[Inhoud]XL.HUISELIJKE BETREKKINGEN.Het lag niet in den aard der zaak dat een man als Dombey, tegen zulk een geest overgesteld als hij tegen zich had opgeroepen, de heerschzuchtige stroefheid van zijn karakter eenigszins zou verzachten; of de koude, harde wapenrusting van trotschheid, die hij bestendig droeg, buigzamer zou worden door het gedurig stooten tegen trotsche minachting en uitdagenden hoon. Het is de vloek van zulk een karakter—het is een voornaam gedeelte van de straf over zich zelf die het medebrengt— dat, terwijl eerbied en onderdanigheid de slechte eigenschappen daarvan doen toenemen, en een voedsel zijn waarvan het groeit, tegenstand en onwil om zijne eischen in te willigen het niet minder aankweeken. Het kwaad, dat het in zich heeft, vindt in beide gevallen evenzeer middelen om te groeien en zich uit te breiden. Het zuigt uit het zoete en het bittere evenzeer leven en kracht; gevleid of onerkend beheerscht het toch het hart, waarin het zijn troon heeft gevestigd, hoe langer hoe meer; aangebeden of verworpen is het toch een even hard meester als de duivel in bijgeloovige fabelen is.Jegens zijne eerste vrouw had Dombey zich, in zijne koude trotsche laatdunkendheid, gedragen als het hoog verhevene wezen, dat hij zich bijna verbeeldde te zijn. Hij was, toen zij hem voor de eerste maal zag, “mijnheer Dombey” geweest, en hij was nog “mijnheer Dombey” toen zij stierf. Gedurende hun huwelijksleven had hij zijne grootheid doen gelden, en had zij die ootmoedig erkend. Hij was boven op zijn troon in staatsie blijven zitten, en zij had nederig op den laagsten trap gestaan; en veel goed had het hem gedaan, zoo in eenzame slavernij onder zijn heerschend denkbeeld te leven. Hij had zich verbeeld dat het trotsche karakter zijner tweede vrouw zich aan het zijne zou hebben aangesloten—daarin verzwolgen zijn geworden en zijne grootheid nog verhoogd zou hebben. Hij had zich voorgesteld nog trotscher dan ooit te zullen zijn, als Edith’s trotschheid de zijne dienstbaar was. Hij had zich nooit de mogelijkheid voorgesteld dat die tegen hem in de wapens zou komen. En nu hij die trotschheid op elken stap van zijn dagelijksch leven in zijn weg zag oprijzen en een kouden, uitdagenden, verachtelijken blik op hem vestigen, was het gevolg, dat zijn trots, in plaats van te verwelken of het hoofd te laten hangen, nieuwe wortelen schoot, nog krachtiger, bitterder, somberder, wreveliger en onbuigzamer werd, dan hij ooit te voren geweest was.Hij, die zulk eene wapenrusting draagt, draagt nog eene zware vergelding met zich mede. Die rusting is bestand tegen verzoening, liefde en vertrouwen, tegen alle zachte sympathie, alle teederheid, alle streelende aandoening; maar voor diepe wonden der eigenliefde is zij even kwetsbaar als de bloote borst voor het staal; en zulke kwaadaardige, pijnlijke zweren blijven daarvan achter, als op geene andere wonden volgen, zelfs niet op die, welke door den ijzeren handschoen des hoogmoeds zelven een zwakker trots worden toegebracht, die ontwapend en neergeworpen is.Zulke wonden droeg hij nu om. Hij voelde ze pijnlijk in de eenzaamheid zijner oude kamers, waarin hij zich nu weder dikwijls begon af te zonderen en lange uren te slijten. Het scheen zijn noodlot te zijn altijd trotsch en[279]machtig te zijn; en toch altijd vernederd en machteloos waar hij sterkst wilde wezen. Wie scheen bestemd om dat vonnis des noodlots te voltrekken?Wie? Wie was het, die zijne vrouw kon winnen, gelijk zij zijn zoon gewonnen had! Wie was het, die hem deze nieuwe overwinning had getoond, toen hij in dien donkeren hoek zat! Wie was het, wier minste woord deed wat zijne uiterste middelen niet konden doen! Wie was het, die, ongeholpen door zijne liefde, gunst of zorg, welvarend bleef en schoon werd, terwijl diegenen, die zoo geholpen werden, stierven! Wie kon het anders zijn dan hetzelfde kind, waarnaar hij in hare moederlooze kindsheid zoo menigen onrustigen blik had geworpen, met eene soort van vrees, dat hij er eens toe komen zou om haar te haten; en van wie dit voorgevoel vervuld was, want hij haatte haar nu in zijn hart.Ja, hij wilde haar haten, en hij haatte haar, schoon er nu en dan nog een glans van het licht, waarin zij voor hem verschenen was op den gedenkwaardigen avond toen hij met zijne bruid thuis kwam, om haar heen zweefde. Hij wist nu dat zij schoon was, hij sprak het niet tegen dat zij bevallig en innemend was, en dat zij hem in den helderen dageraad van haar vrouwelijken leeftijd als eene verrassing voor de oogen was gekomen. Maar zelfs dit keerde hij tegen haar. In zijn wrevelig naargeestig gemijmer maakte de ongelukkige, met een dof gevoel, dat alle harten van hem vervreemd waren, en een onbestemd verlangen naar datgene, wat hij al zijn leven had teruggestooten, zich eene overdrevene voorstelling van zijne rechten en van het ongelijk dat hem werd aangedaan, en daarmede rechtvaardigde hij zich zelven tegenover haar. Hoe meer zij zijner waardig beloofde te worden, des te grooter eisch had hij op hare gehechtheid en onderwerping. Wanneer had zij hem ooit gehechtheid of onderwerping getoond? Veraangenaamde zij zijn leven—of dat van Edith? Had zij hare innemende eigenschappen het eerst aan hem geopenbaard—of aan Edith? Wel—hij en zij waren, van hare geboorte af, nooit als vader en dochter geweest! Zij waren altijd vervreemd geweest. Zij had hem altijd en overal gedwarsboomd. Zij spande nu tegen hem samen. Hare schoonheid zelfs verzachtte gemoederen, die voor hem verhard bleven, en beleedigde hem met eene onnatuurlijke zegepraal.Het kon zijn dat dit alles het gefluister van een in zijn hart ontwakend gevoel was, hoewel dit slechts door zijne zelfzucht werd opgewekt, als hij zijn toestand vergeleek bij datgene waartoe zij zijn leven had kunnen maken. Maar hij bracht de zachte stem van dit gevoel door het gebulder zijner zee van hoogmoed tot zwijgen. Hij wilde niets hooren dan zijn trots, en in zijn trots, vol tegenstrijdigheden en martelingen, haatte hij haar.Tegen den stuurschen, koppigen, norschen duivel, die hem beheerschte, stelde zijne vrouw haar geheel anderen trots in volle kracht over. Zij hadden nooit een gelukkig leven met elkander kunnen leiden; maar niets had hen ongelukkiger kunnen maken dan de hardnekkige strijd tusschen zulke elementen. Zijn trots was er op gesteld om zijne verhevene opperheerschappij te handhaven en haar tot erkentenis daarvan te noodzaken. Zij had zich dood laten martelen, en zou hem tot op het laatst met haar trotschen blik van kalme, onverschillige minachting hebben aangezien. Zulk eene erkentenis van Edith! Hij wist weinig door welk een zielestrijd zij zich had moeten doorworstelen eer zij zich dwingen kon om de eer van zijne hand aan te nemen! Hij wist weinig hoeveel zij meende te hebben opgeofferd toen zij hem toeliet om haar zijne vrouw te noemen!Dombey nam zich voor om haar te toonen, dat hij oppermachtig was. Er moest geen wil bestaan dan de zijne. Trotsch verlangde hij dat zij zou zijn, maar zij moest vóór, niet tegen hem trotsch wezen. Terwijl hij zich alleen zat te verharden, hoorde hij haar dikwijls uitgaan en thuis komen, in den kring van het leven inLondenrondzwieren, zonder zich meer om zijn goedvinden of niet goedvinden, zijn genoegen of ongenoegen te bekommeren, dan alsof hij haar rijknecht was geweest. Hare koude, fiere onverschilligheid—zijne eigene eigenschap, die zij zich aanmatigde—kwetste hem dieper dan eenige andere soort van behandeling kon gedaan hebben; en hij besloot haar naar zijn verheven en statelijken wil te buigen.Hij had zich lang met deze gedachten bezig gehouden, toen hij haar op een avond in hare eigene kamer ging opzoeken, nadat hij haar laat had hooren thuis komen. Zij was alleen, in hare schitterende kleeding, en was pas een oogenblik te voren uit de kamer harer moeder gekomen. Haar gezicht stond zwaarmoedig en peinzend, toen hij binnentrad; maar het lette dadelijk op hem toen hij de deur inkwam; want in den spiegel ziende, waarvoor zij stond, zag hij terstond, als in de lijst eener schilderij, het betrokken voorhoofd en de benevelde schoonheid, die hij zoo wel kende.“Mevrouw Dombey,” zeide hij, binnenkomende, “ik moet eenige woorden met u verzoeken.”—“Morgen,” antwoordde zij.—“Geen tijd zoo goed als nu, mevrouw,” hervatte hij. “Gij vergist u in uwe positie. Ik ben gewoon mijn eigen tijd te kiezen, niet dien voor mij te laten kiezen. Ik denk dat gij niet goed begrijpt wie of wat ik ben, mevrouw Dombey.”—“Ik denk,” antwoordde zij, “dat ik u zeer wel begrijp.”Dit zeggende zag zij hem aan, en hare blanke,[280]van goud en juweelen schitterende armen over hare borst kruisende, keerde zij hare oogen af.Indien zij minder schoon was geweest, en minder statig met hare koude bedaardheid, zou zij misschien het vermogen niet gehad hebben, om hem dat gevoel van minderheid in te boezemen, dat door zijn stugsten trots heendrong. Maar zij had dit vermogen, en hij gevoelde dit levendig. Hij wierp een blik door de kamer, en zag hoe de prachtigste voorwerpen van kleeding en opschik achteloos hier en daar verstrooid waren; niet uit enkele grilligheid en zorgeloosheid (of zoo, dacht hij), maar met opzettelijke, trotsche minachting voor al dat kostbare:—en gevoelde het meer en meer. Kunstbloemen, vederen, juweelen, kanten en satijn; waar hij zich wendde zag hij schatten met verachting neergeworpen. Zelfs de diamanten—een bruidsgeschenk—die met hare ongeduldig zwoegende borst rezen en daalden, schenen te hijgen om de keten te breken, die ze om haar hals sloot, en over den vloer te rollen, waar zij ze kon vertrappen.Hij gevoelde zijne vernedering, en hij toonde dit. Zoo plechtstatig en zoo vreemd onder dien rijkdom van kleuren en weelderigen glans, zoo vreemd en stijf voor de trotsche meesteres daarvan, wier terugstootende schoonheid door alles in het rond werd herhaald en teruggekaatst, gelijk in zoovele stukken van een gebroken spiegel, was hij zich bewust van zijne verlegenheid en linksheid. Alles wat hare onverschillige kalmte dienstbaar was, moest hem kwetsen. Op zich zelven verstoord, zette hij zich neer, en vervolgde, nog slechter in zijn humeur:“Mevrouw Dombey, het is zeer noodig dat het tot eene opheldering tusschen ons komt. Uw gedrag behaagt mij niet, mevrouw.”Zij zag hem slechts even aan, en wendde hare oogen wederom af; maar zij had een uur lang kunnen spreken, zonder zooveel uit te drukken.“Ik herhaal, mevrouw Dombey—behaagt mij niet. Ik heb reeds eene gelegenheid waargenomen, om te verzoeken het te veranderen. Nu beveel ik dat.”—“Gij hebt eene gepaste gelegenheid voor uwe eerste vermaning gekozen, mijnheer, en kiest eene gepaste manier en gepaste woorden voor uwe tweede.Gijbeveelt!Mij!”—“Mevrouw,” zeide Dombey, met zijne hatelijkste statigheid, “ik heb u tot mijne vrouw gemaakt. Gij draagt mijn naam. Gij staat met mijne positie en reputatie in betrekking. Ik wil niet zeggen dat de wereld over het algemeen genegen is om te denken, dat die betrekking eene eer voor u moet zijn; maar ik wil zeggen, dat ik gewoon ben mijne betrekkingen en ondergeschikten te bevelen.”—“Voor wat van die twee zal het u believen mij te houden?” vroeg zij.—“Misschien zal ik denken dat mijne vrouw aan beide eigenschappen deel moet hebben—of werkelijk deel heeft, en niet anders kan, mevrouw Dombey.”Zij zag hem strak aan en kneep hare bevende lippen dicht. Hij zag hare wangen gloeien en daarna verbleeken. Dat alles zag hij; maar hij kon het ééne woord niet hooren, dat in het binnenste van haar hart gefluisterd werd om haar stil te doen blijven; en dat woord was Florence.Blinde dwaas, die naar den rand van een afgrond snelde! Hij dacht dat zij bang voorhemwas!“Gij zijt al te kostbaar, mevrouw,” zeide Dombey. “Gij zijt buitensporig. Gij verspilt veel geld—of wat veel geld zou zijn voor de beurs van de meeste heeren—om in eene soort van kring te verkeeren die mij nutteloos is, eigenlijk, over het geheel, mij onaangenaam is. Ik moet op eene volslagene verandering in al deze opzichten aandringen. Ik weet, dat door het nieuwe om een tiende van zulke middelen te bezitten als de fortuin tot uwe beschikking heeft gesteld, dames zeer licht tot een uiterste overgaan. Maar er is nu meer dan genoeg van dat uiterste geweest. Ik verzoek, dat de geheel andere ondervinding van mevrouw Granger nu mevrouw Dombey tot leering zal dienen.”Nog de strakke blik, de bevende lippen, de zwoegende borst, de nu gloeiende dan bleeke wangen; en nog het gefluister van Florence, Florence, dat in het kloppen van haar hart tot haar sprak.Zijne onbeschofte laatdunkendheid zwol nog meer op, toen hij deze verandering bij haar zag. Gezwollen niet minder door hare vroegere minachting voor hem en de pas gevoelde vernedering, dan door hare tegenwoordige onderwerping (naar hij dacht), werd die laatdunkendheid te groot voor zijne borst en verbrak zij alle perken. Wel zeker—wie kon lang zijn wil en welbehagen wederstaan! Hij had besloten haar te overmeesteren, en zie daar nu!“Het zal u verder believen, mevrouw,” zeide Dombey, op een toon van oppermachtig bevel, “om dadelijk te verstaan, dat men mij behoort te respecteeren en te gehoorzamen. Dat men voor de wereld behoort te toonen en te bekennen dat men mij achting toedraagt en ontziet, mevrouw. Daaraan ben ik gewoon. Dat eisch ik als een recht. Kortom, ik wil het zoo. Ik beschouw dit als geene onbillijke beantwoording van de verhooging in de maatschappij die u te beurt gevallen is; en ik geloof dat niemand er zich over zal verwonderen, dat dit van u gevorderd wordt, of dat gij het bewijst. Aan mij—aan mij!” voegde hij er met nadruk bij.Geen woord van haar; geene verandering in haar; hare oogen op hem gevestigd.“Ik heb van uwe moeder vernomen, mevrouw Dombey,” zeide Dombey, met de deftigheid van een rechter, “wat gij zonder twijfel ook weet,[281]namelijk datBrightonvoor hare gezondheid wordt aangeraden. Mijnheer Carker is zoo goed geweest.…”Zij veranderde op eens. Haar gezicht en hare borst gloeiden, alsof het roode licht eener toornig ondergaande zon ze bescheen. Deze verandering niet onopgemerkt latende, en ze op zijne eigene manier uitleggende, vervolgde Dombey:“Mijnheer Carker is zoo goed geweest om daarheen te gaan en voor eenigen tijd een huis te huren. Wanneer het huishouden weder naarLondenkomt, zullen tot bestuur daarvan zulke maatregelen genomen worden, als ik noodig acht. Daaronder zal behooren, dat eene zeer fatsoenlijke, maar tot armoede vervallene persoon, zekere mevrouw Pipchin, die vroeger een post van vertrouwen in mijne familie heeft bekleed, en teBrightonwoont, zoo mogelijk, als huishoudster zal worden aangenomen. Een huishouden gelijk dit, mevrouw Dombey, dat slechts in naam een hoofd heeft, behoort een meer bevoegd hoofd te krijgen.”“Zult gij dan van uwe vlag gaan deserteeren, jongetje?” zeide de kapitein, na hem lang in het gezicht te hebben gekeken. (blz. 272).“Zult gij dan van uwe vlag gaan deserteeren, jongetje?” zeide de kapitein, na hem lang in het gezicht te hebben gekeken.(blz. 272).Zij was, eer hij tot deze woorden kwam, van houding veranderd, en zat nu—hem nog strak aanziende—een bracelet aan haar arm om en om te draaien, niet los en zacht, maar klemmend en schurend over de zachte huid, tot de blanke arm eene roode streep vertoonde.“Ik heb,” zeide Dombey—“en dit maakt het slot uit van hetgeen ik noodig acht u thans te zeggen, mevrouw Dombey—ik heb een oogenblik geleden opgemerkt, mevrouw, dat mijne vermelding van mijnheer Carker op eene bijzondere manier werd opgenomen. Bij gelegenheid dat ik u, in het bijzijn van dien vertrouwden gelastigde van mij, de aanmerkingen mededeelde, die ik had tegen de manier waarop mijne gasten door u werden ontvangen, beliefde het u bezwaar tegen zijne tegenwoordigheid te maken. Gij zult dat bezwaar te boven moeten komen, mevrouw, en er u waarschijnlijk bij vele dergelijke gelegenheden aan gewennen; tenzij gij daartegen het middel gebruikt, dat gij in uwe macht hebt, namelijk om mij geene reden van klagen te geven. Mijnheer Carker,” zeide Dombey, die na de gemoedsbeweging, welke hij zoo even gezien had, groote waarde hechtte aan dit middel om zijne trotsche vrouw te doen zwichten, en misschien ook wel gaarne zijne macht voor dien heer in een nieuw licht wilde ten toon spreiden, “mijnheer Carker is in mijn vertrouwen, mevrouw Dombey, en mag dus zeer wel tot zoo verre in het uwe zijn. Ik hoop,” vervolgde hij, na eene korte poos, waarin[282]hij, met stijgenden trots, zijn denkbeeld nog wat meer had uitgewerkt, “dat ik het niet noodig zal vinden mijnheer Carker ooit eene boodschap van bezwaar of berisping tegen u toe te vertrouwen; maar daar het beneden mijne positie en reputatie zou zijn, dikwijls beuzelachtige geschillen te hebben met eene dame, aan welke ik de hoogste onderscheiding heb bewezen die in mijn vermogen is, zal ik niet schroomen van zijne diensten gebruik te maken, als ik daartoe reden zie.”—“En nu,” dacht hij, met al zijne deftigheid opstaande, stijver en ongenaakbaarder dan ooit, “kent ze mij en mijn besluit.”De hand, die den bracelet zoo had omgedraaid, lag zwaar op hare borst, maar zij zag hem nog aan, met een onveranderd gezicht, en zeide met eene zachte stem:“Wacht! Om Gods wil! Ik moet u spreken!”Waarom sprak zij niet, en van welken aard was die inwendige strijd, welke haar daartoe eenige minuten lang buiten staat stelde, terwijl haar gezicht, in het bedwang dat zij zich aandeed, zoo strak bleef als dat van een steenen beeld, en hem aanzag, noch zwichtend, noch uitdagend, met genegenheid noch haat, met trots noch nederigheid; met niets anders dan een doordringend starenden blik.“Heb ik u ooit uitgelokt om mijne hand te vragen? Heb ik eenige kunstgreep gebruikt om u in te nemen? Ben ik ooit vriendelijker voor u geweest toen ik door u werd aangezocht, dan ik sedert ons huwelijk geweest ben? Ben ik ooit anders voor u geweest dan ik nu ben?”—“Het is geheel noodeloos, mevrouw,” antwoordde Dombey, “in zulk eene woordenwisseling te treden.”—“Denkt gij dat ik u liefhad? Wist gij niet van neen? Hebt gij u ooit om mijn hart bekommerd, man, of u voorgesteld dat ding zonder waarde te winnen? Heeft er bij ons koopcontract eenige valschheid plaats gehad? Van uw kant of van den mijnen?”—“Deze vragen,” zeide Dombey, “zijn allen geheel nutteloos, mevrouw.”Zij stapte tusschen hem en de deur, om te verhinderen dat hij heenging, en hare trotsche gestalte hoog oprichtende, zag zij hem nog strak aan.“Gij beantwoordt ze allen. Gij antwoordt mij eer ik spreek, zie ik. Hoe kunt gij dat laten; gij, die de rampzalige waarheid evengoed kent als ik? Zeg mij nu. Als ik u tot aanbiddens toe liefhad, zou ik dan meer kunnen doen dan geheel mijn wil en wezen aan u overgeven, gelijk gij daar zoo even gevorderd hebt? Als mijn hart geheel rein was en gij de afgod daarvan, kondt gij dan meer vragen—kondt gij dan meer verkrijgen?”—“Mogelijk wel neen, mevrouw,” antwoordde hij koel.—“Gij weet hoe geheel anders ik ben. Gij ziet mij u aanzien, en kunt de warmte der liefde voor u lezen, die van mijn gezicht afstraalt.” Geen optrekken der trotsche bovenlip, geene flikkering van het donkere oog, niets dan dezelfde, strakke, doordringende blik vergezelde deze woorden. “Gij kent over het geheel mijne geschiedenis. Gij hebt van mijne moeder gesproken. Denkt gij dat gij mij door vernedering of dwang tot onderwerping en gehoorzaamheid kunt brengen, mij kunt buigen of breken?”Dombey glimlachte, gelijk hij had kunnen glimlachen op de vraag of hij tien duizend pond beschikbaar had.“Als hier iets ongewoons is,” zeide zij, even hare hand voor haar gezicht bewegende, dat geen oogenblik dat strakke staren naliet, dat anders niets uitdrukte, “gelijk ik weet dat hier een ongewoon gevoel is,” daarbij hief zij de hand op, die hare borst drukte, en liet ze zwaar weder zinken, “bedenk dan dat de bede, die ik u doen zal, geene gewone beteekenis heeft. Ja, want ik ga u eene bede doen,” zeide zij snel, als tot antwoord op iets in zijn gezicht.Met eene goedgunstige buiging van zijne kin, die zijne stijve das deed kraken, zette Dombey zich op eene sofa, die dicht bij hem stond, om de bede te hooren.