[Inhoud]XLVIII.FLORENCE’S VLUCHT.Verbijsterd door smart, schaamte en schrik, snelde het wanhopige meisje door den zonneschijn van den helderen morgen, als ware het de duisternis van een winternacht. Hare handen wringende en bitter weenende, gevoelloos voor alles behalve de diepe wond in hare borst, bedwelmd door het verlies van alles wat zij liefhad, verlaten gelijk de eenig overgeblevene schipbreukeling op eene eenzame kust, vlood zij, zonder gedachten, zonder hoop, zonder doel, dan om maar te vluchten, ergens heen.Het vroolijke verschiet der lange straat, door het morgenlicht verguld, het gezicht van den blauwen hemel en de luchtige wolkjes, de frischheid van den dag, als het ware pralende met zijne zege op den nacht, deed in hare zoo gewonde borst geen overeenstemmend gevoel ontwaken. Ergens, waar dan ook, haar hoofd te bergen! Ergens, waar dan ook, schuilplaats te zoeken! Het huis, dat zij ontvlood, nooit weder te zien! Dit was hare eenige gedachte.Maar er gingen menschen af en aan; er werden winkels opengezet, er kwamen dienstboden buiten; het gewoel van den dag begon. Florence zag verwondering en nieuwsgierigheid op de gezichten, die haar voorbijzweefden, zag lange schaduwen terugkomen; hoorde vreemde stemmen haar vragen waar zij heenging en wat haar scheelde; en hoewel deze haar in het eerst nog meer beangstigden en sneller deden voorthaasten, bewezen zij haar toch den dienst[332]van haar eenigermate tot bezinning te brengen, en te herinneren, dat het noodig was meer bedaardheid te toonen.Waarheen zou zij gaan? Ergens, waar ook heen, verder, verder! Maar toch waarheen? Zij dacht aan dien anderen tijd, toen zij, verdwaald, in de wildernissen vanLondenalleen was geweest—schoon niet zoo alleen als nu—en ging dien weg op. Naar het huis van Walter’s oom.Haar snikken smorende en hare gezwollene oogen afvegende, en hare ontroering bedwingende, om zoo geene aandacht te trekken, met voornemen om zoolang zij kon in de stilste straten te blijven, ging Florence bedaarder voort, toen eene bekende schaduw haar op de zonnige steenen van het voetpad voorbijschoot, omkeerde, terugkwam, weder wegvloog, om haar heen zwierde, en Diogenes, naar adem hijgende, hoewel hij toch de straat door zijn vroolijk geblaf deed weergalmen, voor hare voeten kroop.“O, Di! O, lieve, trouwe Di, hoe zijt gij hier gekomen! Hoe kon ik u verlaten, Di, die mij nooit verlaten zoudt!”Florence bukte en legde zijn ruigen kop tegen hare borst, en daarna stonden zij te zamen op en gingen gezamenlijk verder; Di meer door de lucht dan over den grond, zijn best doende om zijne meesteres in een sprong te kussen, dan over zijn kop tuimelende en zonder zich eenigszins daaraan te storen weder opvliegende, op groote honden toeschietende om hen schertsend uit te dagen, werkmeiden, die eene stoep dweilden, verschrikkende door ze zijn neus in het gezicht te duwen, en te midden van duizend buitensporigheden telkens ophoudende om naar Florence om te zien en te blaffen, tot alle honden in het rond hem antwoord gaven en buitenkwamen om hem verwonderd aan te kijken.Met dezen laatsten vriend, haastte zich Florence, door den steeds warmer wordenden zonneschijn, deCityin. Weldra werd het straatrumoer luider, werden de voetgangers talrijker, de winkels levendiger, tot zij door een levenden stroom werd medegevoerd, die onverschillig voorbij markten en paleizen, gevangenissen en kerken, rijkdom en armoede, goed en kwaad voortvloeide, evenals de breede rivier, die hij ter zijde bleef, troebel en donker door biezen en wilgen, tusschen de werken en de zorgen der menschen, naar de diepe zee vloeit.Eindelijk kreeg men de straat van den houten adelborst in het gezicht. Nog nader gekomen, zag men den houten adelborst zelven, gelijk altijd, op zijn post en aan zijne observatiën. Nog nader, en de deur stond open, en noodigde haar om binnen te treden. Florence, die op het einde van haar tocht hare schreden had versneld, stapte de straat over (dicht op de hielen door Diogenes gevolgd, wien het gewoel eenigszins verbijsterd had) trad haastig binnen, en zonk op den drempel van het welbekende achterkamertje neer.De kapitein stond, met zijn blinkenden hoed op, bij het vuur, zijne ochtendcacao te koken, met zijn horloge voor zich op den schoorsteenmantel, om het onder het koken gemakkelijk te kunnen raadplegen. Toen hij een voetstap en het ritselen van een kleedje hoorde, keerde hij zich om, met schrik aan jufvrouw MacStinger denkende, juist op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem uitstak, wankelde en neerzonk.Even bleek als Florence, nam de kapitein haar op, als ware zij een klein kind geweest, en legde haar op dezelfde sofa, waarop zij zoo lang geleden had gesluimerd.“Het is hartediefje!” zeide de kapitein, haar oplettend aanziende. “Het is dat lieve kind, nu een volwassen meisje geworden!”Kapitein Cuttle had, nu hij een volwassen meisje in haar zag, zooveel eerbied voor haar, dat hij haar, terwijl zij bewusteloos was, voor geen duizend pond in zijne armen had durven houden.“Mijn hartediefje!” zeide de kapitein, zich op een afstand houdende, terwijl angst en medelijden op zijn gelaat stonden geteekend; “als ge Ned Cuttle maar met een vinger kunt praaien, doe het dan!”Maar Florence bewoog zich niet.“Mijn hartediefje!” zeide de kapitein. “Om Walter’s wil, die in het zoute diep verdronken is, draai toch bij en hijsch eene vlag, als ge kunt!”Daar zij ook aan deze nadrukkelijke bezwering geen gehoor gaf, nam kapitein Cuttle eene kom koud water van de tafel en sprenkelde haar daarvan iets in het gezicht. Voor het dringende van het geval zwichtende, ontlastte de kapitein haar daarop van haar hoed, bevochtigde hare slapen en haar voorhoofd, streek hare haren weg, bedekte hare voeten met zijne jas, die hij daartoe uittrok, en klopte haar in de hand—zoo klein in de zijne, dat hij er zich over verwonderde; en toen hij zag dat hare oogen begonnen te trillen en hare lippen zich even bewogen, bleef hij met meer moed zijne middelen aanwenden, waarbij hij zijne geduchte hand met verbazende zachtheid gebruikte.“Frisch op maar, frisch op maar!” zeide de kapitein. “Sta vast, mijn liefje. Daar! Nu wordt het al beter. Sta vast maar! Drink een droppeltje van dit. Daar zijt gij er al. Hoe gaat het nu, mijn hartje?”In dit tijdperk van haar herstel nam de kapitein, met het schemerachtige denkbeeld, dat er bij eene doctorale behandeling een horloge noodig was, het zijne van den schoorsteenmantel, hing het aan zijn haak, nam toen Florence’s[333]hand in de zijne en keek gedurig van de eene naar het andere, alsof hij verwachtte, dat de wijzers iets zouden doen.“Hoe gaat het nu, hartje?” zeide de kapitein. “Gij hebt haar al wat goed gedaan,” mompelde hij met een blik van tevredenheid naar zijn horloge. “Als gij elken ochtend maar een half uur achteruit wordt gezet, en elken avond nog een kwartier, kan geen horloge beter zijn. Hoe gaat het, mijn dametje?”—“Kapitein Cuttle! Zijt gij het?” riep Florence uit, en richtte zich een weinig op.—“Ja, ja, mijn dametje,” zeide de kapitein, door eene haastige redeneering tot het besluit komende, dat dit de hoffelijkste toespraak was, die hij bedenken kon.—“Is Walter’s oom hier?” vroeg Florence.—“Hier, liefje!” antwoordde de kapitein. “Hij is in langen tijd niet hier geweest. Men heeft niets van hem gehoord, sedert hij den armen Walter is gaan nazeilen.”—“Woont gij nu hier?” vroeg Florence.—“Ja, mijn dametje,” antwoordde de kapitein.—“O, kapitein Cuttle,” riep Florence nu met woestheid uit, en vouwde smeekend hare handen. “Red mij! Laat niemand weten waar ik ben! Ik zal u straks vertellen wat er gebeurd is, als ik kan. Ik heb niemand in de wereld om naar toe te gaan. Zend mij toch niet weg!”—“U wegzenden, mijn dametje!” riep de kapitein uit. “U, mijn hartediefje! Wacht eens eventjes! Wij zullen dat luik voorzetten en den sleutel omdraaien.”Zoo sprekende nam de kapitein, zijne eene hand en zijn haak met groote behendigheid gebruikende, het deurluik op, zette het in, en draaide de deur op het nachtslot.Toen hij weder bij Florence kwam, vatte zij zijne hand en kuste ze. Het roerend smeekende van dit bedrijf, het vertrouwen dat het te kennen gaf, de onuitsprekelijke droefheid in hare oogen, de zielesmart die zij maar al te duidelijk geleden had en nog leed, zijne kennis van hare vroegere geschiedenis, hare tegenwoordige hulpelooze verlatenheid; alles overstelpte den goeden kapitein zoodanig, dat hij letterlijk van medelijden en teederheid overliep.“Mijn dametje!” zeide hij, nadat hij zijn neus met zijne mouw had gewreven tot hij blonk als gebruineerd koper, “zeg maar geen woord aan Edward Cuttle, voordat gij vindt dat gij gerust voor anker ligt, dat vandaag of morgen niet wezen zal. En u over te geven, of rapport te doen waar gij zijt, ja waarlijk en met Gods hulp, zoo wil ik niet, gelijk in den catechismus staat.”De kapitein zeide dit alles in één adem, maar zeer plechtig; bij het “ja waarlijk” nam hij zijn hoed af en zette dien eerst weder op, toen hij gedaan had.Florence kon nog maar één ding meer doen om hem te danken en te toonen hoezeer zij hem vertrouwde; en dit deedzijook. Zich aan den ruwen zeeman vastklemmende, als de laatste toevlucht van haar bloedend hart, liet zij haar hoofd op zijn schouder zinken en sloeg hare armen om zijn hals; zij zou ook voor hem zijn neergeknield om hem te zegenen, als hij haar voornemen niet had geraden en haar als een braaf man opgehouden.“Zachtjes, zachtjes!” zeide de kapitein. “Ge zijt nog te zwak om te staan, mijn liefje, ziet ge wel, en moet nog maar wat gaan liggen. Daar, daar!”Te zien hoe de kapitein haar weder op de sofa tilde en met zijne jas toedekte, zou het gezicht van honderd kroningsfeesten waard zijn geweest.“En nu moet gij ontbijten, mijn dametje,” zeide de kapitein, “en de hond zal ook wat krijgen. En dan moet gij naar boven gaan, naar Sam Gills’ kamertje, en daar slapen als een engel.”KapiteinCuttle streelde Diogenes toen hij van hem sprak, en Diogenes nam deze gemeenzaamheid zeer vriendelijk op. Terwijl Florence flauw lag en de kapitein haar poogde bij te helpen, was Diogenes het blijkbaar met zich zelven oneens geweest of hij hem zou aanvliegen of zijne vriendschap aanbieden, en had hij dezen innerlijken tweestrijd aangeduid door beurtelings te kwispelstaarten en brommend zijne tanden te laten zien. Thans was al zijn twijfel opgeheven. Het was duidelijk dat hij den kapitein voor een allerbest man hield, en een man met wien het een hond zich tot eer moest rekenen kennis te houden.Ten blijke van deze overtuiging liep Diogenes overal met den kapitein mede, terwijl deze thee en geroosterd brood gereedmaakte, en toonde hij de levendigste belangstelling in zijne manier van huishouden. Maar het was vruchteloos, dat de goede kapitein deze hartsterking aanbood. Zij deed wel haar best om er iets van te gebruiken, maar het was haar onmogelijk; zij kon niets anders doen dan schreien.“Wel, wel, mijn hartediefje,” zeide de medelijdende kapitein; “als gij eens geslapen hebt, zult ge beter koers kunnen houden. Nu zal ik u rantsoen geven, mijn jongen,” vervolgde hij tot Diogenes; “en gij moet boven bij uwe meesteres de wacht houden.”Maar hoewel Diogenes watertandende en met flikkerende oogen naar het voor hem bestemde ontbijt had staan kijken, stak hij, in plaats van er gulzig op aan te vallen toen het hem werd voorgezet, zijne ooren op, vloog naar de straatdeur, en blafte daar geweldig, met zijn kop tegen den dorpel duwende, alsof hij zich onder de deur wilde doorgraven.“Kan daar iemand wezen?” vroeg Florence onrustig.—“Neen, mijn dametje,” antwoordde de kapitein. “Wie zou daar blijven staan zonder zich te laten hooren? Blijf maar bedaard, liefje. Het zijn maar voorbijgangers.”[334]Diogenes bleef echter aan het blaffen en duwen; en wanneer hij even ophield om te luisteren, scheen zijn gemoed met nieuwe overtuiging vervuld te worden, want dan begon hij weder even hard, wel twaalfmaal achtereen. Zelfs toen hij zich had laten overhalen, om aan zijn ontbijt te gaan, liep hij weder met een zeer achterdochtig gezicht naar de deur, en ging, eer hij nog een brok had geproefd, alweder aan het blaffen.“Als er eens iemand stond te luisteren,” fluisterde Florence. “Iemand die mij hier heeft zien ingaan—misschien is nageloopen.”—“Het kan toch dat meisje van u niet wezen, mijn dametje?” zeide de kapitein, zeer ingenomen met dit denkbeeld.—“Suze?” zeide Florence, haar hoofd schuddende. “O neen!Suzeis lang van mij vandaan.”—“Niet gedeserteerd, hoop ik?” zeide de kapitein. “Zeg toch niet, dat dat meisje is weggeloopen, mijn liefje.”—“O neen neen!” riep Florence uit. “Zij is het trouwste hart van de wereld.”Dit antwoord was eene groote verademing voor den kapitein, en hij gaf zijn genoegen te kennen door zijn blinkenden hoed af te nemen en zijn hoofd met zijn tot een bal opgerolden zakdoek te wrijven, terwijl hij onderscheidene malen, met buitengewone zelfvoldoening, aanmerkte, dat hij het wel geweten had.