VII.

[Inhoud]VII.EEN BLIK IN DE WONING VAN JUFVROUW TOX, ALSMEDE IN DEN STAAT VAN HAAR GEMOED.Jufvrouw Tox bewoonde een donker huisje, dat, in een of ander verwijderd tijdperk der Engelsche geschiedenis, in eene aanzienlijke buurt van het West einde der stad was ingeschoven, waar het in de schaduw stond als eene arme nabestaande der groote straat om den hoek, en de trotsche huizen daar er met koude minachting op neerzagen. Het was niet juist in een hofje, en niet juist in een slop, maar het was in den stilsten van alle doodloopende inhammen, gedurig verontrust door het aankloppen aan de voorname huizen in de verte. De naam dezer afgelegene plek, waar het gras tusschen de steenen groeide, wasPrincess’s Place. Men had daar een kerkje met eene tinkelende klok, waar somtijds op een zondag wel vijf en twintig menschen den dienst bijwoonden, en eene herberg, die veel door prachtige lakeien werd bezocht. Binnen het hek voor die herberg stond een draagstoel, dien men echter zoolang iemand heugde nog nooit daar vandaan had zien komen; en op een fraaien ochtend was elke punt van dat hek (er waren er acht en veertig, gelijk jufvrouw Tox dikwijls geteld had) met eene tinnen kan versierd.Er was nog een gesloten huis behalve dat van jufvrouw Tox inPrincess’s Place, om niet van eene ontzaglijke dubbele deur te spreken, met een ontzaglijk paar leeuwenkoppen als kloppers daarop, die nooit geopend werd en voor den ongebruikten ingang van iemands stal werd gehouden. Inderdaad had de lucht vanPrincess’s Placeeen reuk van stallingen; en de slaapkamer van jufvrouw Tox, die achter in huis was, had het uitzicht op een pleintje, waarop stalknechts, met wat voor werk ook bezig, zich daarbij gedurig met bruisende geluiden accompagneerden, en waar de huiselijkste en geheimste kleedingstukken van koetsiers en hunne vrouwen en kinderen gewoonlijk, gelijk de banieren van Macbeth, aan de muren uithingen.In dat andere gesloten huis inPrincess’s Place, door een gewezen bottelier bewoond, die eene huishoudster had getrouwd, werden gemeubileerde kamers verhuurd aan een nog ongetrouwd heer, namelijk aan een majoor, met een houten gezicht van blauwe kleur, en uit het hoofd puilende oogen, in wien jufvrouw Tox, gelijk zij het uitdrukte, “iets zoo echt militairs” ontdekte; en tusschen wien en haar zelve nu en dan eene uitwisseling van nieuwsbladen, vlugschriften en dergelijke Platonische galanterieën plaats had, door tusschenkomst van een bruinen knecht van den majoor, wien jufvrouw Tox zich vergenoegde een “inboorling” te noemen, zonder daaraan eenig geographisch denkbeeld hoegenaamd te verbinden.Misschien is er nooit een kleiner voorhuis en trap geweest dan het voorhuis en de trap van jufvrouw Tox. Misschien was er over het geheel geen ongemakkelijker huisje inEngeland; maar dan, zeide jufvrouw Tox, welk een stand! Er was in den winter zeer weinig daglicht te krijgen, geen zon in den besten tijd zelfs, en lucht en levendigheid kwamen in geene bedenking. Evenwel zeide jufvrouw Tox, bedenk welk een stand! Zoo zeide ook de majoor met het blauwe gezicht en de uitpuilende oogen, die grootsch was opPrincess’s Place, en in zijne club gaarne het gesprek op de groote lui in de groote straat om den hoek bracht, om de zelfvoldoening te kunnen hebben van te zeggen dat zij zijne buren waren.Het donkere huisje, door jufvrouw Tox bewoond, was haar eigendom, daar het haar was nagelaten en vermaakt door den overleden eigenaar van het vischachtige oog in het medaillon, van wien ook een miniatuurportretje, met een gepoeierd hoofd en een staart, in het voorkamertje[44]hing. De meeste meubelen waren uit den poeier- en staartentijd; waaronder een bordenwarmer, die zijne vier dunne kromme pooten iemand altijd in den weg stak, en een oud klavier, om den naam van den maker met een krans van doperwtjes versierd.Hoewel majoor Bagstock over de middelbare jaren was gekomen, en nu bijna zonder hals, met een paar zeer strakke kaken, lange olifantsooren, en eene kleur en oogen in den reeds gemelden kunstmatigen toestand van geprikkeldheid, zijne reis benedenwaarts voortzette, was hij er machtig trotsch op dat hij de belangstelling van jufvrouw Tox had doen ontwaken, en streelde hij zijne ijdelheid met den waan dat zij eene brillante dame was, die een goed oog op hem had. Hiervan had hij reeds verscheidene malen in zijne club een wenk gegeven, gepaard met andere schertsende aardigheden, waarvan oude Joe, of Joey, of J. of Josh. Bagstock, enz. gestadig het onderwerp was; want het was als het ware het bolwerk van des majoors geestigheid, zoo vrijpostig mogelijk met zijn eigen naam om te springen.“Joey B., mijnheer,” placht de majoor te zeggen, met zijn rotting zwaaiende, “is alleen zooveel waard als een dozijn van u. Als ge wat meer van den Bagstock-stam onder u hadt, mijnheer, zoudt gij er niet te minder om zijn. Oude Joey, mijnheer, zou zelfs nu niet ver naar eene vrouw behoeven te zoeken, als hij daarnaar uitkeek; maar hij is hard van bast, mijnheer, dat is Joe—hij is taai, mijnheer, taai, en verduiveld slim!” Na zulk eene verklaring hoorde men veelal een benauwd hijgen, terwijl het blauw des majoors in purper overging en de oogen hem geheel uit het hoofd schenen te zullen springen.In weerwil van zijn milden eigenlof, was de majoor toch zelfzuchtig. Het is zelfs te betwijfelen of ooit iemand meer geheime eigenliefde bezat. Het kwam niet bij hem op dat iemand hem zou over het hoofd zien of minachten, vooral kon hij zich volstrekt niet verbeelden dat jufvrouw Tox dit zou doen.En toch, naar het scheen, jufvrouw Tox vergat hem langzamerhand. Kort nadat zij de familie Toodle had ontdekt, begon zij hem te vergeten. Zij bleef hem vergeten tot aan den tijd dat Paul gedoopt werd, en naderhand scheen zij hare vergetelheid op saamgestelden interest te hebben gezet. Iets of iemand had hem uit hare belangstelling verdrongen.“Goeden morgen, mejufvrouw,” zeide de majoor, toen hij, eenige weken na de voorvallen in het laatste hoofdstuk geboekt, jufvrouw Tox inPrincess’s Placeontmoette.—“Goeden morgen, mijnheer,” zeide jufvrouw Tox zeer koel.—“Joe Bagstock, mejufvrouw,” hervatte de majoor, met zijne galanterie, “heeft sedert geruimen tijd het geluk niet gehad om voor u aan het venster te buigen, Joe is hard behandeld, mejufvrouw. Zijne zon is achter eene wolk geweest.”Jufvrouw Tox antwoordde met eene hoofdbuiging maar zeer koel.