[Inhoud]VI.PAUL’S TWEEDE MOEDERLOOSHEID.Des morgens had Polly zooveel bekommeringen, dat zij zonder het onophoudelijk aandrijven harer zwartoogige gezellin alle gedachten aan de onderneming zou hebben laten varen, en formeel verlof gevraagd om nommer honderd zeven en veertig onder de schaduw van Dombey’s dak te mogen zien. Maar Suze, die zelve grooten lust in het tochtje had, en die (gelijk Tony Lumpkin), al kon zij de teleurstellingen van anderen met vrij veel standvastigheid dragen, volstrekt geen zin had om zich zelve te leur te stellen, wierp deze tweede gedachte zoovele schrandere twijfelingen in den weg, en beval het eerste plan met zoovele schrandere redenen aan, dat Dombey bijna niet zoodra zijn statigen rug gekeerd had en zich op zijn dagelijkschen weg naar deCitybevond, of zijn van niets bewuste zoon was insgelijks op weg naarStaggs’s Gardens.De plek met dezen welluidenden naam was in eene voorstad gelegen, die bij de bewoners vanStaggs’s GardensalsCamberling Townbekend stond, eene benaming welke de “kaart vanLondenvoor vreemdelingen” gelijk zij (tot grooter gemak en gerief) op zakdoeken gedrukt is, niet zonder schijn van reden, totCamden Townverkort. Hierheen richtten min en kindermeid, door de haar toevertrouwde panden vergezeld, hare schreden; Richards, gelijk reeds van zelf spreekt, droeg Paul, en Suze had de kleine Florence bij de hand, die zij van tijd tot tijd zooveel duwen en rukken gaf als zij noodig en nuttig oordeelde.De eerste schok eener groote aardbeving had juist op dien tijd den geheelen omtrek omgewoeld. Sporen daarvan waren aan alle kanten zichtbaar. Huizen waren onder den voet gesmeten, straten doorgebroken en verstopt, diepe putten en greppels in den grond gegraven, ontzaglijke hoopen klei en aarde opgeworpen, ondermijnde en verzakte gebouwen met groote balken onderstut. Hier lag een chaos van karren, verward onder en over elkander geworpen, aan den voet van een onnatuurlijk steilen heuvel; daar lagen schatten ijzer te roesten in iets dat toevallig een vijver was geworden. Overal waren bruggen die nergens heen voerden; doorgangen die geheel onbegaanbaar waren; Babelsche torens van schoorsteenen die de helft van hunne hoogte misten; tijdelijke houten huizen en afschuttingen op de onwaarschijnlijkste plaatsen; geraamten van armoedige woningen, en stukken van onvoltooide muren en bogen, en hooge steigers, en wildernissen van bouwsteenen, en reusachtige gedaanten van kranen en stellingen waar zij geheel niet noodig schenen te zijn. Men zag het onvoltooide in honderd duizend gedaanten en stoffen, alles van zijne plaats en ondereengemengd, ten onderste boven, in den grond gezonken, in de lucht opstekende, in het water vergaande, even onbegrijpelijk als een droom. Heete bronnen en vurige uitbarstingen, de gewone bijomstandigheden van aardbevingen, leenden hare bijdragen tot de verwarring van het tooneel. Kokend water borrelde en siste binnen vervallene muren, waaruit ook de gloed en het gebrul van vlammen opsloeg, en hoopen asch verstopten hier en daar den doorgang waarop men vanouds recht had, en veranderden alle wetten en gebruiken van die streek.Kortom, de nog onvoltooide en ongeopende spoorweg was in aanleg, en uit het hart van al die gruwelijke wanorde gleed hij waterpas voort op zijne machtige baan van beschaving en vooruitgang.Maar tot nog toe was de buurt beschroomd om den spoorweg te erkennen. Een of twee stoute speculanten hadden straten ontworpen, en een van hen had een weinigje gebouwd, maar was in den modder en de asch blijven stilstaan om er nog eens over te denken. Eene splinternieuwe herberg, naar verschen kalk en verf riekende, en met een uitzicht op niemendal, had Spoorweg’s Welvaren tot uithangbord genomen; maar dit kon wel eene roekelooze onderneming zijn—en men hoopte ook drank aan de werklieden te slijten. Zoo was de Delvers Ververschingsplaats uit eene oude bierkroeg ontstaan, en was de oude Ham- en Vleeschwinkel in de Spoorweg Restauratie veranderd, om baatzuchtige redenen van dergelijken onmiddellijken en populairen aard. De slaapsteehouders waren insgelijks welgezind en om dezelfde redenen niet te vertrouwen. Het algemeene geloof was zeer traag. Er waren weilanden, koestallen, mest- en aschhoopen, slooten, tuinen, zomerhuisjes en tapijtenklopperijen tot vlak bij den spoorweg. In den oestertijd lagen er hoopjes oesterschelpen, in den kreeftentijd kreeftenschalen, en op alle tijden potscherven en rotte koolbladen verspreid. Scheidspalen, en[33]hekken, en oude waarschuwingen van voetangels en klemmen, en achterzijden van gemeene huizen, en met onkruid begroeide plekjes land schenen er den draak mede te steken. Niets was door den spoorweg bevoordeeld of dacht dit te worden. Als het ellendige stuk braakland, dat er bij lag, had kunnen lachen, zou het den spoorweg hebben uitgelachen, gelijk velen van de ellendige buren deden.Staggs’s Gardenswas buitengemeen ongeloovig. Het was eene kleine rij huizen, met akelige plekjes grond er voor, met oude deuren, duigen van vaten, lappen geteerd zeildoek en doode heesters afgeheind; met bodemlooze blikken ketels en brokken oud ijzer in de openingen gestoken. Hier kweekten de tuiniers vanStaggs’s Gardensroode klimboomen, hielden zij kippen en konijnen, bouwden zij wrakke zomerhuisjes (een daarvan was eene oude boot), droogden zij kleeren en rookten zij een pijpje. Sommigen waren van gevoelen datStaggs’s Gardenszijn naam ontleende van een overleden kapitalist, zekeren mijnheer Staggs, die het voor zijn vermaak had gebouwd. Anderen, die een landelijken smaak hadden, hielden den naam voor afkomstig uit den landelijken tijd toen de herten hier onder het geboomte de schaduw zochten. Dit zij gelijk het wil,Staggs’s Gardenswerd door zijne bevolking voor een heilig bosch gehouden, dat niet door spoorwegen zou worden uitgeroeid; en zoo vast geloofde men algemeen dat het alle zulke belachelijke uitvindingen lang zou overleven, dat de schoorsteenveger op den hoek, die voor den toongever der plaatselijke politiek werd gehouden, openlijk had verklaard, dat op den dag wanneer de spoorweg geopend werd, als dit ooit gebeurde, twee van zijne jongens op de schoorsteenen zouden klimmen, met last om van die hoogte de mislukte onderneming uit te jouwen.Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende. (blz. 36).Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende.(blz. 36).Naar deze onheilige plek, waarvan de naam tot dusverre zorgvuldig voor Dombey door zijne zuster was verborgen gehouden, werd kleine Paul nu door het Noodlot en Richards heen gevoerd.“Dat is mijn huis, Suze,” zeide Richards, er naar wijzende.—“Ei, is het, jufvrouw Richards!” zeide Suze goedgunstig.—“En daar staat waarlijk[34]mijne zuster Jemima aan de deur,” riep Polly, “met mijn eigen kostbaar kind op den arm!”Dit gezicht gaf Polly’s ongeduld een paar zulke groote vleugelen, dat zij op een draf voortliep, naar Jemima toestoof en in een oogenblik van kinderen met haar verwisselde, tot groote verbazing dier jonge maagd, voor welke de erfgenaam der Dombey’s uit de wolken scheen te zijn gevallen.“Wel, Polly!” riep Jemima. “Gij! Wat hebt ge mij doen schrikken! Wie zou dat gedacht hebben! Kom binnen, Polly! Wat ziet gij er goed uit! De kinderen zullen half razend worden als zij u zien, Polly; dat zullen zij waarlijk.”Dat werden zij ook waarlijk, als men oordeelen mocht naar het leven dat zij maakten, en naar de manier waarop zij Polly aanvlogen en naar een stoel in het hoekje van den haard trokken, waar haar eigen goedig appelrond gezicht dadelijk het middelpunt van een tros kleine pippelingen werd, die allen hunne roode wangen dicht daarbij duwden en allen blijkbaar vruchten van denzelfden boom waren. Wat Polly betreft, zij was even luidruchtig en woest als de kinderen; en het was niet voordat zij geheel buiten adem was en de haren haar langs het gloeiende gezicht zwierden, en haar doopgoed erg gehavend was, dat het oproer eenigszins bedaarde. Ook toen nog bleef de kleinste Toodle op een na op haar schoot en hield zich met beide armpjes om haar hals vast, terwijl de kleinste Toodle op twee na achter op haar stoel klom en, met het eene been in de lucht, wanhopige pogingen aanwendde om haar over haar schouder te zoenen.“Kijk! Daar is een lief klein dametje, dat naar u komt zien,” zeide Polly; “en zie hoe stil zij is! Wat een mooi dametje, niet waar?”Dit gezegde richtte aller aandacht op Florence, die dit tooneel bij de deur was blijven staan aanzien, en had ook het gelukkige gevolg dat men nu ook behoorlijk op jonge jufvrouw Nipper lette, die reeds begon te denken dat men haar over het hoofd zag.“O kom toch binnen en ga even zitten, Suze,” zeide Polly. “Dit is mijne zuster Jemima, hier. Jemima, ik weet niet hoe ik het maken zou, als ik Suze Nipper niet had. Zonder haar zou ik nu niet hier zijn geweest.”—“O ga toch zitten, jufvrouw Nipper, als het u belieft,” zeide Jemima.Suze zette zich met een zeer stijf en deftig gezicht op het uiterste kantje van een stoel.“Ik ben nog nooit in mijn leven zoo blij geweest dat ik iemand zag; waarlijk niet, jufvrouw Nipper,” zeide Jemima.Suze liet zich vermurwen, nam wat meer van haar stoel, en glimlachte genadig.“Maak toch uw hoed los en doe alsof gij thuis waart, als het u belieft, jufvrouw Nipper,” smeekte Jemima. “Ik vrees dat het hier armoediger is dan gij gewoon zijt, maar dat zult gij zeker wel inschikken.”De zwartoogige liet zich door deze eerbiedige behandeling zoodanig verzachten, dat zij het oudste meisje, dat haar juist voorbijliep, oppakte en op haar schoot nam.“En waar is mijn lieve jongen?” zeide Polly. “Mijn arm kereltje? Ik ben dien heelen weg gekomen om hem met zijn nieuw pakje te zien.”—“O hoe jammer!” riep Jemima uit. “Wat zal het hem spijten, als hij hoort dat zijne moeder hier geweest is. Hij is naar school, Polly.”—“Al daar naar toe!”—“Ja. Hij is gisteren voor het eerst gegaan, om geene lessen te verzuimen. Maar het is een halve vacantiedag, Polly. Als ge nu maar blijven kondt totdat hij thuis komt, ten minste als jufvrouw Nipper ook wel wil blijven,” zeide Jemima, bijtijds bedacht op de waardigheid der zwartoogige.—“En hoe ziet hij er uit, Jemima?” zeide Polly haperend.—“Wel, hij ziet er waarlijk zoo kwaad niet uit als ge zoudt denken,” antwoordde Jemima.—“Och,” zeide Polly, met aandoening, “ik wist wel dat zijne beentjes te kort moesten zijn.”—“Zij zijn wel wat kort,” antwoordde Jemima, “vooral van achteren; maar zij zullen met iederen dag langer worden, Polly.”Dit was eene langzame, ver vooruitziende soort van troost; maar de vroolijkheid en goedhartigheid waarmede hij werd toegediend, gaf er eene waarde aan, die hij op zich zelf niet bezat. Na een oogenblik van stilzwijgen vroeg Polly op levendiger toon: “En waar is vader, Jemima lief?” Want bij dezen patriarchalen naam was baas Toodle in zijn huishouden bekend.—“Daar alweer!” zeide Jemima. “Hoe jammer! Vader heeft van morgen zijn eten meegenomen, en komt niet voor van avond thuis. Maar hij spreekt aldoor over u, Polly, en vertelt de kinderen van u, en is de goedigste, geduldigste ziel van de wereld, zooals hij altijd geweest is en zijn zal.”—“Dank daarvoor,” riep de eenvoudige Polly uit, opgetogen over het gezegde en te leur gesteld door de afwezigheid.—“O, gij hebt mij niet te bedanken,” zeide hare zuster, die haar een klinkenden kus op de wang gaf, en toen kleinen Paul vroolijk liet dansen. “Ik zeg wel eens hetzelfde van u, en ik denk het ook.”In spijt van de dubbele teleurstelling, was het onmogelijk een bezoek, dat met zulk eene ontvangst werd begroet, voor mislukt te houden. De zusters praatten dus vergenoegd over huiselijke zaken, en over Biler, en over al zijne broertjes en zusjes; terwijl de zwartoogige het oudste meisje op haar schoot liet koetsje rijden, en scherpe waarnemingen deed op het huisraad, de houten klok, het hoekbuffet, het kasteeltje op den schoorsteenmantel met groene en roode vensters, dat met een eindje kaars[35]van binnen kon geïllumineerd worden, en de twee zwarte fluweelen katjes, met eene damesreticule in den bek, die door de bewoners vanStagg’s Gardensals wonderen van nabootsende kunst beschouwd werden. Daar het gesprek spoedig eene meer algemeene wending nam, opdat de zwartoogige niet stekelig zou worden, gaf deze jonge dame aan Jemima een kort verslag van alles wat haar van mijnheer Dombey, zijne familie, vooruitzichten, levenswijs en karakter bekend was, benevens een getrouwen inventaris van hare eigene garderobe, en eenig bericht van hare betrekkingen en vriendinnen. Nadat zij door deze mededeelingen haar gemoed had verlicht, verkwikte zij zich met garnalen en porter, en legde zij eene neiging aan den dag om eeuwige vriendschap te zweren.Kleine Florence zelve verzuimde niet van deze gelegenheid om pleizier te hebben zooveel mogelijk gebruik te maken, want toen zij door de jeugdige Toodle’s naar buiten was gebracht om eenige paddestoelen en andere merkwaardigheden derGardenste bezichtigen, was zij met hart en ziel behulpzaam tot het aanleggen van een dijkje door een groenachtigen waterplas, die zich in een hoek had verzameld. Zij was nog ijverig aan dien arbeid toen Suze haar kwam opzoeken, die zulk een diep gevoel van plicht had, dat zij zelfs onder den vermurwenden invloed der garnalen, het meisje eene met stompen aangedrongen zedepreek over hare goddelooze ondeugendheid liet hooren, terwijl zij haar gezichtje en handjes waschte, en voorspelde dat zij hare geheele familie van verdriet ten grave zou brengen. Na eenig dralen, veroorzaakt door een vertrouwelijk onderhoud over geldzaken, dat op het bovenkamertje tusschen Polly en Jemima plaats had, werden de kinderen nogmaals uitgewisseld—want Polly had al dien tijd haar eigen kind, en Jemima kleinen Paul gehouden—en namen de bezoeksters afscheid.Doch eerst werden de jeugdige Toodle’s, slachtoffers van een vroom bedrog, verleid om zich gezamenlijk naar een naburigen komenijswinkel te begeven, zoo het heette om daar een stuiver te besteden; en toen de baan schoon gemaakt was, nam Polly de vlucht, terwijl Jemima haar nog nariep dat, als zij om weer naar huis te gaan denCity Roadkonden nemen, zij zeker den kleinen Biler zouden ontmoeten, die van school kwam.“Denkt ge dat wij nog tijd zouden hebben om zoover om te gaan, Suze?” vroeg Polly, toen zij bleven stilstaan om adem te scheppen.—“Waarom niet, jufvrouw Richards?” antwoordde Suze.—“Het loopt al tegen onzen etenstijd, weet ge,” zeide Polly.Maar de genoten hartsterking had hare gezellin meer dan onverschillig voor deze gewichtige bedenking doen worden, en men besloot dus nog zoover om te gaan.Nu was het geval dat het leven van den armen Biler hem sedert den vorigen ochtend tot een last was geworden, alleen door het costuum der Liefdadige Slijpers. De straatjeugd kon dit niet uitstaan. Geen kwade jongen kon het een oogenblik zien, zonder den onschuldigen drager te lijf te willen. Zijn maatschappelijk aanzijn had meer gelijkenis naar dat van een Christen uit den oudsten tijd, dan naar dat van een onschuldig kind uit de negentiende eeuw. Hij was op de openbare straat gesteenigd, in de goot gesmeten, met modder bespat, met geweld tegen palen geduwd. Volslagen vreemdelingen, die niets van hem wisten, hadden hem zijne opzichtige pet afgenomen en die verder weggegooid. Zijne beentjes waren niet alleen bespot en uitgejouwd, maar ook aangepakt en geknepen. Dien zelfden ochtend had hij onderweg naar de Slijperschool geheel ongevraagd een blauw oog gekregen en was hij daarvoor nog door den meester gestraft, een bejaarden Slijper van kwaadaardig karakter, die tot schoolmeester was aangesteld omdat hij niets wist en tot niets deugde, en wiens gruwelijke rotting eene ware toovermacht over alle welgevleeschde kleine jongens uitoefende.Zoo kwam het dat Biler om naar huis te komen de minst begane wegen zocht, en door nauwe stegen en achterstraatjes sloop, om zijne pijnigers te ontwijken. Eindelijk genoodzaakt om weder in de groote straat te komen, bracht zijn ongeluk hem daar juist op een punt, waar een troepje jongens, met een bloeddorstigen jongen slager aan het hoofd, op de loer stond om op een of ander pretje te wachten. Toen deze een Liefdadigen Slijper vlak bij zich zagen—als het ware door het noodlot in hunne handen overgeleverd—vlogen zij met een algemeen gejoel op hem aan.Maar nu gebeurde het dat Polly, die na eene wandeling van een goed uur hopeloos voor zich had uitgezien en gezegd, dat het toch niet baten zou verder te gaan, ook juist dit schouwspel in het oog kreeg. Niet zoodra zag zij het, of zij gaf met een haastigen uitroep den kleinen Paul aan Suze over, en snelde heen om haar ongelukkigen zoon te ontzetten.Verrassingen, gelijk ongelukken, komen zelden alleen. De verbaasde Suze en de twee kinderen werden door de omstanders bijna onder de wielen van een juist voorbijkomend rijtuig vandaan gehaald, eer zij zelven wisten wat er gebeurd was; en op hetzelfde oogenblik (het was marktdag) werd de onrustbarende kreet van “een dolle stier!” aangeheven.In die wilde verwarring, terwijl de menschen schreeuwend heen en weder liepen, wagens hen overreden, jongens vochten, dolle stieren kwamen aanloopen, en de min onder al die[36]gevaren misschien reeds verloren was, liep Florence gillend weg. Zij liep tot zij geheel buiten adem was, Suze gedurig toeroepende om mee te loopen; en toen angstig stilstaande, daar zij bedacht dat zij de min hadden achtergelaten, zag zij, met onbeschrijfelijken schrik, dat zij geheel alleen was.“Suze! Suze!” riep Florence, met woesten angst in hare handjes klappende. “O, waar zijn zij! Waar zijn zij!”—“Waar zijn zij?” riep eene oude vrouw, die zoo gauw zij kon van den overkant der straat kwam aanstrompelen. “Waarom zijt ge van hen weggeloopen?”—“Ik was bang,” antwoordde Florence. “Ik wist niet wat ik deed. Ik dacht dat zij bij mij waren. Waar zijn zij?”De oude vrouw nam haar bij den arm en zeide: “Ik zal het u wijzen.”Zij was een allerleelijkst oud wijf, met roode randen om de oogen, en een mond die van zelf mummelde en fluisterde, al sprak zij niet. Zij was ellendig gekleed en droeg eenige beestenvellen over den arm. Zij scheen Florence reeds eenigen tijd gevolgd te hebben, want zij was buiten adem, en dit maakte haar nog leelijker, terwijl zij daar stond te hijgen en haar geheel gerimpeld gezicht stuipachtig verdraaide, alsof zij zou stikken.Florence was bang voor haar en keek angstig de straat in, die zij bijna ten einde was geloopen. Het was eene eenzame plek, meer een achterslop dan eene straat, en er was niemand dan zij zelve en die oude vrouw.“Gij behoeft nu niet meer bang te zijn,” zeide de oude vrouw, haar nog stijf vasthoudende. “Kom maar met mij mee.”—“Ik—ik ken u niet. Hoe heet gij?” zeide Florence.—“Vrouw Brown,” zeide de vrouw. “Goede vrouw Brown.”—“Zijn zij dichtbij?” vroeg Florence medegaande.—“Suze is niet ver weg,” zeide vrouw Brown; “en de anderen zijn dicht bij haar.”—“Is er iemand bezeerd?” vroeg Florence schreiende.—“Wel neen, geheel niet,” antwoordde vrouw Brown.Florence schreide tranen van blijdschap toen zij dit hoorde, en ging daarop gewillig met de oude vrouw mede; schoon zij niet kon nalaten haar nu en dan in het gezicht te zien—vooral naar dien bewegelijken mond—en zich te verwonderen of Kwade Vrouw Brown, als er zoo iemand was, ook eenigszins op haar geleek.Zij hadden nog niet ver gegaan, maar waren toch reeds eenige leelijke onaangename plaatsen,zooalssteen- en pannenbakkerijen, voorbijgekomen, toen de vrouw een laantje insloeg, waar de modder zoo hoog lag dat men er slechts met moeite doorheen kon. Zij bleef staan voor een armoedig huisje, zoo dicht gesloten als een huisje vol spleten en scheuren maar zijn kon. De deur openende met een sleutel, dien zij uit haar hoed haalde, duwde zij het kind voor zich uit naar eene achterkamer, waar op den vloer eene groote hoop vodden van allerlei kleur lag, met twee kleinere hoopen beenderen en sintels; maar er was in het geheel geen huisraad, en de muren en de zolder waren even zwart als de vloer.Florence schrikte zoodanig dat zij de spraak verloor en scheen te zullen flauwvallen.“Kom, wees nu niet ezelachtig,” zeide Goede Vrouw Brown, haar met schudden bijhelpende. “Ik zal je geen zeer doen. Ga op die vodden zitten.”Florence gehoorzaamde en stak stil smeekend hare gevouwene handjes op.“Ik zal u niet houden, zelfs geen uur lang,” zeide vrouw Brown. “Verstaat ge wat ik zeg?”Het kind antwoordde met groote moeite: “Ja!”“Maak mij dan niet kwaad,” zeide Goede Vrouw Brown, zelve op de beenderen plaats nemende. “Als ge dat niet doet, zeg ik u dat ik u geen zeer zal doen. Maar als ge dat doet, zal ik u vermoorden. Ik had u altijd kunnen vermoorden, al waart ge in uw eigen bed. Laat nu hooren wie ge zijt en wat ge zijt, en alles.”De dreigementen en beloften der oude vrouw, de vrees om haar boos te maken, en de gewoonte, zeldzaam bij een kind, maar bij Florence reeds bijna natuurlijk, om zich stil te houden en te smoren wat zij gevoelde, vreesde en hoopte, waren oorzaak dat het haar mogelijk was dit bevel te gehoorzamen, en hare geschiedenis, of wat zij daarvan wist, te vertellen. Vrouw Brown luisterde oplettend tot zij gedaan had.“Dus heet gij Dombey, he?” zeide vrouw Brown.—“Ja, jufvrouw.”—“Ik wou dat mooie jurkje hebben, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Goede Vrouw Brown, “en dat hoedje, en een paar rokjes, en wat ge nog meer kunt missen. Kom aan! Trek uit!”Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende. Toen zij zich van al de genoemde kleedingstukken had ontdaan, keek vrouw Brown die op haar gemak na, en scheen tamelijk wel met de waarde daarvan tevreden.“Hm!” zeide zij, hare oogen over het tengere figuurtje latende heengaan. “Nu zie ik niets meer—behalve de schoenen. Ik moet die schoentjes hebben, jonge jufvrouw Dombey.”De arme Florence trok ze even gewillig uit, maar al te blijde dat zij nog middelen had om haar tevreden te stellen. De oude vrouw zocht nu uit den hoop vodden het een en ander op, dat in de plaats van het afgelegde kon dienen—een paar ellendige schoenen, een meisjes manteltje, zeer oud en versleten, en het ineengeknepen overschot van een hoed, waarschijnlijk van een mesthoop opgeraapt. Met dezen fraaien opschik beval zij Florence zich te kleeden; en daar dit de voorbereiding tot hare loslating scheen[37]te zullen zijn, gehoorzaamde het kind, zoo mogelijk, met nog meer gewilligheid dan te voren. Toen zij haastig den zoogenaamden hoed opzette, bleef deze in hare welige haren hangen, en kon zij hem niet zoo spoedig los krijgen. Goede Vrouw Brown haalde dadelijk eene groote schaar uit en sloeg tot eene onverklaarbare opgewondenheid over.“Waarom kondt ge mij niet met vrede laten, toen ik tevreden was? Gij zottinnetje!” zeide zij.—“Neem het mij niet kwalijk. Ik weet niet wat ik gedaan heb,” bracht Florence uit. “Ik kon het niet helpen.”—“Kon het niet helpen,” riep vrouw Brown. “En ik kan het ook niet helpen, en niet laten ook. Wel Heere,” vervolgde zij, met woedend genot in hare krullen woelende, “een ander dan ik zou ze allereerst hebben afgeknipt.”Florence was zoo blijde dat vrouw Brown slechts op hare haren en niet op haar hoofd belust was, dat zij geen tegenstand bood en om geene verschooning bad, maar alleen hare zachte oogen naar die goede ziel opsloeg.