[Inhoud]XVII.KAPITEIN CUTTLE DOET IETS VOOR DE JONGELIEDEN.Vertrouwende op dat verbazende talent voor onpeilbaar diep berekende listen, waarmede hij (gelijk bij menschen van klaar doorzichtige eenvoudigheid niet ongewoon is) oprecht geloofde door de natuur begaafd te zijn, was kapitein Cuttle op dien gewichtigen zondag naar het huis van Dombey gegaan, den geheelen weg over knipoogende om zijne overtollige slimheid lucht te geven, en had zich in den vollen glans zijner halve laarzen voor Towlinson vertoond. Van dien persoon vernemende welk eene ramp het huis bedreigde, was de kapitein uit kieschheid en ontsteltenis terstond weder heengegaan, alleen den ruiker overgevende, als een klein bewijs zijner deelneming, waarbij hij verzocht de familie zijn eerbiedig compliment te doen, en zijne hoop te kennen gaf dat zij in deze omstandigheden het maar scherp bij den wind zouden houden, met eene belofte dat hij “morgen wel eens weer zou praaien.”Van het compliment des kapiteins werd nooit weder iets gehoord. Zijn ruiker bleef in het voorhuis liggen tot hij des anderen daags in den vuilnisbak werd geworpen, en de slimme berekening des kapiteins werd, te gelijk met veel hooger plannen en uitzichten, door éénongelukverijdeld. Zoo moeten, wanneer een sneeuwval een bosch vernielt, de heesters en struiken met de boomen lijden, en allen te zamen vergaan.Toen Walter op dien zondagavond van zijne wandeling, die zulk een merkwaardig einde had gehad, terugkwam, was hij in het eerst te vol van de tijding die hij medebracht, en van de aandoeningen welke het bijgewoonde tooneel natuurlijk in zijn gemoed had opgewekt, om op te merken dat zijn oom blijkbaar nog onbekend was met het bericht, dat de kapitein hem zou hebben medegedeeld, of dat[115]de kapitein met zijn haak seinen maakte ten einde hem te waarschuwen om niet van de zaak te spreken. Niet dat de seinen des kapiteins zeer begrijpelijk zouden geweest zijn, al had men er nog zoo nauwkeurig op gelet; want gelijk de Chineesche wijzen, die men zegt dat in hunne redetwisten zekere geleerde woorden, die volstrekt niet kunnen uitgesproken worden, met trekken in de lucht schrijven, maakte de kapitein zulke zwaaien en zwieren, dat iemand, die niet vooraf met zijn geheim bekend was, ze met geene mogelijkheid kon uitleggen.Kapitein Cuttle zag echter, toen hij hoorde wat er gebeurd was, van deze pogingen af, daar hij begreep welke geringe kans er nu bestond om voor den tijd van Walter’s vertrek een gemeenzaam praatje met Dombey te hebben. Maar terwijl hij, met een bedrukt gezicht, zich zelven toegaf, dat Samuel Gills het hooren en Walter gaan moest—de zaak thans nemende gelijk zij was, zonder dat zij door de slimme tusschenkomst van een vriend kon toegelicht of verbeterd worden—bleef de kapitein toch een onverflauwd vertrouwen koesteren, dat hij, Ned Cuttle, de man voor mijnheer Dombey was, en dat er, om Walter’s fortuin klaar te maken, niets anders noodig was dan dat zij eens met hun beiden bij elkander kwamen. Want de kapitein kon nooit vergeten hoe goed hij en Dombey teBrightonmet elkander te recht waren gekomen; hoe welgepast zij beiden, als het noodig was, een woordje hadden gesproken; hoe wel zij elkander hadden begrepen, en hoe hij, Ned Cuttle, in den eersten nood die uitkomst had aangewezen, en de onderhandeling tot een gewenscht einde gebracht. Op al deze gronden troostte de kapitein zich met de gedachte dat hij, schoon de omstandigheden hem nu noodzaakten om werkeloos voor anker te blijven liggen, toch door den tijd de zeilen in top zou halen en zich door alles heenslaan.Onder den invloed dezer goedhartige zelfbegoocheling, begon kapitein Cuttle, terwijl hij Walter zat aan te kijken en met een traan op zijn boordje naar zijn verhaal te luisteren, zelfs te overleggen, of het niet te gelijk beleefd en politiek zou zijn, mijnheer Dombey, als zij elkander eens zagen, eene mondelinge uitnoodiging te geven om, wanneer het hem maar schikte, eens inBrig Placebij hem te komen eten, en dan onder een gezellig glas over de vooruitzichten van zijn jongen vriend te praten. Doch het onzekere humeur van jufvrouw MacStinger, en de mogelijkheid dat zij onder zulk een onthaal in den gang zou gaan staan en daar eene lang niet vleiende predikatie houden, maakte den kapitein beschroomd om aan deze gastvrije gedachten voet te geven.Eén ding was den kapitein, terwijl Walter over het gebeurde uitweidde, volkomen duidelijk; namelijk dat, hoewel Walter’s bescheidenheid hem mocht beletten om dit zelf te zien, hij toch zoo goed als een lid van mijnheer Dombey’s huisgezin was. Hij was in persoon bij de gebeurtenis, die hij zoo aandoenlijk beschreef, tegenwoordig geweest, hij was er met name bij genoemd en geprezen, en zijn geluk moest in de oogen van zijn patroon eene zaak van bijzonder gewicht zijn. Indien de kapitein nog heimelijk eenigszins aan zijne eigene redeneering twijfelde, twijfelde hij toch volstrekt niet of zij zou voor de gemoedsrust van den ouden instrumentmaker goed kunnen zijn. Hij nam dus een gunstig oogenblik waar, om zijn ouden vriend de zending naarWest-Indië, als eene buitengewone bevordering, mede te deelen, en verklaarde daarbij dat hij gaarne honderd duizend pond (als hij ze had) zou willen geven voor het voordeel dat Walter eens daaruit zou trekken, en niet twijfelde of hij zou dan nog eene goede som winnen.Samuel Gills was door dit bericht, dat als een donderslag in het achterkamertje neerviel, in het eerst geheel versuft. Maar dekapiteinliet zulke gulden beloften voor zijne benevelde oogen schitteren: gaf zulke geheimzinnige wenken van Whittingtoniaansche gevolgen, legde zooveel nadruk op hetgeen Walter pas verhaald had, en noemde dit zoo stoutweg eene bevestiging zijner vroegere voorspellingen, dat hij den ouden man geheel verbijsterde. Walter, aan zijn kant, veinsde zoo vol hoop en ijver te zijn, en zich zoo zeker te houden van spoedig weder naar huis te komen, en hij ondersteunde den kapitein met zulk een nadrukkelijk hoofdknikken en handenwuiven, dat Samuel, eerst hem en daarna Cuttle aanziende, begon te denken dat hij opgetogen van blijdschap behoorde te zijn.“Maar ik ben bij mijn tijd ten achter, weet ge,” merkte hij verontschuldigend aan, en streek zenuwachtig met zijne hand langs de blinkende knoopen van zijn rok op en neer, alsof zij de kralen van een rozenkrans waren, die hij telde, “en ik zou mijn lieven jongen liever hier houden. Het is een ouderwetsch begrip, denk ik wel. Hij heeft altijd veel van de zee gehouden. Hij is,” hier zag hij Walter oplettend aan, “hij is blij dat hij gaat.”—“Oom Sam!” riep Walter haastig uit. “Als gij dat zegt, wil ik niet gaan. Neen, kapitein Cuttle, dan wil ik niet. Als mijn oom denkt dat ik blij zou kunnen zijn dat ik hem verliet, al was het om gouverneur van al de eilanden inWest-Indiëte worden, dat is genoeg. Ik blijf hier.”—“Walter mijn jongen,” zeide kapitein Cuttle. “Sta vast. Sam Gills, richt den kijker eens op uw neef.”Den statigen zwaai van des kapiteins haak met zijne oogen volgende, richtte de oude man deze op Walter.[116]“Hier is zekere bodem,” zeide de kapitein, met trotsche bewustheid van de beeldspraak waartoe hij zich verhief, “die op zekere reis zal uitgaan. Welke naam staat er onuitwischbaar op den spiegel geschilderd? Is het de Gay? of” zeide de kapitein, zijne stem verheffende, als wilde hij zeggen, let eens op het geestige hiervan, “is het de Gills?”—“Edward,” zeide de oude man, Walter naar zich toetrekkende, en diens arm met teedere vriendelijkheid onder den zijnen nemende, “ik weet het wel. Ik weet het wel. Ik weet natuurlijk wel dat Walter altijd meer om mij dan om zich zelven denkt. Dat onthoud ik wel. Als ik zeg dat hij blij is, meen ik, dat ik dat hoop. Ziet ge wel, Edward, en gij ook, Walter, dit is iets nieuws en onverwachts; en ik vrees, dat ik zoo bij mijn tijd ten achter ben gebleven en zoo arm ben, er de eigenlijke reden van is. Is het waarlijk een fortuintje voor hem, zeg mij dat nu?” zeide de oude man, beiden beurtelings angstig aanziende. “Waarlijk en wezenlijk? Is het dat? Ik kan mij haast met alles verzoenen dat Walter voorthelpt; maar ik wilde niet dat Walter om mij zich zelven benadeelde, of iets voor mij achterhield. Gij, Edward Cuttle!” zeide de oude man, den kapitein strak aanziende, tot groote verlegenheid van dezen diplomaat; “gaat gij nu oprecht met uw ouden vriend te werk? Spreek op, Edward Cuttle. Steekt er iets achter? Is het goed voor hem dat hij gaat? Waarom, en hoe weet ge dat?”Daar het een kampstrijd van toegenegenheid en zelfverloochening was, kwam Walter den kapitein te hulp, en met hun beiden gelukte het hun Samuel Gills, door lang praten, tamelijk wel met het plan te verzoenen, of liever hem zoodanig te verbijsteren, dat hij niets, zelfs niet het smartelijke der scheiding, meer duidelijk voor den geest had.Hij had niet veel tijd om de zaak te overwegen, want reeds des anderen daags ontving Walter van Carker den Chef de noodige papieren voor zijne uitrusting en zijn overtocht, te gelijk met bericht dat de Zoon en Erfgenaam over veertien dagen, of ten uiterste een paar dagen later, zou uitzeilen. In de drukte der toebereidselen, die Walter met opzet zooveel mogelijk vergrootte, verloor de oude man het weinige besef dat hij nog had, en zoo naderde al spoedig de tijd van vertrek.De kapitein, die niet verzuimde zich van al wat er omging onderricht te houden, door Walter van dag tot dag daarnaar te vragen, bevond dat het er nog altijd bij bleef dat Walter zou vertrekken, zonder dat zich eenige gelegenheid aanbood, of scheen te zullen aanbieden, om beter met zijne vooruitzichten bekend te worden. Het was na lang over den ongelukkigen samenloop van omstandigheden te hebben nagedacht, dat den kapitein een gelukkig denkbeeld inviel. Als hij mijnheer Carker eens ging opzoeken, en vanhempoogde te vernemen hoe de kust eigenlijk lag!Kapitein Cuttle was zeer ingenomen met dit denkbeeld. Hij kreeg het, toen hij eens na het ontbijt zijne pijp zat te rooken, en het was den tabak wel waard. Daardoor zou hij zijn geweten geruststellen, dat, door hetgeen Walter hem toevertrouwd en zijn vriend Gills gezegd had, eenigszins onrustig was geworden; en tevens zou het een slimme trek en een echt bewijs van vriendschap zijn. Hij wilde Carker voorzichtig uithooren, en veel of weinig zeggen, naarmate het karakter van dien heer hem beviel en hij zag dat zij goed of niet goed met elkander te recht kwamen.Zonder eenigszins bang voor Walter te zijn, dien hij wist dat thuis aan het pakken was, versierde kapitein Cuttle zich dus weder met zijne halve laarzen en zijn rouwring, en aanvaardde zijn tweeden tocht. Hij kocht thans geen ruiker om present te doen, dewijl hij naar een kantoor ging; maar stak eene kleine zonnebloem in zijn knoopsgat, om zich daardoor iets vroolijks te geven, en hiermede en met den knoestigen stok en den blinkenden hoed, stapte hij naar het kantoor van Dombey en Zoon.Nadat hij in eene herberg dichtbij een warm glas rum met water had gebruikt, om zijne gedachten wat te verzamelen, haastte zich de kapitein de steeg in, opdat de geest van dien drank niet zou verwasemen, en vertoonde zich op het alleronverwachtst voor Perch den boodschaplooper.“Maatje,” zeide hij op innemenden toon. “Een van uwe gouverneurs heet immers Carker?”Perch stemde dit toe; maar gaf tevens, volgens zijn plicht, te verstaan, dat al zijne gouverneurs belet hadden, en denkelijk nooit weer tijd zouden hebben om iemand te woord te staan.“Hoor eens hier, maatje,” zeide de kapitein vlak aan zijn oor, “ik heet kapitein Cuttle.”De kapitein had Perch zachtjes naar zich toe willen haken, maar deze deinsde terug, niet zoozeer uit vrees, als wel uit schrik bij de plotselinge gedachte, welke gevolgen het onverwachte gezicht, van zulk een wapen wel bij jufvrouw Perch, in hare toenmalige omstandigheden, zou kunnen hebben.“Als ge zoo goed wilt zijn om kapitein Cuttle te rapporteeren, zoodra gij gelegenheid hebt,” zeide de kapitein, “zal ik hier wel wachten.”Met deze woorden zette de kapitein zich op het bankje van Perch, en zijn zakdoek uit den bol van zijn blinkenden hoed nemende, dien hij tusschen zijne knieën klemde (zonder hem eenigszins te beschadigen, want geene menschelijke kracht kon dien hoed indeuken) wreef hij zijn hoofd eens goed daarmede af en scheen toen zeer verfrischt te zijn. Vervolgens streek[117]hij met zijn haak zijne haren glad en bleef toen met eene mengeling van achting en welwillendheid naar de klerken zitten kijken.De kapitein was in zijne onverstoorbare gelijkmoedigheid zulk een geheimzinnig wezen, dat Perch er van ontzette.“Welken naam hebt gij gezegd?” vroeg Perch, naar hem bukkende.—“Kapitein,” schor fluisterend.—“Ja,” zeide Perch met een knikje.—“Cuttle.”—“Zoo!” zeide Perch insgelijks fluisterend. Hij kon het niet laten denzelfden toon aan te nemen; zulk een indruk maakte de diplomatische kapitein. “Ik zal eens gaan zien of hij nu vrij is. Ik weet het niet. Misschien voor eene enkele minuut.”—“Ja, ja, mijn jongen, ik zal hem niet langer dan eene enkele minuut ophouden,” zeide de kapitein, knikkende met al het gewicht dat hij in zijn binnenste gevoelde.Perch kwam spoedig terug en zeide: “Wil kapitein Cuttle maar meegaan?”Carker de Chef, die voor den ledigen haard stond, welke met een uitgeknipt vel grauw papier was versierd, zag den kapitein, toen hij binnenkwam, niet bijzonder bemoedigend aan.