“Als gij gelooven kunt dat ik tegenwoordig van zulk een karakter ben”—hij verbeeldde zich dat hij tranen in hare oogen zag, en dacht, met welgevallen, dat hij ze haar had afgeperst, hoewel er geen traan over hare wang rolde, en zij hem even strak aanzag als ooit,—“dat datgene, wat ik nu zeg, mij zelve bijna ongeloofelijk voorkomt,—zoo gezegd tot een man die mijn man is geworden, maar vooral tot u—zult gij er misschien meer gewicht aan hechten. In het ongeluk, dat voor ons aanstaande is, zullen wij niet alleen ons zelven wikkelen (dat zou misschien niet veel beteekenen) maar ook anderen.”Anderen! Hij wist wel op wie dit woord doelde en trok zijne wenkbrauwen samen.“Ik spreek tot u, ter wille van anderen. Maar ook om uwentwil en mijnentwil. Sedert ons huwelijk zijt gij arrogant voor mij geweest; en ik heb u met gelijke munt betaald. Gij hebt mij en ieder om ons heen elken dag en ieder uur getoond, dat gij mij door de verbintenis met u ten hoogste vereerd acht. Ik denk zoo niet, en heb dat insgelijks getoond. Het schijnt dat gij niet begrijpt, of (zoover uwe macht reikt) niet wilt, dat wij ieder onzen eigen weg gaan; en in plaats daarvan eene hulde van mij verwacht, die gij nooit zult krijgen.”Hoewel haar gezicht nog hetzelfde bleef, was toch zelfs hare ademhaling eene nadrukkelijke bevestiging van dat “nooit.”—“Ik gevoel geene teerheid voor u, dat weet gij. Gij zoudt er niet om geven, al deed ik dat, of kon ik dat. Ik weet evengoed dat gij ze niet voor mij gevoelt. Maar wij zijn aan elkander geboeid, en aan de keten, die ons bindt, zijn, gelijk ik gezegd heb,[283]ook anderen gesloten. Wij moeten beide sterven, wij staan beide reeds met de dooden in betrekking, ieder door een klein kind. Laten wij elkander wederkeerig ontzien.”Dombey haalde eens diep adem, als wilde hij zeggen: O, was dat alles waarop het neerkwam!“Er zijn geene schatten,” vervolgde zij, bleeker wordende, terwijl hare oogen, door hunne strakheid, nog meer glans verkregen, “die deze woorden en de beteekenis, die zij hebben, van mij konden koopen. Eens als ijdele klanken verworpen, kan geen geld of macht ze terugbrengen. Ik meen ze; ik heb ze gewogen; ik zal trouw zijn aan hetgeen ik op mij neem. Als gij beloven wilt mij van uw kant te ontzien, wil ik beloven u van mijn kant te ontzien. Wij zijn een allerongelukkigst paar, waarbij, door verschillende oorzaken, ieder gevoel, dat het huwelijk gelukkig of dragelijk maakt, is uitgeroeid; maar door verloop van tijd kan er nog eenige vriendschap, of eenige geschiktheid voor elkander, tusschen ons ontstaan. Ik wil dat pogen te hopen, als gij dat ook wilt doen; en ik wil vooruitzien naar een beter en gelukkiger gebruik van mijn ouderdom, dan ik van mijne jeugd en het beste van mijn leven heb gemaakt.”Zij had met eene zachte, duidelijke stem gesproken, die niet rees of daalde; toen zij ophield, liet zij de hand zinken, waarmede zij zich gedwongen had om zoo hartstochteloos en duidelijk te zijn, maar niet de oogen waarmede zij hem zoo strak aanzag.“Mevrouw,” zeide Dombey, met zijne grootste deftigheid, “ik kan een voorstel van zulk een buitengewonen aard zelfs niet in overweging nemen.”Zij zag hem nog aan, zonder de minste verandering.“Ik kan,” zeide Dombey, onder het spreken opstaande, “niet bewilligen om met u te temporiseeren of te onderhandelen, mevrouw Dombey, over iets waaromtrent u mijne gevoelens en verwachtingen zijn kenbaar gemaakt. Ik heb mijn ultimatum gegeven, mevrouw, en heb alleen te verzoeken dat gij dit uwe zeer ernstige aandacht verleent.”Dat gezicht de oude uitdrukking weder te zien aannemen, nog veel krachtiger dan te voren! Die oogen te zien afwenden als van een afzichtelijk en hatelijk voorwerp! Dat trotsche voorhoofd te zien betrekken! Verachting, gramschap, verontwaardiging en afschuw te zien uitblinken, en dien bleeken strakken ernst als een nevel te zien verdwijnen! Hij kon niet nalaten dit te zien, hoewel hij met ontzetting toezag.“Ga, mijnheer!” zeide zij, met eene gebiedende hand naar de deur wijzende. “Onze eerste en laatste vertrouwelijkheid is ten einde. Niets kan ons vreemder voor elkander maken dan wij voortaan zijn.”—“Ik zal doen wat mij voegzaam en raadzaam voorkomt, mevrouw,” zeide Dombey, “zonder mij, daarvan kunt gij zeker zijn, door algemeene declamatiën te laten afschrikken.”Zij keerde hem haar rug toe, en zette zich, zonder antwoord te geven, voor haar spiegel neer.“Ik vertrouw dat gij uw plicht beter zult leeren inzien, in eene betere stemming komen en u beter bedenken, mevrouw,” zeide Dombey.Zij sprak geen woord. Hij zag in haar spiegel even weinig uitdrukking, zij scheen hem even weinig op te merken, als ware hij eene ongeziene spinnekop aan den wand, of eene zwarte tor op den vloer geweest, of liever als ware hij een van beide geweest, door haar gezien, vertrapt en vergeten bij het andere doode ongedierte op den grond.Hij zag om, toen hij de deur uitging, naar het prachtige, helder verlichte vertrek, naar al het schitterende dat daar prijkte, naar de gestalte van Edith, zoo rijk gekleed voor den spiegel gezeten, en naar het gezicht van Edith gelijk die spiegel het hem voorhield; en begaf zich naar zijne oude kamer van gepeinzen, in zijn geest een levendig tafereel van dat alles medenemende, waarbij te gelijk op eene onverklaarbare manier de zonderlinge gedachte bij hem opkwam (gelijk zoo iets iemand somtijds in het hoofd komt) hoe dat alles er zou uitzien als hij het de volgende maal zag.Voor het overige was Dombey zeer stroef, zeer deftig, en vast overtuigd dat hij zijn oogmerk zou volvoeren; en dit bleef hij.Hij was niet voornemens de familie naarBrightonte vergezellen; maar bij het ontbijt op den ochtend van het vertrek, dat een paar dagen later plaats had, onderrichtte hij Cleopatra zeer vriendelijk, dat men spoedig een bezoek van hem kon verwachten. Er moest geen tijd verzuimd worden om Cleopatra ergens heen te brengen, waar men het gezond voor haar achtte; want zij scheen spoedig geheel in stof te zullen vallen.Zonder een bepaalden tweeden aanval van hare kwaal gehad te hebben, scheen de oude vrouw sedert in beterschap achteruit te zijn gekropen. Zij was nog magerder en meer verschrompeld, nog ongestadiger en suffer, en in hare gedachten en haar geheugen heerschte nog vreemder verwarring. Onder de blijken van die verwarring behoorde ook, dat zij tot de gewoonte verviel om de namen harer twee schoonzonen, van den levenden en den dooden, te verwisselen of te zamen te voegen, en Dombey meestal “Grangeby” of “Domber” noemde.Maar zij was toch nog jeugdig, zeer jeugdig; en in hare jeugdigheid verscheen zij aan het ontbijt, eer zij vertrok, met een nieuw en zeer luchtig hoedje, en een reisgewaad, geborduurd[284]en met tressen bezet als ware zij een kind dat pas uit de lange kleeren kwam. Het was nu niet gemakkelijk haar dat luchtige hoedje op te zetten, of het achter haar beverig hoofd op zijne plaats te houden als zij het ophad. Het zat niet alleen altijd scheef, maar moest ook nog gedurig op den bol getikt worden door Flowers de kamenier, welke, om dezen dienst te verrichten, gedurende het ontbijt achter hare meesteres bleef.“Nu, mijn allerliefste Grangeby,” zeide mevrouw Skewton, “moet ge mij stellig bel,” zij brak sommige woorden af en sloeg andere geheel over. “Om gauw eens bij ons te komen.”—“Ik heb zoo even gezegd, mevrouw,” antwoordde Dombey, luid en langzaam, “dat ik over een dag of twee zal komen.”—“Zegen u, Domber.”De majoor, die afscheid van de dames kwam nemen, en door zijne beroerteachtige oogen, met de belangelooze kalmte van een onsterfelijk wezen, naar mevrouw Skewton staarde, zeide nu:“Verduiveld, mevrouw, waarom vraagt gij den ouden Joe niet?”—“Wie is dat, lastige plaaggeest?” lispte Cleopatra. Maar een tik van Flowers op haar hoedje scheen haar geheugen op te schudden, en zij vervolgde: “O, gij meent u zelven, gij ondeugend schepsel!”—“Verduiveld raar, mijnheer,” fluisterde de majoor tot Dombey. “Leelijk geval! Zich nooit genoeg ingebakerd;” de majoor was tot aan zijne kin toegeknoopt. “Wel, wie zou J. B. anders met Joe meenen dan oude Joe Bagstock, Jozef, Joe, uw slaaf, mevrouw? Hier staat de man. Hier is zijn blaasbalg, mevrouw!” zeide de majoor, en gaf zich een dreunenden stomp op de borst.—“Mijne lieve Edith—Grangeby—het is toch ongelukkig,” zeide Cleopatra korzelig, “dat majoor …”—“Bagstock! J. B.!” riep de majoor, ziende dat zij naar zijn naam zocht.—“Wel, het komt er niet op aan,” zeide Cleopatra. “Edith, lieve, ge weet wel dat ik nooit kon onthouden—wat was het ook weer? Ja, iets ongemeens dat zooveel menschen naar mij willen komen zien. Ik ga toch niet voor lang heen. Ik kom terug. Zij kunnen immers wel wachten tot ik terugkom.”Dit zeggende keek Cleopatra in het rond en scheen zeer onrustig.“Ik wil geene visites hebben—ik heb geene visites noodig—een beetje rust—en dat alles—is al wat ik noodig heb. Geene leelijkerds moeten bij mij komen, eer ik die dofheid kwijt ben;” en met eene akelige poging om hare coquette maniertjes te hernemen, deed zij een stoot naar den majoor met haar waaier, maar stiet, in plaats van hem te raken, Dombey’s kopje om, dat aan een geheel anderen kant stond.Toen riep zij Withers en belastte hem om vooral te zorgen dat er eenige geringe veranderingen in hare kamer werden gemaakt, die klaar moesten zijn eer zij terugkwam, en waarvan men dadelijk werk moest maken, daar zij niet wist hoe gauw zij terugkwam, want zij had veel engagementen en was eene menigte visites schuldig. Withers ontving dezen last met gepaste onderdanigheid en gaf zijn woord voor de vervulling; maar toen hij een paar stappen achteruit was gegaan, scheen hij niet te kunnen laten den majoor op eene zonderlinge manier aan te zien, die niet laten kon Dombey eveneens aan te zien, die niet laten kon Cleopatra eveneens aan te zien, die niet laten kon met haar hoofd te schudden, zoodat haar hoedje over een oog zakte, en met haar mes en vork op haar bord te ratelen alsof zij de castagnetten speelde.Edith alleen sloeg hare oogen niet naar eenig gezicht aan tafel op, en scheen zich nooit te bevreemden over iets dat hare moeder zeide of deed. Zij luisterde naar haar onsamenhangend gepraat, of keerde ten minste haar hoofd naar haar om; antwoordde met eenige zachte woorden als dit noodig was, en stuitte haar somtijds als zij geheel in de war raakte, of bracht hare gedachten met een enkel woord naar het punt terug, van waar zij waren afgedwaald. De moeder, hoe ongestadig ook in andere opzichten, was hierin bestendig, dat zij altijd op haar lette. Zij tuurde naar het schoone gelaat, zoo ernstig en strak als marmer, nu met zekere vreesachtige bewondering, dan met eene kinderachtige poging om het tot een glimlach te bewegen, dan met spijtige tranen en een jaloersch hoofdschudden, als zij zich verbeeldde er door verwaarloosd te worden; maar altijd er door aangetrokken door iets, dat nooit het onvaste van hare andere denkbeelden vertoonde, maar haar bestendig beheerschte. Van Edith zag zij somtijds naar Florence, en van deze weder naar Edith, op eene manier die wel iets wilds had; en somtijds beproefde zij ergens anders heen te zien, als wilde zij het gezicht harer dochter ontwijken; maar zij scheen steeds genoodzaakt daartoe terug te komen, hoewel dat gezicht nooit uit eigene beweging het hare zocht.Toen het ontbijt was afgeloopen, werd mevrouw Skewton, die zich hield alsof zij meisjesachtig los op des majoors arm leunde, maar aan den anderen kant stevig door Flowers de kamenier, en van achteren door Withers werd gesteund, naar de koets geholpen, die haar, Florence en Edith naarBrightonzou brengen.“En is Jozef inderdaad verbannen?” zeide de majoor, zijn purperrood gezicht binnen het portier stekende. “Verduiveld, mevrouw, is Cleopatra zoo hardvochtig dat zij haar trouwen Antonius Bagstock verbiedt om haar te naderen?”—“Loop heen;” zeide Cleopatra. “Ik kan u niet[285]uitstaan. Gij zult mij zien als ik terugkom, als ge heel zoet zijt.”—“Zeg Jozef dat hij in hoop mag leven, mevrouw,” zeide de majoor, “of hij zal in wanhoop sterven.”Cleopatra huiverde en liet zich achteroverzakken. “Edith, lieve,” zeide zij, “zeg hem …”—“Wat?”—“Zulke ijselijke woorden,” zeide Cleopatra. “Hij gebruikt zulke ijselijke woorden.”Edith gaf hem een wenk om heen te gaan en te gelijk last om op te rijden.De afgewezen majoor keerde zich fluitend naar Dombey.“Ik zal u eens wat zeggen, mijnheer,” zeide de majoor, zeer wijdbeens staande, met de handen op den rug, “eene schoone vriendin van ons is in deWrakke-Straatgaan wonen.”—“Wat meent ge, majoor?” vroeg Dombey.—“Ik wil zeggen, Dombey,” antwoordde de majoor, “dat ge binnen kort een schoonwees zult zijn.”Dombey scheen zoo weinig smaak te hebben in deze schertsende aanduiding van hem zelven, dat de majoor, als een blijk van ernst, met een paardenkuch besloot.“Verduiveld, mijnheer,” hervatte de majoor, “er zijn geen doekjes om te winden. Joe is plomp, mijnheer. Dat is zijn aard. Als gij Joe hebben wilt, moet gij hem nemen zooals gij hem vindt; en gij zult hem een taaien, groven, ouden rekel vinden. Dombey, uwe schoonmoeder staat op sprong.”—“Ik vrees,” antwoordde Dombey zeer koel, “dat mevrouw Skewton geschokt is.”—“Geschokt, Dombey?” zeide de majoor. “Zij heeft het weg!”—“Maar afwisseling en oplettendheid kunnen nog veel doen,” zeide Dombey.—“Geloof het niet, mijnheer,” antwoordde de majoor. “Verduiveld, mijnheer, zij heeft zich nooit genoeg ingebakerd. Als iemand zich niet inbakert,” zeide de majoor, nog een knoop van zijn vest dichtmakende, “verzwakt hij zijn gestel. Maar sommige menschenwillensterven. Dat willen zij. Zij zijn koppig. Ik zal u wat zeggen, Dombey; het mag niet zoo mooi zijn, het mag niet zoo gepolijst wezen, maar een zweempje van de oud Engelsche degelijkheid van het Bagstockras, mijnheer, zou iedereen goeddoen.”Na het mededeelen van dit wetenswaardige bericht kuierde de majoor naar zijne club en bleef daar den geheelen dag zitten hijgen alsof hij ieder oogenblik eene beroerte zou krijgen.Cleopatra, nu eens gemelijk, dan weder vergenoegd, somtijds wakker, somtijds in slaap, en altijd jeugdig, kwam des avonds teBrightonaan, viel naar gewoonte in stukken en werd in bed gestopt; waar eene sombere verbeelding zich had kunnen voorstellen dat een machtiger geraamte dan de kamenier, die een geraamte had moeten zijn, de rozekleurige gordijnen bewaakte, welke men had medegenomen om haar blos te verhoogen.Het werd door een hoogen raad van dokters beslist dat zij dagelijks een toertje met rijtuig moest doen, en ook dagelijks, als zij kon, wat wandelen. Edith was gereed om haar te vergezellen—altijd gereed om haar te vergezellen met dezelfde werktuiglijke oplettendheid en onbeweeglijke schoonheid—en zij reden alleen uit; want Edith was, nu hare moeder erger werd, in het bijzijn van Florence onrustig, en zeide Florence, met een kus, dat zij liever met haar beiden alleen wilde gaan.Op zekeren dag was mevrouw Skewton in dat ongestadige, wrevelige, jaloersche humeur, dat zich onder haar herstel na het eerste toeval had ontwikkeld. Nadat zij in de koets Edith eenigen tijd stilzwijgend had zitten aanstaren, vatte zij hare hand en kuste die hartstochtelijk. Die hand werd noch gegeven noch teruggetrokken, en viel, toen zij losgelaten werd, weder neer, bijna alsof zij gevoelloos en machteloos was. Daarop begon mevrouw Skewton te grienen en te kermen, en zeide, welk eene moeder zij geweest was, en hoe zij vergeten werd. Hiermede ging zij bij grillige tusschenpoozen voort, zelfs nadat men was afgestapt, terwijl zij, door Withers en een stok gesteund, voortstrompelde, Edith naast haar ging en het rijtuig op eenigen afstand langzaam volgde.Het was een gure, betrokkene, winderige dag, en zij waren op het duin, waar men niets anders zag dan den kalen grond en de lucht. De moeder bleef, met zeker wrevelig genoegen in het eentonige harer klacht, deze nog nu en dan binnensmonds herhalen, en de trotsche gestalte harer dochter zweefde langzaam naast haar voort, toen zij, eene geringe hoogte bestegen hebbende, eensklaps twee gedaanten voor zich zagen, die zoozeer naar eene overdrevene nabootsing van hare eigene gedaanten geleken, dat Edith bleef stilstaan.Bijna gelijktijdig stonden ook die twee gedaanten stil; en diegene, welke Edith vond dat naar eene wanstaltige schaduw van hare moeder geleek, sprak ernstig tot de andere en wees met de hand naar hen. Deze scheen gezind om terug te keeren, maar de andere, in welke Edith eene genoegzame gelijkenis met haar zelve vond, om een zeer ongewoon gevoel, dat niet geheel vrij van vrees was, bij haar te doen opkomen, stapte voort, en zoo naderden zij elkander.Het meeste van het vorige had Edith opgemerkt terwijl zij voortwandelde, want zij was slechts een oogenblik blijven stilstaan. Nader komende zag zij dat die twee armoedig waren gekleed, bijna als bedelaars, en dat de jongste vrouw gebreide goederen of zoo iets te koop droeg, terwijl de oudste onbelast voortstrompelde.En toch, hoe ver beneden haar in schoonheid, houding en kleeding, kon Edith ook nu[286]niet nalaten de jongste vrouw met zich zelve te vergelijken. Misschien zag zij op haar gelaat eenige sporen van datgene wat zij wist datinhare eigene ziel school, al vertoonden er zich nog geene uitwendige blijken van; maar toen die vrouw aankwam, haar blik teruggaf, hare glanzige oogen op haar vestigde, ontwijfelbaar iets van hare eigene houding en uitzicht vertoonde en zelfs hare gedachten scheen te beantwoorden, gevoelde zij zich door eene kilheid overvallen alsof de lucht meer betrok en de wind kouder werd.Zij waren nu bij elkander. De oude vrouw hield hare hand op en bedelde bij mevrouw Skewton. De jongste bleef insgelijks staan, en zij en Edith zagen elkander in de oogen.“Wat hebt ge daar te koop?” zeide Edith.—“Dit maar,” antwoordde de vrouw, hare waren vertoonende, zonder er zelve naar te zien: “mij zelve heb ik al lang geleden verkocht.”—“Geloof haar niet, Mylady,” kraste de oude vrouw tot mevrouw Skewton. “Geloof niet wat zij zegt. Zij wil maar zoo praten. Zij is mijne mooie, onnatuurlijke dochter. Zij geeft mij niets dan verwijten, Mylady, voor al wat ik voor haar gedaan heb. Zie haar nu eens, Mylady, hoe zij hare arme moeder aankijkt.”Toen mevrouw Skewton met eene bevende hand hare beurs uithaalde en naar geld zocht, waarnaar de andere oude vrouw gretig stond te wachten—terwijl hare hoofden, door beider haast en zwakheid, bijna tegen elkander stieten, kwam Edith er tusschen.“Ik heb u meer gezien,” zeide zij, de oude vrouw aansprekende.—“Ja, Mylady,” antwoordde zij nijgende. “Daar inWarwickshire. Dien ochtend tusschen de boomen. Toen ge mij niets woudt geven. Maar die heer,hijheeft mij wat gegeven! O zegen hem, zegen hem!” mompelde de oude vrouw, hare dorre hand opstekende en akelig tegen hare dochter grijnzende.—“Gij behoeft mij niet te willen tegenhouden, Edith!” zeide mevrouw Skewton gramstorig, om afrading van haar voor te komen. “Gij weet er niets van. Ik wil mij niet laten afraden. Ik ben zeker dat dit eene brave vrouw is, en eene goede moeder.”—“Ja, Mylady, ja,” kakelde de oude vrouw, hare gretige hand uitstekende. “Bedankt, Mylady. God zegen u, Mylady. Nog zes stuivers, mijne lieve Lady, omdat gij zelf eene goede moeder zijt.”—“En die ook somtijds onnatuurlijk genoeg wordt behandeld, goede vrouw, dat verzeker ik u,” zeide mevrouw Skewton grienende. “Daar! Geef mij de hand. Gij zijt eene goede oude ziel—ook vol, hoe is het ook weer, en dat alles. Vol hartelijkheid en zoo al meer, niet waar?”—“O ja, Mylady!”—“Ja, dat geloof ik zeker; en dat is Grangeby ook, die fatsoenlijke man. Ik moet u waarlijk nog eens de hand geven. En nu kunt gij gaan; en ik hoop,” zeide mevrouw Skewton, de dochter aansprekende, “dat ge meer dankbaarheid, en natuurlijke, hoe heet het ook weer, en dat alles, zult toonen—ik heb nooit namen kunnen onthouden—want er is nooit beter moeder geweest, dan die arme oude ziel voor u geweest is. Kom, Edith!”Terwijl de ruïne van Cleopatra grienend heenwaggelde, en hare oogen afveegde, maar met voorzichtigheid om het rouge in de nabijheid te ontzien, strompelde de oude vrouw, mompelende en haar geld tellende, een anderen kant heen. Geen woord, geen gebaar was tusschen Edith en de jongere vrouw meer gewisseld, maar geen van beide had hare oogen van de andere afgewend. Zij waren tegen elkander over blijven staan tot zoolang, toen Edith, alsof zij uit een droom ontwaakte, langzaam voortging.“Ge zijt mooi,” prevelde hare schaduw, haar naziende, “maar het mooi kan ons niet redden. En ge zijt trotsch, maar trotschheid kan ons niet redden. Wij zullen elkander wel kennen, als wij elkander weerzien!”