“Als ik niet zelve eens eene dochter had gehad—nu over zee—die grootsch op hare haren was,” zeide vrouw Brown, “zou ik alles hebben afgeknipt. Zij is ver weg, ver weg! O ho! O ho!”De jammerkreet van vrouw Brown was niet welluidend, maar, evenals het woeste slingeren met hare magere armen, vol hartstochtelijke smart, en deed Florence opnieuw schrikken en aan het schreien gaan. Dit droeg er evenwel misschien toe bij om hare krullen te redden; want nadat vrouw Brown hare schaar, gelijk een nieuwe soort van vlinder, een oogenblik daarboven had laten zweven, beval zij haar ze onder den hoed weg te stoppen, zoodat er niets van te zien was om haar te verzoeken. Nadat zij deze zelfoverwinning had behaald, hernam vrouw Brown hare plaats op de beenderen en ging een zeer kort zwart pijpje zitten rooken, aanhoudend mummelende, alsof zij den steel opat.Toen de pijp was uitgerookt, gaf zij het meisje een konijnevel te dragen, om haar meer den schijn van een harer gewone geleidsters te geven, en zeide haar toen dat zij haar nu ergens op straat zou brengen, van waar zij den weg naar hare familie kon vragen. Maar zij waarschuwde haar, met dreigementen van doodelijke wraak in geval van ongehoorzaamheid, om tegen geene vreemdelingen te spreken en niet naar haar eigen huis te gaan, (hetwelk vrouw Brown misschien te dichtbij vond) maar naar haar vader in de stad; en om ook op den hoek van de straat, waar zij zou gelaten worden, te blijven staan tot het drie uur sloeg, met verzekering dat er geduchte oogen en ooren zouden zijn, die alles zouden zien en hooren wat zij deed; en Florence beloofde trouw en oprecht te zullen gehoorzamen.Eindelijk ging vrouw Brown de deur uit en bracht haar geheel veranderd en in vodden gewikkeld vriendinnetje door een doolhof van nauwe straatjes en stegen, die na langen tijd op een stalplein uitliepen, met eene poort aan het einde, waardoor men het gerucht eener drukke straat hoorde. Vrouw Brown wees naar deze poort en onderrichtte Florence, dat zij, als de klokken drie sloegen, linksaf moest gaan, pakte nog eens hare haren, hetgeen zij niet scheen te kunnen laten, en zeide dat zij nu wist wat zij doen moest, en dat maar moest doen, en onthouden dat er op haar gelet werd.Met een lichter hart, maar toch nog bang, voelde Florence zich losgelaten en trippelde naar den hoek. Toen zij daar gekomen was keek zij om, en zag het hoofd der Goede Vrouw Brown uit het houten gangetje turen, waar zij hare laatste bevelen had gegeven, en ook de vuist der Goede Vrouw Brown haar dreigend toehouden. Maar hoewel zij naderhand nog dikwijls omkeek—elke minuut ten minste, in haar zenuwachtigen angst voor de oude vrouw—kon zij haar niet weerzien.Florence bleef daar staan, naar het gewoel op straat kijkende en al meer en meer daardoor verbijsterd; en ondertusschen schenen de klokken zich te hebben voorgenomen om nooit meer drie te slaan. Eindelijk klonken de drie slagen van de kerktorens; er was er eene dichtbij, zoodat zij zich niet kon bedriegen; en na dikwijls over haar schouder te hebben omgekeken, een eindje te zijn voortgegaan en weder teruggekomen, uit vrees dat de geduchte spionnen van vrouw Brown het nog kwalijk mochten nemen—snelde zij voort, met zooveel spoed als hare wijde schoenen toelieten en met het konijnevel stijf in de hand geklemd.Al wat zij van haar vaders kantoor wist was, dat het aan Dombey en Zoon behoorde, en iets zeer voornaams in deCitywas. Zij kon dus slechts den weg naar Dombey en Zoon in deCityvragen; en daar zij deze vraag doorgaans aan kinderen deed—dewijl zij bang was om volwassen menschen aan te spreken—kreeg zij zeer weinig inlichting. Door echter na eenigen tijd alleen naar deCityte vragen, en vooreerst het overige harer vraag achterwege te laten, kwam zij werkelijk langzamerhand nader bij het hart van dat uitgestrekte gebied, dat door den geduchten Lord Mayor wordt geregeerd.Moede van het loopen, telkens geduwd en gestooten, versuft door het rumoer en gewoel, angstig over haar broertje, de min en hare oppasster, onthutst door hetgeen zij had doorgestaan, benauwd om haar vader in zulk een veranderden toestand onder de oogen te komen; verschrikt evenzeer door hetgeen er was omgegaan, nu nog omging, en zij nog voor zich had, zwoegde Florence met de oogen vol tranen voort, en kon niet nalaten een paar malen te blijven[38]stilstaan en haar barstend hart te verlichten door bitterlijk te schreien. Slechts weinige menschen gaven dan acht op haar, in de kleeding die zij droeg; of zoo zij dit al deden, dachten zij dat zij was afgericht om medelijden te wekken en gingen voorbij. Florence riep ook al de vastheid te hulp van een karakter, dat hare droevige ondervinding reeds vroeg gevormd en gehard had, en hield onafgewend haar doel in het oog.Het was twee volle uren later in den namiddag dan toen zij op haar avontuurlijken tocht was uitgegaan, toen zij, het gewoel en gerucht eener smalle straat vol karren en wagens ontwijkende, eene soort van werf of landingplaats aan den waterkant opkeek, waar eene menigte balen, kisten en vaten verstrooid lagen, bij eene groote houten schaal en een houten huisje op wielen, waar buiten een zwaarlijvig man, met eene pen achter het oor en de handen in de zakken, fluitend naar de masten en booten in de nabijheid stond te kijken, alsof zijn dagwerk haast gedaan was.“Wat moet ge?” zeide de man, toevallig omkijkende.—“Wij hebben hier niets voor u, kind. Maak maar dat ge weg komt.”—“Neem mij niet kwalijk, is dit deCity?” vroeg het bevende dochtertje der Dombey’s.—“Ja zeker deCity. Dat weet ge ook wel. Ga maar heen. Wij hebben hier niets voor u.”—“Ik wil ook niets hebben—wel bedankt,” was het bedeesde antwoord. “Behalve dat ik den weg naar Dombey en Zoon wilde weten.”De man, die onverschillig naar haar was toe gekomen, scheen verwonderd over dit antwoord, en haar oplettend aanziende, zeide hij:“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg maar weten, als het u belieft.”De man keek haar nog eens aan, en wreef in zijne verwondering zijn achterhoofd zoo hard dat hij zijn eigen hoed afstiet.“Jo!” riep hij een ander man toe—een werkman—terwijl hij zijn hoed opraapte.—“Wat moet Jo?” zeide deze.—“Waar is dat jonge maatje van Dombey, die naar het inladen van dat goed heeft gezien?”—“Gaat daar net heen, de andere poort uit.”—“Roep hem eens even terug.”Jo liep de poort uit, luidkeels roepende, en kwam weldra terug met een frisschen lustigen knaap.“Gij zijt immers een snaphaan van Dombey, niet waar?” zeide de eerste man.—“Ik ben bij Dombey op het kantoor, mijnheer Clark,” antwoordde de knaap.—“Zie dan eens hier.”Mijnheer Clark wees met de hand naar Florence, en de knaap kwam naar haar toe, zich verwonderende, gelijk hij wel mocht, wat hij met haar kon te maken hebben. Maar zij, die de woordenwisseling had gehoord, en behalve de verademing dat zij zich zoo onverwacht veilig en aan het eind van haar tocht mocht achten, zich door het levendige en jeugdige van zijn gezicht en stem geheel gerustgesteld gevoelde, kwam met drift naar hem toeloopen, waarbij een van hare wijde schoenen op den grond bleef liggen, en vatte zijne hand met hare beide handjes.“Ik ben weggeraakt, als ’t u belieft,” zeide Florence.—“Weggeraakt!” riep de knaap uit.—“Ja, van morgen ben ik weggeraakt, heel ver van hier—en toen heeft men mij mijne kleeren afgenomen—en ik heb nu mijne eigene kleeren niet aan—en ik heet Florence Dombey, de eenige zuster van mijn broertje—en och, och, bezorg mij toch weerom!” snikte Florence, de kinderlijke aandoeningen, die zij zoolang gesmoord had, lucht gevende en in tranen uitbarstende. Te gelijk viel haar leelijke hoed af, en kwamen hare krullende lokken over haar gezichtje rollen, waardoor de jonge Walter, neef van Samuel Gills, den scheepsinstrumentmaker, tot sprakelooze bewondering en even sprakeloos medelijden werd bewogen.Mijnheer Clark stond verbaasd en zeide binnensmonds dat hij daar op de werf nog nooit zoo iets beleefd had. Walter raapte den schoen op en stak hem aan het voetje, gelijk de prins in het sprookje Asschepoetsters muiltje mocht hebben aangestoken. Hij hing het konijnevel over zijn linkerarm, gaf zijn rechter aan Florence; en het was hem te moede, niet gelijk Richard Whittington—dat is eene lamme vergelijking—maar gelijk Sint George vanEngeland, toen de draak dood voor hem lag.“Schrei toch niet, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Walter in eene vlaag van geestverrukking. “Hoe gelukkig voor mij dat ik hier ben! Ge zijt nu zoo veilig alsof gij door een heelen troep uitgelezen volk van een oorlogsschip werdt bewaakt. O schrei toch niet.”—“Ik zal niet meer schreien,” zeide Florence. “Ik schrei maar van blijdschap.”—“Schreien van blijdschap!” dacht Walter. “En ik ben de oorzaak daarvan! Kom nu maar voort, jonge jufvrouw Dombey. Daar valt de andere schoen! Neem de mijne, jonge jufvrouw Dombey.”—“Neen, neen,” zeide Florence, hem stuitende toen hij driftig zijne schoenen wilde uittrekken. “Deze zijn beter. Deze zijn heel goed.”—“Wel zeker ook,” zeide Walter, naar haar voetje ziende: “de mijne zijn veel te groot. Waar denk ik aan. Gij zoudt de mijne niet kunnen aanhouden. Kom maar voort, jonge jufvrouw Dombey. Laat ik nu den deugniet eens zien, die u durft molesteeren.”Zoo leidde Walter, met een geweldig fier gezicht, Florence voort, wier gezichtje zeer vergenoegd stond; en zij gingen arm in arm langs de straten, geheel onverschillig voor de verbazing die hun voorkomen kon veroorzaken.“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg maar weten, als het u belieft.” (blz. 38).“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg maar weten, als het u belieft.”(blz. 38).[38]Het werd donker en mistig, en begon ook[39]te regenen; maar zij gaven hier niet om, daar zij beiden geheel in de avonturen van Florence verdiept waren, welke zij met de onschuldige oprechtheid en vertrouwelijkheid harer jaren vertelde, terwijl Walter luisterde alsof zij, ver van den modder vanThames-Street, onder de breede bladeren en hooge boomen van een onbewoond eiland tusschen de keerkringen wandelden—gelijk hij zich waarschijnlijk wel verbeeldde dat zij deden.“Hebben wij nog ver te gaan?” zeide Florence eindelijk, hare oogen naar haar metgezel opslaande.—“Ja, dat is ook waar!” zeide Walter stilstaande, “laat eens zien. Waar zijn wij? O, ik weet het al. Maar het kantoor is nu gesloten, jonge jufvrouw Dombey. Daar is niemand meer. Mijnheer Dombey is al lang naar huis. Ik denk dat wij dus ook maar naar huis moeten gaan. Of wacht. Als ik u eens naar mijn oom bracht, waar ik woon—dat is heel dichtbij—en dan met eene koets naar uw huis reed om hun te zeggen dat ge veilig zijt, en wat kleeren voor u te halen. Zou dat niet best wezen?”—“Ik denk wel ja,” antwoordde Florence. “Gij ook niet? Wat denkt gij?”Terwijl zij op straat stonden raad te nemen, kwam er iemand aan, die in het voorbijgaan snel naar Walter omkeek, alsof hij hem herkende, maar van die eerste gedachte scheen terug te komen, en zonder zich op te houden verder ging.“Wel, ik geloof dat daar mijnheer Carker is,” zeide Walter. “Carker van ons kantoor. Niet Carker de chef. Jonge jufvrouw Dombey—de andere, Carker junior. Heila, mijnheer Carker!”—“Is dat Walter Gay?” zeide de ander, omkeerende en terugkomende. “Ik kon het niet gelooven, met zulk vreemd gezelschap.”Toen hij bij eene lantaren stond en met verwondering naar Walter’s haastige opheldering luisterde, vormde hij een opmerkelijk contrast met de twee jeugdige gedaanten, die zoo gearmd voor hem stonden. Hij was niet oud, maar zijn haar was grijs; zijn rug was gekromd of gebogen, als ware het door den druk van een zwaar verdriet, en diepe rimpels kenteekenden zijn vervallen gezicht. De glans zijner oogen, de uitdrukking zijner trekken, zelfs de stem waarmede hij sprak, alles was gedoofd en gesmoord, alsof de geest in zijn binnenste tot asch was verteerd. Hij was fatsoenlijk hoewel zeer eenvoudig gekleed, in het zwart; maar zijne kleeren schenen het karakter van geheel zijne gestalte aan te nemen, zich aan zijn lijf in te krimpen en te verlagen, en zich te vereenigen in de droevige bede, welke de geheele man van het hoofd tot de voeten uitsprak, dat men hem maar onopgemerkt zou laten, en alleen in zijne nederigheid.En toch was zijne belangstelling in jeugd en levenslust niet uitgedoofd met de andere vonken zijner ziel, want hij sloeg het ernstige gezicht van den knaap, terwijl hij sprak, met innige deelneming gade, hoewel met zekere onrust en een even onverklaarbaar medelijden, dat zich in zijne blikken vertoonde, hoeveel moeite hij ook deed om het te ontveinzen. Toen Walter hem ten slotte dezelfde vraag deed, die hij Florence had gedaan, bleef hij hem nog met dezelfde uitdrukking staan aanzien, alsof hij op zijn gezicht een dreigend noodlot las, dat in droevige tegenspraak met zijne tegenwoordige helderheid stond.“Wat zoudt gij raden, mijnheer Carker?” zeide Walter met een glimlach. “Gij geeft mij altijd goeden raad, weet ge wel, als gij met mij spreekt; dat evenwel niet dikwijls is.”—“Ik houd uwe eigene gedachte voor de beste,” antwoordde hij, en liet zijne oogen tusschen Florence en Walter heen en weder gaan.—“Mijnheer Carker,” zeide Walter, door eene edelmoedige gedachte in vuur gebracht. “Kom aan! Daar is een kansje voor u. Ga gij naar mijnheer Dombey en wees de bode van goede tijding. Dat zal u misschien voordeel doen, mijnheer. Ik zal thuis blijven. Gij moet gaan.”—“Ik!” zeide de ander.—“Ja. Waarom niet, mijnheer Carker?” hervatte de knaap.Tot antwoord drukte hij hem slechts de hand; hij scheen eenigszins beschaamd en bevreesd om zelfs dit te doen; en hem goeden avond wenschende en nogmaals aanradende om haast te maken, ging hij heen.“Kom aan, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Walter, hem nog even nakijkende, “nu zullen wij maar zoo gauw als wij kunnen naar mijn oom gaan. Hebt gij ooit mijnheer Dombey van mijnheer Carker junior hooren spreken, jonge jufvrouw Florence?”—“Neen,” antwoordde het kind zachtzinnig. “Ik hoor papa niet dikwijls spreken.”—“Wel waar, en wel schande voor hem,” dacht Walter.Na het lieve geduldige gezichtje naast hem eene poos te hebben aangezien, zocht hij met zijne gewone levendigheid naar een ander onderwerp; en daar juist een van die ongelukkige schoenen weder uitging, stelde hij Florence voor om haar in zijne armen naar zijn oom te dragen. Florence, hoewel zeer vermoeid, wees dit voorstel lachend af, uit vrees, gelijk zij zeide, dat hij haar zou laten vallen; en daar zij reeds dicht bij den houten adelborst waren, en Walter verscheidene voorbeelden aanhaalde van schipbreuken en andere ongelukken, waarbij jongere knapen dan hij oudere meisjes dan Florence hadden gered en zegevierend weggedragen, waren zij nog levendig in gesprek toen zij de deur des instrumentmakers bereikten.“Heila, oom Sam!” riep Walter, den winkel binnenstuivende, en van dien tijd af, zoolang de avond duurde, zeer afgebroken en kortademig sprekende. “Daar is een verbazend avontuur![40]Daar is mijnheer Dombey’s dochtertje op straat verdwaald en van hare kleeren beroofd door eene oude heks vaneenwijf—door mij gevonden—en naar huis gebracht om te rusten—kijk maar!”—“Goede hemel!” zeide oom Sam, terugdeinzende tegen zijn liefste kompaskistje aan. “Is het mogelijk! Wel, ik …”—“Neen, en niemand anders ook,” zeide Walter, het overige voorkomende. “Dat zou ook niemand, en kon ook niemand. Hier, help mij eens even dat kanapeetje bij het vuur schuiven, als ge wilt, oom Sam—pas op voor de borden—snijd vast wat vleesch voor haar, wilt ge wel, oom Sam—gooi die schoenen maar onder den haard, jonge jufvrouw Florence—zet uwe voeten op den rand te drogen—wat zijn ze vochtig—dat is een avontuur, niet waar, oom?—Wel mijn tijd, wat ben ik warm!”Samuel Gills was even warm geworden, en ongemeen verbijsterd bovendien. Hij klopte Florence zachtjes op het hoofd, drong haar om te eten en te drinken, wreef hare voetzolen met zijn voor het vuur gewarmden zakdoek, volgde zijn beweeglijken neef met oogen en ooren, en had geen duidelijk begrip van iets, behalve dat die opgewonden jonge heer gedurig tegen hem aanliep, terwijl hij door de kamer heen en weer stoof om twintig dingen te gelijk te doen en eigenlijk geheel niets uitvoerde.“Hier, wacht een oogenblikje, oom,” vervolgde hij, eene kaars opnemende, “tot ik naar boven loop en een ander buis aantrek; en dan vlieg ik voort. Zeg toch eens oom, is dat geen avontuur?”—“Mijn beste jongen,” zeide Samuel, die zich, met den bril op het voorhoofd, gedurig heen en weder draaide tusschen Florence op het kanapeetje en zijn neef die overal in de kamer te gelijk scheen te zijn, “het is het buitengewoonste …”—“Neen maar, oom, maak toch—toe, jonge jufvrouw Florence—eten, oom, weet ge!”—“Ja, ja, ja!” zeide Samuel, en begon terstond van een schapenbout te snijden, alsof de portie voor een reus bestemd was. “Ik zal wel voor haar zorgen, Walter. Ik begrijp het wel. Het lieve kind! Uitgehongerd, natuurlijk. Maak u maar gauw klaar! Wel Heere, Heere! Sir Richard Whittington, driemaal Lord Mayor vanLonden!”Het duurde niet lang of Walter was naar zijn zolderkamertje geloopen en weder beneden; maar ondertusschen was Florence, door vermoeienis overweldigd, toch voor het vuur ingesluimerd. Die korte poos van stilte, schoon zij maar weinig minuten duurde, stelde Samuel Gills in staat zijne zinnen in zooverre bijeen te halen dat hij eenige schikkingen voor haar gemak bedacht, de kamer donkerder maakte en haar voor den gloed van het vuur beschutte. Toen de knaap terugkwam lag zij dus gerust te slapen.“Dat is heerlijk!” fluisterde hij, Samuel zoodanig in zijne armen knellende, dat hij op het gezicht des ouden mans eene geheel nieuwe uitdrukking perste. “Nu loop ik heen. Ik zal maar even een stuk brood nemen, want ik heb een geweldigen honger—en—maak haar vooral niet wakker, oom Sam.”—“Neen, neen,” zeide Samuel. “Lief kind!”—“Hoe lief, niet waar!” riep Walter uit. “Ikheb nooit zulk een gezichtje gezien, oom Sam. Nu loop ik heen.”—“Heel goed,” zeide Samuel, met groote verademing.—“Zeg eens, oom Sam!” zeide Walter, zijn hoofd weder binnenstekende.—“Daar is hij alweer,” zeide Samuel.—“Hoe ziet zij er nu uit?”—“Heel vergenoegd,” zeide Samuel.—“Allerbest. Nu loop ik heen.”—“Ik hoop van ja,” zeide Samuel bij zich zelven.—“Zeg eens, oom Sam,” riep Walter, nog eens voor de deur komende.—“Daar is hij alweer,” zeide Samuel.—“Wij zijn mijnheer Carker junior op straat tegengekomen, nog wonderlijker dan ooit. Hij zeide mij goedendag, maar ging ons toch na—dat is het rare!—want toen wij hier aan de deur kwamen, keek ik om en zag hem stilletjes heengaan, evenals een knecht die mij had thuis gebracht, of als een trouwe hond. Hoe ziet zij er nu uit, oom?”—“Zoo wat eveneens als te voren, Walter,” antwoordde Samuel.—“Goed zoo! Nu loop ik heen.”Ditmaal deed hij dit werkelijk, en Samuel Gills, die geen trek had om te eten, bleef bij het vuur Florence in haar sluimer zitten bewaken en eene menigte allergrilligste luchtkasteelen bouwen, zoodat hij er in het schemerlicht en in de nabijheid van al die instrumenten uitzag als een toovenaar, met eene gepoeierde pruik en een koffiebruin lakensch pak vermomd, die het kind in een tooverslaap hield geboeid.Ondertusschen reed Walter naar het huis van Dombey met een spoed gelijk een huurkoetsiers paard maar zelden maakt, en toch stak hij elke twee of drie minuten zijn hoofd uit het portier om den koetsier eene ongeduldige aanmaning te geven. Aan het eind van zijn tocht gekomen, sprong hij af, gaf den knecht, nog buiten adem van het haasten, zijne boodschap en volgde hem op den voet naar de bibliotheek, waar eene groote verwarring van tongen heerschte, en waar mijnheer Dombey, zijne zuster, jufvrouw Tox, Richards en Suze Nipper op dat oogenblik allen bij elkander waren.“O, neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Walter, naar hem toestuivende; “maar ik ben zoo blij dat ik u kan zeggen dat alles wel is, mijnheer. Jonge jufvrouw Dombey is gevonden!”De knaap met zijn rondborstig gezicht, zijne zwierende haren en schitterende oogen, hijgende van blijdschap en aandoening, vormde een verbazend contrast met Dombey, die in zijn leuningstoel tegenover hem zat.[41]“Ik heb u wel gezegd, Louise, dat zij zeker gevonden zou worden,” zeide Dombey, even over zijn schouder naar die dame omziende, die in gezelschap van jufvrouw Tox zat te schreien. “Laat de bedienden weten dat er verder geene moeite noodig is. Deze knaap, die mij het bericht brengt, is de jonge Gay, van het kantoor. Hoe is mijne dochter gevonden, mijnheer? Ik weet hoe zij is weggeraakt.” Hier zag hij majestueus naar Richards om. “Maar hoe is zij gevonden? Wie heeft haar gevonden?”—“Wel, ik geloof datikjonge jufvrouw Dombey zoo goed als gevonden heb, mijnheer,” zeide Walter zeer bescheiden; “ten minste, ik weet niet of ik mij wel de verdienste kan geven dat ik haar eigenlijk gevonden heb, maar ik was toch het gelukkige werktuig om …”—“Wat meent gij er mee, mijnheer?” viel Dombey hem in de rede, die de zichtbare blijdschap en trotschheid des jongelings over zijn aandeel in het gebeurde met instinctmatig misnoegen beschouwde, “dat gij mijne dochter niet eigenlijk gevonden hebt en toch het gelukkige werktuig zijt? Wees duidelijk en geregeld, als het u belieft.”Dombey en Zoon. (blz. 47).Dombey en Zoon.(blz. 47).Geregeld te wezen was geheel boven Walter’s vermogen; maar hij maakte zich toch zoo duidelijk als hij in zijn ademloozen toestand kon, en vermeldde de redenen waarom hij alleen gekomen was.[42]“Gij hoort dit, meisje?” voegde Dombey de zwartoogige met barschheid toe. “Neem wat er noodig is, en ga dadelijk met dit jonge mensch mee om Florence naar huis te halen. Gay, gij zult morgen beloond worden.”—“O, ik dank u wel, mijnheer,” zeide Walter. “Gij zijt wel goed. Ik heb waarlijk aan geene belooning gedacht, mijnheer.”—“Gij zijt nog een jongen,” zeide Dombey stroef, bijna toornig, “en waar gij aan denkt of zegt te denken is van weinig belang. Gij hebt wel gedaan, mijnheer. Bederf het niet weder. Louise, wees zoo goed om hem een glas wijn te geven.”Dombey’s blik volgde Walter Gay met bitter ongenoegen, toen hij onder het geleide van mevrouw Chick de kamer verliet; en misschien volgden de oogen van zijn geest hem met geen grooter welgevallen, toen hij met Suze Nipper naar zijn oom terugreed.Daar vonden zij dat Florence, door het slapen zeer verkwikt, reeds gegeten had, en ook reeds beter met Samuel Gills kennis had gemaakt, met wien zij nu zeer gemeenzaam en vertrouwelijk praatte. De zwartoogige (die zooveel geschreid had, dat zij nu wel de roodoogige mocht genoemd worden, en zeer stil en neerslachtig was) sloot haar zonder een woord van bestraffing of verwijt in hare armen, en maakte de ontmoeting tot een zeer zenuwachtig tooneel. Toen het winkelkamertje voor behulp tot eene toiletkamer makende, kleedde zij Florence zeer zorgvuldig in hare eigene kleeren, en was toen gereed om haar weg te brengen, zoo gelijk aan eene Dombey als zij, met hare natuurlijke ongeschiktheid daartoe, kon gemaakt worden.“Goeden nacht!” zeide Florence, naar Samuel toeloopende. “Ge zijt heel goed voor mij geweest.”De oude Sam was opgetogen en kuste haar als een grootvader.“Goeden nacht, Walter!” zeide Florence toen.—“Goeden nacht!” zeide Walter, haar beide handen gevende.—“Ik zal u nooit vergeten,” vervolgde Florence. “Neen, waarlijk, dat zal ik nooit. Goeden nacht, Walter!”In de onschuld van haar dankbaar hart lichtte zij haar gezichtje naar het zijne op. Walter boog zijn hoofd, en toen hij het weder ophief, was hij gloeiend rood en keek hij om naar zijn oom Sam, met een zeer schaapachtig gezicht.“Waar is Walter?—Goeden nacht, Walter!—Dag Walter!—Nog eens de hand, Walter!” Zoo riep Florence nog toen zij reeds met Suze in de koets zat. En toen de koets eindelijk voortreed, beantwoordde Walter op de stoep vroolijk het wuiven van haar zakdoek, terwijl de houten adelborst, even als hij, alleen op die koets scheen te letten, en alle andere voorbijrijdende koetsen van zijne observatiën uit te sluiten.Na verloop van tijd bereikte men wederom het huis van Dombey, en wederom heerschte het verwarde gerucht van tongen in de bibliotheek. Wederom ook werd den koetsier gelast te wachten—“voor vrouw Richards,” fluisterde een van Suze’s mededienstboden haar onheilspellend toe, toen zij met Florence voorbijging.Het binnenkomen van het verloren kind veroorzaakte eenige beweging, maar niet veel. Haar vader, die haar nooit gevonden had, gaf haar een kus op het voorhoofd, en waarschuwde haar om niet weder weg te loopen of met ontrouwe dienstboden ergens heen te gaan. Mevrouw Chick staakte hare jammerklachten over de bedorvenheid der menschelijke natuur, zelfs wanneer zij door een Liefdadigen Slijper naar het pad der deugd werd gewenkt; en ontving haar met eene welkomst, een weinig minder dan die welke alleen aan volmaakte Dombey’s toekwam. Jufvrouw Tox regelde hare aandoeningen naar de modellen die zij voor zich had. Richards alleen stortte haar hart in afgebrokene woorden van welkomst uit, en boog zich over het weggedwaalde hoofdje alsof zij het waarlijk liefhad.“O Richards!” zeide mevrouw Chick met een zucht. “Het zou diegenen, die gaarne goed over hunne evennaasten denken, veel meer voldoening hebben gegeven, en u veel beter hebben gestaan, als gij bijtijds behoorlijk gevoel hadt getoond voor het kind, dat nu ontijdig van zijn natuurlijk voedsel zal beroofd worden.”—“Afgesneden,” zeide jufvrouw Tox met een klagend gefluister, “van eene gemeenschappelijke bron.”—“Als hetmijngeval was, dat ik zoo ondankbaar was geweest,” zeide mevrouw Chick plechtig, “en ik zoo denken moest als gij, Richards, zou het mij wezen alsof de kleeding van de Liefdadige Slijpers mijn kind ongeluk zou aanbrengen en de opvoeding van die instelling het zou doen stikken.”Wat dat betrof—maar mevrouw Chick wist het niet—die kleeding had hem al genoeg kwaad gedaan, en ook de opvoeding kon door den tijd aan hare wraakzucht beantwoorden, want zij was een gestadig onweder van slaan en huilen.“Louise,” zeide Dombey. “Het is niet noodig die aanmerkingen voort te zetten. De vrouw heeft haar ontslag en is betaald. Gij verlaat dit huis, Richards, omdat gij mijn zoon—mijn zoon,” hij herhaalde die twee woorden met nadruk, “naar plaatsen en in gezelschap hebt gebracht, waaraan men niet zonder huiveren kan denken. Wat het ongeluk aangaat, dat jonge jufvrouw Florence dezen morgen getroffen heeft, dit beschouw ik, in één gewichtig opzicht, als eene gelukkige omstandigheid; dewijl ik zonder die gebeurtenis nooit had kunnen vernemen—en dat wel uit uw eigen mond—waaraan gij u hadt schuldig gemaakt. Ik denk, Louise, dat[43]de andere, dat meisje,” hier snikte jonge juffer Nipper hardop, “daar zij zooveel jonger, en natuurlijk door de min van Paul verleid is, wel blijven kan. Wees zoo goed om te zorgen dat de koets voor die vrouw betaald wordt tot aan—” hier haperde hij voor een oogenblik eer hij met walgenden tegenzin vervolgde, “tot aanStaggs’s Gardens.”Polly ging naar de deur, terwijl Florence haar bij haar kleed vasthield en haar op de aandoenlijkste manier toeriep om toch niet heen te gaan. Het was een dolksteek in het hart van haar trotschen vader, een pijl door zijn brein, te zien hoe vleesch en bloed, dat hij niet verloochenen kon, zich aan deze geringe vreemde hechtte, terwijl hij daarbij zat. Niet dat hij er om gaf tot wien zijne dochter zich keerde, of van wien zij zich afkeerde. De gedachte die hem door de ziel sneed was, wat zijn zoon eens zou kunnen doen.Zijn zoon schreeuwde en huilde dien nacht, in allen gevalle, luidkeels. Om de waarheid te zeggen, de arme Paul had eene betere reden voor zijne tranen dan zonen van dien ouderdom dikwijls hebben, want hij had zijne tweede moeder verloren—zijne eerste zooveel hij wist—door een slag even plotseling als het verlies dat het begin van zijn leven had verdonkerd. Door denzelfden slag had zijne zuster, die zich zoo droevig in slaap schreide, ook eene even goede en trouwe vriendin verloren. Maar dit is geheel buiten bedenking. Laten wij daarover geene woorden verspillen.