“Joe’s gesternte is misschien uit de stad geweest, mejufvrouw,” zeide de majoor vragenderwijs.—“Ik? uit de stad? O neen, ik ben niet uit de stad geweest,” antwoordde jufvrouw Tox. “Maar ik ben toch sedert kort veel uit geweest. Mijn tijd is bijna geheel aan eenige zeerintiemevrienden gewijd. Ik vrees dat ik zelfs nu geen tijd overheb. Goeden morgen, mijnheer.”Toen jufvrouw Tox met haar sierlijksten tred en hare bekoorlijkste houding uitPrincess’s Placeverdween, bleef de majoor haar staan nazien met een gezicht, blauwer dan ooit, onder het brommen en mompelen van eenige lang niet vleiende gezegden.“Wel, verd … md, mijnheer,” zeide de majoor, en liet zijne bolle oogen inPrincess’s Placerondgaan, “zes maanden geleden had die vrouw den grond wel willen kussen waarover Joe Bagstock ging. Wat beduidt dat nu?”Na eenig bedenken begreep de majoor, dat het eene listige toelaag op zijn hart beduidde, dat jufvrouw Tox hem strikken spande. “Maar ge zult Joe toch niet vangen, mejufvrouw,” zeide de majoor. “Hij is taai, mejufvrouw; J. B. is taai. Taai en verduiveld slim!” over welke gedachte hij het overige van den dag bleefgrinniken.Maar toen die dag en nog vele andere dagen verloopen waren, scheen het toch dat jufvrouw Tox zich hoegenaamd niet om den majoor bekommerde en geheel niet aan hem dacht. Eens was zij gewoon geweest nu en dan toevallig voor een van hare donkere venstertjes te komen en den groet des majoors met een blosje te beantwoorden; maar nu gaf zij den majoor volstrekt geene gelegenheid meer daartoe, en stoorde zij er zich geheel niet aan of hij naar den overkant keek of niet. Nog andere veranderingen hadden plaats gehad. De majoor kon, in de schaduw zijner eigene kamer staande, waarnemen dat het huis van jufvrouw Tox sedert onlangs iets meer opgeschikts had gekregen; dat er eene kooi met vergulde traliën voor het oude kanarievogeltje was gekomen; dat verschillende ornamenten, uit gekleurd carton en papier geknipt, den schoorsteenmantel en de tafels schenen te versieren; dat eensklaps een paar bloemstruikjes voor de vensters waren opgegroeid; dat jufvrouw Tox nu en dan op het klavier speelde, welks krans van doperwtjes altijd pronkerig was opgeslagen, bekroond met een muziekboek, opengelegd bij ouderwetsche walsen, die jufvrouw Tox zelve had gekopieerd.Bovenal, jufvrouw Tox was nu sedert lang buitengewoon elegant in lichten rouw gekleed.[45]Maar dit hielp den majoor uit zijne verlegenheid, en hij begreep dat zij een legaatje had gekregen en trotsch was geworden.Het was des anderen daags nadat hij zijn gemoed had verruimd door tot dit besluit te komen, dat de majoor, aan zijn ontbijt gezeten, in de voorkamer van jufvrouw Tox eene verschijning zag, zoo verbazend en geducht, dat hij eene poos op zijn stoel geworteld bleef, en toen, naar de naaste kamer snellende, met een dubbelen tooneelkijker terugkwam, waardoor hij die verschijning eene poos oplettend beschouwde.“Het is een kind, een bakerkindje, mijnheer,” zeide de majoor, den kijker weder inschuivende; “daarop wil ik vijftig duizend pond verwedden.”De majoor kon dit niet vergeten. Hij kon niets anders doen dan fluiten en zoodanig staren, dat zijne oogen, bij hun tegenwoordigen staat vergeleken, voorheen hol en ingezonken waren geweest. Dag na dag, twee-, drie-, viermaal in de week, verscheen dit kind alweder. De majoor bleef staren en fluiten. Anders had hij niets meer te doen. Jufvrouw Tox lette geheel niet meer op hem. Hij had evengoed zwart als blauw kunnen zijn, en zij zou het zich niet hebben aangetrokken.De volharding waarmede zij uitging om dit kind en de draagster te halen, en daarmede uit wandelen ging, en er weder mede terugkwam, en er gedurig de wacht over hield; en de volharding waarmede zij hetzelve verschoonde, en eten gaf, en er mee speelde, en zijn jeugdig bloed door airtjes op het klavier deed stollen, was iets buitengemeens. Te gelijker tijd werd zij aangetast door eene zucht om zekeren armband te bekijken, alsmede door eene zucht om naar de maan te turen, waarop zij uit haar venster lange waarnemingen deed. Maar waar zij ook naar keek, naar zon, maan, sterren of armbanden, zij keek niet meer naar den majoor. En de majoor floot en staarde, en drentelde in zijne kamer rond, en kon er niet wijs uit worden.“Gij zult heel en al mijn broeder Paul’s hart winnen, dat is de waarheid, lieve vriendin,” zeide mevrouw Chick eens.Jufvrouw Tox verbleekte.“Hij begint met elken dag meer op Paul te gelijken,” zeide mevrouw Chick.Jufvrouw Tox gaf geen antwoord dan door kleinen Paul in hare armen te nemen, en den strik op zijn mutsje met hare liefkoozingen geheel plat te drukken.“Zijne moeder, lieve,” zeide jufvrouw Tox, “met wie ik door u in kennis zou gebracht zijn, gelijkt hij ook eenigszins op haar?”—“Geheel niet,” antwoordde Louise.—“Zij was—zij was mooi, geloof ik?” stamelde jufvrouw Tox.—“Ja, die arme lieve Fanny was wel interessant,” zeide mevrouw Chick, na rijp overleg. “Zekerlijk interessant. Maar zij had dat air van iets verhevens en gebiedends niet, dat men eenigermate, bijna als iets natuurlijks, bij mijn broeders vrouw zou verwacht hebben, en had ook de geestkracht niet die zulk een man verlangt.”Jufvrouw Tox slaakte een zwaren zucht.“Maar zij was zeer innemend,” zeide mevrouw Chick, “buitengemeen. En zij meende het—och lieve, die arme Fanny meende het zoo goed!”—“Gij engeltje!” riep jufvrouw Tox den kleinen Paul toe. “Gij schilderijtje van uw eigen papa!”Indien de majoor had kunnen weten hoevele wenschen en uitzichten, welk eene menigte van plannen en berekeningen op dat kinderhoofdje gevestigd waren; en ze in een bonten drom om het geborduurde mutsje van den nog geheel argeloozen kleinen Paul had kunnen zien zweven, dan had hij wel mogen staren. Dan had hij onder dien drom eenige zonnestofjes kunnen herkennen, die aan jufvrouw Tox behoorden; dan zou hij misschien begrepen hebben naar welke soort van compagnieschap met de firma Dombey en Zoon die dame verlangde.Als het kind zelf, des nachts wakker wordende, om zijn bedje de flauwe afspiegelingen had kunnen zien van de droomen, die anderen van hem hadden, had hij er wel bang van mogen worden. Maar hij sluimerde voort, evenzeer onbewust van de goede voornemens van jufvrouw Tox, de verwondering van den majoor, het jeugdig harteleed zijner zuster en de ernstiger hersenschimmen van zijn vader, onbewust zelfs dat er ergens op de wereld een Dombey of een Zoon bestond.

