XLIX.

[Inhoud]XLIX.DE ADELBORST DOET EENE ONTDEKKING.Het duurde lang eer Florence ontwaakte. Het werd middag en de avond naderde, en nog bleef zij, afgemat naar ziel en lichaam, voortslapen, zonder iets te weten van het vreemde bed, van het gewoel en gerucht op straat en van het licht dat door de gordijnen voor het venster van haar werd afgeweerd. Geheele onbewustheid van hetgeen er was voorgevallen in het huis, dat geen thuis meer voor haar was, kon zelfs de zware slaap der afgematheid niet voortbrengen. Eene onbestemde, droevige herinnering daarvan, onrustig sluimerend maar nooit geheel inslapend, bleef haar bij. Eene doffe zielesmart, gelijk een half verstompt gevoel van pijn, verliet haar geen oogenblik; en hare bleeke wang werd meermalen met tranen bevochtigd, dan de goede kapitein, die nu en dan zijn hoofd door de half opene deur stak, wel had willen zien.Op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem uitstak, wankelde en neerzonk. (blz. 332).Op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem uitstak, wankelde en neerzonk.(blz. 332).De zon daalde in het westen, en drong, in een rooden nevel gehuld, met hare stralen door het opene loofwerk der torenspitsen, alsof zij er gouden pijlen doorheen schoot—en ver weg over de rivier en hare vlakke oevers liet zij het schitteren als een pad van vuur—en op zee verlichtte zij de zeilen van schepen—en van stille kerkhoven op de heuveltoppen van het binnenland gezien, dompelde zij het verschiet in een purperen damp, waarin hemel en aarde zich gloeiend schenen te vermengen—toen Florence, hare bezwaarde oogen openende, eerst eenigen tijd zonder belangstelling of bewustheid naar de onbekende muren lag te staren, en even onverschillig naar het straatrumoer te luisteren. Maar weldra kwam zij met schrik overeind, zag met verbaasde oogen rond, en herinnerde zich alles.“Mijn liefje,” zeide de kapitein, aan de deur kloppende, “hoe gaat het?”—“Mijn beste vriend,” riep Florence, naar hem toesnellende. “Zijt gij daar!”De kapitein gevoelde zich zoo trotsch op dien naam, en zoo gestreeld door den glans van[338]blijdschap, die zich op haar gezichtje vertoonde toen zij hem zag, dat hij, sprakeloos van vergenoegde aandoening, bij wijze van antwoord zijn haak kuste.“Hoe gaat het, mijn diamantje?” zeide de kapitein.—“Ik heb zeker heel lang geslapen,” antwoordde Florence. “Wanneer ben ik hier gekomen? Gisteren?”—“Dezen zelfden gezegenden dag, mijn dametje,” zeide de kapitein.—“Is het dan geen nacht geweest? Is het nog dag?” vroeg Florence.—“Het begint nu avond te worden, mijn liefje,” zeide de kapitein, het gordijn openschuivende. “Zie maar.”Florence, met haar handje op des kapiteins arm, zoo treurig en vreesachtig, en de kapitein met zijn ruw gezicht en zijne forsche gestalte, zoo manhaftig beschermend, stonden in het roodachtige licht van den helderen avondhemel, zonder een woord te spreken. Hoe vreemd de spraakwending ook mocht geweest zijn, als hij zijn gevoel had uitgedrukt, gevoelde de kapitein toch zoo diep als de welsprekendste man had kunnen doen, dat die stille avondstond en de zachte schoonheiddaarvaniets hadden, dat het gewonde hart van Florence moest doen overstroomen, en dat het best was dat zulke tranen hun vrijen loop hadden. Kapitein Cuttle sprak dus geen woord. Maar toen hij zijn arm vaster voelde omklemmen, en dat het eenzame hoofd nader daarbij kwam, en zich tegen zijne ruige blauwe mouw vleide, legde hij zacht zijne harde hand daarop, en begreep en werd begrepen.“Beter nu, mijn liefje?” zeide de kapitein. “Opgebeurd maar, opgebeurd. Ik zal naar beneden gaan en wat eten klaarmaken. Wilt gij naderhand alleen naar beneden komen, mijn hartje, of zal Edward Cuttle u komen halen?”Daar Florence hem verzekerde, dat zij zeer wel in staat was om de trap af te gaan, liet de kapitein haar vrijheid om dit te doen, hoewel hij er blijkbaar aan twijfelde of de gastvrijheid dit wel veroorloofde, en ging voor het vuur in het achterkamertje een hoentje braden. Om dit te beter te kunnen doen, trok hij zijne jas uit, sloeg zijne mouwboorden op en zette zijn blinkenden hoed op, zonder welk hoofddeksel hij nooit iets moeielijks ondernam.Na haar kloppend hoofd en gloeiend gezicht verkoeld te hebben met het frissche water, dat de zorg des kapiteins, terwijl zij sliep, voor haar gereed gezet had, ging Florence naar het spiegeltje, om hare in wanorde geraakte haren op te binden. Toen zag zij—een oogenblik, want zij bedekte het terstond weder—dat hare borst het donkere spoor eener toornige hand droeg.Dit gezicht deed hare tranen opnieuw uitbarsten: het vervulde haar met angst en schaamte, maar bewoog haar niet tot gramschap tegen hem. Zonder huis en zonder vader, vergaf zij hem alles; zij wist nauwelijks, dat zij hem iets te vergeven had, of dat zij dit deed; maar zij ontvlood het denkbeeld van hem gelijk zij hem zelven ontvlucht was, en hij was geheel voor haar verloren en verdwenen. Er was geen zoodanig wezen in de wereld.Wat zij zou doen of waar zij zou blijven, kon Florence—arm, onervaren meisje—niet overwegen. Zij had onduidelijke droomen om ver weg eenige kleine zusters te vinden om te onderwijzen, die haar vriendelijk zouden behandelen, en aan welke zij zich onder een aangenomen naam, kon hechten, en die in haar gelukkig huis zouden opgroeien en trouwen, en goed zouden zijn voor hare oude gouvernante, en haar misschien door den tijd de opvoeding harer eigene dochters toevertrouwen; en zij dacht hoe vreemd en treurig het zou zijn, zoo eene oude vrouw met grijze haren te worden, en haar geheim in het graf mede te nemen, wanneer Florence Dombey vergeten was. Maar dit alles was nevelachtig en bewolkt voor haar. Zij wist alleen, dat zij op aarde geen vader meer had, en dit zeide zij dikwijls, met het smeekende hoofdje verborgen voor iedereen behalve voor haar vader in den hemel.Haar kleine voorraad van geld bedroeg slechts eenige guinjes. Met een gedeelte daarvan zou het noodig zijn eenige kleederen te koopen, want zij had geene andere, dan die zij aanhad. Zij was te bedroefd om er aan te denken, hoe spoedig haar geld op zou zijn—te zeer een kind in wereldsche zaken om zich daarover zeer te verontrusten, al hadden andere dingen haar minder ontrust. Zij beproefde hare gedachten tot kalmte te brengen en hare tranen te stuiten, de verwarring in haar kloppend hoofd tot rust te brengen, en het zich duidelijk te maken, dat het gebeurde nog maar weinige uren geleden was, in plaats van weken of maanden, gelijk het haar voorkwam; en ging naar beneden naar haar vriendelijken beschermer.De kapitein had met groote zorg de tafel gedekt, en was nu bezig met eiersaus gereed te maken, terwijl hij tusschenbeide het hoentje bedroop, dat aan een touwtje voor het vuur hing te draaien. Nadat hij Florence tusschen kussens op de sofa had geplaatst, die reeds in een warm hoekje voor haar geschoven was, zette de kapitein met buitengemeene handigheid zijn keukenwerk voort, plaatste behalve zijn pannetje met eiersaus nog een met jus op het vuur, benevens een handvol aardappelen in een potje, en deed elke minuut de ronde met bedruipen en roeren, met een lepel, die tot alles te gelijk diende. Bovendien moest hij nog op eene kleine koekenpan letten, waarin eenige saucijsjes welluidend lagen te sissen en te spatten; en nooit verrichtte kok of keukenmeid hun gewichtig[339]werk met meer ijver en genoegen, dan de kapitein het zijne; het was onmogelijk te zeggen wat meer blonk, zijn gezicht of zijn glimmende hoed.Toen de maaltijd eindelijk geheel gereed was, zette de kapitein dien op, met niet minder handigheid dan hij alles had gekookt en gebraden. Daarna kleedde hij zich voor het diner door zijne jas aan te trekken en zijn hoed af te zetten. Dit gedaan zijnde, schoof hij de tafel dicht bij Florence, die op de sofa moest blijven zitten, deed het gebed, schroefde zijn haak af en zijne vork daarvoor in de plaats, en nam de honneurs van de tafel waar.“Beur u wat op, mijn dametje,” zeide de kapitein, “en probeer om wat te eten. Zie eens hier, liefje. Dat is een boutje—en dat is saus—en dat is een saucijsje—en dat is een aardappel!” De kapitein plaatste dit alles symmetrisch op een bord, goot een lepel jus er over heen, en zette het zijne geëerde gast voor.“De geheele rij luiken is voor opgezet, mijn dametje,” merkte de kapitein bemoedigend aan, “en alles is bezorgd. Probeer dus eens een beetje te peuzelen, mijn liefje. Als Walter hier was—”—“Ach, als ik hem nu voor mijn broeder had!” riep Florence uit.—“Maak u zoo aangedaan niet, mijn liefje,” zeide de kapitein. “Houd u goed, om mij pleizier te doen. Hij was immers uw natuurlijk geboren vriend, niet waar, liefje?”Florence kon geene woorden vinden. Zij zeide slechts: “O lieve, lieve Paul! O Walter!”—“De plank waarover zij ging,” zeide de kapitein, naar haar hangend hoofdje ziende, “was Walter zoo dierbaar als de waterbeken voor een hart, dat zich nooit verheugt! Ik zie hem nog voor mij, op dien dag toen hij op de monsterrol van het kantoor werd gezet, en hij van haar sprak met zijn gezicht blinkende van den dauw—ten minste van zijne bescheidenheid en teerhartigheid—als eene pas ontloken roos, onder den eten. Wel, wel! Als onze arme Walter hier was, mijn dametje—of als hij er zijn kon—want hij is verdronken, niet waar?”Florence schudde haar hoofd.“Ja, ja, verdronken,” zeide de kapitein als het ware troostend. “Zooals ik zeide, als hij hier kon zijn en u bidden en smeeken, mijn schatje, om een beetje te peuzelen, uit zorg voor uwe kostbare gezondheid. Pas op u zelve, mijn dametje, alsof het om Walter’s wil was, en houd maar recht voor den wind.”Om den kapitein genoegen te geven, beproefde Florence iets te eten. Ondertusschen legde de kapitein, die zijn eigen eten geheel scheen te vergeten, mes en vork neer en schoof zijn stoel dichter bij de sofa.“Walter was een knappe jongen, niet waar, mijn hartje?” zeide de kapitein, nadat hij, haar strak aanziende, eene poos zijne kin had zitten wrijven; “en een brave jongen, en een goede jongen.”Florence stemde dit met tranen toe.“En hij is verdronken, juweeltje, niet waar?” zeide de kapitein, op een toon van medelijden.Florence kon niet anders dan dit wederom toestemmen.“Hij was ouder dan gij, mijn dametje,” vervolgde de kapitein; “maar gij waart toch als twee kinderen samen, in het eerst, waart ge niet?”Florence antwoordde: “Ja!”“En Walter is verdronken,” zeide de kapitein. “Niet waar?”Het herhalen van deze vraag was wel eene zonderlinge bron van troost, maar scheen dit toch werkelijk voor den kapitein te zijn, want hij kwam er telkens op terug. Florence schoof eindelijk haar bijna ongeproefden maaltijd van zich af, liet zich op de sofa neerzinken, en reikte hem haar handje toe, met spijt gevoelende, dat zij hem had te leur gesteld, hoewel zij hem gaarne voor al zijne moeite eenig genoegen had willen geven; hij hield echter dat handje vast, zonder, naar het scheen, om den maaltijd of haar gebrek aan eetlust te denken, en bleef maar bij tusschenpoozen, op een peinzend medelijdenden toon, brommen: “Arme Walter. Ja, ja, verdronken. Niet waar?” En telkens wachtte hij op haar antwoord, waarom het hem bij deze zonderlinge bespiegelingen vooral scheen te doen te zijn.Het hoentje en de saucijzen waren koud geworden, en de saus was gestold, eer de kapitein zich herinnerde, dat alles nog op tafel stond; maar toen viel hij er ook met behulp van Diogenes op aan, en hunne vereenigde pogingen deden den voorraad spoedig verdwijnen. Des kapiteins verwondering en genoegen over Florence’s stille handigheid, toen zij hem hielp om de tafel af te nemen, het kamertje op te ruimen, en den haard aan te vegen—alleen geëvenredigd door het ijverige van zijn protest toen zij hem begon te helpen—werden eindelijk zoo groot, dat hij zelf niets meer kon doen, maar naar haar bleef staan kijken, alsof zij eene Fee was, die met bovennatuurlijke vlugheid deze diensten voor hem verrichtte; de roode streep op zijn voorhoofd gloeide van opgetogenheid.Maar toen Florence zijne pijp van den schoorsteenmantel nam en hem toereikte, met dringend verzoek om te gaan rooken, werd de goede kapitein zoo verlegen met hare beleefdheid, dat hij met zijne pijp bleef staan, alsof hij nog nooit in zijn leven eene pijp in de hand had gehad. Toen Florence in de kast ging zoeken, de flesch er uitnam, ongevraagd een onverbeterlijk glas grog voor hem gereedmaakte en dit voor hem zette, werd zijn roode neus bleek, zoo gestreeld en vereerd gevoelde hij zich. Toen hij in eene[340]genoeglijke mijmering zijne pijp had gestopt, stak Florence die voor hem aan—daar de kapitein haar dit niet kon of wilde beletten—en toen hare plaats op de oude sofa hernemende, bleef zij hem zitten aanzien met een lachje zoo dankbaar en liefdevol, een lachje, dat zoo duidelijk toonde hoe haar eenzaam hart zich aan hem hechtte, dat de kapitein den rook van zijne pijp in de keel en in de oogen kreeg, zoodat hij moest hoesten en de tranen hem over de wangen rolden.De manier, waarop de kapitein het wilde doen voorkomen alsof de oorzaak dier verschijnselen in de pijp zelve verborgen lag, en in den kop daarnaar keek, en toen hij ze daar niet vond, ze uit den steel wilde blazen, was alleraardigst. Daar de pijp spoedig in beteren staat kwam, nam de kapitein weldra weder de rustige kalmte aan die den goeden rooker past; maar hij bleef toch strak naar Florence zitten staren, en blies nu en dan, met eene innige vergenoegdheid, waarvan geene woorden een denkbeeld kunnen geven, eene rookwolk uit, alsof het een uit zijn mond komend lint was, waarop de woorden te lezen waren: “Arme Walter. Ja, ja. Verdronken. Niet waar?”Hoeveel zij ook naar het uitwendige van elkander verschilden—en er kon bijna geen grooter contrast bestaan, dan tusschen Florence, in hare teedere jeugd en schoonheid, en kapitein Cuttle, met zijn knobbelig gezicht, zijne forsche gestalte en zijne grove stem—in eenvoudigheid, onschuld en onkunde van de wereld met hare behoeften en gevaren, stonden zij bijna met elkander gelijk. Geen kind had kapitein Cuttle kunnen overtreffen in onervarenheid in alles behalve wind en weder, in eenvoudigheid, lichtgeloovigheid en edelmoedig vertrouwen. Geloof, hoop en liefde vervulden geheel zijn gemoed. Eene zonderlinge neiging tot het romaneske, waarbij hij zijne verbeelding geheel vrij spel liet, en aan geene werkelijkheid of mogelijkheid dacht, was het eenig nog bijkomend inmengsel van zijn karakter. Terwijl hij daar zat te rooken en Florence aan te staren, mag de hemel weten welke onmogelijke tafereelen, waarin zij de hoofdpersoon was, hem voor den geest kwamen. Even nevelachtig en onbestemd, hoewel niet zoo vol hoop, waren hare eigene gedachten van het leven, dat voor haar lag; en evenals hare tranen prismatische kleuren veroorzaakten in het licht waarnaar zij tuurde, zoo zag zij door haar nieuw en drukkend leed reeds een flauwen regenboog veraf in de lucht pralen. Eene verdwaalde prinses en een goedaardig monster in een sprookje hadden eveneens bij den haard kunnen zitten, en evenzoo denken en spreken als kapitein Cuttle en de arme Florence deden.De kapitein werd niet ontrust door het flauwste denkbeeld van eenig bezwaar om Florence bij zich te houden, of van eenige verantwoordelijkheid, die hij daardoor op zich laadde. Toen hij de luiken voorgezet en de deur gesloten had, was hij in dit opzicht volkomen gerust. Al was zij eene pupil van de Kanselarij geweest, dit zou voor kapitein Cuttle geheel geen verschil gemaakt hebben. Hij was de allerlaatste mensch op de wereld om zich door zulke bezwaren te laten kwellen.Zoo bleef de kapitein gerust zijne pijp zitten rooken, en mijmerden Florence en hij op hunne eigene manier voort. Toen de pijp uit was, werd er thee gedronken, en daarna verzocht Florence hem om haar naar een winkel in de buurt te brengen, waar zij eenige dingen kon koopen, die zij terstond noodig had. Daar het geheel donker was, bewilligde de kapitein hierin; maar hij keek toch eerst voorzichtig uit, gelijk hij gewoon was te doen in den tijd toen hij zich voor jufvrouw MacStinger schuilhield, en wapende zich met zijn dikken stok, voor het geval, dat onverwachte omstandigheden een beroep op de wapenen noodzakelijk maakten.De hoogmoed dien kapitein Cuttle gevoelde, toen hij Florence zijn arm gaf en haar twee- of driehonderd voetstappen ver geleidde, waarbij hij door zijne groote waakzaamheid en voorzichtigheid de aandacht van alle voorbijgangers trok, was buitengemeen. Aan den winkel gekomen, begreep de kapitein, dat de kieschheid hem gebood zich te verwijderen, terwijl het benoodigde gekocht werd, dewijl dit uit voorwerpen van kleeding bestond; maar vooraf zette hij zijn blikken busje op de toonbank, en het winkeljuffertje onderricht hebbende, dat het veertien pond en twee schellingen bevatte, verzocht hij haar om, in geval die som niet toereikend genoeg was om de uitrusting van zijn nichtje te bestrijden—bij het woord “nichtje” wierp hij Florence een veelbeteekenenden blik toe, vergezeld met eene pantomime, die schranderheid en stilzwijgendheid moest uitdrukken,—dan maar zoo goed te zijn om hem te praaien, en hij zou het tekort uit zijn zak er bij leggen. Terloops zijn reusachtig horloge raadplegende, als een middel om groote gedachten van zijn vermogen te doen opvatten, groette de kapitein zijn nichtje door zijn haak te kussen, en ging buiten de deur, waar het aardig was zijn breed gezicht nu en dan door het venster tusschen de uitgestalde zijden en linten te zien binnenkijken, blijkbaar angstig, dat Florence door eene achterdeur was ontvoerd.“Lieve kapitein Cuttle,” zeide Florence, toen zij naar buiten kwam met een pakje, waarvan de grootte den kapitein zeer te leur stelde, daar hij verwacht had haar door een kruier met eene geheele baal goederen te zien volgen, “ik heb dit geld waarlijk niet noodig. Ik heb er niets van uitgegeven. Ik heb zelf geld.”[341]“Mijn dametje,” antwoordde de teleurgestelde kapitein, recht voor zich de straat opkijkende. “Bewaar het dan voor mij, als ge zoo goed wilt zijn, tot ik er u naar vraag.”—“Mag ik het weer op zijne gewone plaats bergen,” zeide Florence, “en het daar bewaren?”De kapitein was lang niet blijde met dit voorstel, maar hij antwoordde toch: “Ja, ja, plaats het waar gij wilt, mijn dametje, als gij maar weet waar gij het kunt vinden. Voormijis het van geen nut,” zeide de kapitein. “Ik ben verwonderd, dat ik het al niet lang heb weggegooid.”De kapitein was voor een oogenblik geheel verslagen, maar de eerste aanraking van Florence’s arm deed hem weder herleven, en zij keerden terug met dezelfde voorzorgen waarmede zij gekomen waren. Op de stoep gekomen, deed de kapitein de deur open en schoot er toen binnen, met eene vaart en behendigheid, die alleen groote oefening hem kon geleerd hebben. Terwijl Florence des morgens lag te sluimeren, had hij de dochter van eene oude vrouw, die gewoonlijk op deLeadenhall-Marktonder eene blauwe paraplu met gevogelte te koop zat, aangenomen om hare kamer te komen in orde brengen en haar de noodige kleine diensten te bewijzen; en daar dit meisje nu verscheen, vond Florence alles om haar heen even goed in orde en geriefelijk, schoon niet zoo prachtig, als in het akelige spookkasteel, waar zij eens thuis heette te zijn.Toen zij weder alleen waren, drong de kapitein haar om een sneedje brood te eten en een glaasje kruidenwijn te drinken (dien hij heerlijk wist gereed te maken); en haar vervolgens bemoedigende met alle vriendelijke woorden en wonderlijke aanhalingen, die hij maar bedenken kon, bracht hij haar naar boven. Maar hij had toen nog iets op het gemoed en was blijkbaar niet rustig.“Goeden nacht, lief hartje,” zeide kapitein Cuttle aan hare kamerdeur.Florence hief haar hoofdje op en gaf hem een kus.Op een anderen tijd zou de kapitein door zulk een blijk van hare genegenheid en dankbaarheid geheel over staag zijn gesmeten; maar nu, hoewel hij zeer gevoelig er voor was, zag hij haar aan met zelfs nog meer onrust dan hij te voren had laten blijken, en scheen ongezind om haar te verlaten.“Arme Walter!” zeide de kapitein.—“Arme, arme Walter!” zuchtte Florence.—“Verdronken, niet waar?” zeide de kapitein.Florence schudde haar hoofd en zuchtte.“Goeden nacht, mijn dametje,” zeide de kapitein, zijne hand toestekende.—“God zegen u, goede, lieve vriend!”Maar de kapitein bleef nog dralen.“Scheelt er iets aan, bestekapiteinCuttle?” zeide Florence, die zich licht ongerust maakte. “Hebt gij mij iets te zeggen?”—“U iets te zeggen, mijn dametje!” antwoordde de kapitein, haar zeer verlegen in de oogen ziende. “Neen, wat zou ik u te zeggen hebben, liefje? Gij denkt toch niet, dat ik iets goeds te zeggen heb, niet waar?”—“Neen,” zeide Florence en schudde haar hoofd.