“Mijnheer Carker?” zeide kapitein Cuttle.—“Zoo zou ik denken,” antwoordde Carker en liet al zijne tanden zien.Het beviel den kapitein dat hij met een glimlach antwoordde; dat scheen vriendelijk te zijn. “Gij ziet wel,” begon de kapitein, zijne oogen langzaam in het kamertje latende rondgaan en daarvan zooveel overziende als zijne boordjes toelieten, “ik ben zelf een varensman, mijnheer Carker, en Walter, die op uwe lijst staat, is haast zoo goed als een zoon van mij.”—“Walter Gay?” zeide Carker, wederom al zijne tanden toonende.—“Ja wel, juist, Walter Gay,” antwoordde de kapitein, op een toon die zijne warme goedkeuring van Carker’s vlugheid van begrip moest aanduiden. “Ik ben een vertrouwd vriend van hem en zijn oom. Misschien hebt gij uw patroon wel eens van mij hooren spreken?—kapitein Cuttle.”—“Neen,” zeide Carker, zijn mond nog breeder openende.—“Wel,” hervatte de kapitein, “ik heb het pleizier van hem te kennen. Ik ben hem eens daar aan de kust van Sussex gaan opzoeken, met mijn jongen vriend Walter, toen—kortom, toen er eene kleinigheid te schikken was.” De kapitein knikte daarbij op eene manier die te gelijk genoeglijk, onbezorgd, en nadrukkelijk was. “Dat zult ge nog wel onthouden hebben?”—“Ik meen, dat ik de eer had om die zaak te behandelen,” zeide Carker.—“Wel zeker,” hernam de kapitein. “Dat hadt gij ook. Gij hebt alweer gelijk. Nu ben ik zoo vrij om hier te komen …”—“Wilt ge niet gaan zitten?” zeide Carker met een glimlach.—“Verplicht,” antwoordde de kapitein, van het aanbod gebruik makende. “Men kan misschien nog beter praten, als men zit. Wilt gij zelf geen stoel nemen?”—“Bedankt,” zeide Carker, en bleef (misschien omdat hij dit zich des winters had aangewend) met zijn rug tegen den schoorsteenmantel staan, op den kapitein neerziende met een oog in elken tand. “Ge zijt zoo vrij geweest, zegt ge—maar gij behoeft geen complimenten te maken …”—“Dankje vriendelijk, mijn jongen,” hernam de kapitein. “Ik kom dan hier voor mijn vriend Walter. Samuel Gills, zijn oom, is een man van kunde, en in de wetenschap is hij een bram; maar hij is eigenlijk niet wat ik een bevaren zeeman zou noemen—geen man vanpraktijk. Walter is zulk een ferme jongen als er ooit een geloopen heeft; maar in één opzicht is hij een beetje flauw, en dat is in zijne bescheidenheid. Nu wenschte ik u te vragen,” zeide de kapitein, zijne stem tot eene soort van vertrouwelijk gebrom latende dalen, “geheel vriendschappelijk onder ons, tot ik uw patroon eens kan praaien—is hier alles gezond aan boord, en zal Walter met een goeden wind buitengaats komen?”—“Wat denkt gij er van, kapitein Cuttle?” antwoordde Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wat meer op zijn gemak plaatsende. “Gij zijt een man vanpraktijk; wat denkt gij er van?”De slimheid en veelzijdige beteekenis van des kapiteins oog, toen hij, in plaats van te antwoorden, daarmede lonkte, zouden geene woorden, of het moesten de vroeger gemelde onuitsprekelijke Chineesche woorden zijn, kunnen uitdrukken.“Kom aan!” zeide de kapitein, geheel verademd. “Wat zegt gij? Heb ik gelijk of niet?”Zooveel had de kapitein, door Carker’s glimlachende beleefdheid aangemoedigd, met zijn blik te kennen gegeven, dat hij zich evenzeer bevoegd achtte om deze vraag te doen, alsof hij zijne gevoelens met de grootste uitvoerigheid had ontwikkeld.“Gelijk,” zeide Carker, “daar twijfel ik niet aan.”—“Dus mooi weer te wachten, zeg ik,” riep kapitein Cuttle uit.Carker lachte toestemmend.“De wind vlak van achteren, en eene frissche koelte,” vervolgde de kapitein.Carker glimlachte weder.“Zoo, zoo!” zeide kapitein Cuttle, zeer in zijn schik. “Ik weet wel wat voor koers er gezeild zal worden, en dat heb ik Walter ook gezegd. Wel bedankt, wel bedankt!”—“Gay heeft heerlijke vooruitzichten,” merkte Carker aan en trok zijn mond nog breeder open. “De geheele wereld voor zich.”—“De geheele wereld voor zich en een vrouwtje op het oog,” antwoordde de opgetogen kapitein.Dit gezegde was hem eigenlijk onverhoeds ontvallen, maar dat behoefde hem niet te spijten, dacht hij. Hij knipte eens met zijne oogen, zette[118]zijn blinkenden hoed op den knoestigen knop van zijn stok, liet hem daarop ronddraaien, en zag zijn altijd glimlachenden vriend schuins aan.“Ik wil een pintje echte oude rum verwedden,” zeide de kapitein, “dat ik weet waarom gij lacht.”Carker was schrander genoeg om nog sterker te glimlachen.“Maar het gaat niet verder?” zeide de kapitein, en stiet eens met zijn stok tegen de deur om zich te verzekeren dat die gesloten was.—“Zeker niet,” zeide Carker.—“Gij denkt misschien aan eene groote F?” zeide de kapitein.Carker ontkende het niet.“En dan eene L en eene O,” zeide de kapitein.Carker glimlachte nog altijd.“Heb ik weer gelijk?” fluisterde de kapitein, terwijl de roode streep over zijn voorhoofd, in zijne zegevierende blijdschap, nog eens zoo vurig werd.Daar Carker nog glimlachte en nu toestemmend knikte, stond de kapitein op, drukte hem de hand en verzekerde hem met warmte dat zij beiden over denzelfden boeg zeilden, en dat wat hem (kapitein Cuttle) betrof, hij al lang dien koers had willen houden. “Hij heeft haar het eerst op eene ongewone manier leeren kennen,” zeide de kapitein, met al den ernst en de voorzichtigheid die het onderwerp vereischte—“gij weet wel dat hij haar eens op straat vond, toen zij nog maar een kind was,—en hij heeft altijd van haar gehouden, en zij van hem, zooveel als zulke jonge luidjes maar kunnen doen. Wij hebben altijd gezegd, Sam Gills en ik, dat zij voor elkander geknipt waren.”Eene kat, of een aap, of een hyena, of een doodskop had den kapitein niet meer tanden te gelijk kunnen laten zien, dan Carker hem op dit punt van het gesprek vertoonde.“Er loopt eene sterke strooming dien kant heen,” merkte de vergenoegde kapitein aan. “Wind en water helpen elkander, ziet ge wel. Bedenk maar, dat hij daar laatst ook weer bij moest wezen.”—“Zeer gunstig voor zijne hoop,” zeide Carker.—“Bedenk dat hij in het zog van dien dag werd mee geboegseerd!” vervolgde de kapitein. “Wat kan nu het sleeptouw kappen?”—“Niets,” antwoordde Carker.—“Gij hebt al weer gelijk,” zeide de kapitein, hem nogmaals de hand drukkende. “Niets! Sta vast dus! Er is een zoontje gestorven—een aardig jongetje. Niet waar?”—“Ja, er is een zoontje gestorven,” antwoordde de alles toestemmende Carker.—“Welnu, er is al een ander voor u klaar,” zeide de kapitein. “Een neef van een knap man! Een neef van Sam Gills. Walter, die in al uwe zaken is, die alle dag in uw huis en uw hart komt!” zeide de kapitein, zijne stem verheffende om dit dichterlijke slot uit te spreken.De zelfvoldoening waarmede de kapitein Carker bij ieder gezegde zachtjes met zijn elleboog aanstiet, kon door niets overtroffen worden dan door de opgetogenheid waarmede hij, na dit schitterend staaltje van schranderheid en welsprekendheid, een stap achterwaarts deed en hem aankeek.“Heb ik geen gelijk?” zeide de kapitein.—“Kapitein Cuttle,” zeide Carker, op een toon die eenigszins zonderling had kunnen schijnen, “in hetgeen gij daar van Walter Gay en zijne vooruitzichten hebt gezegd, hebt gij volkomen gelijk. Ik begrijp dat wij in vertrouwen met elkander spreken.”—“Op mijne eer!” viel de kapitein er op in. “Geen woord!”—“Tegen hem of iemand anders?” hernam Carker.De kapitein trok zijne wenkbrauwen samen en schudde zijn hoofd.“Maar alleen voor uwe eigene gerustheid, en ook natuurlijk om u voor het vervolg naar te richten,” zeide Carker.—“Ik dank je wel vriendelijk,” zeide de kapitein, met groote aandacht luisterende.—“Ik maak geen bezwaar om te zeggen dat gij alle waarschijnlijkheden zeer juist hebt geraden.”—“En wat uw patroon betreft,” zeide de kapitein, “een onderhoud tusschen ons moet maar liefst ongezocht van zelf komen. Er is tijd genoeg.”Met een mond van het eene oor tot het andere, herhaalde Carker: “Tijd genoeg!” Hij sprak de woorden niet uit, maar knikte slechts vriendelijk, en vormde ze met zijne lippen.“En daar ik nu weet—wat ik altijd gezegd heb—dat Walter op weg is om zijn fortuin te maken,” zeide de kapitein.—“Om zijn fortuin te maken,” herhaalde Carker, even klankloos als te voren.—“En dat hij dat reisje maar gaat doen als een stukje, om zoo te zeggen, van zijn gewone werk, en toch hier de beste vooruitzichten houdt,” zeide de kapitein.—“De beste vooruitzichten houdt,” herhaalde Carker alweder op dezelfde manier.—“Wel, zoolang ik dat weet,” vervolgde de kapitein, “is er geen haast en ben ik gerust.”Daar Carker wederom glimlachte en knikte, werd kapitein Cuttle ten sterkste in zijn gevoelen bevestigd, dat hij een van de aardigste menschen was, die hij ooit had gezien, en dat zelfs mijnheer Dombey zich naar zulk een model zou kunnen verbeteren. Met groote hartelijkheid stak hij dus nogmaals zijne geduchte hand toe (die in kleur vrij wel naar een oud scheepsblok geleek) en gaf Carker een kneep, welke op zijn zachter vleesch een proefdruk van de barsten en spleten naliet waarmede de palm des kapiteins rijkelijkgetatoeëerdwas.“Vaar wel!” zeide de kapitein. “Ik ben geen man van veel woorden, maar ik blijf u wel dankbaar dat gij zoo vriendschappelijk en rondborstig zijt geweest. Gij zult het wel verschoonen als ik wat vrijpostig geweest ben, niet waar?”[119]—“Geheel niet!” was het antwoord.—“Wel bedankt. Mijn kajuitje is niet heel ruim,” zeide de kapitein, nog eens terugkomende, “maar nog al aardig; en als gij ooit dicht bijBrig Place, nommer negen, mocht komen—wilt ge dat opschrijven?—en naar boven gaan, zonder u te storen aan iets dat iemand beneden aan de deur misschien mocht zeggen—zou ik mij zeer vereerd houden.”Met deze gastvrije noodiging zeide de kapitein goedendag! ging heen en sloot de deur, terwijl Carker tegen den schoorsteenmantel bleef staan leunen. Zijne sluwe oogen en valsche mond, nog uitgerekt, maar nu niet glimlachend; zijne hagelwitte das; zijn bakkebaard; zelfs het stille strijken van de zachte hand over zijn wit linnengoed en zijn glad gezicht, alles had iets gruwelijk katachtigs.De argelooze kapitein stapte heen met eene zelfvoldoening, die zijne blauwe jas een geheel nieuw fatsoen scheen te geven. “Goed zoo, Ned!” zeide hij bij zich zelven. “Vandaag hebt ge toch iets voor de jongelui gedaan, mijn jongen!”Eenigszins opgeblazen over zijne gemeenzaamheid, van vroeger en in het vooruitzicht, met den patroon, kon de kapitein, toen hij het groote kantoor bereikte, niet nalaten Perch een weinigje voor den gek te houden en te vragen of hij nog dacht dat iedereen belet had. Maar om een man, die slechts zijn plicht had gedaan niet al te hard te vallen, fluisterde de kapitein hem in het oor, dat hij, als hij lust had in een glas grog, maar moest meegaan, en het dan hartelijk gaarne tot zijn dienst was.Eer hij geheel heenging, keek de kapitein, eenigszins tot verbazing der klerken, het kantoor eens op zijn gemak in het rond, als een gedeelte van iets waarin zijn jonge vriend van nabij belang had. Het brandkamertje wekte vooral zijne bewondering op; maar om niet te vrijpostig te schijnen, bepaalde hij zich tot een enkelen goedkeurenden blik, en stapte, na de klerken in het algemeen met goedgunstige beleefdheid gegroet te hebben, de straat op. Daar Perch hem spoedig volgde, bracht hij dezen heer naar de herberg en vervulde zijne belofte—haastig, want de tijd van Perch was kostbaar.“Ik zal u een toast geven,” zeide de kapitein, toen het glas bijna uit was en hij met eene dikke tong begon te spreken. “Waller!”—“Wie?” zeide Perch.—“Waller!” herhaalde de kapitein met eene dreunende stem.Perch, die zich flauw herinnerde in zijne jeugd eens van een dichter van dien naam te hebben gehoord, maakte wel geen bezwaar, maar was toch zeer verwonderd dat de kapitein naar de City kwam om de gezondheid van een dichter te drinken; hij had het bijna niet vreemder kunnen vinden als iemand had voorgesteld om in eene straat van de City het standbeeld van een dichter—vanShakespearebij voorbeeld —te plaatsen. Over het geheel was de kapitein zulk een geheimzinnig en onbegrijpelijk personage, dat Perch zich voornam om zijne vrouw maar niet van hem te vertellen, uit vrees dat dit onaangename gevolgen mocht hebben.Geheimzinnig en onbegrijpelijk bleef de kapitein—vervuld van de bewustheid dat hij iets voor de jongelieden gedaan had—den geheelen dag, zelfs voor zijne vertrouwdste vrienden, en indien Walter zijn wenken engrinnikenniet aan zijn genoegen over het goed gevolg van het onschuldige bedrog, dat zij den ouden Gills speelden, hadtoegeschreven, zou hij zich zeker voor dien avond verraden hebben. Thans echter bewaarde hij zijn geheim, en ging laat van den instrumentmaker naar huis, met zijn blinkenden hoed zoo sterk op zijde en zulk eene zalige uitdrukking in zijne oogen, dat jufvrouw MacStinger (die wel bij doctor Blimber opgevoed had kunnen zijn, zulk eene romeinsche matrone was zij) zich op zijn eerste gezicht achter de opene straatdeur verschanste en niet daar vandaan kwam, om naar hare lieve kindertjes te kijken, eer hij veilig op zijne eigene kamer was.