[Inhoud]VII.EEN BLIK IN DE WONING VAN JUFVROUW TOX, ALSMEDE IN DEN STAAT VAN HAAR GEMOED.Jufvrouw Tox bewoonde een donker huisje, dat, in een of ander verwijderd tijdperk der Engelsche geschiedenis, in eene aanzienlijke buurt van het West einde der stad was ingeschoven, waar het in de schaduw stond als eene arme nabestaande der groote straat om den hoek, en de trotsche huizen daar er met koude minachting op neerzagen. Het was niet juist in een hofje, en niet juist in een slop, maar het was in den stilsten van alle doodloopende inhammen, gedurig verontrust door het aankloppen aan de voorname huizen in de verte. De naam dezer afgelegene plek, waar het gras tusschen de steenen groeide, wasPrincess’s Place. Men had daar een kerkje met eene tinkelende klok, waar somtijds op een zondag wel vijf en twintig menschen den dienst bijwoonden, en eene herberg, die veel door prachtige lakeien werd bezocht. Binnen het hek voor die herberg stond een draagstoel, dien men echter zoolang iemand heugde nog nooit daar vandaan had zien komen; en op een fraaien ochtend was elke punt van dat hek (er waren er acht en veertig, gelijk jufvrouw Tox dikwijls geteld had) met eene tinnen kan versierd.Er was nog een gesloten huis behalve dat van jufvrouw Tox inPrincess’s Place, om niet van eene ontzaglijke dubbele deur te spreken, met een ontzaglijk paar leeuwenkoppen als kloppers daarop, die nooit geopend werd en voor den ongebruikten ingang van iemands stal werd gehouden. Inderdaad had de lucht vanPrincess’s Placeeen reuk van stallingen; en de slaapkamer van jufvrouw Tox, die achter in huis was, had het uitzicht op een pleintje, waarop stalknechts, met wat voor werk ook bezig, zich daarbij gedurig met bruisende geluiden accompagneerden, en waar de huiselijkste en geheimste kleedingstukken van koetsiers en hunne vrouwen en kinderen gewoonlijk, gelijk de banieren van Macbeth, aan de muren uithingen.In dat andere gesloten huis inPrincess’s Place, door een gewezen bottelier bewoond, die eene huishoudster had getrouwd, werden gemeubileerde kamers verhuurd aan een nog ongetrouwd heer, namelijk aan een majoor, met een houten gezicht van blauwe kleur, en uit het hoofd puilende oogen, in wien jufvrouw Tox, gelijk zij het uitdrukte, “iets zoo echt militairs” ontdekte; en tusschen wien en haar zelve nu en dan eene uitwisseling van nieuwsbladen, vlugschriften en dergelijke Platonische galanterieën plaats had, door tusschenkomst van een bruinen knecht van den majoor, wien jufvrouw Tox zich vergenoegde een “inboorling” te noemen, zonder daaraan eenig geographisch denkbeeld hoegenaamd te verbinden.Misschien is er nooit een kleiner voorhuis en trap geweest dan het voorhuis en de trap van jufvrouw Tox. Misschien was er over het geheel geen ongemakkelijker huisje inEngeland; maar dan, zeide jufvrouw Tox, welk een stand! Er was in den winter zeer weinig daglicht te krijgen, geen zon in den besten tijd zelfs, en lucht en levendigheid kwamen in geene bedenking. Evenwel zeide jufvrouw Tox, bedenk welk een stand! Zoo zeide ook de majoor met het blauwe gezicht en de uitpuilende oogen, die grootsch was opPrincess’s Place, en in zijne club gaarne het gesprek op de groote lui in de groote straat om den hoek bracht, om de zelfvoldoening te kunnen hebben van te zeggen dat zij zijne buren waren.Het donkere huisje, door jufvrouw Tox bewoond, was haar eigendom, daar het haar was nagelaten en vermaakt door den overleden eigenaar van het vischachtige oog in het medaillon, van wien ook een miniatuurportretje, met een gepoeierd hoofd en een staart, in het voorkamertje[44]hing. De meeste meubelen waren uit den poeier- en staartentijd; waaronder een bordenwarmer, die zijne vier dunne kromme pooten iemand altijd in den weg stak, en een oud klavier, om den naam van den maker met een krans van doperwtjes versierd.Hoewel majoor Bagstock over de middelbare jaren was gekomen, en nu bijna zonder hals, met een paar zeer strakke kaken, lange olifantsooren, en eene kleur en oogen in den reeds gemelden kunstmatigen toestand van geprikkeldheid, zijne reis benedenwaarts voortzette, was hij er machtig trotsch op dat hij de belangstelling van jufvrouw Tox had doen ontwaken, en streelde hij zijne ijdelheid met den waan dat zij eene brillante dame was, die een goed oog op hem had. Hiervan had hij reeds verscheidene malen in zijne club een wenk gegeven, gepaard met andere schertsende aardigheden, waarvan oude Joe, of Joey, of J. of Josh. Bagstock, enz. gestadig het onderwerp was; want het was als het ware het bolwerk van des majoors geestigheid, zoo vrijpostig mogelijk met zijn eigen naam om te springen.“Joey B., mijnheer,” placht de majoor te zeggen, met zijn rotting zwaaiende, “is alleen zooveel waard als een dozijn van u. Als ge wat meer van den Bagstock-stam onder u hadt, mijnheer, zoudt gij er niet te minder om zijn. Oude Joey, mijnheer, zou zelfs nu niet ver naar eene vrouw behoeven te zoeken, als hij daarnaar uitkeek; maar hij is hard van bast, mijnheer, dat is Joe—hij is taai, mijnheer, taai, en verduiveld slim!” Na zulk eene verklaring hoorde men veelal een benauwd hijgen, terwijl het blauw des majoors in purper overging en de oogen hem geheel uit het hoofd schenen te zullen springen.In weerwil van zijn milden eigenlof, was de majoor toch zelfzuchtig. Het is zelfs te betwijfelen of ooit iemand meer geheime eigenliefde bezat. Het kwam niet bij hem op dat iemand hem zou over het hoofd zien of minachten, vooral kon hij zich volstrekt niet verbeelden dat jufvrouw Tox dit zou doen.En toch, naar het scheen, jufvrouw Tox vergat hem langzamerhand. Kort nadat zij de familie Toodle had ontdekt, begon zij hem te vergeten. Zij bleef hem vergeten tot aan den tijd dat Paul gedoopt werd, en naderhand scheen zij hare vergetelheid op saamgestelden interest te hebben gezet. Iets of iemand had hem uit hare belangstelling verdrongen.“Goeden morgen, mejufvrouw,” zeide de majoor, toen hij, eenige weken na de voorvallen in het laatste hoofdstuk geboekt, jufvrouw Tox inPrincess’s Placeontmoette.—“Goeden morgen, mijnheer,” zeide jufvrouw Tox zeer koel.—“Joe Bagstock, mejufvrouw,” hervatte de majoor, met zijne galanterie, “heeft sedert geruimen tijd het geluk niet gehad om voor u aan het venster te buigen, Joe is hard behandeld, mejufvrouw. Zijne zon is achter eene wolk geweest.”Jufvrouw Tox antwoordde met eene hoofdbuiging maar zeer koel.