[Inhoud]XLV.DE VERTROUWELING.Edith ging dien dag alleen uit en kwam vroeg weder thuis. Het was maar weinige minuten over tienen, toen hare koets de straat, waar zij woonde, inreed.Haar gelaat vertoonde dezelfde gedwongene kalmte als toen zij zich liet kleeden; en de krans op hare lokken omgaf hetzelfde strakke voorhoofd. Maar het zou beter geweest zijn dat de bloemen en bladeren door hare hartstochtelijke hand in stukken waren gescheurd, of platgedrukt door het woelen van het hoofd, dat voor het verbijsterde brein eene rustplaats zocht, dan dat zij zulk eene kalmte versierden. Zoo ongenaakbaar, zoo onverbiddelijk, zoo onbuigzaam scheen die vrouw, alsof niets haar gemoed kon verzachten en alles in haar leven had bijgedragen om het te verharden.Zij wilde juist voor hare deur afstappen, toen iemand, die stil het voorhuis uitkwam, blootshoofds bij het portier bleef staan, en haar zijn arm bood. Daar de knecht was weggeduwd, kon zij niet anders dan dien arm aanraken, en zij wist wiens arm het was.“Hoe is uw patiënt, mijnheer?” zeide zij met opkrullende lip.—“Hij is beter,” antwoordde Carker. “Het gaat heel goed met hem. Ik heb hem voor van nacht verlaten.”Zij boog haar hoofd en ging hem voorbij de trap op, toen hij haar volgde en onder aan de trap zeide:“Mevrouw, mag ik u een oogenblik gehoor verzoeken?”Zij bleef staan en zag om. “Het is een ongelegen tijd, mijnheer, en ik ben vermoeid. Is de zaak dringend?”“Zeer dringend,” antwoordde Carker. “Daar ik u zoo gelukkig heb ontmoet, hoop ik dus zoo vrij te mogen zijn om er op aan te houden.”Zij zag omlaag naar zijn glinsterenden mond; en hij zag naar haar op, die boven hem stond, in hare statige kleeding, en dacht wederom, hoe schoon zij toch was.“Waar is jufvrouw Dombey?” vroeg zij den knecht hardop.—“In de ontbijtkamer, mevrouw.”—“Doe die dan open!” Wederom naar den oplettenden heer onder aan de trap omziende, en hem door eene kleine beweging van haar hoofd aanduidende dat het hem vrijstond haar te volgen, ging zij verder.—“Neem mij niet kwalijk! Mevrouw! Mevrouw Dombey!” zeide de zachtbespraakte en vlugge Carker, in een oogenblik naast haar. “Mag ik zoo vrij zijn te verzoeken dat jufvrouw Dombey er niet bij is?”Zij zag hem nog eens aan met een snellen blik, maar met dezelfde strakke bedaardheid.“Ik wilde jufvrouw Dombey de kennis besparen,” zeide Carker zeer zacht, “van hetgeen ik te zeggen heb. Ten minste, mevrouw, wilde ik het aan u overlaten om te beslissen of zij er van weten moet of niet. Dat ben ik u verplicht. Na ons vroeger onderhoud zou het onverschoonlijk van mij zijn als ik anders handelde.”Zij wendde langzaam hare oogen van hem af, en zich naar den knecht keerende, zeide zij: “Eene andere kamer.”Hij ging vooruit naar een der salons, waar hij spoedig licht aanstak, en liet hen daar. Zoolang hij er was, werd er geen woord gesproken. Edith plaatste zich op eene sofa bij den haard als op een troon; Carker bleef, met den hoed in de hand en zijne oogen op het tapijt gevestigd, op eenigen afstand van haar staan.“Eer ik u hoor, mijnheer,” zeide Edith, toen de deur gesloten was, “wensch ik dat gij mij hoort.”—“Door mevrouw Dombey te worden aangesproken,” antwoordde hij, “zelfs met woorden van onverdiend verwijt, is eene eer die ik zoo hoog schat, dat ik, al was ik niet in alle dingen haar dienaar, mij toch gereedelijk aan zulk een wensch zou onderschikken.”—“Als gij door den man, dien gij zoo even verlaten hebt, met eene boodschap aan mij zijt belast,” Carker sloeg zijne oogen op alsof hij verwondering wilde veinzen, maar haar blik sloot hem den mond, “doe dan maar geene moeite om ze over te brengen, want ik wil ze niet aannemen. Ik behoef u haast niet te vragen of gij met zulk eene boodschap komt. Ik heb u al eenigen tijd verwacht.”—“Het is mijn ongeluk,” antwoordde hij, “geheel tegen mijn wil met zulk een oogmerk hier te komen. Vergun mij te mogen zeggen dat ik met twee oogmerken hier kom. Dat is het eene.”—“Dat eene, mijnheer, is afgedaan,” zeide zij. “Of als gij er op terugkomt.…”—“Kan mevrouw Dombey gelooven,” zeide Carker, haar naderende, “dat ik er tegen haar verbod op zou terugkomen? Is het mogelijk, dat mevrouw Dombey, zonder op mijne ongelukkige positie te letten, mij volstrekt het groote onrecht wil aandoen om mij als onafscheidbaar van mijn lastgever te beschouwen?”—“Mijnheer,” antwoordde Edith, haar donkeren blik strak op hem vestigende, en met eene hartstochtelijkheid sprekende, die het witte dons in beweging bracht, hetwelk de schouders bedekte, die met de sneeuwkleur daarvan konden wedijveren. “Waarom komt gij voor mij, gelijk gij gedaan hebt, en spreekt mij van liefde en plicht voor mijn man, en veinst gij te denken dat ik hem hoogacht? Hoe durft gij mij zoo beleedigen, terwijl gij weet—ikweet dat gij beter weet, mijnheer; ik heb dat in elken blik van u gezien, en in ieder woord van u gehoord—dat er in plaats van genegenheid, afkeer en minachting tusschen ons is, en dat ik hem nauwelijks minder veracht dan ik mij zelve veracht omdat ik de zijne[311]ben. Onrecht! Als ik recht had gedaan aan de pijn, die gij mij hebt doen voelen, en aan mijn gevoel van de beleediging die gij mij hebt aangedaan, had ik u kunnen vermoorden!”Zij vroeg hem waarom hij dat gedaan had. Als zij niet door haar trots en gramschap, zoowel als door het gevoel van zelfvernedering, verblind was geweest, zou zij het antwoord op zijn gezicht hebben gelezen. Juist om haar tot deze verklaring te brengen.Zij zag dit niet en bekommerde er zich ook niet om hoe het was. Zij zag alleen de vernederingen, die zij ondergaan had en nog onderging, en kromp daaronder van pijn. Haar strakke blik was veeleer daarop dan op hem gevestigd, terwijl zij de vederen uit de wiek van een prachtigen vogel, die aan een gouden koordje aan haar arm hing, om haar tot waaier te dienen, uitplukte en op den grond liet regenen.Hij deinsde niet terug voor haar blik, maar bleef staan tot de teekenen van ongenoegen, die zij zich had laten ontsnappen, verdwenen waren, als een man die een voldoenend antwoord gereed had, en dit weldra zou uitspreken. En toen sprak hij, terwijl hij haar recht in de schitterende oogen zag.“Mevrouw,” zeide hij, “ik weet, en wist reeds vroeger, dat ik geene gunst bij u gevonden had, en ik wist ook wel waarom niet. Ja, ik wist wel waarom niet. Gij hebt zoo openlijk tot mij gesproken; en ik gevoel mij zoo verlicht door het bezit van uw vertrouwen.…”—“Vertrouwen!” herhaalde zij met smaad.Hij lette niet daarop.“… dat ik niet veinzen wil iets te verbloemen. Ikhebvan den eersten af gezien, dat er aan uwe zijde geene genegenheid voor mijnheer Dombey bestond—hoe kon zoo iets ook tusschen twee zoo geheel verschillende wezens bestaan!—en ikhebsedert gezien, dat er een krachtiger gevoel dan onverschilligheid in uwe borst is ontstaan—hoe kon dat ook met mogelijkheid anders wezen, in de omstandigheden waarin gij verkeert! Maar voegde het mij, mij te vermeten om u die wetenschap met zoovele woorden te bekennen?”—“Voegde het u, mijnheer,” antwoordde zij, “die andere meening te veinzen, en mij die dag aan dag vermetel op te dringen?”—“Dat deed het, mevrouw,” antwoordde hij snel. “Als ik minder had gedaan, als ik iets anders had gedaan, zou ik niet zoo tot u spreken; en ik voorzag—wie kon dat beter voorzien, want wie kende mijnheer Dombey beter dan ik?—dat indien uw karakter niet even gedwee bleek te zijn als dat zijner eerste onderdanige vrouw, hetgeen ik niet geloofde—”Een trotsche glimlach deed hem opmerken dat hij dit wel mocht herhalen.“Ik zeg, hetgeen ik niet geloofde—er waarschijnlijk een tijd zou komen, waarin zulk eene verstandhouding als waarin wij nu geraakt zijn nuttig zou wezen.”—“Voor wien nuttig, mijnheer?” vroeg zij met minachting.—“Voor u. Ik wil er niet bijvoegen voor mij zelven, als eene waarschuwing om mij te onthouden zelfs van dien beperkten lof van mijnheer Dombey, dien ik hem oprecht zou kunnen geven, om het ongeluk niet te hebben van iets te zeggen, onaangenaam voor iemand wier afkeer en minachting,” met grooten nadruk, “zoo geducht zijn.”—“Is het oprecht van u, mijnheer,” zeide Edith, “zelfs van hem op dien toon van geringschatting te spreken, terwijl gij zijn voornaamste raadgever en vleier zijt!”—“Raadgever—ja,” zeide Carker; “vleier—neen. Eene kleine geveinsdheid vrees ik te moeten belijden. Maar belang en gemak noodzaken de meeste menschen tot betuigingen van dingen die men niet kan gevoelen. Men heeft compagnieschappen van belang en gemak, vriendschappen van belang en gemak, huwelijken van belang en gemak, alle dagen.”Zij beet op hare lippen, maar bleef hem toch even scherp en strak waarnemen.“Mevrouw,” zeide Carker, zich bij haar op een stoel zettende, maar met eene vertooning van den schroomvalligsten eerbied, “waarom zou ik schromen, daar ik geheel aan uw dienst ben gewijd, om duidelijk te spreken! Het was natuurlijk, dat eene dame zoo rijk begaafd als gij, het mogelijk zou achten om het karakter van haar man in sommige opzichten te veranderen en er iets beters van te maken.”—“Dat was voormijniet natuurlijk, mijnheer,” antwoordde zij. “Ik had nooit eenige hoop of eenig voornemen van dien aard.”Het trotsche gelaat toonde hem dat het geen masker, dat hij aanbood, wilde dragen, maar zich zelf roekeloos ten toon stellen, onverschillig hoe het zich aan iemand als hij mocht voordoen.