—“Arme Walter!” zeide de kapitein. “Mijn Walter, zooals ik hem placht te noemen! Oude Sam zijn neef! welkom voor ieder, die u kende, gelijk de bloemen in Mei! Waar zijt ge nu, brave jongen? Verdronken, niet waar?”Zijne alleenspraak met deze plotselinge vraag aan Florence besluitende, wenschte de kapitein haar goedennacht en ging de trap af, terwijl zij met de kaars bovenaan bleef staan om hem te lichten. Hij verdween in de duisternis, en naar het geluid zijner voetstappen te rekenen zou hij juist het achterkamertje binnengaan, toen zijn hoofd en schouders eensklaps weder zichtbaar werden, alsof zij uit de diepte opdoken, maar het scheen met geen ander doel dan om nog eens te herhalen:“Verdronken, niet waar, liefje?” Want toen hij dit op een toon van teeder medelijden gezegd had, verdween hij voor goed.Het speet Florence zeer, dat zij onwillekeurig, hoewel natuurlijk, deze herinnering bij haar beschermer had doen ontwaken; en zich bij het tafeltje zettende, waarop de kapitein den verrekijker, het liederboekje en die andere rariteiten had neergelegd, bleef zij aan Walter en alles wat er met hem in verband stond denken, tot zij bijna had kunnen wenschen zich maar te bed te leggen om te kunnen sterven. Maar onder haar eenzaam smachten naar de dooden, die zij had liefgehad, kwam geene gedachte aan haar vaderlijk huis—geene mogelijkheid om daarheen terug te keeren—geen denkbeeld, dat het nog bestond en dat daar haar vader woonde—in haar gemoed op. Zij had hem zien vermoorden. In de laatste natuurlijke gedaante, waarmede zij hem door zooveel heen was blijven liefhebben, was hij uit haar hart gerukt en vermoord. De gedachte was haar zoo ontzettend, dat zij hare oogen bedekte en bevend terugdeinsde bij de minste herinnering aan de daad of aan de hand, die ze bedreven had. Als haar teeder hart daarna nog zijn beeld had kunnen bewaren, had het moeten breken; maar dat kon het niet doen, en de ledige plaats was aangevuld door een woesten angst voor een enkelen blik op de verminkte brokken van dat beeld—een angst, die alleen uit de diepte van zulk eene liefde, zoo mishandeld, kon oprijzen.Zij durfde niet in den spiegel zien; want het gezicht der wankleurige plek op hare borst[342]deed haar voor zich zelve schamen, alsof zij een teeken van goddeloosheid met zich omdroeg. Zij bedekte het met eene haastige, bevende hand, in het donker, en legde haar vermoeid hoofd neder en schreide.De kapitein ging nog in langen tijd niet naar bed. Hij bleef nog een vol uur in den winkel en het achterkamertje op en neer wandelen, en toen hij door die lichaamsbeweging tot bedaren scheen te zijn gekomen, ging hij met een ernstig peinzend gezicht zitten en las in het gebedenboek de gebeden, bestemd ten gebruike op zee. Dit ging niet gemakkelijk, want de kapitein was een langzaam en stroef lezer, en hield bij een moeielijk woord dikwijls op om zich zelven aan te moedigen met een: “Komaan, jongen, frisch aangepakt!” of “Sta vast, Edward Cuttle, sta vast!” hetgeen veel scheen te baten om hem over een bezwaar heen te helpen. Bovendien hinderde zijn bril hem zeer in het zien. Maar, in spijt van deze belemmeringen, las de kapitein, daar hij het ernstig meende, de formulieren tot den laatsten regel toe, en dat met waar gevoel. Toen zeer voldaan over het gelezene, begaf hij zich onder de toonbank te rust (maar niet voordat hij nog eens naar boven was gegaan en aan Florence’s deur had geluisterd) en viel met een verruimd hart en een genoeglijk gezicht in slaap.In den loop van den nacht stond de kapitein verscheidene malen op om zich te verzekeren of Florence gerust sliep; en eens, toen de dag aanbrak, bevond hij, dat zij wakker was, want toen zij zijn voetstap hoorde, riep zij om te weten of hij het was.“Ja, mijn dametje,” antwoordde de kapitein met een brommend gefluister. “Zijt gij geheel en al wel, mijn dametje?”Florence bedankte hem en antwoordde van ja.Nu kon de kapitein de gunstige gelegenheid niet verzuimen om zijn mond voor het sleutelgat te houden en daardoor heen, alsof er een schorre wind door woei, te roepen: “Arme Walter! Verdronken, niet waar?” Waarna hij weder naar bed ging en tot zeven uur bleef slapen.Ook den geheelen dag was hij niet vrij van die zonderlinge gejaagdheid en verlegenheid; hoewel Florence, die in het achterkamertje zat te naaien, kalmer en rustiger was dan den vorigen dag. Bijna telkens wanneer zij hare oogen van haar werk opsloeg, bemerkte zij, dat de kapitein haar aanzag en peinzend zijne kin wreef; en zoo dikwijls schoof hij met zijn leuningstoel naar haar toe, alsof hij iets zeer vertrouwelijks wilde zeggen, en schoof hij dan ook weder achteruit, als wist hij niet daaraan te beginnen, dat hij in den loop van den dag het geheele kamertje aldus doorkruiste, en meer dan eens tegen het beschot of de kastdeur op het strand raakte.Het was niet voor schemeravond, dat kapitein Cuttle voor goed zijn anker liet vallen, en eindelijk, dicht naast Florence gezeten, geregeld begon te praten. Maar op dien tijd, toen het vuur de muren en de zoldering verlichtte en haar kalm gezichtje bescheen, dat naar de vlam was gekeerd, en in de tranen flikkerde, die hare oogen vulden, verbrak de kapitein aldus zijn langdurig stilzwijgen:“Gij zijt wel nooit op zee geweest, mijn hartje?”—“Neen,” antwoordde Florence.—“Ja,” hernam de kapitein met eerbied, “het is een almachtig element. Er zijn wonderen in de diepte, mijn liefje. Denk eens aan, als de winden loeien en de golven bulderen. Denk eens aan, als het in stormige nachten zoo pikdonker is,” zeide de kapitein, plechtig zijn haak ophoudende, “dat men geen hand voor oogen zien kan, behalve als een bliksemstraal ze zichtbaar maakt; en als gij daar door storm en duisternis voortdrijft, alsof gij zoo zoudt blijven voortdrijven van eeuwigheid tot eeuwigheid, amen, en als gij dat vindt, zet er dan een streepje bij. Dat is een tijd, mijn dametje, dat iemand tegen zijn kameraad mag zeggen: “Een stijve noordwester, Bill; luister, hoort ge hem niet loeien! Och, Heere, hoe beklaag ik alle ongelukkigen, die nu aan land zitten!””Welke aanhaling, als bijzonder toepasselijk op de verschrikkingen der zee, de kapitein met een nadrukkelijk “Sta vast!” besloot.—“Zijtgijooit in zulk een vreeselijken storm geweest?” vroeg Florence.—“Wel ja, mijn dametje, ik heb ook mijn deel van slecht weer gehad,” antwoordde de kapitein, met eene bevende hand zijn hoofd afvegende, “ik ben ook genoeg rondgeslingerd. Maar—maar het is niet van mij zelven, dat ik wenschte te spreken. Onze beste jongen,” dichter bij haar schuivende, “Walter, liefje, die verdronken is.”De kapitein sprak met zulk eene bevende stem, en zag Florence met zulk een bleek en ontroerd gezicht aan, dat zij verschrikt zijne hand vatte.“Uw gezicht is in een oogenblik zoo veranderd,” riep zij uit. “Wat is er? Lieve kapitein Cuttle, ik word er koud van, dat ik u zoo zie!”—“Word maar niet bang, mijn dametje,” antwoordde de kapitein. “Neen, neen. Alles is wel, alles is wel, mijn liefje. Zooals ik zeide—Walter—hij is—hij is verdronken. Is hij niet?”Florence zag hem strak aan, werd beurtelings rood en bleek en legde hare hand op hare borst.“Er zijn gevaren op de diepte, mijn hartje,” zeide de kapitein, “en over menig goed schip en menig moedig hart hebben de golven zich gesloten, en er nooit een woord van gezegd. Maar er zijn ook uitkomsten op de diepte, en somtijds wordt één man van de twintig—ja, misschien één van de honderd, mijn liefje—door Gods genade gered, en komt hij nog thuis, als men hem al lang voor dood heeft[343]gehouden en verteld dat allen verdronken waren. Ik—ik weet eene historie, hartediefje,” stotterde de kapitein, “eene historie van die soort, die mij eens verteld is; en nu ik daaraan denk, en zoo alleen met u bij het vuur zit, zoudt ge ze misschien wel eens willen hooren. Zoudt ge, liefje?”Florence, bevende van eene ontroering, die zij niet begreep of kon bedwingen, volgde onwillekeurig zijne oogen, die achter haar om naar den winkel dwaalden, waar eene lamp brandde. Zoodra zij haar hoofd omdraaide, sprong de kapitein van zijn stoel op en hield zijne hand voor haar.“Daar is niets, mijn juweeltje,” zeide de kapitein. “Kijk daar niet!”—“Waarom niet?” vroeg Florence.De kapitein mompelde iets dat het daar somber en het vuur vroolijk was. Hij stiet de deur, die tot nog toe had opengestaan, half toe, en zette zich weder. Florence volgde hem met hare oogen en zag hem strak aan.“De historie was van een schip, mijn dametje,” begon de kapitein, “dat met goeden wind en mooi weer de haven vanLondenwas uitgezeild, bestemd—ontstel maar niet, mijn dametje—het was maar naar ik weet niet waar bestemd.”De uitdrukking van Florence’s gezichtje ontrustte den kapitein, die zelf zeer rood en heet was, en weinig minder ontroering liet blijken dan zij.“Zal ik voortgaan, liefje?” zeide de kapitein.—“Ja, ja, bid ik u!” riep Florence uit.De kapitein scheen iets, dat hem in de keel stak, met geweld door te zwelgen, en vervolgde zeer zenuwachtig:“Dat ongelukkige schip kreeg op zee zulk een slecht weer, mijn liefje, als men in twintig jaar niet beleeft. Er woei aan land een orkaan, die bosschen uitroeide en steden verwoestte, en op zee had men op die breedte een storm, waarin het sterkste schip het niet kon uithouden. Dag aan dag hield dat ongelukkige schip zich evenwel goed, heeft men mij verteld, maar op eens werd bijna de geheele verschansing weggeslagen, en gingen de masten overboord en brak het roer af, en werden de beste matrozen overboord gespoeld, en zoo was het aan de genade van den storm overgelaten, die geene genade had, maar al harder en harder opstak, en telkens als de golven er op kwamen neerdonderen, kraakten zij het goede schip als een notedop. Ieder zwart plekje in elken waterberg, die wegrolde, was een stuk van het schip of een levend mensch, en zoo ging het geheel aan stukken, liefje, en geen gras zal er ooit groeien op de graven van hen die het bevoeren.”—“Zij verongelukten toch niet allen!” riep Florence. “Sommigen werden toch gered! Werd er iemand gered?”—“Aan boord van dat ongelukkige schip,” zeide de kapitein, van zijn stoel opstaande en zijne vuist met verbazende kracht dichtklemmende, “was een knaap, een moedige knaap—zooals ik heb hooren vertellen—die, toen hij nog een kleine jongen was, altijd gaarne van moedige daden bij schipbreuken had gelezen en gepraat—ik heb hem gehoord, zelf gehoord!—en hij dacht weder daarom in het uur van nood; want toen de stoutste harten en oudste handen slap werden, bleef hij standvastig en onverschrokken. Het was niet uit gebrek aan menschen om lief te hebben aan land, dat hij zooveel moed had, het was zijn natuurlijk karakter zoo. Ik heb het in zijn gezicht gezien, toen hij nog niet meer dan een kind was—ja, dikwijls!—en toen ik dacht dat het niets anders was dan zijn gezond uitzicht, zegen hem!”—“En werd hij gered?” riep Florence uit. “Werd hij gered?”—“Die brave jongen,” zeide de kapitein. “Zie mij aan, liefje. Kijk niet om—”Florence had nauwelijks de kracht om nog eens te vragen: “Waarom niet?”—“Omdat daar niets te zien is, hartje,” zeide de kapitein, “Maak u niet angstig, liefje! Doe dat niet—om Walter’s wil, van wien wij allen zooveel hielden! Die knaap,” vervolgde de kapitein, “nadat hij met de besten had gewerkt, en de flauwhartigen had bijgestaan, en geen teeken van vrees gegeven, en bij al de anderen een ijver had wakker gehouden, die hem zooveel eer aandeed alsof hij een admiraal was geweest—die knaap en de tweede stuurman en een matroos waren de eenigen die overbleven van al de kloppende harten, die op dat schip geweest waren. Zij hadden zich op een stuk van het wrak vastgebonden en dreven zoo op de stormige zee”—“Werden zij gered!” riep Florence.—“Dagen en nachten dreven zij op het eindelooze water,” zeide de kapitein, “tot eindelijk—neen, kijk niet naar dien kant, liefje!—een zeil op hen aankwam, en zij door Gods genade aan boord werden genomen—twee levend, en een dood.”—“Wie van hen was dood?” riep Florence.—“Niet de knaap, waarvan ik spreek,” zeide de kapitein.—“Goddank! O, Goddank!”—“Amen!” zeide de kapitein haastig. “Maak u niet benauwd. Nog eene minuut, mijn dametje—moed gehouden! Aan boord van dat schip deden zij eene lange reis dwars over de kaart (want zij deden geene haven aan) en op die reis stierf de matroos, die met hem was opgenomen. Maar hij bleef bewaard, en—”Zonder te weten wat hij deed, had de kapitein eene snee brood gesneden en aan zijn haak gestoken (zijne gewone vork om brood aan te roosteren), die hij nu, terwijl hij met een gezicht vol ontroering achter Florence omkeek, zoo dicht voor het vuur hield, dat het brood tot kool brandde.[344]“Bleef bewaard,” herhaalde Florence, “en?”—“En kwam met dat schip thuis,” zeide de kapitein, nog in dezelfde richting kijkende, “en—schrik niet, liefje!—aan land; en op een ochtend kwam hij voorzichtig voor zijne eigene deur om observatie te doen, wel wetende dat zijne vrienden hem voor verdronken zouden houden, toen hij zich verwonderde over het onverwachte—”—“Over het onverwachte blaffen van een hond?” riep Florence haastig.—“Ja!” barstte de kapitein uit. “Sta vast liefje! Moed gehouden! Kijk nog niet om. Zie daar—op den muur!”Op den muur dicht bij haar viel de schaduw van een man. Zij sprong op, keerde zich om en gaf een schellen gil toen zij Walter Gay achter haar zag staan.Zij dacht niet anders aan hem dan als een broeder, een broeder uit het graf gered, een broeder in eene schipbreuk bewaard gebleven, voor dood gehouden en weder bij haar gekomen, en vloog in zijne armen. In de geheele wereld scheen hij hare hoop, haar troost, hare toevlucht, haar natuurlijke beschermer te zijn. “Draag zorg voor Walter. Ik heb veel van Walter gehouden!” De dierbare herinnering der klagende stem, die dit gezegd had, streelde hare ziel gelijk muziek in den nacht. “O, welkom thuis, lieve Walter! Welkom aan deze gewonde borst!” Zij gevoelde deze woorden, hoewel zij ze niet kon uiten, en hield hem in hare reine omhelzing gesloten.Kapitein Cuttle beproefde in eene vlaag van ijlhoofdigheid zijn hoofd af te vegen met het zwart gebrande brood aan zijn haak, en toen hij het daarvoor ondienstig vond, stopte hij het in zijn blinkenden hoed, zette toen dien hoed met eenige moeite op, beproefde het begin van Mooie Peggy te zingen, bleef bij het eerste woord steken, en nam de wijk naar den winkel, waaruit hij weldra haastig terugkwam, met een zeer rood en begroezeld gezicht, en al de stijfsel uit zijne boordjes weggeweekt, om de woorden te zeggen:“Walter, mijn jongen, hier is een klein kapitaaltje, dat ik u zou wenschen over te maken, gansch en gaar.”Snel haalde hij het groote horloge, de theelepeltjes, de suikertang en het blikken busje voor den dag, legde alles bij elkander op de tafel en streek het met zijne groote hand in Walter’s hoed; maar toen hij deze zonderlinge cassette aan Walter wilde toereiken, werd hij wederom zoodanig door zijne ontroering overmeesterd, dat hij nogmaals naar den winkel moest vluchten en ditmaal langer wegbleef dan de vorige maal.Maar Walter ging hem opzoeken en bracht hem terug, en toen was des kapiteins grootste vrees, dat Florence nadeel zou hebben van dezen nieuwen schok. Hij was zoo ernstig beducht daarvoor, dat hij op eens bedaard en verstandig werd, en alle verdere toespeling op Walter’s avonturen voor eenige dagen verbood. Hij ontlastte zich nu ook van het stuk gebraden brood in zijn hoed, en zette zich op zijn gemak aan de tafel; maar toen Walter aan den eenen kant zijne hand op zijn schouder legde, en Florence hem aan den anderen hare weemoedige betuigingen van blijdschap in het oor fluisterde, nam de goede kapitein plotseling nogmaals de wijk, en bleef toen eene goede tien minuten weg.Maar nooit in geheel zijn leven had des kapiteins gezicht zulk een glans gehad, als toen hij eindelijk voor vast aan de theetafel zat, en van Walter naar Florence en van Florence naar Walter keek; en deze glans was geenszins voortgebracht door het geweldig wrijven met zijne mouw, dat zijn gezicht in het laatste half uur had moeten verduren, maar geheel en al een gevolg van zijne innerlijke gemoedsbewegingen. In zijn binnenste heerschten eene opgetogenheid en blijdschap, die zich over geheel zijn gezicht verspreidden en daar als het ware eene illuminatie aanstaken.De trotschheid, waarmede de kapitein de gebruinde wangen en moedige oogen van zijn wedergevonden Walter beschouwde, waarmede hij het edele vuur zijner jeugd en al zijne innemende en veelbelovende eigenschappen weder zag schitteren in zijne rondborstige manieren en op zijn mannelijk gezicht, moest op zijn eigen gezicht iets van dat licht ontsteken. De bewondering en teederheid, waarmede hij zijne oogen op Florence vestigde, wier schoonheid, bevalligheid en onschuld geen trouwer en ijveriger kampvechter hadden kunnen verwerven dan hem, moesten denzelfden invloed op hem uitoefenen. Maar de volheid van den gloed, dien hij om zich heen verspreidde, kon alleen worden voortgebracht door zijne beschouwing van die twee bij elkander, en door al de gedachten welke die vereeniging moest opwekken, en die hem als een huppelende dans van vroolijke beelden door het hoofd vlogen.Hoe zij over oom Sam praatten, en zij uitweidden over al de omstandigheden van zijn verdwijnen; hoe hunne vreugde door de afwezigheid des ouden mans en de rampen van Florence werd getemperd; hoe zij Diogenes verlosten, dien de kapitein eenigen tijd vooraf naar boven had gelokt, opdat hij niet weder zou blaffen, begreep de kapitein zeer wel, ofschoon hij op den duur nog eenigszins ontroerd bleef, en meermalen nog eens voor eene korte poos naar den winkel ging. Maar hij droomde evenmin dat Walter Florence thans op eene geheele andere plaats dan voorheen en ver van zich verwijderd zag, en dat, terwijl zijne oogen dikwijls haar bekoorlijk gezichtje zochten, zij toch zelden haar openhartigen[345]blik van zusterlijke genegenheid beantwoordden, maar zich dan van de hare afwendden, als hij geloofde dat het Walter’s geest was, die daar naast hem zat. Hij zag hen daar bij elkander in hunne jeugd en schoonheid, en hij kende de geschiedenis hunner kindsche dagen, en hij had onder zijn groot blauw vest geen duim breedte plaats voor iets anders dan bewondering voor zulk een paar en dankbaarheid dat het weder vereenigd was.Toen hij in eene genoeglijke mijmering zijne pijp had gestopt, stak Florence die voor hem aan. (blz. 340).Toen hij in eene genoeglijke mijmering zijne pijp had gestopt, stak Florence die voor hem aan.(blz. 340).Zoo zaten zij tot het laat werd. De kapitein had wel eene week lang zoo willen blijven zitten. Maar Walter stond eindelijk op om afscheid te nemen.“Gaat gij heen, Walter?” zeide Florence. “Waar naar toe?”—“Hij heeft vooreerst een logies om den hoek bij Brogley, mijn dametje,” zeide de kapitein. “Hij is binnen beroep, mijn hartediefje.”—“Ik ben de oorzaak, dat gij heengaat, Walter,” zeide Florence. “Er is eene zuster, die geen ander thuis heeft, in uwe plaats gekomen.”—“Lieve jufvrouw Dombey,” antwoordde Walter haperend—“als het niet te vermetel is u zoo te noemen—”—“Walter!” riep zij verwonderd uit.—“Als iets voor mij het geluk kon vergrooten van u te mogen zien en spreken, zou het dan niet de ontdekking zijn, dat ik eenig middel had, om u een[346]oogenblik dienst te bewijzen? Waar zou ik niet naar toe gaan, wat zou ik niet doen, om uwentwil?”Zij glimlachte en noemde hem broeder.“Gij zijt zoo veranderd,” zeide Walter.—“Ik veranderd!” viel zij er op in.—“Voor mij,” zeide Walter zacht, alsof hij overluid dacht, “voor mij veranderd. Ik heb u zulk een kind gelaten, en vind u—o, iets geheel anders.”—“Maar toch uwe zuster. Gij hebt immers niet vergeten, wat wij elkander beloofden, toen wij scheidden?”—“Vergeten?” Maar hij zeide niets meer.—“En al hadt gij dat gedaan—al hadden leed en gevaren het u uit de gedachten verdreven—dat zoo niet is—dan zoudt gij het u nu wel herinneren, Walter, nu gij mij arm en verlaten vindt, zonder ergens een thuis te hebben behalve hier, en zonder vrienden behalve de twee, die mij nu hooren spreken.”—“Dat zou ik! De hemel weet, dat zou ik!” zeide Walter.—“O Walter, lieve broeder,” riep Florence door hare snikken en tranen uit. “Wijs mij toch een weg om door de wereld te komen—een nederig pad, waar ik alleen kan wandelen en werkzaam zijn, en somtijds aan u denken als aan iemand, die mij als eene zuster beschermen en liefhebben zal. O, help mij toch, Walter, want ik heb zooveel hulp noodig!”—“Jufvrouw Dombey! Florence! Ik zou willen sterven om u te helpen. Maar uwe betrekkingen zijn grootsch en rijk. Uw vader—”—“Neen, neen, Walter!” gilde zij en stak hare handen op met een schrik, die hem deed verstommen. “Zeg dat woord niet!”Nooit vergat hij de stem en den blik, waarmede zij hem bij dat woord stuitte. Hij gevoelde, dat hij ze nooit zou kunnen vergeten, al werd hij honderd jaren oud.Ergens heen—waar dan ook—maar nooit weder naar huis! Alles voorbij, alles weg, alles verloren, alles verwoest! De geheele geschiedenis van het leed en de verwaarloozing, die zij altijd had verzwegen, lag in dien kreet en dien blik; hij gevoelde, dat hij ze nooit kon vergeten, en deed dit ook nooit.Zij liet haar lief gezichtje op des kapiteins schouder zinken, en verhaalde hoe en waarom zij gevlucht was. Als elke traan, dien zij onder dat verhaal schreide, een vloek geweest was op het hoofd van hem, dien zij nooit noemde of laakte, zou het beter voor hem zijn geweest, dacht Walter met ontzetting, dan uit zulk eene kracht en macht van liefde verstooten te worden.“Daar nu, mijn juweeltje!” zeide de kapitein, toen zij ophield; en met diepe aandacht had hij naar haar geluisterd, met zijn hoed geheel op zijde en zijn mond wijd open. “Sta vast, sta vast, mijne oogen! Walter, beste jongen, pak u nu voor van avond weg, en laat het liefje maar aan mij over.”Walter vatte hare hand en bracht ze aan zijne lippen. Hij wist nu, dat zij waarlijk eene zwervende vluchtelinge was; maar voor hem rijker zóó, dan in den glans en de weelde van haar rechtmatigen staat, scheen zij nog verder van hem af te zijn, dan zelfs op de hoogte, die hem in zijne jeugdige droomen had doen duizelen.Kapitein Cuttle, door geene zoodanige bedenkingen verontrust, bracht Florence naar hare kamer, en kwam van tijd tot tijd de wacht houden op den betooverden grond voor hare deur—want voor hem was die grond waarlijk betooverd—tot hij zich gerust genoeg over haar gevoelde, om onder de toonbank te gaan slapen. Toen hij daartoe zijn post verliet, kon hij niet nalaten nog eens—maar nu met verrukking—door het sleutelgat te roepen; “Verdronken! Niet waar, liefje?” en onder aan de trap nog eens het lied van Mooie Peggy te beproeven. Dit bleef hem, hoe dan ook, weder in de keel steken. Hij ging dus naar bed en droomde dat de oude Sam Gills met jufvrouw MacStinger was getrouwd, en door die dame in eene geheime kamer op kort rantsoen gevangen werd gehouden.