[Inhoud]XL.HUISELIJKE BETREKKINGEN.Het lag niet in den aard der zaak dat een man als Dombey, tegen zulk een geest overgesteld als hij tegen zich had opgeroepen, de heerschzuchtige stroefheid van zijn karakter eenigszins zou verzachten; of de koude, harde wapenrusting van trotschheid, die hij bestendig droeg, buigzamer zou worden door het gedurig stooten tegen trotsche minachting en uitdagenden hoon. Het is de vloek van zulk een karakter—het is een voornaam gedeelte van de straf over zich zelf die het medebrengt— dat, terwijl eerbied en onderdanigheid de slechte eigenschappen daarvan doen toenemen, en een voedsel zijn waarvan het groeit, tegenstand en onwil om zijne eischen in te willigen het niet minder aankweeken. Het kwaad, dat het in zich heeft, vindt in beide gevallen evenzeer middelen om te groeien en zich uit te breiden. Het zuigt uit het zoete en het bittere evenzeer leven en kracht; gevleid of onerkend beheerscht het toch het hart, waarin het zijn troon heeft gevestigd, hoe langer hoe meer; aangebeden of verworpen is het toch een even hard meester als de duivel in bijgeloovige fabelen is.Jegens zijne eerste vrouw had Dombey zich, in zijne koude trotsche laatdunkendheid, gedragen als het hoog verhevene wezen, dat hij zich bijna verbeeldde te zijn. Hij was, toen zij hem voor de eerste maal zag, “mijnheer Dombey” geweest, en hij was nog “mijnheer Dombey” toen zij stierf. Gedurende hun huwelijksleven had hij zijne grootheid doen gelden, en had zij die ootmoedig erkend. Hij was boven op zijn troon in staatsie blijven zitten, en zij had nederig op den laagsten trap gestaan; en veel goed had het hem gedaan, zoo in eenzame slavernij onder zijn heerschend denkbeeld te leven. Hij had zich verbeeld dat het trotsche karakter zijner tweede vrouw zich aan het zijne zou hebben aangesloten—daarin verzwolgen zijn geworden en zijne grootheid nog verhoogd zou hebben. Hij had zich voorgesteld nog trotscher dan ooit te zullen zijn, als Edith’s trotschheid de zijne dienstbaar was. Hij had zich nooit de mogelijkheid voorgesteld dat die tegen hem in de wapens zou komen. En nu hij die trotschheid op elken stap van zijn dagelijksch leven in zijn weg zag oprijzen en een kouden, uitdagenden, verachtelijken blik op hem vestigen, was het gevolg, dat zijn trots, in plaats van te verwelken of het hoofd te laten hangen, nieuwe wortelen schoot, nog krachtiger, bitterder, somberder, wreveliger en onbuigzamer werd, dan hij ooit te voren geweest was.Hij, die zulk eene wapenrusting draagt, draagt nog eene zware vergelding met zich mede. Die rusting is bestand tegen verzoening, liefde en vertrouwen, tegen alle zachte sympathie, alle teederheid, alle streelende aandoening; maar voor diepe wonden der eigenliefde is zij even kwetsbaar als de bloote borst voor het staal; en zulke kwaadaardige, pijnlijke zweren blijven daarvan achter, als op geene andere wonden volgen, zelfs niet op die, welke door den ijzeren handschoen des hoogmoeds zelven een zwakker trots worden toegebracht, die ontwapend en neergeworpen is.Zulke wonden droeg hij nu om. Hij voelde ze pijnlijk in de eenzaamheid zijner oude kamers, waarin hij zich nu weder dikwijls begon af te zonderen en lange uren te slijten. Het scheen zijn noodlot te zijn altijd trotsch en[279]machtig te zijn; en toch altijd vernederd en machteloos waar hij sterkst wilde wezen. Wie scheen bestemd om dat vonnis des noodlots te voltrekken?Wie? Wie was het, die zijne vrouw kon winnen, gelijk zij zijn zoon gewonnen had! Wie was het, die hem deze nieuwe overwinning had getoond, toen hij in dien donkeren hoek zat! Wie was het, wier minste woord deed wat zijne uiterste middelen niet konden doen! Wie was het, die, ongeholpen door zijne liefde, gunst of zorg, welvarend bleef en schoon werd, terwijl diegenen, die zoo geholpen werden, stierven! Wie kon het anders zijn dan hetzelfde kind, waarnaar hij in hare moederlooze kindsheid zoo menigen onrustigen blik had geworpen, met eene soort van vrees, dat hij er eens toe komen zou om haar te haten; en van wie dit voorgevoel vervuld was, want hij haatte haar nu in zijn hart.Ja, hij wilde haar haten, en hij haatte haar, schoon er nu en dan nog een glans van het licht, waarin zij voor hem verschenen was op den gedenkwaardigen avond toen hij met zijne bruid thuis kwam, om haar heen zweefde. Hij wist nu dat zij schoon was, hij sprak het niet tegen dat zij bevallig en innemend was, en dat zij hem in den helderen dageraad van haar vrouwelijken leeftijd als eene verrassing voor de oogen was gekomen. Maar zelfs dit keerde hij tegen haar. In zijn wrevelig naargeestig gemijmer maakte de ongelukkige, met een dof gevoel, dat alle harten van hem vervreemd waren, en een onbestemd verlangen naar datgene, wat hij al zijn leven had teruggestooten, zich eene overdrevene voorstelling van zijne rechten en van het ongelijk dat hem werd aangedaan, en daarmede rechtvaardigde hij zich zelven tegenover haar. Hoe meer zij zijner waardig beloofde te worden, des te grooter eisch had hij op hare gehechtheid en onderwerping. Wanneer had zij hem ooit gehechtheid of onderwerping getoond? Veraangenaamde zij zijn leven—of dat van Edith? Had zij hare innemende eigenschappen het eerst aan hem geopenbaard—of aan Edith? Wel—hij en zij waren, van hare geboorte af, nooit als vader en dochter geweest! Zij waren altijd vervreemd geweest. Zij had hem altijd en overal gedwarsboomd. Zij spande nu tegen hem samen. Hare schoonheid zelfs verzachtte gemoederen, die voor hem verhard bleven, en beleedigde hem met eene onnatuurlijke zegepraal.Het kon zijn dat dit alles het gefluister van een in zijn hart ontwakend gevoel was, hoewel dit slechts door zijne zelfzucht werd opgewekt, als hij zijn toestand vergeleek bij datgene waartoe zij zijn leven had kunnen maken. Maar hij bracht de zachte stem van dit gevoel door het gebulder zijner zee van hoogmoed tot zwijgen. Hij wilde niets hooren dan zijn trots, en in zijn trots, vol tegenstrijdigheden en martelingen, haatte hij haar.Tegen den stuurschen, koppigen, norschen duivel, die hem beheerschte, stelde zijne vrouw haar geheel anderen trots in volle kracht over. Zij hadden nooit een gelukkig leven met elkander kunnen leiden; maar niets had hen ongelukkiger kunnen maken dan de hardnekkige strijd tusschen zulke elementen. Zijn trots was er op gesteld om zijne verhevene opperheerschappij te handhaven en haar tot erkentenis daarvan te noodzaken. Zij had zich dood laten martelen, en zou hem tot op het laatst met haar trotschen blik van kalme, onverschillige minachting hebben aangezien. Zulk eene erkentenis van Edith! Hij wist weinig door welk een zielestrijd zij zich had moeten doorworstelen eer zij zich dwingen kon om de eer van zijne hand aan te nemen! Hij wist weinig hoeveel zij meende te hebben opgeofferd toen zij hem toeliet om haar zijne vrouw te noemen!Dombey nam zich voor om haar te toonen, dat hij oppermachtig was. Er moest geen wil bestaan dan de zijne. Trotsch verlangde hij dat zij zou zijn, maar zij moest vóór, niet tegen hem trotsch wezen. Terwijl hij zich alleen zat te verharden, hoorde hij haar dikwijls uitgaan en thuis komen, in den kring van het leven inLondenrondzwieren, zonder zich meer om zijn goedvinden of niet goedvinden, zijn genoegen of ongenoegen te bekommeren, dan alsof hij haar rijknecht was geweest. Hare koude, fiere onverschilligheid—zijne eigene eigenschap, die zij zich aanmatigde—kwetste hem dieper dan eenige andere soort van behandeling kon gedaan hebben; en hij besloot haar naar zijn verheven en statelijken wil te buigen.Hij had zich lang met deze gedachten bezig gehouden, toen hij haar op een avond in hare eigene kamer ging opzoeken, nadat hij haar laat had hooren thuis komen. Zij was alleen, in hare schitterende kleeding, en was pas een oogenblik te voren uit de kamer harer moeder gekomen. Haar gezicht stond zwaarmoedig en peinzend, toen hij binnentrad; maar het lette dadelijk op hem toen hij de deur inkwam; want in den spiegel ziende, waarvoor zij stond, zag hij terstond, als in de lijst eener schilderij, het betrokken voorhoofd en de benevelde schoonheid, die hij zoo wel kende.“Mevrouw Dombey,” zeide hij, binnenkomende, “ik moet eenige woorden met u verzoeken.”—“Morgen,” antwoordde zij.—“Geen tijd zoo goed als nu, mevrouw,” hervatte hij. “Gij vergist u in uwe positie. Ik ben gewoon mijn eigen tijd te kiezen, niet dien voor mij te laten kiezen. Ik denk dat gij niet goed begrijpt wie of wat ik ben, mevrouw Dombey.”—“Ik denk,” antwoordde zij, “dat ik u zeer wel begrijp.”Dit zeggende zag zij hem aan, en hare blanke,[280]van goud en juweelen schitterende armen over hare borst kruisende, keerde zij hare oogen af.Indien zij minder schoon was geweest, en minder statig met hare koude bedaardheid, zou zij misschien het vermogen niet gehad hebben, om hem dat gevoel van minderheid in te boezemen, dat door zijn stugsten trots heendrong. Maar zij had dit vermogen, en hij gevoelde dit levendig. Hij wierp een blik door de kamer, en zag hoe de prachtigste voorwerpen van kleeding en opschik achteloos hier en daar verstrooid waren; niet uit enkele grilligheid en zorgeloosheid (of zoo, dacht hij), maar met opzettelijke, trotsche minachting voor al dat kostbare:—en gevoelde het meer en meer. Kunstbloemen, vederen, juweelen, kanten en satijn; waar hij zich wendde zag hij schatten met verachting neergeworpen. Zelfs de diamanten—een bruidsgeschenk—die met hare ongeduldig zwoegende borst rezen en daalden, schenen te hijgen om de keten te breken, die ze om haar hals sloot, en over den vloer te rollen, waar zij ze kon vertrappen.Hij gevoelde zijne vernedering, en hij toonde dit. Zoo plechtstatig en zoo vreemd onder dien rijkdom van kleuren en weelderigen glans, zoo vreemd en stijf voor de trotsche meesteres daarvan, wier terugstootende schoonheid door alles in het rond werd herhaald en teruggekaatst, gelijk in zoovele stukken van een gebroken spiegel, was hij zich bewust van zijne verlegenheid en linksheid. Alles wat hare onverschillige kalmte dienstbaar was, moest hem kwetsen. Op zich zelven verstoord, zette hij zich neer, en vervolgde, nog slechter in zijn humeur:“Mevrouw Dombey, het is zeer noodig dat het tot eene opheldering tusschen ons komt. Uw gedrag behaagt mij niet, mevrouw.”Zij zag hem slechts even aan, en wendde hare oogen wederom af; maar zij had een uur lang kunnen spreken, zonder zooveel uit te drukken.“Ik herhaal, mevrouw Dombey—behaagt mij niet. Ik heb reeds eene gelegenheid waargenomen, om te verzoeken het te veranderen. Nu beveel ik dat.”—“Gij hebt eene gepaste gelegenheid voor uwe eerste vermaning gekozen, mijnheer, en kiest eene gepaste manier en gepaste woorden voor uwe tweede.Gijbeveelt!Mij!”—“Mevrouw,” zeide Dombey, met zijne hatelijkste statigheid, “ik heb u tot mijne vrouw gemaakt. Gij draagt mijn naam. Gij staat met mijne positie en reputatie in betrekking. Ik wil niet zeggen dat de wereld over het algemeen genegen is om te denken, dat die betrekking eene eer voor u moet zijn; maar ik wil zeggen, dat ik gewoon ben mijne betrekkingen en ondergeschikten te bevelen.”—“Voor wat van die twee zal het u believen mij te houden?” vroeg zij.—“Misschien zal ik denken dat mijne vrouw aan beide eigenschappen deel moet hebben—of werkelijk deel heeft, en niet anders kan, mevrouw Dombey.”Zij zag hem strak aan en kneep hare bevende lippen dicht. Hij zag hare wangen gloeien en daarna verbleeken. Dat alles zag hij; maar hij kon het ééne woord niet hooren, dat in het binnenste van haar hart gefluisterd werd om haar stil te doen blijven; en dat woord was Florence.Blinde dwaas, die naar den rand van een afgrond snelde! Hij dacht dat zij bang voorhemwas!“Gij zijt al te kostbaar, mevrouw,” zeide Dombey. “Gij zijt buitensporig. Gij verspilt veel geld—of wat veel geld zou zijn voor de beurs van de meeste heeren—om in eene soort van kring te verkeeren die mij nutteloos is, eigenlijk, over het geheel, mij onaangenaam is. Ik moet op eene volslagene verandering in al deze opzichten aandringen. Ik weet, dat door het nieuwe om een tiende van zulke middelen te bezitten als de fortuin tot uwe beschikking heeft gesteld, dames zeer licht tot een uiterste overgaan. Maar er is nu meer dan genoeg van dat uiterste geweest. Ik verzoek, dat de geheel andere ondervinding van mevrouw Granger nu mevrouw Dombey tot leering zal dienen.”Nog de strakke blik, de bevende lippen, de zwoegende borst, de nu gloeiende dan bleeke wangen; en nog het gefluister van Florence, Florence, dat in het kloppen van haar hart tot haar sprak.Zijne onbeschofte laatdunkendheid zwol nog meer op, toen hij deze verandering bij haar zag. Gezwollen niet minder door hare vroegere minachting voor hem en de pas gevoelde vernedering, dan door hare tegenwoordige onderwerping (naar hij dacht), werd die laatdunkendheid te groot voor zijne borst en verbrak zij alle perken. Wel zeker—wie kon lang zijn wil en welbehagen wederstaan! Hij had besloten haar te overmeesteren, en zie daar nu!“Het zal u verder believen, mevrouw,” zeide Dombey, op een toon van oppermachtig bevel, “om dadelijk te verstaan, dat men mij behoort te respecteeren en te gehoorzamen. Dat men voor de wereld behoort te toonen en te bekennen dat men mij achting toedraagt en ontziet, mevrouw. Daaraan ben ik gewoon. Dat eisch ik als een recht. Kortom, ik wil het zoo. Ik beschouw dit als geene onbillijke beantwoording van de verhooging in de maatschappij die u te beurt gevallen is; en ik geloof dat niemand er zich over zal verwonderen, dat dit van u gevorderd wordt, of dat gij het bewijst. Aan mij—aan mij!” voegde hij er met nadruk bij.Geen woord van haar; geene verandering in haar; hare oogen op hem gevestigd.“Ik heb van uwe moeder vernomen, mevrouw Dombey,” zeide Dombey, met de deftigheid van een rechter, “wat gij zonder twijfel ook weet,[281]namelijk datBrightonvoor hare gezondheid wordt aangeraden. Mijnheer Carker is zoo goed geweest.…”Zij veranderde op eens. Haar gezicht en hare borst gloeiden, alsof het roode licht eener toornig ondergaande zon ze bescheen. Deze verandering niet onopgemerkt latende, en ze op zijne eigene manier uitleggende, vervolgde Dombey:“Mijnheer Carker is zoo goed geweest om daarheen te gaan en voor eenigen tijd een huis te huren. Wanneer het huishouden weder naarLondenkomt, zullen tot bestuur daarvan zulke maatregelen genomen worden, als ik noodig acht. Daaronder zal behooren, dat eene zeer fatsoenlijke, maar tot armoede vervallene persoon, zekere mevrouw Pipchin, die vroeger een post van vertrouwen in mijne familie heeft bekleed, en teBrightonwoont, zoo mogelijk, als huishoudster zal worden aangenomen. Een huishouden gelijk dit, mevrouw Dombey, dat slechts in naam een hoofd heeft, behoort een meer bevoegd hoofd te krijgen.”“Zult gij dan van uwe vlag gaan deserteeren, jongetje?” zeide de kapitein, na hem lang in het gezicht te hebben gekeken. (blz. 272).“Zult gij dan van uwe vlag gaan deserteeren, jongetje?” zeide de kapitein, na hem lang in het gezicht te hebben gekeken.(blz. 272).Zij was, eer hij tot deze woorden kwam, van houding veranderd, en zat nu—hem nog strak aanziende—een bracelet aan haar arm om en om te draaien, niet los en zacht, maar klemmend en schurend over de zachte huid, tot de blanke arm eene roode streep vertoonde.“Ik heb,” zeide Dombey—“en dit maakt het slot uit van hetgeen ik noodig acht u thans te zeggen, mevrouw Dombey—ik heb een oogenblik geleden opgemerkt, mevrouw, dat mijne vermelding van mijnheer Carker op eene bijzondere manier werd opgenomen. Bij gelegenheid dat ik u, in het bijzijn van dien vertrouwden gelastigde van mij, de aanmerkingen mededeelde, die ik had tegen de manier waarop mijne gasten door u werden ontvangen, beliefde het u bezwaar tegen zijne tegenwoordigheid te maken. Gij zult dat bezwaar te boven moeten komen, mevrouw, en er u waarschijnlijk bij vele dergelijke gelegenheden aan gewennen; tenzij gij daartegen het middel gebruikt, dat gij in uwe macht hebt, namelijk om mij geene reden van klagen te geven. Mijnheer Carker,” zeide Dombey, die na de gemoedsbeweging, welke hij zoo even gezien had, groote waarde hechtte aan dit middel om zijne trotsche vrouw te doen zwichten, en misschien ook wel gaarne zijne macht voor dien heer in een nieuw licht wilde ten toon spreiden, “mijnheer Carker is in mijn vertrouwen, mevrouw Dombey, en mag dus zeer wel tot zoo verre in het uwe zijn. Ik hoop,” vervolgde hij, na eene korte poos, waarin[282]hij, met stijgenden trots, zijn denkbeeld nog wat meer had uitgewerkt, “dat ik het niet noodig zal vinden mijnheer Carker ooit eene boodschap van bezwaar of berisping tegen u toe te vertrouwen; maar daar het beneden mijne positie en reputatie zou zijn, dikwijls beuzelachtige geschillen te hebben met eene dame, aan welke ik de hoogste onderscheiding heb bewezen die in mijn vermogen is, zal ik niet schroomen van zijne diensten gebruik te maken, als ik daartoe reden zie.”—“En nu,” dacht hij, met al zijne deftigheid opstaande, stijver en ongenaakbaarder dan ooit, “kent ze mij en mijn besluit.”De hand, die den bracelet zoo had omgedraaid, lag zwaar op hare borst, maar zij zag hem nog aan, met een onveranderd gezicht, en zeide met eene zachte stem:“Wacht! Om Gods wil! Ik moet u spreken!”Waarom sprak zij niet, en van welken aard was die inwendige strijd, welke haar daartoe eenige minuten lang buiten staat stelde, terwijl haar gezicht, in het bedwang dat zij zich aandeed, zoo strak bleef als dat van een steenen beeld, en hem aanzag, noch zwichtend, noch uitdagend, met genegenheid noch haat, met trots noch nederigheid; met niets anders dan een doordringend starenden blik.“Heb ik u ooit uitgelokt om mijne hand te vragen? Heb ik eenige kunstgreep gebruikt om u in te nemen? Ben ik ooit vriendelijker voor u geweest toen ik door u werd aangezocht, dan ik sedert ons huwelijk geweest ben? Ben ik ooit anders voor u geweest dan ik nu ben?”—“Het is geheel noodeloos, mevrouw,” antwoordde Dombey, “in zulk eene woordenwisseling te treden.”—“Denkt gij dat ik u liefhad? Wist gij niet van neen? Hebt gij u ooit om mijn hart bekommerd, man, of u voorgesteld dat ding zonder waarde te winnen? Heeft er bij ons koopcontract eenige valschheid plaats gehad? Van uw kant of van den mijnen?”—“Deze vragen,” zeide Dombey, “zijn allen geheel nutteloos, mevrouw.”Zij stapte tusschen hem en de deur, om te verhinderen dat hij heenging, en hare trotsche gestalte hoog oprichtende, zag zij hem nog strak aan.“Gij beantwoordt ze allen. Gij antwoordt mij eer ik spreek, zie ik. Hoe kunt gij dat laten; gij, die de rampzalige waarheid evengoed kent als ik? Zeg mij nu. Als ik u tot aanbiddens toe liefhad, zou ik dan meer kunnen doen dan geheel mijn wil en wezen aan u overgeven, gelijk gij daar zoo even gevorderd hebt? Als mijn hart geheel rein was en gij de afgod daarvan, kondt gij dan meer vragen—kondt gij dan meer verkrijgen?”—“Mogelijk wel neen, mevrouw,” antwoordde hij koel.—“Gij weet hoe geheel anders ik ben. Gij ziet mij u aanzien, en kunt de warmte der liefde voor u lezen, die van mijn gezicht afstraalt.” Geen optrekken der trotsche bovenlip, geene flikkering van het donkere oog, niets dan dezelfde, strakke, doordringende blik vergezelde deze woorden. “Gij kent over het geheel mijne geschiedenis. Gij hebt van mijne moeder gesproken. Denkt gij dat gij mij door vernedering of dwang tot onderwerping en gehoorzaamheid kunt brengen, mij kunt buigen of breken?”Dombey glimlachte, gelijk hij had kunnen glimlachen op de vraag of hij tien duizend pond beschikbaar had.“Als hier iets ongewoons is,” zeide zij, even hare hand voor haar gezicht bewegende, dat geen oogenblik dat strakke staren naliet, dat anders niets uitdrukte, “gelijk ik weet dat hier een ongewoon gevoel is,” daarbij hief zij de hand op, die hare borst drukte, en liet ze zwaar weder zinken, “bedenk dan dat de bede, die ik u doen zal, geene gewone beteekenis heeft. Ja, want ik ga u eene bede doen,” zeide zij snel, als tot antwoord op iets in zijn gezicht.Met eene goedgunstige buiging van zijne kin, die zijne stijve das deed kraken, zette Dombey zich op eene sofa, die dicht bij hem stond, om de bede te hooren.