[Inhoud]VI.PAUL’S TWEEDE MOEDERLOOSHEID.Des morgens had Polly zooveel bekommeringen, dat zij zonder het onophoudelijk aandrijven harer zwartoogige gezellin alle gedachten aan de onderneming zou hebben laten varen, en formeel verlof gevraagd om nommer honderd zeven en veertig onder de schaduw van Dombey’s dak te mogen zien. Maar Suze, die zelve grooten lust in het tochtje had, en die (gelijk Tony Lumpkin), al kon zij de teleurstellingen van anderen met vrij veel standvastigheid dragen, volstrekt geen zin had om zich zelve te leur te stellen, wierp deze tweede gedachte zoovele schrandere twijfelingen in den weg, en beval het eerste plan met zoovele schrandere redenen aan, dat Dombey bijna niet zoodra zijn statigen rug gekeerd had en zich op zijn dagelijkschen weg naar deCitybevond, of zijn van niets bewuste zoon was insgelijks op weg naarStaggs’s Gardens.De plek met dezen welluidenden naam was in eene voorstad gelegen, die bij de bewoners vanStaggs’s GardensalsCamberling Townbekend stond, eene benaming welke de “kaart vanLondenvoor vreemdelingen” gelijk zij (tot grooter gemak en gerief) op zakdoeken gedrukt is, niet zonder schijn van reden, totCamden Townverkort. Hierheen richtten min en kindermeid, door de haar toevertrouwde panden vergezeld, hare schreden; Richards, gelijk reeds van zelf spreekt, droeg Paul, en Suze had de kleine Florence bij de hand, die zij van tijd tot tijd zooveel duwen en rukken gaf als zij noodig en nuttig oordeelde.De eerste schok eener groote aardbeving had juist op dien tijd den geheelen omtrek omgewoeld. Sporen daarvan waren aan alle kanten zichtbaar. Huizen waren onder den voet gesmeten, straten doorgebroken en verstopt, diepe putten en greppels in den grond gegraven, ontzaglijke hoopen klei en aarde opgeworpen, ondermijnde en verzakte gebouwen met groote balken onderstut. Hier lag een chaos van karren, verward onder en over elkander geworpen, aan den voet van een onnatuurlijk steilen heuvel; daar lagen schatten ijzer te roesten in iets dat toevallig een vijver was geworden. Overal waren bruggen die nergens heen voerden; doorgangen die geheel onbegaanbaar waren; Babelsche torens van schoorsteenen die de helft van hunne hoogte misten; tijdelijke houten huizen en afschuttingen op de onwaarschijnlijkste plaatsen; geraamten van armoedige woningen, en stukken van onvoltooide muren en bogen, en hooge steigers, en wildernissen van bouwsteenen, en reusachtige gedaanten van kranen en stellingen waar zij geheel niet noodig schenen te zijn. Men zag het onvoltooide in honderd duizend gedaanten en stoffen, alles van zijne plaats en ondereengemengd, ten onderste boven, in den grond gezonken, in de lucht opstekende, in het water vergaande, even onbegrijpelijk als een droom. Heete bronnen en vurige uitbarstingen, de gewone bijomstandigheden van aardbevingen, leenden hare bijdragen tot de verwarring van het tooneel. Kokend water borrelde en siste binnen vervallene muren, waaruit ook de gloed en het gebrul van vlammen opsloeg, en hoopen asch verstopten hier en daar den doorgang waarop men vanouds recht had, en veranderden alle wetten en gebruiken van die streek.Kortom, de nog onvoltooide en ongeopende spoorweg was in aanleg, en uit het hart van al die gruwelijke wanorde gleed hij waterpas voort op zijne machtige baan van beschaving en vooruitgang.Maar tot nog toe was de buurt beschroomd om den spoorweg te erkennen. Een of twee stoute speculanten hadden straten ontworpen, en een van hen had een weinigje gebouwd, maar was in den modder en de asch blijven stilstaan om er nog eens over te denken. Eene splinternieuwe herberg, naar verschen kalk en verf riekende, en met een uitzicht op niemendal, had Spoorweg’s Welvaren tot uithangbord genomen; maar dit kon wel eene roekelooze onderneming zijn—en men hoopte ook drank aan de werklieden te slijten. Zoo was de Delvers Ververschingsplaats uit eene oude bierkroeg ontstaan, en was de oude Ham- en Vleeschwinkel in de Spoorweg Restauratie veranderd, om baatzuchtige redenen van dergelijken onmiddellijken en populairen aard. De slaapsteehouders waren insgelijks welgezind en om dezelfde redenen niet te vertrouwen. Het algemeene geloof was zeer traag. Er waren weilanden, koestallen, mest- en aschhoopen, slooten, tuinen, zomerhuisjes en tapijtenklopperijen tot vlak bij den spoorweg. In den oestertijd lagen er hoopjes oesterschelpen, in den kreeftentijd kreeftenschalen, en op alle tijden potscherven en rotte koolbladen verspreid. Scheidspalen, en[33]hekken, en oude waarschuwingen van voetangels en klemmen, en achterzijden van gemeene huizen, en met onkruid begroeide plekjes land schenen er den draak mede te steken. Niets was door den spoorweg bevoordeeld of dacht dit te worden. Als het ellendige stuk braakland, dat er bij lag, had kunnen lachen, zou het den spoorweg hebben uitgelachen, gelijk velen van de ellendige buren deden.Staggs’s Gardenswas buitengemeen ongeloovig. Het was eene kleine rij huizen, met akelige plekjes grond er voor, met oude deuren, duigen van vaten, lappen geteerd zeildoek en doode heesters afgeheind; met bodemlooze blikken ketels en brokken oud ijzer in de openingen gestoken. Hier kweekten de tuiniers vanStaggs’s Gardensroode klimboomen, hielden zij kippen en konijnen, bouwden zij wrakke zomerhuisjes (een daarvan was eene oude boot), droogden zij kleeren en rookten zij een pijpje. Sommigen waren van gevoelen datStaggs’s Gardenszijn naam ontleende van een overleden kapitalist, zekeren mijnheer Staggs, die het voor zijn vermaak had gebouwd. Anderen, die een landelijken smaak hadden, hielden den naam voor afkomstig uit den landelijken tijd toen de herten hier onder het geboomte de schaduw zochten. Dit zij gelijk het wil,Staggs’s Gardenswerd door zijne bevolking voor een heilig bosch gehouden, dat niet door spoorwegen zou worden uitgeroeid; en zoo vast geloofde men algemeen dat het alle zulke belachelijke uitvindingen lang zou overleven, dat de schoorsteenveger op den hoek, die voor den toongever der plaatselijke politiek werd gehouden, openlijk had verklaard, dat op den dag wanneer de spoorweg geopend werd, als dit ooit gebeurde, twee van zijne jongens op de schoorsteenen zouden klimmen, met last om van die hoogte de mislukte onderneming uit te jouwen.Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende. (blz. 36).Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende.(blz. 36).Naar deze onheilige plek, waarvan de naam tot dusverre zorgvuldig voor Dombey door zijne zuster was verborgen gehouden, werd kleine Paul nu door het Noodlot en Richards heen gevoerd.“Dat is mijn huis, Suze,” zeide Richards, er naar wijzende.—“Ei, is het, jufvrouw Richards!” zeide Suze goedgunstig.—“En daar staat waarlijk[34]mijne zuster Jemima aan de deur,” riep Polly, “met mijn eigen kostbaar kind op den arm!”Dit gezicht gaf Polly’s ongeduld een paar zulke groote vleugelen, dat zij op een draf voortliep, naar Jemima toestoof en in een oogenblik van kinderen met haar verwisselde, tot groote verbazing dier jonge maagd, voor welke de erfgenaam der Dombey’s uit de wolken scheen te zijn gevallen.“Wel, Polly!” riep Jemima. “Gij! Wat hebt ge mij doen schrikken! Wie zou dat gedacht hebben! Kom binnen, Polly! Wat ziet gij er goed uit! De kinderen zullen half razend worden als zij u zien, Polly; dat zullen zij waarlijk.”Dat werden zij ook waarlijk, als men oordeelen mocht naar het leven dat zij maakten, en naar de manier waarop zij Polly aanvlogen en naar een stoel in het hoekje van den haard trokken, waar haar eigen goedig appelrond gezicht dadelijk het middelpunt van een tros kleine pippelingen werd, die allen hunne roode wangen dicht daarbij duwden en allen blijkbaar vruchten van denzelfden boom waren. Wat Polly betreft, zij was even luidruchtig en woest als de kinderen; en het was niet voordat zij geheel buiten adem was en de haren haar langs het gloeiende gezicht zwierden, en haar doopgoed erg gehavend was, dat het oproer eenigszins bedaarde. Ook toen nog bleef de kleinste Toodle op een na op haar schoot en hield zich met beide armpjes om haar hals vast, terwijl de kleinste Toodle op twee na achter op haar stoel klom en, met het eene been in de lucht, wanhopige pogingen aanwendde om haar over haar schouder te zoenen.“Kijk! Daar is een lief klein dametje, dat naar u komt zien,” zeide Polly; “en zie hoe stil zij is! Wat een mooi dametje, niet waar?”Dit gezegde richtte aller aandacht op Florence, die dit tooneel bij de deur was blijven staan aanzien, en had ook het gelukkige gevolg dat men nu ook behoorlijk op jonge jufvrouw Nipper lette, die reeds begon te denken dat men haar over het hoofd zag.“O kom toch binnen en ga even zitten, Suze,” zeide Polly. “Dit is mijne zuster Jemima, hier. Jemima, ik weet niet hoe ik het maken zou, als ik Suze Nipper niet had. Zonder haar zou ik nu niet hier zijn geweest.”—“O ga toch zitten, jufvrouw Nipper, als het u belieft,” zeide Jemima.Suze zette zich met een zeer stijf en deftig gezicht op het uiterste kantje van een stoel.“Ik ben nog nooit in mijn leven zoo blij geweest dat ik iemand zag; waarlijk niet, jufvrouw Nipper,” zeide Jemima.Suze liet zich vermurwen, nam wat meer van haar stoel, en glimlachte genadig.“Maak toch uw hoed los en doe alsof gij thuis waart, als het u belieft, jufvrouw Nipper,” smeekte Jemima. “Ik vrees dat het hier armoediger is dan gij gewoon zijt, maar dat zult gij zeker wel inschikken.”De zwartoogige liet zich door deze eerbiedige behandeling zoodanig verzachten, dat zij het oudste meisje, dat haar juist voorbijliep, oppakte en op haar schoot nam.“En waar is mijn lieve jongen?” zeide Polly. “Mijn arm kereltje? Ik ben dien heelen weg gekomen om hem met zijn nieuw pakje te zien.”—“O hoe jammer!” riep Jemima uit. “Wat zal het hem spijten, als hij hoort dat zijne moeder hier geweest is. Hij is naar school, Polly.”—“Al daar naar toe!”—“Ja. Hij is gisteren voor het eerst gegaan, om geene lessen te verzuimen. Maar het is een halve vacantiedag, Polly. Als ge nu maar blijven kondt totdat hij thuis komt, ten minste als jufvrouw Nipper ook wel wil blijven,” zeide Jemima, bijtijds bedacht op de waardigheid der zwartoogige.—“En hoe ziet hij er uit, Jemima?” zeide Polly haperend.—“Wel, hij ziet er waarlijk zoo kwaad niet uit als ge zoudt denken,” antwoordde Jemima.—“Och,” zeide Polly, met aandoening, “ik wist wel dat zijne beentjes te kort moesten zijn.”—“Zij zijn wel wat kort,” antwoordde Jemima, “vooral van achteren; maar zij zullen met iederen dag langer worden, Polly.”Dit was eene langzame, ver vooruitziende soort van troost; maar de vroolijkheid en goedhartigheid waarmede hij werd toegediend, gaf er eene waarde aan, die hij op zich zelf niet bezat. Na een oogenblik van stilzwijgen vroeg Polly op levendiger toon: “En waar is vader, Jemima lief?” Want bij dezen patriarchalen naam was baas Toodle in zijn huishouden bekend.—“Daar alweer!” zeide Jemima. “Hoe jammer! Vader heeft van morgen zijn eten meegenomen, en komt niet voor van avond thuis. Maar hij spreekt aldoor over u, Polly, en vertelt de kinderen van u, en is de goedigste, geduldigste ziel van de wereld, zooals hij altijd geweest is en zijn zal.”—“Dank daarvoor,” riep de eenvoudige Polly uit, opgetogen over het gezegde en te leur gesteld door de afwezigheid.—“O, gij hebt mij niet te bedanken,” zeide hare zuster, die haar een klinkenden kus op de wang gaf, en toen kleinen Paul vroolijk liet dansen. “Ik zeg wel eens hetzelfde van u, en ik denk het ook.”In spijt van de dubbele teleurstelling, was het onmogelijk een bezoek, dat met zulk eene ontvangst werd begroet, voor mislukt te houden. De zusters praatten dus vergenoegd over huiselijke zaken, en over Biler, en over al zijne broertjes en zusjes; terwijl de zwartoogige het oudste meisje op haar schoot liet koetsje rijden, en scherpe waarnemingen deed op het huisraad, de houten klok, het hoekbuffet, het kasteeltje op den schoorsteenmantel met groene en roode vensters, dat met een eindje kaars[35]van binnen kon geïllumineerd worden, en de twee zwarte fluweelen katjes, met eene damesreticule in den bek, die door de bewoners vanStagg’s Gardensals wonderen van nabootsende kunst beschouwd werden. Daar het gesprek spoedig eene meer algemeene wending nam, opdat de zwartoogige niet stekelig zou worden, gaf deze jonge dame aan Jemima een kort verslag van alles wat haar van mijnheer Dombey, zijne familie, vooruitzichten, levenswijs en karakter bekend was, benevens een getrouwen inventaris van hare eigene garderobe, en eenig bericht van hare betrekkingen en vriendinnen. Nadat zij door deze mededeelingen haar gemoed had verlicht, verkwikte zij zich met garnalen en porter, en legde zij eene neiging aan den dag om eeuwige vriendschap te zweren.Kleine Florence zelve verzuimde niet van deze gelegenheid om pleizier te hebben zooveel mogelijk gebruik te maken, want toen zij door de jeugdige Toodle’s naar buiten was gebracht om eenige paddestoelen en andere merkwaardigheden derGardenste bezichtigen, was zij met hart en ziel behulpzaam tot het aanleggen van een dijkje door een groenachtigen waterplas, die zich in een hoek had verzameld. Zij was nog ijverig aan dien arbeid toen Suze haar kwam opzoeken, die zulk een diep gevoel van plicht had, dat zij zelfs onder den vermurwenden invloed der garnalen, het meisje eene met stompen aangedrongen zedepreek over hare goddelooze ondeugendheid liet hooren, terwijl zij haar gezichtje en handjes waschte, en voorspelde dat zij hare geheele familie van verdriet ten grave zou brengen. Na eenig dralen, veroorzaakt door een vertrouwelijk onderhoud over geldzaken, dat op het bovenkamertje tusschen Polly en Jemima plaats had, werden de kinderen nogmaals uitgewisseld—want Polly had al dien tijd haar eigen kind, en Jemima kleinen Paul gehouden—en namen de bezoeksters afscheid.Doch eerst werden de jeugdige Toodle’s, slachtoffers van een vroom bedrog, verleid om zich gezamenlijk naar een naburigen komenijswinkel te begeven, zoo het heette om daar een stuiver te besteden; en toen de baan schoon gemaakt was, nam Polly de vlucht, terwijl Jemima haar nog nariep dat, als zij om weer naar huis te gaan denCity Roadkonden nemen, zij zeker den kleinen Biler zouden ontmoeten, die van school kwam.“Denkt ge dat wij nog tijd zouden hebben om zoover om te gaan, Suze?” vroeg Polly, toen zij bleven stilstaan om adem te scheppen.—“Waarom niet, jufvrouw Richards?” antwoordde Suze.—“Het loopt al tegen onzen etenstijd, weet ge,” zeide Polly.Maar de genoten hartsterking had hare gezellin meer dan onverschillig voor deze gewichtige bedenking doen worden, en men besloot dus nog zoover om te gaan.Nu was het geval dat het leven van den armen Biler hem sedert den vorigen ochtend tot een last was geworden, alleen door het costuum der Liefdadige Slijpers. De straatjeugd kon dit niet uitstaan. Geen kwade jongen kon het een oogenblik zien, zonder den onschuldigen drager te lijf te willen. Zijn maatschappelijk aanzijn had meer gelijkenis naar dat van een Christen uit den oudsten tijd, dan naar dat van een onschuldig kind uit de negentiende eeuw. Hij was op de openbare straat gesteenigd, in de goot gesmeten, met modder bespat, met geweld tegen palen geduwd. Volslagen vreemdelingen, die niets van hem wisten, hadden hem zijne opzichtige pet afgenomen en die verder weggegooid. Zijne beentjes waren niet alleen bespot en uitgejouwd, maar ook aangepakt en geknepen. Dien zelfden ochtend had hij onderweg naar de Slijperschool geheel ongevraagd een blauw oog gekregen en was hij daarvoor nog door den meester gestraft, een bejaarden Slijper van kwaadaardig karakter, die tot schoolmeester was aangesteld omdat hij niets wist en tot niets deugde, en wiens gruwelijke rotting eene ware toovermacht over alle welgevleeschde kleine jongens uitoefende.Zoo kwam het dat Biler om naar huis te komen de minst begane wegen zocht, en door nauwe stegen en achterstraatjes sloop, om zijne pijnigers te ontwijken. Eindelijk genoodzaakt om weder in de groote straat te komen, bracht zijn ongeluk hem daar juist op een punt, waar een troepje jongens, met een bloeddorstigen jongen slager aan het hoofd, op de loer stond om op een of ander pretje te wachten. Toen deze een Liefdadigen Slijper vlak bij zich zagen—als het ware door het noodlot in hunne handen overgeleverd—vlogen zij met een algemeen gejoel op hem aan.Maar nu gebeurde het dat Polly, die na eene wandeling van een goed uur hopeloos voor zich had uitgezien en gezegd, dat het toch niet baten zou verder te gaan, ook juist dit schouwspel in het oog kreeg. Niet zoodra zag zij het, of zij gaf met een haastigen uitroep den kleinen Paul aan Suze over, en snelde heen om haar ongelukkigen zoon te ontzetten.Verrassingen, gelijk ongelukken, komen zelden alleen. De verbaasde Suze en de twee kinderen werden door de omstanders bijna onder de wielen van een juist voorbijkomend rijtuig vandaan gehaald, eer zij zelven wisten wat er gebeurd was; en op hetzelfde oogenblik (het was marktdag) werd de onrustbarende kreet van “een dolle stier!” aangeheven.In die wilde verwarring, terwijl de menschen schreeuwend heen en weder liepen, wagens hen overreden, jongens vochten, dolle stieren kwamen aanloopen, en de min onder al die[36]gevaren misschien reeds verloren was, liep Florence gillend weg. Zij liep tot zij geheel buiten adem was, Suze gedurig toeroepende om mee te loopen; en toen angstig stilstaande, daar zij bedacht dat zij de min hadden achtergelaten, zag zij, met onbeschrijfelijken schrik, dat zij geheel alleen was.“Suze! Suze!” riep Florence, met woesten angst in hare handjes klappende. “O, waar zijn zij! Waar zijn zij!”—“Waar zijn zij?” riep eene oude vrouw, die zoo gauw zij kon van den overkant der straat kwam aanstrompelen. “Waarom zijt ge van hen weggeloopen?”—“Ik was bang,” antwoordde Florence. “Ik wist niet wat ik deed. Ik dacht dat zij bij mij waren. Waar zijn zij?”De oude vrouw nam haar bij den arm en zeide: “Ik zal het u wijzen.”Zij was een allerleelijkst oud wijf, met roode randen om de oogen, en een mond die van zelf mummelde en fluisterde, al sprak zij niet. Zij was ellendig gekleed en droeg eenige beestenvellen over den arm. Zij scheen Florence reeds eenigen tijd gevolgd te hebben, want zij was buiten adem, en dit maakte haar nog leelijker, terwijl zij daar stond te hijgen en haar geheel gerimpeld gezicht stuipachtig verdraaide, alsof zij zou stikken.Florence was bang voor haar en keek angstig de straat in, die zij bijna ten einde was geloopen. Het was eene eenzame plek, meer een achterslop dan eene straat, en er was niemand dan zij zelve en die oude vrouw.“Gij behoeft nu niet meer bang te zijn,” zeide de oude vrouw, haar nog stijf vasthoudende. “Kom maar met mij mee.”—“Ik—ik ken u niet. Hoe heet gij?” zeide Florence.—“Vrouw Brown,” zeide de vrouw. “Goede vrouw Brown.”—“Zijn zij dichtbij?” vroeg Florence medegaande.—“Suze is niet ver weg,” zeide vrouw Brown; “en de anderen zijn dicht bij haar.”—“Is er iemand bezeerd?” vroeg Florence schreiende.—“Wel neen, geheel niet,” antwoordde vrouw Brown.Florence schreide tranen van blijdschap toen zij dit hoorde, en ging daarop gewillig met de oude vrouw mede; schoon zij niet kon nalaten haar nu en dan in het gezicht te zien—vooral naar dien bewegelijken mond—en zich te verwonderen of Kwade Vrouw Brown, als er zoo iemand was, ook eenigszins op haar geleek.Zij hadden nog niet ver gegaan, maar waren toch reeds eenige leelijke onaangename plaatsen,zooalssteen- en pannenbakkerijen, voorbijgekomen, toen de vrouw een laantje insloeg, waar de modder zoo hoog lag dat men er slechts met moeite doorheen kon. Zij bleef staan voor een armoedig huisje, zoo dicht gesloten als een huisje vol spleten en scheuren maar zijn kon. De deur openende met een sleutel, dien zij uit haar hoed haalde, duwde zij het kind voor zich uit naar eene achterkamer, waar op den vloer eene groote hoop vodden van allerlei kleur lag, met twee kleinere hoopen beenderen en sintels; maar er was in het geheel geen huisraad, en de muren en de zolder waren even zwart als de vloer.Florence schrikte zoodanig dat zij de spraak verloor en scheen te zullen flauwvallen.“Kom, wees nu niet ezelachtig,” zeide Goede Vrouw Brown, haar met schudden bijhelpende. “Ik zal je geen zeer doen. Ga op die vodden zitten.”Florence gehoorzaamde en stak stil smeekend hare gevouwene handjes op.“Ik zal u niet houden, zelfs geen uur lang,” zeide vrouw Brown. “Verstaat ge wat ik zeg?”Het kind antwoordde met groote moeite: “Ja!”“Maak mij dan niet kwaad,” zeide Goede Vrouw Brown, zelve op de beenderen plaats nemende. “Als ge dat niet doet, zeg ik u dat ik u geen zeer zal doen. Maar als ge dat doet, zal ik u vermoorden. Ik had u altijd kunnen vermoorden, al waart ge in uw eigen bed. Laat nu hooren wie ge zijt en wat ge zijt, en alles.”De dreigementen en beloften der oude vrouw, de vrees om haar boos te maken, en de gewoonte, zeldzaam bij een kind, maar bij Florence reeds bijna natuurlijk, om zich stil te houden en te smoren wat zij gevoelde, vreesde en hoopte, waren oorzaak dat het haar mogelijk was dit bevel te gehoorzamen, en hare geschiedenis, of wat zij daarvan wist, te vertellen. Vrouw Brown luisterde oplettend tot zij gedaan had.“Dus heet gij Dombey, he?” zeide vrouw Brown.—“Ja, jufvrouw.”—“Ik wou dat mooie jurkje hebben, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Goede Vrouw Brown, “en dat hoedje, en een paar rokjes, en wat ge nog meer kunt missen. Kom aan! Trek uit!”Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende. Toen zij zich van al de genoemde kleedingstukken had ontdaan, keek vrouw Brown die op haar gemak na, en scheen tamelijk wel met de waarde daarvan tevreden.“Hm!” zeide zij, hare oogen over het tengere figuurtje latende heengaan. “Nu zie ik niets meer—behalve de schoenen. Ik moet die schoentjes hebben, jonge jufvrouw Dombey.”De arme Florence trok ze even gewillig uit, maar al te blijde dat zij nog middelen had om haar tevreden te stellen. De oude vrouw zocht nu uit den hoop vodden het een en ander op, dat in de plaats van het afgelegde kon dienen—een paar ellendige schoenen, een meisjes manteltje, zeer oud en versleten, en het ineengeknepen overschot van een hoed, waarschijnlijk van een mesthoop opgeraapt. Met dezen fraaien opschik beval zij Florence zich te kleeden; en daar dit de voorbereiding tot hare loslating scheen[37]te zullen zijn, gehoorzaamde het kind, zoo mogelijk, met nog meer gewilligheid dan te voren. Toen zij haastig den zoogenaamden hoed opzette, bleef deze in hare welige haren hangen, en kon zij hem niet zoo spoedig los krijgen. Goede Vrouw Brown haalde dadelijk eene groote schaar uit en sloeg tot eene onverklaarbare opgewondenheid over.“Waarom kondt ge mij niet met vrede laten, toen ik tevreden was? Gij zottinnetje!” zeide zij.—“Neem het mij niet kwalijk. Ik weet niet wat ik gedaan heb,” bracht Florence uit. “Ik kon het niet helpen.”—“Kon het niet helpen,” riep vrouw Brown. “En ik kan het ook niet helpen, en niet laten ook. Wel Heere,” vervolgde zij, met woedend genot in hare krullen woelende, “een ander dan ik zou ze allereerst hebben afgeknipt.”Florence was zoo blijde dat vrouw Brown slechts op hare haren en niet op haar hoofd belust was, dat zij geen tegenstand bood en om geene verschooning bad, maar alleen hare zachte oogen naar die goede ziel opsloeg.