[Inhoud]XLIX.DE ADELBORST DOET EENE ONTDEKKING.Het duurde lang eer Florence ontwaakte. Het werd middag en de avond naderde, en nog bleef zij, afgemat naar ziel en lichaam, voortslapen, zonder iets te weten van het vreemde bed, van het gewoel en gerucht op straat en van het licht dat door de gordijnen voor het venster van haar werd afgeweerd. Geheele onbewustheid van hetgeen er was voorgevallen in het huis, dat geen thuis meer voor haar was, kon zelfs de zware slaap der afgematheid niet voortbrengen. Eene onbestemde, droevige herinnering daarvan, onrustig sluimerend maar nooit geheel inslapend, bleef haar bij. Eene doffe zielesmart, gelijk een half verstompt gevoel van pijn, verliet haar geen oogenblik; en hare bleeke wang werd meermalen met tranen bevochtigd, dan de goede kapitein, die nu en dan zijn hoofd door de half opene deur stak, wel had willen zien.Op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem uitstak, wankelde en neerzonk. (blz. 332).Op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem uitstak, wankelde en neerzonk.(blz. 332).De zon daalde in het westen, en drong, in een rooden nevel gehuld, met hare stralen door het opene loofwerk der torenspitsen, alsof zij er gouden pijlen doorheen schoot—en ver weg over de rivier en hare vlakke oevers liet zij het schitteren als een pad van vuur—en op zee verlichtte zij de zeilen van schepen—en van stille kerkhoven op de heuveltoppen van het binnenland gezien, dompelde zij het verschiet in een purperen damp, waarin hemel en aarde zich gloeiend schenen te vermengen—toen Florence, hare bezwaarde oogen openende, eerst eenigen tijd zonder belangstelling of bewustheid naar de onbekende muren lag te staren, en even onverschillig naar het straatrumoer te luisteren. Maar weldra kwam zij met schrik overeind, zag met verbaasde oogen rond, en herinnerde zich alles.“Mijn liefje,” zeide de kapitein, aan de deur kloppende, “hoe gaat het?”—“Mijn beste vriend,” riep Florence, naar hem toesnellende. “Zijt gij daar!”De kapitein gevoelde zich zoo trotsch op dien naam, en zoo gestreeld door den glans van[338]blijdschap, die zich op haar gezichtje vertoonde toen zij hem zag, dat hij, sprakeloos van vergenoegde aandoening, bij wijze van antwoord zijn haak kuste.“Hoe gaat het, mijn diamantje?” zeide de kapitein.—“Ik heb zeker heel lang geslapen,” antwoordde Florence. “Wanneer ben ik hier gekomen? Gisteren?”—“Dezen zelfden gezegenden dag, mijn dametje,” zeide de kapitein.—“Is het dan geen nacht geweest? Is het nog dag?” vroeg Florence.—“Het begint nu avond te worden, mijn liefje,” zeide de kapitein, het gordijn openschuivende. “Zie maar.”Florence, met haar handje op des kapiteins arm, zoo treurig en vreesachtig, en de kapitein met zijn ruw gezicht en zijne forsche gestalte, zoo manhaftig beschermend, stonden in het roodachtige licht van den helderen avondhemel, zonder een woord te spreken. Hoe vreemd de spraakwending ook mocht geweest zijn, als hij zijn gevoel had uitgedrukt, gevoelde de kapitein toch zoo diep als de welsprekendste man had kunnen doen, dat die stille avondstond en de zachte schoonheiddaarvaniets hadden, dat het gewonde hart van Florence moest doen overstroomen, en dat het best was dat zulke tranen hun vrijen loop hadden. Kapitein Cuttle sprak dus geen woord. Maar toen hij zijn arm vaster voelde omklemmen, en dat het eenzame hoofd nader daarbij kwam, en zich tegen zijne ruige blauwe mouw vleide, legde hij zacht zijne harde hand daarop, en begreep en werd begrepen.“Beter nu, mijn liefje?” zeide de kapitein. “Opgebeurd maar, opgebeurd. Ik zal naar beneden gaan en wat eten klaarmaken. Wilt gij naderhand alleen naar beneden komen, mijn hartje, of zal Edward Cuttle u komen halen?”Daar Florence hem verzekerde, dat zij zeer wel in staat was om de trap af te gaan, liet de kapitein haar vrijheid om dit te doen, hoewel hij er blijkbaar aan twijfelde of de gastvrijheid dit wel veroorloofde, en ging voor het vuur in het achterkamertje een hoentje braden. Om dit te beter te kunnen doen, trok hij zijne jas uit, sloeg zijne mouwboorden op en zette zijn blinkenden hoed op, zonder welk hoofddeksel hij nooit iets moeielijks ondernam.Na haar kloppend hoofd en gloeiend gezicht verkoeld te hebben met het frissche water, dat de zorg des kapiteins, terwijl zij sliep, voor haar gereed gezet had, ging Florence naar het spiegeltje, om hare in wanorde geraakte haren op te binden. Toen zag zij—een oogenblik, want zij bedekte het terstond weder—dat hare borst het donkere spoor eener toornige hand droeg.Dit gezicht deed hare tranen opnieuw uitbarsten: het vervulde haar met angst en schaamte, maar bewoog haar niet tot gramschap tegen hem. Zonder huis en zonder vader, vergaf zij hem alles; zij wist nauwelijks, dat zij hem iets te vergeven had, of dat zij dit deed; maar zij ontvlood het denkbeeld van hem gelijk zij hem zelven ontvlucht was, en hij was geheel voor haar verloren en verdwenen. Er was geen zoodanig wezen in de wereld.Wat zij zou doen of waar zij zou blijven, kon Florence—arm, onervaren meisje—niet overwegen. Zij had onduidelijke droomen om ver weg eenige kleine zusters te vinden om te onderwijzen, die haar vriendelijk zouden behandelen, en aan welke zij zich onder een aangenomen naam, kon hechten, en die in haar gelukkig huis zouden opgroeien en trouwen, en goed zouden zijn voor hare oude gouvernante, en haar misschien door den tijd de opvoeding harer eigene dochters toevertrouwen; en zij dacht hoe vreemd en treurig het zou zijn, zoo eene oude vrouw met grijze haren te worden, en haar geheim in het graf mede te nemen, wanneer Florence Dombey vergeten was. Maar dit alles was nevelachtig en bewolkt voor haar. Zij wist alleen, dat zij op aarde geen vader meer had, en dit zeide zij dikwijls, met het smeekende hoofdje verborgen voor iedereen behalve voor haar vader in den hemel.Haar kleine voorraad van geld bedroeg slechts eenige guinjes. Met een gedeelte daarvan zou het noodig zijn eenige kleederen te koopen, want zij had geene andere, dan die zij aanhad. Zij was te bedroefd om er aan te denken, hoe spoedig haar geld op zou zijn—te zeer een kind in wereldsche zaken om zich daarover zeer te verontrusten, al hadden andere dingen haar minder ontrust. Zij beproefde hare gedachten tot kalmte te brengen en hare tranen te stuiten, de verwarring in haar kloppend hoofd tot rust te brengen, en het zich duidelijk te maken, dat het gebeurde nog maar weinige uren geleden was, in plaats van weken of maanden, gelijk het haar voorkwam; en ging naar beneden naar haar vriendelijken beschermer.De kapitein had met groote zorg de tafel gedekt, en was nu bezig met eiersaus gereed te maken, terwijl hij tusschenbeide het hoentje bedroop, dat aan een touwtje voor het vuur hing te draaien. Nadat hij Florence tusschen kussens op de sofa had geplaatst, die reeds in een warm hoekje voor haar geschoven was, zette de kapitein met buitengemeene handigheid zijn keukenwerk voort, plaatste behalve zijn pannetje met eiersaus nog een met jus op het vuur, benevens een handvol aardappelen in een potje, en deed elke minuut de ronde met bedruipen en roeren, met een lepel, die tot alles te gelijk diende. Bovendien moest hij nog op eene kleine koekenpan letten, waarin eenige saucijsjes welluidend lagen te sissen en te spatten; en nooit verrichtte kok of keukenmeid hun gewichtig[339]werk met meer ijver en genoegen, dan de kapitein het zijne; het was onmogelijk te zeggen wat meer blonk, zijn gezicht of zijn glimmende hoed.Toen de maaltijd eindelijk geheel gereed was, zette de kapitein dien op, met niet minder handigheid dan hij alles had gekookt en gebraden. Daarna kleedde hij zich voor het diner door zijne jas aan te trekken en zijn hoed af te zetten. Dit gedaan zijnde, schoof hij de tafel dicht bij Florence, die op de sofa moest blijven zitten, deed het gebed, schroefde zijn haak af en zijne vork daarvoor in de plaats, en nam de honneurs van de tafel waar.“Beur u wat op, mijn dametje,” zeide de kapitein, “en probeer om wat te eten. Zie eens hier, liefje. Dat is een boutje—en dat is saus—en dat is een saucijsje—en dat is een aardappel!” De kapitein plaatste dit alles symmetrisch op een bord, goot een lepel jus er over heen, en zette het zijne geëerde gast voor.“De geheele rij luiken is voor opgezet, mijn dametje,” merkte de kapitein bemoedigend aan, “en alles is bezorgd. Probeer dus eens een beetje te peuzelen, mijn liefje. Als Walter hier was—”—“Ach, als ik hem nu voor mijn broeder had!” riep Florence uit.—“Maak u zoo aangedaan niet, mijn liefje,” zeide de kapitein. “Houd u goed, om mij pleizier te doen. Hij was immers uw natuurlijk geboren vriend, niet waar, liefje?”Florence kon geene woorden vinden. Zij zeide slechts: “O lieve, lieve Paul! O Walter!”—“De plank waarover zij ging,” zeide de kapitein, naar haar hangend hoofdje ziende, “was Walter zoo dierbaar als de waterbeken voor een hart, dat zich nooit verheugt! Ik zie hem nog voor mij, op dien dag toen hij op de monsterrol van het kantoor werd gezet, en hij van haar sprak met zijn gezicht blinkende van den dauw—ten minste van zijne bescheidenheid en teerhartigheid—als eene pas ontloken roos, onder den eten. Wel, wel! Als onze arme Walter hier was, mijn dametje—of als hij er zijn kon—want hij is verdronken, niet waar?”Florence schudde haar hoofd.“Ja, ja, verdronken,” zeide de kapitein als het ware troostend. “Zooals ik zeide, als hij hier kon zijn en u bidden en smeeken, mijn schatje, om een beetje te peuzelen, uit zorg voor uwe kostbare gezondheid. Pas op u zelve, mijn dametje, alsof het om Walter’s wil was, en houd maar recht voor den wind.”Om den kapitein genoegen te geven, beproefde Florence iets te eten. Ondertusschen legde de kapitein, die zijn eigen eten geheel scheen te vergeten, mes en vork neer en schoof zijn stoel dichter bij de sofa.“Walter was een knappe jongen, niet waar, mijn hartje?” zeide de kapitein, nadat hij, haar strak aanziende, eene poos zijne kin had zitten wrijven; “en een brave jongen, en een goede jongen.”Florence stemde dit met tranen toe.“En hij is verdronken, juweeltje, niet waar?” zeide de kapitein, op een toon van medelijden.Florence kon niet anders dan dit wederom toestemmen.“Hij was ouder dan gij, mijn dametje,” vervolgde de kapitein; “maar gij waart toch als twee kinderen samen, in het eerst, waart ge niet?”Florence antwoordde: “Ja!”“En Walter is verdronken,” zeide de kapitein. “Niet waar?”Het herhalen van deze vraag was wel eene zonderlinge bron van troost, maar scheen dit toch werkelijk voor den kapitein te zijn, want hij kwam er telkens op terug. Florence schoof eindelijk haar bijna ongeproefden maaltijd van zich af, liet zich op de sofa neerzinken, en reikte hem haar handje toe, met spijt gevoelende, dat zij hem had te leur gesteld, hoewel zij hem gaarne voor al zijne moeite eenig genoegen had willen geven; hij hield echter dat handje vast, zonder, naar het scheen, om den maaltijd of haar gebrek aan eetlust te denken, en bleef maar bij tusschenpoozen, op een peinzend medelijdenden toon, brommen: “Arme Walter. Ja, ja, verdronken. Niet waar?” En telkens wachtte hij op haar antwoord, waarom het hem bij deze zonderlinge bespiegelingen vooral scheen te doen te zijn.Het hoentje en de saucijzen waren koud geworden, en de saus was gestold, eer de kapitein zich herinnerde, dat alles nog op tafel stond; maar toen viel hij er ook met behulp van Diogenes op aan, en hunne vereenigde pogingen deden den voorraad spoedig verdwijnen. Des kapiteins verwondering en genoegen over Florence’s stille handigheid, toen zij hem hielp om de tafel af te nemen, het kamertje op te ruimen, en den haard aan te vegen—alleen geëvenredigd door het ijverige van zijn protest toen zij hem begon te helpen—werden eindelijk zoo groot, dat hij zelf niets meer kon doen, maar naar haar bleef staan kijken, alsof zij eene Fee was, die met bovennatuurlijke vlugheid deze diensten voor hem verrichtte; de roode streep op zijn voorhoofd gloeide van opgetogenheid.Maar toen Florence zijne pijp van den schoorsteenmantel nam en hem toereikte, met dringend verzoek om te gaan rooken, werd de goede kapitein zoo verlegen met hare beleefdheid, dat hij met zijne pijp bleef staan, alsof hij nog nooit in zijn leven eene pijp in de hand had gehad. Toen Florence in de kast ging zoeken, de flesch er uitnam, ongevraagd een onverbeterlijk glas grog voor hem gereedmaakte en dit voor hem zette, werd zijn roode neus bleek, zoo gestreeld en vereerd gevoelde hij zich. Toen hij in eene[340]genoeglijke mijmering zijne pijp had gestopt, stak Florence die voor hem aan—daar de kapitein haar dit niet kon of wilde beletten—en toen hare plaats op de oude sofa hernemende, bleef zij hem zitten aanzien met een lachje zoo dankbaar en liefdevol, een lachje, dat zoo duidelijk toonde hoe haar eenzaam hart zich aan hem hechtte, dat de kapitein den rook van zijne pijp in de keel en in de oogen kreeg, zoodat hij moest hoesten en de tranen hem over de wangen rolden.De manier, waarop de kapitein het wilde doen voorkomen alsof de oorzaak dier verschijnselen in de pijp zelve verborgen lag, en in den kop daarnaar keek, en toen hij ze daar niet vond, ze uit den steel wilde blazen, was alleraardigst. Daar de pijp spoedig in beteren staat kwam, nam de kapitein weldra weder de rustige kalmte aan die den goeden rooker past; maar hij bleef toch strak naar Florence zitten staren, en blies nu en dan, met eene innige vergenoegdheid, waarvan geene woorden een denkbeeld kunnen geven, eene rookwolk uit, alsof het een uit zijn mond komend lint was, waarop de woorden te lezen waren: “Arme Walter. Ja, ja. Verdronken. Niet waar?”Hoeveel zij ook naar het uitwendige van elkander verschilden—en er kon bijna geen grooter contrast bestaan, dan tusschen Florence, in hare teedere jeugd en schoonheid, en kapitein Cuttle, met zijn knobbelig gezicht, zijne forsche gestalte en zijne grove stem—in eenvoudigheid, onschuld en onkunde van de wereld met hare behoeften en gevaren, stonden zij bijna met elkander gelijk. Geen kind had kapitein Cuttle kunnen overtreffen in onervarenheid in alles behalve wind en weder, in eenvoudigheid, lichtgeloovigheid en edelmoedig vertrouwen. Geloof, hoop en liefde vervulden geheel zijn gemoed. Eene zonderlinge neiging tot het romaneske, waarbij hij zijne verbeelding geheel vrij spel liet, en aan geene werkelijkheid of mogelijkheid dacht, was het eenig nog bijkomend inmengsel van zijn karakter. Terwijl hij daar zat te rooken en Florence aan te staren, mag de hemel weten welke onmogelijke tafereelen, waarin zij de hoofdpersoon was, hem voor den geest kwamen. Even nevelachtig en onbestemd, hoewel niet zoo vol hoop, waren hare eigene gedachten van het leven, dat voor haar lag; en evenals hare tranen prismatische kleuren veroorzaakten in het licht waarnaar zij tuurde, zoo zag zij door haar nieuw en drukkend leed reeds een flauwen regenboog veraf in de lucht pralen. Eene verdwaalde prinses en een goedaardig monster in een sprookje hadden eveneens bij den haard kunnen zitten, en evenzoo denken en spreken als kapitein Cuttle en de arme Florence deden.De kapitein werd niet ontrust door het flauwste denkbeeld van eenig bezwaar om Florence bij zich te houden, of van eenige verantwoordelijkheid, die hij daardoor op zich laadde. Toen hij de luiken voorgezet en de deur gesloten had, was hij in dit opzicht volkomen gerust. Al was zij eene pupil van de Kanselarij geweest, dit zou voor kapitein Cuttle geheel geen verschil gemaakt hebben. Hij was de allerlaatste mensch op de wereld om zich door zulke bezwaren te laten kwellen.Zoo bleef de kapitein gerust zijne pijp zitten rooken, en mijmerden Florence en hij op hunne eigene manier voort. Toen de pijp uit was, werd er thee gedronken, en daarna verzocht Florence hem om haar naar een winkel in de buurt te brengen, waar zij eenige dingen kon koopen, die zij terstond noodig had. Daar het geheel donker was, bewilligde de kapitein hierin; maar hij keek toch eerst voorzichtig uit, gelijk hij gewoon was te doen in den tijd toen hij zich voor jufvrouw MacStinger schuilhield, en wapende zich met zijn dikken stok, voor het geval, dat onverwachte omstandigheden een beroep op de wapenen noodzakelijk maakten.De hoogmoed dien kapitein Cuttle gevoelde, toen hij Florence zijn arm gaf en haar twee- of driehonderd voetstappen ver geleidde, waarbij hij door zijne groote waakzaamheid en voorzichtigheid de aandacht van alle voorbijgangers trok, was buitengemeen. Aan den winkel gekomen, begreep de kapitein, dat de kieschheid hem gebood zich te verwijderen, terwijl het benoodigde gekocht werd, dewijl dit uit voorwerpen van kleeding bestond; maar vooraf zette hij zijn blikken busje op de toonbank, en het winkeljuffertje onderricht hebbende, dat het veertien pond en twee schellingen bevatte, verzocht hij haar om, in geval die som niet toereikend genoeg was om de uitrusting van zijn nichtje te bestrijden—bij het woord “nichtje” wierp hij Florence een veelbeteekenenden blik toe, vergezeld met eene pantomime, die schranderheid en stilzwijgendheid moest uitdrukken,—dan maar zoo goed te zijn om hem te praaien, en hij zou het tekort uit zijn zak er bij leggen. Terloops zijn reusachtig horloge raadplegende, als een middel om groote gedachten van zijn vermogen te doen opvatten, groette de kapitein zijn nichtje door zijn haak te kussen, en ging buiten de deur, waar het aardig was zijn breed gezicht nu en dan door het venster tusschen de uitgestalde zijden en linten te zien binnenkijken, blijkbaar angstig, dat Florence door eene achterdeur was ontvoerd.“Lieve kapitein Cuttle,” zeide Florence, toen zij naar buiten kwam met een pakje, waarvan de grootte den kapitein zeer te leur stelde, daar hij verwacht had haar door een kruier met eene geheele baal goederen te zien volgen, “ik heb dit geld waarlijk niet noodig. Ik heb er niets van uitgegeven. Ik heb zelf geld.”[341]“Mijn dametje,” antwoordde de teleurgestelde kapitein, recht voor zich de straat opkijkende. “Bewaar het dan voor mij, als ge zoo goed wilt zijn, tot ik er u naar vraag.”—“Mag ik het weer op zijne gewone plaats bergen,” zeide Florence, “en het daar bewaren?”De kapitein was lang niet blijde met dit voorstel, maar hij antwoordde toch: “Ja, ja, plaats het waar gij wilt, mijn dametje, als gij maar weet waar gij het kunt vinden. Voormijis het van geen nut,” zeide de kapitein. “Ik ben verwonderd, dat ik het al niet lang heb weggegooid.”De kapitein was voor een oogenblik geheel verslagen, maar de eerste aanraking van Florence’s arm deed hem weder herleven, en zij keerden terug met dezelfde voorzorgen waarmede zij gekomen waren. Op de stoep gekomen, deed de kapitein de deur open en schoot er toen binnen, met eene vaart en behendigheid, die alleen groote oefening hem kon geleerd hebben. Terwijl Florence des morgens lag te sluimeren, had hij de dochter van eene oude vrouw, die gewoonlijk op deLeadenhall-Marktonder eene blauwe paraplu met gevogelte te koop zat, aangenomen om hare kamer te komen in orde brengen en haar de noodige kleine diensten te bewijzen; en daar dit meisje nu verscheen, vond Florence alles om haar heen even goed in orde en geriefelijk, schoon niet zoo prachtig, als in het akelige spookkasteel, waar zij eens thuis heette te zijn.Toen zij weder alleen waren, drong de kapitein haar om een sneedje brood te eten en een glaasje kruidenwijn te drinken (dien hij heerlijk wist gereed te maken); en haar vervolgens bemoedigende met alle vriendelijke woorden en wonderlijke aanhalingen, die hij maar bedenken kon, bracht hij haar naar boven. Maar hij had toen nog iets op het gemoed en was blijkbaar niet rustig.“Goeden nacht, lief hartje,” zeide kapitein Cuttle aan hare kamerdeur.Florence hief haar hoofdje op en gaf hem een kus.Op een anderen tijd zou de kapitein door zulk een blijk van hare genegenheid en dankbaarheid geheel over staag zijn gesmeten; maar nu, hoewel hij zeer gevoelig er voor was, zag hij haar aan met zelfs nog meer onrust dan hij te voren had laten blijken, en scheen ongezind om haar te verlaten.“Arme Walter!” zeide de kapitein.—“Arme, arme Walter!” zuchtte Florence.—“Verdronken, niet waar?” zeide de kapitein.Florence schudde haar hoofd en zuchtte.“Goeden nacht, mijn dametje,” zeide de kapitein, zijne hand toestekende.—“God zegen u, goede, lieve vriend!”Maar de kapitein bleef nog dralen.“Scheelt er iets aan, bestekapiteinCuttle?” zeide Florence, die zich licht ongerust maakte. “Hebt gij mij iets te zeggen?”—“U iets te zeggen, mijn dametje!” antwoordde de kapitein, haar zeer verlegen in de oogen ziende. “Neen, wat zou ik u te zeggen hebben, liefje? Gij denkt toch niet, dat ik iets goeds te zeggen heb, niet waar?”—“Neen,” zeide Florence en schudde haar hoofd.