelegenheid nooit vergeten, mijnheer,” zeide jufvrouw Tox zachtjes. “Dat is onmogelijk. Mijne lieve Louise, ik kan haast het getuigenis van mijne zinnen niet gelooven.”Indien jufvrouw Tox het getuigenis van een harer zinnen gelooven kon, was het een zeer koude dag. Dit was volkomen duidelijk. Zij nam de eerste gelegenheid waar om den bloedsomloop in het tipje van haar neus te bevorderen door dit heimelijk met haar zakdoek te wrijven, opdat het door deszelfs bijzonder lage temperatuur het wichtje niet op eene onaangename wijs zou verbazen, als zij het een kus zou komen geven.Weldra verscheen dit wichtje, in groote staatsie door Richards gedragen, terwijl Florence, in bewaring van Susanna Nipper, als dienaar van politie, achteraankwam. Hoewel het gezelschapje uit de kinderkamer thans in lichter rouw was gekleed dan in het eerst, had het voorkomen der moederlooze kinderen toch iets, niet geschikt om den dag helderder te doen schijnen. Ook begon het wichtje—misschien was het wel om den neus van jufvrouw Tox—te schreeuwen, en verhinderde daardoor mijnheer Chick in de ongepaste volvoering van een zeer welgemeend voornemen dat hij had, namelijk om bijzonder werk van Florence te maken. Want deze heer, ongevoelig voor de hoogere aanspraken van een volmaakten Dombey (misschien wel omdat hij zelf de eer had van met eene Dombey vereenigd te zijn, en aan dat uitmuntende gewoon was geworden) had waarlijk veel schik in haar, toonde dit ook, en was nu gereed om dit op zijne manier weder te toonen, toen Paul begon te schreien, en zijne wederhelft hem stuitte.“Kom, Florence, kind!” zeide hare tante levendig. “Wat doet ge nu toch, liefje? Laat u aan hem kijken. Houd hem wat bezig!”De lucht in het rond werd al kouder en kouder, of had dit wel kunnen worden, terwijl Dombey stijf en stil naar zijn dochtertje stond te kijken, dat in hare handjes klappende voor den troon van zijn zoon en erfgenaam op de teenen ging staan en hem verlokte van zijne hooge waardigheid op haar neer te zien. Eene welgemeende beweging van Richards mag daartoe hebben geholpen, maar hij keek naar omlaag en hield zich stil. Als zijn zusje zich achter de min verschool, volgde hij haar met de oogen; en als zij met een dartelen kreet naar hem kwam uitkijken, sprong hij op en kraaide—hardop lachende als zij op hem kwam toeloopen, en terwijl zij hem met zoentjes smoorde, scheen hij met zijne kleine handjes hare krullen te liefkoozen.Behaagde het Dombey toen hij dit zag? Hij toonde geen genoegen door het ontspannen van een enkelen trek; maar uitwendige blijken van eenigerlei gevoel waren bij hem iets buitengewoons. Als er een zonnestraal in de kamer sloop om de kinderen onder hun spel te beschijnen, bereikte hij zijn gezicht toch niet. Hij bleef zoo strak en koel toekijken, dat het warme licht zelfs uit de lachende oogen der kleine Florence verdween, toen zij eindelijk toevallig de zijnen ontmoette.Het was wel een donkere grauwe najaarsdag, en in de korte poos van stilte, die hierop volgde, vielen de bladeren treurig neer.“Mijnheer John,” zeide Dombey, op zijn horloge ziende, en daarna hoed en handschoenen opnemende. “Neem mijne zuster, als het u belieft; mijn arm is vandaag voor jufvrouw Tox. Gij moest liever met jongen heer Paul vooruitgaan, Richards. Wees heel voorzichtig.”In Dombey’s koets zaten Dombey en Zoon, jufvrouw Tox, mevrouw Chick, Richards en Florence; in een ander rijtuigje volgden Susanna Nipper en de eigenaar, mijnheer Chick. Susanna keek aanhoudend uit het portier, om niet verlegen te worden, dat zij het groote gezicht van dien heer zoo vlak over zich had, en dacht telkens als er iets rammelde, dat hij eene voegzame vereering voor haar in een papiertje deed.Eens op weg naar de kerk, klapte Dombey tot vermaak van zijn zoon in de handen; bij welk voorbeeld van vaderlijke geestvervoering jufvrouw Tox verrukt was. Doch met uitsluiting van dit voorval, bestond het voornaamste verschil tusschen dit naar een doop rijdend gezelschap en een gezelschap in eene rouwkoets, in de kleur van de koets en de paarden.Aan de deur der kerk werden zij door een geduchten kerkeknecht ontvangen. Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen, en naast hem bij het portier bleef staan, scheen wel een tweede kerkeknecht te zijn. Een minder prachtig maar veel geduchter tuchtmeester; de tuchtmeester van den huiselijken kring en het dagelijksche leven.De hand van jufvrouw Tox beefde, toen zij die door Dombey’s arm stak, en zich, door[29]een steekhoed en een bont gekleurden kraag voorafgegaan, de trappen voelde opleiden. Voor een oogenblik scheen het naar die andere plechtigheid te gelijken.—“Wilt gij dezen man hebben, Lucretia?”—“Ja, ik wil.”—“Breng het kind maar gauw hier uit de lucht,” fluisterde de kerkeknecht, de binnendeur der kerk open houdende.Kleine Paul had wel met Hamlet mogen vragen: “In mijn graf?” zoo kil en dompig was het daar. De hooge met donkere stof bekleede preekstoel en leeslessenaar, het akelige verschiet van ledige banken, die zich onder de galerijen uitstrekten en tot aan het dak opstegen, waar zij zich in de schaduw van het groote sombere orgel verloren; de stofferige matten en koude steenen zerken; de smerige vrije banken in de zijgangen; en de vochtige hoek bij het klokkentouw, waar de zwarte schragen, bij begrafenissen gebezigd, waren weggeborgen, benevens eenige schoppen en manden en een paar ringen grafachtig touw; de vreemde, onaangename reuk en het lijkachtige licht, alles strookte met elkander. Het was een koud en akelig tooneel.“Er wordt juist getrouwd, mijnheer,” zeide de kerkeknecht; “maar het zal zoo meteen gedaan zijn, als gij hier maar even in de kerkekamer wilt gaan.”Eer hij zich weder omkeerde om vooruit te gaan, maakte hij voor Dombey eene buiging met een half glimlachje van herkenning, om aan te duiden dat het hem (den kerkeknecht) nog wel heugde het genoegen te hebben gehad van op hem te wachten toen hij zijne vrouw kwam begraven, en hoopte dat hij sedert wel in zijn schik was geweest.Zelfs de trouwplechtigheid, die zij zagen toen zij het altaar voorbijgingen, had iets akeligs. De bruid was te oud en de bruidegom te jong, en een oud maar zeer pronkerig gekleed heertje met één oog en een lorgnet voor de andere ledige holte, was bruidsvader, en de vrienden stonden te huiveren. In de kerkekamer rookte het; en een bejaarde, overwerkte en karig betaalde procureursklerk, die “iets moest nazoeken,” liep met zijn voorvinger langs de perkamenten bladen van een ontzaglijk register (een van eene lange reeks dergelijke boeken) propvol aanteekeningen van begrafenissen. Boven den schoorsteen was eene grondteekening van de grafgewelven onder de kerk; en mijnheer Chick, die om het gezelschap te vervroolijken de bijgeschreven verklaring overluid voorlas, had de aanwijzing van mevrouw Dombey’s graf voluit gelezen, eer hij zich kon bedenken.Na nog eene koude poos wachtens, riep eene aamborstige stoelenzetster, met een kuch, die aan het kerkhof, niet aan de kerk, moest doen denken, hen naar de doopvont. Hier wachtte men nog een poosje terwijl de pas getrouwden en hun gezelschap in de kerkekamer draalden; en ondertusschen liep de aamborstige stoelenzetster, nog harder hoestende,—gedeeltelijk omdat zij dit niet laten kon, gedeeltelijk opdat het aftrekkende gezelschap haar niet zou vergeten—door de kerk rond.Weldra kwam de klerk (de eenige die er eenigszins vroolijk uitzag—en hij was een aanspreker) met eene kan warm water aan, en terwijl hij dit in de doopvont goot, zeide hij iets van de kilheid weg te nemen, hetgeen millioenen emmers kokend heet water niet hadden kunnen doen. Toen verscheen de geestelijke, een jong hulpprediker, met een zacht en vriendelijk gezicht, maar blijkbaar bang voor het kind, gelijk de hoofdpersoon in eene spookhistorie, “eene lange gedaante geheel in ’t wit;” op wiens gezicht Paul de kerk met zijn geschreeuw vervulde, niet ophoudende voordat hij met een leiblauw gezichtje werd weggebracht.Zelfs toen dit, tot verademing van alle aanwezigen geschied was, hoorde men hem nog zoolang de plechtigheid verder duurde, in het portaal, nu flauwer dan harder, dan bijna stil, dan weder met een onbedwingbaar gevoel van zijne grieven uitbarstende. Dit trok de aandacht der twee dames zoodanig af, dat mevrouw Chick gedurig den middelgang instapte om boodschappen met de stoelenzetster te zenden, terwijl jufvrouw Tox haar gebedenboek bij het buskruitverraad openhield, en nu en dan de antwoorden uit dat formulier oplas.Onder dit alles bleef Dombey zoo stijf en statig als ooit, en droeg er misschien toe bij om het zoo koud te maken, dat den jongen hulpprediker onder het lezen eene dampwolk uit den mond vloog. De eenige maal dat hij zijn gezicht eenigszins ontspande, was toen de geestelijke, bij het lezen der toespraak aan het slot (hetgeen hij zeer eenvoudig en zonder eenige gemaaktheid deed) aangaande de toekomstige ondervraging van het kind door de doopgetuigen, toevallig mijnheer Chick aanzag; en toen had men Dombey door een blik vol majesteit kunnen zien uitdrukken, dat hij zijn schoonbroeder wel eens daarop wilde betrappen.Het zou misschien goed voor Dombey zijn geweest als hij wat minder aan zijne eigene waardigheid had gedacht, en wat meer aan den grooten oorsprong en het gewichtige doel der plechtigheid, waaraan hij zoo stijf en statig deel nam. Zijne verwaandheid stond in een vreemd contrast met de geschiedenis dier instelling.Toen alles voorbij was, gaf hij zijn arm weder aan jufvrouw Tox en leidde haar naar de kerkekamer, waar hij den geestelijke onderrichtte hoeveel genoegen het hem zou verschaft hebben de eer van zijn gezelschap aan den maaltijd te verzoeken, indien zijne ongelukkige huiselijke omstandigheden dit niet hadden verhinderd. Toen het register geteekend, het doopgeld[30]betaald, de stoelenzetster (die weer zeer erg hoestte) bedacht, de kerkeknecht bevredigd, en de doodgraver (die toevallig in het portaal stond en met groote belangstelling naar het weder keek) niet vergeten was, stapte men weder in de koetsen en reed in dezelfde kille gezelligheid naar huis.Daar vonden zij den ouden heer Pitt, zijn neus ophalende voor een koud collation, in koude pracht van glas- en zilverwerk opgezet, en dat meer naar een diner op een paradebed dan naar een gezellig onthaal geleek. Bij hunne aankomst bracht jufvrouw Tox een kroesje voor haar petekind te voorschijn, en mijnheer Chick een mes, vork en lepel in een doosje. Dombey haalde een armband voor jufvrouw Tox voor den dag; en bij het ontvangen dezer gedachtenis was jufvrouw Tox teeder aangedaan.