“Als gij gelooven kunt dat ik tegenwoordig van zulk een karakter ben”—hij verbeeldde zich dat hij tranen in hare oogen zag, en dacht, met welgevallen, dat hij ze haar had afgeperst, hoewel er geen traan over hare wang rolde, en zij hem even strak aanzag als ooit,—“dat datgene, wat ik nu zeg, mij zelve bijna ongeloofelijk voorkomt,—zoo gezegd tot een man die mijn man is geworden, maar vooral tot u—zult gij er misschien meer gewicht aan hechten. In het ongeluk, dat voor ons aanstaande is, zullen wij niet alleen ons zelven wikkelen (dat zou misschien niet veel beteekenen) maar ook anderen.”Anderen! Hij wist wel op wie dit woord doelde en trok zijne wenkbrauwen samen.“Ik spreek tot u, ter wille van anderen. Maar ook om uwentwil en mijnentwil. Sedert ons huwelijk zijt gij arrogant voor mij geweest; en ik heb u met gelijke munt betaald. Gij hebt mij en ieder om ons heen elken dag en ieder uur getoond, dat gij mij door de verbintenis met u ten hoogste vereerd acht. Ik denk zoo niet, en heb dat insgelijks getoond. Het schijnt dat gij niet begrijpt, of (zoover uwe macht reikt) niet wilt, dat wij ieder onzen eigen weg gaan; en in plaats daarvan eene hulde van mij verwacht, die gij nooit zult krijgen.”Hoewel haar gezicht nog hetzelfde bleef, was toch zelfs hare ademhaling eene nadrukkelijke bevestiging van dat “nooit.”—“Ik gevoel geene teerheid voor u, dat weet gij. Gij zoudt er niet om geven, al deed ik dat, of kon ik dat. Ik weet evengoed dat gij ze niet voor mij gevoelt. Maar wij zijn aan elkander geboeid, en aan de keten, die ons bindt, zijn, gelijk ik gezegd heb,[283]ook anderen gesloten. Wij moeten beide sterven, wij staan beide reeds met de dooden in betrekking, ieder door een klein kind. Laten wij elkander wederkeerig ontzien.”Dombey haalde eens diep adem, als wilde hij zeggen: O, was dat alles waarop het neerkwam!“Er zijn geene schatten,” vervolgde zij, bleeker wordende, terwijl hare oogen, door hunne strakheid, nog meer glans verkregen, “die deze woorden en de beteekenis, die zij hebben, van mij konden koopen. Eens als ijdele klanken verworpen, kan geen geld of macht ze terugbrengen. Ik meen ze; ik heb ze gewogen; ik zal trouw zijn aan hetgeen ik op mij neem. Als gij beloven wilt mij van uw kant te ontzien, wil ik beloven u van mijn kant te ontzien. Wij zijn een allerongelukkigst paar, waarbij, door verschillende oorzaken, ieder gevoel, dat het huwelijk gelukkig of dragelijk maakt, is uitgeroeid; maar door verloop van tijd kan er nog eenige vriendschap, of eenige geschiktheid voor elkander, tusschen ons ontstaan. Ik wil dat pogen te hopen, als gij dat ook wilt doen; en ik wil vooruitzien naar een beter en gelukkiger gebruik van mijn ouderdom, dan ik van mijne jeugd en het beste van mijn leven heb gemaakt.”Zij had met eene zachte, duidelijke stem gesproken, die niet rees of daalde; toen zij ophield, liet zij de hand zinken, waarmede zij zich gedwongen had om zoo hartstochteloos en duidelijk te zijn, maar niet de oogen waarmede zij hem zoo strak aanzag.“Mevrouw,” zeide Dombey, met zijne grootste deftigheid, “ik kan een voorstel van zulk een buitengewonen aard zelfs niet in overweging nemen.”Zij zag hem nog aan, zonder de minste verandering.“Ik kan,” zeide Dombey, onder het spreken opstaande, “niet bewilligen om met u te temporiseeren of te onderhandelen, mevrouw Dombey, over iets waaromtrent u mijne gevoelens en verwachtingen zijn kenbaar gemaakt. Ik heb mijn ultimatum gegeven, mevrouw, en heb alleen te verzoeken dat gij dit uwe zeer ernstige aandacht verleent.”Dat gezicht de oude uitdrukking weder te zien aannemen, nog veel krachtiger dan te voren! Die oogen te zien afwenden als van een afzichtelijk en hatelijk voorwerp! Dat trotsche voorhoofd te zien betrekken! Verachting, gramschap, verontwaardiging en afschuw te zien uitblinken, en dien bleeken strakken ernst als een nevel te zien verdwijnen! Hij kon niet nalaten dit te zien, hoewel hij met ontzetting toezag.“Ga, mijnheer!” zeide zij, met eene gebiedende hand naar de deur wijzende. “Onze eerste en laatste vertrouwelijkheid is ten einde. Niets kan ons vreemder voor elkander maken dan wij voortaan zijn.”—“Ik zal doen wat mij voegzaam en raadzaam voorkomt, mevrouw,” zeide Dombey, “zonder mij, daarvan kunt gij zeker zijn, door algemeene declamatiën te laten afschrikken.”Zij keerde hem haar rug toe, en zette zich, zonder antwoord te geven, voor haar spiegel neer.“Ik vertrouw dat gij uw plicht beter zult leeren inzien, in eene betere stemming komen en u beter bedenken, mevrouw,” zeide Dombey.Zij sprak geen woord. Hij zag in haar spiegel even weinig uitdrukking, zij scheen hem even weinig op te merken, als ware hij eene ongeziene spinnekop aan den wand, of eene zwarte tor op den vloer geweest, of liever als ware hij een van beide geweest, door haar gezien, vertrapt en vergeten bij het andere doode ongedierte op den grond.Hij zag om, toen hij de deur uitging, naar het prachtige, helder verlichte vertrek, naar al het schitterende dat daar prijkte, naar de gestalte van Edith, zoo rijk gekleed voor den spiegel gezeten, en naar het gezicht van Edith gelijk die spiegel het hem voorhield; en begaf zich naar zijne oude kamer van gepeinzen, in zijn geest een levendig tafereel van dat alles medenemende, waarbij te gelijk op eene onverklaarbare manier de zonderlinge gedachte bij hem opkwam (gelijk zoo iets iemand somtijds in het hoofd komt) hoe dat alles er zou uitzien als hij het de volgende maal zag.Voor het overige was Dombey zeer stroef, zeer deftig, en vast overtuigd dat hij zijn oogmerk zou volvoeren; en dit bleef hij.Hij was niet voornemens de familie naarBrightonte vergezellen; maar bij het ontbijt op den ochtend van het vertrek, dat een paar dagen later plaats had, onderrichtte hij Cleopatra zeer vriendelijk, dat men spoedig een bezoek van hem kon verwachten. Er moest geen tijd verzuimd worden om Cleopatra ergens heen te brengen, waar men het gezond voor haar achtte; want zij scheen spoedig geheel in stof te zullen vallen.Zonder een bepaalden tweeden aanval van hare kwaal gehad te hebben, scheen de oude vrouw sedert in beterschap achteruit te zijn gekropen. Zij was nog magerder en meer verschrompeld, nog ongestadiger en suffer, en in hare gedachten en haar geheugen heerschte nog vreemder verwarring. Onder de blijken van die verwarring behoorde ook, dat zij tot de gewoonte verviel om de namen harer twee schoonzonen, van den levenden en den dooden, te verwisselen of te zamen te voegen, en Dombey meestal “Grangeby” of “Domber” noemde.Maar zij was toch nog jeugdig, zeer jeugdig; en in hare jeugdigheid verscheen zij aan het ontbijt, eer zij vertrok, met een nieuw en zeer luchtig hoedje, en een reisgewaad, geborduurd[284]en met tressen bezet als ware zij een kind dat pas uit de lange kleeren kwam. Het was nu niet gemakkelijk haar dat luchtige hoedje op te zetten, of het achter haar beverig hoofd op zijne plaats te houden als zij het ophad. Het zat niet alleen altijd scheef, maar moest ook nog gedurig op den bol getikt worden door Flowers de kamenier, welke, om dezen dienst te verrichten, gedurende het ontbijt achter hare meesteres bleef.“Nu, mijn allerliefste Grangeby,” zeide mevrouw Skewton, “moet ge mij stellig bel,” zij brak sommige woorden af en sloeg andere geheel over. “Om gauw eens bij ons te komen.”—“Ik heb zoo even gezegd, mevrouw,” antwoordde Dombey, luid en langzaam, “dat ik over een dag of twee zal komen.”—“Zegen u, Domber.”De majoor, die afscheid van de dames kwam nemen, en door zijne beroerteachtige oogen, met de belangelooze kalmte van een onsterfelijk wezen, naar mevrouw Skewton staarde, zeide nu:“Verduiveld, mevrouw, waarom vraagt gij den ouden Joe niet?”—“Wie is dat, lastige plaaggeest?” lispte Cleopatra. Maar een tik van Flowers op haar hoedje scheen haar geheugen op te schudden, en zij vervolgde: “O, gij meent u zelven, gij ondeugend schepsel!”—“Verduiveld raar, mijnheer,” fluisterde de majoor tot Dombey. “Leelijk geval! Zich nooit genoeg ingebakerd;” de majoor was tot aan zijne kin toegeknoopt. “Wel, wie zou J. B. anders met Joe meenen dan oude Joe Bagstock, Jozef, Joe, uw slaaf, mevrouw? Hier staat de man. Hier is zijn blaasbalg, mevrouw!” zeide de majoor, en gaf zich een dreunenden stomp op de borst.—“Mijne lieve Edith—Grangeby—het is toch ongelukkig,” zeide Cleopatra korzelig, “dat majoor …”—“Bagstock! J. B.!” riep de majoor, ziende dat zij naar zijn naam zocht.—“Wel, het komt er niet op aan,” zeide Cleopatra. “Edith, lieve, ge weet wel dat ik nooit kon onthouden—wat was het ook weer? Ja, iets ongemeens dat zooveel menschen naar mij willen komen zien. Ik ga toch niet voor lang heen. Ik kom terug. Zij kunnen immers wel wachten tot ik terugkom.”Dit zeggende keek Cleopatra in het rond en scheen zeer onrustig.“Ik wil geene visites hebben—ik heb geene visites noodig—een beetje rust—en dat alles—is al wat ik noodig heb. Geene leelijkerds moeten bij mij komen, eer ik die dofheid kwijt ben;” en met eene akelige poging om hare coquette maniertjes te hernemen, deed zij een stoot naar den majoor met haar waaier, maar stiet, in plaats van hem te raken, Dombey’s kopje om, dat aan een geheel anderen kant stond.Toen riep zij Withers en belastte hem om vooral te zorgen dat er eenige geringe veranderingen in hare kamer werden gemaakt, die klaar moesten zijn eer zij terugkwam, en waarvan men dadelijk werk moest maken, daar zij niet wist hoe gauw zij terugkwam, want zij had veel engagementen en was eene menigte visites schuldig. Withers ontving dezen last met gepaste onderdanigheid en gaf zijn woord voor de vervulling; maar toen hij een paar stappen achteruit was gegaan, scheen hij niet te kunnen laten den majoor op eene zonderlinge manier aan te zien, die niet laten kon Dombey eveneens aan te zien, die niet laten kon Cleopatra eveneens aan te zien, die niet laten kon met haar hoofd te schudden, zoodat haar hoedje over een oog zakte, en met haar mes en vork op haar bord te ratelen alsof zij de castagnetten speelde.Edith alleen sloeg hare oogen niet naar eenig gezicht aan tafel op, en scheen zich nooit te bevreemden over iets dat hare moeder zeide of deed. Zij luisterde naar haar onsamenhangend gepraat, of keerde ten minste haar hoofd naar haar om; antwoordde met eenige zachte woorden als dit noodig was, en stuitte haar somtijds als zij geheel in de war raakte, of bracht hare gedachten met een enkel woord naar het punt terug, van waar zij waren afgedwaald. De moeder, hoe ongestadig ook in andere opzichten, was hierin bestendig, dat zij altijd op haar lette. Zij tuurde naar het schoone gelaat, zoo ernstig en strak als marmer, nu met zekere vreesachtige bewondering, dan met eene kinderachtige poging om het tot een glimlach te bewegen, dan met spijtige tranen en een jaloersch hoofdschudden, als zij zich verbeeldde er door verwaarloosd te worden; maar altijd er door aangetrokken door iets, dat nooit het onvaste van hare andere denkbeelden vertoonde, maar haar bestendig beheerschte. Van Edith zag zij somtijds naar Florence, en van deze weder naar Edith, op eene manier die wel iets wilds had; en somtijds beproefde zij ergens anders heen te zien, als wilde zij het gezicht harer dochter ontwijken; maar zij scheen steeds genoodzaakt daartoe terug te komen, hoewel dat gezicht nooit uit eigene beweging het hare zocht.Toen het ontbijt was afgeloopen, werd mevrouw Skewton, die zich hield alsof zij meisjesachtig los op des majoors arm leunde, maar aan den anderen kant stevig door Flowers de kamenier, en van achteren door Withers werd gesteund, naar de koets geholpen, die haar, Florence en Edith naarBrightonzou brengen.“En is Jozef inderdaad verbannen?” zeide de majoor, zijn purperrood gezicht binnen het portier stekende. “Verduiveld, mevrouw, is Cleopatra zoo hardvochtig dat zij haar trouwen Antonius Bagstock verbiedt om haar te naderen?”—“Loop heen;” zeide Cleopatra. “Ik kan u niet[285]uitstaan. Gij zult mij zien als ik terugkom, als ge heel zoet zijt.”—“Zeg Jozef dat hij in hoop mag leven, mevrouw,” zeide de majoor, “of hij zal in wanhoop sterven.”Cleopatra huiverde en liet zich achteroverzakken. “Edith, lieve,” zeide zij, “zeg hem …”—“Wat?”—“Zulke ijselijke woorden,” zeide Cleopatra. “Hij gebruikt zulke ijselijke woorden.”Edith gaf hem een wenk om heen te gaan en te gelijk last om op te rijden.De afgewezen majoor keerde zich fluitend naar Dombey.“Ik zal u eens wat zeggen, mijnheer,” zeide de majoor, zeer wijdbeens staande, met de handen op den rug, “eene schoone vriendin van ons is in deWrakke-Straatgaan wonen.”—“Wat meent ge, majoor?” vroeg Dombey.—“Ik wil zeggen, Dombey,” antwoordde de majoor, “dat ge binnen kort een schoonwees zult zijn.”Dombey scheen zoo weinig smaak te hebben in deze schertsende aanduiding van hem zelven, dat de majoor, als een blijk van ernst, met een paardenkuch besloot.“Verduiveld, mijnheer,” hervatte de majoor, “er zijn geen doekjes om te winden. Joe is plomp, mijnheer. Dat is zijn aard. Als gij Joe hebben wilt, moet gij hem nemen zooals gij hem vindt; en gij zult hem een taaien, groven, ouden rekel vinden. Dombey, uwe schoonmoeder staat op sprong.”—“Ik vrees,” antwoordde Dombey zeer koel, “dat mevrouw Skewton geschokt is.”—“Geschokt, Dombey?” zeide de majoor. “Zij heeft het weg!”—“Maar afwisseling en oplettendheid kunnen nog veel doen,” zeide Dombey.—“Geloof het niet, mijnheer,” antwoordde de majoor. “Verduiveld, mijnheer, zij heeft zich nooit genoeg ingebakerd. Als iemand zich niet inbakert,” zeide de majoor, nog een knoop van zijn vest dichtmakende, “verzwakt hij zijn gestel. Maar sommige menschenwillensterven. Dat willen zij. Zij zijn koppig. Ik zal u wat zeggen, Dombey; het mag niet zoo mooi zijn, het mag niet zoo gepolijst wezen, maar een zweempje van de oud Engelsche degelijkheid van het Bagstockras, mijnheer, zou iedereen goeddoen.”Na het mededeelen van dit wetenswaardige bericht kuierde de majoor naar zijne club en bleef daar den geheelen dag zitten hijgen alsof hij ieder oogenblik eene beroerte zou krijgen.Cleopatra, nu eens gemelijk, dan weder vergenoegd, somtijds wakker, somtijds in slaap, en altijd jeugdig, kwam des avonds teBrightonaan, viel naar gewoonte in stukken en werd in bed gestopt; waar eene sombere verbeelding zich had kunnen voorstellen dat een machtiger geraamte dan de kamenier, die een geraamte had moeten zijn, de rozekleurige gordijnen bewaakte, welke men had medegenomen om haar blos te verhoogen.Het werd door een hoogen raad van dokters beslist dat zij dagelijks een toertje met rijtuig moest doen, en ook dagelijks, als zij kon, wat wandelen. Edith was gereed om haar te vergezellen—altijd gereed om haar te vergezellen met dezelfde werktuiglijke oplettendheid en onbeweeglijke schoonheid—en zij reden alleen uit; want Edith was, nu hare moeder erger werd, in het bijzijn van Florence onrustig, en zeide Florence, met een kus, dat zij liever met haar beiden alleen wilde gaan.Op zekeren dag was mevrouw Skewton in dat ongestadige, wrevelige, jaloersche humeur, dat zich onder haar herstel na het eerste toeval had ontwikkeld. Nadat zij in de koets Edith eenigen tijd stilzwijgend had zitten aanstaren, vatte zij hare hand en kuste die hartstochtelijk. Die hand werd noch gegeven noch teruggetrokken, en viel, toen zij losgelaten werd, weder neer, bijna alsof zij gevoelloos en machteloos was. Daarop begon mevrouw Skewton te grienen en te kermen, en zeide, welk eene moeder zij geweest was, en hoe zij vergeten werd. Hiermede ging zij bij grillige tusschenpoozen voort, zelfs nadat men was afgestapt, terwijl zij, door Withers en een stok gesteund, voortstrompelde, Edith naast haar ging en het rijtuig op eenigen afstand langzaam volgde.Het was een gure, betrokkene, winderige dag, en zij waren op het duin, waar men niets anders zag dan den kalen grond en de lucht. De moeder bleef, met zeker wrevelig genoegen in het eentonige harer klacht, deze nog nu en dan binnensmonds herhalen, en de trotsche gestalte harer dochter zweefde langzaam naast haar voort, toen zij, eene geringe hoogte bestegen hebbende, eensklaps twee gedaanten voor zich zagen, die zoozeer naar eene overdrevene nabootsing van hare eigene gedaanten geleken, dat Edith bleef stilstaan.Bijna gelijktijdig stonden ook die twee gedaanten stil; en diegene, welke Edith vond dat naar eene wanstaltige schaduw van hare moeder geleek, sprak ernstig tot de andere en wees met de hand naar hen. Deze scheen gezind om terug te keeren, maar de andere, in welke Edith eene genoegzame gelijkenis met haar zelve vond, om een zeer ongewoon gevoel, dat niet geheel vrij van vrees was, bij haar te doen opkomen, stapte voort, en zoo naderden zij elkander.Het meeste van het vorige had Edith opgemerkt terwijl zij voortwandelde, want zij was slechts een oogenblik blijven stilstaan. Nader komende zag zij dat die twee armoedig waren gekleed, bijna als bedelaars, en dat de jongste vrouw gebreide goederen of zoo iets te koop droeg, terwijl de oudste onbelast voortstrompelde.En toch, hoe ver beneden haar in schoonheid, houding en kleeding, kon Edith ook nu[286]niet nalaten de jongste vrouw met zich zelve te vergelijken. Misschien zag zij op haar gelaat eenige sporen van datgene wat zij wist datinhare eigene ziel school, al vertoonden er zich nog geene uitwendige blijken van; maar toen die vrouw aankwam, haar blik teruggaf, hare glanzige oogen op haar vestigde, ontwijfelbaar iets van hare eigene houding en uitzicht vertoonde en zelfs hare gedachten scheen te beantwoorden, gevoelde zij zich door eene kilheid overvallen alsof de lucht meer betrok en de wind kouder werd.Zij waren nu bij elkander. De oude vrouw hield hare hand op en bedelde bij mevrouw Skewton. De jongste bleef insgelijks staan, en zij en Edith zagen elkander in de oogen.“Wat hebt ge daar te koop?” zeide Edith.—“Dit maar,” antwoordde de vrouw, hare waren vertoonende, zonder er zelve naar te zien: “mij zelve heb ik al lang geleden verkocht.”—“Geloof haar niet, Mylady,” kraste de oude vrouw tot mevrouw Skewton. “Geloof niet wat zij zegt. Zij wil maar zoo praten. Zij is mijne mooie, onnatuurlijke dochter. Zij geeft mij niets dan verwijten, Mylady, voor al wat ik voor haar gedaan heb. Zie haar nu eens, Mylady, hoe zij hare arme moeder aankijkt.”Toen mevrouw Skewton met eene bevende hand hare beurs uithaalde en naar geld zocht, waarnaar de andere oude vrouw gretig stond te wachten—terwijl hare hoofden, door beider haast en zwakheid, bijna tegen elkander stieten, kwam Edith er tusschen.“Ik heb u meer gezien,” zeide zij, de oude vrouw aansprekende.—“Ja, Mylady,” antwoordde zij nijgende. “Daar inWarwickshire. Dien ochtend tusschen de boomen. Toen ge mij niets woudt geven. Maar die heer,hijheeft mij wat gegeven! O zegen hem, zegen hem!” mompelde de oude vrouw, hare dorre hand opstekende en akelig tegen hare dochter grijnzende.—“Gij behoeft mij niet te willen tegenhouden, Edith!” zeide mevrouw Skewton gramstorig, om afrading van haar voor te komen. “Gij weet er niets van. Ik wil mij niet laten afraden. Ik ben zeker dat dit eene brave vrouw is, en eene goede moeder.”—“Ja, Mylady, ja,” kakelde de oude vrouw, hare gretige hand uitstekende. “Bedankt, Mylady. God zegen u, Mylady. Nog zes stuivers, mijne lieve Lady, omdat gij zelf eene goede moeder zijt.”—“En die ook somtijds onnatuurlijk genoeg wordt behandeld, goede vrouw, dat verzeker ik u,” zeide mevrouw Skewton grienende. “Daar! Geef mij de hand. Gij zijt eene goede oude ziel—ook vol, hoe is het ook weer, en dat alles. Vol hartelijkheid en zoo al meer, niet waar?”—“O ja, Mylady!”—“Ja, dat geloof ik zeker; en dat is Grangeby ook, die fatsoenlijke man. Ik moet u waarlijk nog eens de hand geven. En nu kunt gij gaan; en ik hoop,” zeide mevrouw Skewton, de dochter aansprekende, “dat ge meer dankbaarheid, en natuurlijke, hoe heet het ook weer, en dat alles, zult toonen—ik heb nooit namen kunnen onthouden—want er is nooit beter moeder geweest, dan die arme oude ziel voor u geweest is. Kom, Edith!”Terwijl de ruïne van Cleopatra grienend heenwaggelde, en hare oogen afveegde, maar met voorzichtigheid om het rouge in de nabijheid te ontzien, strompelde de oude vrouw, mompelende en haar geld tellende, een anderen kant heen. Geen woord, geen gebaar was tusschen Edith en de jongere vrouw meer gewisseld, maar geen van beide had hare oogen van de andere afgewend. Zij waren tegen elkander over blijven staan tot zoolang, toen Edith, alsof zij uit een droom ontwaakte, langzaam voortging.“Ge zijt mooi,” prevelde hare schaduw, haar naziende, “maar het mooi kan ons niet redden. En ge zijt trotsch, maar trotschheid kan ons niet redden. Wij zullen elkander wel kennen, als wij elkander weerzien!”
XL.HUISELIJKE BETREKKINGEN.
