XVIII.

[Inhoud]XVIII.VADER EN DOCHTER.Door het geheele huis van Dombey is het doodstil. De dienstboden, die de trap op en af sluipen, ritselen, maar laten geene voetstappen hooren. Zij praten gedurig met elkander, blijven lang aan tafel zitten, eten en drinken met smaak, en vermaken zich op zekere naargeestige, onheilige manier. Jufvrouw Wickam, met de oogen vol tranen, vertelt akelige anekdoten, en zegt hoe zij mevrouw Pipchin altijd gezegd heeft dat het zoo gaan zou, en drinkt meer bier dan gewoonlijk, en is heel bedroefd, maar toch gezellig. De keukenmeid verkeert in een dergelijken gemoedstoestand. Zij belooft wat gebakken visch voor den avond, en kampt evenzeer tegen haar gevoel en de uien, die zij bij de sla gereedmaakt. Towlinson begint te denken dat het zoo wezen moest, en wil weten of iemand hem kan zeggen dat een hoekhuis ooit gelukkig was. Het komt allen voor dat het reeds lang geleden is, hoewel het kind nog, met een kalmen glimlach op het gezichtje, op zijn bedje ligt.Na den donker komen er anderen—geen gerucht maken zij, op hunne schoenen met vilten zolen—die er vroeger nog eens bij zijn geweest; en met hen komt dat laatste rustbed, dat zoo vreemd is voor een kinderlijken slaper. Al dien tijd is de vader zelfs niet door een bediende[120]gezien; want als er iemand in de donkere kamer komt, blijft hij in een hoek zitten, en op andere tijden schijnt hij zich niet te bewegen, dan om die op en neer te stappen. Maar des morgens fluistert men in het huishouden, dat men hem in het holste van den nacht naar boven heeft hooren gaan, en dat hij daar—in de kamer—gebleven is, tot de zon begon te schijnen.Aan het kantoor in de City zijn de vensters van dof geslepen glas nog met luiken verduisterd. De lampen op de lessenaars worden verdonkerd door den toch nog invallenden dag, en de dag wordt wederom door de lampen verdonkerd, en er heerscht eene buitengewone somberheid. Er wordt niet veel gewerkt. De klerken hebben geen lust daartoe, en maken afspraak om in den namiddag met elkander te gaan eten, wandelen of varen. Perch blijft lang met zijne boodschappen uit, en zit in herbergen bij de toonbank, waar hem vrienden hebben meegenomen, en redeneert daar over de onzekerheid van al het ondermaansche. Hij gaat des avonds vroeger dan gewoonlijk naar huis, en trakteert zijne vrouw op eene kalfskarbonade en een extra glas bier. Carker de chef trakteert niemand en wordt niet getrakteerd; maar alleen in zijne kamer laat hij den geheelen dag zijne tanden zien, en het zou schijnen dat er een struikelblok is opgeruimd, dat hem in den weg lag.Nu komen de blozende kinderen, die tegenover Dombey wonen, voor het venster der kinderkamer naar de straat kijken; want er staan vier zwarte paarden voor zijne deur, met pluimen op den kop, en op het rijtuig dat zij trekken wuiven insgelijks pluimen; en deze, en een stoet van mannen met rouwsjerpen en staven, trekken een hoop volk bijeen. De kunstenmaker, die juist zijne vertooning wilde beginnen, hangt zijne losse jas weder over zijn mooi pakje, en zijne vrouw, met een zwaar kind op den arm, blijft staan dralen om de staatsie te zien. Maar dichter aan den valen doek, die hare borst bedekt, drukt zij haar kind, als de doodkist, zoo licht om te dragen, buitenkomt; en het jongste der blozende kinderen voor het venster aan den overkant heeft geene waarschuwende hand noodig om hare vroolijkheid te smoren, als zij, met het mollige vingertje wijzende, de kindermeid aanziet en vraagt: “Wat is dat?”En nu, tusschen een troepje knechts in den rouw en de schreiende vrouwen door, gaat Dombey naar de andere koets, die op hem wacht. Hij is niet “neergedrukt”, denken de toeschouwers. Zijn gang is even statig, zijne houding even stijf als ooit. Hij houdt geen zakdoek voor zijn gezicht en ziet strak voor zich. Behalve dat zijn gezicht bleek en eenigszins ingevallen is, heeft het dezelfde uitdrukking als gewoonlijk. Hij neemt zijne plaats in de koets en nog drie andere heeren volgen. Dan trekt de deftige rouwstoet langzaam de straat door. De pluimen wuiven nog in de verte, als de kunstenmaker reeds zijne waschkom op een stok laat draaien, en denzelfden hoop volk om zich heen heeft om hem te bewonderen. Zijne vrouw is minder vlug dan anders met het geldbakje, want die kinderbegrafenis heeft haar in de gedachten gebracht, dat het kind onder haar valen doek misschien ook niet zal groot worden, misschien nooit een blauw lint om het hoofd zal hebben, eene broek van vleeschkleur tricot dragen en in den modder duikelen.De pluimen vervolgen somber haar weg langs de straten en komen binnen den klank eener kerkklok. In dezelfde kerk heeft het aardige knaapje gekregen, wat spoedig alles zal zijn dat op aarde van hem over is—een naam. Al wat van hem dood is leggen zij daar, dicht bij het vergankelijke deel zijner moeder. Het is goed zoo. Zijn stof rust waar Florence op hare wandelingen—o, eenzame, eenzame wandelingen!—het dagelijks kan voorbijkomen.Nadat de plechtigheid is afgeloopen en de geestelijke heengegaan, ziet Dombey rond en vraagt zacht of de man er is, die gewaarschuwd is om de bestelling voor den gedenksteen aan te nemen.Er komt iemand naar voren, en zegt: “Ja!”Dombey beduidt hem waar hij het gedenkteeken geplaatst wil hebben, en wijst hem met de hand op den muur, de grootte en het fatsoen, en hoe het zich aan dat der moeder moet aansluiten. Dan schrijft hij het opschrift met potlood op een stukje papier, geeft het hem en zegt: “Ik verlang het spoedig geplaatst te hebben.”—“Het zal dadelijk gebeuren, mijnheer.”—“Er is eigenlijk niets op te zetten dan naam en ouderdom, ziet ge.”De man buigt, kijkt naar het papier, maar schijnt te twijfelen. Dombey, hier niet op lettende, keert zich om en gaat vooruit naar het portaal.“Neem mij niet kwalijk, mijnheer;” zijn rouwmantel wordt zacht aangeraakt; “maar daar gij het dadelijk gedaan wilt hebben, en ik het dus onderhanden zou geven zoodra ik terugkom …”—“Wel?”—“Wilt ge zoo goed zijn om het nog eens over te lezen? Ik geloof dat er eene vergissing in is.”—“Waar?”De steenhouwer geeft hem het papier terug, en wijst met zijn duimstok naar de woorden “geliefd en eenig kind.”“Het zou “zoon” moeten wezen, dunkt mij, mijnheer?”—“Gij hebt gelijk. Natuurlijk. Verander dat.”De vader vervolgt, met haastiger tred, zijn weg naar de koets. Wanneer de andere drie, die hem op de hielen volgen, bij hem plaats nemen, is zijn gezicht voor de eerste maal in zijn mantel verborgen. Zij zien het dien dag[121]niet meer. Hij stapt het eerst af en gaat terstond naar zijne kamer. De andere rouwdragers (zij zijn mijnheer Chick en twee van de dokters) gaan boven naar het salon, waar zij door mevrouw Chick en jufvrouw Tox worden ontvangen. En welk een gezicht het is, in die geslotene kamer beneden; of welke gedachten daar heerschen; welk een hart daar is, hoe daar gestreden of geleden wordt—weet niemand.Maar zij werd toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in tranen wegsmolt. (blz. 124).Maar zij werd toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in tranen wegsmolt.(blz. 124).Het voornaamste dat men beneden in de keuken weet is, dat het naar een zondag gelijkt. Men kan haast niet anders denken of het is zeer onvoegzaam, zoo niet goddeloos, dat de menschen buitenshuis hunne gewone bezigheden verrichten en hunne dagelijksche kleeren dragen. Het is geheel iets nieuws, dat de gordijnen weder opgehaald zijn en de luiken openstaan; en men maakt zich naargeestig vroolijk bij den wijn, die zoo mild geschonken wordt als op een feestdag. Men is zeer genegen om te moraliseeren. Towlinson geeft met een zucht den toast: “Ons aller beterschap!” waarop de keukenmeid, insgelijks met een zucht, zegt: “Daar is nog genoeg reden toe, weet God.” In den avond nemen mevrouw Chick[122]en jufvrouw Tox haar naaiwerk weder op, en gaat Towlinson uit om een luchtje te scheppen, vergezeld door de werkmeid, die haar rouwhoed nog niet geprobeerd heeft. Zij zijn heel teer voor elkaar op donkere hoeken van straten, en Towlinson denkt er aan om als een rechtzinnig groenteman een ander en onberispelijk leven te gaan leiden.Er wordt dien nacht geruster geslapen dan sedert vele nachten. De ochtendzon wekt het oude huishouden, om weder den ouden gang te gaan. De blozende kinderen van den overkant loopen met hoepels voorbij. In de kerk is eene prachtige trouwpartij. De vrouw van den kunstenmaker haalt in eene andere wijk van de stad geld op, even vlug en ijverig als voorheen. De steenhouwer zingt en fluit terwijl hij op de marmeren plaat voor hem, de letters P-A-U-L beitelt.En kan het zijn dat in eene wereld zoo vol en druk het verlies van één zwak schepseltje eene ledigheid in een hart veroorzaakt, zoo wijd en diep dat niets dan de wijdte en diepte der eeuwigheid ze kan vullen! Florence had in hare onschuldige droefheid kunnen antwoorden: “O, mijn broeder, o, mijn teerbeminde en liefhebbende broeder! Eenige vriend en deelgenoot van mijne verachte kindsheid! Kan eene minder verhevene gedachte het licht verspreiden dat reeds uw vroegtijdig graf bestraalt, of de weemoedigheid doen ontstaan, die reeds onder deze tranen mijne smart verzacht!”—“Kindlief,” zeide mevrouw Chick, die het haar plicht achtte, deze gelegenheid waar te nemen om eene nuttige les te geven, “als gij eens zoo oud zijt als ik—”—“Dat dus nog op het best van uw leven zal zijn,” merkte jufvrouw Tox. aan.—“Dan zult gij,” vervolgde mevrouw Chick, jufvrouw Tox de hand drukkende, uit erkentelijkheid voor haar vriendelijk gezegde “dan zult gij weten dat alle droefheid niet baten kan, en het onze plicht is te berusten.”—“Ik zal mijn best doen, lieve tante. Dat doe ik al,” antwoordde Florence snikkend.—“Dat doet mij genoegen,” zeide mevrouw Chick, “omdat, liefje, zooals onze lieve jufvrouw Tox—wier verstand en oordeel niemand betwijfelen kan—”—“Mijne lieve Louise, ik zal waarlijk nog trotsch worden,” zeide jufvrouw Tox.—“U zal zeggen en met hare ondervinding bevestigen,” vervolgde mevrouw Chick, “dat wij altijd gereed moeten zijn om ons in te spannen. Als een misanthroop ooit in mijn bijzijn mocht vragen: “Waartoe wordt de mensch geboren?” zou ik antwoorden: “Om zich in te spannen.””—“Heel goed gezegd,” zeide jufvrouw Tox, getroffen door het origineele dier ontboezeming. “Heel goed!”—“Ongelukkig,” hervatte mevrouw Chick, “hebben wij een waarschuwend voorbeeld vlak voor onze oogen. Wij hebben maar al te veel reden om te denken, lief kind dat, als men zich in deze familie maar bijtijds eene inspanning had gevergd, eene geheele reeks van bedroevende omstandigheden had kunnen vermeden worden. Niets zal mij ooit overreden,” zeide zij, op vasten toon, “of als de arme lieve Fanny zich maar wat had ingespannen, zou dat arme lieve kind ten minste een sterker gestel gehad hebben.”Mevrouw Chick gaf zich voor een half oogenblik aan hare aandoening over; maar om hare leer met een voorbeeld te bekrachtigen, stuitte zij zich in het midden van een snik, en ging toen weder voort:“Laat ons daarom zien, Florence, verzoek ik u, dat gij een beetje kracht van geest hebt, en de droefheid, waarin uw papa gedompeld is, niet door uwe eigenliefde verzwaart.”—“Lieve tante!” zeide Florence, snel voor haar neerknielende, om haar te beter en ernstiger in het gezicht te kunnen zien. “Zeg mij meer van papa. Och, zeg mij wat van hem! Is hij geheel onder zijn hartzeer bezweken?”Jufvrouw Tox had een teer gevoel, en dit gezegde deed haar diep ontroeren. Of zij daarin bij het verwaarloosde kind slechts dezelfde medelijdende aandoening zag, die haar doode broeder zoo dikwijls had getoond—of wel eene liefde, die zich aan het hart, dat hem had liefgehad, zocht te hechten, en niet dulden kon dat zij van de gemeenschap in zulk eene smart werd uitgesloten—dan of zij daarin alleen het kinderlijke hart zag, gegriefd omdat zijne teederheid zoolang onbeantwoord was gebleven, en dat in zijne eenzaamheid tot hem riep om getroost te worden en troost te geven—hoe zij dit gezegde ook opvatte, jufvrouw Tox werd er door geroerd. Voor een oogenblik vergat zij de waardigheid van mevrouw Chick, en haastig Florence de wang streelende, keerde zij zich om en liet de tranen uit hare oogen stroomen, zonder naar een wenk van die deftige matrone te wachten.Mevrouw Chick verloor zelve voor een oogenblik de tegenwoordigheid van geest, waarop zij zooveel roem droeg, en bleef het schoone jeugdige gezichtje, dat zoolang, standvastig en geduldig naar het bedje gekeerd was gebleven, verstomd aanzien. Maar hare stem terug krijgende—een synoniem van hare tegenwoordigheid van geest, want beide waren eigenlijk een en hetzelfde—antwoordde zij deftig:“Florence, kindlief, uw goede papa heeft somtijds wel iets singuliers; en als gij mij naar hem vraagt, vraagt gij mij naar iets dat ik waarlijk niet kan beweren te verstaan. Ik geloof dat ik zooveel invloed op uw papa heb als iemand anders. Evenwel is al wat ik zeggen kan, dat hij mij zeer weinig gezegd heeft, en dat ik hem maar eens of tweemaal voor een oogenblik heb gezien, of eigenlijk haast niet gezien, want zijne kamer was donker. Ik heb tot uw papa gezegd: “Paul!” dat is de juiste[123]uitdrukking die ik gebezigd heb—“Paul! waarom gebruikt gij niet iets versterkends?” Telkens is het antwoord van uw papa geweest: “Louise, wees zoo goed om mij alleen te laten. Ik heb niets noodig. Ik ben beter alleen.” Als ik morgen een eed voor een rechter moest doen, Lucretia,” zeide mevrouw Chick, “twijfel ik niet of ik zou veilig durven zweren, dat dit zijne eigene woorden waren.”Jufvrouw Tox gaf hare bewondering te kennen door te zeggen: “Mijne Louise is altijd zoo nauwkeurig!”—“Kortom, Florence,” hervatte hare tante, “er is letterlijk niets tusschen uw ongelukkigen papa en mij gepasseerd, tot vandaag, toen ik uw papa zeide dat Sir Barnet en Lady Skettles buitengemeen vriendelijke briefjes hadden gezonden—onze lieve jongen! Lady Skettles hield zooveel van hem als van een—waar is mijn zakdoek?”Jufvrouw Tox gaf er haar een aan.“Buitengemeen vriendelijke briefjes, om voor te stellen dat gij tot verstrooiing bij hen zoudt komen logeeren. Toen ik uw papa zeide te denken dat jufvrouw Tox en ik nu wel naar huis konden gaan (waarin hij toestemde) vroeg ik of hij er tegen had dat gij die invitatie zoudt aannemen. Hij zeide: “Neen, Louise, niet het minste!””Florence sloeg hare betraande oogen op.“Evenwel, als gij liever hier woudt blijven, Florence, in plaats van daar nu te gaan logeeren, of met mij naar huis te gaan—”—“Dat zou ik veel liever willen, tante,” was het flauwe antwoord.—“Wel kind,” zeide mevrouw Chick, “dan kunt gij dat. Het is eene vreemde keus, moet ik zeggen. Maar gij zijt altijd vreemd geweest. Iemand anders op uwe jaren, en na hetgeen er is voorgevallen—mijne lieve jufvrouw Tox, ik ben mijn zakdoek weer kwijt—zou gaarne hier vandaan gaan, zou men denken.”—“Ik had niet gaarne,” zeide Florence, “dat het huis nu gemeden scheen. Ik zou niet gaarne denken, dat de—zijne—de kamers boven nu geheel leeg stonden en zoo akelig waren, tante. Ik wilde liever vooreerst hier blijven. O, mijn broeder! O, mijn broeder!”Het was eene natuurlijke, onbedwingbare gemoedsbeweging, die zich zelve een uitweg baande tusschen de vingers door waarmede zij haar gezicht bedekte. De overkropte borst moest somtijds zoo lucht krijgen, of het gewonde, eenzame hart daarbinnen had moeten smoren.“Wel kind,” zeide mevrouw Chick, “ik zou u voor alles niets onaangenaams willen zeggen, en dat weet gij ook wel. Gij zult dus hier blijven en net zoo doen als gij verkiest. Niemand zal zich met u bemoeien, Florence, of willen bemoeien.”Florence schudde treurig toestemmend haar hoofd.“Ik had niet zoodra uw armen papa begonnen te raden, dat hij waarlijk wat verstrooiing en afleiding moest gaan zoeken,” zeide mevrouw Chick, “of hij zeide mij, dat hij al voornemens was voor eene poos naar buiten te gaan. Ik hoop maar dat hij het gauw zal doen. Hij kan het niet te gauw doen. Maar ik denk dat er nog wel zaken te beschikken en papieren te veranderen zijn, ten gevolge van dien slag, die ons allen zoo bedroefd heeft—ik kan niet begrijpen waar de mijne gebleven is: Lucretia, leen mij den uwen eens, lieve—die hem nog wel een paar avonden in zijne kamer zullen bezig houden. Uw papa is een Dombey, kind, als er ooit een geweest is,” zeide mevrouw Chick, hare beide oogen zeer zorgvuldig met verschillende hoeken van den geleenden zakdoek afdrogende. “Hij zal zich wel inspannen. Daarvoor behoeft men bij hem niet bang te zijn.”“Is er niets, tante,” begon Florence bevende, “dat ik zou kunnen doen om …”—“Heere, kindlief,” viel mevrouw Chick er haastig op in, “wat praat ge toch? Als uw papa tegenmijzeide—ik heb u zijne eigene woorden laten hooren: “Louise, ik heb niets noodig. Ik ben beter alleen,”—wat denkt gij dan dat hij tegen u zou zeggen? Gij moet u niet aan hem laten zien, kind—niet eens van zoo iets droomen.”—“Tante,” zeide Florence, “ik zal maar wat te bed gaan liggen.”Mevrouw Chick keurde dit besluit goed en zond haar met een kus heen. Maar jufvrouw Tox ging, met het flauwe voorwendsel dat zij naar den weggeraakten zakdoek wilde zoeken, haar na naar boven, en poogde in eenige gestolene minuten haar te troosten, hoewel Suze Nipper haar lang niet daartoe aanmoedigde. Want in haar gloeienden ijver maakte Suze jufvrouw Tox voor een krokodil uit; en toch scheen haar medelijden van echte soort te zijn, en had het ten minste den schijn van belangeloosheid voor zich—er was weinig gunst mede te winnen.En was er niemand nader en dierbaarder dan Suze om het worstelende hart in zijn strijd bij te staan? Was er geen andere hals om te omvatten; geen ander gezicht om aan te zien; niemand anders om in zulke diepe droefheid een troostend woord te spreken? Was Florence zoo alleen in de barre wereld, dat haar niets anders overschoot? Niets. Op eens en te gelijk moederloos en broederloos geworden—want met het verlies van den kleinen Paul, trof het eerste en zwaarste verlies haar met nieuwe zwaarte—was dit de eenige hulp die zij had. O, wie kan zeggen hoezeer zij in het eerst naar hulp verlangde!In het eerst, toen het huis weder op den gewonen regel was gekomen, en allen vertrokken waren behalve de dienstboden en haar vader, die in zijne kamers bleef opgesloten, kon Florence niets doen dan schreien, en op en neer[124]dwalen, en somtijds, in eene vlaag van wanhopig herdenken, naar hare kamer vliegen, hare handen wringen, zich met haar gezicht op haar bed werpen, en van geen troost willen weten, van niets weten dan de bitterheid en wreedheid van haar leed. Dit volgde gewoonlijk op het herkennen van eene plek of een voorwerp dat in bijzonder teedere betrekking met hem stond, en maakte het huis in het begin tot eene martelplaats voor haar.Maar het ligt niet in den aard der reine liefde om lang met zulk eene verderfelijke woestheid te branden. De vlam, die door grove aardsche deelen wordt ontreinigd, mag de borst verteren, welke haar schuilplaats geeft; maar het heilige vuur van den hemel is in het hart even zacht, als toen het op de hoofden der verzamelde twaalve rustte, en ieder daarbij zijn broeder zag, verlicht en ongedeerd. Het opgeroepene beeld kreeg weldra het vergenoegde gezichtje, de zachte stem, de liefdevolle blikken, de stille vertrouwelijkheid terug, en hoewel Florence nog bleef schreien, schreide zij toch rustiger, en gevoelde zij dat de herinnering haar weldadig was.Het duurde niet lang of de gouden golfjes, die op de oude plaats en den ouden tijd over den muur speelden, werden onder het verdwijnen met kalme treurigheid nagestaard. Het duurde niet lang of die kamer zag haar daar weder zitten, alleen, maar even stil en geduldig als zij bij dat bedje had gewaakt. Als het akelige gevoel, dat het nu ledig was, haar te pijnlijk werd, kon zij er nu bij neerknielen en God bidden—het was de uitstorting van het overvolle hart—dat een engel haar mocht blijven liefhebben en gedenken.Het duurde niet lang, of in dat akelige, holle huis hief hare stem in het schemeruur, langzaam en somtijds ophoudende, de oude wijsjes aan, waarnaar hij zoo dikwijls had geluisterd, met het zwakke hoofdje in haar arm. En daarna, als het geheel donker was, klonk er eene muziek door de kamer, zoo zacht gespeeld en gezongen, dat zij meer eene weemoedige herinnering geleek van hetgeen zij dien laatsten avond op zijn verzoek gedaan had, dan eene werkelijke herhaling. Maar zij werd toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in tranen wegsmolt.Zoo kreeg zij moed om naar het werk te zien, waarmede hare vingers naast hem op het zeestrand waren bezig geweest; en zoo duurde het niet lang of zij vatte het weder op—met iets dat naar menschelijke liefde geleek, alsof het gevoel en bewustheid had en hem had gekend; en zoo sleet zij, voor het venster, dicht bij het portret harer moeder gezeten, de peinzende uren.Waarom richtten hare donkere oogen zich zoo dikwijls naar den overkant, waar die blozende kinderen woonden? Zij deden haar niet rechtstreeks aan haar verlies denken, want het waren allen meisjes, vier kleine zusters. Maar zij waren moederloos evenals zij—en hadden een vader.Het was gemakkelijk te weten wanneer hij uit was en thuis werd verwacht, want het oudste kind stond dan altijd gekleed voor het venster van het salon of op het balkon naar hem uit te zien, en als hij verscheen blonk haar verwachtend gezichtje van blijdschap, terwijl de anderen, voor het hoogere venster, ook altijd op de wacht, in de handjes klapten en op de vensterbank trommelden en hem riepen. Het oudste meisje kwam dan beneden naar het voorhuis, en gaf hem haar handje en bracht hem naar boven; en Florence zag haar naderhand naast hem of op zijne knie zitten, met haar arm liefkoozend om zijn hals, en met hem praten; en hoewel zij altijd vroolijk met elkander waren, zag hij haar dikwijls aan, alsof hij dacht dat zij naar hare doode moeder geleek. Somtijds wilde Florence hier niet meer naar zien, en in tranen uitbarstende, verschool zij zich dan achter het gordijn, alsof zij bang werd, of ging zij van het venster af. Zij kon zich echter niet weerhouden van terug te komen, en dan viel haar werk haar spoedig weder onopgemerkt uit de handen.Het was het huis, dat voor jaren ledig had gestaan. Het was lang zoo blijven staan. Eindelijk, en terwijl zij van huis was, had deze familie het betrokken; en toen was het gerepareerd en nieuw geschilderd, en nu waren er vogeltjes en bloemen in, en geleek het niet meer naar wat het vroeger was. Maar zij dacht nooit aan het huis. De meisjes en haar vader waren haar alles.Als hij gegeten had, kon zij ze, door de opene vensters, met de kindermeid of gouvernante naar beneden zien komen, en zich om de tafel scharen; en bij het stille zomerweder kwam het geluid van hare kinderstemmetjes en haar helder gelach de straat overklinken in de drukkende lucht der kamer waar zij zat. Dan sprongen enklauterdenzij met hem de trap op, en stoeiden met hem op de sofa, of zaten op zijne knieën bij elkander gedrongen, een bouquetje van gezichtjes, terwijl hij iets scheen te vertellen. Of zij kwamen ook naar buiten op het balkon loopen, en dan verborg Florence zich snel, uit vrees dat het hare blijdschap zou storen, als zij haar daar in het zwart alleen zagen zitten.Het oudste meisje bleef bij haar vader als de anderen heengingen, en schonk dan thee voor hem—welk een vergenoegd lief huishoudstertje—en zat met hem te praten, somtijds voor het venster, somtijds meer achter in de kamer, tot er licht werd gebracht. Hij[125]maakte haar dus tot zijne gezellin, hoewel zij eenige jaren jonger was dan Florence, en zij kon zich bij haar boekje of werkdoosje zoo stil en stemmig houden als een volwassen meisje. Als er licht brandde, was Florence niet bang om uit hare eigene donkere kamer weder binnen te kijken. Maar wanneer het tijd voor het meisje werd om “goeden nacht, papa,” te zeggen en naar bed te gaan, en zij haar gezichtje naar hem ophief, begon Florence te beven en te snikken, en kon zij niet meer zien.Eer zij zelve naar bed ging, keek zij echter, onder het zingen en spelen der eenvoudige wijs, die hem zoo dikwijls in slaap had gesust, nog dikwijls naar dat huis om. Maar dat zij er ooit aan dacht, of het bespiedde, was een geheim dat zij in haar jeugdig hart bewaarde.En bewaarde dat hart—zoo oprecht en trouw—de liefde zoo waardig die de gestorvene haar had toegedragen en met zijne laatste woorden toegefluisterd—dat hart, welks argelooze onschuld zich in haar gezichtje spiegelde en in elken klank harer zachte stem ademde—geen ander geheim? Ja. Nog een.Als er niemand anders in huis meer op was en alle lichten waren uitgedaan, verliet zij zacht hare kamer, en ging met onhoorbare stappen de trap af naar de deur van haar vaders kamer. Daartegen liet zij dan met smachtende liefde haar hoofd rusten, en drukte zij hare bevende lippen. Elken nacht knielde zij op den kouden steenen vloer daar buiten, om naar zijne ademhaling te luisteren, en in haar vurig verlangen om hem maar eenige genegenheid te mogen toonen, om hem tot eenigen troost te mogen zijn, om hem te bewegen dat hij eenige teederheid van haar, zijn eenzaam kind, verdroeg, zou zij, als zij maar gedurfd had, nederig smeekend voor zijne voeten geknield hebben.Niemand wist het. Niemand dacht er aan. De deur bleef altijd dicht en hij daar binnen opgesloten. Een paar malen ging hij uit, en in huis zeide men dat hij spoedig op reis zou gaan; maar overigens bleef hij in die kamers, geheel alleen; en haar zag hij nooit, naar haar vroeg hij nooit. Misschien wist hij niet eens dat zij in huis was.Eens, omtrent eene week na de begrafenis, zat Florence te werken, toen Suze haar met een half lachend half schreiend gezicht kwam zeggen, dat er visite voor haar was.