“Zijt ge nu gerust, broertje?” zeide de kapitein tot Diogenes. “Er was toch niemand, ziet ge wel, mijn dametje?”Diogenes was daarvan nog zoo zeker niet. Tusschenbeide scheen de deur hem nog aan te trekken, en liep hij brommend en snuffelend daarnaar toe, alsof hij de zaak niet kon vergeten. Dit voorval, met Florence’s zichtbare afgematheid vereenigd, deed denkapiteinbesluiten om het kamertje van Sam Gills terstond voor haar gereed te maken. Hij ging dus dadelijk naar boven en maakte de beschikkingen, die zijne verbeelding en zijne middelen hem aan de hand gaven.Het was er reeds zeer zindelijk, en daar de kapitein van orde en netheid hield, veranderde hij het eenvoudige bed in eene soort van sofa, door er eene witte draperie over heen te hangen. Op eene dergelijke manier veranderde hij het waschtafeltje in een soort van altaar, waarop hij twee zilveren theelepeltjes, een bloempot, een verrekijker, zijn vermaard horloge, een zakkammetje en een liederboekje uitstalde, als eene verzameling van rariteiten om het oog aangenaam bezig te houden. Nadat hij het venster had verdonkerd en de lapjes tapijt op den grond te recht gelegd, overzag de kapitein deze toebereidselen nog eens met innig welbehagen, en ging toen weder naar het achterkamertje om Florence naar haar slaapsalet te brengen.Niets kon den kapitein doen gelooven, dat het Florence mogelijk was zelve naar boven te gaan; en al had hij dat denkbeeld in het hoofd kunnen krijgen, dan zou hij het toch voor eene gruwelijke schennis der gastvrijheid hebben gehouden, als hij haar dit had laten doen. Florence was te zwak om zich daartegen te verzetten, en zoo droeg de kapitein haar naar boven, legde haar daar neer en dekte haar met eene duffelsche jas toe.“Mijn dametje,” zeide de kapitein, “ge zijt hier zoo veilig, alsof gij op den top van de St.-Paulskerk waart, met de ladder weggenomen. Slaap is wat gij vóór alle dingen noodig hebt, en als gij dien balsem voor de ziel hebt gebruikt, zult gij er weer frisch uitzien. Als gij iets noodig hebt, mijn hartediefje, dat dit nederige huis of de stad kan aanbieden, zeg het maar aan Edward Cuttle, die telkens hier buiten voor de deur zal komen, en de man zal beven van blijdschap.” De kapitein besloot door met de galanterie van een ouden dolenden ridder de hand te kussen, die Florence hem toereikte, en ging op de teenen de kamer uit.Wederom in het achterkamertje gekomen, besloot kapitein Cuttle, na haastig met zich zelven te rade te zijn gegaan, de straatdeur even te openen en zich te verzekeren, dat daar nu in allen gevalle niemand stond te dralen. Hij deed dus de deur open, stapte op de stoep en keek door zijn bril de geheele straat langs.“Hoe vaart ge, kapitein Gills?” zeide eene stem naast hem. En toen hij omkeek, zag de kapitein dat hij, terwijl hij naar den gezichteinder tuurde, door Toots aan boord was geklampt.—“Hoe maakt gij het, mijn jongen?” zeide de kapitein.—“Tamelijk wel, dank je, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Gij weet wel dat ik nooit ben wat ik wel wenschen zou, en dat ook nooit weer denk te worden.”In gesprek met kapitein Cuttle kwam Toots,uit hoofdevan het verdrag tusschen hen, nooit nader bij het onderwerp dat zijne gedachten altijd vervulde.“Kapitein Gills,” hervatte Toots, “als ik het pleizier kon hebben om een woordje met u te spreken—het is over iets bijzonders.”—“Wel, ziet ge, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, vooruit naar het achterkamertje gaande, “ik ben eigenlijk niet geheel vrij van morgen, en als ge dus wat zeil kondt bijzetten, zou ik het voor lief nemen.”—“Zekerlijk, kapitein Gills,” antwoordde Toots, die zelden eenig begrip van des kapiteins meening had. “Ik wil niets liever dan zeil bijzetten. Natuurlijk.”—“Goed zoo, mijn jongen,” zeide de kapitein. “Doe het dan maar.”De kapitein ging zoo gedrukt onder zijn geducht geheim—dat jufvrouw Dombey op dat oogenblik onder zijn dak was, terwijl de onschuldige[335]enonnoozeleToots daar voor hem zat—dat het zweet hem op het voorhoofd parelde, en het hem, terwijl hij dat, met den blinkenden hoed in de hand, langzaam afveegde, onmogelijk was zijne oogen van Toots’ gezicht af te houden. Toots, die zelf geheime redenen scheen te hebben om zenuwachtig te zijn, werd door dit staren des kapiteins zoo geweldig verlegen, dat hij, na hem eene poos bedeesd te hebben aangekeken, onder een onrustig heen en weer schuiven op zijn stoel, eindelijk zeide:“Neem mij niet kwalijk, kapitein Gills, maar gij ziet toch niets bijzonders aan mij, doet ge?”—“Neen, mijn jongen, neen!” antwoordde de kapitein.—“Omdat, weet ge,” zeide Toots grinnikend, “ik weet wel dat ik verval. Gij behoeft niet bang te zijn om daarvan te spreken—ik mocht het wel gaarne. Burgess en Comp. hebben mij opnieuw de maat moeten nemen, zoo ben ik vermagerd. Maar dat streelt mij. Ik—ik ben er blij om. Ik—ik zou gaarne eene tering krijgen, als ik maar kon. Ik ben maar een redeloos dier, weet ge, grazende op het vlak des aardrijks, kapitein Gills.”Hoe langer Toots zoo voortsprak, des te meer gevoelde de kapitein den druk van zijn geheim, en des te strakker staarde hij. Door deze ongerustheid en door zijn verlangen om Toots maar spoedig kwijt te raken, kwam de kapitein zoodanig van zijne streek, dat hij zich bezwaarlijk meer onthutst had kunnen toonen, al was hij met een spook in gesprek geweest.“Maar ik wil zeggen, kapitein Gills,” hervatte Toots, “ik ben van morgen toevallig dezen weg uitgekomen—om u de waarheid te zeggen, ik wilde bij u komen ontbijten. Wat slapen betreft, weet ge, ik slaap tegenwoordig nooit meer. Ik zou wel een nachtwacht kunnen wezen, behalve dat hij betaald wordt en niets op het gemoed heeft.”—“Zeilmaken, mijn jongen,” zeide de kapitein vermanend.—“Zekerlijk, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Gij hebt groot gelijk. Toen ik dus van morgen toevallig dezen weg uitkwam (een uur of zoo geleden) en de deur gesloten vond—”—“Wat! Stondtgijdaar te wachten, broertje?” zeide de kapitein.—“Geheel niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Ik bleef geen oogenblik staan. Ik dacht dat gij uit waart. Maar die persoon zeide—a propos, gij houdt toch geen hond, doet ge wel, kapitein Gills?”De kapitein schudde zijn hoofd.“Wel zeker,” hervatte Toots. “Dat zeide ik ook. Dat wist ik wel. Er is een hond, kapitein Gills—maar neem mij niet kwalijk, dat is verboden grond.”De kapitein staarde Toots aan tot hem de oogen uit het hoofd schenen te puilen, en het zweet brak hem wederom uit, toen hij dacht dat Diogenes het wel in zijn kop kon krijgen om naar beneden te komen.“Die persoon zeide,” hervatte Toots, “dat hij in den winkel een hond had hooren blaffen. Ik wist wel dat het niet wezen kon, en zeide hem dat ook. Maar hij bleef er zoo vast bij, alsof hij den hond gezien had.”—“Welke persoon, mijn jongen?” vroeg de kapitein.—“Wel, ziet ge, kapitein, daar zit het juist,” antwoordde Toots, wiens zenuwachtigheid zichtbaar erger werd. “Het voegt mij niet te zeggen wat er heeft kunnen gebeuren of niet heeft kunnen gebeuren. Dat weet ik waarlijk niet. Ik raak met allerlei dingen gemoeid, waar ik niets van begrijp, en ik denk haast dat ik—kortom een beetje zwak van hoofd moet wezen.”De kapitein knikte toestemmend.“Maar de persoon zeide, toen wij heengingen,” vervolgde Toots, “dat gij wel wist, wat er onder de bestaande omstandighedenkongebeuren—hij zeide “kon” heel sterk—en dat als men u vroeg om u daarvoor klaar te houden, gij u ook zeker wel klaar zoudt houden.”—“Een persoon, mijn jongen!” zeide de kapitein.—“Ik weet niet wat voor persoon, waarlijk niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Ik heb er geheel geen denkbeeld van. Maar toen ik aan de deur kwam, vond ik hem daar wachten; en hij vroeg of ik terugkwam, en ik zeide ja; en hij vroeg of ik u kende, en ik zeide ja; ik had het pleizier van kennis met u te mogen houden—gij hadt u met een beetje moeite daartoe laten overhalen, en hij zeide, als dat zoo was, of ik u dan wilde zeggen wat ik gezegdheb, over bestaande omstandigheden en u klaarhouden; en zoodra ik u zag, of ik u dan vragen wilde om eens om den hoek te gaan, al was het maar voor een oogenblik, om eene gewichtige reden, bij mijnheer Brogley den uitdrager. En laat ik u zeggen, kapitein Gills, wat het ook wezen mag, ik geloof dat het heel gewichtig is, en als gij nu dadelijk wilt gaan, zal ik hier blijven wachten tot gij terugkomt.”De kapitein, weifelend tusschen zijne vrees om Florence misschien aan eenig gevaar bloot te stellen als hij niet ging, en zijn angst om Toots in huis te laten en misschien kans te geven om het geheim te ontdekken, was zoo verlegen en onrustig, dat zelfs Toots niet blind kon zijn voor den toestand van zijn gemoed. Deze jonge heer begreep dat zijn vriend zich slechts klaarmaakte op het aanstaande onderhoud, en was daarover zoo tevreden, dat hij van genoegen over de slimheid, waarmede hij de zaak behandeld had, zat te grinniken.Eindelijk koos de kapitein naar zijne meening het kleinste kwaad, en besloot eens even naar Brogley den uitdrager te loopen, nadat hij eerst de deur van de trap had gesloten en den sleutel in zijn zak gestoken. “Als ge mij[336]dat ten minste niet kwalijk neemt, broertje?” zeide de kapitein tot Toots, met niet weinig aarzeling en schaamte.—“Kapitein Gills,” antwoordde Toots, “al wat gij doet is mij volmaakt wel.”De kapitein dankte hem hartelijk, en met belofte om binnen de vijf minuten terug te zijn, ging hij heen om den persoon op te zoeken, die Toots zulk eene geheimzinnige boodschap had opgedragen. De arme Toots, aan zich zelven overgelaten, ging op de sofa liggen, weinig denkende wie het laatst daarop gelegen had, en naar het lantaarnraam starende, terwijl hij zich aan een gemijmer over jufvrouw Dombey overgaf, verloor hij alle bewustheid van tijd en plaats.Het was goed dat hij zoo deed; want hoewel de kapitein niet lang uitbleef, duurde zijn uitblijven toch veel langer dan hij zich had voorgesteld. Toen hij terugkwam was hij zeer bleek en zeer ontroerd; hij zag er zelfs uit alsof hij tranen had gestort. Hij scheen zijn spraakvermogen verloren te hebben, tot hij naar de kast was geweest en een slokje rum uit de flesch had genomen. Toen haalde hij eens diep adem en zette zich op een stoel met de hand voor zijn gezicht.“Kapitein Gills,” zeide Toots vriendelijk, “ik hoop en vertrouw dat er niets kwaads is?”—“Dankje, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Geheel niet. Integendeel.”—“Gij schijnt heel aangedaan te zijn, kapitein Gills,” hervatte Toots.—“Wel, mijn jongen, ik ben wat over stuur,” zeide de kapitein; “dat ben ik.”—“Is er iets dat ik doen kan, kapitein Gills?” zeide Toots weder. “Zoo ja, beschik dan maar over mij.”De kapitein nam zijne hand van zijn gezicht, zag hem aan met eene zeer bijzondere uitdrukking van teeder medelijden in zijn blik, vatte zijne hand en schudde die heftig.“Neen, wel bedankt,” zeide de kapitein. “Niets. Behalve dat ik het voor eene vriendschap zal houden als gij mij nu alleen laat. Ik geloof, broertje,” hem nog eens de hand drukkende, “dat gij, na Walter en op eene andere manier, zulk een goede jongen zijt als er ooit op twee beenen heeft geloopen.”—“Op mijn woord van eer, kapitein Gills,” antwoordde Toots, den kapitein in de hand slaande, eer hij die hand nog eens schudde, “ik ben er over opgetogen, dat ge zulk eene goede meening van mij hebt. Wel bedankt.”—“Houd u maar goed en wees vroolijk,” zeide de kapitein, hem op den rug kloppende. “Er zijn toch meer lieve meisjes dan een in de wereld.”—“Voor mij niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots ernstig. “Voor mij niet, dat verzeker ik u. De toestand van mijn gevoel met betrekking tot jufvrouw Dombey is van dien onbeschrijfelijken aard, dat mijn hart een woest eiland is en zij alleen daarop woont. Ik word er alle dag meer aan gewoon, en ik ben er trotsch op dat ik zoo ben. Als ge mijne beenen kondt zien, als ik mijne laarzen uittrek, zoudt gij er een denkbeeld van krijgen, wat onbeantwoorde liefde is. Men heeft mij kina voorgeschreven, maar die gebruik ik niet, want ik wil geen sterk gestel meer hebben—liever niet. Maar dit is verboden grond. Goedendag, kapitein Gills.”Kapitein Cuttle beantwoordde zijn vaarwel met evenveel hartelijkheid, sloot de deur achter hem, met dezelfde zeer bijzondere uitdrukking van medelijden, en ging toen zien of Florence hem noodig had.Toen de kapitein naar boven ging had zijn gezicht eene volkomene verandering ondergaan. Hij veegde zijne oogen af met zijn zakdoek, en wreef zijn neus met zijne mouw, gelijk hij dien morgen reeds gedaan had, maar zijn gezicht was toch geheel veranderd. Nu had men hem voor zeer vergenoegd, dan voor treurig kunnen houden; maar de soort van ernst, die zijne trekken nu kenmerkte, was geheel iets nieuws daarin, en waarlijk eene groote verbetering.Hij klopte een paar malen zachtjes met zijn haak aan Florence’s deur. Geen antwoord krijgende, waagde hij het eerst binnen te kijken en toen binnen te treden, tot het laatste misschien aangemoedigd door de vriendelijkheid van Diogenes, die, naast haar bed op den grond liggende, tegen den kapitein kwispelstaartte en met zijne oogen knipte, zonder zich de moeite te geven om op te staan.Zij sliep zwaar en kermde in haar slaap; met eerbiedig ontzag voor hare jeugd, hare schoonheid en haar leed, beurde kapitein Cuttle haar hoofd op, verschikte de overjas, die haar dekte en eenigszins was afgezakt, verdonkerde het venster nog wat meer, opdat zij gerust zou doorslapen, sloop weder heen, en betrok zijn wachtpost op de trap. Dat alles met eene hand en een stap, even licht als die van Florence zelve.Lang moge het in deze gemengde wereld een niet gemakkelijk te beslissen vraagpunt blijven, wat een schooner blijk van de goedheid des Almachtigen is—de fijne vingers, die gevormd zijn voor zachtheid en medelijdende teerheid van aanraking, om droefheid en pijn te kunnen lenigen, of de ruwe harde hand van een kapitein Cuttle, die, door het hart bestuurd, in een oogenblik verzacht en op liefdediensten afgericht kan worden.Florence sliep, vergetende dat zij eene huislooze wees was, en kapitein Cuttle stond op de trap de wacht te houden. Een luider snik of zucht dan gewoonlijk deed hem somtijds naar hare deur komen; maar langzamerhand sliep zij geruster en bleef de kapitein ongestoord op zijne wacht.[337]