“Mijnheer John,” zeide Dombey, “wilt gij aan het eind van de tafel plaats nemen, als het u belieft. Wat hebt gij daar, mijnheer John?”—“Ik heb hier eene koude kalfsschijf, mijnheer,” antwoordde Chick, zeer hard zijne handen wrijvende. “Wat hebt gij daar, mijnheer?”—“Dit,” antwoordde Dombey, “is eene toebereiding van kouden kalfskop, geloof ik. Ik zie ook koude kippen—ham—kreeften—sla—jufvrouw Tox, wilt ge mij de eer bewijzen om eens te drinken? Champagne voor jufvrouw Tox.”Er stak kiespijn in alles. De wijn was zoo bitter en koud, dat hij jufvrouw Tox een gilletje afdwong, hetwelk zij met groote moeite in een lachje veranderde. Het kalfsvleesch kwam uit zulk eene luchtige vliegenkast, dat het eerste proefje er van mijnheer Chick een gevoel als van koud lood tot in de teenen zond. Dombey alleen bleef onbewogen. Hij had op eene Russische kermis te koop gehangen kunnen worden als een staaltje van een bevrozen gentleman.De heerschende invloed was zelfs zijne zuster te erg. Zij deed geene poging tot vleierij of beuzelpraatjes, maar alleen haar best om er zoo warm uit te zien als zij kon.“Wel, mijnheer,” zeide Chick, na eene lange stilte een wanhopigen sprong doende, en een glas sherry inschenkende; “ik zal dit, mijnheer, als ge mij permitteert, op het welzijn van den kleinen Paul drinken.”—“Zegen hem!” prevelde jufvrouw Tox, een teugje nemende.—“Lieve kleine Dombey!” fluisterde mevrouw Chick.—“Mijnheer John,” zeide Dombey met strengen ernst, “mijn zoon zou zonder twijfel zijne verplichting aan u gevoelen en uitdrukken, als hij reeds in staat was om de gunst, die gij hem bewezen hebt, te waardeeren. Hij zal in vervolg van tijd, vertrouw ik, bewijzen berekend te zijn voor alle verantwoordelijkheid, welke de verplichtende welwillendheid van vrienden en betrekkingen in het bijzondere leven, of de gewichtige plichten van onze openbare positie hem kunnen opleggen.”De toon waarop dit gezegd werd liet geen wederantwoord toe, en Chick verzonk dus nogmaals in neerslachtigheid en stilzwijgen. Niet zoo jufvrouw Tox, die met nog meer opgetogene aandacht en nog meer uitdrukking in het overhangen van haar hoofd dan gewoonlijk naar Dombey geluisterd had, en nu over de tafel leunde en zachtjes tot mevrouw Chick zeide:“Louise!”—“Lieve vriendin,” zeide mevrouw Chick.—“Gewichtige plichten van onze openbare positie hem mag—ik heb de juiste uitdrukking vergeten.”—“Hem mogen blootstellen,” zeide mevrouw Chick.—“Neem mij niet kwalijk, lieve,” hervatte jufvrouw Tox, “ik geloof van neen. Het was meer welluidend en vloeiend. De verplichtende welwillendheid van vrienden en betrekkingen in het bijzondere leven, of de gewichtige plichten van onze openbare positie hem—kunnen—opleggen?”—“Opleggen—o wel zeker,” zeide mevrouw Chick.Jufvrouw Tox klapte zegevierend in hare kleine handjes en zeide, in verrukking hare oogen opslaande: “Dat is welsprekend!”Dombey had ondertusschen last gegeven dat Richards zou geroepen worden. Deze trad nu nijgende binnen, maar zonder kind, daar Paul, na de vermoeienis van dien morgen, in slaap geraakt was. Nadat Dombey aan deze onderhoorige een glas wijn had gegeven, sprak hij haar met deze woorden aan: vooraf zette jufvrouw Tox haar hoofd reeds op zijde en maakte andere kleine schikkingen om ze in haar hart te graveeren.“In de zes maanden of daaromtrent, Richards, die gij hier in huis hebt gewoond, hebt gij uw plicht gedaan. Verlangende om u bij deze gelegenheid een geringen dienst te bewijzen, heb ik nagedacht hoe ik best dat oogmerk zou kunnen bereiken, en ben ik ook te rade gegaan met mijne zuster, mevrouw …”—“Chick,” viel de heer van dien naam er op in.—“O, stil toch, als ’t ublieft!” zeide jufvrouw Tox.—“Ik wilde u zeggen, Richards,” hervatte Dombey, met een ontzettenden blik naar mijnheer John, “dat ik bij het nemen van mijn besluit verder bestuurd werd door de herinnering van een gesprek, dat ik in deze kamer met uw man heb gehouden, bij gelegenheid dat gij gehuurd werdt, en waarbij hij mij de treurige omstandigheid mededeelde, dat uwe familie, hij zelf aan het hoofd, in onwetendheid was gedompeld en verzonken.”Richards sloeg onder de deftigheid dezer bestraffing de oogen neer.“Ik ben verre van datgene toegedaan te zijn,” vervolgde Dombey, “wat menschen, die overdreven liberale gevoelens hebben, algemeene opvoeding noemen. Maar het is noodzakelijk[31]dat de mindere klassen onderricht blijven ontvangen om hunne positie te kennen en zich behoorlijk te gedragen. In zooverre geef ik mijne goedkeuring aan scholen. Daar ik macht heb om een kind te plaatsen in de fondatie eener oude instelling, die naar een achtbaar gilde, de Liefdadige Slijpers wordt genoemd, waar niet alleen den scholieren eene heilzame opvoeding wordt gegeven, maar zij insgelijks van eene bovenkleeding en een onderscheidingsteeken worden voorzien, heb ik (vooraf door mevrouw Chick met uwe familie in overleg getreden) uw oudsten zoon tot de opengevallene plaats benoemd, en heeft hij vandaag, naar ik onderricht ben, de kleeding aangenomen. Het nommer van haar zoon is, geloof ik,” vervolgde hij, zich naar zijne zuster keerende, en sprekende alsof het kind eene huurkoets was, “honderd zeven en veertig. Louise, dat kunt gij haar zeggen.”—“Honderd zeven en veertig,” zeide mevrouw Chick. “De kleeding, Richards, is een mooie, warme, blauwe saaien rok met lange panden, en eene pet van dezelfde stof, met oranje uitgemonsterd, roode wollen kousen, en eene korte leeren broek, heel sterk. Men zou zulk goed zelf kunnen dragen,” zeide mevrouw Chick, met geestvervoering, “en er dankbaar voor zijn.”—“Wel, Richards!” zeide jufvrouw Tox. “Nu moogt ge wel trotsch wezen. De Liefdadige Slijpers!”—“Ik ben u zeker wel zeer verplicht, mijnheer,” antwoordde Richards flauw, “en houd het voor eene groote goedheid dat gij om mijne kleintjes denkt.” Te gelijker tijd rees eene verschijning van Biler als een Liefdadig Slijpertje, met zijne korte beentjes in de door mevrouw Chick beschrevene, onverslijtelijke broek gepakt, voor Richards’ oogen op, en deed ze wateren.—“Het verheugt mij wel te zien, dat ge zooveel gevoel hebt, Richards,” zeide jufvrouw Tox.—“Het doet iemand bijna hopen, dat doet het waarlijk,” zeide mevrouw Chick, die er zich op beroemde dat zij altijd het beste van de menschen vertrouwde, “dat er nog een vonkje van dankbaarheid en rechtschapenheid in de wereld is.”Richards beantwoordde deze complimenten door te nijgen en eene dankbetuiging te prevelen; maar het geheel onmogelijk vindende om zich te herstellen van de ontroering, welke het beeld van haar zoon met zijn kort lederen broekje haar veroorzaakt had, ging zij langzamerhand naar de deur, en was hartelijk blijde toen zij daaruit ontsnapt was.De tijdelijke teekenen van een gedeeltelijken dooi, die met haar verschenen waren, verdwenen ook met haar; en de vorst viel weder in, zoo koud en hard als ooit. Men hoorde mijnheer Chick aan het eind van de tafel tweemaal een wijsje brommen, maar beide keeren was het een brok van den doodenmarsch in Saul. Het gezelschap scheen al kouder en kouder te worden en langzamerhand in een geheel bevrozen toestand over te gaan, gelijk het collation waarom het verzameld was. Eindelijk zag mevrouw Chick jufvrouw Tox aan en zond jufvrouw Tox dien blik terug; beiden stonden op en zeiden dat het waarlijk tijd was om te gaan. Daar Dombey dit bericht met volmaakte gelijkmoedigheid ontving, namen zij afscheid van dezen heer en vertrokken weldra onder de hoede van mijnheer Chick, die, toen zij het huis den rug hadden gekeerd en den meester in zijne gewone eenzame grootheid gelaten, zijne handen in zijne zakken stak, zich in het rijtuig achterover liet zakken, en een van zijne lijfdeuntjes geheel uitfloot, waarbij hij zulk een dreigend en somber uitdagend gezicht zette, dat mevrouw Chick niet durfde protesteeren of hem op eenigerlei manieren hinderlijk zijn.Richards kon, hoewel zij den kleinen Paul op haar schoot had, haar eigen eerstgeborene niet vergeten. Zij gevoelde dat dit ondankbaar was; maar de invloed van den dag strekte zich zelfs tot de Liefdadige Slijpers uit, en zij kon niet nalaten zijn tinnen plaatje op de mouw, met nommer honderd zeven en veertig, voor iets te houden dat ook heel streng en hard was. Zij sprak ook in de kinderkamer van zijne kleine beentjes, en werd nogmaals gekweld door zijne schim in uniform.“Ik weet niet wat ik wel geven wou,” zeide Polly, “om het arme lieve kind nog eens te zien eer hij er aan gewoon wordt.”—“Wel, zal ik u eens wat zeggen, jufvrouw Richards,” zeide Suze, die zij in haar vertrouwen had genomen, “ga hem zien en stel zoo uw gemoed gerust.”—“Mijnheer Dombey zal het niet willen hebben,” zeide Polly.—“Niet, jufvrouw Richards!” liet Suze hierop volgen. “Hij zou het wel graag willen hebben, denk ik, als men het hem vroeg.”—“Gij zoudt het hem geheel niet vragen, geloof ik?” zeide Polly.—“Neen, jufvrouw Richards, wel ten contrarie,” antwoordde Suze; “en daar die twee inspecteurs, Tox en Chick, morgen niet op de wacht denken te zijn, zooals ik ze heb hooren zeggen, zullen jonge jufvrouw Flore en ik morgenochtend met u meegaan, en als ge dan wilt, jufvrouw Richards, kunnen we daar evengoed een straatje op en neer kuieren als ergens anders—nog beter zelfs.”Polly verwierp dit denkbeeld in het eerst met vrij veel drift; maar langzamerhand begon zij het toch te begunstigen, toen de verbodene schilderijen van hare kinderen en haar eigen huis haar al duidelijker voor de oogen kwamen. Eindelijk beredeneerende dat er toch geen groot kwaad in kon steken als zij eens even aan de deur aanging, nam zij Suze’s voorslag aan.Toen de zaak aldus was afgesproken, begon[32]kleine Paul jammerlijk te schreeuwen, alsof hij een voorgevoel had dat er geen goed van zou komen.“Wat scheelt het kind toch?” vroeg Suze.—“Hij is koud, denk ik,” zeide Polly, met den kleine heen en weer wandelende en hem sussende.Het was waarlijk een gure najaarsavond; en toen zij wandelde en suste, en door de beslagene vensters uitkijkende, den kleine dichter aan hare borst drukte, vielen de verdorde bladeren bij geheele vlagen af.