“Visite! Voor mij, Suze?” zeide Florence verwonderd opziende.—“Ja dat is wel een wonder, niet waar jufvrouw Flore,” zeide Suze; “maar ik wenschte dat gij druk visites hadt, dat doe ik waarlijk; want dat zou beter voor u zijn, en ik denk ook hoe eerder gij zelfs naar de oude Skettles’en gaat, zooveel te beter voor ons allebei. Ik mag van geene drukte houden, jonge jufvrouw Flore, maar ik ben toch geen oester.”Om Suze recht te doen, dacht zij, dit zeggende, meer om hare jonge meesteres dan om zich zelve, en haar gezicht toonde dit.“Maar wie is er dan om mij te spreken, Suze?” zeide Florence.Met eene zenuwachtige uitbarsting, die evenveel een lach als een snik, en evenveel een snik als een lach was, antwoordde Suze: “mijnheer Toots!”De glimlach die zich even op Florence’s gezichtje vertoonde, verdween terstond weder, en hare oogen vulden zich met tranen. Maar het was toch een glimlach geweest, en daarmede was Suze reeds zeer in haar schik.“Net hetzelfde dat ik gevoeld heb, jufvrouw Flore,” zeide zij, haar voorschoot voor hare oogen houdende, en haar hoofd schuddende. “Toen ik dien lummel in het voorhuis zag, begon ik eerst te lachen en toen kreeg ik een brok in de keel.”Onwillekeurig deed zij hetzelfde nog eens. Ondertusschen was Toots, geheel onbewust van den indruk dien hij gemaakt had, haar achterop naar boven gekomen, en nadat hij met zijne knokkels op de deur zich zelven nog eens had aangediend, stapte hij met bijzondere vlugheid binnen.“Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide hij. “Ik ben heel wel—zeer verplicht. Hoe maakt gij het?”Toots—een van de beste jongens in de wereld, hoewel er schranderder mochten zijn—had deze lange redevoering met moeite bijeengebracht, om aldus voor Florence en zich zelven de aandoening van het wederzien te verminderen. Nu echter bevindende dat hij onvoorzichtig genoeg was geweest om al wat hij wist uit te kramen, eer hij nog een stoel genomen, of Florence een woord gezegd had—eer hij eigenlijk wel binnen de deur was—achtte hij het raadzaam om nog eens te beginnen.“Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide hij. “Ik ben heel wel—zeer verplicht. Hoe maakt gij het?”Florence gaf hem hare hand en zeide dat zij zeer wel was.“Ik ben ook heel wel,” zeide Toots, een stoel nemende. “Inderdaad, heel wel ben ik. Ik kan mij niet herinneren,” vervolgde hij, na een oogenblik peinzens, “dat ik ooit beter ben geweest—zeer verplicht.”—“Het is heel vriendelijk van u dat gij eens aankomt,” zeide Florence, haar werk weder opnemende. “Ik ben blij dat ik u zie.”Toots antwoordde met een gegiggel. Denkende dat dit misschien te levendig was, verbeterde hij het met een zucht. Wederom denkende dat dit misschien te treurig was, giggelde[126]hij weder. Met geen van beide manieren van antwoord geheel tevreden, haalde hij zwaar adem.“Gij zijt heel goed voor mijn lieven broeder geweest,” zeide Florence, hare natuurlijke neiging volgende om zijne verlegenheid te verminderen. “Hij heeft mij dikwijls over u gesproken.”—“O, dat is van geen beduiden,” zeide Toots haastig. “Warm, niet waar?”—“Het is heel mooi weer,” antwoordde Florence.—“Dat is recht mijn weer,” hervatte Toots. “Ik geloof niet dat ik mij ooit zoo wel heb gevoeld als tegenwoordig—zeer verplicht.”Na deze merkwaardige en onverwachte omstandigheid vermeld te hebben, verzonk Toots in een diepen put van stilzwijgen.“Ge zijt nu niet meer bij doctor Blimber?” zeide Florence, als eene poging om hem er uit te helpen.—“Dat zou ik hopen,” antwoordde Toots en stortte er weder in.Hij bleef, verzonken naar het scheen, wel tien minuten lang beneden. Na verloop van dien tijd kwam hij eensklaps bovendrijven, en zeide:“Wel! Goeden morgen, jufvrouw Dombey.”—“Gaat gij al heen?” zeide Florence, opstaande.—“Dat weet ik toch nog niet. Neen, nog niet,” zeide Toots, en ging alleronverwachtst weder zitten. “De zaak is—zeg eens, jufvrouw Dombey.”—“Wees niet bang om te spreken,” zeide Florence met een glimlach, “ik zou heel gaarne eens over mijn broeder met u spreken.”—“Zoudt ge—toch?” zeide Toots daarop, met levendige sympathie in elken trek van zijn anders onbeteekenend gezicht. “Arme Dombey! Ik had waarlijk nooit gedacht dat Burgess en Comp.—kleermakers, in de mode, maar heel duur, over wie wij wel eens gepraat hebben—mij daarvoor dit pak zouden maken.” Toots was in den rouw. “Arme Dombey! Zeg eens, jufvrouw Dombey!” stotterde en snikte Toots.—“Wel?” zeide Florence.—“Er is een vriend, waarvan hij op het laatst bijzonder gehouden heeft. Ik dacht dat gij hem misschien wel zoudt willen hebben als eene soort van gedachtenis. Gij weet wel hoe hij nog om Diogenes dacht?”—“O ja! o ja!” riep Florence uit.—“Arme Dombey! Ik ook,” zeide Toots.Toots, die Florence in tranen zag, had veel moeite om dit punt te boven te komen, en was bijna weder in den put getuimeld. Maar een gegiggel redde hem op den kant.“Zeg, jufvrouw Dombey,” vervolgde hij. “Ik zou in staat zijn geweest om hem te stelen, als zij hem niet gegeven hadden—dat zou ik zeker hebben gedaan; maar zij waren blij dat zij hem maar kwijt raakten, geloof ik. Als gij hem hebben wilt, hij is voor de deur. Ik heb hem met opzet voor u meegebracht. Hij is geen dameshondje, weet ge wel; maar daar zult ge niet op zien, niet waar?”Diogenes stond op dat oogenblik, gelijk zij weldra zagen, toen zij naar de straat keken, uit het portier van eene huurkoets te staren, waarin men hem, om hem te vervoeren, had gelokt door hem wijs te maken dat er ratten in het stroo zaten. Om de waarheid te zeggen, hij geleek zoo weinig op een dameshondje als een hond wel doen kon; en in zijn ongeduldigen angst om uit de koets te komen zag hij er weinig innemend uit. Hij jankte aanhoudend, nam nu en dan een sprong, die telkens mislukte, zoodat hij achterover in het stroo tuimelde, en sprong dan hijgend weder op en stak zijne tong uit, alsof hij ze een dokter moest laten zien.Maar schoon Diogenes zulk een belachelijke, lompe, leelijke hond was als men ergens zou vinden, een lastige hond, die zich altijd verbeeldde dat er ergens een vijand school, tegen wien het zijn plicht was te blaffen; schoon hij ver van goedaardig en zeker niet schrander was, met haar over de oogen, een gekken neus, een staart die hem niet scheen toe te komen, en eene grove stem, was hij Florence, omdat Paul bij zijn afscheid nog zoo om hem had gedacht en verzocht dat er goed voor hem gezorgd zou worden, aangenamer dan de fraaiste en kostbaarste hond kon zijn geweest. Zoo dierbaar, zoo welkom was haar die leelijke Diogenes, dat zij de bejuweelde hand van Toots vatte en die uit dankbaarheid kuste. En toen Diogenes, losgelaten, de trap kwam oprennen en de kamer instuiven (zulk een gedoente als men eerst had, om hem uit de koets te krijgen!) en onder al de meubelen kroop, en een langen ijzeren ketting, die hem nasleepte, om de pooten van stoelen en tafels wond, en er toen aan trok, tot zijne oogen hem zoodanig uit den kop puilden, dat zij door zijne haren zichtbaar werden; en toen hij bromde tegen Toots, die familiaar met hem wilde zijn, en op Towlinson aanvloog, met de zedelijke overtuiging, dat hij de vijand om den hoek was, tegen wien hij al zijn leven had geblaft en dien hij nog nooit had gezien, was Florence zoo met hem ingenomen als ware hij een model van dressuur en schranderheid geweest.Toots was zoo blijde dat zijn present zoo beviel, en zoo verrukt toen hij Florence zich over Diogenes zag bukken en zijn ruigen rug met haar handje streelen—hetgeen Diogenes van het eerste oogenblik hunner kennismaking af goedgunstig toeliet—dat het hem moeielijk viel afscheid te nemen, en het zeker nog veel langer zou geduurd hebben eer hij daartoe kon besluiten, als Diogenes zelf hem niet had geholpen, door het in zijn kop te krijgen om tegen hem te blaffen en uit te schieten. Niet zeker zijnde waarop deze demonstratiën zouden uitloopen, en begrijpende dat zij de pantalon, waaraan Burgess en Comp. hunne kunst hadden getoond, in gevaar brachten, ging Toots[127]grinnikendnaar de deur, keek daar nog een paar malen zonder bepaald oogmerk om, telkens door een nieuwen uitval van Diogenes begroet, en ging eindelijk heen.“Kom dan, Di! lieve Di! maak eens kennis met uwe nieuwe meesteres. Wij moeten veel van elkander houden, Di!” zeide Florence, zijn ruigen kop liefkoozende. En de grove, ruige Di, alsof zijne harige huid niet ondoordringbaar was voor den traan die er op viel, en zijn hondehart er door verweekt werd, duwde haar zijn neus in het gezicht en zwoer haar trouw.Diogenes de man sprak niet duidelijker tot Alexander den Groote, als Diogenes de hond tot Florence sprak. Hij onderteekende blijmoedig het contract met zijne kleine meesteres en wijdde zich aan haar dienst. Dadelijk werd in een hoek een feestmaal voor hem aangericht, en toen hij volop gegeten had, kwam bij naar het venster waar Florence zat toe te kijken, ging op de achterpooten staan, met zijne lompe voorpooten op hare schouders, likte haar gezicht en hare handen, drukte zijn kop tegen hare borst en kwispelstaartte tot hij er moe van werd. Eindelijk rolde hij zich voor hare voeten ineen en ging liggen slapen.Hoewel Suze eenigszins bang voor honden was, en het raadzaam achtte om, als zij in de kamer was, hare rokken zorgvuldig strak te trekken, alsof zij door een geverfd huis ging, en ook eenige gilletjes te geven en op een stoel te gaan staan als Di zich eens uitrekte, was zij toch op hare manier aangedaan over de vriendelijkheid van Toots, en kon zij Florence niet zoo gevoelig zien voor de genegenheid en het gezelschap van dien ruwen vriend van kleinen Paul, zonder eenige stille bespiegelingen daarover, die haar het water in de oogen brachten. Misschien brachten hare denkbeelden mijnheer Dombey wel in zeker verband met den hond; in allen gevalle, nadat zij den geheelen avond naar Diogenes en zijne meesteres had zitten kijken, en zeer goedwillig eene slaapplaats voor Diogenes had gereedgemaakt, in de voorkamer dicht bij de deur zijner meesteres, zeide zij, eer zij deze goeden nacht wenschte, haastig:“Uw papa gaat morgenochtend heen, jufvrouw Flore.”—“Morgenochtend, Suze?”—“Ja jufvrouw. Zoo heeft hij het besteld. Vroeg.”—“Weet gij ook,” zeide Florence zonder haar aan te zien, “waar papa naar toe gaat?”—“Niet recht, jufvrouw. Hij zal eerst dien heerlijken majoor gaan opzoeken, en ik moet zeggen, als ik zelve met een majoor kennis hield (waarvoor de hemel mij moge bewaren) zou het geen blauwe zijn.”—“St; Suze!” zeide Florence zacht maar dringend.—“Wel, jufvrouw Flore,” antwoordde Suze, die van verontwaardiging gloeide, “dat kan ik niet helpen, blauw is hij, en zoolang ik een Christenmensch was, al was het van lagen staat, zou ik vrienden van natuurlijke kleur willen hebben, of in het geheel geen.”Uit hetgeen zij er bijvoegde en beneden had opgezameld, bleek, dat mevrouw Chick den majoor tot Dombey’s reisgenoot had voorgesteld, en dat Dombey hem na eenig bedenken daartoe had uitgenoodigd.“Hij gezelschap wezen!” zeide Suze, met grenzelooze minachting. “In plaats van met zulk gezelschap was ik liever alleen.”—“Goeden nacht, Suze!” zeide Florence.—“Goeden nacht, mijne lieve, lieve jufvrouw Flore!”Haar toon van medelijdend beklag deed de snaar trillen die zoo dikwijls werd aangeraakt, maar waarnaar Florence nooit luisterde zoolang Suze of iemand anders er bij was. Alleen gebleven, liet Florence haar hoofd op de eene hand zinken, drukte de andere op haar zwoegend hart, en verdiepte zich in haar leed.Het was een regenachtige nacht: en vervelend was het aanhoudend gekletter tegen de glazen. Een flauwe, trage wind suisde zuchtend om het huis, als hoorde men een gesmoord steenen van pijn of droefheid. Een schel geschuifel floot door de boomen. Terwijl zij daar zoo zat te schreien werd het laat, en het akelige middernachtsuur klonk van de kerktorens.Florence was weinig meer dan een kind in jaren—nauwelijks veertien—en de eenzaamheid en somberheid van zulk een uur in het groote huis, waar de dood zoo kort geleden zijne geduchte macht had getoond, hadden wel eene andere verbeelding met onbestemde akeligheden kunnen vervullen. Doch hare jeugdige verbeelding was te vol van één onderwerp om zich zulk een spel te veroorloven. Niets dwaalde er om in haar brein dan liefde—dwalende, als balling verstootene liefde, wel is waar—maar die altijd weder haar vader zocht.Het kletteren van den regen, het zuchten van den wind, het sidderende geluid van het geboomte, het slaan der statige klokken had niets dat die ééne gedachte kon doen verflauwen. Hare herinneringen van het dierbare doode kind—en deze begaven haar nooit—hadden dezelfde strekking. O zoo gebannen te zijn; zoo buitengesloten; haar vaders gezicht van dat uur af nooit te hebben weergezien!Zij kon niet naar bed gaan, het arme meisje, en was sedert ook nooit naar bed gegaan, zonder haar nachtelijken pelgrimstocht naar zijne deur te doen. Het zou een vreemd en droevig schouwspel zijn geweest, haar nu in duisternis zachtjes de trap te zien afsluipen, en daarvoor met verblinde oogen, een kloppend hart en achteloos loshangende haren blijven staan, en hare betraande wangen van buiten daartegen drukken. Maar de nacht verborg dit, en niemand wist het.Op het oogenblik toen zij dezen nacht de deur[128]aanraakte, ontwaarde Florence dat die open was. Voor de eerste maal stond zij open, hoewel maar een haar breed; en daar binnen was nog licht. De eerste neiging van het schroomvallige meisje—en zij zwichtte daarvoor—was snel de vlucht te nemen. Hare volgende, terug te komen en binnen te gaan; en deze tweede neiging hield haar besluiteloos op de trap staande.Dat de deur openstond, zelfs maar met zulk een reetje, scheen hoop te geven. Het was bemoedigend een streepje licht van binnen langs den donkeren post te zien sluipen en op den marmeren vloer schijnen. Zij keerde terug, nauwelijks wetende wat zij deed, maar voortgedreven door de liefde in haar binnenste en het leed dat zij te zamen ondergaan, maar niet gedeeld hadden; en met de bevende handen omhoog trad zij stil binnen.Haar vader zat voor zijne oude tafel in het middenvertrek. Hij had eenige papieren in orde gebracht, en andere verscheurd, waarvan de snippers voor hem lagen. De regen kletterde zwaarmoedig op de ruiten van het achterste kamertje, waar hij zoo dikwijls den armen Paul, als een onnoozel wichtje, had gadegeslagen; en buiten hoorde men den wind zuchten.Maar hij hoorde dit niet. Hij zat, met de oogen strak op de tafel, zoo diep in gedachten verzonken, dat een veel zwaarder tred dan het lichte voetje van zijn kind hem misschien niet zou gewekt hebben. Zijn gezicht was naar haar toegekeerd; bij de flauw brandende lamp en zoo laat in den nacht, zag het er vervallen en vermagerd uit; en de eenzaamheid, die hem omringde, had iets dat Florence diep ontroerde.“Papa, papa! spreek toch tegen mij, lieve papa!”Hare stem deed hem verschrikt opspringen. Zij stond dicht voor hem met uitgespreide armen, maar hij deinsde terug.“Wat scheelt er aan?” zeide hij stuursch. “Waarom komt gij hier? Wat heeft u bang doen worden?”Als iets haar bang had doen worden, was het zijn gezicht. De gloeiende liefde in het hart zijner jeugdige dochter bevroor onder dien blik, en zij bleef hem staan aanzien alsof zij in steen veranderd was.Geen zweem van teederheid of medelijden had dat gezicht. Niets van vaderlijke herkenning, belangstelling of weemoedigheid. Er was eene verandering in, maar niet van dien aard. De onverschilligheid en stijfheid hadden plaats gemaakt voor iets anders—wat het was durfde zij niet denken, en toch gevoelde zij de kracht er van en kende zij het, zonder het een naam te geven—dat, toen hij haar zoo aanzag, eene schaduw op haar hoofd scheen te werpen.Zag hij de gelukkige mededingster van zijn zoon, in leven en gezondheid voor zich? Beschouwde hij haar als zijne eigene gelukkige mededingster in de genegenheid van dien zoon? Werden zoete herinneringen, die haar dierbaar en kostbaar hadden moeten doen worden, door razende jaloezie en gekrenkte trotschheid vergiftigd? Kon het mogelijk zijn, dat het gal en alsem voor hem was, haar in hare veelbelovende schoonheid voor zich te zien, en aan zijn zoon te denken?Florence dacht zoo iets niet. Maar de liefde ziet snel wanneer zij veracht en hopeloos is; en toen zij haar vader zoo zag, stierf de hoop harer liefde.“Ik vraag u, Florence, zijt gij bang of geschrikt? Scheelt er iets aan, dat gij hier komt?” “Ik kwam, papa …”—“Tegen mijn verlangen. Waarom?”Zij zag dat hij wel wist waarom—dit stond duidelijk op zijn gezicht geschreven—en zij liet met een zachten, langgerekten kreet haar hoofd in hare handen zinken.Nog over jaren moge hij zich in die kamer dien kreet herinneren! Eer hij de stilte afbreekt, is het geluid weggestorven. Even snel is het hem uit de gedachten gegaan, naar hij gelooft; maar het blijft er nog in. Nog over jaren moge hij het zich in die kamer herinneren!Hij nam haar bij den arm. Zijne hand was koud en vatte haar nauwelijks aan.“Ge zijt vermoeid, zou ik denken,” zeide hij, de kaars opnemende en haar naar de deur brengende, “en hebt behoefte aan rust. Wij hebben allen behoefte aan rust. Ga heen, Florence. Gij hebt gedroomd.”De droom dien zij gehad had, was toen, helaas! voorbij; en zij gevoelde dat hij nooit meer kon terugkomen.“Ik zal hier blijven om u op de trap te lichten. Het geheele huis daar boven is voor u,” zeide haar vader langzaam. “Gij zijt daar nu meesteres. Goeden nacht!”Nog met hare handen voor haar gezicht, zeide zij snikkend: “Goeden nacht, lieve papa!” en ging stil naar boven. Eens zag zij om, alsof zij had willen terugkeeren indien de vrees haar niet had weerhouden. Het was eene oogenblikkelijke gedachte, te hopeloos om er voedsel aan te geven; en haar vader stond daar met het licht—stijf, koel en roerloos—tot het fladderende kleedje zijner dochter in de duisternis verdween.Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren. De regen, die op het dak klettert, de wind, die om het huis blaast, hebben misschien iets voorspellends in hun treurig geluid. Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren!De laatste maal toen hij haar van die plek die trap zag opgaan, droeg zij haar broertje in hare armen. Dit verteederde nu zijn hart niet voor haar; het verstaalde het; maar hij ging zijne kamer binnen, sloot zijne deur,[129]zette zich op zijn stoel en schreide om zijn verloren zoon.Diogenes was klaar wakker op zijn post, en wachtte naar zijne jonge meesteres.“O, Di! O, lieve Di! Houd toch van mij, om zijnentwil!”Diogenes hield reeds van haar om haar zelve, en schroomde niet dit te toonen. Hij maakte zich belachelijk door eene menigte lompe sprongen, en toen Florence eindelijk sliep en van de blozende kinderen aan den overkant droomde, besloot hij met hare kamerdeur open te krabben, zijn bed als een bal samen te rollen, en aan het uiterste eind van zijn ketting op de planken te gaan liggen, met zijn kop naar haar toe. Zoo bleef hij knipoogend naar haar liggen kijken, tot hij al knipoogend zelf in slaap viel en brommend van zijn vijand droomde.Florence hem voorbij snelde, oom Sam’s koffiebruine lappellen vatte, met elke hand een, hem een kus op de wang drukte, enz. (blz. 131).Florence hem voorbij snelde, oom Sam’s koffiebruine lappellen vatte, met elke hand een, hem een kus op de wang drukte, enz.(blz. 131).