“Als ik niet zelve eens eene dochter had gehad—nu over zee—die grootsch op hare haren was,” zeide vrouw Brown, “zou ik alles hebben afgeknipt. Zij is ver weg, ver weg! O ho! O ho!”De jammerkreet van vrouw Brown was niet welluidend, maar, evenals het woeste slingeren met hare magere armen, vol hartstochtelijke smart, en deed Florence opnieuw schrikken en aan het schreien gaan. Dit droeg er evenwel misschien toe bij om hare krullen te redden; want nadat vrouw Brown hare schaar, gelijk een nieuwe soort van vlinder, een oogenblik daarboven had laten zweven, beval zij haar ze onder den hoed weg te stoppen, zoodat er niets van te zien was om haar te verzoeken. Nadat zij deze zelfoverwinning had behaald, hernam vrouw Brown hare plaats op de beenderen en ging een zeer kort zwart pijpje zitten rooken, aanhoudend mummelende, alsof zij den steel opat.Toen de pijp was uitgerookt, gaf zij het meisje een konijnevel te dragen, om haar meer den schijn van een harer gewone geleidsters te geven, en zeide haar toen dat zij haar nu ergens op straat zou brengen, van waar zij den weg naar hare familie kon vragen. Maar zij waarschuwde haar, met dreigementen van doodelijke wraak in geval van ongehoorzaamheid, om tegen geene vreemdelingen te spreken en niet naar haar eigen huis te gaan, (hetwelk vrouw Brown misschien te dichtbij vond) maar naar haar vader in de stad; en om ook op den hoek van de straat, waar zij zou gelaten worden, te blijven staan tot het drie uur sloeg, met verzekering dat er geduchte oogen en ooren zouden zijn, die alles zouden zien en hooren wat zij deed; en Florence beloofde trouw en oprecht te zullen gehoorzamen.Eindelijk ging vrouw Brown de deur uit en bracht haar geheel veranderd en in vodden gewikkeld vriendinnetje door een doolhof van nauwe straatjes en stegen, die na langen tijd op een stalplein uitliepen, met eene poort aan het einde, waardoor men het gerucht eener drukke straat hoorde. Vrouw Brown wees naar deze poort en onderrichtte Florence, dat zij, als de klokken drie sloegen, linksaf moest gaan, pakte nog eens hare haren, hetgeen zij niet scheen te kunnen laten, en zeide dat zij nu wist wat zij doen moest, en dat maar moest doen, en onthouden dat er op haar gelet werd.Met een lichter hart, maar toch nog bang, voelde Florence zich losgelaten en trippelde naar den hoek. Toen zij daar gekomen was keek zij om, en zag het hoofd der Goede Vrouw Brown uit het houten gangetje turen, waar zij hare laatste bevelen had gegeven, en ook de vuist der Goede Vrouw Brown haar dreigend toehouden. Maar hoewel zij naderhand nog dikwijls omkeek—elke minuut ten minste, in haar zenuwachtigen angst voor de oude vrouw—kon zij haar niet weerzien.Florence bleef daar staan, naar het gewoel op straat kijkende en al meer en meer daardoor verbijsterd; en ondertusschen schenen de klokken zich te hebben voorgenomen om nooit meer drie te slaan. Eindelijk klonken de drie slagen van de kerktorens; er was er eene dichtbij, zoodat zij zich niet kon bedriegen; en na dikwijls over haar schouder te hebben omgekeken, een eindje te zijn voortgegaan en weder teruggekomen, uit vrees dat de geduchte spionnen van vrouw Brown het nog kwalijk mochten nemen—snelde zij voort, met zooveel spoed als hare wijde schoenen toelieten en met het konijnevel stijf in de hand geklemd.Al wat zij van haar vaders kantoor wist was, dat het aan Dombey en Zoon behoorde, en iets zeer voornaams in deCitywas. Zij kon dus slechts den weg naar Dombey en Zoon in deCityvragen; en daar zij deze vraag doorgaans aan kinderen deed—dewijl zij bang was om volwassen menschen aan te spreken—kreeg zij zeer weinig inlichting. Door echter na eenigen tijd alleen naar deCityte vragen, en vooreerst het overige harer vraag achterwege te laten, kwam zij werkelijk langzamerhand nader bij het hart van dat uitgestrekte gebied, dat door den geduchten Lord Mayor wordt geregeerd.Moede van het loopen, telkens geduwd en gestooten, versuft door het rumoer en gewoel, angstig over haar broertje, de min en hare oppasster, onthutst door hetgeen zij had doorgestaan, benauwd om haar vader in zulk een veranderden toestand onder de oogen te komen; verschrikt evenzeer door hetgeen er was omgegaan, nu nog omging, en zij nog voor zich had, zwoegde Florence met de oogen vol tranen voort, en kon niet nalaten een paar malen te blijven[38]stilstaan en haar barstend hart te verlichten door bitterlijk te schreien. Slechts weinige menschen gaven dan acht op haar, in de kleeding die zij droeg; of zoo zij dit al deden, dachten zij dat zij was afgericht om medelijden te wekken en gingen voorbij. Florence riep ook al de vastheid te hulp van een karakter, dat hare droevige ondervinding reeds vroeg gevormd en gehard had, en hield onafgewend haar doel in het oog.Het was twee volle uren later in den namiddag dan toen zij op haar avontuurlijken tocht was uitgegaan, toen zij, het gewoel en gerucht eener smalle straat vol karren en wagens ontwijkende, eene soort van werf of landingplaats aan den waterkant opkeek, waar eene menigte balen, kisten en vaten verstrooid lagen, bij eene groote houten schaal en een houten huisje op wielen, waar buiten een zwaarlijvig man, met eene pen achter het oor en de handen in de zakken, fluitend naar de masten en booten in de nabijheid stond te kijken, alsof zijn dagwerk haast gedaan was.“Wat moet ge?” zeide de man, toevallig omkijkende.—“Wij hebben hier niets voor u, kind. Maak maar dat ge weg komt.”—“Neem mij niet kwalijk, is dit deCity?” vroeg het bevende dochtertje der Dombey’s.—“Ja zeker deCity. Dat weet ge ook wel. Ga maar heen. Wij hebben hier niets voor u.”—“Ik wil ook niets hebben—wel bedankt,” was het bedeesde antwoord. “Behalve dat ik den weg naar Dombey en Zoon wilde weten.”De man, die onverschillig naar haar was toe gekomen, scheen verwonderd over dit antwoord, en haar oplettend aanziende, zeide hij:“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg maar weten, als het u belieft.”De man keek haar nog eens aan, en wreef in zijne verwondering zijn achterhoofd zoo hard dat hij zijn eigen hoed afstiet.“Jo!” riep hij een ander man toe—een werkman—terwijl hij zijn hoed opraapte.—“Wat moet Jo?” zeide deze.—“Waar is dat jonge maatje van Dombey, die naar het inladen van dat goed heeft gezien?”—“Gaat daar net heen, de andere poort uit.”—“Roep hem eens even terug.”Jo liep de poort uit, luidkeels roepende, en kwam weldra terug met een frisschen lustigen knaap.“Gij zijt immers een snaphaan van Dombey, niet waar?” zeide de eerste man.—“Ik ben bij Dombey op het kantoor, mijnheer Clark,” antwoordde de knaap.—“Zie dan eens hier.”Mijnheer Clark wees met de hand naar Florence, en de knaap kwam naar haar toe, zich verwonderende, gelijk hij wel mocht, wat hij met haar kon te maken hebben. Maar zij, die de woordenwisseling had gehoord, en behalve de verademing dat zij zich zoo onverwacht veilig en aan het eind van haar tocht mocht achten, zich door het levendige en jeugdige van zijn gezicht en stem geheel gerustgesteld gevoelde, kwam met drift naar hem toeloopen, waarbij een van hare wijde schoenen op den grond bleef liggen, en vatte zijne hand met hare beide handjes.“Ik ben weggeraakt, als ’t u belieft,” zeide Florence.—“Weggeraakt!” riep de knaap uit.—“Ja, van morgen ben ik weggeraakt, heel ver van hier—en toen heeft men mij mijne kleeren afgenomen—en ik heb nu mijne eigene kleeren niet aan—en ik heet Florence Dombey, de eenige zuster van mijn broertje—en och, och, bezorg mij toch weerom!” snikte Florence, de kinderlijke aandoeningen, die zij zoolang gesmoord had, lucht gevende en in tranen uitbarstende. Te gelijk viel haar leelijke hoed af, en kwamen hare krullende lokken over haar gezichtje rollen, waardoor de jonge Walter, neef van Samuel Gills, den scheepsinstrumentmaker, tot sprakelooze bewondering en even sprakeloos medelijden werd bewogen.Mijnheer Clark stond verbaasd en zeide binnensmonds dat hij daar op de werf nog nooit zoo iets beleefd had. Walter raapte den schoen op en stak hem aan het voetje, gelijk de prins in het sprookje Asschepoetsters muiltje mocht hebben aangestoken. Hij hing het konijnevel over zijn linkerarm, gaf zijn rechter aan Florence; en het was hem te moede, niet gelijk Richard Whittington—dat is eene lamme vergelijking—maar gelijk Sint George vanEngeland, toen de draak dood voor hem lag.“Schrei toch niet, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Walter in eene vlaag van geestverrukking. “Hoe gelukkig voor mij dat ik hier ben! Ge zijt nu zoo veilig alsof gij door een heelen troep uitgelezen volk van een oorlogsschip werdt bewaakt. O schrei toch niet.”—“Ik zal niet meer schreien,” zeide Florence. “Ik schrei maar van blijdschap.”—“Schreien van blijdschap!” dacht Walter. “En ik ben de oorzaak daarvan! Kom nu maar voort, jonge jufvrouw Dombey. Daar valt de andere schoen! Neem de mijne, jonge jufvrouw Dombey.”—“Neen, neen,” zeide Florence, hem stuitende toen hij driftig zijne schoenen wilde uittrekken. “Deze zijn beter. Deze zijn heel goed.”—“Wel zeker ook,” zeide Walter, naar haar voetje ziende: “de mijne zijn veel te groot. Waar denk ik aan. Gij zoudt de mijne niet kunnen aanhouden. Kom maar voort, jonge jufvrouw Dombey. Laat ik nu den deugniet eens zien, die u durft molesteeren.”Zoo leidde Walter, met een geweldig fier gezicht, Florence voort, wier gezichtje zeer vergenoegd stond; en zij gingen arm in arm langs de straten, geheel onverschillig voor de verbazing die hun voorkomen kon veroorzaken.“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg maar weten, als het u belieft.” (blz. 38).“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg maar weten, als het u belieft.”(blz. 38).[38]Het werd donker en mistig, en begon ook[39]te regenen; maar zij gaven hier niet om, daar zij beiden geheel in de avonturen van Florence verdiept waren, welke zij met de onschuldige oprechtheid en vertrouwelijkheid harer jaren vertelde, terwijl Walter luisterde alsof zij, ver van den modder vanThames-Street, onder de breede bladeren en hooge boomen van een onbewoond eiland tusschen de keerkringen wandelden—gelijk hij zich waarschijnlijk wel verbeeldde dat zij deden.“Hebben wij nog ver te gaan?” zeide Florence eindelijk, hare oogen naar haar metgezel opslaande.—“Ja, dat is ook waar!” zeide Walter stilstaande, “laat eens zien. Waar zijn wij? O, ik weet het al. Maar het kantoor is nu gesloten, jonge jufvrouw Dombey. Daar is niemand meer. Mijnheer Dombey is al lang naar huis. Ik denk dat wij dus ook maar naar huis moeten gaan. Of wacht. Als ik u eens naar mijn oom bracht, waar ik woon—dat is heel dichtbij—en dan met eene koets naar uw huis reed om hun te zeggen dat ge veilig zijt, en wat kleeren voor u te halen. Zou dat niet best wezen?”—“Ik denk wel ja,” antwoordde Florence. “Gij ook niet? Wat denkt gij?”Terwijl zij op straat stonden raad te nemen, kwam er iemand aan, die in het voorbijgaan snel naar Walter omkeek, alsof hij hem herkende, maar van die eerste gedachte scheen terug te komen, en zonder zich op te houden verder ging.“Wel, ik geloof dat daar mijnheer Carker is,” zeide Walter. “Carker van ons kantoor. Niet Carker de chef. Jonge jufvrouw Dombey—de andere, Carker junior. Heila, mijnheer Carker!”—“Is dat Walter Gay?” zeide de ander, omkeerende en terugkomende. “Ik kon het niet gelooven, met zulk vreemd gezelschap.”Toen hij bij eene lantaren stond en met verwondering naar Walter’s haastige opheldering luisterde, vormde hij een opmerkelijk contrast met de twee jeugdige gedaanten, die zoo gearmd voor hem stonden. Hij was niet oud, maar zijn haar was grijs; zijn rug was gekromd of gebogen, als ware het door den druk van een zwaar verdriet, en diepe rimpels kenteekenden zijn vervallen gezicht. De glans zijner oogen, de uitdrukking zijner trekken, zelfs de stem waarmede hij sprak, alles was gedoofd en gesmoord, alsof de geest in zijn binnenste tot asch was verteerd. Hij was fatsoenlijk hoewel zeer eenvoudig gekleed, in het zwart; maar zijne kleeren schenen het karakter van geheel zijne gestalte aan te nemen, zich aan zijn lijf in te krimpen en te verlagen, en zich te vereenigen in de droevige bede, welke de geheele man van het hoofd tot de voeten uitsprak, dat men hem maar onopgemerkt zou laten, en alleen in zijne nederigheid.En toch was zijne belangstelling in jeugd en levenslust niet uitgedoofd met de andere vonken zijner ziel, want hij sloeg het ernstige gezicht van den knaap, terwijl hij sprak, met innige deelneming gade, hoewel met zekere onrust en een even onverklaarbaar medelijden, dat zich in zijne blikken vertoonde, hoeveel moeite hij ook deed om het te ontveinzen. Toen Walter hem ten slotte dezelfde vraag deed, die hij Florence had gedaan, bleef hij hem nog met dezelfde uitdrukking staan aanzien, alsof hij op zijn gezicht een dreigend noodlot las, dat in droevige tegenspraak met zijne tegenwoordige helderheid stond.“Wat zoudt gij raden, mijnheer Carker?” zeide Walter met een glimlach. “Gij geeft mij altijd goeden raad, weet ge wel, als gij met mij spreekt; dat evenwel niet dikwijls is.”—“Ik houd uwe eigene gedachte voor de beste,” antwoordde hij, en liet zijne oogen tusschen Florence en Walter heen en weder gaan.—“Mijnheer Carker,” zeide Walter, door eene edelmoedige gedachte in vuur gebracht. “Kom aan! Daar is een kansje voor u. Ga gij naar mijnheer Dombey en wees de bode van goede tijding. Dat zal u misschien voordeel doen, mijnheer. Ik zal thuis blijven. Gij moet gaan.”—“Ik!” zeide de ander.—“Ja. Waarom niet, mijnheer Carker?” hervatte de knaap.Tot antwoord drukte hij hem slechts de hand; hij scheen eenigszins beschaamd en bevreesd om zelfs dit te doen; en hem goeden avond wenschende en nogmaals aanradende om haast te maken, ging hij heen.“Kom aan, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Walter, hem nog even nakijkende, “nu zullen wij maar zoo gauw als wij kunnen naar mijn oom gaan. Hebt gij ooit mijnheer Dombey van mijnheer Carker junior hooren spreken, jonge jufvrouw Florence?”—“Neen,” antwoordde het kind zachtzinnig. “Ik hoor papa niet dikwijls spreken.”—“Wel waar, en wel schande voor hem,” dacht Walter.Na het lieve geduldige gezichtje naast hem eene poos te hebben aangezien, zocht hij met zijne gewone levendigheid naar een ander onderwerp; en daar juist een van die ongelukkige schoenen weder uitging, stelde hij Florence voor om haar in zijne armen naar zijn oom te dragen. Florence, hoewel zeer vermoeid, wees dit voorstel lachend af, uit vrees, gelijk zij zeide, dat hij haar zou laten vallen; en daar zij reeds dicht bij den houten adelborst waren, en Walter verscheidene voorbeelden aanhaalde van schipbreuken en andere ongelukken, waarbij jongere knapen dan hij oudere meisjes dan Florence hadden gered en zegevierend weggedragen, waren zij nog levendig in gesprek toen zij de deur des instrumentmakers bereikten.“Heila, oom Sam!” riep Walter, den winkel binnenstuivende, en van dien tijd af, zoolang de avond duurde, zeer afgebroken en kortademig sprekende. “Daar is een verbazend avontuur![40]Daar is mijnheer Dombey’s dochtertje op straat verdwaald en van hare kleeren beroofd door eene oude heks vaneenwijf—door mij gevonden—en naar huis gebracht om te rusten—kijk maar!”—“Goede hemel!” zeide oom Sam, terugdeinzende tegen zijn liefste kompaskistje aan. “Is het mogelijk! Wel, ik …”—“Neen, en niemand anders ook,” zeide Walter, het overige voorkomende. “Dat zou ook niemand, en kon ook niemand. Hier, help mij eens even dat kanapeetje bij het vuur schuiven, als ge wilt, oom Sam—pas op voor de borden—snijd vast wat vleesch voor haar, wilt ge wel, oom Sam—gooi die schoenen maar onder den haard, jonge jufvrouw Florence—zet uwe voeten op den rand te drogen—wat zijn ze vochtig—dat is een avontuur, niet waar, oom?—Wel mijn tijd, wat ben ik warm!”Samuel Gills was even warm geworden, en ongemeen verbijsterd bovendien. Hij klopte Florence zachtjes op het hoofd, drong haar om te eten en te drinken, wreef hare voetzolen met zijn voor het vuur gewarmden zakdoek, volgde zijn beweeglijken neef met oogen en ooren, en had geen duidelijk begrip van iets, behalve dat die opgewonden jonge heer gedurig tegen hem aanliep, terwijl hij door de kamer heen en weer stoof om twintig dingen te gelijk te doen en eigenlijk geheel niets uitvoerde.“Hier, wacht een oogenblikje, oom,” vervolgde hij, eene kaars opnemende, “tot ik naar boven loop en een ander buis aantrek; en dan vlieg ik voort. Zeg toch eens oom, is dat geen avontuur?”—“Mijn beste jongen,” zeide Samuel, die zich, met den bril op het voorhoofd, gedurig heen en weder draaide tusschen Florence op het kanapeetje en zijn neef die overal in de kamer te gelijk scheen te zijn, “het is het buitengewoonste …”—“Neen maar, oom, maak toch—toe, jonge jufvrouw Florence—eten, oom, weet ge!”—“Ja, ja, ja!” zeide Samuel, en begon terstond van een schapenbout te snijden, alsof de portie voor een reus bestemd was. “Ik zal wel voor haar zorgen, Walter. Ik begrijp het wel. Het lieve kind! Uitgehongerd, natuurlijk. Maak u maar gauw klaar! Wel Heere, Heere! Sir Richard Whittington, driemaal Lord Mayor vanLonden!”Het duurde niet lang of Walter was naar zijn zolderkamertje geloopen en weder beneden; maar ondertusschen was Florence, door vermoeienis overweldigd, toch voor het vuur ingesluimerd. Die korte poos van stilte, schoon zij maar weinig minuten duurde, stelde Samuel Gills in staat zijne zinnen in zooverre bijeen te halen dat hij eenige schikkingen voor haar gemak bedacht, de kamer donkerder maakte en haar voor den gloed van het vuur beschutte. Toen de knaap terugkwam lag zij dus gerust te slapen.“Dat is heerlijk!” fluisterde hij, Samuel zoodanig in zijne armen knellende, dat hij op het gezicht des ouden mans eene geheel nieuwe uitdrukking perste. “Nu loop ik heen. Ik zal maar even een stuk brood nemen, want ik heb een geweldigen honger—en—maak haar vooral niet wakker, oom Sam.”—“Neen, neen,” zeide Samuel. “Lief kind!”—“Hoe lief, niet waar!” riep Walter uit. “Ikheb nooit zulk een gezichtje gezien, oom Sam. Nu loop ik heen.”—“Heel goed,” zeide Samuel, met groote verademing.—“Zeg eens, oom Sam!” zeide Walter, zijn hoofd weder binnenstekende.—“Daar is hij alweer,” zeide Samuel.—“Hoe ziet zij er nu uit?”—“Heel vergenoegd,” zeide Samuel.—“Allerbest. Nu loop ik heen.”—“Ik hoop van ja,” zeide Samuel bij zich zelven.—“Zeg eens, oom Sam,” riep Walter, nog eens voor de deur komende.—“Daar is hij alweer,” zeide Samuel.—“Wij zijn mijnheer Carker junior op straat tegengekomen, nog wonderlijker dan ooit. Hij zeide mij goedendag, maar ging ons toch na—dat is het rare!—want toen wij hier aan de deur kwamen, keek ik om en zag hem stilletjes heengaan, evenals een knecht die mij had thuis gebracht, of als een trouwe hond. Hoe ziet zij er nu uit, oom?”—“Zoo wat eveneens als te voren, Walter,” antwoordde Samuel.—“Goed zoo! Nu loop ik heen.”Ditmaal deed hij dit werkelijk, en Samuel Gills, die geen trek had om te eten, bleef bij het vuur Florence in haar sluimer zitten bewaken en eene menigte allergrilligste luchtkasteelen bouwen, zoodat hij er in het schemerlicht en in de nabijheid van al die instrumenten uitzag als een toovenaar, met eene gepoeierde pruik en een koffiebruin lakensch pak vermomd, die het kind in een tooverslaap hield geboeid.Ondertusschen reed Walter naar het huis van Dombey met een spoed gelijk een huurkoetsiers paard maar zelden maakt, en toch stak hij elke twee of drie minuten zijn hoofd uit het portier om den koetsier eene ongeduldige aanmaning te geven. Aan het eind van zijn tocht gekomen, sprong hij af, gaf den knecht, nog buiten adem van het haasten, zijne boodschap en volgde hem op den voet naar de bibliotheek, waar eene groote verwarring van tongen heerschte, en waar mijnheer Dombey, zijne zuster, jufvrouw Tox, Richards en Suze Nipper op dat oogenblik allen bij elkander waren.“O, neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Walter, naar hem toestuivende; “maar ik ben zoo blij dat ik u kan zeggen dat alles wel is, mijnheer. Jonge jufvrouw Dombey is gevonden!”De knaap met zijn rondborstig gezicht, zijne zwierende haren en schitterende oogen, hijgende van blijdschap en aandoening, vormde een verbazend contrast met Dombey, die in zijn leuningstoel tegenover hem zat.[41]“Ik heb u wel gezegd, Louise, dat zij zeker gevonden zou worden,” zeide Dombey, even over zijn schouder naar die dame omziende, die in gezelschap van jufvrouw Tox zat te schreien. “Laat de bedienden weten dat er verder geene moeite noodig is. Deze knaap, die mij het bericht brengt, is de jonge Gay, van het kantoor. Hoe is mijne dochter gevonden, mijnheer? Ik weet hoe zij is weggeraakt.” Hier zag hij majestueus naar Richards om. “Maar hoe is zij gevonden? Wie heeft haar gevonden?”—“Wel, ik geloof datikjonge jufvrouw Dombey zoo goed als gevonden heb, mijnheer,” zeide Walter zeer bescheiden; “ten minste, ik weet niet of ik mij wel de verdienste kan geven dat ik haar eigenlijk gevonden heb, maar ik was toch het gelukkige werktuig om …”—“Wat meent gij er mee, mijnheer?” viel Dombey hem in de rede, die de zichtbare blijdschap en trotschheid des jongelings over zijn aandeel in het gebeurde met instinctmatig misnoegen beschouwde, “dat gij mijne dochter niet eigenlijk gevonden hebt en toch het gelukkige werktuig zijt? Wees duidelijk en geregeld, als het u belieft.”Dombey en Zoon. (blz. 47).Dombey en Zoon.(blz. 47).Geregeld te wezen was geheel boven Walter’s vermogen; maar hij maakte zich toch zoo duidelijk als hij in zijn ademloozen toestand kon, en vermeldde de redenen waarom hij alleen gekomen was.[42]“Gij hoort dit, meisje?” voegde Dombey de zwartoogige met barschheid toe. “Neem wat er noodig is, en ga dadelijk met dit jonge mensch mee om Florence naar huis te halen. Gay, gij zult morgen beloond worden.”—“O, ik dank u wel, mijnheer,” zeide Walter. “Gij zijt wel goed. Ik heb waarlijk aan geene belooning gedacht, mijnheer.”—“Gij zijt nog een jongen,” zeide Dombey stroef, bijna toornig, “en waar gij aan denkt of zegt te denken is van weinig belang. Gij hebt wel gedaan, mijnheer. Bederf het niet weder. Louise, wees zoo goed om hem een glas wijn te geven.”Dombey’s blik volgde Walter Gay met bitter ongenoegen, toen hij onder het geleide van mevrouw Chick de kamer verliet; en misschien volgden de oogen van zijn geest hem met geen grooter welgevallen, toen hij met Suze Nipper naar zijn oom terugreed.Daar vonden zij dat Florence, door het slapen zeer verkwikt, reeds gegeten had, en ook reeds beter met Samuel Gills kennis had gemaakt, met wien zij nu zeer gemeenzaam en vertrouwelijk praatte. De zwartoogige (die zooveel geschreid had, dat zij nu wel de roodoogige mocht genoemd worden, en zeer stil en neerslachtig was) sloot haar zonder een woord van bestraffing of verwijt in hare armen, en maakte de ontmoeting tot een zeer zenuwachtig tooneel. Toen het winkelkamertje voor behulp tot eene toiletkamer makende, kleedde zij Florence zeer zorgvuldig in hare eigene kleeren, en was toen gereed om haar weg te brengen, zoo gelijk aan eene Dombey als zij, met hare natuurlijke ongeschiktheid daartoe, kon gemaakt worden.“Goeden nacht!” zeide Florence, naar Samuel toeloopende. “Ge zijt heel goed voor mij geweest.”De oude Sam was opgetogen en kuste haar als een grootvader.“Goeden nacht, Walter!” zeide Florence toen.—“Goeden nacht!” zeide Walter, haar beide handen gevende.—“Ik zal u nooit vergeten,” vervolgde Florence. “Neen, waarlijk, dat zal ik nooit. Goeden nacht, Walter!”In de onschuld van haar dankbaar hart lichtte zij haar gezichtje naar het zijne op. Walter boog zijn hoofd, en toen hij het weder ophief, was hij gloeiend rood en keek hij om naar zijn oom Sam, met een zeer schaapachtig gezicht.“Waar is Walter?—Goeden nacht, Walter!—Dag Walter!—Nog eens de hand, Walter!” Zoo riep Florence nog toen zij reeds met Suze in de koets zat. En toen de koets eindelijk voortreed, beantwoordde Walter op de stoep vroolijk het wuiven van haar zakdoek, terwijl de houten adelborst, even als hij, alleen op die koets scheen te letten, en alle andere voorbijrijdende koetsen van zijne observatiën uit te sluiten.Na verloop van tijd bereikte men wederom het huis van Dombey, en wederom heerschte het verwarde gerucht van tongen in de bibliotheek. Wederom ook werd den koetsier gelast te wachten—“voor vrouw Richards,” fluisterde een van Suze’s mededienstboden haar onheilspellend toe, toen zij met Florence voorbijging.Het binnenkomen van het verloren kind veroorzaakte eenige beweging, maar niet veel. Haar vader, die haar nooit gevonden had, gaf haar een kus op het voorhoofd, en waarschuwde haar om niet weder weg te loopen of met ontrouwe dienstboden ergens heen te gaan. Mevrouw Chick staakte hare jammerklachten over de bedorvenheid der menschelijke natuur, zelfs wanneer zij door een Liefdadigen Slijper naar het pad der deugd werd gewenkt; en ontving haar met eene welkomst, een weinig minder dan die welke alleen aan volmaakte Dombey’s toekwam. Jufvrouw Tox regelde hare aandoeningen naar de modellen die zij voor zich had. Richards alleen stortte haar hart in afgebrokene woorden van welkomst uit, en boog zich over het weggedwaalde hoofdje alsof zij het waarlijk liefhad.“O Richards!” zeide mevrouw Chick met een zucht. “Het zou diegenen, die gaarne goed over hunne evennaasten denken, veel meer voldoening hebben gegeven, en u veel beter hebben gestaan, als gij bijtijds behoorlijk gevoel hadt getoond voor het kind, dat nu ontijdig van zijn natuurlijk voedsel zal beroofd worden.”—“Afgesneden,” zeide jufvrouw Tox met een klagend gefluister, “van eene gemeenschappelijke bron.”—“Als hetmijngeval was, dat ik zoo ondankbaar was geweest,” zeide mevrouw Chick plechtig, “en ik zoo denken moest als gij, Richards, zou het mij wezen alsof de kleeding van de Liefdadige Slijpers mijn kind ongeluk zou aanbrengen en de opvoeding van die instelling het zou doen stikken.”Wat dat betrof—maar mevrouw Chick wist het niet—die kleeding had hem al genoeg kwaad gedaan, en ook de opvoeding kon door den tijd aan hare wraakzucht beantwoorden, want zij was een gestadig onweder van slaan en huilen.“Louise,” zeide Dombey. “Het is niet noodig die aanmerkingen voort te zetten. De vrouw heeft haar ontslag en is betaald. Gij verlaat dit huis, Richards, omdat gij mijn zoon—mijn zoon,” hij herhaalde die twee woorden met nadruk, “naar plaatsen en in gezelschap hebt gebracht, waaraan men niet zonder huiveren kan denken. Wat het ongeluk aangaat, dat jonge jufvrouw Florence dezen morgen getroffen heeft, dit beschouw ik, in één gewichtig opzicht, als eene gelukkige omstandigheid; dewijl ik zonder die gebeurtenis nooit had kunnen vernemen—en dat wel uit uw eigen mond—waaraan gij u hadt schuldig gemaakt. Ik denk, Louise, dat[43]de andere, dat meisje,” hier snikte jonge juffer Nipper hardop, “daar zij zooveel jonger, en natuurlijk door de min van Paul verleid is, wel blijven kan. Wees zoo goed om te zorgen dat de koets voor die vrouw betaald wordt tot aan—” hier haperde hij voor een oogenblik eer hij met walgenden tegenzin vervolgde, “tot aanStaggs’s Gardens.”Polly ging naar de deur, terwijl Florence haar bij haar kleed vasthield en haar op de aandoenlijkste manier toeriep om toch niet heen te gaan. Het was een dolksteek in het hart van haar trotschen vader, een pijl door zijn brein, te zien hoe vleesch en bloed, dat hij niet verloochenen kon, zich aan deze geringe vreemde hechtte, terwijl hij daarbij zat. Niet dat hij er om gaf tot wien zijne dochter zich keerde, of van wien zij zich afkeerde. De gedachte die hem door de ziel sneed was, wat zijn zoon eens zou kunnen doen.Zijn zoon schreeuwde en huilde dien nacht, in allen gevalle, luidkeels. Om de waarheid te zeggen, de arme Paul had eene betere reden voor zijne tranen dan zonen van dien ouderdom dikwijls hebben, want hij had zijne tweede moeder verloren—zijne eerste zooveel hij wist—door een slag even plotseling als het verlies dat het begin van zijn leven had verdonkerd. Door denzelfden slag had zijne zuster, die zich zoo droevig in slaap schreide, ook eene even goede en trouwe vriendin verloren. Maar dit is geheel buiten bedenking. Laten wij daarover geene woorden verspillen.
VI.PAUL’S TWEEDE MOEDERLOOSHEID.