[Inhoud]XVII.KAPITEIN CUTTLE DOET IETS VOOR DE JONGELIEDEN.Vertrouwende op dat verbazende talent voor onpeilbaar diep berekende listen, waarmede hij (gelijk bij menschen van klaar doorzichtige eenvoudigheid niet ongewoon is) oprecht geloofde door de natuur begaafd te zijn, was kapitein Cuttle op dien gewichtigen zondag naar het huis van Dombey gegaan, den geheelen weg over knipoogende om zijne overtollige slimheid lucht te geven, en had zich in den vollen glans zijner halve laarzen voor Towlinson vertoond. Van dien persoon vernemende welk eene ramp het huis bedreigde, was de kapitein uit kieschheid en ontsteltenis terstond weder heengegaan, alleen den ruiker overgevende, als een klein bewijs zijner deelneming, waarbij hij verzocht de familie zijn eerbiedig compliment te doen, en zijne hoop te kennen gaf dat zij in deze omstandigheden het maar scherp bij den wind zouden houden, met eene belofte dat hij “morgen wel eens weer zou praaien.”Van het compliment des kapiteins werd nooit weder iets gehoord. Zijn ruiker bleef in het voorhuis liggen tot hij des anderen daags in den vuilnisbak werd geworpen, en de slimme berekening des kapiteins werd, te gelijk met veel hooger plannen en uitzichten, door éénongelukverijdeld. Zoo moeten, wanneer een sneeuwval een bosch vernielt, de heesters en struiken met de boomen lijden, en allen te zamen vergaan.Toen Walter op dien zondagavond van zijne wandeling, die zulk een merkwaardig einde had gehad, terugkwam, was hij in het eerst te vol van de tijding die hij medebracht, en van de aandoeningen welke het bijgewoonde tooneel natuurlijk in zijn gemoed had opgewekt, om op te merken dat zijn oom blijkbaar nog onbekend was met het bericht, dat de kapitein hem zou hebben medegedeeld, of dat[115]de kapitein met zijn haak seinen maakte ten einde hem te waarschuwen om niet van de zaak te spreken. Niet dat de seinen des kapiteins zeer begrijpelijk zouden geweest zijn, al had men er nog zoo nauwkeurig op gelet; want gelijk de Chineesche wijzen, die men zegt dat in hunne redetwisten zekere geleerde woorden, die volstrekt niet kunnen uitgesproken worden, met trekken in de lucht schrijven, maakte de kapitein zulke zwaaien en zwieren, dat iemand, die niet vooraf met zijn geheim bekend was, ze met geene mogelijkheid kon uitleggen.Kapitein Cuttle zag echter, toen hij hoorde wat er gebeurd was, van deze pogingen af, daar hij begreep welke geringe kans er nu bestond om voor den tijd van Walter’s vertrek een gemeenzaam praatje met Dombey te hebben. Maar terwijl hij, met een bedrukt gezicht, zich zelven toegaf, dat Samuel Gills het hooren en Walter gaan moest—de zaak thans nemende gelijk zij was, zonder dat zij door de slimme tusschenkomst van een vriend kon toegelicht of verbeterd worden—bleef de kapitein toch een onverflauwd vertrouwen koesteren, dat hij, Ned Cuttle, de man voor mijnheer Dombey was, en dat er, om Walter’s fortuin klaar te maken, niets anders noodig was dan dat zij eens met hun beiden bij elkander kwamen. Want de kapitein kon nooit vergeten hoe goed hij en Dombey teBrightonmet elkander te recht waren gekomen; hoe welgepast zij beiden, als het noodig was, een woordje hadden gesproken; hoe wel zij elkander hadden begrepen, en hoe hij, Ned Cuttle, in den eersten nood die uitkomst had aangewezen, en de onderhandeling tot een gewenscht einde gebracht. Op al deze gronden troostte de kapitein zich met de gedachte dat hij, schoon de omstandigheden hem nu noodzaakten om werkeloos voor anker te blijven liggen, toch door den tijd de zeilen in top zou halen en zich door alles heenslaan.Onder den invloed dezer goedhartige zelfbegoocheling, begon kapitein Cuttle, terwijl hij Walter zat aan te kijken en met een traan op zijn boordje naar zijn verhaal te luisteren, zelfs te overleggen, of het niet te gelijk beleefd en politiek zou zijn, mijnheer Dombey, als zij elkander eens zagen, eene mondelinge uitnoodiging te geven om, wanneer het hem maar schikte, eens inBrig Placebij hem te komen eten, en dan onder een gezellig glas over de vooruitzichten van zijn jongen vriend te praten. Doch het onzekere humeur van jufvrouw MacStinger, en de mogelijkheid dat zij onder zulk een onthaal in den gang zou gaan staan en daar eene lang niet vleiende predikatie houden, maakte den kapitein beschroomd om aan deze gastvrije gedachten voet te geven.Eén ding was den kapitein, terwijl Walter over het gebeurde uitweidde, volkomen duidelijk; namelijk dat, hoewel Walter’s bescheidenheid hem mocht beletten om dit zelf te zien, hij toch zoo goed als een lid van mijnheer Dombey’s huisgezin was. Hij was in persoon bij de gebeurtenis, die hij zoo aandoenlijk beschreef, tegenwoordig geweest, hij was er met name bij genoemd en geprezen, en zijn geluk moest in de oogen van zijn patroon eene zaak van bijzonder gewicht zijn. Indien de kapitein nog heimelijk eenigszins aan zijne eigene redeneering twijfelde, twijfelde hij toch volstrekt niet of zij zou voor de gemoedsrust van den ouden instrumentmaker goed kunnen zijn. Hij nam dus een gunstig oogenblik waar, om zijn ouden vriend de zending naarWest-Indië, als eene buitengewone bevordering, mede te deelen, en verklaarde daarbij dat hij gaarne honderd duizend pond (als hij ze had) zou willen geven voor het voordeel dat Walter eens daaruit zou trekken, en niet twijfelde of hij zou dan nog eene goede som winnen.Samuel Gills was door dit bericht, dat als een donderslag in het achterkamertje neerviel, in het eerst geheel versuft. Maar dekapiteinliet zulke gulden beloften voor zijne benevelde oogen schitteren: gaf zulke geheimzinnige wenken van Whittingtoniaansche gevolgen, legde zooveel nadruk op hetgeen Walter pas verhaald had, en noemde dit zoo stoutweg eene bevestiging zijner vroegere voorspellingen, dat hij den ouden man geheel verbijsterde. Walter, aan zijn kant, veinsde zoo vol hoop en ijver te zijn, en zich zoo zeker te houden van spoedig weder naar huis te komen, en hij ondersteunde den kapitein met zulk een nadrukkelijk hoofdknikken en handenwuiven, dat Samuel, eerst hem en daarna Cuttle aanziende, begon te denken dat hij opgetogen van blijdschap behoorde te zijn.“Maar ik ben bij mijn tijd ten achter, weet ge,” merkte hij verontschuldigend aan, en streek zenuwachtig met zijne hand langs de blinkende knoopen van zijn rok op en neer, alsof zij de kralen van een rozenkrans waren, die hij telde, “en ik zou mijn lieven jongen liever hier houden. Het is een ouderwetsch begrip, denk ik wel. Hij heeft altijd veel van de zee gehouden. Hij is,” hier zag hij Walter oplettend aan, “hij is blij dat hij gaat.”—“Oom Sam!” riep Walter haastig uit. “Als gij dat zegt, wil ik niet gaan. Neen, kapitein Cuttle, dan wil ik niet. Als mijn oom denkt dat ik blij zou kunnen zijn dat ik hem verliet, al was het om gouverneur van al de eilanden inWest-Indiëte worden, dat is genoeg. Ik blijf hier.”—“Walter mijn jongen,” zeide kapitein Cuttle. “Sta vast. Sam Gills, richt den kijker eens op uw neef.”Den statigen zwaai van des kapiteins haak met zijne oogen volgende, richtte de oude man deze op Walter.[116]“Hier is zekere bodem,” zeide de kapitein, met trotsche bewustheid van de beeldspraak waartoe hij zich verhief, “die op zekere reis zal uitgaan. Welke naam staat er onuitwischbaar op den spiegel geschilderd? Is het de Gay? of” zeide de kapitein, zijne stem verheffende, als wilde hij zeggen, let eens op het geestige hiervan, “is het de Gills?”—“Edward,” zeide de oude man, Walter naar zich toetrekkende, en diens arm met teedere vriendelijkheid onder den zijnen nemende, “ik weet het wel. Ik weet het wel. Ik weet natuurlijk wel dat Walter altijd meer om mij dan om zich zelven denkt. Dat onthoud ik wel. Als ik zeg dat hij blij is, meen ik, dat ik dat hoop. Ziet ge wel, Edward, en gij ook, Walter, dit is iets nieuws en onverwachts; en ik vrees, dat ik zoo bij mijn tijd ten achter ben gebleven en zoo arm ben, er de eigenlijke reden van is. Is het waarlijk een fortuintje voor hem, zeg mij dat nu?” zeide de oude man, beiden beurtelings angstig aanziende. “Waarlijk en wezenlijk? Is het dat? Ik kan mij haast met alles verzoenen dat Walter voorthelpt; maar ik wilde niet dat Walter om mij zich zelven benadeelde, of iets voor mij achterhield. Gij, Edward Cuttle!” zeide de oude man, den kapitein strak aanziende, tot groote verlegenheid van dezen diplomaat; “gaat gij nu oprecht met uw ouden vriend te werk? Spreek op, Edward Cuttle. Steekt er iets achter? Is het goed voor hem dat hij gaat? Waarom, en hoe weet ge dat?”Daar het een kampstrijd van toegenegenheid en zelfverloochening was, kwam Walter den kapitein te hulp, en met hun beiden gelukte het hun Samuel Gills, door lang praten, tamelijk wel met het plan te verzoenen, of liever hem zoodanig te verbijsteren, dat hij niets, zelfs niet het smartelijke der scheiding, meer duidelijk voor den geest had.Hij had niet veel tijd om de zaak te overwegen, want reeds des anderen daags ontving Walter van Carker den Chef de noodige papieren voor zijne uitrusting en zijn overtocht, te gelijk met bericht dat de Zoon en Erfgenaam over veertien dagen, of ten uiterste een paar dagen later, zou uitzeilen. In de drukte der toebereidselen, die Walter met opzet zooveel mogelijk vergrootte, verloor de oude man het weinige besef dat hij nog had, en zoo naderde al spoedig de tijd van vertrek.De kapitein, die niet verzuimde zich van al wat er omging onderricht te houden, door Walter van dag tot dag daarnaar te vragen, bevond dat het er nog altijd bij bleef dat Walter zou vertrekken, zonder dat zich eenige gelegenheid aanbood, of scheen te zullen aanbieden, om beter met zijne vooruitzichten bekend te worden. Het was na lang over den ongelukkigen samenloop van omstandigheden te hebben nagedacht, dat den kapitein een gelukkig denkbeeld inviel. Als hij mijnheer Carker eens ging opzoeken, en vanhempoogde te vernemen hoe de kust eigenlijk lag!Kapitein Cuttle was zeer ingenomen met dit denkbeeld. Hij kreeg het, toen hij eens na het ontbijt zijne pijp zat te rooken, en het was den tabak wel waard. Daardoor zou hij zijn geweten geruststellen, dat, door hetgeen Walter hem toevertrouwd en zijn vriend Gills gezegd had, eenigszins onrustig was geworden; en tevens zou het een slimme trek en een echt bewijs van vriendschap zijn. Hij wilde Carker voorzichtig uithooren, en veel of weinig zeggen, naarmate het karakter van dien heer hem beviel en hij zag dat zij goed of niet goed met elkander te recht kwamen.Zonder eenigszins bang voor Walter te zijn, dien hij wist dat thuis aan het pakken was, versierde kapitein Cuttle zich dus weder met zijne halve laarzen en zijn rouwring, en aanvaardde zijn tweeden tocht. Hij kocht thans geen ruiker om present te doen, dewijl hij naar een kantoor ging; maar stak eene kleine zonnebloem in zijn knoopsgat, om zich daardoor iets vroolijks te geven, en hiermede en met den knoestigen stok en den blinkenden hoed, stapte hij naar het kantoor van Dombey en Zoon.Nadat hij in eene herberg dichtbij een warm glas rum met water had gebruikt, om zijne gedachten wat te verzamelen, haastte zich de kapitein de steeg in, opdat de geest van dien drank niet zou verwasemen, en vertoonde zich op het alleronverwachtst voor Perch den boodschaplooper.“Maatje,” zeide hij op innemenden toon. “Een van uwe gouverneurs heet immers Carker?”Perch stemde dit toe; maar gaf tevens, volgens zijn plicht, te verstaan, dat al zijne gouverneurs belet hadden, en denkelijk nooit weer tijd zouden hebben om iemand te woord te staan.“Hoor eens hier, maatje,” zeide de kapitein vlak aan zijn oor, “ik heet kapitein Cuttle.”De kapitein had Perch zachtjes naar zich toe willen haken, maar deze deinsde terug, niet zoozeer uit vrees, als wel uit schrik bij de plotselinge gedachte, welke gevolgen het onverwachte gezicht, van zulk een wapen wel bij jufvrouw Perch, in hare toenmalige omstandigheden, zou kunnen hebben.“Als ge zoo goed wilt zijn om kapitein Cuttle te rapporteeren, zoodra gij gelegenheid hebt,” zeide de kapitein, “zal ik hier wel wachten.”Met deze woorden zette de kapitein zich op het bankje van Perch, en zijn zakdoek uit den bol van zijn blinkenden hoed nemende, dien hij tusschen zijne knieën klemde (zonder hem eenigszins te beschadigen, want geene menschelijke kracht kon dien hoed indeuken) wreef hij zijn hoofd eens goed daarmede af en scheen toen zeer verfrischt te zijn. Vervolgens streek[117]hij met zijn haak zijne haren glad en bleef toen met eene mengeling van achting en welwillendheid naar de klerken zitten kijken.De kapitein was in zijne onverstoorbare gelijkmoedigheid zulk een geheimzinnig wezen, dat Perch er van ontzette.“Welken naam hebt gij gezegd?” vroeg Perch, naar hem bukkende.—“Kapitein,” schor fluisterend.—“Ja,” zeide Perch met een knikje.—“Cuttle.”—“Zoo!” zeide Perch insgelijks fluisterend. Hij kon het niet laten denzelfden toon aan te nemen; zulk een indruk maakte de diplomatische kapitein. “Ik zal eens gaan zien of hij nu vrij is. Ik weet het niet. Misschien voor eene enkele minuut.”—“Ja, ja, mijn jongen, ik zal hem niet langer dan eene enkele minuut ophouden,” zeide de kapitein, knikkende met al het gewicht dat hij in zijn binnenste gevoelde.Perch kwam spoedig terug en zeide: “Wil kapitein Cuttle maar meegaan?”Carker de Chef, die voor den ledigen haard stond, welke met een uitgeknipt vel grauw papier was versierd, zag den kapitein, toen hij binnenkwam, niet bijzonder bemoedigend aan.