—“Arme Walter!” zeide de kapitein. “Mijn Walter, zooals ik hem placht te noemen! Oude Sam zijn neef! welkom voor ieder, die u kende, gelijk de bloemen in Mei! Waar zijt ge nu, brave jongen? Verdronken, niet waar?”Zijne alleenspraak met deze plotselinge vraag aan Florence besluitende, wenschte de kapitein haar goedennacht en ging de trap af, terwijl zij met de kaars bovenaan bleef staan om hem te lichten. Hij verdween in de duisternis, en naar het geluid zijner voetstappen te rekenen zou hij juist het achterkamertje binnengaan, toen zijn hoofd en schouders eensklaps weder zichtbaar werden, alsof zij uit de diepte opdoken, maar het scheen met geen ander doel dan om nog eens te herhalen:“Verdronken, niet waar, liefje?” Want toen hij dit op een toon van teeder medelijden gezegd had, verdween hij voor goed.Het speet Florence zeer, dat zij onwillekeurig, hoewel natuurlijk, deze herinnering bij haar beschermer had doen ontwaken; en zich bij het tafeltje zettende, waarop de kapitein den verrekijker, het liederboekje en die andere rariteiten had neergelegd, bleef zij aan Walter en alles wat er met hem in verband stond denken, tot zij bijna had kunnen wenschen zich maar te bed te leggen om te kunnen sterven. Maar onder haar eenzaam smachten naar de dooden, die zij had liefgehad, kwam geene gedachte aan haar vaderlijk huis—geene mogelijkheid om daarheen terug te keeren—geen denkbeeld, dat het nog bestond en dat daar haar vader woonde—in haar gemoed op. Zij had hem zien vermoorden. In de laatste natuurlijke gedaante, waarmede zij hem door zooveel heen was blijven liefhebben, was hij uit haar hart gerukt en vermoord. De gedachte was haar zoo ontzettend, dat zij hare oogen bedekte en bevend terugdeinsde bij de minste herinnering aan de daad of aan de hand, die ze bedreven had. Als haar teeder hart daarna nog zijn beeld had kunnen bewaren, had het moeten breken; maar dat kon het niet doen, en de ledige plaats was aangevuld door een woesten angst voor een enkelen blik op de verminkte brokken van dat beeld—een angst, die alleen uit de diepte van zulk eene liefde, zoo mishandeld, kon oprijzen.Zij durfde niet in den spiegel zien; want het gezicht der wankleurige plek op hare borst[342]deed haar voor zich zelve schamen, alsof zij een teeken van goddeloosheid met zich omdroeg. Zij bedekte het met eene haastige, bevende hand, in het donker, en legde haar vermoeid hoofd neder en schreide.De kapitein ging nog in langen tijd niet naar bed. Hij bleef nog een vol uur in den winkel en het achterkamertje op en neer wandelen, en toen hij door die lichaamsbeweging tot bedaren scheen te zijn gekomen, ging hij met een ernstig peinzend gezicht zitten en las in het gebedenboek de gebeden, bestemd ten gebruike op zee. Dit ging niet gemakkelijk, want de kapitein was een langzaam en stroef lezer, en hield bij een moeielijk woord dikwijls op om zich zelven aan te moedigen met een: “Komaan, jongen, frisch aangepakt!” of “Sta vast, Edward Cuttle, sta vast!” hetgeen veel scheen te baten om hem over een bezwaar heen te helpen. Bovendien hinderde zijn bril hem zeer in het zien. Maar, in spijt van deze belemmeringen, las de kapitein, daar hij het ernstig meende, de formulieren tot den laatsten regel toe, en dat met waar gevoel. Toen zeer voldaan over het gelezene, begaf hij zich onder de toonbank te rust (maar niet voordat hij nog eens naar boven was gegaan en aan Florence’s deur had geluisterd) en viel met een verruimd hart en een genoeglijk gezicht in slaap.In den loop van den nacht stond de kapitein verscheidene malen op om zich te verzekeren of Florence gerust sliep; en eens, toen de dag aanbrak, bevond hij, dat zij wakker was, want toen zij zijn voetstap hoorde, riep zij om te weten of hij het was.“Ja, mijn dametje,” antwoordde de kapitein met een brommend gefluister. “Zijt gij geheel en al wel, mijn dametje?”Florence bedankte hem en antwoordde van ja.Nu kon de kapitein de gunstige gelegenheid niet verzuimen om zijn mond voor het sleutelgat te houden en daardoor heen, alsof er een schorre wind door woei, te roepen: “Arme Walter! Verdronken, niet waar?” Waarna hij weder naar bed ging en tot zeven uur bleef slapen.Ook den geheelen dag was hij niet vrij van die zonderlinge gejaagdheid en verlegenheid; hoewel Florence, die in het achterkamertje zat te naaien, kalmer en rustiger was dan den vorigen dag. Bijna telkens wanneer zij hare oogen van haar werk opsloeg, bemerkte zij, dat de kapitein haar aanzag en peinzend zijne kin wreef; en zoo dikwijls schoof hij met zijn leuningstoel naar haar toe, alsof hij iets zeer vertrouwelijks wilde zeggen, en schoof hij dan ook weder achteruit, als wist hij niet daaraan te beginnen, dat hij in den loop van den dag het geheele kamertje aldus doorkruiste, en meer dan eens tegen het beschot of de kastdeur op het strand raakte.Het was niet voor schemeravond, dat kapitein Cuttle voor goed zijn anker liet vallen, en eindelijk, dicht naast Florence gezeten, geregeld begon te praten. Maar op dien tijd, toen het vuur de muren en de zoldering verlichtte en haar kalm gezichtje bescheen, dat naar de vlam was gekeerd, en in de tranen flikkerde, die hare oogen vulden, verbrak de kapitein aldus zijn langdurig stilzwijgen:“Gij zijt wel nooit op zee geweest, mijn hartje?”—“Neen,” antwoordde Florence.—“Ja,” hernam de kapitein met eerbied, “het is een almachtig element. Er zijn wonderen in de diepte, mijn liefje. Denk eens aan, als de winden loeien en de golven bulderen. Denk eens aan, als het in stormige nachten zoo pikdonker is,” zeide de kapitein, plechtig zijn haak ophoudende, “dat men geen hand voor oogen zien kan, behalve als een bliksemstraal ze zichtbaar maakt; en als gij daar door storm en duisternis voortdrijft, alsof gij zoo zoudt blijven voortdrijven van eeuwigheid tot eeuwigheid, amen, en als gij dat vindt, zet er dan een streepje bij. Dat is een tijd, mijn dametje, dat iemand tegen zijn kameraad mag zeggen: “Een stijve noordwester, Bill; luister, hoort ge hem niet loeien! Och, Heere, hoe beklaag ik alle ongelukkigen, die nu aan land zitten!””Welke aanhaling, als bijzonder toepasselijk op de verschrikkingen der zee, de kapitein met een nadrukkelijk “Sta vast!” besloot.—“Zijtgijooit in zulk een vreeselijken storm geweest?” vroeg Florence.—“Wel ja, mijn dametje, ik heb ook mijn deel van slecht weer gehad,” antwoordde de kapitein, met eene bevende hand zijn hoofd afvegende, “ik ben ook genoeg rondgeslingerd. Maar—maar het is niet van mij zelven, dat ik wenschte te spreken. Onze beste jongen,” dichter bij haar schuivende, “Walter, liefje, die verdronken is.”De kapitein sprak met zulk eene bevende stem, en zag Florence met zulk een bleek en ontroerd gezicht aan, dat zij verschrikt zijne hand vatte.“Uw gezicht is in een oogenblik zoo veranderd,” riep zij uit. “Wat is er? Lieve kapitein Cuttle, ik word er koud van, dat ik u zoo zie!”—“Word maar niet bang, mijn dametje,” antwoordde de kapitein. “Neen, neen. Alles is wel, alles is wel, mijn liefje. Zooals ik zeide—Walter—hij is—hij is verdronken. Is hij niet?”Florence zag hem strak aan, werd beurtelings rood en bleek en legde hare hand op hare borst.“Er zijn gevaren op de diepte, mijn hartje,” zeide de kapitein, “en over menig goed schip en menig moedig hart hebben de golven zich gesloten, en er nooit een woord van gezegd. Maar er zijn ook uitkomsten op de diepte, en somtijds wordt één man van de twintig—ja, misschien één van de honderd, mijn liefje—door Gods genade gered, en komt hij nog thuis, als men hem al lang voor dood heeft[343]gehouden en verteld dat allen verdronken waren. Ik—ik weet eene historie, hartediefje,” stotterde de kapitein, “eene historie van die soort, die mij eens verteld is; en nu ik daaraan denk, en zoo alleen met u bij het vuur zit, zoudt ge ze misschien wel eens willen hooren. Zoudt ge, liefje?”Florence, bevende van eene ontroering, die zij niet begreep of kon bedwingen, volgde onwillekeurig zijne oogen, die achter haar om naar den winkel dwaalden, waar eene lamp brandde. Zoodra zij haar hoofd omdraaide, sprong de kapitein van zijn stoel op en hield zijne hand voor haar.“Daar is niets, mijn juweeltje,” zeide de kapitein. “Kijk daar niet!”—“Waarom niet?” vroeg Florence.De kapitein mompelde iets dat het daar somber en het vuur vroolijk was. Hij stiet de deur, die tot nog toe had opengestaan, half toe, en zette zich weder. Florence volgde hem met hare oogen en zag hem strak aan.“De historie was van een schip, mijn dametje,” begon de kapitein, “dat met goeden wind en mooi weer de haven vanLondenwas uitgezeild, bestemd—ontstel maar niet, mijn dametje—het was maar naar ik weet niet waar bestemd.”De uitdrukking van Florence’s gezichtje ontrustte den kapitein, die zelf zeer rood en heet was, en weinig minder ontroering liet blijken dan zij.“Zal ik voortgaan, liefje?” zeide de kapitein.—“Ja, ja, bid ik u!” riep Florence uit.De kapitein scheen iets, dat hem in de keel stak, met geweld door te zwelgen, en vervolgde zeer zenuwachtig:“Dat ongelukkige schip kreeg op zee zulk een slecht weer, mijn liefje, als men in twintig jaar niet beleeft. Er woei aan land een orkaan, die bosschen uitroeide en steden verwoestte, en op zee had men op die breedte een storm, waarin het sterkste schip het niet kon uithouden. Dag aan dag hield dat ongelukkige schip zich evenwel goed, heeft men mij verteld, maar op eens werd bijna de geheele verschansing weggeslagen, en gingen de masten overboord en brak het roer af, en werden de beste matrozen overboord gespoeld, en zoo was het aan de genade van den storm overgelaten, die geene genade had, maar al harder en harder opstak, en telkens als de golven er op kwamen neerdonderen, kraakten zij het goede schip als een notedop. Ieder zwart plekje in elken waterberg, die wegrolde, was een stuk van het schip of een levend mensch, en zoo ging het geheel aan stukken, liefje, en geen gras zal er ooit groeien op de graven van hen die het bevoeren.”—“Zij verongelukten toch niet allen!” riep Florence. “Sommigen werden toch gered! Werd er iemand gered?”—“Aan boord van dat ongelukkige schip,” zeide de kapitein, van zijn stoel opstaande en zijne vuist met verbazende kracht dichtklemmende, “was een knaap, een moedige knaap—zooals ik heb hooren vertellen—die, toen hij nog een kleine jongen was, altijd gaarne van moedige daden bij schipbreuken had gelezen en gepraat—ik heb hem gehoord, zelf gehoord!—en hij dacht weder daarom in het uur van nood; want toen de stoutste harten en oudste handen slap werden, bleef hij standvastig en onverschrokken. Het was niet uit gebrek aan menschen om lief te hebben aan land, dat hij zooveel moed had, het was zijn natuurlijk karakter zoo. Ik heb het in zijn gezicht gezien, toen hij nog niet meer dan een kind was—ja, dikwijls!—en toen ik dacht dat het niets anders was dan zijn gezond uitzicht, zegen hem!”—“En werd hij gered?” riep Florence uit. “Werd hij gered?”—“Die brave jongen,” zeide de kapitein. “Zie mij aan, liefje. Kijk niet om—”Florence had nauwelijks de kracht om nog eens te vragen: “Waarom niet?”—“Omdat daar niets te zien is, hartje,” zeide de kapitein, “Maak u niet angstig, liefje! Doe dat niet—om Walter’s wil, van wien wij allen zooveel hielden! Die knaap,” vervolgde de kapitein, “nadat hij met de besten had gewerkt, en de flauwhartigen had bijgestaan, en geen teeken van vrees gegeven, en bij al de anderen een ijver had wakker gehouden, die hem zooveel eer aandeed alsof hij een admiraal was geweest—die knaap en de tweede stuurman en een matroos waren de eenigen die overbleven van al de kloppende harten, die op dat schip geweest waren. Zij hadden zich op een stuk van het wrak vastgebonden en dreven zoo op de stormige zee”—“Werden zij gered!” riep Florence.—“Dagen en nachten dreven zij op het eindelooze water,” zeide de kapitein, “tot eindelijk—neen, kijk niet naar dien kant, liefje!—een zeil op hen aankwam, en zij door Gods genade aan boord werden genomen—twee levend, en een dood.”—“Wie van hen was dood?” riep Florence.—“Niet de knaap, waarvan ik spreek,” zeide de kapitein.—“Goddank! O, Goddank!”—“Amen!” zeide de kapitein haastig. “Maak u niet benauwd. Nog eene minuut, mijn dametje—moed gehouden! Aan boord van dat schip deden zij eene lange reis dwars over de kaart (want zij deden geene haven aan) en op die reis stierf de matroos, die met hem was opgenomen. Maar hij bleef bewaard, en—”Zonder te weten wat hij deed, had de kapitein eene snee brood gesneden en aan zijn haak gestoken (zijne gewone vork om brood aan te roosteren), die hij nu, terwijl hij met een gezicht vol ontroering achter Florence omkeek, zoo dicht voor het vuur hield, dat het brood tot kool brandde.[344]“Bleef bewaard,” herhaalde Florence, “en?”—“En kwam met dat schip thuis,” zeide de kapitein, nog in dezelfde richting kijkende, “en—schrik niet, liefje!—aan land; en op een ochtend kwam hij voorzichtig voor zijne eigene deur om observatie te doen, wel wetende dat zijne vrienden hem voor verdronken zouden houden, toen hij zich verwonderde over het onverwachte—”—“Over het onverwachte blaffen van een hond?” riep Florence haastig.—“Ja!” barstte de kapitein uit. “Sta vast liefje! Moed gehouden! Kijk nog niet om. Zie daar—op den muur!”Op den muur dicht bij haar viel de schaduw van een man. Zij sprong op, keerde zich om en gaf een schellen gil toen zij Walter Gay achter haar zag staan.Zij dacht niet anders aan hem dan als een broeder, een broeder uit het graf gered, een broeder in eene schipbreuk bewaard gebleven, voor dood gehouden en weder bij haar gekomen, en vloog in zijne armen. In de geheele wereld scheen hij hare hoop, haar troost, hare toevlucht, haar natuurlijke beschermer te zijn. “Draag zorg voor Walter. Ik heb veel van Walter gehouden!” De dierbare herinnering der klagende stem, die dit gezegd had, streelde hare ziel gelijk muziek in den nacht. “O, welkom thuis, lieve Walter! Welkom aan deze gewonde borst!” Zij gevoelde deze woorden, hoewel zij ze niet kon uiten, en hield hem in hare reine omhelzing gesloten.Kapitein Cuttle beproefde in eene vlaag van ijlhoofdigheid zijn hoofd af te vegen met het zwart gebrande brood aan zijn haak, en toen hij het daarvoor ondienstig vond, stopte hij het in zijn blinkenden hoed, zette toen dien hoed met eenige moeite op, beproefde het begin van Mooie Peggy te zingen, bleef bij het eerste woord steken, en nam de wijk naar den winkel, waaruit hij weldra haastig terugkwam, met een zeer rood en begroezeld gezicht, en al de stijfsel uit zijne boordjes weggeweekt, om de woorden te zeggen:“Walter, mijn jongen, hier is een klein kapitaaltje, dat ik u zou wenschen over te maken, gansch en gaar.”Snel haalde hij het groote horloge, de theelepeltjes, de suikertang en het blikken busje voor den dag, legde alles bij elkander op de tafel en streek het met zijne groote hand in Walter’s hoed; maar toen hij deze zonderlinge cassette aan Walter wilde toereiken, werd hij wederom zoodanig door zijne ontroering overmeesterd, dat hij nogmaals naar den winkel moest vluchten en ditmaal langer wegbleef dan de vorige maal.Maar Walter ging hem opzoeken en bracht hem terug, en toen was des kapiteins grootste vrees, dat Florence nadeel zou hebben van dezen nieuwen schok. Hij was zoo ernstig beducht daarvoor, dat hij op eens bedaard en verstandig werd, en alle verdere toespeling op Walter’s avonturen voor eenige dagen verbood. Hij ontlastte zich nu ook van het stuk gebraden brood in zijn hoed, en zette zich op zijn gemak aan de tafel; maar toen Walter aan den eenen kant zijne hand op zijn schouder legde, en Florence hem aan den anderen hare weemoedige betuigingen van blijdschap in het oor fluisterde, nam de goede kapitein plotseling nogmaals de wijk, en bleef toen eene goede tien minuten weg.Maar nooit in geheel zijn leven had des kapiteins gezicht zulk een glans gehad, als toen hij eindelijk voor vast aan de theetafel zat, en van Walter naar Florence en van Florence naar Walter keek; en deze glans was geenszins voortgebracht door het geweldig wrijven met zijne mouw, dat zijn gezicht in het laatste half uur had moeten verduren, maar geheel en al een gevolg van zijne innerlijke gemoedsbewegingen. In zijn binnenste heerschten eene opgetogenheid en blijdschap, die zich over geheel zijn gezicht verspreidden en daar als het ware eene illuminatie aanstaken.De trotschheid, waarmede de kapitein de gebruinde wangen en moedige oogen van zijn wedergevonden Walter beschouwde, waarmede hij het edele vuur zijner jeugd en al zijne innemende en veelbelovende eigenschappen weder zag schitteren in zijne rondborstige manieren en op zijn mannelijk gezicht, moest op zijn eigen gezicht iets van dat licht ontsteken. De bewondering en teederheid, waarmede hij zijne oogen op Florence vestigde, wier schoonheid, bevalligheid en onschuld geen trouwer en ijveriger kampvechter hadden kunnen verwerven dan hem, moesten denzelfden invloed op hem uitoefenen. Maar de volheid van den gloed, dien hij om zich heen verspreidde, kon alleen worden voortgebracht door zijne beschouwing van die twee bij elkander, en door al de gedachten welke die vereeniging moest opwekken, en die hem als een huppelende dans van vroolijke beelden door het hoofd vlogen.Hoe zij over oom Sam praatten, en zij uitweidden over al de omstandigheden van zijn verdwijnen; hoe hunne vreugde door de afwezigheid des ouden mans en de rampen van Florence werd getemperd; hoe zij Diogenes verlosten, dien de kapitein eenigen tijd vooraf naar boven had gelokt, opdat hij niet weder zou blaffen, begreep de kapitein zeer wel, ofschoon hij op den duur nog eenigszins ontroerd bleef, en meermalen nog eens voor eene korte poos naar den winkel ging. Maar hij droomde evenmin dat Walter Florence thans op eene geheele andere plaats dan voorheen en ver van zich verwijderd zag, en dat, terwijl zijne oogen dikwijls haar bekoorlijk gezichtje zochten, zij toch zelden haar openhartigen[345]blik van zusterlijke genegenheid beantwoordden, maar zich dan van de hare afwendden, als hij geloofde dat het Walter’s geest was, die daar naast hem zat. Hij zag hen daar bij elkander in hunne jeugd en schoonheid, en hij kende de geschiedenis hunner kindsche dagen, en hij had onder zijn groot blauw vest geen duim breedte plaats voor iets anders dan bewondering voor zulk een paar en dankbaarheid dat het weder vereenigd was.Toen hij in eene genoeglijke mijmering zijne pijp had gestopt, stak Florence die voor hem aan. (blz. 340).Toen hij in eene genoeglijke mijmering zijne pijp had gestopt, stak Florence die voor hem aan.(blz. 340).Zoo zaten zij tot het laat werd. De kapitein had wel eene week lang zoo willen blijven zitten. Maar Walter stond eindelijk op om afscheid te nemen.“Gaat gij heen, Walter?” zeide Florence. “Waar naar toe?”—“Hij heeft vooreerst een logies om den hoek bij Brogley, mijn dametje,” zeide de kapitein. “Hij is binnen beroep, mijn hartediefje.”—“Ik ben de oorzaak, dat gij heengaat, Walter,” zeide Florence. “Er is eene zuster, die geen ander thuis heeft, in uwe plaats gekomen.”—“Lieve jufvrouw Dombey,” antwoordde Walter haperend—“als het niet te vermetel is u zoo te noemen—”—“Walter!” riep zij verwonderd uit.—“Als iets voor mij het geluk kon vergrooten van u te mogen zien en spreken, zou het dan niet de ontdekking zijn, dat ik eenig middel had, om u een[346]oogenblik dienst te bewijzen? Waar zou ik niet naar toe gaan, wat zou ik niet doen, om uwentwil?”Zij glimlachte en noemde hem broeder.“Gij zijt zoo veranderd,” zeide Walter.—“Ik veranderd!” viel zij er op in.—“Voor mij,” zeide Walter zacht, alsof hij overluid dacht, “voor mij veranderd. Ik heb u zulk een kind gelaten, en vind u—o, iets geheel anders.”—“Maar toch uwe zuster. Gij hebt immers niet vergeten, wat wij elkander beloofden, toen wij scheidden?”—“Vergeten?” Maar hij zeide niets meer.—“En al hadt gij dat gedaan—al hadden leed en gevaren het u uit de gedachten verdreven—dat zoo niet is—dan zoudt gij het u nu wel herinneren, Walter, nu gij mij arm en verlaten vindt, zonder ergens een thuis te hebben behalve hier, en zonder vrienden behalve de twee, die mij nu hooren spreken.”—“Dat zou ik! De hemel weet, dat zou ik!” zeide Walter.—“O Walter, lieve broeder,” riep Florence door hare snikken en tranen uit. “Wijs mij toch een weg om door de wereld te komen—een nederig pad, waar ik alleen kan wandelen en werkzaam zijn, en somtijds aan u denken als aan iemand, die mij als eene zuster beschermen en liefhebben zal. O, help mij toch, Walter, want ik heb zooveel hulp noodig!”—“Jufvrouw Dombey! Florence! Ik zou willen sterven om u te helpen. Maar uwe betrekkingen zijn grootsch en rijk. Uw vader—”—“Neen, neen, Walter!” gilde zij en stak hare handen op met een schrik, die hem deed verstommen. “Zeg dat woord niet!”Nooit vergat hij de stem en den blik, waarmede zij hem bij dat woord stuitte. Hij gevoelde, dat hij ze nooit zou kunnen vergeten, al werd hij honderd jaren oud.Ergens heen—waar dan ook—maar nooit weder naar huis! Alles voorbij, alles weg, alles verloren, alles verwoest! De geheele geschiedenis van het leed en de verwaarloozing, die zij altijd had verzwegen, lag in dien kreet en dien blik; hij gevoelde, dat hij ze nooit kon vergeten, en deed dit ook nooit.Zij liet haar lief gezichtje op des kapiteins schouder zinken, en verhaalde hoe en waarom zij gevlucht was. Als elke traan, dien zij onder dat verhaal schreide, een vloek geweest was op het hoofd van hem, dien zij nooit noemde of laakte, zou het beter voor hem zijn geweest, dacht Walter met ontzetting, dan uit zulk eene kracht en macht van liefde verstooten te worden.“Daar nu, mijn juweeltje!” zeide de kapitein, toen zij ophield; en met diepe aandacht had hij naar haar geluisterd, met zijn hoed geheel op zijde en zijn mond wijd open. “Sta vast, sta vast, mijne oogen! Walter, beste jongen, pak u nu voor van avond weg, en laat het liefje maar aan mij over.”Walter vatte hare hand en bracht ze aan zijne lippen. Hij wist nu, dat zij waarlijk eene zwervende vluchtelinge was; maar voor hem rijker zóó, dan in den glans en de weelde van haar rechtmatigen staat, scheen zij nog verder van hem af te zijn, dan zelfs op de hoogte, die hem in zijne jeugdige droomen had doen duizelen.Kapitein Cuttle, door geene zoodanige bedenkingen verontrust, bracht Florence naar hare kamer, en kwam van tijd tot tijd de wacht houden op den betooverden grond voor hare deur—want voor hem was die grond waarlijk betooverd—tot hij zich gerust genoeg over haar gevoelde, om onder de toonbank te gaan slapen. Toen hij daartoe zijn post verliet, kon hij niet nalaten nog eens—maar nu met verrukking—door het sleutelgat te roepen; “Verdronken! Niet waar, liefje?” en onder aan de trap nog eens het lied van Mooie Peggy te beproeven. Dit bleef hem, hoe dan ook, weder in de keel steken. Hij ging dus naar bed en droomde dat de oude Sam Gills met jufvrouw MacStinger was getrouwd, en door die dame in eene geheime kamer op kort rantsoen gevangen werd gehouden.