[Inhoud]XVIII.VADER EN DOCHTER.Door het geheele huis van Dombey is het doodstil. De dienstboden, die de trap op en af sluipen, ritselen, maar laten geene voetstappen hooren. Zij praten gedurig met elkander, blijven lang aan tafel zitten, eten en drinken met smaak, en vermaken zich op zekere naargeestige, onheilige manier. Jufvrouw Wickam, met de oogen vol tranen, vertelt akelige anekdoten, en zegt hoe zij mevrouw Pipchin altijd gezegd heeft dat het zoo gaan zou, en drinkt meer bier dan gewoonlijk, en is heel bedroefd, maar toch gezellig. De keukenmeid verkeert in een dergelijken gemoedstoestand. Zij belooft wat gebakken visch voor den avond, en kampt evenzeer tegen haar gevoel en de uien, die zij bij de sla gereedmaakt. Towlinson begint te denken dat het zoo wezen moest, en wil weten of iemand hem kan zeggen dat een hoekhuis ooit gelukkig was. Het komt allen voor dat het reeds lang geleden is, hoewel het kind nog, met een kalmen glimlach op het gezichtje, op zijn bedje ligt.Na den donker komen er anderen—geen gerucht maken zij, op hunne schoenen met vilten zolen—die er vroeger nog eens bij zijn geweest; en met hen komt dat laatste rustbed, dat zoo vreemd is voor een kinderlijken slaper. Al dien tijd is de vader zelfs niet door een bediende[120]gezien; want als er iemand in de donkere kamer komt, blijft hij in een hoek zitten, en op andere tijden schijnt hij zich niet te bewegen, dan om die op en neer te stappen. Maar des morgens fluistert men in het huishouden, dat men hem in het holste van den nacht naar boven heeft hooren gaan, en dat hij daar—in de kamer—gebleven is, tot de zon begon te schijnen.Aan het kantoor in de City zijn de vensters van dof geslepen glas nog met luiken verduisterd. De lampen op de lessenaars worden verdonkerd door den toch nog invallenden dag, en de dag wordt wederom door de lampen verdonkerd, en er heerscht eene buitengewone somberheid. Er wordt niet veel gewerkt. De klerken hebben geen lust daartoe, en maken afspraak om in den namiddag met elkander te gaan eten, wandelen of varen. Perch blijft lang met zijne boodschappen uit, en zit in herbergen bij de toonbank, waar hem vrienden hebben meegenomen, en redeneert daar over de onzekerheid van al het ondermaansche. Hij gaat des avonds vroeger dan gewoonlijk naar huis, en trakteert zijne vrouw op eene kalfskarbonade en een extra glas bier. Carker de chef trakteert niemand en wordt niet getrakteerd; maar alleen in zijne kamer laat hij den geheelen dag zijne tanden zien, en het zou schijnen dat er een struikelblok is opgeruimd, dat hem in den weg lag.Nu komen de blozende kinderen, die tegenover Dombey wonen, voor het venster der kinderkamer naar de straat kijken; want er staan vier zwarte paarden voor zijne deur, met pluimen op den kop, en op het rijtuig dat zij trekken wuiven insgelijks pluimen; en deze, en een stoet van mannen met rouwsjerpen en staven, trekken een hoop volk bijeen. De kunstenmaker, die juist zijne vertooning wilde beginnen, hangt zijne losse jas weder over zijn mooi pakje, en zijne vrouw, met een zwaar kind op den arm, blijft staan dralen om de staatsie te zien. Maar dichter aan den valen doek, die hare borst bedekt, drukt zij haar kind, als de doodkist, zoo licht om te dragen, buitenkomt; en het jongste der blozende kinderen voor het venster aan den overkant heeft geene waarschuwende hand noodig om hare vroolijkheid te smoren, als zij, met het mollige vingertje wijzende, de kindermeid aanziet en vraagt: “Wat is dat?”En nu, tusschen een troepje knechts in den rouw en de schreiende vrouwen door, gaat Dombey naar de andere koets, die op hem wacht. Hij is niet “neergedrukt”, denken de toeschouwers. Zijn gang is even statig, zijne houding even stijf als ooit. Hij houdt geen zakdoek voor zijn gezicht en ziet strak voor zich. Behalve dat zijn gezicht bleek en eenigszins ingevallen is, heeft het dezelfde uitdrukking als gewoonlijk. Hij neemt zijne plaats in de koets en nog drie andere heeren volgen. Dan trekt de deftige rouwstoet langzaam de straat door. De pluimen wuiven nog in de verte, als de kunstenmaker reeds zijne waschkom op een stok laat draaien, en denzelfden hoop volk om zich heen heeft om hem te bewonderen. Zijne vrouw is minder vlug dan anders met het geldbakje, want die kinderbegrafenis heeft haar in de gedachten gebracht, dat het kind onder haar valen doek misschien ook niet zal groot worden, misschien nooit een blauw lint om het hoofd zal hebben, eene broek van vleeschkleur tricot dragen en in den modder duikelen.De pluimen vervolgen somber haar weg langs de straten en komen binnen den klank eener kerkklok. In dezelfde kerk heeft het aardige knaapje gekregen, wat spoedig alles zal zijn dat op aarde van hem over is—een naam. Al wat van hem dood is leggen zij daar, dicht bij het vergankelijke deel zijner moeder. Het is goed zoo. Zijn stof rust waar Florence op hare wandelingen—o, eenzame, eenzame wandelingen!—het dagelijks kan voorbijkomen.Nadat de plechtigheid is afgeloopen en de geestelijke heengegaan, ziet Dombey rond en vraagt zacht of de man er is, die gewaarschuwd is om de bestelling voor den gedenksteen aan te nemen.Er komt iemand naar voren, en zegt: “Ja!”Dombey beduidt hem waar hij het gedenkteeken geplaatst wil hebben, en wijst hem met de hand op den muur, de grootte en het fatsoen, en hoe het zich aan dat der moeder moet aansluiten. Dan schrijft hij het opschrift met potlood op een stukje papier, geeft het hem en zegt: “Ik verlang het spoedig geplaatst te hebben.”—“Het zal dadelijk gebeuren, mijnheer.”—“Er is eigenlijk niets op te zetten dan naam en ouderdom, ziet ge.”De man buigt, kijkt naar het papier, maar schijnt te twijfelen. Dombey, hier niet op lettende, keert zich om en gaat vooruit naar het portaal.“Neem mij niet kwalijk, mijnheer;” zijn rouwmantel wordt zacht aangeraakt; “maar daar gij het dadelijk gedaan wilt hebben, en ik het dus onderhanden zou geven zoodra ik terugkom …”—“Wel?”—“Wilt ge zoo goed zijn om het nog eens over te lezen? Ik geloof dat er eene vergissing in is.”—“Waar?”De steenhouwer geeft hem het papier terug, en wijst met zijn duimstok naar de woorden “geliefd en eenig kind.”“Het zou “zoon” moeten wezen, dunkt mij, mijnheer?”—“Gij hebt gelijk. Natuurlijk. Verander dat.”De vader vervolgt, met haastiger tred, zijn weg naar de koets. Wanneer de andere drie, die hem op de hielen volgen, bij hem plaats nemen, is zijn gezicht voor de eerste maal in zijn mantel verborgen. Zij zien het dien dag[121]niet meer. Hij stapt het eerst af en gaat terstond naar zijne kamer. De andere rouwdragers (zij zijn mijnheer Chick en twee van de dokters) gaan boven naar het salon, waar zij door mevrouw Chick en jufvrouw Tox worden ontvangen. En welk een gezicht het is, in die geslotene kamer beneden; of welke gedachten daar heerschen; welk een hart daar is, hoe daar gestreden of geleden wordt—weet niemand.Maar zij werd toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in tranen wegsmolt. (blz. 124).Maar zij werd toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in tranen wegsmolt.(blz. 124).Het voornaamste dat men beneden in de keuken weet is, dat het naar een zondag gelijkt. Men kan haast niet anders denken of het is zeer onvoegzaam, zoo niet goddeloos, dat de menschen buitenshuis hunne gewone bezigheden verrichten en hunne dagelijksche kleeren dragen. Het is geheel iets nieuws, dat de gordijnen weder opgehaald zijn en de luiken openstaan; en men maakt zich naargeestig vroolijk bij den wijn, die zoo mild geschonken wordt als op een feestdag. Men is zeer genegen om te moraliseeren. Towlinson geeft met een zucht den toast: “Ons aller beterschap!” waarop de keukenmeid, insgelijks met een zucht, zegt: “Daar is nog genoeg reden toe, weet God.” In den avond nemen mevrouw Chick[122]en jufvrouw Tox haar naaiwerk weder op, en gaat Towlinson uit om een luchtje te scheppen, vergezeld door de werkmeid, die haar rouwhoed nog niet geprobeerd heeft. Zij zijn heel teer voor elkaar op donkere hoeken van straten, en Towlinson denkt er aan om als een rechtzinnig groenteman een ander en onberispelijk leven te gaan leiden.Er wordt dien nacht geruster geslapen dan sedert vele nachten. De ochtendzon wekt het oude huishouden, om weder den ouden gang te gaan. De blozende kinderen van den overkant loopen met hoepels voorbij. In de kerk is eene prachtige trouwpartij. De vrouw van den kunstenmaker haalt in eene andere wijk van de stad geld op, even vlug en ijverig als voorheen. De steenhouwer zingt en fluit terwijl hij op de marmeren plaat voor hem, de letters P-A-U-L beitelt.En kan het zijn dat in eene wereld zoo vol en druk het verlies van één zwak schepseltje eene ledigheid in een hart veroorzaakt, zoo wijd en diep dat niets dan de wijdte en diepte der eeuwigheid ze kan vullen! Florence had in hare onschuldige droefheid kunnen antwoorden: “O, mijn broeder, o, mijn teerbeminde en liefhebbende broeder! Eenige vriend en deelgenoot van mijne verachte kindsheid! Kan eene minder verhevene gedachte het licht verspreiden dat reeds uw vroegtijdig graf bestraalt, of de weemoedigheid doen ontstaan, die reeds onder deze tranen mijne smart verzacht!”—“Kindlief,” zeide mevrouw Chick, die het haar plicht achtte, deze gelegenheid waar te nemen om eene nuttige les te geven, “als gij eens zoo oud zijt als ik—”—“Dat dus nog op het best van uw leven zal zijn,” merkte jufvrouw Tox. aan.—“Dan zult gij,” vervolgde mevrouw Chick, jufvrouw Tox de hand drukkende, uit erkentelijkheid voor haar vriendelijk gezegde “dan zult gij weten dat alle droefheid niet baten kan, en het onze plicht is te berusten.”—“Ik zal mijn best doen, lieve tante. Dat doe ik al,” antwoordde Florence snikkend.—“Dat doet mij genoegen,” zeide mevrouw Chick, “omdat, liefje, zooals onze lieve jufvrouw Tox—wier verstand en oordeel niemand betwijfelen kan—”—“Mijne lieve Louise, ik zal waarlijk nog trotsch worden,” zeide jufvrouw Tox.—“U zal zeggen en met hare ondervinding bevestigen,” vervolgde mevrouw Chick, “dat wij altijd gereed moeten zijn om ons in te spannen. Als een misanthroop ooit in mijn bijzijn mocht vragen: “Waartoe wordt de mensch geboren?” zou ik antwoorden: “Om zich in te spannen.””—“Heel goed gezegd,” zeide jufvrouw Tox, getroffen door het origineele dier ontboezeming. “Heel goed!”—“Ongelukkig,” hervatte mevrouw Chick, “hebben wij een waarschuwend voorbeeld vlak voor onze oogen. Wij hebben maar al te veel reden om te denken, lief kind dat, als men zich in deze familie maar bijtijds eene inspanning had gevergd, eene geheele reeks van bedroevende omstandigheden had kunnen vermeden worden. Niets zal mij ooit overreden,” zeide zij, op vasten toon, “of als de arme lieve Fanny zich maar wat had ingespannen, zou dat arme lieve kind ten minste een sterker gestel gehad hebben.”Mevrouw Chick gaf zich voor een half oogenblik aan hare aandoening over; maar om hare leer met een voorbeeld te bekrachtigen, stuitte zij zich in het midden van een snik, en ging toen weder voort:“Laat ons daarom zien, Florence, verzoek ik u, dat gij een beetje kracht van geest hebt, en de droefheid, waarin uw papa gedompeld is, niet door uwe eigenliefde verzwaart.”—“Lieve tante!” zeide Florence, snel voor haar neerknielende, om haar te beter en ernstiger in het gezicht te kunnen zien. “Zeg mij meer van papa. Och, zeg mij wat van hem! Is hij geheel onder zijn hartzeer bezweken?”Jufvrouw Tox had een teer gevoel, en dit gezegde deed haar diep ontroeren. Of zij daarin bij het verwaarloosde kind slechts dezelfde medelijdende aandoening zag, die haar doode broeder zoo dikwijls had getoond—of wel eene liefde, die zich aan het hart, dat hem had liefgehad, zocht te hechten, en niet dulden kon dat zij van de gemeenschap in zulk eene smart werd uitgesloten—dan of zij daarin alleen het kinderlijke hart zag, gegriefd omdat zijne teederheid zoolang onbeantwoord was gebleven, en dat in zijne eenzaamheid tot hem riep om getroost te worden en troost te geven—hoe zij dit gezegde ook opvatte, jufvrouw Tox werd er door geroerd. Voor een oogenblik vergat zij de waardigheid van mevrouw Chick, en haastig Florence de wang streelende, keerde zij zich om en liet de tranen uit hare oogen stroomen, zonder naar een wenk van die deftige matrone te wachten.Mevrouw Chick verloor zelve voor een oogenblik de tegenwoordigheid van geest, waarop zij zooveel roem droeg, en bleef het schoone jeugdige gezichtje, dat zoolang, standvastig en geduldig naar het bedje gekeerd was gebleven, verstomd aanzien. Maar hare stem terug krijgende—een synoniem van hare tegenwoordigheid van geest, want beide waren eigenlijk een en hetzelfde—antwoordde zij deftig:“Florence, kindlief, uw goede papa heeft somtijds wel iets singuliers; en als gij mij naar hem vraagt, vraagt gij mij naar iets dat ik waarlijk niet kan beweren te verstaan. Ik geloof dat ik zooveel invloed op uw papa heb als iemand anders. Evenwel is al wat ik zeggen kan, dat hij mij zeer weinig gezegd heeft, en dat ik hem maar eens of tweemaal voor een oogenblik heb gezien, of eigenlijk haast niet gezien, want zijne kamer was donker. Ik heb tot uw papa gezegd: “Paul!” dat is de juiste[123]uitdrukking die ik gebezigd heb—“Paul! waarom gebruikt gij niet iets versterkends?” Telkens is het antwoord van uw papa geweest: “Louise, wees zoo goed om mij alleen te laten. Ik heb niets noodig. Ik ben beter alleen.” Als ik morgen een eed voor een rechter moest doen, Lucretia,” zeide mevrouw Chick, “twijfel ik niet of ik zou veilig durven zweren, dat dit zijne eigene woorden waren.”Jufvrouw Tox gaf hare bewondering te kennen door te zeggen: “Mijne Louise is altijd zoo nauwkeurig!”—“Kortom, Florence,” hervatte hare tante, “er is letterlijk niets tusschen uw ongelukkigen papa en mij gepasseerd, tot vandaag, toen ik uw papa zeide dat Sir Barnet en Lady Skettles buitengemeen vriendelijke briefjes hadden gezonden—onze lieve jongen! Lady Skettles hield zooveel van hem als van een—waar is mijn zakdoek?”Jufvrouw Tox gaf er haar een aan.“Buitengemeen vriendelijke briefjes, om voor te stellen dat gij tot verstrooiing bij hen zoudt komen logeeren. Toen ik uw papa zeide te denken dat jufvrouw Tox en ik nu wel naar huis konden gaan (waarin hij toestemde) vroeg ik of hij er tegen had dat gij die invitatie zoudt aannemen. Hij zeide: “Neen, Louise, niet het minste!””Florence sloeg hare betraande oogen op.“Evenwel, als gij liever hier woudt blijven, Florence, in plaats van daar nu te gaan logeeren, of met mij naar huis te gaan—”—“Dat zou ik veel liever willen, tante,” was het flauwe antwoord.—“Wel kind,” zeide mevrouw Chick, “dan kunt gij dat. Het is eene vreemde keus, moet ik zeggen. Maar gij zijt altijd vreemd geweest. Iemand anders op uwe jaren, en na hetgeen er is voorgevallen—mijne lieve jufvrouw Tox, ik ben mijn zakdoek weer kwijt—zou gaarne hier vandaan gaan, zou men denken.”—“Ik had niet gaarne,” zeide Florence, “dat het huis nu gemeden scheen. Ik zou niet gaarne denken, dat de—zijne—de kamers boven nu geheel leeg stonden en zoo akelig waren, tante. Ik wilde liever vooreerst hier blijven. O, mijn broeder! O, mijn broeder!”Het was eene natuurlijke, onbedwingbare gemoedsbeweging, die zich zelve een uitweg baande tusschen de vingers door waarmede zij haar gezicht bedekte. De overkropte borst moest somtijds zoo lucht krijgen, of het gewonde, eenzame hart daarbinnen had moeten smoren.“Wel kind,” zeide mevrouw Chick, “ik zou u voor alles niets onaangenaams willen zeggen, en dat weet gij ook wel. Gij zult dus hier blijven en net zoo doen als gij verkiest. Niemand zal zich met u bemoeien, Florence, of willen bemoeien.”Florence schudde treurig toestemmend haar hoofd.“Ik had niet zoodra uw armen papa begonnen te raden, dat hij waarlijk wat verstrooiing en afleiding moest gaan zoeken,” zeide mevrouw Chick, “of hij zeide mij, dat hij al voornemens was voor eene poos naar buiten te gaan. Ik hoop maar dat hij het gauw zal doen. Hij kan het niet te gauw doen. Maar ik denk dat er nog wel zaken te beschikken en papieren te veranderen zijn, ten gevolge van dien slag, die ons allen zoo bedroefd heeft—ik kan niet begrijpen waar de mijne gebleven is: Lucretia, leen mij den uwen eens, lieve—die hem nog wel een paar avonden in zijne kamer zullen bezig houden. Uw papa is een Dombey, kind, als er ooit een geweest is,” zeide mevrouw Chick, hare beide oogen zeer zorgvuldig met verschillende hoeken van den geleenden zakdoek afdrogende. “Hij zal zich wel inspannen. Daarvoor behoeft men bij hem niet bang te zijn.”“Is er niets, tante,” begon Florence bevende, “dat ik zou kunnen doen om …”—“Heere, kindlief,” viel mevrouw Chick er haastig op in, “wat praat ge toch? Als uw papa tegenmijzeide—ik heb u zijne eigene woorden laten hooren: “Louise, ik heb niets noodig. Ik ben beter alleen,”—wat denkt gij dan dat hij tegen u zou zeggen? Gij moet u niet aan hem laten zien, kind—niet eens van zoo iets droomen.”—“Tante,” zeide Florence, “ik zal maar wat te bed gaan liggen.”Mevrouw Chick keurde dit besluit goed en zond haar met een kus heen. Maar jufvrouw Tox ging, met het flauwe voorwendsel dat zij naar den weggeraakten zakdoek wilde zoeken, haar na naar boven, en poogde in eenige gestolene minuten haar te troosten, hoewel Suze Nipper haar lang niet daartoe aanmoedigde. Want in haar gloeienden ijver maakte Suze jufvrouw Tox voor een krokodil uit; en toch scheen haar medelijden van echte soort te zijn, en had het ten minste den schijn van belangeloosheid voor zich—er was weinig gunst mede te winnen.En was er niemand nader en dierbaarder dan Suze om het worstelende hart in zijn strijd bij te staan? Was er geen andere hals om te omvatten; geen ander gezicht om aan te zien; niemand anders om in zulke diepe droefheid een troostend woord te spreken? Was Florence zoo alleen in de barre wereld, dat haar niets anders overschoot? Niets. Op eens en te gelijk moederloos en broederloos geworden—want met het verlies van den kleinen Paul, trof het eerste en zwaarste verlies haar met nieuwe zwaarte—was dit de eenige hulp die zij had. O, wie kan zeggen hoezeer zij in het eerst naar hulp verlangde!In het eerst, toen het huis weder op den gewonen regel was gekomen, en allen vertrokken waren behalve de dienstboden en haar vader, die in zijne kamers bleef opgesloten, kon Florence niets doen dan schreien, en op en neer[124]dwalen, en somtijds, in eene vlaag van wanhopig herdenken, naar hare kamer vliegen, hare handen wringen, zich met haar gezicht op haar bed werpen, en van geen troost willen weten, van niets weten dan de bitterheid en wreedheid van haar leed. Dit volgde gewoonlijk op het herkennen van eene plek of een voorwerp dat in bijzonder teedere betrekking met hem stond, en maakte het huis in het begin tot eene martelplaats voor haar.Maar het ligt niet in den aard der reine liefde om lang met zulk eene verderfelijke woestheid te branden. De vlam, die door grove aardsche deelen wordt ontreinigd, mag de borst verteren, welke haar schuilplaats geeft; maar het heilige vuur van den hemel is in het hart even zacht, als toen het op de hoofden der verzamelde twaalve rustte, en ieder daarbij zijn broeder zag, verlicht en ongedeerd. Het opgeroepene beeld kreeg weldra het vergenoegde gezichtje, de zachte stem, de liefdevolle blikken, de stille vertrouwelijkheid terug, en hoewel Florence nog bleef schreien, schreide zij toch rustiger, en gevoelde zij dat de herinnering haar weldadig was.Het duurde niet lang of de gouden golfjes, die op de oude plaats en den ouden tijd over den muur speelden, werden onder het verdwijnen met kalme treurigheid nagestaard. Het duurde niet lang of die kamer zag haar daar weder zitten, alleen, maar even stil en geduldig als zij bij dat bedje had gewaakt. Als het akelige gevoel, dat het nu ledig was, haar te pijnlijk werd, kon zij er nu bij neerknielen en God bidden—het was de uitstorting van het overvolle hart—dat een engel haar mocht blijven liefhebben en gedenken.Het duurde niet lang, of in dat akelige, holle huis hief hare stem in het schemeruur, langzaam en somtijds ophoudende, de oude wijsjes aan, waarnaar hij zoo dikwijls had geluisterd, met het zwakke hoofdje in haar arm. En daarna, als het geheel donker was, klonk er eene muziek door de kamer, zoo zacht gespeeld en gezongen, dat zij meer eene weemoedige herinnering geleek van hetgeen zij dien laatsten avond op zijn verzoek gedaan had, dan eene werkelijke herhaling. Maar zij werd toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in tranen wegsmolt.Zoo kreeg zij moed om naar het werk te zien, waarmede hare vingers naast hem op het zeestrand waren bezig geweest; en zoo duurde het niet lang of zij vatte het weder op—met iets dat naar menschelijke liefde geleek, alsof het gevoel en bewustheid had en hem had gekend; en zoo sleet zij, voor het venster, dicht bij het portret harer moeder gezeten, de peinzende uren.Waarom richtten hare donkere oogen zich zoo dikwijls naar den overkant, waar die blozende kinderen woonden? Zij deden haar niet rechtstreeks aan haar verlies denken, want het waren allen meisjes, vier kleine zusters. Maar zij waren moederloos evenals zij—en hadden een vader.Het was gemakkelijk te weten wanneer hij uit was en thuis werd verwacht, want het oudste kind stond dan altijd gekleed voor het venster van het salon of op het balkon naar hem uit te zien, en als hij verscheen blonk haar verwachtend gezichtje van blijdschap, terwijl de anderen, voor het hoogere venster, ook altijd op de wacht, in de handjes klapten en op de vensterbank trommelden en hem riepen. Het oudste meisje kwam dan beneden naar het voorhuis, en gaf hem haar handje en bracht hem naar boven; en Florence zag haar naderhand naast hem of op zijne knie zitten, met haar arm liefkoozend om zijn hals, en met hem praten; en hoewel zij altijd vroolijk met elkander waren, zag hij haar dikwijls aan, alsof hij dacht dat zij naar hare doode moeder geleek. Somtijds wilde Florence hier niet meer naar zien, en in tranen uitbarstende, verschool zij zich dan achter het gordijn, alsof zij bang werd, of ging zij van het venster af. Zij kon zich echter niet weerhouden van terug te komen, en dan viel haar werk haar spoedig weder onopgemerkt uit de handen.Het was het huis, dat voor jaren ledig had gestaan. Het was lang zoo blijven staan. Eindelijk, en terwijl zij van huis was, had deze familie het betrokken; en toen was het gerepareerd en nieuw geschilderd, en nu waren er vogeltjes en bloemen in, en geleek het niet meer naar wat het vroeger was. Maar zij dacht nooit aan het huis. De meisjes en haar vader waren haar alles.Als hij gegeten had, kon zij ze, door de opene vensters, met de kindermeid of gouvernante naar beneden zien komen, en zich om de tafel scharen; en bij het stille zomerweder kwam het geluid van hare kinderstemmetjes en haar helder gelach de straat overklinken in de drukkende lucht der kamer waar zij zat. Dan sprongen enklauterdenzij met hem de trap op, en stoeiden met hem op de sofa, of zaten op zijne knieën bij elkander gedrongen, een bouquetje van gezichtjes, terwijl hij iets scheen te vertellen. Of zij kwamen ook naar buiten op het balkon loopen, en dan verborg Florence zich snel, uit vrees dat het hare blijdschap zou storen, als zij haar daar in het zwart alleen zagen zitten.Het oudste meisje bleef bij haar vader als de anderen heengingen, en schonk dan thee voor hem—welk een vergenoegd lief huishoudstertje—en zat met hem te praten, somtijds voor het venster, somtijds meer achter in de kamer, tot er licht werd gebracht. Hij[125]maakte haar dus tot zijne gezellin, hoewel zij eenige jaren jonger was dan Florence, en zij kon zich bij haar boekje of werkdoosje zoo stil en stemmig houden als een volwassen meisje. Als er licht brandde, was Florence niet bang om uit hare eigene donkere kamer weder binnen te kijken. Maar wanneer het tijd voor het meisje werd om “goeden nacht, papa,” te zeggen en naar bed te gaan, en zij haar gezichtje naar hem ophief, begon Florence te beven en te snikken, en kon zij niet meer zien.Eer zij zelve naar bed ging, keek zij echter, onder het zingen en spelen der eenvoudige wijs, die hem zoo dikwijls in slaap had gesust, nog dikwijls naar dat huis om. Maar dat zij er ooit aan dacht, of het bespiedde, was een geheim dat zij in haar jeugdig hart bewaarde.En bewaarde dat hart—zoo oprecht en trouw—de liefde zoo waardig die de gestorvene haar had toegedragen en met zijne laatste woorden toegefluisterd—dat hart, welks argelooze onschuld zich in haar gezichtje spiegelde en in elken klank harer zachte stem ademde—geen ander geheim? Ja. Nog een.Als er niemand anders in huis meer op was en alle lichten waren uitgedaan, verliet zij zacht hare kamer, en ging met onhoorbare stappen de trap af naar de deur van haar vaders kamer. Daartegen liet zij dan met smachtende liefde haar hoofd rusten, en drukte zij hare bevende lippen. Elken nacht knielde zij op den kouden steenen vloer daar buiten, om naar zijne ademhaling te luisteren, en in haar vurig verlangen om hem maar eenige genegenheid te mogen toonen, om hem tot eenigen troost te mogen zijn, om hem te bewegen dat hij eenige teederheid van haar, zijn eenzaam kind, verdroeg, zou zij, als zij maar gedurfd had, nederig smeekend voor zijne voeten geknield hebben.Niemand wist het. Niemand dacht er aan. De deur bleef altijd dicht en hij daar binnen opgesloten. Een paar malen ging hij uit, en in huis zeide men dat hij spoedig op reis zou gaan; maar overigens bleef hij in die kamers, geheel alleen; en haar zag hij nooit, naar haar vroeg hij nooit. Misschien wist hij niet eens dat zij in huis was.Eens, omtrent eene week na de begrafenis, zat Florence te werken, toen Suze haar met een half lachend half schreiend gezicht kwam zeggen, dat er visite voor haar was.