“Joe’s gesternte is misschien uit de stad geweest, mejufvrouw,” zeide de majoor vragenderwijs.—“Ik? uit de stad? O neen, ik ben niet uit de stad geweest,” antwoordde jufvrouw Tox. “Maar ik ben toch sedert kort veel uit geweest. Mijn tijd is bijna geheel aan eenige zeerintiemevrienden gewijd. Ik vrees dat ik zelfs nu geen tijd overheb. Goeden morgen, mijnheer.”Toen jufvrouw Tox met haar sierlijksten tred en hare bekoorlijkste houding uitPrincess’s Placeverdween, bleef de majoor haar staan nazien met een gezicht, blauwer dan ooit, onder het brommen en mompelen van eenige lang niet vleiende gezegden.“Wel, verd … md, mijnheer,” zeide de majoor, en liet zijne bolle oogen inPrincess’s Placerondgaan, “zes maanden geleden had die vrouw den grond wel willen kussen waarover Joe Bagstock ging. Wat beduidt dat nu?”Na eenig bedenken begreep de majoor, dat het eene listige toelaag op zijn hart beduidde, dat jufvrouw Tox hem strikken spande. “Maar ge zult Joe toch niet vangen, mejufvrouw,” zeide de majoor. “Hij is taai, mejufvrouw; J. B. is taai. Taai en verduiveld slim!” over welke gedachte hij het overige van den dag bleefgrinniken.Maar toen die dag en nog vele andere dagen verloopen waren, scheen het toch dat jufvrouw Tox zich hoegenaamd niet om den majoor bekommerde en geheel niet aan hem dacht. Eens was zij gewoon geweest nu en dan toevallig voor een van hare donkere venstertjes te komen en den groet des majoors met een blosje te beantwoorden; maar nu gaf zij den majoor volstrekt geene gelegenheid meer daartoe, en stoorde zij er zich geheel niet aan of hij naar den overkant keek of niet. Nog andere veranderingen hadden plaats gehad. De majoor kon, in de schaduw zijner eigene kamer staande, waarnemen dat het huis van jufvrouw Tox sedert onlangs iets meer opgeschikts had gekregen; dat er eene kooi met vergulde traliën voor het oude kanarievogeltje was gekomen; dat verschillende ornamenten, uit gekleurd carton en papier geknipt, den schoorsteenmantel en de tafels schenen te versieren; dat eensklaps een paar bloemstruikjes voor de vensters waren opgegroeid; dat jufvrouw Tox nu en dan op het klavier speelde, welks krans van doperwtjes altijd pronkerig was opgeslagen, bekroond met een muziekboek, opengelegd bij ouderwetsche walsen, die jufvrouw Tox zelve had gekopieerd.Bovenal, jufvrouw Tox was nu sedert lang buitengewoon elegant in lichten rouw gekleed.[45]Maar dit hielp den majoor uit zijne verlegenheid, en hij begreep dat zij een legaatje had gekregen en trotsch was geworden.Het was des anderen daags nadat hij zijn gemoed had verruimd door tot dit besluit te komen, dat de majoor, aan zijn ontbijt gezeten, in de voorkamer van jufvrouw Tox eene verschijning zag, zoo verbazend en geducht, dat hij eene poos op zijn stoel geworteld bleef, en toen, naar de naaste kamer snellende, met een dubbelen tooneelkijker terugkwam, waardoor hij die verschijning eene poos oplettend beschouwde.“Het is een kind, een bakerkindje, mijnheer,” zeide de majoor, den kijker weder inschuivende; “daarop wil ik vijftig duizend pond verwedden.”De majoor kon dit niet vergeten. Hij kon niets anders doen dan fluiten en zoodanig staren, dat zijne oogen, bij hun tegenwoordigen staat vergeleken, voorheen hol en ingezonken waren geweest. Dag na dag, twee-, drie-, viermaal in de week, verscheen dit kind alweder. De majoor bleef staren en fluiten. Anders had hij niets meer te doen. Jufvrouw Tox lette geheel niet meer op hem. Hij had evengoed zwart als blauw kunnen zijn, en zij zou het zich niet hebben aangetrokken.De volharding waarmede zij uitging om dit kind en de draagster te halen, en daarmede uit wandelen ging, en er weder mede terugkwam, en er gedurig de wacht over hield; en de volharding waarmede zij hetzelve verschoonde, en eten gaf, en er mee speelde, en zijn jeugdig bloed door airtjes op het klavier deed stollen, was iets buitengemeens. Te gelijker tijd werd zij aangetast door eene zucht om zekeren armband te bekijken, alsmede door eene zucht om naar de maan te turen, waarop zij uit haar venster lange waarnemingen deed. Maar waar zij ook naar keek, naar zon, maan, sterren of armbanden, zij keek niet meer naar den majoor. En de majoor floot en staarde, en drentelde in zijne kamer rond, en kon er niet wijs uit worden.“Gij zult heel en al mijn broeder Paul’s hart winnen, dat is de waarheid, lieve vriendin,” zeide mevrouw Chick eens.Jufvrouw Tox verbleekte.“Hij begint met elken dag meer op Paul te gelijken,” zeide mevrouw Chick.Jufvrouw Tox gaf geen antwoord dan door kleinen Paul in hare armen te nemen, en den strik op zijn mutsje met hare liefkoozingen geheel plat te drukken.“Zijne moeder, lieve,” zeide jufvrouw Tox, “met wie ik door u in kennis zou gebracht zijn, gelijkt hij ook eenigszins op haar?”—“Geheel niet,” antwoordde Louise.—“Zij was—zij was mooi, geloof ik?” stamelde jufvrouw Tox.—“Ja, die arme lieve Fanny was wel interessant,” zeide mevrouw Chick, na rijp overleg. “Zekerlijk interessant. Maar zij had dat air van iets verhevens en gebiedends niet, dat men eenigermate, bijna als iets natuurlijks, bij mijn broeders vrouw zou verwacht hebben, en had ook de geestkracht niet die zulk een man verlangt.”Jufvrouw Tox slaakte een zwaren zucht.“Maar zij was zeer innemend,” zeide mevrouw Chick, “buitengemeen. En zij meende het—och lieve, die arme Fanny meende het zoo goed!”—“Gij engeltje!” riep jufvrouw Tox den kleinen Paul toe. “Gij schilderijtje van uw eigen papa!”Indien de majoor had kunnen weten hoevele wenschen en uitzichten, welk eene menigte van plannen en berekeningen op dat kinderhoofdje gevestigd waren; en ze in een bonten drom om het geborduurde mutsje van den nog geheel argeloozen kleinen Paul had kunnen zien zweven, dan had hij wel mogen staren. Dan had hij onder dien drom eenige zonnestofjes kunnen herkennen, die aan jufvrouw Tox behoorden; dan zou hij misschien begrepen hebben naar welke soort van compagnieschap met de firma Dombey en Zoon die dame verlangde.Als het kind zelf, des nachts wakker wordende, om zijn bedje de flauwe afspiegelingen had kunnen zien van de droomen, die anderen van hem hadden, had hij er wel bang van mogen worden. Maar hij sluimerde voort, evenzeer onbewust van de goede voornemens van jufvrouw Tox, de verwondering van den majoor, het jeugdig harteleed zijner zuster en de ernstiger hersenschimmen van zijn vader, onbewust zelfs dat er ergens op de wereld een Dombey of een Zoon bestond.