XLIX.DE ADELBORST DOET EENE ONTDEKKING.

Het duurde lang eer Florence ontwaakte. Het werd middag en de avond naderde, en nog bleef zij, afgemat naar ziel en lichaam, voortslapen, zonder iets te weten van het vreemde bed, van het gewoel en gerucht op straat en van het licht dat door de gordijnen voor het venster van haar werd afgeweerd. Geheele onbewustheid van hetgeen er was voorgevallen in het huis, dat geen thuis meer voor haar was, kon zelfs de zware slaap der afgematheid niet voortbrengen. Eene onbestemde, droevige herinnering daarvan, onrustig sluimerend maar nooit geheel inslapend, bleef haar bij. Eene doffe zielesmart, gelijk een half verstompt gevoel van pijn, verliet haar geen oogenblik; en hare bleeke wang werd meermalen met tranen bevochtigd, dan de goede kapitein, die nu en dan zijn hoofd door de half opene deur stak, wel had willen zien.Op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem uitstak, wankelde en neerzonk. (blz. 332).Op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem uitstak, wankelde en neerzonk.(blz. 332).De zon daalde in het westen, en drong, in een rooden nevel gehuld, met hare stralen door het opene loofwerk der torenspitsen, alsof zij er gouden pijlen doorheen schoot—en ver weg over de rivier en hare vlakke oevers liet zij het schitteren als een pad van vuur—en op zee verlichtte zij de zeilen van schepen—en van stille kerkhoven op de heuveltoppen van het binnenland gezien, dompelde zij het verschiet in een purperen damp, waarin hemel en aarde zich gloeiend schenen te vermengen—toen Florence, hare bezwaarde oogen openende, eerst eenigen tijd zonder belangstelling of bewustheid naar de onbekende muren lag te staren, en even onverschillig naar het straatrumoer te luisteren. Maar weldra kwam zij met schrik overeind, zag met verbaasde oogen rond, en herinnerde zich alles.“Mijn liefje,” zeide de kapitein, aan de deur kloppende, “hoe gaat het?”—“Mijn beste vriend,” riep Florence, naar hem toesnellende. “Zijt gij daar!”De kapitein gevoelde zich zoo trotsch op dien naam, en zoo gestreeld door den glans van[338]blijdschap, die zich op haar gezichtje vertoonde toen zij hem zag, dat hij, sprakeloos van vergenoegde aandoening, bij wijze van antwoord zijn haak kuste.“Hoe gaat het, mijn diamantje?” zeide de kapitein.—“Ik heb zeker heel lang geslapen,” antwoordde Florence. “Wanneer ben ik hier gekomen? Gisteren?”—“Dezen zelfden gezegenden dag, mijn dametje,” zeide de kapitein.—“Is het dan geen nacht geweest? Is het nog dag?” vroeg Florence.—“Het begint nu avond te worden, mijn liefje,” zeide de kapitein, het gordijn openschuivende. “Zie maar.”Florence, met haar handje op des kapiteins arm, zoo treurig en vreesachtig, en de kapitein met zijn ruw gezicht en zijne forsche gestalte, zoo manhaftig beschermend, stonden in het roodachtige licht van den helderen avondhemel, zonder een woord te spreken. Hoe vreemd de spraakwending ook mocht geweest zijn, als hij zijn gevoel had uitgedrukt, gevoelde de kapitein toch zoo diep als de welsprekendste man had kunnen doen, dat die stille avondstond en de zachte schoonheiddaarvaniets hadden, dat het gewonde hart van Florence moest doen overstroomen, en dat het best was dat zulke tranen hun vrijen loop hadden. Kapitein Cuttle sprak dus geen woord. Maar toen hij zijn arm vaster voelde omklemmen, en dat het eenzame hoofd nader daarbij kwam, en zich tegen zijne ruige blauwe mouw vleide, legde hij zacht zijne harde hand daarop, en begreep en werd begrepen.“Beter nu, mijn liefje?” zeide de kapitein. “Opgebeurd maar, opgebeurd. Ik zal naar beneden gaan en wat eten klaarmaken. Wilt gij naderhand alleen naar beneden komen, mijn hartje, of zal Edward Cuttle u komen halen?”Daar Florence hem verzekerde, dat zij zeer wel in staat was om de trap af te gaan, liet de kapitein haar vrijheid om dit te doen, hoewel hij er blijkbaar aan twijfelde of de gastvrijheid dit wel veroorloofde, en ging voor het vuur in het achterkamertje een hoentje braden. Om dit te beter te kunnen doen, trok hij zijne jas uit, sloeg zijne mouwboorden op en zette zijn blinkenden hoed op, zonder welk hoofddeksel hij nooit iets moeielijks ondernam.Na haar kloppend hoofd en gloeiend gezicht verkoeld te hebben met het frissche water, dat de zorg des kapiteins, terwijl zij sliep, voor haar gereed gezet had, ging Florence naar het spiegeltje, om hare in wanorde geraakte haren op te binden. Toen zag zij—een oogenblik, want zij bedekte het terstond weder—dat hare borst het donkere spoor eener toornige hand droeg.Dit gezicht deed hare tranen opnieuw uitbarsten: het vervulde haar met angst en schaamte, maar bewoog haar niet tot gramschap tegen hem. Zonder huis en zonder vader, vergaf zij hem alles; zij wist nauwelijks, dat zij hem iets te vergeven had, of dat zij dit deed; maar zij ontvlood het denkbeeld van hem gelijk zij hem zelven ontvlucht was, en hij was geheel voor haar verloren en verdwenen. Er was geen zoodanig wezen in de wereld.Wat zij zou doen of waar zij zou blijven, kon Florence—arm, onervaren meisje—niet overwegen. Zij had onduidelijke droomen om ver weg eenige kleine zusters te vinden om te onderwijzen, die haar vriendelijk zouden behandelen, en aan welke zij zich onder een aangenomen naam, kon hechten, en die in haar gelukkig huis zouden opgroeien en trouwen, en goed zouden zijn voor hare oude gouvernante, en haar misschien door den tijd de opvoeding harer eigene dochters toevertrouwen; en zij dacht hoe vreemd en treurig het zou zijn, zoo eene oude vrouw met grijze haren te worden, en haar geheim in het graf mede te nemen, wanneer Florence Dombey vergeten was. Maar dit alles was nevelachtig en bewolkt voor haar. Zij wist alleen, dat zij op aarde geen vader meer had, en dit zeide zij dikwijls, met het smeekende hoofdje verborgen voor iedereen behalve voor haar vader in den hemel.Haar kleine voorraad van geld bedroeg slechts eenige guinjes. Met een gedeelte daarvan zou het noodig zijn eenige kleederen te koopen, want zij had geene andere, dan die zij aanhad. Zij was te bedroefd om er aan te denken, hoe spoedig haar geld op zou zijn—te zeer een kind in wereldsche zaken om zich daarover zeer te verontrusten, al hadden andere dingen haar minder ontrust. Zij beproefde hare gedachten tot kalmte te brengen en hare tranen te stuiten, de verwarring in haar kloppend hoofd tot rust te brengen, en het zich duidelijk te maken, dat het gebeurde nog maar weinige uren geleden was, in plaats van weken of maanden, gelijk het haar voorkwam; en ging naar beneden naar haar vriendelijken beschermer.De kapitein had met groote zorg de tafel gedekt, en was nu bezig met eiersaus gereed te maken, terwijl hij tusschenbeide het hoentje bedroop, dat aan een touwtje voor het vuur hing te draaien. Nadat hij Florence tusschen kussens op de sofa had geplaatst, die reeds in een warm hoekje voor haar geschoven was, zette de kapitein met buitengemeene handigheid zijn keukenwerk voort, plaatste behalve zijn pannetje met eiersaus nog een met jus op het vuur, benevens een handvol aardappelen in een potje, en deed elke minuut de ronde met bedruipen en roeren, met een lepel, die tot alles te gelijk diende. Bovendien moest hij nog op eene kleine koekenpan letten, waarin eenige saucijsjes welluidend lagen te sissen en te spatten; en nooit verrichtte kok of keukenmeid hun gewichtig[339]werk met meer ijver en genoegen, dan de kapitein het zijne; het was onmogelijk te zeggen wat meer blonk, zijn gezicht of zijn glimmende hoed.Toen de maaltijd eindelijk geheel gereed was, zette de kapitein dien op, met niet minder handigheid dan hij alles had gekookt en gebraden. Daarna kleedde hij zich voor het diner door zijne jas aan te trekken en zijn hoed af te zetten. Dit gedaan zijnde, schoof hij de tafel dicht bij Florence, die op de sofa moest blijven zitten, deed het gebed, schroefde zijn haak af en zijne vork daarvoor in de plaats, en nam de honneurs van de tafel waar.“Beur u wat op, mijn dametje,” zeide de kapitein, “en probeer om wat te eten. Zie eens hier, liefje. Dat is een boutje—en dat is saus—en dat is een saucijsje—en dat is een aardappel!” De kapitein plaatste dit alles symmetrisch op een bord, goot een lepel jus er over heen, en zette het zijne geëerde gast voor.“De geheele rij luiken is voor opgezet, mijn dametje,” merkte de kapitein bemoedigend aan, “en alles is bezorgd. Probeer dus eens een beetje te peuzelen, mijn liefje. Als Walter hier was—”—“Ach, als ik hem nu voor mijn broeder had!” riep Florence uit.—“Maak u zoo aangedaan niet, mijn liefje,” zeide de kapitein. “Houd u goed, om mij pleizier te doen. Hij was immers uw natuurlijk geboren vriend, niet waar, liefje?”Florence kon geene woorden vinden. Zij zeide slechts: “O lieve, lieve Paul! O Walter!”—“De plank waarover zij ging,” zeide de kapitein, naar haar hangend hoofdje ziende, “was Walter zoo dierbaar als de waterbeken voor een hart, dat zich nooit verheugt! Ik zie hem nog voor mij, op dien dag toen hij op de monsterrol van het kantoor werd gezet, en hij van haar sprak met zijn gezicht blinkende van den dauw—ten minste van zijne bescheidenheid en teerhartigheid—als eene pas ontloken roos, onder den eten. Wel, wel! Als onze arme Walter hier was, mijn dametje—of als hij er zijn kon—want hij is verdronken, niet waar?”Florence schudde haar hoofd.“Ja, ja, verdronken,” zeide de kapitein als het ware troostend. “Zooals ik zeide, als hij hier kon zijn en u bidden en smeeken, mijn schatje, om een beetje te peuzelen, uit zorg voor uwe kostbare gezondheid. Pas op u zelve, mijn dametje, alsof het om Walter’s wil was, en houd maar recht voor den wind.”Om den kapitein genoegen te geven, beproefde Florence iets te eten. Ondertusschen legde de kapitein, die zijn eigen eten geheel scheen te vergeten, mes en vork neer en schoof zijn stoel dichter bij de sofa.“Walter was een knappe jongen, niet waar, mijn hartje?” zeide de kapitein, nadat hij, haar strak aanziende, eene poos zijne kin had zitten wrijven; “en een brave jongen, en een goede jongen.”Florence stemde dit met tranen toe.“En hij is verdronken, juweeltje, niet waar?” zeide de kapitein, op een toon van medelijden.Florence kon niet anders dan dit wederom toestemmen.“Hij was ouder dan gij, mijn dametje,” vervolgde de kapitein; “maar gij waart toch als twee kinderen samen, in het eerst, waart ge niet?”Florence antwoordde: “Ja!”“En Walter is verdronken,” zeide de kapitein. “Niet waar?”Het herhalen van deze vraag was wel eene zonderlinge bron van troost, maar scheen dit toch werkelijk voor den kapitein te zijn, want hij kwam er telkens op terug. Florence schoof eindelijk haar bijna ongeproefden maaltijd van zich af, liet zich op de sofa neerzinken, en reikte hem haar handje toe, met spijt gevoelende, dat zij hem had te leur gesteld, hoewel zij hem gaarne voor al zijne moeite eenig genoegen had willen geven; hij hield echter dat handje vast, zonder, naar het scheen, om den maaltijd of haar gebrek aan eetlust te denken, en bleef maar bij tusschenpoozen, op een peinzend medelijdenden toon, brommen: “Arme Walter. Ja, ja, verdronken. Niet waar?” En telkens wachtte hij op haar antwoord, waarom het hem bij deze zonderlinge bespiegelingen vooral scheen te doen te zijn.Het hoentje en de saucijzen waren koud geworden, en de saus was gestold, eer de kapitein zich herinnerde, dat alles nog op tafel stond; maar toen viel hij er ook met behulp van Diogenes op aan, en hunne vereenigde pogingen deden den voorraad spoedig verdwijnen. Des kapiteins verwondering en genoegen over Florence’s stille handigheid, toen zij hem hielp om de tafel af te nemen, het kamertje op te ruimen, en den haard aan te vegen—alleen geëvenredigd door het ijverige van zijn protest toen zij hem begon te helpen—werden eindelijk zoo groot, dat hij zelf niets meer kon doen, maar naar haar bleef staan kijken, alsof zij eene Fee was, die met bovennatuurlijke vlugheid deze diensten voor hem verrichtte; de roode streep op zijn voorhoofd gloeide van opgetogenheid.Maar toen Florence zijne pijp van den schoorsteenmantel nam en hem toereikte, met dringend verzoek om te gaan rooken, werd de goede kapitein zoo verlegen met hare beleefdheid, dat hij met zijne pijp bleef staan, alsof hij nog nooit in zijn leven eene pijp in de hand had gehad. Toen Florence in de kast ging zoeken, de flesch er uitnam, ongevraagd een onverbeterlijk glas grog voor hem gereedmaakte en dit voor hem zette, werd zijn roode neus bleek, zoo gestreeld en vereerd gevoelde hij zich. Toen hij in eene[340]genoeglijke mijmering zijne pijp had gestopt, stak Florence die voor hem aan—daar de kapitein haar dit niet kon of wilde beletten—en toen hare plaats op de oude sofa hernemende, bleef zij hem zitten aanzien met een lachje zoo dankbaar en liefdevol, een lachje, dat zoo duidelijk toonde hoe haar eenzaam hart zich aan hem hechtte, dat de kapitein den rook van zijne pijp in de keel en in de oogen kreeg, zoodat hij moest hoesten en de tranen hem over de wangen rolden.De manier, waarop de kapitein het wilde doen voorkomen alsof de oorzaak dier verschijnselen in de pijp zelve verborgen lag, en in den kop daarnaar keek, en toen hij ze daar niet vond, ze uit den steel wilde blazen, was alleraardigst. Daar de pijp spoedig in beteren staat kwam, nam de kapitein weldra weder de rustige kalmte aan die den goeden rooker past; maar hij bleef toch strak naar Florence zitten staren, en blies nu en dan, met eene innige vergenoegdheid, waarvan geene woorden een denkbeeld kunnen geven, eene rookwolk uit, alsof het een uit zijn mond komend lint was, waarop de woorden te lezen waren: “Arme Walter. Ja, ja. Verdronken. Niet waar?”Hoeveel zij ook naar het uitwendige van elkander verschilden—en er kon bijna geen grooter contrast bestaan, dan tusschen Florence, in hare teedere jeugd en schoonheid, en kapitein Cuttle, met zijn knobbelig gezicht, zijne forsche gestalte en zijne grove stem—in eenvoudigheid, onschuld en onkunde van de wereld met hare behoeften en gevaren, stonden zij bijna met elkander gelijk. Geen kind had kapitein Cuttle kunnen overtreffen in onervarenheid in alles behalve wind en weder, in eenvoudigheid, lichtgeloovigheid en edelmoedig vertrouwen. Geloof, hoop en liefde vervulden geheel zijn gemoed. Eene zonderlinge neiging tot het romaneske, waarbij hij zijne verbeelding geheel vrij spel liet, en aan geene werkelijkheid of mogelijkheid dacht, was het eenig nog bijkomend inmengsel van zijn karakter. Terwijl hij daar zat te rooken en Florence aan te staren, mag de hemel weten welke onmogelijke tafereelen, waarin zij de hoofdpersoon was, hem voor den geest kwamen. Even nevelachtig en onbestemd, hoewel niet zoo vol hoop, waren hare eigene gedachten van het leven, dat voor haar lag; en evenals hare tranen prismatische kleuren veroorzaakten in het licht waarnaar zij tuurde, zoo zag zij door haar nieuw en drukkend leed reeds een flauwen regenboog veraf in de lucht pralen. Eene verdwaalde prinses en een goedaardig monster in een sprookje hadden eveneens bij den haard kunnen zitten, en evenzoo denken en spreken als kapitein Cuttle en de arme Florence deden.De kapitein werd niet ontrust door het flauwste denkbeeld van eenig bezwaar om Florence bij zich te houden, of van eenige verantwoordelijkheid, die hij daardoor op zich laadde. Toen hij de luiken voorgezet en de deur gesloten had, was hij in dit opzicht volkomen gerust. Al was zij eene pupil van de Kanselarij geweest, dit zou voor kapitein Cuttle geheel geen verschil gemaakt hebben. Hij was de allerlaatste mensch op de wereld om zich door zulke bezwaren te laten kwellen.Zoo bleef de kapitein gerust zijne pijp zitten rooken, en mijmerden Florence en hij op hunne eigene manier voort. Toen de pijp uit was, werd er thee gedronken, en daarna verzocht Florence hem om haar naar een winkel in de buurt te brengen, waar zij eenige dingen kon koopen, die zij terstond noodig had. Daar het geheel donker was, bewilligde de kapitein hierin; maar hij keek toch eerst voorzichtig uit, gelijk hij gewoon was te doen in den tijd toen hij zich voor jufvrouw MacStinger schuilhield, en wapende zich met zijn dikken stok, voor het geval, dat onverwachte omstandigheden een beroep op de wapenen noodzakelijk maakten.De hoogmoed dien kapitein Cuttle gevoelde, toen hij Florence zijn arm gaf en haar twee- of driehonderd voetstappen ver geleidde, waarbij hij door zijne groote waakzaamheid en voorzichtigheid de aandacht van alle voorbijgangers trok, was buitengemeen. Aan den winkel gekomen, begreep de kapitein, dat de kieschheid hem gebood zich te verwijderen, terwijl het benoodigde gekocht werd, dewijl dit uit voorwerpen van kleeding bestond; maar vooraf zette hij zijn blikken busje op de toonbank, en het winkeljuffertje onderricht hebbende, dat het veertien pond en twee schellingen bevatte, verzocht hij haar om, in geval die som niet toereikend genoeg was om de uitrusting van zijn nichtje te bestrijden—bij het woord “nichtje” wierp hij Florence een veelbeteekenenden blik toe, vergezeld met eene pantomime, die schranderheid en stilzwijgendheid moest uitdrukken,—dan maar zoo goed te zijn om hem te praaien, en hij zou het tekort uit zijn zak er bij leggen. Terloops zijn reusachtig horloge raadplegende, als een middel om groote gedachten van zijn vermogen te doen opvatten, groette de kapitein zijn nichtje door zijn haak te kussen, en ging buiten de deur, waar het aardig was zijn breed gezicht nu en dan door het venster tusschen de uitgestalde zijden en linten te zien binnenkijken, blijkbaar angstig, dat Florence door eene achterdeur was ontvoerd.“Lieve kapitein Cuttle,” zeide Florence, toen zij naar buiten kwam met een pakje, waarvan de grootte den kapitein zeer te leur stelde, daar hij verwacht had haar door een kruier met eene geheele baal goederen te zien volgen, “ik heb dit geld waarlijk niet noodig. Ik heb er niets van uitgegeven. Ik heb zelf geld.”[341]“Mijn dametje,” antwoordde de teleurgestelde kapitein, recht voor zich de straat opkijkende. “Bewaar het dan voor mij, als ge zoo goed wilt zijn, tot ik er u naar vraag.”—“Mag ik het weer op zijne gewone plaats bergen,” zeide Florence, “en het daar bewaren?”De kapitein was lang niet blijde met dit voorstel, maar hij antwoordde toch: “Ja, ja, plaats het waar gij wilt, mijn dametje, als gij maar weet waar gij het kunt vinden. Voormijis het van geen nut,” zeide de kapitein. “Ik ben verwonderd, dat ik het al niet lang heb weggegooid.”De kapitein was voor een oogenblik geheel verslagen, maar de eerste aanraking van Florence’s arm deed hem weder herleven, en zij keerden terug met dezelfde voorzorgen waarmede zij gekomen waren. Op de stoep gekomen, deed de kapitein de deur open en schoot er toen binnen, met eene vaart en behendigheid, die alleen groote oefening hem kon geleerd hebben. Terwijl Florence des morgens lag te sluimeren, had hij de dochter van eene oude vrouw, die gewoonlijk op deLeadenhall-Marktonder eene blauwe paraplu met gevogelte te koop zat, aangenomen om hare kamer te komen in orde brengen en haar de noodige kleine diensten te bewijzen; en daar dit meisje nu verscheen, vond Florence alles om haar heen even goed in orde en geriefelijk, schoon niet zoo prachtig, als in het akelige spookkasteel, waar zij eens thuis heette te zijn.Toen zij weder alleen waren, drong de kapitein haar om een sneedje brood te eten en een glaasje kruidenwijn te drinken (dien hij heerlijk wist gereed te maken); en haar vervolgens bemoedigende met alle vriendelijke woorden en wonderlijke aanhalingen, die hij maar bedenken kon, bracht hij haar naar boven. Maar hij had toen nog iets op het gemoed en was blijkbaar niet rustig.“Goeden nacht, lief hartje,” zeide kapitein Cuttle aan hare kamerdeur.Florence hief haar hoofdje op en gaf hem een kus.Op een anderen tijd zou de kapitein door zulk een blijk van hare genegenheid en dankbaarheid geheel over staag zijn gesmeten; maar nu, hoewel hij zeer gevoelig er voor was, zag hij haar aan met zelfs nog meer onrust dan hij te voren had laten blijken, en scheen ongezind om haar te verlaten.“Arme Walter!” zeide de kapitein.—“Arme, arme Walter!” zuchtte Florence.—“Verdronken, niet waar?” zeide de kapitein.Florence schudde haar hoofd en zuchtte.“Goeden nacht, mijn dametje,” zeide de kapitein, zijne hand toestekende.—“God zegen u, goede, lieve vriend!”Maar de kapitein bleef nog dralen.“Scheelt er iets aan, bestekapiteinCuttle?” zeide Florence, die zich licht ongerust maakte. “Hebt gij mij iets te zeggen?”—“U iets te zeggen, mijn dametje!” antwoordde de kapitein, haar zeer verlegen in de oogen ziende. “Neen, wat zou ik u te zeggen hebben, liefje? Gij denkt toch niet, dat ik iets goeds te zeggen heb, niet waar?”—“Neen,” zeide Florence en schudde haar hoofd.