“Visite! Voor mij, Suze?” zeide Florence verwonderd opziende.—“Ja dat is wel een wonder, niet waar jufvrouw Flore,” zeide Suze; “maar ik wenschte dat gij druk visites hadt, dat doe ik waarlijk; want dat zou beter voor u zijn, en ik denk ook hoe eerder gij zelfs naar de oude Skettles’en gaat, zooveel te beter voor ons allebei. Ik mag van geene drukte houden, jonge jufvrouw Flore, maar ik ben toch geen oester.”Om Suze recht te doen, dacht zij, dit zeggende, meer om hare jonge meesteres dan om zich zelve, en haar gezicht toonde dit.“Maar wie is er dan om mij te spreken, Suze?” zeide Florence.Met eene zenuwachtige uitbarsting, die evenveel een lach als een snik, en evenveel een snik als een lach was, antwoordde Suze: “mijnheer Toots!”De glimlach die zich even op Florence’s gezichtje vertoonde, verdween terstond weder, en hare oogen vulden zich met tranen. Maar het was toch een glimlach geweest, en daarmede was Suze reeds zeer in haar schik.“Net hetzelfde dat ik gevoeld heb, jufvrouw Flore,” zeide zij, haar voorschoot voor hare oogen houdende, en haar hoofd schuddende. “Toen ik dien lummel in het voorhuis zag, begon ik eerst te lachen en toen kreeg ik een brok in de keel.”Onwillekeurig deed zij hetzelfde nog eens. Ondertusschen was Toots, geheel onbewust van den indruk dien hij gemaakt had, haar achterop naar boven gekomen, en nadat hij met zijne knokkels op de deur zich zelven nog eens had aangediend, stapte hij met bijzondere vlugheid binnen.“Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide hij. “Ik ben heel wel—zeer verplicht. Hoe maakt gij het?”Toots—een van de beste jongens in de wereld, hoewel er schranderder mochten zijn—had deze lange redevoering met moeite bijeengebracht, om aldus voor Florence en zich zelven de aandoening van het wederzien te verminderen. Nu echter bevindende dat hij onvoorzichtig genoeg was geweest om al wat hij wist uit te kramen, eer hij nog een stoel genomen, of Florence een woord gezegd had—eer hij eigenlijk wel binnen de deur was—achtte hij het raadzaam om nog eens te beginnen.“Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide hij. “Ik ben heel wel—zeer verplicht. Hoe maakt gij het?”Florence gaf hem hare hand en zeide dat zij zeer wel was.“Ik ben ook heel wel,” zeide Toots, een stoel nemende. “Inderdaad, heel wel ben ik. Ik kan mij niet herinneren,” vervolgde hij, na een oogenblik peinzens, “dat ik ooit beter ben geweest—zeer verplicht.”—“Het is heel vriendelijk van u dat gij eens aankomt,” zeide Florence, haar werk weder opnemende. “Ik ben blij dat ik u zie.”Toots antwoordde met een gegiggel. Denkende dat dit misschien te levendig was, verbeterde hij het met een zucht. Wederom denkende dat dit misschien te treurig was, giggelde[126]hij weder. Met geen van beide manieren van antwoord geheel tevreden, haalde hij zwaar adem.“Gij zijt heel goed voor mijn lieven broeder geweest,” zeide Florence, hare natuurlijke neiging volgende om zijne verlegenheid te verminderen. “Hij heeft mij dikwijls over u gesproken.”—“O, dat is van geen beduiden,” zeide Toots haastig. “Warm, niet waar?”—“Het is heel mooi weer,” antwoordde Florence.—“Dat is recht mijn weer,” hervatte Toots. “Ik geloof niet dat ik mij ooit zoo wel heb gevoeld als tegenwoordig—zeer verplicht.”Na deze merkwaardige en onverwachte omstandigheid vermeld te hebben, verzonk Toots in een diepen put van stilzwijgen.“Ge zijt nu niet meer bij doctor Blimber?” zeide Florence, als eene poging om hem er uit te helpen.—“Dat zou ik hopen,” antwoordde Toots en stortte er weder in.Hij bleef, verzonken naar het scheen, wel tien minuten lang beneden. Na verloop van dien tijd kwam hij eensklaps bovendrijven, en zeide:“Wel! Goeden morgen, jufvrouw Dombey.”—“Gaat gij al heen?” zeide Florence, opstaande.—“Dat weet ik toch nog niet. Neen, nog niet,” zeide Toots, en ging alleronverwachtst weder zitten. “De zaak is—zeg eens, jufvrouw Dombey.”—“Wees niet bang om te spreken,” zeide Florence met een glimlach, “ik zou heel gaarne eens over mijn broeder met u spreken.”—“Zoudt ge—toch?” zeide Toots daarop, met levendige sympathie in elken trek van zijn anders onbeteekenend gezicht. “Arme Dombey! Ik had waarlijk nooit gedacht dat Burgess en Comp.—kleermakers, in de mode, maar heel duur, over wie wij wel eens gepraat hebben—mij daarvoor dit pak zouden maken.” Toots was in den rouw. “Arme Dombey! Zeg eens, jufvrouw Dombey!” stotterde en snikte Toots.—“Wel?” zeide Florence.—“Er is een vriend, waarvan hij op het laatst bijzonder gehouden heeft. Ik dacht dat gij hem misschien wel zoudt willen hebben als eene soort van gedachtenis. Gij weet wel hoe hij nog om Diogenes dacht?”—“O ja! o ja!” riep Florence uit.—“Arme Dombey! Ik ook,” zeide Toots.Toots, die Florence in tranen zag, had veel moeite om dit punt te boven te komen, en was bijna weder in den put getuimeld. Maar een gegiggel redde hem op den kant.“Zeg, jufvrouw Dombey,” vervolgde hij. “Ik zou in staat zijn geweest om hem te stelen, als zij hem niet gegeven hadden—dat zou ik zeker hebben gedaan; maar zij waren blij dat zij hem maar kwijt raakten, geloof ik. Als gij hem hebben wilt, hij is voor de deur. Ik heb hem met opzet voor u meegebracht. Hij is geen dameshondje, weet ge wel; maar daar zult ge niet op zien, niet waar?”Diogenes stond op dat oogenblik, gelijk zij weldra zagen, toen zij naar de straat keken, uit het portier van eene huurkoets te staren, waarin men hem, om hem te vervoeren, had gelokt door hem wijs te maken dat er ratten in het stroo zaten. Om de waarheid te zeggen, hij geleek zoo weinig op een dameshondje als een hond wel doen kon; en in zijn ongeduldigen angst om uit de koets te komen zag hij er weinig innemend uit. Hij jankte aanhoudend, nam nu en dan een sprong, die telkens mislukte, zoodat hij achterover in het stroo tuimelde, en sprong dan hijgend weder op en stak zijne tong uit, alsof hij ze een dokter moest laten zien.Maar schoon Diogenes zulk een belachelijke, lompe, leelijke hond was als men ergens zou vinden, een lastige hond, die zich altijd verbeeldde dat er ergens een vijand school, tegen wien het zijn plicht was te blaffen; schoon hij ver van goedaardig en zeker niet schrander was, met haar over de oogen, een gekken neus, een staart die hem niet scheen toe te komen, en eene grove stem, was hij Florence, omdat Paul bij zijn afscheid nog zoo om hem had gedacht en verzocht dat er goed voor hem gezorgd zou worden, aangenamer dan de fraaiste en kostbaarste hond kon zijn geweest. Zoo dierbaar, zoo welkom was haar die leelijke Diogenes, dat zij de bejuweelde hand van Toots vatte en die uit dankbaarheid kuste. En toen Diogenes, losgelaten, de trap kwam oprennen en de kamer instuiven (zulk een gedoente als men eerst had, om hem uit de koets te krijgen!) en onder al de meubelen kroop, en een langen ijzeren ketting, die hem nasleepte, om de pooten van stoelen en tafels wond, en er toen aan trok, tot zijne oogen hem zoodanig uit den kop puilden, dat zij door zijne haren zichtbaar werden; en toen hij bromde tegen Toots, die familiaar met hem wilde zijn, en op Towlinson aanvloog, met de zedelijke overtuiging, dat hij de vijand om den hoek was, tegen wien hij al zijn leven had geblaft en dien hij nog nooit had gezien, was Florence zoo met hem ingenomen als ware hij een model van dressuur en schranderheid geweest.Toots was zoo blijde dat zijn present zoo beviel, en zoo verrukt toen hij Florence zich over Diogenes zag bukken en zijn ruigen rug met haar handje streelen—hetgeen Diogenes van het eerste oogenblik hunner kennismaking af goedgunstig toeliet—dat het hem moeielijk viel afscheid te nemen, en het zeker nog veel langer zou geduurd hebben eer hij daartoe kon besluiten, als Diogenes zelf hem niet had geholpen, door het in zijn kop te krijgen om tegen hem te blaffen en uit te schieten. Niet zeker zijnde waarop deze demonstratiën zouden uitloopen, en begrijpende dat zij de pantalon, waaraan Burgess en Comp. hunne kunst hadden getoond, in gevaar brachten, ging Toots[127]grinnikendnaar de deur, keek daar nog een paar malen zonder bepaald oogmerk om, telkens door een nieuwen uitval van Diogenes begroet, en ging eindelijk heen.“Kom dan, Di! lieve Di! maak eens kennis met uwe nieuwe meesteres. Wij moeten veel van elkander houden, Di!” zeide Florence, zijn ruigen kop liefkoozende. En de grove, ruige Di, alsof zijne harige huid niet ondoordringbaar was voor den traan die er op viel, en zijn hondehart er door verweekt werd, duwde haar zijn neus in het gezicht en zwoer haar trouw.Diogenes de man sprak niet duidelijker tot Alexander den Groote, als Diogenes de hond tot Florence sprak. Hij onderteekende blijmoedig het contract met zijne kleine meesteres en wijdde zich aan haar dienst. Dadelijk werd in een hoek een feestmaal voor hem aangericht, en toen hij volop gegeten had, kwam bij naar het venster waar Florence zat toe te kijken, ging op de achterpooten staan, met zijne lompe voorpooten op hare schouders, likte haar gezicht en hare handen, drukte zijn kop tegen hare borst en kwispelstaartte tot hij er moe van werd. Eindelijk rolde hij zich voor hare voeten ineen en ging liggen slapen.Hoewel Suze eenigszins bang voor honden was, en het raadzaam achtte om, als zij in de kamer was, hare rokken zorgvuldig strak te trekken, alsof zij door een geverfd huis ging, en ook eenige gilletjes te geven en op een stoel te gaan staan als Di zich eens uitrekte, was zij toch op hare manier aangedaan over de vriendelijkheid van Toots, en kon zij Florence niet zoo gevoelig zien voor de genegenheid en het gezelschap van dien ruwen vriend van kleinen Paul, zonder eenige stille bespiegelingen daarover, die haar het water in de oogen brachten. Misschien brachten hare denkbeelden mijnheer Dombey wel in zeker verband met den hond; in allen gevalle, nadat zij den geheelen avond naar Diogenes en zijne meesteres had zitten kijken, en zeer goedwillig eene slaapplaats voor Diogenes had gereedgemaakt, in de voorkamer dicht bij de deur zijner meesteres, zeide zij, eer zij deze goeden nacht wenschte, haastig:“Uw papa gaat morgenochtend heen, jufvrouw Flore.”—“Morgenochtend, Suze?”—“Ja jufvrouw. Zoo heeft hij het besteld. Vroeg.”—“Weet gij ook,” zeide Florence zonder haar aan te zien, “waar papa naar toe gaat?”—“Niet recht, jufvrouw. Hij zal eerst dien heerlijken majoor gaan opzoeken, en ik moet zeggen, als ik zelve met een majoor kennis hield (waarvoor de hemel mij moge bewaren) zou het geen blauwe zijn.”—“St; Suze!” zeide Florence zacht maar dringend.—“Wel, jufvrouw Flore,” antwoordde Suze, die van verontwaardiging gloeide, “dat kan ik niet helpen, blauw is hij, en zoolang ik een Christenmensch was, al was het van lagen staat, zou ik vrienden van natuurlijke kleur willen hebben, of in het geheel geen.”Uit hetgeen zij er bijvoegde en beneden had opgezameld, bleek, dat mevrouw Chick den majoor tot Dombey’s reisgenoot had voorgesteld, en dat Dombey hem na eenig bedenken daartoe had uitgenoodigd.“Hij gezelschap wezen!” zeide Suze, met grenzelooze minachting. “In plaats van met zulk gezelschap was ik liever alleen.”—“Goeden nacht, Suze!” zeide Florence.—“Goeden nacht, mijne lieve, lieve jufvrouw Flore!”Haar toon van medelijdend beklag deed de snaar trillen die zoo dikwijls werd aangeraakt, maar waarnaar Florence nooit luisterde zoolang Suze of iemand anders er bij was. Alleen gebleven, liet Florence haar hoofd op de eene hand zinken, drukte de andere op haar zwoegend hart, en verdiepte zich in haar leed.Het was een regenachtige nacht: en vervelend was het aanhoudend gekletter tegen de glazen. Een flauwe, trage wind suisde zuchtend om het huis, als hoorde men een gesmoord steenen van pijn of droefheid. Een schel geschuifel floot door de boomen. Terwijl zij daar zoo zat te schreien werd het laat, en het akelige middernachtsuur klonk van de kerktorens.Florence was weinig meer dan een kind in jaren—nauwelijks veertien—en de eenzaamheid en somberheid van zulk een uur in het groote huis, waar de dood zoo kort geleden zijne geduchte macht had getoond, hadden wel eene andere verbeelding met onbestemde akeligheden kunnen vervullen. Doch hare jeugdige verbeelding was te vol van één onderwerp om zich zulk een spel te veroorloven. Niets dwaalde er om in haar brein dan liefde—dwalende, als balling verstootene liefde, wel is waar—maar die altijd weder haar vader zocht.Het kletteren van den regen, het zuchten van den wind, het sidderende geluid van het geboomte, het slaan der statige klokken had niets dat die ééne gedachte kon doen verflauwen. Hare herinneringen van het dierbare doode kind—en deze begaven haar nooit—hadden dezelfde strekking. O zoo gebannen te zijn; zoo buitengesloten; haar vaders gezicht van dat uur af nooit te hebben weergezien!Zij kon niet naar bed gaan, het arme meisje, en was sedert ook nooit naar bed gegaan, zonder haar nachtelijken pelgrimstocht naar zijne deur te doen. Het zou een vreemd en droevig schouwspel zijn geweest, haar nu in duisternis zachtjes de trap te zien afsluipen, en daarvoor met verblinde oogen, een kloppend hart en achteloos loshangende haren blijven staan, en hare betraande wangen van buiten daartegen drukken. Maar de nacht verborg dit, en niemand wist het.Op het oogenblik toen zij dezen nacht de deur[128]aanraakte, ontwaarde Florence dat die open was. Voor de eerste maal stond zij open, hoewel maar een haar breed; en daar binnen was nog licht. De eerste neiging van het schroomvallige meisje—en zij zwichtte daarvoor—was snel de vlucht te nemen. Hare volgende, terug te komen en binnen te gaan; en deze tweede neiging hield haar besluiteloos op de trap staande.Dat de deur openstond, zelfs maar met zulk een reetje, scheen hoop te geven. Het was bemoedigend een streepje licht van binnen langs den donkeren post te zien sluipen en op den marmeren vloer schijnen. Zij keerde terug, nauwelijks wetende wat zij deed, maar voortgedreven door de liefde in haar binnenste en het leed dat zij te zamen ondergaan, maar niet gedeeld hadden; en met de bevende handen omhoog trad zij stil binnen.Haar vader zat voor zijne oude tafel in het middenvertrek. Hij had eenige papieren in orde gebracht, en andere verscheurd, waarvan de snippers voor hem lagen. De regen kletterde zwaarmoedig op de ruiten van het achterste kamertje, waar hij zoo dikwijls den armen Paul, als een onnoozel wichtje, had gadegeslagen; en buiten hoorde men den wind zuchten.Maar hij hoorde dit niet. Hij zat, met de oogen strak op de tafel, zoo diep in gedachten verzonken, dat een veel zwaarder tred dan het lichte voetje van zijn kind hem misschien niet zou gewekt hebben. Zijn gezicht was naar haar toegekeerd; bij de flauw brandende lamp en zoo laat in den nacht, zag het er vervallen en vermagerd uit; en de eenzaamheid, die hem omringde, had iets dat Florence diep ontroerde.“Papa, papa! spreek toch tegen mij, lieve papa!”Hare stem deed hem verschrikt opspringen. Zij stond dicht voor hem met uitgespreide armen, maar hij deinsde terug.“Wat scheelt er aan?” zeide hij stuursch. “Waarom komt gij hier? Wat heeft u bang doen worden?”Als iets haar bang had doen worden, was het zijn gezicht. De gloeiende liefde in het hart zijner jeugdige dochter bevroor onder dien blik, en zij bleef hem staan aanzien alsof zij in steen veranderd was.Geen zweem van teederheid of medelijden had dat gezicht. Niets van vaderlijke herkenning, belangstelling of weemoedigheid. Er was eene verandering in, maar niet van dien aard. De onverschilligheid en stijfheid hadden plaats gemaakt voor iets anders—wat het was durfde zij niet denken, en toch gevoelde zij de kracht er van en kende zij het, zonder het een naam te geven—dat, toen hij haar zoo aanzag, eene schaduw op haar hoofd scheen te werpen.Zag hij de gelukkige mededingster van zijn zoon, in leven en gezondheid voor zich? Beschouwde hij haar als zijne eigene gelukkige mededingster in de genegenheid van dien zoon? Werden zoete herinneringen, die haar dierbaar en kostbaar hadden moeten doen worden, door razende jaloezie en gekrenkte trotschheid vergiftigd? Kon het mogelijk zijn, dat het gal en alsem voor hem was, haar in hare veelbelovende schoonheid voor zich te zien, en aan zijn zoon te denken?Florence dacht zoo iets niet. Maar de liefde ziet snel wanneer zij veracht en hopeloos is; en toen zij haar vader zoo zag, stierf de hoop harer liefde.“Ik vraag u, Florence, zijt gij bang of geschrikt? Scheelt er iets aan, dat gij hier komt?” “Ik kwam, papa …”—“Tegen mijn verlangen. Waarom?”Zij zag dat hij wel wist waarom—dit stond duidelijk op zijn gezicht geschreven—en zij liet met een zachten, langgerekten kreet haar hoofd in hare handen zinken.Nog over jaren moge hij zich in die kamer dien kreet herinneren! Eer hij de stilte afbreekt, is het geluid weggestorven. Even snel is het hem uit de gedachten gegaan, naar hij gelooft; maar het blijft er nog in. Nog over jaren moge hij het zich in die kamer herinneren!Hij nam haar bij den arm. Zijne hand was koud en vatte haar nauwelijks aan.“Ge zijt vermoeid, zou ik denken,” zeide hij, de kaars opnemende en haar naar de deur brengende, “en hebt behoefte aan rust. Wij hebben allen behoefte aan rust. Ga heen, Florence. Gij hebt gedroomd.”De droom dien zij gehad had, was toen, helaas! voorbij; en zij gevoelde dat hij nooit meer kon terugkomen.“Ik zal hier blijven om u op de trap te lichten. Het geheele huis daar boven is voor u,” zeide haar vader langzaam. “Gij zijt daar nu meesteres. Goeden nacht!”Nog met hare handen voor haar gezicht, zeide zij snikkend: “Goeden nacht, lieve papa!” en ging stil naar boven. Eens zag zij om, alsof zij had willen terugkeeren indien de vrees haar niet had weerhouden. Het was eene oogenblikkelijke gedachte, te hopeloos om er voedsel aan te geven; en haar vader stond daar met het licht—stijf, koel en roerloos—tot het fladderende kleedje zijner dochter in de duisternis verdween.Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren. De regen, die op het dak klettert, de wind, die om het huis blaast, hebben misschien iets voorspellends in hun treurig geluid. Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren!De laatste maal toen hij haar van die plek die trap zag opgaan, droeg zij haar broertje in hare armen. Dit verteederde nu zijn hart niet voor haar; het verstaalde het; maar hij ging zijne kamer binnen, sloot zijne deur,[129]zette zich op zijn stoel en schreide om zijn verloren zoon.Diogenes was klaar wakker op zijn post, en wachtte naar zijne jonge meesteres.“O, Di! O, lieve Di! Houd toch van mij, om zijnentwil!”Diogenes hield reeds van haar om haar zelve, en schroomde niet dit te toonen. Hij maakte zich belachelijk door eene menigte lompe sprongen, en toen Florence eindelijk sliep en van de blozende kinderen aan den overkant droomde, besloot hij met hare kamerdeur open te krabben, zijn bed als een bal samen te rollen, en aan het uiterste eind van zijn ketting op de planken te gaan liggen, met zijn kop naar haar toe. Zoo bleef hij knipoogend naar haar liggen kijken, tot hij al knipoogend zelf in slaap viel en brommend van zijn vijand droomde.Florence hem voorbij snelde, oom Sam’s koffiebruine lappellen vatte, met elke hand een, hem een kus op de wang drukte, enz. (blz. 131).Florence hem voorbij snelde, oom Sam’s koffiebruine lappellen vatte, met elke hand een, hem een kus op de wang drukte, enz.(blz. 131).