“Ten minste was het natuurlijk,” hervatte hij, “dat gij het mogelijk zoudt achten met mijnheer Dombey als zijne vrouw te leven, te gelijk zonder u aan hem te onderwerpen en zonder in zulk eene geweldige botsing met hem te komen. Maar, mevrouw, gij kendet mijnheer Dombey niet (gelijk gij sedert hebt ondervonden) toen gij dat dacht. Gij wist niet hoe aanmatigend en trotsch hij is—hoe hij als het ware de slaaf van zijne eigene grootheid is, en als een lastdier voor zijn eigen triomfwagen is gespannen, zonder om iets op de wereld te denken dan dat hij dien triomfwagen achter zich heeft, en dat hij dien over en door alles heen moet voorttrekken.”Zijne tanden glinsterden van boosaardig vermaak in die geestige vergelijking, terwijl hij voortsprak:“Mijnheer Dombey is even weinig in staat om u te ontzien, mevrouw, als om mij te ontzien. De vergelijking is stout—dat wilde ik[312]ook—maar volkomen juist. Mijnheer Dombey vroeg mij, in de volheid zijner macht—ik hoorde het gisterochtend uit zijn eigen mond—om zijn boodschapper bij u te zijn, vooreerst omdat hij weet dat ik u niet aangenaam ben, en wil dat dit eene straf voor uwe wederspannigheid zal zijn; en bovendien omdat hij werkelijk denkt dat ik, zijn betaalde dienaar, een afgezant ben niet beneden de waardigheid—niet van de dame, tot wie ik het geluk heb van te spreken; zij heeft in zijne gedachten geen bestaan—maar van zijne vrouw, een deel van hem zelven. Gij kunt u verbeelden hoe blind hij is voor de mogelijkheid, dat ik eenig persoonlijk gevoel of meening zou hebben, als hij mij openlijk zegt dat hij mij daartoe gebruikt. Gij weet hoe volmaakt onverschillig voor uw gevoel hij is, als hij u met zulk een bode dreigt—gelijk gij natuurlijk niet hebt vergeten dat hij gedaan heeft.”Zij nam hem nog oplettend waar; maar hij nam haar ook waar, en hij zag dat zijne wetenschap van iets, dat tusschen haar en haar man was voorgevallen, haar als een vergiftige pijl in de trotsche borst bleef zitten.“Ik herinner u dit alles niet om de verwijdering tusschen u en mijnheer Dombey te vergrooten, mevrouw—de hemel verhoede dat!—Wat voordeel zou het mij zijn?—maar als een voorbeeld hoe hopeloos het is mijnheer Dombey te willen leeren om iemand te ontzien, als het om hem en zijn wil te doen is. Wij, die hem omgeven, hebben, moet ik zeggen, in onze verschillende positiën het onze gedaan om hem in die denkwijs te versterken; maar als wij het niet hadden gedaan, zouden anderen het gedaan hebben—of zij zouden niet in zijne omgeving zijn gebleven; en zoo is hij geheel van die gezindheid doordrongen. Mijnheer Dombey heeft, kortom, alleen met onderdanige afhangelingen te maken, die de knie en den hals voor hem buigen. Hij heeft nooit geweten wat het is fierheid en gramschap in volle kracht tegen zich over te hebben.”—“Maar dat zal hij nu leeren!” scheen zij te zeggen, schoon hare lippen zich niet bewogen en haar blik even trotsch bleef. Hij zag het zachte dons wederom trillen, en hij zag haar de pluimen van den prachtigen vogel voor een oogenblik tegen hare borst drukken; en hij ontrolde nog een ring van de kronkels, waarin hij zich had samengewonden.—“Mijnheer Dombey, hoewel een man van eer,” zeide hij, “is zoo genegen, wanneer men hem eenigszins tegenstreeft, zelfs daadzaken naar zijne inzichten en zijne bijzondere denkwijs te verdraaien, dat hij, b.v.—en ik kan er geen beter voorbeeld van geven—oprecht gelooft (gij zult de zotheid van hetgeen ik zeggen wil wel verontschuldigen, daar ze niet van mij komt) dat de strenge uitdrukking van zijn gevoelen, bij zekere gelegenheid, die gij u misschien herinneren zult, voor den betreurden dood van mevrouw Skewton, een verpletterenden indruk op zijne vrouw heeft gemaakt, en haar voor dat oogenblik geheel deed zwichten.”Edith lachte. Hoe wanluidend behoeft niet gezegd te worden. Maar hem streelde het haar zoo te hooren lachen.“Mevrouw,” hervatte hij, “ik heb hiermede gedaan. Uwe eigene gevoelens zijn zoo krachtig en, ik ben overtuigd, zoo onveranderlijk,” hij sprak deze woorden zeer langzaam en met grooten nadruk uit, “dat ik bijna vrees mij opnieuw uw ongenoegen te berokkenen, als ik zeg dat ik, in spijt van deze gebreken en mijne volledige kennis daarvan, aan mijnheer Dombey gewend ben geworden en hem achting toedraag. Maar als ik dit zeg is het niet, geloof mij, om enkel met een gevoel te pralen dat zoozeer van het uwe verschilt, en waarmede gij niet kunt sympatheeren,”—o, hoe duidelijk en nadrukkelijk was dit alles!—“maar om u eene verzekering te geven van den ijver, waarmede ik in deze ongelukkige zaak de uwe ben, en de verontwaardiging waarmede de rol, die men mij beveelt te spelen, mij vervult.”Zij zat alsof zij bevreesd was om hare oogen van zijn gezicht af te wenden.En om nu nog den laatsten ring zijner kronkels te ontwikkelen!“Het wordt laat,” zeide Carker, na eene poos van stilte, “en gij zijt vermoeid, gelijk gij zegt, mevrouw. Maar het tweede oogmerk van dit onderhoud moet ik toch niet vergeten. Ik moet u aanbevelen, ik moet u zoo ernstig mogelijk smeeken, om voldoende redenen, die ik daarvoor heb, om voorzichtig te zijn met uwe blijken van welwillendheid voor jufvrouw Dombey.”—“Voorzichtig! Wat meent gij?”—“Om op te passen dat gij niet al te veel genegenheid voor die jonge dame laat blijken.”—“Al te veel genegenheid, mijnheer!” zeide Edith, haar voorhoofd fronsende en opstaande. “Wie beoordeelt mijne genegenheid of neemt de maat daarvan? Gij?”—“Ik ben het niet die dat doet.” Hij werd verlegen of veinsde dit.—“Wie dan?”—“Kunt gij niet raden, wie dan?”—“Ik verkies niet te raden,” antwoordde zij.—“Mevrouw,” zeide hij, na eene poos aarzelens, waaronder zij elkander nog evenals te voren bleven aanzien, “ik ben hier in eene moeielijkheid. Gij hebt mij gezegd dat gij geene boodschap wilt aannemen, en gij hebt mij verboden op die zaak terug te komen; maar die twee onderwerpen zijn zoo nauw vereenigd, dat ik, als gij deze onbepaalde waarschuwing niet wilt aannemen van iemand, die nu de eer heeft van uw vertrouwen te bezitten, het gebod, dat gij mij gegeven hebt, moet overtreden.”—“Gij weet dat het u vrijstaat dat te doen, mijnheer,” zeide Edith. “Doe het.”[313]Zoo bleek, zoo bevende, zoo hartstochtelijk! Hij had zich dus niet in den indruk misrekend.“Zijn last was,” zeide hij zacht, “dat ik u zou onderrichten dat uw gedrag ten aanzien van jufvrouw Dombey hem niet aangenaam is. Dat het vergelijkingen met hem zelven uitlokt, die hem niet gunstig zijn. Dat hij verlangt dat het geheel en al veranderd worde; en dat, als gij het ernstig daarmede meent, hij vertrouwt dat dit gebeuren zal; want dat uwe voortdurende vertooning van genegenheid het voorwerp daarvan niet voordeelig zal zijn.”—“Dat is een dreigement,” zeide zij.—“Dat is een dreigement,” antwoordde hij met zijne stemmelooze manier van toestemmen; en overluid voegde hij er bij: “maar niet tegenugericht.”“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “als gij maar zegt hoe, zult ge—zult ge mij den eetlust teruggeven—die mij lang vreemd is geweest.” (blz. 308).“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “als gij maar zegt hoe, zult ge—zult ge mij den eetlust teruggeven—die mij lang vreemd is geweest.”(blz. 308).Trotsch en statig gelijk zij daar tegen hem over stond en hem door en door zag met hare vlammende oogen, en met den glimlach vol hoon en bitterheid, zonk zij ineen alsof de grond onder haar bezweek, en zou zij op den vloer zijn gevallen, als hij haar niet in zijne armen had gevangen. Even oogenblikkelijk stiet zij hem van zich af, zoodra hij haar aanraakte, en terugtredende bleef zij weder, metuitgestrektehand, tegenover hem staan.“Wees zoo goed om mij te verlaten. Zeg niets meer van avond.”—“Ik gevoel het dringende[314]hiervan,” zeide Carker, “omdat het onmogelijk is te zeggen welke onvoorziene gevolgen er uit kunnen ontstaan, of hoe spoedig, dat gij met zijne gemoedsstemming onbekend zijt. Ik hoor dat jufvrouw Dombey nu juist bedroefd is over het wegzenden eener oude dienstbode, hetgeen waarschijnlijk op zich zelf een der geringere gevolgen is. Gij laakt mij niet omdat ik verzocht heb dat jufvrouw Dombey er niet bij zou zijn. Mag ik dat hopen?”—“Ik laak u niet. Wees zoo goed om mij alleen te laten.”—“Ik wist dat uwe genegenheid voor de jonge dame, die ik wel weet dat oprecht en groot is, het voor een groot verdriet voor u zou maken, te moeten denken dat gij hare positie hadt benadeeld en hare hoop voor de toekomst verwoest,” zeide Carker, haastig maar nadrukkelijk.—“Niet meer van avond. Verlaat mij, als ’t u belieft.”—“Ik zal, om hem op te passen en over zaken te spreken, gedurig hier komen. Gij zult mij wel vergunnen u weder te zien, u te raadplegen over hetgeen er gedaan moet worden en naar uwe wenschen te vernemen?”Zij wees hem naar de deur.“Ik kan zelfs niet besluiten of ik hem zal zeggen dat ik u al gesproken heb; of hem laten denken, dat ik dit uit gebrek aan gelegenheid of om eene andere reden heb uitgesteld. Het zal noodig zijn dat gij mij gelegenheid geeft u binnen kort daarover te raadplegen.”—“Wanneer gij maar wilt, behalve nu.”—“Gij zult wel begrijpen, als ik u wensch te spreken, dat jufvrouw Dombey er niet bij moet wezen; en dat ik dan een onderhoud zoek als iemand die het geluk heeft van uw vertrouwen te bezitten, en die u alle hulp in zijn vermogen komt bewijzen, en misschien bij vele gelegenheden kwaad van haar afwenden.”Hem nog aanziende met denzelfden schijn van vrees om hem voor een oogenblik van den invloed van haar strakken blik te bevrijden, antwoordde zij: “Ja!” en beval hem nog eens om heen te gaan.Hij boog als om te gehoorzamen, maar terugkeerende toen hij bijna de deur bereikt had, zeide hij:“Ik ben vergeven, en heb mijn misdrijf opgehelderd. Mag ik—ter wille van jufvrouw Dombey en mij zelven—uwe hand vatten eer ik heenga?”Zij gaf hem de gehandschoende hand, die zij den vorigen avond had gekwetst. Hij nam ze, kuste ze en ging. En toen hij de deur had gesloten, wuifde hij de hand waarmede hij de hare had gevat, en stak ze in zijne borst.