Kleine Paul, die uit het bloed der Toodle’s geene smetstof opnam, werd van dag tot dag grooter en sterker. Van dag tot dag werd hij ook vuriger door jufvrouw Tox geliefkoosd, wier hartelijkheid in zooverre door Dombey werd gewaardeerd, dat hij haar voor eene zeer verstandige vrouw begon te houden, wier gevoel haar tot eer strekte en aanmoediging verdiende. Hij was zoo mild met zijne nederbuigende goedheid, dat hij niet alleen bij verschillende gelegenheden in het bijzonder voor haar boog, maar ook zijne zuster nu en dan een statig compliment voor haar opdroeg, zooals: “Zeg uwe vriendin, Louise, dat zij zeer goed is,” of “zeg jufvrouw Tox, Louise, dat ik haar verplicht[23]ben;” onderscheidingen, welke op de aldus vereerde dame een diepen indruk maakten.

Jufvrouw Tox was gewoon mevrouw Chick dikwijls te verzekeren, dat niets hare belangstelling kon te boven gaan in alles wat maar met de ontwikkeling van dat lieve kind in betrekking stond; en iemand die haar gedrag waarnam had dit ook zonder zulk eene verklaring wel kunnen begrijpen. Zij woonde de onschuldige maaltijden van den jeugdigen erfgenaam met onuitsprekelijk genoegen bij, bijna met een gezicht alsof zij evenveel deel had aan het onthaal als Richards. Bij de kleine ceremoniën van het bad en toilet was zij met geestdrift behulpzaam. Het toedienen van kinderlijke medicijnen deed al de levendige sympathie van haar gemoed ontwaken; en toen zij bij zekere gelegenheid in eene kast was verscholen (waarin zij uit zedigheid de vlucht had genomen) toen Dombey door zijne zuster in de kinderkamer werd gebracht, om zijn zoon, die naar bed geholpen werd, in een kort en luchtig linnen japonnetje, eene kleine wandeling, tegen den heuvel van Richard’s japon op, te zien doen, was jufvrouw Tox zoo verrukt dat zij niet nalaten kon uit te roepen: “Is hij niet lekker, mijnheer Dombey! Is hij geen Cupidootje, mijnheer!” en toen bijna achter de kastdeur neerzonk van verlegenheid en schaamte.

“Louise,” zeide Dombey eens tot zijne zuster, “ik denk waarlijk, dat ik uwe vriendin eene kleine gedachtenis moet vereeren bij gelegenheid als Paul gedoopt wordt. Zij heeft van den eersten af zooveel hartelijkheid voor het kind getoond, en schijnt hare positie zoo wel te begrijpen (eene zeer zeldzame verdienste in deze wereld, moet ik met leedwezen zeggen) dat het mij waarlijk aangenaam zou zijn haar een blijk van onderscheiding te geven.”

Laat het de verdiensten van jufvrouw Tox niet verkleinen, als hier wordt aangestipt, dat in de oogen van Dombey, gelijk in sommige anderen die wel eens het licht zien, diegenen alleen zulk een toppunt van kennis bereikt hadden, dat zij hunne eigene positie begrepen, die een gepasten eerbied voor de zijne toonden. Hunne verdienste was niet zoozeer daarin gelegen, dat zij zich zelven kenden, als dat zij hem kenden en laag voor hem bogen.

“Mijn beste Paul,” antwoordde zijne zuster, “gij laat jufvrouw Tox niet meer dan recht wedervaren, gelijk ik wel wist dat een man van uw doorzicht doen zou. Ik geloof, als er drie woorden in de taal zijn, waarvoor zij eene achting heeft, die bijna tot eerbied gaat, het de woorden zijn: Dombey en Zoon.”—“Wel,” zeide Dombey, “ik wil het gelooven. Het strekt jufvrouw Tox tot eer.”—“En wat een gedachtenisje betreft, beste Paul,” vervolgde zijne zuster, “kan ik niets anders zeggen, dan dat alles wat ge jufvrouw Tox maar geven kunt, als eene reliquie bewaard en vereerd zal worden. Maar er is een middel, mijn beste Paul, om uw gevoel voor de vriendelijkheid van jufvrouw Tox op eene nog vleiender manier te toonen, als ge daartoe genegen mocht zijn.”—“Hoe zoo?” vroeg Dombey.—“Het is natuurlijk een punt van belang, watconnectieen invloed betreft, welke peten een kind krijgt,” hervatte mevrouw Chick.—“Ik weet niet waarom zij dat voor mijn zoon zouden wezen,” zeide Dombey koel.—“Heel waar, beste Paul,” hervatte mevrouw Chick, met eene buitengewone vertooning van levendigheid, “en heel juist uitgedrukt. Ik had niet anders van u kunnen verwachten. Ik had wel kunnen weten dat dit uw gevoelen zou zijn. Misschien,” hier haperde mevrouw Chick weder, als niet gerust of zij wel op den rechten weg was, “misschien is dat wel eene reden waarom gij er minder bezwaar in zoudt hebben om jufvrouw Tox tot meter van den lieven kleine te nemen, al was het maar als plaatsvervangster van iemand anders. Dat dit als eene groote eer en onderscheiding zou worden opgenomen, Paul, behoef ik niet te zeggen.”—“Louise,” zeide Dombey na eene korte poos van stilte, “het is niet te vooronderstellen …”—“Zeker niet,” riep mevrouw Chick, zich haastende om eene weigering vooruit te loopen; “ik heb het ook nooit gedacht.”