XVIII.VADER EN DOCHTER.

Door het geheele huis van Dombey is het doodstil. De dienstboden, die de trap op en af sluipen, ritselen, maar laten geene voetstappen hooren. Zij praten gedurig met elkander, blijven lang aan tafel zitten, eten en drinken met smaak, en vermaken zich op zekere naargeestige, onheilige manier. Jufvrouw Wickam, met de oogen vol tranen, vertelt akelige anekdoten, en zegt hoe zij mevrouw Pipchin altijd gezegd heeft dat het zoo gaan zou, en drinkt meer bier dan gewoonlijk, en is heel bedroefd, maar toch gezellig. De keukenmeid verkeert in een dergelijken gemoedstoestand. Zij belooft wat gebakken visch voor den avond, en kampt evenzeer tegen haar gevoel en de uien, die zij bij de sla gereedmaakt. Towlinson begint te denken dat het zoo wezen moest, en wil weten of iemand hem kan zeggen dat een hoekhuis ooit gelukkig was. Het komt allen voor dat het reeds lang geleden is, hoewel het kind nog, met een kalmen glimlach op het gezichtje, op zijn bedje ligt.Na den donker komen er anderen—geen gerucht maken zij, op hunne schoenen met vilten zolen—die er vroeger nog eens bij zijn geweest; en met hen komt dat laatste rustbed, dat zoo vreemd is voor een kinderlijken slaper. Al dien tijd is de vader zelfs niet door een bediende[120]gezien; want als er iemand in de donkere kamer komt, blijft hij in een hoek zitten, en op andere tijden schijnt hij zich niet te bewegen, dan om die op en neer te stappen. Maar des morgens fluistert men in het huishouden, dat men hem in het holste van den nacht naar boven heeft hooren gaan, en dat hij daar—in de kamer—gebleven is, tot de zon begon te schijnen.Aan het kantoor in de City zijn de vensters van dof geslepen glas nog met luiken verduisterd. De lampen op de lessenaars worden verdonkerd door den toch nog invallenden dag, en de dag wordt wederom door de lampen verdonkerd, en er heerscht eene buitengewone somberheid. Er wordt niet veel gewerkt. De klerken hebben geen lust daartoe, en maken afspraak om in den namiddag met elkander te gaan eten, wandelen of varen. Perch blijft lang met zijne boodschappen uit, en zit in herbergen bij de toonbank, waar hem vrienden hebben meegenomen, en redeneert daar over de onzekerheid van al het ondermaansche. Hij gaat des avonds vroeger dan gewoonlijk naar huis, en trakteert zijne vrouw op eene kalfskarbonade en een extra glas bier. Carker de chef trakteert niemand en wordt niet getrakteerd; maar alleen in zijne kamer laat hij den geheelen dag zijne tanden zien, en het zou schijnen dat er een struikelblok is opgeruimd, dat hem in den weg lag.Nu komen de blozende kinderen, die tegenover Dombey wonen, voor het venster der kinderkamer naar de straat kijken; want er staan vier zwarte paarden voor zijne deur, met pluimen op den kop, en op het rijtuig dat zij trekken wuiven insgelijks pluimen; en deze, en een stoet van mannen met rouwsjerpen en staven, trekken een hoop volk bijeen. De kunstenmaker, die juist zijne vertooning wilde beginnen, hangt zijne losse jas weder over zijn mooi pakje, en zijne vrouw, met een zwaar kind op den arm, blijft staan dralen om de staatsie te zien. Maar dichter aan den valen doek, die hare borst bedekt, drukt zij haar kind, als de doodkist, zoo licht om te dragen, buitenkomt; en het jongste der blozende kinderen voor het venster aan den overkant heeft geene waarschuwende hand noodig om hare vroolijkheid te smoren, als zij, met het mollige vingertje wijzende, de kindermeid aanziet en vraagt: “Wat is dat?”En nu, tusschen een troepje knechts in den rouw en de schreiende vrouwen door, gaat Dombey naar de andere koets, die op hem wacht. Hij is niet “neergedrukt”, denken de toeschouwers. Zijn gang is even statig, zijne houding even stijf als ooit. Hij houdt geen zakdoek voor zijn gezicht en ziet strak voor zich. Behalve dat zijn gezicht bleek en eenigszins ingevallen is, heeft het dezelfde uitdrukking als gewoonlijk. Hij neemt zijne plaats in de koets en nog drie andere heeren volgen. Dan trekt de deftige rouwstoet langzaam de straat door. De pluimen wuiven nog in de verte, als de kunstenmaker reeds zijne waschkom op een stok laat draaien, en denzelfden hoop volk om zich heen heeft om hem te bewonderen. Zijne vrouw is minder vlug dan anders met het geldbakje, want die kinderbegrafenis heeft haar in de gedachten gebracht, dat het kind onder haar valen doek misschien ook niet zal groot worden, misschien nooit een blauw lint om het hoofd zal hebben, eene broek van vleeschkleur tricot dragen en in den modder duikelen.De pluimen vervolgen somber haar weg langs de straten en komen binnen den klank eener kerkklok. In dezelfde kerk heeft het aardige knaapje gekregen, wat spoedig alles zal zijn dat op aarde van hem over is—een naam. Al wat van hem dood is leggen zij daar, dicht bij het vergankelijke deel zijner moeder. Het is goed zoo. Zijn stof rust waar Florence op hare wandelingen—o, eenzame, eenzame wandelingen!—het dagelijks kan voorbijkomen.Nadat de plechtigheid is afgeloopen en de geestelijke heengegaan, ziet Dombey rond en vraagt zacht of de man er is, die gewaarschuwd is om de bestelling voor den gedenksteen aan te nemen.Er komt iemand naar voren, en zegt: “Ja!”Dombey beduidt hem waar hij het gedenkteeken geplaatst wil hebben, en wijst hem met de hand op den muur, de grootte en het fatsoen, en hoe het zich aan dat der moeder moet aansluiten. Dan schrijft hij het opschrift met potlood op een stukje papier, geeft het hem en zegt: “Ik verlang het spoedig geplaatst te hebben.”—“Het zal dadelijk gebeuren, mijnheer.”—“Er is eigenlijk niets op te zetten dan naam en ouderdom, ziet ge.”De man buigt, kijkt naar het papier, maar schijnt te twijfelen. Dombey, hier niet op lettende, keert zich om en gaat vooruit naar het portaal.“Neem mij niet kwalijk, mijnheer;” zijn rouwmantel wordt zacht aangeraakt; “maar daar gij het dadelijk gedaan wilt hebben, en ik het dus onderhanden zou geven zoodra ik terugkom …”—“Wel?”—“Wilt ge zoo goed zijn om het nog eens over te lezen? Ik geloof dat er eene vergissing in is.”—“Waar?”De steenhouwer geeft hem het papier terug, en wijst met zijn duimstok naar de woorden “geliefd en eenig kind.”“Het zou “zoon” moeten wezen, dunkt mij, mijnheer?”—“Gij hebt gelijk. Natuurlijk. Verander dat.”De vader vervolgt, met haastiger tred, zijn weg naar de koets. Wanneer de andere drie, die hem op de hielen volgen, bij hem plaats nemen, is zijn gezicht voor de eerste maal in zijn mantel verborgen. Zij zien het dien dag[121]niet meer. Hij stapt het eerst af en gaat terstond naar zijne kamer. De andere rouwdragers (zij zijn mijnheer Chick en twee van de dokters) gaan boven naar het salon, waar zij door mevrouw Chick en jufvrouw Tox worden ontvangen. En welk een gezicht het is, in die geslotene kamer beneden; of welke gedachten daar heerschen; welk een hart daar is, hoe daar gestreden of geleden wordt—weet niemand.Maar zij werd toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in tranen wegsmolt. (blz. 124).Maar zij werd toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in tranen wegsmolt.(blz. 124).Het voornaamste dat men beneden in de keuken weet is, dat het naar een zondag gelijkt. Men kan haast niet anders denken of het is zeer onvoegzaam, zoo niet goddeloos, dat de menschen buitenshuis hunne gewone bezigheden verrichten en hunne dagelijksche kleeren dragen. Het is geheel iets nieuws, dat de gordijnen weder opgehaald zijn en de luiken openstaan; en men maakt zich naargeestig vroolijk bij den wijn, die zoo mild geschonken wordt als op een feestdag. Men is zeer genegen om te moraliseeren. Towlinson geeft met een zucht den toast: “Ons aller beterschap!” waarop de keukenmeid, insgelijks met een zucht, zegt: “Daar is nog genoeg reden toe, weet God.” In den avond nemen mevrouw Chick[122]en jufvrouw Tox haar naaiwerk weder op, en gaat Towlinson uit om een luchtje te scheppen, vergezeld door de werkmeid, die haar rouwhoed nog niet geprobeerd heeft. Zij zijn heel teer voor elkaar op donkere hoeken van straten, en Towlinson denkt er aan om als een rechtzinnig groenteman een ander en onberispelijk leven te gaan leiden.Er wordt dien nacht geruster geslapen dan sedert vele nachten. De ochtendzon wekt het oude huishouden, om weder den ouden gang te gaan. De blozende kinderen van den overkant loopen met hoepels voorbij. In de kerk is eene prachtige trouwpartij. De vrouw van den kunstenmaker haalt in eene andere wijk van de stad geld op, even vlug en ijverig als voorheen. De steenhouwer zingt en fluit terwijl hij op de marmeren plaat voor hem, de letters P-A-U-L beitelt.En kan het zijn dat in eene wereld zoo vol en druk het verlies van één zwak schepseltje eene ledigheid in een hart veroorzaakt, zoo wijd en diep dat niets dan de wijdte en diepte der eeuwigheid ze kan vullen! Florence had in hare onschuldige droefheid kunnen antwoorden: “O, mijn broeder, o, mijn teerbeminde en liefhebbende broeder! Eenige vriend en deelgenoot van mijne verachte kindsheid! Kan eene minder verhevene gedachte het licht verspreiden dat reeds uw vroegtijdig graf bestraalt, of de weemoedigheid doen ontstaan, die reeds onder deze tranen mijne smart verzacht!”—“Kindlief,” zeide mevrouw Chick, die het haar plicht achtte, deze gelegenheid waar te nemen om eene nuttige les te geven, “als gij eens zoo oud zijt als ik—”—“Dat dus nog op het best van uw leven zal zijn,” merkte jufvrouw Tox. aan.—“Dan zult gij,” vervolgde mevrouw Chick, jufvrouw Tox de hand drukkende, uit erkentelijkheid voor haar vriendelijk gezegde “dan zult gij weten dat alle droefheid niet baten kan, en het onze plicht is te berusten.”—“Ik zal mijn best doen, lieve tante. Dat doe ik al,” antwoordde Florence snikkend.—“Dat doet mij genoegen,” zeide mevrouw Chick, “omdat, liefje, zooals onze lieve jufvrouw Tox—wier verstand en oordeel niemand betwijfelen kan—”—“Mijne lieve Louise, ik zal waarlijk nog trotsch worden,” zeide jufvrouw Tox.—“U zal zeggen en met hare ondervinding bevestigen,” vervolgde mevrouw Chick, “dat wij altijd gereed moeten zijn om ons in te spannen. Als een misanthroop ooit in mijn bijzijn mocht vragen: “Waartoe wordt de mensch geboren?” zou ik antwoorden: “Om zich in te spannen.””—“Heel goed gezegd,” zeide jufvrouw Tox, getroffen door het origineele dier ontboezeming. “Heel goed!”—“Ongelukkig,” hervatte mevrouw Chick, “hebben wij een waarschuwend voorbeeld vlak voor onze oogen. Wij hebben maar al te veel reden om te denken, lief kind dat, als men zich in deze familie maar bijtijds eene inspanning had gevergd, eene geheele reeks van bedroevende omstandigheden had kunnen vermeden worden. Niets zal mij ooit overreden,” zeide zij, op vasten toon, “of als de arme lieve Fanny zich maar wat had ingespannen, zou dat arme lieve kind ten minste een sterker gestel gehad hebben.”Mevrouw Chick gaf zich voor een half oogenblik aan hare aandoening over; maar om hare leer met een voorbeeld te bekrachtigen, stuitte zij zich in het midden van een snik, en ging toen weder voort:“Laat ons daarom zien, Florence, verzoek ik u, dat gij een beetje kracht van geest hebt, en de droefheid, waarin uw papa gedompeld is, niet door uwe eigenliefde verzwaart.”—“Lieve tante!” zeide Florence, snel voor haar neerknielende, om haar te beter en ernstiger in het gezicht te kunnen zien. “Zeg mij meer van papa. Och, zeg mij wat van hem! Is hij geheel onder zijn hartzeer bezweken?”Jufvrouw Tox had een teer gevoel, en dit gezegde deed haar diep ontroeren. Of zij daarin bij het verwaarloosde kind slechts dezelfde medelijdende aandoening zag, die haar doode broeder zoo dikwijls had getoond—of wel eene liefde, die zich aan het hart, dat hem had liefgehad, zocht te hechten, en niet dulden kon dat zij van de gemeenschap in zulk eene smart werd uitgesloten—dan of zij daarin alleen het kinderlijke hart zag, gegriefd omdat zijne teederheid zoolang onbeantwoord was gebleven, en dat in zijne eenzaamheid tot hem riep om getroost te worden en troost te geven—hoe zij dit gezegde ook opvatte, jufvrouw Tox werd er door geroerd. Voor een oogenblik vergat zij de waardigheid van mevrouw Chick, en haastig Florence de wang streelende, keerde zij zich om en liet de tranen uit hare oogen stroomen, zonder naar een wenk van die deftige matrone te wachten.Mevrouw Chick verloor zelve voor een oogenblik de tegenwoordigheid van geest, waarop zij zooveel roem droeg, en bleef het schoone jeugdige gezichtje, dat zoolang, standvastig en geduldig naar het bedje gekeerd was gebleven, verstomd aanzien. Maar hare stem terug krijgende—een synoniem van hare tegenwoordigheid van geest, want beide waren eigenlijk een en hetzelfde—antwoordde zij deftig:“Florence, kindlief, uw goede papa heeft somtijds wel iets singuliers; en als gij mij naar hem vraagt, vraagt gij mij naar iets dat ik waarlijk niet kan beweren te verstaan. Ik geloof dat ik zooveel invloed op uw papa heb als iemand anders. Evenwel is al wat ik zeggen kan, dat hij mij zeer weinig gezegd heeft, en dat ik hem maar eens of tweemaal voor een oogenblik heb gezien, of eigenlijk haast niet gezien, want zijne kamer was donker. Ik heb tot uw papa gezegd: “Paul!” dat is de juiste[123]uitdrukking die ik gebezigd heb—“Paul! waarom gebruikt gij niet iets versterkends?” Telkens is het antwoord van uw papa geweest: “Louise, wees zoo goed om mij alleen te laten. Ik heb niets noodig. Ik ben beter alleen.” Als ik morgen een eed voor een rechter moest doen, Lucretia,” zeide mevrouw Chick, “twijfel ik niet of ik zou veilig durven zweren, dat dit zijne eigene woorden waren.”Jufvrouw Tox gaf hare bewondering te kennen door te zeggen: “Mijne Louise is altijd zoo nauwkeurig!”—“Kortom, Florence,” hervatte hare tante, “er is letterlijk niets tusschen uw ongelukkigen papa en mij gepasseerd, tot vandaag, toen ik uw papa zeide dat Sir Barnet en Lady Skettles buitengemeen vriendelijke briefjes hadden gezonden—onze lieve jongen! Lady Skettles hield zooveel van hem als van een—waar is mijn zakdoek?”Jufvrouw Tox gaf er haar een aan.“Buitengemeen vriendelijke briefjes, om voor te stellen dat gij tot verstrooiing bij hen zoudt komen logeeren. Toen ik uw papa zeide te denken dat jufvrouw Tox en ik nu wel naar huis konden gaan (waarin hij toestemde) vroeg ik of hij er tegen had dat gij die invitatie zoudt aannemen. Hij zeide: “Neen, Louise, niet het minste!””Florence sloeg hare betraande oogen op.“Evenwel, als gij liever hier woudt blijven, Florence, in plaats van daar nu te gaan logeeren, of met mij naar huis te gaan—”—“Dat zou ik veel liever willen, tante,” was het flauwe antwoord.—“Wel kind,” zeide mevrouw Chick, “dan kunt gij dat. Het is eene vreemde keus, moet ik zeggen. Maar gij zijt altijd vreemd geweest. Iemand anders op uwe jaren, en na hetgeen er is voorgevallen—mijne lieve jufvrouw Tox, ik ben mijn zakdoek weer kwijt—zou gaarne hier vandaan gaan, zou men denken.”—“Ik had niet gaarne,” zeide Florence, “dat het huis nu gemeden scheen. Ik zou niet gaarne denken, dat de—zijne—de kamers boven nu geheel leeg stonden en zoo akelig waren, tante. Ik wilde liever vooreerst hier blijven. O, mijn broeder! O, mijn broeder!”Het was eene natuurlijke, onbedwingbare gemoedsbeweging, die zich zelve een uitweg baande tusschen de vingers door waarmede zij haar gezicht bedekte. De overkropte borst moest somtijds zoo lucht krijgen, of het gewonde, eenzame hart daarbinnen had moeten smoren.“Wel kind,” zeide mevrouw Chick, “ik zou u voor alles niets onaangenaams willen zeggen, en dat weet gij ook wel. Gij zult dus hier blijven en net zoo doen als gij verkiest. Niemand zal zich met u bemoeien, Florence, of willen bemoeien.”Florence schudde treurig toestemmend haar hoofd.“Ik had niet zoodra uw armen papa begonnen te raden, dat hij waarlijk wat verstrooiing en afleiding moest gaan zoeken,” zeide mevrouw Chick, “of hij zeide mij, dat hij al voornemens was voor eene poos naar buiten te gaan. Ik hoop maar dat hij het gauw zal doen. Hij kan het niet te gauw doen. Maar ik denk dat er nog wel zaken te beschikken en papieren te veranderen zijn, ten gevolge van dien slag, die ons allen zoo bedroefd heeft—ik kan niet begrijpen waar de mijne gebleven is: Lucretia, leen mij den uwen eens, lieve—die hem nog wel een paar avonden in zijne kamer zullen bezig houden. Uw papa is een Dombey, kind, als er ooit een geweest is,” zeide mevrouw Chick, hare beide oogen zeer zorgvuldig met verschillende hoeken van den geleenden zakdoek afdrogende. “Hij zal zich wel inspannen. Daarvoor behoeft men bij hem niet bang te zijn.”“Is er niets, tante,” begon Florence bevende, “dat ik zou kunnen doen om …”—“Heere, kindlief,” viel mevrouw Chick er haastig op in, “wat praat ge toch? Als uw papa tegenmijzeide—ik heb u zijne eigene woorden laten hooren: “Louise, ik heb niets noodig. Ik ben beter alleen,”—wat denkt gij dan dat hij tegen u zou zeggen? Gij moet u niet aan hem laten zien, kind—niet eens van zoo iets droomen.”—“Tante,” zeide Florence, “ik zal maar wat te bed gaan liggen.”Mevrouw Chick keurde dit besluit goed en zond haar met een kus heen. Maar jufvrouw Tox ging, met het flauwe voorwendsel dat zij naar den weggeraakten zakdoek wilde zoeken, haar na naar boven, en poogde in eenige gestolene minuten haar te troosten, hoewel Suze Nipper haar lang niet daartoe aanmoedigde. Want in haar gloeienden ijver maakte Suze jufvrouw Tox voor een krokodil uit; en toch scheen haar medelijden van echte soort te zijn, en had het ten minste den schijn van belangeloosheid voor zich—er was weinig gunst mede te winnen.En was er niemand nader en dierbaarder dan Suze om het worstelende hart in zijn strijd bij te staan? Was er geen andere hals om te omvatten; geen ander gezicht om aan te zien; niemand anders om in zulke diepe droefheid een troostend woord te spreken? Was Florence zoo alleen in de barre wereld, dat haar niets anders overschoot? Niets. Op eens en te gelijk moederloos en broederloos geworden—want met het verlies van den kleinen Paul, trof het eerste en zwaarste verlies haar met nieuwe zwaarte—was dit de eenige hulp die zij had. O, wie kan zeggen hoezeer zij in het eerst naar hulp verlangde!In het eerst, toen het huis weder op den gewonen regel was gekomen, en allen vertrokken waren behalve de dienstboden en haar vader, die in zijne kamers bleef opgesloten, kon Florence niets doen dan schreien, en op en neer[124]dwalen, en somtijds, in eene vlaag van wanhopig herdenken, naar hare kamer vliegen, hare handen wringen, zich met haar gezicht op haar bed werpen, en van geen troost willen weten, van niets weten dan de bitterheid en wreedheid van haar leed. Dit volgde gewoonlijk op het herkennen van eene plek of een voorwerp dat in bijzonder teedere betrekking met hem stond, en maakte het huis in het begin tot eene martelplaats voor haar.Maar het ligt niet in den aard der reine liefde om lang met zulk eene verderfelijke woestheid te branden. De vlam, die door grove aardsche deelen wordt ontreinigd, mag de borst verteren, welke haar schuilplaats geeft; maar het heilige vuur van den hemel is in het hart even zacht, als toen het op de hoofden der verzamelde twaalve rustte, en ieder daarbij zijn broeder zag, verlicht en ongedeerd. Het opgeroepene beeld kreeg weldra het vergenoegde gezichtje, de zachte stem, de liefdevolle blikken, de stille vertrouwelijkheid terug, en hoewel Florence nog bleef schreien, schreide zij toch rustiger, en gevoelde zij dat de herinnering haar weldadig was.Het duurde niet lang of de gouden golfjes, die op de oude plaats en den ouden tijd over den muur speelden, werden onder het verdwijnen met kalme treurigheid nagestaard. Het duurde niet lang of die kamer zag haar daar weder zitten, alleen, maar even stil en geduldig als zij bij dat bedje had gewaakt. Als het akelige gevoel, dat het nu ledig was, haar te pijnlijk werd, kon zij er nu bij neerknielen en God bidden—het was de uitstorting van het overvolle hart—dat een engel haar mocht blijven liefhebben en gedenken.Het duurde niet lang, of in dat akelige, holle huis hief hare stem in het schemeruur, langzaam en somtijds ophoudende, de oude wijsjes aan, waarnaar hij zoo dikwijls had geluisterd, met het zwakke hoofdje in haar arm. En daarna, als het geheel donker was, klonk er eene muziek door de kamer, zoo zacht gespeeld en gezongen, dat zij meer eene weemoedige herinnering geleek van hetgeen zij dien laatsten avond op zijn verzoek gedaan had, dan eene werkelijke herhaling. Maar zij werd toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in tranen wegsmolt.Zoo kreeg zij moed om naar het werk te zien, waarmede hare vingers naast hem op het zeestrand waren bezig geweest; en zoo duurde het niet lang of zij vatte het weder op—met iets dat naar menschelijke liefde geleek, alsof het gevoel en bewustheid had en hem had gekend; en zoo sleet zij, voor het venster, dicht bij het portret harer moeder gezeten, de peinzende uren.Waarom richtten hare donkere oogen zich zoo dikwijls naar den overkant, waar die blozende kinderen woonden? Zij deden haar niet rechtstreeks aan haar verlies denken, want het waren allen meisjes, vier kleine zusters. Maar zij waren moederloos evenals zij—en hadden een vader.Het was gemakkelijk te weten wanneer hij uit was en thuis werd verwacht, want het oudste kind stond dan altijd gekleed voor het venster van het salon of op het balkon naar hem uit te zien, en als hij verscheen blonk haar verwachtend gezichtje van blijdschap, terwijl de anderen, voor het hoogere venster, ook altijd op de wacht, in de handjes klapten en op de vensterbank trommelden en hem riepen. Het oudste meisje kwam dan beneden naar het voorhuis, en gaf hem haar handje en bracht hem naar boven; en Florence zag haar naderhand naast hem of op zijne knie zitten, met haar arm liefkoozend om zijn hals, en met hem praten; en hoewel zij altijd vroolijk met elkander waren, zag hij haar dikwijls aan, alsof hij dacht dat zij naar hare doode moeder geleek. Somtijds wilde Florence hier niet meer naar zien, en in tranen uitbarstende, verschool zij zich dan achter het gordijn, alsof zij bang werd, of ging zij van het venster af. Zij kon zich echter niet weerhouden van terug te komen, en dan viel haar werk haar spoedig weder onopgemerkt uit de handen.Het was het huis, dat voor jaren ledig had gestaan. Het was lang zoo blijven staan. Eindelijk, en terwijl zij van huis was, had deze familie het betrokken; en toen was het gerepareerd en nieuw geschilderd, en nu waren er vogeltjes en bloemen in, en geleek het niet meer naar wat het vroeger was. Maar zij dacht nooit aan het huis. De meisjes en haar vader waren haar alles.Als hij gegeten had, kon zij ze, door de opene vensters, met de kindermeid of gouvernante naar beneden zien komen, en zich om de tafel scharen; en bij het stille zomerweder kwam het geluid van hare kinderstemmetjes en haar helder gelach de straat overklinken in de drukkende lucht der kamer waar zij zat. Dan sprongen enklauterdenzij met hem de trap op, en stoeiden met hem op de sofa, of zaten op zijne knieën bij elkander gedrongen, een bouquetje van gezichtjes, terwijl hij iets scheen te vertellen. Of zij kwamen ook naar buiten op het balkon loopen, en dan verborg Florence zich snel, uit vrees dat het hare blijdschap zou storen, als zij haar daar in het zwart alleen zagen zitten.Het oudste meisje bleef bij haar vader als de anderen heengingen, en schonk dan thee voor hem—welk een vergenoegd lief huishoudstertje—en zat met hem te praten, somtijds voor het venster, somtijds meer achter in de kamer, tot er licht werd gebracht. Hij[125]maakte haar dus tot zijne gezellin, hoewel zij eenige jaren jonger was dan Florence, en zij kon zich bij haar boekje of werkdoosje zoo stil en stemmig houden als een volwassen meisje. Als er licht brandde, was Florence niet bang om uit hare eigene donkere kamer weder binnen te kijken. Maar wanneer het tijd voor het meisje werd om “goeden nacht, papa,” te zeggen en naar bed te gaan, en zij haar gezichtje naar hem ophief, begon Florence te beven en te snikken, en kon zij niet meer zien.Eer zij zelve naar bed ging, keek zij echter, onder het zingen en spelen der eenvoudige wijs, die hem zoo dikwijls in slaap had gesust, nog dikwijls naar dat huis om. Maar dat zij er ooit aan dacht, of het bespiedde, was een geheim dat zij in haar jeugdig hart bewaarde.En bewaarde dat hart—zoo oprecht en trouw—de liefde zoo waardig die de gestorvene haar had toegedragen en met zijne laatste woorden toegefluisterd—dat hart, welks argelooze onschuld zich in haar gezichtje spiegelde en in elken klank harer zachte stem ademde—geen ander geheim? Ja. Nog een.Als er niemand anders in huis meer op was en alle lichten waren uitgedaan, verliet zij zacht hare kamer, en ging met onhoorbare stappen de trap af naar de deur van haar vaders kamer. Daartegen liet zij dan met smachtende liefde haar hoofd rusten, en drukte zij hare bevende lippen. Elken nacht knielde zij op den kouden steenen vloer daar buiten, om naar zijne ademhaling te luisteren, en in haar vurig verlangen om hem maar eenige genegenheid te mogen toonen, om hem tot eenigen troost te mogen zijn, om hem te bewegen dat hij eenige teederheid van haar, zijn eenzaam kind, verdroeg, zou zij, als zij maar gedurfd had, nederig smeekend voor zijne voeten geknield hebben.Niemand wist het. Niemand dacht er aan. De deur bleef altijd dicht en hij daar binnen opgesloten. Een paar malen ging hij uit, en in huis zeide men dat hij spoedig op reis zou gaan; maar overigens bleef hij in die kamers, geheel alleen; en haar zag hij nooit, naar haar vroeg hij nooit. Misschien wist hij niet eens dat zij in huis was.Eens, omtrent eene week na de begrafenis, zat Florence te werken, toen Suze haar met een half lachend half schreiend gezicht kwam zeggen, dat er visite voor haar was.