[Inhoud]XLV.DE VERTROUWELING.Edith ging dien dag alleen uit en kwam vroeg weder thuis. Het was maar weinige minuten over tienen, toen hare koets de straat, waar zij woonde, inreed.Haar gelaat vertoonde dezelfde gedwongene kalmte als toen zij zich liet kleeden; en de krans op hare lokken omgaf hetzelfde strakke voorhoofd. Maar het zou beter geweest zijn dat de bloemen en bladeren door hare hartstochtelijke hand in stukken waren gescheurd, of platgedrukt door het woelen van het hoofd, dat voor het verbijsterde brein eene rustplaats zocht, dan dat zij zulk eene kalmte versierden. Zoo ongenaakbaar, zoo onverbiddelijk, zoo onbuigzaam scheen die vrouw, alsof niets haar gemoed kon verzachten en alles in haar leven had bijgedragen om het te verharden.Zij wilde juist voor hare deur afstappen, toen iemand, die stil het voorhuis uitkwam, blootshoofds bij het portier bleef staan, en haar zijn arm bood. Daar de knecht was weggeduwd, kon zij niet anders dan dien arm aanraken, en zij wist wiens arm het was.“Hoe is uw patiënt, mijnheer?” zeide zij met opkrullende lip.—“Hij is beter,” antwoordde Carker. “Het gaat heel goed met hem. Ik heb hem voor van nacht verlaten.”Zij boog haar hoofd en ging hem voorbij de trap op, toen hij haar volgde en onder aan de trap zeide:“Mevrouw, mag ik u een oogenblik gehoor verzoeken?”Zij bleef staan en zag om. “Het is een ongelegen tijd, mijnheer, en ik ben vermoeid. Is de zaak dringend?”“Zeer dringend,” antwoordde Carker. “Daar ik u zoo gelukkig heb ontmoet, hoop ik dus zoo vrij te mogen zijn om er op aan te houden.”Zij zag omlaag naar zijn glinsterenden mond; en hij zag naar haar op, die boven hem stond, in hare statige kleeding, en dacht wederom, hoe schoon zij toch was.“Waar is jufvrouw Dombey?” vroeg zij den knecht hardop.—“In de ontbijtkamer, mevrouw.”—“Doe die dan open!” Wederom naar den oplettenden heer onder aan de trap omziende, en hem door eene kleine beweging van haar hoofd aanduidende dat het hem vrijstond haar te volgen, ging zij verder.—“Neem mij niet kwalijk! Mevrouw! Mevrouw Dombey!” zeide de zachtbespraakte en vlugge Carker, in een oogenblik naast haar. “Mag ik zoo vrij zijn te verzoeken dat jufvrouw Dombey er niet bij is?”Zij zag hem nog eens aan met een snellen blik, maar met dezelfde strakke bedaardheid.“Ik wilde jufvrouw Dombey de kennis besparen,” zeide Carker zeer zacht, “van hetgeen ik te zeggen heb. Ten minste, mevrouw, wilde ik het aan u overlaten om te beslissen of zij er van weten moet of niet. Dat ben ik u verplicht. Na ons vroeger onderhoud zou het onverschoonlijk van mij zijn als ik anders handelde.”Zij wendde langzaam hare oogen van hem af, en zich naar den knecht keerende, zeide zij: “Eene andere kamer.”Hij ging vooruit naar een der salons, waar hij spoedig licht aanstak, en liet hen daar. Zoolang hij er was, werd er geen woord gesproken. Edith plaatste zich op eene sofa bij den haard als op een troon; Carker bleef, met den hoed in de hand en zijne oogen op het tapijt gevestigd, op eenigen afstand van haar staan.“Eer ik u hoor, mijnheer,” zeide Edith, toen de deur gesloten was, “wensch ik dat gij mij hoort.”—“Door mevrouw Dombey te worden aangesproken,” antwoordde hij, “zelfs met woorden van onverdiend verwijt, is eene eer die ik zoo hoog schat, dat ik, al was ik niet in alle dingen haar dienaar, mij toch gereedelijk aan zulk een wensch zou onderschikken.”—“Als gij door den man, dien gij zoo even verlaten hebt, met eene boodschap aan mij zijt belast,” Carker sloeg zijne oogen op alsof hij verwondering wilde veinzen, maar haar blik sloot hem den mond, “doe dan maar geene moeite om ze over te brengen, want ik wil ze niet aannemen. Ik behoef u haast niet te vragen of gij met zulk eene boodschap komt. Ik heb u al eenigen tijd verwacht.”—“Het is mijn ongeluk,” antwoordde hij, “geheel tegen mijn wil met zulk een oogmerk hier te komen. Vergun mij te mogen zeggen dat ik met twee oogmerken hier kom. Dat is het eene.”—“Dat eene, mijnheer, is afgedaan,” zeide zij. “Of als gij er op terugkomt.…”—“Kan mevrouw Dombey gelooven,” zeide Carker, haar naderende, “dat ik er tegen haar verbod op zou terugkomen? Is het mogelijk, dat mevrouw Dombey, zonder op mijne ongelukkige positie te letten, mij volstrekt het groote onrecht wil aandoen om mij als onafscheidbaar van mijn lastgever te beschouwen?”—“Mijnheer,” antwoordde Edith, haar donkeren blik strak op hem vestigende, en met eene hartstochtelijkheid sprekende, die het witte dons in beweging bracht, hetwelk de schouders bedekte, die met de sneeuwkleur daarvan konden wedijveren. “Waarom komt gij voor mij, gelijk gij gedaan hebt, en spreekt mij van liefde en plicht voor mijn man, en veinst gij te denken dat ik hem hoogacht? Hoe durft gij mij zoo beleedigen, terwijl gij weet—ikweet dat gij beter weet, mijnheer; ik heb dat in elken blik van u gezien, en in ieder woord van u gehoord—dat er in plaats van genegenheid, afkeer en minachting tusschen ons is, en dat ik hem nauwelijks minder veracht dan ik mij zelve veracht omdat ik de zijne[311]ben. Onrecht! Als ik recht had gedaan aan de pijn, die gij mij hebt doen voelen, en aan mijn gevoel van de beleediging die gij mij hebt aangedaan, had ik u kunnen vermoorden!”Zij vroeg hem waarom hij dat gedaan had. Als zij niet door haar trots en gramschap, zoowel als door het gevoel van zelfvernedering, verblind was geweest, zou zij het antwoord op zijn gezicht hebben gelezen. Juist om haar tot deze verklaring te brengen.Zij zag dit niet en bekommerde er zich ook niet om hoe het was. Zij zag alleen de vernederingen, die zij ondergaan had en nog onderging, en kromp daaronder van pijn. Haar strakke blik was veeleer daarop dan op hem gevestigd, terwijl zij de vederen uit de wiek van een prachtigen vogel, die aan een gouden koordje aan haar arm hing, om haar tot waaier te dienen, uitplukte en op den grond liet regenen.Hij deinsde niet terug voor haar blik, maar bleef staan tot de teekenen van ongenoegen, die zij zich had laten ontsnappen, verdwenen waren, als een man die een voldoenend antwoord gereed had, en dit weldra zou uitspreken. En toen sprak hij, terwijl hij haar recht in de schitterende oogen zag.“Mevrouw,” zeide hij, “ik weet, en wist reeds vroeger, dat ik geene gunst bij u gevonden had, en ik wist ook wel waarom niet. Ja, ik wist wel waarom niet. Gij hebt zoo openlijk tot mij gesproken; en ik gevoel mij zoo verlicht door het bezit van uw vertrouwen.…”—“Vertrouwen!” herhaalde zij met smaad.Hij lette niet daarop.“… dat ik niet veinzen wil iets te verbloemen. Ikhebvan den eersten af gezien, dat er aan uwe zijde geene genegenheid voor mijnheer Dombey bestond—hoe kon zoo iets ook tusschen twee zoo geheel verschillende wezens bestaan!—en ikhebsedert gezien, dat er een krachtiger gevoel dan onverschilligheid in uwe borst is ontstaan—hoe kon dat ook met mogelijkheid anders wezen, in de omstandigheden waarin gij verkeert! Maar voegde het mij, mij te vermeten om u die wetenschap met zoovele woorden te bekennen?”—“Voegde het u, mijnheer,” antwoordde zij, “die andere meening te veinzen, en mij die dag aan dag vermetel op te dringen?”—“Dat deed het, mevrouw,” antwoordde hij snel. “Als ik minder had gedaan, als ik iets anders had gedaan, zou ik niet zoo tot u spreken; en ik voorzag—wie kon dat beter voorzien, want wie kende mijnheer Dombey beter dan ik?—dat indien uw karakter niet even gedwee bleek te zijn als dat zijner eerste onderdanige vrouw, hetgeen ik niet geloofde—”Een trotsche glimlach deed hem opmerken dat hij dit wel mocht herhalen.“Ik zeg, hetgeen ik niet geloofde—er waarschijnlijk een tijd zou komen, waarin zulk eene verstandhouding als waarin wij nu geraakt zijn nuttig zou wezen.”—“Voor wien nuttig, mijnheer?” vroeg zij met minachting.—“Voor u. Ik wil er niet bijvoegen voor mij zelven, als eene waarschuwing om mij te onthouden zelfs van dien beperkten lof van mijnheer Dombey, dien ik hem oprecht zou kunnen geven, om het ongeluk niet te hebben van iets te zeggen, onaangenaam voor iemand wier afkeer en minachting,” met grooten nadruk, “zoo geducht zijn.”—“Is het oprecht van u, mijnheer,” zeide Edith, “zelfs van hem op dien toon van geringschatting te spreken, terwijl gij zijn voornaamste raadgever en vleier zijt!”—“Raadgever—ja,” zeide Carker; “vleier—neen. Eene kleine geveinsdheid vrees ik te moeten belijden. Maar belang en gemak noodzaken de meeste menschen tot betuigingen van dingen die men niet kan gevoelen. Men heeft compagnieschappen van belang en gemak, vriendschappen van belang en gemak, huwelijken van belang en gemak, alle dagen.”Zij beet op hare lippen, maar bleef hem toch even scherp en strak waarnemen.“Mevrouw,” zeide Carker, zich bij haar op een stoel zettende, maar met eene vertooning van den schroomvalligsten eerbied, “waarom zou ik schromen, daar ik geheel aan uw dienst ben gewijd, om duidelijk te spreken! Het was natuurlijk, dat eene dame zoo rijk begaafd als gij, het mogelijk zou achten om het karakter van haar man in sommige opzichten te veranderen en er iets beters van te maken.”—“Dat was voormijniet natuurlijk, mijnheer,” antwoordde zij. “Ik had nooit eenige hoop of eenig voornemen van dien aard.”Het trotsche gelaat toonde hem dat het geen masker, dat hij aanbood, wilde dragen, maar zich zelf roekeloos ten toon stellen, onverschillig hoe het zich aan iemand als hij mocht voordoen.