Het lag niet in den aard der zaak dat een man als Dombey, tegen zulk een geest overgesteld als hij tegen zich had opgeroepen, de heerschzuchtige stroefheid van zijn karakter eenigszins zou verzachten; of de koude, harde wapenrusting van trotschheid, die hij bestendig droeg, buigzamer zou worden door het gedurig stooten tegen trotsche minachting en uitdagenden hoon. Het is de vloek van zulk een karakter—het is een voornaam gedeelte van de straf over zich zelf die het medebrengt— dat, terwijl eerbied en onderdanigheid de slechte eigenschappen daarvan doen toenemen, en een voedsel zijn waarvan het groeit, tegenstand en onwil om zijne eischen in te willigen het niet minder aankweeken. Het kwaad, dat het in zich heeft, vindt in beide gevallen evenzeer middelen om te groeien en zich uit te breiden. Het zuigt uit het zoete en het bittere evenzeer leven en kracht; gevleid of onerkend beheerscht het toch het hart, waarin het zijn troon heeft gevestigd, hoe langer hoe meer; aangebeden of verworpen is het toch een even hard meester als de duivel in bijgeloovige fabelen is.Jegens zijne eerste vrouw had Dombey zich, in zijne koude trotsche laatdunkendheid, gedragen als het hoog verhevene wezen, dat hij zich bijna verbeeldde te zijn. Hij was, toen zij hem voor de eerste maal zag, “mijnheer Dombey” geweest, en hij was nog “mijnheer Dombey” toen zij stierf. Gedurende hun huwelijksleven had hij zijne grootheid doen gelden, en had zij die ootmoedig erkend. Hij was boven op zijn troon in staatsie blijven zitten, en zij had nederig op den laagsten trap gestaan; en veel goed had het hem gedaan, zoo in eenzame slavernij onder zijn heerschend denkbeeld te leven. Hij had zich verbeeld dat het trotsche karakter zijner tweede vrouw zich aan het zijne zou hebben aangesloten—daarin verzwolgen zijn geworden en zijne grootheid nog verhoogd zou hebben. Hij had zich voorgesteld nog trotscher dan ooit te zullen zijn, als Edith’s trotschheid de zijne dienstbaar was. Hij had zich nooit de mogelijkheid voorgesteld dat die tegen hem in de wapens zou komen. En nu hij die trotschheid op elken stap van zijn dagelijksch leven in zijn weg zag oprijzen en een kouden, uitdagenden, verachtelijken blik op hem vestigen, was het gevolg, dat zijn trots, in plaats van te verwelken of het hoofd te laten hangen, nieuwe wortelen schoot, nog krachtiger, bitterder, somberder, wreveliger en onbuigzamer werd, dan hij ooit te voren geweest was.Hij, die zulk eene wapenrusting draagt, draagt nog eene zware vergelding met zich mede. Die rusting is bestand tegen verzoening, liefde en vertrouwen, tegen alle zachte sympathie, alle teederheid, alle streelende aandoening; maar voor diepe wonden der eigenliefde is zij even kwetsbaar als de bloote borst voor het staal; en zulke kwaadaardige, pijnlijke zweren blijven daarvan achter, als op geene andere wonden volgen, zelfs niet op die, welke door den ijzeren handschoen des hoogmoeds zelven een zwakker trots worden toegebracht, die ontwapend en neergeworpen is.Zulke wonden droeg hij nu om. Hij voelde ze pijnlijk in de eenzaamheid zijner oude kamers, waarin hij zich nu weder dikwijls begon af te zonderen en lange uren te slijten. Het scheen zijn noodlot te zijn altijd trotsch en[279]machtig te zijn; en toch altijd vernederd en machteloos waar hij sterkst wilde wezen. Wie scheen bestemd om dat vonnis des noodlots te voltrekken?Wie? Wie was het, die zijne vrouw kon winnen, gelijk zij zijn zoon gewonnen had! Wie was het, die hem deze nieuwe overwinning had getoond, toen hij in dien donkeren hoek zat! Wie was het, wier minste woord deed wat zijne uiterste middelen niet konden doen! Wie was het, die, ongeholpen door zijne liefde, gunst of zorg, welvarend bleef en schoon werd, terwijl diegenen, die zoo geholpen werden, stierven! Wie kon het anders zijn dan hetzelfde kind, waarnaar hij in hare moederlooze kindsheid zoo menigen onrustigen blik had geworpen, met eene soort van vrees, dat hij er eens toe komen zou om haar te haten; en van wie dit voorgevoel vervuld was, want hij haatte haar nu in zijn hart.Ja, hij wilde haar haten, en hij haatte haar, schoon er nu en dan nog een glans van het licht, waarin zij voor hem verschenen was op den gedenkwaardigen avond toen hij met zijne bruid thuis kwam, om haar heen zweefde. Hij wist nu dat zij schoon was, hij sprak het niet tegen dat zij bevallig en innemend was, en dat zij hem in den helderen dageraad van haar vrouwelijken leeftijd als eene verrassing voor de oogen was gekomen. Maar zelfs dit keerde hij tegen haar. In zijn wrevelig naargeestig gemijmer maakte de ongelukkige, met een dof gevoel, dat alle harten van hem vervreemd waren, en een onbestemd verlangen naar datgene, wat hij al zijn leven had teruggestooten, zich eene overdrevene voorstelling van zijne rechten en van het ongelijk dat hem werd aangedaan, en daarmede rechtvaardigde hij zich zelven tegenover haar. Hoe meer zij zijner waardig beloofde te worden, des te grooter eisch had hij op hare gehechtheid en onderwerping. Wanneer had zij hem ooit gehechtheid of onderwerping getoond? Veraangenaamde zij zijn leven—of dat van Edith? Had zij hare innemende eigenschappen het eerst aan hem geopenbaard—of aan Edith? Wel—hij en zij waren, van hare geboorte af, nooit als vader en dochter geweest! Zij waren altijd vervreemd geweest. Zij had hem altijd en overal gedwarsboomd. Zij spande nu tegen hem samen. Hare schoonheid zelfs verzachtte gemoederen, die voor hem verhard bleven, en beleedigde hem met eene onnatuurlijke zegepraal.Het kon zijn dat dit alles het gefluister van een in zijn hart ontwakend gevoel was, hoewel dit slechts door zijne zelfzucht werd opgewekt, als hij zijn toestand vergeleek bij datgene waartoe zij zijn leven had kunnen maken. Maar hij bracht de zachte stem van dit gevoel door het gebulder zijner zee van hoogmoed tot zwijgen. Hij wilde niets hooren dan zijn trots, en in zijn trots, vol tegenstrijdigheden en martelingen, haatte hij haar.Tegen den stuurschen, koppigen, norschen duivel, die hem beheerschte, stelde zijne vrouw haar geheel anderen trots in volle kracht over. Zij hadden nooit een gelukkig leven met elkander kunnen leiden; maar niets had hen ongelukkiger kunnen maken dan de hardnekkige strijd tusschen zulke elementen. Zijn trots was er op gesteld om zijne verhevene opperheerschappij te handhaven en haar tot erkentenis daarvan te noodzaken. Zij had zich dood laten martelen, en zou hem tot op het laatst met haar trotschen blik van kalme, onverschillige minachting hebben aangezien. Zulk eene erkentenis van Edith! Hij wist weinig door welk een zielestrijd zij zich had moeten doorworstelen eer zij zich dwingen kon om de eer van zijne hand aan te nemen! Hij wist weinig hoeveel zij meende te hebben opgeofferd toen zij hem toeliet om haar zijne vrouw te noemen!Dombey nam zich voor om haar te toonen, dat hij oppermachtig was. Er moest geen wil bestaan dan de zijne. Trotsch verlangde hij dat zij zou zijn, maar zij moest vóór, niet tegen hem trotsch wezen. Terwijl hij zich alleen zat te verharden, hoorde hij haar dikwijls uitgaan en thuis komen, in den kring van het leven inLondenrondzwieren, zonder zich meer om zijn goedvinden of niet goedvinden, zijn genoegen of ongenoegen te bekommeren, dan alsof hij haar rijknecht was geweest. Hare koude, fiere onverschilligheid—zijne eigene eigenschap, die zij zich aanmatigde—kwetste hem dieper dan eenige andere soort van behandeling kon gedaan hebben; en hij besloot haar naar zijn verheven en statelijken wil te buigen.Hij had zich lang met deze gedachten bezig gehouden, toen hij haar op een avond in hare eigene kamer ging opzoeken, nadat hij haar laat had hooren thuis komen. Zij was alleen, in hare schitterende kleeding, en was pas een oogenblik te voren uit de kamer harer moeder gekomen. Haar gezicht stond zwaarmoedig en peinzend, toen hij binnentrad; maar het lette dadelijk op hem toen hij de deur inkwam; want in den spiegel ziende, waarvoor zij stond, zag hij terstond, als in de lijst eener schilderij, het betrokken voorhoofd en de benevelde schoonheid, die hij zoo wel kende.“Mevrouw Dombey,” zeide hij, binnenkomende, “ik moet eenige woorden met u verzoeken.”—“Morgen,” antwoordde zij.—“Geen tijd zoo goed als nu, mevrouw,” hervatte hij. “Gij vergist u in uwe positie. Ik ben gewoon mijn eigen tijd te kiezen, niet dien voor mij te laten kiezen. Ik denk dat gij niet goed begrijpt wie of wat ik ben, mevrouw Dombey.”—“Ik denk,” antwoordde zij, “dat ik u zeer wel begrijp.”Dit zeggende zag zij hem aan, en hare blanke,[280]van goud en juweelen schitterende armen over hare borst kruisende, keerde zij hare oogen af.Indien zij minder schoon was geweest, en minder statig met hare koude bedaardheid, zou zij misschien het vermogen niet gehad hebben, om hem dat gevoel van minderheid in te boezemen, dat door zijn stugsten trots heendrong. Maar zij had dit vermogen, en hij gevoelde dit levendig. Hij wierp een blik door de kamer, en zag hoe de prachtigste voorwerpen van kleeding en opschik achteloos hier en daar verstrooid waren; niet uit enkele grilligheid en zorgeloosheid (of zoo, dacht hij), maar met opzettelijke, trotsche minachting voor al dat kostbare:—en gevoelde het meer en meer. Kunstbloemen, vederen, juweelen, kanten en satijn; waar hij zich wendde zag hij schatten met verachting neergeworpen. Zelfs de diamanten—een bruidsgeschenk—die met hare ongeduldig zwoegende borst rezen en daalden, schenen te hijgen om de keten te breken, die ze om haar hals sloot, en over den vloer te rollen, waar zij ze kon vertrappen.Hij gevoelde zijne vernedering, en hij toonde dit. Zoo plechtstatig en zoo vreemd onder dien rijkdom van kleuren en weelderigen glans, zoo vreemd en stijf voor de trotsche meesteres daarvan, wier terugstootende schoonheid door alles in het rond werd herhaald en teruggekaatst, gelijk in zoovele stukken van een gebroken spiegel, was hij zich bewust van zijne verlegenheid en linksheid. Alles wat hare onverschillige kalmte dienstbaar was, moest hem kwetsen. Op zich zelven verstoord, zette hij zich neer, en vervolgde, nog slechter in zijn humeur:“Mevrouw Dombey, het is zeer noodig dat het tot eene opheldering tusschen ons komt. Uw gedrag behaagt mij niet, mevrouw.”Zij zag hem slechts even aan, en wendde hare oogen wederom af; maar zij had een uur lang kunnen spreken, zonder zooveel uit te drukken.“Ik herhaal, mevrouw Dombey—behaagt mij niet. Ik heb reeds eene gelegenheid waargenomen, om te verzoeken het te veranderen. Nu beveel ik dat.”—“Gij hebt eene gepaste gelegenheid voor uwe eerste vermaning gekozen, mijnheer, en kiest eene gepaste manier en gepaste woorden voor uwe tweede.Gijbeveelt!Mij!”—“Mevrouw,” zeide Dombey, met zijne hatelijkste statigheid, “ik heb u tot mijne vrouw gemaakt. Gij draagt mijn naam. Gij staat met mijne positie en reputatie in betrekking. Ik wil niet zeggen dat de wereld over het algemeen genegen is om te denken, dat die betrekking eene eer voor u moet zijn; maar ik wil zeggen, dat ik gewoon ben mijne betrekkingen en ondergeschikten te bevelen.”—“Voor wat van die twee zal het u believen mij te houden?” vroeg zij.—“Misschien zal ik denken dat mijne vrouw aan beide eigenschappen deel moet hebben—of werkelijk deel heeft, en niet anders kan, mevrouw Dombey.”Zij zag hem strak aan en kneep hare bevende lippen dicht. Hij zag hare wangen gloeien en daarna verbleeken. Dat alles zag hij; maar hij kon het ééne woord niet hooren, dat in het binnenste van haar hart gefluisterd werd om haar stil te doen blijven; en dat woord was Florence.Blinde dwaas, die naar den rand van een afgrond snelde! Hij dacht dat zij bang voorhemwas!“Gij zijt al te kostbaar, mevrouw,” zeide Dombey. “Gij zijt buitensporig. Gij verspilt veel geld—of wat veel geld zou zijn voor de beurs van de meeste heeren—om in eene soort van kring te verkeeren die mij nutteloos is, eigenlijk, over het geheel, mij onaangenaam is. Ik moet op eene volslagene verandering in al deze opzichten aandringen. Ik weet, dat door het nieuwe om een tiende van zulke middelen te bezitten als de fortuin tot uwe beschikking heeft gesteld, dames zeer licht tot een uiterste overgaan. Maar er is nu meer dan genoeg van dat uiterste geweest. Ik verzoek, dat de geheel andere ondervinding van mevrouw Granger nu mevrouw Dombey tot leering zal dienen.”Nog de strakke blik, de bevende lippen, de zwoegende borst, de nu gloeiende dan bleeke wangen; en nog het gefluister van Florence, Florence, dat in het kloppen van haar hart tot haar sprak.Zijne onbeschofte laatdunkendheid zwol nog meer op, toen hij deze verandering bij haar zag. Gezwollen niet minder door hare vroegere minachting voor hem en de pas gevoelde vernedering, dan door hare tegenwoordige onderwerping (naar hij dacht), werd die laatdunkendheid te groot voor zijne borst en verbrak zij alle perken. Wel zeker—wie kon lang zijn wil en welbehagen wederstaan! Hij had besloten haar te overmeesteren, en zie daar nu!“Het zal u verder believen, mevrouw,” zeide Dombey, op een toon van oppermachtig bevel, “om dadelijk te verstaan, dat men mij behoort te respecteeren en te gehoorzamen. Dat men voor de wereld behoort te toonen en te bekennen dat men mij achting toedraagt en ontziet, mevrouw. Daaraan ben ik gewoon. Dat eisch ik als een recht. Kortom, ik wil het zoo. Ik beschouw dit als geene onbillijke beantwoording van de verhooging in de maatschappij die u te beurt gevallen is; en ik geloof dat niemand er zich over zal verwonderen, dat dit van u gevorderd wordt, of dat gij het bewijst. Aan mij—aan mij!” voegde hij er met nadruk bij.Geen woord van haar; geene verandering in haar; hare oogen op hem gevestigd.“Ik heb van uwe moeder vernomen, mevrouw Dombey,” zeide Dombey, met de deftigheid van een rechter, “wat gij zonder twijfel ook weet,[281]namelijk datBrightonvoor hare gezondheid wordt aangeraden. Mijnheer Carker is zoo goed geweest.…”Zij veranderde op eens. Haar gezicht en hare borst gloeiden, alsof het roode licht eener toornig ondergaande zon ze bescheen. Deze verandering niet onopgemerkt latende, en ze op zijne eigene manier uitleggende, vervolgde Dombey:“Mijnheer Carker is zoo goed geweest om daarheen te gaan en voor eenigen tijd een huis te huren. Wanneer het huishouden weder naarLondenkomt, zullen tot bestuur daarvan zulke maatregelen genomen worden, als ik noodig acht. Daaronder zal behooren, dat eene zeer fatsoenlijke, maar tot armoede vervallene persoon, zekere mevrouw Pipchin, die vroeger een post van vertrouwen in mijne familie heeft bekleed, en teBrightonwoont, zoo mogelijk, als huishoudster zal worden aangenomen. Een huishouden gelijk dit, mevrouw Dombey, dat slechts in naam een hoofd heeft, behoort een meer bevoegd hoofd te krijgen.”“Zult gij dan van uwe vlag gaan deserteeren, jongetje?” zeide de kapitein, na hem lang in het gezicht te hebben gekeken. (blz. 272).“Zult gij dan van uwe vlag gaan deserteeren, jongetje?” zeide de kapitein, na hem lang in het gezicht te hebben gekeken.(blz. 272).Zij was, eer hij tot deze woorden kwam, van houding veranderd, en zat nu—hem nog strak aanziende—een bracelet aan haar arm om en om te draaien, niet los en zacht, maar klemmend en schurend over de zachte huid, tot de blanke arm eene roode streep vertoonde.“Ik heb,” zeide Dombey—“en dit maakt het slot uit van hetgeen ik noodig acht u thans te zeggen, mevrouw Dombey—ik heb een oogenblik geleden opgemerkt, mevrouw, dat mijne vermelding van mijnheer Carker op eene bijzondere manier werd opgenomen. Bij gelegenheid dat ik u, in het bijzijn van dien vertrouwden gelastigde van mij, de aanmerkingen mededeelde, die ik had tegen de manier waarop mijne gasten door u werden ontvangen, beliefde het u bezwaar tegen zijne tegenwoordigheid te maken. Gij zult dat bezwaar te boven moeten komen, mevrouw, en er u waarschijnlijk bij vele dergelijke gelegenheden aan gewennen; tenzij gij daartegen het middel gebruikt, dat gij in uwe macht hebt, namelijk om mij geene reden van klagen te geven. Mijnheer Carker,” zeide Dombey, die na de gemoedsbeweging, welke hij zoo even gezien had, groote waarde hechtte aan dit middel om zijne trotsche vrouw te doen zwichten, en misschien ook wel gaarne zijne macht voor dien heer in een nieuw licht wilde ten toon spreiden, “mijnheer Carker is in mijn vertrouwen, mevrouw Dombey, en mag dus zeer wel tot zoo verre in het uwe zijn. Ik hoop,” vervolgde hij, na eene korte poos, waarin[282]hij, met stijgenden trots, zijn denkbeeld nog wat meer had uitgewerkt, “dat ik het niet noodig zal vinden mijnheer Carker ooit eene boodschap van bezwaar of berisping tegen u toe te vertrouwen; maar daar het beneden mijne positie en reputatie zou zijn, dikwijls beuzelachtige geschillen te hebben met eene dame, aan welke ik de hoogste onderscheiding heb bewezen die in mijn vermogen is, zal ik niet schroomen van zijne diensten gebruik te maken, als ik daartoe reden zie.”—“En nu,” dacht hij, met al zijne deftigheid opstaande, stijver en ongenaakbaarder dan ooit, “kent ze mij en mijn besluit.”De hand, die den bracelet zoo had omgedraaid, lag zwaar op hare borst, maar zij zag hem nog aan, met een onveranderd gezicht, en zeide met eene zachte stem:“Wacht! Om Gods wil! Ik moet u spreken!”Waarom sprak zij niet, en van welken aard was die inwendige strijd, welke haar daartoe eenige minuten lang buiten staat stelde, terwijl haar gezicht, in het bedwang dat zij zich aandeed, zoo strak bleef als dat van een steenen beeld, en hem aanzag, noch zwichtend, noch uitdagend, met genegenheid noch haat, met trots noch nederigheid; met niets anders dan een doordringend starenden blik.“Heb ik u ooit uitgelokt om mijne hand te vragen? Heb ik eenige kunstgreep gebruikt om u in te nemen? Ben ik ooit vriendelijker voor u geweest toen ik door u werd aangezocht, dan ik sedert ons huwelijk geweest ben? Ben ik ooit anders voor u geweest dan ik nu ben?”—“Het is geheel noodeloos, mevrouw,” antwoordde Dombey, “in zulk eene woordenwisseling te treden.”—“Denkt gij dat ik u liefhad? Wist gij niet van neen? Hebt gij u ooit om mijn hart bekommerd, man, of u voorgesteld dat ding zonder waarde te winnen? Heeft er bij ons koopcontract eenige valschheid plaats gehad? Van uw kant of van den mijnen?”—“Deze vragen,” zeide Dombey, “zijn allen geheel nutteloos, mevrouw.”Zij stapte tusschen hem en de deur, om te verhinderen dat hij heenging, en hare trotsche gestalte hoog oprichtende, zag zij hem nog strak aan.“Gij beantwoordt ze allen. Gij antwoordt mij eer ik spreek, zie ik. Hoe kunt gij dat laten; gij, die de rampzalige waarheid evengoed kent als ik? Zeg mij nu. Als ik u tot aanbiddens toe liefhad, zou ik dan meer kunnen doen dan geheel mijn wil en wezen aan u overgeven, gelijk gij daar zoo even gevorderd hebt? Als mijn hart geheel rein was en gij de afgod daarvan, kondt gij dan meer vragen—kondt gij dan meer verkrijgen?”—“Mogelijk wel neen, mevrouw,” antwoordde hij koel.—“Gij weet hoe geheel anders ik ben. Gij ziet mij u aanzien, en kunt de warmte der liefde voor u lezen, die van mijn gezicht afstraalt.” Geen optrekken der trotsche bovenlip, geene flikkering van het donkere oog, niets dan dezelfde, strakke, doordringende blik vergezelde deze woorden. “Gij kent over het geheel mijne geschiedenis. Gij hebt van mijne moeder gesproken. Denkt gij dat gij mij door vernedering of dwang tot onderwerping en gehoorzaamheid kunt brengen, mij kunt buigen of breken?”Dombey glimlachte, gelijk hij had kunnen glimlachen op de vraag of hij tien duizend pond beschikbaar had.“Als hier iets ongewoons is,” zeide zij, even hare hand voor haar gezicht bewegende, dat geen oogenblik dat strakke staren naliet, dat anders niets uitdrukte, “gelijk ik weet dat hier een ongewoon gevoel is,” daarbij hief zij de hand op, die hare borst drukte, en liet ze zwaar weder zinken, “bedenk dan dat de bede, die ik u doen zal, geene gewone beteekenis heeft. Ja, want ik ga u eene bede doen,” zeide zij snel, als tot antwoord op iets in zijn gezicht.Met eene goedgunstige buiging van zijne kin, die zijne stijve das deed kraken, zette Dombey zich op eene sofa, die dicht bij hem stond, om de bede te hooren.