Des morgens had Polly zooveel bekommeringen, dat zij zonder het onophoudelijk aandrijven harer zwartoogige gezellin alle gedachten aan de onderneming zou hebben laten varen, en formeel verlof gevraagd om nommer honderd zeven en veertig onder de schaduw van Dombey’s dak te mogen zien. Maar Suze, die zelve grooten lust in het tochtje had, en die (gelijk Tony Lumpkin), al kon zij de teleurstellingen van anderen met vrij veel standvastigheid dragen, volstrekt geen zin had om zich zelve te leur te stellen, wierp deze tweede gedachte zoovele schrandere twijfelingen in den weg, en beval het eerste plan met zoovele schrandere redenen aan, dat Dombey bijna niet zoodra zijn statigen rug gekeerd had en zich op zijn dagelijkschen weg naar deCitybevond, of zijn van niets bewuste zoon was insgelijks op weg naarStaggs’s Gardens.De plek met dezen welluidenden naam was in eene voorstad gelegen, die bij de bewoners vanStaggs’s GardensalsCamberling Townbekend stond, eene benaming welke de “kaart vanLondenvoor vreemdelingen” gelijk zij (tot grooter gemak en gerief) op zakdoeken gedrukt is, niet zonder schijn van reden, totCamden Townverkort. Hierheen richtten min en kindermeid, door de haar toevertrouwde panden vergezeld, hare schreden; Richards, gelijk reeds van zelf spreekt, droeg Paul, en Suze had de kleine Florence bij de hand, die zij van tijd tot tijd zooveel duwen en rukken gaf als zij noodig en nuttig oordeelde.De eerste schok eener groote aardbeving had juist op dien tijd den geheelen omtrek omgewoeld. Sporen daarvan waren aan alle kanten zichtbaar. Huizen waren onder den voet gesmeten, straten doorgebroken en verstopt, diepe putten en greppels in den grond gegraven, ontzaglijke hoopen klei en aarde opgeworpen, ondermijnde en verzakte gebouwen met groote balken onderstut. Hier lag een chaos van karren, verward onder en over elkander geworpen, aan den voet van een onnatuurlijk steilen heuvel; daar lagen schatten ijzer te roesten in iets dat toevallig een vijver was geworden. Overal waren bruggen die nergens heen voerden; doorgangen die geheel onbegaanbaar waren; Babelsche torens van schoorsteenen die de helft van hunne hoogte misten; tijdelijke houten huizen en afschuttingen op de onwaarschijnlijkste plaatsen; geraamten van armoedige woningen, en stukken van onvoltooide muren en bogen, en hooge steigers, en wildernissen van bouwsteenen, en reusachtige gedaanten van kranen en stellingen waar zij geheel niet noodig schenen te zijn. Men zag het onvoltooide in honderd duizend gedaanten en stoffen, alles van zijne plaats en ondereengemengd, ten onderste boven, in den grond gezonken, in de lucht opstekende, in het water vergaande, even onbegrijpelijk als een droom. Heete bronnen en vurige uitbarstingen, de gewone bijomstandigheden van aardbevingen, leenden hare bijdragen tot de verwarring van het tooneel. Kokend water borrelde en siste binnen vervallene muren, waaruit ook de gloed en het gebrul van vlammen opsloeg, en hoopen asch verstopten hier en daar den doorgang waarop men vanouds recht had, en veranderden alle wetten en gebruiken van die streek.Kortom, de nog onvoltooide en ongeopende spoorweg was in aanleg, en uit het hart van al die gruwelijke wanorde gleed hij waterpas voort op zijne machtige baan van beschaving en vooruitgang.Maar tot nog toe was de buurt beschroomd om den spoorweg te erkennen. Een of twee stoute speculanten hadden straten ontworpen, en een van hen had een weinigje gebouwd, maar was in den modder en de asch blijven stilstaan om er nog eens over te denken. Eene splinternieuwe herberg, naar verschen kalk en verf riekende, en met een uitzicht op niemendal, had Spoorweg’s Welvaren tot uithangbord genomen; maar dit kon wel eene roekelooze onderneming zijn—en men hoopte ook drank aan de werklieden te slijten. Zoo was de Delvers Ververschingsplaats uit eene oude bierkroeg ontstaan, en was de oude Ham- en Vleeschwinkel in de Spoorweg Restauratie veranderd, om baatzuchtige redenen van dergelijken onmiddellijken en populairen aard. De slaapsteehouders waren insgelijks welgezind en om dezelfde redenen niet te vertrouwen. Het algemeene geloof was zeer traag. Er waren weilanden, koestallen, mest- en aschhoopen, slooten, tuinen, zomerhuisjes en tapijtenklopperijen tot vlak bij den spoorweg. In den oestertijd lagen er hoopjes oesterschelpen, in den kreeftentijd kreeftenschalen, en op alle tijden potscherven en rotte koolbladen verspreid. Scheidspalen, en[33]hekken, en oude waarschuwingen van voetangels en klemmen, en achterzijden van gemeene huizen, en met onkruid begroeide plekjes land schenen er den draak mede te steken. Niets was door den spoorweg bevoordeeld of dacht dit te worden. Als het ellendige stuk braakland, dat er bij lag, had kunnen lachen, zou het den spoorweg hebben uitgelachen, gelijk velen van de ellendige buren deden.Staggs’s Gardenswas buitengemeen ongeloovig. Het was eene kleine rij huizen, met akelige plekjes grond er voor, met oude deuren, duigen van vaten, lappen geteerd zeildoek en doode heesters afgeheind; met bodemlooze blikken ketels en brokken oud ijzer in de openingen gestoken. Hier kweekten de tuiniers vanStaggs’s Gardensroode klimboomen, hielden zij kippen en konijnen, bouwden zij wrakke zomerhuisjes (een daarvan was eene oude boot), droogden zij kleeren en rookten zij een pijpje. Sommigen waren van gevoelen datStaggs’s Gardenszijn naam ontleende van een overleden kapitalist, zekeren mijnheer Staggs, die het voor zijn vermaak had gebouwd. Anderen, die een landelijken smaak hadden, hielden den naam voor afkomstig uit den landelijken tijd toen de herten hier onder het geboomte de schaduw zochten. Dit zij gelijk het wil,Staggs’s Gardenswerd door zijne bevolking voor een heilig bosch gehouden, dat niet door spoorwegen zou worden uitgeroeid; en zoo vast geloofde men algemeen dat het alle zulke belachelijke uitvindingen lang zou overleven, dat de schoorsteenveger op den hoek, die voor den toongever der plaatselijke politiek werd gehouden, openlijk had verklaard, dat op den dag wanneer de spoorweg geopend werd, als dit ooit gebeurde, twee van zijne jongens op de schoorsteenen zouden klimmen, met last om van die hoogte de mislukte onderneming uit te jouwen.Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende. (blz. 36).Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende.(blz. 36).Naar deze onheilige plek, waarvan de naam tot dusverre zorgvuldig voor Dombey door zijne zuster was verborgen gehouden, werd kleine Paul nu door het Noodlot en Richards heen gevoerd.“Dat is mijn huis, Suze,” zeide Richards, er naar wijzende.—“Ei, is het, jufvrouw Richards!” zeide Suze goedgunstig.—“En daar staat waarlijk[34]mijne zuster Jemima aan de deur,” riep Polly, “met mijn eigen kostbaar kind op den arm!”Dit gezicht gaf Polly’s ongeduld een paar zulke groote vleugelen, dat zij op een draf voortliep, naar Jemima toestoof en in een oogenblik van kinderen met haar verwisselde, tot groote verbazing dier jonge maagd, voor welke de erfgenaam der Dombey’s uit de wolken scheen te zijn gevallen.“Wel, Polly!” riep Jemima. “Gij! Wat hebt ge mij doen schrikken! Wie zou dat gedacht hebben! Kom binnen, Polly! Wat ziet gij er goed uit! De kinderen zullen half razend worden als zij u zien, Polly; dat zullen zij waarlijk.”Dat werden zij ook waarlijk, als men oordeelen mocht naar het leven dat zij maakten, en naar de manier waarop zij Polly aanvlogen en naar een stoel in het hoekje van den haard trokken, waar haar eigen goedig appelrond gezicht dadelijk het middelpunt van een tros kleine pippelingen werd, die allen hunne roode wangen dicht daarbij duwden en allen blijkbaar vruchten van denzelfden boom waren. Wat Polly betreft, zij was even luidruchtig en woest als de kinderen; en het was niet voordat zij geheel buiten adem was en de haren haar langs het gloeiende gezicht zwierden, en haar doopgoed erg gehavend was, dat het oproer eenigszins bedaarde. Ook toen nog bleef de kleinste Toodle op een na op haar schoot en hield zich met beide armpjes om haar hals vast, terwijl de kleinste Toodle op twee na achter op haar stoel klom en, met het eene been in de lucht, wanhopige pogingen aanwendde om haar over haar schouder te zoenen.“Kijk! Daar is een lief klein dametje, dat naar u komt zien,” zeide Polly; “en zie hoe stil zij is! Wat een mooi dametje, niet waar?”Dit gezegde richtte aller aandacht op Florence, die dit tooneel bij de deur was blijven staan aanzien, en had ook het gelukkige gevolg dat men nu ook behoorlijk op jonge jufvrouw Nipper lette, die reeds begon te denken dat men haar over het hoofd zag.“O kom toch binnen en ga even zitten, Suze,” zeide Polly. “Dit is mijne zuster Jemima, hier. Jemima, ik weet niet hoe ik het maken zou, als ik Suze Nipper niet had. Zonder haar zou ik nu niet hier zijn geweest.”—“O ga toch zitten, jufvrouw Nipper, als het u belieft,” zeide Jemima.Suze zette zich met een zeer stijf en deftig gezicht op het uiterste kantje van een stoel.“Ik ben nog nooit in mijn leven zoo blij geweest dat ik iemand zag; waarlijk niet, jufvrouw Nipper,” zeide Jemima.Suze liet zich vermurwen, nam wat meer van haar stoel, en glimlachte genadig.“Maak toch uw hoed los en doe alsof gij thuis waart, als het u belieft, jufvrouw Nipper,” smeekte Jemima. “Ik vrees dat het hier armoediger is dan gij gewoon zijt, maar dat zult gij zeker wel inschikken.”De zwartoogige liet zich door deze eerbiedige behandeling zoodanig verzachten, dat zij het oudste meisje, dat haar juist voorbijliep, oppakte en op haar schoot nam.“En waar is mijn lieve jongen?” zeide Polly. “Mijn arm kereltje? Ik ben dien heelen weg gekomen om hem met zijn nieuw pakje te zien.”—“O hoe jammer!” riep Jemima uit. “Wat zal het hem spijten, als hij hoort dat zijne moeder hier geweest is. Hij is naar school, Polly.”—“Al daar naar toe!”—“Ja. Hij is gisteren voor het eerst gegaan, om geene lessen te verzuimen. Maar het is een halve vacantiedag, Polly. Als ge nu maar blijven kondt totdat hij thuis komt, ten minste als jufvrouw Nipper ook wel wil blijven,” zeide Jemima, bijtijds bedacht op de waardigheid der zwartoogige.—“En hoe ziet hij er uit, Jemima?” zeide Polly haperend.—“Wel, hij ziet er waarlijk zoo kwaad niet uit als ge zoudt denken,” antwoordde Jemima.—“Och,” zeide Polly, met aandoening, “ik wist wel dat zijne beentjes te kort moesten zijn.”—“Zij zijn wel wat kort,” antwoordde Jemima, “vooral van achteren; maar zij zullen met iederen dag langer worden, Polly.”Dit was eene langzame, ver vooruitziende soort van troost; maar de vroolijkheid en goedhartigheid waarmede hij werd toegediend, gaf er eene waarde aan, die hij op zich zelf niet bezat. Na een oogenblik van stilzwijgen vroeg Polly op levendiger toon: “En waar is vader, Jemima lief?” Want bij dezen patriarchalen naam was baas Toodle in zijn huishouden bekend.—“Daar alweer!” zeide Jemima. “Hoe jammer! Vader heeft van morgen zijn eten meegenomen, en komt niet voor van avond thuis. Maar hij spreekt aldoor over u, Polly, en vertelt de kinderen van u, en is de goedigste, geduldigste ziel van de wereld, zooals hij altijd geweest is en zijn zal.”—“Dank daarvoor,” riep de eenvoudige Polly uit, opgetogen over het gezegde en te leur gesteld door de afwezigheid.—“O, gij hebt mij niet te bedanken,” zeide hare zuster, die haar een klinkenden kus op de wang gaf, en toen kleinen Paul vroolijk liet dansen. “Ik zeg wel eens hetzelfde van u, en ik denk het ook.”In spijt van de dubbele teleurstelling, was het onmogelijk een bezoek, dat met zulk eene ontvangst werd begroet, voor mislukt te houden. De zusters praatten dus vergenoegd over huiselijke zaken, en over Biler, en over al zijne broertjes en zusjes; terwijl de zwartoogige het oudste meisje op haar schoot liet koetsje rijden, en scherpe waarnemingen deed op het huisraad, de houten klok, het hoekbuffet, het kasteeltje op den schoorsteenmantel met groene en roode vensters, dat met een eindje kaars[35]van binnen kon geïllumineerd worden, en de twee zwarte fluweelen katjes, met eene damesreticule in den bek, die door de bewoners vanStagg’s Gardensals wonderen van nabootsende kunst beschouwd werden. Daar het gesprek spoedig eene meer algemeene wending nam, opdat de zwartoogige niet stekelig zou worden, gaf deze jonge dame aan Jemima een kort verslag van alles wat haar van mijnheer Dombey, zijne familie, vooruitzichten, levenswijs en karakter bekend was, benevens een getrouwen inventaris van hare eigene garderobe, en eenig bericht van hare betrekkingen en vriendinnen. Nadat zij door deze mededeelingen haar gemoed had verlicht, verkwikte zij zich met garnalen en porter, en legde zij eene neiging aan den dag om eeuwige vriendschap te zweren.Kleine Florence zelve verzuimde niet van deze gelegenheid om pleizier te hebben zooveel mogelijk gebruik te maken, want toen zij door de jeugdige Toodle’s naar buiten was gebracht om eenige paddestoelen en andere merkwaardigheden derGardenste bezichtigen, was zij met hart en ziel behulpzaam tot het aanleggen van een dijkje door een groenachtigen waterplas, die zich in een hoek had verzameld. Zij was nog ijverig aan dien arbeid toen Suze haar kwam opzoeken, die zulk een diep gevoel van plicht had, dat zij zelfs onder den vermurwenden invloed der garnalen, het meisje eene met stompen aangedrongen zedepreek over hare goddelooze ondeugendheid liet hooren, terwijl zij haar gezichtje en handjes waschte, en voorspelde dat zij hare geheele familie van verdriet ten grave zou brengen. Na eenig dralen, veroorzaakt door een vertrouwelijk onderhoud over geldzaken, dat op het bovenkamertje tusschen Polly en Jemima plaats had, werden de kinderen nogmaals uitgewisseld—want Polly had al dien tijd haar eigen kind, en Jemima kleinen Paul gehouden—en namen de bezoeksters afscheid.Doch eerst werden de jeugdige Toodle’s, slachtoffers van een vroom bedrog, verleid om zich gezamenlijk naar een naburigen komenijswinkel te begeven, zoo het heette om daar een stuiver te besteden; en toen de baan schoon gemaakt was, nam Polly de vlucht, terwijl Jemima haar nog nariep dat, als zij om weer naar huis te gaan denCity Roadkonden nemen, zij zeker den kleinen Biler zouden ontmoeten, die van school kwam.“Denkt ge dat wij nog tijd zouden hebben om zoover om te gaan, Suze?” vroeg Polly, toen zij bleven stilstaan om adem te scheppen.—“Waarom niet, jufvrouw Richards?” antwoordde Suze.—“Het loopt al tegen onzen etenstijd, weet ge,” zeide Polly.Maar de genoten hartsterking had hare gezellin meer dan onverschillig voor deze gewichtige bedenking doen worden, en men besloot dus nog zoover om te gaan.Nu was het geval dat het leven van den armen Biler hem sedert den vorigen ochtend tot een last was geworden, alleen door het costuum der Liefdadige Slijpers. De straatjeugd kon dit niet uitstaan. Geen kwade jongen kon het een oogenblik zien, zonder den onschuldigen drager te lijf te willen. Zijn maatschappelijk aanzijn had meer gelijkenis naar dat van een Christen uit den oudsten tijd, dan naar dat van een onschuldig kind uit de negentiende eeuw. Hij was op de openbare straat gesteenigd, in de goot gesmeten, met modder bespat, met geweld tegen palen geduwd. Volslagen vreemdelingen, die niets van hem wisten, hadden hem zijne opzichtige pet afgenomen en die verder weggegooid. Zijne beentjes waren niet alleen bespot en uitgejouwd, maar ook aangepakt en geknepen. Dien zelfden ochtend had hij onderweg naar de Slijperschool geheel ongevraagd een blauw oog gekregen en was hij daarvoor nog door den meester gestraft, een bejaarden Slijper van kwaadaardig karakter, die tot schoolmeester was aangesteld omdat hij niets wist en tot niets deugde, en wiens gruwelijke rotting eene ware toovermacht over alle welgevleeschde kleine jongens uitoefende.Zoo kwam het dat Biler om naar huis te komen de minst begane wegen zocht, en door nauwe stegen en achterstraatjes sloop, om zijne pijnigers te ontwijken. Eindelijk genoodzaakt om weder in de groote straat te komen, bracht zijn ongeluk hem daar juist op een punt, waar een troepje jongens, met een bloeddorstigen jongen slager aan het hoofd, op de loer stond om op een of ander pretje te wachten. Toen deze een Liefdadigen Slijper vlak bij zich zagen—als het ware door het noodlot in hunne handen overgeleverd—vlogen zij met een algemeen gejoel op hem aan.Maar nu gebeurde het dat Polly, die na eene wandeling van een goed uur hopeloos voor zich had uitgezien en gezegd, dat het toch niet baten zou verder te gaan, ook juist dit schouwspel in het oog kreeg. Niet zoodra zag zij het, of zij gaf met een haastigen uitroep den kleinen Paul aan Suze over, en snelde heen om haar ongelukkigen zoon te ontzetten.Verrassingen, gelijk ongelukken, komen zelden alleen. De verbaasde Suze en de twee kinderen werden door de omstanders bijna onder de wielen van een juist voorbijkomend rijtuig vandaan gehaald, eer zij zelven wisten wat er gebeurd was; en op hetzelfde oogenblik (het was marktdag) werd de onrustbarende kreet van “een dolle stier!” aangeheven.In die wilde verwarring, terwijl de menschen schreeuwend heen en weder liepen, wagens hen overreden, jongens vochten, dolle stieren kwamen aanloopen, en de min onder al die[36]gevaren misschien reeds verloren was, liep Florence gillend weg. Zij liep tot zij geheel buiten adem was, Suze gedurig toeroepende om mee te loopen; en toen angstig stilstaande, daar zij bedacht dat zij de min hadden achtergelaten, zag zij, met onbeschrijfelijken schrik, dat zij geheel alleen was.“Suze! Suze!” riep Florence, met woesten angst in hare handjes klappende. “O, waar zijn zij! Waar zijn zij!”—“Waar zijn zij?” riep eene oude vrouw, die zoo gauw zij kon van den overkant der straat kwam aanstrompelen. “Waarom zijt ge van hen weggeloopen?”—“Ik was bang,” antwoordde Florence. “Ik wist niet wat ik deed. Ik dacht dat zij bij mij waren. Waar zijn zij?”De oude vrouw nam haar bij den arm en zeide: “Ik zal het u wijzen.”Zij was een allerleelijkst oud wijf, met roode randen om de oogen, en een mond die van zelf mummelde en fluisterde, al sprak zij niet. Zij was ellendig gekleed en droeg eenige beestenvellen over den arm. Zij scheen Florence reeds eenigen tijd gevolgd te hebben, want zij was buiten adem, en dit maakte haar nog leelijker, terwijl zij daar stond te hijgen en haar geheel gerimpeld gezicht stuipachtig verdraaide, alsof zij zou stikken.Florence was bang voor haar en keek angstig de straat in, die zij bijna ten einde was geloopen. Het was eene eenzame plek, meer een achterslop dan eene straat, en er was niemand dan zij zelve en die oude vrouw.“Gij behoeft nu niet meer bang te zijn,” zeide de oude vrouw, haar nog stijf vasthoudende. “Kom maar met mij mee.”—“Ik—ik ken u niet. Hoe heet gij?” zeide Florence.—“Vrouw Brown,” zeide de vrouw. “Goede vrouw Brown.”—“Zijn zij dichtbij?” vroeg Florence medegaande.—“Suze is niet ver weg,” zeide vrouw Brown; “en de anderen zijn dicht bij haar.”—“Is er iemand bezeerd?” vroeg Florence schreiende.—“Wel neen, geheel niet,” antwoordde vrouw Brown.Florence schreide tranen van blijdschap toen zij dit hoorde, en ging daarop gewillig met de oude vrouw mede; schoon zij niet kon nalaten haar nu en dan in het gezicht te zien—vooral naar dien bewegelijken mond—en zich te verwonderen of Kwade Vrouw Brown, als er zoo iemand was, ook eenigszins op haar geleek.Zij hadden nog niet ver gegaan, maar waren toch reeds eenige leelijke onaangename plaatsen,zooalssteen- en pannenbakkerijen, voorbijgekomen, toen de vrouw een laantje insloeg, waar de modder zoo hoog lag dat men er slechts met moeite doorheen kon. Zij bleef staan voor een armoedig huisje, zoo dicht gesloten als een huisje vol spleten en scheuren maar zijn kon. De deur openende met een sleutel, dien zij uit haar hoed haalde, duwde zij het kind voor zich uit naar eene achterkamer, waar op den vloer eene groote hoop vodden van allerlei kleur lag, met twee kleinere hoopen beenderen en sintels; maar er was in het geheel geen huisraad, en de muren en de zolder waren even zwart als de vloer.Florence schrikte zoodanig dat zij de spraak verloor en scheen te zullen flauwvallen.“Kom, wees nu niet ezelachtig,” zeide Goede Vrouw Brown, haar met schudden bijhelpende. “Ik zal je geen zeer doen. Ga op die vodden zitten.”Florence gehoorzaamde en stak stil smeekend hare gevouwene handjes op.“Ik zal u niet houden, zelfs geen uur lang,” zeide vrouw Brown. “Verstaat ge wat ik zeg?”Het kind antwoordde met groote moeite: “Ja!”“Maak mij dan niet kwaad,” zeide Goede Vrouw Brown, zelve op de beenderen plaats nemende. “Als ge dat niet doet, zeg ik u dat ik u geen zeer zal doen. Maar als ge dat doet, zal ik u vermoorden. Ik had u altijd kunnen vermoorden, al waart ge in uw eigen bed. Laat nu hooren wie ge zijt en wat ge zijt, en alles.”De dreigementen en beloften der oude vrouw, de vrees om haar boos te maken, en de gewoonte, zeldzaam bij een kind, maar bij Florence reeds bijna natuurlijk, om zich stil te houden en te smoren wat zij gevoelde, vreesde en hoopte, waren oorzaak dat het haar mogelijk was dit bevel te gehoorzamen, en hare geschiedenis, of wat zij daarvan wist, te vertellen. Vrouw Brown luisterde oplettend tot zij gedaan had.“Dus heet gij Dombey, he?” zeide vrouw Brown.—“Ja, jufvrouw.”—“Ik wou dat mooie jurkje hebben, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Goede Vrouw Brown, “en dat hoedje, en een paar rokjes, en wat ge nog meer kunt missen. Kom aan! Trek uit!”Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende. Toen zij zich van al de genoemde kleedingstukken had ontdaan, keek vrouw Brown die op haar gemak na, en scheen tamelijk wel met de waarde daarvan tevreden.“Hm!” zeide zij, hare oogen over het tengere figuurtje latende heengaan. “Nu zie ik niets meer—behalve de schoenen. Ik moet die schoentjes hebben, jonge jufvrouw Dombey.”De arme Florence trok ze even gewillig uit, maar al te blijde dat zij nog middelen had om haar tevreden te stellen. De oude vrouw zocht nu uit den hoop vodden het een en ander op, dat in de plaats van het afgelegde kon dienen—een paar ellendige schoenen, een meisjes manteltje, zeer oud en versleten, en het ineengeknepen overschot van een hoed, waarschijnlijk van een mesthoop opgeraapt. Met dezen fraaien opschik beval zij Florence zich te kleeden; en daar dit de voorbereiding tot hare loslating scheen[37]te zullen zijn, gehoorzaamde het kind, zoo mogelijk, met nog meer gewilligheid dan te voren. Toen zij haastig den zoogenaamden hoed opzette, bleef deze in hare welige haren hangen, en kon zij hem niet zoo spoedig los krijgen. Goede Vrouw Brown haalde dadelijk eene groote schaar uit en sloeg tot eene onverklaarbare opgewondenheid over.“Waarom kondt ge mij niet met vrede laten, toen ik tevreden was? Gij zottinnetje!” zeide zij.—“Neem het mij niet kwalijk. Ik weet niet wat ik gedaan heb,” bracht Florence uit. “Ik kon het niet helpen.”—“Kon het niet helpen,” riep vrouw Brown. “En ik kan het ook niet helpen, en niet laten ook. Wel Heere,” vervolgde zij, met woedend genot in hare krullen woelende, “een ander dan ik zou ze allereerst hebben afgeknipt.”Florence was zoo blijde dat vrouw Brown slechts op hare haren en niet op haar hoofd belust was, dat zij geen tegenstand bood en om geene verschooning bad, maar alleen hare zachte oogen naar die goede ziel opsloeg.