[Inhoud]XLI.NIEUWE STEMMEN OVER DE GOLVEN.Alles loopt voort als naar gewoonte. De golven worden schor door het gedurig herhalen van haar geheim; het zand ligt op de kust opgewaaid; de zeevogels zwieren en zweven; de winden en wolken snellen op hunne spoorlooze baan; de witte armen wenken, in den maneschijn, naar het verre, onzichtbare land.Met een teeder weemoedig genoegen wandelt Florence weder over den ouden grond, dien zij zoo treurig en toch zoo gelukkig heeft betreden, en denkt aan hem op de stille plek, waar hij en zij zoo dikwijls te zamen hebben gesproken, terwijl het water om zijn rustbedje opkwam. En nu, terwijl zij daar zit te peinzen, hoort zij in het zachte gemurmel der zee zijne korte geschiedenis nog eens verhalen, zelfs zijne eigene woorden herhalen; en vindt zij, dat geheel haar leven met al de hoop en smart daarvan—in het eenzame huis en in het prachtige paleis waarin het veranderd is—in de tonen van dat wonderbare gezang worden afgeschaduwd.En de zachtzinnige Toots, die op een afstand blijft dralen, en de gedaante, die hem zoo dierbaar is, oplettend gadeslaat, en ze daarheen gevolgd is, maar uit kieschheid niet op zulk een tijd wil storen, hoort insgelijks den lijkzang van den kleinen Dombey over de golven, rijzende en dalende in de tusschenpoozen van haar eeuwig loflied op Florence. Ja, hij begrijpt[287]flauw, die arme Toots, dat zij iets zeggen van een tijd toen hij wist dat hij helderder van hoofd en vlugger van begrip was, en tranen komen hem in de oogen, wanneer de vrees, dat hij nu bot en dom is, en tot weinig meer deugt, dan om uitgelachen te worden, zijne blijdschap vermindert over de streelende herinnering dat hij voor het tegenwoordige van zijne verantwoording aan den Kemphaan is ontheven, daar deze heer (op kosten van Toots) naar het land is om zich op zijn grooten wedstrijd tegen een anderen vermaarden bokser voor te bereiden.Doch Toots vat moed, wanneer zij hem eene goede gedachte toefluisteren; en langzaam, dikwijls onderweg besluiteloos stilstaande, nadert hij Florence. Stotterend en blozend, veinst hij zich te verwonderen, als hij bij haar komt, en zegt (terwijl hij de koets waarin zij reed den geheelen weg vanLondenover duin voor duin heeft gevolgd, zich gaarne het stof van de wielen in de keel latende vliegen) dat hij nooit in zijn leven zoo verrast is.“En gij hebt Diogenes ook meegebracht, jufvrouw Dombey!” zegt Toots, doortinteld door de aanraking van het handje dat hem zoo vriendelijk en vrijmoedig gegeven wordt.Zonder twijfel is Diogenes daar, en zonder twijfel heeft Toots reden gehad om hem op te merken, want hij komt recht op zijne beenen afstuiven, en duikelt over zijn kop, door de vaart waarmede hij op hem aanvliegt. Maar hij wordt door zijne lieve meesteres gestuit.“Koest, Di, koest! Weet gij niet meer wie ons het eerst vrienden heeft gemaakt, Di? Foei, schaam u!”Ja, wel mag Di zijn kopliefkoozendtegen haar hand drukken, en voortrennen, en terugkomen, en blaffend om haar heendraven, en blindelings tegen iedereen aanloopen, om zijne gehechtheid te toonen. Toots zou ook wel blindelings tegen iedereen willen aanloopen. Een officier wandelt voorbij; Toots zou niets liever willen doen dan hem bot tegen het lijf loopen.“Diogenes is hier in zijne geboortelucht, niet waar, jufvrouw Dombey?” zegt Toots.Florence antwoordt met een knikje en een vriendelijk lachje.“Jufvrouw Dombey,” zegt Toots, “neem mij niet kwalijk, maar als gij gaarne eens naar doctor Blimber zoudt willen gaan, ik—ik ga naar hem toe.”Florence steekt zonder een woord te spreken haar arm door dien van Toots, en zij wandelen te zamen voort, terwijl Diogenes vooruitloopt. Toots voelt zijne beenen onder hem beven; en hoewel hij keurig gekleed is, voelt hij slecht passende plekken en ziet hij rimpels aan de meesterstukken van Burgess en Comp., en wenscht hij dat hij de blinkendste laarzen aanhad.Het huis van doctor Blimber ziet er van buiten even geleerd en deftig uit als voorheen; en daar omhoog is een venster waar zij naar het bleeke gezichtje placht te zien, en waar het bleeke gezichtje ophelderde als het haar zag, en het uitgeteerde handje haar kussen toewierp als zij voorbijging. De deur wordt geopend door hetzelfde jonge mensch met slechte oogen, wiens dom gegrinnik op het gezicht van Toots de gepersonifiëerde flauwheid is. Zij worden in de studeerkamer des doctors gelaten, waar de blinde Homerus en Minerva hun, gelijk voorheen, audiëntie geven, onder het tikken der groote klok in het voorhuis; en waar de globes nog op hare gewone plaatsen staan, alsof de wereld ook stilstond, en niets daarin ooit verging en aan de algemeene wet gehoorzaamde, die de aarde doet voortrollen en alles tot de aarde terugroept.En daar is doctor Blimber met zijne geleerde beenen; en daar is mevrouw Blimber met hare hemelsblauwe muts; en daar is Cornelia met haar vlasblond rijtje krullen, en haar schitterenden bril, die nog als een doodgraver in deknekelhuizenvan talen werkt. Daar is de tafel waarop hij eens zat, vreemd en verlegen, als de “nieuweling” van de school; en men hoort in de verte het gerucht der jongens, die nog in de oude schoolkamer op de oude manier aan hunne oude lessen zijn.“Toots,” zegt doctor Blimber, “het doet mij genoegen u te zien, Toots.”Toots antwoordt door eens te grinniken.“En ook u in zoo goed gezelschap te zien, Toots,” zegt doctor Blimber.Toots zegt met een bloedrood gezicht, dat hij jufvrouw Dombey toevallig heeft ontmoet, en dat, daar jufvrouw Dombey, evenals hij zelf, het oude huis nog eens wenschte te zien, zij te zamen gekomen zijn.“Gij zult ook zeker gaarne onze jonge vrienden nog eens willen zien, jufvrouw Dombey,” zegt doctor Blimber. “Allen eens medeleerlingen van u, Toots. Ik geloof dat wij geene nieuwe bewoners van onzen kleinen porticus hebben gekregen, lieve,” zegt doctor Blimber tot Cornelia, “sedert mijnheer Toots ons verlaten heeft.”—“Behalve Bitherstone,” zegt Cornelia.—“Ja, waarlijk,” zegt de doctor. “Bitherstone zal mijnheer Toots nog nieuw zijn.”Voor Florence is hij ook bijna nieuw, want in de schoolzaal vertoont zich Bitherstone—niet langer de kleine Bitherstone van mevrouw Pipchin—als drager van boordjes en een horloge. Maar Bitherstone, onder een ongelukkig Bengaalsch gestarnte geboren, is buitengemeen inkterig, en zijn Lexicon is door gedurig nazoeken zoo weerbarstig geworden dat het niet meer sluiten wil, en gaapt alsof dat gemaal het doodelijk verveelde. Zoo doet ook Bitherstone, de eigenaar van dat gapende Lexicon, maar Bitherstone’s gapen heeft iets kwaadaardigs,[288]en men heeft hem hooren zeggen te wenschen dat hij dien “ouden Blimber” maar eens inIndiëbetrapte. Dan zou hij gauw door een troepje van zijne (Bitherstone’s) Coolies landwaarts ingebracht en aan de Thugs overgeleverd worden; dat kan hij hem zeggen.Briggs is nog aan het malen in den molen der wetenschap, en Tozer ook, en Johnson ook, en al de anderen; de oudste leerlingen zijn voornamelijk bezig om met verbazenden arbeid alles te vergeten wat zij wisten toen zij jonger waren. Allen zijn zoo beleefd en zoo bleek als ooit, en onder hen is mijnheer Feeder, met zijne knokkige handen en zijn borstelig hoofd, nog even ijverig aan het draaiorgelen; hij speelt hun nu juist een brok uit Herodotus voor, en zijne rollen ter verwisseling liggen op eene plank achter hem.Er ontstaat eene geweldige opschudding, zelfs onder deze ernstige jonge heeren, door het bezoek van den geëmancipeerden Toots, die met zeker ontzag wordt aangestaard, als een die den Rubicon is overgetrokken en zijn woord heeft verpand om nooit terug te komen, en over wiens kleeren en juweelen achter de hand wordt gefluisterd. De galachtige Bitherstone, die niet uit den tijd van Toots is, veinst dezen te verachten, en zegt dat hij wel beter weet, en dat hij hem wel eens inBengalenmet die dingen wilde zien aankomen, waar zijne moeder een smaragd voor hem bewaart, die uit het voetbankje van een Radja is genomen.Verbijsterende aandoeningen worden insgelijks door het gezicht van Florence opgewekt, op welke al de jonge heeren dadelijk verlieven; behalve wederom Bitherstone, die dit, uit geest van tegenspraak, niet doen wil. Er ontstaat eene bittere wangunst op Toots, en Briggs is van gedachte dat hij toch nog zoo oud niet is. Maar deze kwaadsprekende inblazing wordt spoedig daardoor te schande gemaakt dat Toots hardop tot mijnheer Feeder zegt: “Hoe gaat het, Feeder?” en hem vraagt om dien middag in deBedfordbij hem te komen eten; welke bedrijven hem in staat zouden stellen om zich, als hij verkoos, zonder tegenspraak voor een Methusalem uit te geven.Er wordt veel hand gegeven en veel gebogen, en alle jonge heeren doen hun best om Toots in de gunst van jufvrouw Dombey te verdringen; en dan grinnikt Toots nog eens tegen zijn ouden lessenaar, en gaan Florence en hij met mevrouw Blimber en Cornelia heen, en wanneer doctor Blimber de deur achter hen sluit, hoort men hem zeggen: “Jonge heeren, nu zullen wij onze studiën hervatten.” Want dit en weinig anders is het wat de doctor de zee hoort zeggen, of al zijn leven heeft hooren zeggen.Florence glipt dan heen en gaat met mevrouw Blimber en Cornelia naar boven naar de oude slaapkamer. Toots, die gevoelt dat hij daar niet te maken heeft, blijft in de deur der studeerkamer met den doctor staan praten, of liever hoort den doctor tegen hem praten, en verwondert zich hoe hij de studeerkamer ooit voor een heiligdom en den doctor voor een geducht persoon hield. Florence komt spoedig weder beneden en neemt afscheid, en Toots neemt afscheid, en Diogenes, die het ondertusschen het jonge mensch met slechte oogen zeer lastig heeft gemaakt, schiet de deur uit en rent uitdagend blaffende de hoogte af, terwijl Melia en eene andere meid uit een bovenvenster kijken en om “dien Toots” lachen, en van jufvrouw Dombey zeggen: “Maar waarlijk—lijkt zij niet op haar broertje, behalve dat zij mooier is?”Toots, die, toen Florence weder beneden kwam, tranen op hare wangen heeft gezien, is doodelijk ongerust, en vreest in het eerst dat hij verkeerd heeft gedaan, met haar dit bezoek voor te stellen. Maar weldra wordt hij van zijne vrees ontslagen; daar zij zegt zeer blijde te zijn dat zij daar geweest is, en er zeer opgeruimd over praat, terwijl zij langs de zee voortwandelen. De stemmen uit die zee en hare lieve stem overweldigen Toots zoodanig, dat hij, wanneer zij bij het door Dombey gehuurde huis komen, en hij haar verlaten moet geen aasje vrijen wil meer over heeft; als zij hem tot afscheid de hand geeft, kan hij die niet weder loslaten.“Jufvrouw Dombey,” zegt Toots zeer onthutst, “neem mij niet kwalijk, maar als gij zoo goed woudt zijn om—om—”Het lachende, argelooze gezichtje van Florence doet hem bot stilzwijgen.“Als ik mocht—als gij het voor geene al te groote vrijpostigheid zoudt houden, jufvrouw Dombey, als ik—zonder mij eenigszins aan te moedigen, als ik maar hopen mocht, weet gij,” zegt Toots.Florence ziet hem vragend aan.“Jufvrouw Dombey,” hervatte Toots, die gevoelt dat hij nu meer moet zeggen, “ik ben waarlijk in zulk een gemoedstoestand, als ik u zie, en u zoo aanbiddelijk vind, dat ik niet weet waar ik zal blijven. Ik ben de beklagenswaardigste ellendeling. Als ik nu niet op den hoek van hetPleinwas, zou ik op mijne knieën vallen, en u bidden en smeeken, zonder mij eenige aanmoediging te geven, om mij maar te laten hopen—om het maar voor mogelijk te mogen houden dat gij …”—“Och neen, als het u belieft. Zeg niets meer. Als eene goedheid en vriendelijkheid voor mij, zeg niets meer.”Toots is schrikkelijk uit het veld geslagen, en zijn mond blijft openstaan.“Gij zijt goed voor mij geweest,” zegt Florence, “ik ben u zoo dankbaar, ik heb zooveel redenen om van u te houden, omdat gij zulk een vriend voor mij geweest zijt, en ik houd[289]zooveel van u,” en hier ziet zij hem vriendelijk glimlachend aan met het oprechtste gezichtje van de wereld, “dat ik mij zeker houd dat gij alleen maar goedendag gaat zeggen.”—“Zekerlijk, jufvrouw Dombey. Ik—ik—dat is juist wat ik meen. Het is van geen beduiden.”—“Goedendag dan,” zegt Florence.—“Goedendag, jufvrouw Dombey,” stottert Toots. “Ik hoop dat gij er maar niet meer om zult denken. Het is—het is van geen belang. Wel bedankt. Het is van geen het minste belang.”De arme Toots gaat naar zijn logement, sluit zich in zijne slaapkamer op, werpt zich op zijn bed, en blijft daar een langen tijd liggen, zoo wanhopig alsof het toch wel van het grootste belang was. Maar mijnheer Feeder komt bij hem eten, en dit is gelukkig voor Toots, of men had niet kunnen weten wanneer hij zou zijn opgestaan. Toots is nu genoodzaakt op te staan om hem te ontvangen en gastvrij te onthalen.En de milde invloed dier maatschappelijke en gezellige deugd, de gastvrijheid (om niet van den wijn en de goede tafel te spreken), opent het hart van Toots en maakt hem warm genoeg om te spreken. Hij vertelt Feeder wel niet wat er op den hoek van hetPleinis voorgevallen; maar wanneer Feeder hem vraagt “wanneer het zal plaats hebben,” antwoordt Toots, “dat er zekere dingen zijn,” hetgeen Feeder terstond in zijne schulp doet kruipen. Toots voegt er bij, dat hij niet weet waarom het Blimber vrijstond op te merken dat hij in jufvrouw Dombey’s gezelschap was, en dat, als hij dacht dat hij dat zoo onbescheiden gemeend had, hij hem zou uitdagen, hij mocht doctor wezen of niet; maar dat hij gelooft dat het alleen zijne onkunde is geweest, waaraan Feeder zegt niet te twijfelen.Toots antwoordt met eene hoogdravende lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten. (blz. 290).Toots antwoordt met eene hoogdravende lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten.(blz. 290).Feeder evenwel, als een vertrouwd vriend, behoeft niet buiten de zaak te worden gehouden. Toots vordert alleen dat er met zekere geheimzinnigheid en met gevoel over gesproken zal worden. Na eenige glazen wijn te hebben gedronken, stelt hij jufvrouw Dombey’s gezondheid[290]in, en zegt: “Feeder, gij hebt geen denkbeeld van de gevoelens waarmee ik dien toast instel.” Feeder antwoordt: “O ja, dat heb ik wel, mijn beste Toots; en zij strekken u zeer tot eer, oude jongen.” Feeder wordt dan aangedaan van vriendschap, en geeft Toots de hand, en zegt, als Toots ooit een broeder noodig heeft, weet hij waar hem te vinden, hetzij over den post of met een pakje. Feeder zegt insgelijks, dat hij, als hij een raad mocht geven, Toots zou raden om de guitar te leeren, of ten minste de fluit; want vrouwen houden veel van muziek, als men zijn hof bij haar maakt, en hij heeft zelf het voordeel daarvan ondervonden.Dit brengt Feeder tot de bekentenis dat hij een oog op Cornelia Blimber heeft. Hij onderricht Toots dat hij niet tegen den bril heeft, en dat, als de doctor eens gul wilde zijn en de zaken overdeed, wel, dan waren zij bezorgd. Hij zegt van gedachten te zijn dat iemand, als hij met zijne zaken eene goede som gewonnen heeft, verplicht is ze over te doen; en dat Cornelia eene helpster in de zaak zou zijn, waarop iedereen trotsch zou mogen wezen. Toots antwoordt met eene hoogdravende lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten. Feeder poogt hem te beduiden dat dit eene roekeloosheid zou zijn, en als een middel om hem met het leven te verzoenen, vertoont hij hem Cornelia’s portret, met bril en al.Aldus slijten deze goede lieden den avond; en wanneer deze voor den nacht heeft plaats gemaakt, gaat Toots met Feeder mede, en brengt hem tot voor de deur van doctor Blimber. Doch Feeder gaat maar de stoep op, en als Toots weg is, komt hij er weder af, om eene eenzame wandeling langs het strand te doen en over zijne vooruitzichten te denken. Hij hoort, terwijl hij voortkuiert, de golven hem duidelijk onderrichten, dat doctor Blimber de zaak wel zal overdoen; en hij vindt er een zacht romanesk genoegen in om het huis van buiten te beschouwen, en te denken dat de doctor het eerst wel zal laten verven en goed repareeren.Toots dwaalt insgelijks op en neer, in de nabijheid van het koffertje dat zijn juweel bevat; en in een jammerlijken gemoedstoestand, en niet zonder den achterdocht der politie op te wekken, tuurt hij naar een venster waar hij licht ziet, en hetwelk hij niet twijfelt of het is dat van Florence. Maar dat is het niet, want het is van mevrouw Skewton’s kamer; en terwijl Florence in eene andere kamer ligt te slapen, en genoeglijk droomt van de oude tooneelen, en al hare oude herinneringen weder herleven, ligt daar eene gedaante, welke de barre werkelijkheid in dat vertrek voor die van het geduldige zieke kind in de plaats heeft gesteld—om het nog eens, maar hoe anders! met ziekte en dood in verband te brengen—slapeloos te morren en te klagen. Afzichtelijk leelijk ligt zij daar op haar bed van onrust; en daarbij, in schrikkelijke, strakke schoonheid,—want zij is schrikkelijk in de verflauwde oogen der lijderes—zit Edith. Wat zeggen de golven in de stilte van den nacht tot deze twee!“Edith, wat is die steenen arm, die dreigt om mij te slaan? Ziet gij hem niet?”—“Het is niets dan uwe verbeelding, moeder.”—“Mijne verbeelding! Alles is mijne verbeelding. Zie! Is het mogelijk dat gij hem niet ziet!”—“Inderdaad, moeder, er is niets. Zou ik zoo onverschillig blijven zitten, als er zoo iets was?”—“Onverschillig?” haar woest aanziende. “Nu is hij weg. En waarom zijt gij zoo onverschillig? Dat is geene verbeelding van mij, Edith. Ik word er koud van dat ik u zoo zie zitten.”—“Dat spijt mij, moeder.”—“Spijten! Gij schijnt altijd iets te hebben dat u spijt. Maar ik ben het niet!”Daarmede begint zij te huilen, en werpt haar rusteloos hoofd op het kussen heen en weder, en prevelt over verwaarloozing, en welk eene moeder zij geweest is, en welk eene moeder die goede oude ziel was, die zij ontmoet hebben, en hoe ondankbaar de dochters van zulke moeders zijn. In het midden van dat verwarde gerevel houdt zij op, ziet hare dochter aan, roept dat zij niet recht meer bij hare zinnen is, en verbergt haar gezicht in het dek.Edith buigt zich medelijdend over haar heen en spreekt haar toe. De zieke oude vrouw slaat de armen om haar hals en zegt met een blik vol angst:“Edith, wij gaan toch gauw weer naar huis? Gij denkt immers ook dat wij weer naar huis zullen gaan?”—“Ja, moeder, ja.”—“En wat hij zeide—hoe heet hij ook weer, ik heb nooit namen kunnen onthouden—de majoor—dat akelige woord, toen wij wegreden—dat is immers niet waar? Edith!” met een gil, “datis het toch niet dat mij dreigt!”Nacht op nacht brandt het licht voor het venster en ligt de gedaante in het bed, en zit Edith daarnaast, en roepen de rustelooze golven beiden toe, den geheelen nacht lang. Nacht op nacht fluisteren de golven zich schor met het gedurig herhalen van haar geheim; het zand wordt op het strand opgewaaid; de zeevogels zweven en zwieren; de winden en wolken vervolgen hunne spoorlooze baan; de witte armen wenken, in den maneschijn, naar het verre, onzichtbare land.En altijd nog staart de zieke oude vrouw naar dien hoek, waar de steenen arm—een stuk van een beeld op eene tombe, zegt zij—dreigend opgeheven is om haar te slaan. Eindelijk[291]valt de slag: en dan ligt er eene sprakelooze oude vrouw in dat bed, krom ineengetrokken; en de helft van haar is dood.Dit is de gedaante die, opgelapt en opgeschilderd, om door de zon te worden bespot, dag aan dag langzaam door de menigte wordt getrokken, en onderweg uitkijkt naar de goede ziel die zulk eene moeder was, en gezichten trekt als zij vruchteloos zoekt. Dit is de gedaante die dikwijls naar den zeekant wordt gekrooien en daar eenigen tijd gelaten, maar welke geen wind kan verfrisschen, en voor welke het gemurmel der golven geen troostend woord heeft. Zij ligt daar uren lang te luisteren; maar die spraak is dreigend en somber voor haar, en haar gezicht staat angstig; en als hare oogen in de ruimte rondzwerven ziet zij niets anders dan eene breede streep hopelooze ledigheid tusschen hemel en aarde.Florence ziet zij zelden, en als zij haar ziet, maakt zij zich boos en trekt gezichten. Edith is altijd bij haar en houdt Florence weg; en des nachts in haar bed beeft Florence bij de gedachte aan den dood in zulk eene gedaante, en wordt dikwijls wakker en luistert dan, en verbeeldt zich dat hij gekomen is. Niemand past haar op dan Edith. Het is beter dat maar weinige oogen haar zien; en hare dochter waakt alleen bij haar bed.Er komt eene schaduw zelfs over dat donkere gezicht, de scherpe trekken worden nog scherper, de sluier over de oogen wordt een lijkkleed dat de geheele wereld buitensluit. De over het dek zwervende handen drukken flauw palm tegen palm, en bewegen zich naar hare dochter toe; en eene stem—die niet naar de hare gelijkt, evenmin naar eenige andere die onze sterfelijke taal spreekt—zegt: “Want ik heb u toch grootgebracht.”Zonder een traan te laten, knielt Edith, om hare stem dichter bij het zinkende hoofd te brengen, en antwoordt:“Moeder, kunt ge mij hooren?”Met wijd starende oogen, poogt zij tot antwoord te knikken.“Kunt gij u den avond voor mijn trouwen herinneren?”Het hoofd is roerloos, maar toch duidt het aan dat zij dit doet.“Ik heb u toen gezegd dat ik u uw deel daaraan vergaf, en God bad mij het mijne te vergeven. Ik zeide u toen dat het verledene tusschen ons voorbij was. Ik zeg dat nu nog eens. Kus mij, moeder.”Edith raakte de bleeke lippen aan. Voor een oogenblik is alles stil. Een oogenblik later komt hare moeder, met haar meisjesachtig lachje en het geraamte der Cleopatrahouding, in het bed overeind.Schuif de rozekleurige gordijnen dicht. Er is nog iets anders uit op eene spoorlooze baan, behalve de winden en wolken. Schuif de rozekleurige gordijnen dicht.Er wordt dadelijk kennisgeving aan Dombey gezonden, die neef Feenix gaat opzoeken, die nog niet tot het besluit is kunnen komen om weder naarBaden-Badente gaan, en insgelijks bericht heeft ontvangen. Zulk een goedaardig man als neef Feenix is juist de man voor eene bruiloft of eene begrafenis, en zijne positie in de familie maakt het voegzaam hem te raadplegen.“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij zulk eene droevige gelegenheid te zien. Mijne arme tante! Zij was zulk eene drommels levendige vrouw.”Dombey antwoordt: “Bijzonder.”—“En als zij wat opgeknapt was,” zegt neef Feenix “was zij werkelijk nog jong, als men in aanmerking nam.—Waarlijk, op den dag van uw trouwen dacht ik dat zij het nog wel twintig jaar zou uithouden. Ik zeide dat zelfs nog tegen iemand in mijne club—kleine Billy Joper—gij kent hem zeker wel—hij heeft altijd een lorgnet voor zijn oog?”Dombey buigt ontkennend. “Wat de begrafenis betreft,” begint hij, “als gij eenige verkiezing mocht hebben.…”—“Wel,” zegt neef Feenix, zijne kin wrijvende, waartoe juist genoeg van zijne hand onder zijne mouwboorden uitkomt, “dat weet ik waarlijk niet. Er is wel een mausoleum in mijn park, maar ik vrees dat het in slechten staat is. Als ik niet wat schraal bij kas was, had ik het al eens laten repareeren; maar ik geloof dat tegenwoordig de menschen, die in het park komen wandelen, wel eens binnen het hek gaan zitten ontbijten.”Dombey begrijpt dat dit niet aangaat.“Het dorp heeft eene heel goede kerk,” zegt neef Feenix peinzende, “een model van den zuiveren vroegsten Anglo-Normandischen stijl, en waarvan Lady Jane Finchbury—eene dame die zich heel stijf rijgt—eene mooie schets heeft geteekend; maar zij hebben ze met witten bedorven, naar ik hoor, en het is een verre weg.”—“MisschienBrightonzelf,” zegt Dombey, om een wenk te geven.—“Op mijne eer, Dombey, ik geloof dat wij niet beter konden doen,” zegt neef Feenix. “Dat is dichtbij ziet ge, en een heel vroolijk plaatsje.”—“En wanneer,” zegt Dombey, “zou het conveniëeren?”—“Ik wil mij gaarne gereed houden,” antwoordt neef Feenix, “tegen den dag dien gij best vindt. Het zal een groot genoegen voor mij zijn (een treurig genoegen, natuurlijk) om mijne arme tante naar de grenzen der—kortom naar het graf te brengen,” zegt neef Feenix, daar hem geene andere uitdrukking te binnen schiet.—“Zoudt gij maandag uit de stad kunnen?”[292]zegt Dombey.—“Maandag zou mij uitmuntend schikken,” antwoordt neef Feenix.Dombey maakt dus afspraak om neef Feenix op dien dag te laten mederijden, en neemt weldra afscheid. Neef Feenix brengt hem tot aan de trap en zegt bij het scheiden: “Het spijt mij waarlijk, Dombey, dat gij er zooveel moeite van moet hebben;” waarop Dombey antwoordt: “Geheel niet.”Op den bepaalden tijd rijden neef Feenix en Dombey met elkander naarBrighton, en met hun beiden al de andere rouwdragers over het verlies der oude dame vertegenwoordigende, begeleiden zij haar overschot naar de rustplaats. Neef Feenix, in de rouwkoets gezeten, herkent onderweg ontelbare bekenden maar neemt, welstaanshalve, geene andere notitie van hen, dan dat hij ze voor Dombey opleest, zooals: “Tom Johnson, met zijn kurken been. Zoo, zijt ge hier, Tommy? Foley, op eene volbloedmerrie. De meisjes van Smalder,”—enz. Bij de plechtigheid is neef Feenix neerslachtig, en merkt aan, dat zulke gelegenheden iemand doen denken dat hij ook wrak begint te worden; en nadat de plechtigheid is afgeloopen, zijn zijne oogen waarlijk vochtig. Maar hij herstelt zich weldra; en dat doen al de overige betrekkingen en vrienden van mevrouw Skewton insgelijks, en de majoor vertelt in zijne club gedurig dat zij zich nooit genoeg inbakerde; terwijl de jonge dame met den rug, die zooveel moeite met hare oogleden heeft, met een gilletje zegt, dat zij schrikkelijk oud moet zijn geweest, en aan allerlei akeligheden gestorven moet zijn, en dat men er maar niet van spreken moet.Zoo blijft dan Edith’s moeder onbesproken onder hare vriendinnen, die doof zijn voor het gefluister der golven, en blind voor de witte armen, die in den maneschijn naar het verre, onzichtbare land wenken. Maar alles gaat voort, als naar gewoonte, op den oever der onbekende zee; en Edith, die daar alleen staat en naar hare golven luistert, ziet slibberig ontuig voor hare voeten opspoelen, om haar levensweg daarmede te bestrooien.