Dombey zag haar ongeduldig aan.

“Laat mij niet schrikken, lieve Paul,” zeide zijne zuster, “want daar kan ik niet tegen. Ik ben lang niet sterk. Ik ben, sedert die arme lieve Fanny stierf, nog niet recht op mijn verhaal gekomen.”

Dombey keek eens naar den zakdoek, dien zijne zuster voor hare oogen hield, en hervatte:

“Het is niet te vooronderstellen, zeg ik …”—“En ik zeg,” prevelde mevrouw Chick, “dat ik het ook nooit gedacht heb.”—“Goede hemel, Louise!” zeide Dombey.—“Neen; mijn lieve Paul,” bracht zij met tranen en deftigheid hiertegen in, “ik moet waarlijk mogen spreken. Ik ben niet zoo knap, of zoo beredeneerd, of zoo welsprekend, of zoo iets anders als gij zijt. Dat weet ik heel wel. Zooveel te erger voor mij. Maar al waren het de laatste woorden die ik spreken moest—en laatste woorden moeten voor u en mij iets heel ernstigs wezen, Paul, na die arme lieve Fanny—dan zou ik nog zeggen, dat ik het nooit gedacht had. En wat meer is,” voegde mevrouw Chick er met nog grootere deftigheid bij, alsof zij haar verpletterend argument tot nog toe had teruggehouden, “ik heb het ook nooit gedacht.”

Dombey ging eens naar het venster en kwam weder terug.

“Het is niet te vooronderstellen, Louise,” zeide hij (mevrouw Chick had hare vlag aan den mast gespijkerd, en herhaalde “dat weet ik wel,” maar hij lette er niet op) “of er zijn[24]velen die, vooronderstellende dat ik in zulk een geval eenige aanspraken erkende, hoogere aanspraken op mij zouden hebben dan jufvrouw Tox. Maar dat doe ik niet. Ik erken zoo iets niet. Paul en ik zullen in staat zijn, als die tijd komt, om pal te staan—het kantoor, met andere woorden, zal in staat wezen om pal te staan, en zich te handhaven, en zich voort te planten, alleen en van zelf, zonder zulke alledaagsche hulpmiddelen. De soort van vreemde hulp welke de menschen gewoonlijk voor hunne kinderen zoeken, ben ik in staat te verachten, ben ik boven verheven, hoop ik. Als Paul’s kindsheid maar gelukkig verloopt, en ik hem zonder tijdverzuim geschikt zie worden voor de loopbaan, waarvoor hij bestemd is, ben ik tevreden. Hij zal zich vermogende vrienden maken zooveel hij wil, in later tijd, als hij werkzaam is om het aanzien en crediet der firma te handhaven,—en uit te breiden, als dat mogelijk is—tot zoolang ben ik genoeg voor hem, misschien, en alles in alles. Ik wil veel liever mijne gevoeligheid toonen voor de verplichtende handelwijs van een verdienstelijk persoon gelijk uwe vriendin. Laat het dus zoo zijn; en uw man en ik zullen kunnen volstaan voor de andere getuigen, durf ik zeggen.”

Door deze gezegden, met groote statigheid uitgesproken, had Dombey waarlijk de geheime gewaarwordingen van zijn hart geopenbaard. Een onbeschrijfelijk wantrouwen dat zich iemand tusschen hem en zijn zoon zou plaatsen; eene trotsche vrees dat hij in den eerbied en de onderdanigheid van den knaap een mededinger of deelgenoot zou krijgen; een pijnlijke twijfel, pas bij hem opgekomen, dat hij niet onfeilbaar was in zijne macht om den wil van andere menschen te buigen en te dwingen; eene even pijnlijke benauwdheid voor eene tweede teleurstelling of belemmering; dit waren toen de heerschende aandoeningen zijner ziel. In al zijn leven had hij nooit een vriend gehad. Zijn koud en stug gemoed had er evenmin een gezocht als gevonden. En thans, nu dat gemoed zijne geheele kracht verzamelde om ze op een partijdig plan van vaderlijke baatzucht en eerzucht te richten, was het alsof de bevrozen stroom, in plaats van door dien invloed vrij te worden en helder voort te vloeien, slechts voor een oogenblik was ontdooid om zijn last op te nemen, en toen daarmede tot een enkel onbewegelijk blok was bevrozen.

Aldus om hare onbeduidendheid tot het meterschap van den kleinen Paul verheven, was jufvrouw Tox van dat uur af tot dien post gekozen en benoemd; en Dombey gaf verder zijn welbehagen te kennen dat de plechtigheid, reeds lang vertraagd, zonder verder uitstel zou plaats hebben. Zijne zuster, die zulk een uitstekend gelukkigen afloop niet had durven verwachten, verwijderde zich zoodra zij maar kon, om dien aan hare beste vriendin mede te deelen, en Dombey bleef alleen in zijne bibliotheek.

In de kinderkamer heerschte alles behalve eenzaamheid; want daar genoten mevrouw Chick en jufvrouw Tox een gezelligen avond, tot zoo groot misnoegen van Susanna Nipper, dat die jonge jufvrouw elke gelegenheid waarnam om achter de deur leelijke gezichten te trekken. Haar gevoel was bij deze gelegenheid zoodanig opgewonden, dat zij het onmisbaar vond zich deze verlichting te geven, zonder zelfs het genoegen van toeschouwers of deelneming te hebben. Gelijk de dolende ridders van den ouden tijd hun gemoed verlichtten door de namen hunner meesteressen in woestijnen en andere eenzame plaatsen te snijden of te graveeren, waar geene waarschijnlijkheid was dat ooit iemand zou komen om ze te lezen, zoo trok Susanna Nipper haar mopneusje schimpend in latafels en kleerkassen op, zoo schoot zij blikken van minachting in een buffet, en spottend schele lonken in eene steenen kan: zoo zond zij tegenspraak en scheldwoorden buiten de deur den gang in.

De twee indringsters, die in eene zalige onbewustheid van de gevoelens der jonge juffer verkeerden, bleven echter gerust zitten terwijl kleine Paul werd uitgekleed, zijne luchtige wandeling deed, nog eens de borst nam en naar bed werd geholpen, en zetten zich toen bij het vuur om thee te drinken. De twee kinderen sliepen nu, door de goede diensten van Polly, in deze kamer; en het was niet voordat de dames aan hare theetafel waren gevestigd, dat zij toevallig naar de bedjes ziende, om Florence dachten.

“Wat slaapt zij gerust,” zeide jufvrouw Tox. “Wel, ge weet, melieve, zij heefttegenwoordigveel beweging over dag,” antwoordde mevrouw Chick, “nu zij zoo druk met kleinen Paul speelt.”—“Zij is een wonderlijk kind,” zeide jufvrouw Tox.—“Melieve,” antwoordde mevrouw Chick zeer zacht. “Hare mama, heel en al.”—“Waarlijk!” zeide jufvrouw Tox. “Och Heere!”

Jufvrouw Tox zeide dit op een toon van het diepste medelijden, schoon zij niet wist waarom, behalve dat dit van haar verwacht werd.

“Florence zal nooit, nooit, nooit een Dombey worden,” zeide mevrouw Chick,“niet al wordt zij duizend jaar oud.”

Jufvrouw Tox trok hare wenkbrauwen op en was wederom vol medelijden.

“Ik kwel en pijnig mij zelve over haar,” zeide mevrouw Chick, met een zuchtje van bescheidene verdienste. “Ik weet waarlijk niet wat er van haar worden moet als zij ouder wordt, of wat hare positie zal moeten zijn. Zij neemt haar papa in het minste niet voor zich in. Hoe kan men ook denken dat zij dat zou doen,[25]daar zij zoo weinig naar een Dombey gelijkt?”

Mevrouw Tox keek alsof zij tegen zulk eene bondige redeneering niets zag in te brengen.