“Als ik niet zelve eens eene dochter had gehad—nu over zee—die grootsch op hare haren was,” zeide vrouw Brown, “zou ik alles hebben afgeknipt. Zij is ver weg, ver weg! O ho! O ho!”De jammerkreet van vrouw Brown was niet welluidend, maar, evenals het woeste slingeren met hare magere armen, vol hartstochtelijke smart, en deed Florence opnieuw schrikken en aan het schreien gaan. Dit droeg er evenwel misschien toe bij om hare krullen te redden; want nadat vrouw Brown hare schaar, gelijk een nieuwe soort van vlinder, een oogenblik daarboven had laten zweven, beval zij haar ze onder den hoed weg te stoppen, zoodat er niets van te zien was om haar te verzoeken. Nadat zij deze zelfoverwinning had behaald, hernam vrouw Brown hare plaats op de beenderen en ging een zeer kort zwart pijpje zitten rooken, aanhoudend mummelende, alsof zij den steel opat.Toen de pijp was uitgerookt, gaf zij het meisje een konijnevel te dragen, om haar meer den schijn van een harer gewone geleidsters te geven, en zeide haar toen dat zij haar nu ergens op straat zou brengen, van waar zij den weg naar hare familie kon vragen. Maar zij waarschuwde haar, met dreigementen van doodelijke wraak in geval van ongehoorzaamheid, om tegen geene vreemdelingen te spreken en niet naar haar eigen huis te gaan, (hetwelk vrouw Brown misschien te dichtbij vond) maar naar haar vader in de stad; en om ook op den hoek van de straat, waar zij zou gelaten worden, te blijven staan tot het drie uur sloeg, met verzekering dat er geduchte oogen en ooren zouden zijn, die alles zouden zien en hooren wat zij deed; en Florence beloofde trouw en oprecht te zullen gehoorzamen.Eindelijk ging vrouw Brown de deur uit en bracht haar geheel veranderd en in vodden gewikkeld vriendinnetje door een doolhof van nauwe straatjes en stegen, die na langen tijd op een stalplein uitliepen, met eene poort aan het einde, waardoor men het gerucht eener drukke straat hoorde. Vrouw Brown wees naar deze poort en onderrichtte Florence, dat zij, als de klokken drie sloegen, linksaf moest gaan, pakte nog eens hare haren, hetgeen zij niet scheen te kunnen laten, en zeide dat zij nu wist wat zij doen moest, en dat maar moest doen, en onthouden dat er op haar gelet werd.Met een lichter hart, maar toch nog bang, voelde Florence zich losgelaten en trippelde naar den hoek. Toen zij daar gekomen was keek zij om, en zag het hoofd der Goede Vrouw Brown uit het houten gangetje turen, waar zij hare laatste bevelen had gegeven, en ook de vuist der Goede Vrouw Brown haar dreigend toehouden. Maar hoewel zij naderhand nog dikwijls omkeek—elke minuut ten minste, in haar zenuwachtigen angst voor de oude vrouw—kon zij haar niet weerzien.Florence bleef daar staan, naar het gewoel op straat kijkende en al meer en meer daardoor verbijsterd; en ondertusschen schenen de klokken zich te hebben voorgenomen om nooit meer drie te slaan. Eindelijk klonken de drie slagen van de kerktorens; er was er eene dichtbij, zoodat zij zich niet kon bedriegen; en na dikwijls over haar schouder te hebben omgekeken, een eindje te zijn voortgegaan en weder teruggekomen, uit vrees dat de geduchte spionnen van vrouw Brown het nog kwalijk mochten nemen—snelde zij voort, met zooveel spoed als hare wijde schoenen toelieten en met het konijnevel stijf in de hand geklemd.Al wat zij van haar vaders kantoor wist was, dat het aan Dombey en Zoon behoorde, en iets zeer voornaams in deCitywas. Zij kon dus slechts den weg naar Dombey en Zoon in deCityvragen; en daar zij deze vraag doorgaans aan kinderen deed—dewijl zij bang was om volwassen menschen aan te spreken—kreeg zij zeer weinig inlichting. Door echter na eenigen tijd alleen naar deCityte vragen, en vooreerst het overige harer vraag achterwege te laten, kwam zij werkelijk langzamerhand nader bij het hart van dat uitgestrekte gebied, dat door den geduchten Lord Mayor wordt geregeerd.Moede van het loopen, telkens geduwd en gestooten, versuft door het rumoer en gewoel, angstig over haar broertje, de min en hare oppasster, onthutst door hetgeen zij had doorgestaan, benauwd om haar vader in zulk een veranderden toestand onder de oogen te komen; verschrikt evenzeer door hetgeen er was omgegaan, nu nog omging, en zij nog voor zich had, zwoegde Florence met de oogen vol tranen voort, en kon niet nalaten een paar malen te blijven[38]stilstaan en haar barstend hart te verlichten door bitterlijk te schreien. Slechts weinige menschen gaven dan acht op haar, in de kleeding die zij droeg; of zoo zij dit al deden, dachten zij dat zij was afgericht om medelijden te wekken en gingen voorbij. Florence riep ook al de vastheid te hulp van een karakter, dat hare droevige ondervinding reeds vroeg gevormd en gehard had, en hield onafgewend haar doel in het oog.Het was twee volle uren later in den namiddag dan toen zij op haar avontuurlijken tocht was uitgegaan, toen zij, het gewoel en gerucht eener smalle straat vol karren en wagens ontwijkende, eene soort van werf of landingplaats aan den waterkant opkeek, waar eene menigte balen, kisten en vaten verstrooid lagen, bij eene groote houten schaal en een houten huisje op wielen, waar buiten een zwaarlijvig man, met eene pen achter het oor en de handen in de zakken, fluitend naar de masten en booten in de nabijheid stond te kijken, alsof zijn dagwerk haast gedaan was.“Wat moet ge?” zeide de man, toevallig omkijkende.—“Wij hebben hier niets voor u, kind. Maak maar dat ge weg komt.”—“Neem mij niet kwalijk, is dit deCity?” vroeg het bevende dochtertje der Dombey’s.—“Ja zeker deCity. Dat weet ge ook wel. Ga maar heen. Wij hebben hier niets voor u.”—“Ik wil ook niets hebben—wel bedankt,” was het bedeesde antwoord. “Behalve dat ik den weg naar Dombey en Zoon wilde weten.”De man, die onverschillig naar haar was toe gekomen, scheen verwonderd over dit antwoord, en haar oplettend aanziende, zeide hij:“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg maar weten, als het u belieft.”De man keek haar nog eens aan, en wreef in zijne verwondering zijn achterhoofd zoo hard dat hij zijn eigen hoed afstiet.“Jo!” riep hij een ander man toe—een werkman—terwijl hij zijn hoed opraapte.—“Wat moet Jo?” zeide deze.—“Waar is dat jonge maatje van Dombey, die naar het inladen van dat goed heeft gezien?”—“Gaat daar net heen, de andere poort uit.”—“Roep hem eens even terug.”Jo liep de poort uit, luidkeels roepende, en kwam weldra terug met een frisschen lustigen knaap.“Gij zijt immers een snaphaan van Dombey, niet waar?” zeide de eerste man.—“Ik ben bij Dombey op het kantoor, mijnheer Clark,” antwoordde de knaap.—“Zie dan eens hier.”Mijnheer Clark wees met de hand naar Florence, en de knaap kwam naar haar toe, zich verwonderende, gelijk hij wel mocht, wat hij met haar kon te maken hebben. Maar zij, die de woordenwisseling had gehoord, en behalve de verademing dat zij zich zoo onverwacht veilig en aan het eind van haar tocht mocht achten, zich door het levendige en jeugdige van zijn gezicht en stem geheel gerustgesteld gevoelde, kwam met drift naar hem toeloopen, waarbij een van hare wijde schoenen op den grond bleef liggen, en vatte zijne hand met hare beide handjes.“Ik ben weggeraakt, als ’t u belieft,” zeide Florence.—“Weggeraakt!” riep de knaap uit.—“Ja, van morgen ben ik weggeraakt, heel ver van hier—en toen heeft men mij mijne kleeren afgenomen—en ik heb nu mijne eigene kleeren niet aan—en ik heet Florence Dombey, de eenige zuster van mijn broertje—en och, och, bezorg mij toch weerom!” snikte Florence, de kinderlijke aandoeningen, die zij zoolang gesmoord had, lucht gevende en in tranen uitbarstende. Te gelijk viel haar leelijke hoed af, en kwamen hare krullende lokken over haar gezichtje rollen, waardoor de jonge Walter, neef van Samuel Gills, den scheepsinstrumentmaker, tot sprakelooze bewondering en even sprakeloos medelijden werd bewogen.Mijnheer Clark stond verbaasd en zeide binnensmonds dat hij daar op de werf nog nooit zoo iets beleefd had. Walter raapte den schoen op en stak hem aan het voetje, gelijk de prins in het sprookje Asschepoetsters muiltje mocht hebben aangestoken. Hij hing het konijnevel over zijn linkerarm, gaf zijn rechter aan Florence; en het was hem te moede, niet gelijk Richard Whittington—dat is eene lamme vergelijking—maar gelijk Sint George vanEngeland, toen de draak dood voor hem lag.“Schrei toch niet, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Walter in eene vlaag van geestverrukking. “Hoe gelukkig voor mij dat ik hier ben! Ge zijt nu zoo veilig alsof gij door een heelen troep uitgelezen volk van een oorlogsschip werdt bewaakt. O schrei toch niet.”—“Ik zal niet meer schreien,” zeide Florence. “Ik schrei maar van blijdschap.”—“Schreien van blijdschap!” dacht Walter. “En ik ben de oorzaak daarvan! Kom nu maar voort, jonge jufvrouw Dombey. Daar valt de andere schoen! Neem de mijne, jonge jufvrouw Dombey.”—“Neen, neen,” zeide Florence, hem stuitende toen hij driftig zijne schoenen wilde uittrekken. “Deze zijn beter. Deze zijn heel goed.”—“Wel zeker ook,” zeide Walter, naar haar voetje ziende: “de mijne zijn veel te groot. Waar denk ik aan. Gij zoudt de mijne niet kunnen aanhouden. Kom maar voort, jonge jufvrouw Dombey. Laat ik nu den deugniet eens zien, die u durft molesteeren.”Zoo leidde Walter, met een geweldig fier gezicht, Florence voort, wier gezichtje zeer vergenoegd stond; en zij gingen arm in arm langs de straten, geheel onverschillig voor de verbazing die hun voorkomen kon veroorzaken.“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg maar weten, als het u belieft.” (blz. 38).“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg maar weten, als het u belieft.”(blz. 38).[38]Het werd donker en mistig, en begon ook[39]te regenen; maar zij gaven hier niet om, daar zij beiden geheel in de avonturen van Florence verdiept waren, welke zij met de onschuldige oprechtheid en vertrouwelijkheid harer jaren vertelde, terwijl Walter luisterde alsof zij, ver van den modder vanThames-Street, onder de breede bladeren en hooge boomen van een onbewoond eiland tusschen de keerkringen wandelden—gelijk hij zich waarschijnlijk wel verbeeldde dat zij deden.“Hebben wij nog ver te gaan?” zeide Florence eindelijk, hare oogen naar haar metgezel opslaande.—“Ja, dat is ook waar!” zeide Walter stilstaande, “laat eens zien. Waar zijn wij? O, ik weet het al. Maar het kantoor is nu gesloten, jonge jufvrouw Dombey. Daar is niemand meer. Mijnheer Dombey is al lang naar huis. Ik denk dat wij dus ook maar naar huis moeten gaan. Of wacht. Als ik u eens naar mijn oom bracht, waar ik woon—dat is heel dichtbij—en dan met eene koets naar uw huis reed om hun te zeggen dat ge veilig zijt, en wat kleeren voor u te halen. Zou dat niet best wezen?”—“Ik denk wel ja,” antwoordde Florence. “Gij ook niet? Wat denkt gij?”Terwijl zij op straat stonden raad te nemen, kwam er iemand aan, die in het voorbijgaan snel naar Walter omkeek, alsof hij hem herkende, maar van die eerste gedachte scheen terug te komen, en zonder zich op te houden verder ging.“Wel, ik geloof dat daar mijnheer Carker is,” zeide Walter. “Carker van ons kantoor. Niet Carker de chef. Jonge jufvrouw Dombey—de andere, Carker junior. Heila, mijnheer Carker!”—“Is dat Walter Gay?” zeide de ander, omkeerende en terugkomende. “Ik kon het niet gelooven, met zulk vreemd gezelschap.”Toen hij bij eene lantaren stond en met verwondering naar Walter’s haastige opheldering luisterde, vormde hij een opmerkelijk contrast met de twee jeugdige gedaanten, die zoo gearmd voor hem stonden. Hij was niet oud, maar zijn haar was grijs; zijn rug was gekromd of gebogen, als ware het door den druk van een zwaar verdriet, en diepe rimpels kenteekenden zijn vervallen gezicht. De glans zijner oogen, de uitdrukking zijner trekken, zelfs de stem waarmede hij sprak, alles was gedoofd en gesmoord, alsof de geest in zijn binnenste tot asch was verteerd. Hij was fatsoenlijk hoewel zeer eenvoudig gekleed, in het zwart; maar zijne kleeren schenen het karakter van geheel zijne gestalte aan te nemen, zich aan zijn lijf in te krimpen en te verlagen, en zich te vereenigen in de droevige bede, welke de geheele man van het hoofd tot de voeten uitsprak, dat men hem maar onopgemerkt zou laten, en alleen in zijne nederigheid.En toch was zijne belangstelling in jeugd en levenslust niet uitgedoofd met de andere vonken zijner ziel, want hij sloeg het ernstige gezicht van den knaap, terwijl hij sprak, met innige deelneming gade, hoewel met zekere onrust en een even onverklaarbaar medelijden, dat zich in zijne blikken vertoonde, hoeveel moeite hij ook deed om het te ontveinzen. Toen Walter hem ten slotte dezelfde vraag deed, die hij Florence had gedaan, bleef hij hem nog met dezelfde uitdrukking staan aanzien, alsof hij op zijn gezicht een dreigend noodlot las, dat in droevige tegenspraak met zijne tegenwoordige helderheid stond.“Wat zoudt gij raden, mijnheer Carker?” zeide Walter met een glimlach. “Gij geeft mij altijd goeden raad, weet ge wel, als gij met mij spreekt; dat evenwel niet dikwijls is.”—“Ik houd uwe eigene gedachte voor de beste,” antwoordde hij, en liet zijne oogen tusschen Florence en Walter heen en weder gaan.—“Mijnheer Carker,” zeide Walter, door eene edelmoedige gedachte in vuur gebracht. “Kom aan! Daar is een kansje voor u. Ga gij naar mijnheer Dombey en wees de bode van goede tijding. Dat zal u misschien voordeel doen, mijnheer. Ik zal thuis blijven. Gij moet gaan.”—“Ik!” zeide de ander.—“Ja. Waarom niet, mijnheer Carker?” hervatte de knaap.Tot antwoord drukte hij hem slechts de hand; hij scheen eenigszins beschaamd en bevreesd om zelfs dit te doen; en hem goeden avond wenschende en nogmaals aanradende om haast te maken, ging hij heen.“Kom aan, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Walter, hem nog even nakijkende, “nu zullen wij maar zoo gauw als wij kunnen naar mijn oom gaan. Hebt gij ooit mijnheer Dombey van mijnheer Carker junior hooren spreken, jonge jufvrouw Florence?”—“Neen,” antwoordde het kind zachtzinnig. “Ik hoor papa niet dikwijls spreken.”—“Wel waar, en wel schande voor hem,” dacht Walter.Na het lieve geduldige gezichtje naast hem eene poos te hebben aangezien, zocht hij met zijne gewone levendigheid naar een ander onderwerp; en daar juist een van die ongelukkige schoenen weder uitging, stelde hij Florence voor om haar in zijne armen naar zijn oom te dragen. Florence, hoewel zeer vermoeid, wees dit voorstel lachend af, uit vrees, gelijk zij zeide, dat hij haar zou laten vallen; en daar zij reeds dicht bij den houten adelborst waren, en Walter verscheidene voorbeelden aanhaalde van schipbreuken en andere ongelukken, waarbij jongere knapen dan hij oudere meisjes dan Florence hadden gered en zegevierend weggedragen, waren zij nog levendig in gesprek toen zij de deur des instrumentmakers bereikten.“Heila, oom Sam!” riep Walter, den winkel binnenstuivende, en van dien tijd af, zoolang de avond duurde, zeer afgebroken en kortademig sprekende. “Daar is een verbazend avontuur![40]Daar is mijnheer Dombey’s dochtertje op straat verdwaald en van hare kleeren beroofd door eene oude heks vaneenwijf—door mij gevonden—en naar huis gebracht om te rusten—kijk maar!”—“Goede hemel!” zeide oom Sam, terugdeinzende tegen zijn liefste kompaskistje aan. “Is het mogelijk! Wel, ik …”—“Neen, en niemand anders ook,” zeide Walter, het overige voorkomende. “Dat zou ook niemand, en kon ook niemand. Hier, help mij eens even dat kanapeetje bij het vuur schuiven, als ge wilt, oom Sam—pas op voor de borden—snijd vast wat vleesch voor haar, wilt ge wel, oom Sam—gooi die schoenen maar onder den haard, jonge jufvrouw Florence—zet uwe voeten op den rand te drogen—wat zijn ze vochtig—dat is een avontuur, niet waar, oom?—Wel mijn tijd, wat ben ik warm!”Samuel Gills was even warm geworden, en ongemeen verbijsterd bovendien. Hij klopte Florence zachtjes op het hoofd, drong haar om te eten en te drinken, wreef hare voetzolen met zijn voor het vuur gewarmden zakdoek, volgde zijn beweeglijken neef met oogen en ooren, en had geen duidelijk begrip van iets, behalve dat die opgewonden jonge heer gedurig tegen hem aanliep, terwijl hij door de kamer heen en weer stoof om twintig dingen te gelijk te doen en eigenlijk geheel niets uitvoerde.“Hier, wacht een oogenblikje, oom,” vervolgde hij, eene kaars opnemende, “tot ik naar boven loop en een ander buis aantrek; en dan vlieg ik voort. Zeg toch eens oom, is dat geen avontuur?”—“Mijn beste jongen,” zeide Samuel, die zich, met den bril op het voorhoofd, gedurig heen en weder draaide tusschen Florence op het kanapeetje en zijn neef die overal in de kamer te gelijk scheen te zijn, “het is het buitengewoonste …”—“Neen maar, oom, maak toch—toe, jonge jufvrouw Florence—eten, oom, weet ge!”—“Ja, ja, ja!” zeide Samuel, en begon terstond van een schapenbout te snijden, alsof de portie voor een reus bestemd was. “Ik zal wel voor haar zorgen, Walter. Ik begrijp het wel. Het lieve kind! Uitgehongerd, natuurlijk. Maak u maar gauw klaar! Wel Heere, Heere! Sir Richard Whittington, driemaal Lord Mayor vanLonden!”Het duurde niet lang of Walter was naar zijn zolderkamertje geloopen en weder beneden; maar ondertusschen was Florence, door vermoeienis overweldigd, toch voor het vuur ingesluimerd. Die korte poos van stilte, schoon zij maar weinig minuten duurde, stelde Samuel Gills in staat zijne zinnen in zooverre bijeen te halen dat hij eenige schikkingen voor haar gemak bedacht, de kamer donkerder maakte en haar voor den gloed van het vuur beschutte. Toen de knaap terugkwam lag zij dus gerust te slapen.“Dat is heerlijk!” fluisterde hij, Samuel zoodanig in zijne armen knellende, dat hij op het gezicht des ouden mans eene geheel nieuwe uitdrukking perste. “Nu loop ik heen. Ik zal maar even een stuk brood nemen, want ik heb een geweldigen honger—en—maak haar vooral niet wakker, oom Sam.”—“Neen, neen,” zeide Samuel. “Lief kind!”—“Hoe lief, niet waar!” riep Walter uit. “Ikheb nooit zulk een gezichtje gezien, oom Sam. Nu loop ik heen.”—“Heel goed,” zeide Samuel, met groote verademing.—“Zeg eens, oom Sam!” zeide Walter, zijn hoofd weder binnenstekende.—“Daar is hij alweer,” zeide Samuel.—“Hoe ziet zij er nu uit?”—“Heel vergenoegd,” zeide Samuel.—“Allerbest. Nu loop ik heen.”—“Ik hoop van ja,” zeide Samuel bij zich zelven.—“Zeg eens, oom Sam,” riep Walter, nog eens voor de deur komende.—“Daar is hij alweer,” zeide Samuel.—“Wij zijn mijnheer Carker junior op straat tegengekomen, nog wonderlijker dan ooit. Hij zeide mij goedendag, maar ging ons toch na—dat is het rare!—want toen wij hier aan de deur kwamen, keek ik om en zag hem stilletjes heengaan, evenals een knecht die mij had thuis gebracht, of als een trouwe hond. Hoe ziet zij er nu uit, oom?”—“Zoo wat eveneens als te voren, Walter,” antwoordde Samuel.—“Goed zoo! Nu loop ik heen.”Ditmaal deed hij dit werkelijk, en Samuel Gills, die geen trek had om te eten, bleef bij het vuur Florence in haar sluimer zitten bewaken en eene menigte allergrilligste luchtkasteelen bouwen, zoodat hij er in het schemerlicht en in de nabijheid van al die instrumenten uitzag als een toovenaar, met eene gepoeierde pruik en een koffiebruin lakensch pak vermomd, die het kind in een tooverslaap hield geboeid.Ondertusschen reed Walter naar het huis van Dombey met een spoed gelijk een huurkoetsiers paard maar zelden maakt, en toch stak hij elke twee of drie minuten zijn hoofd uit het portier om den koetsier eene ongeduldige aanmaning te geven. Aan het eind van zijn tocht gekomen, sprong hij af, gaf den knecht, nog buiten adem van het haasten, zijne boodschap en volgde hem op den voet naar de bibliotheek, waar eene groote verwarring van tongen heerschte, en waar mijnheer Dombey, zijne zuster, jufvrouw Tox, Richards en Suze Nipper op dat oogenblik allen bij elkander waren.“O, neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Walter, naar hem toestuivende; “maar ik ben zoo blij dat ik u kan zeggen dat alles wel is, mijnheer. Jonge jufvrouw Dombey is gevonden!”De knaap met zijn rondborstig gezicht, zijne zwierende haren en schitterende oogen, hijgende van blijdschap en aandoening, vormde een verbazend contrast met Dombey, die in zijn leuningstoel tegenover hem zat.[41]“Ik heb u wel gezegd, Louise, dat zij zeker gevonden zou worden,” zeide Dombey, even over zijn schouder naar die dame omziende, die in gezelschap van jufvrouw Tox zat te schreien. “Laat de bedienden weten dat er verder geene moeite noodig is. Deze knaap, die mij het bericht brengt, is de jonge Gay, van het kantoor. Hoe is mijne dochter gevonden, mijnheer? Ik weet hoe zij is weggeraakt.” Hier zag hij majestueus naar Richards om. “Maar hoe is zij gevonden? Wie heeft haar gevonden?”—“Wel, ik geloof datikjonge jufvrouw Dombey zoo goed als gevonden heb, mijnheer,” zeide Walter zeer bescheiden; “ten minste, ik weet niet of ik mij wel de verdienste kan geven dat ik haar eigenlijk gevonden heb, maar ik was toch het gelukkige werktuig om …”—“Wat meent gij er mee, mijnheer?” viel Dombey hem in de rede, die de zichtbare blijdschap en trotschheid des jongelings over zijn aandeel in het gebeurde met instinctmatig misnoegen beschouwde, “dat gij mijne dochter niet eigenlijk gevonden hebt en toch het gelukkige werktuig zijt? Wees duidelijk en geregeld, als het u belieft.”Dombey en Zoon. (blz. 47).Dombey en Zoon.(blz. 47).Geregeld te wezen was geheel boven Walter’s vermogen; maar hij maakte zich toch zoo duidelijk als hij in zijn ademloozen toestand kon, en vermeldde de redenen waarom hij alleen gekomen was.[42]“Gij hoort dit, meisje?” voegde Dombey de zwartoogige met barschheid toe. “Neem wat er noodig is, en ga dadelijk met dit jonge mensch mee om Florence naar huis te halen. Gay, gij zult morgen beloond worden.”—“O, ik dank u wel, mijnheer,” zeide Walter. “Gij zijt wel goed. Ik heb waarlijk aan geene belooning gedacht, mijnheer.”—“Gij zijt nog een jongen,” zeide Dombey stroef, bijna toornig, “en waar gij aan denkt of zegt te denken is van weinig belang. Gij hebt wel gedaan, mijnheer. Bederf het niet weder. Louise, wees zoo goed om hem een glas wijn te geven.”Dombey’s blik volgde Walter Gay met bitter ongenoegen, toen hij onder het geleide van mevrouw Chick de kamer verliet; en misschien volgden de oogen van zijn geest hem met geen grooter welgevallen, toen hij met Suze Nipper naar zijn oom terugreed.Daar vonden zij dat Florence, door het slapen zeer verkwikt, reeds gegeten had, en ook reeds beter met Samuel Gills kennis had gemaakt, met wien zij nu zeer gemeenzaam en vertrouwelijk praatte. De zwartoogige (die zooveel geschreid had, dat zij nu wel de roodoogige mocht genoemd worden, en zeer stil en neerslachtig was) sloot haar zonder een woord van bestraffing of verwijt in hare armen, en maakte de ontmoeting tot een zeer zenuwachtig tooneel. Toen het winkelkamertje voor behulp tot eene toiletkamer makende, kleedde zij Florence zeer zorgvuldig in hare eigene kleeren, en was toen gereed om haar weg te brengen, zoo gelijk aan eene Dombey als zij, met hare natuurlijke ongeschiktheid daartoe, kon gemaakt worden.“Goeden nacht!” zeide Florence, naar Samuel toeloopende. “Ge zijt heel goed voor mij geweest.”De oude Sam was opgetogen en kuste haar als een grootvader.“Goeden nacht, Walter!” zeide Florence toen.—“Goeden nacht!” zeide Walter, haar beide handen gevende.—“Ik zal u nooit vergeten,” vervolgde Florence. “Neen, waarlijk, dat zal ik nooit. Goeden nacht, Walter!”In de onschuld van haar dankbaar hart lichtte zij haar gezichtje naar het zijne op. Walter boog zijn hoofd, en toen hij het weder ophief, was hij gloeiend rood en keek hij om naar zijn oom Sam, met een zeer schaapachtig gezicht.“Waar is Walter?—Goeden nacht, Walter!—Dag Walter!—Nog eens de hand, Walter!” Zoo riep Florence nog toen zij reeds met Suze in de koets zat. En toen de koets eindelijk voortreed, beantwoordde Walter op de stoep vroolijk het wuiven van haar zakdoek, terwijl de houten adelborst, even als hij, alleen op die koets scheen te letten, en alle andere voorbijrijdende koetsen van zijne observatiën uit te sluiten.Na verloop van tijd bereikte men wederom het huis van Dombey, en wederom heerschte het verwarde gerucht van tongen in de bibliotheek. Wederom ook werd den koetsier gelast te wachten—“voor vrouw Richards,” fluisterde een van Suze’s mededienstboden haar onheilspellend toe, toen zij met Florence voorbijging.Het binnenkomen van het verloren kind veroorzaakte eenige beweging, maar niet veel. Haar vader, die haar nooit gevonden had, gaf haar een kus op het voorhoofd, en waarschuwde haar om niet weder weg te loopen of met ontrouwe dienstboden ergens heen te gaan. Mevrouw Chick staakte hare jammerklachten over de bedorvenheid der menschelijke natuur, zelfs wanneer zij door een Liefdadigen Slijper naar het pad der deugd werd gewenkt; en ontving haar met eene welkomst, een weinig minder dan die welke alleen aan volmaakte Dombey’s toekwam. Jufvrouw Tox regelde hare aandoeningen naar de modellen die zij voor zich had. Richards alleen stortte haar hart in afgebrokene woorden van welkomst uit, en boog zich over het weggedwaalde hoofdje alsof zij het waarlijk liefhad.“O Richards!” zeide mevrouw Chick met een zucht. “Het zou diegenen, die gaarne goed over hunne evennaasten denken, veel meer voldoening hebben gegeven, en u veel beter hebben gestaan, als gij bijtijds behoorlijk gevoel hadt getoond voor het kind, dat nu ontijdig van zijn natuurlijk voedsel zal beroofd worden.”—“Afgesneden,” zeide jufvrouw Tox met een klagend gefluister, “van eene gemeenschappelijke bron.”—“Als hetmijngeval was, dat ik zoo ondankbaar was geweest,” zeide mevrouw Chick plechtig, “en ik zoo denken moest als gij, Richards, zou het mij wezen alsof de kleeding van de Liefdadige Slijpers mijn kind ongeluk zou aanbrengen en de opvoeding van die instelling het zou doen stikken.”Wat dat betrof—maar mevrouw Chick wist het niet—die kleeding had hem al genoeg kwaad gedaan, en ook de opvoeding kon door den tijd aan hare wraakzucht beantwoorden, want zij was een gestadig onweder van slaan en huilen.“Louise,” zeide Dombey. “Het is niet noodig die aanmerkingen voort te zetten. De vrouw heeft haar ontslag en is betaald. Gij verlaat dit huis, Richards, omdat gij mijn zoon—mijn zoon,” hij herhaalde die twee woorden met nadruk, “naar plaatsen en in gezelschap hebt gebracht, waaraan men niet zonder huiveren kan denken. Wat het ongeluk aangaat, dat jonge jufvrouw Florence dezen morgen getroffen heeft, dit beschouw ik, in één gewichtig opzicht, als eene gelukkige omstandigheid; dewijl ik zonder die gebeurtenis nooit had kunnen vernemen—en dat wel uit uw eigen mond—waaraan gij u hadt schuldig gemaakt. Ik denk, Louise, dat[43]de andere, dat meisje,” hier snikte jonge juffer Nipper hardop, “daar zij zooveel jonger, en natuurlijk door de min van Paul verleid is, wel blijven kan. Wees zoo goed om te zorgen dat de koets voor die vrouw betaald wordt tot aan—” hier haperde hij voor een oogenblik eer hij met walgenden tegenzin vervolgde, “tot aanStaggs’s Gardens.”Polly ging naar de deur, terwijl Florence haar bij haar kleed vasthield en haar op de aandoenlijkste manier toeriep om toch niet heen te gaan. Het was een dolksteek in het hart van haar trotschen vader, een pijl door zijn brein, te zien hoe vleesch en bloed, dat hij niet verloochenen kon, zich aan deze geringe vreemde hechtte, terwijl hij daarbij zat. Niet dat hij er om gaf tot wien zijne dochter zich keerde, of van wien zij zich afkeerde. De gedachte die hem door de ziel sneed was, wat zijn zoon eens zou kunnen doen.Zijn zoon schreeuwde en huilde dien nacht, in allen gevalle, luidkeels. Om de waarheid te zeggen, de arme Paul had eene betere reden voor zijne tranen dan zonen van dien ouderdom dikwijls hebben, want hij had zijne tweede moeder verloren—zijne eerste zooveel hij wist—door een slag even plotseling als het verlies dat het begin van zijn leven had verdonkerd. Door denzelfden slag had zijne zuster, die zich zoo droevig in slaap schreide, ook eene even goede en trouwe vriendin verloren. Maar dit is geheel buiten bedenking. Laten wij daarover geene woorden verspillen.