[Inhoud]XLI.NIEUWE STEMMEN OVER DE GOLVEN.Alles loopt voort als naar gewoonte. De golven worden schor door het gedurig herhalen van haar geheim; het zand ligt op de kust opgewaaid; de zeevogels zwieren en zweven; de winden en wolken snellen op hunne spoorlooze baan; de witte armen wenken, in den maneschijn, naar het verre, onzichtbare land.Met een teeder weemoedig genoegen wandelt Florence weder over den ouden grond, dien zij zoo treurig en toch zoo gelukkig heeft betreden, en denkt aan hem op de stille plek, waar hij en zij zoo dikwijls te zamen hebben gesproken, terwijl het water om zijn rustbedje opkwam. En nu, terwijl zij daar zit te peinzen, hoort zij in het zachte gemurmel der zee zijne korte geschiedenis nog eens verhalen, zelfs zijne eigene woorden herhalen; en vindt zij, dat geheel haar leven met al de hoop en smart daarvan—in het eenzame huis en in het prachtige paleis waarin het veranderd is—in de tonen van dat wonderbare gezang worden afgeschaduwd.En de zachtzinnige Toots, die op een afstand blijft dralen, en de gedaante, die hem zoo dierbaar is, oplettend gadeslaat, en ze daarheen gevolgd is, maar uit kieschheid niet op zulk een tijd wil storen, hoort insgelijks den lijkzang van den kleinen Dombey over de golven, rijzende en dalende in de tusschenpoozen van haar eeuwig loflied op Florence. Ja, hij begrijpt[287]flauw, die arme Toots, dat zij iets zeggen van een tijd toen hij wist dat hij helderder van hoofd en vlugger van begrip was, en tranen komen hem in de oogen, wanneer de vrees, dat hij nu bot en dom is, en tot weinig meer deugt, dan om uitgelachen te worden, zijne blijdschap vermindert over de streelende herinnering dat hij voor het tegenwoordige van zijne verantwoording aan den Kemphaan is ontheven, daar deze heer (op kosten van Toots) naar het land is om zich op zijn grooten wedstrijd tegen een anderen vermaarden bokser voor te bereiden.Doch Toots vat moed, wanneer zij hem eene goede gedachte toefluisteren; en langzaam, dikwijls onderweg besluiteloos stilstaande, nadert hij Florence. Stotterend en blozend, veinst hij zich te verwonderen, als hij bij haar komt, en zegt (terwijl hij de koets waarin zij reed den geheelen weg vanLondenover duin voor duin heeft gevolgd, zich gaarne het stof van de wielen in de keel latende vliegen) dat hij nooit in zijn leven zoo verrast is.“En gij hebt Diogenes ook meegebracht, jufvrouw Dombey!” zegt Toots, doortinteld door de aanraking van het handje dat hem zoo vriendelijk en vrijmoedig gegeven wordt.Zonder twijfel is Diogenes daar, en zonder twijfel heeft Toots reden gehad om hem op te merken, want hij komt recht op zijne beenen afstuiven, en duikelt over zijn kop, door de vaart waarmede hij op hem aanvliegt. Maar hij wordt door zijne lieve meesteres gestuit.“Koest, Di, koest! Weet gij niet meer wie ons het eerst vrienden heeft gemaakt, Di? Foei, schaam u!”Ja, wel mag Di zijn kopliefkoozendtegen haar hand drukken, en voortrennen, en terugkomen, en blaffend om haar heendraven, en blindelings tegen iedereen aanloopen, om zijne gehechtheid te toonen. Toots zou ook wel blindelings tegen iedereen willen aanloopen. Een officier wandelt voorbij; Toots zou niets liever willen doen dan hem bot tegen het lijf loopen.“Diogenes is hier in zijne geboortelucht, niet waar, jufvrouw Dombey?” zegt Toots.Florence antwoordt met een knikje en een vriendelijk lachje.“Jufvrouw Dombey,” zegt Toots, “neem mij niet kwalijk, maar als gij gaarne eens naar doctor Blimber zoudt willen gaan, ik—ik ga naar hem toe.”Florence steekt zonder een woord te spreken haar arm door dien van Toots, en zij wandelen te zamen voort, terwijl Diogenes vooruitloopt. Toots voelt zijne beenen onder hem beven; en hoewel hij keurig gekleed is, voelt hij slecht passende plekken en ziet hij rimpels aan de meesterstukken van Burgess en Comp., en wenscht hij dat hij de blinkendste laarzen aanhad.Het huis van doctor Blimber ziet er van buiten even geleerd en deftig uit als voorheen; en daar omhoog is een venster waar zij naar het bleeke gezichtje placht te zien, en waar het bleeke gezichtje ophelderde als het haar zag, en het uitgeteerde handje haar kussen toewierp als zij voorbijging. De deur wordt geopend door hetzelfde jonge mensch met slechte oogen, wiens dom gegrinnik op het gezicht van Toots de gepersonifiëerde flauwheid is. Zij worden in de studeerkamer des doctors gelaten, waar de blinde Homerus en Minerva hun, gelijk voorheen, audiëntie geven, onder het tikken der groote klok in het voorhuis; en waar de globes nog op hare gewone plaatsen staan, alsof de wereld ook stilstond, en niets daarin ooit verging en aan de algemeene wet gehoorzaamde, die de aarde doet voortrollen en alles tot de aarde terugroept.En daar is doctor Blimber met zijne geleerde beenen; en daar is mevrouw Blimber met hare hemelsblauwe muts; en daar is Cornelia met haar vlasblond rijtje krullen, en haar schitterenden bril, die nog als een doodgraver in deknekelhuizenvan talen werkt. Daar is de tafel waarop hij eens zat, vreemd en verlegen, als de “nieuweling” van de school; en men hoort in de verte het gerucht der jongens, die nog in de oude schoolkamer op de oude manier aan hunne oude lessen zijn.“Toots,” zegt doctor Blimber, “het doet mij genoegen u te zien, Toots.”Toots antwoordt door eens te grinniken.“En ook u in zoo goed gezelschap te zien, Toots,” zegt doctor Blimber.Toots zegt met een bloedrood gezicht, dat hij jufvrouw Dombey toevallig heeft ontmoet, en dat, daar jufvrouw Dombey, evenals hij zelf, het oude huis nog eens wenschte te zien, zij te zamen gekomen zijn.“Gij zult ook zeker gaarne onze jonge vrienden nog eens willen zien, jufvrouw Dombey,” zegt doctor Blimber. “Allen eens medeleerlingen van u, Toots. Ik geloof dat wij geene nieuwe bewoners van onzen kleinen porticus hebben gekregen, lieve,” zegt doctor Blimber tot Cornelia, “sedert mijnheer Toots ons verlaten heeft.”—“Behalve Bitherstone,” zegt Cornelia.—“Ja, waarlijk,” zegt de doctor. “Bitherstone zal mijnheer Toots nog nieuw zijn.”Voor Florence is hij ook bijna nieuw, want in de schoolzaal vertoont zich Bitherstone—niet langer de kleine Bitherstone van mevrouw Pipchin—als drager van boordjes en een horloge. Maar Bitherstone, onder een ongelukkig Bengaalsch gestarnte geboren, is buitengemeen inkterig, en zijn Lexicon is door gedurig nazoeken zoo weerbarstig geworden dat het niet meer sluiten wil, en gaapt alsof dat gemaal het doodelijk verveelde. Zoo doet ook Bitherstone, de eigenaar van dat gapende Lexicon, maar Bitherstone’s gapen heeft iets kwaadaardigs,[288]en men heeft hem hooren zeggen te wenschen dat hij dien “ouden Blimber” maar eens inIndiëbetrapte. Dan zou hij gauw door een troepje van zijne (Bitherstone’s) Coolies landwaarts ingebracht en aan de Thugs overgeleverd worden; dat kan hij hem zeggen.Briggs is nog aan het malen in den molen der wetenschap, en Tozer ook, en Johnson ook, en al de anderen; de oudste leerlingen zijn voornamelijk bezig om met verbazenden arbeid alles te vergeten wat zij wisten toen zij jonger waren. Allen zijn zoo beleefd en zoo bleek als ooit, en onder hen is mijnheer Feeder, met zijne knokkige handen en zijn borstelig hoofd, nog even ijverig aan het draaiorgelen; hij speelt hun nu juist een brok uit Herodotus voor, en zijne rollen ter verwisseling liggen op eene plank achter hem.Er ontstaat eene geweldige opschudding, zelfs onder deze ernstige jonge heeren, door het bezoek van den geëmancipeerden Toots, die met zeker ontzag wordt aangestaard, als een die den Rubicon is overgetrokken en zijn woord heeft verpand om nooit terug te komen, en over wiens kleeren en juweelen achter de hand wordt gefluisterd. De galachtige Bitherstone, die niet uit den tijd van Toots is, veinst dezen te verachten, en zegt dat hij wel beter weet, en dat hij hem wel eens inBengalenmet die dingen wilde zien aankomen, waar zijne moeder een smaragd voor hem bewaart, die uit het voetbankje van een Radja is genomen.Verbijsterende aandoeningen worden insgelijks door het gezicht van Florence opgewekt, op welke al de jonge heeren dadelijk verlieven; behalve wederom Bitherstone, die dit, uit geest van tegenspraak, niet doen wil. Er ontstaat eene bittere wangunst op Toots, en Briggs is van gedachte dat hij toch nog zoo oud niet is. Maar deze kwaadsprekende inblazing wordt spoedig daardoor te schande gemaakt dat Toots hardop tot mijnheer Feeder zegt: “Hoe gaat het, Feeder?” en hem vraagt om dien middag in deBedfordbij hem te komen eten; welke bedrijven hem in staat zouden stellen om zich, als hij verkoos, zonder tegenspraak voor een Methusalem uit te geven.Er wordt veel hand gegeven en veel gebogen, en alle jonge heeren doen hun best om Toots in de gunst van jufvrouw Dombey te verdringen; en dan grinnikt Toots nog eens tegen zijn ouden lessenaar, en gaan Florence en hij met mevrouw Blimber en Cornelia heen, en wanneer doctor Blimber de deur achter hen sluit, hoort men hem zeggen: “Jonge heeren, nu zullen wij onze studiën hervatten.” Want dit en weinig anders is het wat de doctor de zee hoort zeggen, of al zijn leven heeft hooren zeggen.Florence glipt dan heen en gaat met mevrouw Blimber en Cornelia naar boven naar de oude slaapkamer. Toots, die gevoelt dat hij daar niet te maken heeft, blijft in de deur der studeerkamer met den doctor staan praten, of liever hoort den doctor tegen hem praten, en verwondert zich hoe hij de studeerkamer ooit voor een heiligdom en den doctor voor een geducht persoon hield. Florence komt spoedig weder beneden en neemt afscheid, en Toots neemt afscheid, en Diogenes, die het ondertusschen het jonge mensch met slechte oogen zeer lastig heeft gemaakt, schiet de deur uit en rent uitdagend blaffende de hoogte af, terwijl Melia en eene andere meid uit een bovenvenster kijken en om “dien Toots” lachen, en van jufvrouw Dombey zeggen: “Maar waarlijk—lijkt zij niet op haar broertje, behalve dat zij mooier is?”Toots, die, toen Florence weder beneden kwam, tranen op hare wangen heeft gezien, is doodelijk ongerust, en vreest in het eerst dat hij verkeerd heeft gedaan, met haar dit bezoek voor te stellen. Maar weldra wordt hij van zijne vrees ontslagen; daar zij zegt zeer blijde te zijn dat zij daar geweest is, en er zeer opgeruimd over praat, terwijl zij langs de zee voortwandelen. De stemmen uit die zee en hare lieve stem overweldigen Toots zoodanig, dat hij, wanneer zij bij het door Dombey gehuurde huis komen, en hij haar verlaten moet geen aasje vrijen wil meer over heeft; als zij hem tot afscheid de hand geeft, kan hij die niet weder loslaten.“Jufvrouw Dombey,” zegt Toots zeer onthutst, “neem mij niet kwalijk, maar als gij zoo goed woudt zijn om—om—”Het lachende, argelooze gezichtje van Florence doet hem bot stilzwijgen.“Als ik mocht—als gij het voor geene al te groote vrijpostigheid zoudt houden, jufvrouw Dombey, als ik—zonder mij eenigszins aan te moedigen, als ik maar hopen mocht, weet gij,” zegt Toots.Florence ziet hem vragend aan.“Jufvrouw Dombey,” hervatte Toots, die gevoelt dat hij nu meer moet zeggen, “ik ben waarlijk in zulk een gemoedstoestand, als ik u zie, en u zoo aanbiddelijk vind, dat ik niet weet waar ik zal blijven. Ik ben de beklagenswaardigste ellendeling. Als ik nu niet op den hoek van hetPleinwas, zou ik op mijne knieën vallen, en u bidden en smeeken, zonder mij eenige aanmoediging te geven, om mij maar te laten hopen—om het maar voor mogelijk te mogen houden dat gij …”—“Och neen, als het u belieft. Zeg niets meer. Als eene goedheid en vriendelijkheid voor mij, zeg niets meer.”Toots is schrikkelijk uit het veld geslagen, en zijn mond blijft openstaan.“Gij zijt goed voor mij geweest,” zegt Florence, “ik ben u zoo dankbaar, ik heb zooveel redenen om van u te houden, omdat gij zulk een vriend voor mij geweest zijt, en ik houd[289]zooveel van u,” en hier ziet zij hem vriendelijk glimlachend aan met het oprechtste gezichtje van de wereld, “dat ik mij zeker houd dat gij alleen maar goedendag gaat zeggen.”—“Zekerlijk, jufvrouw Dombey. Ik—ik—dat is juist wat ik meen. Het is van geen beduiden.”—“Goedendag dan,” zegt Florence.—“Goedendag, jufvrouw Dombey,” stottert Toots. “Ik hoop dat gij er maar niet meer om zult denken. Het is—het is van geen belang. Wel bedankt. Het is van geen het minste belang.”De arme Toots gaat naar zijn logement, sluit zich in zijne slaapkamer op, werpt zich op zijn bed, en blijft daar een langen tijd liggen, zoo wanhopig alsof het toch wel van het grootste belang was. Maar mijnheer Feeder komt bij hem eten, en dit is gelukkig voor Toots, of men had niet kunnen weten wanneer hij zou zijn opgestaan. Toots is nu genoodzaakt op te staan om hem te ontvangen en gastvrij te onthalen.En de milde invloed dier maatschappelijke en gezellige deugd, de gastvrijheid (om niet van den wijn en de goede tafel te spreken), opent het hart van Toots en maakt hem warm genoeg om te spreken. Hij vertelt Feeder wel niet wat er op den hoek van hetPleinis voorgevallen; maar wanneer Feeder hem vraagt “wanneer het zal plaats hebben,” antwoordt Toots, “dat er zekere dingen zijn,” hetgeen Feeder terstond in zijne schulp doet kruipen. Toots voegt er bij, dat hij niet weet waarom het Blimber vrijstond op te merken dat hij in jufvrouw Dombey’s gezelschap was, en dat, als hij dacht dat hij dat zoo onbescheiden gemeend had, hij hem zou uitdagen, hij mocht doctor wezen of niet; maar dat hij gelooft dat het alleen zijne onkunde is geweest, waaraan Feeder zegt niet te twijfelen.Toots antwoordt met eene hoogdravende lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten. (blz. 290).Toots antwoordt met eene hoogdravende lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten.(blz. 290).Feeder evenwel, als een vertrouwd vriend, behoeft niet buiten de zaak te worden gehouden. Toots vordert alleen dat er met zekere geheimzinnigheid en met gevoel over gesproken zal worden. Na eenige glazen wijn te hebben gedronken, stelt hij jufvrouw Dombey’s gezondheid[290]in, en zegt: “Feeder, gij hebt geen denkbeeld van de gevoelens waarmee ik dien toast instel.” Feeder antwoordt: “O ja, dat heb ik wel, mijn beste Toots; en zij strekken u zeer tot eer, oude jongen.” Feeder wordt dan aangedaan van vriendschap, en geeft Toots de hand, en zegt, als Toots ooit een broeder noodig heeft, weet hij waar hem te vinden, hetzij over den post of met een pakje. Feeder zegt insgelijks, dat hij, als hij een raad mocht geven, Toots zou raden om de guitar te leeren, of ten minste de fluit; want vrouwen houden veel van muziek, als men zijn hof bij haar maakt, en hij heeft zelf het voordeel daarvan ondervonden.Dit brengt Feeder tot de bekentenis dat hij een oog op Cornelia Blimber heeft. Hij onderricht Toots dat hij niet tegen den bril heeft, en dat, als de doctor eens gul wilde zijn en de zaken overdeed, wel, dan waren zij bezorgd. Hij zegt van gedachten te zijn dat iemand, als hij met zijne zaken eene goede som gewonnen heeft, verplicht is ze over te doen; en dat Cornelia eene helpster in de zaak zou zijn, waarop iedereen trotsch zou mogen wezen. Toots antwoordt met eene hoogdravende lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten. Feeder poogt hem te beduiden dat dit eene roekeloosheid zou zijn, en als een middel om hem met het leven te verzoenen, vertoont hij hem Cornelia’s portret, met bril en al.Aldus slijten deze goede lieden den avond; en wanneer deze voor den nacht heeft plaats gemaakt, gaat Toots met Feeder mede, en brengt hem tot voor de deur van doctor Blimber. Doch Feeder gaat maar de stoep op, en als Toots weg is, komt hij er weder af, om eene eenzame wandeling langs het strand te doen en over zijne vooruitzichten te denken. Hij hoort, terwijl hij voortkuiert, de golven hem duidelijk onderrichten, dat doctor Blimber de zaak wel zal overdoen; en hij vindt er een zacht romanesk genoegen in om het huis van buiten te beschouwen, en te denken dat de doctor het eerst wel zal laten verven en goed repareeren.Toots dwaalt insgelijks op en neer, in de nabijheid van het koffertje dat zijn juweel bevat; en in een jammerlijken gemoedstoestand, en niet zonder den achterdocht der politie op te wekken, tuurt hij naar een venster waar hij licht ziet, en hetwelk hij niet twijfelt of het is dat van Florence. Maar dat is het niet, want het is van mevrouw Skewton’s kamer; en terwijl Florence in eene andere kamer ligt te slapen, en genoeglijk droomt van de oude tooneelen, en al hare oude herinneringen weder herleven, ligt daar eene gedaante, welke de barre werkelijkheid in dat vertrek voor die van het geduldige zieke kind in de plaats heeft gesteld—om het nog eens, maar hoe anders! met ziekte en dood in verband te brengen—slapeloos te morren en te klagen. Afzichtelijk leelijk ligt zij daar op haar bed van onrust; en daarbij, in schrikkelijke, strakke schoonheid,—want zij is schrikkelijk in de verflauwde oogen der lijderes—zit Edith. Wat zeggen de golven in de stilte van den nacht tot deze twee!“Edith, wat is die steenen arm, die dreigt om mij te slaan? Ziet gij hem niet?”—“Het is niets dan uwe verbeelding, moeder.”—“Mijne verbeelding! Alles is mijne verbeelding. Zie! Is het mogelijk dat gij hem niet ziet!”—“Inderdaad, moeder, er is niets. Zou ik zoo onverschillig blijven zitten, als er zoo iets was?”—“Onverschillig?” haar woest aanziende. “Nu is hij weg. En waarom zijt gij zoo onverschillig? Dat is geene verbeelding van mij, Edith. Ik word er koud van dat ik u zoo zie zitten.”—“Dat spijt mij, moeder.”—“Spijten! Gij schijnt altijd iets te hebben dat u spijt. Maar ik ben het niet!”Daarmede begint zij te huilen, en werpt haar rusteloos hoofd op het kussen heen en weder, en prevelt over verwaarloozing, en welk eene moeder zij geweest is, en welk eene moeder die goede oude ziel was, die zij ontmoet hebben, en hoe ondankbaar de dochters van zulke moeders zijn. In het midden van dat verwarde gerevel houdt zij op, ziet hare dochter aan, roept dat zij niet recht meer bij hare zinnen is, en verbergt haar gezicht in het dek.Edith buigt zich medelijdend over haar heen en spreekt haar toe. De zieke oude vrouw slaat de armen om haar hals en zegt met een blik vol angst:“Edith, wij gaan toch gauw weer naar huis? Gij denkt immers ook dat wij weer naar huis zullen gaan?”—“Ja, moeder, ja.”—“En wat hij zeide—hoe heet hij ook weer, ik heb nooit namen kunnen onthouden—de majoor—dat akelige woord, toen wij wegreden—dat is immers niet waar? Edith!” met een gil, “datis het toch niet dat mij dreigt!”Nacht op nacht brandt het licht voor het venster en ligt de gedaante in het bed, en zit Edith daarnaast, en roepen de rustelooze golven beiden toe, den geheelen nacht lang. Nacht op nacht fluisteren de golven zich schor met het gedurig herhalen van haar geheim; het zand wordt op het strand opgewaaid; de zeevogels zweven en zwieren; de winden en wolken vervolgen hunne spoorlooze baan; de witte armen wenken, in den maneschijn, naar het verre, onzichtbare land.En altijd nog staart de zieke oude vrouw naar dien hoek, waar de steenen arm—een stuk van een beeld op eene tombe, zegt zij—dreigend opgeheven is om haar te slaan. Eindelijk[291]valt de slag: en dan ligt er eene sprakelooze oude vrouw in dat bed, krom ineengetrokken; en de helft van haar is dood.Dit is de gedaante die, opgelapt en opgeschilderd, om door de zon te worden bespot, dag aan dag langzaam door de menigte wordt getrokken, en onderweg uitkijkt naar de goede ziel die zulk eene moeder was, en gezichten trekt als zij vruchteloos zoekt. Dit is de gedaante die dikwijls naar den zeekant wordt gekrooien en daar eenigen tijd gelaten, maar welke geen wind kan verfrisschen, en voor welke het gemurmel der golven geen troostend woord heeft. Zij ligt daar uren lang te luisteren; maar die spraak is dreigend en somber voor haar, en haar gezicht staat angstig; en als hare oogen in de ruimte rondzwerven ziet zij niets anders dan eene breede streep hopelooze ledigheid tusschen hemel en aarde.Florence ziet zij zelden, en als zij haar ziet, maakt zij zich boos en trekt gezichten. Edith is altijd bij haar en houdt Florence weg; en des nachts in haar bed beeft Florence bij de gedachte aan den dood in zulk eene gedaante, en wordt dikwijls wakker en luistert dan, en verbeeldt zich dat hij gekomen is. Niemand past haar op dan Edith. Het is beter dat maar weinige oogen haar zien; en hare dochter waakt alleen bij haar bed.Er komt eene schaduw zelfs over dat donkere gezicht, de scherpe trekken worden nog scherper, de sluier over de oogen wordt een lijkkleed dat de geheele wereld buitensluit. De over het dek zwervende handen drukken flauw palm tegen palm, en bewegen zich naar hare dochter toe; en eene stem—die niet naar de hare gelijkt, evenmin naar eenige andere die onze sterfelijke taal spreekt—zegt: “Want ik heb u toch grootgebracht.”Zonder een traan te laten, knielt Edith, om hare stem dichter bij het zinkende hoofd te brengen, en antwoordt:“Moeder, kunt ge mij hooren?”Met wijd starende oogen, poogt zij tot antwoord te knikken.“Kunt gij u den avond voor mijn trouwen herinneren?”Het hoofd is roerloos, maar toch duidt het aan dat zij dit doet.“Ik heb u toen gezegd dat ik u uw deel daaraan vergaf, en God bad mij het mijne te vergeven. Ik zeide u toen dat het verledene tusschen ons voorbij was. Ik zeg dat nu nog eens. Kus mij, moeder.”Edith raakte de bleeke lippen aan. Voor een oogenblik is alles stil. Een oogenblik later komt hare moeder, met haar meisjesachtig lachje en het geraamte der Cleopatrahouding, in het bed overeind.Schuif de rozekleurige gordijnen dicht. Er is nog iets anders uit op eene spoorlooze baan, behalve de winden en wolken. Schuif de rozekleurige gordijnen dicht.Er wordt dadelijk kennisgeving aan Dombey gezonden, die neef Feenix gaat opzoeken, die nog niet tot het besluit is kunnen komen om weder naarBaden-Badente gaan, en insgelijks bericht heeft ontvangen. Zulk een goedaardig man als neef Feenix is juist de man voor eene bruiloft of eene begrafenis, en zijne positie in de familie maakt het voegzaam hem te raadplegen.“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij zulk eene droevige gelegenheid te zien. Mijne arme tante! Zij was zulk eene drommels levendige vrouw.”Dombey antwoordt: “Bijzonder.”—“En als zij wat opgeknapt was,” zegt neef Feenix “was zij werkelijk nog jong, als men in aanmerking nam.—Waarlijk, op den dag van uw trouwen dacht ik dat zij het nog wel twintig jaar zou uithouden. Ik zeide dat zelfs nog tegen iemand in mijne club—kleine Billy Joper—gij kent hem zeker wel—hij heeft altijd een lorgnet voor zijn oog?”Dombey buigt ontkennend. “Wat de begrafenis betreft,” begint hij, “als gij eenige verkiezing mocht hebben.…”—“Wel,” zegt neef Feenix, zijne kin wrijvende, waartoe juist genoeg van zijne hand onder zijne mouwboorden uitkomt, “dat weet ik waarlijk niet. Er is wel een mausoleum in mijn park, maar ik vrees dat het in slechten staat is. Als ik niet wat schraal bij kas was, had ik het al eens laten repareeren; maar ik geloof dat tegenwoordig de menschen, die in het park komen wandelen, wel eens binnen het hek gaan zitten ontbijten.”Dombey begrijpt dat dit niet aangaat.“Het dorp heeft eene heel goede kerk,” zegt neef Feenix peinzende, “een model van den zuiveren vroegsten Anglo-Normandischen stijl, en waarvan Lady Jane Finchbury—eene dame die zich heel stijf rijgt—eene mooie schets heeft geteekend; maar zij hebben ze met witten bedorven, naar ik hoor, en het is een verre weg.”—“MisschienBrightonzelf,” zegt Dombey, om een wenk te geven.—“Op mijne eer, Dombey, ik geloof dat wij niet beter konden doen,” zegt neef Feenix. “Dat is dichtbij ziet ge, en een heel vroolijk plaatsje.”—“En wanneer,” zegt Dombey, “zou het conveniëeren?”—“Ik wil mij gaarne gereed houden,” antwoordt neef Feenix, “tegen den dag dien gij best vindt. Het zal een groot genoegen voor mij zijn (een treurig genoegen, natuurlijk) om mijne arme tante naar de grenzen der—kortom naar het graf te brengen,” zegt neef Feenix, daar hem geene andere uitdrukking te binnen schiet.—“Zoudt gij maandag uit de stad kunnen?”[292]zegt Dombey.—“Maandag zou mij uitmuntend schikken,” antwoordt neef Feenix.Dombey maakt dus afspraak om neef Feenix op dien dag te laten mederijden, en neemt weldra afscheid. Neef Feenix brengt hem tot aan de trap en zegt bij het scheiden: “Het spijt mij waarlijk, Dombey, dat gij er zooveel moeite van moet hebben;” waarop Dombey antwoordt: “Geheel niet.”Op den bepaalden tijd rijden neef Feenix en Dombey met elkander naarBrighton, en met hun beiden al de andere rouwdragers over het verlies der oude dame vertegenwoordigende, begeleiden zij haar overschot naar de rustplaats. Neef Feenix, in de rouwkoets gezeten, herkent onderweg ontelbare bekenden maar neemt, welstaanshalve, geene andere notitie van hen, dan dat hij ze voor Dombey opleest, zooals: “Tom Johnson, met zijn kurken been. Zoo, zijt ge hier, Tommy? Foley, op eene volbloedmerrie. De meisjes van Smalder,”—enz. Bij de plechtigheid is neef Feenix neerslachtig, en merkt aan, dat zulke gelegenheden iemand doen denken dat hij ook wrak begint te worden; en nadat de plechtigheid is afgeloopen, zijn zijne oogen waarlijk vochtig. Maar hij herstelt zich weldra; en dat doen al de overige betrekkingen en vrienden van mevrouw Skewton insgelijks, en de majoor vertelt in zijne club gedurig dat zij zich nooit genoeg inbakerde; terwijl de jonge dame met den rug, die zooveel moeite met hare oogleden heeft, met een gilletje zegt, dat zij schrikkelijk oud moet zijn geweest, en aan allerlei akeligheden gestorven moet zijn, en dat men er maar niet van spreken moet.Zoo blijft dan Edith’s moeder onbesproken onder hare vriendinnen, die doof zijn voor het gefluister der golven, en blind voor de witte armen, die in den maneschijn naar het verre, onzichtbare land wenken. Maar alles gaat voort, als naar gewoonte, op den oever der onbekende zee; en Edith, die daar alleen staat en naar hare golven luistert, ziet slibberig ontuig voor hare voeten opspoelen, om haar levensweg daarmede te bestrooien.
XLI.NIEUWE STEMMEN OVER DE GOLVEN.