[Inhoud]XLVIII.FLORENCE’S VLUCHT.Verbijsterd door smart, schaamte en schrik, snelde het wanhopige meisje door den zonneschijn van den helderen morgen, als ware het de duisternis van een winternacht. Hare handen wringende en bitter weenende, gevoelloos voor alles behalve de diepe wond in hare borst, bedwelmd door het verlies van alles wat zij liefhad, verlaten gelijk de eenig overgeblevene schipbreukeling op eene eenzame kust, vlood zij, zonder gedachten, zonder hoop, zonder doel, dan om maar te vluchten, ergens heen.Het vroolijke verschiet der lange straat, door het morgenlicht verguld, het gezicht van den blauwen hemel en de luchtige wolkjes, de frischheid van den dag, als het ware pralende met zijne zege op den nacht, deed in hare zoo gewonde borst geen overeenstemmend gevoel ontwaken. Ergens, waar dan ook, haar hoofd te bergen! Ergens, waar dan ook, schuilplaats te zoeken! Het huis, dat zij ontvlood, nooit weder te zien! Dit was hare eenige gedachte.Maar er gingen menschen af en aan; er werden winkels opengezet, er kwamen dienstboden buiten; het gewoel van den dag begon. Florence zag verwondering en nieuwsgierigheid op de gezichten, die haar voorbijzweefden, zag lange schaduwen terugkomen; hoorde vreemde stemmen haar vragen waar zij heenging en wat haar scheelde; en hoewel deze haar in het eerst nog meer beangstigden en sneller deden voorthaasten, bewezen zij haar toch den dienst[332]van haar eenigermate tot bezinning te brengen, en te herinneren, dat het noodig was meer bedaardheid te toonen.Waarheen zou zij gaan? Ergens, waar ook heen, verder, verder! Maar toch waarheen? Zij dacht aan dien anderen tijd, toen zij, verdwaald, in de wildernissen vanLondenalleen was geweest—schoon niet zoo alleen als nu—en ging dien weg op. Naar het huis van Walter’s oom.Haar snikken smorende en hare gezwollene oogen afvegende, en hare ontroering bedwingende, om zoo geene aandacht te trekken, met voornemen om zoolang zij kon in de stilste straten te blijven, ging Florence bedaarder voort, toen eene bekende schaduw haar op de zonnige steenen van het voetpad voorbijschoot, omkeerde, terugkwam, weder wegvloog, om haar heen zwierde, en Diogenes, naar adem hijgende, hoewel hij toch de straat door zijn vroolijk geblaf deed weergalmen, voor hare voeten kroop.“O, Di! O, lieve, trouwe Di, hoe zijt gij hier gekomen! Hoe kon ik u verlaten, Di, die mij nooit verlaten zoudt!”Florence bukte en legde zijn ruigen kop tegen hare borst, en daarna stonden zij te zamen op en gingen gezamenlijk verder; Di meer door de lucht dan over den grond, zijn best doende om zijne meesteres in een sprong te kussen, dan over zijn kop tuimelende en zonder zich eenigszins daaraan te storen weder opvliegende, op groote honden toeschietende om hen schertsend uit te dagen, werkmeiden, die eene stoep dweilden, verschrikkende door ze zijn neus in het gezicht te duwen, en te midden van duizend buitensporigheden telkens ophoudende om naar Florence om te zien en te blaffen, tot alle honden in het rond hem antwoord gaven en buitenkwamen om hem verwonderd aan te kijken.Met dezen laatsten vriend, haastte zich Florence, door den steeds warmer wordenden zonneschijn, deCityin. Weldra werd het straatrumoer luider, werden de voetgangers talrijker, de winkels levendiger, tot zij door een levenden stroom werd medegevoerd, die onverschillig voorbij markten en paleizen, gevangenissen en kerken, rijkdom en armoede, goed en kwaad voortvloeide, evenals de breede rivier, die hij ter zijde bleef, troebel en donker door biezen en wilgen, tusschen de werken en de zorgen der menschen, naar de diepe zee vloeit.Eindelijk kreeg men de straat van den houten adelborst in het gezicht. Nog nader gekomen, zag men den houten adelborst zelven, gelijk altijd, op zijn post en aan zijne observatiën. Nog nader, en de deur stond open, en noodigde haar om binnen te treden. Florence, die op het einde van haar tocht hare schreden had versneld, stapte de straat over (dicht op de hielen door Diogenes gevolgd, wien het gewoel eenigszins verbijsterd had) trad haastig binnen, en zonk op den drempel van het welbekende achterkamertje neer.De kapitein stond, met zijn blinkenden hoed op, bij het vuur, zijne ochtendcacao te koken, met zijn horloge voor zich op den schoorsteenmantel, om het onder het koken gemakkelijk te kunnen raadplegen. Toen hij een voetstap en het ritselen van een kleedje hoorde, keerde hij zich om, met schrik aan jufvrouw MacStinger denkende, juist op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem uitstak, wankelde en neerzonk.Even bleek als Florence, nam de kapitein haar op, als ware zij een klein kind geweest, en legde haar op dezelfde sofa, waarop zij zoo lang geleden had gesluimerd.“Het is hartediefje!” zeide de kapitein, haar oplettend aanziende. “Het is dat lieve kind, nu een volwassen meisje geworden!”Kapitein Cuttle had, nu hij een volwassen meisje in haar zag, zooveel eerbied voor haar, dat hij haar, terwijl zij bewusteloos was, voor geen duizend pond in zijne armen had durven houden.“Mijn hartediefje!” zeide de kapitein, zich op een afstand houdende, terwijl angst en medelijden op zijn gelaat stonden geteekend; “als ge Ned Cuttle maar met een vinger kunt praaien, doe het dan!”Maar Florence bewoog zich niet.“Mijn hartediefje!” zeide de kapitein. “Om Walter’s wil, die in het zoute diep verdronken is, draai toch bij en hijsch eene vlag, als ge kunt!”Daar zij ook aan deze nadrukkelijke bezwering geen gehoor gaf, nam kapitein Cuttle eene kom koud water van de tafel en sprenkelde haar daarvan iets in het gezicht. Voor het dringende van het geval zwichtende, ontlastte de kapitein haar daarop van haar hoed, bevochtigde hare slapen en haar voorhoofd, streek hare haren weg, bedekte hare voeten met zijne jas, die hij daartoe uittrok, en klopte haar in de hand—zoo klein in de zijne, dat hij er zich over verwonderde; en toen hij zag dat hare oogen begonnen te trillen en hare lippen zich even bewogen, bleef hij met meer moed zijne middelen aanwenden, waarbij hij zijne geduchte hand met verbazende zachtheid gebruikte.“Frisch op maar, frisch op maar!” zeide de kapitein. “Sta vast, mijn liefje. Daar! Nu wordt het al beter. Sta vast maar! Drink een droppeltje van dit. Daar zijt gij er al. Hoe gaat het nu, mijn hartje?”In dit tijdperk van haar herstel nam de kapitein, met het schemerachtige denkbeeld, dat er bij eene doctorale behandeling een horloge noodig was, het zijne van den schoorsteenmantel, hing het aan zijn haak, nam toen Florence’s[333]hand in de zijne en keek gedurig van de eene naar het andere, alsof hij verwachtte, dat de wijzers iets zouden doen.“Hoe gaat het nu, hartje?” zeide de kapitein. “Gij hebt haar al wat goed gedaan,” mompelde hij met een blik van tevredenheid naar zijn horloge. “Als gij elken ochtend maar een half uur achteruit wordt gezet, en elken avond nog een kwartier, kan geen horloge beter zijn. Hoe gaat het, mijn dametje?”—“Kapitein Cuttle! Zijt gij het?” riep Florence uit, en richtte zich een weinig op.—“Ja, ja, mijn dametje,” zeide de kapitein, door eene haastige redeneering tot het besluit komende, dat dit de hoffelijkste toespraak was, die hij bedenken kon.—“Is Walter’s oom hier?” vroeg Florence.—“Hier, liefje!” antwoordde de kapitein. “Hij is in langen tijd niet hier geweest. Men heeft niets van hem gehoord, sedert hij den armen Walter is gaan nazeilen.”—“Woont gij nu hier?” vroeg Florence.—“Ja, mijn dametje,” antwoordde de kapitein.—“O, kapitein Cuttle,” riep Florence nu met woestheid uit, en vouwde smeekend hare handen. “Red mij! Laat niemand weten waar ik ben! Ik zal u straks vertellen wat er gebeurd is, als ik kan. Ik heb niemand in de wereld om naar toe te gaan. Zend mij toch niet weg!”—“U wegzenden, mijn dametje!” riep de kapitein uit. “U, mijn hartediefje! Wacht eens eventjes! Wij zullen dat luik voorzetten en den sleutel omdraaien.”Zoo sprekende nam de kapitein, zijne eene hand en zijn haak met groote behendigheid gebruikende, het deurluik op, zette het in, en draaide de deur op het nachtslot.Toen hij weder bij Florence kwam, vatte zij zijne hand en kuste ze. Het roerend smeekende van dit bedrijf, het vertrouwen dat het te kennen gaf, de onuitsprekelijke droefheid in hare oogen, de zielesmart die zij maar al te duidelijk geleden had en nog leed, zijne kennis van hare vroegere geschiedenis, hare tegenwoordige hulpelooze verlatenheid; alles overstelpte den goeden kapitein zoodanig, dat hij letterlijk van medelijden en teederheid overliep.“Mijn dametje!” zeide hij, nadat hij zijn neus met zijne mouw had gewreven tot hij blonk als gebruineerd koper, “zeg maar geen woord aan Edward Cuttle, voordat gij vindt dat gij gerust voor anker ligt, dat vandaag of morgen niet wezen zal. En u over te geven, of rapport te doen waar gij zijt, ja waarlijk en met Gods hulp, zoo wil ik niet, gelijk in den catechismus staat.”De kapitein zeide dit alles in één adem, maar zeer plechtig; bij het “ja waarlijk” nam hij zijn hoed af en zette dien eerst weder op, toen hij gedaan had.Florence kon nog maar één ding meer doen om hem te danken en te toonen hoezeer zij hem vertrouwde; en dit deedzijook. Zich aan den ruwen zeeman vastklemmende, als de laatste toevlucht van haar bloedend hart, liet zij haar hoofd op zijn schouder zinken en sloeg hare armen om zijn hals; zij zou ook voor hem zijn neergeknield om hem te zegenen, als hij haar voornemen niet had geraden en haar als een braaf man opgehouden.“Zachtjes, zachtjes!” zeide de kapitein. “Ge zijt nog te zwak om te staan, mijn liefje, ziet ge wel, en moet nog maar wat gaan liggen. Daar, daar!”Te zien hoe de kapitein haar weder op de sofa tilde en met zijne jas toedekte, zou het gezicht van honderd kroningsfeesten waard zijn geweest.“En nu moet gij ontbijten, mijn dametje,” zeide de kapitein, “en de hond zal ook wat krijgen. En dan moet gij naar boven gaan, naar Sam Gills’ kamertje, en daar slapen als een engel.”KapiteinCuttle streelde Diogenes toen hij van hem sprak, en Diogenes nam deze gemeenzaamheid zeer vriendelijk op. Terwijl Florence flauw lag en de kapitein haar poogde bij te helpen, was Diogenes het blijkbaar met zich zelven oneens geweest of hij hem zou aanvliegen of zijne vriendschap aanbieden, en had hij dezen innerlijken tweestrijd aangeduid door beurtelings te kwispelstaarten en brommend zijne tanden te laten zien. Thans was al zijn twijfel opgeheven. Het was duidelijk dat hij den kapitein voor een allerbest man hield, en een man met wien het een hond zich tot eer moest rekenen kennis te houden.Ten blijke van deze overtuiging liep Diogenes overal met den kapitein mede, terwijl deze thee en geroosterd brood gereedmaakte, en toonde hij de levendigste belangstelling in zijne manier van huishouden. Maar het was vruchteloos, dat de goede kapitein deze hartsterking aanbood. Zij deed wel haar best om er iets van te gebruiken, maar het was haar onmogelijk; zij kon niets anders doen dan schreien.“Wel, wel, mijn hartediefje,” zeide de medelijdende kapitein; “als gij eens geslapen hebt, zult ge beter koers kunnen houden. Nu zal ik u rantsoen geven, mijn jongen,” vervolgde hij tot Diogenes; “en gij moet boven bij uwe meesteres de wacht houden.”Maar hoewel Diogenes watertandende en met flikkerende oogen naar het voor hem bestemde ontbijt had staan kijken, stak hij, in plaats van er gulzig op aan te vallen toen het hem werd voorgezet, zijne ooren op, vloog naar de straatdeur, en blafte daar geweldig, met zijn kop tegen den dorpel duwende, alsof hij zich onder de deur wilde doorgraven.“Kan daar iemand wezen?” vroeg Florence onrustig.—“Neen, mijn dametje,” antwoordde de kapitein. “Wie zou daar blijven staan zonder zich te laten hooren? Blijf maar bedaard, liefje. Het zijn maar voorbijgangers.”[334]Diogenes bleef echter aan het blaffen en duwen; en wanneer hij even ophield om te luisteren, scheen zijn gemoed met nieuwe overtuiging vervuld te worden, want dan begon hij weder even hard, wel twaalfmaal achtereen. Zelfs toen hij zich had laten overhalen, om aan zijn ontbijt te gaan, liep hij weder met een zeer achterdochtig gezicht naar de deur, en ging, eer hij nog een brok had geproefd, alweder aan het blaffen.“Als er eens iemand stond te luisteren,” fluisterde Florence. “Iemand die mij hier heeft zien ingaan—misschien is nageloopen.”—“Het kan toch dat meisje van u niet wezen, mijn dametje?” zeide de kapitein, zeer ingenomen met dit denkbeeld.—“Suze?” zeide Florence, haar hoofd schuddende. “O neen!Suzeis lang van mij vandaan.”—“Niet gedeserteerd, hoop ik?” zeide de kapitein. “Zeg toch niet, dat dat meisje is weggeloopen, mijn liefje.”—“O neen neen!” riep Florence uit. “Zij is het trouwste hart van de wereld.”Dit antwoord was eene groote verademing voor den kapitein, en hij gaf zijn genoegen te kennen door zijn blinkenden hoed af te nemen en zijn hoofd met zijn tot een bal opgerolden zakdoek te wrijven, terwijl hij onderscheidene malen, met buitengewone zelfvoldoening, aanmerkte, dat hij het wel geweten had.