“En het kind, ziet ge,” zeide mevrouw Chick in diep vertrouwen, “heeft heel en al het karakter van die arme lieve Fanny. Zij zal zich in later tijd nooit eene inspanning vergen, durf ik wel zeggen. Nooit! Zij zal zich nooit om haar vaders hart slingeren en winden gelijk …”—“Gelijk het klimop?” gaf jufvrouw Tox in bedenking.—“Gelijk het klimop,” stemde mevrouw Chick toe … “Nooit!Nooit zal zij zichin haar papa’s boezem verschuilen, en in zijne genegenheid sluipen gelijk—de …”—“Gelijk de schichtige ree,” zeide mevrouw Tox.—“Gelijk de schichtige ree,” zeide mevrouw Chick. “Nooit! Arme Fanny! En hoeveel heb ik toch van haar gehouden!”—“Gij moet u maar niet bedroeven, lieve vriendin,” zeide jufvrouw Tox met eene troostende stem. “Kom, kom, waarlijk niet! Gij hebt al te veel gevoel.”—“Wij hebben allen onze gebreken,” zeide mevrouw Chick schreiende en haar hoofd schuddende. “Dat durf ik wel zeggen. Ik ben nooit blind voor de hare geweest. Dat heb ik nooit gezegd. Verre van daar. Maar hoeveel heb ik toch van haar gehouden!”

Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen. (blz. 28).Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen.(blz. 28).

Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen.(blz. 28).

Welk eene voldoening was het voor mevrouw Chick—eene tamelijk alledaagsche zottin, bij welke vergeleken, hare schoonzuster een engel van vrouwelijk verstand en zachtaardigheid was geweest—de nagedachtenis dier dame[26]met zulke verschoonende zachtheid te behandelen—evenals zij haar zelve in haar leven had gedaan—en zoo geheel in zich zelve te gelooven, zich zelve te foppen, en zich zoo ongemeen te streelen met de kracht harer verdraagzaamheid! Welk eene aangename deugd moet de verdraagzaamheid wezen als wij gelijk hebben, wanneer zij reeds zoo aangenaam is als wij ongelijk hebben en geheel buiten staat zijn om aan te toonen hoe wij met het voorrecht bekleed komen om haar te mogen uitoefenen!

Mevrouw Chick zat nog hare oogen af te drogen en haar hoofd te schudden, toen Richards de vrijheid nam om haar te waarschuwen dat jonge jufvrouw Florence wakker was en overeind zat. Zij was overeind gekomen, gelijk de min zeide, en hare oogleden waren nat van tranen. Maar niemand zag ze glinsteren behalve Polly. Niemand anders boog zich over haar heen en fluisterde haar troostende woorden toe, of was dichtbij genoeg om het onstuimig kloppen van haar hartje te hooren.

“O lieve min,” zeide het kind, haar ernstig aanziende. “Laat ik bij mijn broertje liggen.”—“Waarom, liefje?” zeide Richards.—“Och, ik denk dat hij mij wel liefheeft,” riep het kind verwilderd uit. “Laat ik bij hem liggen. Och toe!”

Mevrouw Chick kwam nu met eenige moederlijke woorden tusschen beiden om haar te beduiden dat zij als een zoet kind moest gaan slapen, maar Florence herhaalde haar smeekend verzoek met een angstig gezichtje en eene door snikken afgebroken stem.

“Ik zal hem niet wakker maken,” zeide zij, met een hangend hoofd de handjes voor de oogen houdende. “Ik zal hem maar even met mijne hand aanraken en dan gaan slapen. Och, laat ik van nacht maar bij mijn broertje liggen, want ik geloof dat hij veel van mij houdt.”

Richards nam haar zonder een woord te spreken op, droeg haar naar het bedje waarin het kind sliep en legde haar naast het wichtje neer. Florence kroop zoo dicht bij hem als zij kon doen zonder zijne rust te storen; strekte schroomvallig een arm uit, zoodat hij om den hals van haar broertje kwam, verborg haar gezichtje op den anderen arm, waarover hare vochtige losgeraakte haren heenvielen, en bleef toen roerloos liggen.

“Arme kleine,” zeide jufvrouw Tox. “Zij heeft gedroomd, denk ik zeker.”

Dit geringe voorval had den loop van het gesprek zoodanig gestoord, dat het moeielijk weder op te vatten was; en bovendien was mevrouw Chick zoodanig ontroerd door de beschouwing van haar eigen verdraagzaam karakter, dat zij geen lust meer had om te praten. De twee vriendinnen maakten dus spoedig een eind aan haar theedrinken, en er werd een knecht gezonden, om voor jufvrouw Tox eene vigilante te halen. Jufvrouw Tox had groote ondervinding van vigilantes, en als zij met eene zou wegrijden, was dit doorgaans een werk dat tijd kostte, daar zij zeer stelselmatig in de toebereidselen daartoe was.

“Wees zoo goed, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “om eerst met pen en inkt naar buiten te gaan en zijn nommer duidelijk op te schrijven.”—“Ja, jufvrouw!” zeide Towlinson.—“En dan, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “wees zoo goed om het kussen om te keeren.—Dat is doorgaans vochtig, melieve,” voegde zij er ter zijde tot mevrouw Chick bij.—“Ja, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En dan moet ik u, als het u belieft, Towlinson,” hervatte jufvrouw Tox, “nog met dit kaartje en dezen schelling lastig vallen. Hij moet mij op dit kaartje brengen, en wel verstaan dat hij om geene reden meer dan dien schelling zal krijgen.”—“Neen, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En—het spijt me dat ik u zooveel moeite geef, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox peinzend.—“Geheel niet, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“Zeg den man dan, als het u belieft, Towlinson,” zeide jufvrouw Tox, “dat een oom van de dame een rechter is, en dat hij, als hij haar eenige impertinentie toont, schrikkelijk gestraft zal worden. Gij kunt u wel houden, als het u belieft, Towlinson, alsof ge hem dat maar vriendschappelijk zegt, en omdat gij weet dat dit met een ander man gebeurde, die nu al dood is.”—“Zekerlijk, jufvrouw,” zeide Towlinson.—“En nu goeden nacht, mijn lief, lief petekindje,” zeide jufvrouw Tox, met een zacht regentje van kussen bij elke herhaling van het woord “lief.” “En Louise, beste vriendin, beloof me dat ge wat warms zult gebruiken eer ge naar bed gaat, en dat gij u niet bedroefd zult maken.”

Het was met groote moeite dat Susanna Nipper, met de zwarte oogen, die strak stond te kijken, zich bij deze crisis en tot aan het kort daarop volgend vertrek van mevrouw Chick in bedwang hield. Maar toen de kinderkamer eindelijk van de dames was bevrijd, verschafte zij zich eenige vergoeding voor het geweld dat zij zich had aangedaan.

“Ge zoudt me zes weken lang in een dwangjak kunnen zetten,” zeide zij, “en als het uitging zou ik nog maar nijdiger wezen. Wie heeft ooit van twee zulke draken gehoord, Richards?”—“En dan te zeggen dat zij gedroomd had, arm kind!” zeide Polly.—“O, gij lievertjes!” riep Susanna, en neeg voor de deur waardoor de dames waren heengegaan. “Nooit eene Dombey worden zal ze; het is wel te hopen dat ze niet zal; wij hebben er niet meer zoo noodig; een is al genoeg.”—“Maak de kinderen niet wakker, lieve Suze,” zeide Polly.—“Ik ben u wel zeer verplicht, jufvrouw[27]Richards,” zeide Susanna, die in hare gramschap weinig onderscheid tusschen vriend en vijand kende; “ik gevoel mij waarlijk vereerd dat ik bevelen van u ontvang, want ik ben toch maar eene zwarte slavin en mesties. Jufvrouw Richards, als gij mij nog meer orders geven kunt, zeg ze dan maar.”—“Gekheid! Orders!” zeide Polly.—“O lieve deugd, jufvrouw Richards,” riep Susanna, “die maar kort blijft mag de anderen, die voor vast geplaatst zijn, altijd orders geven. Wist ge dat niet? Wel, waar zijt ge dan geboren, jufvrouw Richards? Maar waar gij ook geboren moogt wezen, jufvrouw Richards,” hierbij schudde zij geweldig haar hoofd, “en wanneer en hoe (dat ge zelve best weten zult), gij moogt toch wel onthouden, als het u belieft, dat het één ding is orders te geven, en geheel iets anders ze aan te nemen. Iemand mag een ander zeggen om hals over kop van eene brug te springen in vijf en veertig voet water, jufvrouw Richards, maar de ander kan wel geen lust hebben om te duiken.”—“Zie daar nu,” zeide Polly, “ge zijt boos omdat gij een goedhartig schepsel zijt en veel van jonge jufvrouw Florence houdt; en toch valt ge mij op het lijf, omdat er niemand anders is.”—“Het is heel gemakkelijk voor sommige menschen om in een goed humeur te blijven, jufvrouw Richards,” antwoordde Suze, eenigszins verzacht, “als van hun kind zooveel werk wordt gemaakt als een prins, en het gestreeld wordt tot het zijne vrienden ik weet niet waar zou wenschen; maar als een lief, mooi, onschuldig dingetje, dat nooit een kwaad woord hooren moest, achteraf wordt gezet, dan is het een heel ander geval. Wel heere mijn tijd, jonge jufvrouw Flore, gij goddeloos ondeugend kind, als gij uwe oogen niet dadelijk toedoet, zal ik de bietebauwen roepen die op de vliering wonen om u levend te komen opeten.”

Daarop maakte zij een gruwelijk gebulk, dat van een bietebauw uit het rundergeslacht moest komen, ongeduldig om zijn strengen plicht te vervullen. Nadat zij het meisje verder had gerustgesteld door haar het dek over het hoofd te slaan en het kussen drie of vier nijdige stompen te geven, sloeg zij hare armen over elkander, kneep zij haar mond dicht en bleef zij het overige van den avond naar het vuur zitten kijken.