Alles loopt voort als naar gewoonte. De golven worden schor door het gedurig herhalen van haar geheim; het zand ligt op de kust opgewaaid; de zeevogels zwieren en zweven; de winden en wolken snellen op hunne spoorlooze baan; de witte armen wenken, in den maneschijn, naar het verre, onzichtbare land.Met een teeder weemoedig genoegen wandelt Florence weder over den ouden grond, dien zij zoo treurig en toch zoo gelukkig heeft betreden, en denkt aan hem op de stille plek, waar hij en zij zoo dikwijls te zamen hebben gesproken, terwijl het water om zijn rustbedje opkwam. En nu, terwijl zij daar zit te peinzen, hoort zij in het zachte gemurmel der zee zijne korte geschiedenis nog eens verhalen, zelfs zijne eigene woorden herhalen; en vindt zij, dat geheel haar leven met al de hoop en smart daarvan—in het eenzame huis en in het prachtige paleis waarin het veranderd is—in de tonen van dat wonderbare gezang worden afgeschaduwd.En de zachtzinnige Toots, die op een afstand blijft dralen, en de gedaante, die hem zoo dierbaar is, oplettend gadeslaat, en ze daarheen gevolgd is, maar uit kieschheid niet op zulk een tijd wil storen, hoort insgelijks den lijkzang van den kleinen Dombey over de golven, rijzende en dalende in de tusschenpoozen van haar eeuwig loflied op Florence. Ja, hij begrijpt[287]flauw, die arme Toots, dat zij iets zeggen van een tijd toen hij wist dat hij helderder van hoofd en vlugger van begrip was, en tranen komen hem in de oogen, wanneer de vrees, dat hij nu bot en dom is, en tot weinig meer deugt, dan om uitgelachen te worden, zijne blijdschap vermindert over de streelende herinnering dat hij voor het tegenwoordige van zijne verantwoording aan den Kemphaan is ontheven, daar deze heer (op kosten van Toots) naar het land is om zich op zijn grooten wedstrijd tegen een anderen vermaarden bokser voor te bereiden.Doch Toots vat moed, wanneer zij hem eene goede gedachte toefluisteren; en langzaam, dikwijls onderweg besluiteloos stilstaande, nadert hij Florence. Stotterend en blozend, veinst hij zich te verwonderen, als hij bij haar komt, en zegt (terwijl hij de koets waarin zij reed den geheelen weg vanLondenover duin voor duin heeft gevolgd, zich gaarne het stof van de wielen in de keel latende vliegen) dat hij nooit in zijn leven zoo verrast is.“En gij hebt Diogenes ook meegebracht, jufvrouw Dombey!” zegt Toots, doortinteld door de aanraking van het handje dat hem zoo vriendelijk en vrijmoedig gegeven wordt.Zonder twijfel is Diogenes daar, en zonder twijfel heeft Toots reden gehad om hem op te merken, want hij komt recht op zijne beenen afstuiven, en duikelt over zijn kop, door de vaart waarmede hij op hem aanvliegt. Maar hij wordt door zijne lieve meesteres gestuit.“Koest, Di, koest! Weet gij niet meer wie ons het eerst vrienden heeft gemaakt, Di? Foei, schaam u!”Ja, wel mag Di zijn kopliefkoozendtegen haar hand drukken, en voortrennen, en terugkomen, en blaffend om haar heendraven, en blindelings tegen iedereen aanloopen, om zijne gehechtheid te toonen. Toots zou ook wel blindelings tegen iedereen willen aanloopen. Een officier wandelt voorbij; Toots zou niets liever willen doen dan hem bot tegen het lijf loopen.“Diogenes is hier in zijne geboortelucht, niet waar, jufvrouw Dombey?” zegt Toots.Florence antwoordt met een knikje en een vriendelijk lachje.“Jufvrouw Dombey,” zegt Toots, “neem mij niet kwalijk, maar als gij gaarne eens naar doctor Blimber zoudt willen gaan, ik—ik ga naar hem toe.”Florence steekt zonder een woord te spreken haar arm door dien van Toots, en zij wandelen te zamen voort, terwijl Diogenes vooruitloopt. Toots voelt zijne beenen onder hem beven; en hoewel hij keurig gekleed is, voelt hij slecht passende plekken en ziet hij rimpels aan de meesterstukken van Burgess en Comp., en wenscht hij dat hij de blinkendste laarzen aanhad.Het huis van doctor Blimber ziet er van buiten even geleerd en deftig uit als voorheen; en daar omhoog is een venster waar zij naar het bleeke gezichtje placht te zien, en waar het bleeke gezichtje ophelderde als het haar zag, en het uitgeteerde handje haar kussen toewierp als zij voorbijging. De deur wordt geopend door hetzelfde jonge mensch met slechte oogen, wiens dom gegrinnik op het gezicht van Toots de gepersonifiëerde flauwheid is. Zij worden in de studeerkamer des doctors gelaten, waar de blinde Homerus en Minerva hun, gelijk voorheen, audiëntie geven, onder het tikken der groote klok in het voorhuis; en waar de globes nog op hare gewone plaatsen staan, alsof de wereld ook stilstond, en niets daarin ooit verging en aan de algemeene wet gehoorzaamde, die de aarde doet voortrollen en alles tot de aarde terugroept.En daar is doctor Blimber met zijne geleerde beenen; en daar is mevrouw Blimber met hare hemelsblauwe muts; en daar is Cornelia met haar vlasblond rijtje krullen, en haar schitterenden bril, die nog als een doodgraver in deknekelhuizenvan talen werkt. Daar is de tafel waarop hij eens zat, vreemd en verlegen, als de “nieuweling” van de school; en men hoort in de verte het gerucht der jongens, die nog in de oude schoolkamer op de oude manier aan hunne oude lessen zijn.“Toots,” zegt doctor Blimber, “het doet mij genoegen u te zien, Toots.”Toots antwoordt door eens te grinniken.“En ook u in zoo goed gezelschap te zien, Toots,” zegt doctor Blimber.Toots zegt met een bloedrood gezicht, dat hij jufvrouw Dombey toevallig heeft ontmoet, en dat, daar jufvrouw Dombey, evenals hij zelf, het oude huis nog eens wenschte te zien, zij te zamen gekomen zijn.“Gij zult ook zeker gaarne onze jonge vrienden nog eens willen zien, jufvrouw Dombey,” zegt doctor Blimber. “Allen eens medeleerlingen van u, Toots. Ik geloof dat wij geene nieuwe bewoners van onzen kleinen porticus hebben gekregen, lieve,” zegt doctor Blimber tot Cornelia, “sedert mijnheer Toots ons verlaten heeft.”—“Behalve Bitherstone,” zegt Cornelia.—“Ja, waarlijk,” zegt de doctor. “Bitherstone zal mijnheer Toots nog nieuw zijn.”Voor Florence is hij ook bijna nieuw, want in de schoolzaal vertoont zich Bitherstone—niet langer de kleine Bitherstone van mevrouw Pipchin—als drager van boordjes en een horloge. Maar Bitherstone, onder een ongelukkig Bengaalsch gestarnte geboren, is buitengemeen inkterig, en zijn Lexicon is door gedurig nazoeken zoo weerbarstig geworden dat het niet meer sluiten wil, en gaapt alsof dat gemaal het doodelijk verveelde. Zoo doet ook Bitherstone, de eigenaar van dat gapende Lexicon, maar Bitherstone’s gapen heeft iets kwaadaardigs,[288]en men heeft hem hooren zeggen te wenschen dat hij dien “ouden Blimber” maar eens inIndiëbetrapte. Dan zou hij gauw door een troepje van zijne (Bitherstone’s) Coolies landwaarts ingebracht en aan de Thugs overgeleverd worden; dat kan hij hem zeggen.Briggs is nog aan het malen in den molen der wetenschap, en Tozer ook, en Johnson ook, en al de anderen; de oudste leerlingen zijn voornamelijk bezig om met verbazenden arbeid alles te vergeten wat zij wisten toen zij jonger waren. Allen zijn zoo beleefd en zoo bleek als ooit, en onder hen is mijnheer Feeder, met zijne knokkige handen en zijn borstelig hoofd, nog even ijverig aan het draaiorgelen; hij speelt hun nu juist een brok uit Herodotus voor, en zijne rollen ter verwisseling liggen op eene plank achter hem.Er ontstaat eene geweldige opschudding, zelfs onder deze ernstige jonge heeren, door het bezoek van den geëmancipeerden Toots, die met zeker ontzag wordt aangestaard, als een die den Rubicon is overgetrokken en zijn woord heeft verpand om nooit terug te komen, en over wiens kleeren en juweelen achter de hand wordt gefluisterd. De galachtige Bitherstone, die niet uit den tijd van Toots is, veinst dezen te verachten, en zegt dat hij wel beter weet, en dat hij hem wel eens inBengalenmet die dingen wilde zien aankomen, waar zijne moeder een smaragd voor hem bewaart, die uit het voetbankje van een Radja is genomen.Verbijsterende aandoeningen worden insgelijks door het gezicht van Florence opgewekt, op welke al de jonge heeren dadelijk verlieven; behalve wederom Bitherstone, die dit, uit geest van tegenspraak, niet doen wil. Er ontstaat eene bittere wangunst op Toots, en Briggs is van gedachte dat hij toch nog zoo oud niet is. Maar deze kwaadsprekende inblazing wordt spoedig daardoor te schande gemaakt dat Toots hardop tot mijnheer Feeder zegt: “Hoe gaat het, Feeder?” en hem vraagt om dien middag in deBedfordbij hem te komen eten; welke bedrijven hem in staat zouden stellen om zich, als hij verkoos, zonder tegenspraak voor een Methusalem uit te geven.Er wordt veel hand gegeven en veel gebogen, en alle jonge heeren doen hun best om Toots in de gunst van jufvrouw Dombey te verdringen; en dan grinnikt Toots nog eens tegen zijn ouden lessenaar, en gaan Florence en hij met mevrouw Blimber en Cornelia heen, en wanneer doctor Blimber de deur achter hen sluit, hoort men hem zeggen: “Jonge heeren, nu zullen wij onze studiën hervatten.” Want dit en weinig anders is het wat de doctor de zee hoort zeggen, of al zijn leven heeft hooren zeggen.Florence glipt dan heen en gaat met mevrouw Blimber en Cornelia naar boven naar de oude slaapkamer. Toots, die gevoelt dat hij daar niet te maken heeft, blijft in de deur der studeerkamer met den doctor staan praten, of liever hoort den doctor tegen hem praten, en verwondert zich hoe hij de studeerkamer ooit voor een heiligdom en den doctor voor een geducht persoon hield. Florence komt spoedig weder beneden en neemt afscheid, en Toots neemt afscheid, en Diogenes, die het ondertusschen het jonge mensch met slechte oogen zeer lastig heeft gemaakt, schiet de deur uit en rent uitdagend blaffende de hoogte af, terwijl Melia en eene andere meid uit een bovenvenster kijken en om “dien Toots” lachen, en van jufvrouw Dombey zeggen: “Maar waarlijk—lijkt zij niet op haar broertje, behalve dat zij mooier is?”Toots, die, toen Florence weder beneden kwam, tranen op hare wangen heeft gezien, is doodelijk ongerust, en vreest in het eerst dat hij verkeerd heeft gedaan, met haar dit bezoek voor te stellen. Maar weldra wordt hij van zijne vrees ontslagen; daar zij zegt zeer blijde te zijn dat zij daar geweest is, en er zeer opgeruimd over praat, terwijl zij langs de zee voortwandelen. De stemmen uit die zee en hare lieve stem overweldigen Toots zoodanig, dat hij, wanneer zij bij het door Dombey gehuurde huis komen, en hij haar verlaten moet geen aasje vrijen wil meer over heeft; als zij hem tot afscheid de hand geeft, kan hij die niet weder loslaten.“Jufvrouw Dombey,” zegt Toots zeer onthutst, “neem mij niet kwalijk, maar als gij zoo goed woudt zijn om—om—”Het lachende, argelooze gezichtje van Florence doet hem bot stilzwijgen.“Als ik mocht—als gij het voor geene al te groote vrijpostigheid zoudt houden, jufvrouw Dombey, als ik—zonder mij eenigszins aan te moedigen, als ik maar hopen mocht, weet gij,” zegt Toots.Florence ziet hem vragend aan.“Jufvrouw Dombey,” hervatte Toots, die gevoelt dat hij nu meer moet zeggen, “ik ben waarlijk in zulk een gemoedstoestand, als ik u zie, en u zoo aanbiddelijk vind, dat ik niet weet waar ik zal blijven. Ik ben de beklagenswaardigste ellendeling. Als ik nu niet op den hoek van hetPleinwas, zou ik op mijne knieën vallen, en u bidden en smeeken, zonder mij eenige aanmoediging te geven, om mij maar te laten hopen—om het maar voor mogelijk te mogen houden dat gij …”—“Och neen, als het u belieft. Zeg niets meer. Als eene goedheid en vriendelijkheid voor mij, zeg niets meer.”Toots is schrikkelijk uit het veld geslagen, en zijn mond blijft openstaan.“Gij zijt goed voor mij geweest,” zegt Florence, “ik ben u zoo dankbaar, ik heb zooveel redenen om van u te houden, omdat gij zulk een vriend voor mij geweest zijt, en ik houd[289]zooveel van u,” en hier ziet zij hem vriendelijk glimlachend aan met het oprechtste gezichtje van de wereld, “dat ik mij zeker houd dat gij alleen maar goedendag gaat zeggen.”—“Zekerlijk, jufvrouw Dombey. Ik—ik—dat is juist wat ik meen. Het is van geen beduiden.”—“Goedendag dan,” zegt Florence.—“Goedendag, jufvrouw Dombey,” stottert Toots. “Ik hoop dat gij er maar niet meer om zult denken. Het is—het is van geen belang. Wel bedankt. Het is van geen het minste belang.”De arme Toots gaat naar zijn logement, sluit zich in zijne slaapkamer op, werpt zich op zijn bed, en blijft daar een langen tijd liggen, zoo wanhopig alsof het toch wel van het grootste belang was. Maar mijnheer Feeder komt bij hem eten, en dit is gelukkig voor Toots, of men had niet kunnen weten wanneer hij zou zijn opgestaan. Toots is nu genoodzaakt op te staan om hem te ontvangen en gastvrij te onthalen.En de milde invloed dier maatschappelijke en gezellige deugd, de gastvrijheid (om niet van den wijn en de goede tafel te spreken), opent het hart van Toots en maakt hem warm genoeg om te spreken. Hij vertelt Feeder wel niet wat er op den hoek van hetPleinis voorgevallen; maar wanneer Feeder hem vraagt “wanneer het zal plaats hebben,” antwoordt Toots, “dat er zekere dingen zijn,” hetgeen Feeder terstond in zijne schulp doet kruipen. Toots voegt er bij, dat hij niet weet waarom het Blimber vrijstond op te merken dat hij in jufvrouw Dombey’s gezelschap was, en dat, als hij dacht dat hij dat zoo onbescheiden gemeend had, hij hem zou uitdagen, hij mocht doctor wezen of niet; maar dat hij gelooft dat het alleen zijne onkunde is geweest, waaraan Feeder zegt niet te twijfelen.Toots antwoordt met eene hoogdravende lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten. (blz. 290).Toots antwoordt met eene hoogdravende lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten.(blz. 290).Feeder evenwel, als een vertrouwd vriend, behoeft niet buiten de zaak te worden gehouden. Toots vordert alleen dat er met zekere geheimzinnigheid en met gevoel over gesproken zal worden. Na eenige glazen wijn te hebben gedronken, stelt hij jufvrouw Dombey’s gezondheid[290]in, en zegt: “Feeder, gij hebt geen denkbeeld van de gevoelens waarmee ik dien toast instel.” Feeder antwoordt: “O ja, dat heb ik wel, mijn beste Toots; en zij strekken u zeer tot eer, oude jongen.” Feeder wordt dan aangedaan van vriendschap, en geeft Toots de hand, en zegt, als Toots ooit een broeder noodig heeft, weet hij waar hem te vinden, hetzij over den post of met een pakje. Feeder zegt insgelijks, dat hij, als hij een raad mocht geven, Toots zou raden om de guitar te leeren, of ten minste de fluit; want vrouwen houden veel van muziek, als men zijn hof bij haar maakt, en hij heeft zelf het voordeel daarvan ondervonden.Dit brengt Feeder tot de bekentenis dat hij een oog op Cornelia Blimber heeft. Hij onderricht Toots dat hij niet tegen den bril heeft, en dat, als de doctor eens gul wilde zijn en de zaken overdeed, wel, dan waren zij bezorgd. Hij zegt van gedachten te zijn dat iemand, als hij met zijne zaken eene goede som gewonnen heeft, verplicht is ze over te doen; en dat Cornelia eene helpster in de zaak zou zijn, waarop iedereen trotsch zou mogen wezen. Toots antwoordt met eene hoogdravende lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten. Feeder poogt hem te beduiden dat dit eene roekeloosheid zou zijn, en als een middel om hem met het leven te verzoenen, vertoont hij hem Cornelia’s portret, met bril en al.Aldus slijten deze goede lieden den avond; en wanneer deze voor den nacht heeft plaats gemaakt, gaat Toots met Feeder mede, en brengt hem tot voor de deur van doctor Blimber. Doch Feeder gaat maar de stoep op, en als Toots weg is, komt hij er weder af, om eene eenzame wandeling langs het strand te doen en over zijne vooruitzichten te denken. Hij hoort, terwijl hij voortkuiert, de golven hem duidelijk onderrichten, dat doctor Blimber de zaak wel zal overdoen; en hij vindt er een zacht romanesk genoegen in om het huis van buiten te beschouwen, en te denken dat de doctor het eerst wel zal laten verven en goed repareeren.Toots dwaalt insgelijks op en neer, in de nabijheid van het koffertje dat zijn juweel bevat; en in een jammerlijken gemoedstoestand, en niet zonder den achterdocht der politie op te wekken, tuurt hij naar een venster waar hij licht ziet, en hetwelk hij niet twijfelt of het is dat van Florence. Maar dat is het niet, want het is van mevrouw Skewton’s kamer; en terwijl Florence in eene andere kamer ligt te slapen, en genoeglijk droomt van de oude tooneelen, en al hare oude herinneringen weder herleven, ligt daar eene gedaante, welke de barre werkelijkheid in dat vertrek voor die van het geduldige zieke kind in de plaats heeft gesteld—om het nog eens, maar hoe anders! met ziekte en dood in verband te brengen—slapeloos te morren en te klagen. Afzichtelijk leelijk ligt zij daar op haar bed van onrust; en daarbij, in schrikkelijke, strakke schoonheid,—want zij is schrikkelijk in de verflauwde oogen der lijderes—zit Edith. Wat zeggen de golven in de stilte van den nacht tot deze twee!“Edith, wat is die steenen arm, die dreigt om mij te slaan? Ziet gij hem niet?”—“Het is niets dan uwe verbeelding, moeder.”—“Mijne verbeelding! Alles is mijne verbeelding. Zie! Is het mogelijk dat gij hem niet ziet!”—“Inderdaad, moeder, er is niets. Zou ik zoo onverschillig blijven zitten, als er zoo iets was?”—“Onverschillig?” haar woest aanziende. “Nu is hij weg. En waarom zijt gij zoo onverschillig? Dat is geene verbeelding van mij, Edith. Ik word er koud van dat ik u zoo zie zitten.”—“Dat spijt mij, moeder.”—“Spijten! Gij schijnt altijd iets te hebben dat u spijt. Maar ik ben het niet!”Daarmede begint zij te huilen, en werpt haar rusteloos hoofd op het kussen heen en weder, en prevelt over verwaarloozing, en welk eene moeder zij geweest is, en welk eene moeder die goede oude ziel was, die zij ontmoet hebben, en hoe ondankbaar de dochters van zulke moeders zijn. In het midden van dat verwarde gerevel houdt zij op, ziet hare dochter aan, roept dat zij niet recht meer bij hare zinnen is, en verbergt haar gezicht in het dek.Edith buigt zich medelijdend over haar heen en spreekt haar toe. De zieke oude vrouw slaat de armen om haar hals en zegt met een blik vol angst:“Edith, wij gaan toch gauw weer naar huis? Gij denkt immers ook dat wij weer naar huis zullen gaan?”—“Ja, moeder, ja.”—“En wat hij zeide—hoe heet hij ook weer, ik heb nooit namen kunnen onthouden—de majoor—dat akelige woord, toen wij wegreden—dat is immers niet waar? Edith!” met een gil, “datis het toch niet dat mij dreigt!”Nacht op nacht brandt het licht voor het venster en ligt de gedaante in het bed, en zit Edith daarnaast, en roepen de rustelooze golven beiden toe, den geheelen nacht lang. Nacht op nacht fluisteren de golven zich schor met het gedurig herhalen van haar geheim; het zand wordt op het strand opgewaaid; de zeevogels zweven en zwieren; de winden en wolken vervolgen hunne spoorlooze baan; de witte armen wenken, in den maneschijn, naar het verre, onzichtbare land.En altijd nog staart de zieke oude vrouw naar dien hoek, waar de steenen arm—een stuk van een beeld op eene tombe, zegt zij—dreigend opgeheven is om haar te slaan. Eindelijk[291]valt de slag: en dan ligt er eene sprakelooze oude vrouw in dat bed, krom ineengetrokken; en de helft van haar is dood.Dit is de gedaante die, opgelapt en opgeschilderd, om door de zon te worden bespot, dag aan dag langzaam door de menigte wordt getrokken, en onderweg uitkijkt naar de goede ziel die zulk eene moeder was, en gezichten trekt als zij vruchteloos zoekt. Dit is de gedaante die dikwijls naar den zeekant wordt gekrooien en daar eenigen tijd gelaten, maar welke geen wind kan verfrisschen, en voor welke het gemurmel der golven geen troostend woord heeft. Zij ligt daar uren lang te luisteren; maar die spraak is dreigend en somber voor haar, en haar gezicht staat angstig; en als hare oogen in de ruimte rondzwerven ziet zij niets anders dan eene breede streep hopelooze ledigheid tusschen hemel en aarde.Florence ziet zij zelden, en als zij haar ziet, maakt zij zich boos en trekt gezichten. Edith is altijd bij haar en houdt Florence weg; en des nachts in haar bed beeft Florence bij de gedachte aan den dood in zulk eene gedaante, en wordt dikwijls wakker en luistert dan, en verbeeldt zich dat hij gekomen is. Niemand past haar op dan Edith. Het is beter dat maar weinige oogen haar zien; en hare dochter waakt alleen bij haar bed.Er komt eene schaduw zelfs over dat donkere gezicht, de scherpe trekken worden nog scherper, de sluier over de oogen wordt een lijkkleed dat de geheele wereld buitensluit. De over het dek zwervende handen drukken flauw palm tegen palm, en bewegen zich naar hare dochter toe; en eene stem—die niet naar de hare gelijkt, evenmin naar eenige andere die onze sterfelijke taal spreekt—zegt: “Want ik heb u toch grootgebracht.”Zonder een traan te laten, knielt Edith, om hare stem dichter bij het zinkende hoofd te brengen, en antwoordt:“Moeder, kunt ge mij hooren?”Met wijd starende oogen, poogt zij tot antwoord te knikken.“Kunt gij u den avond voor mijn trouwen herinneren?”Het hoofd is roerloos, maar toch duidt het aan dat zij dit doet.“Ik heb u toen gezegd dat ik u uw deel daaraan vergaf, en God bad mij het mijne te vergeven. Ik zeide u toen dat het verledene tusschen ons voorbij was. Ik zeg dat nu nog eens. Kus mij, moeder.”Edith raakte de bleeke lippen aan. Voor een oogenblik is alles stil. Een oogenblik later komt hare moeder, met haar meisjesachtig lachje en het geraamte der Cleopatrahouding, in het bed overeind.Schuif de rozekleurige gordijnen dicht. Er is nog iets anders uit op eene spoorlooze baan, behalve de winden en wolken. Schuif de rozekleurige gordijnen dicht.Er wordt dadelijk kennisgeving aan Dombey gezonden, die neef Feenix gaat opzoeken, die nog niet tot het besluit is kunnen komen om weder naarBaden-Badente gaan, en insgelijks bericht heeft ontvangen. Zulk een goedaardig man als neef Feenix is juist de man voor eene bruiloft of eene begrafenis, en zijne positie in de familie maakt het voegzaam hem te raadplegen.“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij zulk eene droevige gelegenheid te zien. Mijne arme tante! Zij was zulk eene drommels levendige vrouw.”Dombey antwoordt: “Bijzonder.”—“En als zij wat opgeknapt was,” zegt neef Feenix “was zij werkelijk nog jong, als men in aanmerking nam.—Waarlijk, op den dag van uw trouwen dacht ik dat zij het nog wel twintig jaar zou uithouden. Ik zeide dat zelfs nog tegen iemand in mijne club—kleine Billy Joper—gij kent hem zeker wel—hij heeft altijd een lorgnet voor zijn oog?”Dombey buigt ontkennend. “Wat de begrafenis betreft,” begint hij, “als gij eenige verkiezing mocht hebben.…”—“Wel,” zegt neef Feenix, zijne kin wrijvende, waartoe juist genoeg van zijne hand onder zijne mouwboorden uitkomt, “dat weet ik waarlijk niet. Er is wel een mausoleum in mijn park, maar ik vrees dat het in slechten staat is. Als ik niet wat schraal bij kas was, had ik het al eens laten repareeren; maar ik geloof dat tegenwoordig de menschen, die in het park komen wandelen, wel eens binnen het hek gaan zitten ontbijten.”Dombey begrijpt dat dit niet aangaat.“Het dorp heeft eene heel goede kerk,” zegt neef Feenix peinzende, “een model van den zuiveren vroegsten Anglo-Normandischen stijl, en waarvan Lady Jane Finchbury—eene dame die zich heel stijf rijgt—eene mooie schets heeft geteekend; maar zij hebben ze met witten bedorven, naar ik hoor, en het is een verre weg.”—“MisschienBrightonzelf,” zegt Dombey, om een wenk te geven.—“Op mijne eer, Dombey, ik geloof dat wij niet beter konden doen,” zegt neef Feenix. “Dat is dichtbij ziet ge, en een heel vroolijk plaatsje.”—“En wanneer,” zegt Dombey, “zou het conveniëeren?”—“Ik wil mij gaarne gereed houden,” antwoordt neef Feenix, “tegen den dag dien gij best vindt. Het zal een groot genoegen voor mij zijn (een treurig genoegen, natuurlijk) om mijne arme tante naar de grenzen der—kortom naar het graf te brengen,” zegt neef Feenix, daar hem geene andere uitdrukking te binnen schiet.—“Zoudt gij maandag uit de stad kunnen?”[292]zegt Dombey.—“Maandag zou mij uitmuntend schikken,” antwoordt neef Feenix.Dombey maakt dus afspraak om neef Feenix op dien dag te laten mederijden, en neemt weldra afscheid. Neef Feenix brengt hem tot aan de trap en zegt bij het scheiden: “Het spijt mij waarlijk, Dombey, dat gij er zooveel moeite van moet hebben;” waarop Dombey antwoordt: “Geheel niet.”Op den bepaalden tijd rijden neef Feenix en Dombey met elkander naarBrighton, en met hun beiden al de andere rouwdragers over het verlies der oude dame vertegenwoordigende, begeleiden zij haar overschot naar de rustplaats. Neef Feenix, in de rouwkoets gezeten, herkent onderweg ontelbare bekenden maar neemt, welstaanshalve, geene andere notitie van hen, dan dat hij ze voor Dombey opleest, zooals: “Tom Johnson, met zijn kurken been. Zoo, zijt ge hier, Tommy? Foley, op eene volbloedmerrie. De meisjes van Smalder,”—enz. Bij de plechtigheid is neef Feenix neerslachtig, en merkt aan, dat zulke gelegenheden iemand doen denken dat hij ook wrak begint te worden; en nadat de plechtigheid is afgeloopen, zijn zijne oogen waarlijk vochtig. Maar hij herstelt zich weldra; en dat doen al de overige betrekkingen en vrienden van mevrouw Skewton insgelijks, en de majoor vertelt in zijne club gedurig dat zij zich nooit genoeg inbakerde; terwijl de jonge dame met den rug, die zooveel moeite met hare oogleden heeft, met een gilletje zegt, dat zij schrikkelijk oud moet zijn geweest, en aan allerlei akeligheden gestorven moet zijn, en dat men er maar niet van spreken moet.Zoo blijft dan Edith’s moeder onbesproken onder hare vriendinnen, die doof zijn voor het gefluister der golven, en blind voor de witte armen, die in den maneschijn naar het verre, onzichtbare land wenken. Maar alles gaat voort, als naar gewoonte, op den oever der onbekende zee; en Edith, die daar alleen staat en naar hare golven luistert, ziet slibberig ontuig voor hare voeten opspoelen, om haar levensweg daarmede te bestrooien.
Alles loopt voort als naar gewoonte. De golven worden schor door het gedurig herhalen van haar geheim; het zand ligt op de kust opgewaaid; de zeevogels zwieren en zweven; de winden en wolken snellen op hunne spoorlooze baan; de witte armen wenken, in den maneschijn, naar het verre, onzichtbare land.
