[Inhoud]XLIV.EENE SCHEIDING.Met den dag, hoewel niet zoo vroeg als de zon, stond Suze Nipper op. Er hing een nevel voor de buitengemeen scherpe zwarte oogen dezer jonge maagd, die het schitteren daarvan eenigszins verflauwde, en aan de mogelijkheid deed denken—hetgeen anders hunne uitdrukking niet was—dat zij somtijds gesloten werden. Zij hadden ook iets gezwollens, alsof zij in den nacht geschreid had. Maar wel verre van terneergeslagen te zijn, was Suze buitengewoon frisch en levendig en scheen zij al hare vermogens bijeengezameld en ingespannen te hebben om iets gewichtigs en moeielijks te doen. Dit was zelfs aan hare kleeding te zien, die nog netter zat en strakker spande dan gewoonlijk, en aan de manier waarop zij nu en dan haar hoofd schudde, terwijl zij door het huis ging, en waarmede zij eene buitengemeene vastberadenheid uitdrukte.Kortom, zij had een besluit genomen, en wel een stout besluit, daar het niets minder was dan—om in Dombey’s kamer door te dringen en dien heer eens alleen te spreken. “Ik heb dikwijls gezegd dat ik zou,” zeide zij dien morgen dreigend bij zich zelve, “en nu wil ik!”Zich zelve met eigenaardige scherpheid aansporende ter uitvoering dezer wanhopige onderneming, bleef Suze den geheelen voormiddag in het voorhuis en op de trap dwalen, zonder eene gunstige gelegenheid te vinden om storm te loopen. Geenszins ontmoedigd door deze teleurstelling, die haar integendeel nog meer aanprikkelde, liet zij hare waakzaamheid niet verflauwen: en zoo ontdekte zij eindelijk tegen den avond, dat hare gezworen vijandin, mevrouw Pipchin, onder voorwendsel van den geheelen nacht te hebben opgezeten, in haar eigen kamer een dutje was gaan doen, en dat Dombey geheel alleen op zijne sofa lag.Haar hoofd niet alleen, maar bijna zich zelve geheel en al in den nek werpende, ging Suze op de teenen naar de deur van Dombey’s kamer en klopte. “Binnen!” zeide Dombey. Zich zelve met nog eene stuipachtige beweging van[305]haar hoofd aanmoedigende, trad Suze binnen.Dombey, die naar het vuur lag te turen, keek verwonderd om en hief zich eenigszins op zijn elleboog op. Suze neeg.“Wat moet gij hier?” zeide Dombey.—“Als ’t u belieft, mijnheer, ik wenschte u eens te spreken,” antwoordde Suze.Dombey bewoog zijne lippen alsof hij deze woorden herhaalde, maar scheen zoodanig verbaasd over de stoutmoedigheid van het meisje, dat hij ze niet kon uitspreken.“Ik ben nu twaalf jaar in uw dienst geweest, mijnheer,” zeide Suze, met hare gewone radheid van tong, “om jufvrouw Flore, mijne lieve jonge jufvrouw, te bedienen, die nog niet duidelijk spreken kon toen ik pas kwam, en ik was al oud in huis toen jufvrouw Richards er nog nieuw in was, ik mag dus geenMethusalemzijn, maar ik ben toch geen bakerkindje.”Dombey, die haar op zijn arm leunende aanzag, scheen deze voorloopige uiteenzetting van feiten niet te kunnen tegenspreken.“Er is nooit liever of engelachtiger jonge jufvrouw geweest, mijnheer, dan mijne jonge jufvrouw is,” zeide Suze, “en dat moet ik veel beter weten dan sommige anderen, want ik heb haar in droefheid gezien, en ik heb haar in blijdschap gezien (daarvan heeft zij niet veel gehad), en ik heb haar met haar broertje gezien, en ik heb haar in hare eenzaamheid gezien, en sommige anderen hebben haar nooit gezien, en ik zeg die sommigen en iedereen—dat doe ik,” hier schudde de zwartoogige haar hoofd en stampte zij even met haar voet, “dat zij de beste en liefste engel is, jufvrouw Flore, die ooit op de wereld heeft ademgehaald, en hoe meer ik in stukken gescheurd werd, mijnheer, zooveel te meer zou ik dat zeggen, al mag ik geen martelares uit het martelaarsboek wezen.”Dombey werd van verontwaardiging en verbazing nog bleeker dan zijn val hem had doen worden, en hield zijne oogen op de spreekster gevestigd alsof hij ze beschuldigde, en zijne ooren insgelijks, van hem te bedriegen.“Noemt gij dit het huishouden in orde houden, mevrouw,” zeide Dombey, “zulk een vrouwspersoon vrijheid te laten om hier te komen en tegen mij te spreken.” (blz. 307).“Noemt gij dit het huishouden in orde houden, mevrouw,” zeide Dombey, “zulk een vrouwspersoon vrijheid te laten om hier te komen en tegenmijte spreken.”(blz. 307).“Niemand zou anders dan trouw aan jufvrouw Flore kunnen zijn, mijnheer,” vervolgde Suze, “en ik stel geene verdienste in mijn dienst[306]van twaalf jaren, want ik heb haar lief—ja, dat zeg ik tegen sommigen en iedereen, dat doe ik”—hier schudde de zwartoogige wederom haar hoofd, en stampte weder even met haar voet, en smoorde een snik, “maar trouwe dienst geeft mij recht om te spreken, hoop ik, en ik moet en zal nu spreken, recht of niet.”—“Wat meent gij, meid?” zeide Dombey, haar woedend aanziende. “Hoe durft gij?”—“Wat ik meen, mijnheer, is ordentelijk en fatsoenlijk tegen u te spreken, maar ronduit, en hoe ik durf weet ik niet, maar ik doe het toch,” zeide Suze. “O, gij kent mijne jonge jufvrouw niet, mijnheer, dat doet gij waarlijk niet; als gij dat deedt zoudt gij haar niet zoo weinig zien.”Dombey stak woedend zijne hand uit naar de schel, maar er was geen schelkoord aan dien kant van den schoorsteen; en hij kon niet zonder hulp opstaan en naar den anderen kant gaan. Het vlugge oog van Suze zag dadelijk hoe weerloos hij was, en toen gevoelde zij, gelijk zij naderhand zeide, dat zij hem beethad.“Jufvrouw Flore,” zeide Suze Nipper, “is de liefderijkste, en de geduldigste, en de gehoorzaamste, en de mooiste van alle dochters, mijnheer, er is geengentleman, neen mijnheer, al is hij zoo groot en rijk als al de grootheid en rijkdom vanEngelandbij elkander, of hij zou en moest trotsch op haar wezen. Als hij hare waarde wel kende, zou hij zijne grootheid en rijkdom liever stuk voor stuk willen verliezen en in vodden langs de deuren loopen bedelen, dat zeg ik sommigen en iedereen, dat zou hij,” riep Suze, in tranen uitbarstende, “dan dat teere hartje zooveel verdriet geven als ik het in dit huis heb zien lijden!”—“Meid,” riep Dombey, “ga de kamer uit!”—“Neem mij niet kwalijk, dat doe ik niet, al moest ik den dienst uit, mijnheer,” antwoordde de standvastige Suze, “waarin ik zooveel jaren geweest ben en zooveel gezien heb—schoon ik hoop dat gij nooit het hart zult hebben om mij om zulk eene reden van jufvrouw Flore weg te zenden. Ik zal niet gaan voor ik heb uitgesproken. Ik mag geene Indiaansche weduwe zijn, en dat ben ik niet en zou ik ook niet willen worden, maar als ik mij eens had voorgenomen om mij zelve levend te verbranden, dan zou ik het ook doen. En ik heb mij nu voorgenomen om alles te zeggen.”Suze’s gezicht maakte dit niet minder duidelijk dan hare woorden.“Er is niemand hier in dienst, mijnheer,” vervolgde zij, “die altijd banger voor u geweest is dan ik, en gij kunt denken hoe waar dat is, als ik zoo vrij ben om u te zeggen dat ik er honderden malen aan gedacht heb om u aan te spreken, en er nooit toe heb kunnen besluiten voor gisteravond; maar gisteravond heeft mij tot een besluit gebracht.”Dombey greep, in eene vlaag van woede, nog eens naar de schelkoord die daar niet hing, en ze niet vindende, trok hij aan zijne haren, liever dan aan niets te trekken.“Ik heb jufvrouw Flore,” zeide Suze Nipper, “toen zij nog maar een kind was, zooveel zien doen, en zoo lief en geduldig wezen, dat de beste vrouw van haar had mogen leeren; ik heb haar nachten achtereen den halven nacht zien opzitten om haar zwakkelijk broertje aan zijn leeren te helpen; ik heb haar hem op een ander tijd zien helpen en oppassen—sommigen weten wel wanneer;—ik heb haar, zonder hulp of aanmoediging, eene volwassene dame zien worden, God dank, die het sieraad en de roem van ieder gezelschap is waarin zij komt, en ik heb haar altijd grievend verwaarloosd gezien, en haar dat diep zien gevoelen—ik zeg sommigen en iedereen, dat heb ik—en nooit een woord gesproken; maar om zich nederig en eerbiedig voor zijne meerderen te gedragen, behoeft men toch geen aanbidster van gesneden beelden te zijn, en nu wil en moet ik spreken.”—“Is daar niemand?” riep Dombey. “Waar zijn de knechts! Waar zijn de meiden! Is daar niemand?”—“Ik heb mijne lieve jonge jufvrouw verleden nacht buiten haar bed gelaten,” zeide Suze, hierdoor niet gestuit, “en ik wist wel waarom zij daaruit bleef, want gij waart ziek, mijnheer, en zij wist niet hoe ziek, en dat was genoeg om haar zoo ongerust te maken als ik gezien heb dat zij was—ik mag geen valk wezen, maar ik heb toch oogen—en toen bleef ik in mijn kamertje nog wat opzitten, denkende dat ze mij misschien kon noodig hebben, en toen zag ik haar naar beneden sluipen en naar deze deur gaan, alsof het een misdrijf was naar haar eigen papa te gaan zien, en toen weer wegsluipen en naar de ledige staatsiekamers gaan, zoo schreiende, dat ik het haast niet kon aanhooren. En ikkanhet niet aanhooren,” zeide Suze, hare zwarte oogen afvegende en ze onverschrokken op Dombey’s toornig gezicht vestigende. “Het is de eerste maal niet dat ik het gehoord heb, op verre na niet; en gij kent uwe eigene dochter niet, mijnheer, en gij weet niet wat gij doet, mijnheer, en ik zeg sommigen en iedereen,” riep Suze, met eene laatste uitbarsting, “dat het zonde en schande is!”—“Wel, heb ik ooit van mijn leven!” riep de stem van mevrouw Pipchin, terwijl dat slachtoffer der mijnen vanPerude kamer inkwam. “Wie is dat hier?”Suze begunstigde mevrouw Pipchin met een blik, dien zij opzettelijk voor haar had uitgevonden, toen zij pas met elkander in kennis kwamen, en liet het antwoord aan Dombey over.“Wat dat is?” herhaalde Dombey, bijna schuimbekkend. “Wat dat is, mevrouw? Gij, die aan het hoofd van dit huishouden staat en[307]verplicht zijt het in orde te houden, moogt wel zoo vragen. Kent gij die meid?”—“Ik weet heel weinig goeds van haar, mijnheer,” krijschte mevrouw Pipchin. “Hoe durft gij hier komen, gij onbeschaamde prij? Maak dat gij wegkomt!”Maar de onverschrokkene Suze vereerde mevrouw Pipchin slechts met nog een blik en bleef staan.“Noemt gij dit het huishouden in orde houden, mevrouw,” zeide Dombey, “zulk een vrouwspersoon vrijheid te laten om hier te komen en tegen mij te spreken! Eengentleman—in zijn eigen huis—in zijne eigene kamer—met de impertinentie van meiden lastig gevallen!”—“Wel, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin, met wraak in hare harde grijze oogen, “het spijt mij zeer; niets kan ongeregelder wezen; niets kan meer alle perken te buiten gaan; maar het spijt mij te moeten zeggen, mijnheer, dat dit meisje geheel niet te regeeren is. Zij is door jonge jufvrouw Dombey bedorven, en geeft om niemand. Gij weet wel dat gij dat niet doet,” zeide mevrouw Pipchin scherp en schudde haar hoofd tegen Suze. “Gij moest u doodschamen. Maak nu dat gij wegkomt!”—“Als gij menschen bij mij in dienst vindt, die niet te regeeren zijn, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zich weder naar het vuur keerende, “weet gij wel hoe met hen te handelen, vermeen ik. Gij weet wel waarvoor gij hier zijt? Laat zij heengaan.”—“Ik weet wel wat ik doen moet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin, “en het spreekt van zelf dat ik dat ook doen zal. Suze Nipper,” bijzonder kort afgebeten, “over eene maand, van dit uur af, is u de huur opgezegd.”—“Zoo waarlijk!” zeide Suze fier.—“Ja,” antwoordde mevrouw Pipchin, “en lach niet tegen mij, gij caronje, of gij zult mij moeten zeggen waarom. Maak nu dadelijk dat gij wegkomt.”—“Ik denk dadelijk heen te gaan, daar kunt gij op aan,” zeide Suze. “Ik heb hier in huis twaalf jaren lang mijne jonge juffer bediend, en ik zal er geen uur lang in blijven, als iemand, die zulk een naam draagt als Pipchin, mij op den schopstoel kan zetten, mevrouw P.”—“Hoe eer hoe beter, als wij u maar kwijt zijn,” zeide de toornige oude dame. “Maak dat gij wegkomt, of ik zal u laten wegbrengen.”—“Mijn troost is,” zeide Suze, weder naar Dombey omziende, “dat ik u vandaag eenige waarheden heb gezegd, die gij al lang hadt moeten hooren, en dat geene Pipchins’en, al waren er nog zooveel—maar ik hoop dat er niet veel zijn, (hier beet mevrouw Pipchin haar een scherp “maak dat ge wegkomt” toe en gaf Suze haar nog een blik) ongezegd kunnen maken, wat ik gezegd heb, al zeiden zij mij honderd duizendmaal de huur op en al stierven zij dan van vermoeidheid, dat een geluk zou zijn om in de kerk voor te laten danken.”Met deze woorden ging Suze hare vijandin vooruit de kamer uit; en nadat zij in groote staatsie, zoodat mevrouw Pipchin bijna van kwaadheid stikte, naar hare kamer was gegaan, zette zij zich op een koffer en ging aan het schreien.Uit deze weemoedige stemming werd zij weldra zeer verfrisschend en krachtdadig opgewekt, door de stem van mevrouw Pipchin buiten de deur.