“Mijnheer Carker?” zeide kapitein Cuttle.—“Zoo zou ik denken,” antwoordde Carker en liet al zijne tanden zien.Het beviel den kapitein dat hij met een glimlach antwoordde; dat scheen vriendelijk te zijn. “Gij ziet wel,” begon de kapitein, zijne oogen langzaam in het kamertje latende rondgaan en daarvan zooveel overziende als zijne boordjes toelieten, “ik ben zelf een varensman, mijnheer Carker, en Walter, die op uwe lijst staat, is haast zoo goed als een zoon van mij.”—“Walter Gay?” zeide Carker, wederom al zijne tanden toonende.—“Ja wel, juist, Walter Gay,” antwoordde de kapitein, op een toon die zijne warme goedkeuring van Carker’s vlugheid van begrip moest aanduiden. “Ik ben een vertrouwd vriend van hem en zijn oom. Misschien hebt gij uw patroon wel eens van mij hooren spreken?—kapitein Cuttle.”—“Neen,” zeide Carker, zijn mond nog breeder openende.—“Wel,” hervatte de kapitein, “ik heb het pleizier van hem te kennen. Ik ben hem eens daar aan de kust van Sussex gaan opzoeken, met mijn jongen vriend Walter, toen—kortom, toen er eene kleinigheid te schikken was.” De kapitein knikte daarbij op eene manier die te gelijk genoeglijk, onbezorgd, en nadrukkelijk was. “Dat zult ge nog wel onthouden hebben?”—“Ik meen, dat ik de eer had om die zaak te behandelen,” zeide Carker.—“Wel zeker,” hernam de kapitein. “Dat hadt gij ook. Gij hebt alweer gelijk. Nu ben ik zoo vrij om hier te komen …”—“Wilt ge niet gaan zitten?” zeide Carker met een glimlach.—“Verplicht,” antwoordde de kapitein, van het aanbod gebruik makende. “Men kan misschien nog beter praten, als men zit. Wilt gij zelf geen stoel nemen?”—“Bedankt,” zeide Carker, en bleef (misschien omdat hij dit zich des winters had aangewend) met zijn rug tegen den schoorsteenmantel staan, op den kapitein neerziende met een oog in elken tand. “Ge zijt zoo vrij geweest, zegt ge—maar gij behoeft geen complimenten te maken …”—“Dankje vriendelijk, mijn jongen,” hernam de kapitein. “Ik kom dan hier voor mijn vriend Walter. Samuel Gills, zijn oom, is een man van kunde, en in de wetenschap is hij een bram; maar hij is eigenlijk niet wat ik een bevaren zeeman zou noemen—geen man vanpraktijk. Walter is zulk een ferme jongen als er ooit een geloopen heeft; maar in één opzicht is hij een beetje flauw, en dat is in zijne bescheidenheid. Nu wenschte ik u te vragen,” zeide de kapitein, zijne stem tot eene soort van vertrouwelijk gebrom latende dalen, “geheel vriendschappelijk onder ons, tot ik uw patroon eens kan praaien—is hier alles gezond aan boord, en zal Walter met een goeden wind buitengaats komen?”—“Wat denkt gij er van, kapitein Cuttle?” antwoordde Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wat meer op zijn gemak plaatsende. “Gij zijt een man vanpraktijk; wat denkt gij er van?”De slimheid en veelzijdige beteekenis van des kapiteins oog, toen hij, in plaats van te antwoorden, daarmede lonkte, zouden geene woorden, of het moesten de vroeger gemelde onuitsprekelijke Chineesche woorden zijn, kunnen uitdrukken.“Kom aan!” zeide de kapitein, geheel verademd. “Wat zegt gij? Heb ik gelijk of niet?”Zooveel had de kapitein, door Carker’s glimlachende beleefdheid aangemoedigd, met zijn blik te kennen gegeven, dat hij zich evenzeer bevoegd achtte om deze vraag te doen, alsof hij zijne gevoelens met de grootste uitvoerigheid had ontwikkeld.“Gelijk,” zeide Carker, “daar twijfel ik niet aan.”—“Dus mooi weer te wachten, zeg ik,” riep kapitein Cuttle uit.Carker lachte toestemmend.“De wind vlak van achteren, en eene frissche koelte,” vervolgde de kapitein.Carker glimlachte weder.“Zoo, zoo!” zeide kapitein Cuttle, zeer in zijn schik. “Ik weet wel wat voor koers er gezeild zal worden, en dat heb ik Walter ook gezegd. Wel bedankt, wel bedankt!”—“Gay heeft heerlijke vooruitzichten,” merkte Carker aan en trok zijn mond nog breeder open. “De geheele wereld voor zich.”—“De geheele wereld voor zich en een vrouwtje op het oog,” antwoordde de opgetogen kapitein.Dit gezegde was hem eigenlijk onverhoeds ontvallen, maar dat behoefde hem niet te spijten, dacht hij. Hij knipte eens met zijne oogen, zette[118]zijn blinkenden hoed op den knoestigen knop van zijn stok, liet hem daarop ronddraaien, en zag zijn altijd glimlachenden vriend schuins aan.“Ik wil een pintje echte oude rum verwedden,” zeide de kapitein, “dat ik weet waarom gij lacht.”Carker was schrander genoeg om nog sterker te glimlachen.“Maar het gaat niet verder?” zeide de kapitein, en stiet eens met zijn stok tegen de deur om zich te verzekeren dat die gesloten was.—“Zeker niet,” zeide Carker.—“Gij denkt misschien aan eene groote F?” zeide de kapitein.Carker ontkende het niet.“En dan eene L en eene O,” zeide de kapitein.Carker glimlachte nog altijd.“Heb ik weer gelijk?” fluisterde de kapitein, terwijl de roode streep over zijn voorhoofd, in zijne zegevierende blijdschap, nog eens zoo vurig werd.Daar Carker nog glimlachte en nu toestemmend knikte, stond de kapitein op, drukte hem de hand en verzekerde hem met warmte dat zij beiden over denzelfden boeg zeilden, en dat wat hem (kapitein Cuttle) betrof, hij al lang dien koers had willen houden. “Hij heeft haar het eerst op eene ongewone manier leeren kennen,” zeide de kapitein, met al den ernst en de voorzichtigheid die het onderwerp vereischte—“gij weet wel dat hij haar eens op straat vond, toen zij nog maar een kind was,—en hij heeft altijd van haar gehouden, en zij van hem, zooveel als zulke jonge luidjes maar kunnen doen. Wij hebben altijd gezegd, Sam Gills en ik, dat zij voor elkander geknipt waren.”Eene kat, of een aap, of een hyena, of een doodskop had den kapitein niet meer tanden te gelijk kunnen laten zien, dan Carker hem op dit punt van het gesprek vertoonde.“Er loopt eene sterke strooming dien kant heen,” merkte de vergenoegde kapitein aan. “Wind en water helpen elkander, ziet ge wel. Bedenk maar, dat hij daar laatst ook weer bij moest wezen.”—“Zeer gunstig voor zijne hoop,” zeide Carker.—“Bedenk dat hij in het zog van dien dag werd mee geboegseerd!” vervolgde de kapitein. “Wat kan nu het sleeptouw kappen?”—“Niets,” antwoordde Carker.—“Gij hebt al weer gelijk,” zeide de kapitein, hem nogmaals de hand drukkende. “Niets! Sta vast dus! Er is een zoontje gestorven—een aardig jongetje. Niet waar?”—“Ja, er is een zoontje gestorven,” antwoordde de alles toestemmende Carker.—“Welnu, er is al een ander voor u klaar,” zeide de kapitein. “Een neef van een knap man! Een neef van Sam Gills. Walter, die in al uwe zaken is, die alle dag in uw huis en uw hart komt!” zeide de kapitein, zijne stem verheffende om dit dichterlijke slot uit te spreken.De zelfvoldoening waarmede de kapitein Carker bij ieder gezegde zachtjes met zijn elleboog aanstiet, kon door niets overtroffen worden dan door de opgetogenheid waarmede hij, na dit schitterend staaltje van schranderheid en welsprekendheid, een stap achterwaarts deed en hem aankeek.“Heb ik geen gelijk?” zeide de kapitein.—“Kapitein Cuttle,” zeide Carker, op een toon die eenigszins zonderling had kunnen schijnen, “in hetgeen gij daar van Walter Gay en zijne vooruitzichten hebt gezegd, hebt gij volkomen gelijk. Ik begrijp dat wij in vertrouwen met elkander spreken.”—“Op mijne eer!” viel de kapitein er op in. “Geen woord!”—“Tegen hem of iemand anders?” hernam Carker.De kapitein trok zijne wenkbrauwen samen en schudde zijn hoofd.“Maar alleen voor uwe eigene gerustheid, en ook natuurlijk om u voor het vervolg naar te richten,” zeide Carker.—“Ik dank je wel vriendelijk,” zeide de kapitein, met groote aandacht luisterende.—“Ik maak geen bezwaar om te zeggen dat gij alle waarschijnlijkheden zeer juist hebt geraden.”—“En wat uw patroon betreft,” zeide de kapitein, “een onderhoud tusschen ons moet maar liefst ongezocht van zelf komen. Er is tijd genoeg.”Met een mond van het eene oor tot het andere, herhaalde Carker: “Tijd genoeg!” Hij sprak de woorden niet uit, maar knikte slechts vriendelijk, en vormde ze met zijne lippen.“En daar ik nu weet—wat ik altijd gezegd heb—dat Walter op weg is om zijn fortuin te maken,” zeide de kapitein.—“Om zijn fortuin te maken,” herhaalde Carker, even klankloos als te voren.—“En dat hij dat reisje maar gaat doen als een stukje, om zoo te zeggen, van zijn gewone werk, en toch hier de beste vooruitzichten houdt,” zeide de kapitein.—“De beste vooruitzichten houdt,” herhaalde Carker alweder op dezelfde manier.—“Wel, zoolang ik dat weet,” vervolgde de kapitein, “is er geen haast en ben ik gerust.”Daar Carker wederom glimlachte en knikte, werd kapitein Cuttle ten sterkste in zijn gevoelen bevestigd, dat hij een van de aardigste menschen was, die hij ooit had gezien, en dat zelfs mijnheer Dombey zich naar zulk een model zou kunnen verbeteren. Met groote hartelijkheid stak hij dus nogmaals zijne geduchte hand toe (die in kleur vrij wel naar een oud scheepsblok geleek) en gaf Carker een kneep, welke op zijn zachter vleesch een proefdruk van de barsten en spleten naliet waarmede de palm des kapiteins rijkelijkgetatoeëerdwas.“Vaar wel!” zeide de kapitein. “Ik ben geen man van veel woorden, maar ik blijf u wel dankbaar dat gij zoo vriendschappelijk en rondborstig zijt geweest. Gij zult het wel verschoonen als ik wat vrijpostig geweest ben, niet waar?”[119]—“Geheel niet!” was het antwoord.—“Wel bedankt. Mijn kajuitje is niet heel ruim,” zeide de kapitein, nog eens terugkomende, “maar nog al aardig; en als gij ooit dicht bijBrig Place, nommer negen, mocht komen—wilt ge dat opschrijven?—en naar boven gaan, zonder u te storen aan iets dat iemand beneden aan de deur misschien mocht zeggen—zou ik mij zeer vereerd houden.”Met deze gastvrije noodiging zeide de kapitein goedendag! ging heen en sloot de deur, terwijl Carker tegen den schoorsteenmantel bleef staan leunen. Zijne sluwe oogen en valsche mond, nog uitgerekt, maar nu niet glimlachend; zijne hagelwitte das; zijn bakkebaard; zelfs het stille strijken van de zachte hand over zijn wit linnengoed en zijn glad gezicht, alles had iets gruwelijk katachtigs.De argelooze kapitein stapte heen met eene zelfvoldoening, die zijne blauwe jas een geheel nieuw fatsoen scheen te geven. “Goed zoo, Ned!” zeide hij bij zich zelven. “Vandaag hebt ge toch iets voor de jongelui gedaan, mijn jongen!”Eenigszins opgeblazen over zijne gemeenzaamheid, van vroeger en in het vooruitzicht, met den patroon, kon de kapitein, toen hij het groote kantoor bereikte, niet nalaten Perch een weinigje voor den gek te houden en te vragen of hij nog dacht dat iedereen belet had. Maar om een man, die slechts zijn plicht had gedaan niet al te hard te vallen, fluisterde de kapitein hem in het oor, dat hij, als hij lust had in een glas grog, maar moest meegaan, en het dan hartelijk gaarne tot zijn dienst was.Eer hij geheel heenging, keek de kapitein, eenigszins tot verbazing der klerken, het kantoor eens op zijn gemak in het rond, als een gedeelte van iets waarin zijn jonge vriend van nabij belang had. Het brandkamertje wekte vooral zijne bewondering op; maar om niet te vrijpostig te schijnen, bepaalde hij zich tot een enkelen goedkeurenden blik, en stapte, na de klerken in het algemeen met goedgunstige beleefdheid gegroet te hebben, de straat op. Daar Perch hem spoedig volgde, bracht hij dezen heer naar de herberg en vervulde zijne belofte—haastig, want de tijd van Perch was kostbaar.“Ik zal u een toast geven,” zeide de kapitein, toen het glas bijna uit was en hij met eene dikke tong begon te spreken. “Waller!”—“Wie?” zeide Perch.—“Waller!” herhaalde de kapitein met eene dreunende stem.Perch, die zich flauw herinnerde in zijne jeugd eens van een dichter van dien naam te hebben gehoord, maakte wel geen bezwaar, maar was toch zeer verwonderd dat de kapitein naar de City kwam om de gezondheid van een dichter te drinken; hij had het bijna niet vreemder kunnen vinden als iemand had voorgesteld om in eene straat van de City het standbeeld van een dichter—vanShakespearebij voorbeeld —te plaatsen. Over het geheel was de kapitein zulk een geheimzinnig en onbegrijpelijk personage, dat Perch zich voornam om zijne vrouw maar niet van hem te vertellen, uit vrees dat dit onaangename gevolgen mocht hebben.Geheimzinnig en onbegrijpelijk bleef de kapitein—vervuld van de bewustheid dat hij iets voor de jongelieden gedaan had—den geheelen dag, zelfs voor zijne vertrouwdste vrienden, en indien Walter zijn wenken engrinnikenniet aan zijn genoegen over het goed gevolg van het onschuldige bedrog, dat zij den ouden Gills speelden, hadtoegeschreven, zou hij zich zeker voor dien avond verraden hebben. Thans echter bewaarde hij zijn geheim, en ging laat van den instrumentmaker naar huis, met zijn blinkenden hoed zoo sterk op zijde en zulk eene zalige uitdrukking in zijne oogen, dat jufvrouw MacStinger (die wel bij doctor Blimber opgevoed had kunnen zijn, zulk eene romeinsche matrone was zij) zich op zijn eerste gezicht achter de opene straatdeur verschanste en niet daar vandaan kwam, om naar hare lieve kindertjes te kijken, eer hij veilig op zijne eigene kamer was.