Des morgens had Polly zooveel bekommeringen, dat zij zonder het onophoudelijk aandrijven harer zwartoogige gezellin alle gedachten aan de onderneming zou hebben laten varen, en formeel verlof gevraagd om nommer honderd zeven en veertig onder de schaduw van Dombey’s dak te mogen zien. Maar Suze, die zelve grooten lust in het tochtje had, en die (gelijk Tony Lumpkin), al kon zij de teleurstellingen van anderen met vrij veel standvastigheid dragen, volstrekt geen zin had om zich zelve te leur te stellen, wierp deze tweede gedachte zoovele schrandere twijfelingen in den weg, en beval het eerste plan met zoovele schrandere redenen aan, dat Dombey bijna niet zoodra zijn statigen rug gekeerd had en zich op zijn dagelijkschen weg naar deCitybevond, of zijn van niets bewuste zoon was insgelijks op weg naarStaggs’s Gardens.
De plek met dezen welluidenden naam was in eene voorstad gelegen, die bij de bewoners vanStaggs’s GardensalsCamberling Townbekend stond, eene benaming welke de “kaart vanLondenvoor vreemdelingen” gelijk zij (tot grooter gemak en gerief) op zakdoeken gedrukt is, niet zonder schijn van reden, totCamden Townverkort. Hierheen richtten min en kindermeid, door de haar toevertrouwde panden vergezeld, hare schreden; Richards, gelijk reeds van zelf spreekt, droeg Paul, en Suze had de kleine Florence bij de hand, die zij van tijd tot tijd zooveel duwen en rukken gaf als zij noodig en nuttig oordeelde.
De eerste schok eener groote aardbeving had juist op dien tijd den geheelen omtrek omgewoeld. Sporen daarvan waren aan alle kanten zichtbaar. Huizen waren onder den voet gesmeten, straten doorgebroken en verstopt, diepe putten en greppels in den grond gegraven, ontzaglijke hoopen klei en aarde opgeworpen, ondermijnde en verzakte gebouwen met groote balken onderstut. Hier lag een chaos van karren, verward onder en over elkander geworpen, aan den voet van een onnatuurlijk steilen heuvel; daar lagen schatten ijzer te roesten in iets dat toevallig een vijver was geworden. Overal waren bruggen die nergens heen voerden; doorgangen die geheel onbegaanbaar waren; Babelsche torens van schoorsteenen die de helft van hunne hoogte misten; tijdelijke houten huizen en afschuttingen op de onwaarschijnlijkste plaatsen; geraamten van armoedige woningen, en stukken van onvoltooide muren en bogen, en hooge steigers, en wildernissen van bouwsteenen, en reusachtige gedaanten van kranen en stellingen waar zij geheel niet noodig schenen te zijn. Men zag het onvoltooide in honderd duizend gedaanten en stoffen, alles van zijne plaats en ondereengemengd, ten onderste boven, in den grond gezonken, in de lucht opstekende, in het water vergaande, even onbegrijpelijk als een droom. Heete bronnen en vurige uitbarstingen, de gewone bijomstandigheden van aardbevingen, leenden hare bijdragen tot de verwarring van het tooneel. Kokend water borrelde en siste binnen vervallene muren, waaruit ook de gloed en het gebrul van vlammen opsloeg, en hoopen asch verstopten hier en daar den doorgang waarop men vanouds recht had, en veranderden alle wetten en gebruiken van die streek.
Kortom, de nog onvoltooide en ongeopende spoorweg was in aanleg, en uit het hart van al die gruwelijke wanorde gleed hij waterpas voort op zijne machtige baan van beschaving en vooruitgang.
Maar tot nog toe was de buurt beschroomd om den spoorweg te erkennen. Een of twee stoute speculanten hadden straten ontworpen, en een van hen had een weinigje gebouwd, maar was in den modder en de asch blijven stilstaan om er nog eens over te denken. Eene splinternieuwe herberg, naar verschen kalk en verf riekende, en met een uitzicht op niemendal, had Spoorweg’s Welvaren tot uithangbord genomen; maar dit kon wel eene roekelooze onderneming zijn—en men hoopte ook drank aan de werklieden te slijten. Zoo was de Delvers Ververschingsplaats uit eene oude bierkroeg ontstaan, en was de oude Ham- en Vleeschwinkel in de Spoorweg Restauratie veranderd, om baatzuchtige redenen van dergelijken onmiddellijken en populairen aard. De slaapsteehouders waren insgelijks welgezind en om dezelfde redenen niet te vertrouwen. Het algemeene geloof was zeer traag. Er waren weilanden, koestallen, mest- en aschhoopen, slooten, tuinen, zomerhuisjes en tapijtenklopperijen tot vlak bij den spoorweg. In den oestertijd lagen er hoopjes oesterschelpen, in den kreeftentijd kreeftenschalen, en op alle tijden potscherven en rotte koolbladen verspreid. Scheidspalen, en[33]hekken, en oude waarschuwingen van voetangels en klemmen, en achterzijden van gemeene huizen, en met onkruid begroeide plekjes land schenen er den draak mede te steken. Niets was door den spoorweg bevoordeeld of dacht dit te worden. Als het ellendige stuk braakland, dat er bij lag, had kunnen lachen, zou het den spoorweg hebben uitgelachen, gelijk velen van de ellendige buren deden.
Staggs’s Gardenswas buitengemeen ongeloovig. Het was eene kleine rij huizen, met akelige plekjes grond er voor, met oude deuren, duigen van vaten, lappen geteerd zeildoek en doode heesters afgeheind; met bodemlooze blikken ketels en brokken oud ijzer in de openingen gestoken. Hier kweekten de tuiniers vanStaggs’s Gardensroode klimboomen, hielden zij kippen en konijnen, bouwden zij wrakke zomerhuisjes (een daarvan was eene oude boot), droogden zij kleeren en rookten zij een pijpje. Sommigen waren van gevoelen datStaggs’s Gardenszijn naam ontleende van een overleden kapitalist, zekeren mijnheer Staggs, die het voor zijn vermaak had gebouwd. Anderen, die een landelijken smaak hadden, hielden den naam voor afkomstig uit den landelijken tijd toen de herten hier onder het geboomte de schaduw zochten. Dit zij gelijk het wil,Staggs’s Gardenswerd door zijne bevolking voor een heilig bosch gehouden, dat niet door spoorwegen zou worden uitgeroeid; en zoo vast geloofde men algemeen dat het alle zulke belachelijke uitvindingen lang zou overleven, dat de schoorsteenveger op den hoek, die voor den toongever der plaatselijke politiek werd gehouden, openlijk had verklaard, dat op den dag wanneer de spoorweg geopend werd, als dit ooit gebeurde, twee van zijne jongens op de schoorsteenen zouden klimmen, met last om van die hoogte de mislukte onderneming uit te jouwen.
Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende. (blz. 36).Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende.(blz. 36).
Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende.(blz. 36).
Naar deze onheilige plek, waarvan de naam tot dusverre zorgvuldig voor Dombey door zijne zuster was verborgen gehouden, werd kleine Paul nu door het Noodlot en Richards heen gevoerd.
“Dat is mijn huis, Suze,” zeide Richards, er naar wijzende.—“Ei, is het, jufvrouw Richards!” zeide Suze goedgunstig.—“En daar staat waarlijk[34]mijne zuster Jemima aan de deur,” riep Polly, “met mijn eigen kostbaar kind op den arm!”
Dit gezicht gaf Polly’s ongeduld een paar zulke groote vleugelen, dat zij op een draf voortliep, naar Jemima toestoof en in een oogenblik van kinderen met haar verwisselde, tot groote verbazing dier jonge maagd, voor welke de erfgenaam der Dombey’s uit de wolken scheen te zijn gevallen.
“Wel, Polly!” riep Jemima. “Gij! Wat hebt ge mij doen schrikken! Wie zou dat gedacht hebben! Kom binnen, Polly! Wat ziet gij er goed uit! De kinderen zullen half razend worden als zij u zien, Polly; dat zullen zij waarlijk.”
Dat werden zij ook waarlijk, als men oordeelen mocht naar het leven dat zij maakten, en naar de manier waarop zij Polly aanvlogen en naar een stoel in het hoekje van den haard trokken, waar haar eigen goedig appelrond gezicht dadelijk het middelpunt van een tros kleine pippelingen werd, die allen hunne roode wangen dicht daarbij duwden en allen blijkbaar vruchten van denzelfden boom waren. Wat Polly betreft, zij was even luidruchtig en woest als de kinderen; en het was niet voordat zij geheel buiten adem was en de haren haar langs het gloeiende gezicht zwierden, en haar doopgoed erg gehavend was, dat het oproer eenigszins bedaarde. Ook toen nog bleef de kleinste Toodle op een na op haar schoot en hield zich met beide armpjes om haar hals vast, terwijl de kleinste Toodle op twee na achter op haar stoel klom en, met het eene been in de lucht, wanhopige pogingen aanwendde om haar over haar schouder te zoenen.
“Kijk! Daar is een lief klein dametje, dat naar u komt zien,” zeide Polly; “en zie hoe stil zij is! Wat een mooi dametje, niet waar?”
Dit gezegde richtte aller aandacht op Florence, die dit tooneel bij de deur was blijven staan aanzien, en had ook het gelukkige gevolg dat men nu ook behoorlijk op jonge jufvrouw Nipper lette, die reeds begon te denken dat men haar over het hoofd zag.
“O kom toch binnen en ga even zitten, Suze,” zeide Polly. “Dit is mijne zuster Jemima, hier. Jemima, ik weet niet hoe ik het maken zou, als ik Suze Nipper niet had. Zonder haar zou ik nu niet hier zijn geweest.”—“O ga toch zitten, jufvrouw Nipper, als het u belieft,” zeide Jemima.
Suze zette zich met een zeer stijf en deftig gezicht op het uiterste kantje van een stoel.
“Ik ben nog nooit in mijn leven zoo blij geweest dat ik iemand zag; waarlijk niet, jufvrouw Nipper,” zeide Jemima.
Suze liet zich vermurwen, nam wat meer van haar stoel, en glimlachte genadig.
“Maak toch uw hoed los en doe alsof gij thuis waart, als het u belieft, jufvrouw Nipper,” smeekte Jemima. “Ik vrees dat het hier armoediger is dan gij gewoon zijt, maar dat zult gij zeker wel inschikken.”
De zwartoogige liet zich door deze eerbiedige behandeling zoodanig verzachten, dat zij het oudste meisje, dat haar juist voorbijliep, oppakte en op haar schoot nam.
“En waar is mijn lieve jongen?” zeide Polly. “Mijn arm kereltje? Ik ben dien heelen weg gekomen om hem met zijn nieuw pakje te zien.”—“O hoe jammer!” riep Jemima uit. “Wat zal het hem spijten, als hij hoort dat zijne moeder hier geweest is. Hij is naar school, Polly.”—“Al daar naar toe!”—“Ja. Hij is gisteren voor het eerst gegaan, om geene lessen te verzuimen. Maar het is een halve vacantiedag, Polly. Als ge nu maar blijven kondt totdat hij thuis komt, ten minste als jufvrouw Nipper ook wel wil blijven,” zeide Jemima, bijtijds bedacht op de waardigheid der zwartoogige.—“En hoe ziet hij er uit, Jemima?” zeide Polly haperend.—“Wel, hij ziet er waarlijk zoo kwaad niet uit als ge zoudt denken,” antwoordde Jemima.—“Och,” zeide Polly, met aandoening, “ik wist wel dat zijne beentjes te kort moesten zijn.”—“Zij zijn wel wat kort,” antwoordde Jemima, “vooral van achteren; maar zij zullen met iederen dag langer worden, Polly.”
Dit was eene langzame, ver vooruitziende soort van troost; maar de vroolijkheid en goedhartigheid waarmede hij werd toegediend, gaf er eene waarde aan, die hij op zich zelf niet bezat. Na een oogenblik van stilzwijgen vroeg Polly op levendiger toon: “En waar is vader, Jemima lief?” Want bij dezen patriarchalen naam was baas Toodle in zijn huishouden bekend.—“Daar alweer!” zeide Jemima. “Hoe jammer! Vader heeft van morgen zijn eten meegenomen, en komt niet voor van avond thuis. Maar hij spreekt aldoor over u, Polly, en vertelt de kinderen van u, en is de goedigste, geduldigste ziel van de wereld, zooals hij altijd geweest is en zijn zal.”—“Dank daarvoor,” riep de eenvoudige Polly uit, opgetogen over het gezegde en te leur gesteld door de afwezigheid.—“O, gij hebt mij niet te bedanken,” zeide hare zuster, die haar een klinkenden kus op de wang gaf, en toen kleinen Paul vroolijk liet dansen. “Ik zeg wel eens hetzelfde van u, en ik denk het ook.”
In spijt van de dubbele teleurstelling, was het onmogelijk een bezoek, dat met zulk eene ontvangst werd begroet, voor mislukt te houden. De zusters praatten dus vergenoegd over huiselijke zaken, en over Biler, en over al zijne broertjes en zusjes; terwijl de zwartoogige het oudste meisje op haar schoot liet koetsje rijden, en scherpe waarnemingen deed op het huisraad, de houten klok, het hoekbuffet, het kasteeltje op den schoorsteenmantel met groene en roode vensters, dat met een eindje kaars[35]van binnen kon geïllumineerd worden, en de twee zwarte fluweelen katjes, met eene damesreticule in den bek, die door de bewoners vanStagg’s Gardensals wonderen van nabootsende kunst beschouwd werden. Daar het gesprek spoedig eene meer algemeene wending nam, opdat de zwartoogige niet stekelig zou worden, gaf deze jonge dame aan Jemima een kort verslag van alles wat haar van mijnheer Dombey, zijne familie, vooruitzichten, levenswijs en karakter bekend was, benevens een getrouwen inventaris van hare eigene garderobe, en eenig bericht van hare betrekkingen en vriendinnen. Nadat zij door deze mededeelingen haar gemoed had verlicht, verkwikte zij zich met garnalen en porter, en legde zij eene neiging aan den dag om eeuwige vriendschap te zweren.
Kleine Florence zelve verzuimde niet van deze gelegenheid om pleizier te hebben zooveel mogelijk gebruik te maken, want toen zij door de jeugdige Toodle’s naar buiten was gebracht om eenige paddestoelen en andere merkwaardigheden derGardenste bezichtigen, was zij met hart en ziel behulpzaam tot het aanleggen van een dijkje door een groenachtigen waterplas, die zich in een hoek had verzameld. Zij was nog ijverig aan dien arbeid toen Suze haar kwam opzoeken, die zulk een diep gevoel van plicht had, dat zij zelfs onder den vermurwenden invloed der garnalen, het meisje eene met stompen aangedrongen zedepreek over hare goddelooze ondeugendheid liet hooren, terwijl zij haar gezichtje en handjes waschte, en voorspelde dat zij hare geheele familie van verdriet ten grave zou brengen. Na eenig dralen, veroorzaakt door een vertrouwelijk onderhoud over geldzaken, dat op het bovenkamertje tusschen Polly en Jemima plaats had, werden de kinderen nogmaals uitgewisseld—want Polly had al dien tijd haar eigen kind, en Jemima kleinen Paul gehouden—en namen de bezoeksters afscheid.
Doch eerst werden de jeugdige Toodle’s, slachtoffers van een vroom bedrog, verleid om zich gezamenlijk naar een naburigen komenijswinkel te begeven, zoo het heette om daar een stuiver te besteden; en toen de baan schoon gemaakt was, nam Polly de vlucht, terwijl Jemima haar nog nariep dat, als zij om weer naar huis te gaan denCity Roadkonden nemen, zij zeker den kleinen Biler zouden ontmoeten, die van school kwam.
“Denkt ge dat wij nog tijd zouden hebben om zoover om te gaan, Suze?” vroeg Polly, toen zij bleven stilstaan om adem te scheppen.—“Waarom niet, jufvrouw Richards?” antwoordde Suze.—“Het loopt al tegen onzen etenstijd, weet ge,” zeide Polly.
Maar de genoten hartsterking had hare gezellin meer dan onverschillig voor deze gewichtige bedenking doen worden, en men besloot dus nog zoover om te gaan.
Nu was het geval dat het leven van den armen Biler hem sedert den vorigen ochtend tot een last was geworden, alleen door het costuum der Liefdadige Slijpers. De straatjeugd kon dit niet uitstaan. Geen kwade jongen kon het een oogenblik zien, zonder den onschuldigen drager te lijf te willen. Zijn maatschappelijk aanzijn had meer gelijkenis naar dat van een Christen uit den oudsten tijd, dan naar dat van een onschuldig kind uit de negentiende eeuw. Hij was op de openbare straat gesteenigd, in de goot gesmeten, met modder bespat, met geweld tegen palen geduwd. Volslagen vreemdelingen, die niets van hem wisten, hadden hem zijne opzichtige pet afgenomen en die verder weggegooid. Zijne beentjes waren niet alleen bespot en uitgejouwd, maar ook aangepakt en geknepen. Dien zelfden ochtend had hij onderweg naar de Slijperschool geheel ongevraagd een blauw oog gekregen en was hij daarvoor nog door den meester gestraft, een bejaarden Slijper van kwaadaardig karakter, die tot schoolmeester was aangesteld omdat hij niets wist en tot niets deugde, en wiens gruwelijke rotting eene ware toovermacht over alle welgevleeschde kleine jongens uitoefende.
Zoo kwam het dat Biler om naar huis te komen de minst begane wegen zocht, en door nauwe stegen en achterstraatjes sloop, om zijne pijnigers te ontwijken. Eindelijk genoodzaakt om weder in de groote straat te komen, bracht zijn ongeluk hem daar juist op een punt, waar een troepje jongens, met een bloeddorstigen jongen slager aan het hoofd, op de loer stond om op een of ander pretje te wachten. Toen deze een Liefdadigen Slijper vlak bij zich zagen—als het ware door het noodlot in hunne handen overgeleverd—vlogen zij met een algemeen gejoel op hem aan.
Maar nu gebeurde het dat Polly, die na eene wandeling van een goed uur hopeloos voor zich had uitgezien en gezegd, dat het toch niet baten zou verder te gaan, ook juist dit schouwspel in het oog kreeg. Niet zoodra zag zij het, of zij gaf met een haastigen uitroep den kleinen Paul aan Suze over, en snelde heen om haar ongelukkigen zoon te ontzetten.
Verrassingen, gelijk ongelukken, komen zelden alleen. De verbaasde Suze en de twee kinderen werden door de omstanders bijna onder de wielen van een juist voorbijkomend rijtuig vandaan gehaald, eer zij zelven wisten wat er gebeurd was; en op hetzelfde oogenblik (het was marktdag) werd de onrustbarende kreet van “een dolle stier!” aangeheven.
In die wilde verwarring, terwijl de menschen schreeuwend heen en weder liepen, wagens hen overreden, jongens vochten, dolle stieren kwamen aanloopen, en de min onder al die[36]gevaren misschien reeds verloren was, liep Florence gillend weg. Zij liep tot zij geheel buiten adem was, Suze gedurig toeroepende om mee te loopen; en toen angstig stilstaande, daar zij bedacht dat zij de min hadden achtergelaten, zag zij, met onbeschrijfelijken schrik, dat zij geheel alleen was.
“Suze! Suze!” riep Florence, met woesten angst in hare handjes klappende. “O, waar zijn zij! Waar zijn zij!”—“Waar zijn zij?” riep eene oude vrouw, die zoo gauw zij kon van den overkant der straat kwam aanstrompelen. “Waarom zijt ge van hen weggeloopen?”—“Ik was bang,” antwoordde Florence. “Ik wist niet wat ik deed. Ik dacht dat zij bij mij waren. Waar zijn zij?”
De oude vrouw nam haar bij den arm en zeide: “Ik zal het u wijzen.”
Zij was een allerleelijkst oud wijf, met roode randen om de oogen, en een mond die van zelf mummelde en fluisterde, al sprak zij niet. Zij was ellendig gekleed en droeg eenige beestenvellen over den arm. Zij scheen Florence reeds eenigen tijd gevolgd te hebben, want zij was buiten adem, en dit maakte haar nog leelijker, terwijl zij daar stond te hijgen en haar geheel gerimpeld gezicht stuipachtig verdraaide, alsof zij zou stikken.
Florence was bang voor haar en keek angstig de straat in, die zij bijna ten einde was geloopen. Het was eene eenzame plek, meer een achterslop dan eene straat, en er was niemand dan zij zelve en die oude vrouw.
“Gij behoeft nu niet meer bang te zijn,” zeide de oude vrouw, haar nog stijf vasthoudende. “Kom maar met mij mee.”—“Ik—ik ken u niet. Hoe heet gij?” zeide Florence.—“Vrouw Brown,” zeide de vrouw. “Goede vrouw Brown.”—“Zijn zij dichtbij?” vroeg Florence medegaande.—“Suze is niet ver weg,” zeide vrouw Brown; “en de anderen zijn dicht bij haar.”—“Is er iemand bezeerd?” vroeg Florence schreiende.—“Wel neen, geheel niet,” antwoordde vrouw Brown.
Florence schreide tranen van blijdschap toen zij dit hoorde, en ging daarop gewillig met de oude vrouw mede; schoon zij niet kon nalaten haar nu en dan in het gezicht te zien—vooral naar dien bewegelijken mond—en zich te verwonderen of Kwade Vrouw Brown, als er zoo iemand was, ook eenigszins op haar geleek.
Zij hadden nog niet ver gegaan, maar waren toch reeds eenige leelijke onaangename plaatsen,zooalssteen- en pannenbakkerijen, voorbijgekomen, toen de vrouw een laantje insloeg, waar de modder zoo hoog lag dat men er slechts met moeite doorheen kon. Zij bleef staan voor een armoedig huisje, zoo dicht gesloten als een huisje vol spleten en scheuren maar zijn kon. De deur openende met een sleutel, dien zij uit haar hoed haalde, duwde zij het kind voor zich uit naar eene achterkamer, waar op den vloer eene groote hoop vodden van allerlei kleur lag, met twee kleinere hoopen beenderen en sintels; maar er was in het geheel geen huisraad, en de muren en de zolder waren even zwart als de vloer.
Florence schrikte zoodanig dat zij de spraak verloor en scheen te zullen flauwvallen.
“Kom, wees nu niet ezelachtig,” zeide Goede Vrouw Brown, haar met schudden bijhelpende. “Ik zal je geen zeer doen. Ga op die vodden zitten.”
Florence gehoorzaamde en stak stil smeekend hare gevouwene handjes op.
“Ik zal u niet houden, zelfs geen uur lang,” zeide vrouw Brown. “Verstaat ge wat ik zeg?”
Het kind antwoordde met groote moeite: “Ja!”
“Maak mij dan niet kwaad,” zeide Goede Vrouw Brown, zelve op de beenderen plaats nemende. “Als ge dat niet doet, zeg ik u dat ik u geen zeer zal doen. Maar als ge dat doet, zal ik u vermoorden. Ik had u altijd kunnen vermoorden, al waart ge in uw eigen bed. Laat nu hooren wie ge zijt en wat ge zijt, en alles.”
De dreigementen en beloften der oude vrouw, de vrees om haar boos te maken, en de gewoonte, zeldzaam bij een kind, maar bij Florence reeds bijna natuurlijk, om zich stil te houden en te smoren wat zij gevoelde, vreesde en hoopte, waren oorzaak dat het haar mogelijk was dit bevel te gehoorzamen, en hare geschiedenis, of wat zij daarvan wist, te vertellen. Vrouw Brown luisterde oplettend tot zij gedaan had.
“Dus heet gij Dombey, he?” zeide vrouw Brown.—“Ja, jufvrouw.”—“Ik wou dat mooie jurkje hebben, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Goede Vrouw Brown, “en dat hoedje, en een paar rokjes, en wat ge nog meer kunt missen. Kom aan! Trek uit!”
Florence gehoorzaamde zoo gauw als hare bevende handjes haar veroorloofden, ondertusschen met angst vrouw Brown in het oog houdende. Toen zij zich van al de genoemde kleedingstukken had ontdaan, keek vrouw Brown die op haar gemak na, en scheen tamelijk wel met de waarde daarvan tevreden.
“Hm!” zeide zij, hare oogen over het tengere figuurtje latende heengaan. “Nu zie ik niets meer—behalve de schoenen. Ik moet die schoentjes hebben, jonge jufvrouw Dombey.”
De arme Florence trok ze even gewillig uit, maar al te blijde dat zij nog middelen had om haar tevreden te stellen. De oude vrouw zocht nu uit den hoop vodden het een en ander op, dat in de plaats van het afgelegde kon dienen—een paar ellendige schoenen, een meisjes manteltje, zeer oud en versleten, en het ineengeknepen overschot van een hoed, waarschijnlijk van een mesthoop opgeraapt. Met dezen fraaien opschik beval zij Florence zich te kleeden; en daar dit de voorbereiding tot hare loslating scheen[37]te zullen zijn, gehoorzaamde het kind, zoo mogelijk, met nog meer gewilligheid dan te voren. Toen zij haastig den zoogenaamden hoed opzette, bleef deze in hare welige haren hangen, en kon zij hem niet zoo spoedig los krijgen. Goede Vrouw Brown haalde dadelijk eene groote schaar uit en sloeg tot eene onverklaarbare opgewondenheid over.
“Waarom kondt ge mij niet met vrede laten, toen ik tevreden was? Gij zottinnetje!” zeide zij.—“Neem het mij niet kwalijk. Ik weet niet wat ik gedaan heb,” bracht Florence uit. “Ik kon het niet helpen.”—“Kon het niet helpen,” riep vrouw Brown. “En ik kan het ook niet helpen, en niet laten ook. Wel Heere,” vervolgde zij, met woedend genot in hare krullen woelende, “een ander dan ik zou ze allereerst hebben afgeknipt.”
Florence was zoo blijde dat vrouw Brown slechts op hare haren en niet op haar hoofd belust was, dat zij geen tegenstand bood en om geene verschooning bad, maar alleen hare zachte oogen naar die goede ziel opsloeg.
“Als ik niet zelve eens eene dochter had gehad—nu over zee—die grootsch op hare haren was,” zeide vrouw Brown, “zou ik alles hebben afgeknipt. Zij is ver weg, ver weg! O ho! O ho!”
De jammerkreet van vrouw Brown was niet welluidend, maar, evenals het woeste slingeren met hare magere armen, vol hartstochtelijke smart, en deed Florence opnieuw schrikken en aan het schreien gaan. Dit droeg er evenwel misschien toe bij om hare krullen te redden; want nadat vrouw Brown hare schaar, gelijk een nieuwe soort van vlinder, een oogenblik daarboven had laten zweven, beval zij haar ze onder den hoed weg te stoppen, zoodat er niets van te zien was om haar te verzoeken. Nadat zij deze zelfoverwinning had behaald, hernam vrouw Brown hare plaats op de beenderen en ging een zeer kort zwart pijpje zitten rooken, aanhoudend mummelende, alsof zij den steel opat.
Toen de pijp was uitgerookt, gaf zij het meisje een konijnevel te dragen, om haar meer den schijn van een harer gewone geleidsters te geven, en zeide haar toen dat zij haar nu ergens op straat zou brengen, van waar zij den weg naar hare familie kon vragen. Maar zij waarschuwde haar, met dreigementen van doodelijke wraak in geval van ongehoorzaamheid, om tegen geene vreemdelingen te spreken en niet naar haar eigen huis te gaan, (hetwelk vrouw Brown misschien te dichtbij vond) maar naar haar vader in de stad; en om ook op den hoek van de straat, waar zij zou gelaten worden, te blijven staan tot het drie uur sloeg, met verzekering dat er geduchte oogen en ooren zouden zijn, die alles zouden zien en hooren wat zij deed; en Florence beloofde trouw en oprecht te zullen gehoorzamen.
Eindelijk ging vrouw Brown de deur uit en bracht haar geheel veranderd en in vodden gewikkeld vriendinnetje door een doolhof van nauwe straatjes en stegen, die na langen tijd op een stalplein uitliepen, met eene poort aan het einde, waardoor men het gerucht eener drukke straat hoorde. Vrouw Brown wees naar deze poort en onderrichtte Florence, dat zij, als de klokken drie sloegen, linksaf moest gaan, pakte nog eens hare haren, hetgeen zij niet scheen te kunnen laten, en zeide dat zij nu wist wat zij doen moest, en dat maar moest doen, en onthouden dat er op haar gelet werd.
Met een lichter hart, maar toch nog bang, voelde Florence zich losgelaten en trippelde naar den hoek. Toen zij daar gekomen was keek zij om, en zag het hoofd der Goede Vrouw Brown uit het houten gangetje turen, waar zij hare laatste bevelen had gegeven, en ook de vuist der Goede Vrouw Brown haar dreigend toehouden. Maar hoewel zij naderhand nog dikwijls omkeek—elke minuut ten minste, in haar zenuwachtigen angst voor de oude vrouw—kon zij haar niet weerzien.