“Is die onbeschaamde slet,” zeide de vergramde matrone, “voornemens om op haar tijd te vertrekken of niet?”Suze antwoordde van binnen, dat de beschreven persoon niet in dat gedeelte van het huis woonde, maar dat zij Pipchin heette en in de huishoudsterskamer te vinden was.“Gij impertinente caronje,” antwoordde mevrouw Pipchin, aan de kruk van de deur rammelende. “Maak dadelijk dat gij wegkomt. Pak oogenblikkelijk uw goed! Hoe durft gij zoo spreken tegen eene vrouw van fatsoen, die betere dagen gezien heeft?”Suze antwoordde daarop uit haar kasteel, dat zij de betere dagen beklaagde, die mevrouw Pipchin gezien had, en dat naar hare gedachten de slechtste dagen van het jaar die dame best zouden voegen, behalve dat zij nog veel te goed voor haar waren.“Maar gij behoeft u de moeite niet te geven om leven aan mijne deur te maken, of het sleutelgat met uw oog te bevuilen,” zeide Suze, “en ik ben al aan het oppakken en ik ga heen, daar kunt gij op aan.”De douairière gaf haar levendig genoegen over dit bericht te kennen, en ging met nog eenige schimpschoten heen, om Suze’s geld af te passen. Daarop ging Suze aan het werk om hare koffers te pakken, ten einde dadelijk en deftig te kunnen vertrekken, daaronder gedurig snikkende, als zij aan Florence dacht.Het duurde niet lang of de oorzaak harer tranen kwam naar haar toe; want spoedig verspreidde zich het nieuws door het huis, dat Suze Nipper ongenoegen met mevrouw Pipchin had gehad, dat beiden zich op mijnheer Dombey hadden beroepen, dat het in mijnheer Dombey’s kamer ongehoord was toegegaan, en dat Suze vertrok. Het laatste gedeelte van dit verwarde gerucht vond Florence zoo overeenkomstig met de waarheid, dat Suze reeds haar laatsten koffer had gesloten, en met haar hoed op daarop was gaan zitten, toen zij in hare kamer kwam.“Suze!” riep Florence. “Mij gaan verlaten! Gij!”—“O, wat ik u bidden mag, jufvrouw Flore,” zeide Suze, “spreek toch geen woord tegen mij, of ik kan mij niet goedhouden voor die Pipchin; ik wou voor de geheele wereld niet dat zij mij zag huilen.”—“Suze!” zeide Florence. “Mijne lieve meid, mijne oude vriendin![308]Wat zal ik zonder u doen! Hebt gij het hart om zoo heen te gaan!”—“Nee—een, mijne lieve jufvrouw Flore, dat heb ik waarlijk niet,” snikte Suze. “Maar het is niet anders. Ik heb mijn plicht gedaan, jufvrouw, dat heb ik waarlijk. Het is mijne schuld niet. Ik be—ru—u—st er in. Ik kan mijne maand niet uitblijven, of dan zou ik u nooit kunnen verlaten; en ik moest dan toch eindelijk gaan, evengoed als nu. Spreek niet tegen mij, lieve jufvrouw Flore, want al ben ik tamelijk hard, ik ben toch geen marmeren deurpost.”—“Wat is het toch? Waar is het om? Wilt ge mij dat niet zeggen?” zeide Florence, want Suze schudde haar hoofd.—“Neen, lieveling,” antwoordde Suze. “Vraag het mij niet, want ik moet het niet zeggen; en wat gij doet, spreek geen woord voor mij om mij te laten blijven, want het kon toch niet zijn, en ge zoudt u zelve maar kwaaddoen, en zoo, God zegene u, mijne kostbare meesteres, en vergeef alle kwaad, dat ik u gedaan mocht hebben, en al het humeur, dat ik u al die jaren lang getoond heb.”En met deze, zeer hartelijk ontboezemde smeekbede, sloot Suze hare meesteres in hare armen.“Lieve jufvrouw, menigeen kan u komen dienen, en blij zijn om u te dienen, en zal u goed en trouw dienen,” zeide Suze, “maar er kan niemand komen, die u zoo hartelijk zal dienen als ik, of half zooveel van u houden, dat is mijn troost. Goedendag, lieve jufvrouw Flore!”—“Waar zult gij naar toe gaan, Suze?” vroeg hare schreiende meesteres.—“Ik heb een broer, die inEssexwoont, jufvrouw; een pachter,” zeide de zielsbedroefde Suze, “die ik weet niet hoeveel koe—oe—oeien en varkens houdt, en daar zal ik met de diligence naar toe gaan, en wat bij hem blij—ij—ijven. Wees maar niet ongerust over mij, lieve jufvrouw, want ik heb geld in de spaarbank, en behoef niet dadelijk in een anderen dienst te gaan, dat ik ook niet zou kunnen doen, mijne allerliefste meesteres!” Suze besloot met eene uitbarsting van droefheid, die gelukkig werd gestuit door de stem van mevrouw Pipchin, welke zich beneden liet hooren. Daarop veegde Suze hare rood gezwollen oogen af en wendde eene jammerlijke poging aan, om een luchtigen toon aan te nemen, toen zij Towlinson riep om eene vigilante te halen en hare koffers naar beneden te brengen.Florence, bleek en bevende, maar van eene nuttelooze voorspraak teruggehouden door den angst om nieuwe verdeeldheid te veroorzaken tusschen haar vader en zijne vrouw (wier strak gezicht haar eene korte poos vroeger eene waarschuwing was geweest) en door hare vrees dat zij, zonder het te weten, reeds in dit wegzenden van hare oude dienares en vriendin was betrokken, volgde schreiend naar Edith’s kleedkamer, waarheen Suze zich begaf om haar afscheidscompliment te maken.“Kom aan, daar is de vigilante, en daar zijn de koffers; maak nu maar dat ge wegkomt!” zeide mevrouw Pipchin, zich op hetzelfde oogenblik vertoonende. “Neem mij niet kwalijk, mevrouw, maar mijnheer Dombey’s orders gaan boven alles.”Edith, die onder de handen van hare kamenier zat,—zij zou naar een diner gaan—behield haar trotsch uitzicht en scheen op niets te letten.“Daar is uw geld,” zeide mevrouw Pipchin, “en hoe eer dit huis uw rug ziet des te beter.”Suze had geen hart meer, zelfs voor den blik dien mevrouw Pipchin van rechtswege toekwam. Zij neeg dus maar voor mevrouw Dombey (die zonder een woord te spreken haar hoofd boog, en wier oogen iedereen vermeden, behalve Florence), sloot hare jonge meesteres nog eens in de armen en ontving een kus tot afscheid. Het gezicht der arme Suze in dit tijdsgewricht, bij de onstuimigheid harer aandoeningen en de kracht waarmede zij hare snikken smoorde, opdat niet een daarvan hoorbaar zou worden en een triomf voor mevrouw Pipchin zijn, bood eene reeks der zonderlingste physionomische verschijnselen aan, waarvan ooit iemand getuige is geweest.“Neem mij niet kwalijk, jufvrouw,” zeide Towlinson, die met de koffers buiten de deur stond, zich tot Florence richtende, “maar mijnheer Toots is in de eetzaal, en laat zijn compliment doen, en verzoekt te mogen weten hoe Diogenes en mijnheer varen.”Florence snelde naar beneden, waar Toots, allerprachtigst gekleed, in twijfel en ongerust of zij zou komen of niet, zeer zwaar stond te ademen.“O, hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide Toots. “God zegen ons!”Deze laatste uitroeping werd veroorzaakt door zijn schrik over de droefheid, welke hij op Florence’s gezichtje zag, en die hem niet alleen in een gegiggel stuitte, maar ook in eens een toonbeeld van wanhoop deed worden.“Beste mijnheer Toots,” zeide Florence, “gij zijt zoo vriendelijk voor mij en meent het zoo goed, dat ik u zeker wel om eene gunst mag verzoeken.”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “als gij maar zegt hoe, zult ge—zult ge mij den eetlust teruggeven—die mij lang vreemd is geweest,” voegde hij er niet zonder aandoening bij.—“Suze, die eene oude vriendin van mij is, de oudste vriendin, die ik heb,” zeide Florence, “moet op eens vertrekken, en dat geheel alleen, het arme meisje. Zij gaat naar huis, een eind buiten de stad. Mag ik u verzoeken om voor haar te zorgen, tot zij op de diligence is?”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “gij bewijst mij waarlijk eene[309]eer en eene goedheid. Dit bewijs van uw vertrouwen, nadat ik mij teBrightonop zulk eene brutale manier heb gedragen …”—“Ja,” zeide Florence haastig—“neen—denk daar maar niet meer om—Gij zoudt dus de goedheid willen hebben om—heen te gaan, en haar op te wachten als zij buitenkomt? Dank u duizendmaal. Gij stelt mijn gemoed zoo gerust. Gij kunt u niet verbeelden hoe dankbaar ik u ben, of welk een goed vriend gij waarlijk voor mij zijt.” En in hare hartelijkheid dankte Florence hem nogmaals en nogmaals; en in zijne hartelijkheid ging Toots haastig heen—maar achteruit, om geen blik van haar te verliezen.Florence had den moed niet om buiten te gaan, toen zij Suze in het voorhuis zag, waar mevrouw Pipchin haar nog voortdreef, en Diogenes om haar heen sprong, en mevrouw Pipchin den grootsten angst aanjoeg door naar haar bombazijnen rok te happen en van akeligheid te huilen als hij hare stem hoorde—want van niemand had hij zulk een afkeer als van haar. Maar zij zag Suze al de dienstboden in het rond de hand geven, en nog eens naar het huis omkijken, en Diogenes de vigilante navliegen, buiten staat om zich te overtuigen dat hij met haar, die er in zat, niets meer te maken had; en toen werd de deur gesloten, en was het afscheid voorbij, en vloeiden hare tranen over het verlies van eene oude vriendin, welke niemand kon vervangen. Niemand. Niemand.Toots, als een brave jongen, hield de vigilante tegen en zeide Suze welke taak hem was opgedragen, waarop zij nog harder begon te schreien dan te voren.“Bij mijne ziel, ik heb gevoel voor u,” zeide Toots, zich naast haar zettende. “Op mijn woord van eer, ik denk dat gij uw eigen gevoel haast niet beter kunt kennen dan ik het mij kan verbeelden. Ik kan mij niets vreeselijkers voorstellen dan dat iemand jufvrouw Dombey moet verlaten.”Suze gaf zich nu geheel aan hare smart over, en het was waarlijk aandoenlijk haar te zien.“Ik zeg,” zeide Toots, “doe dit nu nog niet. Ik meen, doe dat eerst, weet ge.”—“Wat, mijnheer Toots?” zeide Suze.—“Wel, bij mij aan huis komen en wat eten eer gij heenrijdt,” zeide Toots. “Mijne keukenmeid is eene heel ordentelijke vrouw—zulk eene moederlijke vrouw als gij ooit gezien hebt—en zal u gaarne wat troosten. Haar zoon,” zeide Toots, tot meerdere aanbeveling,“was in de blauwrokschool opgevoed, en is met een kruidmolen in de lucht gevlogen.”Daar Suze dit vriendelijk aanbod aannam, bracht Toots haar naar zijne eigene woning, waar zij door de bedoelde moederlijke keukenmeid werden ontvangen, die zich haar naam waardig toonde, en door den Kemphaan, die, toen hij eene dame in het rijtuig zag, zich eerst verbeeldde dat mijnheer Dombey, volgens zijn ouden raad, dubbel toegeslagen, en jonge jufvrouw Dombey geschaakt was. Deze heer verbaasde Suze eenigszins, want daar hij in zijn wedstrijd de nederlaag had geleden, was zijn gezicht zoodanig gehavend, dat het waarlijk niet toonbaar mocht heeten. De Kemphaan wilde dit ongeluk aan een bijzonder toeval toeschrijven; maar uit de openbare berichten van den strijd bleek, dat zijn tegenstander hem van den eersten af te sterk was geweest, en hem zoo geducht had geklopt als hij zelf maar wilde.Na een goeden maaltijd en veel gulheid, reed Suze met eene andere vigilante naar het diligencekantoor, met Toots, gelijk te voren, naast haar, en den Kemphaan op den bok, hoewel die heer het gezelschap, zoo al tot eer door zijn heldhaftigen naam, toch bezwaarlijk tot sieraad kon strekken, uit hoofde van zijne talrijke pleisters. Maar de Kemphaan had heimelijk een eed gedaan dat hij Toots nooit zou verlaten (die heimelijk smachtte om maar van hem af te komen), of het moest wezen om als kastelein in eene herberg gezet te worden; en daar hij verlangde om zich als zoodanig zoo spoedig mogelijk dood te drinken, begreep hij dat het zijne zaak was zijn gezelschap zoo onaangenaam te maken als maar mogelijk was.De nachtdiligence, waarmede Suze zou vertrekken, was op het punt om af te rijden. Toen Toots haar er in had geholpen, bleef hij nog besluiteloos bij het portier staan, tot de voerman reeds op den bok zat; toen stapte hij op de trede, stak een gezicht binnen, dat bij het licht der lantaren zeer angstig en verward stond, en zeide:“Zeg eens, Suze, jufvrouw Dombey, weet ge wel.…..”—“Ja, mijnheer.”—“Denkt gij dat zij eens—gij weet wel—zeg?”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer Toots,” zeide Suze, “maar ik versta u niet.”—“Denkt gij dat zij er toe zou kunnen gebracht worden, weet ge—niet zoo dadelijk, maar door den tijd—over langen tijd—om mij lief te krijgen, weet ge? Daar nu!” zeide de arme Toots.—“O Heere neen!” antwoordde Suze, haar hoofd schuddende. “Ik zou zeggen, nooit. Nooit!”—“Wel bedankt,” zeide Toots. “Het is van geen belang. Goeden avond. Het is van geen belang, wel bedankt.”[310]