VII.EEN BLIK IN DE WONING VAN JUFVROUW TOX, ALSMEDE IN DEN STAAT VAN HAAR GEMOED.

Jufvrouw Tox bewoonde een donker huisje, dat, in een of ander verwijderd tijdperk der Engelsche geschiedenis, in eene aanzienlijke buurt van het West einde der stad was ingeschoven, waar het in de schaduw stond als eene arme nabestaande der groote straat om den hoek, en de trotsche huizen daar er met koude minachting op neerzagen. Het was niet juist in een hofje, en niet juist in een slop, maar het was in den stilsten van alle doodloopende inhammen, gedurig verontrust door het aankloppen aan de voorname huizen in de verte. De naam dezer afgelegene plek, waar het gras tusschen de steenen groeide, wasPrincess’s Place. Men had daar een kerkje met eene tinkelende klok, waar somtijds op een zondag wel vijf en twintig menschen den dienst bijwoonden, en eene herberg, die veel door prachtige lakeien werd bezocht. Binnen het hek voor die herberg stond een draagstoel, dien men echter zoolang iemand heugde nog nooit daar vandaan had zien komen; en op een fraaien ochtend was elke punt van dat hek (er waren er acht en veertig, gelijk jufvrouw Tox dikwijls geteld had) met eene tinnen kan versierd.Er was nog een gesloten huis behalve dat van jufvrouw Tox inPrincess’s Place, om niet van eene ontzaglijke dubbele deur te spreken, met een ontzaglijk paar leeuwenkoppen als kloppers daarop, die nooit geopend werd en voor den ongebruikten ingang van iemands stal werd gehouden. Inderdaad had de lucht vanPrincess’s Placeeen reuk van stallingen; en de slaapkamer van jufvrouw Tox, die achter in huis was, had het uitzicht op een pleintje, waarop stalknechts, met wat voor werk ook bezig, zich daarbij gedurig met bruisende geluiden accompagneerden, en waar de huiselijkste en geheimste kleedingstukken van koetsiers en hunne vrouwen en kinderen gewoonlijk, gelijk de banieren van Macbeth, aan de muren uithingen.In dat andere gesloten huis inPrincess’s Place, door een gewezen bottelier bewoond, die eene huishoudster had getrouwd, werden gemeubileerde kamers verhuurd aan een nog ongetrouwd heer, namelijk aan een majoor, met een houten gezicht van blauwe kleur, en uit het hoofd puilende oogen, in wien jufvrouw Tox, gelijk zij het uitdrukte, “iets zoo echt militairs” ontdekte; en tusschen wien en haar zelve nu en dan eene uitwisseling van nieuwsbladen, vlugschriften en dergelijke Platonische galanterieën plaats had, door tusschenkomst van een bruinen knecht van den majoor, wien jufvrouw Tox zich vergenoegde een “inboorling” te noemen, zonder daaraan eenig geographisch denkbeeld hoegenaamd te verbinden.Misschien is er nooit een kleiner voorhuis en trap geweest dan het voorhuis en de trap van jufvrouw Tox. Misschien was er over het geheel geen ongemakkelijker huisje inEngeland; maar dan, zeide jufvrouw Tox, welk een stand! Er was in den winter zeer weinig daglicht te krijgen, geen zon in den besten tijd zelfs, en lucht en levendigheid kwamen in geene bedenking. Evenwel zeide jufvrouw Tox, bedenk welk een stand! Zoo zeide ook de majoor met het blauwe gezicht en de uitpuilende oogen, die grootsch was opPrincess’s Place, en in zijne club gaarne het gesprek op de groote lui in de groote straat om den hoek bracht, om de zelfvoldoening te kunnen hebben van te zeggen dat zij zijne buren waren.Het donkere huisje, door jufvrouw Tox bewoond, was haar eigendom, daar het haar was nagelaten en vermaakt door den overleden eigenaar van het vischachtige oog in het medaillon, van wien ook een miniatuurportretje, met een gepoeierd hoofd en een staart, in het voorkamertje[44]hing. De meeste meubelen waren uit den poeier- en staartentijd; waaronder een bordenwarmer, die zijne vier dunne kromme pooten iemand altijd in den weg stak, en een oud klavier, om den naam van den maker met een krans van doperwtjes versierd.Hoewel majoor Bagstock over de middelbare jaren was gekomen, en nu bijna zonder hals, met een paar zeer strakke kaken, lange olifantsooren, en eene kleur en oogen in den reeds gemelden kunstmatigen toestand van geprikkeldheid, zijne reis benedenwaarts voortzette, was hij er machtig trotsch op dat hij de belangstelling van jufvrouw Tox had doen ontwaken, en streelde hij zijne ijdelheid met den waan dat zij eene brillante dame was, die een goed oog op hem had. Hiervan had hij reeds verscheidene malen in zijne club een wenk gegeven, gepaard met andere schertsende aardigheden, waarvan oude Joe, of Joey, of J. of Josh. Bagstock, enz. gestadig het onderwerp was; want het was als het ware het bolwerk van des majoors geestigheid, zoo vrijpostig mogelijk met zijn eigen naam om te springen.“Joey B., mijnheer,” placht de majoor te zeggen, met zijn rotting zwaaiende, “is alleen zooveel waard als een dozijn van u. Als ge wat meer van den Bagstock-stam onder u hadt, mijnheer, zoudt gij er niet te minder om zijn. Oude Joey, mijnheer, zou zelfs nu niet ver naar eene vrouw behoeven te zoeken, als hij daarnaar uitkeek; maar hij is hard van bast, mijnheer, dat is Joe—hij is taai, mijnheer, taai, en verduiveld slim!” Na zulk eene verklaring hoorde men veelal een benauwd hijgen, terwijl het blauw des majoors in purper overging en de oogen hem geheel uit het hoofd schenen te zullen springen.In weerwil van zijn milden eigenlof, was de majoor toch zelfzuchtig. Het is zelfs te betwijfelen of ooit iemand meer geheime eigenliefde bezat. Het kwam niet bij hem op dat iemand hem zou over het hoofd zien of minachten, vooral kon hij zich volstrekt niet verbeelden dat jufvrouw Tox dit zou doen.En toch, naar het scheen, jufvrouw Tox vergat hem langzamerhand. Kort nadat zij de familie Toodle had ontdekt, begon zij hem te vergeten. Zij bleef hem vergeten tot aan den tijd dat Paul gedoopt werd, en naderhand scheen zij hare vergetelheid op saamgestelden interest te hebben gezet. Iets of iemand had hem uit hare belangstelling verdrongen.“Goeden morgen, mejufvrouw,” zeide de majoor, toen hij, eenige weken na de voorvallen in het laatste hoofdstuk geboekt, jufvrouw Tox inPrincess’s Placeontmoette.—“Goeden morgen, mijnheer,” zeide jufvrouw Tox zeer koel.—“Joe Bagstock, mejufvrouw,” hervatte de majoor, met zijne galanterie, “heeft sedert geruimen tijd het geluk niet gehad om voor u aan het venster te buigen, Joe is hard behandeld, mejufvrouw. Zijne zon is achter eene wolk geweest.”Jufvrouw Tox antwoordde met eene hoofdbuiging maar zeer koel.