“Zijt ge nu gerust, broertje?” zeide de kapitein tot Diogenes. “Er was toch niemand, ziet ge wel, mijn dametje?”Diogenes was daarvan nog zoo zeker niet. Tusschenbeide scheen de deur hem nog aan te trekken, en liep hij brommend en snuffelend daarnaar toe, alsof hij de zaak niet kon vergeten. Dit voorval, met Florence’s zichtbare afgematheid vereenigd, deed denkapiteinbesluiten om het kamertje van Sam Gills terstond voor haar gereed te maken. Hij ging dus dadelijk naar boven en maakte de beschikkingen, die zijne verbeelding en zijne middelen hem aan de hand gaven.Het was er reeds zeer zindelijk, en daar de kapitein van orde en netheid hield, veranderde hij het eenvoudige bed in eene soort van sofa, door er eene witte draperie over heen te hangen. Op eene dergelijke manier veranderde hij het waschtafeltje in een soort van altaar, waarop hij twee zilveren theelepeltjes, een bloempot, een verrekijker, zijn vermaard horloge, een zakkammetje en een liederboekje uitstalde, als eene verzameling van rariteiten om het oog aangenaam bezig te houden. Nadat hij het venster had verdonkerd en de lapjes tapijt op den grond te recht gelegd, overzag de kapitein deze toebereidselen nog eens met innig welbehagen, en ging toen weder naar het achterkamertje om Florence naar haar slaapsalet te brengen.Niets kon den kapitein doen gelooven, dat het Florence mogelijk was zelve naar boven te gaan; en al had hij dat denkbeeld in het hoofd kunnen krijgen, dan zou hij het toch voor eene gruwelijke schennis der gastvrijheid hebben gehouden, als hij haar dit had laten doen. Florence was te zwak om zich daartegen te verzetten, en zoo droeg de kapitein haar naar boven, legde haar daar neer en dekte haar met eene duffelsche jas toe.“Mijn dametje,” zeide de kapitein, “ge zijt hier zoo veilig, alsof gij op den top van de St.-Paulskerk waart, met de ladder weggenomen. Slaap is wat gij vóór alle dingen noodig hebt, en als gij dien balsem voor de ziel hebt gebruikt, zult gij er weer frisch uitzien. Als gij iets noodig hebt, mijn hartediefje, dat dit nederige huis of de stad kan aanbieden, zeg het maar aan Edward Cuttle, die telkens hier buiten voor de deur zal komen, en de man zal beven van blijdschap.” De kapitein besloot door met de galanterie van een ouden dolenden ridder de hand te kussen, die Florence hem toereikte, en ging op de teenen de kamer uit.Wederom in het achterkamertje gekomen, besloot kapitein Cuttle, na haastig met zich zelven te rade te zijn gegaan, de straatdeur even te openen en zich te verzekeren, dat daar nu in allen gevalle niemand stond te dralen. Hij deed dus de deur open, stapte op de stoep en keek door zijn bril de geheele straat langs.“Hoe vaart ge, kapitein Gills?” zeide eene stem naast hem. En toen hij omkeek, zag de kapitein dat hij, terwijl hij naar den gezichteinder tuurde, door Toots aan boord was geklampt.—“Hoe maakt gij het, mijn jongen?” zeide de kapitein.—“Tamelijk wel, dank je, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Gij weet wel dat ik nooit ben wat ik wel wenschen zou, en dat ook nooit weer denk te worden.”In gesprek met kapitein Cuttle kwam Toots,uit hoofdevan het verdrag tusschen hen, nooit nader bij het onderwerp dat zijne gedachten altijd vervulde.“Kapitein Gills,” hervatte Toots, “als ik het pleizier kon hebben om een woordje met u te spreken—het is over iets bijzonders.”—“Wel, ziet ge, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, vooruit naar het achterkamertje gaande, “ik ben eigenlijk niet geheel vrij van morgen, en als ge dus wat zeil kondt bijzetten, zou ik het voor lief nemen.”—“Zekerlijk, kapitein Gills,” antwoordde Toots, die zelden eenig begrip van des kapiteins meening had. “Ik wil niets liever dan zeil bijzetten. Natuurlijk.”—“Goed zoo, mijn jongen,” zeide de kapitein. “Doe het dan maar.”De kapitein ging zoo gedrukt onder zijn geducht geheim—dat jufvrouw Dombey op dat oogenblik onder zijn dak was, terwijl de onschuldige[335]enonnoozeleToots daar voor hem zat—dat het zweet hem op het voorhoofd parelde, en het hem, terwijl hij dat, met den blinkenden hoed in de hand, langzaam afveegde, onmogelijk was zijne oogen van Toots’ gezicht af te houden. Toots, die zelf geheime redenen scheen te hebben om zenuwachtig te zijn, werd door dit staren des kapiteins zoo geweldig verlegen, dat hij, na hem eene poos bedeesd te hebben aangekeken, onder een onrustig heen en weer schuiven op zijn stoel, eindelijk zeide:“Neem mij niet kwalijk, kapitein Gills, maar gij ziet toch niets bijzonders aan mij, doet ge?”—“Neen, mijn jongen, neen!” antwoordde de kapitein.—“Omdat, weet ge,” zeide Toots grinnikend, “ik weet wel dat ik verval. Gij behoeft niet bang te zijn om daarvan te spreken—ik mocht het wel gaarne. Burgess en Comp. hebben mij opnieuw de maat moeten nemen, zoo ben ik vermagerd. Maar dat streelt mij. Ik—ik ben er blij om. Ik—ik zou gaarne eene tering krijgen, als ik maar kon. Ik ben maar een redeloos dier, weet ge, grazende op het vlak des aardrijks, kapitein Gills.”Hoe langer Toots zoo voortsprak, des te meer gevoelde de kapitein den druk van zijn geheim, en des te strakker staarde hij. Door deze ongerustheid en door zijn verlangen om Toots maar spoedig kwijt te raken, kwam de kapitein zoodanig van zijne streek, dat hij zich bezwaarlijk meer onthutst had kunnen toonen, al was hij met een spook in gesprek geweest.“Maar ik wil zeggen, kapitein Gills,” hervatte Toots, “ik ben van morgen toevallig dezen weg uitgekomen—om u de waarheid te zeggen, ik wilde bij u komen ontbijten. Wat slapen betreft, weet ge, ik slaap tegenwoordig nooit meer. Ik zou wel een nachtwacht kunnen wezen, behalve dat hij betaald wordt en niets op het gemoed heeft.”—“Zeilmaken, mijn jongen,” zeide de kapitein vermanend.—“Zekerlijk, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Gij hebt groot gelijk. Toen ik dus van morgen toevallig dezen weg uitkwam (een uur of zoo geleden) en de deur gesloten vond—”—“Wat! Stondtgijdaar te wachten, broertje?” zeide de kapitein.—“Geheel niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Ik bleef geen oogenblik staan. Ik dacht dat gij uit waart. Maar die persoon zeide—a propos, gij houdt toch geen hond, doet ge wel, kapitein Gills?”De kapitein schudde zijn hoofd.“Wel zeker,” hervatte Toots. “Dat zeide ik ook. Dat wist ik wel. Er is een hond, kapitein Gills—maar neem mij niet kwalijk, dat is verboden grond.”De kapitein staarde Toots aan tot hem de oogen uit het hoofd schenen te puilen, en het zweet brak hem wederom uit, toen hij dacht dat Diogenes het wel in zijn kop kon krijgen om naar beneden te komen.“Die persoon zeide,” hervatte Toots, “dat hij in den winkel een hond had hooren blaffen. Ik wist wel dat het niet wezen kon, en zeide hem dat ook. Maar hij bleef er zoo vast bij, alsof hij den hond gezien had.”—“Welke persoon, mijn jongen?” vroeg de kapitein.—“Wel, ziet ge, kapitein, daar zit het juist,” antwoordde Toots, wiens zenuwachtigheid zichtbaar erger werd. “Het voegt mij niet te zeggen wat er heeft kunnen gebeuren of niet heeft kunnen gebeuren. Dat weet ik waarlijk niet. Ik raak met allerlei dingen gemoeid, waar ik niets van begrijp, en ik denk haast dat ik—kortom een beetje zwak van hoofd moet wezen.”De kapitein knikte toestemmend.“Maar de persoon zeide, toen wij heengingen,” vervolgde Toots, “dat gij wel wist, wat er onder de bestaande omstandighedenkongebeuren—hij zeide “kon” heel sterk—en dat als men u vroeg om u daarvoor klaar te houden, gij u ook zeker wel klaar zoudt houden.”—“Een persoon, mijn jongen!” zeide de kapitein.—“Ik weet niet wat voor persoon, waarlijk niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Ik heb er geheel geen denkbeeld van. Maar toen ik aan de deur kwam, vond ik hem daar wachten; en hij vroeg of ik terugkwam, en ik zeide ja; en hij vroeg of ik u kende, en ik zeide ja; ik had het pleizier van kennis met u te mogen houden—gij hadt u met een beetje moeite daartoe laten overhalen, en hij zeide, als dat zoo was, of ik u dan wilde zeggen wat ik gezegdheb, over bestaande omstandigheden en u klaarhouden; en zoodra ik u zag, of ik u dan vragen wilde om eens om den hoek te gaan, al was het maar voor een oogenblik, om eene gewichtige reden, bij mijnheer Brogley den uitdrager. En laat ik u zeggen, kapitein Gills, wat het ook wezen mag, ik geloof dat het heel gewichtig is, en als gij nu dadelijk wilt gaan, zal ik hier blijven wachten tot gij terugkomt.”De kapitein, weifelend tusschen zijne vrees om Florence misschien aan eenig gevaar bloot te stellen als hij niet ging, en zijn angst om Toots in huis te laten en misschien kans te geven om het geheim te ontdekken, was zoo verlegen en onrustig, dat zelfs Toots niet blind kon zijn voor den toestand van zijn gemoed. Deze jonge heer begreep dat zijn vriend zich slechts klaarmaakte op het aanstaande onderhoud, en was daarover zoo tevreden, dat hij van genoegen over de slimheid, waarmede hij de zaak behandeld had, zat te grinniken.Eindelijk koos de kapitein naar zijne meening het kleinste kwaad, en besloot eens even naar Brogley den uitdrager te loopen, nadat hij eerst de deur van de trap had gesloten en den sleutel in zijn zak gestoken. “Als ge mij[336]dat ten minste niet kwalijk neemt, broertje?” zeide de kapitein tot Toots, met niet weinig aarzeling en schaamte.—“Kapitein Gills,” antwoordde Toots, “al wat gij doet is mij volmaakt wel.”De kapitein dankte hem hartelijk, en met belofte om binnen de vijf minuten terug te zijn, ging hij heen om den persoon op te zoeken, die Toots zulk eene geheimzinnige boodschap had opgedragen. De arme Toots, aan zich zelven overgelaten, ging op de sofa liggen, weinig denkende wie het laatst daarop gelegen had, en naar het lantaarnraam starende, terwijl hij zich aan een gemijmer over jufvrouw Dombey overgaf, verloor hij alle bewustheid van tijd en plaats.Het was goed dat hij zoo deed; want hoewel de kapitein niet lang uitbleef, duurde zijn uitblijven toch veel langer dan hij zich had voorgesteld. Toen hij terugkwam was hij zeer bleek en zeer ontroerd; hij zag er zelfs uit alsof hij tranen had gestort. Hij scheen zijn spraakvermogen verloren te hebben, tot hij naar de kast was geweest en een slokje rum uit de flesch had genomen. Toen haalde hij eens diep adem en zette zich op een stoel met de hand voor zijn gezicht.“Kapitein Gills,” zeide Toots vriendelijk, “ik hoop en vertrouw dat er niets kwaads is?”—“Dankje, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Geheel niet. Integendeel.”—“Gij schijnt heel aangedaan te zijn, kapitein Gills,” hervatte Toots.—“Wel, mijn jongen, ik ben wat over stuur,” zeide de kapitein; “dat ben ik.”—“Is er iets dat ik doen kan, kapitein Gills?” zeide Toots weder. “Zoo ja, beschik dan maar over mij.”De kapitein nam zijne hand van zijn gezicht, zag hem aan met eene zeer bijzondere uitdrukking van teeder medelijden in zijn blik, vatte zijne hand en schudde die heftig.“Neen, wel bedankt,” zeide de kapitein. “Niets. Behalve dat ik het voor eene vriendschap zal houden als gij mij nu alleen laat. Ik geloof, broertje,” hem nog eens de hand drukkende, “dat gij, na Walter en op eene andere manier, zulk een goede jongen zijt als er ooit op twee beenen heeft geloopen.”—“Op mijn woord van eer, kapitein Gills,” antwoordde Toots, den kapitein in de hand slaande, eer hij die hand nog eens schudde, “ik ben er over opgetogen, dat ge zulk eene goede meening van mij hebt. Wel bedankt.”—“Houd u maar goed en wees vroolijk,” zeide de kapitein, hem op den rug kloppende. “Er zijn toch meer lieve meisjes dan een in de wereld.”—“Voor mij niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots ernstig. “Voor mij niet, dat verzeker ik u. De toestand van mijn gevoel met betrekking tot jufvrouw Dombey is van dien onbeschrijfelijken aard, dat mijn hart een woest eiland is en zij alleen daarop woont. Ik word er alle dag meer aan gewoon, en ik ben er trotsch op dat ik zoo ben. Als ge mijne beenen kondt zien, als ik mijne laarzen uittrek, zoudt gij er een denkbeeld van krijgen, wat onbeantwoorde liefde is. Men heeft mij kina voorgeschreven, maar die gebruik ik niet, want ik wil geen sterk gestel meer hebben—liever niet. Maar dit is verboden grond. Goedendag, kapitein Gills.”Kapitein Cuttle beantwoordde zijn vaarwel met evenveel hartelijkheid, sloot de deur achter hem, met dezelfde zeer bijzondere uitdrukking van medelijden, en ging toen zien of Florence hem noodig had.Toen de kapitein naar boven ging had zijn gezicht eene volkomene verandering ondergaan. Hij veegde zijne oogen af met zijn zakdoek, en wreef zijn neus met zijne mouw, gelijk hij dien morgen reeds gedaan had, maar zijn gezicht was toch geheel veranderd. Nu had men hem voor zeer vergenoegd, dan voor treurig kunnen houden; maar de soort van ernst, die zijne trekken nu kenmerkte, was geheel iets nieuws daarin, en waarlijk eene groote verbetering.Hij klopte een paar malen zachtjes met zijn haak aan Florence’s deur. Geen antwoord krijgende, waagde hij het eerst binnen te kijken en toen binnen te treden, tot het laatste misschien aangemoedigd door de vriendelijkheid van Diogenes, die, naast haar bed op den grond liggende, tegen den kapitein kwispelstaartte en met zijne oogen knipte, zonder zich de moeite te geven om op te staan.Zij sliep zwaar en kermde in haar slaap; met eerbiedig ontzag voor hare jeugd, hare schoonheid en haar leed, beurde kapitein Cuttle haar hoofd op, verschikte de overjas, die haar dekte en eenigszins was afgezakt, verdonkerde het venster nog wat meer, opdat zij gerust zou doorslapen, sloop weder heen, en betrok zijn wachtpost op de trap. Dat alles met eene hand en een stap, even licht als die van Florence zelve.Lang moge het in deze gemengde wereld een niet gemakkelijk te beslissen vraagpunt blijven, wat een schooner blijk van de goedheid des Almachtigen is—de fijne vingers, die gevormd zijn voor zachtheid en medelijdende teerheid van aanraking, om droefheid en pijn te kunnen lenigen, of de ruwe harde hand van een kapitein Cuttle, die, door het hart bestuurd, in een oogenblik verzacht en op liefdediensten afgericht kan worden.Florence sliep, vergetende dat zij eene huislooze wees was, en kapitein Cuttle stond op de trap de wacht te houden. Een luider snik of zucht dan gewoonlijk deed hem somtijds naar hare deur komen; maar langzamerhand sliep zij geruster en bleef de kapitein ongestoord op zijne wacht.[337]
XLVIII.FLORENCE’S VLUCHT.