“Visite! Voor mij, Suze?” zeide Florence verwonderd opziende.—“Ja dat is wel een wonder, niet waar jufvrouw Flore,” zeide Suze; “maar ik wenschte dat gij druk visites hadt, dat doe ik waarlijk; want dat zou beter voor u zijn, en ik denk ook hoe eerder gij zelfs naar de oude Skettles’en gaat, zooveel te beter voor ons allebei. Ik mag van geene drukte houden, jonge jufvrouw Flore, maar ik ben toch geen oester.”Om Suze recht te doen, dacht zij, dit zeggende, meer om hare jonge meesteres dan om zich zelve, en haar gezicht toonde dit.“Maar wie is er dan om mij te spreken, Suze?” zeide Florence.Met eene zenuwachtige uitbarsting, die evenveel een lach als een snik, en evenveel een snik als een lach was, antwoordde Suze: “mijnheer Toots!”De glimlach die zich even op Florence’s gezichtje vertoonde, verdween terstond weder, en hare oogen vulden zich met tranen. Maar het was toch een glimlach geweest, en daarmede was Suze reeds zeer in haar schik.“Net hetzelfde dat ik gevoeld heb, jufvrouw Flore,” zeide zij, haar voorschoot voor hare oogen houdende, en haar hoofd schuddende. “Toen ik dien lummel in het voorhuis zag, begon ik eerst te lachen en toen kreeg ik een brok in de keel.”Onwillekeurig deed zij hetzelfde nog eens. Ondertusschen was Toots, geheel onbewust van den indruk dien hij gemaakt had, haar achterop naar boven gekomen, en nadat hij met zijne knokkels op de deur zich zelven nog eens had aangediend, stapte hij met bijzondere vlugheid binnen.“Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide hij. “Ik ben heel wel—zeer verplicht. Hoe maakt gij het?”Toots—een van de beste jongens in de wereld, hoewel er schranderder mochten zijn—had deze lange redevoering met moeite bijeengebracht, om aldus voor Florence en zich zelven de aandoening van het wederzien te verminderen. Nu echter bevindende dat hij onvoorzichtig genoeg was geweest om al wat hij wist uit te kramen, eer hij nog een stoel genomen, of Florence een woord gezegd had—eer hij eigenlijk wel binnen de deur was—achtte hij het raadzaam om nog eens te beginnen.“Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide hij. “Ik ben heel wel—zeer verplicht. Hoe maakt gij het?”Florence gaf hem hare hand en zeide dat zij zeer wel was.“Ik ben ook heel wel,” zeide Toots, een stoel nemende. “Inderdaad, heel wel ben ik. Ik kan mij niet herinneren,” vervolgde hij, na een oogenblik peinzens, “dat ik ooit beter ben geweest—zeer verplicht.”—“Het is heel vriendelijk van u dat gij eens aankomt,” zeide Florence, haar werk weder opnemende. “Ik ben blij dat ik u zie.”Toots antwoordde met een gegiggel. Denkende dat dit misschien te levendig was, verbeterde hij het met een zucht. Wederom denkende dat dit misschien te treurig was, giggelde[126]hij weder. Met geen van beide manieren van antwoord geheel tevreden, haalde hij zwaar adem.“Gij zijt heel goed voor mijn lieven broeder geweest,” zeide Florence, hare natuurlijke neiging volgende om zijne verlegenheid te verminderen. “Hij heeft mij dikwijls over u gesproken.”—“O, dat is van geen beduiden,” zeide Toots haastig. “Warm, niet waar?”—“Het is heel mooi weer,” antwoordde Florence.—“Dat is recht mijn weer,” hervatte Toots. “Ik geloof niet dat ik mij ooit zoo wel heb gevoeld als tegenwoordig—zeer verplicht.”Na deze merkwaardige en onverwachte omstandigheid vermeld te hebben, verzonk Toots in een diepen put van stilzwijgen.“Ge zijt nu niet meer bij doctor Blimber?” zeide Florence, als eene poging om hem er uit te helpen.—“Dat zou ik hopen,” antwoordde Toots en stortte er weder in.Hij bleef, verzonken naar het scheen, wel tien minuten lang beneden. Na verloop van dien tijd kwam hij eensklaps bovendrijven, en zeide:“Wel! Goeden morgen, jufvrouw Dombey.”—“Gaat gij al heen?” zeide Florence, opstaande.—“Dat weet ik toch nog niet. Neen, nog niet,” zeide Toots, en ging alleronverwachtst weder zitten. “De zaak is—zeg eens, jufvrouw Dombey.”—“Wees niet bang om te spreken,” zeide Florence met een glimlach, “ik zou heel gaarne eens over mijn broeder met u spreken.”—“Zoudt ge—toch?” zeide Toots daarop, met levendige sympathie in elken trek van zijn anders onbeteekenend gezicht. “Arme Dombey! Ik had waarlijk nooit gedacht dat Burgess en Comp.—kleermakers, in de mode, maar heel duur, over wie wij wel eens gepraat hebben—mij daarvoor dit pak zouden maken.” Toots was in den rouw. “Arme Dombey! Zeg eens, jufvrouw Dombey!” stotterde en snikte Toots.—“Wel?” zeide Florence.—“Er is een vriend, waarvan hij op het laatst bijzonder gehouden heeft. Ik dacht dat gij hem misschien wel zoudt willen hebben als eene soort van gedachtenis. Gij weet wel hoe hij nog om Diogenes dacht?”—“O ja! o ja!” riep Florence uit.—“Arme Dombey! Ik ook,” zeide Toots.Toots, die Florence in tranen zag, had veel moeite om dit punt te boven te komen, en was bijna weder in den put getuimeld. Maar een gegiggel redde hem op den kant.“Zeg, jufvrouw Dombey,” vervolgde hij. “Ik zou in staat zijn geweest om hem te stelen, als zij hem niet gegeven hadden—dat zou ik zeker hebben gedaan; maar zij waren blij dat zij hem maar kwijt raakten, geloof ik. Als gij hem hebben wilt, hij is voor de deur. Ik heb hem met opzet voor u meegebracht. Hij is geen dameshondje, weet ge wel; maar daar zult ge niet op zien, niet waar?”Diogenes stond op dat oogenblik, gelijk zij weldra zagen, toen zij naar de straat keken, uit het portier van eene huurkoets te staren, waarin men hem, om hem te vervoeren, had gelokt door hem wijs te maken dat er ratten in het stroo zaten. Om de waarheid te zeggen, hij geleek zoo weinig op een dameshondje als een hond wel doen kon; en in zijn ongeduldigen angst om uit de koets te komen zag hij er weinig innemend uit. Hij jankte aanhoudend, nam nu en dan een sprong, die telkens mislukte, zoodat hij achterover in het stroo tuimelde, en sprong dan hijgend weder op en stak zijne tong uit, alsof hij ze een dokter moest laten zien.Maar schoon Diogenes zulk een belachelijke, lompe, leelijke hond was als men ergens zou vinden, een lastige hond, die zich altijd verbeeldde dat er ergens een vijand school, tegen wien het zijn plicht was te blaffen; schoon hij ver van goedaardig en zeker niet schrander was, met haar over de oogen, een gekken neus, een staart die hem niet scheen toe te komen, en eene grove stem, was hij Florence, omdat Paul bij zijn afscheid nog zoo om hem had gedacht en verzocht dat er goed voor hem gezorgd zou worden, aangenamer dan de fraaiste en kostbaarste hond kon zijn geweest. Zoo dierbaar, zoo welkom was haar die leelijke Diogenes, dat zij de bejuweelde hand van Toots vatte en die uit dankbaarheid kuste. En toen Diogenes, losgelaten, de trap kwam oprennen en de kamer instuiven (zulk een gedoente als men eerst had, om hem uit de koets te krijgen!) en onder al de meubelen kroop, en een langen ijzeren ketting, die hem nasleepte, om de pooten van stoelen en tafels wond, en er toen aan trok, tot zijne oogen hem zoodanig uit den kop puilden, dat zij door zijne haren zichtbaar werden; en toen hij bromde tegen Toots, die familiaar met hem wilde zijn, en op Towlinson aanvloog, met de zedelijke overtuiging, dat hij de vijand om den hoek was, tegen wien hij al zijn leven had geblaft en dien hij nog nooit had gezien, was Florence zoo met hem ingenomen als ware hij een model van dressuur en schranderheid geweest.Toots was zoo blijde dat zijn present zoo beviel, en zoo verrukt toen hij Florence zich over Diogenes zag bukken en zijn ruigen rug met haar handje streelen—hetgeen Diogenes van het eerste oogenblik hunner kennismaking af goedgunstig toeliet—dat het hem moeielijk viel afscheid te nemen, en het zeker nog veel langer zou geduurd hebben eer hij daartoe kon besluiten, als Diogenes zelf hem niet had geholpen, door het in zijn kop te krijgen om tegen hem te blaffen en uit te schieten. Niet zeker zijnde waarop deze demonstratiën zouden uitloopen, en begrijpende dat zij de pantalon, waaraan Burgess en Comp. hunne kunst hadden getoond, in gevaar brachten, ging Toots[127]grinnikendnaar de deur, keek daar nog een paar malen zonder bepaald oogmerk om, telkens door een nieuwen uitval van Diogenes begroet, en ging eindelijk heen.“Kom dan, Di! lieve Di! maak eens kennis met uwe nieuwe meesteres. Wij moeten veel van elkander houden, Di!” zeide Florence, zijn ruigen kop liefkoozende. En de grove, ruige Di, alsof zijne harige huid niet ondoordringbaar was voor den traan die er op viel, en zijn hondehart er door verweekt werd, duwde haar zijn neus in het gezicht en zwoer haar trouw.Diogenes de man sprak niet duidelijker tot Alexander den Groote, als Diogenes de hond tot Florence sprak. Hij onderteekende blijmoedig het contract met zijne kleine meesteres en wijdde zich aan haar dienst. Dadelijk werd in een hoek een feestmaal voor hem aangericht, en toen hij volop gegeten had, kwam bij naar het venster waar Florence zat toe te kijken, ging op de achterpooten staan, met zijne lompe voorpooten op hare schouders, likte haar gezicht en hare handen, drukte zijn kop tegen hare borst en kwispelstaartte tot hij er moe van werd. Eindelijk rolde hij zich voor hare voeten ineen en ging liggen slapen.Hoewel Suze eenigszins bang voor honden was, en het raadzaam achtte om, als zij in de kamer was, hare rokken zorgvuldig strak te trekken, alsof zij door een geverfd huis ging, en ook eenige gilletjes te geven en op een stoel te gaan staan als Di zich eens uitrekte, was zij toch op hare manier aangedaan over de vriendelijkheid van Toots, en kon zij Florence niet zoo gevoelig zien voor de genegenheid en het gezelschap van dien ruwen vriend van kleinen Paul, zonder eenige stille bespiegelingen daarover, die haar het water in de oogen brachten. Misschien brachten hare denkbeelden mijnheer Dombey wel in zeker verband met den hond; in allen gevalle, nadat zij den geheelen avond naar Diogenes en zijne meesteres had zitten kijken, en zeer goedwillig eene slaapplaats voor Diogenes had gereedgemaakt, in de voorkamer dicht bij de deur zijner meesteres, zeide zij, eer zij deze goeden nacht wenschte, haastig:“Uw papa gaat morgenochtend heen, jufvrouw Flore.”—“Morgenochtend, Suze?”—“Ja jufvrouw. Zoo heeft hij het besteld. Vroeg.”—“Weet gij ook,” zeide Florence zonder haar aan te zien, “waar papa naar toe gaat?”—“Niet recht, jufvrouw. Hij zal eerst dien heerlijken majoor gaan opzoeken, en ik moet zeggen, als ik zelve met een majoor kennis hield (waarvoor de hemel mij moge bewaren) zou het geen blauwe zijn.”—“St; Suze!” zeide Florence zacht maar dringend.—“Wel, jufvrouw Flore,” antwoordde Suze, die van verontwaardiging gloeide, “dat kan ik niet helpen, blauw is hij, en zoolang ik een Christenmensch was, al was het van lagen staat, zou ik vrienden van natuurlijke kleur willen hebben, of in het geheel geen.”Uit hetgeen zij er bijvoegde en beneden had opgezameld, bleek, dat mevrouw Chick den majoor tot Dombey’s reisgenoot had voorgesteld, en dat Dombey hem na eenig bedenken daartoe had uitgenoodigd.“Hij gezelschap wezen!” zeide Suze, met grenzelooze minachting. “In plaats van met zulk gezelschap was ik liever alleen.”—“Goeden nacht, Suze!” zeide Florence.—“Goeden nacht, mijne lieve, lieve jufvrouw Flore!”Haar toon van medelijdend beklag deed de snaar trillen die zoo dikwijls werd aangeraakt, maar waarnaar Florence nooit luisterde zoolang Suze of iemand anders er bij was. Alleen gebleven, liet Florence haar hoofd op de eene hand zinken, drukte de andere op haar zwoegend hart, en verdiepte zich in haar leed.Het was een regenachtige nacht: en vervelend was het aanhoudend gekletter tegen de glazen. Een flauwe, trage wind suisde zuchtend om het huis, als hoorde men een gesmoord steenen van pijn of droefheid. Een schel geschuifel floot door de boomen. Terwijl zij daar zoo zat te schreien werd het laat, en het akelige middernachtsuur klonk van de kerktorens.Florence was weinig meer dan een kind in jaren—nauwelijks veertien—en de eenzaamheid en somberheid van zulk een uur in het groote huis, waar de dood zoo kort geleden zijne geduchte macht had getoond, hadden wel eene andere verbeelding met onbestemde akeligheden kunnen vervullen. Doch hare jeugdige verbeelding was te vol van één onderwerp om zich zulk een spel te veroorloven. Niets dwaalde er om in haar brein dan liefde—dwalende, als balling verstootene liefde, wel is waar—maar die altijd weder haar vader zocht.Het kletteren van den regen, het zuchten van den wind, het sidderende geluid van het geboomte, het slaan der statige klokken had niets dat die ééne gedachte kon doen verflauwen. Hare herinneringen van het dierbare doode kind—en deze begaven haar nooit—hadden dezelfde strekking. O zoo gebannen te zijn; zoo buitengesloten; haar vaders gezicht van dat uur af nooit te hebben weergezien!Zij kon niet naar bed gaan, het arme meisje, en was sedert ook nooit naar bed gegaan, zonder haar nachtelijken pelgrimstocht naar zijne deur te doen. Het zou een vreemd en droevig schouwspel zijn geweest, haar nu in duisternis zachtjes de trap te zien afsluipen, en daarvoor met verblinde oogen, een kloppend hart en achteloos loshangende haren blijven staan, en hare betraande wangen van buiten daartegen drukken. Maar de nacht verborg dit, en niemand wist het.Op het oogenblik toen zij dezen nacht de deur[128]aanraakte, ontwaarde Florence dat die open was. Voor de eerste maal stond zij open, hoewel maar een haar breed; en daar binnen was nog licht. De eerste neiging van het schroomvallige meisje—en zij zwichtte daarvoor—was snel de vlucht te nemen. Hare volgende, terug te komen en binnen te gaan; en deze tweede neiging hield haar besluiteloos op de trap staande.Dat de deur openstond, zelfs maar met zulk een reetje, scheen hoop te geven. Het was bemoedigend een streepje licht van binnen langs den donkeren post te zien sluipen en op den marmeren vloer schijnen. Zij keerde terug, nauwelijks wetende wat zij deed, maar voortgedreven door de liefde in haar binnenste en het leed dat zij te zamen ondergaan, maar niet gedeeld hadden; en met de bevende handen omhoog trad zij stil binnen.Haar vader zat voor zijne oude tafel in het middenvertrek. Hij had eenige papieren in orde gebracht, en andere verscheurd, waarvan de snippers voor hem lagen. De regen kletterde zwaarmoedig op de ruiten van het achterste kamertje, waar hij zoo dikwijls den armen Paul, als een onnoozel wichtje, had gadegeslagen; en buiten hoorde men den wind zuchten.Maar hij hoorde dit niet. Hij zat, met de oogen strak op de tafel, zoo diep in gedachten verzonken, dat een veel zwaarder tred dan het lichte voetje van zijn kind hem misschien niet zou gewekt hebben. Zijn gezicht was naar haar toegekeerd; bij de flauw brandende lamp en zoo laat in den nacht, zag het er vervallen en vermagerd uit; en de eenzaamheid, die hem omringde, had iets dat Florence diep ontroerde.“Papa, papa! spreek toch tegen mij, lieve papa!”Hare stem deed hem verschrikt opspringen. Zij stond dicht voor hem met uitgespreide armen, maar hij deinsde terug.“Wat scheelt er aan?” zeide hij stuursch. “Waarom komt gij hier? Wat heeft u bang doen worden?”Als iets haar bang had doen worden, was het zijn gezicht. De gloeiende liefde in het hart zijner jeugdige dochter bevroor onder dien blik, en zij bleef hem staan aanzien alsof zij in steen veranderd was.Geen zweem van teederheid of medelijden had dat gezicht. Niets van vaderlijke herkenning, belangstelling of weemoedigheid. Er was eene verandering in, maar niet van dien aard. De onverschilligheid en stijfheid hadden plaats gemaakt voor iets anders—wat het was durfde zij niet denken, en toch gevoelde zij de kracht er van en kende zij het, zonder het een naam te geven—dat, toen hij haar zoo aanzag, eene schaduw op haar hoofd scheen te werpen.Zag hij de gelukkige mededingster van zijn zoon, in leven en gezondheid voor zich? Beschouwde hij haar als zijne eigene gelukkige mededingster in de genegenheid van dien zoon? Werden zoete herinneringen, die haar dierbaar en kostbaar hadden moeten doen worden, door razende jaloezie en gekrenkte trotschheid vergiftigd? Kon het mogelijk zijn, dat het gal en alsem voor hem was, haar in hare veelbelovende schoonheid voor zich te zien, en aan zijn zoon te denken?Florence dacht zoo iets niet. Maar de liefde ziet snel wanneer zij veracht en hopeloos is; en toen zij haar vader zoo zag, stierf de hoop harer liefde.“Ik vraag u, Florence, zijt gij bang of geschrikt? Scheelt er iets aan, dat gij hier komt?” “Ik kwam, papa …”—“Tegen mijn verlangen. Waarom?”Zij zag dat hij wel wist waarom—dit stond duidelijk op zijn gezicht geschreven—en zij liet met een zachten, langgerekten kreet haar hoofd in hare handen zinken.Nog over jaren moge hij zich in die kamer dien kreet herinneren! Eer hij de stilte afbreekt, is het geluid weggestorven. Even snel is het hem uit de gedachten gegaan, naar hij gelooft; maar het blijft er nog in. Nog over jaren moge hij het zich in die kamer herinneren!Hij nam haar bij den arm. Zijne hand was koud en vatte haar nauwelijks aan.“Ge zijt vermoeid, zou ik denken,” zeide hij, de kaars opnemende en haar naar de deur brengende, “en hebt behoefte aan rust. Wij hebben allen behoefte aan rust. Ga heen, Florence. Gij hebt gedroomd.”De droom dien zij gehad had, was toen, helaas! voorbij; en zij gevoelde dat hij nooit meer kon terugkomen.“Ik zal hier blijven om u op de trap te lichten. Het geheele huis daar boven is voor u,” zeide haar vader langzaam. “Gij zijt daar nu meesteres. Goeden nacht!”Nog met hare handen voor haar gezicht, zeide zij snikkend: “Goeden nacht, lieve papa!” en ging stil naar boven. Eens zag zij om, alsof zij had willen terugkeeren indien de vrees haar niet had weerhouden. Het was eene oogenblikkelijke gedachte, te hopeloos om er voedsel aan te geven; en haar vader stond daar met het licht—stijf, koel en roerloos—tot het fladderende kleedje zijner dochter in de duisternis verdween.Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren. De regen, die op het dak klettert, de wind, die om het huis blaast, hebben misschien iets voorspellends in hun treurig geluid. Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren!De laatste maal toen hij haar van die plek die trap zag opgaan, droeg zij haar broertje in hare armen. Dit verteederde nu zijn hart niet voor haar; het verstaalde het; maar hij ging zijne kamer binnen, sloot zijne deur,[129]zette zich op zijn stoel en schreide om zijn verloren zoon.Diogenes was klaar wakker op zijn post, en wachtte naar zijne jonge meesteres.“O, Di! O, lieve Di! Houd toch van mij, om zijnentwil!”Diogenes hield reeds van haar om haar zelve, en schroomde niet dit te toonen. Hij maakte zich belachelijk door eene menigte lompe sprongen, en toen Florence eindelijk sliep en van de blozende kinderen aan den overkant droomde, besloot hij met hare kamerdeur open te krabben, zijn bed als een bal samen te rollen, en aan het uiterste eind van zijn ketting op de planken te gaan liggen, met zijn kop naar haar toe. Zoo bleef hij knipoogend naar haar liggen kijken, tot hij al knipoogend zelf in slaap viel en brommend van zijn vijand droomde.Florence hem voorbij snelde, oom Sam’s koffiebruine lappellen vatte, met elke hand een, hem een kus op de wang drukte, enz. (blz. 131).Florence hem voorbij snelde, oom Sam’s koffiebruine lappellen vatte, met elke hand een, hem een kus op de wang drukte, enz.(blz. 131).