“Ten minste was het natuurlijk,” hervatte hij, “dat gij het mogelijk zoudt achten met mijnheer Dombey als zijne vrouw te leven, te gelijk zonder u aan hem te onderwerpen en zonder in zulk eene geweldige botsing met hem te komen. Maar, mevrouw, gij kendet mijnheer Dombey niet (gelijk gij sedert hebt ondervonden) toen gij dat dacht. Gij wist niet hoe aanmatigend en trotsch hij is—hoe hij als het ware de slaaf van zijne eigene grootheid is, en als een lastdier voor zijn eigen triomfwagen is gespannen, zonder om iets op de wereld te denken dan dat hij dien triomfwagen achter zich heeft, en dat hij dien over en door alles heen moet voorttrekken.”Zijne tanden glinsterden van boosaardig vermaak in die geestige vergelijking, terwijl hij voortsprak:“Mijnheer Dombey is even weinig in staat om u te ontzien, mevrouw, als om mij te ontzien. De vergelijking is stout—dat wilde ik[312]ook—maar volkomen juist. Mijnheer Dombey vroeg mij, in de volheid zijner macht—ik hoorde het gisterochtend uit zijn eigen mond—om zijn boodschapper bij u te zijn, vooreerst omdat hij weet dat ik u niet aangenaam ben, en wil dat dit eene straf voor uwe wederspannigheid zal zijn; en bovendien omdat hij werkelijk denkt dat ik, zijn betaalde dienaar, een afgezant ben niet beneden de waardigheid—niet van de dame, tot wie ik het geluk heb van te spreken; zij heeft in zijne gedachten geen bestaan—maar van zijne vrouw, een deel van hem zelven. Gij kunt u verbeelden hoe blind hij is voor de mogelijkheid, dat ik eenig persoonlijk gevoel of meening zou hebben, als hij mij openlijk zegt dat hij mij daartoe gebruikt. Gij weet hoe volmaakt onverschillig voor uw gevoel hij is, als hij u met zulk een bode dreigt—gelijk gij natuurlijk niet hebt vergeten dat hij gedaan heeft.”Zij nam hem nog oplettend waar; maar hij nam haar ook waar, en hij zag dat zijne wetenschap van iets, dat tusschen haar en haar man was voorgevallen, haar als een vergiftige pijl in de trotsche borst bleef zitten.“Ik herinner u dit alles niet om de verwijdering tusschen u en mijnheer Dombey te vergrooten, mevrouw—de hemel verhoede dat!—Wat voordeel zou het mij zijn?—maar als een voorbeeld hoe hopeloos het is mijnheer Dombey te willen leeren om iemand te ontzien, als het om hem en zijn wil te doen is. Wij, die hem omgeven, hebben, moet ik zeggen, in onze verschillende positiën het onze gedaan om hem in die denkwijs te versterken; maar als wij het niet hadden gedaan, zouden anderen het gedaan hebben—of zij zouden niet in zijne omgeving zijn gebleven; en zoo is hij geheel van die gezindheid doordrongen. Mijnheer Dombey heeft, kortom, alleen met onderdanige afhangelingen te maken, die de knie en den hals voor hem buigen. Hij heeft nooit geweten wat het is fierheid en gramschap in volle kracht tegen zich over te hebben.”—“Maar dat zal hij nu leeren!” scheen zij te zeggen, schoon hare lippen zich niet bewogen en haar blik even trotsch bleef. Hij zag het zachte dons wederom trillen, en hij zag haar de pluimen van den prachtigen vogel voor een oogenblik tegen hare borst drukken; en hij ontrolde nog een ring van de kronkels, waarin hij zich had samengewonden.—“Mijnheer Dombey, hoewel een man van eer,” zeide hij, “is zoo genegen, wanneer men hem eenigszins tegenstreeft, zelfs daadzaken naar zijne inzichten en zijne bijzondere denkwijs te verdraaien, dat hij, b.v.—en ik kan er geen beter voorbeeld van geven—oprecht gelooft (gij zult de zotheid van hetgeen ik zeggen wil wel verontschuldigen, daar ze niet van mij komt) dat de strenge uitdrukking van zijn gevoelen, bij zekere gelegenheid, die gij u misschien herinneren zult, voor den betreurden dood van mevrouw Skewton, een verpletterenden indruk op zijne vrouw heeft gemaakt, en haar voor dat oogenblik geheel deed zwichten.”Edith lachte. Hoe wanluidend behoeft niet gezegd te worden. Maar hem streelde het haar zoo te hooren lachen.“Mevrouw,” hervatte hij, “ik heb hiermede gedaan. Uwe eigene gevoelens zijn zoo krachtig en, ik ben overtuigd, zoo onveranderlijk,” hij sprak deze woorden zeer langzaam en met grooten nadruk uit, “dat ik bijna vrees mij opnieuw uw ongenoegen te berokkenen, als ik zeg dat ik, in spijt van deze gebreken en mijne volledige kennis daarvan, aan mijnheer Dombey gewend ben geworden en hem achting toedraag. Maar als ik dit zeg is het niet, geloof mij, om enkel met een gevoel te pralen dat zoozeer van het uwe verschilt, en waarmede gij niet kunt sympatheeren,”—o, hoe duidelijk en nadrukkelijk was dit alles!—“maar om u eene verzekering te geven van den ijver, waarmede ik in deze ongelukkige zaak de uwe ben, en de verontwaardiging waarmede de rol, die men mij beveelt te spelen, mij vervult.”Zij zat alsof zij bevreesd was om hare oogen van zijn gezicht af te wenden.En om nu nog den laatsten ring zijner kronkels te ontwikkelen!“Het wordt laat,” zeide Carker, na eene poos van stilte, “en gij zijt vermoeid, gelijk gij zegt, mevrouw. Maar het tweede oogmerk van dit onderhoud moet ik toch niet vergeten. Ik moet u aanbevelen, ik moet u zoo ernstig mogelijk smeeken, om voldoende redenen, die ik daarvoor heb, om voorzichtig te zijn met uwe blijken van welwillendheid voor jufvrouw Dombey.”—“Voorzichtig! Wat meent gij?”—“Om op te passen dat gij niet al te veel genegenheid voor die jonge dame laat blijken.”—“Al te veel genegenheid, mijnheer!” zeide Edith, haar voorhoofd fronsende en opstaande. “Wie beoordeelt mijne genegenheid of neemt de maat daarvan? Gij?”—“Ik ben het niet die dat doet.” Hij werd verlegen of veinsde dit.—“Wie dan?”—“Kunt gij niet raden, wie dan?”—“Ik verkies niet te raden,” antwoordde zij.—“Mevrouw,” zeide hij, na eene poos aarzelens, waaronder zij elkander nog evenals te voren bleven aanzien, “ik ben hier in eene moeielijkheid. Gij hebt mij gezegd dat gij geene boodschap wilt aannemen, en gij hebt mij verboden op die zaak terug te komen; maar die twee onderwerpen zijn zoo nauw vereenigd, dat ik, als gij deze onbepaalde waarschuwing niet wilt aannemen van iemand, die nu de eer heeft van uw vertrouwen te bezitten, het gebod, dat gij mij gegeven hebt, moet overtreden.”—“Gij weet dat het u vrijstaat dat te doen, mijnheer,” zeide Edith. “Doe het.”[313]Zoo bleek, zoo bevende, zoo hartstochtelijk! Hij had zich dus niet in den indruk misrekend.“Zijn last was,” zeide hij zacht, “dat ik u zou onderrichten dat uw gedrag ten aanzien van jufvrouw Dombey hem niet aangenaam is. Dat het vergelijkingen met hem zelven uitlokt, die hem niet gunstig zijn. Dat hij verlangt dat het geheel en al veranderd worde; en dat, als gij het ernstig daarmede meent, hij vertrouwt dat dit gebeuren zal; want dat uwe voortdurende vertooning van genegenheid het voorwerp daarvan niet voordeelig zal zijn.”—“Dat is een dreigement,” zeide zij.—“Dat is een dreigement,” antwoordde hij met zijne stemmelooze manier van toestemmen; en overluid voegde hij er bij: “maar niet tegenugericht.”“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “als gij maar zegt hoe, zult ge—zult ge mij den eetlust teruggeven—die mij lang vreemd is geweest.” (blz. 308).“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “als gij maar zegt hoe, zult ge—zult ge mij den eetlust teruggeven—die mij lang vreemd is geweest.”(blz. 308).Trotsch en statig gelijk zij daar tegen hem over stond en hem door en door zag met hare vlammende oogen, en met den glimlach vol hoon en bitterheid, zonk zij ineen alsof de grond onder haar bezweek, en zou zij op den vloer zijn gevallen, als hij haar niet in zijne armen had gevangen. Even oogenblikkelijk stiet zij hem van zich af, zoodra hij haar aanraakte, en terugtredende bleef zij weder, metuitgestrektehand, tegenover hem staan.“Wees zoo goed om mij te verlaten. Zeg niets meer van avond.”—“Ik gevoel het dringende[314]hiervan,” zeide Carker, “omdat het onmogelijk is te zeggen welke onvoorziene gevolgen er uit kunnen ontstaan, of hoe spoedig, dat gij met zijne gemoedsstemming onbekend zijt. Ik hoor dat jufvrouw Dombey nu juist bedroefd is over het wegzenden eener oude dienstbode, hetgeen waarschijnlijk op zich zelf een der geringere gevolgen is. Gij laakt mij niet omdat ik verzocht heb dat jufvrouw Dombey er niet bij zou zijn. Mag ik dat hopen?”—“Ik laak u niet. Wees zoo goed om mij alleen te laten.”—“Ik wist dat uwe genegenheid voor de jonge dame, die ik wel weet dat oprecht en groot is, het voor een groot verdriet voor u zou maken, te moeten denken dat gij hare positie hadt benadeeld en hare hoop voor de toekomst verwoest,” zeide Carker, haastig maar nadrukkelijk.—“Niet meer van avond. Verlaat mij, als ’t u belieft.”—“Ik zal, om hem op te passen en over zaken te spreken, gedurig hier komen. Gij zult mij wel vergunnen u weder te zien, u te raadplegen over hetgeen er gedaan moet worden en naar uwe wenschen te vernemen?”Zij wees hem naar de deur.“Ik kan zelfs niet besluiten of ik hem zal zeggen dat ik u al gesproken heb; of hem laten denken, dat ik dit uit gebrek aan gelegenheid of om eene andere reden heb uitgesteld. Het zal noodig zijn dat gij mij gelegenheid geeft u binnen kort daarover te raadplegen.”—“Wanneer gij maar wilt, behalve nu.”—“Gij zult wel begrijpen, als ik u wensch te spreken, dat jufvrouw Dombey er niet bij moet wezen; en dat ik dan een onderhoud zoek als iemand die het geluk heeft van uw vertrouwen te bezitten, en die u alle hulp in zijn vermogen komt bewijzen, en misschien bij vele gelegenheden kwaad van haar afwenden.”Hem nog aanziende met denzelfden schijn van vrees om hem voor een oogenblik van den invloed van haar strakken blik te bevrijden, antwoordde zij: “Ja!” en beval hem nog eens om heen te gaan.Hij boog als om te gehoorzamen, maar terugkeerende toen hij bijna de deur bereikt had, zeide hij:“Ik ben vergeven, en heb mijn misdrijf opgehelderd. Mag ik—ter wille van jufvrouw Dombey en mij zelven—uwe hand vatten eer ik heenga?”Zij gaf hem de gehandschoende hand, die zij den vorigen avond had gekwetst. Hij nam ze, kuste ze en ging. En toen hij de deur had gesloten, wuifde hij de hand waarmede hij de hare had gevat, en stak ze in zijne borst.
XLV.DE VERTROUWELING.