[Inhoud]XLIV.EENE SCHEIDING.Met den dag, hoewel niet zoo vroeg als de zon, stond Suze Nipper op. Er hing een nevel voor de buitengemeen scherpe zwarte oogen dezer jonge maagd, die het schitteren daarvan eenigszins verflauwde, en aan de mogelijkheid deed denken—hetgeen anders hunne uitdrukking niet was—dat zij somtijds gesloten werden. Zij hadden ook iets gezwollens, alsof zij in den nacht geschreid had. Maar wel verre van terneergeslagen te zijn, was Suze buitengewoon frisch en levendig en scheen zij al hare vermogens bijeengezameld en ingespannen te hebben om iets gewichtigs en moeielijks te doen. Dit was zelfs aan hare kleeding te zien, die nog netter zat en strakker spande dan gewoonlijk, en aan de manier waarop zij nu en dan haar hoofd schudde, terwijl zij door het huis ging, en waarmede zij eene buitengemeene vastberadenheid uitdrukte.Kortom, zij had een besluit genomen, en wel een stout besluit, daar het niets minder was dan—om in Dombey’s kamer door te dringen en dien heer eens alleen te spreken. “Ik heb dikwijls gezegd dat ik zou,” zeide zij dien morgen dreigend bij zich zelve, “en nu wil ik!”Zich zelve met eigenaardige scherpheid aansporende ter uitvoering dezer wanhopige onderneming, bleef Suze den geheelen voormiddag in het voorhuis en op de trap dwalen, zonder eene gunstige gelegenheid te vinden om storm te loopen. Geenszins ontmoedigd door deze teleurstelling, die haar integendeel nog meer aanprikkelde, liet zij hare waakzaamheid niet verflauwen: en zoo ontdekte zij eindelijk tegen den avond, dat hare gezworen vijandin, mevrouw Pipchin, onder voorwendsel van den geheelen nacht te hebben opgezeten, in haar eigen kamer een dutje was gaan doen, en dat Dombey geheel alleen op zijne sofa lag.Haar hoofd niet alleen, maar bijna zich zelve geheel en al in den nek werpende, ging Suze op de teenen naar de deur van Dombey’s kamer en klopte. “Binnen!” zeide Dombey. Zich zelve met nog eene stuipachtige beweging van[305]haar hoofd aanmoedigende, trad Suze binnen.Dombey, die naar het vuur lag te turen, keek verwonderd om en hief zich eenigszins op zijn elleboog op. Suze neeg.“Wat moet gij hier?” zeide Dombey.—“Als ’t u belieft, mijnheer, ik wenschte u eens te spreken,” antwoordde Suze.Dombey bewoog zijne lippen alsof hij deze woorden herhaalde, maar scheen zoodanig verbaasd over de stoutmoedigheid van het meisje, dat hij ze niet kon uitspreken.“Ik ben nu twaalf jaar in uw dienst geweest, mijnheer,” zeide Suze, met hare gewone radheid van tong, “om jufvrouw Flore, mijne lieve jonge jufvrouw, te bedienen, die nog niet duidelijk spreken kon toen ik pas kwam, en ik was al oud in huis toen jufvrouw Richards er nog nieuw in was, ik mag dus geenMethusalemzijn, maar ik ben toch geen bakerkindje.”Dombey, die haar op zijn arm leunende aanzag, scheen deze voorloopige uiteenzetting van feiten niet te kunnen tegenspreken.“Er is nooit liever of engelachtiger jonge jufvrouw geweest, mijnheer, dan mijne jonge jufvrouw is,” zeide Suze, “en dat moet ik veel beter weten dan sommige anderen, want ik heb haar in droefheid gezien, en ik heb haar in blijdschap gezien (daarvan heeft zij niet veel gehad), en ik heb haar met haar broertje gezien, en ik heb haar in hare eenzaamheid gezien, en sommige anderen hebben haar nooit gezien, en ik zeg die sommigen en iedereen—dat doe ik,” hier schudde de zwartoogige haar hoofd en stampte zij even met haar voet, “dat zij de beste en liefste engel is, jufvrouw Flore, die ooit op de wereld heeft ademgehaald, en hoe meer ik in stukken gescheurd werd, mijnheer, zooveel te meer zou ik dat zeggen, al mag ik geen martelares uit het martelaarsboek wezen.”Dombey werd van verontwaardiging en verbazing nog bleeker dan zijn val hem had doen worden, en hield zijne oogen op de spreekster gevestigd alsof hij ze beschuldigde, en zijne ooren insgelijks, van hem te bedriegen.“Noemt gij dit het huishouden in orde houden, mevrouw,” zeide Dombey, “zulk een vrouwspersoon vrijheid te laten om hier te komen en tegen mij te spreken.” (blz. 307).“Noemt gij dit het huishouden in orde houden, mevrouw,” zeide Dombey, “zulk een vrouwspersoon vrijheid te laten om hier te komen en tegenmijte spreken.”(blz. 307).“Niemand zou anders dan trouw aan jufvrouw Flore kunnen zijn, mijnheer,” vervolgde Suze, “en ik stel geene verdienste in mijn dienst[306]van twaalf jaren, want ik heb haar lief—ja, dat zeg ik tegen sommigen en iedereen, dat doe ik”—hier schudde de zwartoogige wederom haar hoofd, en stampte weder even met haar voet, en smoorde een snik, “maar trouwe dienst geeft mij recht om te spreken, hoop ik, en ik moet en zal nu spreken, recht of niet.”—“Wat meent gij, meid?” zeide Dombey, haar woedend aanziende. “Hoe durft gij?”—“Wat ik meen, mijnheer, is ordentelijk en fatsoenlijk tegen u te spreken, maar ronduit, en hoe ik durf weet ik niet, maar ik doe het toch,” zeide Suze. “O, gij kent mijne jonge jufvrouw niet, mijnheer, dat doet gij waarlijk niet; als gij dat deedt zoudt gij haar niet zoo weinig zien.”Dombey stak woedend zijne hand uit naar de schel, maar er was geen schelkoord aan dien kant van den schoorsteen; en hij kon niet zonder hulp opstaan en naar den anderen kant gaan. Het vlugge oog van Suze zag dadelijk hoe weerloos hij was, en toen gevoelde zij, gelijk zij naderhand zeide, dat zij hem beethad.“Jufvrouw Flore,” zeide Suze Nipper, “is de liefderijkste, en de geduldigste, en de gehoorzaamste, en de mooiste van alle dochters, mijnheer, er is geengentleman, neen mijnheer, al is hij zoo groot en rijk als al de grootheid en rijkdom vanEngelandbij elkander, of hij zou en moest trotsch op haar wezen. Als hij hare waarde wel kende, zou hij zijne grootheid en rijkdom liever stuk voor stuk willen verliezen en in vodden langs de deuren loopen bedelen, dat zeg ik sommigen en iedereen, dat zou hij,” riep Suze, in tranen uitbarstende, “dan dat teere hartje zooveel verdriet geven als ik het in dit huis heb zien lijden!”—“Meid,” riep Dombey, “ga de kamer uit!”—“Neem mij niet kwalijk, dat doe ik niet, al moest ik den dienst uit, mijnheer,” antwoordde de standvastige Suze, “waarin ik zooveel jaren geweest ben en zooveel gezien heb—schoon ik hoop dat gij nooit het hart zult hebben om mij om zulk eene reden van jufvrouw Flore weg te zenden. Ik zal niet gaan voor ik heb uitgesproken. Ik mag geene Indiaansche weduwe zijn, en dat ben ik niet en zou ik ook niet willen worden, maar als ik mij eens had voorgenomen om mij zelve levend te verbranden, dan zou ik het ook doen. En ik heb mij nu voorgenomen om alles te zeggen.”Suze’s gezicht maakte dit niet minder duidelijk dan hare woorden.“Er is niemand hier in dienst, mijnheer,” vervolgde zij, “die altijd banger voor u geweest is dan ik, en gij kunt denken hoe waar dat is, als ik zoo vrij ben om u te zeggen dat ik er honderden malen aan gedacht heb om u aan te spreken, en er nooit toe heb kunnen besluiten voor gisteravond; maar gisteravond heeft mij tot een besluit gebracht.”Dombey greep, in eene vlaag van woede, nog eens naar de schelkoord die daar niet hing, en ze niet vindende, trok hij aan zijne haren, liever dan aan niets te trekken.“Ik heb jufvrouw Flore,” zeide Suze Nipper, “toen zij nog maar een kind was, zooveel zien doen, en zoo lief en geduldig wezen, dat de beste vrouw van haar had mogen leeren; ik heb haar nachten achtereen den halven nacht zien opzitten om haar zwakkelijk broertje aan zijn leeren te helpen; ik heb haar hem op een ander tijd zien helpen en oppassen—sommigen weten wel wanneer;—ik heb haar, zonder hulp of aanmoediging, eene volwassene dame zien worden, God dank, die het sieraad en de roem van ieder gezelschap is waarin zij komt, en ik heb haar altijd grievend verwaarloosd gezien, en haar dat diep zien gevoelen—ik zeg sommigen en iedereen, dat heb ik—en nooit een woord gesproken; maar om zich nederig en eerbiedig voor zijne meerderen te gedragen, behoeft men toch geen aanbidster van gesneden beelden te zijn, en nu wil en moet ik spreken.”—“Is daar niemand?” riep Dombey. “Waar zijn de knechts! Waar zijn de meiden! Is daar niemand?”—“Ik heb mijne lieve jonge jufvrouw verleden nacht buiten haar bed gelaten,” zeide Suze, hierdoor niet gestuit, “en ik wist wel waarom zij daaruit bleef, want gij waart ziek, mijnheer, en zij wist niet hoe ziek, en dat was genoeg om haar zoo ongerust te maken als ik gezien heb dat zij was—ik mag geen valk wezen, maar ik heb toch oogen—en toen bleef ik in mijn kamertje nog wat opzitten, denkende dat ze mij misschien kon noodig hebben, en toen zag ik haar naar beneden sluipen en naar deze deur gaan, alsof het een misdrijf was naar haar eigen papa te gaan zien, en toen weer wegsluipen en naar de ledige staatsiekamers gaan, zoo schreiende, dat ik het haast niet kon aanhooren. En ikkanhet niet aanhooren,” zeide Suze, hare zwarte oogen afvegende en ze onverschrokken op Dombey’s toornig gezicht vestigende. “Het is de eerste maal niet dat ik het gehoord heb, op verre na niet; en gij kent uwe eigene dochter niet, mijnheer, en gij weet niet wat gij doet, mijnheer, en ik zeg sommigen en iedereen,” riep Suze, met eene laatste uitbarsting, “dat het zonde en schande is!”—“Wel, heb ik ooit van mijn leven!” riep de stem van mevrouw Pipchin, terwijl dat slachtoffer der mijnen vanPerude kamer inkwam. “Wie is dat hier?”Suze begunstigde mevrouw Pipchin met een blik, dien zij opzettelijk voor haar had uitgevonden, toen zij pas met elkander in kennis kwamen, en liet het antwoord aan Dombey over.“Wat dat is?” herhaalde Dombey, bijna schuimbekkend. “Wat dat is, mevrouw? Gij, die aan het hoofd van dit huishouden staat en[307]verplicht zijt het in orde te houden, moogt wel zoo vragen. Kent gij die meid?”—“Ik weet heel weinig goeds van haar, mijnheer,” krijschte mevrouw Pipchin. “Hoe durft gij hier komen, gij onbeschaamde prij? Maak dat gij wegkomt!”Maar de onverschrokkene Suze vereerde mevrouw Pipchin slechts met nog een blik en bleef staan.“Noemt gij dit het huishouden in orde houden, mevrouw,” zeide Dombey, “zulk een vrouwspersoon vrijheid te laten om hier te komen en tegen mij te spreken! Eengentleman—in zijn eigen huis—in zijne eigene kamer—met de impertinentie van meiden lastig gevallen!”—“Wel, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin, met wraak in hare harde grijze oogen, “het spijt mij zeer; niets kan ongeregelder wezen; niets kan meer alle perken te buiten gaan; maar het spijt mij te moeten zeggen, mijnheer, dat dit meisje geheel niet te regeeren is. Zij is door jonge jufvrouw Dombey bedorven, en geeft om niemand. Gij weet wel dat gij dat niet doet,” zeide mevrouw Pipchin scherp en schudde haar hoofd tegen Suze. “Gij moest u doodschamen. Maak nu dat gij wegkomt!”—“Als gij menschen bij mij in dienst vindt, die niet te regeeren zijn, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zich weder naar het vuur keerende, “weet gij wel hoe met hen te handelen, vermeen ik. Gij weet wel waarvoor gij hier zijt? Laat zij heengaan.”—“Ik weet wel wat ik doen moet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin, “en het spreekt van zelf dat ik dat ook doen zal. Suze Nipper,” bijzonder kort afgebeten, “over eene maand, van dit uur af, is u de huur opgezegd.”—“Zoo waarlijk!” zeide Suze fier.—“Ja,” antwoordde mevrouw Pipchin, “en lach niet tegen mij, gij caronje, of gij zult mij moeten zeggen waarom. Maak nu dadelijk dat gij wegkomt.”—“Ik denk dadelijk heen te gaan, daar kunt gij op aan,” zeide Suze. “Ik heb hier in huis twaalf jaren lang mijne jonge juffer bediend, en ik zal er geen uur lang in blijven, als iemand, die zulk een naam draagt als Pipchin, mij op den schopstoel kan zetten, mevrouw P.”—“Hoe eer hoe beter, als wij u maar kwijt zijn,” zeide de toornige oude dame. “Maak dat gij wegkomt, of ik zal u laten wegbrengen.”—“Mijn troost is,” zeide Suze, weder naar Dombey omziende, “dat ik u vandaag eenige waarheden heb gezegd, die gij al lang hadt moeten hooren, en dat geene Pipchins’en, al waren er nog zooveel—maar ik hoop dat er niet veel zijn, (hier beet mevrouw Pipchin haar een scherp “maak dat ge wegkomt” toe en gaf Suze haar nog een blik) ongezegd kunnen maken, wat ik gezegd heb, al zeiden zij mij honderd duizendmaal de huur op en al stierven zij dan van vermoeidheid, dat een geluk zou zijn om in de kerk voor te laten danken.”Met deze woorden ging Suze hare vijandin vooruit de kamer uit; en nadat zij in groote staatsie, zoodat mevrouw Pipchin bijna van kwaadheid stikte, naar hare kamer was gegaan, zette zij zich op een koffer en ging aan het schreien.Uit deze weemoedige stemming werd zij weldra zeer verfrisschend en krachtdadig opgewekt, door de stem van mevrouw Pipchin buiten de deur.