“Joe’s gesternte is misschien uit de stad geweest, mejufvrouw,” zeide de majoor vragenderwijs.—“Ik? uit de stad? O neen, ik ben niet uit de stad geweest,” antwoordde jufvrouw Tox. “Maar ik ben toch sedert kort veel uit geweest. Mijn tijd is bijna geheel aan eenige zeerintiemevrienden gewijd. Ik vrees dat ik zelfs nu geen tijd overheb. Goeden morgen, mijnheer.”Toen jufvrouw Tox met haar sierlijksten tred en hare bekoorlijkste houding uitPrincess’s Placeverdween, bleef de majoor haar staan nazien met een gezicht, blauwer dan ooit, onder het brommen en mompelen van eenige lang niet vleiende gezegden.“Wel, verd … md, mijnheer,” zeide de majoor, en liet zijne bolle oogen inPrincess’s Placerondgaan, “zes maanden geleden had die vrouw den grond wel willen kussen waarover Joe Bagstock ging. Wat beduidt dat nu?”Na eenig bedenken begreep de majoor, dat het eene listige toelaag op zijn hart beduidde, dat jufvrouw Tox hem strikken spande. “Maar ge zult Joe toch niet vangen, mejufvrouw,” zeide de majoor. “Hij is taai, mejufvrouw; J. B. is taai. Taai en verduiveld slim!” over welke gedachte hij het overige van den dag bleefgrinniken.Maar toen die dag en nog vele andere dagen verloopen waren, scheen het toch dat jufvrouw Tox zich hoegenaamd niet om den majoor bekommerde en geheel niet aan hem dacht. Eens was zij gewoon geweest nu en dan toevallig voor een van hare donkere venstertjes te komen en den groet des majoors met een blosje te beantwoorden; maar nu gaf zij den majoor volstrekt geene gelegenheid meer daartoe, en stoorde zij er zich geheel niet aan of hij naar den overkant keek of niet. Nog andere veranderingen hadden plaats gehad. De majoor kon, in de schaduw zijner eigene kamer staande, waarnemen dat het huis van jufvrouw Tox sedert onlangs iets meer opgeschikts had gekregen; dat er eene kooi met vergulde traliën voor het oude kanarievogeltje was gekomen; dat verschillende ornamenten, uit gekleurd carton en papier geknipt, den schoorsteenmantel en de tafels schenen te versieren; dat eensklaps een paar bloemstruikjes voor de vensters waren opgegroeid; dat jufvrouw Tox nu en dan op het klavier speelde, welks krans van doperwtjes altijd pronkerig was opgeslagen, bekroond met een muziekboek, opengelegd bij ouderwetsche walsen, die jufvrouw Tox zelve had gekopieerd.Bovenal, jufvrouw Tox was nu sedert lang buitengewoon elegant in lichten rouw gekleed.[45]Maar dit hielp den majoor uit zijne verlegenheid, en hij begreep dat zij een legaatje had gekregen en trotsch was geworden.Het was des anderen daags nadat hij zijn gemoed had verruimd door tot dit besluit te komen, dat de majoor, aan zijn ontbijt gezeten, in de voorkamer van jufvrouw Tox eene verschijning zag, zoo verbazend en geducht, dat hij eene poos op zijn stoel geworteld bleef, en toen, naar de naaste kamer snellende, met een dubbelen tooneelkijker terugkwam, waardoor hij die verschijning eene poos oplettend beschouwde.“Het is een kind, een bakerkindje, mijnheer,” zeide de majoor, den kijker weder inschuivende; “daarop wil ik vijftig duizend pond verwedden.”De majoor kon dit niet vergeten. Hij kon niets anders doen dan fluiten en zoodanig staren, dat zijne oogen, bij hun tegenwoordigen staat vergeleken, voorheen hol en ingezonken waren geweest. Dag na dag, twee-, drie-, viermaal in de week, verscheen dit kind alweder. De majoor bleef staren en fluiten. Anders had hij niets meer te doen. Jufvrouw Tox lette geheel niet meer op hem. Hij had evengoed zwart als blauw kunnen zijn, en zij zou het zich niet hebben aangetrokken.De volharding waarmede zij uitging om dit kind en de draagster te halen, en daarmede uit wandelen ging, en er weder mede terugkwam, en er gedurig de wacht over hield; en de volharding waarmede zij hetzelve verschoonde, en eten gaf, en er mee speelde, en zijn jeugdig bloed door airtjes op het klavier deed stollen, was iets buitengemeens. Te gelijker tijd werd zij aangetast door eene zucht om zekeren armband te bekijken, alsmede door eene zucht om naar de maan te turen, waarop zij uit haar venster lange waarnemingen deed. Maar waar zij ook naar keek, naar zon, maan, sterren of armbanden, zij keek niet meer naar den majoor. En de majoor floot en staarde, en drentelde in zijne kamer rond, en kon er niet wijs uit worden.“Gij zult heel en al mijn broeder Paul’s hart winnen, dat is de waarheid, lieve vriendin,” zeide mevrouw Chick eens.Jufvrouw Tox verbleekte.“Hij begint met elken dag meer op Paul te gelijken,” zeide mevrouw Chick.Jufvrouw Tox gaf geen antwoord dan door kleinen Paul in hare armen te nemen, en den strik op zijn mutsje met hare liefkoozingen geheel plat te drukken.“Zijne moeder, lieve,” zeide jufvrouw Tox, “met wie ik door u in kennis zou gebracht zijn, gelijkt hij ook eenigszins op haar?”—“Geheel niet,” antwoordde Louise.—“Zij was—zij was mooi, geloof ik?” stamelde jufvrouw Tox.—“Ja, die arme lieve Fanny was wel interessant,” zeide mevrouw Chick, na rijp overleg. “Zekerlijk interessant. Maar zij had dat air van iets verhevens en gebiedends niet, dat men eenigermate, bijna als iets natuurlijks, bij mijn broeders vrouw zou verwacht hebben, en had ook de geestkracht niet die zulk een man verlangt.”Jufvrouw Tox slaakte een zwaren zucht.“Maar zij was zeer innemend,” zeide mevrouw Chick, “buitengemeen. En zij meende het—och lieve, die arme Fanny meende het zoo goed!”—“Gij engeltje!” riep jufvrouw Tox den kleinen Paul toe. “Gij schilderijtje van uw eigen papa!”Indien de majoor had kunnen weten hoevele wenschen en uitzichten, welk eene menigte van plannen en berekeningen op dat kinderhoofdje gevestigd waren; en ze in een bonten drom om het geborduurde mutsje van den nog geheel argeloozen kleinen Paul had kunnen zien zweven, dan had hij wel mogen staren. Dan had hij onder dien drom eenige zonnestofjes kunnen herkennen, die aan jufvrouw Tox behoorden; dan zou hij misschien begrepen hebben naar welke soort van compagnieschap met de firma Dombey en Zoon die dame verlangde.Als het kind zelf, des nachts wakker wordende, om zijn bedje de flauwe afspiegelingen had kunnen zien van de droomen, die anderen van hem hadden, had hij er wel bang van mogen worden. Maar hij sluimerde voort, evenzeer onbewust van de goede voornemens van jufvrouw Tox, de verwondering van den majoor, het jeugdig harteleed zijner zuster en de ernstiger hersenschimmen van zijn vader, onbewust zelfs dat er ergens op de wereld een Dombey of een Zoon bestond.