XVII.KAPITEIN CUTTLE DOET IETS VOOR DE JONGELIEDEN.
Vertrouwende op dat verbazende talent voor onpeilbaar diep berekende listen, waarmede hij (gelijk bij menschen van klaar doorzichtige eenvoudigheid niet ongewoon is) oprecht geloofde door de natuur begaafd te zijn, was kapitein Cuttle op dien gewichtigen zondag naar het huis van Dombey gegaan, den geheelen weg over knipoogende om zijne overtollige slimheid lucht te geven, en had zich in den vollen glans zijner halve laarzen voor Towlinson vertoond. Van dien persoon vernemende welk eene ramp het huis bedreigde, was de kapitein uit kieschheid en ontsteltenis terstond weder heengegaan, alleen den ruiker overgevende, als een klein bewijs zijner deelneming, waarbij hij verzocht de familie zijn eerbiedig compliment te doen, en zijne hoop te kennen gaf dat zij in deze omstandigheden het maar scherp bij den wind zouden houden, met eene belofte dat hij “morgen wel eens weer zou praaien.”Van het compliment des kapiteins werd nooit weder iets gehoord. Zijn ruiker bleef in het voorhuis liggen tot hij des anderen daags in den vuilnisbak werd geworpen, en de slimme berekening des kapiteins werd, te gelijk met veel hooger plannen en uitzichten, door éénongelukverijdeld. Zoo moeten, wanneer een sneeuwval een bosch vernielt, de heesters en struiken met de boomen lijden, en allen te zamen vergaan.Toen Walter op dien zondagavond van zijne wandeling, die zulk een merkwaardig einde had gehad, terugkwam, was hij in het eerst te vol van de tijding die hij medebracht, en van de aandoeningen welke het bijgewoonde tooneel natuurlijk in zijn gemoed had opgewekt, om op te merken dat zijn oom blijkbaar nog onbekend was met het bericht, dat de kapitein hem zou hebben medegedeeld, of dat[115]de kapitein met zijn haak seinen maakte ten einde hem te waarschuwen om niet van de zaak te spreken. Niet dat de seinen des kapiteins zeer begrijpelijk zouden geweest zijn, al had men er nog zoo nauwkeurig op gelet; want gelijk de Chineesche wijzen, die men zegt dat in hunne redetwisten zekere geleerde woorden, die volstrekt niet kunnen uitgesproken worden, met trekken in de lucht schrijven, maakte de kapitein zulke zwaaien en zwieren, dat iemand, die niet vooraf met zijn geheim bekend was, ze met geene mogelijkheid kon uitleggen.Kapitein Cuttle zag echter, toen hij hoorde wat er gebeurd was, van deze pogingen af, daar hij begreep welke geringe kans er nu bestond om voor den tijd van Walter’s vertrek een gemeenzaam praatje met Dombey te hebben. Maar terwijl hij, met een bedrukt gezicht, zich zelven toegaf, dat Samuel Gills het hooren en Walter gaan moest—de zaak thans nemende gelijk zij was, zonder dat zij door de slimme tusschenkomst van een vriend kon toegelicht of verbeterd worden—bleef de kapitein toch een onverflauwd vertrouwen koesteren, dat hij, Ned Cuttle, de man voor mijnheer Dombey was, en dat er, om Walter’s fortuin klaar te maken, niets anders noodig was dan dat zij eens met hun beiden bij elkander kwamen. Want de kapitein kon nooit vergeten hoe goed hij en Dombey teBrightonmet elkander te recht waren gekomen; hoe welgepast zij beiden, als het noodig was, een woordje hadden gesproken; hoe wel zij elkander hadden begrepen, en hoe hij, Ned Cuttle, in den eersten nood die uitkomst had aangewezen, en de onderhandeling tot een gewenscht einde gebracht. Op al deze gronden troostte de kapitein zich met de gedachte dat hij, schoon de omstandigheden hem nu noodzaakten om werkeloos voor anker te blijven liggen, toch door den tijd de zeilen in top zou halen en zich door alles heenslaan.Onder den invloed dezer goedhartige zelfbegoocheling, begon kapitein Cuttle, terwijl hij Walter zat aan te kijken en met een traan op zijn boordje naar zijn verhaal te luisteren, zelfs te overleggen, of het niet te gelijk beleefd en politiek zou zijn, mijnheer Dombey, als zij elkander eens zagen, eene mondelinge uitnoodiging te geven om, wanneer het hem maar schikte, eens inBrig Placebij hem te komen eten, en dan onder een gezellig glas over de vooruitzichten van zijn jongen vriend te praten. Doch het onzekere humeur van jufvrouw MacStinger, en de mogelijkheid dat zij onder zulk een onthaal in den gang zou gaan staan en daar eene lang niet vleiende predikatie houden, maakte den kapitein beschroomd om aan deze gastvrije gedachten voet te geven.Eén ding was den kapitein, terwijl Walter over het gebeurde uitweidde, volkomen duidelijk; namelijk dat, hoewel Walter’s bescheidenheid hem mocht beletten om dit zelf te zien, hij toch zoo goed als een lid van mijnheer Dombey’s huisgezin was. Hij was in persoon bij de gebeurtenis, die hij zoo aandoenlijk beschreef, tegenwoordig geweest, hij was er met name bij genoemd en geprezen, en zijn geluk moest in de oogen van zijn patroon eene zaak van bijzonder gewicht zijn. Indien de kapitein nog heimelijk eenigszins aan zijne eigene redeneering twijfelde, twijfelde hij toch volstrekt niet of zij zou voor de gemoedsrust van den ouden instrumentmaker goed kunnen zijn. Hij nam dus een gunstig oogenblik waar, om zijn ouden vriend de zending naarWest-Indië, als eene buitengewone bevordering, mede te deelen, en verklaarde daarbij dat hij gaarne honderd duizend pond (als hij ze had) zou willen geven voor het voordeel dat Walter eens daaruit zou trekken, en niet twijfelde of hij zou dan nog eene goede som winnen.Samuel Gills was door dit bericht, dat als een donderslag in het achterkamertje neerviel, in het eerst geheel versuft. Maar dekapiteinliet zulke gulden beloften voor zijne benevelde oogen schitteren: gaf zulke geheimzinnige wenken van Whittingtoniaansche gevolgen, legde zooveel nadruk op hetgeen Walter pas verhaald had, en noemde dit zoo stoutweg eene bevestiging zijner vroegere voorspellingen, dat hij den ouden man geheel verbijsterde. Walter, aan zijn kant, veinsde zoo vol hoop en ijver te zijn, en zich zoo zeker te houden van spoedig weder naar huis te komen, en hij ondersteunde den kapitein met zulk een nadrukkelijk hoofdknikken en handenwuiven, dat Samuel, eerst hem en daarna Cuttle aanziende, begon te denken dat hij opgetogen van blijdschap behoorde te zijn.“Maar ik ben bij mijn tijd ten achter, weet ge,” merkte hij verontschuldigend aan, en streek zenuwachtig met zijne hand langs de blinkende knoopen van zijn rok op en neer, alsof zij de kralen van een rozenkrans waren, die hij telde, “en ik zou mijn lieven jongen liever hier houden. Het is een ouderwetsch begrip, denk ik wel. Hij heeft altijd veel van de zee gehouden. Hij is,” hier zag hij Walter oplettend aan, “hij is blij dat hij gaat.”—“Oom Sam!” riep Walter haastig uit. “Als gij dat zegt, wil ik niet gaan. Neen, kapitein Cuttle, dan wil ik niet. Als mijn oom denkt dat ik blij zou kunnen zijn dat ik hem verliet, al was het om gouverneur van al de eilanden inWest-Indiëte worden, dat is genoeg. Ik blijf hier.”—“Walter mijn jongen,” zeide kapitein Cuttle. “Sta vast. Sam Gills, richt den kijker eens op uw neef.”Den statigen zwaai van des kapiteins haak met zijne oogen volgende, richtte de oude man deze op Walter.[116]“Hier is zekere bodem,” zeide de kapitein, met trotsche bewustheid van de beeldspraak waartoe hij zich verhief, “die op zekere reis zal uitgaan. Welke naam staat er onuitwischbaar op den spiegel geschilderd? Is het de Gay? of” zeide de kapitein, zijne stem verheffende, als wilde hij zeggen, let eens op het geestige hiervan, “is het de Gills?”—“Edward,” zeide de oude man, Walter naar zich toetrekkende, en diens arm met teedere vriendelijkheid onder den zijnen nemende, “ik weet het wel. Ik weet het wel. Ik weet natuurlijk wel dat Walter altijd meer om mij dan om zich zelven denkt. Dat onthoud ik wel. Als ik zeg dat hij blij is, meen ik, dat ik dat hoop. Ziet ge wel, Edward, en gij ook, Walter, dit is iets nieuws en onverwachts; en ik vrees, dat ik zoo bij mijn tijd ten achter ben gebleven en zoo arm ben, er de eigenlijke reden van is. Is het waarlijk een fortuintje voor hem, zeg mij dat nu?” zeide de oude man, beiden beurtelings angstig aanziende. “Waarlijk en wezenlijk? Is het dat? Ik kan mij haast met alles verzoenen dat Walter voorthelpt; maar ik wilde niet dat Walter om mij zich zelven benadeelde, of iets voor mij achterhield. Gij, Edward Cuttle!” zeide de oude man, den kapitein strak aanziende, tot groote verlegenheid van dezen diplomaat; “gaat gij nu oprecht met uw ouden vriend te werk? Spreek op, Edward Cuttle. Steekt er iets achter? Is het goed voor hem dat hij gaat? Waarom, en hoe weet ge dat?”Daar het een kampstrijd van toegenegenheid en zelfverloochening was, kwam Walter den kapitein te hulp, en met hun beiden gelukte het hun Samuel Gills, door lang praten, tamelijk wel met het plan te verzoenen, of liever hem zoodanig te verbijsteren, dat hij niets, zelfs niet het smartelijke der scheiding, meer duidelijk voor den geest had.Hij had niet veel tijd om de zaak te overwegen, want reeds des anderen daags ontving Walter van Carker den Chef de noodige papieren voor zijne uitrusting en zijn overtocht, te gelijk met bericht dat de Zoon en Erfgenaam over veertien dagen, of ten uiterste een paar dagen later, zou uitzeilen. In de drukte der toebereidselen, die Walter met opzet zooveel mogelijk vergrootte, verloor de oude man het weinige besef dat hij nog had, en zoo naderde al spoedig de tijd van vertrek.De kapitein, die niet verzuimde zich van al wat er omging onderricht te houden, door Walter van dag tot dag daarnaar te vragen, bevond dat het er nog altijd bij bleef dat Walter zou vertrekken, zonder dat zich eenige gelegenheid aanbood, of scheen te zullen aanbieden, om beter met zijne vooruitzichten bekend te worden. Het was na lang over den ongelukkigen samenloop van omstandigheden te hebben nagedacht, dat den kapitein een gelukkig denkbeeld inviel. Als hij mijnheer Carker eens ging opzoeken, en vanhempoogde te vernemen hoe de kust eigenlijk lag!Kapitein Cuttle was zeer ingenomen met dit denkbeeld. Hij kreeg het, toen hij eens na het ontbijt zijne pijp zat te rooken, en het was den tabak wel waard. Daardoor zou hij zijn geweten geruststellen, dat, door hetgeen Walter hem toevertrouwd en zijn vriend Gills gezegd had, eenigszins onrustig was geworden; en tevens zou het een slimme trek en een echt bewijs van vriendschap zijn. Hij wilde Carker voorzichtig uithooren, en veel of weinig zeggen, naarmate het karakter van dien heer hem beviel en hij zag dat zij goed of niet goed met elkander te recht kwamen.Zonder eenigszins bang voor Walter te zijn, dien hij wist dat thuis aan het pakken was, versierde kapitein Cuttle zich dus weder met zijne halve laarzen en zijn rouwring, en aanvaardde zijn tweeden tocht. Hij kocht thans geen ruiker om present te doen, dewijl hij naar een kantoor ging; maar stak eene kleine zonnebloem in zijn knoopsgat, om zich daardoor iets vroolijks te geven, en hiermede en met den knoestigen stok en den blinkenden hoed, stapte hij naar het kantoor van Dombey en Zoon.Nadat hij in eene herberg dichtbij een warm glas rum met water had gebruikt, om zijne gedachten wat te verzamelen, haastte zich de kapitein de steeg in, opdat de geest van dien drank niet zou verwasemen, en vertoonde zich op het alleronverwachtst voor Perch den boodschaplooper.“Maatje,” zeide hij op innemenden toon. “Een van uwe gouverneurs heet immers Carker?”Perch stemde dit toe; maar gaf tevens, volgens zijn plicht, te verstaan, dat al zijne gouverneurs belet hadden, en denkelijk nooit weer tijd zouden hebben om iemand te woord te staan.“Hoor eens hier, maatje,” zeide de kapitein vlak aan zijn oor, “ik heet kapitein Cuttle.”De kapitein had Perch zachtjes naar zich toe willen haken, maar deze deinsde terug, niet zoozeer uit vrees, als wel uit schrik bij de plotselinge gedachte, welke gevolgen het onverwachte gezicht, van zulk een wapen wel bij jufvrouw Perch, in hare toenmalige omstandigheden, zou kunnen hebben.“Als ge zoo goed wilt zijn om kapitein Cuttle te rapporteeren, zoodra gij gelegenheid hebt,” zeide de kapitein, “zal ik hier wel wachten.”Met deze woorden zette de kapitein zich op het bankje van Perch, en zijn zakdoek uit den bol van zijn blinkenden hoed nemende, dien hij tusschen zijne knieën klemde (zonder hem eenigszins te beschadigen, want geene menschelijke kracht kon dien hoed indeuken) wreef hij zijn hoofd eens goed daarmede af en scheen toen zeer verfrischt te zijn. Vervolgens streek[117]hij met zijn haak zijne haren glad en bleef toen met eene mengeling van achting en welwillendheid naar de klerken zitten kijken.De kapitein was in zijne onverstoorbare gelijkmoedigheid zulk een geheimzinnig wezen, dat Perch er van ontzette.“Welken naam hebt gij gezegd?” vroeg Perch, naar hem bukkende.—“Kapitein,” schor fluisterend.—“Ja,” zeide Perch met een knikje.—“Cuttle.”—“Zoo!” zeide Perch insgelijks fluisterend. Hij kon het niet laten denzelfden toon aan te nemen; zulk een indruk maakte de diplomatische kapitein. “Ik zal eens gaan zien of hij nu vrij is. Ik weet het niet. Misschien voor eene enkele minuut.”—“Ja, ja, mijn jongen, ik zal hem niet langer dan eene enkele minuut ophouden,” zeide de kapitein, knikkende met al het gewicht dat hij in zijn binnenste gevoelde.Perch kwam spoedig terug en zeide: “Wil kapitein Cuttle maar meegaan?”Carker de Chef, die voor den ledigen haard stond, welke met een uitgeknipt vel grauw papier was versierd, zag den kapitein, toen hij binnenkwam, niet bijzonder bemoedigend aan.