“Is die onbeschaamde slet,” zeide de vergramde matrone, “voornemens om op haar tijd te vertrekken of niet?”Suze antwoordde van binnen, dat de beschreven persoon niet in dat gedeelte van het huis woonde, maar dat zij Pipchin heette en in de huishoudsterskamer te vinden was.“Gij impertinente caronje,” antwoordde mevrouw Pipchin, aan de kruk van de deur rammelende. “Maak dadelijk dat gij wegkomt. Pak oogenblikkelijk uw goed! Hoe durft gij zoo spreken tegen eene vrouw van fatsoen, die betere dagen gezien heeft?”Suze antwoordde daarop uit haar kasteel, dat zij de betere dagen beklaagde, die mevrouw Pipchin gezien had, en dat naar hare gedachten de slechtste dagen van het jaar die dame best zouden voegen, behalve dat zij nog veel te goed voor haar waren.“Maar gij behoeft u de moeite niet te geven om leven aan mijne deur te maken, of het sleutelgat met uw oog te bevuilen,” zeide Suze, “en ik ben al aan het oppakken en ik ga heen, daar kunt gij op aan.”De douairière gaf haar levendig genoegen over dit bericht te kennen, en ging met nog eenige schimpschoten heen, om Suze’s geld af te passen. Daarop ging Suze aan het werk om hare koffers te pakken, ten einde dadelijk en deftig te kunnen vertrekken, daaronder gedurig snikkende, als zij aan Florence dacht.Het duurde niet lang of de oorzaak harer tranen kwam naar haar toe; want spoedig verspreidde zich het nieuws door het huis, dat Suze Nipper ongenoegen met mevrouw Pipchin had gehad, dat beiden zich op mijnheer Dombey hadden beroepen, dat het in mijnheer Dombey’s kamer ongehoord was toegegaan, en dat Suze vertrok. Het laatste gedeelte van dit verwarde gerucht vond Florence zoo overeenkomstig met de waarheid, dat Suze reeds haar laatsten koffer had gesloten, en met haar hoed op daarop was gaan zitten, toen zij in hare kamer kwam.“Suze!” riep Florence. “Mij gaan verlaten! Gij!”—“O, wat ik u bidden mag, jufvrouw Flore,” zeide Suze, “spreek toch geen woord tegen mij, of ik kan mij niet goedhouden voor die Pipchin; ik wou voor de geheele wereld niet dat zij mij zag huilen.”—“Suze!” zeide Florence. “Mijne lieve meid, mijne oude vriendin![308]Wat zal ik zonder u doen! Hebt gij het hart om zoo heen te gaan!”—“Nee—een, mijne lieve jufvrouw Flore, dat heb ik waarlijk niet,” snikte Suze. “Maar het is niet anders. Ik heb mijn plicht gedaan, jufvrouw, dat heb ik waarlijk. Het is mijne schuld niet. Ik be—ru—u—st er in. Ik kan mijne maand niet uitblijven, of dan zou ik u nooit kunnen verlaten; en ik moest dan toch eindelijk gaan, evengoed als nu. Spreek niet tegen mij, lieve jufvrouw Flore, want al ben ik tamelijk hard, ik ben toch geen marmeren deurpost.”—“Wat is het toch? Waar is het om? Wilt ge mij dat niet zeggen?” zeide Florence, want Suze schudde haar hoofd.—“Neen, lieveling,” antwoordde Suze. “Vraag het mij niet, want ik moet het niet zeggen; en wat gij doet, spreek geen woord voor mij om mij te laten blijven, want het kon toch niet zijn, en ge zoudt u zelve maar kwaaddoen, en zoo, God zegene u, mijne kostbare meesteres, en vergeef alle kwaad, dat ik u gedaan mocht hebben, en al het humeur, dat ik u al die jaren lang getoond heb.”En met deze, zeer hartelijk ontboezemde smeekbede, sloot Suze hare meesteres in hare armen.“Lieve jufvrouw, menigeen kan u komen dienen, en blij zijn om u te dienen, en zal u goed en trouw dienen,” zeide Suze, “maar er kan niemand komen, die u zoo hartelijk zal dienen als ik, of half zooveel van u houden, dat is mijn troost. Goedendag, lieve jufvrouw Flore!”—“Waar zult gij naar toe gaan, Suze?” vroeg hare schreiende meesteres.—“Ik heb een broer, die inEssexwoont, jufvrouw; een pachter,” zeide de zielsbedroefde Suze, “die ik weet niet hoeveel koe—oe—oeien en varkens houdt, en daar zal ik met de diligence naar toe gaan, en wat bij hem blij—ij—ijven. Wees maar niet ongerust over mij, lieve jufvrouw, want ik heb geld in de spaarbank, en behoef niet dadelijk in een anderen dienst te gaan, dat ik ook niet zou kunnen doen, mijne allerliefste meesteres!” Suze besloot met eene uitbarsting van droefheid, die gelukkig werd gestuit door de stem van mevrouw Pipchin, welke zich beneden liet hooren. Daarop veegde Suze hare rood gezwollen oogen af en wendde eene jammerlijke poging aan, om een luchtigen toon aan te nemen, toen zij Towlinson riep om eene vigilante te halen en hare koffers naar beneden te brengen.Florence, bleek en bevende, maar van eene nuttelooze voorspraak teruggehouden door den angst om nieuwe verdeeldheid te veroorzaken tusschen haar vader en zijne vrouw (wier strak gezicht haar eene korte poos vroeger eene waarschuwing was geweest) en door hare vrees dat zij, zonder het te weten, reeds in dit wegzenden van hare oude dienares en vriendin was betrokken, volgde schreiend naar Edith’s kleedkamer, waarheen Suze zich begaf om haar afscheidscompliment te maken.“Kom aan, daar is de vigilante, en daar zijn de koffers; maak nu maar dat ge wegkomt!” zeide mevrouw Pipchin, zich op hetzelfde oogenblik vertoonende. “Neem mij niet kwalijk, mevrouw, maar mijnheer Dombey’s orders gaan boven alles.”Edith, die onder de handen van hare kamenier zat,—zij zou naar een diner gaan—behield haar trotsch uitzicht en scheen op niets te letten.“Daar is uw geld,” zeide mevrouw Pipchin, “en hoe eer dit huis uw rug ziet des te beter.”Suze had geen hart meer, zelfs voor den blik dien mevrouw Pipchin van rechtswege toekwam. Zij neeg dus maar voor mevrouw Dombey (die zonder een woord te spreken haar hoofd boog, en wier oogen iedereen vermeden, behalve Florence), sloot hare jonge meesteres nog eens in de armen en ontving een kus tot afscheid. Het gezicht der arme Suze in dit tijdsgewricht, bij de onstuimigheid harer aandoeningen en de kracht waarmede zij hare snikken smoorde, opdat niet een daarvan hoorbaar zou worden en een triomf voor mevrouw Pipchin zijn, bood eene reeks der zonderlingste physionomische verschijnselen aan, waarvan ooit iemand getuige is geweest.“Neem mij niet kwalijk, jufvrouw,” zeide Towlinson, die met de koffers buiten de deur stond, zich tot Florence richtende, “maar mijnheer Toots is in de eetzaal, en laat zijn compliment doen, en verzoekt te mogen weten hoe Diogenes en mijnheer varen.”Florence snelde naar beneden, waar Toots, allerprachtigst gekleed, in twijfel en ongerust of zij zou komen of niet, zeer zwaar stond te ademen.“O, hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide Toots. “God zegen ons!”Deze laatste uitroeping werd veroorzaakt door zijn schrik over de droefheid, welke hij op Florence’s gezichtje zag, en die hem niet alleen in een gegiggel stuitte, maar ook in eens een toonbeeld van wanhoop deed worden.“Beste mijnheer Toots,” zeide Florence, “gij zijt zoo vriendelijk voor mij en meent het zoo goed, dat ik u zeker wel om eene gunst mag verzoeken.”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “als gij maar zegt hoe, zult ge—zult ge mij den eetlust teruggeven—die mij lang vreemd is geweest,” voegde hij er niet zonder aandoening bij.—“Suze, die eene oude vriendin van mij is, de oudste vriendin, die ik heb,” zeide Florence, “moet op eens vertrekken, en dat geheel alleen, het arme meisje. Zij gaat naar huis, een eind buiten de stad. Mag ik u verzoeken om voor haar te zorgen, tot zij op de diligence is?”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “gij bewijst mij waarlijk eene[309]eer en eene goedheid. Dit bewijs van uw vertrouwen, nadat ik mij teBrightonop zulk eene brutale manier heb gedragen …”—“Ja,” zeide Florence haastig—“neen—denk daar maar niet meer om—Gij zoudt dus de goedheid willen hebben om—heen te gaan, en haar op te wachten als zij buitenkomt? Dank u duizendmaal. Gij stelt mijn gemoed zoo gerust. Gij kunt u niet verbeelden hoe dankbaar ik u ben, of welk een goed vriend gij waarlijk voor mij zijt.” En in hare hartelijkheid dankte Florence hem nogmaals en nogmaals; en in zijne hartelijkheid ging Toots haastig heen—maar achteruit, om geen blik van haar te verliezen.Florence had den moed niet om buiten te gaan, toen zij Suze in het voorhuis zag, waar mevrouw Pipchin haar nog voortdreef, en Diogenes om haar heen sprong, en mevrouw Pipchin den grootsten angst aanjoeg door naar haar bombazijnen rok te happen en van akeligheid te huilen als hij hare stem hoorde—want van niemand had hij zulk een afkeer als van haar. Maar zij zag Suze al de dienstboden in het rond de hand geven, en nog eens naar het huis omkijken, en Diogenes de vigilante navliegen, buiten staat om zich te overtuigen dat hij met haar, die er in zat, niets meer te maken had; en toen werd de deur gesloten, en was het afscheid voorbij, en vloeiden hare tranen over het verlies van eene oude vriendin, welke niemand kon vervangen. Niemand. Niemand.Toots, als een brave jongen, hield de vigilante tegen en zeide Suze welke taak hem was opgedragen, waarop zij nog harder begon te schreien dan te voren.“Bij mijne ziel, ik heb gevoel voor u,” zeide Toots, zich naast haar zettende. “Op mijn woord van eer, ik denk dat gij uw eigen gevoel haast niet beter kunt kennen dan ik het mij kan verbeelden. Ik kan mij niets vreeselijkers voorstellen dan dat iemand jufvrouw Dombey moet verlaten.”Suze gaf zich nu geheel aan hare smart over, en het was waarlijk aandoenlijk haar te zien.“Ik zeg,” zeide Toots, “doe dit nu nog niet. Ik meen, doe dat eerst, weet ge.”—“Wat, mijnheer Toots?” zeide Suze.—“Wel, bij mij aan huis komen en wat eten eer gij heenrijdt,” zeide Toots. “Mijne keukenmeid is eene heel ordentelijke vrouw—zulk eene moederlijke vrouw als gij ooit gezien hebt—en zal u gaarne wat troosten. Haar zoon,” zeide Toots, tot meerdere aanbeveling,“was in de blauwrokschool opgevoed, en is met een kruidmolen in de lucht gevlogen.”Daar Suze dit vriendelijk aanbod aannam, bracht Toots haar naar zijne eigene woning, waar zij door de bedoelde moederlijke keukenmeid werden ontvangen, die zich haar naam waardig toonde, en door den Kemphaan, die, toen hij eene dame in het rijtuig zag, zich eerst verbeeldde dat mijnheer Dombey, volgens zijn ouden raad, dubbel toegeslagen, en jonge jufvrouw Dombey geschaakt was. Deze heer verbaasde Suze eenigszins, want daar hij in zijn wedstrijd de nederlaag had geleden, was zijn gezicht zoodanig gehavend, dat het waarlijk niet toonbaar mocht heeten. De Kemphaan wilde dit ongeluk aan een bijzonder toeval toeschrijven; maar uit de openbare berichten van den strijd bleek, dat zijn tegenstander hem van den eersten af te sterk was geweest, en hem zoo geducht had geklopt als hij zelf maar wilde.Na een goeden maaltijd en veel gulheid, reed Suze met eene andere vigilante naar het diligencekantoor, met Toots, gelijk te voren, naast haar, en den Kemphaan op den bok, hoewel die heer het gezelschap, zoo al tot eer door zijn heldhaftigen naam, toch bezwaarlijk tot sieraad kon strekken, uit hoofde van zijne talrijke pleisters. Maar de Kemphaan had heimelijk een eed gedaan dat hij Toots nooit zou verlaten (die heimelijk smachtte om maar van hem af te komen), of het moest wezen om als kastelein in eene herberg gezet te worden; en daar hij verlangde om zich als zoodanig zoo spoedig mogelijk dood te drinken, begreep hij dat het zijne zaak was zijn gezelschap zoo onaangenaam te maken als maar mogelijk was.De nachtdiligence, waarmede Suze zou vertrekken, was op het punt om af te rijden. Toen Toots haar er in had geholpen, bleef hij nog besluiteloos bij het portier staan, tot de voerman reeds op den bok zat; toen stapte hij op de trede, stak een gezicht binnen, dat bij het licht der lantaren zeer angstig en verward stond, en zeide:“Zeg eens, Suze, jufvrouw Dombey, weet ge wel.…..”—“Ja, mijnheer.”—“Denkt gij dat zij eens—gij weet wel—zeg?”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer Toots,” zeide Suze, “maar ik versta u niet.”—“Denkt gij dat zij er toe zou kunnen gebracht worden, weet ge—niet zoo dadelijk, maar door den tijd—over langen tijd—om mij lief te krijgen, weet ge? Daar nu!” zeide de arme Toots.—“O Heere neen!” antwoordde Suze, haar hoofd schuddende. “Ik zou zeggen, nooit. Nooit!”—“Wel bedankt,” zeide Toots. “Het is van geen belang. Goeden avond. Het is van geen belang, wel bedankt.”[310]
XLIV.EENE SCHEIDING.