Edith ging dien dag alleen uit en kwam vroeg weder thuis. Het was maar weinige minuten over tienen, toen hare koets de straat, waar zij woonde, inreed.Haar gelaat vertoonde dezelfde gedwongene kalmte als toen zij zich liet kleeden; en de krans op hare lokken omgaf hetzelfde strakke voorhoofd. Maar het zou beter geweest zijn dat de bloemen en bladeren door hare hartstochtelijke hand in stukken waren gescheurd, of platgedrukt door het woelen van het hoofd, dat voor het verbijsterde brein eene rustplaats zocht, dan dat zij zulk eene kalmte versierden. Zoo ongenaakbaar, zoo onverbiddelijk, zoo onbuigzaam scheen die vrouw, alsof niets haar gemoed kon verzachten en alles in haar leven had bijgedragen om het te verharden.Zij wilde juist voor hare deur afstappen, toen iemand, die stil het voorhuis uitkwam, blootshoofds bij het portier bleef staan, en haar zijn arm bood. Daar de knecht was weggeduwd, kon zij niet anders dan dien arm aanraken, en zij wist wiens arm het was.“Hoe is uw patiënt, mijnheer?” zeide zij met opkrullende lip.—“Hij is beter,” antwoordde Carker. “Het gaat heel goed met hem. Ik heb hem voor van nacht verlaten.”Zij boog haar hoofd en ging hem voorbij de trap op, toen hij haar volgde en onder aan de trap zeide:“Mevrouw, mag ik u een oogenblik gehoor verzoeken?”Zij bleef staan en zag om. “Het is een ongelegen tijd, mijnheer, en ik ben vermoeid. Is de zaak dringend?”“Zeer dringend,” antwoordde Carker. “Daar ik u zoo gelukkig heb ontmoet, hoop ik dus zoo vrij te mogen zijn om er op aan te houden.”Zij zag omlaag naar zijn glinsterenden mond; en hij zag naar haar op, die boven hem stond, in hare statige kleeding, en dacht wederom, hoe schoon zij toch was.“Waar is jufvrouw Dombey?” vroeg zij den knecht hardop.—“In de ontbijtkamer, mevrouw.”—“Doe die dan open!” Wederom naar den oplettenden heer onder aan de trap omziende, en hem door eene kleine beweging van haar hoofd aanduidende dat het hem vrijstond haar te volgen, ging zij verder.—“Neem mij niet kwalijk! Mevrouw! Mevrouw Dombey!” zeide de zachtbespraakte en vlugge Carker, in een oogenblik naast haar. “Mag ik zoo vrij zijn te verzoeken dat jufvrouw Dombey er niet bij is?”Zij zag hem nog eens aan met een snellen blik, maar met dezelfde strakke bedaardheid.“Ik wilde jufvrouw Dombey de kennis besparen,” zeide Carker zeer zacht, “van hetgeen ik te zeggen heb. Ten minste, mevrouw, wilde ik het aan u overlaten om te beslissen of zij er van weten moet of niet. Dat ben ik u verplicht. Na ons vroeger onderhoud zou het onverschoonlijk van mij zijn als ik anders handelde.”Zij wendde langzaam hare oogen van hem af, en zich naar den knecht keerende, zeide zij: “Eene andere kamer.”Hij ging vooruit naar een der salons, waar hij spoedig licht aanstak, en liet hen daar. Zoolang hij er was, werd er geen woord gesproken. Edith plaatste zich op eene sofa bij den haard als op een troon; Carker bleef, met den hoed in de hand en zijne oogen op het tapijt gevestigd, op eenigen afstand van haar staan.“Eer ik u hoor, mijnheer,” zeide Edith, toen de deur gesloten was, “wensch ik dat gij mij hoort.”—“Door mevrouw Dombey te worden aangesproken,” antwoordde hij, “zelfs met woorden van onverdiend verwijt, is eene eer die ik zoo hoog schat, dat ik, al was ik niet in alle dingen haar dienaar, mij toch gereedelijk aan zulk een wensch zou onderschikken.”—“Als gij door den man, dien gij zoo even verlaten hebt, met eene boodschap aan mij zijt belast,” Carker sloeg zijne oogen op alsof hij verwondering wilde veinzen, maar haar blik sloot hem den mond, “doe dan maar geene moeite om ze over te brengen, want ik wil ze niet aannemen. Ik behoef u haast niet te vragen of gij met zulk eene boodschap komt. Ik heb u al eenigen tijd verwacht.”—“Het is mijn ongeluk,” antwoordde hij, “geheel tegen mijn wil met zulk een oogmerk hier te komen. Vergun mij te mogen zeggen dat ik met twee oogmerken hier kom. Dat is het eene.”—“Dat eene, mijnheer, is afgedaan,” zeide zij. “Of als gij er op terugkomt.…”—“Kan mevrouw Dombey gelooven,” zeide Carker, haar naderende, “dat ik er tegen haar verbod op zou terugkomen? Is het mogelijk, dat mevrouw Dombey, zonder op mijne ongelukkige positie te letten, mij volstrekt het groote onrecht wil aandoen om mij als onafscheidbaar van mijn lastgever te beschouwen?”—“Mijnheer,” antwoordde Edith, haar donkeren blik strak op hem vestigende, en met eene hartstochtelijkheid sprekende, die het witte dons in beweging bracht, hetwelk de schouders bedekte, die met de sneeuwkleur daarvan konden wedijveren. “Waarom komt gij voor mij, gelijk gij gedaan hebt, en spreekt mij van liefde en plicht voor mijn man, en veinst gij te denken dat ik hem hoogacht? Hoe durft gij mij zoo beleedigen, terwijl gij weet—ikweet dat gij beter weet, mijnheer; ik heb dat in elken blik van u gezien, en in ieder woord van u gehoord—dat er in plaats van genegenheid, afkeer en minachting tusschen ons is, en dat ik hem nauwelijks minder veracht dan ik mij zelve veracht omdat ik de zijne[311]ben. Onrecht! Als ik recht had gedaan aan de pijn, die gij mij hebt doen voelen, en aan mijn gevoel van de beleediging die gij mij hebt aangedaan, had ik u kunnen vermoorden!”Zij vroeg hem waarom hij dat gedaan had. Als zij niet door haar trots en gramschap, zoowel als door het gevoel van zelfvernedering, verblind was geweest, zou zij het antwoord op zijn gezicht hebben gelezen. Juist om haar tot deze verklaring te brengen.Zij zag dit niet en bekommerde er zich ook niet om hoe het was. Zij zag alleen de vernederingen, die zij ondergaan had en nog onderging, en kromp daaronder van pijn. Haar strakke blik was veeleer daarop dan op hem gevestigd, terwijl zij de vederen uit de wiek van een prachtigen vogel, die aan een gouden koordje aan haar arm hing, om haar tot waaier te dienen, uitplukte en op den grond liet regenen.Hij deinsde niet terug voor haar blik, maar bleef staan tot de teekenen van ongenoegen, die zij zich had laten ontsnappen, verdwenen waren, als een man die een voldoenend antwoord gereed had, en dit weldra zou uitspreken. En toen sprak hij, terwijl hij haar recht in de schitterende oogen zag.“Mevrouw,” zeide hij, “ik weet, en wist reeds vroeger, dat ik geene gunst bij u gevonden had, en ik wist ook wel waarom niet. Ja, ik wist wel waarom niet. Gij hebt zoo openlijk tot mij gesproken; en ik gevoel mij zoo verlicht door het bezit van uw vertrouwen.…”—“Vertrouwen!” herhaalde zij met smaad.Hij lette niet daarop.“… dat ik niet veinzen wil iets te verbloemen. Ikhebvan den eersten af gezien, dat er aan uwe zijde geene genegenheid voor mijnheer Dombey bestond—hoe kon zoo iets ook tusschen twee zoo geheel verschillende wezens bestaan!—en ikhebsedert gezien, dat er een krachtiger gevoel dan onverschilligheid in uwe borst is ontstaan—hoe kon dat ook met mogelijkheid anders wezen, in de omstandigheden waarin gij verkeert! Maar voegde het mij, mij te vermeten om u die wetenschap met zoovele woorden te bekennen?”—“Voegde het u, mijnheer,” antwoordde zij, “die andere meening te veinzen, en mij die dag aan dag vermetel op te dringen?”—“Dat deed het, mevrouw,” antwoordde hij snel. “Als ik minder had gedaan, als ik iets anders had gedaan, zou ik niet zoo tot u spreken; en ik voorzag—wie kon dat beter voorzien, want wie kende mijnheer Dombey beter dan ik?—dat indien uw karakter niet even gedwee bleek te zijn als dat zijner eerste onderdanige vrouw, hetgeen ik niet geloofde—”Een trotsche glimlach deed hem opmerken dat hij dit wel mocht herhalen.“Ik zeg, hetgeen ik niet geloofde—er waarschijnlijk een tijd zou komen, waarin zulk eene verstandhouding als waarin wij nu geraakt zijn nuttig zou wezen.”—“Voor wien nuttig, mijnheer?” vroeg zij met minachting.—“Voor u. Ik wil er niet bijvoegen voor mij zelven, als eene waarschuwing om mij te onthouden zelfs van dien beperkten lof van mijnheer Dombey, dien ik hem oprecht zou kunnen geven, om het ongeluk niet te hebben van iets te zeggen, onaangenaam voor iemand wier afkeer en minachting,” met grooten nadruk, “zoo geducht zijn.”—“Is het oprecht van u, mijnheer,” zeide Edith, “zelfs van hem op dien toon van geringschatting te spreken, terwijl gij zijn voornaamste raadgever en vleier zijt!”—“Raadgever—ja,” zeide Carker; “vleier—neen. Eene kleine geveinsdheid vrees ik te moeten belijden. Maar belang en gemak noodzaken de meeste menschen tot betuigingen van dingen die men niet kan gevoelen. Men heeft compagnieschappen van belang en gemak, vriendschappen van belang en gemak, huwelijken van belang en gemak, alle dagen.”Zij beet op hare lippen, maar bleef hem toch even scherp en strak waarnemen.“Mevrouw,” zeide Carker, zich bij haar op een stoel zettende, maar met eene vertooning van den schroomvalligsten eerbied, “waarom zou ik schromen, daar ik geheel aan uw dienst ben gewijd, om duidelijk te spreken! Het was natuurlijk, dat eene dame zoo rijk begaafd als gij, het mogelijk zou achten om het karakter van haar man in sommige opzichten te veranderen en er iets beters van te maken.”—“Dat was voormijniet natuurlijk, mijnheer,” antwoordde zij. “Ik had nooit eenige hoop of eenig voornemen van dien aard.”Het trotsche gelaat toonde hem dat het geen masker, dat hij aanbood, wilde dragen, maar zich zelf roekeloos ten toon stellen, onverschillig hoe het zich aan iemand als hij mocht voordoen.