Door het geheele huis van Dombey is het doodstil. De dienstboden, die de trap op en af sluipen, ritselen, maar laten geene voetstappen hooren. Zij praten gedurig met elkander, blijven lang aan tafel zitten, eten en drinken met smaak, en vermaken zich op zekere naargeestige, onheilige manier. Jufvrouw Wickam, met de oogen vol tranen, vertelt akelige anekdoten, en zegt hoe zij mevrouw Pipchin altijd gezegd heeft dat het zoo gaan zou, en drinkt meer bier dan gewoonlijk, en is heel bedroefd, maar toch gezellig. De keukenmeid verkeert in een dergelijken gemoedstoestand. Zij belooft wat gebakken visch voor den avond, en kampt evenzeer tegen haar gevoel en de uien, die zij bij de sla gereedmaakt. Towlinson begint te denken dat het zoo wezen moest, en wil weten of iemand hem kan zeggen dat een hoekhuis ooit gelukkig was. Het komt allen voor dat het reeds lang geleden is, hoewel het kind nog, met een kalmen glimlach op het gezichtje, op zijn bedje ligt.

Na den donker komen er anderen—geen gerucht maken zij, op hunne schoenen met vilten zolen—die er vroeger nog eens bij zijn geweest; en met hen komt dat laatste rustbed, dat zoo vreemd is voor een kinderlijken slaper. Al dien tijd is de vader zelfs niet door een bediende[120]gezien; want als er iemand in de donkere kamer komt, blijft hij in een hoek zitten, en op andere tijden schijnt hij zich niet te bewegen, dan om die op en neer te stappen. Maar des morgens fluistert men in het huishouden, dat men hem in het holste van den nacht naar boven heeft hooren gaan, en dat hij daar—in de kamer—gebleven is, tot de zon begon te schijnen.