Met den dag, hoewel niet zoo vroeg als de zon, stond Suze Nipper op. Er hing een nevel voor de buitengemeen scherpe zwarte oogen dezer jonge maagd, die het schitteren daarvan eenigszins verflauwde, en aan de mogelijkheid deed denken—hetgeen anders hunne uitdrukking niet was—dat zij somtijds gesloten werden. Zij hadden ook iets gezwollens, alsof zij in den nacht geschreid had. Maar wel verre van terneergeslagen te zijn, was Suze buitengewoon frisch en levendig en scheen zij al hare vermogens bijeengezameld en ingespannen te hebben om iets gewichtigs en moeielijks te doen. Dit was zelfs aan hare kleeding te zien, die nog netter zat en strakker spande dan gewoonlijk, en aan de manier waarop zij nu en dan haar hoofd schudde, terwijl zij door het huis ging, en waarmede zij eene buitengemeene vastberadenheid uitdrukte.Kortom, zij had een besluit genomen, en wel een stout besluit, daar het niets minder was dan—om in Dombey’s kamer door te dringen en dien heer eens alleen te spreken. “Ik heb dikwijls gezegd dat ik zou,” zeide zij dien morgen dreigend bij zich zelve, “en nu wil ik!”Zich zelve met eigenaardige scherpheid aansporende ter uitvoering dezer wanhopige onderneming, bleef Suze den geheelen voormiddag in het voorhuis en op de trap dwalen, zonder eene gunstige gelegenheid te vinden om storm te loopen. Geenszins ontmoedigd door deze teleurstelling, die haar integendeel nog meer aanprikkelde, liet zij hare waakzaamheid niet verflauwen: en zoo ontdekte zij eindelijk tegen den avond, dat hare gezworen vijandin, mevrouw Pipchin, onder voorwendsel van den geheelen nacht te hebben opgezeten, in haar eigen kamer een dutje was gaan doen, en dat Dombey geheel alleen op zijne sofa lag.Haar hoofd niet alleen, maar bijna zich zelve geheel en al in den nek werpende, ging Suze op de teenen naar de deur van Dombey’s kamer en klopte. “Binnen!” zeide Dombey. Zich zelve met nog eene stuipachtige beweging van[305]haar hoofd aanmoedigende, trad Suze binnen.Dombey, die naar het vuur lag te turen, keek verwonderd om en hief zich eenigszins op zijn elleboog op. Suze neeg.“Wat moet gij hier?” zeide Dombey.—“Als ’t u belieft, mijnheer, ik wenschte u eens te spreken,” antwoordde Suze.Dombey bewoog zijne lippen alsof hij deze woorden herhaalde, maar scheen zoodanig verbaasd over de stoutmoedigheid van het meisje, dat hij ze niet kon uitspreken.“Ik ben nu twaalf jaar in uw dienst geweest, mijnheer,” zeide Suze, met hare gewone radheid van tong, “om jufvrouw Flore, mijne lieve jonge jufvrouw, te bedienen, die nog niet duidelijk spreken kon toen ik pas kwam, en ik was al oud in huis toen jufvrouw Richards er nog nieuw in was, ik mag dus geenMethusalemzijn, maar ik ben toch geen bakerkindje.”Dombey, die haar op zijn arm leunende aanzag, scheen deze voorloopige uiteenzetting van feiten niet te kunnen tegenspreken.“Er is nooit liever of engelachtiger jonge jufvrouw geweest, mijnheer, dan mijne jonge jufvrouw is,” zeide Suze, “en dat moet ik veel beter weten dan sommige anderen, want ik heb haar in droefheid gezien, en ik heb haar in blijdschap gezien (daarvan heeft zij niet veel gehad), en ik heb haar met haar broertje gezien, en ik heb haar in hare eenzaamheid gezien, en sommige anderen hebben haar nooit gezien, en ik zeg die sommigen en iedereen—dat doe ik,” hier schudde de zwartoogige haar hoofd en stampte zij even met haar voet, “dat zij de beste en liefste engel is, jufvrouw Flore, die ooit op de wereld heeft ademgehaald, en hoe meer ik in stukken gescheurd werd, mijnheer, zooveel te meer zou ik dat zeggen, al mag ik geen martelares uit het martelaarsboek wezen.”Dombey werd van verontwaardiging en verbazing nog bleeker dan zijn val hem had doen worden, en hield zijne oogen op de spreekster gevestigd alsof hij ze beschuldigde, en zijne ooren insgelijks, van hem te bedriegen.“Noemt gij dit het huishouden in orde houden, mevrouw,” zeide Dombey, “zulk een vrouwspersoon vrijheid te laten om hier te komen en tegen mij te spreken.” (blz. 307).“Noemt gij dit het huishouden in orde houden, mevrouw,” zeide Dombey, “zulk een vrouwspersoon vrijheid te laten om hier te komen en tegenmijte spreken.”(blz. 307).“Niemand zou anders dan trouw aan jufvrouw Flore kunnen zijn, mijnheer,” vervolgde Suze, “en ik stel geene verdienste in mijn dienst[306]van twaalf jaren, want ik heb haar lief—ja, dat zeg ik tegen sommigen en iedereen, dat doe ik”—hier schudde de zwartoogige wederom haar hoofd, en stampte weder even met haar voet, en smoorde een snik, “maar trouwe dienst geeft mij recht om te spreken, hoop ik, en ik moet en zal nu spreken, recht of niet.”—“Wat meent gij, meid?” zeide Dombey, haar woedend aanziende. “Hoe durft gij?”—“Wat ik meen, mijnheer, is ordentelijk en fatsoenlijk tegen u te spreken, maar ronduit, en hoe ik durf weet ik niet, maar ik doe het toch,” zeide Suze. “O, gij kent mijne jonge jufvrouw niet, mijnheer, dat doet gij waarlijk niet; als gij dat deedt zoudt gij haar niet zoo weinig zien.”Dombey stak woedend zijne hand uit naar de schel, maar er was geen schelkoord aan dien kant van den schoorsteen; en hij kon niet zonder hulp opstaan en naar den anderen kant gaan. Het vlugge oog van Suze zag dadelijk hoe weerloos hij was, en toen gevoelde zij, gelijk zij naderhand zeide, dat zij hem beethad.“Jufvrouw Flore,” zeide Suze Nipper, “is de liefderijkste, en de geduldigste, en de gehoorzaamste, en de mooiste van alle dochters, mijnheer, er is geengentleman, neen mijnheer, al is hij zoo groot en rijk als al de grootheid en rijkdom vanEngelandbij elkander, of hij zou en moest trotsch op haar wezen. Als hij hare waarde wel kende, zou hij zijne grootheid en rijkdom liever stuk voor stuk willen verliezen en in vodden langs de deuren loopen bedelen, dat zeg ik sommigen en iedereen, dat zou hij,” riep Suze, in tranen uitbarstende, “dan dat teere hartje zooveel verdriet geven als ik het in dit huis heb zien lijden!”—“Meid,” riep Dombey, “ga de kamer uit!”—“Neem mij niet kwalijk, dat doe ik niet, al moest ik den dienst uit, mijnheer,” antwoordde de standvastige Suze, “waarin ik zooveel jaren geweest ben en zooveel gezien heb—schoon ik hoop dat gij nooit het hart zult hebben om mij om zulk eene reden van jufvrouw Flore weg te zenden. Ik zal niet gaan voor ik heb uitgesproken. Ik mag geene Indiaansche weduwe zijn, en dat ben ik niet en zou ik ook niet willen worden, maar als ik mij eens had voorgenomen om mij zelve levend te verbranden, dan zou ik het ook doen. En ik heb mij nu voorgenomen om alles te zeggen.”Suze’s gezicht maakte dit niet minder duidelijk dan hare woorden.“Er is niemand hier in dienst, mijnheer,” vervolgde zij, “die altijd banger voor u geweest is dan ik, en gij kunt denken hoe waar dat is, als ik zoo vrij ben om u te zeggen dat ik er honderden malen aan gedacht heb om u aan te spreken, en er nooit toe heb kunnen besluiten voor gisteravond; maar gisteravond heeft mij tot een besluit gebracht.”Dombey greep, in eene vlaag van woede, nog eens naar de schelkoord die daar niet hing, en ze niet vindende, trok hij aan zijne haren, liever dan aan niets te trekken.“Ik heb jufvrouw Flore,” zeide Suze Nipper, “toen zij nog maar een kind was, zooveel zien doen, en zoo lief en geduldig wezen, dat de beste vrouw van haar had mogen leeren; ik heb haar nachten achtereen den halven nacht zien opzitten om haar zwakkelijk broertje aan zijn leeren te helpen; ik heb haar hem op een ander tijd zien helpen en oppassen—sommigen weten wel wanneer;—ik heb haar, zonder hulp of aanmoediging, eene volwassene dame zien worden, God dank, die het sieraad en de roem van ieder gezelschap is waarin zij komt, en ik heb haar altijd grievend verwaarloosd gezien, en haar dat diep zien gevoelen—ik zeg sommigen en iedereen, dat heb ik—en nooit een woord gesproken; maar om zich nederig en eerbiedig voor zijne meerderen te gedragen, behoeft men toch geen aanbidster van gesneden beelden te zijn, en nu wil en moet ik spreken.”—“Is daar niemand?” riep Dombey. “Waar zijn de knechts! Waar zijn de meiden! Is daar niemand?”—“Ik heb mijne lieve jonge jufvrouw verleden nacht buiten haar bed gelaten,” zeide Suze, hierdoor niet gestuit, “en ik wist wel waarom zij daaruit bleef, want gij waart ziek, mijnheer, en zij wist niet hoe ziek, en dat was genoeg om haar zoo ongerust te maken als ik gezien heb dat zij was—ik mag geen valk wezen, maar ik heb toch oogen—en toen bleef ik in mijn kamertje nog wat opzitten, denkende dat ze mij misschien kon noodig hebben, en toen zag ik haar naar beneden sluipen en naar deze deur gaan, alsof het een misdrijf was naar haar eigen papa te gaan zien, en toen weer wegsluipen en naar de ledige staatsiekamers gaan, zoo schreiende, dat ik het haast niet kon aanhooren. En ikkanhet niet aanhooren,” zeide Suze, hare zwarte oogen afvegende en ze onverschrokken op Dombey’s toornig gezicht vestigende. “Het is de eerste maal niet dat ik het gehoord heb, op verre na niet; en gij kent uwe eigene dochter niet, mijnheer, en gij weet niet wat gij doet, mijnheer, en ik zeg sommigen en iedereen,” riep Suze, met eene laatste uitbarsting, “dat het zonde en schande is!”—“Wel, heb ik ooit van mijn leven!” riep de stem van mevrouw Pipchin, terwijl dat slachtoffer der mijnen vanPerude kamer inkwam. “Wie is dat hier?”Suze begunstigde mevrouw Pipchin met een blik, dien zij opzettelijk voor haar had uitgevonden, toen zij pas met elkander in kennis kwamen, en liet het antwoord aan Dombey over.“Wat dat is?” herhaalde Dombey, bijna schuimbekkend. “Wat dat is, mevrouw? Gij, die aan het hoofd van dit huishouden staat en[307]verplicht zijt het in orde te houden, moogt wel zoo vragen. Kent gij die meid?”—“Ik weet heel weinig goeds van haar, mijnheer,” krijschte mevrouw Pipchin. “Hoe durft gij hier komen, gij onbeschaamde prij? Maak dat gij wegkomt!”Maar de onverschrokkene Suze vereerde mevrouw Pipchin slechts met nog een blik en bleef staan.“Noemt gij dit het huishouden in orde houden, mevrouw,” zeide Dombey, “zulk een vrouwspersoon vrijheid te laten om hier te komen en tegen mij te spreken! Eengentleman—in zijn eigen huis—in zijne eigene kamer—met de impertinentie van meiden lastig gevallen!”—“Wel, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin, met wraak in hare harde grijze oogen, “het spijt mij zeer; niets kan ongeregelder wezen; niets kan meer alle perken te buiten gaan; maar het spijt mij te moeten zeggen, mijnheer, dat dit meisje geheel niet te regeeren is. Zij is door jonge jufvrouw Dombey bedorven, en geeft om niemand. Gij weet wel dat gij dat niet doet,” zeide mevrouw Pipchin scherp en schudde haar hoofd tegen Suze. “Gij moest u doodschamen. Maak nu dat gij wegkomt!”—“Als gij menschen bij mij in dienst vindt, die niet te regeeren zijn, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zich weder naar het vuur keerende, “weet gij wel hoe met hen te handelen, vermeen ik. Gij weet wel waarvoor gij hier zijt? Laat zij heengaan.”—“Ik weet wel wat ik doen moet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin, “en het spreekt van zelf dat ik dat ook doen zal. Suze Nipper,” bijzonder kort afgebeten, “over eene maand, van dit uur af, is u de huur opgezegd.”—“Zoo waarlijk!” zeide Suze fier.—“Ja,” antwoordde mevrouw Pipchin, “en lach niet tegen mij, gij caronje, of gij zult mij moeten zeggen waarom. Maak nu dadelijk dat gij wegkomt.”—“Ik denk dadelijk heen te gaan, daar kunt gij op aan,” zeide Suze. “Ik heb hier in huis twaalf jaren lang mijne jonge juffer bediend, en ik zal er geen uur lang in blijven, als iemand, die zulk een naam draagt als Pipchin, mij op den schopstoel kan zetten, mevrouw P.”—“Hoe eer hoe beter, als wij u maar kwijt zijn,” zeide de toornige oude dame. “Maak dat gij wegkomt, of ik zal u laten wegbrengen.”—“Mijn troost is,” zeide Suze, weder naar Dombey omziende, “dat ik u vandaag eenige waarheden heb gezegd, die gij al lang hadt moeten hooren, en dat geene Pipchins’en, al waren er nog zooveel—maar ik hoop dat er niet veel zijn, (hier beet mevrouw Pipchin haar een scherp “maak dat ge wegkomt” toe en gaf Suze haar nog een blik) ongezegd kunnen maken, wat ik gezegd heb, al zeiden zij mij honderd duizendmaal de huur op en al stierven zij dan van vermoeidheid, dat een geluk zou zijn om in de kerk voor te laten danken.”Met deze woorden ging Suze hare vijandin vooruit de kamer uit; en nadat zij in groote staatsie, zoodat mevrouw Pipchin bijna van kwaadheid stikte, naar hare kamer was gegaan, zette zij zich op een koffer en ging aan het schreien.Uit deze weemoedige stemming werd zij weldra zeer verfrisschend en krachtdadig opgewekt, door de stem van mevrouw Pipchin buiten de deur.“Is die onbeschaamde slet,” zeide de vergramde matrone, “voornemens om op haar tijd te vertrekken of niet?”Suze antwoordde van binnen, dat de beschreven persoon niet in dat gedeelte van het huis woonde, maar dat zij Pipchin heette en in de huishoudsterskamer te vinden was.