Schoon men in kinderkamertaal van kleinen Paul zeide, dat hij voor zijn ouderdom heel kennelijk was, lette hij toch op dat alles even weinig als op de toebereidselen tot zijn doopen op den tweeden dag daaraanvolgende, die evenwel—zoover de zorg voor zijn opschik, en die van zijn zusje, de min en de kindermeid betrof—met veel drukte in zijne tegenwoordigheid plaats hadden. Even weinig toonde hij op den bepaalden morgen eenig gevoel van het gewichtige daarvan; hij was integendeel buitengewoon genegen om te slapen en het zijne oppassters kwalijk te nemen dat zij hem kleedden om uit te gaan.

Het was juist een ijzergrauwe najaarsdag, met een guren oostenwind—een dag geheel in overeenstemming met de plechtigheid. Dombey representeerde in zich zelven den wind, de duisternis en het najaarsachtige van dit doopfeest. Hij stond in zijne bibliotheek om het gezelschap te ontvangen, even koud en guur als het weder, en als hij door de glazen kamer naar de boomen in het tuintje keek, kwamen hunne bruine en gele bladeren naar omlaag dwarrelen, alsof zijn blik ze deed verdorren.

Bah! Het waren zwarte, koude kamers; zij schenen, evenals de bewoners van het huis, in den rouw te zijn. De boeken, nauwkeurig volgens de grootte gerangschikt en als soldaten in gelid geschaard, schenen in hunne koude, harde, gladde monteeringen, met hun allen slechts één denkbeeld te hebben, en dat was bevriezend. De boekenkast, met geslotene glazen deuren, weerde alle familiariteiten af. De heer Pitt, in het brons, bovenop, zonder eenig spoor van zijne hemelsche afkomst over zich, bewaarde dien ontoegankelijken schat gelijk een betooverde moor. Eene stofferige urne, uit eene oude grafstede opgedolven, op elken hoogen hoek, predikte rouw en vergankelijkheid, als van twee preekstoelen; en de spiegel in den schoorsteenmantel, welke Dombey en zijn portret in éénen terugkaatste, scheen vol zwaarmoedig gepeins.

Het stijve, hoekerige haardgereedschap scheen nauwer verwantschap dan iets anders daar op Dombey te kunnen doen gelden, met zijn dichtgeknoopten rok, zijne witte das, zijn zwaren gouden horlogeketting en zijne krakende laarzen. Maar dit was voor de komst van mijnheer en mevrouw Chick, die zich weldra vertoonden.

“Mijn beste Paul,” prevelde mevrouw Chick, terwijl zij hem omhelsde, “het begin, hoop ik, van vele blijde dagen.”—“Dank u, Louise,” zeide Dombey stroef. “Hoe vaart ge, mijnheer John?”—“Hoe vaart gij, mijnheer?” zeide Chick.

Hij gaf Dombey de hand, alsof hij vreesde dat die hem zou electriseeren. Dombey nam ze aan alsof zij een visch of eene zeeplant of eene dergelijke klamme zelfstandigheid was, en gaf ze hem terstond met statige beleefdheid weder terug.

“Misschien, Louise,” zeide Dombey, zijn hoofd eenigszins in zijne das omdraaiende, alsof het op eene spil stond, “zoudt ge liever vuur gehad hebben?”—“O mijn lieve Paul,” zeide mevrouw Chick, die veel moeite had om hare tanden het klapperen te beletten, “voor mij niet.”—“Mijnheer John,” zeide Dombey, “gij voelt toch geene kilheid?”[28]

Mijnheer John, die zijne handen reeds tot over de polsen in zijne broekzakken had gestoken, betuigde dat hij het warm genoeg vond.

Hij voegde er zachtjes bij, “met mijn tiere liere la,” toen hij gelukkig door Towlinson werd gestuit, die jufvrouw Tox aandiende.

En nu trad deze schoone binnen, met een blauwen neus en een onbeschrijfelijk koudbont gezicht, daaraan te wijten dat zij zich, om de plechtigheid eer aan te doen, zeer dun in een warhoop van fladderende lapjes en strookjes had gekleed.

“Hoe vaart gij, jufvrouw Tox?” zeide Dombey.

Te midden harer uitspreidende gazen strooken zonk jufvrouw Tox geheel in elkander, evenals een tooneelkijker die ingeschoven wordt; zij neeg zoo laag uit erkentelijkheid dat Dombey haar een paar stappen te gemoet kwam.

“Ik kan deze gelegenheid nooit vergeten, mijnheer,” zeide jufvrouw Tox zachtjes. “Dat is onmogelijk. Mijne lieve Louise, ik kan haast het getuigenis van mijne zinnen niet gelooven.”

Indien jufvrouw Tox het getuigenis van een harer zinnen gelooven kon, was het een zeer koude dag. Dit was volkomen duidelijk. Zij nam de eerste gelegenheid waar om den bloedsomloop in het tipje van haar neus te bevorderen door dit heimelijk met haar zakdoek te wrijven, opdat het door deszelfs bijzonder lage temperatuur het wichtje niet op eene onaangename wijs zou verbazen, als zij het een kus zou komen geven.

Weldra verscheen dit wichtje, in groote staatsie door Richards gedragen, terwijl Florence, in bewaring van Susanna Nipper, als dienaar van politie, achteraankwam. Hoewel het gezelschapje uit de kinderkamer thans in lichter rouw was gekleed dan in het eerst, had het voorkomen der moederlooze kinderen toch iets, niet geschikt om den dag helderder te doen schijnen. Ook begon het wichtje—misschien was het wel om den neus van jufvrouw Tox—te schreeuwen, en verhinderde daardoor mijnheer Chick in de ongepaste volvoering van een zeer welgemeend voornemen dat hij had, namelijk om bijzonder werk van Florence te maken. Want deze heer, ongevoelig voor de hoogere aanspraken van een volmaakten Dombey (misschien wel omdat hij zelf de eer had van met eene Dombey vereenigd te zijn, en aan dat uitmuntende gewoon was geworden) had waarlijk veel schik in haar, toonde dit ook, en was nu gereed om dit op zijne manier weder te toonen, toen Paul begon te schreien, en zijne wederhelft hem stuitte.

“Kom, Florence, kind!” zeide hare tante levendig. “Wat doet ge nu toch, liefje? Laat u aan hem kijken. Houd hem wat bezig!”

De lucht in het rond werd al kouder en kouder, of had dit wel kunnen worden, terwijl Dombey stijf en stil naar zijn dochtertje stond te kijken, dat in hare handjes klappende voor den troon van zijn zoon en erfgenaam op de teenen ging staan en hem verlokte van zijne hooge waardigheid op haar neer te zien. Eene welgemeende beweging van Richards mag daartoe hebben geholpen, maar hij keek naar omlaag en hield zich stil. Als zijn zusje zich achter de min verschool, volgde hij haar met de oogen; en als zij met een dartelen kreet naar hem kwam uitkijken, sprong hij op en kraaide—hardop lachende als zij op hem kwam toeloopen, en terwijl zij hem met zoentjes smoorde, scheen hij met zijne kleine handjes hare krullen te liefkoozen.

Behaagde het Dombey toen hij dit zag? Hij toonde geen genoegen door het ontspannen van een enkelen trek; maar uitwendige blijken van eenigerlei gevoel waren bij hem iets buitengewoons. Als er een zonnestraal in de kamer sloop om de kinderen onder hun spel te beschijnen, bereikte hij zijn gezicht toch niet. Hij bleef zoo strak en koel toekijken, dat het warme licht zelfs uit de lachende oogen der kleine Florence verdween, toen zij eindelijk toevallig de zijnen ontmoette.

Het was wel een donkere grauwe najaarsdag, en in de korte poos van stilte, die hierop volgde, vielen de bladeren treurig neer.

“Mijnheer John,” zeide Dombey, op zijn horloge ziende, en daarna hoed en handschoenen opnemende. “Neem mijne zuster, als het u belieft; mijn arm is vandaag voor jufvrouw Tox. Gij moest liever met jongen heer Paul vooruitgaan, Richards. Wees heel voorzichtig.”

In Dombey’s koets zaten Dombey en Zoon, jufvrouw Tox, mevrouw Chick, Richards en Florence; in een ander rijtuigje volgden Susanna Nipper en de eigenaar, mijnheer Chick. Susanna keek aanhoudend uit het portier, om niet verlegen te worden, dat zij het groote gezicht van dien heer zoo vlak over zich had, en dacht telkens als er iets rammelde, dat hij eene voegzame vereering voor haar in een papiertje deed.

Eens op weg naar de kerk, klapte Dombey tot vermaak van zijn zoon in de handen; bij welk voorbeeld van vaderlijke geestvervoering jufvrouw Tox verrukt was. Doch met uitsluiting van dit voorval, bestond het voornaamste verschil tusschen dit naar een doop rijdend gezelschap en een gezelschap in eene rouwkoets, in de kleur van de koets en de paarden.

Aan de deur der kerk werden zij door een geduchten kerkeknecht ontvangen. Dombey, die het eerst afsteeg om de dames te helpen, en naast hem bij het portier bleef staan, scheen wel een tweede kerkeknecht te zijn. Een minder prachtig maar veel geduchter tuchtmeester; de tuchtmeester van den huiselijken kring en het dagelijksche leven.