—“Arme Walter!” zeide de kapitein. “Mijn Walter, zooals ik hem placht te noemen! Oude Sam zijn neef! welkom voor ieder, die u kende, gelijk de bloemen in Mei! Waar zijt ge nu, brave jongen? Verdronken, niet waar?”Zijne alleenspraak met deze plotselinge vraag aan Florence besluitende, wenschte de kapitein haar goedennacht en ging de trap af, terwijl zij met de kaars bovenaan bleef staan om hem te lichten. Hij verdween in de duisternis, en naar het geluid zijner voetstappen te rekenen zou hij juist het achterkamertje binnengaan, toen zijn hoofd en schouders eensklaps weder zichtbaar werden, alsof zij uit de diepte opdoken, maar het scheen met geen ander doel dan om nog eens te herhalen:“Verdronken, niet waar, liefje?” Want toen hij dit op een toon van teeder medelijden gezegd had, verdween hij voor goed.Het speet Florence zeer, dat zij onwillekeurig, hoewel natuurlijk, deze herinnering bij haar beschermer had doen ontwaken; en zich bij het tafeltje zettende, waarop de kapitein den verrekijker, het liederboekje en die andere rariteiten had neergelegd, bleef zij aan Walter en alles wat er met hem in verband stond denken, tot zij bijna had kunnen wenschen zich maar te bed te leggen om te kunnen sterven. Maar onder haar eenzaam smachten naar de dooden, die zij had liefgehad, kwam geene gedachte aan haar vaderlijk huis—geene mogelijkheid om daarheen terug te keeren—geen denkbeeld, dat het nog bestond en dat daar haar vader woonde—in haar gemoed op. Zij had hem zien vermoorden. In de laatste natuurlijke gedaante, waarmede zij hem door zooveel heen was blijven liefhebben, was hij uit haar hart gerukt en vermoord. De gedachte was haar zoo ontzettend, dat zij hare oogen bedekte en bevend terugdeinsde bij de minste herinnering aan de daad of aan de hand, die ze bedreven had. Als haar teeder hart daarna nog zijn beeld had kunnen bewaren, had het moeten breken; maar dat kon het niet doen, en de ledige plaats was aangevuld door een woesten angst voor een enkelen blik op de verminkte brokken van dat beeld—een angst, die alleen uit de diepte van zulk eene liefde, zoo mishandeld, kon oprijzen.Zij durfde niet in den spiegel zien; want het gezicht der wankleurige plek op hare borst[342]deed haar voor zich zelve schamen, alsof zij een teeken van goddeloosheid met zich omdroeg. Zij bedekte het met eene haastige, bevende hand, in het donker, en legde haar vermoeid hoofd neder en schreide.De kapitein ging nog in langen tijd niet naar bed. Hij bleef nog een vol uur in den winkel en het achterkamertje op en neer wandelen, en toen hij door die lichaamsbeweging tot bedaren scheen te zijn gekomen, ging hij met een ernstig peinzend gezicht zitten en las in het gebedenboek de gebeden, bestemd ten gebruike op zee. Dit ging niet gemakkelijk, want de kapitein was een langzaam en stroef lezer, en hield bij een moeielijk woord dikwijls op om zich zelven aan te moedigen met een: “Komaan, jongen, frisch aangepakt!” of “Sta vast, Edward Cuttle, sta vast!” hetgeen veel scheen te baten om hem over een bezwaar heen te helpen. Bovendien hinderde zijn bril hem zeer in het zien. Maar, in spijt van deze belemmeringen, las de kapitein, daar hij het ernstig meende, de formulieren tot den laatsten regel toe, en dat met waar gevoel. Toen zeer voldaan over het gelezene, begaf hij zich onder de toonbank te rust (maar niet voordat hij nog eens naar boven was gegaan en aan Florence’s deur had geluisterd) en viel met een verruimd hart en een genoeglijk gezicht in slaap.In den loop van den nacht stond de kapitein verscheidene malen op om zich te verzekeren of Florence gerust sliep; en eens, toen de dag aanbrak, bevond hij, dat zij wakker was, want toen zij zijn voetstap hoorde, riep zij om te weten of hij het was.“Ja, mijn dametje,” antwoordde de kapitein met een brommend gefluister. “Zijt gij geheel en al wel, mijn dametje?”Florence bedankte hem en antwoordde van ja.Nu kon de kapitein de gunstige gelegenheid niet verzuimen om zijn mond voor het sleutelgat te houden en daardoor heen, alsof er een schorre wind door woei, te roepen: “Arme Walter! Verdronken, niet waar?” Waarna hij weder naar bed ging en tot zeven uur bleef slapen.Ook den geheelen dag was hij niet vrij van die zonderlinge gejaagdheid en verlegenheid; hoewel Florence, die in het achterkamertje zat te naaien, kalmer en rustiger was dan den vorigen dag. Bijna telkens wanneer zij hare oogen van haar werk opsloeg, bemerkte zij, dat de kapitein haar aanzag en peinzend zijne kin wreef; en zoo dikwijls schoof hij met zijn leuningstoel naar haar toe, alsof hij iets zeer vertrouwelijks wilde zeggen, en schoof hij dan ook weder achteruit, als wist hij niet daaraan te beginnen, dat hij in den loop van den dag het geheele kamertje aldus doorkruiste, en meer dan eens tegen het beschot of de kastdeur op het strand raakte.Het was niet voor schemeravond, dat kapitein Cuttle voor goed zijn anker liet vallen, en eindelijk, dicht naast Florence gezeten, geregeld begon te praten. Maar op dien tijd, toen het vuur de muren en de zoldering verlichtte en haar kalm gezichtje bescheen, dat naar de vlam was gekeerd, en in de tranen flikkerde, die hare oogen vulden, verbrak de kapitein aldus zijn langdurig stilzwijgen:“Gij zijt wel nooit op zee geweest, mijn hartje?”—“Neen,” antwoordde Florence.—“Ja,” hernam de kapitein met eerbied, “het is een almachtig element. Er zijn wonderen in de diepte, mijn liefje. Denk eens aan, als de winden loeien en de golven bulderen. Denk eens aan, als het in stormige nachten zoo pikdonker is,” zeide de kapitein, plechtig zijn haak ophoudende, “dat men geen hand voor oogen zien kan, behalve als een bliksemstraal ze zichtbaar maakt; en als gij daar door storm en duisternis voortdrijft, alsof gij zoo zoudt blijven voortdrijven van eeuwigheid tot eeuwigheid, amen, en als gij dat vindt, zet er dan een streepje bij. Dat is een tijd, mijn dametje, dat iemand tegen zijn kameraad mag zeggen: “Een stijve noordwester, Bill; luister, hoort ge hem niet loeien! Och, Heere, hoe beklaag ik alle ongelukkigen, die nu aan land zitten!””Welke aanhaling, als bijzonder toepasselijk op de verschrikkingen der zee, de kapitein met een nadrukkelijk “Sta vast!” besloot.—“Zijtgijooit in zulk een vreeselijken storm geweest?” vroeg Florence.—“Wel ja, mijn dametje, ik heb ook mijn deel van slecht weer gehad,” antwoordde de kapitein, met eene bevende hand zijn hoofd afvegende, “ik ben ook genoeg rondgeslingerd. Maar—maar het is niet van mij zelven, dat ik wenschte te spreken. Onze beste jongen,” dichter bij haar schuivende, “Walter, liefje, die verdronken is.”De kapitein sprak met zulk eene bevende stem, en zag Florence met zulk een bleek en ontroerd gezicht aan, dat zij verschrikt zijne hand vatte.“Uw gezicht is in een oogenblik zoo veranderd,” riep zij uit. “Wat is er? Lieve kapitein Cuttle, ik word er koud van, dat ik u zoo zie!”—“Word maar niet bang, mijn dametje,” antwoordde de kapitein. “Neen, neen. Alles is wel, alles is wel, mijn liefje. Zooals ik zeide—Walter—hij is—hij is verdronken. Is hij niet?”Florence zag hem strak aan, werd beurtelings rood en bleek en legde hare hand op hare borst.“Er zijn gevaren op de diepte, mijn hartje,” zeide de kapitein, “en over menig goed schip en menig moedig hart hebben de golven zich gesloten, en er nooit een woord van gezegd. Maar er zijn ook uitkomsten op de diepte, en somtijds wordt één man van de twintig—ja, misschien één van de honderd, mijn liefje—door Gods genade gered, en komt hij nog thuis, als men hem al lang voor dood heeft[343]gehouden en verteld dat allen verdronken waren. Ik—ik weet eene historie, hartediefje,” stotterde de kapitein, “eene historie van die soort, die mij eens verteld is; en nu ik daaraan denk, en zoo alleen met u bij het vuur zit, zoudt ge ze misschien wel eens willen hooren. Zoudt ge, liefje?”Florence, bevende van eene ontroering, die zij niet begreep of kon bedwingen, volgde onwillekeurig zijne oogen, die achter haar om naar den winkel dwaalden, waar eene lamp brandde. Zoodra zij haar hoofd omdraaide, sprong de kapitein van zijn stoel op en hield zijne hand voor haar.“Daar is niets, mijn juweeltje,” zeide de kapitein. “Kijk daar niet!”—“Waarom niet?” vroeg Florence.De kapitein mompelde iets dat het daar somber en het vuur vroolijk was. Hij stiet de deur, die tot nog toe had opengestaan, half toe, en zette zich weder. Florence volgde hem met hare oogen en zag hem strak aan.“De historie was van een schip, mijn dametje,” begon de kapitein, “dat met goeden wind en mooi weer de haven vanLondenwas uitgezeild, bestemd—ontstel maar niet, mijn dametje—het was maar naar ik weet niet waar bestemd.”De uitdrukking van Florence’s gezichtje ontrustte den kapitein, die zelf zeer rood en heet was, en weinig minder ontroering liet blijken dan zij.“Zal ik voortgaan, liefje?” zeide de kapitein.—“Ja, ja, bid ik u!” riep Florence uit.De kapitein scheen iets, dat hem in de keel stak, met geweld door te zwelgen, en vervolgde zeer zenuwachtig:“Dat ongelukkige schip kreeg op zee zulk een slecht weer, mijn liefje, als men in twintig jaar niet beleeft. Er woei aan land een orkaan, die bosschen uitroeide en steden verwoestte, en op zee had men op die breedte een storm, waarin het sterkste schip het niet kon uithouden. Dag aan dag hield dat ongelukkige schip zich evenwel goed, heeft men mij verteld, maar op eens werd bijna de geheele verschansing weggeslagen, en gingen de masten overboord en brak het roer af, en werden de beste matrozen overboord gespoeld, en zoo was het aan de genade van den storm overgelaten, die geene genade had, maar al harder en harder opstak, en telkens als de golven er op kwamen neerdonderen, kraakten zij het goede schip als een notedop. Ieder zwart plekje in elken waterberg, die wegrolde, was een stuk van het schip of een levend mensch, en zoo ging het geheel aan stukken, liefje, en geen gras zal er ooit groeien op de graven van hen die het bevoeren.”—“Zij verongelukten toch niet allen!” riep Florence. “Sommigen werden toch gered! Werd er iemand gered?”—“Aan boord van dat ongelukkige schip,” zeide de kapitein, van zijn stoel opstaande en zijne vuist met verbazende kracht dichtklemmende, “was een knaap, een moedige knaap—zooals ik heb hooren vertellen—die, toen hij nog een kleine jongen was, altijd gaarne van moedige daden bij schipbreuken had gelezen en gepraat—ik heb hem gehoord, zelf gehoord!—en hij dacht weder daarom in het uur van nood; want toen de stoutste harten en oudste handen slap werden, bleef hij standvastig en onverschrokken. Het was niet uit gebrek aan menschen om lief te hebben aan land, dat hij zooveel moed had, het was zijn natuurlijk karakter zoo. Ik heb het in zijn gezicht gezien, toen hij nog niet meer dan een kind was—ja, dikwijls!—en toen ik dacht dat het niets anders was dan zijn gezond uitzicht, zegen hem!”—“En werd hij gered?” riep Florence uit. “Werd hij gered?”—“Die brave jongen,” zeide de kapitein. “Zie mij aan, liefje. Kijk niet om—”Florence had nauwelijks de kracht om nog eens te vragen: “Waarom niet?”—“Omdat daar niets te zien is, hartje,” zeide de kapitein, “Maak u niet angstig, liefje! Doe dat niet—om Walter’s wil, van wien wij allen zooveel hielden! Die knaap,” vervolgde de kapitein, “nadat hij met de besten had gewerkt, en de flauwhartigen had bijgestaan, en geen teeken van vrees gegeven, en bij al de anderen een ijver had wakker gehouden, die hem zooveel eer aandeed alsof hij een admiraal was geweest—die knaap en de tweede stuurman en een matroos waren de eenigen die overbleven van al de kloppende harten, die op dat schip geweest waren. Zij hadden zich op een stuk van het wrak vastgebonden en dreven zoo op de stormige zee”—“Werden zij gered!” riep Florence.—“Dagen en nachten dreven zij op het eindelooze water,” zeide de kapitein, “tot eindelijk—neen, kijk niet naar dien kant, liefje!—een zeil op hen aankwam, en zij door Gods genade aan boord werden genomen—twee levend, en een dood.”—“Wie van hen was dood?” riep Florence.—“Niet de knaap, waarvan ik spreek,” zeide de kapitein.—“Goddank! O, Goddank!”—“Amen!” zeide de kapitein haastig. “Maak u niet benauwd. Nog eene minuut, mijn dametje—moed gehouden! Aan boord van dat schip deden zij eene lange reis dwars over de kaart (want zij deden geene haven aan) en op die reis stierf de matroos, die met hem was opgenomen. Maar hij bleef bewaard, en—”Zonder te weten wat hij deed, had de kapitein eene snee brood gesneden en aan zijn haak gestoken (zijne gewone vork om brood aan te roosteren), die hij nu, terwijl hij met een gezicht vol ontroering achter Florence omkeek, zoo dicht voor het vuur hield, dat het brood tot kool brandde.[344]“Bleef bewaard,” herhaalde Florence, “en?”—“En kwam met dat schip thuis,” zeide de kapitein, nog in dezelfde richting kijkende, “en—schrik niet, liefje!—aan land; en op een ochtend kwam hij voorzichtig voor zijne eigene deur om observatie te doen, wel wetende dat zijne vrienden hem voor verdronken zouden houden, toen hij zich verwonderde over het onverwachte—”—“Over het onverwachte blaffen van een hond?” riep Florence haastig.—“Ja!” barstte de kapitein uit. “Sta vast liefje! Moed gehouden! Kijk nog niet om. Zie daar—op den muur!”Op den muur dicht bij haar viel de schaduw van een man. Zij sprong op, keerde zich om en gaf een schellen gil toen zij Walter Gay achter haar zag staan.Zij dacht niet anders aan hem dan als een broeder, een broeder uit het graf gered, een broeder in eene schipbreuk bewaard gebleven, voor dood gehouden en weder bij haar gekomen, en vloog in zijne armen. In de geheele wereld scheen hij hare hoop, haar troost, hare toevlucht, haar natuurlijke beschermer te zijn. “Draag zorg voor Walter. Ik heb veel van Walter gehouden!” De dierbare herinnering der klagende stem, die dit gezegd had, streelde hare ziel gelijk muziek in den nacht. “O, welkom thuis, lieve Walter! Welkom aan deze gewonde borst!” Zij gevoelde deze woorden, hoewel zij ze niet kon uiten, en hield hem in hare reine omhelzing gesloten.Kapitein Cuttle beproefde in eene vlaag van ijlhoofdigheid zijn hoofd af te vegen met het zwart gebrande brood aan zijn haak, en toen hij het daarvoor ondienstig vond, stopte hij het in zijn blinkenden hoed, zette toen dien hoed met eenige moeite op, beproefde het begin van Mooie Peggy te zingen, bleef bij het eerste woord steken, en nam de wijk naar den winkel, waaruit hij weldra haastig terugkwam, met een zeer rood en begroezeld gezicht, en al de stijfsel uit zijne boordjes weggeweekt, om de woorden te zeggen:“Walter, mijn jongen, hier is een klein kapitaaltje, dat ik u zou wenschen over te maken, gansch en gaar.”Snel haalde hij het groote horloge, de theelepeltjes, de suikertang en het blikken busje voor den dag, legde alles bij elkander op de tafel en streek het met zijne groote hand in Walter’s hoed; maar toen hij deze zonderlinge cassette aan Walter wilde toereiken, werd hij wederom zoodanig door zijne ontroering overmeesterd, dat hij nogmaals naar den winkel moest vluchten en ditmaal langer wegbleef dan de vorige maal.Maar Walter ging hem opzoeken en bracht hem terug, en toen was des kapiteins grootste vrees, dat Florence nadeel zou hebben van dezen nieuwen schok. Hij was zoo ernstig beducht daarvoor, dat hij op eens bedaard en verstandig werd, en alle verdere toespeling op Walter’s avonturen voor eenige dagen verbood. Hij ontlastte zich nu ook van het stuk gebraden brood in zijn hoed, en zette zich op zijn gemak aan de tafel; maar toen Walter aan den eenen kant zijne hand op zijn schouder legde, en Florence hem aan den anderen hare weemoedige betuigingen van blijdschap in het oor fluisterde, nam de goede kapitein plotseling nogmaals de wijk, en bleef toen eene goede tien minuten weg.Maar nooit in geheel zijn leven had des kapiteins gezicht zulk een glans gehad, als toen hij eindelijk voor vast aan de theetafel zat, en van Walter naar Florence en van Florence naar Walter keek; en deze glans was geenszins voortgebracht door het geweldig wrijven met zijne mouw, dat zijn gezicht in het laatste half uur had moeten verduren, maar geheel en al een gevolg van zijne innerlijke gemoedsbewegingen. In zijn binnenste heerschten eene opgetogenheid en blijdschap, die zich over geheel zijn gezicht verspreidden en daar als het ware eene illuminatie aanstaken.De trotschheid, waarmede de kapitein de gebruinde wangen en moedige oogen van zijn wedergevonden Walter beschouwde, waarmede hij het edele vuur zijner jeugd en al zijne innemende en veelbelovende eigenschappen weder zag schitteren in zijne rondborstige manieren en op zijn mannelijk gezicht, moest op zijn eigen gezicht iets van dat licht ontsteken. De bewondering en teederheid, waarmede hij zijne oogen op Florence vestigde, wier schoonheid, bevalligheid en onschuld geen trouwer en ijveriger kampvechter hadden kunnen verwerven dan hem, moesten denzelfden invloed op hem uitoefenen. Maar de volheid van den gloed, dien hij om zich heen verspreidde, kon alleen worden voortgebracht door zijne beschouwing van die twee bij elkander, en door al de gedachten welke die vereeniging moest opwekken, en die hem als een huppelende dans van vroolijke beelden door het hoofd vlogen.Hoe zij over oom Sam praatten, en zij uitweidden over al de omstandigheden van zijn verdwijnen; hoe hunne vreugde door de afwezigheid des ouden mans en de rampen van Florence werd getemperd; hoe zij Diogenes verlosten, dien de kapitein eenigen tijd vooraf naar boven had gelokt, opdat hij niet weder zou blaffen, begreep de kapitein zeer wel, ofschoon hij op den duur nog eenigszins ontroerd bleef, en meermalen nog eens voor eene korte poos naar den winkel ging. Maar hij droomde evenmin dat Walter Florence thans op eene geheele andere plaats dan voorheen en ver van zich verwijderd zag, en dat, terwijl zijne oogen dikwijls haar bekoorlijk gezichtje zochten, zij toch zelden haar openhartigen[345]blik van zusterlijke genegenheid beantwoordden, maar zich dan van de hare afwendden, als hij geloofde dat het Walter’s geest was, die daar naast hem zat. Hij zag hen daar bij elkander in hunne jeugd en schoonheid, en hij kende de geschiedenis hunner kindsche dagen, en hij had onder zijn groot blauw vest geen duim breedte plaats voor iets anders dan bewondering voor zulk een paar en dankbaarheid dat het weder vereenigd was.Toen hij in eene genoeglijke mijmering zijne pijp had gestopt, stak Florence die voor hem aan. (blz. 340).Toen hij in eene genoeglijke mijmering zijne pijp had gestopt, stak Florence die voor hem aan.(blz. 340).Zoo zaten zij tot het laat werd. De kapitein had wel eene week lang zoo willen blijven zitten. Maar Walter stond eindelijk op om afscheid te nemen.“Gaat gij heen, Walter?” zeide Florence. “Waar naar toe?”—“Hij heeft vooreerst een logies om den hoek bij Brogley, mijn dametje,” zeide de kapitein. “Hij is binnen beroep, mijn hartediefje.”—“Ik ben de oorzaak, dat gij heengaat, Walter,” zeide Florence. “Er is eene zuster, die geen ander thuis heeft, in uwe plaats gekomen.”—“Lieve jufvrouw Dombey,” antwoordde Walter haperend—“als het niet te vermetel is u zoo te noemen—”—“Walter!” riep zij verwonderd uit.—“Als iets voor mij het geluk kon vergrooten van u te mogen zien en spreken, zou het dan niet de ontdekking zijn, dat ik eenig middel had, om u een[346]oogenblik dienst te bewijzen? Waar zou ik niet naar toe gaan, wat zou ik niet doen, om uwentwil?”Zij glimlachte en noemde hem broeder.“Gij zijt zoo veranderd,” zeide Walter.—“Ik veranderd!” viel zij er op in.—“Voor mij,” zeide Walter zacht, alsof hij overluid dacht, “voor mij veranderd. Ik heb u zulk een kind gelaten, en vind u—o, iets geheel anders.”—“Maar toch uwe zuster. Gij hebt immers niet vergeten, wat wij elkander beloofden, toen wij scheidden?”—“Vergeten?” Maar hij zeide niets meer.—“En al hadt gij dat gedaan—al hadden leed en gevaren het u uit de gedachten verdreven—dat zoo niet is—dan zoudt gij het u nu wel herinneren, Walter, nu gij mij arm en verlaten vindt, zonder ergens een thuis te hebben behalve hier, en zonder vrienden behalve de twee, die mij nu hooren spreken.”—“Dat zou ik! De hemel weet, dat zou ik!” zeide Walter.—“O Walter, lieve broeder,” riep Florence door hare snikken en tranen uit. “Wijs mij toch een weg om door de wereld te komen—een nederig pad, waar ik alleen kan wandelen en werkzaam zijn, en somtijds aan u denken als aan iemand, die mij als eene zuster beschermen en liefhebben zal. O, help mij toch, Walter, want ik heb zooveel hulp noodig!”—“Jufvrouw Dombey! Florence! Ik zou willen sterven om u te helpen. Maar uwe betrekkingen zijn grootsch en rijk. Uw vader—”—“Neen, neen, Walter!” gilde zij en stak hare handen op met een schrik, die hem deed verstommen. “Zeg dat woord niet!”Nooit vergat hij de stem en den blik, waarmede zij hem bij dat woord stuitte. Hij gevoelde, dat hij ze nooit zou kunnen vergeten, al werd hij honderd jaren oud.Ergens heen—waar dan ook—maar nooit weder naar huis! Alles voorbij, alles weg, alles verloren, alles verwoest! De geheele geschiedenis van het leed en de verwaarloozing, die zij altijd had verzwegen, lag in dien kreet en dien blik; hij gevoelde, dat hij ze nooit kon vergeten, en deed dit ook nooit.Zij liet haar lief gezichtje op des kapiteins schouder zinken, en verhaalde hoe en waarom zij gevlucht was. Als elke traan, dien zij onder dat verhaal schreide, een vloek geweest was op het hoofd van hem, dien zij nooit noemde of laakte, zou het beter voor hem zijn geweest, dacht Walter met ontzetting, dan uit zulk eene kracht en macht van liefde verstooten te worden.“Daar nu, mijn juweeltje!” zeide de kapitein, toen zij ophield; en met diepe aandacht had hij naar haar geluisterd, met zijn hoed geheel op zijde en zijn mond wijd open. “Sta vast, sta vast, mijne oogen! Walter, beste jongen, pak u nu voor van avond weg, en laat het liefje maar aan mij over.”Walter vatte hare hand en bracht ze aan zijne lippen. Hij wist nu, dat zij waarlijk eene zwervende vluchtelinge was; maar voor hem rijker zóó, dan in den glans en de weelde van haar rechtmatigen staat, scheen zij nog verder van hem af te zijn, dan zelfs op de hoogte, die hem in zijne jeugdige droomen had doen duizelen.Kapitein Cuttle, door geene zoodanige bedenkingen verontrust, bracht Florence naar hare kamer, en kwam van tijd tot tijd de wacht houden op den betooverden grond voor hare deur—want voor hem was die grond waarlijk betooverd—tot hij zich gerust genoeg over haar gevoelde, om onder de toonbank te gaan slapen. Toen hij daartoe zijn post verliet, kon hij niet nalaten nog eens—maar nu met verrukking—door het sleutelgat te roepen; “Verdronken! Niet waar, liefje?” en onder aan de trap nog eens het lied van Mooie Peggy te beproeven. Dit bleef hem, hoe dan ook, weder in de keel steken. Hij ging dus naar bed en droomde dat de oude Sam Gills met jufvrouw MacStinger was getrouwd, en door die dame in eene geheime kamer op kort rantsoen gevangen werd gehouden.