“Gij impertinente caronje,” antwoordde mevrouw Pipchin, aan de kruk van de deur rammelende. “Maak dadelijk dat gij wegkomt. Pak oogenblikkelijk uw goed! Hoe durft gij zoo spreken tegen eene vrouw van fatsoen, die betere dagen gezien heeft?”Suze antwoordde daarop uit haar kasteel, dat zij de betere dagen beklaagde, die mevrouw Pipchin gezien had, en dat naar hare gedachten de slechtste dagen van het jaar die dame best zouden voegen, behalve dat zij nog veel te goed voor haar waren.“Maar gij behoeft u de moeite niet te geven om leven aan mijne deur te maken, of het sleutelgat met uw oog te bevuilen,” zeide Suze, “en ik ben al aan het oppakken en ik ga heen, daar kunt gij op aan.”De douairière gaf haar levendig genoegen over dit bericht te kennen, en ging met nog eenige schimpschoten heen, om Suze’s geld af te passen. Daarop ging Suze aan het werk om hare koffers te pakken, ten einde dadelijk en deftig te kunnen vertrekken, daaronder gedurig snikkende, als zij aan Florence dacht.Het duurde niet lang of de oorzaak harer tranen kwam naar haar toe; want spoedig verspreidde zich het nieuws door het huis, dat Suze Nipper ongenoegen met mevrouw Pipchin had gehad, dat beiden zich op mijnheer Dombey hadden beroepen, dat het in mijnheer Dombey’s kamer ongehoord was toegegaan, en dat Suze vertrok. Het laatste gedeelte van dit verwarde gerucht vond Florence zoo overeenkomstig met de waarheid, dat Suze reeds haar laatsten koffer had gesloten, en met haar hoed op daarop was gaan zitten, toen zij in hare kamer kwam.“Suze!” riep Florence. “Mij gaan verlaten! Gij!”—“O, wat ik u bidden mag, jufvrouw Flore,” zeide Suze, “spreek toch geen woord tegen mij, of ik kan mij niet goedhouden voor die Pipchin; ik wou voor de geheele wereld niet dat zij mij zag huilen.”—“Suze!” zeide Florence. “Mijne lieve meid, mijne oude vriendin![308]Wat zal ik zonder u doen! Hebt gij het hart om zoo heen te gaan!”—“Nee—een, mijne lieve jufvrouw Flore, dat heb ik waarlijk niet,” snikte Suze. “Maar het is niet anders. Ik heb mijn plicht gedaan, jufvrouw, dat heb ik waarlijk. Het is mijne schuld niet. Ik be—ru—u—st er in. Ik kan mijne maand niet uitblijven, of dan zou ik u nooit kunnen verlaten; en ik moest dan toch eindelijk gaan, evengoed als nu. Spreek niet tegen mij, lieve jufvrouw Flore, want al ben ik tamelijk hard, ik ben toch geen marmeren deurpost.”—“Wat is het toch? Waar is het om? Wilt ge mij dat niet zeggen?” zeide Florence, want Suze schudde haar hoofd.—“Neen, lieveling,” antwoordde Suze. “Vraag het mij niet, want ik moet het niet zeggen; en wat gij doet, spreek geen woord voor mij om mij te laten blijven, want het kon toch niet zijn, en ge zoudt u zelve maar kwaaddoen, en zoo, God zegene u, mijne kostbare meesteres, en vergeef alle kwaad, dat ik u gedaan mocht hebben, en al het humeur, dat ik u al die jaren lang getoond heb.”En met deze, zeer hartelijk ontboezemde smeekbede, sloot Suze hare meesteres in hare armen.“Lieve jufvrouw, menigeen kan u komen dienen, en blij zijn om u te dienen, en zal u goed en trouw dienen,” zeide Suze, “maar er kan niemand komen, die u zoo hartelijk zal dienen als ik, of half zooveel van u houden, dat is mijn troost. Goedendag, lieve jufvrouw Flore!”—“Waar zult gij naar toe gaan, Suze?” vroeg hare schreiende meesteres.—“Ik heb een broer, die inEssexwoont, jufvrouw; een pachter,” zeide de zielsbedroefde Suze, “die ik weet niet hoeveel koe—oe—oeien en varkens houdt, en daar zal ik met de diligence naar toe gaan, en wat bij hem blij—ij—ijven. Wees maar niet ongerust over mij, lieve jufvrouw, want ik heb geld in de spaarbank, en behoef niet dadelijk in een anderen dienst te gaan, dat ik ook niet zou kunnen doen, mijne allerliefste meesteres!” Suze besloot met eene uitbarsting van droefheid, die gelukkig werd gestuit door de stem van mevrouw Pipchin, welke zich beneden liet hooren. Daarop veegde Suze hare rood gezwollen oogen af en wendde eene jammerlijke poging aan, om een luchtigen toon aan te nemen, toen zij Towlinson riep om eene vigilante te halen en hare koffers naar beneden te brengen.Florence, bleek en bevende, maar van eene nuttelooze voorspraak teruggehouden door den angst om nieuwe verdeeldheid te veroorzaken tusschen haar vader en zijne vrouw (wier strak gezicht haar eene korte poos vroeger eene waarschuwing was geweest) en door hare vrees dat zij, zonder het te weten, reeds in dit wegzenden van hare oude dienares en vriendin was betrokken, volgde schreiend naar Edith’s kleedkamer, waarheen Suze zich begaf om haar afscheidscompliment te maken.“Kom aan, daar is de vigilante, en daar zijn de koffers; maak nu maar dat ge wegkomt!” zeide mevrouw Pipchin, zich op hetzelfde oogenblik vertoonende. “Neem mij niet kwalijk, mevrouw, maar mijnheer Dombey’s orders gaan boven alles.”Edith, die onder de handen van hare kamenier zat,—zij zou naar een diner gaan—behield haar trotsch uitzicht en scheen op niets te letten.“Daar is uw geld,” zeide mevrouw Pipchin, “en hoe eer dit huis uw rug ziet des te beter.”Suze had geen hart meer, zelfs voor den blik dien mevrouw Pipchin van rechtswege toekwam. Zij neeg dus maar voor mevrouw Dombey (die zonder een woord te spreken haar hoofd boog, en wier oogen iedereen vermeden, behalve Florence), sloot hare jonge meesteres nog eens in de armen en ontving een kus tot afscheid. Het gezicht der arme Suze in dit tijdsgewricht, bij de onstuimigheid harer aandoeningen en de kracht waarmede zij hare snikken smoorde, opdat niet een daarvan hoorbaar zou worden en een triomf voor mevrouw Pipchin zijn, bood eene reeks der zonderlingste physionomische verschijnselen aan, waarvan ooit iemand getuige is geweest.“Neem mij niet kwalijk, jufvrouw,” zeide Towlinson, die met de koffers buiten de deur stond, zich tot Florence richtende, “maar mijnheer Toots is in de eetzaal, en laat zijn compliment doen, en verzoekt te mogen weten hoe Diogenes en mijnheer varen.”Florence snelde naar beneden, waar Toots, allerprachtigst gekleed, in twijfel en ongerust of zij zou komen of niet, zeer zwaar stond te ademen.“O, hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide Toots. “God zegen ons!”Deze laatste uitroeping werd veroorzaakt door zijn schrik over de droefheid, welke hij op Florence’s gezichtje zag, en die hem niet alleen in een gegiggel stuitte, maar ook in eens een toonbeeld van wanhoop deed worden.“Beste mijnheer Toots,” zeide Florence, “gij zijt zoo vriendelijk voor mij en meent het zoo goed, dat ik u zeker wel om eene gunst mag verzoeken.”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “als gij maar zegt hoe, zult ge—zult ge mij den eetlust teruggeven—die mij lang vreemd is geweest,” voegde hij er niet zonder aandoening bij.—“Suze, die eene oude vriendin van mij is, de oudste vriendin, die ik heb,” zeide Florence, “moet op eens vertrekken, en dat geheel alleen, het arme meisje. Zij gaat naar huis, een eind buiten de stad. Mag ik u verzoeken om voor haar te zorgen, tot zij op de diligence is?”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “gij bewijst mij waarlijk eene[309]eer en eene goedheid. Dit bewijs van uw vertrouwen, nadat ik mij teBrightonop zulk eene brutale manier heb gedragen …”—“Ja,” zeide Florence haastig—“neen—denk daar maar niet meer om—Gij zoudt dus de goedheid willen hebben om—heen te gaan, en haar op te wachten als zij buitenkomt? Dank u duizendmaal. Gij stelt mijn gemoed zoo gerust. Gij kunt u niet verbeelden hoe dankbaar ik u ben, of welk een goed vriend gij waarlijk voor mij zijt.” En in hare hartelijkheid dankte Florence hem nogmaals en nogmaals; en in zijne hartelijkheid ging Toots haastig heen—maar achteruit, om geen blik van haar te verliezen.Florence had den moed niet om buiten te gaan, toen zij Suze in het voorhuis zag, waar mevrouw Pipchin haar nog voortdreef, en Diogenes om haar heen sprong, en mevrouw Pipchin den grootsten angst aanjoeg door naar haar bombazijnen rok te happen en van akeligheid te huilen als hij hare stem hoorde—want van niemand had hij zulk een afkeer als van haar. Maar zij zag Suze al de dienstboden in het rond de hand geven, en nog eens naar het huis omkijken, en Diogenes de vigilante navliegen, buiten staat om zich te overtuigen dat hij met haar, die er in zat, niets meer te maken had; en toen werd de deur gesloten, en was het afscheid voorbij, en vloeiden hare tranen over het verlies van eene oude vriendin, welke niemand kon vervangen. Niemand. Niemand.Toots, als een brave jongen, hield de vigilante tegen en zeide Suze welke taak hem was opgedragen, waarop zij nog harder begon te schreien dan te voren.“Bij mijne ziel, ik heb gevoel voor u,” zeide Toots, zich naast haar zettende. “Op mijn woord van eer, ik denk dat gij uw eigen gevoel haast niet beter kunt kennen dan ik het mij kan verbeelden. Ik kan mij niets vreeselijkers voorstellen dan dat iemand jufvrouw Dombey moet verlaten.”Suze gaf zich nu geheel aan hare smart over, en het was waarlijk aandoenlijk haar te zien.“Ik zeg,” zeide Toots, “doe dit nu nog niet. Ik meen, doe dat eerst, weet ge.”—“Wat, mijnheer Toots?” zeide Suze.—“Wel, bij mij aan huis komen en wat eten eer gij heenrijdt,” zeide Toots. “Mijne keukenmeid is eene heel ordentelijke vrouw—zulk eene moederlijke vrouw als gij ooit gezien hebt—en zal u gaarne wat troosten. Haar zoon,” zeide Toots, tot meerdere aanbeveling,“was in de blauwrokschool opgevoed, en is met een kruidmolen in de lucht gevlogen.”Daar Suze dit vriendelijk aanbod aannam, bracht Toots haar naar zijne eigene woning, waar zij door de bedoelde moederlijke keukenmeid werden ontvangen, die zich haar naam waardig toonde, en door den Kemphaan, die, toen hij eene dame in het rijtuig zag, zich eerst verbeeldde dat mijnheer Dombey, volgens zijn ouden raad, dubbel toegeslagen, en jonge jufvrouw Dombey geschaakt was. Deze heer verbaasde Suze eenigszins, want daar hij in zijn wedstrijd de nederlaag had geleden, was zijn gezicht zoodanig gehavend, dat het waarlijk niet toonbaar mocht heeten. De Kemphaan wilde dit ongeluk aan een bijzonder toeval toeschrijven; maar uit de openbare berichten van den strijd bleek, dat zijn tegenstander hem van den eersten af te sterk was geweest, en hem zoo geducht had geklopt als hij zelf maar wilde.Na een goeden maaltijd en veel gulheid, reed Suze met eene andere vigilante naar het diligencekantoor, met Toots, gelijk te voren, naast haar, en den Kemphaan op den bok, hoewel die heer het gezelschap, zoo al tot eer door zijn heldhaftigen naam, toch bezwaarlijk tot sieraad kon strekken, uit hoofde van zijne talrijke pleisters. Maar de Kemphaan had heimelijk een eed gedaan dat hij Toots nooit zou verlaten (die heimelijk smachtte om maar van hem af te komen), of het moest wezen om als kastelein in eene herberg gezet te worden; en daar hij verlangde om zich als zoodanig zoo spoedig mogelijk dood te drinken, begreep hij dat het zijne zaak was zijn gezelschap zoo onaangenaam te maken als maar mogelijk was.De nachtdiligence, waarmede Suze zou vertrekken, was op het punt om af te rijden. Toen Toots haar er in had geholpen, bleef hij nog besluiteloos bij het portier staan, tot de voerman reeds op den bok zat; toen stapte hij op de trede, stak een gezicht binnen, dat bij het licht der lantaren zeer angstig en verward stond, en zeide:“Zeg eens, Suze, jufvrouw Dombey, weet ge wel.…..”—“Ja, mijnheer.”—“Denkt gij dat zij eens—gij weet wel—zeg?”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer Toots,” zeide Suze, “maar ik versta u niet.”—“Denkt gij dat zij er toe zou kunnen gebracht worden, weet ge—niet zoo dadelijk, maar door den tijd—over langen tijd—om mij lief te krijgen, weet ge? Daar nu!” zeide de arme Toots.—“O Heere neen!” antwoordde Suze, haar hoofd schuddende. “Ik zou zeggen, nooit. Nooit!”—“Wel bedankt,” zeide Toots. “Het is van geen belang. Goeden avond. Het is van geen belang, wel bedankt.”[310]
Met den dag, hoewel niet zoo vroeg als de zon, stond Suze Nipper op. Er hing een nevel voor de buitengemeen scherpe zwarte oogen dezer jonge maagd, die het schitteren daarvan eenigszins verflauwde, en aan de mogelijkheid deed denken—hetgeen anders hunne uitdrukking niet was—dat zij somtijds gesloten werden. Zij hadden ook iets gezwollens, alsof zij in den nacht geschreid had. Maar wel verre van terneergeslagen te zijn, was Suze buitengewoon frisch en levendig en scheen zij al hare vermogens bijeengezameld en ingespannen te hebben om iets gewichtigs en moeielijks te doen. Dit was zelfs aan hare kleeding te zien, die nog netter zat en strakker spande dan gewoonlijk, en aan de manier waarop zij nu en dan haar hoofd schudde, terwijl zij door het huis ging, en waarmede zij eene buitengemeene vastberadenheid uitdrukte.