De hand van jufvrouw Tox beefde, toen zij die door Dombey’s arm stak, en zich, door[29]een steekhoed en een bont gekleurden kraag voorafgegaan, de trappen voelde opleiden. Voor een oogenblik scheen het naar die andere plechtigheid te gelijken.—“Wilt gij dezen man hebben, Lucretia?”—“Ja, ik wil.”—“Breng het kind maar gauw hier uit de lucht,” fluisterde de kerkeknecht, de binnendeur der kerk open houdende.

Kleine Paul had wel met Hamlet mogen vragen: “In mijn graf?” zoo kil en dompig was het daar. De hooge met donkere stof bekleede preekstoel en leeslessenaar, het akelige verschiet van ledige banken, die zich onder de galerijen uitstrekten en tot aan het dak opstegen, waar zij zich in de schaduw van het groote sombere orgel verloren; de stofferige matten en koude steenen zerken; de smerige vrije banken in de zijgangen; en de vochtige hoek bij het klokkentouw, waar de zwarte schragen, bij begrafenissen gebezigd, waren weggeborgen, benevens eenige schoppen en manden en een paar ringen grafachtig touw; de vreemde, onaangename reuk en het lijkachtige licht, alles strookte met elkander. Het was een koud en akelig tooneel.

“Er wordt juist getrouwd, mijnheer,” zeide de kerkeknecht; “maar het zal zoo meteen gedaan zijn, als gij hier maar even in de kerkekamer wilt gaan.”

Eer hij zich weder omkeerde om vooruit te gaan, maakte hij voor Dombey eene buiging met een half glimlachje van herkenning, om aan te duiden dat het hem (den kerkeknecht) nog wel heugde het genoegen te hebben gehad van op hem te wachten toen hij zijne vrouw kwam begraven, en hoopte dat hij sedert wel in zijn schik was geweest.

Zelfs de trouwplechtigheid, die zij zagen toen zij het altaar voorbijgingen, had iets akeligs. De bruid was te oud en de bruidegom te jong, en een oud maar zeer pronkerig gekleed heertje met één oog en een lorgnet voor de andere ledige holte, was bruidsvader, en de vrienden stonden te huiveren. In de kerkekamer rookte het; en een bejaarde, overwerkte en karig betaalde procureursklerk, die “iets moest nazoeken,” liep met zijn voorvinger langs de perkamenten bladen van een ontzaglijk register (een van eene lange reeks dergelijke boeken) propvol aanteekeningen van begrafenissen. Boven den schoorsteen was eene grondteekening van de grafgewelven onder de kerk; en mijnheer Chick, die om het gezelschap te vervroolijken de bijgeschreven verklaring overluid voorlas, had de aanwijzing van mevrouw Dombey’s graf voluit gelezen, eer hij zich kon bedenken.

Na nog eene koude poos wachtens, riep eene aamborstige stoelenzetster, met een kuch, die aan het kerkhof, niet aan de kerk, moest doen denken, hen naar de doopvont. Hier wachtte men nog een poosje terwijl de pas getrouwden en hun gezelschap in de kerkekamer draalden; en ondertusschen liep de aamborstige stoelenzetster, nog harder hoestende,—gedeeltelijk omdat zij dit niet laten kon, gedeeltelijk opdat het aftrekkende gezelschap haar niet zou vergeten—door de kerk rond.

Weldra kwam de klerk (de eenige die er eenigszins vroolijk uitzag—en hij was een aanspreker) met eene kan warm water aan, en terwijl hij dit in de doopvont goot, zeide hij iets van de kilheid weg te nemen, hetgeen millioenen emmers kokend heet water niet hadden kunnen doen. Toen verscheen de geestelijke, een jong hulpprediker, met een zacht en vriendelijk gezicht, maar blijkbaar bang voor het kind, gelijk de hoofdpersoon in eene spookhistorie, “eene lange gedaante geheel in ’t wit;” op wiens gezicht Paul de kerk met zijn geschreeuw vervulde, niet ophoudende voordat hij met een leiblauw gezichtje werd weggebracht.

Zelfs toen dit, tot verademing van alle aanwezigen geschied was, hoorde men hem nog zoolang de plechtigheid verder duurde, in het portaal, nu flauwer dan harder, dan bijna stil, dan weder met een onbedwingbaar gevoel van zijne grieven uitbarstende. Dit trok de aandacht der twee dames zoodanig af, dat mevrouw Chick gedurig den middelgang instapte om boodschappen met de stoelenzetster te zenden, terwijl jufvrouw Tox haar gebedenboek bij het buskruitverraad openhield, en nu en dan de antwoorden uit dat formulier oplas.

Onder dit alles bleef Dombey zoo stijf en statig als ooit, en droeg er misschien toe bij om het zoo koud te maken, dat den jongen hulpprediker onder het lezen eene dampwolk uit den mond vloog. De eenige maal dat hij zijn gezicht eenigszins ontspande, was toen de geestelijke, bij het lezen der toespraak aan het slot (hetgeen hij zeer eenvoudig en zonder eenige gemaaktheid deed) aangaande de toekomstige ondervraging van het kind door de doopgetuigen, toevallig mijnheer Chick aanzag; en toen had men Dombey door een blik vol majesteit kunnen zien uitdrukken, dat hij zijn schoonbroeder wel eens daarop wilde betrappen.

Het zou misschien goed voor Dombey zijn geweest als hij wat minder aan zijne eigene waardigheid had gedacht, en wat meer aan den grooten oorsprong en het gewichtige doel der plechtigheid, waaraan hij zoo stijf en statig deel nam. Zijne verwaandheid stond in een vreemd contrast met de geschiedenis dier instelling.

Toen alles voorbij was, gaf hij zijn arm weder aan jufvrouw Tox en leidde haar naar de kerkekamer, waar hij den geestelijke onderrichtte hoeveel genoegen het hem zou verschaft hebben de eer van zijn gezelschap aan den maaltijd te verzoeken, indien zijne ongelukkige huiselijke omstandigheden dit niet hadden verhinderd. Toen het register geteekend, het doopgeld[30]betaald, de stoelenzetster (die weer zeer erg hoestte) bedacht, de kerkeknecht bevredigd, en de doodgraver (die toevallig in het portaal stond en met groote belangstelling naar het weder keek) niet vergeten was, stapte men weder in de koetsen en reed in dezelfde kille gezelligheid naar huis.

Daar vonden zij den ouden heer Pitt, zijn neus ophalende voor een koud collation, in koude pracht van glas- en zilverwerk opgezet, en dat meer naar een diner op een paradebed dan naar een gezellig onthaal geleek. Bij hunne aankomst bracht jufvrouw Tox een kroesje voor haar petekind te voorschijn, en mijnheer Chick een mes, vork en lepel in een doosje. Dombey haalde een armband voor jufvrouw Tox voor den dag; en bij het ontvangen dezer gedachtenis was jufvrouw Tox teeder aangedaan.

“Mijnheer John,” zeide Dombey, “wilt gij aan het eind van de tafel plaats nemen, als het u belieft. Wat hebt gij daar, mijnheer John?”—“Ik heb hier eene koude kalfsschijf, mijnheer,” antwoordde Chick, zeer hard zijne handen wrijvende. “Wat hebt gij daar, mijnheer?”—“Dit,” antwoordde Dombey, “is eene toebereiding van kouden kalfskop, geloof ik. Ik zie ook koude kippen—ham—kreeften—sla—jufvrouw Tox, wilt ge mij de eer bewijzen om eens te drinken? Champagne voor jufvrouw Tox.”

Er stak kiespijn in alles. De wijn was zoo bitter en koud, dat hij jufvrouw Tox een gilletje afdwong, hetwelk zij met groote moeite in een lachje veranderde. Het kalfsvleesch kwam uit zulk eene luchtige vliegenkast, dat het eerste proefje er van mijnheer Chick een gevoel als van koud lood tot in de teenen zond. Dombey alleen bleef onbewogen. Hij had op eene Russische kermis te koop gehangen kunnen worden als een staaltje van een bevrozen gentleman.

De heerschende invloed was zelfs zijne zuster te erg. Zij deed geene poging tot vleierij of beuzelpraatjes, maar alleen haar best om er zoo warm uit te zien als zij kon.

“Wel, mijnheer,” zeide Chick, na eene lange stilte een wanhopigen sprong doende, en een glas sherry inschenkende; “ik zal dit, mijnheer, als ge mij permitteert, op het welzijn van den kleinen Paul drinken.”—“Zegen hem!” prevelde jufvrouw Tox, een teugje nemende.—“Lieve kleine Dombey!” fluisterde mevrouw Chick.—“Mijnheer John,” zeide Dombey met strengen ernst, “mijn zoon zou zonder twijfel zijne verplichting aan u gevoelen en uitdrukken, als hij reeds in staat was om de gunst, die gij hem bewezen hebt, te waardeeren. Hij zal in vervolg van tijd, vertrouw ik, bewijzen berekend te zijn voor alle verantwoordelijkheid, welke de verplichtende welwillendheid van vrienden en betrekkingen in het bijzondere leven, of de gewichtige plichten van onze openbare positie hem kunnen opleggen.”