“Ten minste was het natuurlijk,” hervatte hij, “dat gij het mogelijk zoudt achten met mijnheer Dombey als zijne vrouw te leven, te gelijk zonder u aan hem te onderwerpen en zonder in zulk eene geweldige botsing met hem te komen. Maar, mevrouw, gij kendet mijnheer Dombey niet (gelijk gij sedert hebt ondervonden) toen gij dat dacht. Gij wist niet hoe aanmatigend en trotsch hij is—hoe hij als het ware de slaaf van zijne eigene grootheid is, en als een lastdier voor zijn eigen triomfwagen is gespannen, zonder om iets op de wereld te denken dan dat hij dien triomfwagen achter zich heeft, en dat hij dien over en door alles heen moet voorttrekken.”Zijne tanden glinsterden van boosaardig vermaak in die geestige vergelijking, terwijl hij voortsprak:“Mijnheer Dombey is even weinig in staat om u te ontzien, mevrouw, als om mij te ontzien. De vergelijking is stout—dat wilde ik[312]ook—maar volkomen juist. Mijnheer Dombey vroeg mij, in de volheid zijner macht—ik hoorde het gisterochtend uit zijn eigen mond—om zijn boodschapper bij u te zijn, vooreerst omdat hij weet dat ik u niet aangenaam ben, en wil dat dit eene straf voor uwe wederspannigheid zal zijn; en bovendien omdat hij werkelijk denkt dat ik, zijn betaalde dienaar, een afgezant ben niet beneden de waardigheid—niet van de dame, tot wie ik het geluk heb van te spreken; zij heeft in zijne gedachten geen bestaan—maar van zijne vrouw, een deel van hem zelven. Gij kunt u verbeelden hoe blind hij is voor de mogelijkheid, dat ik eenig persoonlijk gevoel of meening zou hebben, als hij mij openlijk zegt dat hij mij daartoe gebruikt. Gij weet hoe volmaakt onverschillig voor uw gevoel hij is, als hij u met zulk een bode dreigt—gelijk gij natuurlijk niet hebt vergeten dat hij gedaan heeft.”Zij nam hem nog oplettend waar; maar hij nam haar ook waar, en hij zag dat zijne wetenschap van iets, dat tusschen haar en haar man was voorgevallen, haar als een vergiftige pijl in de trotsche borst bleef zitten.“Ik herinner u dit alles niet om de verwijdering tusschen u en mijnheer Dombey te vergrooten, mevrouw—de hemel verhoede dat!—Wat voordeel zou het mij zijn?—maar als een voorbeeld hoe hopeloos het is mijnheer Dombey te willen leeren om iemand te ontzien, als het om hem en zijn wil te doen is. Wij, die hem omgeven, hebben, moet ik zeggen, in onze verschillende positiën het onze gedaan om hem in die denkwijs te versterken; maar als wij het niet hadden gedaan, zouden anderen het gedaan hebben—of zij zouden niet in zijne omgeving zijn gebleven; en zoo is hij geheel van die gezindheid doordrongen. Mijnheer Dombey heeft, kortom, alleen met onderdanige afhangelingen te maken, die de knie en den hals voor hem buigen. Hij heeft nooit geweten wat het is fierheid en gramschap in volle kracht tegen zich over te hebben.”—“Maar dat zal hij nu leeren!” scheen zij te zeggen, schoon hare lippen zich niet bewogen en haar blik even trotsch bleef. Hij zag het zachte dons wederom trillen, en hij zag haar de pluimen van den prachtigen vogel voor een oogenblik tegen hare borst drukken; en hij ontrolde nog een ring van de kronkels, waarin hij zich had samengewonden.—“Mijnheer Dombey, hoewel een man van eer,” zeide hij, “is zoo genegen, wanneer men hem eenigszins tegenstreeft, zelfs daadzaken naar zijne inzichten en zijne bijzondere denkwijs te verdraaien, dat hij, b.v.—en ik kan er geen beter voorbeeld van geven—oprecht gelooft (gij zult de zotheid van hetgeen ik zeggen wil wel verontschuldigen, daar ze niet van mij komt) dat de strenge uitdrukking van zijn gevoelen, bij zekere gelegenheid, die gij u misschien herinneren zult, voor den betreurden dood van mevrouw Skewton, een verpletterenden indruk op zijne vrouw heeft gemaakt, en haar voor dat oogenblik geheel deed zwichten.”Edith lachte. Hoe wanluidend behoeft niet gezegd te worden. Maar hem streelde het haar zoo te hooren lachen.“Mevrouw,” hervatte hij, “ik heb hiermede gedaan. Uwe eigene gevoelens zijn zoo krachtig en, ik ben overtuigd, zoo onveranderlijk,” hij sprak deze woorden zeer langzaam en met grooten nadruk uit, “dat ik bijna vrees mij opnieuw uw ongenoegen te berokkenen, als ik zeg dat ik, in spijt van deze gebreken en mijne volledige kennis daarvan, aan mijnheer Dombey gewend ben geworden en hem achting toedraag. Maar als ik dit zeg is het niet, geloof mij, om enkel met een gevoel te pralen dat zoozeer van het uwe verschilt, en waarmede gij niet kunt sympatheeren,”—o, hoe duidelijk en nadrukkelijk was dit alles!—“maar om u eene verzekering te geven van den ijver, waarmede ik in deze ongelukkige zaak de uwe ben, en de verontwaardiging waarmede de rol, die men mij beveelt te spelen, mij vervult.”Zij zat alsof zij bevreesd was om hare oogen van zijn gezicht af te wenden.En om nu nog den laatsten ring zijner kronkels te ontwikkelen!“Het wordt laat,” zeide Carker, na eene poos van stilte, “en gij zijt vermoeid, gelijk gij zegt, mevrouw. Maar het tweede oogmerk van dit onderhoud moet ik toch niet vergeten. Ik moet u aanbevelen, ik moet u zoo ernstig mogelijk smeeken, om voldoende redenen, die ik daarvoor heb, om voorzichtig te zijn met uwe blijken van welwillendheid voor jufvrouw Dombey.”—“Voorzichtig! Wat meent gij?”—“Om op te passen dat gij niet al te veel genegenheid voor die jonge dame laat blijken.”—“Al te veel genegenheid, mijnheer!” zeide Edith, haar voorhoofd fronsende en opstaande. “Wie beoordeelt mijne genegenheid of neemt de maat daarvan? Gij?”—“Ik ben het niet die dat doet.” Hij werd verlegen of veinsde dit.—“Wie dan?”—“Kunt gij niet raden, wie dan?”—“Ik verkies niet te raden,” antwoordde zij.—“Mevrouw,” zeide hij, na eene poos aarzelens, waaronder zij elkander nog evenals te voren bleven aanzien, “ik ben hier in eene moeielijkheid. Gij hebt mij gezegd dat gij geene boodschap wilt aannemen, en gij hebt mij verboden op die zaak terug te komen; maar die twee onderwerpen zijn zoo nauw vereenigd, dat ik, als gij deze onbepaalde waarschuwing niet wilt aannemen van iemand, die nu de eer heeft van uw vertrouwen te bezitten, het gebod, dat gij mij gegeven hebt, moet overtreden.”—“Gij weet dat het u vrijstaat dat te doen, mijnheer,” zeide Edith. “Doe het.”[313]Zoo bleek, zoo bevende, zoo hartstochtelijk! Hij had zich dus niet in den indruk misrekend.“Zijn last was,” zeide hij zacht, “dat ik u zou onderrichten dat uw gedrag ten aanzien van jufvrouw Dombey hem niet aangenaam is. Dat het vergelijkingen met hem zelven uitlokt, die hem niet gunstig zijn. Dat hij verlangt dat het geheel en al veranderd worde; en dat, als gij het ernstig daarmede meent, hij vertrouwt dat dit gebeuren zal; want dat uwe voortdurende vertooning van genegenheid het voorwerp daarvan niet voordeelig zal zijn.”—“Dat is een dreigement,” zeide zij.—“Dat is een dreigement,” antwoordde hij met zijne stemmelooze manier van toestemmen; en overluid voegde hij er bij: “maar niet tegenugericht.”“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “als gij maar zegt hoe, zult ge—zult ge mij den eetlust teruggeven—die mij lang vreemd is geweest.” (blz. 308).“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “als gij maar zegt hoe, zult ge—zult ge mij den eetlust teruggeven—die mij lang vreemd is geweest.”(blz. 308).Trotsch en statig gelijk zij daar tegen hem over stond en hem door en door zag met hare vlammende oogen, en met den glimlach vol hoon en bitterheid, zonk zij ineen alsof de grond onder haar bezweek, en zou zij op den vloer zijn gevallen, als hij haar niet in zijne armen had gevangen. Even oogenblikkelijk stiet zij hem van zich af, zoodra hij haar aanraakte, en terugtredende bleef zij weder, metuitgestrektehand, tegenover hem staan.“Wees zoo goed om mij te verlaten. Zeg niets meer van avond.”—“Ik gevoel het dringende[314]hiervan,” zeide Carker, “omdat het onmogelijk is te zeggen welke onvoorziene gevolgen er uit kunnen ontstaan, of hoe spoedig, dat gij met zijne gemoedsstemming onbekend zijt. Ik hoor dat jufvrouw Dombey nu juist bedroefd is over het wegzenden eener oude dienstbode, hetgeen waarschijnlijk op zich zelf een der geringere gevolgen is. Gij laakt mij niet omdat ik verzocht heb dat jufvrouw Dombey er niet bij zou zijn. Mag ik dat hopen?”—“Ik laak u niet. Wees zoo goed om mij alleen te laten.”—“Ik wist dat uwe genegenheid voor de jonge dame, die ik wel weet dat oprecht en groot is, het voor een groot verdriet voor u zou maken, te moeten denken dat gij hare positie hadt benadeeld en hare hoop voor de toekomst verwoest,” zeide Carker, haastig maar nadrukkelijk.—“Niet meer van avond. Verlaat mij, als ’t u belieft.”—“Ik zal, om hem op te passen en over zaken te spreken, gedurig hier komen. Gij zult mij wel vergunnen u weder te zien, u te raadplegen over hetgeen er gedaan moet worden en naar uwe wenschen te vernemen?”Zij wees hem naar de deur.“Ik kan zelfs niet besluiten of ik hem zal zeggen dat ik u al gesproken heb; of hem laten denken, dat ik dit uit gebrek aan gelegenheid of om eene andere reden heb uitgesteld. Het zal noodig zijn dat gij mij gelegenheid geeft u binnen kort daarover te raadplegen.”—“Wanneer gij maar wilt, behalve nu.”—“Gij zult wel begrijpen, als ik u wensch te spreken, dat jufvrouw Dombey er niet bij moet wezen; en dat ik dan een onderhoud zoek als iemand die het geluk heeft van uw vertrouwen te bezitten, en die u alle hulp in zijn vermogen komt bewijzen, en misschien bij vele gelegenheden kwaad van haar afwenden.”Hem nog aanziende met denzelfden schijn van vrees om hem voor een oogenblik van den invloed van haar strakken blik te bevrijden, antwoordde zij: “Ja!” en beval hem nog eens om heen te gaan.Hij boog als om te gehoorzamen, maar terugkeerende toen hij bijna de deur bereikt had, zeide hij:“Ik ben vergeven, en heb mijn misdrijf opgehelderd. Mag ik—ter wille van jufvrouw Dombey en mij zelven—uwe hand vatten eer ik heenga?”Zij gaf hem de gehandschoende hand, die zij den vorigen avond had gekwetst. Hij nam ze, kuste ze en ging. En toen hij de deur had gesloten, wuifde hij de hand waarmede hij de hare had gevat, en stak ze in zijne borst.
Edith ging dien dag alleen uit en kwam vroeg weder thuis. Het was maar weinige minuten over tienen, toen hare koets de straat, waar zij woonde, inreed.