“Als gij gelooven kunt dat ik tegenwoordig van zulk een karakter ben”—hij verbeeldde zich dat hij tranen in hare oogen zag, en dacht, met welgevallen, dat hij ze haar had afgeperst, hoewel er geen traan over hare wang rolde, en zij hem even strak aanzag als ooit,—“dat datgene, wat ik nu zeg, mij zelve bijna ongeloofelijk voorkomt,—zoo gezegd tot een man die mijn man is geworden, maar vooral tot u—zult gij er misschien meer gewicht aan hechten. In het ongeluk, dat voor ons aanstaande is, zullen wij niet alleen ons zelven wikkelen (dat zou misschien niet veel beteekenen) maar ook anderen.”Anderen! Hij wist wel op wie dit woord doelde en trok zijne wenkbrauwen samen.“Ik spreek tot u, ter wille van anderen. Maar ook om uwentwil en mijnentwil. Sedert ons huwelijk zijt gij arrogant voor mij geweest; en ik heb u met gelijke munt betaald. Gij hebt mij en ieder om ons heen elken dag en ieder uur getoond, dat gij mij door de verbintenis met u ten hoogste vereerd acht. Ik denk zoo niet, en heb dat insgelijks getoond. Het schijnt dat gij niet begrijpt, of (zoover uwe macht reikt) niet wilt, dat wij ieder onzen eigen weg gaan; en in plaats daarvan eene hulde van mij verwacht, die gij nooit zult krijgen.”Hoewel haar gezicht nog hetzelfde bleef, was toch zelfs hare ademhaling eene nadrukkelijke bevestiging van dat “nooit.”—“Ik gevoel geene teerheid voor u, dat weet gij. Gij zoudt er niet om geven, al deed ik dat, of kon ik dat. Ik weet evengoed dat gij ze niet voor mij gevoelt. Maar wij zijn aan elkander geboeid, en aan de keten, die ons bindt, zijn, gelijk ik gezegd heb,[283]ook anderen gesloten. Wij moeten beide sterven, wij staan beide reeds met de dooden in betrekking, ieder door een klein kind. Laten wij elkander wederkeerig ontzien.”Dombey haalde eens diep adem, als wilde hij zeggen: O, was dat alles waarop het neerkwam!“Er zijn geene schatten,” vervolgde zij, bleeker wordende, terwijl hare oogen, door hunne strakheid, nog meer glans verkregen, “die deze woorden en de beteekenis, die zij hebben, van mij konden koopen. Eens als ijdele klanken verworpen, kan geen geld of macht ze terugbrengen. Ik meen ze; ik heb ze gewogen; ik zal trouw zijn aan hetgeen ik op mij neem. Als gij beloven wilt mij van uw kant te ontzien, wil ik beloven u van mijn kant te ontzien. Wij zijn een allerongelukkigst paar, waarbij, door verschillende oorzaken, ieder gevoel, dat het huwelijk gelukkig of dragelijk maakt, is uitgeroeid; maar door verloop van tijd kan er nog eenige vriendschap, of eenige geschiktheid voor elkander, tusschen ons ontstaan. Ik wil dat pogen te hopen, als gij dat ook wilt doen; en ik wil vooruitzien naar een beter en gelukkiger gebruik van mijn ouderdom, dan ik van mijne jeugd en het beste van mijn leven heb gemaakt.”Zij had met eene zachte, duidelijke stem gesproken, die niet rees of daalde; toen zij ophield, liet zij de hand zinken, waarmede zij zich gedwongen had om zoo hartstochteloos en duidelijk te zijn, maar niet de oogen waarmede zij hem zoo strak aanzag.“Mevrouw,” zeide Dombey, met zijne grootste deftigheid, “ik kan een voorstel van zulk een buitengewonen aard zelfs niet in overweging nemen.”Zij zag hem nog aan, zonder de minste verandering.“Ik kan,” zeide Dombey, onder het spreken opstaande, “niet bewilligen om met u te temporiseeren of te onderhandelen, mevrouw Dombey, over iets waaromtrent u mijne gevoelens en verwachtingen zijn kenbaar gemaakt. Ik heb mijn ultimatum gegeven, mevrouw, en heb alleen te verzoeken dat gij dit uwe zeer ernstige aandacht verleent.”Dat gezicht de oude uitdrukking weder te zien aannemen, nog veel krachtiger dan te voren! Die oogen te zien afwenden als van een afzichtelijk en hatelijk voorwerp! Dat trotsche voorhoofd te zien betrekken! Verachting, gramschap, verontwaardiging en afschuw te zien uitblinken, en dien bleeken strakken ernst als een nevel te zien verdwijnen! Hij kon niet nalaten dit te zien, hoewel hij met ontzetting toezag.“Ga, mijnheer!” zeide zij, met eene gebiedende hand naar de deur wijzende. “Onze eerste en laatste vertrouwelijkheid is ten einde. Niets kan ons vreemder voor elkander maken dan wij voortaan zijn.”—“Ik zal doen wat mij voegzaam en raadzaam voorkomt, mevrouw,” zeide Dombey, “zonder mij, daarvan kunt gij zeker zijn, door algemeene declamatiën te laten afschrikken.”Zij keerde hem haar rug toe, en zette zich, zonder antwoord te geven, voor haar spiegel neer.“Ik vertrouw dat gij uw plicht beter zult leeren inzien, in eene betere stemming komen en u beter bedenken, mevrouw,” zeide Dombey.Zij sprak geen woord. Hij zag in haar spiegel even weinig uitdrukking, zij scheen hem even weinig op te merken, als ware hij eene ongeziene spinnekop aan den wand, of eene zwarte tor op den vloer geweest, of liever als ware hij een van beide geweest, door haar gezien, vertrapt en vergeten bij het andere doode ongedierte op den grond.Hij zag om, toen hij de deur uitging, naar het prachtige, helder verlichte vertrek, naar al het schitterende dat daar prijkte, naar de gestalte van Edith, zoo rijk gekleed voor den spiegel gezeten, en naar het gezicht van Edith gelijk die spiegel het hem voorhield; en begaf zich naar zijne oude kamer van gepeinzen, in zijn geest een levendig tafereel van dat alles medenemende, waarbij te gelijk op eene onverklaarbare manier de zonderlinge gedachte bij hem opkwam (gelijk zoo iets iemand somtijds in het hoofd komt) hoe dat alles er zou uitzien als hij het de volgende maal zag.Voor het overige was Dombey zeer stroef, zeer deftig, en vast overtuigd dat hij zijn oogmerk zou volvoeren; en dit bleef hij.Hij was niet voornemens de familie naarBrightonte vergezellen; maar bij het ontbijt op den ochtend van het vertrek, dat een paar dagen later plaats had, onderrichtte hij Cleopatra zeer vriendelijk, dat men spoedig een bezoek van hem kon verwachten. Er moest geen tijd verzuimd worden om Cleopatra ergens heen te brengen, waar men het gezond voor haar achtte; want zij scheen spoedig geheel in stof te zullen vallen.Zonder een bepaalden tweeden aanval van hare kwaal gehad te hebben, scheen de oude vrouw sedert in beterschap achteruit te zijn gekropen. Zij was nog magerder en meer verschrompeld, nog ongestadiger en suffer, en in hare gedachten en haar geheugen heerschte nog vreemder verwarring. Onder de blijken van die verwarring behoorde ook, dat zij tot de gewoonte verviel om de namen harer twee schoonzonen, van den levenden en den dooden, te verwisselen of te zamen te voegen, en Dombey meestal “Grangeby” of “Domber” noemde.Maar zij was toch nog jeugdig, zeer jeugdig; en in hare jeugdigheid verscheen zij aan het ontbijt, eer zij vertrok, met een nieuw en zeer luchtig hoedje, en een reisgewaad, geborduurd[284]en met tressen bezet als ware zij een kind dat pas uit de lange kleeren kwam. Het was nu niet gemakkelijk haar dat luchtige hoedje op te zetten, of het achter haar beverig hoofd op zijne plaats te houden als zij het ophad. Het zat niet alleen altijd scheef, maar moest ook nog gedurig op den bol getikt worden door Flowers de kamenier, welke, om dezen dienst te verrichten, gedurende het ontbijt achter hare meesteres bleef.“Nu, mijn allerliefste Grangeby,” zeide mevrouw Skewton, “moet ge mij stellig bel,” zij brak sommige woorden af en sloeg andere geheel over. “Om gauw eens bij ons te komen.”—“Ik heb zoo even gezegd, mevrouw,” antwoordde Dombey, luid en langzaam, “dat ik over een dag of twee zal komen.”—“Zegen u, Domber.”De majoor, die afscheid van de dames kwam nemen, en door zijne beroerteachtige oogen, met de belangelooze kalmte van een onsterfelijk wezen, naar mevrouw Skewton staarde, zeide nu:“Verduiveld, mevrouw, waarom vraagt gij den ouden Joe niet?”—“Wie is dat, lastige plaaggeest?” lispte Cleopatra. Maar een tik van Flowers op haar hoedje scheen haar geheugen op te schudden, en zij vervolgde: “O, gij meent u zelven, gij ondeugend schepsel!”—“Verduiveld raar, mijnheer,” fluisterde de majoor tot Dombey. “Leelijk geval! Zich nooit genoeg ingebakerd;” de majoor was tot aan zijne kin toegeknoopt. “Wel, wie zou J. B. anders met Joe meenen dan oude Joe Bagstock, Jozef, Joe, uw slaaf, mevrouw? Hier staat de man. Hier is zijn blaasbalg, mevrouw!” zeide de majoor, en gaf zich een dreunenden stomp op de borst.—“Mijne lieve Edith—Grangeby—het is toch ongelukkig,” zeide Cleopatra korzelig, “dat majoor …”—“Bagstock! J. B.!” riep de majoor, ziende dat zij naar zijn naam zocht.—“Wel, het komt er niet op aan,” zeide Cleopatra. “Edith, lieve, ge weet wel dat ik nooit kon onthouden—wat was het ook weer? Ja, iets ongemeens dat zooveel menschen naar mij willen komen zien. Ik ga toch niet voor lang heen. Ik kom terug. Zij kunnen immers wel wachten tot ik terugkom.”Dit zeggende keek Cleopatra in het rond en scheen zeer onrustig.“Ik wil geene visites hebben—ik heb geene visites noodig—een beetje rust—en dat alles—is al wat ik noodig heb. Geene leelijkerds moeten bij mij komen, eer ik die dofheid kwijt ben;” en met eene akelige poging om hare coquette maniertjes te hernemen, deed zij een stoot naar den majoor met haar waaier, maar stiet, in plaats van hem te raken, Dombey’s kopje om, dat aan een geheel anderen kant stond.Toen riep zij Withers en belastte hem om vooral te zorgen dat er eenige geringe veranderingen in hare kamer werden gemaakt, die klaar moesten zijn eer zij terugkwam, en waarvan men dadelijk werk moest maken, daar zij niet wist hoe gauw zij terugkwam, want zij had veel engagementen en was eene menigte visites schuldig. Withers ontving dezen last met gepaste onderdanigheid en gaf zijn woord voor de vervulling; maar toen hij een paar stappen achteruit was gegaan, scheen hij niet te kunnen laten den majoor op eene zonderlinge manier aan te zien, die niet laten kon Dombey eveneens aan te zien, die niet laten kon Cleopatra eveneens aan te zien, die niet laten kon met haar hoofd te schudden, zoodat haar hoedje over een oog zakte, en met haar mes en vork op haar bord te ratelen alsof zij de castagnetten speelde.Edith alleen sloeg hare oogen niet naar eenig gezicht aan tafel op, en scheen zich nooit te bevreemden over iets dat hare moeder zeide of deed. Zij luisterde naar haar onsamenhangend gepraat, of keerde ten minste haar hoofd naar haar om; antwoordde met eenige zachte woorden als dit noodig was, en stuitte haar somtijds als zij geheel in de war raakte, of bracht hare gedachten met een enkel woord naar het punt terug, van waar zij waren afgedwaald. De moeder, hoe ongestadig ook in andere opzichten, was hierin bestendig, dat zij altijd op haar lette. Zij tuurde naar het schoone gelaat, zoo ernstig en strak als marmer, nu met zekere vreesachtige bewondering, dan met eene kinderachtige poging om het tot een glimlach te bewegen, dan met spijtige tranen en een jaloersch hoofdschudden, als zij zich verbeeldde er door verwaarloosd te worden; maar altijd er door aangetrokken door iets, dat nooit het onvaste van hare andere denkbeelden vertoonde, maar haar bestendig beheerschte. Van Edith zag zij somtijds naar Florence, en van deze weder naar Edith, op eene manier die wel iets wilds had; en somtijds beproefde zij ergens anders heen te zien, als wilde zij het gezicht harer dochter ontwijken; maar zij scheen steeds genoodzaakt daartoe terug te komen, hoewel dat gezicht nooit uit eigene beweging het hare zocht.Toen het ontbijt was afgeloopen, werd mevrouw Skewton, die zich hield alsof zij meisjesachtig los op des majoors arm leunde, maar aan den anderen kant stevig door Flowers de kamenier, en van achteren door Withers werd gesteund, naar de koets geholpen, die haar, Florence en Edith naarBrightonzou brengen.“En is Jozef inderdaad verbannen?” zeide de majoor, zijn purperrood gezicht binnen het portier stekende. “Verduiveld, mevrouw, is Cleopatra zoo hardvochtig dat zij haar trouwen Antonius Bagstock verbiedt om haar te naderen?”—“Loop heen;” zeide Cleopatra. “Ik kan u niet[285]uitstaan. Gij zult mij zien als ik terugkom, als ge heel zoet zijt.”—“Zeg Jozef dat hij in hoop mag leven, mevrouw,” zeide de majoor, “of hij zal in wanhoop sterven.”Cleopatra huiverde en liet zich achteroverzakken. “Edith, lieve,” zeide zij, “zeg hem …”—“Wat?”—“Zulke ijselijke woorden,” zeide Cleopatra. “Hij gebruikt zulke ijselijke woorden.”Edith gaf hem een wenk om heen te gaan en te gelijk last om op te rijden.De afgewezen majoor keerde zich fluitend naar Dombey.“Ik zal u eens wat zeggen, mijnheer,” zeide de majoor, zeer wijdbeens staande, met de handen op den rug, “eene schoone vriendin van ons is in deWrakke-Straatgaan wonen.”—“Wat meent ge, majoor?” vroeg Dombey.—“Ik wil zeggen, Dombey,” antwoordde de majoor, “dat ge binnen kort een schoonwees zult zijn.”Dombey scheen zoo weinig smaak te hebben in deze schertsende aanduiding van hem zelven, dat de majoor, als een blijk van ernst, met een paardenkuch besloot.“Verduiveld, mijnheer,” hervatte de majoor, “er zijn geen doekjes om te winden. Joe is plomp, mijnheer. Dat is zijn aard. Als gij Joe hebben wilt, moet gij hem nemen zooals gij hem vindt; en gij zult hem een taaien, groven, ouden rekel vinden. Dombey, uwe schoonmoeder staat op sprong.”—“Ik vrees,” antwoordde Dombey zeer koel, “dat mevrouw Skewton geschokt is.”—“Geschokt, Dombey?” zeide de majoor. “Zij heeft het weg!”—“Maar afwisseling en oplettendheid kunnen nog veel doen,” zeide Dombey.—“Geloof het niet, mijnheer,” antwoordde de majoor. “Verduiveld, mijnheer, zij heeft zich nooit genoeg ingebakerd. Als iemand zich niet inbakert,” zeide de majoor, nog een knoop van zijn vest dichtmakende, “verzwakt hij zijn gestel. Maar sommige menschenwillensterven. Dat willen zij. Zij zijn koppig. Ik zal u wat zeggen, Dombey; het mag niet zoo mooi zijn, het mag niet zoo gepolijst wezen, maar een zweempje van de oud Engelsche degelijkheid van het Bagstockras, mijnheer, zou iedereen goeddoen.”Na het mededeelen van dit wetenswaardige bericht kuierde de majoor naar zijne club en bleef daar den geheelen dag zitten hijgen alsof hij ieder oogenblik eene beroerte zou krijgen.Cleopatra, nu eens gemelijk, dan weder vergenoegd, somtijds wakker, somtijds in slaap, en altijd jeugdig, kwam des avonds teBrightonaan, viel naar gewoonte in stukken en werd in bed gestopt; waar eene sombere verbeelding zich had kunnen voorstellen dat een machtiger geraamte dan de kamenier, die een geraamte had moeten zijn, de rozekleurige gordijnen bewaakte, welke men had medegenomen om haar blos te verhoogen.Het werd door een hoogen raad van dokters beslist dat zij dagelijks een toertje met rijtuig moest doen, en ook dagelijks, als zij kon, wat wandelen. Edith was gereed om haar te vergezellen—altijd gereed om haar te vergezellen met dezelfde werktuiglijke oplettendheid en onbeweeglijke schoonheid—en zij reden alleen uit; want Edith was, nu hare moeder erger werd, in het bijzijn van Florence onrustig, en zeide Florence, met een kus, dat zij liever met haar beiden alleen wilde gaan.Op zekeren dag was mevrouw Skewton in dat ongestadige, wrevelige, jaloersche humeur, dat zich onder haar herstel na het eerste toeval had ontwikkeld. Nadat zij in de koets Edith eenigen tijd stilzwijgend had zitten aanstaren, vatte zij hare hand en kuste die hartstochtelijk. Die hand werd noch gegeven noch teruggetrokken, en viel, toen zij losgelaten werd, weder neer, bijna alsof zij gevoelloos en machteloos was. Daarop begon mevrouw Skewton te grienen en te kermen, en zeide, welk eene moeder zij geweest was, en hoe zij vergeten werd. Hiermede ging zij bij grillige tusschenpoozen voort, zelfs nadat men was afgestapt, terwijl zij, door Withers en een stok gesteund, voortstrompelde, Edith naast haar ging en het rijtuig op eenigen afstand langzaam volgde.Het was een gure, betrokkene, winderige dag, en zij waren op het duin, waar men niets anders zag dan den kalen grond en de lucht. De moeder bleef, met zeker wrevelig genoegen in het eentonige harer klacht, deze nog nu en dan binnensmonds herhalen, en de trotsche gestalte harer dochter zweefde langzaam naast haar voort, toen zij, eene geringe hoogte bestegen hebbende, eensklaps twee gedaanten voor zich zagen, die zoozeer naar eene overdrevene nabootsing van hare eigene gedaanten geleken, dat Edith bleef stilstaan.Bijna gelijktijdig stonden ook die twee gedaanten stil; en diegene, welke Edith vond dat naar eene wanstaltige schaduw van hare moeder geleek, sprak ernstig tot de andere en wees met de hand naar hen. Deze scheen gezind om terug te keeren, maar de andere, in welke Edith eene genoegzame gelijkenis met haar zelve vond, om een zeer ongewoon gevoel, dat niet geheel vrij van vrees was, bij haar te doen opkomen, stapte voort, en zoo naderden zij elkander.Het meeste van het vorige had Edith opgemerkt terwijl zij voortwandelde, want zij was slechts een oogenblik blijven stilstaan. Nader komende zag zij dat die twee armoedig waren gekleed, bijna als bedelaars, en dat de jongste vrouw gebreide goederen of zoo iets te koop droeg, terwijl de oudste onbelast voortstrompelde.En toch, hoe ver beneden haar in schoonheid, houding en kleeding, kon Edith ook nu[286]niet nalaten de jongste vrouw met zich zelve te vergelijken. Misschien zag zij op haar gelaat eenige sporen van datgene wat zij wist datinhare eigene ziel school, al vertoonden er zich nog geene uitwendige blijken van; maar toen die vrouw aankwam, haar blik teruggaf, hare glanzige oogen op haar vestigde, ontwijfelbaar iets van hare eigene houding en uitzicht vertoonde en zelfs hare gedachten scheen te beantwoorden, gevoelde zij zich door eene kilheid overvallen alsof de lucht meer betrok en de wind kouder werd.Zij waren nu bij elkander. De oude vrouw hield hare hand op en bedelde bij mevrouw Skewton. De jongste bleef insgelijks staan, en zij en Edith zagen elkander in de oogen.“Wat hebt ge daar te koop?” zeide Edith.—“Dit maar,” antwoordde de vrouw, hare waren vertoonende, zonder er zelve naar te zien: “mij zelve heb ik al lang geleden verkocht.”—“Geloof haar niet, Mylady,” kraste de oude vrouw tot mevrouw Skewton. “Geloof niet wat zij zegt. Zij wil maar zoo praten. Zij is mijne mooie, onnatuurlijke dochter. Zij geeft mij niets dan verwijten, Mylady, voor al wat ik voor haar gedaan heb. Zie haar nu eens, Mylady, hoe zij hare arme moeder aankijkt.”Toen mevrouw Skewton met eene bevende hand hare beurs uithaalde en naar geld zocht, waarnaar de andere oude vrouw gretig stond te wachten—terwijl hare hoofden, door beider haast en zwakheid, bijna tegen elkander stieten, kwam Edith er tusschen.“Ik heb u meer gezien,” zeide zij, de oude vrouw aansprekende.—“Ja, Mylady,” antwoordde zij nijgende. “Daar inWarwickshire. Dien ochtend tusschen de boomen. Toen ge mij niets woudt geven. Maar die heer,hijheeft mij wat gegeven! O zegen hem, zegen hem!” mompelde de oude vrouw, hare dorre hand opstekende en akelig tegen hare dochter grijnzende.—“Gij behoeft mij niet te willen tegenhouden, Edith!” zeide mevrouw Skewton gramstorig, om afrading van haar voor te komen. “Gij weet er niets van. Ik wil mij niet laten afraden. Ik ben zeker dat dit eene brave vrouw is, en eene goede moeder.”—“Ja, Mylady, ja,” kakelde de oude vrouw, hare gretige hand uitstekende. “Bedankt, Mylady. God zegen u, Mylady. Nog zes stuivers, mijne lieve Lady, omdat gij zelf eene goede moeder zijt.”—“En die ook somtijds onnatuurlijk genoeg wordt behandeld, goede vrouw, dat verzeker ik u,” zeide mevrouw Skewton grienende. “Daar! Geef mij de hand. Gij zijt eene goede oude ziel—ook vol, hoe is het ook weer, en dat alles. Vol hartelijkheid en zoo al meer, niet waar?”—“O ja, Mylady!”—“Ja, dat geloof ik zeker; en dat is Grangeby ook, die fatsoenlijke man. Ik moet u waarlijk nog eens de hand geven. En nu kunt gij gaan; en ik hoop,” zeide mevrouw Skewton, de dochter aansprekende, “dat ge meer dankbaarheid, en natuurlijke, hoe heet het ook weer, en dat alles, zult toonen—ik heb nooit namen kunnen onthouden—want er is nooit beter moeder geweest, dan die arme oude ziel voor u geweest is. Kom, Edith!”Terwijl de ruïne van Cleopatra grienend heenwaggelde, en hare oogen afveegde, maar met voorzichtigheid om het rouge in de nabijheid te ontzien, strompelde de oude vrouw, mompelende en haar geld tellende, een anderen kant heen. Geen woord, geen gebaar was tusschen Edith en de jongere vrouw meer gewisseld, maar geen van beide had hare oogen van de andere afgewend. Zij waren tegen elkander over blijven staan tot zoolang, toen Edith, alsof zij uit een droom ontwaakte, langzaam voortging.“Ge zijt mooi,” prevelde hare schaduw, haar naziende, “maar het mooi kan ons niet redden. En ge zijt trotsch, maar trotschheid kan ons niet redden. Wij zullen elkander wel kennen, als wij elkander weerzien!”