Jufvrouw Tox bewoonde een donker huisje, dat, in een of ander verwijderd tijdperk der Engelsche geschiedenis, in eene aanzienlijke buurt van het West einde der stad was ingeschoven, waar het in de schaduw stond als eene arme nabestaande der groote straat om den hoek, en de trotsche huizen daar er met koude minachting op neerzagen. Het was niet juist in een hofje, en niet juist in een slop, maar het was in den stilsten van alle doodloopende inhammen, gedurig verontrust door het aankloppen aan de voorname huizen in de verte. De naam dezer afgelegene plek, waar het gras tusschen de steenen groeide, wasPrincess’s Place. Men had daar een kerkje met eene tinkelende klok, waar somtijds op een zondag wel vijf en twintig menschen den dienst bijwoonden, en eene herberg, die veel door prachtige lakeien werd bezocht. Binnen het hek voor die herberg stond een draagstoel, dien men echter zoolang iemand heugde nog nooit daar vandaan had zien komen; en op een fraaien ochtend was elke punt van dat hek (er waren er acht en veertig, gelijk jufvrouw Tox dikwijls geteld had) met eene tinnen kan versierd.

Er was nog een gesloten huis behalve dat van jufvrouw Tox inPrincess’s Place, om niet van eene ontzaglijke dubbele deur te spreken, met een ontzaglijk paar leeuwenkoppen als kloppers daarop, die nooit geopend werd en voor den ongebruikten ingang van iemands stal werd gehouden. Inderdaad had de lucht vanPrincess’s Placeeen reuk van stallingen; en de slaapkamer van jufvrouw Tox, die achter in huis was, had het uitzicht op een pleintje, waarop stalknechts, met wat voor werk ook bezig, zich daarbij gedurig met bruisende geluiden accompagneerden, en waar de huiselijkste en geheimste kleedingstukken van koetsiers en hunne vrouwen en kinderen gewoonlijk, gelijk de banieren van Macbeth, aan de muren uithingen.

In dat andere gesloten huis inPrincess’s Place, door een gewezen bottelier bewoond, die eene huishoudster had getrouwd, werden gemeubileerde kamers verhuurd aan een nog ongetrouwd heer, namelijk aan een majoor, met een houten gezicht van blauwe kleur, en uit het hoofd puilende oogen, in wien jufvrouw Tox, gelijk zij het uitdrukte, “iets zoo echt militairs” ontdekte; en tusschen wien en haar zelve nu en dan eene uitwisseling van nieuwsbladen, vlugschriften en dergelijke Platonische galanterieën plaats had, door tusschenkomst van een bruinen knecht van den majoor, wien jufvrouw Tox zich vergenoegde een “inboorling” te noemen, zonder daaraan eenig geographisch denkbeeld hoegenaamd te verbinden.

Misschien is er nooit een kleiner voorhuis en trap geweest dan het voorhuis en de trap van jufvrouw Tox. Misschien was er over het geheel geen ongemakkelijker huisje inEngeland; maar dan, zeide jufvrouw Tox, welk een stand! Er was in den winter zeer weinig daglicht te krijgen, geen zon in den besten tijd zelfs, en lucht en levendigheid kwamen in geene bedenking. Evenwel zeide jufvrouw Tox, bedenk welk een stand! Zoo zeide ook de majoor met het blauwe gezicht en de uitpuilende oogen, die grootsch was opPrincess’s Place, en in zijne club gaarne het gesprek op de groote lui in de groote straat om den hoek bracht, om de zelfvoldoening te kunnen hebben van te zeggen dat zij zijne buren waren.

Het donkere huisje, door jufvrouw Tox bewoond, was haar eigendom, daar het haar was nagelaten en vermaakt door den overleden eigenaar van het vischachtige oog in het medaillon, van wien ook een miniatuurportretje, met een gepoeierd hoofd en een staart, in het voorkamertje[44]hing. De meeste meubelen waren uit den poeier- en staartentijd; waaronder een bordenwarmer, die zijne vier dunne kromme pooten iemand altijd in den weg stak, en een oud klavier, om den naam van den maker met een krans van doperwtjes versierd.

Hoewel majoor Bagstock over de middelbare jaren was gekomen, en nu bijna zonder hals, met een paar zeer strakke kaken, lange olifantsooren, en eene kleur en oogen in den reeds gemelden kunstmatigen toestand van geprikkeldheid, zijne reis benedenwaarts voortzette, was hij er machtig trotsch op dat hij de belangstelling van jufvrouw Tox had doen ontwaken, en streelde hij zijne ijdelheid met den waan dat zij eene brillante dame was, die een goed oog op hem had. Hiervan had hij reeds verscheidene malen in zijne club een wenk gegeven, gepaard met andere schertsende aardigheden, waarvan oude Joe, of Joey, of J. of Josh. Bagstock, enz. gestadig het onderwerp was; want het was als het ware het bolwerk van des majoors geestigheid, zoo vrijpostig mogelijk met zijn eigen naam om te springen.

“Joey B., mijnheer,” placht de majoor te zeggen, met zijn rotting zwaaiende, “is alleen zooveel waard als een dozijn van u. Als ge wat meer van den Bagstock-stam onder u hadt, mijnheer, zoudt gij er niet te minder om zijn. Oude Joey, mijnheer, zou zelfs nu niet ver naar eene vrouw behoeven te zoeken, als hij daarnaar uitkeek; maar hij is hard van bast, mijnheer, dat is Joe—hij is taai, mijnheer, taai, en verduiveld slim!” Na zulk eene verklaring hoorde men veelal een benauwd hijgen, terwijl het blauw des majoors in purper overging en de oogen hem geheel uit het hoofd schenen te zullen springen.

In weerwil van zijn milden eigenlof, was de majoor toch zelfzuchtig. Het is zelfs te betwijfelen of ooit iemand meer geheime eigenliefde bezat. Het kwam niet bij hem op dat iemand hem zou over het hoofd zien of minachten, vooral kon hij zich volstrekt niet verbeelden dat jufvrouw Tox dit zou doen.

En toch, naar het scheen, jufvrouw Tox vergat hem langzamerhand. Kort nadat zij de familie Toodle had ontdekt, begon zij hem te vergeten. Zij bleef hem vergeten tot aan den tijd dat Paul gedoopt werd, en naderhand scheen zij hare vergetelheid op saamgestelden interest te hebben gezet. Iets of iemand had hem uit hare belangstelling verdrongen.

“Goeden morgen, mejufvrouw,” zeide de majoor, toen hij, eenige weken na de voorvallen in het laatste hoofdstuk geboekt, jufvrouw Tox inPrincess’s Placeontmoette.—“Goeden morgen, mijnheer,” zeide jufvrouw Tox zeer koel.—“Joe Bagstock, mejufvrouw,” hervatte de majoor, met zijne galanterie, “heeft sedert geruimen tijd het geluk niet gehad om voor u aan het venster te buigen, Joe is hard behandeld, mejufvrouw. Zijne zon is achter eene wolk geweest.”

Jufvrouw Tox antwoordde met eene hoofdbuiging maar zeer koel.