Kortom, zij had een besluit genomen, en wel een stout besluit, daar het niets minder was dan—om in Dombey’s kamer door te dringen en dien heer eens alleen te spreken. “Ik heb dikwijls gezegd dat ik zou,” zeide zij dien morgen dreigend bij zich zelve, “en nu wil ik!”
Zich zelve met eigenaardige scherpheid aansporende ter uitvoering dezer wanhopige onderneming, bleef Suze den geheelen voormiddag in het voorhuis en op de trap dwalen, zonder eene gunstige gelegenheid te vinden om storm te loopen. Geenszins ontmoedigd door deze teleurstelling, die haar integendeel nog meer aanprikkelde, liet zij hare waakzaamheid niet verflauwen: en zoo ontdekte zij eindelijk tegen den avond, dat hare gezworen vijandin, mevrouw Pipchin, onder voorwendsel van den geheelen nacht te hebben opgezeten, in haar eigen kamer een dutje was gaan doen, en dat Dombey geheel alleen op zijne sofa lag.
Haar hoofd niet alleen, maar bijna zich zelve geheel en al in den nek werpende, ging Suze op de teenen naar de deur van Dombey’s kamer en klopte. “Binnen!” zeide Dombey. Zich zelve met nog eene stuipachtige beweging van[305]haar hoofd aanmoedigende, trad Suze binnen.
Dombey, die naar het vuur lag te turen, keek verwonderd om en hief zich eenigszins op zijn elleboog op. Suze neeg.
“Wat moet gij hier?” zeide Dombey.—“Als ’t u belieft, mijnheer, ik wenschte u eens te spreken,” antwoordde Suze.
Dombey bewoog zijne lippen alsof hij deze woorden herhaalde, maar scheen zoodanig verbaasd over de stoutmoedigheid van het meisje, dat hij ze niet kon uitspreken.
“Ik ben nu twaalf jaar in uw dienst geweest, mijnheer,” zeide Suze, met hare gewone radheid van tong, “om jufvrouw Flore, mijne lieve jonge jufvrouw, te bedienen, die nog niet duidelijk spreken kon toen ik pas kwam, en ik was al oud in huis toen jufvrouw Richards er nog nieuw in was, ik mag dus geenMethusalemzijn, maar ik ben toch geen bakerkindje.”
Dombey, die haar op zijn arm leunende aanzag, scheen deze voorloopige uiteenzetting van feiten niet te kunnen tegenspreken.
“Er is nooit liever of engelachtiger jonge jufvrouw geweest, mijnheer, dan mijne jonge jufvrouw is,” zeide Suze, “en dat moet ik veel beter weten dan sommige anderen, want ik heb haar in droefheid gezien, en ik heb haar in blijdschap gezien (daarvan heeft zij niet veel gehad), en ik heb haar met haar broertje gezien, en ik heb haar in hare eenzaamheid gezien, en sommige anderen hebben haar nooit gezien, en ik zeg die sommigen en iedereen—dat doe ik,” hier schudde de zwartoogige haar hoofd en stampte zij even met haar voet, “dat zij de beste en liefste engel is, jufvrouw Flore, die ooit op de wereld heeft ademgehaald, en hoe meer ik in stukken gescheurd werd, mijnheer, zooveel te meer zou ik dat zeggen, al mag ik geen martelares uit het martelaarsboek wezen.”
Dombey werd van verontwaardiging en verbazing nog bleeker dan zijn val hem had doen worden, en hield zijne oogen op de spreekster gevestigd alsof hij ze beschuldigde, en zijne ooren insgelijks, van hem te bedriegen.
“Noemt gij dit het huishouden in orde houden, mevrouw,” zeide Dombey, “zulk een vrouwspersoon vrijheid te laten om hier te komen en tegen mij te spreken.” (blz. 307).“Noemt gij dit het huishouden in orde houden, mevrouw,” zeide Dombey, “zulk een vrouwspersoon vrijheid te laten om hier te komen en tegenmijte spreken.”(blz. 307).
“Noemt gij dit het huishouden in orde houden, mevrouw,” zeide Dombey, “zulk een vrouwspersoon vrijheid te laten om hier te komen en tegenmijte spreken.”(blz. 307).
“Niemand zou anders dan trouw aan jufvrouw Flore kunnen zijn, mijnheer,” vervolgde Suze, “en ik stel geene verdienste in mijn dienst[306]van twaalf jaren, want ik heb haar lief—ja, dat zeg ik tegen sommigen en iedereen, dat doe ik”—hier schudde de zwartoogige wederom haar hoofd, en stampte weder even met haar voet, en smoorde een snik, “maar trouwe dienst geeft mij recht om te spreken, hoop ik, en ik moet en zal nu spreken, recht of niet.”—“Wat meent gij, meid?” zeide Dombey, haar woedend aanziende. “Hoe durft gij?”—“Wat ik meen, mijnheer, is ordentelijk en fatsoenlijk tegen u te spreken, maar ronduit, en hoe ik durf weet ik niet, maar ik doe het toch,” zeide Suze. “O, gij kent mijne jonge jufvrouw niet, mijnheer, dat doet gij waarlijk niet; als gij dat deedt zoudt gij haar niet zoo weinig zien.”
Dombey stak woedend zijne hand uit naar de schel, maar er was geen schelkoord aan dien kant van den schoorsteen; en hij kon niet zonder hulp opstaan en naar den anderen kant gaan. Het vlugge oog van Suze zag dadelijk hoe weerloos hij was, en toen gevoelde zij, gelijk zij naderhand zeide, dat zij hem beethad.
“Jufvrouw Flore,” zeide Suze Nipper, “is de liefderijkste, en de geduldigste, en de gehoorzaamste, en de mooiste van alle dochters, mijnheer, er is geengentleman, neen mijnheer, al is hij zoo groot en rijk als al de grootheid en rijkdom vanEngelandbij elkander, of hij zou en moest trotsch op haar wezen. Als hij hare waarde wel kende, zou hij zijne grootheid en rijkdom liever stuk voor stuk willen verliezen en in vodden langs de deuren loopen bedelen, dat zeg ik sommigen en iedereen, dat zou hij,” riep Suze, in tranen uitbarstende, “dan dat teere hartje zooveel verdriet geven als ik het in dit huis heb zien lijden!”—“Meid,” riep Dombey, “ga de kamer uit!”—“Neem mij niet kwalijk, dat doe ik niet, al moest ik den dienst uit, mijnheer,” antwoordde de standvastige Suze, “waarin ik zooveel jaren geweest ben en zooveel gezien heb—schoon ik hoop dat gij nooit het hart zult hebben om mij om zulk eene reden van jufvrouw Flore weg te zenden. Ik zal niet gaan voor ik heb uitgesproken. Ik mag geene Indiaansche weduwe zijn, en dat ben ik niet en zou ik ook niet willen worden, maar als ik mij eens had voorgenomen om mij zelve levend te verbranden, dan zou ik het ook doen. En ik heb mij nu voorgenomen om alles te zeggen.”
Suze’s gezicht maakte dit niet minder duidelijk dan hare woorden.
“Er is niemand hier in dienst, mijnheer,” vervolgde zij, “die altijd banger voor u geweest is dan ik, en gij kunt denken hoe waar dat is, als ik zoo vrij ben om u te zeggen dat ik er honderden malen aan gedacht heb om u aan te spreken, en er nooit toe heb kunnen besluiten voor gisteravond; maar gisteravond heeft mij tot een besluit gebracht.”
Dombey greep, in eene vlaag van woede, nog eens naar de schelkoord die daar niet hing, en ze niet vindende, trok hij aan zijne haren, liever dan aan niets te trekken.
“Ik heb jufvrouw Flore,” zeide Suze Nipper, “toen zij nog maar een kind was, zooveel zien doen, en zoo lief en geduldig wezen, dat de beste vrouw van haar had mogen leeren; ik heb haar nachten achtereen den halven nacht zien opzitten om haar zwakkelijk broertje aan zijn leeren te helpen; ik heb haar hem op een ander tijd zien helpen en oppassen—sommigen weten wel wanneer;—ik heb haar, zonder hulp of aanmoediging, eene volwassene dame zien worden, God dank, die het sieraad en de roem van ieder gezelschap is waarin zij komt, en ik heb haar altijd grievend verwaarloosd gezien, en haar dat diep zien gevoelen—ik zeg sommigen en iedereen, dat heb ik—en nooit een woord gesproken; maar om zich nederig en eerbiedig voor zijne meerderen te gedragen, behoeft men toch geen aanbidster van gesneden beelden te zijn, en nu wil en moet ik spreken.”—“Is daar niemand?” riep Dombey. “Waar zijn de knechts! Waar zijn de meiden! Is daar niemand?”—“Ik heb mijne lieve jonge jufvrouw verleden nacht buiten haar bed gelaten,” zeide Suze, hierdoor niet gestuit, “en ik wist wel waarom zij daaruit bleef, want gij waart ziek, mijnheer, en zij wist niet hoe ziek, en dat was genoeg om haar zoo ongerust te maken als ik gezien heb dat zij was—ik mag geen valk wezen, maar ik heb toch oogen—en toen bleef ik in mijn kamertje nog wat opzitten, denkende dat ze mij misschien kon noodig hebben, en toen zag ik haar naar beneden sluipen en naar deze deur gaan, alsof het een misdrijf was naar haar eigen papa te gaan zien, en toen weer wegsluipen en naar de ledige staatsiekamers gaan, zoo schreiende, dat ik het haast niet kon aanhooren. En ikkanhet niet aanhooren,” zeide Suze, hare zwarte oogen afvegende en ze onverschrokken op Dombey’s toornig gezicht vestigende. “Het is de eerste maal niet dat ik het gehoord heb, op verre na niet; en gij kent uwe eigene dochter niet, mijnheer, en gij weet niet wat gij doet, mijnheer, en ik zeg sommigen en iedereen,” riep Suze, met eene laatste uitbarsting, “dat het zonde en schande is!”—“Wel, heb ik ooit van mijn leven!” riep de stem van mevrouw Pipchin, terwijl dat slachtoffer der mijnen vanPerude kamer inkwam. “Wie is dat hier?”
Suze begunstigde mevrouw Pipchin met een blik, dien zij opzettelijk voor haar had uitgevonden, toen zij pas met elkander in kennis kwamen, en liet het antwoord aan Dombey over.
“Wat dat is?” herhaalde Dombey, bijna schuimbekkend. “Wat dat is, mevrouw? Gij, die aan het hoofd van dit huishouden staat en[307]verplicht zijt het in orde te houden, moogt wel zoo vragen. Kent gij die meid?”—“Ik weet heel weinig goeds van haar, mijnheer,” krijschte mevrouw Pipchin. “Hoe durft gij hier komen, gij onbeschaamde prij? Maak dat gij wegkomt!”
Maar de onverschrokkene Suze vereerde mevrouw Pipchin slechts met nog een blik en bleef staan.
“Noemt gij dit het huishouden in orde houden, mevrouw,” zeide Dombey, “zulk een vrouwspersoon vrijheid te laten om hier te komen en tegen mij te spreken! Eengentleman—in zijn eigen huis—in zijne eigene kamer—met de impertinentie van meiden lastig gevallen!”—“Wel, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin, met wraak in hare harde grijze oogen, “het spijt mij zeer; niets kan ongeregelder wezen; niets kan meer alle perken te buiten gaan; maar het spijt mij te moeten zeggen, mijnheer, dat dit meisje geheel niet te regeeren is. Zij is door jonge jufvrouw Dombey bedorven, en geeft om niemand. Gij weet wel dat gij dat niet doet,” zeide mevrouw Pipchin scherp en schudde haar hoofd tegen Suze. “Gij moest u doodschamen. Maak nu dat gij wegkomt!”—“Als gij menschen bij mij in dienst vindt, die niet te regeeren zijn, mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zich weder naar het vuur keerende, “weet gij wel hoe met hen te handelen, vermeen ik. Gij weet wel waarvoor gij hier zijt? Laat zij heengaan.”—“Ik weet wel wat ik doen moet, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin, “en het spreekt van zelf dat ik dat ook doen zal. Suze Nipper,” bijzonder kort afgebeten, “over eene maand, van dit uur af, is u de huur opgezegd.”—“Zoo waarlijk!” zeide Suze fier.—“Ja,” antwoordde mevrouw Pipchin, “en lach niet tegen mij, gij caronje, of gij zult mij moeten zeggen waarom. Maak nu dadelijk dat gij wegkomt.”—“Ik denk dadelijk heen te gaan, daar kunt gij op aan,” zeide Suze. “Ik heb hier in huis twaalf jaren lang mijne jonge juffer bediend, en ik zal er geen uur lang in blijven, als iemand, die zulk een naam draagt als Pipchin, mij op den schopstoel kan zetten, mevrouw P.”—“Hoe eer hoe beter, als wij u maar kwijt zijn,” zeide de toornige oude dame. “Maak dat gij wegkomt, of ik zal u laten wegbrengen.”—“Mijn troost is,” zeide Suze, weder naar Dombey omziende, “dat ik u vandaag eenige waarheden heb gezegd, die gij al lang hadt moeten hooren, en dat geene Pipchins’en, al waren er nog zooveel—maar ik hoop dat er niet veel zijn, (hier beet mevrouw Pipchin haar een scherp “maak dat ge wegkomt” toe en gaf Suze haar nog een blik) ongezegd kunnen maken, wat ik gezegd heb, al zeiden zij mij honderd duizendmaal de huur op en al stierven zij dan van vermoeidheid, dat een geluk zou zijn om in de kerk voor te laten danken.”