Met een teeder weemoedig genoegen wandelt Florence weder over den ouden grond, dien zij zoo treurig en toch zoo gelukkig heeft betreden, en denkt aan hem op de stille plek, waar hij en zij zoo dikwijls te zamen hebben gesproken, terwijl het water om zijn rustbedje opkwam. En nu, terwijl zij daar zit te peinzen, hoort zij in het zachte gemurmel der zee zijne korte geschiedenis nog eens verhalen, zelfs zijne eigene woorden herhalen; en vindt zij, dat geheel haar leven met al de hoop en smart daarvan—in het eenzame huis en in het prachtige paleis waarin het veranderd is—in de tonen van dat wonderbare gezang worden afgeschaduwd.
En de zachtzinnige Toots, die op een afstand blijft dralen, en de gedaante, die hem zoo dierbaar is, oplettend gadeslaat, en ze daarheen gevolgd is, maar uit kieschheid niet op zulk een tijd wil storen, hoort insgelijks den lijkzang van den kleinen Dombey over de golven, rijzende en dalende in de tusschenpoozen van haar eeuwig loflied op Florence. Ja, hij begrijpt[287]flauw, die arme Toots, dat zij iets zeggen van een tijd toen hij wist dat hij helderder van hoofd en vlugger van begrip was, en tranen komen hem in de oogen, wanneer de vrees, dat hij nu bot en dom is, en tot weinig meer deugt, dan om uitgelachen te worden, zijne blijdschap vermindert over de streelende herinnering dat hij voor het tegenwoordige van zijne verantwoording aan den Kemphaan is ontheven, daar deze heer (op kosten van Toots) naar het land is om zich op zijn grooten wedstrijd tegen een anderen vermaarden bokser voor te bereiden.
Doch Toots vat moed, wanneer zij hem eene goede gedachte toefluisteren; en langzaam, dikwijls onderweg besluiteloos stilstaande, nadert hij Florence. Stotterend en blozend, veinst hij zich te verwonderen, als hij bij haar komt, en zegt (terwijl hij de koets waarin zij reed den geheelen weg vanLondenover duin voor duin heeft gevolgd, zich gaarne het stof van de wielen in de keel latende vliegen) dat hij nooit in zijn leven zoo verrast is.
“En gij hebt Diogenes ook meegebracht, jufvrouw Dombey!” zegt Toots, doortinteld door de aanraking van het handje dat hem zoo vriendelijk en vrijmoedig gegeven wordt.
Zonder twijfel is Diogenes daar, en zonder twijfel heeft Toots reden gehad om hem op te merken, want hij komt recht op zijne beenen afstuiven, en duikelt over zijn kop, door de vaart waarmede hij op hem aanvliegt. Maar hij wordt door zijne lieve meesteres gestuit.
“Koest, Di, koest! Weet gij niet meer wie ons het eerst vrienden heeft gemaakt, Di? Foei, schaam u!”
Ja, wel mag Di zijn kopliefkoozendtegen haar hand drukken, en voortrennen, en terugkomen, en blaffend om haar heendraven, en blindelings tegen iedereen aanloopen, om zijne gehechtheid te toonen. Toots zou ook wel blindelings tegen iedereen willen aanloopen. Een officier wandelt voorbij; Toots zou niets liever willen doen dan hem bot tegen het lijf loopen.
“Diogenes is hier in zijne geboortelucht, niet waar, jufvrouw Dombey?” zegt Toots.
Florence antwoordt met een knikje en een vriendelijk lachje.
“Jufvrouw Dombey,” zegt Toots, “neem mij niet kwalijk, maar als gij gaarne eens naar doctor Blimber zoudt willen gaan, ik—ik ga naar hem toe.”
Florence steekt zonder een woord te spreken haar arm door dien van Toots, en zij wandelen te zamen voort, terwijl Diogenes vooruitloopt. Toots voelt zijne beenen onder hem beven; en hoewel hij keurig gekleed is, voelt hij slecht passende plekken en ziet hij rimpels aan de meesterstukken van Burgess en Comp., en wenscht hij dat hij de blinkendste laarzen aanhad.
Het huis van doctor Blimber ziet er van buiten even geleerd en deftig uit als voorheen; en daar omhoog is een venster waar zij naar het bleeke gezichtje placht te zien, en waar het bleeke gezichtje ophelderde als het haar zag, en het uitgeteerde handje haar kussen toewierp als zij voorbijging. De deur wordt geopend door hetzelfde jonge mensch met slechte oogen, wiens dom gegrinnik op het gezicht van Toots de gepersonifiëerde flauwheid is. Zij worden in de studeerkamer des doctors gelaten, waar de blinde Homerus en Minerva hun, gelijk voorheen, audiëntie geven, onder het tikken der groote klok in het voorhuis; en waar de globes nog op hare gewone plaatsen staan, alsof de wereld ook stilstond, en niets daarin ooit verging en aan de algemeene wet gehoorzaamde, die de aarde doet voortrollen en alles tot de aarde terugroept.
En daar is doctor Blimber met zijne geleerde beenen; en daar is mevrouw Blimber met hare hemelsblauwe muts; en daar is Cornelia met haar vlasblond rijtje krullen, en haar schitterenden bril, die nog als een doodgraver in deknekelhuizenvan talen werkt. Daar is de tafel waarop hij eens zat, vreemd en verlegen, als de “nieuweling” van de school; en men hoort in de verte het gerucht der jongens, die nog in de oude schoolkamer op de oude manier aan hunne oude lessen zijn.
“Toots,” zegt doctor Blimber, “het doet mij genoegen u te zien, Toots.”
Toots antwoordt door eens te grinniken.
“En ook u in zoo goed gezelschap te zien, Toots,” zegt doctor Blimber.
Toots zegt met een bloedrood gezicht, dat hij jufvrouw Dombey toevallig heeft ontmoet, en dat, daar jufvrouw Dombey, evenals hij zelf, het oude huis nog eens wenschte te zien, zij te zamen gekomen zijn.
“Gij zult ook zeker gaarne onze jonge vrienden nog eens willen zien, jufvrouw Dombey,” zegt doctor Blimber. “Allen eens medeleerlingen van u, Toots. Ik geloof dat wij geene nieuwe bewoners van onzen kleinen porticus hebben gekregen, lieve,” zegt doctor Blimber tot Cornelia, “sedert mijnheer Toots ons verlaten heeft.”—“Behalve Bitherstone,” zegt Cornelia.—“Ja, waarlijk,” zegt de doctor. “Bitherstone zal mijnheer Toots nog nieuw zijn.”
Voor Florence is hij ook bijna nieuw, want in de schoolzaal vertoont zich Bitherstone—niet langer de kleine Bitherstone van mevrouw Pipchin—als drager van boordjes en een horloge. Maar Bitherstone, onder een ongelukkig Bengaalsch gestarnte geboren, is buitengemeen inkterig, en zijn Lexicon is door gedurig nazoeken zoo weerbarstig geworden dat het niet meer sluiten wil, en gaapt alsof dat gemaal het doodelijk verveelde. Zoo doet ook Bitherstone, de eigenaar van dat gapende Lexicon, maar Bitherstone’s gapen heeft iets kwaadaardigs,[288]en men heeft hem hooren zeggen te wenschen dat hij dien “ouden Blimber” maar eens inIndiëbetrapte. Dan zou hij gauw door een troepje van zijne (Bitherstone’s) Coolies landwaarts ingebracht en aan de Thugs overgeleverd worden; dat kan hij hem zeggen.
Briggs is nog aan het malen in den molen der wetenschap, en Tozer ook, en Johnson ook, en al de anderen; de oudste leerlingen zijn voornamelijk bezig om met verbazenden arbeid alles te vergeten wat zij wisten toen zij jonger waren. Allen zijn zoo beleefd en zoo bleek als ooit, en onder hen is mijnheer Feeder, met zijne knokkige handen en zijn borstelig hoofd, nog even ijverig aan het draaiorgelen; hij speelt hun nu juist een brok uit Herodotus voor, en zijne rollen ter verwisseling liggen op eene plank achter hem.
Er ontstaat eene geweldige opschudding, zelfs onder deze ernstige jonge heeren, door het bezoek van den geëmancipeerden Toots, die met zeker ontzag wordt aangestaard, als een die den Rubicon is overgetrokken en zijn woord heeft verpand om nooit terug te komen, en over wiens kleeren en juweelen achter de hand wordt gefluisterd. De galachtige Bitherstone, die niet uit den tijd van Toots is, veinst dezen te verachten, en zegt dat hij wel beter weet, en dat hij hem wel eens inBengalenmet die dingen wilde zien aankomen, waar zijne moeder een smaragd voor hem bewaart, die uit het voetbankje van een Radja is genomen.
Verbijsterende aandoeningen worden insgelijks door het gezicht van Florence opgewekt, op welke al de jonge heeren dadelijk verlieven; behalve wederom Bitherstone, die dit, uit geest van tegenspraak, niet doen wil. Er ontstaat eene bittere wangunst op Toots, en Briggs is van gedachte dat hij toch nog zoo oud niet is. Maar deze kwaadsprekende inblazing wordt spoedig daardoor te schande gemaakt dat Toots hardop tot mijnheer Feeder zegt: “Hoe gaat het, Feeder?” en hem vraagt om dien middag in deBedfordbij hem te komen eten; welke bedrijven hem in staat zouden stellen om zich, als hij verkoos, zonder tegenspraak voor een Methusalem uit te geven.
Er wordt veel hand gegeven en veel gebogen, en alle jonge heeren doen hun best om Toots in de gunst van jufvrouw Dombey te verdringen; en dan grinnikt Toots nog eens tegen zijn ouden lessenaar, en gaan Florence en hij met mevrouw Blimber en Cornelia heen, en wanneer doctor Blimber de deur achter hen sluit, hoort men hem zeggen: “Jonge heeren, nu zullen wij onze studiën hervatten.” Want dit en weinig anders is het wat de doctor de zee hoort zeggen, of al zijn leven heeft hooren zeggen.
Florence glipt dan heen en gaat met mevrouw Blimber en Cornelia naar boven naar de oude slaapkamer. Toots, die gevoelt dat hij daar niet te maken heeft, blijft in de deur der studeerkamer met den doctor staan praten, of liever hoort den doctor tegen hem praten, en verwondert zich hoe hij de studeerkamer ooit voor een heiligdom en den doctor voor een geducht persoon hield. Florence komt spoedig weder beneden en neemt afscheid, en Toots neemt afscheid, en Diogenes, die het ondertusschen het jonge mensch met slechte oogen zeer lastig heeft gemaakt, schiet de deur uit en rent uitdagend blaffende de hoogte af, terwijl Melia en eene andere meid uit een bovenvenster kijken en om “dien Toots” lachen, en van jufvrouw Dombey zeggen: “Maar waarlijk—lijkt zij niet op haar broertje, behalve dat zij mooier is?”
Toots, die, toen Florence weder beneden kwam, tranen op hare wangen heeft gezien, is doodelijk ongerust, en vreest in het eerst dat hij verkeerd heeft gedaan, met haar dit bezoek voor te stellen. Maar weldra wordt hij van zijne vrees ontslagen; daar zij zegt zeer blijde te zijn dat zij daar geweest is, en er zeer opgeruimd over praat, terwijl zij langs de zee voortwandelen. De stemmen uit die zee en hare lieve stem overweldigen Toots zoodanig, dat hij, wanneer zij bij het door Dombey gehuurde huis komen, en hij haar verlaten moet geen aasje vrijen wil meer over heeft; als zij hem tot afscheid de hand geeft, kan hij die niet weder loslaten.
“Jufvrouw Dombey,” zegt Toots zeer onthutst, “neem mij niet kwalijk, maar als gij zoo goed woudt zijn om—om—”
Het lachende, argelooze gezichtje van Florence doet hem bot stilzwijgen.
“Als ik mocht—als gij het voor geene al te groote vrijpostigheid zoudt houden, jufvrouw Dombey, als ik—zonder mij eenigszins aan te moedigen, als ik maar hopen mocht, weet gij,” zegt Toots.
Florence ziet hem vragend aan.
“Jufvrouw Dombey,” hervatte Toots, die gevoelt dat hij nu meer moet zeggen, “ik ben waarlijk in zulk een gemoedstoestand, als ik u zie, en u zoo aanbiddelijk vind, dat ik niet weet waar ik zal blijven. Ik ben de beklagenswaardigste ellendeling. Als ik nu niet op den hoek van hetPleinwas, zou ik op mijne knieën vallen, en u bidden en smeeken, zonder mij eenige aanmoediging te geven, om mij maar te laten hopen—om het maar voor mogelijk te mogen houden dat gij …”—“Och neen, als het u belieft. Zeg niets meer. Als eene goedheid en vriendelijkheid voor mij, zeg niets meer.”
Toots is schrikkelijk uit het veld geslagen, en zijn mond blijft openstaan.
“Gij zijt goed voor mij geweest,” zegt Florence, “ik ben u zoo dankbaar, ik heb zooveel redenen om van u te houden, omdat gij zulk een vriend voor mij geweest zijt, en ik houd[289]zooveel van u,” en hier ziet zij hem vriendelijk glimlachend aan met het oprechtste gezichtje van de wereld, “dat ik mij zeker houd dat gij alleen maar goedendag gaat zeggen.”—“Zekerlijk, jufvrouw Dombey. Ik—ik—dat is juist wat ik meen. Het is van geen beduiden.”—“Goedendag dan,” zegt Florence.—“Goedendag, jufvrouw Dombey,” stottert Toots. “Ik hoop dat gij er maar niet meer om zult denken. Het is—het is van geen belang. Wel bedankt. Het is van geen het minste belang.”
De arme Toots gaat naar zijn logement, sluit zich in zijne slaapkamer op, werpt zich op zijn bed, en blijft daar een langen tijd liggen, zoo wanhopig alsof het toch wel van het grootste belang was. Maar mijnheer Feeder komt bij hem eten, en dit is gelukkig voor Toots, of men had niet kunnen weten wanneer hij zou zijn opgestaan. Toots is nu genoodzaakt op te staan om hem te ontvangen en gastvrij te onthalen.
En de milde invloed dier maatschappelijke en gezellige deugd, de gastvrijheid (om niet van den wijn en de goede tafel te spreken), opent het hart van Toots en maakt hem warm genoeg om te spreken. Hij vertelt Feeder wel niet wat er op den hoek van hetPleinis voorgevallen; maar wanneer Feeder hem vraagt “wanneer het zal plaats hebben,” antwoordt Toots, “dat er zekere dingen zijn,” hetgeen Feeder terstond in zijne schulp doet kruipen. Toots voegt er bij, dat hij niet weet waarom het Blimber vrijstond op te merken dat hij in jufvrouw Dombey’s gezelschap was, en dat, als hij dacht dat hij dat zoo onbescheiden gemeend had, hij hem zou uitdagen, hij mocht doctor wezen of niet; maar dat hij gelooft dat het alleen zijne onkunde is geweest, waaraan Feeder zegt niet te twijfelen.