Florence bleef daar staan, naar het gewoel op straat kijkende en al meer en meer daardoor verbijsterd; en ondertusschen schenen de klokken zich te hebben voorgenomen om nooit meer drie te slaan. Eindelijk klonken de drie slagen van de kerktorens; er was er eene dichtbij, zoodat zij zich niet kon bedriegen; en na dikwijls over haar schouder te hebben omgekeken, een eindje te zijn voortgegaan en weder teruggekomen, uit vrees dat de geduchte spionnen van vrouw Brown het nog kwalijk mochten nemen—snelde zij voort, met zooveel spoed als hare wijde schoenen toelieten en met het konijnevel stijf in de hand geklemd.
Al wat zij van haar vaders kantoor wist was, dat het aan Dombey en Zoon behoorde, en iets zeer voornaams in deCitywas. Zij kon dus slechts den weg naar Dombey en Zoon in deCityvragen; en daar zij deze vraag doorgaans aan kinderen deed—dewijl zij bang was om volwassen menschen aan te spreken—kreeg zij zeer weinig inlichting. Door echter na eenigen tijd alleen naar deCityte vragen, en vooreerst het overige harer vraag achterwege te laten, kwam zij werkelijk langzamerhand nader bij het hart van dat uitgestrekte gebied, dat door den geduchten Lord Mayor wordt geregeerd.
Moede van het loopen, telkens geduwd en gestooten, versuft door het rumoer en gewoel, angstig over haar broertje, de min en hare oppasster, onthutst door hetgeen zij had doorgestaan, benauwd om haar vader in zulk een veranderden toestand onder de oogen te komen; verschrikt evenzeer door hetgeen er was omgegaan, nu nog omging, en zij nog voor zich had, zwoegde Florence met de oogen vol tranen voort, en kon niet nalaten een paar malen te blijven[38]stilstaan en haar barstend hart te verlichten door bitterlijk te schreien. Slechts weinige menschen gaven dan acht op haar, in de kleeding die zij droeg; of zoo zij dit al deden, dachten zij dat zij was afgericht om medelijden te wekken en gingen voorbij. Florence riep ook al de vastheid te hulp van een karakter, dat hare droevige ondervinding reeds vroeg gevormd en gehard had, en hield onafgewend haar doel in het oog.
Het was twee volle uren later in den namiddag dan toen zij op haar avontuurlijken tocht was uitgegaan, toen zij, het gewoel en gerucht eener smalle straat vol karren en wagens ontwijkende, eene soort van werf of landingplaats aan den waterkant opkeek, waar eene menigte balen, kisten en vaten verstrooid lagen, bij eene groote houten schaal en een houten huisje op wielen, waar buiten een zwaarlijvig man, met eene pen achter het oor en de handen in de zakken, fluitend naar de masten en booten in de nabijheid stond te kijken, alsof zijn dagwerk haast gedaan was.
“Wat moet ge?” zeide de man, toevallig omkijkende.—“Wij hebben hier niets voor u, kind. Maak maar dat ge weg komt.”—“Neem mij niet kwalijk, is dit deCity?” vroeg het bevende dochtertje der Dombey’s.—“Ja zeker deCity. Dat weet ge ook wel. Ga maar heen. Wij hebben hier niets voor u.”—“Ik wil ook niets hebben—wel bedankt,” was het bedeesde antwoord. “Behalve dat ik den weg naar Dombey en Zoon wilde weten.”
De man, die onverschillig naar haar was toe gekomen, scheen verwonderd over dit antwoord, en haar oplettend aanziende, zeide hij:
“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg maar weten, als het u belieft.”
De man keek haar nog eens aan, en wreef in zijne verwondering zijn achterhoofd zoo hard dat hij zijn eigen hoed afstiet.
“Jo!” riep hij een ander man toe—een werkman—terwijl hij zijn hoed opraapte.—“Wat moet Jo?” zeide deze.—“Waar is dat jonge maatje van Dombey, die naar het inladen van dat goed heeft gezien?”—“Gaat daar net heen, de andere poort uit.”—“Roep hem eens even terug.”
Jo liep de poort uit, luidkeels roepende, en kwam weldra terug met een frisschen lustigen knaap.
“Gij zijt immers een snaphaan van Dombey, niet waar?” zeide de eerste man.—“Ik ben bij Dombey op het kantoor, mijnheer Clark,” antwoordde de knaap.—“Zie dan eens hier.”
Mijnheer Clark wees met de hand naar Florence, en de knaap kwam naar haar toe, zich verwonderende, gelijk hij wel mocht, wat hij met haar kon te maken hebben. Maar zij, die de woordenwisseling had gehoord, en behalve de verademing dat zij zich zoo onverwacht veilig en aan het eind van haar tocht mocht achten, zich door het levendige en jeugdige van zijn gezicht en stem geheel gerustgesteld gevoelde, kwam met drift naar hem toeloopen, waarbij een van hare wijde schoenen op den grond bleef liggen, en vatte zijne hand met hare beide handjes.
“Ik ben weggeraakt, als ’t u belieft,” zeide Florence.—“Weggeraakt!” riep de knaap uit.—“Ja, van morgen ben ik weggeraakt, heel ver van hier—en toen heeft men mij mijne kleeren afgenomen—en ik heb nu mijne eigene kleeren niet aan—en ik heet Florence Dombey, de eenige zuster van mijn broertje—en och, och, bezorg mij toch weerom!” snikte Florence, de kinderlijke aandoeningen, die zij zoolang gesmoord had, lucht gevende en in tranen uitbarstende. Te gelijk viel haar leelijke hoed af, en kwamen hare krullende lokken over haar gezichtje rollen, waardoor de jonge Walter, neef van Samuel Gills, den scheepsinstrumentmaker, tot sprakelooze bewondering en even sprakeloos medelijden werd bewogen.
Mijnheer Clark stond verbaasd en zeide binnensmonds dat hij daar op de werf nog nooit zoo iets beleefd had. Walter raapte den schoen op en stak hem aan het voetje, gelijk de prins in het sprookje Asschepoetsters muiltje mocht hebben aangestoken. Hij hing het konijnevel over zijn linkerarm, gaf zijn rechter aan Florence; en het was hem te moede, niet gelijk Richard Whittington—dat is eene lamme vergelijking—maar gelijk Sint George vanEngeland, toen de draak dood voor hem lag.
“Schrei toch niet, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Walter in eene vlaag van geestverrukking. “Hoe gelukkig voor mij dat ik hier ben! Ge zijt nu zoo veilig alsof gij door een heelen troep uitgelezen volk van een oorlogsschip werdt bewaakt. O schrei toch niet.”—“Ik zal niet meer schreien,” zeide Florence. “Ik schrei maar van blijdschap.”—“Schreien van blijdschap!” dacht Walter. “En ik ben de oorzaak daarvan! Kom nu maar voort, jonge jufvrouw Dombey. Daar valt de andere schoen! Neem de mijne, jonge jufvrouw Dombey.”—“Neen, neen,” zeide Florence, hem stuitende toen hij driftig zijne schoenen wilde uittrekken. “Deze zijn beter. Deze zijn heel goed.”—“Wel zeker ook,” zeide Walter, naar haar voetje ziende: “de mijne zijn veel te groot. Waar denk ik aan. Gij zoudt de mijne niet kunnen aanhouden. Kom maar voort, jonge jufvrouw Dombey. Laat ik nu den deugniet eens zien, die u durft molesteeren.”
Zoo leidde Walter, met een geweldig fier gezicht, Florence voort, wier gezichtje zeer vergenoegd stond; en zij gingen arm in arm langs de straten, geheel onverschillig voor de verbazing die hun voorkomen kon veroorzaken.
“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg maar weten, als het u belieft.” (blz. 38).“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg maar weten, als het u belieft.”(blz. 38).
“Wat kunt gij bij Dombey en Zoon te maken hebben?”—“Ik wilde den weg maar weten, als het u belieft.”(blz. 38).
[38]
Het werd donker en mistig, en begon ook[39]te regenen; maar zij gaven hier niet om, daar zij beiden geheel in de avonturen van Florence verdiept waren, welke zij met de onschuldige oprechtheid en vertrouwelijkheid harer jaren vertelde, terwijl Walter luisterde alsof zij, ver van den modder vanThames-Street, onder de breede bladeren en hooge boomen van een onbewoond eiland tusschen de keerkringen wandelden—gelijk hij zich waarschijnlijk wel verbeeldde dat zij deden.
“Hebben wij nog ver te gaan?” zeide Florence eindelijk, hare oogen naar haar metgezel opslaande.—“Ja, dat is ook waar!” zeide Walter stilstaande, “laat eens zien. Waar zijn wij? O, ik weet het al. Maar het kantoor is nu gesloten, jonge jufvrouw Dombey. Daar is niemand meer. Mijnheer Dombey is al lang naar huis. Ik denk dat wij dus ook maar naar huis moeten gaan. Of wacht. Als ik u eens naar mijn oom bracht, waar ik woon—dat is heel dichtbij—en dan met eene koets naar uw huis reed om hun te zeggen dat ge veilig zijt, en wat kleeren voor u te halen. Zou dat niet best wezen?”—“Ik denk wel ja,” antwoordde Florence. “Gij ook niet? Wat denkt gij?”
Terwijl zij op straat stonden raad te nemen, kwam er iemand aan, die in het voorbijgaan snel naar Walter omkeek, alsof hij hem herkende, maar van die eerste gedachte scheen terug te komen, en zonder zich op te houden verder ging.
“Wel, ik geloof dat daar mijnheer Carker is,” zeide Walter. “Carker van ons kantoor. Niet Carker de chef. Jonge jufvrouw Dombey—de andere, Carker junior. Heila, mijnheer Carker!”—“Is dat Walter Gay?” zeide de ander, omkeerende en terugkomende. “Ik kon het niet gelooven, met zulk vreemd gezelschap.”
Toen hij bij eene lantaren stond en met verwondering naar Walter’s haastige opheldering luisterde, vormde hij een opmerkelijk contrast met de twee jeugdige gedaanten, die zoo gearmd voor hem stonden. Hij was niet oud, maar zijn haar was grijs; zijn rug was gekromd of gebogen, als ware het door den druk van een zwaar verdriet, en diepe rimpels kenteekenden zijn vervallen gezicht. De glans zijner oogen, de uitdrukking zijner trekken, zelfs de stem waarmede hij sprak, alles was gedoofd en gesmoord, alsof de geest in zijn binnenste tot asch was verteerd. Hij was fatsoenlijk hoewel zeer eenvoudig gekleed, in het zwart; maar zijne kleeren schenen het karakter van geheel zijne gestalte aan te nemen, zich aan zijn lijf in te krimpen en te verlagen, en zich te vereenigen in de droevige bede, welke de geheele man van het hoofd tot de voeten uitsprak, dat men hem maar onopgemerkt zou laten, en alleen in zijne nederigheid.
En toch was zijne belangstelling in jeugd en levenslust niet uitgedoofd met de andere vonken zijner ziel, want hij sloeg het ernstige gezicht van den knaap, terwijl hij sprak, met innige deelneming gade, hoewel met zekere onrust en een even onverklaarbaar medelijden, dat zich in zijne blikken vertoonde, hoeveel moeite hij ook deed om het te ontveinzen. Toen Walter hem ten slotte dezelfde vraag deed, die hij Florence had gedaan, bleef hij hem nog met dezelfde uitdrukking staan aanzien, alsof hij op zijn gezicht een dreigend noodlot las, dat in droevige tegenspraak met zijne tegenwoordige helderheid stond.
“Wat zoudt gij raden, mijnheer Carker?” zeide Walter met een glimlach. “Gij geeft mij altijd goeden raad, weet ge wel, als gij met mij spreekt; dat evenwel niet dikwijls is.”—“Ik houd uwe eigene gedachte voor de beste,” antwoordde hij, en liet zijne oogen tusschen Florence en Walter heen en weder gaan.—“Mijnheer Carker,” zeide Walter, door eene edelmoedige gedachte in vuur gebracht. “Kom aan! Daar is een kansje voor u. Ga gij naar mijnheer Dombey en wees de bode van goede tijding. Dat zal u misschien voordeel doen, mijnheer. Ik zal thuis blijven. Gij moet gaan.”—“Ik!” zeide de ander.—“Ja. Waarom niet, mijnheer Carker?” hervatte de knaap.
Tot antwoord drukte hij hem slechts de hand; hij scheen eenigszins beschaamd en bevreesd om zelfs dit te doen; en hem goeden avond wenschende en nogmaals aanradende om haast te maken, ging hij heen.
“Kom aan, jonge jufvrouw Dombey,” zeide Walter, hem nog even nakijkende, “nu zullen wij maar zoo gauw als wij kunnen naar mijn oom gaan. Hebt gij ooit mijnheer Dombey van mijnheer Carker junior hooren spreken, jonge jufvrouw Florence?”—“Neen,” antwoordde het kind zachtzinnig. “Ik hoor papa niet dikwijls spreken.”—“Wel waar, en wel schande voor hem,” dacht Walter.
Na het lieve geduldige gezichtje naast hem eene poos te hebben aangezien, zocht hij met zijne gewone levendigheid naar een ander onderwerp; en daar juist een van die ongelukkige schoenen weder uitging, stelde hij Florence voor om haar in zijne armen naar zijn oom te dragen. Florence, hoewel zeer vermoeid, wees dit voorstel lachend af, uit vrees, gelijk zij zeide, dat hij haar zou laten vallen; en daar zij reeds dicht bij den houten adelborst waren, en Walter verscheidene voorbeelden aanhaalde van schipbreuken en andere ongelukken, waarbij jongere knapen dan hij oudere meisjes dan Florence hadden gered en zegevierend weggedragen, waren zij nog levendig in gesprek toen zij de deur des instrumentmakers bereikten.
“Heila, oom Sam!” riep Walter, den winkel binnenstuivende, en van dien tijd af, zoolang de avond duurde, zeer afgebroken en kortademig sprekende. “Daar is een verbazend avontuur![40]Daar is mijnheer Dombey’s dochtertje op straat verdwaald en van hare kleeren beroofd door eene oude heks vaneenwijf—door mij gevonden—en naar huis gebracht om te rusten—kijk maar!”—“Goede hemel!” zeide oom Sam, terugdeinzende tegen zijn liefste kompaskistje aan. “Is het mogelijk! Wel, ik …”—“Neen, en niemand anders ook,” zeide Walter, het overige voorkomende. “Dat zou ook niemand, en kon ook niemand. Hier, help mij eens even dat kanapeetje bij het vuur schuiven, als ge wilt, oom Sam—pas op voor de borden—snijd vast wat vleesch voor haar, wilt ge wel, oom Sam—gooi die schoenen maar onder den haard, jonge jufvrouw Florence—zet uwe voeten op den rand te drogen—wat zijn ze vochtig—dat is een avontuur, niet waar, oom?—Wel mijn tijd, wat ben ik warm!”
Samuel Gills was even warm geworden, en ongemeen verbijsterd bovendien. Hij klopte Florence zachtjes op het hoofd, drong haar om te eten en te drinken, wreef hare voetzolen met zijn voor het vuur gewarmden zakdoek, volgde zijn beweeglijken neef met oogen en ooren, en had geen duidelijk begrip van iets, behalve dat die opgewonden jonge heer gedurig tegen hem aanliep, terwijl hij door de kamer heen en weer stoof om twintig dingen te gelijk te doen en eigenlijk geheel niets uitvoerde.
“Hier, wacht een oogenblikje, oom,” vervolgde hij, eene kaars opnemende, “tot ik naar boven loop en een ander buis aantrek; en dan vlieg ik voort. Zeg toch eens oom, is dat geen avontuur?”—“Mijn beste jongen,” zeide Samuel, die zich, met den bril op het voorhoofd, gedurig heen en weder draaide tusschen Florence op het kanapeetje en zijn neef die overal in de kamer te gelijk scheen te zijn, “het is het buitengewoonste …”—“Neen maar, oom, maak toch—toe, jonge jufvrouw Florence—eten, oom, weet ge!”—“Ja, ja, ja!” zeide Samuel, en begon terstond van een schapenbout te snijden, alsof de portie voor een reus bestemd was. “Ik zal wel voor haar zorgen, Walter. Ik begrijp het wel. Het lieve kind! Uitgehongerd, natuurlijk. Maak u maar gauw klaar! Wel Heere, Heere! Sir Richard Whittington, driemaal Lord Mayor vanLonden!”
Het duurde niet lang of Walter was naar zijn zolderkamertje geloopen en weder beneden; maar ondertusschen was Florence, door vermoeienis overweldigd, toch voor het vuur ingesluimerd. Die korte poos van stilte, schoon zij maar weinig minuten duurde, stelde Samuel Gills in staat zijne zinnen in zooverre bijeen te halen dat hij eenige schikkingen voor haar gemak bedacht, de kamer donkerder maakte en haar voor den gloed van het vuur beschutte. Toen de knaap terugkwam lag zij dus gerust te slapen.
“Dat is heerlijk!” fluisterde hij, Samuel zoodanig in zijne armen knellende, dat hij op het gezicht des ouden mans eene geheel nieuwe uitdrukking perste. “Nu loop ik heen. Ik zal maar even een stuk brood nemen, want ik heb een geweldigen honger—en—maak haar vooral niet wakker, oom Sam.”—“Neen, neen,” zeide Samuel. “Lief kind!”—“Hoe lief, niet waar!” riep Walter uit. “Ikheb nooit zulk een gezichtje gezien, oom Sam. Nu loop ik heen.”—“Heel goed,” zeide Samuel, met groote verademing.—“Zeg eens, oom Sam!” zeide Walter, zijn hoofd weder binnenstekende.—“Daar is hij alweer,” zeide Samuel.—“Hoe ziet zij er nu uit?”—“Heel vergenoegd,” zeide Samuel.—“Allerbest. Nu loop ik heen.”—“Ik hoop van ja,” zeide Samuel bij zich zelven.—“Zeg eens, oom Sam,” riep Walter, nog eens voor de deur komende.—“Daar is hij alweer,” zeide Samuel.—“Wij zijn mijnheer Carker junior op straat tegengekomen, nog wonderlijker dan ooit. Hij zeide mij goedendag, maar ging ons toch na—dat is het rare!—want toen wij hier aan de deur kwamen, keek ik om en zag hem stilletjes heengaan, evenals een knecht die mij had thuis gebracht, of als een trouwe hond. Hoe ziet zij er nu uit, oom?”—“Zoo wat eveneens als te voren, Walter,” antwoordde Samuel.—“Goed zoo! Nu loop ik heen.”
Ditmaal deed hij dit werkelijk, en Samuel Gills, die geen trek had om te eten, bleef bij het vuur Florence in haar sluimer zitten bewaken en eene menigte allergrilligste luchtkasteelen bouwen, zoodat hij er in het schemerlicht en in de nabijheid van al die instrumenten uitzag als een toovenaar, met eene gepoeierde pruik en een koffiebruin lakensch pak vermomd, die het kind in een tooverslaap hield geboeid.
Ondertusschen reed Walter naar het huis van Dombey met een spoed gelijk een huurkoetsiers paard maar zelden maakt, en toch stak hij elke twee of drie minuten zijn hoofd uit het portier om den koetsier eene ongeduldige aanmaning te geven. Aan het eind van zijn tocht gekomen, sprong hij af, gaf den knecht, nog buiten adem van het haasten, zijne boodschap en volgde hem op den voet naar de bibliotheek, waar eene groote verwarring van tongen heerschte, en waar mijnheer Dombey, zijne zuster, jufvrouw Tox, Richards en Suze Nipper op dat oogenblik allen bij elkander waren.
“O, neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Walter, naar hem toestuivende; “maar ik ben zoo blij dat ik u kan zeggen dat alles wel is, mijnheer. Jonge jufvrouw Dombey is gevonden!”
De knaap met zijn rondborstig gezicht, zijne zwierende haren en schitterende oogen, hijgende van blijdschap en aandoening, vormde een verbazend contrast met Dombey, die in zijn leuningstoel tegenover hem zat.[41]
“Ik heb u wel gezegd, Louise, dat zij zeker gevonden zou worden,” zeide Dombey, even over zijn schouder naar die dame omziende, die in gezelschap van jufvrouw Tox zat te schreien. “Laat de bedienden weten dat er verder geene moeite noodig is. Deze knaap, die mij het bericht brengt, is de jonge Gay, van het kantoor. Hoe is mijne dochter gevonden, mijnheer? Ik weet hoe zij is weggeraakt.” Hier zag hij majestueus naar Richards om. “Maar hoe is zij gevonden? Wie heeft haar gevonden?”—“Wel, ik geloof datikjonge jufvrouw Dombey zoo goed als gevonden heb, mijnheer,” zeide Walter zeer bescheiden; “ten minste, ik weet niet of ik mij wel de verdienste kan geven dat ik haar eigenlijk gevonden heb, maar ik was toch het gelukkige werktuig om …”—“Wat meent gij er mee, mijnheer?” viel Dombey hem in de rede, die de zichtbare blijdschap en trotschheid des jongelings over zijn aandeel in het gebeurde met instinctmatig misnoegen beschouwde, “dat gij mijne dochter niet eigenlijk gevonden hebt en toch het gelukkige werktuig zijt? Wees duidelijk en geregeld, als het u belieft.”
Dombey en Zoon. (blz. 47).Dombey en Zoon.(blz. 47).
Dombey en Zoon.(blz. 47).
Geregeld te wezen was geheel boven Walter’s vermogen; maar hij maakte zich toch zoo duidelijk als hij in zijn ademloozen toestand kon, en vermeldde de redenen waarom hij alleen gekomen was.[42]
“Gij hoort dit, meisje?” voegde Dombey de zwartoogige met barschheid toe. “Neem wat er noodig is, en ga dadelijk met dit jonge mensch mee om Florence naar huis te halen. Gay, gij zult morgen beloond worden.”—“O, ik dank u wel, mijnheer,” zeide Walter. “Gij zijt wel goed. Ik heb waarlijk aan geene belooning gedacht, mijnheer.”—“Gij zijt nog een jongen,” zeide Dombey stroef, bijna toornig, “en waar gij aan denkt of zegt te denken is van weinig belang. Gij hebt wel gedaan, mijnheer. Bederf het niet weder. Louise, wees zoo goed om hem een glas wijn te geven.”
Dombey’s blik volgde Walter Gay met bitter ongenoegen, toen hij onder het geleide van mevrouw Chick de kamer verliet; en misschien volgden de oogen van zijn geest hem met geen grooter welgevallen, toen hij met Suze Nipper naar zijn oom terugreed.
Daar vonden zij dat Florence, door het slapen zeer verkwikt, reeds gegeten had, en ook reeds beter met Samuel Gills kennis had gemaakt, met wien zij nu zeer gemeenzaam en vertrouwelijk praatte. De zwartoogige (die zooveel geschreid had, dat zij nu wel de roodoogige mocht genoemd worden, en zeer stil en neerslachtig was) sloot haar zonder een woord van bestraffing of verwijt in hare armen, en maakte de ontmoeting tot een zeer zenuwachtig tooneel. Toen het winkelkamertje voor behulp tot eene toiletkamer makende, kleedde zij Florence zeer zorgvuldig in hare eigene kleeren, en was toen gereed om haar weg te brengen, zoo gelijk aan eene Dombey als zij, met hare natuurlijke ongeschiktheid daartoe, kon gemaakt worden.
“Goeden nacht!” zeide Florence, naar Samuel toeloopende. “Ge zijt heel goed voor mij geweest.”
De oude Sam was opgetogen en kuste haar als een grootvader.
“Goeden nacht, Walter!” zeide Florence toen.—“Goeden nacht!” zeide Walter, haar beide handen gevende.—“Ik zal u nooit vergeten,” vervolgde Florence. “Neen, waarlijk, dat zal ik nooit. Goeden nacht, Walter!”
In de onschuld van haar dankbaar hart lichtte zij haar gezichtje naar het zijne op. Walter boog zijn hoofd, en toen hij het weder ophief, was hij gloeiend rood en keek hij om naar zijn oom Sam, met een zeer schaapachtig gezicht.
“Waar is Walter?—Goeden nacht, Walter!—Dag Walter!—Nog eens de hand, Walter!” Zoo riep Florence nog toen zij reeds met Suze in de koets zat. En toen de koets eindelijk voortreed, beantwoordde Walter op de stoep vroolijk het wuiven van haar zakdoek, terwijl de houten adelborst, even als hij, alleen op die koets scheen te letten, en alle andere voorbijrijdende koetsen van zijne observatiën uit te sluiten.
Na verloop van tijd bereikte men wederom het huis van Dombey, en wederom heerschte het verwarde gerucht van tongen in de bibliotheek. Wederom ook werd den koetsier gelast te wachten—“voor vrouw Richards,” fluisterde een van Suze’s mededienstboden haar onheilspellend toe, toen zij met Florence voorbijging.
Het binnenkomen van het verloren kind veroorzaakte eenige beweging, maar niet veel. Haar vader, die haar nooit gevonden had, gaf haar een kus op het voorhoofd, en waarschuwde haar om niet weder weg te loopen of met ontrouwe dienstboden ergens heen te gaan. Mevrouw Chick staakte hare jammerklachten over de bedorvenheid der menschelijke natuur, zelfs wanneer zij door een Liefdadigen Slijper naar het pad der deugd werd gewenkt; en ontving haar met eene welkomst, een weinig minder dan die welke alleen aan volmaakte Dombey’s toekwam. Jufvrouw Tox regelde hare aandoeningen naar de modellen die zij voor zich had. Richards alleen stortte haar hart in afgebrokene woorden van welkomst uit, en boog zich over het weggedwaalde hoofdje alsof zij het waarlijk liefhad.
“O Richards!” zeide mevrouw Chick met een zucht. “Het zou diegenen, die gaarne goed over hunne evennaasten denken, veel meer voldoening hebben gegeven, en u veel beter hebben gestaan, als gij bijtijds behoorlijk gevoel hadt getoond voor het kind, dat nu ontijdig van zijn natuurlijk voedsel zal beroofd worden.”—“Afgesneden,” zeide jufvrouw Tox met een klagend gefluister, “van eene gemeenschappelijke bron.”—“Als hetmijngeval was, dat ik zoo ondankbaar was geweest,” zeide mevrouw Chick plechtig, “en ik zoo denken moest als gij, Richards, zou het mij wezen alsof de kleeding van de Liefdadige Slijpers mijn kind ongeluk zou aanbrengen en de opvoeding van die instelling het zou doen stikken.”
Wat dat betrof—maar mevrouw Chick wist het niet—die kleeding had hem al genoeg kwaad gedaan, en ook de opvoeding kon door den tijd aan hare wraakzucht beantwoorden, want zij was een gestadig onweder van slaan en huilen.
“Louise,” zeide Dombey. “Het is niet noodig die aanmerkingen voort te zetten. De vrouw heeft haar ontslag en is betaald. Gij verlaat dit huis, Richards, omdat gij mijn zoon—mijn zoon,” hij herhaalde die twee woorden met nadruk, “naar plaatsen en in gezelschap hebt gebracht, waaraan men niet zonder huiveren kan denken. Wat het ongeluk aangaat, dat jonge jufvrouw Florence dezen morgen getroffen heeft, dit beschouw ik, in één gewichtig opzicht, als eene gelukkige omstandigheid; dewijl ik zonder die gebeurtenis nooit had kunnen vernemen—en dat wel uit uw eigen mond—waaraan gij u hadt schuldig gemaakt. Ik denk, Louise, dat[43]de andere, dat meisje,” hier snikte jonge juffer Nipper hardop, “daar zij zooveel jonger, en natuurlijk door de min van Paul verleid is, wel blijven kan. Wees zoo goed om te zorgen dat de koets voor die vrouw betaald wordt tot aan—” hier haperde hij voor een oogenblik eer hij met walgenden tegenzin vervolgde, “tot aanStaggs’s Gardens.”
Polly ging naar de deur, terwijl Florence haar bij haar kleed vasthield en haar op de aandoenlijkste manier toeriep om toch niet heen te gaan. Het was een dolksteek in het hart van haar trotschen vader, een pijl door zijn brein, te zien hoe vleesch en bloed, dat hij niet verloochenen kon, zich aan deze geringe vreemde hechtte, terwijl hij daarbij zat. Niet dat hij er om gaf tot wien zijne dochter zich keerde, of van wien zij zich afkeerde. De gedachte die hem door de ziel sneed was, wat zijn zoon eens zou kunnen doen.
Zijn zoon schreeuwde en huilde dien nacht, in allen gevalle, luidkeels. Om de waarheid te zeggen, de arme Paul had eene betere reden voor zijne tranen dan zonen van dien ouderdom dikwijls hebben, want hij had zijne tweede moeder verloren—zijne eerste zooveel hij wist—door een slag even plotseling als het verlies dat het begin van zijn leven had verdonkerd. Door denzelfden slag had zijne zuster, die zich zoo droevig in slaap schreide, ook eene even goede en trouwe vriendin verloren. Maar dit is geheel buiten bedenking. Laten wij daarover geene woorden verspillen.