“Joe’s gesternte is misschien uit de stad geweest, mejufvrouw,” zeide de majoor vragenderwijs.—“Ik? uit de stad? O neen, ik ben niet uit de stad geweest,” antwoordde jufvrouw Tox. “Maar ik ben toch sedert kort veel uit geweest. Mijn tijd is bijna geheel aan eenige zeerintiemevrienden gewijd. Ik vrees dat ik zelfs nu geen tijd overheb. Goeden morgen, mijnheer.”

Toen jufvrouw Tox met haar sierlijksten tred en hare bekoorlijkste houding uitPrincess’s Placeverdween, bleef de majoor haar staan nazien met een gezicht, blauwer dan ooit, onder het brommen en mompelen van eenige lang niet vleiende gezegden.

“Wel, verd … md, mijnheer,” zeide de majoor, en liet zijne bolle oogen inPrincess’s Placerondgaan, “zes maanden geleden had die vrouw den grond wel willen kussen waarover Joe Bagstock ging. Wat beduidt dat nu?”

Na eenig bedenken begreep de majoor, dat het eene listige toelaag op zijn hart beduidde, dat jufvrouw Tox hem strikken spande. “Maar ge zult Joe toch niet vangen, mejufvrouw,” zeide de majoor. “Hij is taai, mejufvrouw; J. B. is taai. Taai en verduiveld slim!” over welke gedachte hij het overige van den dag bleefgrinniken.

Maar toen die dag en nog vele andere dagen verloopen waren, scheen het toch dat jufvrouw Tox zich hoegenaamd niet om den majoor bekommerde en geheel niet aan hem dacht. Eens was zij gewoon geweest nu en dan toevallig voor een van hare donkere venstertjes te komen en den groet des majoors met een blosje te beantwoorden; maar nu gaf zij den majoor volstrekt geene gelegenheid meer daartoe, en stoorde zij er zich geheel niet aan of hij naar den overkant keek of niet. Nog andere veranderingen hadden plaats gehad. De majoor kon, in de schaduw zijner eigene kamer staande, waarnemen dat het huis van jufvrouw Tox sedert onlangs iets meer opgeschikts had gekregen; dat er eene kooi met vergulde traliën voor het oude kanarievogeltje was gekomen; dat verschillende ornamenten, uit gekleurd carton en papier geknipt, den schoorsteenmantel en de tafels schenen te versieren; dat eensklaps een paar bloemstruikjes voor de vensters waren opgegroeid; dat jufvrouw Tox nu en dan op het klavier speelde, welks krans van doperwtjes altijd pronkerig was opgeslagen, bekroond met een muziekboek, opengelegd bij ouderwetsche walsen, die jufvrouw Tox zelve had gekopieerd.

Bovenal, jufvrouw Tox was nu sedert lang buitengewoon elegant in lichten rouw gekleed.[45]Maar dit hielp den majoor uit zijne verlegenheid, en hij begreep dat zij een legaatje had gekregen en trotsch was geworden.

Het was des anderen daags nadat hij zijn gemoed had verruimd door tot dit besluit te komen, dat de majoor, aan zijn ontbijt gezeten, in de voorkamer van jufvrouw Tox eene verschijning zag, zoo verbazend en geducht, dat hij eene poos op zijn stoel geworteld bleef, en toen, naar de naaste kamer snellende, met een dubbelen tooneelkijker terugkwam, waardoor hij die verschijning eene poos oplettend beschouwde.

“Het is een kind, een bakerkindje, mijnheer,” zeide de majoor, den kijker weder inschuivende; “daarop wil ik vijftig duizend pond verwedden.”

De majoor kon dit niet vergeten. Hij kon niets anders doen dan fluiten en zoodanig staren, dat zijne oogen, bij hun tegenwoordigen staat vergeleken, voorheen hol en ingezonken waren geweest. Dag na dag, twee-, drie-, viermaal in de week, verscheen dit kind alweder. De majoor bleef staren en fluiten. Anders had hij niets meer te doen. Jufvrouw Tox lette geheel niet meer op hem. Hij had evengoed zwart als blauw kunnen zijn, en zij zou het zich niet hebben aangetrokken.

De volharding waarmede zij uitging om dit kind en de draagster te halen, en daarmede uit wandelen ging, en er weder mede terugkwam, en er gedurig de wacht over hield; en de volharding waarmede zij hetzelve verschoonde, en eten gaf, en er mee speelde, en zijn jeugdig bloed door airtjes op het klavier deed stollen, was iets buitengemeens. Te gelijker tijd werd zij aangetast door eene zucht om zekeren armband te bekijken, alsmede door eene zucht om naar de maan te turen, waarop zij uit haar venster lange waarnemingen deed. Maar waar zij ook naar keek, naar zon, maan, sterren of armbanden, zij keek niet meer naar den majoor. En de majoor floot en staarde, en drentelde in zijne kamer rond, en kon er niet wijs uit worden.

“Gij zult heel en al mijn broeder Paul’s hart winnen, dat is de waarheid, lieve vriendin,” zeide mevrouw Chick eens.

Jufvrouw Tox verbleekte.

“Hij begint met elken dag meer op Paul te gelijken,” zeide mevrouw Chick.

Jufvrouw Tox gaf geen antwoord dan door kleinen Paul in hare armen te nemen, en den strik op zijn mutsje met hare liefkoozingen geheel plat te drukken.

“Zijne moeder, lieve,” zeide jufvrouw Tox, “met wie ik door u in kennis zou gebracht zijn, gelijkt hij ook eenigszins op haar?”—“Geheel niet,” antwoordde Louise.—“Zij was—zij was mooi, geloof ik?” stamelde jufvrouw Tox.—“Ja, die arme lieve Fanny was wel interessant,” zeide mevrouw Chick, na rijp overleg. “Zekerlijk interessant. Maar zij had dat air van iets verhevens en gebiedends niet, dat men eenigermate, bijna als iets natuurlijks, bij mijn broeders vrouw zou verwacht hebben, en had ook de geestkracht niet die zulk een man verlangt.”

Jufvrouw Tox slaakte een zwaren zucht.

“Maar zij was zeer innemend,” zeide mevrouw Chick, “buitengemeen. En zij meende het—och lieve, die arme Fanny meende het zoo goed!”—“Gij engeltje!” riep jufvrouw Tox den kleinen Paul toe. “Gij schilderijtje van uw eigen papa!”

Indien de majoor had kunnen weten hoevele wenschen en uitzichten, welk eene menigte van plannen en berekeningen op dat kinderhoofdje gevestigd waren; en ze in een bonten drom om het geborduurde mutsje van den nog geheel argeloozen kleinen Paul had kunnen zien zweven, dan had hij wel mogen staren. Dan had hij onder dien drom eenige zonnestofjes kunnen herkennen, die aan jufvrouw Tox behoorden; dan zou hij misschien begrepen hebben naar welke soort van compagnieschap met de firma Dombey en Zoon die dame verlangde.

Als het kind zelf, des nachts wakker wordende, om zijn bedje de flauwe afspiegelingen had kunnen zien van de droomen, die anderen van hem hadden, had hij er wel bang van mogen worden. Maar hij sluimerde voort, evenzeer onbewust van de goede voornemens van jufvrouw Tox, de verwondering van den majoor, het jeugdig harteleed zijner zuster en de ernstiger hersenschimmen van zijn vader, onbewust zelfs dat er ergens op de wereld een Dombey of een Zoon bestond.


Back to IndexNext