Haar gelaat vertoonde dezelfde gedwongene kalmte als toen zij zich liet kleeden; en de krans op hare lokken omgaf hetzelfde strakke voorhoofd. Maar het zou beter geweest zijn dat de bloemen en bladeren door hare hartstochtelijke hand in stukken waren gescheurd, of platgedrukt door het woelen van het hoofd, dat voor het verbijsterde brein eene rustplaats zocht, dan dat zij zulk eene kalmte versierden. Zoo ongenaakbaar, zoo onverbiddelijk, zoo onbuigzaam scheen die vrouw, alsof niets haar gemoed kon verzachten en alles in haar leven had bijgedragen om het te verharden.
Zij wilde juist voor hare deur afstappen, toen iemand, die stil het voorhuis uitkwam, blootshoofds bij het portier bleef staan, en haar zijn arm bood. Daar de knecht was weggeduwd, kon zij niet anders dan dien arm aanraken, en zij wist wiens arm het was.
“Hoe is uw patiënt, mijnheer?” zeide zij met opkrullende lip.—“Hij is beter,” antwoordde Carker. “Het gaat heel goed met hem. Ik heb hem voor van nacht verlaten.”
Zij boog haar hoofd en ging hem voorbij de trap op, toen hij haar volgde en onder aan de trap zeide:
“Mevrouw, mag ik u een oogenblik gehoor verzoeken?”
Zij bleef staan en zag om. “Het is een ongelegen tijd, mijnheer, en ik ben vermoeid. Is de zaak dringend?”
“Zeer dringend,” antwoordde Carker. “Daar ik u zoo gelukkig heb ontmoet, hoop ik dus zoo vrij te mogen zijn om er op aan te houden.”
Zij zag omlaag naar zijn glinsterenden mond; en hij zag naar haar op, die boven hem stond, in hare statige kleeding, en dacht wederom, hoe schoon zij toch was.
“Waar is jufvrouw Dombey?” vroeg zij den knecht hardop.—“In de ontbijtkamer, mevrouw.”—“Doe die dan open!” Wederom naar den oplettenden heer onder aan de trap omziende, en hem door eene kleine beweging van haar hoofd aanduidende dat het hem vrijstond haar te volgen, ging zij verder.—“Neem mij niet kwalijk! Mevrouw! Mevrouw Dombey!” zeide de zachtbespraakte en vlugge Carker, in een oogenblik naast haar. “Mag ik zoo vrij zijn te verzoeken dat jufvrouw Dombey er niet bij is?”
Zij zag hem nog eens aan met een snellen blik, maar met dezelfde strakke bedaardheid.
“Ik wilde jufvrouw Dombey de kennis besparen,” zeide Carker zeer zacht, “van hetgeen ik te zeggen heb. Ten minste, mevrouw, wilde ik het aan u overlaten om te beslissen of zij er van weten moet of niet. Dat ben ik u verplicht. Na ons vroeger onderhoud zou het onverschoonlijk van mij zijn als ik anders handelde.”
Zij wendde langzaam hare oogen van hem af, en zich naar den knecht keerende, zeide zij: “Eene andere kamer.”
Hij ging vooruit naar een der salons, waar hij spoedig licht aanstak, en liet hen daar. Zoolang hij er was, werd er geen woord gesproken. Edith plaatste zich op eene sofa bij den haard als op een troon; Carker bleef, met den hoed in de hand en zijne oogen op het tapijt gevestigd, op eenigen afstand van haar staan.
“Eer ik u hoor, mijnheer,” zeide Edith, toen de deur gesloten was, “wensch ik dat gij mij hoort.”—“Door mevrouw Dombey te worden aangesproken,” antwoordde hij, “zelfs met woorden van onverdiend verwijt, is eene eer die ik zoo hoog schat, dat ik, al was ik niet in alle dingen haar dienaar, mij toch gereedelijk aan zulk een wensch zou onderschikken.”—“Als gij door den man, dien gij zoo even verlaten hebt, met eene boodschap aan mij zijt belast,” Carker sloeg zijne oogen op alsof hij verwondering wilde veinzen, maar haar blik sloot hem den mond, “doe dan maar geene moeite om ze over te brengen, want ik wil ze niet aannemen. Ik behoef u haast niet te vragen of gij met zulk eene boodschap komt. Ik heb u al eenigen tijd verwacht.”—“Het is mijn ongeluk,” antwoordde hij, “geheel tegen mijn wil met zulk een oogmerk hier te komen. Vergun mij te mogen zeggen dat ik met twee oogmerken hier kom. Dat is het eene.”—“Dat eene, mijnheer, is afgedaan,” zeide zij. “Of als gij er op terugkomt.…”—“Kan mevrouw Dombey gelooven,” zeide Carker, haar naderende, “dat ik er tegen haar verbod op zou terugkomen? Is het mogelijk, dat mevrouw Dombey, zonder op mijne ongelukkige positie te letten, mij volstrekt het groote onrecht wil aandoen om mij als onafscheidbaar van mijn lastgever te beschouwen?”—“Mijnheer,” antwoordde Edith, haar donkeren blik strak op hem vestigende, en met eene hartstochtelijkheid sprekende, die het witte dons in beweging bracht, hetwelk de schouders bedekte, die met de sneeuwkleur daarvan konden wedijveren. “Waarom komt gij voor mij, gelijk gij gedaan hebt, en spreekt mij van liefde en plicht voor mijn man, en veinst gij te denken dat ik hem hoogacht? Hoe durft gij mij zoo beleedigen, terwijl gij weet—ikweet dat gij beter weet, mijnheer; ik heb dat in elken blik van u gezien, en in ieder woord van u gehoord—dat er in plaats van genegenheid, afkeer en minachting tusschen ons is, en dat ik hem nauwelijks minder veracht dan ik mij zelve veracht omdat ik de zijne[311]ben. Onrecht! Als ik recht had gedaan aan de pijn, die gij mij hebt doen voelen, en aan mijn gevoel van de beleediging die gij mij hebt aangedaan, had ik u kunnen vermoorden!”
Zij vroeg hem waarom hij dat gedaan had. Als zij niet door haar trots en gramschap, zoowel als door het gevoel van zelfvernedering, verblind was geweest, zou zij het antwoord op zijn gezicht hebben gelezen. Juist om haar tot deze verklaring te brengen.
Zij zag dit niet en bekommerde er zich ook niet om hoe het was. Zij zag alleen de vernederingen, die zij ondergaan had en nog onderging, en kromp daaronder van pijn. Haar strakke blik was veeleer daarop dan op hem gevestigd, terwijl zij de vederen uit de wiek van een prachtigen vogel, die aan een gouden koordje aan haar arm hing, om haar tot waaier te dienen, uitplukte en op den grond liet regenen.
Hij deinsde niet terug voor haar blik, maar bleef staan tot de teekenen van ongenoegen, die zij zich had laten ontsnappen, verdwenen waren, als een man die een voldoenend antwoord gereed had, en dit weldra zou uitspreken. En toen sprak hij, terwijl hij haar recht in de schitterende oogen zag.
“Mevrouw,” zeide hij, “ik weet, en wist reeds vroeger, dat ik geene gunst bij u gevonden had, en ik wist ook wel waarom niet. Ja, ik wist wel waarom niet. Gij hebt zoo openlijk tot mij gesproken; en ik gevoel mij zoo verlicht door het bezit van uw vertrouwen.…”—“Vertrouwen!” herhaalde zij met smaad.
Hij lette niet daarop.
“… dat ik niet veinzen wil iets te verbloemen. Ikhebvan den eersten af gezien, dat er aan uwe zijde geene genegenheid voor mijnheer Dombey bestond—hoe kon zoo iets ook tusschen twee zoo geheel verschillende wezens bestaan!—en ikhebsedert gezien, dat er een krachtiger gevoel dan onverschilligheid in uwe borst is ontstaan—hoe kon dat ook met mogelijkheid anders wezen, in de omstandigheden waarin gij verkeert! Maar voegde het mij, mij te vermeten om u die wetenschap met zoovele woorden te bekennen?”—“Voegde het u, mijnheer,” antwoordde zij, “die andere meening te veinzen, en mij die dag aan dag vermetel op te dringen?”—“Dat deed het, mevrouw,” antwoordde hij snel. “Als ik minder had gedaan, als ik iets anders had gedaan, zou ik niet zoo tot u spreken; en ik voorzag—wie kon dat beter voorzien, want wie kende mijnheer Dombey beter dan ik?—dat indien uw karakter niet even gedwee bleek te zijn als dat zijner eerste onderdanige vrouw, hetgeen ik niet geloofde—”
Een trotsche glimlach deed hem opmerken dat hij dit wel mocht herhalen.
“Ik zeg, hetgeen ik niet geloofde—er waarschijnlijk een tijd zou komen, waarin zulk eene verstandhouding als waarin wij nu geraakt zijn nuttig zou wezen.”—“Voor wien nuttig, mijnheer?” vroeg zij met minachting.—“Voor u. Ik wil er niet bijvoegen voor mij zelven, als eene waarschuwing om mij te onthouden zelfs van dien beperkten lof van mijnheer Dombey, dien ik hem oprecht zou kunnen geven, om het ongeluk niet te hebben van iets te zeggen, onaangenaam voor iemand wier afkeer en minachting,” met grooten nadruk, “zoo geducht zijn.”—“Is het oprecht van u, mijnheer,” zeide Edith, “zelfs van hem op dien toon van geringschatting te spreken, terwijl gij zijn voornaamste raadgever en vleier zijt!”—“Raadgever—ja,” zeide Carker; “vleier—neen. Eene kleine geveinsdheid vrees ik te moeten belijden. Maar belang en gemak noodzaken de meeste menschen tot betuigingen van dingen die men niet kan gevoelen. Men heeft compagnieschappen van belang en gemak, vriendschappen van belang en gemak, huwelijken van belang en gemak, alle dagen.”
Zij beet op hare lippen, maar bleef hem toch even scherp en strak waarnemen.
“Mevrouw,” zeide Carker, zich bij haar op een stoel zettende, maar met eene vertooning van den schroomvalligsten eerbied, “waarom zou ik schromen, daar ik geheel aan uw dienst ben gewijd, om duidelijk te spreken! Het was natuurlijk, dat eene dame zoo rijk begaafd als gij, het mogelijk zou achten om het karakter van haar man in sommige opzichten te veranderen en er iets beters van te maken.”—“Dat was voormijniet natuurlijk, mijnheer,” antwoordde zij. “Ik had nooit eenige hoop of eenig voornemen van dien aard.”
Het trotsche gelaat toonde hem dat het geen masker, dat hij aanbood, wilde dragen, maar zich zelf roekeloos ten toon stellen, onverschillig hoe het zich aan iemand als hij mocht voordoen.
“Ten minste was het natuurlijk,” hervatte hij, “dat gij het mogelijk zoudt achten met mijnheer Dombey als zijne vrouw te leven, te gelijk zonder u aan hem te onderwerpen en zonder in zulk eene geweldige botsing met hem te komen. Maar, mevrouw, gij kendet mijnheer Dombey niet (gelijk gij sedert hebt ondervonden) toen gij dat dacht. Gij wist niet hoe aanmatigend en trotsch hij is—hoe hij als het ware de slaaf van zijne eigene grootheid is, en als een lastdier voor zijn eigen triomfwagen is gespannen, zonder om iets op de wereld te denken dan dat hij dien triomfwagen achter zich heeft, en dat hij dien over en door alles heen moet voorttrekken.”