De toon waarop dit gezegd werd liet geen wederantwoord toe, en Chick verzonk dus nogmaals in neerslachtigheid en stilzwijgen. Niet zoo jufvrouw Tox, die met nog meer opgetogene aandacht en nog meer uitdrukking in het overhangen van haar hoofd dan gewoonlijk naar Dombey geluisterd had, en nu over de tafel leunde en zachtjes tot mevrouw Chick zeide:

“Louise!”—“Lieve vriendin,” zeide mevrouw Chick.—“Gewichtige plichten van onze openbare positie hem mag—ik heb de juiste uitdrukking vergeten.”—“Hem mogen blootstellen,” zeide mevrouw Chick.—“Neem mij niet kwalijk, lieve,” hervatte jufvrouw Tox, “ik geloof van neen. Het was meer welluidend en vloeiend. De verplichtende welwillendheid van vrienden en betrekkingen in het bijzondere leven, of de gewichtige plichten van onze openbare positie hem—kunnen—opleggen?”—“Opleggen—o wel zeker,” zeide mevrouw Chick.

Jufvrouw Tox klapte zegevierend in hare kleine handjes en zeide, in verrukking hare oogen opslaande: “Dat is welsprekend!”

Dombey had ondertusschen last gegeven dat Richards zou geroepen worden. Deze trad nu nijgende binnen, maar zonder kind, daar Paul, na de vermoeienis van dien morgen, in slaap geraakt was. Nadat Dombey aan deze onderhoorige een glas wijn had gegeven, sprak hij haar met deze woorden aan: vooraf zette jufvrouw Tox haar hoofd reeds op zijde en maakte andere kleine schikkingen om ze in haar hart te graveeren.

“In de zes maanden of daaromtrent, Richards, die gij hier in huis hebt gewoond, hebt gij uw plicht gedaan. Verlangende om u bij deze gelegenheid een geringen dienst te bewijzen, heb ik nagedacht hoe ik best dat oogmerk zou kunnen bereiken, en ben ik ook te rade gegaan met mijne zuster, mevrouw …”—“Chick,” viel de heer van dien naam er op in.—“O, stil toch, als ’t ublieft!” zeide jufvrouw Tox.—“Ik wilde u zeggen, Richards,” hervatte Dombey, met een ontzettenden blik naar mijnheer John, “dat ik bij het nemen van mijn besluit verder bestuurd werd door de herinnering van een gesprek, dat ik in deze kamer met uw man heb gehouden, bij gelegenheid dat gij gehuurd werdt, en waarbij hij mij de treurige omstandigheid mededeelde, dat uwe familie, hij zelf aan het hoofd, in onwetendheid was gedompeld en verzonken.”

Richards sloeg onder de deftigheid dezer bestraffing de oogen neer.

“Ik ben verre van datgene toegedaan te zijn,” vervolgde Dombey, “wat menschen, die overdreven liberale gevoelens hebben, algemeene opvoeding noemen. Maar het is noodzakelijk[31]dat de mindere klassen onderricht blijven ontvangen om hunne positie te kennen en zich behoorlijk te gedragen. In zooverre geef ik mijne goedkeuring aan scholen. Daar ik macht heb om een kind te plaatsen in de fondatie eener oude instelling, die naar een achtbaar gilde, de Liefdadige Slijpers wordt genoemd, waar niet alleen den scholieren eene heilzame opvoeding wordt gegeven, maar zij insgelijks van eene bovenkleeding en een onderscheidingsteeken worden voorzien, heb ik (vooraf door mevrouw Chick met uwe familie in overleg getreden) uw oudsten zoon tot de opengevallene plaats benoemd, en heeft hij vandaag, naar ik onderricht ben, de kleeding aangenomen. Het nommer van haar zoon is, geloof ik,” vervolgde hij, zich naar zijne zuster keerende, en sprekende alsof het kind eene huurkoets was, “honderd zeven en veertig. Louise, dat kunt gij haar zeggen.”—“Honderd zeven en veertig,” zeide mevrouw Chick. “De kleeding, Richards, is een mooie, warme, blauwe saaien rok met lange panden, en eene pet van dezelfde stof, met oranje uitgemonsterd, roode wollen kousen, en eene korte leeren broek, heel sterk. Men zou zulk goed zelf kunnen dragen,” zeide mevrouw Chick, met geestvervoering, “en er dankbaar voor zijn.”—“Wel, Richards!” zeide jufvrouw Tox. “Nu moogt ge wel trotsch wezen. De Liefdadige Slijpers!”—“Ik ben u zeker wel zeer verplicht, mijnheer,” antwoordde Richards flauw, “en houd het voor eene groote goedheid dat gij om mijne kleintjes denkt.” Te gelijker tijd rees eene verschijning van Biler als een Liefdadig Slijpertje, met zijne korte beentjes in de door mevrouw Chick beschrevene, onverslijtelijke broek gepakt, voor Richards’ oogen op, en deed ze wateren.—“Het verheugt mij wel te zien, dat ge zooveel gevoel hebt, Richards,” zeide jufvrouw Tox.—“Het doet iemand bijna hopen, dat doet het waarlijk,” zeide mevrouw Chick, die er zich op beroemde dat zij altijd het beste van de menschen vertrouwde, “dat er nog een vonkje van dankbaarheid en rechtschapenheid in de wereld is.”

Richards beantwoordde deze complimenten door te nijgen en eene dankbetuiging te prevelen; maar het geheel onmogelijk vindende om zich te herstellen van de ontroering, welke het beeld van haar zoon met zijn kort lederen broekje haar veroorzaakt had, ging zij langzamerhand naar de deur, en was hartelijk blijde toen zij daaruit ontsnapt was.

De tijdelijke teekenen van een gedeeltelijken dooi, die met haar verschenen waren, verdwenen ook met haar; en de vorst viel weder in, zoo koud en hard als ooit. Men hoorde mijnheer Chick aan het eind van de tafel tweemaal een wijsje brommen, maar beide keeren was het een brok van den doodenmarsch in Saul. Het gezelschap scheen al kouder en kouder te worden en langzamerhand in een geheel bevrozen toestand over te gaan, gelijk het collation waarom het verzameld was. Eindelijk zag mevrouw Chick jufvrouw Tox aan en zond jufvrouw Tox dien blik terug; beiden stonden op en zeiden dat het waarlijk tijd was om te gaan. Daar Dombey dit bericht met volmaakte gelijkmoedigheid ontving, namen zij afscheid van dezen heer en vertrokken weldra onder de hoede van mijnheer Chick, die, toen zij het huis den rug hadden gekeerd en den meester in zijne gewone eenzame grootheid gelaten, zijne handen in zijne zakken stak, zich in het rijtuig achterover liet zakken, en een van zijne lijfdeuntjes geheel uitfloot, waarbij hij zulk een dreigend en somber uitdagend gezicht zette, dat mevrouw Chick niet durfde protesteeren of hem op eenigerlei manieren hinderlijk zijn.

Richards kon, hoewel zij den kleinen Paul op haar schoot had, haar eigen eerstgeborene niet vergeten. Zij gevoelde dat dit ondankbaar was; maar de invloed van den dag strekte zich zelfs tot de Liefdadige Slijpers uit, en zij kon niet nalaten zijn tinnen plaatje op de mouw, met nommer honderd zeven en veertig, voor iets te houden dat ook heel streng en hard was. Zij sprak ook in de kinderkamer van zijne kleine beentjes, en werd nogmaals gekweld door zijne schim in uniform.

“Ik weet niet wat ik wel geven wou,” zeide Polly, “om het arme lieve kind nog eens te zien eer hij er aan gewoon wordt.”—“Wel, zal ik u eens wat zeggen, jufvrouw Richards,” zeide Suze, die zij in haar vertrouwen had genomen, “ga hem zien en stel zoo uw gemoed gerust.”—“Mijnheer Dombey zal het niet willen hebben,” zeide Polly.—“Niet, jufvrouw Richards!” liet Suze hierop volgen. “Hij zou het wel graag willen hebben, denk ik, als men het hem vroeg.”—“Gij zoudt het hem geheel niet vragen, geloof ik?” zeide Polly.—“Neen, jufvrouw Richards, wel ten contrarie,” antwoordde Suze; “en daar die twee inspecteurs, Tox en Chick, morgen niet op de wacht denken te zijn, zooals ik ze heb hooren zeggen, zullen jonge jufvrouw Flore en ik morgenochtend met u meegaan, en als ge dan wilt, jufvrouw Richards, kunnen we daar evengoed een straatje op en neer kuieren als ergens anders—nog beter zelfs.”

Polly verwierp dit denkbeeld in het eerst met vrij veel drift; maar langzamerhand begon zij het toch te begunstigen, toen de verbodene schilderijen van hare kinderen en haar eigen huis haar al duidelijker voor de oogen kwamen. Eindelijk beredeneerende dat er toch geen groot kwaad in kon steken als zij eens even aan de deur aanging, nam zij Suze’s voorslag aan.

Toen de zaak aldus was afgesproken, begon[32]kleine Paul jammerlijk te schreeuwen, alsof hij een voorgevoel had dat er geen goed van zou komen.

“Wat scheelt het kind toch?” vroeg Suze.—“Hij is koud, denk ik,” zeide Polly, met den kleine heen en weer wandelende en hem sussende.

Het was waarlijk een gure najaarsavond; en toen zij wandelde en suste, en door de beslagene vensters uitkijkende, den kleine dichter aan hare borst drukte, vielen de verdorde bladeren bij geheele vlagen af.


Back to IndexNext