Verbijsterd door smart, schaamte en schrik, snelde het wanhopige meisje door den zonneschijn van den helderen morgen, als ware het de duisternis van een winternacht. Hare handen wringende en bitter weenende, gevoelloos voor alles behalve de diepe wond in hare borst, bedwelmd door het verlies van alles wat zij liefhad, verlaten gelijk de eenig overgeblevene schipbreukeling op eene eenzame kust, vlood zij, zonder gedachten, zonder hoop, zonder doel, dan om maar te vluchten, ergens heen.Het vroolijke verschiet der lange straat, door het morgenlicht verguld, het gezicht van den blauwen hemel en de luchtige wolkjes, de frischheid van den dag, als het ware pralende met zijne zege op den nacht, deed in hare zoo gewonde borst geen overeenstemmend gevoel ontwaken. Ergens, waar dan ook, haar hoofd te bergen! Ergens, waar dan ook, schuilplaats te zoeken! Het huis, dat zij ontvlood, nooit weder te zien! Dit was hare eenige gedachte.Maar er gingen menschen af en aan; er werden winkels opengezet, er kwamen dienstboden buiten; het gewoel van den dag begon. Florence zag verwondering en nieuwsgierigheid op de gezichten, die haar voorbijzweefden, zag lange schaduwen terugkomen; hoorde vreemde stemmen haar vragen waar zij heenging en wat haar scheelde; en hoewel deze haar in het eerst nog meer beangstigden en sneller deden voorthaasten, bewezen zij haar toch den dienst[332]van haar eenigermate tot bezinning te brengen, en te herinneren, dat het noodig was meer bedaardheid te toonen.Waarheen zou zij gaan? Ergens, waar ook heen, verder, verder! Maar toch waarheen? Zij dacht aan dien anderen tijd, toen zij, verdwaald, in de wildernissen vanLondenalleen was geweest—schoon niet zoo alleen als nu—en ging dien weg op. Naar het huis van Walter’s oom.Haar snikken smorende en hare gezwollene oogen afvegende, en hare ontroering bedwingende, om zoo geene aandacht te trekken, met voornemen om zoolang zij kon in de stilste straten te blijven, ging Florence bedaarder voort, toen eene bekende schaduw haar op de zonnige steenen van het voetpad voorbijschoot, omkeerde, terugkwam, weder wegvloog, om haar heen zwierde, en Diogenes, naar adem hijgende, hoewel hij toch de straat door zijn vroolijk geblaf deed weergalmen, voor hare voeten kroop.“O, Di! O, lieve, trouwe Di, hoe zijt gij hier gekomen! Hoe kon ik u verlaten, Di, die mij nooit verlaten zoudt!”Florence bukte en legde zijn ruigen kop tegen hare borst, en daarna stonden zij te zamen op en gingen gezamenlijk verder; Di meer door de lucht dan over den grond, zijn best doende om zijne meesteres in een sprong te kussen, dan over zijn kop tuimelende en zonder zich eenigszins daaraan te storen weder opvliegende, op groote honden toeschietende om hen schertsend uit te dagen, werkmeiden, die eene stoep dweilden, verschrikkende door ze zijn neus in het gezicht te duwen, en te midden van duizend buitensporigheden telkens ophoudende om naar Florence om te zien en te blaffen, tot alle honden in het rond hem antwoord gaven en buitenkwamen om hem verwonderd aan te kijken.Met dezen laatsten vriend, haastte zich Florence, door den steeds warmer wordenden zonneschijn, deCityin. Weldra werd het straatrumoer luider, werden de voetgangers talrijker, de winkels levendiger, tot zij door een levenden stroom werd medegevoerd, die onverschillig voorbij markten en paleizen, gevangenissen en kerken, rijkdom en armoede, goed en kwaad voortvloeide, evenals de breede rivier, die hij ter zijde bleef, troebel en donker door biezen en wilgen, tusschen de werken en de zorgen der menschen, naar de diepe zee vloeit.Eindelijk kreeg men de straat van den houten adelborst in het gezicht. Nog nader gekomen, zag men den houten adelborst zelven, gelijk altijd, op zijn post en aan zijne observatiën. Nog nader, en de deur stond open, en noodigde haar om binnen te treden. Florence, die op het einde van haar tocht hare schreden had versneld, stapte de straat over (dicht op de hielen door Diogenes gevolgd, wien het gewoel eenigszins verbijsterd had) trad haastig binnen, en zonk op den drempel van het welbekende achterkamertje neer.De kapitein stond, met zijn blinkenden hoed op, bij het vuur, zijne ochtendcacao te koken, met zijn horloge voor zich op den schoorsteenmantel, om het onder het koken gemakkelijk te kunnen raadplegen. Toen hij een voetstap en het ritselen van een kleedje hoorde, keerde hij zich om, met schrik aan jufvrouw MacStinger denkende, juist op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem uitstak, wankelde en neerzonk.Even bleek als Florence, nam de kapitein haar op, als ware zij een klein kind geweest, en legde haar op dezelfde sofa, waarop zij zoo lang geleden had gesluimerd.“Het is hartediefje!” zeide de kapitein, haar oplettend aanziende. “Het is dat lieve kind, nu een volwassen meisje geworden!”Kapitein Cuttle had, nu hij een volwassen meisje in haar zag, zooveel eerbied voor haar, dat hij haar, terwijl zij bewusteloos was, voor geen duizend pond in zijne armen had durven houden.“Mijn hartediefje!” zeide de kapitein, zich op een afstand houdende, terwijl angst en medelijden op zijn gelaat stonden geteekend; “als ge Ned Cuttle maar met een vinger kunt praaien, doe het dan!”Maar Florence bewoog zich niet.“Mijn hartediefje!” zeide de kapitein. “Om Walter’s wil, die in het zoute diep verdronken is, draai toch bij en hijsch eene vlag, als ge kunt!”Daar zij ook aan deze nadrukkelijke bezwering geen gehoor gaf, nam kapitein Cuttle eene kom koud water van de tafel en sprenkelde haar daarvan iets in het gezicht. Voor het dringende van het geval zwichtende, ontlastte de kapitein haar daarop van haar hoed, bevochtigde hare slapen en haar voorhoofd, streek hare haren weg, bedekte hare voeten met zijne jas, die hij daartoe uittrok, en klopte haar in de hand—zoo klein in de zijne, dat hij er zich over verwonderde; en toen hij zag dat hare oogen begonnen te trillen en hare lippen zich even bewogen, bleef hij met meer moed zijne middelen aanwenden, waarbij hij zijne geduchte hand met verbazende zachtheid gebruikte.“Frisch op maar, frisch op maar!” zeide de kapitein. “Sta vast, mijn liefje. Daar! Nu wordt het al beter. Sta vast maar! Drink een droppeltje van dit. Daar zijt gij er al. Hoe gaat het nu, mijn hartje?”In dit tijdperk van haar herstel nam de kapitein, met het schemerachtige denkbeeld, dat er bij eene doctorale behandeling een horloge noodig was, het zijne van den schoorsteenmantel, hing het aan zijn haak, nam toen Florence’s[333]hand in de zijne en keek gedurig van de eene naar het andere, alsof hij verwachtte, dat de wijzers iets zouden doen.“Hoe gaat het nu, hartje?” zeide de kapitein. “Gij hebt haar al wat goed gedaan,” mompelde hij met een blik van tevredenheid naar zijn horloge. “Als gij elken ochtend maar een half uur achteruit wordt gezet, en elken avond nog een kwartier, kan geen horloge beter zijn. Hoe gaat het, mijn dametje?”—“Kapitein Cuttle! Zijt gij het?” riep Florence uit, en richtte zich een weinig op.—“Ja, ja, mijn dametje,” zeide de kapitein, door eene haastige redeneering tot het besluit komende, dat dit de hoffelijkste toespraak was, die hij bedenken kon.—“Is Walter’s oom hier?” vroeg Florence.—“Hier, liefje!” antwoordde de kapitein. “Hij is in langen tijd niet hier geweest. Men heeft niets van hem gehoord, sedert hij den armen Walter is gaan nazeilen.”—“Woont gij nu hier?” vroeg Florence.—“Ja, mijn dametje,” antwoordde de kapitein.—“O, kapitein Cuttle,” riep Florence nu met woestheid uit, en vouwde smeekend hare handen. “Red mij! Laat niemand weten waar ik ben! Ik zal u straks vertellen wat er gebeurd is, als ik kan. Ik heb niemand in de wereld om naar toe te gaan. Zend mij toch niet weg!”—“U wegzenden, mijn dametje!” riep de kapitein uit. “U, mijn hartediefje! Wacht eens eventjes! Wij zullen dat luik voorzetten en den sleutel omdraaien.”Zoo sprekende nam de kapitein, zijne eene hand en zijn haak met groote behendigheid gebruikende, het deurluik op, zette het in, en draaide de deur op het nachtslot.Toen hij weder bij Florence kwam, vatte zij zijne hand en kuste ze. Het roerend smeekende van dit bedrijf, het vertrouwen dat het te kennen gaf, de onuitsprekelijke droefheid in hare oogen, de zielesmart die zij maar al te duidelijk geleden had en nog leed, zijne kennis van hare vroegere geschiedenis, hare tegenwoordige hulpelooze verlatenheid; alles overstelpte den goeden kapitein zoodanig, dat hij letterlijk van medelijden en teederheid overliep.“Mijn dametje!” zeide hij, nadat hij zijn neus met zijne mouw had gewreven tot hij blonk als gebruineerd koper, “zeg maar geen woord aan Edward Cuttle, voordat gij vindt dat gij gerust voor anker ligt, dat vandaag of morgen niet wezen zal. En u over te geven, of rapport te doen waar gij zijt, ja waarlijk en met Gods hulp, zoo wil ik niet, gelijk in den catechismus staat.”De kapitein zeide dit alles in één adem, maar zeer plechtig; bij het “ja waarlijk” nam hij zijn hoed af en zette dien eerst weder op, toen hij gedaan had.Florence kon nog maar één ding meer doen om hem te danken en te toonen hoezeer zij hem vertrouwde; en dit deedzijook. Zich aan den ruwen zeeman vastklemmende, als de laatste toevlucht van haar bloedend hart, liet zij haar hoofd op zijn schouder zinken en sloeg hare armen om zijn hals; zij zou ook voor hem zijn neergeknield om hem te zegenen, als hij haar voornemen niet had geraden en haar als een braaf man opgehouden.“Zachtjes, zachtjes!” zeide de kapitein. “Ge zijt nog te zwak om te staan, mijn liefje, ziet ge wel, en moet nog maar wat gaan liggen. Daar, daar!”Te zien hoe de kapitein haar weder op de sofa tilde en met zijne jas toedekte, zou het gezicht van honderd kroningsfeesten waard zijn geweest.“En nu moet gij ontbijten, mijn dametje,” zeide de kapitein, “en de hond zal ook wat krijgen. En dan moet gij naar boven gaan, naar Sam Gills’ kamertje, en daar slapen als een engel.”KapiteinCuttle streelde Diogenes toen hij van hem sprak, en Diogenes nam deze gemeenzaamheid zeer vriendelijk op. Terwijl Florence flauw lag en de kapitein haar poogde bij te helpen, was Diogenes het blijkbaar met zich zelven oneens geweest of hij hem zou aanvliegen of zijne vriendschap aanbieden, en had hij dezen innerlijken tweestrijd aangeduid door beurtelings te kwispelstaarten en brommend zijne tanden te laten zien. Thans was al zijn twijfel opgeheven. Het was duidelijk dat hij den kapitein voor een allerbest man hield, en een man met wien het een hond zich tot eer moest rekenen kennis te houden.Ten blijke van deze overtuiging liep Diogenes overal met den kapitein mede, terwijl deze thee en geroosterd brood gereedmaakte, en toonde hij de levendigste belangstelling in zijne manier van huishouden. Maar het was vruchteloos, dat de goede kapitein deze hartsterking aanbood. Zij deed wel haar best om er iets van te gebruiken, maar het was haar onmogelijk; zij kon niets anders doen dan schreien.“Wel, wel, mijn hartediefje,” zeide de medelijdende kapitein; “als gij eens geslapen hebt, zult ge beter koers kunnen houden. Nu zal ik u rantsoen geven, mijn jongen,” vervolgde hij tot Diogenes; “en gij moet boven bij uwe meesteres de wacht houden.”Maar hoewel Diogenes watertandende en met flikkerende oogen naar het voor hem bestemde ontbijt had staan kijken, stak hij, in plaats van er gulzig op aan te vallen toen het hem werd voorgezet, zijne ooren op, vloog naar de straatdeur, en blafte daar geweldig, met zijn kop tegen den dorpel duwende, alsof hij zich onder de deur wilde doorgraven.“Kan daar iemand wezen?” vroeg Florence onrustig.—“Neen, mijn dametje,” antwoordde de kapitein. “Wie zou daar blijven staan zonder zich te laten hooren? Blijf maar bedaard, liefje. Het zijn maar voorbijgangers.”[334]Diogenes bleef echter aan het blaffen en duwen; en wanneer hij even ophield om te luisteren, scheen zijn gemoed met nieuwe overtuiging vervuld te worden, want dan begon hij weder even hard, wel twaalfmaal achtereen. Zelfs toen hij zich had laten overhalen, om aan zijn ontbijt te gaan, liep hij weder met een zeer achterdochtig gezicht naar de deur, en ging, eer hij nog een brok had geproefd, alweder aan het blaffen.“Als er eens iemand stond te luisteren,” fluisterde Florence. “Iemand die mij hier heeft zien ingaan—misschien is nageloopen.”—“Het kan toch dat meisje van u niet wezen, mijn dametje?” zeide de kapitein, zeer ingenomen met dit denkbeeld.—“Suze?” zeide Florence, haar hoofd schuddende. “O neen!Suzeis lang van mij vandaan.”—“Niet gedeserteerd, hoop ik?” zeide de kapitein. “Zeg toch niet, dat dat meisje is weggeloopen, mijn liefje.”—“O neen neen!” riep Florence uit. “Zij is het trouwste hart van de wereld.”Dit antwoord was eene groote verademing voor den kapitein, en hij gaf zijn genoegen te kennen door zijn blinkenden hoed af te nemen en zijn hoofd met zijn tot een bal opgerolden zakdoek te wrijven, terwijl hij onderscheidene malen, met buitengewone zelfvoldoening, aanmerkte, dat hij het wel geweten had.“Zijt ge nu gerust, broertje?” zeide de kapitein tot Diogenes. “Er was toch niemand, ziet ge wel, mijn dametje?”Diogenes was daarvan nog zoo zeker niet. Tusschenbeide scheen de deur hem nog aan te trekken, en liep hij brommend en snuffelend daarnaar toe, alsof hij de zaak niet kon vergeten. Dit voorval, met Florence’s zichtbare afgematheid vereenigd, deed denkapiteinbesluiten om het kamertje van Sam Gills terstond voor haar gereed te maken. Hij ging dus dadelijk naar boven en maakte de beschikkingen, die zijne verbeelding en zijne middelen hem aan de hand gaven.Het was er reeds zeer zindelijk, en daar de kapitein van orde en netheid hield, veranderde hij het eenvoudige bed in eene soort van sofa, door er eene witte draperie over heen te hangen. Op eene dergelijke manier veranderde hij het waschtafeltje in een soort van altaar, waarop hij twee zilveren theelepeltjes, een bloempot, een verrekijker, zijn vermaard horloge, een zakkammetje en een liederboekje uitstalde, als eene verzameling van rariteiten om het oog aangenaam bezig te houden. Nadat hij het venster had verdonkerd en de lapjes tapijt op den grond te recht gelegd, overzag de kapitein deze toebereidselen nog eens met innig welbehagen, en ging toen weder naar het achterkamertje om Florence naar haar slaapsalet te brengen.Niets kon den kapitein doen gelooven, dat het Florence mogelijk was zelve naar boven te gaan; en al had hij dat denkbeeld in het hoofd kunnen krijgen, dan zou hij het toch voor eene gruwelijke schennis der gastvrijheid hebben gehouden, als hij haar dit had laten doen. Florence was te zwak om zich daartegen te verzetten, en zoo droeg de kapitein haar naar boven, legde haar daar neer en dekte haar met eene duffelsche jas toe.