Het duurde lang eer Florence ontwaakte. Het werd middag en de avond naderde, en nog bleef zij, afgemat naar ziel en lichaam, voortslapen, zonder iets te weten van het vreemde bed, van het gewoel en gerucht op straat en van het licht dat door de gordijnen voor het venster van haar werd afgeweerd. Geheele onbewustheid van hetgeen er was voorgevallen in het huis, dat geen thuis meer voor haar was, kon zelfs de zware slaap der afgematheid niet voortbrengen. Eene onbestemde, droevige herinnering daarvan, onrustig sluimerend maar nooit geheel inslapend, bleef haar bij. Eene doffe zielesmart, gelijk een half verstompt gevoel van pijn, verliet haar geen oogenblik; en hare bleeke wang werd meermalen met tranen bevochtigd, dan de goede kapitein, die nu en dan zijn hoofd door de half opene deur stak, wel had willen zien.

Op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem uitstak, wankelde en neerzonk. (blz. 332).Op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem uitstak, wankelde en neerzonk.(blz. 332).

Op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem uitstak, wankelde en neerzonk.(blz. 332).

De zon daalde in het westen, en drong, in een rooden nevel gehuld, met hare stralen door het opene loofwerk der torenspitsen, alsof zij er gouden pijlen doorheen schoot—en ver weg over de rivier en hare vlakke oevers liet zij het schitteren als een pad van vuur—en op zee verlichtte zij de zeilen van schepen—en van stille kerkhoven op de heuveltoppen van het binnenland gezien, dompelde zij het verschiet in een purperen damp, waarin hemel en aarde zich gloeiend schenen te vermengen—toen Florence, hare bezwaarde oogen openende, eerst eenigen tijd zonder belangstelling of bewustheid naar de onbekende muren lag te staren, en even onverschillig naar het straatrumoer te luisteren. Maar weldra kwam zij met schrik overeind, zag met verbaasde oogen rond, en herinnerde zich alles.

“Mijn liefje,” zeide de kapitein, aan de deur kloppende, “hoe gaat het?”—“Mijn beste vriend,” riep Florence, naar hem toesnellende. “Zijt gij daar!”

De kapitein gevoelde zich zoo trotsch op dien naam, en zoo gestreeld door den glans van[338]blijdschap, die zich op haar gezichtje vertoonde toen zij hem zag, dat hij, sprakeloos van vergenoegde aandoening, bij wijze van antwoord zijn haak kuste.

“Hoe gaat het, mijn diamantje?” zeide de kapitein.—“Ik heb zeker heel lang geslapen,” antwoordde Florence. “Wanneer ben ik hier gekomen? Gisteren?”—“Dezen zelfden gezegenden dag, mijn dametje,” zeide de kapitein.—“Is het dan geen nacht geweest? Is het nog dag?” vroeg Florence.—“Het begint nu avond te worden, mijn liefje,” zeide de kapitein, het gordijn openschuivende. “Zie maar.”

Florence, met haar handje op des kapiteins arm, zoo treurig en vreesachtig, en de kapitein met zijn ruw gezicht en zijne forsche gestalte, zoo manhaftig beschermend, stonden in het roodachtige licht van den helderen avondhemel, zonder een woord te spreken. Hoe vreemd de spraakwending ook mocht geweest zijn, als hij zijn gevoel had uitgedrukt, gevoelde de kapitein toch zoo diep als de welsprekendste man had kunnen doen, dat die stille avondstond en de zachte schoonheiddaarvaniets hadden, dat het gewonde hart van Florence moest doen overstroomen, en dat het best was dat zulke tranen hun vrijen loop hadden. Kapitein Cuttle sprak dus geen woord. Maar toen hij zijn arm vaster voelde omklemmen, en dat het eenzame hoofd nader daarbij kwam, en zich tegen zijne ruige blauwe mouw vleide, legde hij zacht zijne harde hand daarop, en begreep en werd begrepen.

“Beter nu, mijn liefje?” zeide de kapitein. “Opgebeurd maar, opgebeurd. Ik zal naar beneden gaan en wat eten klaarmaken. Wilt gij naderhand alleen naar beneden komen, mijn hartje, of zal Edward Cuttle u komen halen?”

Daar Florence hem verzekerde, dat zij zeer wel in staat was om de trap af te gaan, liet de kapitein haar vrijheid om dit te doen, hoewel hij er blijkbaar aan twijfelde of de gastvrijheid dit wel veroorloofde, en ging voor het vuur in het achterkamertje een hoentje braden. Om dit te beter te kunnen doen, trok hij zijne jas uit, sloeg zijne mouwboorden op en zette zijn blinkenden hoed op, zonder welk hoofddeksel hij nooit iets moeielijks ondernam.

Na haar kloppend hoofd en gloeiend gezicht verkoeld te hebben met het frissche water, dat de zorg des kapiteins, terwijl zij sliep, voor haar gereed gezet had, ging Florence naar het spiegeltje, om hare in wanorde geraakte haren op te binden. Toen zag zij—een oogenblik, want zij bedekte het terstond weder—dat hare borst het donkere spoor eener toornige hand droeg.

Dit gezicht deed hare tranen opnieuw uitbarsten: het vervulde haar met angst en schaamte, maar bewoog haar niet tot gramschap tegen hem. Zonder huis en zonder vader, vergaf zij hem alles; zij wist nauwelijks, dat zij hem iets te vergeven had, of dat zij dit deed; maar zij ontvlood het denkbeeld van hem gelijk zij hem zelven ontvlucht was, en hij was geheel voor haar verloren en verdwenen. Er was geen zoodanig wezen in de wereld.

Wat zij zou doen of waar zij zou blijven, kon Florence—arm, onervaren meisje—niet overwegen. Zij had onduidelijke droomen om ver weg eenige kleine zusters te vinden om te onderwijzen, die haar vriendelijk zouden behandelen, en aan welke zij zich onder een aangenomen naam, kon hechten, en die in haar gelukkig huis zouden opgroeien en trouwen, en goed zouden zijn voor hare oude gouvernante, en haar misschien door den tijd de opvoeding harer eigene dochters toevertrouwen; en zij dacht hoe vreemd en treurig het zou zijn, zoo eene oude vrouw met grijze haren te worden, en haar geheim in het graf mede te nemen, wanneer Florence Dombey vergeten was. Maar dit alles was nevelachtig en bewolkt voor haar. Zij wist alleen, dat zij op aarde geen vader meer had, en dit zeide zij dikwijls, met het smeekende hoofdje verborgen voor iedereen behalve voor haar vader in den hemel.

Haar kleine voorraad van geld bedroeg slechts eenige guinjes. Met een gedeelte daarvan zou het noodig zijn eenige kleederen te koopen, want zij had geene andere, dan die zij aanhad. Zij was te bedroefd om er aan te denken, hoe spoedig haar geld op zou zijn—te zeer een kind in wereldsche zaken om zich daarover zeer te verontrusten, al hadden andere dingen haar minder ontrust. Zij beproefde hare gedachten tot kalmte te brengen en hare tranen te stuiten, de verwarring in haar kloppend hoofd tot rust te brengen, en het zich duidelijk te maken, dat het gebeurde nog maar weinige uren geleden was, in plaats van weken of maanden, gelijk het haar voorkwam; en ging naar beneden naar haar vriendelijken beschermer.

De kapitein had met groote zorg de tafel gedekt, en was nu bezig met eiersaus gereed te maken, terwijl hij tusschenbeide het hoentje bedroop, dat aan een touwtje voor het vuur hing te draaien. Nadat hij Florence tusschen kussens op de sofa had geplaatst, die reeds in een warm hoekje voor haar geschoven was, zette de kapitein met buitengemeene handigheid zijn keukenwerk voort, plaatste behalve zijn pannetje met eiersaus nog een met jus op het vuur, benevens een handvol aardappelen in een potje, en deed elke minuut de ronde met bedruipen en roeren, met een lepel, die tot alles te gelijk diende. Bovendien moest hij nog op eene kleine koekenpan letten, waarin eenige saucijsjes welluidend lagen te sissen en te spatten; en nooit verrichtte kok of keukenmeid hun gewichtig[339]werk met meer ijver en genoegen, dan de kapitein het zijne; het was onmogelijk te zeggen wat meer blonk, zijn gezicht of zijn glimmende hoed.

Toen de maaltijd eindelijk geheel gereed was, zette de kapitein dien op, met niet minder handigheid dan hij alles had gekookt en gebraden. Daarna kleedde hij zich voor het diner door zijne jas aan te trekken en zijn hoed af te zetten. Dit gedaan zijnde, schoof hij de tafel dicht bij Florence, die op de sofa moest blijven zitten, deed het gebed, schroefde zijn haak af en zijne vork daarvoor in de plaats, en nam de honneurs van de tafel waar.

“Beur u wat op, mijn dametje,” zeide de kapitein, “en probeer om wat te eten. Zie eens hier, liefje. Dat is een boutje—en dat is saus—en dat is een saucijsje—en dat is een aardappel!” De kapitein plaatste dit alles symmetrisch op een bord, goot een lepel jus er over heen, en zette het zijne geëerde gast voor.

“De geheele rij luiken is voor opgezet, mijn dametje,” merkte de kapitein bemoedigend aan, “en alles is bezorgd. Probeer dus eens een beetje te peuzelen, mijn liefje. Als Walter hier was—”—“Ach, als ik hem nu voor mijn broeder had!” riep Florence uit.—“Maak u zoo aangedaan niet, mijn liefje,” zeide de kapitein. “Houd u goed, om mij pleizier te doen. Hij was immers uw natuurlijk geboren vriend, niet waar, liefje?”

Florence kon geene woorden vinden. Zij zeide slechts: “O lieve, lieve Paul! O Walter!”—“De plank waarover zij ging,” zeide de kapitein, naar haar hangend hoofdje ziende, “was Walter zoo dierbaar als de waterbeken voor een hart, dat zich nooit verheugt! Ik zie hem nog voor mij, op dien dag toen hij op de monsterrol van het kantoor werd gezet, en hij van haar sprak met zijn gezicht blinkende van den dauw—ten minste van zijne bescheidenheid en teerhartigheid—als eene pas ontloken roos, onder den eten. Wel, wel! Als onze arme Walter hier was, mijn dametje—of als hij er zijn kon—want hij is verdronken, niet waar?”

Florence schudde haar hoofd.

“Ja, ja, verdronken,” zeide de kapitein als het ware troostend. “Zooals ik zeide, als hij hier kon zijn en u bidden en smeeken, mijn schatje, om een beetje te peuzelen, uit zorg voor uwe kostbare gezondheid. Pas op u zelve, mijn dametje, alsof het om Walter’s wil was, en houd maar recht voor den wind.”

Om den kapitein genoegen te geven, beproefde Florence iets te eten. Ondertusschen legde de kapitein, die zijn eigen eten geheel scheen te vergeten, mes en vork neer en schoof zijn stoel dichter bij de sofa.

“Walter was een knappe jongen, niet waar, mijn hartje?” zeide de kapitein, nadat hij, haar strak aanziende, eene poos zijne kin had zitten wrijven; “en een brave jongen, en een goede jongen.”

Florence stemde dit met tranen toe.

“En hij is verdronken, juweeltje, niet waar?” zeide de kapitein, op een toon van medelijden.

Florence kon niet anders dan dit wederom toestemmen.

“Hij was ouder dan gij, mijn dametje,” vervolgde de kapitein; “maar gij waart toch als twee kinderen samen, in het eerst, waart ge niet?”

Florence antwoordde: “Ja!”

“En Walter is verdronken,” zeide de kapitein. “Niet waar?”

Het herhalen van deze vraag was wel eene zonderlinge bron van troost, maar scheen dit toch werkelijk voor den kapitein te zijn, want hij kwam er telkens op terug. Florence schoof eindelijk haar bijna ongeproefden maaltijd van zich af, liet zich op de sofa neerzinken, en reikte hem haar handje toe, met spijt gevoelende, dat zij hem had te leur gesteld, hoewel zij hem gaarne voor al zijne moeite eenig genoegen had willen geven; hij hield echter dat handje vast, zonder, naar het scheen, om den maaltijd of haar gebrek aan eetlust te denken, en bleef maar bij tusschenpoozen, op een peinzend medelijdenden toon, brommen: “Arme Walter. Ja, ja, verdronken. Niet waar?” En telkens wachtte hij op haar antwoord, waarom het hem bij deze zonderlinge bespiegelingen vooral scheen te doen te zijn.

Het hoentje en de saucijzen waren koud geworden, en de saus was gestold, eer de kapitein zich herinnerde, dat alles nog op tafel stond; maar toen viel hij er ook met behulp van Diogenes op aan, en hunne vereenigde pogingen deden den voorraad spoedig verdwijnen. Des kapiteins verwondering en genoegen over Florence’s stille handigheid, toen zij hem hielp om de tafel af te nemen, het kamertje op te ruimen, en den haard aan te vegen—alleen geëvenredigd door het ijverige van zijn protest toen zij hem begon te helpen—werden eindelijk zoo groot, dat hij zelf niets meer kon doen, maar naar haar bleef staan kijken, alsof zij eene Fee was, die met bovennatuurlijke vlugheid deze diensten voor hem verrichtte; de roode streep op zijn voorhoofd gloeide van opgetogenheid.

Maar toen Florence zijne pijp van den schoorsteenmantel nam en hem toereikte, met dringend verzoek om te gaan rooken, werd de goede kapitein zoo verlegen met hare beleefdheid, dat hij met zijne pijp bleef staan, alsof hij nog nooit in zijn leven eene pijp in de hand had gehad. Toen Florence in de kast ging zoeken, de flesch er uitnam, ongevraagd een onverbeterlijk glas grog voor hem gereedmaakte en dit voor hem zette, werd zijn roode neus bleek, zoo gestreeld en vereerd gevoelde hij zich. Toen hij in eene[340]genoeglijke mijmering zijne pijp had gestopt, stak Florence die voor hem aan—daar de kapitein haar dit niet kon of wilde beletten—en toen hare plaats op de oude sofa hernemende, bleef zij hem zitten aanzien met een lachje zoo dankbaar en liefdevol, een lachje, dat zoo duidelijk toonde hoe haar eenzaam hart zich aan hem hechtte, dat de kapitein den rook van zijne pijp in de keel en in de oogen kreeg, zoodat hij moest hoesten en de tranen hem over de wangen rolden.

De manier, waarop de kapitein het wilde doen voorkomen alsof de oorzaak dier verschijnselen in de pijp zelve verborgen lag, en in den kop daarnaar keek, en toen hij ze daar niet vond, ze uit den steel wilde blazen, was alleraardigst. Daar de pijp spoedig in beteren staat kwam, nam de kapitein weldra weder de rustige kalmte aan die den goeden rooker past; maar hij bleef toch strak naar Florence zitten staren, en blies nu en dan, met eene innige vergenoegdheid, waarvan geene woorden een denkbeeld kunnen geven, eene rookwolk uit, alsof het een uit zijn mond komend lint was, waarop de woorden te lezen waren: “Arme Walter. Ja, ja. Verdronken. Niet waar?”

Hoeveel zij ook naar het uitwendige van elkander verschilden—en er kon bijna geen grooter contrast bestaan, dan tusschen Florence, in hare teedere jeugd en schoonheid, en kapitein Cuttle, met zijn knobbelig gezicht, zijne forsche gestalte en zijne grove stem—in eenvoudigheid, onschuld en onkunde van de wereld met hare behoeften en gevaren, stonden zij bijna met elkander gelijk. Geen kind had kapitein Cuttle kunnen overtreffen in onervarenheid in alles behalve wind en weder, in eenvoudigheid, lichtgeloovigheid en edelmoedig vertrouwen. Geloof, hoop en liefde vervulden geheel zijn gemoed. Eene zonderlinge neiging tot het romaneske, waarbij hij zijne verbeelding geheel vrij spel liet, en aan geene werkelijkheid of mogelijkheid dacht, was het eenig nog bijkomend inmengsel van zijn karakter. Terwijl hij daar zat te rooken en Florence aan te staren, mag de hemel weten welke onmogelijke tafereelen, waarin zij de hoofdpersoon was, hem voor den geest kwamen. Even nevelachtig en onbestemd, hoewel niet zoo vol hoop, waren hare eigene gedachten van het leven, dat voor haar lag; en evenals hare tranen prismatische kleuren veroorzaakten in het licht waarnaar zij tuurde, zoo zag zij door haar nieuw en drukkend leed reeds een flauwen regenboog veraf in de lucht pralen. Eene verdwaalde prinses en een goedaardig monster in een sprookje hadden eveneens bij den haard kunnen zitten, en evenzoo denken en spreken als kapitein Cuttle en de arme Florence deden.

De kapitein werd niet ontrust door het flauwste denkbeeld van eenig bezwaar om Florence bij zich te houden, of van eenige verantwoordelijkheid, die hij daardoor op zich laadde. Toen hij de luiken voorgezet en de deur gesloten had, was hij in dit opzicht volkomen gerust. Al was zij eene pupil van de Kanselarij geweest, dit zou voor kapitein Cuttle geheel geen verschil gemaakt hebben. Hij was de allerlaatste mensch op de wereld om zich door zulke bezwaren te laten kwellen.

Zoo bleef de kapitein gerust zijne pijp zitten rooken, en mijmerden Florence en hij op hunne eigene manier voort. Toen de pijp uit was, werd er thee gedronken, en daarna verzocht Florence hem om haar naar een winkel in de buurt te brengen, waar zij eenige dingen kon koopen, die zij terstond noodig had. Daar het geheel donker was, bewilligde de kapitein hierin; maar hij keek toch eerst voorzichtig uit, gelijk hij gewoon was te doen in den tijd toen hij zich voor jufvrouw MacStinger schuilhield, en wapende zich met zijn dikken stok, voor het geval, dat onverwachte omstandigheden een beroep op de wapenen noodzakelijk maakten.

De hoogmoed dien kapitein Cuttle gevoelde, toen hij Florence zijn arm gaf en haar twee- of driehonderd voetstappen ver geleidde, waarbij hij door zijne groote waakzaamheid en voorzichtigheid de aandacht van alle voorbijgangers trok, was buitengemeen. Aan den winkel gekomen, begreep de kapitein, dat de kieschheid hem gebood zich te verwijderen, terwijl het benoodigde gekocht werd, dewijl dit uit voorwerpen van kleeding bestond; maar vooraf zette hij zijn blikken busje op de toonbank, en het winkeljuffertje onderricht hebbende, dat het veertien pond en twee schellingen bevatte, verzocht hij haar om, in geval die som niet toereikend genoeg was om de uitrusting van zijn nichtje te bestrijden—bij het woord “nichtje” wierp hij Florence een veelbeteekenenden blik toe, vergezeld met eene pantomime, die schranderheid en stilzwijgendheid moest uitdrukken,—dan maar zoo goed te zijn om hem te praaien, en hij zou het tekort uit zijn zak er bij leggen. Terloops zijn reusachtig horloge raadplegende, als een middel om groote gedachten van zijn vermogen te doen opvatten, groette de kapitein zijn nichtje door zijn haak te kussen, en ging buiten de deur, waar het aardig was zijn breed gezicht nu en dan door het venster tusschen de uitgestalde zijden en linten te zien binnenkijken, blijkbaar angstig, dat Florence door eene achterdeur was ontvoerd.

“Lieve kapitein Cuttle,” zeide Florence, toen zij naar buiten kwam met een pakje, waarvan de grootte den kapitein zeer te leur stelde, daar hij verwacht had haar door een kruier met eene geheele baal goederen te zien volgen, “ik heb dit geld waarlijk niet noodig. Ik heb er niets van uitgegeven. Ik heb zelf geld.”[341]

“Mijn dametje,” antwoordde de teleurgestelde kapitein, recht voor zich de straat opkijkende. “Bewaar het dan voor mij, als ge zoo goed wilt zijn, tot ik er u naar vraag.”—“Mag ik het weer op zijne gewone plaats bergen,” zeide Florence, “en het daar bewaren?”

De kapitein was lang niet blijde met dit voorstel, maar hij antwoordde toch: “Ja, ja, plaats het waar gij wilt, mijn dametje, als gij maar weet waar gij het kunt vinden. Voormijis het van geen nut,” zeide de kapitein. “Ik ben verwonderd, dat ik het al niet lang heb weggegooid.”

De kapitein was voor een oogenblik geheel verslagen, maar de eerste aanraking van Florence’s arm deed hem weder herleven, en zij keerden terug met dezelfde voorzorgen waarmede zij gekomen waren. Op de stoep gekomen, deed de kapitein de deur open en schoot er toen binnen, met eene vaart en behendigheid, die alleen groote oefening hem kon geleerd hebben. Terwijl Florence des morgens lag te sluimeren, had hij de dochter van eene oude vrouw, die gewoonlijk op deLeadenhall-Marktonder eene blauwe paraplu met gevogelte te koop zat, aangenomen om hare kamer te komen in orde brengen en haar de noodige kleine diensten te bewijzen; en daar dit meisje nu verscheen, vond Florence alles om haar heen even goed in orde en geriefelijk, schoon niet zoo prachtig, als in het akelige spookkasteel, waar zij eens thuis heette te zijn.

Toen zij weder alleen waren, drong de kapitein haar om een sneedje brood te eten en een glaasje kruidenwijn te drinken (dien hij heerlijk wist gereed te maken); en haar vervolgens bemoedigende met alle vriendelijke woorden en wonderlijke aanhalingen, die hij maar bedenken kon, bracht hij haar naar boven. Maar hij had toen nog iets op het gemoed en was blijkbaar niet rustig.

“Goeden nacht, lief hartje,” zeide kapitein Cuttle aan hare kamerdeur.

Florence hief haar hoofdje op en gaf hem een kus.

Op een anderen tijd zou de kapitein door zulk een blijk van hare genegenheid en dankbaarheid geheel over staag zijn gesmeten; maar nu, hoewel hij zeer gevoelig er voor was, zag hij haar aan met zelfs nog meer onrust dan hij te voren had laten blijken, en scheen ongezind om haar te verlaten.

“Arme Walter!” zeide de kapitein.—“Arme, arme Walter!” zuchtte Florence.—“Verdronken, niet waar?” zeide de kapitein.

Florence schudde haar hoofd en zuchtte.

“Goeden nacht, mijn dametje,” zeide de kapitein, zijne hand toestekende.—“God zegen u, goede, lieve vriend!”

Maar de kapitein bleef nog dralen.

“Scheelt er iets aan, bestekapiteinCuttle?” zeide Florence, die zich licht ongerust maakte. “Hebt gij mij iets te zeggen?”—“U iets te zeggen, mijn dametje!” antwoordde de kapitein, haar zeer verlegen in de oogen ziende. “Neen, wat zou ik u te zeggen hebben, liefje? Gij denkt toch niet, dat ik iets goeds te zeggen heb, niet waar?”—“Neen,” zeide Florence en schudde haar hoofd.—“Arme Walter!” zeide de kapitein. “Mijn Walter, zooals ik hem placht te noemen! Oude Sam zijn neef! welkom voor ieder, die u kende, gelijk de bloemen in Mei! Waar zijt ge nu, brave jongen? Verdronken, niet waar?”

Zijne alleenspraak met deze plotselinge vraag aan Florence besluitende, wenschte de kapitein haar goedennacht en ging de trap af, terwijl zij met de kaars bovenaan bleef staan om hem te lichten. Hij verdween in de duisternis, en naar het geluid zijner voetstappen te rekenen zou hij juist het achterkamertje binnengaan, toen zijn hoofd en schouders eensklaps weder zichtbaar werden, alsof zij uit de diepte opdoken, maar het scheen met geen ander doel dan om nog eens te herhalen:“Verdronken, niet waar, liefje?” Want toen hij dit op een toon van teeder medelijden gezegd had, verdween hij voor goed.