Met deze woorden ging Suze hare vijandin vooruit de kamer uit; en nadat zij in groote staatsie, zoodat mevrouw Pipchin bijna van kwaadheid stikte, naar hare kamer was gegaan, zette zij zich op een koffer en ging aan het schreien.
Uit deze weemoedige stemming werd zij weldra zeer verfrisschend en krachtdadig opgewekt, door de stem van mevrouw Pipchin buiten de deur.
“Is die onbeschaamde slet,” zeide de vergramde matrone, “voornemens om op haar tijd te vertrekken of niet?”
Suze antwoordde van binnen, dat de beschreven persoon niet in dat gedeelte van het huis woonde, maar dat zij Pipchin heette en in de huishoudsterskamer te vinden was.
“Gij impertinente caronje,” antwoordde mevrouw Pipchin, aan de kruk van de deur rammelende. “Maak dadelijk dat gij wegkomt. Pak oogenblikkelijk uw goed! Hoe durft gij zoo spreken tegen eene vrouw van fatsoen, die betere dagen gezien heeft?”
Suze antwoordde daarop uit haar kasteel, dat zij de betere dagen beklaagde, die mevrouw Pipchin gezien had, en dat naar hare gedachten de slechtste dagen van het jaar die dame best zouden voegen, behalve dat zij nog veel te goed voor haar waren.
“Maar gij behoeft u de moeite niet te geven om leven aan mijne deur te maken, of het sleutelgat met uw oog te bevuilen,” zeide Suze, “en ik ben al aan het oppakken en ik ga heen, daar kunt gij op aan.”
De douairière gaf haar levendig genoegen over dit bericht te kennen, en ging met nog eenige schimpschoten heen, om Suze’s geld af te passen. Daarop ging Suze aan het werk om hare koffers te pakken, ten einde dadelijk en deftig te kunnen vertrekken, daaronder gedurig snikkende, als zij aan Florence dacht.
Het duurde niet lang of de oorzaak harer tranen kwam naar haar toe; want spoedig verspreidde zich het nieuws door het huis, dat Suze Nipper ongenoegen met mevrouw Pipchin had gehad, dat beiden zich op mijnheer Dombey hadden beroepen, dat het in mijnheer Dombey’s kamer ongehoord was toegegaan, en dat Suze vertrok. Het laatste gedeelte van dit verwarde gerucht vond Florence zoo overeenkomstig met de waarheid, dat Suze reeds haar laatsten koffer had gesloten, en met haar hoed op daarop was gaan zitten, toen zij in hare kamer kwam.
“Suze!” riep Florence. “Mij gaan verlaten! Gij!”—“O, wat ik u bidden mag, jufvrouw Flore,” zeide Suze, “spreek toch geen woord tegen mij, of ik kan mij niet goedhouden voor die Pipchin; ik wou voor de geheele wereld niet dat zij mij zag huilen.”—“Suze!” zeide Florence. “Mijne lieve meid, mijne oude vriendin![308]Wat zal ik zonder u doen! Hebt gij het hart om zoo heen te gaan!”—“Nee—een, mijne lieve jufvrouw Flore, dat heb ik waarlijk niet,” snikte Suze. “Maar het is niet anders. Ik heb mijn plicht gedaan, jufvrouw, dat heb ik waarlijk. Het is mijne schuld niet. Ik be—ru—u—st er in. Ik kan mijne maand niet uitblijven, of dan zou ik u nooit kunnen verlaten; en ik moest dan toch eindelijk gaan, evengoed als nu. Spreek niet tegen mij, lieve jufvrouw Flore, want al ben ik tamelijk hard, ik ben toch geen marmeren deurpost.”—“Wat is het toch? Waar is het om? Wilt ge mij dat niet zeggen?” zeide Florence, want Suze schudde haar hoofd.—“Neen, lieveling,” antwoordde Suze. “Vraag het mij niet, want ik moet het niet zeggen; en wat gij doet, spreek geen woord voor mij om mij te laten blijven, want het kon toch niet zijn, en ge zoudt u zelve maar kwaaddoen, en zoo, God zegene u, mijne kostbare meesteres, en vergeef alle kwaad, dat ik u gedaan mocht hebben, en al het humeur, dat ik u al die jaren lang getoond heb.”
En met deze, zeer hartelijk ontboezemde smeekbede, sloot Suze hare meesteres in hare armen.
“Lieve jufvrouw, menigeen kan u komen dienen, en blij zijn om u te dienen, en zal u goed en trouw dienen,” zeide Suze, “maar er kan niemand komen, die u zoo hartelijk zal dienen als ik, of half zooveel van u houden, dat is mijn troost. Goedendag, lieve jufvrouw Flore!”—“Waar zult gij naar toe gaan, Suze?” vroeg hare schreiende meesteres.—“Ik heb een broer, die inEssexwoont, jufvrouw; een pachter,” zeide de zielsbedroefde Suze, “die ik weet niet hoeveel koe—oe—oeien en varkens houdt, en daar zal ik met de diligence naar toe gaan, en wat bij hem blij—ij—ijven. Wees maar niet ongerust over mij, lieve jufvrouw, want ik heb geld in de spaarbank, en behoef niet dadelijk in een anderen dienst te gaan, dat ik ook niet zou kunnen doen, mijne allerliefste meesteres!” Suze besloot met eene uitbarsting van droefheid, die gelukkig werd gestuit door de stem van mevrouw Pipchin, welke zich beneden liet hooren. Daarop veegde Suze hare rood gezwollen oogen af en wendde eene jammerlijke poging aan, om een luchtigen toon aan te nemen, toen zij Towlinson riep om eene vigilante te halen en hare koffers naar beneden te brengen.
Florence, bleek en bevende, maar van eene nuttelooze voorspraak teruggehouden door den angst om nieuwe verdeeldheid te veroorzaken tusschen haar vader en zijne vrouw (wier strak gezicht haar eene korte poos vroeger eene waarschuwing was geweest) en door hare vrees dat zij, zonder het te weten, reeds in dit wegzenden van hare oude dienares en vriendin was betrokken, volgde schreiend naar Edith’s kleedkamer, waarheen Suze zich begaf om haar afscheidscompliment te maken.
“Kom aan, daar is de vigilante, en daar zijn de koffers; maak nu maar dat ge wegkomt!” zeide mevrouw Pipchin, zich op hetzelfde oogenblik vertoonende. “Neem mij niet kwalijk, mevrouw, maar mijnheer Dombey’s orders gaan boven alles.”
Edith, die onder de handen van hare kamenier zat,—zij zou naar een diner gaan—behield haar trotsch uitzicht en scheen op niets te letten.
“Daar is uw geld,” zeide mevrouw Pipchin, “en hoe eer dit huis uw rug ziet des te beter.”
Suze had geen hart meer, zelfs voor den blik dien mevrouw Pipchin van rechtswege toekwam. Zij neeg dus maar voor mevrouw Dombey (die zonder een woord te spreken haar hoofd boog, en wier oogen iedereen vermeden, behalve Florence), sloot hare jonge meesteres nog eens in de armen en ontving een kus tot afscheid. Het gezicht der arme Suze in dit tijdsgewricht, bij de onstuimigheid harer aandoeningen en de kracht waarmede zij hare snikken smoorde, opdat niet een daarvan hoorbaar zou worden en een triomf voor mevrouw Pipchin zijn, bood eene reeks der zonderlingste physionomische verschijnselen aan, waarvan ooit iemand getuige is geweest.
“Neem mij niet kwalijk, jufvrouw,” zeide Towlinson, die met de koffers buiten de deur stond, zich tot Florence richtende, “maar mijnheer Toots is in de eetzaal, en laat zijn compliment doen, en verzoekt te mogen weten hoe Diogenes en mijnheer varen.”
Florence snelde naar beneden, waar Toots, allerprachtigst gekleed, in twijfel en ongerust of zij zou komen of niet, zeer zwaar stond te ademen.
“O, hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide Toots. “God zegen ons!”
Deze laatste uitroeping werd veroorzaakt door zijn schrik over de droefheid, welke hij op Florence’s gezichtje zag, en die hem niet alleen in een gegiggel stuitte, maar ook in eens een toonbeeld van wanhoop deed worden.
“Beste mijnheer Toots,” zeide Florence, “gij zijt zoo vriendelijk voor mij en meent het zoo goed, dat ik u zeker wel om eene gunst mag verzoeken.”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “als gij maar zegt hoe, zult ge—zult ge mij den eetlust teruggeven—die mij lang vreemd is geweest,” voegde hij er niet zonder aandoening bij.—“Suze, die eene oude vriendin van mij is, de oudste vriendin, die ik heb,” zeide Florence, “moet op eens vertrekken, en dat geheel alleen, het arme meisje. Zij gaat naar huis, een eind buiten de stad. Mag ik u verzoeken om voor haar te zorgen, tot zij op de diligence is?”—“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “gij bewijst mij waarlijk eene[309]eer en eene goedheid. Dit bewijs van uw vertrouwen, nadat ik mij teBrightonop zulk eene brutale manier heb gedragen …”—“Ja,” zeide Florence haastig—“neen—denk daar maar niet meer om—Gij zoudt dus de goedheid willen hebben om—heen te gaan, en haar op te wachten als zij buitenkomt? Dank u duizendmaal. Gij stelt mijn gemoed zoo gerust. Gij kunt u niet verbeelden hoe dankbaar ik u ben, of welk een goed vriend gij waarlijk voor mij zijt.” En in hare hartelijkheid dankte Florence hem nogmaals en nogmaals; en in zijne hartelijkheid ging Toots haastig heen—maar achteruit, om geen blik van haar te verliezen.
Florence had den moed niet om buiten te gaan, toen zij Suze in het voorhuis zag, waar mevrouw Pipchin haar nog voortdreef, en Diogenes om haar heen sprong, en mevrouw Pipchin den grootsten angst aanjoeg door naar haar bombazijnen rok te happen en van akeligheid te huilen als hij hare stem hoorde—want van niemand had hij zulk een afkeer als van haar. Maar zij zag Suze al de dienstboden in het rond de hand geven, en nog eens naar het huis omkijken, en Diogenes de vigilante navliegen, buiten staat om zich te overtuigen dat hij met haar, die er in zat, niets meer te maken had; en toen werd de deur gesloten, en was het afscheid voorbij, en vloeiden hare tranen over het verlies van eene oude vriendin, welke niemand kon vervangen. Niemand. Niemand.
Toots, als een brave jongen, hield de vigilante tegen en zeide Suze welke taak hem was opgedragen, waarop zij nog harder begon te schreien dan te voren.
“Bij mijne ziel, ik heb gevoel voor u,” zeide Toots, zich naast haar zettende. “Op mijn woord van eer, ik denk dat gij uw eigen gevoel haast niet beter kunt kennen dan ik het mij kan verbeelden. Ik kan mij niets vreeselijkers voorstellen dan dat iemand jufvrouw Dombey moet verlaten.”
Suze gaf zich nu geheel aan hare smart over, en het was waarlijk aandoenlijk haar te zien.
“Ik zeg,” zeide Toots, “doe dit nu nog niet. Ik meen, doe dat eerst, weet ge.”—“Wat, mijnheer Toots?” zeide Suze.—“Wel, bij mij aan huis komen en wat eten eer gij heenrijdt,” zeide Toots. “Mijne keukenmeid is eene heel ordentelijke vrouw—zulk eene moederlijke vrouw als gij ooit gezien hebt—en zal u gaarne wat troosten. Haar zoon,” zeide Toots, tot meerdere aanbeveling,“was in de blauwrokschool opgevoed, en is met een kruidmolen in de lucht gevlogen.”
Daar Suze dit vriendelijk aanbod aannam, bracht Toots haar naar zijne eigene woning, waar zij door de bedoelde moederlijke keukenmeid werden ontvangen, die zich haar naam waardig toonde, en door den Kemphaan, die, toen hij eene dame in het rijtuig zag, zich eerst verbeeldde dat mijnheer Dombey, volgens zijn ouden raad, dubbel toegeslagen, en jonge jufvrouw Dombey geschaakt was. Deze heer verbaasde Suze eenigszins, want daar hij in zijn wedstrijd de nederlaag had geleden, was zijn gezicht zoodanig gehavend, dat het waarlijk niet toonbaar mocht heeten. De Kemphaan wilde dit ongeluk aan een bijzonder toeval toeschrijven; maar uit de openbare berichten van den strijd bleek, dat zijn tegenstander hem van den eersten af te sterk was geweest, en hem zoo geducht had geklopt als hij zelf maar wilde.
Na een goeden maaltijd en veel gulheid, reed Suze met eene andere vigilante naar het diligencekantoor, met Toots, gelijk te voren, naast haar, en den Kemphaan op den bok, hoewel die heer het gezelschap, zoo al tot eer door zijn heldhaftigen naam, toch bezwaarlijk tot sieraad kon strekken, uit hoofde van zijne talrijke pleisters. Maar de Kemphaan had heimelijk een eed gedaan dat hij Toots nooit zou verlaten (die heimelijk smachtte om maar van hem af te komen), of het moest wezen om als kastelein in eene herberg gezet te worden; en daar hij verlangde om zich als zoodanig zoo spoedig mogelijk dood te drinken, begreep hij dat het zijne zaak was zijn gezelschap zoo onaangenaam te maken als maar mogelijk was.
De nachtdiligence, waarmede Suze zou vertrekken, was op het punt om af te rijden. Toen Toots haar er in had geholpen, bleef hij nog besluiteloos bij het portier staan, tot de voerman reeds op den bok zat; toen stapte hij op de trede, stak een gezicht binnen, dat bij het licht der lantaren zeer angstig en verward stond, en zeide:
“Zeg eens, Suze, jufvrouw Dombey, weet ge wel.…..”—“Ja, mijnheer.”—“Denkt gij dat zij eens—gij weet wel—zeg?”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer Toots,” zeide Suze, “maar ik versta u niet.”—“Denkt gij dat zij er toe zou kunnen gebracht worden, weet ge—niet zoo dadelijk, maar door den tijd—over langen tijd—om mij lief te krijgen, weet ge? Daar nu!” zeide de arme Toots.—“O Heere neen!” antwoordde Suze, haar hoofd schuddende. “Ik zou zeggen, nooit. Nooit!”—“Wel bedankt,” zeide Toots. “Het is van geen belang. Goeden avond. Het is van geen belang, wel bedankt.”[310]