“Mijn dametje,” zeide de kapitein, “ge zijt hier zoo veilig, alsof gij op den top van de St.-Paulskerk waart, met de ladder weggenomen. Slaap is wat gij vóór alle dingen noodig hebt, en als gij dien balsem voor de ziel hebt gebruikt, zult gij er weer frisch uitzien. Als gij iets noodig hebt, mijn hartediefje, dat dit nederige huis of de stad kan aanbieden, zeg het maar aan Edward Cuttle, die telkens hier buiten voor de deur zal komen, en de man zal beven van blijdschap.” De kapitein besloot door met de galanterie van een ouden dolenden ridder de hand te kussen, die Florence hem toereikte, en ging op de teenen de kamer uit.Wederom in het achterkamertje gekomen, besloot kapitein Cuttle, na haastig met zich zelven te rade te zijn gegaan, de straatdeur even te openen en zich te verzekeren, dat daar nu in allen gevalle niemand stond te dralen. Hij deed dus de deur open, stapte op de stoep en keek door zijn bril de geheele straat langs.“Hoe vaart ge, kapitein Gills?” zeide eene stem naast hem. En toen hij omkeek, zag de kapitein dat hij, terwijl hij naar den gezichteinder tuurde, door Toots aan boord was geklampt.—“Hoe maakt gij het, mijn jongen?” zeide de kapitein.—“Tamelijk wel, dank je, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Gij weet wel dat ik nooit ben wat ik wel wenschen zou, en dat ook nooit weer denk te worden.”In gesprek met kapitein Cuttle kwam Toots,uit hoofdevan het verdrag tusschen hen, nooit nader bij het onderwerp dat zijne gedachten altijd vervulde.“Kapitein Gills,” hervatte Toots, “als ik het pleizier kon hebben om een woordje met u te spreken—het is over iets bijzonders.”—“Wel, ziet ge, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, vooruit naar het achterkamertje gaande, “ik ben eigenlijk niet geheel vrij van morgen, en als ge dus wat zeil kondt bijzetten, zou ik het voor lief nemen.”—“Zekerlijk, kapitein Gills,” antwoordde Toots, die zelden eenig begrip van des kapiteins meening had. “Ik wil niets liever dan zeil bijzetten. Natuurlijk.”—“Goed zoo, mijn jongen,” zeide de kapitein. “Doe het dan maar.”De kapitein ging zoo gedrukt onder zijn geducht geheim—dat jufvrouw Dombey op dat oogenblik onder zijn dak was, terwijl de onschuldige[335]enonnoozeleToots daar voor hem zat—dat het zweet hem op het voorhoofd parelde, en het hem, terwijl hij dat, met den blinkenden hoed in de hand, langzaam afveegde, onmogelijk was zijne oogen van Toots’ gezicht af te houden. Toots, die zelf geheime redenen scheen te hebben om zenuwachtig te zijn, werd door dit staren des kapiteins zoo geweldig verlegen, dat hij, na hem eene poos bedeesd te hebben aangekeken, onder een onrustig heen en weer schuiven op zijn stoel, eindelijk zeide:“Neem mij niet kwalijk, kapitein Gills, maar gij ziet toch niets bijzonders aan mij, doet ge?”—“Neen, mijn jongen, neen!” antwoordde de kapitein.—“Omdat, weet ge,” zeide Toots grinnikend, “ik weet wel dat ik verval. Gij behoeft niet bang te zijn om daarvan te spreken—ik mocht het wel gaarne. Burgess en Comp. hebben mij opnieuw de maat moeten nemen, zoo ben ik vermagerd. Maar dat streelt mij. Ik—ik ben er blij om. Ik—ik zou gaarne eene tering krijgen, als ik maar kon. Ik ben maar een redeloos dier, weet ge, grazende op het vlak des aardrijks, kapitein Gills.”Hoe langer Toots zoo voortsprak, des te meer gevoelde de kapitein den druk van zijn geheim, en des te strakker staarde hij. Door deze ongerustheid en door zijn verlangen om Toots maar spoedig kwijt te raken, kwam de kapitein zoodanig van zijne streek, dat hij zich bezwaarlijk meer onthutst had kunnen toonen, al was hij met een spook in gesprek geweest.“Maar ik wil zeggen, kapitein Gills,” hervatte Toots, “ik ben van morgen toevallig dezen weg uitgekomen—om u de waarheid te zeggen, ik wilde bij u komen ontbijten. Wat slapen betreft, weet ge, ik slaap tegenwoordig nooit meer. Ik zou wel een nachtwacht kunnen wezen, behalve dat hij betaald wordt en niets op het gemoed heeft.”—“Zeilmaken, mijn jongen,” zeide de kapitein vermanend.—“Zekerlijk, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Gij hebt groot gelijk. Toen ik dus van morgen toevallig dezen weg uitkwam (een uur of zoo geleden) en de deur gesloten vond—”—“Wat! Stondtgijdaar te wachten, broertje?” zeide de kapitein.—“Geheel niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Ik bleef geen oogenblik staan. Ik dacht dat gij uit waart. Maar die persoon zeide—a propos, gij houdt toch geen hond, doet ge wel, kapitein Gills?”De kapitein schudde zijn hoofd.“Wel zeker,” hervatte Toots. “Dat zeide ik ook. Dat wist ik wel. Er is een hond, kapitein Gills—maar neem mij niet kwalijk, dat is verboden grond.”De kapitein staarde Toots aan tot hem de oogen uit het hoofd schenen te puilen, en het zweet brak hem wederom uit, toen hij dacht dat Diogenes het wel in zijn kop kon krijgen om naar beneden te komen.“Die persoon zeide,” hervatte Toots, “dat hij in den winkel een hond had hooren blaffen. Ik wist wel dat het niet wezen kon, en zeide hem dat ook. Maar hij bleef er zoo vast bij, alsof hij den hond gezien had.”—“Welke persoon, mijn jongen?” vroeg de kapitein.—“Wel, ziet ge, kapitein, daar zit het juist,” antwoordde Toots, wiens zenuwachtigheid zichtbaar erger werd. “Het voegt mij niet te zeggen wat er heeft kunnen gebeuren of niet heeft kunnen gebeuren. Dat weet ik waarlijk niet. Ik raak met allerlei dingen gemoeid, waar ik niets van begrijp, en ik denk haast dat ik—kortom een beetje zwak van hoofd moet wezen.”De kapitein knikte toestemmend.“Maar de persoon zeide, toen wij heengingen,” vervolgde Toots, “dat gij wel wist, wat er onder de bestaande omstandighedenkongebeuren—hij zeide “kon” heel sterk—en dat als men u vroeg om u daarvoor klaar te houden, gij u ook zeker wel klaar zoudt houden.”—“Een persoon, mijn jongen!” zeide de kapitein.—“Ik weet niet wat voor persoon, waarlijk niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Ik heb er geheel geen denkbeeld van. Maar toen ik aan de deur kwam, vond ik hem daar wachten; en hij vroeg of ik terugkwam, en ik zeide ja; en hij vroeg of ik u kende, en ik zeide ja; ik had het pleizier van kennis met u te mogen houden—gij hadt u met een beetje moeite daartoe laten overhalen, en hij zeide, als dat zoo was, of ik u dan wilde zeggen wat ik gezegdheb, over bestaande omstandigheden en u klaarhouden; en zoodra ik u zag, of ik u dan vragen wilde om eens om den hoek te gaan, al was het maar voor een oogenblik, om eene gewichtige reden, bij mijnheer Brogley den uitdrager. En laat ik u zeggen, kapitein Gills, wat het ook wezen mag, ik geloof dat het heel gewichtig is, en als gij nu dadelijk wilt gaan, zal ik hier blijven wachten tot gij terugkomt.”De kapitein, weifelend tusschen zijne vrees om Florence misschien aan eenig gevaar bloot te stellen als hij niet ging, en zijn angst om Toots in huis te laten en misschien kans te geven om het geheim te ontdekken, was zoo verlegen en onrustig, dat zelfs Toots niet blind kon zijn voor den toestand van zijn gemoed. Deze jonge heer begreep dat zijn vriend zich slechts klaarmaakte op het aanstaande onderhoud, en was daarover zoo tevreden, dat hij van genoegen over de slimheid, waarmede hij de zaak behandeld had, zat te grinniken.Eindelijk koos de kapitein naar zijne meening het kleinste kwaad, en besloot eens even naar Brogley den uitdrager te loopen, nadat hij eerst de deur van de trap had gesloten en den sleutel in zijn zak gestoken. “Als ge mij[336]dat ten minste niet kwalijk neemt, broertje?” zeide de kapitein tot Toots, met niet weinig aarzeling en schaamte.—“Kapitein Gills,” antwoordde Toots, “al wat gij doet is mij volmaakt wel.”De kapitein dankte hem hartelijk, en met belofte om binnen de vijf minuten terug te zijn, ging hij heen om den persoon op te zoeken, die Toots zulk eene geheimzinnige boodschap had opgedragen. De arme Toots, aan zich zelven overgelaten, ging op de sofa liggen, weinig denkende wie het laatst daarop gelegen had, en naar het lantaarnraam starende, terwijl hij zich aan een gemijmer over jufvrouw Dombey overgaf, verloor hij alle bewustheid van tijd en plaats.Het was goed dat hij zoo deed; want hoewel de kapitein niet lang uitbleef, duurde zijn uitblijven toch veel langer dan hij zich had voorgesteld. Toen hij terugkwam was hij zeer bleek en zeer ontroerd; hij zag er zelfs uit alsof hij tranen had gestort. Hij scheen zijn spraakvermogen verloren te hebben, tot hij naar de kast was geweest en een slokje rum uit de flesch had genomen. Toen haalde hij eens diep adem en zette zich op een stoel met de hand voor zijn gezicht.“Kapitein Gills,” zeide Toots vriendelijk, “ik hoop en vertrouw dat er niets kwaads is?”—“Dankje, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Geheel niet. Integendeel.”—“Gij schijnt heel aangedaan te zijn, kapitein Gills,” hervatte Toots.—“Wel, mijn jongen, ik ben wat over stuur,” zeide de kapitein; “dat ben ik.”—“Is er iets dat ik doen kan, kapitein Gills?” zeide Toots weder. “Zoo ja, beschik dan maar over mij.”De kapitein nam zijne hand van zijn gezicht, zag hem aan met eene zeer bijzondere uitdrukking van teeder medelijden in zijn blik, vatte zijne hand en schudde die heftig.“Neen, wel bedankt,” zeide de kapitein. “Niets. Behalve dat ik het voor eene vriendschap zal houden als gij mij nu alleen laat. Ik geloof, broertje,” hem nog eens de hand drukkende, “dat gij, na Walter en op eene andere manier, zulk een goede jongen zijt als er ooit op twee beenen heeft geloopen.”—“Op mijn woord van eer, kapitein Gills,” antwoordde Toots, den kapitein in de hand slaande, eer hij die hand nog eens schudde, “ik ben er over opgetogen, dat ge zulk eene goede meening van mij hebt. Wel bedankt.”—“Houd u maar goed en wees vroolijk,” zeide de kapitein, hem op den rug kloppende. “Er zijn toch meer lieve meisjes dan een in de wereld.”—“Voor mij niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots ernstig. “Voor mij niet, dat verzeker ik u. De toestand van mijn gevoel met betrekking tot jufvrouw Dombey is van dien onbeschrijfelijken aard, dat mijn hart een woest eiland is en zij alleen daarop woont. Ik word er alle dag meer aan gewoon, en ik ben er trotsch op dat ik zoo ben. Als ge mijne beenen kondt zien, als ik mijne laarzen uittrek, zoudt gij er een denkbeeld van krijgen, wat onbeantwoorde liefde is. Men heeft mij kina voorgeschreven, maar die gebruik ik niet, want ik wil geen sterk gestel meer hebben—liever niet. Maar dit is verboden grond. Goedendag, kapitein Gills.”Kapitein Cuttle beantwoordde zijn vaarwel met evenveel hartelijkheid, sloot de deur achter hem, met dezelfde zeer bijzondere uitdrukking van medelijden, en ging toen zien of Florence hem noodig had.Toen de kapitein naar boven ging had zijn gezicht eene volkomene verandering ondergaan. Hij veegde zijne oogen af met zijn zakdoek, en wreef zijn neus met zijne mouw, gelijk hij dien morgen reeds gedaan had, maar zijn gezicht was toch geheel veranderd. Nu had men hem voor zeer vergenoegd, dan voor treurig kunnen houden; maar de soort van ernst, die zijne trekken nu kenmerkte, was geheel iets nieuws daarin, en waarlijk eene groote verbetering.Hij klopte een paar malen zachtjes met zijn haak aan Florence’s deur. Geen antwoord krijgende, waagde hij het eerst binnen te kijken en toen binnen te treden, tot het laatste misschien aangemoedigd door de vriendelijkheid van Diogenes, die, naast haar bed op den grond liggende, tegen den kapitein kwispelstaartte en met zijne oogen knipte, zonder zich de moeite te geven om op te staan.Zij sliep zwaar en kermde in haar slaap; met eerbiedig ontzag voor hare jeugd, hare schoonheid en haar leed, beurde kapitein Cuttle haar hoofd op, verschikte de overjas, die haar dekte en eenigszins was afgezakt, verdonkerde het venster nog wat meer, opdat zij gerust zou doorslapen, sloop weder heen, en betrok zijn wachtpost op de trap. Dat alles met eene hand en een stap, even licht als die van Florence zelve.Lang moge het in deze gemengde wereld een niet gemakkelijk te beslissen vraagpunt blijven, wat een schooner blijk van de goedheid des Almachtigen is—de fijne vingers, die gevormd zijn voor zachtheid en medelijdende teerheid van aanraking, om droefheid en pijn te kunnen lenigen, of de ruwe harde hand van een kapitein Cuttle, die, door het hart bestuurd, in een oogenblik verzacht en op liefdediensten afgericht kan worden.Florence sliep, vergetende dat zij eene huislooze wees was, en kapitein Cuttle stond op de trap de wacht te houden. Een luider snik of zucht dan gewoonlijk deed hem somtijds naar hare deur komen; maar langzamerhand sliep zij geruster en bleef de kapitein ongestoord op zijne wacht.[337]
Verbijsterd door smart, schaamte en schrik, snelde het wanhopige meisje door den zonneschijn van den helderen morgen, als ware het de duisternis van een winternacht. Hare handen wringende en bitter weenende, gevoelloos voor alles behalve de diepe wond in hare borst, bedwelmd door het verlies van alles wat zij liefhad, verlaten gelijk de eenig overgeblevene schipbreukeling op eene eenzame kust, vlood zij, zonder gedachten, zonder hoop, zonder doel, dan om maar te vluchten, ergens heen.