Zijne tanden glinsterden van boosaardig vermaak in die geestige vergelijking, terwijl hij voortsprak:
“Mijnheer Dombey is even weinig in staat om u te ontzien, mevrouw, als om mij te ontzien. De vergelijking is stout—dat wilde ik[312]ook—maar volkomen juist. Mijnheer Dombey vroeg mij, in de volheid zijner macht—ik hoorde het gisterochtend uit zijn eigen mond—om zijn boodschapper bij u te zijn, vooreerst omdat hij weet dat ik u niet aangenaam ben, en wil dat dit eene straf voor uwe wederspannigheid zal zijn; en bovendien omdat hij werkelijk denkt dat ik, zijn betaalde dienaar, een afgezant ben niet beneden de waardigheid—niet van de dame, tot wie ik het geluk heb van te spreken; zij heeft in zijne gedachten geen bestaan—maar van zijne vrouw, een deel van hem zelven. Gij kunt u verbeelden hoe blind hij is voor de mogelijkheid, dat ik eenig persoonlijk gevoel of meening zou hebben, als hij mij openlijk zegt dat hij mij daartoe gebruikt. Gij weet hoe volmaakt onverschillig voor uw gevoel hij is, als hij u met zulk een bode dreigt—gelijk gij natuurlijk niet hebt vergeten dat hij gedaan heeft.”
Zij nam hem nog oplettend waar; maar hij nam haar ook waar, en hij zag dat zijne wetenschap van iets, dat tusschen haar en haar man was voorgevallen, haar als een vergiftige pijl in de trotsche borst bleef zitten.
“Ik herinner u dit alles niet om de verwijdering tusschen u en mijnheer Dombey te vergrooten, mevrouw—de hemel verhoede dat!—Wat voordeel zou het mij zijn?—maar als een voorbeeld hoe hopeloos het is mijnheer Dombey te willen leeren om iemand te ontzien, als het om hem en zijn wil te doen is. Wij, die hem omgeven, hebben, moet ik zeggen, in onze verschillende positiën het onze gedaan om hem in die denkwijs te versterken; maar als wij het niet hadden gedaan, zouden anderen het gedaan hebben—of zij zouden niet in zijne omgeving zijn gebleven; en zoo is hij geheel van die gezindheid doordrongen. Mijnheer Dombey heeft, kortom, alleen met onderdanige afhangelingen te maken, die de knie en den hals voor hem buigen. Hij heeft nooit geweten wat het is fierheid en gramschap in volle kracht tegen zich over te hebben.”—“Maar dat zal hij nu leeren!” scheen zij te zeggen, schoon hare lippen zich niet bewogen en haar blik even trotsch bleef. Hij zag het zachte dons wederom trillen, en hij zag haar de pluimen van den prachtigen vogel voor een oogenblik tegen hare borst drukken; en hij ontrolde nog een ring van de kronkels, waarin hij zich had samengewonden.—“Mijnheer Dombey, hoewel een man van eer,” zeide hij, “is zoo genegen, wanneer men hem eenigszins tegenstreeft, zelfs daadzaken naar zijne inzichten en zijne bijzondere denkwijs te verdraaien, dat hij, b.v.—en ik kan er geen beter voorbeeld van geven—oprecht gelooft (gij zult de zotheid van hetgeen ik zeggen wil wel verontschuldigen, daar ze niet van mij komt) dat de strenge uitdrukking van zijn gevoelen, bij zekere gelegenheid, die gij u misschien herinneren zult, voor den betreurden dood van mevrouw Skewton, een verpletterenden indruk op zijne vrouw heeft gemaakt, en haar voor dat oogenblik geheel deed zwichten.”
Edith lachte. Hoe wanluidend behoeft niet gezegd te worden. Maar hem streelde het haar zoo te hooren lachen.
“Mevrouw,” hervatte hij, “ik heb hiermede gedaan. Uwe eigene gevoelens zijn zoo krachtig en, ik ben overtuigd, zoo onveranderlijk,” hij sprak deze woorden zeer langzaam en met grooten nadruk uit, “dat ik bijna vrees mij opnieuw uw ongenoegen te berokkenen, als ik zeg dat ik, in spijt van deze gebreken en mijne volledige kennis daarvan, aan mijnheer Dombey gewend ben geworden en hem achting toedraag. Maar als ik dit zeg is het niet, geloof mij, om enkel met een gevoel te pralen dat zoozeer van het uwe verschilt, en waarmede gij niet kunt sympatheeren,”—o, hoe duidelijk en nadrukkelijk was dit alles!—“maar om u eene verzekering te geven van den ijver, waarmede ik in deze ongelukkige zaak de uwe ben, en de verontwaardiging waarmede de rol, die men mij beveelt te spelen, mij vervult.”
Zij zat alsof zij bevreesd was om hare oogen van zijn gezicht af te wenden.
En om nu nog den laatsten ring zijner kronkels te ontwikkelen!
“Het wordt laat,” zeide Carker, na eene poos van stilte, “en gij zijt vermoeid, gelijk gij zegt, mevrouw. Maar het tweede oogmerk van dit onderhoud moet ik toch niet vergeten. Ik moet u aanbevelen, ik moet u zoo ernstig mogelijk smeeken, om voldoende redenen, die ik daarvoor heb, om voorzichtig te zijn met uwe blijken van welwillendheid voor jufvrouw Dombey.”—“Voorzichtig! Wat meent gij?”—“Om op te passen dat gij niet al te veel genegenheid voor die jonge dame laat blijken.”—“Al te veel genegenheid, mijnheer!” zeide Edith, haar voorhoofd fronsende en opstaande. “Wie beoordeelt mijne genegenheid of neemt de maat daarvan? Gij?”—“Ik ben het niet die dat doet.” Hij werd verlegen of veinsde dit.—“Wie dan?”—“Kunt gij niet raden, wie dan?”—“Ik verkies niet te raden,” antwoordde zij.—“Mevrouw,” zeide hij, na eene poos aarzelens, waaronder zij elkander nog evenals te voren bleven aanzien, “ik ben hier in eene moeielijkheid. Gij hebt mij gezegd dat gij geene boodschap wilt aannemen, en gij hebt mij verboden op die zaak terug te komen; maar die twee onderwerpen zijn zoo nauw vereenigd, dat ik, als gij deze onbepaalde waarschuwing niet wilt aannemen van iemand, die nu de eer heeft van uw vertrouwen te bezitten, het gebod, dat gij mij gegeven hebt, moet overtreden.”—“Gij weet dat het u vrijstaat dat te doen, mijnheer,” zeide Edith. “Doe het.”[313]
Zoo bleek, zoo bevende, zoo hartstochtelijk! Hij had zich dus niet in den indruk misrekend.
“Zijn last was,” zeide hij zacht, “dat ik u zou onderrichten dat uw gedrag ten aanzien van jufvrouw Dombey hem niet aangenaam is. Dat het vergelijkingen met hem zelven uitlokt, die hem niet gunstig zijn. Dat hij verlangt dat het geheel en al veranderd worde; en dat, als gij het ernstig daarmede meent, hij vertrouwt dat dit gebeuren zal; want dat uwe voortdurende vertooning van genegenheid het voorwerp daarvan niet voordeelig zal zijn.”—“Dat is een dreigement,” zeide zij.—“Dat is een dreigement,” antwoordde hij met zijne stemmelooze manier van toestemmen; en overluid voegde hij er bij: “maar niet tegenugericht.”
“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “als gij maar zegt hoe, zult ge—zult ge mij den eetlust teruggeven—die mij lang vreemd is geweest.” (blz. 308).“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “als gij maar zegt hoe, zult ge—zult ge mij den eetlust teruggeven—die mij lang vreemd is geweest.”(blz. 308).
“Jufvrouw Dombey,” antwoordde Toots, “als gij maar zegt hoe, zult ge—zult ge mij den eetlust teruggeven—die mij lang vreemd is geweest.”(blz. 308).
Trotsch en statig gelijk zij daar tegen hem over stond en hem door en door zag met hare vlammende oogen, en met den glimlach vol hoon en bitterheid, zonk zij ineen alsof de grond onder haar bezweek, en zou zij op den vloer zijn gevallen, als hij haar niet in zijne armen had gevangen. Even oogenblikkelijk stiet zij hem van zich af, zoodra hij haar aanraakte, en terugtredende bleef zij weder, metuitgestrektehand, tegenover hem staan.
“Wees zoo goed om mij te verlaten. Zeg niets meer van avond.”—“Ik gevoel het dringende[314]hiervan,” zeide Carker, “omdat het onmogelijk is te zeggen welke onvoorziene gevolgen er uit kunnen ontstaan, of hoe spoedig, dat gij met zijne gemoedsstemming onbekend zijt. Ik hoor dat jufvrouw Dombey nu juist bedroefd is over het wegzenden eener oude dienstbode, hetgeen waarschijnlijk op zich zelf een der geringere gevolgen is. Gij laakt mij niet omdat ik verzocht heb dat jufvrouw Dombey er niet bij zou zijn. Mag ik dat hopen?”—“Ik laak u niet. Wees zoo goed om mij alleen te laten.”—“Ik wist dat uwe genegenheid voor de jonge dame, die ik wel weet dat oprecht en groot is, het voor een groot verdriet voor u zou maken, te moeten denken dat gij hare positie hadt benadeeld en hare hoop voor de toekomst verwoest,” zeide Carker, haastig maar nadrukkelijk.—“Niet meer van avond. Verlaat mij, als ’t u belieft.”—“Ik zal, om hem op te passen en over zaken te spreken, gedurig hier komen. Gij zult mij wel vergunnen u weder te zien, u te raadplegen over hetgeen er gedaan moet worden en naar uwe wenschen te vernemen?”
Zij wees hem naar de deur.
“Ik kan zelfs niet besluiten of ik hem zal zeggen dat ik u al gesproken heb; of hem laten denken, dat ik dit uit gebrek aan gelegenheid of om eene andere reden heb uitgesteld. Het zal noodig zijn dat gij mij gelegenheid geeft u binnen kort daarover te raadplegen.”—“Wanneer gij maar wilt, behalve nu.”—“Gij zult wel begrijpen, als ik u wensch te spreken, dat jufvrouw Dombey er niet bij moet wezen; en dat ik dan een onderhoud zoek als iemand die het geluk heeft van uw vertrouwen te bezitten, en die u alle hulp in zijn vermogen komt bewijzen, en misschien bij vele gelegenheden kwaad van haar afwenden.”
Hem nog aanziende met denzelfden schijn van vrees om hem voor een oogenblik van den invloed van haar strakken blik te bevrijden, antwoordde zij: “Ja!” en beval hem nog eens om heen te gaan.
Hij boog als om te gehoorzamen, maar terugkeerende toen hij bijna de deur bereikt had, zeide hij:
“Ik ben vergeven, en heb mijn misdrijf opgehelderd. Mag ik—ter wille van jufvrouw Dombey en mij zelven—uwe hand vatten eer ik heenga?”
Zij gaf hem de gehandschoende hand, die zij den vorigen avond had gekwetst. Hij nam ze, kuste ze en ging. En toen hij de deur had gesloten, wuifde hij de hand waarmede hij de hare had gevat, en stak ze in zijne borst.