“Mijnheer Carker?” zeide kapitein Cuttle.—“Zoo zou ik denken,” antwoordde Carker en liet al zijne tanden zien.Het beviel den kapitein dat hij met een glimlach antwoordde; dat scheen vriendelijk te zijn. “Gij ziet wel,” begon de kapitein, zijne oogen langzaam in het kamertje latende rondgaan en daarvan zooveel overziende als zijne boordjes toelieten, “ik ben zelf een varensman, mijnheer Carker, en Walter, die op uwe lijst staat, is haast zoo goed als een zoon van mij.”—“Walter Gay?” zeide Carker, wederom al zijne tanden toonende.—“Ja wel, juist, Walter Gay,” antwoordde de kapitein, op een toon die zijne warme goedkeuring van Carker’s vlugheid van begrip moest aanduiden. “Ik ben een vertrouwd vriend van hem en zijn oom. Misschien hebt gij uw patroon wel eens van mij hooren spreken?—kapitein Cuttle.”—“Neen,” zeide Carker, zijn mond nog breeder openende.—“Wel,” hervatte de kapitein, “ik heb het pleizier van hem te kennen. Ik ben hem eens daar aan de kust van Sussex gaan opzoeken, met mijn jongen vriend Walter, toen—kortom, toen er eene kleinigheid te schikken was.” De kapitein knikte daarbij op eene manier die te gelijk genoeglijk, onbezorgd, en nadrukkelijk was. “Dat zult ge nog wel onthouden hebben?”—“Ik meen, dat ik de eer had om die zaak te behandelen,” zeide Carker.—“Wel zeker,” hernam de kapitein. “Dat hadt gij ook. Gij hebt alweer gelijk. Nu ben ik zoo vrij om hier te komen …”—“Wilt ge niet gaan zitten?” zeide Carker met een glimlach.—“Verplicht,” antwoordde de kapitein, van het aanbod gebruik makende. “Men kan misschien nog beter praten, als men zit. Wilt gij zelf geen stoel nemen?”—“Bedankt,” zeide Carker, en bleef (misschien omdat hij dit zich des winters had aangewend) met zijn rug tegen den schoorsteenmantel staan, op den kapitein neerziende met een oog in elken tand. “Ge zijt zoo vrij geweest, zegt ge—maar gij behoeft geen complimenten te maken …”—“Dankje vriendelijk, mijn jongen,” hernam de kapitein. “Ik kom dan hier voor mijn vriend Walter. Samuel Gills, zijn oom, is een man van kunde, en in de wetenschap is hij een bram; maar hij is eigenlijk niet wat ik een bevaren zeeman zou noemen—geen man vanpraktijk. Walter is zulk een ferme jongen als er ooit een geloopen heeft; maar in één opzicht is hij een beetje flauw, en dat is in zijne bescheidenheid. Nu wenschte ik u te vragen,” zeide de kapitein, zijne stem tot eene soort van vertrouwelijk gebrom latende dalen, “geheel vriendschappelijk onder ons, tot ik uw patroon eens kan praaien—is hier alles gezond aan boord, en zal Walter met een goeden wind buitengaats komen?”—“Wat denkt gij er van, kapitein Cuttle?” antwoordde Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wat meer op zijn gemak plaatsende. “Gij zijt een man vanpraktijk; wat denkt gij er van?”De slimheid en veelzijdige beteekenis van des kapiteins oog, toen hij, in plaats van te antwoorden, daarmede lonkte, zouden geene woorden, of het moesten de vroeger gemelde onuitsprekelijke Chineesche woorden zijn, kunnen uitdrukken.“Kom aan!” zeide de kapitein, geheel verademd. “Wat zegt gij? Heb ik gelijk of niet?”Zooveel had de kapitein, door Carker’s glimlachende beleefdheid aangemoedigd, met zijn blik te kennen gegeven, dat hij zich evenzeer bevoegd achtte om deze vraag te doen, alsof hij zijne gevoelens met de grootste uitvoerigheid had ontwikkeld.“Gelijk,” zeide Carker, “daar twijfel ik niet aan.”—“Dus mooi weer te wachten, zeg ik,” riep kapitein Cuttle uit.Carker lachte toestemmend.“De wind vlak van achteren, en eene frissche koelte,” vervolgde de kapitein.Carker glimlachte weder.“Zoo, zoo!” zeide kapitein Cuttle, zeer in zijn schik. “Ik weet wel wat voor koers er gezeild zal worden, en dat heb ik Walter ook gezegd. Wel bedankt, wel bedankt!”—“Gay heeft heerlijke vooruitzichten,” merkte Carker aan en trok zijn mond nog breeder open. “De geheele wereld voor zich.”—“De geheele wereld voor zich en een vrouwtje op het oog,” antwoordde de opgetogen kapitein.Dit gezegde was hem eigenlijk onverhoeds ontvallen, maar dat behoefde hem niet te spijten, dacht hij. Hij knipte eens met zijne oogen, zette[118]zijn blinkenden hoed op den knoestigen knop van zijn stok, liet hem daarop ronddraaien, en zag zijn altijd glimlachenden vriend schuins aan.“Ik wil een pintje echte oude rum verwedden,” zeide de kapitein, “dat ik weet waarom gij lacht.”Carker was schrander genoeg om nog sterker te glimlachen.“Maar het gaat niet verder?” zeide de kapitein, en stiet eens met zijn stok tegen de deur om zich te verzekeren dat die gesloten was.—“Zeker niet,” zeide Carker.—“Gij denkt misschien aan eene groote F?” zeide de kapitein.Carker ontkende het niet.“En dan eene L en eene O,” zeide de kapitein.Carker glimlachte nog altijd.“Heb ik weer gelijk?” fluisterde de kapitein, terwijl de roode streep over zijn voorhoofd, in zijne zegevierende blijdschap, nog eens zoo vurig werd.Daar Carker nog glimlachte en nu toestemmend knikte, stond de kapitein op, drukte hem de hand en verzekerde hem met warmte dat zij beiden over denzelfden boeg zeilden, en dat wat hem (kapitein Cuttle) betrof, hij al lang dien koers had willen houden. “Hij heeft haar het eerst op eene ongewone manier leeren kennen,” zeide de kapitein, met al den ernst en de voorzichtigheid die het onderwerp vereischte—“gij weet wel dat hij haar eens op straat vond, toen zij nog maar een kind was,—en hij heeft altijd van haar gehouden, en zij van hem, zooveel als zulke jonge luidjes maar kunnen doen. Wij hebben altijd gezegd, Sam Gills en ik, dat zij voor elkander geknipt waren.”Eene kat, of een aap, of een hyena, of een doodskop had den kapitein niet meer tanden te gelijk kunnen laten zien, dan Carker hem op dit punt van het gesprek vertoonde.“Er loopt eene sterke strooming dien kant heen,” merkte de vergenoegde kapitein aan. “Wind en water helpen elkander, ziet ge wel. Bedenk maar, dat hij daar laatst ook weer bij moest wezen.”—“Zeer gunstig voor zijne hoop,” zeide Carker.—“Bedenk dat hij in het zog van dien dag werd mee geboegseerd!” vervolgde de kapitein. “Wat kan nu het sleeptouw kappen?”—“Niets,” antwoordde Carker.—“Gij hebt al weer gelijk,” zeide de kapitein, hem nogmaals de hand drukkende. “Niets! Sta vast dus! Er is een zoontje gestorven—een aardig jongetje. Niet waar?”—“Ja, er is een zoontje gestorven,” antwoordde de alles toestemmende Carker.—“Welnu, er is al een ander voor u klaar,” zeide de kapitein. “Een neef van een knap man! Een neef van Sam Gills. Walter, die in al uwe zaken is, die alle dag in uw huis en uw hart komt!” zeide de kapitein, zijne stem verheffende om dit dichterlijke slot uit te spreken.De zelfvoldoening waarmede de kapitein Carker bij ieder gezegde zachtjes met zijn elleboog aanstiet, kon door niets overtroffen worden dan door de opgetogenheid waarmede hij, na dit schitterend staaltje van schranderheid en welsprekendheid, een stap achterwaarts deed en hem aankeek.“Heb ik geen gelijk?” zeide de kapitein.—“Kapitein Cuttle,” zeide Carker, op een toon die eenigszins zonderling had kunnen schijnen, “in hetgeen gij daar van Walter Gay en zijne vooruitzichten hebt gezegd, hebt gij volkomen gelijk. Ik begrijp dat wij in vertrouwen met elkander spreken.”—“Op mijne eer!” viel de kapitein er op in. “Geen woord!”—“Tegen hem of iemand anders?” hernam Carker.De kapitein trok zijne wenkbrauwen samen en schudde zijn hoofd.“Maar alleen voor uwe eigene gerustheid, en ook natuurlijk om u voor het vervolg naar te richten,” zeide Carker.—“Ik dank je wel vriendelijk,” zeide de kapitein, met groote aandacht luisterende.—“Ik maak geen bezwaar om te zeggen dat gij alle waarschijnlijkheden zeer juist hebt geraden.”—“En wat uw patroon betreft,” zeide de kapitein, “een onderhoud tusschen ons moet maar liefst ongezocht van zelf komen. Er is tijd genoeg.”Met een mond van het eene oor tot het andere, herhaalde Carker: “Tijd genoeg!” Hij sprak de woorden niet uit, maar knikte slechts vriendelijk, en vormde ze met zijne lippen.“En daar ik nu weet—wat ik altijd gezegd heb—dat Walter op weg is om zijn fortuin te maken,” zeide de kapitein.—“Om zijn fortuin te maken,” herhaalde Carker, even klankloos als te voren.—“En dat hij dat reisje maar gaat doen als een stukje, om zoo te zeggen, van zijn gewone werk, en toch hier de beste vooruitzichten houdt,” zeide de kapitein.—“De beste vooruitzichten houdt,” herhaalde Carker alweder op dezelfde manier.—“Wel, zoolang ik dat weet,” vervolgde de kapitein, “is er geen haast en ben ik gerust.”Daar Carker wederom glimlachte en knikte, werd kapitein Cuttle ten sterkste in zijn gevoelen bevestigd, dat hij een van de aardigste menschen was, die hij ooit had gezien, en dat zelfs mijnheer Dombey zich naar zulk een model zou kunnen verbeteren. Met groote hartelijkheid stak hij dus nogmaals zijne geduchte hand toe (die in kleur vrij wel naar een oud scheepsblok geleek) en gaf Carker een kneep, welke op zijn zachter vleesch een proefdruk van de barsten en spleten naliet waarmede de palm des kapiteins rijkelijkgetatoeëerdwas.“Vaar wel!” zeide de kapitein. “Ik ben geen man van veel woorden, maar ik blijf u wel dankbaar dat gij zoo vriendschappelijk en rondborstig zijt geweest. Gij zult het wel verschoonen als ik wat vrijpostig geweest ben, niet waar?”[119]—“Geheel niet!” was het antwoord.—“Wel bedankt. Mijn kajuitje is niet heel ruim,” zeide de kapitein, nog eens terugkomende, “maar nog al aardig; en als gij ooit dicht bijBrig Place, nommer negen, mocht komen—wilt ge dat opschrijven?—en naar boven gaan, zonder u te storen aan iets dat iemand beneden aan de deur misschien mocht zeggen—zou ik mij zeer vereerd houden.”Met deze gastvrije noodiging zeide de kapitein goedendag! ging heen en sloot de deur, terwijl Carker tegen den schoorsteenmantel bleef staan leunen. Zijne sluwe oogen en valsche mond, nog uitgerekt, maar nu niet glimlachend; zijne hagelwitte das; zijn bakkebaard; zelfs het stille strijken van de zachte hand over zijn wit linnengoed en zijn glad gezicht, alles had iets gruwelijk katachtigs.De argelooze kapitein stapte heen met eene zelfvoldoening, die zijne blauwe jas een geheel nieuw fatsoen scheen te geven. “Goed zoo, Ned!” zeide hij bij zich zelven. “Vandaag hebt ge toch iets voor de jongelui gedaan, mijn jongen!”Eenigszins opgeblazen over zijne gemeenzaamheid, van vroeger en in het vooruitzicht, met den patroon, kon de kapitein, toen hij het groote kantoor bereikte, niet nalaten Perch een weinigje voor den gek te houden en te vragen of hij nog dacht dat iedereen belet had. Maar om een man, die slechts zijn plicht had gedaan niet al te hard te vallen, fluisterde de kapitein hem in het oor, dat hij, als hij lust had in een glas grog, maar moest meegaan, en het dan hartelijk gaarne tot zijn dienst was.Eer hij geheel heenging, keek de kapitein, eenigszins tot verbazing der klerken, het kantoor eens op zijn gemak in het rond, als een gedeelte van iets waarin zijn jonge vriend van nabij belang had. Het brandkamertje wekte vooral zijne bewondering op; maar om niet te vrijpostig te schijnen, bepaalde hij zich tot een enkelen goedkeurenden blik, en stapte, na de klerken in het algemeen met goedgunstige beleefdheid gegroet te hebben, de straat op. Daar Perch hem spoedig volgde, bracht hij dezen heer naar de herberg en vervulde zijne belofte—haastig, want de tijd van Perch was kostbaar.“Ik zal u een toast geven,” zeide de kapitein, toen het glas bijna uit was en hij met eene dikke tong begon te spreken. “Waller!”—“Wie?” zeide Perch.—“Waller!” herhaalde de kapitein met eene dreunende stem.Perch, die zich flauw herinnerde in zijne jeugd eens van een dichter van dien naam te hebben gehoord, maakte wel geen bezwaar, maar was toch zeer verwonderd dat de kapitein naar de City kwam om de gezondheid van een dichter te drinken; hij had het bijna niet vreemder kunnen vinden als iemand had voorgesteld om in eene straat van de City het standbeeld van een dichter—vanShakespearebij voorbeeld —te plaatsen. Over het geheel was de kapitein zulk een geheimzinnig en onbegrijpelijk personage, dat Perch zich voornam om zijne vrouw maar niet van hem te vertellen, uit vrees dat dit onaangename gevolgen mocht hebben.Geheimzinnig en onbegrijpelijk bleef de kapitein—vervuld van de bewustheid dat hij iets voor de jongelieden gedaan had—den geheelen dag, zelfs voor zijne vertrouwdste vrienden, en indien Walter zijn wenken engrinnikenniet aan zijn genoegen over het goed gevolg van het onschuldige bedrog, dat zij den ouden Gills speelden, hadtoegeschreven, zou hij zich zeker voor dien avond verraden hebben. Thans echter bewaarde hij zijn geheim, en ging laat van den instrumentmaker naar huis, met zijn blinkenden hoed zoo sterk op zijde en zulk eene zalige uitdrukking in zijne oogen, dat jufvrouw MacStinger (die wel bij doctor Blimber opgevoed had kunnen zijn, zulk eene romeinsche matrone was zij) zich op zijn eerste gezicht achter de opene straatdeur verschanste en niet daar vandaan kwam, om naar hare lieve kindertjes te kijken, eer hij veilig op zijne eigene kamer was.