Het vroolijke verschiet der lange straat, door het morgenlicht verguld, het gezicht van den blauwen hemel en de luchtige wolkjes, de frischheid van den dag, als het ware pralende met zijne zege op den nacht, deed in hare zoo gewonde borst geen overeenstemmend gevoel ontwaken. Ergens, waar dan ook, haar hoofd te bergen! Ergens, waar dan ook, schuilplaats te zoeken! Het huis, dat zij ontvlood, nooit weder te zien! Dit was hare eenige gedachte.
Maar er gingen menschen af en aan; er werden winkels opengezet, er kwamen dienstboden buiten; het gewoel van den dag begon. Florence zag verwondering en nieuwsgierigheid op de gezichten, die haar voorbijzweefden, zag lange schaduwen terugkomen; hoorde vreemde stemmen haar vragen waar zij heenging en wat haar scheelde; en hoewel deze haar in het eerst nog meer beangstigden en sneller deden voorthaasten, bewezen zij haar toch den dienst[332]van haar eenigermate tot bezinning te brengen, en te herinneren, dat het noodig was meer bedaardheid te toonen.
Waarheen zou zij gaan? Ergens, waar ook heen, verder, verder! Maar toch waarheen? Zij dacht aan dien anderen tijd, toen zij, verdwaald, in de wildernissen vanLondenalleen was geweest—schoon niet zoo alleen als nu—en ging dien weg op. Naar het huis van Walter’s oom.
Haar snikken smorende en hare gezwollene oogen afvegende, en hare ontroering bedwingende, om zoo geene aandacht te trekken, met voornemen om zoolang zij kon in de stilste straten te blijven, ging Florence bedaarder voort, toen eene bekende schaduw haar op de zonnige steenen van het voetpad voorbijschoot, omkeerde, terugkwam, weder wegvloog, om haar heen zwierde, en Diogenes, naar adem hijgende, hoewel hij toch de straat door zijn vroolijk geblaf deed weergalmen, voor hare voeten kroop.
“O, Di! O, lieve, trouwe Di, hoe zijt gij hier gekomen! Hoe kon ik u verlaten, Di, die mij nooit verlaten zoudt!”
Florence bukte en legde zijn ruigen kop tegen hare borst, en daarna stonden zij te zamen op en gingen gezamenlijk verder; Di meer door de lucht dan over den grond, zijn best doende om zijne meesteres in een sprong te kussen, dan over zijn kop tuimelende en zonder zich eenigszins daaraan te storen weder opvliegende, op groote honden toeschietende om hen schertsend uit te dagen, werkmeiden, die eene stoep dweilden, verschrikkende door ze zijn neus in het gezicht te duwen, en te midden van duizend buitensporigheden telkens ophoudende om naar Florence om te zien en te blaffen, tot alle honden in het rond hem antwoord gaven en buitenkwamen om hem verwonderd aan te kijken.
Met dezen laatsten vriend, haastte zich Florence, door den steeds warmer wordenden zonneschijn, deCityin. Weldra werd het straatrumoer luider, werden de voetgangers talrijker, de winkels levendiger, tot zij door een levenden stroom werd medegevoerd, die onverschillig voorbij markten en paleizen, gevangenissen en kerken, rijkdom en armoede, goed en kwaad voortvloeide, evenals de breede rivier, die hij ter zijde bleef, troebel en donker door biezen en wilgen, tusschen de werken en de zorgen der menschen, naar de diepe zee vloeit.
Eindelijk kreeg men de straat van den houten adelborst in het gezicht. Nog nader gekomen, zag men den houten adelborst zelven, gelijk altijd, op zijn post en aan zijne observatiën. Nog nader, en de deur stond open, en noodigde haar om binnen te treden. Florence, die op het einde van haar tocht hare schreden had versneld, stapte de straat over (dicht op de hielen door Diogenes gevolgd, wien het gewoel eenigszins verbijsterd had) trad haastig binnen, en zonk op den drempel van het welbekende achterkamertje neer.
De kapitein stond, met zijn blinkenden hoed op, bij het vuur, zijne ochtendcacao te koken, met zijn horloge voor zich op den schoorsteenmantel, om het onder het koken gemakkelijk te kunnen raadplegen. Toen hij een voetstap en het ritselen van een kleedje hoorde, keerde hij zich om, met schrik aan jufvrouw MacStinger denkende, juist op het oogenblik dat Florence hare hand naar hem uitstak, wankelde en neerzonk.
Even bleek als Florence, nam de kapitein haar op, als ware zij een klein kind geweest, en legde haar op dezelfde sofa, waarop zij zoo lang geleden had gesluimerd.
“Het is hartediefje!” zeide de kapitein, haar oplettend aanziende. “Het is dat lieve kind, nu een volwassen meisje geworden!”
Kapitein Cuttle had, nu hij een volwassen meisje in haar zag, zooveel eerbied voor haar, dat hij haar, terwijl zij bewusteloos was, voor geen duizend pond in zijne armen had durven houden.
“Mijn hartediefje!” zeide de kapitein, zich op een afstand houdende, terwijl angst en medelijden op zijn gelaat stonden geteekend; “als ge Ned Cuttle maar met een vinger kunt praaien, doe het dan!”
Maar Florence bewoog zich niet.
“Mijn hartediefje!” zeide de kapitein. “Om Walter’s wil, die in het zoute diep verdronken is, draai toch bij en hijsch eene vlag, als ge kunt!”
Daar zij ook aan deze nadrukkelijke bezwering geen gehoor gaf, nam kapitein Cuttle eene kom koud water van de tafel en sprenkelde haar daarvan iets in het gezicht. Voor het dringende van het geval zwichtende, ontlastte de kapitein haar daarop van haar hoed, bevochtigde hare slapen en haar voorhoofd, streek hare haren weg, bedekte hare voeten met zijne jas, die hij daartoe uittrok, en klopte haar in de hand—zoo klein in de zijne, dat hij er zich over verwonderde; en toen hij zag dat hare oogen begonnen te trillen en hare lippen zich even bewogen, bleef hij met meer moed zijne middelen aanwenden, waarbij hij zijne geduchte hand met verbazende zachtheid gebruikte.
“Frisch op maar, frisch op maar!” zeide de kapitein. “Sta vast, mijn liefje. Daar! Nu wordt het al beter. Sta vast maar! Drink een droppeltje van dit. Daar zijt gij er al. Hoe gaat het nu, mijn hartje?”
In dit tijdperk van haar herstel nam de kapitein, met het schemerachtige denkbeeld, dat er bij eene doctorale behandeling een horloge noodig was, het zijne van den schoorsteenmantel, hing het aan zijn haak, nam toen Florence’s[333]hand in de zijne en keek gedurig van de eene naar het andere, alsof hij verwachtte, dat de wijzers iets zouden doen.
“Hoe gaat het nu, hartje?” zeide de kapitein. “Gij hebt haar al wat goed gedaan,” mompelde hij met een blik van tevredenheid naar zijn horloge. “Als gij elken ochtend maar een half uur achteruit wordt gezet, en elken avond nog een kwartier, kan geen horloge beter zijn. Hoe gaat het, mijn dametje?”—“Kapitein Cuttle! Zijt gij het?” riep Florence uit, en richtte zich een weinig op.—“Ja, ja, mijn dametje,” zeide de kapitein, door eene haastige redeneering tot het besluit komende, dat dit de hoffelijkste toespraak was, die hij bedenken kon.—“Is Walter’s oom hier?” vroeg Florence.—“Hier, liefje!” antwoordde de kapitein. “Hij is in langen tijd niet hier geweest. Men heeft niets van hem gehoord, sedert hij den armen Walter is gaan nazeilen.”—“Woont gij nu hier?” vroeg Florence.—“Ja, mijn dametje,” antwoordde de kapitein.—“O, kapitein Cuttle,” riep Florence nu met woestheid uit, en vouwde smeekend hare handen. “Red mij! Laat niemand weten waar ik ben! Ik zal u straks vertellen wat er gebeurd is, als ik kan. Ik heb niemand in de wereld om naar toe te gaan. Zend mij toch niet weg!”—“U wegzenden, mijn dametje!” riep de kapitein uit. “U, mijn hartediefje! Wacht eens eventjes! Wij zullen dat luik voorzetten en den sleutel omdraaien.”
Zoo sprekende nam de kapitein, zijne eene hand en zijn haak met groote behendigheid gebruikende, het deurluik op, zette het in, en draaide de deur op het nachtslot.
Toen hij weder bij Florence kwam, vatte zij zijne hand en kuste ze. Het roerend smeekende van dit bedrijf, het vertrouwen dat het te kennen gaf, de onuitsprekelijke droefheid in hare oogen, de zielesmart die zij maar al te duidelijk geleden had en nog leed, zijne kennis van hare vroegere geschiedenis, hare tegenwoordige hulpelooze verlatenheid; alles overstelpte den goeden kapitein zoodanig, dat hij letterlijk van medelijden en teederheid overliep.
“Mijn dametje!” zeide hij, nadat hij zijn neus met zijne mouw had gewreven tot hij blonk als gebruineerd koper, “zeg maar geen woord aan Edward Cuttle, voordat gij vindt dat gij gerust voor anker ligt, dat vandaag of morgen niet wezen zal. En u over te geven, of rapport te doen waar gij zijt, ja waarlijk en met Gods hulp, zoo wil ik niet, gelijk in den catechismus staat.”
De kapitein zeide dit alles in één adem, maar zeer plechtig; bij het “ja waarlijk” nam hij zijn hoed af en zette dien eerst weder op, toen hij gedaan had.
Florence kon nog maar één ding meer doen om hem te danken en te toonen hoezeer zij hem vertrouwde; en dit deedzijook. Zich aan den ruwen zeeman vastklemmende, als de laatste toevlucht van haar bloedend hart, liet zij haar hoofd op zijn schouder zinken en sloeg hare armen om zijn hals; zij zou ook voor hem zijn neergeknield om hem te zegenen, als hij haar voornemen niet had geraden en haar als een braaf man opgehouden.
“Zachtjes, zachtjes!” zeide de kapitein. “Ge zijt nog te zwak om te staan, mijn liefje, ziet ge wel, en moet nog maar wat gaan liggen. Daar, daar!”
Te zien hoe de kapitein haar weder op de sofa tilde en met zijne jas toedekte, zou het gezicht van honderd kroningsfeesten waard zijn geweest.
“En nu moet gij ontbijten, mijn dametje,” zeide de kapitein, “en de hond zal ook wat krijgen. En dan moet gij naar boven gaan, naar Sam Gills’ kamertje, en daar slapen als een engel.”
KapiteinCuttle streelde Diogenes toen hij van hem sprak, en Diogenes nam deze gemeenzaamheid zeer vriendelijk op. Terwijl Florence flauw lag en de kapitein haar poogde bij te helpen, was Diogenes het blijkbaar met zich zelven oneens geweest of hij hem zou aanvliegen of zijne vriendschap aanbieden, en had hij dezen innerlijken tweestrijd aangeduid door beurtelings te kwispelstaarten en brommend zijne tanden te laten zien. Thans was al zijn twijfel opgeheven. Het was duidelijk dat hij den kapitein voor een allerbest man hield, en een man met wien het een hond zich tot eer moest rekenen kennis te houden.
Ten blijke van deze overtuiging liep Diogenes overal met den kapitein mede, terwijl deze thee en geroosterd brood gereedmaakte, en toonde hij de levendigste belangstelling in zijne manier van huishouden. Maar het was vruchteloos, dat de goede kapitein deze hartsterking aanbood. Zij deed wel haar best om er iets van te gebruiken, maar het was haar onmogelijk; zij kon niets anders doen dan schreien.
“Wel, wel, mijn hartediefje,” zeide de medelijdende kapitein; “als gij eens geslapen hebt, zult ge beter koers kunnen houden. Nu zal ik u rantsoen geven, mijn jongen,” vervolgde hij tot Diogenes; “en gij moet boven bij uwe meesteres de wacht houden.”
Maar hoewel Diogenes watertandende en met flikkerende oogen naar het voor hem bestemde ontbijt had staan kijken, stak hij, in plaats van er gulzig op aan te vallen toen het hem werd voorgezet, zijne ooren op, vloog naar de straatdeur, en blafte daar geweldig, met zijn kop tegen den dorpel duwende, alsof hij zich onder de deur wilde doorgraven.
“Kan daar iemand wezen?” vroeg Florence onrustig.—“Neen, mijn dametje,” antwoordde de kapitein. “Wie zou daar blijven staan zonder zich te laten hooren? Blijf maar bedaard, liefje. Het zijn maar voorbijgangers.”[334]
Diogenes bleef echter aan het blaffen en duwen; en wanneer hij even ophield om te luisteren, scheen zijn gemoed met nieuwe overtuiging vervuld te worden, want dan begon hij weder even hard, wel twaalfmaal achtereen. Zelfs toen hij zich had laten overhalen, om aan zijn ontbijt te gaan, liep hij weder met een zeer achterdochtig gezicht naar de deur, en ging, eer hij nog een brok had geproefd, alweder aan het blaffen.
“Als er eens iemand stond te luisteren,” fluisterde Florence. “Iemand die mij hier heeft zien ingaan—misschien is nageloopen.”—“Het kan toch dat meisje van u niet wezen, mijn dametje?” zeide de kapitein, zeer ingenomen met dit denkbeeld.—“Suze?” zeide Florence, haar hoofd schuddende. “O neen!Suzeis lang van mij vandaan.”—“Niet gedeserteerd, hoop ik?” zeide de kapitein. “Zeg toch niet, dat dat meisje is weggeloopen, mijn liefje.”—“O neen neen!” riep Florence uit. “Zij is het trouwste hart van de wereld.”
Dit antwoord was eene groote verademing voor den kapitein, en hij gaf zijn genoegen te kennen door zijn blinkenden hoed af te nemen en zijn hoofd met zijn tot een bal opgerolden zakdoek te wrijven, terwijl hij onderscheidene malen, met buitengewone zelfvoldoening, aanmerkte, dat hij het wel geweten had.
“Zijt ge nu gerust, broertje?” zeide de kapitein tot Diogenes. “Er was toch niemand, ziet ge wel, mijn dametje?”
Diogenes was daarvan nog zoo zeker niet. Tusschenbeide scheen de deur hem nog aan te trekken, en liep hij brommend en snuffelend daarnaar toe, alsof hij de zaak niet kon vergeten. Dit voorval, met Florence’s zichtbare afgematheid vereenigd, deed denkapiteinbesluiten om het kamertje van Sam Gills terstond voor haar gereed te maken. Hij ging dus dadelijk naar boven en maakte de beschikkingen, die zijne verbeelding en zijne middelen hem aan de hand gaven.