Het speet Florence zeer, dat zij onwillekeurig, hoewel natuurlijk, deze herinnering bij haar beschermer had doen ontwaken; en zich bij het tafeltje zettende, waarop de kapitein den verrekijker, het liederboekje en die andere rariteiten had neergelegd, bleef zij aan Walter en alles wat er met hem in verband stond denken, tot zij bijna had kunnen wenschen zich maar te bed te leggen om te kunnen sterven. Maar onder haar eenzaam smachten naar de dooden, die zij had liefgehad, kwam geene gedachte aan haar vaderlijk huis—geene mogelijkheid om daarheen terug te keeren—geen denkbeeld, dat het nog bestond en dat daar haar vader woonde—in haar gemoed op. Zij had hem zien vermoorden. In de laatste natuurlijke gedaante, waarmede zij hem door zooveel heen was blijven liefhebben, was hij uit haar hart gerukt en vermoord. De gedachte was haar zoo ontzettend, dat zij hare oogen bedekte en bevend terugdeinsde bij de minste herinnering aan de daad of aan de hand, die ze bedreven had. Als haar teeder hart daarna nog zijn beeld had kunnen bewaren, had het moeten breken; maar dat kon het niet doen, en de ledige plaats was aangevuld door een woesten angst voor een enkelen blik op de verminkte brokken van dat beeld—een angst, die alleen uit de diepte van zulk eene liefde, zoo mishandeld, kon oprijzen.

Zij durfde niet in den spiegel zien; want het gezicht der wankleurige plek op hare borst[342]deed haar voor zich zelve schamen, alsof zij een teeken van goddeloosheid met zich omdroeg. Zij bedekte het met eene haastige, bevende hand, in het donker, en legde haar vermoeid hoofd neder en schreide.

De kapitein ging nog in langen tijd niet naar bed. Hij bleef nog een vol uur in den winkel en het achterkamertje op en neer wandelen, en toen hij door die lichaamsbeweging tot bedaren scheen te zijn gekomen, ging hij met een ernstig peinzend gezicht zitten en las in het gebedenboek de gebeden, bestemd ten gebruike op zee. Dit ging niet gemakkelijk, want de kapitein was een langzaam en stroef lezer, en hield bij een moeielijk woord dikwijls op om zich zelven aan te moedigen met een: “Komaan, jongen, frisch aangepakt!” of “Sta vast, Edward Cuttle, sta vast!” hetgeen veel scheen te baten om hem over een bezwaar heen te helpen. Bovendien hinderde zijn bril hem zeer in het zien. Maar, in spijt van deze belemmeringen, las de kapitein, daar hij het ernstig meende, de formulieren tot den laatsten regel toe, en dat met waar gevoel. Toen zeer voldaan over het gelezene, begaf hij zich onder de toonbank te rust (maar niet voordat hij nog eens naar boven was gegaan en aan Florence’s deur had geluisterd) en viel met een verruimd hart en een genoeglijk gezicht in slaap.

In den loop van den nacht stond de kapitein verscheidene malen op om zich te verzekeren of Florence gerust sliep; en eens, toen de dag aanbrak, bevond hij, dat zij wakker was, want toen zij zijn voetstap hoorde, riep zij om te weten of hij het was.

“Ja, mijn dametje,” antwoordde de kapitein met een brommend gefluister. “Zijt gij geheel en al wel, mijn dametje?”

Florence bedankte hem en antwoordde van ja.

Nu kon de kapitein de gunstige gelegenheid niet verzuimen om zijn mond voor het sleutelgat te houden en daardoor heen, alsof er een schorre wind door woei, te roepen: “Arme Walter! Verdronken, niet waar?” Waarna hij weder naar bed ging en tot zeven uur bleef slapen.

Ook den geheelen dag was hij niet vrij van die zonderlinge gejaagdheid en verlegenheid; hoewel Florence, die in het achterkamertje zat te naaien, kalmer en rustiger was dan den vorigen dag. Bijna telkens wanneer zij hare oogen van haar werk opsloeg, bemerkte zij, dat de kapitein haar aanzag en peinzend zijne kin wreef; en zoo dikwijls schoof hij met zijn leuningstoel naar haar toe, alsof hij iets zeer vertrouwelijks wilde zeggen, en schoof hij dan ook weder achteruit, als wist hij niet daaraan te beginnen, dat hij in den loop van den dag het geheele kamertje aldus doorkruiste, en meer dan eens tegen het beschot of de kastdeur op het strand raakte.

Het was niet voor schemeravond, dat kapitein Cuttle voor goed zijn anker liet vallen, en eindelijk, dicht naast Florence gezeten, geregeld begon te praten. Maar op dien tijd, toen het vuur de muren en de zoldering verlichtte en haar kalm gezichtje bescheen, dat naar de vlam was gekeerd, en in de tranen flikkerde, die hare oogen vulden, verbrak de kapitein aldus zijn langdurig stilzwijgen:

“Gij zijt wel nooit op zee geweest, mijn hartje?”—“Neen,” antwoordde Florence.—“Ja,” hernam de kapitein met eerbied, “het is een almachtig element. Er zijn wonderen in de diepte, mijn liefje. Denk eens aan, als de winden loeien en de golven bulderen. Denk eens aan, als het in stormige nachten zoo pikdonker is,” zeide de kapitein, plechtig zijn haak ophoudende, “dat men geen hand voor oogen zien kan, behalve als een bliksemstraal ze zichtbaar maakt; en als gij daar door storm en duisternis voortdrijft, alsof gij zoo zoudt blijven voortdrijven van eeuwigheid tot eeuwigheid, amen, en als gij dat vindt, zet er dan een streepje bij. Dat is een tijd, mijn dametje, dat iemand tegen zijn kameraad mag zeggen: “Een stijve noordwester, Bill; luister, hoort ge hem niet loeien! Och, Heere, hoe beklaag ik alle ongelukkigen, die nu aan land zitten!””Welke aanhaling, als bijzonder toepasselijk op de verschrikkingen der zee, de kapitein met een nadrukkelijk “Sta vast!” besloot.—“Zijtgijooit in zulk een vreeselijken storm geweest?” vroeg Florence.—“Wel ja, mijn dametje, ik heb ook mijn deel van slecht weer gehad,” antwoordde de kapitein, met eene bevende hand zijn hoofd afvegende, “ik ben ook genoeg rondgeslingerd. Maar—maar het is niet van mij zelven, dat ik wenschte te spreken. Onze beste jongen,” dichter bij haar schuivende, “Walter, liefje, die verdronken is.”

De kapitein sprak met zulk eene bevende stem, en zag Florence met zulk een bleek en ontroerd gezicht aan, dat zij verschrikt zijne hand vatte.

“Uw gezicht is in een oogenblik zoo veranderd,” riep zij uit. “Wat is er? Lieve kapitein Cuttle, ik word er koud van, dat ik u zoo zie!”—“Word maar niet bang, mijn dametje,” antwoordde de kapitein. “Neen, neen. Alles is wel, alles is wel, mijn liefje. Zooals ik zeide—Walter—hij is—hij is verdronken. Is hij niet?”

Florence zag hem strak aan, werd beurtelings rood en bleek en legde hare hand op hare borst.

“Er zijn gevaren op de diepte, mijn hartje,” zeide de kapitein, “en over menig goed schip en menig moedig hart hebben de golven zich gesloten, en er nooit een woord van gezegd. Maar er zijn ook uitkomsten op de diepte, en somtijds wordt één man van de twintig—ja, misschien één van de honderd, mijn liefje—door Gods genade gered, en komt hij nog thuis, als men hem al lang voor dood heeft[343]gehouden en verteld dat allen verdronken waren. Ik—ik weet eene historie, hartediefje,” stotterde de kapitein, “eene historie van die soort, die mij eens verteld is; en nu ik daaraan denk, en zoo alleen met u bij het vuur zit, zoudt ge ze misschien wel eens willen hooren. Zoudt ge, liefje?”

Florence, bevende van eene ontroering, die zij niet begreep of kon bedwingen, volgde onwillekeurig zijne oogen, die achter haar om naar den winkel dwaalden, waar eene lamp brandde. Zoodra zij haar hoofd omdraaide, sprong de kapitein van zijn stoel op en hield zijne hand voor haar.

“Daar is niets, mijn juweeltje,” zeide de kapitein. “Kijk daar niet!”—“Waarom niet?” vroeg Florence.

De kapitein mompelde iets dat het daar somber en het vuur vroolijk was. Hij stiet de deur, die tot nog toe had opengestaan, half toe, en zette zich weder. Florence volgde hem met hare oogen en zag hem strak aan.

“De historie was van een schip, mijn dametje,” begon de kapitein, “dat met goeden wind en mooi weer de haven vanLondenwas uitgezeild, bestemd—ontstel maar niet, mijn dametje—het was maar naar ik weet niet waar bestemd.”

De uitdrukking van Florence’s gezichtje ontrustte den kapitein, die zelf zeer rood en heet was, en weinig minder ontroering liet blijken dan zij.

“Zal ik voortgaan, liefje?” zeide de kapitein.—“Ja, ja, bid ik u!” riep Florence uit.

De kapitein scheen iets, dat hem in de keel stak, met geweld door te zwelgen, en vervolgde zeer zenuwachtig:

“Dat ongelukkige schip kreeg op zee zulk een slecht weer, mijn liefje, als men in twintig jaar niet beleeft. Er woei aan land een orkaan, die bosschen uitroeide en steden verwoestte, en op zee had men op die breedte een storm, waarin het sterkste schip het niet kon uithouden. Dag aan dag hield dat ongelukkige schip zich evenwel goed, heeft men mij verteld, maar op eens werd bijna de geheele verschansing weggeslagen, en gingen de masten overboord en brak het roer af, en werden de beste matrozen overboord gespoeld, en zoo was het aan de genade van den storm overgelaten, die geene genade had, maar al harder en harder opstak, en telkens als de golven er op kwamen neerdonderen, kraakten zij het goede schip als een notedop. Ieder zwart plekje in elken waterberg, die wegrolde, was een stuk van het schip of een levend mensch, en zoo ging het geheel aan stukken, liefje, en geen gras zal er ooit groeien op de graven van hen die het bevoeren.”—“Zij verongelukten toch niet allen!” riep Florence. “Sommigen werden toch gered! Werd er iemand gered?”—“Aan boord van dat ongelukkige schip,” zeide de kapitein, van zijn stoel opstaande en zijne vuist met verbazende kracht dichtklemmende, “was een knaap, een moedige knaap—zooals ik heb hooren vertellen—die, toen hij nog een kleine jongen was, altijd gaarne van moedige daden bij schipbreuken had gelezen en gepraat—ik heb hem gehoord, zelf gehoord!—en hij dacht weder daarom in het uur van nood; want toen de stoutste harten en oudste handen slap werden, bleef hij standvastig en onverschrokken. Het was niet uit gebrek aan menschen om lief te hebben aan land, dat hij zooveel moed had, het was zijn natuurlijk karakter zoo. Ik heb het in zijn gezicht gezien, toen hij nog niet meer dan een kind was—ja, dikwijls!—en toen ik dacht dat het niets anders was dan zijn gezond uitzicht, zegen hem!”—“En werd hij gered?” riep Florence uit. “Werd hij gered?”—“Die brave jongen,” zeide de kapitein. “Zie mij aan, liefje. Kijk niet om—”

Florence had nauwelijks de kracht om nog eens te vragen: “Waarom niet?”—“Omdat daar niets te zien is, hartje,” zeide de kapitein, “Maak u niet angstig, liefje! Doe dat niet—om Walter’s wil, van wien wij allen zooveel hielden! Die knaap,” vervolgde de kapitein, “nadat hij met de besten had gewerkt, en de flauwhartigen had bijgestaan, en geen teeken van vrees gegeven, en bij al de anderen een ijver had wakker gehouden, die hem zooveel eer aandeed alsof hij een admiraal was geweest—die knaap en de tweede stuurman en een matroos waren de eenigen die overbleven van al de kloppende harten, die op dat schip geweest waren. Zij hadden zich op een stuk van het wrak vastgebonden en dreven zoo op de stormige zee”—“Werden zij gered!” riep Florence.—“Dagen en nachten dreven zij op het eindelooze water,” zeide de kapitein, “tot eindelijk—neen, kijk niet naar dien kant, liefje!—een zeil op hen aankwam, en zij door Gods genade aan boord werden genomen—twee levend, en een dood.”—“Wie van hen was dood?” riep Florence.—“Niet de knaap, waarvan ik spreek,” zeide de kapitein.—“Goddank! O, Goddank!”—“Amen!” zeide de kapitein haastig. “Maak u niet benauwd. Nog eene minuut, mijn dametje—moed gehouden! Aan boord van dat schip deden zij eene lange reis dwars over de kaart (want zij deden geene haven aan) en op die reis stierf de matroos, die met hem was opgenomen. Maar hij bleef bewaard, en—”

Zonder te weten wat hij deed, had de kapitein eene snee brood gesneden en aan zijn haak gestoken (zijne gewone vork om brood aan te roosteren), die hij nu, terwijl hij met een gezicht vol ontroering achter Florence omkeek, zoo dicht voor het vuur hield, dat het brood tot kool brandde.[344]

“Bleef bewaard,” herhaalde Florence, “en?”—“En kwam met dat schip thuis,” zeide de kapitein, nog in dezelfde richting kijkende, “en—schrik niet, liefje!—aan land; en op een ochtend kwam hij voorzichtig voor zijne eigene deur om observatie te doen, wel wetende dat zijne vrienden hem voor verdronken zouden houden, toen hij zich verwonderde over het onverwachte—”—“Over het onverwachte blaffen van een hond?” riep Florence haastig.—“Ja!” barstte de kapitein uit. “Sta vast liefje! Moed gehouden! Kijk nog niet om. Zie daar—op den muur!”

Op den muur dicht bij haar viel de schaduw van een man. Zij sprong op, keerde zich om en gaf een schellen gil toen zij Walter Gay achter haar zag staan.

Zij dacht niet anders aan hem dan als een broeder, een broeder uit het graf gered, een broeder in eene schipbreuk bewaard gebleven, voor dood gehouden en weder bij haar gekomen, en vloog in zijne armen. In de geheele wereld scheen hij hare hoop, haar troost, hare toevlucht, haar natuurlijke beschermer te zijn. “Draag zorg voor Walter. Ik heb veel van Walter gehouden!” De dierbare herinnering der klagende stem, die dit gezegd had, streelde hare ziel gelijk muziek in den nacht. “O, welkom thuis, lieve Walter! Welkom aan deze gewonde borst!” Zij gevoelde deze woorden, hoewel zij ze niet kon uiten, en hield hem in hare reine omhelzing gesloten.

Kapitein Cuttle beproefde in eene vlaag van ijlhoofdigheid zijn hoofd af te vegen met het zwart gebrande brood aan zijn haak, en toen hij het daarvoor ondienstig vond, stopte hij het in zijn blinkenden hoed, zette toen dien hoed met eenige moeite op, beproefde het begin van Mooie Peggy te zingen, bleef bij het eerste woord steken, en nam de wijk naar den winkel, waaruit hij weldra haastig terugkwam, met een zeer rood en begroezeld gezicht, en al de stijfsel uit zijne boordjes weggeweekt, om de woorden te zeggen:

“Walter, mijn jongen, hier is een klein kapitaaltje, dat ik u zou wenschen over te maken, gansch en gaar.”

Snel haalde hij het groote horloge, de theelepeltjes, de suikertang en het blikken busje voor den dag, legde alles bij elkander op de tafel en streek het met zijne groote hand in Walter’s hoed; maar toen hij deze zonderlinge cassette aan Walter wilde toereiken, werd hij wederom zoodanig door zijne ontroering overmeesterd, dat hij nogmaals naar den winkel moest vluchten en ditmaal langer wegbleef dan de vorige maal.

Maar Walter ging hem opzoeken en bracht hem terug, en toen was des kapiteins grootste vrees, dat Florence nadeel zou hebben van dezen nieuwen schok. Hij was zoo ernstig beducht daarvoor, dat hij op eens bedaard en verstandig werd, en alle verdere toespeling op Walter’s avonturen voor eenige dagen verbood. Hij ontlastte zich nu ook van het stuk gebraden brood in zijn hoed, en zette zich op zijn gemak aan de tafel; maar toen Walter aan den eenen kant zijne hand op zijn schouder legde, en Florence hem aan den anderen hare weemoedige betuigingen van blijdschap in het oor fluisterde, nam de goede kapitein plotseling nogmaals de wijk, en bleef toen eene goede tien minuten weg.

Maar nooit in geheel zijn leven had des kapiteins gezicht zulk een glans gehad, als toen hij eindelijk voor vast aan de theetafel zat, en van Walter naar Florence en van Florence naar Walter keek; en deze glans was geenszins voortgebracht door het geweldig wrijven met zijne mouw, dat zijn gezicht in het laatste half uur had moeten verduren, maar geheel en al een gevolg van zijne innerlijke gemoedsbewegingen. In zijn binnenste heerschten eene opgetogenheid en blijdschap, die zich over geheel zijn gezicht verspreidden en daar als het ware eene illuminatie aanstaken.

De trotschheid, waarmede de kapitein de gebruinde wangen en moedige oogen van zijn wedergevonden Walter beschouwde, waarmede hij het edele vuur zijner jeugd en al zijne innemende en veelbelovende eigenschappen weder zag schitteren in zijne rondborstige manieren en op zijn mannelijk gezicht, moest op zijn eigen gezicht iets van dat licht ontsteken. De bewondering en teederheid, waarmede hij zijne oogen op Florence vestigde, wier schoonheid, bevalligheid en onschuld geen trouwer en ijveriger kampvechter hadden kunnen verwerven dan hem, moesten denzelfden invloed op hem uitoefenen. Maar de volheid van den gloed, dien hij om zich heen verspreidde, kon alleen worden voortgebracht door zijne beschouwing van die twee bij elkander, en door al de gedachten welke die vereeniging moest opwekken, en die hem als een huppelende dans van vroolijke beelden door het hoofd vlogen.

Hoe zij over oom Sam praatten, en zij uitweidden over al de omstandigheden van zijn verdwijnen; hoe hunne vreugde door de afwezigheid des ouden mans en de rampen van Florence werd getemperd; hoe zij Diogenes verlosten, dien de kapitein eenigen tijd vooraf naar boven had gelokt, opdat hij niet weder zou blaffen, begreep de kapitein zeer wel, ofschoon hij op den duur nog eenigszins ontroerd bleef, en meermalen nog eens voor eene korte poos naar den winkel ging. Maar hij droomde evenmin dat Walter Florence thans op eene geheele andere plaats dan voorheen en ver van zich verwijderd zag, en dat, terwijl zijne oogen dikwijls haar bekoorlijk gezichtje zochten, zij toch zelden haar openhartigen[345]blik van zusterlijke genegenheid beantwoordden, maar zich dan van de hare afwendden, als hij geloofde dat het Walter’s geest was, die daar naast hem zat. Hij zag hen daar bij elkander in hunne jeugd en schoonheid, en hij kende de geschiedenis hunner kindsche dagen, en hij had onder zijn groot blauw vest geen duim breedte plaats voor iets anders dan bewondering voor zulk een paar en dankbaarheid dat het weder vereenigd was.

Toen hij in eene genoeglijke mijmering zijne pijp had gestopt, stak Florence die voor hem aan. (blz. 340).Toen hij in eene genoeglijke mijmering zijne pijp had gestopt, stak Florence die voor hem aan.(blz. 340).

Toen hij in eene genoeglijke mijmering zijne pijp had gestopt, stak Florence die voor hem aan.(blz. 340).

Zoo zaten zij tot het laat werd. De kapitein had wel eene week lang zoo willen blijven zitten. Maar Walter stond eindelijk op om afscheid te nemen.

“Gaat gij heen, Walter?” zeide Florence. “Waar naar toe?”—“Hij heeft vooreerst een logies om den hoek bij Brogley, mijn dametje,” zeide de kapitein. “Hij is binnen beroep, mijn hartediefje.”—“Ik ben de oorzaak, dat gij heengaat, Walter,” zeide Florence. “Er is eene zuster, die geen ander thuis heeft, in uwe plaats gekomen.”—“Lieve jufvrouw Dombey,” antwoordde Walter haperend—“als het niet te vermetel is u zoo te noemen—”—“Walter!” riep zij verwonderd uit.—“Als iets voor mij het geluk kon vergrooten van u te mogen zien en spreken, zou het dan niet de ontdekking zijn, dat ik eenig middel had, om u een[346]oogenblik dienst te bewijzen? Waar zou ik niet naar toe gaan, wat zou ik niet doen, om uwentwil?”

Zij glimlachte en noemde hem broeder.

“Gij zijt zoo veranderd,” zeide Walter.—“Ik veranderd!” viel zij er op in.—“Voor mij,” zeide Walter zacht, alsof hij overluid dacht, “voor mij veranderd. Ik heb u zulk een kind gelaten, en vind u—o, iets geheel anders.”—“Maar toch uwe zuster. Gij hebt immers niet vergeten, wat wij elkander beloofden, toen wij scheidden?”—“Vergeten?” Maar hij zeide niets meer.—“En al hadt gij dat gedaan—al hadden leed en gevaren het u uit de gedachten verdreven—dat zoo niet is—dan zoudt gij het u nu wel herinneren, Walter, nu gij mij arm en verlaten vindt, zonder ergens een thuis te hebben behalve hier, en zonder vrienden behalve de twee, die mij nu hooren spreken.”—“Dat zou ik! De hemel weet, dat zou ik!” zeide Walter.—“O Walter, lieve broeder,” riep Florence door hare snikken en tranen uit. “Wijs mij toch een weg om door de wereld te komen—een nederig pad, waar ik alleen kan wandelen en werkzaam zijn, en somtijds aan u denken als aan iemand, die mij als eene zuster beschermen en liefhebben zal. O, help mij toch, Walter, want ik heb zooveel hulp noodig!”—“Jufvrouw Dombey! Florence! Ik zou willen sterven om u te helpen. Maar uwe betrekkingen zijn grootsch en rijk. Uw vader—”—“Neen, neen, Walter!” gilde zij en stak hare handen op met een schrik, die hem deed verstommen. “Zeg dat woord niet!”

Nooit vergat hij de stem en den blik, waarmede zij hem bij dat woord stuitte. Hij gevoelde, dat hij ze nooit zou kunnen vergeten, al werd hij honderd jaren oud.

Ergens heen—waar dan ook—maar nooit weder naar huis! Alles voorbij, alles weg, alles verloren, alles verwoest! De geheele geschiedenis van het leed en de verwaarloozing, die zij altijd had verzwegen, lag in dien kreet en dien blik; hij gevoelde, dat hij ze nooit kon vergeten, en deed dit ook nooit.

Zij liet haar lief gezichtje op des kapiteins schouder zinken, en verhaalde hoe en waarom zij gevlucht was. Als elke traan, dien zij onder dat verhaal schreide, een vloek geweest was op het hoofd van hem, dien zij nooit noemde of laakte, zou het beter voor hem zijn geweest, dacht Walter met ontzetting, dan uit zulk eene kracht en macht van liefde verstooten te worden.

“Daar nu, mijn juweeltje!” zeide de kapitein, toen zij ophield; en met diepe aandacht had hij naar haar geluisterd, met zijn hoed geheel op zijde en zijn mond wijd open. “Sta vast, sta vast, mijne oogen! Walter, beste jongen, pak u nu voor van avond weg, en laat het liefje maar aan mij over.”

Walter vatte hare hand en bracht ze aan zijne lippen. Hij wist nu, dat zij waarlijk eene zwervende vluchtelinge was; maar voor hem rijker zóó, dan in den glans en de weelde van haar rechtmatigen staat, scheen zij nog verder van hem af te zijn, dan zelfs op de hoogte, die hem in zijne jeugdige droomen had doen duizelen.

Kapitein Cuttle, door geene zoodanige bedenkingen verontrust, bracht Florence naar hare kamer, en kwam van tijd tot tijd de wacht houden op den betooverden grond voor hare deur—want voor hem was die grond waarlijk betooverd—tot hij zich gerust genoeg over haar gevoelde, om onder de toonbank te gaan slapen. Toen hij daartoe zijn post verliet, kon hij niet nalaten nog eens—maar nu met verrukking—door het sleutelgat te roepen; “Verdronken! Niet waar, liefje?” en onder aan de trap nog eens het lied van Mooie Peggy te beproeven. Dit bleef hem, hoe dan ook, weder in de keel steken. Hij ging dus naar bed en droomde dat de oude Sam Gills met jufvrouw MacStinger was getrouwd, en door die dame in eene geheime kamer op kort rantsoen gevangen werd gehouden.


Back to IndexNext