Vertrouwende op dat verbazende talent voor onpeilbaar diep berekende listen, waarmede hij (gelijk bij menschen van klaar doorzichtige eenvoudigheid niet ongewoon is) oprecht geloofde door de natuur begaafd te zijn, was kapitein Cuttle op dien gewichtigen zondag naar het huis van Dombey gegaan, den geheelen weg over knipoogende om zijne overtollige slimheid lucht te geven, en had zich in den vollen glans zijner halve laarzen voor Towlinson vertoond. Van dien persoon vernemende welk eene ramp het huis bedreigde, was de kapitein uit kieschheid en ontsteltenis terstond weder heengegaan, alleen den ruiker overgevende, als een klein bewijs zijner deelneming, waarbij hij verzocht de familie zijn eerbiedig compliment te doen, en zijne hoop te kennen gaf dat zij in deze omstandigheden het maar scherp bij den wind zouden houden, met eene belofte dat hij “morgen wel eens weer zou praaien.”
Van het compliment des kapiteins werd nooit weder iets gehoord. Zijn ruiker bleef in het voorhuis liggen tot hij des anderen daags in den vuilnisbak werd geworpen, en de slimme berekening des kapiteins werd, te gelijk met veel hooger plannen en uitzichten, door éénongelukverijdeld. Zoo moeten, wanneer een sneeuwval een bosch vernielt, de heesters en struiken met de boomen lijden, en allen te zamen vergaan.
Toen Walter op dien zondagavond van zijne wandeling, die zulk een merkwaardig einde had gehad, terugkwam, was hij in het eerst te vol van de tijding die hij medebracht, en van de aandoeningen welke het bijgewoonde tooneel natuurlijk in zijn gemoed had opgewekt, om op te merken dat zijn oom blijkbaar nog onbekend was met het bericht, dat de kapitein hem zou hebben medegedeeld, of dat[115]de kapitein met zijn haak seinen maakte ten einde hem te waarschuwen om niet van de zaak te spreken. Niet dat de seinen des kapiteins zeer begrijpelijk zouden geweest zijn, al had men er nog zoo nauwkeurig op gelet; want gelijk de Chineesche wijzen, die men zegt dat in hunne redetwisten zekere geleerde woorden, die volstrekt niet kunnen uitgesproken worden, met trekken in de lucht schrijven, maakte de kapitein zulke zwaaien en zwieren, dat iemand, die niet vooraf met zijn geheim bekend was, ze met geene mogelijkheid kon uitleggen.
Kapitein Cuttle zag echter, toen hij hoorde wat er gebeurd was, van deze pogingen af, daar hij begreep welke geringe kans er nu bestond om voor den tijd van Walter’s vertrek een gemeenzaam praatje met Dombey te hebben. Maar terwijl hij, met een bedrukt gezicht, zich zelven toegaf, dat Samuel Gills het hooren en Walter gaan moest—de zaak thans nemende gelijk zij was, zonder dat zij door de slimme tusschenkomst van een vriend kon toegelicht of verbeterd worden—bleef de kapitein toch een onverflauwd vertrouwen koesteren, dat hij, Ned Cuttle, de man voor mijnheer Dombey was, en dat er, om Walter’s fortuin klaar te maken, niets anders noodig was dan dat zij eens met hun beiden bij elkander kwamen. Want de kapitein kon nooit vergeten hoe goed hij en Dombey teBrightonmet elkander te recht waren gekomen; hoe welgepast zij beiden, als het noodig was, een woordje hadden gesproken; hoe wel zij elkander hadden begrepen, en hoe hij, Ned Cuttle, in den eersten nood die uitkomst had aangewezen, en de onderhandeling tot een gewenscht einde gebracht. Op al deze gronden troostte de kapitein zich met de gedachte dat hij, schoon de omstandigheden hem nu noodzaakten om werkeloos voor anker te blijven liggen, toch door den tijd de zeilen in top zou halen en zich door alles heenslaan.
Onder den invloed dezer goedhartige zelfbegoocheling, begon kapitein Cuttle, terwijl hij Walter zat aan te kijken en met een traan op zijn boordje naar zijn verhaal te luisteren, zelfs te overleggen, of het niet te gelijk beleefd en politiek zou zijn, mijnheer Dombey, als zij elkander eens zagen, eene mondelinge uitnoodiging te geven om, wanneer het hem maar schikte, eens inBrig Placebij hem te komen eten, en dan onder een gezellig glas over de vooruitzichten van zijn jongen vriend te praten. Doch het onzekere humeur van jufvrouw MacStinger, en de mogelijkheid dat zij onder zulk een onthaal in den gang zou gaan staan en daar eene lang niet vleiende predikatie houden, maakte den kapitein beschroomd om aan deze gastvrije gedachten voet te geven.
Eén ding was den kapitein, terwijl Walter over het gebeurde uitweidde, volkomen duidelijk; namelijk dat, hoewel Walter’s bescheidenheid hem mocht beletten om dit zelf te zien, hij toch zoo goed als een lid van mijnheer Dombey’s huisgezin was. Hij was in persoon bij de gebeurtenis, die hij zoo aandoenlijk beschreef, tegenwoordig geweest, hij was er met name bij genoemd en geprezen, en zijn geluk moest in de oogen van zijn patroon eene zaak van bijzonder gewicht zijn. Indien de kapitein nog heimelijk eenigszins aan zijne eigene redeneering twijfelde, twijfelde hij toch volstrekt niet of zij zou voor de gemoedsrust van den ouden instrumentmaker goed kunnen zijn. Hij nam dus een gunstig oogenblik waar, om zijn ouden vriend de zending naarWest-Indië, als eene buitengewone bevordering, mede te deelen, en verklaarde daarbij dat hij gaarne honderd duizend pond (als hij ze had) zou willen geven voor het voordeel dat Walter eens daaruit zou trekken, en niet twijfelde of hij zou dan nog eene goede som winnen.
Samuel Gills was door dit bericht, dat als een donderslag in het achterkamertje neerviel, in het eerst geheel versuft. Maar dekapiteinliet zulke gulden beloften voor zijne benevelde oogen schitteren: gaf zulke geheimzinnige wenken van Whittingtoniaansche gevolgen, legde zooveel nadruk op hetgeen Walter pas verhaald had, en noemde dit zoo stoutweg eene bevestiging zijner vroegere voorspellingen, dat hij den ouden man geheel verbijsterde. Walter, aan zijn kant, veinsde zoo vol hoop en ijver te zijn, en zich zoo zeker te houden van spoedig weder naar huis te komen, en hij ondersteunde den kapitein met zulk een nadrukkelijk hoofdknikken en handenwuiven, dat Samuel, eerst hem en daarna Cuttle aanziende, begon te denken dat hij opgetogen van blijdschap behoorde te zijn.
“Maar ik ben bij mijn tijd ten achter, weet ge,” merkte hij verontschuldigend aan, en streek zenuwachtig met zijne hand langs de blinkende knoopen van zijn rok op en neer, alsof zij de kralen van een rozenkrans waren, die hij telde, “en ik zou mijn lieven jongen liever hier houden. Het is een ouderwetsch begrip, denk ik wel. Hij heeft altijd veel van de zee gehouden. Hij is,” hier zag hij Walter oplettend aan, “hij is blij dat hij gaat.”—“Oom Sam!” riep Walter haastig uit. “Als gij dat zegt, wil ik niet gaan. Neen, kapitein Cuttle, dan wil ik niet. Als mijn oom denkt dat ik blij zou kunnen zijn dat ik hem verliet, al was het om gouverneur van al de eilanden inWest-Indiëte worden, dat is genoeg. Ik blijf hier.”—“Walter mijn jongen,” zeide kapitein Cuttle. “Sta vast. Sam Gills, richt den kijker eens op uw neef.”
Den statigen zwaai van des kapiteins haak met zijne oogen volgende, richtte de oude man deze op Walter.[116]
“Hier is zekere bodem,” zeide de kapitein, met trotsche bewustheid van de beeldspraak waartoe hij zich verhief, “die op zekere reis zal uitgaan. Welke naam staat er onuitwischbaar op den spiegel geschilderd? Is het de Gay? of” zeide de kapitein, zijne stem verheffende, als wilde hij zeggen, let eens op het geestige hiervan, “is het de Gills?”—“Edward,” zeide de oude man, Walter naar zich toetrekkende, en diens arm met teedere vriendelijkheid onder den zijnen nemende, “ik weet het wel. Ik weet het wel. Ik weet natuurlijk wel dat Walter altijd meer om mij dan om zich zelven denkt. Dat onthoud ik wel. Als ik zeg dat hij blij is, meen ik, dat ik dat hoop. Ziet ge wel, Edward, en gij ook, Walter, dit is iets nieuws en onverwachts; en ik vrees, dat ik zoo bij mijn tijd ten achter ben gebleven en zoo arm ben, er de eigenlijke reden van is. Is het waarlijk een fortuintje voor hem, zeg mij dat nu?” zeide de oude man, beiden beurtelings angstig aanziende. “Waarlijk en wezenlijk? Is het dat? Ik kan mij haast met alles verzoenen dat Walter voorthelpt; maar ik wilde niet dat Walter om mij zich zelven benadeelde, of iets voor mij achterhield. Gij, Edward Cuttle!” zeide de oude man, den kapitein strak aanziende, tot groote verlegenheid van dezen diplomaat; “gaat gij nu oprecht met uw ouden vriend te werk? Spreek op, Edward Cuttle. Steekt er iets achter? Is het goed voor hem dat hij gaat? Waarom, en hoe weet ge dat?”
Daar het een kampstrijd van toegenegenheid en zelfverloochening was, kwam Walter den kapitein te hulp, en met hun beiden gelukte het hun Samuel Gills, door lang praten, tamelijk wel met het plan te verzoenen, of liever hem zoodanig te verbijsteren, dat hij niets, zelfs niet het smartelijke der scheiding, meer duidelijk voor den geest had.
Hij had niet veel tijd om de zaak te overwegen, want reeds des anderen daags ontving Walter van Carker den Chef de noodige papieren voor zijne uitrusting en zijn overtocht, te gelijk met bericht dat de Zoon en Erfgenaam over veertien dagen, of ten uiterste een paar dagen later, zou uitzeilen. In de drukte der toebereidselen, die Walter met opzet zooveel mogelijk vergrootte, verloor de oude man het weinige besef dat hij nog had, en zoo naderde al spoedig de tijd van vertrek.
De kapitein, die niet verzuimde zich van al wat er omging onderricht te houden, door Walter van dag tot dag daarnaar te vragen, bevond dat het er nog altijd bij bleef dat Walter zou vertrekken, zonder dat zich eenige gelegenheid aanbood, of scheen te zullen aanbieden, om beter met zijne vooruitzichten bekend te worden. Het was na lang over den ongelukkigen samenloop van omstandigheden te hebben nagedacht, dat den kapitein een gelukkig denkbeeld inviel. Als hij mijnheer Carker eens ging opzoeken, en vanhempoogde te vernemen hoe de kust eigenlijk lag!
Kapitein Cuttle was zeer ingenomen met dit denkbeeld. Hij kreeg het, toen hij eens na het ontbijt zijne pijp zat te rooken, en het was den tabak wel waard. Daardoor zou hij zijn geweten geruststellen, dat, door hetgeen Walter hem toevertrouwd en zijn vriend Gills gezegd had, eenigszins onrustig was geworden; en tevens zou het een slimme trek en een echt bewijs van vriendschap zijn. Hij wilde Carker voorzichtig uithooren, en veel of weinig zeggen, naarmate het karakter van dien heer hem beviel en hij zag dat zij goed of niet goed met elkander te recht kwamen.
Zonder eenigszins bang voor Walter te zijn, dien hij wist dat thuis aan het pakken was, versierde kapitein Cuttle zich dus weder met zijne halve laarzen en zijn rouwring, en aanvaardde zijn tweeden tocht. Hij kocht thans geen ruiker om present te doen, dewijl hij naar een kantoor ging; maar stak eene kleine zonnebloem in zijn knoopsgat, om zich daardoor iets vroolijks te geven, en hiermede en met den knoestigen stok en den blinkenden hoed, stapte hij naar het kantoor van Dombey en Zoon.
Nadat hij in eene herberg dichtbij een warm glas rum met water had gebruikt, om zijne gedachten wat te verzamelen, haastte zich de kapitein de steeg in, opdat de geest van dien drank niet zou verwasemen, en vertoonde zich op het alleronverwachtst voor Perch den boodschaplooper.
“Maatje,” zeide hij op innemenden toon. “Een van uwe gouverneurs heet immers Carker?”
Perch stemde dit toe; maar gaf tevens, volgens zijn plicht, te verstaan, dat al zijne gouverneurs belet hadden, en denkelijk nooit weer tijd zouden hebben om iemand te woord te staan.
“Hoor eens hier, maatje,” zeide de kapitein vlak aan zijn oor, “ik heet kapitein Cuttle.”
De kapitein had Perch zachtjes naar zich toe willen haken, maar deze deinsde terug, niet zoozeer uit vrees, als wel uit schrik bij de plotselinge gedachte, welke gevolgen het onverwachte gezicht, van zulk een wapen wel bij jufvrouw Perch, in hare toenmalige omstandigheden, zou kunnen hebben.
“Als ge zoo goed wilt zijn om kapitein Cuttle te rapporteeren, zoodra gij gelegenheid hebt,” zeide de kapitein, “zal ik hier wel wachten.”
Met deze woorden zette de kapitein zich op het bankje van Perch, en zijn zakdoek uit den bol van zijn blinkenden hoed nemende, dien hij tusschen zijne knieën klemde (zonder hem eenigszins te beschadigen, want geene menschelijke kracht kon dien hoed indeuken) wreef hij zijn hoofd eens goed daarmede af en scheen toen zeer verfrischt te zijn. Vervolgens streek[117]hij met zijn haak zijne haren glad en bleef toen met eene mengeling van achting en welwillendheid naar de klerken zitten kijken.
De kapitein was in zijne onverstoorbare gelijkmoedigheid zulk een geheimzinnig wezen, dat Perch er van ontzette.
“Welken naam hebt gij gezegd?” vroeg Perch, naar hem bukkende.—“Kapitein,” schor fluisterend.—“Ja,” zeide Perch met een knikje.—“Cuttle.”—“Zoo!” zeide Perch insgelijks fluisterend. Hij kon het niet laten denzelfden toon aan te nemen; zulk een indruk maakte de diplomatische kapitein. “Ik zal eens gaan zien of hij nu vrij is. Ik weet het niet. Misschien voor eene enkele minuut.”—“Ja, ja, mijn jongen, ik zal hem niet langer dan eene enkele minuut ophouden,” zeide de kapitein, knikkende met al het gewicht dat hij in zijn binnenste gevoelde.
Perch kwam spoedig terug en zeide: “Wil kapitein Cuttle maar meegaan?”
Carker de Chef, die voor den ledigen haard stond, welke met een uitgeknipt vel grauw papier was versierd, zag den kapitein, toen hij binnenkwam, niet bijzonder bemoedigend aan.