Het was er reeds zeer zindelijk, en daar de kapitein van orde en netheid hield, veranderde hij het eenvoudige bed in eene soort van sofa, door er eene witte draperie over heen te hangen. Op eene dergelijke manier veranderde hij het waschtafeltje in een soort van altaar, waarop hij twee zilveren theelepeltjes, een bloempot, een verrekijker, zijn vermaard horloge, een zakkammetje en een liederboekje uitstalde, als eene verzameling van rariteiten om het oog aangenaam bezig te houden. Nadat hij het venster had verdonkerd en de lapjes tapijt op den grond te recht gelegd, overzag de kapitein deze toebereidselen nog eens met innig welbehagen, en ging toen weder naar het achterkamertje om Florence naar haar slaapsalet te brengen.
Niets kon den kapitein doen gelooven, dat het Florence mogelijk was zelve naar boven te gaan; en al had hij dat denkbeeld in het hoofd kunnen krijgen, dan zou hij het toch voor eene gruwelijke schennis der gastvrijheid hebben gehouden, als hij haar dit had laten doen. Florence was te zwak om zich daartegen te verzetten, en zoo droeg de kapitein haar naar boven, legde haar daar neer en dekte haar met eene duffelsche jas toe.
“Mijn dametje,” zeide de kapitein, “ge zijt hier zoo veilig, alsof gij op den top van de St.-Paulskerk waart, met de ladder weggenomen. Slaap is wat gij vóór alle dingen noodig hebt, en als gij dien balsem voor de ziel hebt gebruikt, zult gij er weer frisch uitzien. Als gij iets noodig hebt, mijn hartediefje, dat dit nederige huis of de stad kan aanbieden, zeg het maar aan Edward Cuttle, die telkens hier buiten voor de deur zal komen, en de man zal beven van blijdschap.” De kapitein besloot door met de galanterie van een ouden dolenden ridder de hand te kussen, die Florence hem toereikte, en ging op de teenen de kamer uit.
Wederom in het achterkamertje gekomen, besloot kapitein Cuttle, na haastig met zich zelven te rade te zijn gegaan, de straatdeur even te openen en zich te verzekeren, dat daar nu in allen gevalle niemand stond te dralen. Hij deed dus de deur open, stapte op de stoep en keek door zijn bril de geheele straat langs.
“Hoe vaart ge, kapitein Gills?” zeide eene stem naast hem. En toen hij omkeek, zag de kapitein dat hij, terwijl hij naar den gezichteinder tuurde, door Toots aan boord was geklampt.—“Hoe maakt gij het, mijn jongen?” zeide de kapitein.—“Tamelijk wel, dank je, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Gij weet wel dat ik nooit ben wat ik wel wenschen zou, en dat ook nooit weer denk te worden.”
In gesprek met kapitein Cuttle kwam Toots,uit hoofdevan het verdrag tusschen hen, nooit nader bij het onderwerp dat zijne gedachten altijd vervulde.
“Kapitein Gills,” hervatte Toots, “als ik het pleizier kon hebben om een woordje met u te spreken—het is over iets bijzonders.”—“Wel, ziet ge, mijn jongen,” antwoordde de kapitein, vooruit naar het achterkamertje gaande, “ik ben eigenlijk niet geheel vrij van morgen, en als ge dus wat zeil kondt bijzetten, zou ik het voor lief nemen.”—“Zekerlijk, kapitein Gills,” antwoordde Toots, die zelden eenig begrip van des kapiteins meening had. “Ik wil niets liever dan zeil bijzetten. Natuurlijk.”—“Goed zoo, mijn jongen,” zeide de kapitein. “Doe het dan maar.”
De kapitein ging zoo gedrukt onder zijn geducht geheim—dat jufvrouw Dombey op dat oogenblik onder zijn dak was, terwijl de onschuldige[335]enonnoozeleToots daar voor hem zat—dat het zweet hem op het voorhoofd parelde, en het hem, terwijl hij dat, met den blinkenden hoed in de hand, langzaam afveegde, onmogelijk was zijne oogen van Toots’ gezicht af te houden. Toots, die zelf geheime redenen scheen te hebben om zenuwachtig te zijn, werd door dit staren des kapiteins zoo geweldig verlegen, dat hij, na hem eene poos bedeesd te hebben aangekeken, onder een onrustig heen en weer schuiven op zijn stoel, eindelijk zeide:
“Neem mij niet kwalijk, kapitein Gills, maar gij ziet toch niets bijzonders aan mij, doet ge?”—“Neen, mijn jongen, neen!” antwoordde de kapitein.—“Omdat, weet ge,” zeide Toots grinnikend, “ik weet wel dat ik verval. Gij behoeft niet bang te zijn om daarvan te spreken—ik mocht het wel gaarne. Burgess en Comp. hebben mij opnieuw de maat moeten nemen, zoo ben ik vermagerd. Maar dat streelt mij. Ik—ik ben er blij om. Ik—ik zou gaarne eene tering krijgen, als ik maar kon. Ik ben maar een redeloos dier, weet ge, grazende op het vlak des aardrijks, kapitein Gills.”
Hoe langer Toots zoo voortsprak, des te meer gevoelde de kapitein den druk van zijn geheim, en des te strakker staarde hij. Door deze ongerustheid en door zijn verlangen om Toots maar spoedig kwijt te raken, kwam de kapitein zoodanig van zijne streek, dat hij zich bezwaarlijk meer onthutst had kunnen toonen, al was hij met een spook in gesprek geweest.
“Maar ik wil zeggen, kapitein Gills,” hervatte Toots, “ik ben van morgen toevallig dezen weg uitgekomen—om u de waarheid te zeggen, ik wilde bij u komen ontbijten. Wat slapen betreft, weet ge, ik slaap tegenwoordig nooit meer. Ik zou wel een nachtwacht kunnen wezen, behalve dat hij betaald wordt en niets op het gemoed heeft.”—“Zeilmaken, mijn jongen,” zeide de kapitein vermanend.—“Zekerlijk, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Gij hebt groot gelijk. Toen ik dus van morgen toevallig dezen weg uitkwam (een uur of zoo geleden) en de deur gesloten vond—”—“Wat! Stondtgijdaar te wachten, broertje?” zeide de kapitein.—“Geheel niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Ik bleef geen oogenblik staan. Ik dacht dat gij uit waart. Maar die persoon zeide—a propos, gij houdt toch geen hond, doet ge wel, kapitein Gills?”
De kapitein schudde zijn hoofd.
“Wel zeker,” hervatte Toots. “Dat zeide ik ook. Dat wist ik wel. Er is een hond, kapitein Gills—maar neem mij niet kwalijk, dat is verboden grond.”
De kapitein staarde Toots aan tot hem de oogen uit het hoofd schenen te puilen, en het zweet brak hem wederom uit, toen hij dacht dat Diogenes het wel in zijn kop kon krijgen om naar beneden te komen.
“Die persoon zeide,” hervatte Toots, “dat hij in den winkel een hond had hooren blaffen. Ik wist wel dat het niet wezen kon, en zeide hem dat ook. Maar hij bleef er zoo vast bij, alsof hij den hond gezien had.”—“Welke persoon, mijn jongen?” vroeg de kapitein.—“Wel, ziet ge, kapitein, daar zit het juist,” antwoordde Toots, wiens zenuwachtigheid zichtbaar erger werd. “Het voegt mij niet te zeggen wat er heeft kunnen gebeuren of niet heeft kunnen gebeuren. Dat weet ik waarlijk niet. Ik raak met allerlei dingen gemoeid, waar ik niets van begrijp, en ik denk haast dat ik—kortom een beetje zwak van hoofd moet wezen.”
De kapitein knikte toestemmend.
“Maar de persoon zeide, toen wij heengingen,” vervolgde Toots, “dat gij wel wist, wat er onder de bestaande omstandighedenkongebeuren—hij zeide “kon” heel sterk—en dat als men u vroeg om u daarvoor klaar te houden, gij u ook zeker wel klaar zoudt houden.”—“Een persoon, mijn jongen!” zeide de kapitein.—“Ik weet niet wat voor persoon, waarlijk niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots. “Ik heb er geheel geen denkbeeld van. Maar toen ik aan de deur kwam, vond ik hem daar wachten; en hij vroeg of ik terugkwam, en ik zeide ja; en hij vroeg of ik u kende, en ik zeide ja; ik had het pleizier van kennis met u te mogen houden—gij hadt u met een beetje moeite daartoe laten overhalen, en hij zeide, als dat zoo was, of ik u dan wilde zeggen wat ik gezegdheb, over bestaande omstandigheden en u klaarhouden; en zoodra ik u zag, of ik u dan vragen wilde om eens om den hoek te gaan, al was het maar voor een oogenblik, om eene gewichtige reden, bij mijnheer Brogley den uitdrager. En laat ik u zeggen, kapitein Gills, wat het ook wezen mag, ik geloof dat het heel gewichtig is, en als gij nu dadelijk wilt gaan, zal ik hier blijven wachten tot gij terugkomt.”
De kapitein, weifelend tusschen zijne vrees om Florence misschien aan eenig gevaar bloot te stellen als hij niet ging, en zijn angst om Toots in huis te laten en misschien kans te geven om het geheim te ontdekken, was zoo verlegen en onrustig, dat zelfs Toots niet blind kon zijn voor den toestand van zijn gemoed. Deze jonge heer begreep dat zijn vriend zich slechts klaarmaakte op het aanstaande onderhoud, en was daarover zoo tevreden, dat hij van genoegen over de slimheid, waarmede hij de zaak behandeld had, zat te grinniken.
Eindelijk koos de kapitein naar zijne meening het kleinste kwaad, en besloot eens even naar Brogley den uitdrager te loopen, nadat hij eerst de deur van de trap had gesloten en den sleutel in zijn zak gestoken. “Als ge mij[336]dat ten minste niet kwalijk neemt, broertje?” zeide de kapitein tot Toots, met niet weinig aarzeling en schaamte.—“Kapitein Gills,” antwoordde Toots, “al wat gij doet is mij volmaakt wel.”
De kapitein dankte hem hartelijk, en met belofte om binnen de vijf minuten terug te zijn, ging hij heen om den persoon op te zoeken, die Toots zulk eene geheimzinnige boodschap had opgedragen. De arme Toots, aan zich zelven overgelaten, ging op de sofa liggen, weinig denkende wie het laatst daarop gelegen had, en naar het lantaarnraam starende, terwijl hij zich aan een gemijmer over jufvrouw Dombey overgaf, verloor hij alle bewustheid van tijd en plaats.
Het was goed dat hij zoo deed; want hoewel de kapitein niet lang uitbleef, duurde zijn uitblijven toch veel langer dan hij zich had voorgesteld. Toen hij terugkwam was hij zeer bleek en zeer ontroerd; hij zag er zelfs uit alsof hij tranen had gestort. Hij scheen zijn spraakvermogen verloren te hebben, tot hij naar de kast was geweest en een slokje rum uit de flesch had genomen. Toen haalde hij eens diep adem en zette zich op een stoel met de hand voor zijn gezicht.
“Kapitein Gills,” zeide Toots vriendelijk, “ik hoop en vertrouw dat er niets kwaads is?”—“Dankje, mijn jongen,” antwoordde de kapitein. “Geheel niet. Integendeel.”—“Gij schijnt heel aangedaan te zijn, kapitein Gills,” hervatte Toots.—“Wel, mijn jongen, ik ben wat over stuur,” zeide de kapitein; “dat ben ik.”—“Is er iets dat ik doen kan, kapitein Gills?” zeide Toots weder. “Zoo ja, beschik dan maar over mij.”
De kapitein nam zijne hand van zijn gezicht, zag hem aan met eene zeer bijzondere uitdrukking van teeder medelijden in zijn blik, vatte zijne hand en schudde die heftig.
“Neen, wel bedankt,” zeide de kapitein. “Niets. Behalve dat ik het voor eene vriendschap zal houden als gij mij nu alleen laat. Ik geloof, broertje,” hem nog eens de hand drukkende, “dat gij, na Walter en op eene andere manier, zulk een goede jongen zijt als er ooit op twee beenen heeft geloopen.”—“Op mijn woord van eer, kapitein Gills,” antwoordde Toots, den kapitein in de hand slaande, eer hij die hand nog eens schudde, “ik ben er over opgetogen, dat ge zulk eene goede meening van mij hebt. Wel bedankt.”—“Houd u maar goed en wees vroolijk,” zeide de kapitein, hem op den rug kloppende. “Er zijn toch meer lieve meisjes dan een in de wereld.”—“Voor mij niet, kapitein Gills,” antwoordde Toots ernstig. “Voor mij niet, dat verzeker ik u. De toestand van mijn gevoel met betrekking tot jufvrouw Dombey is van dien onbeschrijfelijken aard, dat mijn hart een woest eiland is en zij alleen daarop woont. Ik word er alle dag meer aan gewoon, en ik ben er trotsch op dat ik zoo ben. Als ge mijne beenen kondt zien, als ik mijne laarzen uittrek, zoudt gij er een denkbeeld van krijgen, wat onbeantwoorde liefde is. Men heeft mij kina voorgeschreven, maar die gebruik ik niet, want ik wil geen sterk gestel meer hebben—liever niet. Maar dit is verboden grond. Goedendag, kapitein Gills.”
Kapitein Cuttle beantwoordde zijn vaarwel met evenveel hartelijkheid, sloot de deur achter hem, met dezelfde zeer bijzondere uitdrukking van medelijden, en ging toen zien of Florence hem noodig had.
Toen de kapitein naar boven ging had zijn gezicht eene volkomene verandering ondergaan. Hij veegde zijne oogen af met zijn zakdoek, en wreef zijn neus met zijne mouw, gelijk hij dien morgen reeds gedaan had, maar zijn gezicht was toch geheel veranderd. Nu had men hem voor zeer vergenoegd, dan voor treurig kunnen houden; maar de soort van ernst, die zijne trekken nu kenmerkte, was geheel iets nieuws daarin, en waarlijk eene groote verbetering.
Hij klopte een paar malen zachtjes met zijn haak aan Florence’s deur. Geen antwoord krijgende, waagde hij het eerst binnen te kijken en toen binnen te treden, tot het laatste misschien aangemoedigd door de vriendelijkheid van Diogenes, die, naast haar bed op den grond liggende, tegen den kapitein kwispelstaartte en met zijne oogen knipte, zonder zich de moeite te geven om op te staan.
Zij sliep zwaar en kermde in haar slaap; met eerbiedig ontzag voor hare jeugd, hare schoonheid en haar leed, beurde kapitein Cuttle haar hoofd op, verschikte de overjas, die haar dekte en eenigszins was afgezakt, verdonkerde het venster nog wat meer, opdat zij gerust zou doorslapen, sloop weder heen, en betrok zijn wachtpost op de trap. Dat alles met eene hand en een stap, even licht als die van Florence zelve.
Lang moge het in deze gemengde wereld een niet gemakkelijk te beslissen vraagpunt blijven, wat een schooner blijk van de goedheid des Almachtigen is—de fijne vingers, die gevormd zijn voor zachtheid en medelijdende teerheid van aanraking, om droefheid en pijn te kunnen lenigen, of de ruwe harde hand van een kapitein Cuttle, die, door het hart bestuurd, in een oogenblik verzacht en op liefdediensten afgericht kan worden.
Florence sliep, vergetende dat zij eene huislooze wees was, en kapitein Cuttle stond op de trap de wacht te houden. Een luider snik of zucht dan gewoonlijk deed hem somtijds naar hare deur komen; maar langzamerhand sliep zij geruster en bleef de kapitein ongestoord op zijne wacht.[337]