Het lag niet in den aard der zaak dat een man als Dombey, tegen zulk een geest overgesteld als hij tegen zich had opgeroepen, de heerschzuchtige stroefheid van zijn karakter eenigszins zou verzachten; of de koude, harde wapenrusting van trotschheid, die hij bestendig droeg, buigzamer zou worden door het gedurig stooten tegen trotsche minachting en uitdagenden hoon. Het is de vloek van zulk een karakter—het is een voornaam gedeelte van de straf over zich zelf die het medebrengt— dat, terwijl eerbied en onderdanigheid de slechte eigenschappen daarvan doen toenemen, en een voedsel zijn waarvan het groeit, tegenstand en onwil om zijne eischen in te willigen het niet minder aankweeken. Het kwaad, dat het in zich heeft, vindt in beide gevallen evenzeer middelen om te groeien en zich uit te breiden. Het zuigt uit het zoete en het bittere evenzeer leven en kracht; gevleid of onerkend beheerscht het toch het hart, waarin het zijn troon heeft gevestigd, hoe langer hoe meer; aangebeden of verworpen is het toch een even hard meester als de duivel in bijgeloovige fabelen is.
Jegens zijne eerste vrouw had Dombey zich, in zijne koude trotsche laatdunkendheid, gedragen als het hoog verhevene wezen, dat hij zich bijna verbeeldde te zijn. Hij was, toen zij hem voor de eerste maal zag, “mijnheer Dombey” geweest, en hij was nog “mijnheer Dombey” toen zij stierf. Gedurende hun huwelijksleven had hij zijne grootheid doen gelden, en had zij die ootmoedig erkend. Hij was boven op zijn troon in staatsie blijven zitten, en zij had nederig op den laagsten trap gestaan; en veel goed had het hem gedaan, zoo in eenzame slavernij onder zijn heerschend denkbeeld te leven. Hij had zich verbeeld dat het trotsche karakter zijner tweede vrouw zich aan het zijne zou hebben aangesloten—daarin verzwolgen zijn geworden en zijne grootheid nog verhoogd zou hebben. Hij had zich voorgesteld nog trotscher dan ooit te zullen zijn, als Edith’s trotschheid de zijne dienstbaar was. Hij had zich nooit de mogelijkheid voorgesteld dat die tegen hem in de wapens zou komen. En nu hij die trotschheid op elken stap van zijn dagelijksch leven in zijn weg zag oprijzen en een kouden, uitdagenden, verachtelijken blik op hem vestigen, was het gevolg, dat zijn trots, in plaats van te verwelken of het hoofd te laten hangen, nieuwe wortelen schoot, nog krachtiger, bitterder, somberder, wreveliger en onbuigzamer werd, dan hij ooit te voren geweest was.
Hij, die zulk eene wapenrusting draagt, draagt nog eene zware vergelding met zich mede. Die rusting is bestand tegen verzoening, liefde en vertrouwen, tegen alle zachte sympathie, alle teederheid, alle streelende aandoening; maar voor diepe wonden der eigenliefde is zij even kwetsbaar als de bloote borst voor het staal; en zulke kwaadaardige, pijnlijke zweren blijven daarvan achter, als op geene andere wonden volgen, zelfs niet op die, welke door den ijzeren handschoen des hoogmoeds zelven een zwakker trots worden toegebracht, die ontwapend en neergeworpen is.
Zulke wonden droeg hij nu om. Hij voelde ze pijnlijk in de eenzaamheid zijner oude kamers, waarin hij zich nu weder dikwijls begon af te zonderen en lange uren te slijten. Het scheen zijn noodlot te zijn altijd trotsch en[279]machtig te zijn; en toch altijd vernederd en machteloos waar hij sterkst wilde wezen. Wie scheen bestemd om dat vonnis des noodlots te voltrekken?
Wie? Wie was het, die zijne vrouw kon winnen, gelijk zij zijn zoon gewonnen had! Wie was het, die hem deze nieuwe overwinning had getoond, toen hij in dien donkeren hoek zat! Wie was het, wier minste woord deed wat zijne uiterste middelen niet konden doen! Wie was het, die, ongeholpen door zijne liefde, gunst of zorg, welvarend bleef en schoon werd, terwijl diegenen, die zoo geholpen werden, stierven! Wie kon het anders zijn dan hetzelfde kind, waarnaar hij in hare moederlooze kindsheid zoo menigen onrustigen blik had geworpen, met eene soort van vrees, dat hij er eens toe komen zou om haar te haten; en van wie dit voorgevoel vervuld was, want hij haatte haar nu in zijn hart.
Ja, hij wilde haar haten, en hij haatte haar, schoon er nu en dan nog een glans van het licht, waarin zij voor hem verschenen was op den gedenkwaardigen avond toen hij met zijne bruid thuis kwam, om haar heen zweefde. Hij wist nu dat zij schoon was, hij sprak het niet tegen dat zij bevallig en innemend was, en dat zij hem in den helderen dageraad van haar vrouwelijken leeftijd als eene verrassing voor de oogen was gekomen. Maar zelfs dit keerde hij tegen haar. In zijn wrevelig naargeestig gemijmer maakte de ongelukkige, met een dof gevoel, dat alle harten van hem vervreemd waren, en een onbestemd verlangen naar datgene, wat hij al zijn leven had teruggestooten, zich eene overdrevene voorstelling van zijne rechten en van het ongelijk dat hem werd aangedaan, en daarmede rechtvaardigde hij zich zelven tegenover haar. Hoe meer zij zijner waardig beloofde te worden, des te grooter eisch had hij op hare gehechtheid en onderwerping. Wanneer had zij hem ooit gehechtheid of onderwerping getoond? Veraangenaamde zij zijn leven—of dat van Edith? Had zij hare innemende eigenschappen het eerst aan hem geopenbaard—of aan Edith? Wel—hij en zij waren, van hare geboorte af, nooit als vader en dochter geweest! Zij waren altijd vervreemd geweest. Zij had hem altijd en overal gedwarsboomd. Zij spande nu tegen hem samen. Hare schoonheid zelfs verzachtte gemoederen, die voor hem verhard bleven, en beleedigde hem met eene onnatuurlijke zegepraal.
Het kon zijn dat dit alles het gefluister van een in zijn hart ontwakend gevoel was, hoewel dit slechts door zijne zelfzucht werd opgewekt, als hij zijn toestand vergeleek bij datgene waartoe zij zijn leven had kunnen maken. Maar hij bracht de zachte stem van dit gevoel door het gebulder zijner zee van hoogmoed tot zwijgen. Hij wilde niets hooren dan zijn trots, en in zijn trots, vol tegenstrijdigheden en martelingen, haatte hij haar.
Tegen den stuurschen, koppigen, norschen duivel, die hem beheerschte, stelde zijne vrouw haar geheel anderen trots in volle kracht over. Zij hadden nooit een gelukkig leven met elkander kunnen leiden; maar niets had hen ongelukkiger kunnen maken dan de hardnekkige strijd tusschen zulke elementen. Zijn trots was er op gesteld om zijne verhevene opperheerschappij te handhaven en haar tot erkentenis daarvan te noodzaken. Zij had zich dood laten martelen, en zou hem tot op het laatst met haar trotschen blik van kalme, onverschillige minachting hebben aangezien. Zulk eene erkentenis van Edith! Hij wist weinig door welk een zielestrijd zij zich had moeten doorworstelen eer zij zich dwingen kon om de eer van zijne hand aan te nemen! Hij wist weinig hoeveel zij meende te hebben opgeofferd toen zij hem toeliet om haar zijne vrouw te noemen!
Dombey nam zich voor om haar te toonen, dat hij oppermachtig was. Er moest geen wil bestaan dan de zijne. Trotsch verlangde hij dat zij zou zijn, maar zij moest vóór, niet tegen hem trotsch wezen. Terwijl hij zich alleen zat te verharden, hoorde hij haar dikwijls uitgaan en thuis komen, in den kring van het leven inLondenrondzwieren, zonder zich meer om zijn goedvinden of niet goedvinden, zijn genoegen of ongenoegen te bekommeren, dan alsof hij haar rijknecht was geweest. Hare koude, fiere onverschilligheid—zijne eigene eigenschap, die zij zich aanmatigde—kwetste hem dieper dan eenige andere soort van behandeling kon gedaan hebben; en hij besloot haar naar zijn verheven en statelijken wil te buigen.
Hij had zich lang met deze gedachten bezig gehouden, toen hij haar op een avond in hare eigene kamer ging opzoeken, nadat hij haar laat had hooren thuis komen. Zij was alleen, in hare schitterende kleeding, en was pas een oogenblik te voren uit de kamer harer moeder gekomen. Haar gezicht stond zwaarmoedig en peinzend, toen hij binnentrad; maar het lette dadelijk op hem toen hij de deur inkwam; want in den spiegel ziende, waarvoor zij stond, zag hij terstond, als in de lijst eener schilderij, het betrokken voorhoofd en de benevelde schoonheid, die hij zoo wel kende.
“Mevrouw Dombey,” zeide hij, binnenkomende, “ik moet eenige woorden met u verzoeken.”—“Morgen,” antwoordde zij.—“Geen tijd zoo goed als nu, mevrouw,” hervatte hij. “Gij vergist u in uwe positie. Ik ben gewoon mijn eigen tijd te kiezen, niet dien voor mij te laten kiezen. Ik denk dat gij niet goed begrijpt wie of wat ik ben, mevrouw Dombey.”—“Ik denk,” antwoordde zij, “dat ik u zeer wel begrijp.”
Dit zeggende zag zij hem aan, en hare blanke,[280]van goud en juweelen schitterende armen over hare borst kruisende, keerde zij hare oogen af.
Indien zij minder schoon was geweest, en minder statig met hare koude bedaardheid, zou zij misschien het vermogen niet gehad hebben, om hem dat gevoel van minderheid in te boezemen, dat door zijn stugsten trots heendrong. Maar zij had dit vermogen, en hij gevoelde dit levendig. Hij wierp een blik door de kamer, en zag hoe de prachtigste voorwerpen van kleeding en opschik achteloos hier en daar verstrooid waren; niet uit enkele grilligheid en zorgeloosheid (of zoo, dacht hij), maar met opzettelijke, trotsche minachting voor al dat kostbare:—en gevoelde het meer en meer. Kunstbloemen, vederen, juweelen, kanten en satijn; waar hij zich wendde zag hij schatten met verachting neergeworpen. Zelfs de diamanten—een bruidsgeschenk—die met hare ongeduldig zwoegende borst rezen en daalden, schenen te hijgen om de keten te breken, die ze om haar hals sloot, en over den vloer te rollen, waar zij ze kon vertrappen.
Hij gevoelde zijne vernedering, en hij toonde dit. Zoo plechtstatig en zoo vreemd onder dien rijkdom van kleuren en weelderigen glans, zoo vreemd en stijf voor de trotsche meesteres daarvan, wier terugstootende schoonheid door alles in het rond werd herhaald en teruggekaatst, gelijk in zoovele stukken van een gebroken spiegel, was hij zich bewust van zijne verlegenheid en linksheid. Alles wat hare onverschillige kalmte dienstbaar was, moest hem kwetsen. Op zich zelven verstoord, zette hij zich neer, en vervolgde, nog slechter in zijn humeur:
“Mevrouw Dombey, het is zeer noodig dat het tot eene opheldering tusschen ons komt. Uw gedrag behaagt mij niet, mevrouw.”
Zij zag hem slechts even aan, en wendde hare oogen wederom af; maar zij had een uur lang kunnen spreken, zonder zooveel uit te drukken.
“Ik herhaal, mevrouw Dombey—behaagt mij niet. Ik heb reeds eene gelegenheid waargenomen, om te verzoeken het te veranderen. Nu beveel ik dat.”—“Gij hebt eene gepaste gelegenheid voor uwe eerste vermaning gekozen, mijnheer, en kiest eene gepaste manier en gepaste woorden voor uwe tweede.Gijbeveelt!Mij!”—“Mevrouw,” zeide Dombey, met zijne hatelijkste statigheid, “ik heb u tot mijne vrouw gemaakt. Gij draagt mijn naam. Gij staat met mijne positie en reputatie in betrekking. Ik wil niet zeggen dat de wereld over het algemeen genegen is om te denken, dat die betrekking eene eer voor u moet zijn; maar ik wil zeggen, dat ik gewoon ben mijne betrekkingen en ondergeschikten te bevelen.”—“Voor wat van die twee zal het u believen mij te houden?” vroeg zij.—“Misschien zal ik denken dat mijne vrouw aan beide eigenschappen deel moet hebben—of werkelijk deel heeft, en niet anders kan, mevrouw Dombey.”
Zij zag hem strak aan en kneep hare bevende lippen dicht. Hij zag hare wangen gloeien en daarna verbleeken. Dat alles zag hij; maar hij kon het ééne woord niet hooren, dat in het binnenste van haar hart gefluisterd werd om haar stil te doen blijven; en dat woord was Florence.
Blinde dwaas, die naar den rand van een afgrond snelde! Hij dacht dat zij bang voorhemwas!
“Gij zijt al te kostbaar, mevrouw,” zeide Dombey. “Gij zijt buitensporig. Gij verspilt veel geld—of wat veel geld zou zijn voor de beurs van de meeste heeren—om in eene soort van kring te verkeeren die mij nutteloos is, eigenlijk, over het geheel, mij onaangenaam is. Ik moet op eene volslagene verandering in al deze opzichten aandringen. Ik weet, dat door het nieuwe om een tiende van zulke middelen te bezitten als de fortuin tot uwe beschikking heeft gesteld, dames zeer licht tot een uiterste overgaan. Maar er is nu meer dan genoeg van dat uiterste geweest. Ik verzoek, dat de geheel andere ondervinding van mevrouw Granger nu mevrouw Dombey tot leering zal dienen.”
Nog de strakke blik, de bevende lippen, de zwoegende borst, de nu gloeiende dan bleeke wangen; en nog het gefluister van Florence, Florence, dat in het kloppen van haar hart tot haar sprak.
Zijne onbeschofte laatdunkendheid zwol nog meer op, toen hij deze verandering bij haar zag. Gezwollen niet minder door hare vroegere minachting voor hem en de pas gevoelde vernedering, dan door hare tegenwoordige onderwerping (naar hij dacht), werd die laatdunkendheid te groot voor zijne borst en verbrak zij alle perken. Wel zeker—wie kon lang zijn wil en welbehagen wederstaan! Hij had besloten haar te overmeesteren, en zie daar nu!
“Het zal u verder believen, mevrouw,” zeide Dombey, op een toon van oppermachtig bevel, “om dadelijk te verstaan, dat men mij behoort te respecteeren en te gehoorzamen. Dat men voor de wereld behoort te toonen en te bekennen dat men mij achting toedraagt en ontziet, mevrouw. Daaraan ben ik gewoon. Dat eisch ik als een recht. Kortom, ik wil het zoo. Ik beschouw dit als geene onbillijke beantwoording van de verhooging in de maatschappij die u te beurt gevallen is; en ik geloof dat niemand er zich over zal verwonderen, dat dit van u gevorderd wordt, of dat gij het bewijst. Aan mij—aan mij!” voegde hij er met nadruk bij.
Geen woord van haar; geene verandering in haar; hare oogen op hem gevestigd.
“Ik heb van uwe moeder vernomen, mevrouw Dombey,” zeide Dombey, met de deftigheid van een rechter, “wat gij zonder twijfel ook weet,[281]namelijk datBrightonvoor hare gezondheid wordt aangeraden. Mijnheer Carker is zoo goed geweest.…”
Zij veranderde op eens. Haar gezicht en hare borst gloeiden, alsof het roode licht eener toornig ondergaande zon ze bescheen. Deze verandering niet onopgemerkt latende, en ze op zijne eigene manier uitleggende, vervolgde Dombey:
“Mijnheer Carker is zoo goed geweest om daarheen te gaan en voor eenigen tijd een huis te huren. Wanneer het huishouden weder naarLondenkomt, zullen tot bestuur daarvan zulke maatregelen genomen worden, als ik noodig acht. Daaronder zal behooren, dat eene zeer fatsoenlijke, maar tot armoede vervallene persoon, zekere mevrouw Pipchin, die vroeger een post van vertrouwen in mijne familie heeft bekleed, en teBrightonwoont, zoo mogelijk, als huishoudster zal worden aangenomen. Een huishouden gelijk dit, mevrouw Dombey, dat slechts in naam een hoofd heeft, behoort een meer bevoegd hoofd te krijgen.”
“Zult gij dan van uwe vlag gaan deserteeren, jongetje?” zeide de kapitein, na hem lang in het gezicht te hebben gekeken. (blz. 272).“Zult gij dan van uwe vlag gaan deserteeren, jongetje?” zeide de kapitein, na hem lang in het gezicht te hebben gekeken.(blz. 272).
“Zult gij dan van uwe vlag gaan deserteeren, jongetje?” zeide de kapitein, na hem lang in het gezicht te hebben gekeken.(blz. 272).
Zij was, eer hij tot deze woorden kwam, van houding veranderd, en zat nu—hem nog strak aanziende—een bracelet aan haar arm om en om te draaien, niet los en zacht, maar klemmend en schurend over de zachte huid, tot de blanke arm eene roode streep vertoonde.
“Ik heb,” zeide Dombey—“en dit maakt het slot uit van hetgeen ik noodig acht u thans te zeggen, mevrouw Dombey—ik heb een oogenblik geleden opgemerkt, mevrouw, dat mijne vermelding van mijnheer Carker op eene bijzondere manier werd opgenomen. Bij gelegenheid dat ik u, in het bijzijn van dien vertrouwden gelastigde van mij, de aanmerkingen mededeelde, die ik had tegen de manier waarop mijne gasten door u werden ontvangen, beliefde het u bezwaar tegen zijne tegenwoordigheid te maken. Gij zult dat bezwaar te boven moeten komen, mevrouw, en er u waarschijnlijk bij vele dergelijke gelegenheden aan gewennen; tenzij gij daartegen het middel gebruikt, dat gij in uwe macht hebt, namelijk om mij geene reden van klagen te geven. Mijnheer Carker,” zeide Dombey, die na de gemoedsbeweging, welke hij zoo even gezien had, groote waarde hechtte aan dit middel om zijne trotsche vrouw te doen zwichten, en misschien ook wel gaarne zijne macht voor dien heer in een nieuw licht wilde ten toon spreiden, “mijnheer Carker is in mijn vertrouwen, mevrouw Dombey, en mag dus zeer wel tot zoo verre in het uwe zijn. Ik hoop,” vervolgde hij, na eene korte poos, waarin[282]hij, met stijgenden trots, zijn denkbeeld nog wat meer had uitgewerkt, “dat ik het niet noodig zal vinden mijnheer Carker ooit eene boodschap van bezwaar of berisping tegen u toe te vertrouwen; maar daar het beneden mijne positie en reputatie zou zijn, dikwijls beuzelachtige geschillen te hebben met eene dame, aan welke ik de hoogste onderscheiding heb bewezen die in mijn vermogen is, zal ik niet schroomen van zijne diensten gebruik te maken, als ik daartoe reden zie.”—“En nu,” dacht hij, met al zijne deftigheid opstaande, stijver en ongenaakbaarder dan ooit, “kent ze mij en mijn besluit.”
De hand, die den bracelet zoo had omgedraaid, lag zwaar op hare borst, maar zij zag hem nog aan, met een onveranderd gezicht, en zeide met eene zachte stem:
“Wacht! Om Gods wil! Ik moet u spreken!”
Waarom sprak zij niet, en van welken aard was die inwendige strijd, welke haar daartoe eenige minuten lang buiten staat stelde, terwijl haar gezicht, in het bedwang dat zij zich aandeed, zoo strak bleef als dat van een steenen beeld, en hem aanzag, noch zwichtend, noch uitdagend, met genegenheid noch haat, met trots noch nederigheid; met niets anders dan een doordringend starenden blik.
“Heb ik u ooit uitgelokt om mijne hand te vragen? Heb ik eenige kunstgreep gebruikt om u in te nemen? Ben ik ooit vriendelijker voor u geweest toen ik door u werd aangezocht, dan ik sedert ons huwelijk geweest ben? Ben ik ooit anders voor u geweest dan ik nu ben?”—“Het is geheel noodeloos, mevrouw,” antwoordde Dombey, “in zulk eene woordenwisseling te treden.”—“Denkt gij dat ik u liefhad? Wist gij niet van neen? Hebt gij u ooit om mijn hart bekommerd, man, of u voorgesteld dat ding zonder waarde te winnen? Heeft er bij ons koopcontract eenige valschheid plaats gehad? Van uw kant of van den mijnen?”—“Deze vragen,” zeide Dombey, “zijn allen geheel nutteloos, mevrouw.”
Zij stapte tusschen hem en de deur, om te verhinderen dat hij heenging, en hare trotsche gestalte hoog oprichtende, zag zij hem nog strak aan.
“Gij beantwoordt ze allen. Gij antwoordt mij eer ik spreek, zie ik. Hoe kunt gij dat laten; gij, die de rampzalige waarheid evengoed kent als ik? Zeg mij nu. Als ik u tot aanbiddens toe liefhad, zou ik dan meer kunnen doen dan geheel mijn wil en wezen aan u overgeven, gelijk gij daar zoo even gevorderd hebt? Als mijn hart geheel rein was en gij de afgod daarvan, kondt gij dan meer vragen—kondt gij dan meer verkrijgen?”—“Mogelijk wel neen, mevrouw,” antwoordde hij koel.—“Gij weet hoe geheel anders ik ben. Gij ziet mij u aanzien, en kunt de warmte der liefde voor u lezen, die van mijn gezicht afstraalt.” Geen optrekken der trotsche bovenlip, geene flikkering van het donkere oog, niets dan dezelfde, strakke, doordringende blik vergezelde deze woorden. “Gij kent over het geheel mijne geschiedenis. Gij hebt van mijne moeder gesproken. Denkt gij dat gij mij door vernedering of dwang tot onderwerping en gehoorzaamheid kunt brengen, mij kunt buigen of breken?”
Dombey glimlachte, gelijk hij had kunnen glimlachen op de vraag of hij tien duizend pond beschikbaar had.
“Als hier iets ongewoons is,” zeide zij, even hare hand voor haar gezicht bewegende, dat geen oogenblik dat strakke staren naliet, dat anders niets uitdrukte, “gelijk ik weet dat hier een ongewoon gevoel is,” daarbij hief zij de hand op, die hare borst drukte, en liet ze zwaar weder zinken, “bedenk dan dat de bede, die ik u doen zal, geene gewone beteekenis heeft. Ja, want ik ga u eene bede doen,” zeide zij snel, als tot antwoord op iets in zijn gezicht.
Met eene goedgunstige buiging van zijne kin, die zijne stijve das deed kraken, zette Dombey zich op eene sofa, die dicht bij hem stond, om de bede te hooren.
“Als gij gelooven kunt dat ik tegenwoordig van zulk een karakter ben”—hij verbeeldde zich dat hij tranen in hare oogen zag, en dacht, met welgevallen, dat hij ze haar had afgeperst, hoewel er geen traan over hare wang rolde, en zij hem even strak aanzag als ooit,—“dat datgene, wat ik nu zeg, mij zelve bijna ongeloofelijk voorkomt,—zoo gezegd tot een man die mijn man is geworden, maar vooral tot u—zult gij er misschien meer gewicht aan hechten. In het ongeluk, dat voor ons aanstaande is, zullen wij niet alleen ons zelven wikkelen (dat zou misschien niet veel beteekenen) maar ook anderen.”