“Mijnheer Carker?” zeide kapitein Cuttle.—“Zoo zou ik denken,” antwoordde Carker en liet al zijne tanden zien.
Het beviel den kapitein dat hij met een glimlach antwoordde; dat scheen vriendelijk te zijn. “Gij ziet wel,” begon de kapitein, zijne oogen langzaam in het kamertje latende rondgaan en daarvan zooveel overziende als zijne boordjes toelieten, “ik ben zelf een varensman, mijnheer Carker, en Walter, die op uwe lijst staat, is haast zoo goed als een zoon van mij.”—“Walter Gay?” zeide Carker, wederom al zijne tanden toonende.—“Ja wel, juist, Walter Gay,” antwoordde de kapitein, op een toon die zijne warme goedkeuring van Carker’s vlugheid van begrip moest aanduiden. “Ik ben een vertrouwd vriend van hem en zijn oom. Misschien hebt gij uw patroon wel eens van mij hooren spreken?—kapitein Cuttle.”—“Neen,” zeide Carker, zijn mond nog breeder openende.—“Wel,” hervatte de kapitein, “ik heb het pleizier van hem te kennen. Ik ben hem eens daar aan de kust van Sussex gaan opzoeken, met mijn jongen vriend Walter, toen—kortom, toen er eene kleinigheid te schikken was.” De kapitein knikte daarbij op eene manier die te gelijk genoeglijk, onbezorgd, en nadrukkelijk was. “Dat zult ge nog wel onthouden hebben?”—“Ik meen, dat ik de eer had om die zaak te behandelen,” zeide Carker.—“Wel zeker,” hernam de kapitein. “Dat hadt gij ook. Gij hebt alweer gelijk. Nu ben ik zoo vrij om hier te komen …”—“Wilt ge niet gaan zitten?” zeide Carker met een glimlach.—“Verplicht,” antwoordde de kapitein, van het aanbod gebruik makende. “Men kan misschien nog beter praten, als men zit. Wilt gij zelf geen stoel nemen?”—“Bedankt,” zeide Carker, en bleef (misschien omdat hij dit zich des winters had aangewend) met zijn rug tegen den schoorsteenmantel staan, op den kapitein neerziende met een oog in elken tand. “Ge zijt zoo vrij geweest, zegt ge—maar gij behoeft geen complimenten te maken …”—“Dankje vriendelijk, mijn jongen,” hernam de kapitein. “Ik kom dan hier voor mijn vriend Walter. Samuel Gills, zijn oom, is een man van kunde, en in de wetenschap is hij een bram; maar hij is eigenlijk niet wat ik een bevaren zeeman zou noemen—geen man vanpraktijk. Walter is zulk een ferme jongen als er ooit een geloopen heeft; maar in één opzicht is hij een beetje flauw, en dat is in zijne bescheidenheid. Nu wenschte ik u te vragen,” zeide de kapitein, zijne stem tot eene soort van vertrouwelijk gebrom latende dalen, “geheel vriendschappelijk onder ons, tot ik uw patroon eens kan praaien—is hier alles gezond aan boord, en zal Walter met een goeden wind buitengaats komen?”—“Wat denkt gij er van, kapitein Cuttle?” antwoordde Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wat meer op zijn gemak plaatsende. “Gij zijt een man vanpraktijk; wat denkt gij er van?”
De slimheid en veelzijdige beteekenis van des kapiteins oog, toen hij, in plaats van te antwoorden, daarmede lonkte, zouden geene woorden, of het moesten de vroeger gemelde onuitsprekelijke Chineesche woorden zijn, kunnen uitdrukken.
“Kom aan!” zeide de kapitein, geheel verademd. “Wat zegt gij? Heb ik gelijk of niet?”
Zooveel had de kapitein, door Carker’s glimlachende beleefdheid aangemoedigd, met zijn blik te kennen gegeven, dat hij zich evenzeer bevoegd achtte om deze vraag te doen, alsof hij zijne gevoelens met de grootste uitvoerigheid had ontwikkeld.
“Gelijk,” zeide Carker, “daar twijfel ik niet aan.”—“Dus mooi weer te wachten, zeg ik,” riep kapitein Cuttle uit.
Carker lachte toestemmend.
“De wind vlak van achteren, en eene frissche koelte,” vervolgde de kapitein.
Carker glimlachte weder.
“Zoo, zoo!” zeide kapitein Cuttle, zeer in zijn schik. “Ik weet wel wat voor koers er gezeild zal worden, en dat heb ik Walter ook gezegd. Wel bedankt, wel bedankt!”—“Gay heeft heerlijke vooruitzichten,” merkte Carker aan en trok zijn mond nog breeder open. “De geheele wereld voor zich.”—“De geheele wereld voor zich en een vrouwtje op het oog,” antwoordde de opgetogen kapitein.
Dit gezegde was hem eigenlijk onverhoeds ontvallen, maar dat behoefde hem niet te spijten, dacht hij. Hij knipte eens met zijne oogen, zette[118]zijn blinkenden hoed op den knoestigen knop van zijn stok, liet hem daarop ronddraaien, en zag zijn altijd glimlachenden vriend schuins aan.
“Ik wil een pintje echte oude rum verwedden,” zeide de kapitein, “dat ik weet waarom gij lacht.”
Carker was schrander genoeg om nog sterker te glimlachen.
“Maar het gaat niet verder?” zeide de kapitein, en stiet eens met zijn stok tegen de deur om zich te verzekeren dat die gesloten was.—“Zeker niet,” zeide Carker.—“Gij denkt misschien aan eene groote F?” zeide de kapitein.
Carker ontkende het niet.
“En dan eene L en eene O,” zeide de kapitein.
Carker glimlachte nog altijd.
“Heb ik weer gelijk?” fluisterde de kapitein, terwijl de roode streep over zijn voorhoofd, in zijne zegevierende blijdschap, nog eens zoo vurig werd.
Daar Carker nog glimlachte en nu toestemmend knikte, stond de kapitein op, drukte hem de hand en verzekerde hem met warmte dat zij beiden over denzelfden boeg zeilden, en dat wat hem (kapitein Cuttle) betrof, hij al lang dien koers had willen houden. “Hij heeft haar het eerst op eene ongewone manier leeren kennen,” zeide de kapitein, met al den ernst en de voorzichtigheid die het onderwerp vereischte—“gij weet wel dat hij haar eens op straat vond, toen zij nog maar een kind was,—en hij heeft altijd van haar gehouden, en zij van hem, zooveel als zulke jonge luidjes maar kunnen doen. Wij hebben altijd gezegd, Sam Gills en ik, dat zij voor elkander geknipt waren.”
Eene kat, of een aap, of een hyena, of een doodskop had den kapitein niet meer tanden te gelijk kunnen laten zien, dan Carker hem op dit punt van het gesprek vertoonde.
“Er loopt eene sterke strooming dien kant heen,” merkte de vergenoegde kapitein aan. “Wind en water helpen elkander, ziet ge wel. Bedenk maar, dat hij daar laatst ook weer bij moest wezen.”—“Zeer gunstig voor zijne hoop,” zeide Carker.—“Bedenk dat hij in het zog van dien dag werd mee geboegseerd!” vervolgde de kapitein. “Wat kan nu het sleeptouw kappen?”—“Niets,” antwoordde Carker.—“Gij hebt al weer gelijk,” zeide de kapitein, hem nogmaals de hand drukkende. “Niets! Sta vast dus! Er is een zoontje gestorven—een aardig jongetje. Niet waar?”—“Ja, er is een zoontje gestorven,” antwoordde de alles toestemmende Carker.—“Welnu, er is al een ander voor u klaar,” zeide de kapitein. “Een neef van een knap man! Een neef van Sam Gills. Walter, die in al uwe zaken is, die alle dag in uw huis en uw hart komt!” zeide de kapitein, zijne stem verheffende om dit dichterlijke slot uit te spreken.
De zelfvoldoening waarmede de kapitein Carker bij ieder gezegde zachtjes met zijn elleboog aanstiet, kon door niets overtroffen worden dan door de opgetogenheid waarmede hij, na dit schitterend staaltje van schranderheid en welsprekendheid, een stap achterwaarts deed en hem aankeek.
“Heb ik geen gelijk?” zeide de kapitein.—“Kapitein Cuttle,” zeide Carker, op een toon die eenigszins zonderling had kunnen schijnen, “in hetgeen gij daar van Walter Gay en zijne vooruitzichten hebt gezegd, hebt gij volkomen gelijk. Ik begrijp dat wij in vertrouwen met elkander spreken.”—“Op mijne eer!” viel de kapitein er op in. “Geen woord!”—“Tegen hem of iemand anders?” hernam Carker.
De kapitein trok zijne wenkbrauwen samen en schudde zijn hoofd.
“Maar alleen voor uwe eigene gerustheid, en ook natuurlijk om u voor het vervolg naar te richten,” zeide Carker.—“Ik dank je wel vriendelijk,” zeide de kapitein, met groote aandacht luisterende.—“Ik maak geen bezwaar om te zeggen dat gij alle waarschijnlijkheden zeer juist hebt geraden.”—“En wat uw patroon betreft,” zeide de kapitein, “een onderhoud tusschen ons moet maar liefst ongezocht van zelf komen. Er is tijd genoeg.”
Met een mond van het eene oor tot het andere, herhaalde Carker: “Tijd genoeg!” Hij sprak de woorden niet uit, maar knikte slechts vriendelijk, en vormde ze met zijne lippen.
“En daar ik nu weet—wat ik altijd gezegd heb—dat Walter op weg is om zijn fortuin te maken,” zeide de kapitein.—“Om zijn fortuin te maken,” herhaalde Carker, even klankloos als te voren.—“En dat hij dat reisje maar gaat doen als een stukje, om zoo te zeggen, van zijn gewone werk, en toch hier de beste vooruitzichten houdt,” zeide de kapitein.—“De beste vooruitzichten houdt,” herhaalde Carker alweder op dezelfde manier.—“Wel, zoolang ik dat weet,” vervolgde de kapitein, “is er geen haast en ben ik gerust.”
Daar Carker wederom glimlachte en knikte, werd kapitein Cuttle ten sterkste in zijn gevoelen bevestigd, dat hij een van de aardigste menschen was, die hij ooit had gezien, en dat zelfs mijnheer Dombey zich naar zulk een model zou kunnen verbeteren. Met groote hartelijkheid stak hij dus nogmaals zijne geduchte hand toe (die in kleur vrij wel naar een oud scheepsblok geleek) en gaf Carker een kneep, welke op zijn zachter vleesch een proefdruk van de barsten en spleten naliet waarmede de palm des kapiteins rijkelijkgetatoeëerdwas.
“Vaar wel!” zeide de kapitein. “Ik ben geen man van veel woorden, maar ik blijf u wel dankbaar dat gij zoo vriendschappelijk en rondborstig zijt geweest. Gij zult het wel verschoonen als ik wat vrijpostig geweest ben, niet waar?”[119]—“Geheel niet!” was het antwoord.—“Wel bedankt. Mijn kajuitje is niet heel ruim,” zeide de kapitein, nog eens terugkomende, “maar nog al aardig; en als gij ooit dicht bijBrig Place, nommer negen, mocht komen—wilt ge dat opschrijven?—en naar boven gaan, zonder u te storen aan iets dat iemand beneden aan de deur misschien mocht zeggen—zou ik mij zeer vereerd houden.”
Met deze gastvrije noodiging zeide de kapitein goedendag! ging heen en sloot de deur, terwijl Carker tegen den schoorsteenmantel bleef staan leunen. Zijne sluwe oogen en valsche mond, nog uitgerekt, maar nu niet glimlachend; zijne hagelwitte das; zijn bakkebaard; zelfs het stille strijken van de zachte hand over zijn wit linnengoed en zijn glad gezicht, alles had iets gruwelijk katachtigs.
De argelooze kapitein stapte heen met eene zelfvoldoening, die zijne blauwe jas een geheel nieuw fatsoen scheen te geven. “Goed zoo, Ned!” zeide hij bij zich zelven. “Vandaag hebt ge toch iets voor de jongelui gedaan, mijn jongen!”
Eenigszins opgeblazen over zijne gemeenzaamheid, van vroeger en in het vooruitzicht, met den patroon, kon de kapitein, toen hij het groote kantoor bereikte, niet nalaten Perch een weinigje voor den gek te houden en te vragen of hij nog dacht dat iedereen belet had. Maar om een man, die slechts zijn plicht had gedaan niet al te hard te vallen, fluisterde de kapitein hem in het oor, dat hij, als hij lust had in een glas grog, maar moest meegaan, en het dan hartelijk gaarne tot zijn dienst was.
Eer hij geheel heenging, keek de kapitein, eenigszins tot verbazing der klerken, het kantoor eens op zijn gemak in het rond, als een gedeelte van iets waarin zijn jonge vriend van nabij belang had. Het brandkamertje wekte vooral zijne bewondering op; maar om niet te vrijpostig te schijnen, bepaalde hij zich tot een enkelen goedkeurenden blik, en stapte, na de klerken in het algemeen met goedgunstige beleefdheid gegroet te hebben, de straat op. Daar Perch hem spoedig volgde, bracht hij dezen heer naar de herberg en vervulde zijne belofte—haastig, want de tijd van Perch was kostbaar.
“Ik zal u een toast geven,” zeide de kapitein, toen het glas bijna uit was en hij met eene dikke tong begon te spreken. “Waller!”—“Wie?” zeide Perch.—“Waller!” herhaalde de kapitein met eene dreunende stem.
Perch, die zich flauw herinnerde in zijne jeugd eens van een dichter van dien naam te hebben gehoord, maakte wel geen bezwaar, maar was toch zeer verwonderd dat de kapitein naar de City kwam om de gezondheid van een dichter te drinken; hij had het bijna niet vreemder kunnen vinden als iemand had voorgesteld om in eene straat van de City het standbeeld van een dichter—vanShakespearebij voorbeeld —te plaatsen. Over het geheel was de kapitein zulk een geheimzinnig en onbegrijpelijk personage, dat Perch zich voornam om zijne vrouw maar niet van hem te vertellen, uit vrees dat dit onaangename gevolgen mocht hebben.
Geheimzinnig en onbegrijpelijk bleef de kapitein—vervuld van de bewustheid dat hij iets voor de jongelieden gedaan had—den geheelen dag, zelfs voor zijne vertrouwdste vrienden, en indien Walter zijn wenken engrinnikenniet aan zijn genoegen over het goed gevolg van het onschuldige bedrog, dat zij den ouden Gills speelden, hadtoegeschreven, zou hij zich zeker voor dien avond verraden hebben. Thans echter bewaarde hij zijn geheim, en ging laat van den instrumentmaker naar huis, met zijn blinkenden hoed zoo sterk op zijde en zulk eene zalige uitdrukking in zijne oogen, dat jufvrouw MacStinger (die wel bij doctor Blimber opgevoed had kunnen zijn, zulk eene romeinsche matrone was zij) zich op zijn eerste gezicht achter de opene straatdeur verschanste en niet daar vandaan kwam, om naar hare lieve kindertjes te kijken, eer hij veilig op zijne eigene kamer was.