Toots antwoordt met eene hoogdravende lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten. (blz. 290).Toots antwoordt met eene hoogdravende lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten.(blz. 290).
Toots antwoordt met eene hoogdravende lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten.(blz. 290).
Feeder evenwel, als een vertrouwd vriend, behoeft niet buiten de zaak te worden gehouden. Toots vordert alleen dat er met zekere geheimzinnigheid en met gevoel over gesproken zal worden. Na eenige glazen wijn te hebben gedronken, stelt hij jufvrouw Dombey’s gezondheid[290]in, en zegt: “Feeder, gij hebt geen denkbeeld van de gevoelens waarmee ik dien toast instel.” Feeder antwoordt: “O ja, dat heb ik wel, mijn beste Toots; en zij strekken u zeer tot eer, oude jongen.” Feeder wordt dan aangedaan van vriendschap, en geeft Toots de hand, en zegt, als Toots ooit een broeder noodig heeft, weet hij waar hem te vinden, hetzij over den post of met een pakje. Feeder zegt insgelijks, dat hij, als hij een raad mocht geven, Toots zou raden om de guitar te leeren, of ten minste de fluit; want vrouwen houden veel van muziek, als men zijn hof bij haar maakt, en hij heeft zelf het voordeel daarvan ondervonden.
Dit brengt Feeder tot de bekentenis dat hij een oog op Cornelia Blimber heeft. Hij onderricht Toots dat hij niet tegen den bril heeft, en dat, als de doctor eens gul wilde zijn en de zaken overdeed, wel, dan waren zij bezorgd. Hij zegt van gedachten te zijn dat iemand, als hij met zijne zaken eene goede som gewonnen heeft, verplicht is ze over te doen; en dat Cornelia eene helpster in de zaak zou zijn, waarop iedereen trotsch zou mogen wezen. Toots antwoordt met eene hoogdravende lofrede op jufvrouw Dombey, en met eene bedekte aanduiding, dat hij somtijds denkt dat hij zich wel voor den kop zou willen schieten. Feeder poogt hem te beduiden dat dit eene roekeloosheid zou zijn, en als een middel om hem met het leven te verzoenen, vertoont hij hem Cornelia’s portret, met bril en al.
Aldus slijten deze goede lieden den avond; en wanneer deze voor den nacht heeft plaats gemaakt, gaat Toots met Feeder mede, en brengt hem tot voor de deur van doctor Blimber. Doch Feeder gaat maar de stoep op, en als Toots weg is, komt hij er weder af, om eene eenzame wandeling langs het strand te doen en over zijne vooruitzichten te denken. Hij hoort, terwijl hij voortkuiert, de golven hem duidelijk onderrichten, dat doctor Blimber de zaak wel zal overdoen; en hij vindt er een zacht romanesk genoegen in om het huis van buiten te beschouwen, en te denken dat de doctor het eerst wel zal laten verven en goed repareeren.
Toots dwaalt insgelijks op en neer, in de nabijheid van het koffertje dat zijn juweel bevat; en in een jammerlijken gemoedstoestand, en niet zonder den achterdocht der politie op te wekken, tuurt hij naar een venster waar hij licht ziet, en hetwelk hij niet twijfelt of het is dat van Florence. Maar dat is het niet, want het is van mevrouw Skewton’s kamer; en terwijl Florence in eene andere kamer ligt te slapen, en genoeglijk droomt van de oude tooneelen, en al hare oude herinneringen weder herleven, ligt daar eene gedaante, welke de barre werkelijkheid in dat vertrek voor die van het geduldige zieke kind in de plaats heeft gesteld—om het nog eens, maar hoe anders! met ziekte en dood in verband te brengen—slapeloos te morren en te klagen. Afzichtelijk leelijk ligt zij daar op haar bed van onrust; en daarbij, in schrikkelijke, strakke schoonheid,—want zij is schrikkelijk in de verflauwde oogen der lijderes—zit Edith. Wat zeggen de golven in de stilte van den nacht tot deze twee!
“Edith, wat is die steenen arm, die dreigt om mij te slaan? Ziet gij hem niet?”—“Het is niets dan uwe verbeelding, moeder.”—“Mijne verbeelding! Alles is mijne verbeelding. Zie! Is het mogelijk dat gij hem niet ziet!”—“Inderdaad, moeder, er is niets. Zou ik zoo onverschillig blijven zitten, als er zoo iets was?”—“Onverschillig?” haar woest aanziende. “Nu is hij weg. En waarom zijt gij zoo onverschillig? Dat is geene verbeelding van mij, Edith. Ik word er koud van dat ik u zoo zie zitten.”—“Dat spijt mij, moeder.”—“Spijten! Gij schijnt altijd iets te hebben dat u spijt. Maar ik ben het niet!”
Daarmede begint zij te huilen, en werpt haar rusteloos hoofd op het kussen heen en weder, en prevelt over verwaarloozing, en welk eene moeder zij geweest is, en welk eene moeder die goede oude ziel was, die zij ontmoet hebben, en hoe ondankbaar de dochters van zulke moeders zijn. In het midden van dat verwarde gerevel houdt zij op, ziet hare dochter aan, roept dat zij niet recht meer bij hare zinnen is, en verbergt haar gezicht in het dek.
Edith buigt zich medelijdend over haar heen en spreekt haar toe. De zieke oude vrouw slaat de armen om haar hals en zegt met een blik vol angst:
“Edith, wij gaan toch gauw weer naar huis? Gij denkt immers ook dat wij weer naar huis zullen gaan?”—“Ja, moeder, ja.”—“En wat hij zeide—hoe heet hij ook weer, ik heb nooit namen kunnen onthouden—de majoor—dat akelige woord, toen wij wegreden—dat is immers niet waar? Edith!” met een gil, “datis het toch niet dat mij dreigt!”
Nacht op nacht brandt het licht voor het venster en ligt de gedaante in het bed, en zit Edith daarnaast, en roepen de rustelooze golven beiden toe, den geheelen nacht lang. Nacht op nacht fluisteren de golven zich schor met het gedurig herhalen van haar geheim; het zand wordt op het strand opgewaaid; de zeevogels zweven en zwieren; de winden en wolken vervolgen hunne spoorlooze baan; de witte armen wenken, in den maneschijn, naar het verre, onzichtbare land.
En altijd nog staart de zieke oude vrouw naar dien hoek, waar de steenen arm—een stuk van een beeld op eene tombe, zegt zij—dreigend opgeheven is om haar te slaan. Eindelijk[291]valt de slag: en dan ligt er eene sprakelooze oude vrouw in dat bed, krom ineengetrokken; en de helft van haar is dood.
Dit is de gedaante die, opgelapt en opgeschilderd, om door de zon te worden bespot, dag aan dag langzaam door de menigte wordt getrokken, en onderweg uitkijkt naar de goede ziel die zulk eene moeder was, en gezichten trekt als zij vruchteloos zoekt. Dit is de gedaante die dikwijls naar den zeekant wordt gekrooien en daar eenigen tijd gelaten, maar welke geen wind kan verfrisschen, en voor welke het gemurmel der golven geen troostend woord heeft. Zij ligt daar uren lang te luisteren; maar die spraak is dreigend en somber voor haar, en haar gezicht staat angstig; en als hare oogen in de ruimte rondzwerven ziet zij niets anders dan eene breede streep hopelooze ledigheid tusschen hemel en aarde.
Florence ziet zij zelden, en als zij haar ziet, maakt zij zich boos en trekt gezichten. Edith is altijd bij haar en houdt Florence weg; en des nachts in haar bed beeft Florence bij de gedachte aan den dood in zulk eene gedaante, en wordt dikwijls wakker en luistert dan, en verbeeldt zich dat hij gekomen is. Niemand past haar op dan Edith. Het is beter dat maar weinige oogen haar zien; en hare dochter waakt alleen bij haar bed.
Er komt eene schaduw zelfs over dat donkere gezicht, de scherpe trekken worden nog scherper, de sluier over de oogen wordt een lijkkleed dat de geheele wereld buitensluit. De over het dek zwervende handen drukken flauw palm tegen palm, en bewegen zich naar hare dochter toe; en eene stem—die niet naar de hare gelijkt, evenmin naar eenige andere die onze sterfelijke taal spreekt—zegt: “Want ik heb u toch grootgebracht.”
Zonder een traan te laten, knielt Edith, om hare stem dichter bij het zinkende hoofd te brengen, en antwoordt:
“Moeder, kunt ge mij hooren?”
Met wijd starende oogen, poogt zij tot antwoord te knikken.
“Kunt gij u den avond voor mijn trouwen herinneren?”
Het hoofd is roerloos, maar toch duidt het aan dat zij dit doet.
“Ik heb u toen gezegd dat ik u uw deel daaraan vergaf, en God bad mij het mijne te vergeven. Ik zeide u toen dat het verledene tusschen ons voorbij was. Ik zeg dat nu nog eens. Kus mij, moeder.”
Edith raakte de bleeke lippen aan. Voor een oogenblik is alles stil. Een oogenblik later komt hare moeder, met haar meisjesachtig lachje en het geraamte der Cleopatrahouding, in het bed overeind.
Schuif de rozekleurige gordijnen dicht. Er is nog iets anders uit op eene spoorlooze baan, behalve de winden en wolken. Schuif de rozekleurige gordijnen dicht.
Er wordt dadelijk kennisgeving aan Dombey gezonden, die neef Feenix gaat opzoeken, die nog niet tot het besluit is kunnen komen om weder naarBaden-Badente gaan, en insgelijks bericht heeft ontvangen. Zulk een goedaardig man als neef Feenix is juist de man voor eene bruiloft of eene begrafenis, en zijne positie in de familie maakt het voegzaam hem te raadplegen.
“Dombey,” zegt neef Feenix, “bij mijne ziel, het treft mij zeer u bij zulk eene droevige gelegenheid te zien. Mijne arme tante! Zij was zulk eene drommels levendige vrouw.”
Dombey antwoordt: “Bijzonder.”—“En als zij wat opgeknapt was,” zegt neef Feenix “was zij werkelijk nog jong, als men in aanmerking nam.—Waarlijk, op den dag van uw trouwen dacht ik dat zij het nog wel twintig jaar zou uithouden. Ik zeide dat zelfs nog tegen iemand in mijne club—kleine Billy Joper—gij kent hem zeker wel—hij heeft altijd een lorgnet voor zijn oog?”
Dombey buigt ontkennend. “Wat de begrafenis betreft,” begint hij, “als gij eenige verkiezing mocht hebben.…”—“Wel,” zegt neef Feenix, zijne kin wrijvende, waartoe juist genoeg van zijne hand onder zijne mouwboorden uitkomt, “dat weet ik waarlijk niet. Er is wel een mausoleum in mijn park, maar ik vrees dat het in slechten staat is. Als ik niet wat schraal bij kas was, had ik het al eens laten repareeren; maar ik geloof dat tegenwoordig de menschen, die in het park komen wandelen, wel eens binnen het hek gaan zitten ontbijten.”
Dombey begrijpt dat dit niet aangaat.
“Het dorp heeft eene heel goede kerk,” zegt neef Feenix peinzende, “een model van den zuiveren vroegsten Anglo-Normandischen stijl, en waarvan Lady Jane Finchbury—eene dame die zich heel stijf rijgt—eene mooie schets heeft geteekend; maar zij hebben ze met witten bedorven, naar ik hoor, en het is een verre weg.”—“MisschienBrightonzelf,” zegt Dombey, om een wenk te geven.—“Op mijne eer, Dombey, ik geloof dat wij niet beter konden doen,” zegt neef Feenix. “Dat is dichtbij ziet ge, en een heel vroolijk plaatsje.”—“En wanneer,” zegt Dombey, “zou het conveniëeren?”—“Ik wil mij gaarne gereed houden,” antwoordt neef Feenix, “tegen den dag dien gij best vindt. Het zal een groot genoegen voor mij zijn (een treurig genoegen, natuurlijk) om mijne arme tante naar de grenzen der—kortom naar het graf te brengen,” zegt neef Feenix, daar hem geene andere uitdrukking te binnen schiet.—“Zoudt gij maandag uit de stad kunnen?”[292]zegt Dombey.—“Maandag zou mij uitmuntend schikken,” antwoordt neef Feenix.
Dombey maakt dus afspraak om neef Feenix op dien dag te laten mederijden, en neemt weldra afscheid. Neef Feenix brengt hem tot aan de trap en zegt bij het scheiden: “Het spijt mij waarlijk, Dombey, dat gij er zooveel moeite van moet hebben;” waarop Dombey antwoordt: “Geheel niet.”
Op den bepaalden tijd rijden neef Feenix en Dombey met elkander naarBrighton, en met hun beiden al de andere rouwdragers over het verlies der oude dame vertegenwoordigende, begeleiden zij haar overschot naar de rustplaats. Neef Feenix, in de rouwkoets gezeten, herkent onderweg ontelbare bekenden maar neemt, welstaanshalve, geene andere notitie van hen, dan dat hij ze voor Dombey opleest, zooals: “Tom Johnson, met zijn kurken been. Zoo, zijt ge hier, Tommy? Foley, op eene volbloedmerrie. De meisjes van Smalder,”—enz. Bij de plechtigheid is neef Feenix neerslachtig, en merkt aan, dat zulke gelegenheden iemand doen denken dat hij ook wrak begint te worden; en nadat de plechtigheid is afgeloopen, zijn zijne oogen waarlijk vochtig. Maar hij herstelt zich weldra; en dat doen al de overige betrekkingen en vrienden van mevrouw Skewton insgelijks, en de majoor vertelt in zijne club gedurig dat zij zich nooit genoeg inbakerde; terwijl de jonge dame met den rug, die zooveel moeite met hare oogleden heeft, met een gilletje zegt, dat zij schrikkelijk oud moet zijn geweest, en aan allerlei akeligheden gestorven moet zijn, en dat men er maar niet van spreken moet.
Zoo blijft dan Edith’s moeder onbesproken onder hare vriendinnen, die doof zijn voor het gefluister der golven, en blind voor de witte armen, die in den maneschijn naar het verre, onzichtbare land wenken. Maar alles gaat voort, als naar gewoonte, op den oever der onbekende zee; en Edith, die daar alleen staat en naar hare golven luistert, ziet slibberig ontuig voor hare voeten opspoelen, om haar levensweg daarmede te bestrooien.