Anderen! Hij wist wel op wie dit woord doelde en trok zijne wenkbrauwen samen.
“Ik spreek tot u, ter wille van anderen. Maar ook om uwentwil en mijnentwil. Sedert ons huwelijk zijt gij arrogant voor mij geweest; en ik heb u met gelijke munt betaald. Gij hebt mij en ieder om ons heen elken dag en ieder uur getoond, dat gij mij door de verbintenis met u ten hoogste vereerd acht. Ik denk zoo niet, en heb dat insgelijks getoond. Het schijnt dat gij niet begrijpt, of (zoover uwe macht reikt) niet wilt, dat wij ieder onzen eigen weg gaan; en in plaats daarvan eene hulde van mij verwacht, die gij nooit zult krijgen.”
Hoewel haar gezicht nog hetzelfde bleef, was toch zelfs hare ademhaling eene nadrukkelijke bevestiging van dat “nooit.”—“Ik gevoel geene teerheid voor u, dat weet gij. Gij zoudt er niet om geven, al deed ik dat, of kon ik dat. Ik weet evengoed dat gij ze niet voor mij gevoelt. Maar wij zijn aan elkander geboeid, en aan de keten, die ons bindt, zijn, gelijk ik gezegd heb,[283]ook anderen gesloten. Wij moeten beide sterven, wij staan beide reeds met de dooden in betrekking, ieder door een klein kind. Laten wij elkander wederkeerig ontzien.”
Dombey haalde eens diep adem, als wilde hij zeggen: O, was dat alles waarop het neerkwam!
“Er zijn geene schatten,” vervolgde zij, bleeker wordende, terwijl hare oogen, door hunne strakheid, nog meer glans verkregen, “die deze woorden en de beteekenis, die zij hebben, van mij konden koopen. Eens als ijdele klanken verworpen, kan geen geld of macht ze terugbrengen. Ik meen ze; ik heb ze gewogen; ik zal trouw zijn aan hetgeen ik op mij neem. Als gij beloven wilt mij van uw kant te ontzien, wil ik beloven u van mijn kant te ontzien. Wij zijn een allerongelukkigst paar, waarbij, door verschillende oorzaken, ieder gevoel, dat het huwelijk gelukkig of dragelijk maakt, is uitgeroeid; maar door verloop van tijd kan er nog eenige vriendschap, of eenige geschiktheid voor elkander, tusschen ons ontstaan. Ik wil dat pogen te hopen, als gij dat ook wilt doen; en ik wil vooruitzien naar een beter en gelukkiger gebruik van mijn ouderdom, dan ik van mijne jeugd en het beste van mijn leven heb gemaakt.”
Zij had met eene zachte, duidelijke stem gesproken, die niet rees of daalde; toen zij ophield, liet zij de hand zinken, waarmede zij zich gedwongen had om zoo hartstochteloos en duidelijk te zijn, maar niet de oogen waarmede zij hem zoo strak aanzag.
“Mevrouw,” zeide Dombey, met zijne grootste deftigheid, “ik kan een voorstel van zulk een buitengewonen aard zelfs niet in overweging nemen.”
Zij zag hem nog aan, zonder de minste verandering.
“Ik kan,” zeide Dombey, onder het spreken opstaande, “niet bewilligen om met u te temporiseeren of te onderhandelen, mevrouw Dombey, over iets waaromtrent u mijne gevoelens en verwachtingen zijn kenbaar gemaakt. Ik heb mijn ultimatum gegeven, mevrouw, en heb alleen te verzoeken dat gij dit uwe zeer ernstige aandacht verleent.”
Dat gezicht de oude uitdrukking weder te zien aannemen, nog veel krachtiger dan te voren! Die oogen te zien afwenden als van een afzichtelijk en hatelijk voorwerp! Dat trotsche voorhoofd te zien betrekken! Verachting, gramschap, verontwaardiging en afschuw te zien uitblinken, en dien bleeken strakken ernst als een nevel te zien verdwijnen! Hij kon niet nalaten dit te zien, hoewel hij met ontzetting toezag.
“Ga, mijnheer!” zeide zij, met eene gebiedende hand naar de deur wijzende. “Onze eerste en laatste vertrouwelijkheid is ten einde. Niets kan ons vreemder voor elkander maken dan wij voortaan zijn.”—“Ik zal doen wat mij voegzaam en raadzaam voorkomt, mevrouw,” zeide Dombey, “zonder mij, daarvan kunt gij zeker zijn, door algemeene declamatiën te laten afschrikken.”
Zij keerde hem haar rug toe, en zette zich, zonder antwoord te geven, voor haar spiegel neer.
“Ik vertrouw dat gij uw plicht beter zult leeren inzien, in eene betere stemming komen en u beter bedenken, mevrouw,” zeide Dombey.
Zij sprak geen woord. Hij zag in haar spiegel even weinig uitdrukking, zij scheen hem even weinig op te merken, als ware hij eene ongeziene spinnekop aan den wand, of eene zwarte tor op den vloer geweest, of liever als ware hij een van beide geweest, door haar gezien, vertrapt en vergeten bij het andere doode ongedierte op den grond.
Hij zag om, toen hij de deur uitging, naar het prachtige, helder verlichte vertrek, naar al het schitterende dat daar prijkte, naar de gestalte van Edith, zoo rijk gekleed voor den spiegel gezeten, en naar het gezicht van Edith gelijk die spiegel het hem voorhield; en begaf zich naar zijne oude kamer van gepeinzen, in zijn geest een levendig tafereel van dat alles medenemende, waarbij te gelijk op eene onverklaarbare manier de zonderlinge gedachte bij hem opkwam (gelijk zoo iets iemand somtijds in het hoofd komt) hoe dat alles er zou uitzien als hij het de volgende maal zag.
Voor het overige was Dombey zeer stroef, zeer deftig, en vast overtuigd dat hij zijn oogmerk zou volvoeren; en dit bleef hij.
Hij was niet voornemens de familie naarBrightonte vergezellen; maar bij het ontbijt op den ochtend van het vertrek, dat een paar dagen later plaats had, onderrichtte hij Cleopatra zeer vriendelijk, dat men spoedig een bezoek van hem kon verwachten. Er moest geen tijd verzuimd worden om Cleopatra ergens heen te brengen, waar men het gezond voor haar achtte; want zij scheen spoedig geheel in stof te zullen vallen.
Zonder een bepaalden tweeden aanval van hare kwaal gehad te hebben, scheen de oude vrouw sedert in beterschap achteruit te zijn gekropen. Zij was nog magerder en meer verschrompeld, nog ongestadiger en suffer, en in hare gedachten en haar geheugen heerschte nog vreemder verwarring. Onder de blijken van die verwarring behoorde ook, dat zij tot de gewoonte verviel om de namen harer twee schoonzonen, van den levenden en den dooden, te verwisselen of te zamen te voegen, en Dombey meestal “Grangeby” of “Domber” noemde.
Maar zij was toch nog jeugdig, zeer jeugdig; en in hare jeugdigheid verscheen zij aan het ontbijt, eer zij vertrok, met een nieuw en zeer luchtig hoedje, en een reisgewaad, geborduurd[284]en met tressen bezet als ware zij een kind dat pas uit de lange kleeren kwam. Het was nu niet gemakkelijk haar dat luchtige hoedje op te zetten, of het achter haar beverig hoofd op zijne plaats te houden als zij het ophad. Het zat niet alleen altijd scheef, maar moest ook nog gedurig op den bol getikt worden door Flowers de kamenier, welke, om dezen dienst te verrichten, gedurende het ontbijt achter hare meesteres bleef.
“Nu, mijn allerliefste Grangeby,” zeide mevrouw Skewton, “moet ge mij stellig bel,” zij brak sommige woorden af en sloeg andere geheel over. “Om gauw eens bij ons te komen.”—“Ik heb zoo even gezegd, mevrouw,” antwoordde Dombey, luid en langzaam, “dat ik over een dag of twee zal komen.”—“Zegen u, Domber.”
De majoor, die afscheid van de dames kwam nemen, en door zijne beroerteachtige oogen, met de belangelooze kalmte van een onsterfelijk wezen, naar mevrouw Skewton staarde, zeide nu:
“Verduiveld, mevrouw, waarom vraagt gij den ouden Joe niet?”—“Wie is dat, lastige plaaggeest?” lispte Cleopatra. Maar een tik van Flowers op haar hoedje scheen haar geheugen op te schudden, en zij vervolgde: “O, gij meent u zelven, gij ondeugend schepsel!”—“Verduiveld raar, mijnheer,” fluisterde de majoor tot Dombey. “Leelijk geval! Zich nooit genoeg ingebakerd;” de majoor was tot aan zijne kin toegeknoopt. “Wel, wie zou J. B. anders met Joe meenen dan oude Joe Bagstock, Jozef, Joe, uw slaaf, mevrouw? Hier staat de man. Hier is zijn blaasbalg, mevrouw!” zeide de majoor, en gaf zich een dreunenden stomp op de borst.—“Mijne lieve Edith—Grangeby—het is toch ongelukkig,” zeide Cleopatra korzelig, “dat majoor …”—“Bagstock! J. B.!” riep de majoor, ziende dat zij naar zijn naam zocht.—“Wel, het komt er niet op aan,” zeide Cleopatra. “Edith, lieve, ge weet wel dat ik nooit kon onthouden—wat was het ook weer? Ja, iets ongemeens dat zooveel menschen naar mij willen komen zien. Ik ga toch niet voor lang heen. Ik kom terug. Zij kunnen immers wel wachten tot ik terugkom.”
Dit zeggende keek Cleopatra in het rond en scheen zeer onrustig.
“Ik wil geene visites hebben—ik heb geene visites noodig—een beetje rust—en dat alles—is al wat ik noodig heb. Geene leelijkerds moeten bij mij komen, eer ik die dofheid kwijt ben;” en met eene akelige poging om hare coquette maniertjes te hernemen, deed zij een stoot naar den majoor met haar waaier, maar stiet, in plaats van hem te raken, Dombey’s kopje om, dat aan een geheel anderen kant stond.
Toen riep zij Withers en belastte hem om vooral te zorgen dat er eenige geringe veranderingen in hare kamer werden gemaakt, die klaar moesten zijn eer zij terugkwam, en waarvan men dadelijk werk moest maken, daar zij niet wist hoe gauw zij terugkwam, want zij had veel engagementen en was eene menigte visites schuldig. Withers ontving dezen last met gepaste onderdanigheid en gaf zijn woord voor de vervulling; maar toen hij een paar stappen achteruit was gegaan, scheen hij niet te kunnen laten den majoor op eene zonderlinge manier aan te zien, die niet laten kon Dombey eveneens aan te zien, die niet laten kon Cleopatra eveneens aan te zien, die niet laten kon met haar hoofd te schudden, zoodat haar hoedje over een oog zakte, en met haar mes en vork op haar bord te ratelen alsof zij de castagnetten speelde.
Edith alleen sloeg hare oogen niet naar eenig gezicht aan tafel op, en scheen zich nooit te bevreemden over iets dat hare moeder zeide of deed. Zij luisterde naar haar onsamenhangend gepraat, of keerde ten minste haar hoofd naar haar om; antwoordde met eenige zachte woorden als dit noodig was, en stuitte haar somtijds als zij geheel in de war raakte, of bracht hare gedachten met een enkel woord naar het punt terug, van waar zij waren afgedwaald. De moeder, hoe ongestadig ook in andere opzichten, was hierin bestendig, dat zij altijd op haar lette. Zij tuurde naar het schoone gelaat, zoo ernstig en strak als marmer, nu met zekere vreesachtige bewondering, dan met eene kinderachtige poging om het tot een glimlach te bewegen, dan met spijtige tranen en een jaloersch hoofdschudden, als zij zich verbeeldde er door verwaarloosd te worden; maar altijd er door aangetrokken door iets, dat nooit het onvaste van hare andere denkbeelden vertoonde, maar haar bestendig beheerschte. Van Edith zag zij somtijds naar Florence, en van deze weder naar Edith, op eene manier die wel iets wilds had; en somtijds beproefde zij ergens anders heen te zien, als wilde zij het gezicht harer dochter ontwijken; maar zij scheen steeds genoodzaakt daartoe terug te komen, hoewel dat gezicht nooit uit eigene beweging het hare zocht.
Toen het ontbijt was afgeloopen, werd mevrouw Skewton, die zich hield alsof zij meisjesachtig los op des majoors arm leunde, maar aan den anderen kant stevig door Flowers de kamenier, en van achteren door Withers werd gesteund, naar de koets geholpen, die haar, Florence en Edith naarBrightonzou brengen.
“En is Jozef inderdaad verbannen?” zeide de majoor, zijn purperrood gezicht binnen het portier stekende. “Verduiveld, mevrouw, is Cleopatra zoo hardvochtig dat zij haar trouwen Antonius Bagstock verbiedt om haar te naderen?”—“Loop heen;” zeide Cleopatra. “Ik kan u niet[285]uitstaan. Gij zult mij zien als ik terugkom, als ge heel zoet zijt.”—“Zeg Jozef dat hij in hoop mag leven, mevrouw,” zeide de majoor, “of hij zal in wanhoop sterven.”
Cleopatra huiverde en liet zich achteroverzakken. “Edith, lieve,” zeide zij, “zeg hem …”—“Wat?”—“Zulke ijselijke woorden,” zeide Cleopatra. “Hij gebruikt zulke ijselijke woorden.”
Edith gaf hem een wenk om heen te gaan en te gelijk last om op te rijden.
De afgewezen majoor keerde zich fluitend naar Dombey.
“Ik zal u eens wat zeggen, mijnheer,” zeide de majoor, zeer wijdbeens staande, met de handen op den rug, “eene schoone vriendin van ons is in deWrakke-Straatgaan wonen.”—“Wat meent ge, majoor?” vroeg Dombey.—“Ik wil zeggen, Dombey,” antwoordde de majoor, “dat ge binnen kort een schoonwees zult zijn.”
Dombey scheen zoo weinig smaak te hebben in deze schertsende aanduiding van hem zelven, dat de majoor, als een blijk van ernst, met een paardenkuch besloot.
“Verduiveld, mijnheer,” hervatte de majoor, “er zijn geen doekjes om te winden. Joe is plomp, mijnheer. Dat is zijn aard. Als gij Joe hebben wilt, moet gij hem nemen zooals gij hem vindt; en gij zult hem een taaien, groven, ouden rekel vinden. Dombey, uwe schoonmoeder staat op sprong.”—“Ik vrees,” antwoordde Dombey zeer koel, “dat mevrouw Skewton geschokt is.”—“Geschokt, Dombey?” zeide de majoor. “Zij heeft het weg!”—“Maar afwisseling en oplettendheid kunnen nog veel doen,” zeide Dombey.—“Geloof het niet, mijnheer,” antwoordde de majoor. “Verduiveld, mijnheer, zij heeft zich nooit genoeg ingebakerd. Als iemand zich niet inbakert,” zeide de majoor, nog een knoop van zijn vest dichtmakende, “verzwakt hij zijn gestel. Maar sommige menschenwillensterven. Dat willen zij. Zij zijn koppig. Ik zal u wat zeggen, Dombey; het mag niet zoo mooi zijn, het mag niet zoo gepolijst wezen, maar een zweempje van de oud Engelsche degelijkheid van het Bagstockras, mijnheer, zou iedereen goeddoen.”
Na het mededeelen van dit wetenswaardige bericht kuierde de majoor naar zijne club en bleef daar den geheelen dag zitten hijgen alsof hij ieder oogenblik eene beroerte zou krijgen.
Cleopatra, nu eens gemelijk, dan weder vergenoegd, somtijds wakker, somtijds in slaap, en altijd jeugdig, kwam des avonds teBrightonaan, viel naar gewoonte in stukken en werd in bed gestopt; waar eene sombere verbeelding zich had kunnen voorstellen dat een machtiger geraamte dan de kamenier, die een geraamte had moeten zijn, de rozekleurige gordijnen bewaakte, welke men had medegenomen om haar blos te verhoogen.
Het werd door een hoogen raad van dokters beslist dat zij dagelijks een toertje met rijtuig moest doen, en ook dagelijks, als zij kon, wat wandelen. Edith was gereed om haar te vergezellen—altijd gereed om haar te vergezellen met dezelfde werktuiglijke oplettendheid en onbeweeglijke schoonheid—en zij reden alleen uit; want Edith was, nu hare moeder erger werd, in het bijzijn van Florence onrustig, en zeide Florence, met een kus, dat zij liever met haar beiden alleen wilde gaan.
Op zekeren dag was mevrouw Skewton in dat ongestadige, wrevelige, jaloersche humeur, dat zich onder haar herstel na het eerste toeval had ontwikkeld. Nadat zij in de koets Edith eenigen tijd stilzwijgend had zitten aanstaren, vatte zij hare hand en kuste die hartstochtelijk. Die hand werd noch gegeven noch teruggetrokken, en viel, toen zij losgelaten werd, weder neer, bijna alsof zij gevoelloos en machteloos was. Daarop begon mevrouw Skewton te grienen en te kermen, en zeide, welk eene moeder zij geweest was, en hoe zij vergeten werd. Hiermede ging zij bij grillige tusschenpoozen voort, zelfs nadat men was afgestapt, terwijl zij, door Withers en een stok gesteund, voortstrompelde, Edith naast haar ging en het rijtuig op eenigen afstand langzaam volgde.
Het was een gure, betrokkene, winderige dag, en zij waren op het duin, waar men niets anders zag dan den kalen grond en de lucht. De moeder bleef, met zeker wrevelig genoegen in het eentonige harer klacht, deze nog nu en dan binnensmonds herhalen, en de trotsche gestalte harer dochter zweefde langzaam naast haar voort, toen zij, eene geringe hoogte bestegen hebbende, eensklaps twee gedaanten voor zich zagen, die zoozeer naar eene overdrevene nabootsing van hare eigene gedaanten geleken, dat Edith bleef stilstaan.
Bijna gelijktijdig stonden ook die twee gedaanten stil; en diegene, welke Edith vond dat naar eene wanstaltige schaduw van hare moeder geleek, sprak ernstig tot de andere en wees met de hand naar hen. Deze scheen gezind om terug te keeren, maar de andere, in welke Edith eene genoegzame gelijkenis met haar zelve vond, om een zeer ongewoon gevoel, dat niet geheel vrij van vrees was, bij haar te doen opkomen, stapte voort, en zoo naderden zij elkander.
Het meeste van het vorige had Edith opgemerkt terwijl zij voortwandelde, want zij was slechts een oogenblik blijven stilstaan. Nader komende zag zij dat die twee armoedig waren gekleed, bijna als bedelaars, en dat de jongste vrouw gebreide goederen of zoo iets te koop droeg, terwijl de oudste onbelast voortstrompelde.
En toch, hoe ver beneden haar in schoonheid, houding en kleeding, kon Edith ook nu[286]niet nalaten de jongste vrouw met zich zelve te vergelijken. Misschien zag zij op haar gelaat eenige sporen van datgene wat zij wist datinhare eigene ziel school, al vertoonden er zich nog geene uitwendige blijken van; maar toen die vrouw aankwam, haar blik teruggaf, hare glanzige oogen op haar vestigde, ontwijfelbaar iets van hare eigene houding en uitzicht vertoonde en zelfs hare gedachten scheen te beantwoorden, gevoelde zij zich door eene kilheid overvallen alsof de lucht meer betrok en de wind kouder werd.
Zij waren nu bij elkander. De oude vrouw hield hare hand op en bedelde bij mevrouw Skewton. De jongste bleef insgelijks staan, en zij en Edith zagen elkander in de oogen.
“Wat hebt ge daar te koop?” zeide Edith.—“Dit maar,” antwoordde de vrouw, hare waren vertoonende, zonder er zelve naar te zien: “mij zelve heb ik al lang geleden verkocht.”—“Geloof haar niet, Mylady,” kraste de oude vrouw tot mevrouw Skewton. “Geloof niet wat zij zegt. Zij wil maar zoo praten. Zij is mijne mooie, onnatuurlijke dochter. Zij geeft mij niets dan verwijten, Mylady, voor al wat ik voor haar gedaan heb. Zie haar nu eens, Mylady, hoe zij hare arme moeder aankijkt.”
Toen mevrouw Skewton met eene bevende hand hare beurs uithaalde en naar geld zocht, waarnaar de andere oude vrouw gretig stond te wachten—terwijl hare hoofden, door beider haast en zwakheid, bijna tegen elkander stieten, kwam Edith er tusschen.
“Ik heb u meer gezien,” zeide zij, de oude vrouw aansprekende.—“Ja, Mylady,” antwoordde zij nijgende. “Daar inWarwickshire. Dien ochtend tusschen de boomen. Toen ge mij niets woudt geven. Maar die heer,hijheeft mij wat gegeven! O zegen hem, zegen hem!” mompelde de oude vrouw, hare dorre hand opstekende en akelig tegen hare dochter grijnzende.—“Gij behoeft mij niet te willen tegenhouden, Edith!” zeide mevrouw Skewton gramstorig, om afrading van haar voor te komen. “Gij weet er niets van. Ik wil mij niet laten afraden. Ik ben zeker dat dit eene brave vrouw is, en eene goede moeder.”—“Ja, Mylady, ja,” kakelde de oude vrouw, hare gretige hand uitstekende. “Bedankt, Mylady. God zegen u, Mylady. Nog zes stuivers, mijne lieve Lady, omdat gij zelf eene goede moeder zijt.”—“En die ook somtijds onnatuurlijk genoeg wordt behandeld, goede vrouw, dat verzeker ik u,” zeide mevrouw Skewton grienende. “Daar! Geef mij de hand. Gij zijt eene goede oude ziel—ook vol, hoe is het ook weer, en dat alles. Vol hartelijkheid en zoo al meer, niet waar?”—“O ja, Mylady!”—“Ja, dat geloof ik zeker; en dat is Grangeby ook, die fatsoenlijke man. Ik moet u waarlijk nog eens de hand geven. En nu kunt gij gaan; en ik hoop,” zeide mevrouw Skewton, de dochter aansprekende, “dat ge meer dankbaarheid, en natuurlijke, hoe heet het ook weer, en dat alles, zult toonen—ik heb nooit namen kunnen onthouden—want er is nooit beter moeder geweest, dan die arme oude ziel voor u geweest is. Kom, Edith!”
Terwijl de ruïne van Cleopatra grienend heenwaggelde, en hare oogen afveegde, maar met voorzichtigheid om het rouge in de nabijheid te ontzien, strompelde de oude vrouw, mompelende en haar geld tellende, een anderen kant heen. Geen woord, geen gebaar was tusschen Edith en de jongere vrouw meer gewisseld, maar geen van beide had hare oogen van de andere afgewend. Zij waren tegen elkander over blijven staan tot zoolang, toen Edith, alsof zij uit een droom ontwaakte, langzaam voortging.
“Ge zijt mooi,” prevelde hare schaduw, haar naziende, “maar het mooi kan ons niet redden. En ge zijt trotsch, maar trotschheid kan ons niet redden. Wij zullen elkander wel kennen, als wij elkander weerzien!”