Aan het kantoor in de City zijn de vensters van dof geslepen glas nog met luiken verduisterd. De lampen op de lessenaars worden verdonkerd door den toch nog invallenden dag, en de dag wordt wederom door de lampen verdonkerd, en er heerscht eene buitengewone somberheid. Er wordt niet veel gewerkt. De klerken hebben geen lust daartoe, en maken afspraak om in den namiddag met elkander te gaan eten, wandelen of varen. Perch blijft lang met zijne boodschappen uit, en zit in herbergen bij de toonbank, waar hem vrienden hebben meegenomen, en redeneert daar over de onzekerheid van al het ondermaansche. Hij gaat des avonds vroeger dan gewoonlijk naar huis, en trakteert zijne vrouw op eene kalfskarbonade en een extra glas bier. Carker de chef trakteert niemand en wordt niet getrakteerd; maar alleen in zijne kamer laat hij den geheelen dag zijne tanden zien, en het zou schijnen dat er een struikelblok is opgeruimd, dat hem in den weg lag.

Nu komen de blozende kinderen, die tegenover Dombey wonen, voor het venster der kinderkamer naar de straat kijken; want er staan vier zwarte paarden voor zijne deur, met pluimen op den kop, en op het rijtuig dat zij trekken wuiven insgelijks pluimen; en deze, en een stoet van mannen met rouwsjerpen en staven, trekken een hoop volk bijeen. De kunstenmaker, die juist zijne vertooning wilde beginnen, hangt zijne losse jas weder over zijn mooi pakje, en zijne vrouw, met een zwaar kind op den arm, blijft staan dralen om de staatsie te zien. Maar dichter aan den valen doek, die hare borst bedekt, drukt zij haar kind, als de doodkist, zoo licht om te dragen, buitenkomt; en het jongste der blozende kinderen voor het venster aan den overkant heeft geene waarschuwende hand noodig om hare vroolijkheid te smoren, als zij, met het mollige vingertje wijzende, de kindermeid aanziet en vraagt: “Wat is dat?”

En nu, tusschen een troepje knechts in den rouw en de schreiende vrouwen door, gaat Dombey naar de andere koets, die op hem wacht. Hij is niet “neergedrukt”, denken de toeschouwers. Zijn gang is even statig, zijne houding even stijf als ooit. Hij houdt geen zakdoek voor zijn gezicht en ziet strak voor zich. Behalve dat zijn gezicht bleek en eenigszins ingevallen is, heeft het dezelfde uitdrukking als gewoonlijk. Hij neemt zijne plaats in de koets en nog drie andere heeren volgen. Dan trekt de deftige rouwstoet langzaam de straat door. De pluimen wuiven nog in de verte, als de kunstenmaker reeds zijne waschkom op een stok laat draaien, en denzelfden hoop volk om zich heen heeft om hem te bewonderen. Zijne vrouw is minder vlug dan anders met het geldbakje, want die kinderbegrafenis heeft haar in de gedachten gebracht, dat het kind onder haar valen doek misschien ook niet zal groot worden, misschien nooit een blauw lint om het hoofd zal hebben, eene broek van vleeschkleur tricot dragen en in den modder duikelen.

De pluimen vervolgen somber haar weg langs de straten en komen binnen den klank eener kerkklok. In dezelfde kerk heeft het aardige knaapje gekregen, wat spoedig alles zal zijn dat op aarde van hem over is—een naam. Al wat van hem dood is leggen zij daar, dicht bij het vergankelijke deel zijner moeder. Het is goed zoo. Zijn stof rust waar Florence op hare wandelingen—o, eenzame, eenzame wandelingen!—het dagelijks kan voorbijkomen.

Nadat de plechtigheid is afgeloopen en de geestelijke heengegaan, ziet Dombey rond en vraagt zacht of de man er is, die gewaarschuwd is om de bestelling voor den gedenksteen aan te nemen.

Er komt iemand naar voren, en zegt: “Ja!”

Dombey beduidt hem waar hij het gedenkteeken geplaatst wil hebben, en wijst hem met de hand op den muur, de grootte en het fatsoen, en hoe het zich aan dat der moeder moet aansluiten. Dan schrijft hij het opschrift met potlood op een stukje papier, geeft het hem en zegt: “Ik verlang het spoedig geplaatst te hebben.”—“Het zal dadelijk gebeuren, mijnheer.”—“Er is eigenlijk niets op te zetten dan naam en ouderdom, ziet ge.”

De man buigt, kijkt naar het papier, maar schijnt te twijfelen. Dombey, hier niet op lettende, keert zich om en gaat vooruit naar het portaal.

“Neem mij niet kwalijk, mijnheer;” zijn rouwmantel wordt zacht aangeraakt; “maar daar gij het dadelijk gedaan wilt hebben, en ik het dus onderhanden zou geven zoodra ik terugkom …”—“Wel?”—“Wilt ge zoo goed zijn om het nog eens over te lezen? Ik geloof dat er eene vergissing in is.”—“Waar?”

De steenhouwer geeft hem het papier terug, en wijst met zijn duimstok naar de woorden “geliefd en eenig kind.”

“Het zou “zoon” moeten wezen, dunkt mij, mijnheer?”—“Gij hebt gelijk. Natuurlijk. Verander dat.”

De vader vervolgt, met haastiger tred, zijn weg naar de koets. Wanneer de andere drie, die hem op de hielen volgen, bij hem plaats nemen, is zijn gezicht voor de eerste maal in zijn mantel verborgen. Zij zien het dien dag[121]niet meer. Hij stapt het eerst af en gaat terstond naar zijne kamer. De andere rouwdragers (zij zijn mijnheer Chick en twee van de dokters) gaan boven naar het salon, waar zij door mevrouw Chick en jufvrouw Tox worden ontvangen. En welk een gezicht het is, in die geslotene kamer beneden; of welke gedachten daar heerschen; welk een hart daar is, hoe daar gestreden of geleden wordt—weet niemand.

Maar zij werd toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in tranen wegsmolt. (blz. 124).Maar zij werd toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in tranen wegsmolt.(blz. 124).

Maar zij werd toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in tranen wegsmolt.(blz. 124).

Het voornaamste dat men beneden in de keuken weet is, dat het naar een zondag gelijkt. Men kan haast niet anders denken of het is zeer onvoegzaam, zoo niet goddeloos, dat de menschen buitenshuis hunne gewone bezigheden verrichten en hunne dagelijksche kleeren dragen. Het is geheel iets nieuws, dat de gordijnen weder opgehaald zijn en de luiken openstaan; en men maakt zich naargeestig vroolijk bij den wijn, die zoo mild geschonken wordt als op een feestdag. Men is zeer genegen om te moraliseeren. Towlinson geeft met een zucht den toast: “Ons aller beterschap!” waarop de keukenmeid, insgelijks met een zucht, zegt: “Daar is nog genoeg reden toe, weet God.” In den avond nemen mevrouw Chick[122]en jufvrouw Tox haar naaiwerk weder op, en gaat Towlinson uit om een luchtje te scheppen, vergezeld door de werkmeid, die haar rouwhoed nog niet geprobeerd heeft. Zij zijn heel teer voor elkaar op donkere hoeken van straten, en Towlinson denkt er aan om als een rechtzinnig groenteman een ander en onberispelijk leven te gaan leiden.

Er wordt dien nacht geruster geslapen dan sedert vele nachten. De ochtendzon wekt het oude huishouden, om weder den ouden gang te gaan. De blozende kinderen van den overkant loopen met hoepels voorbij. In de kerk is eene prachtige trouwpartij. De vrouw van den kunstenmaker haalt in eene andere wijk van de stad geld op, even vlug en ijverig als voorheen. De steenhouwer zingt en fluit terwijl hij op de marmeren plaat voor hem, de letters P-A-U-L beitelt.

En kan het zijn dat in eene wereld zoo vol en druk het verlies van één zwak schepseltje eene ledigheid in een hart veroorzaakt, zoo wijd en diep dat niets dan de wijdte en diepte der eeuwigheid ze kan vullen! Florence had in hare onschuldige droefheid kunnen antwoorden: “O, mijn broeder, o, mijn teerbeminde en liefhebbende broeder! Eenige vriend en deelgenoot van mijne verachte kindsheid! Kan eene minder verhevene gedachte het licht verspreiden dat reeds uw vroegtijdig graf bestraalt, of de weemoedigheid doen ontstaan, die reeds onder deze tranen mijne smart verzacht!”—“Kindlief,” zeide mevrouw Chick, die het haar plicht achtte, deze gelegenheid waar te nemen om eene nuttige les te geven, “als gij eens zoo oud zijt als ik—”—“Dat dus nog op het best van uw leven zal zijn,” merkte jufvrouw Tox. aan.—“Dan zult gij,” vervolgde mevrouw Chick, jufvrouw Tox de hand drukkende, uit erkentelijkheid voor haar vriendelijk gezegde “dan zult gij weten dat alle droefheid niet baten kan, en het onze plicht is te berusten.”—“Ik zal mijn best doen, lieve tante. Dat doe ik al,” antwoordde Florence snikkend.—“Dat doet mij genoegen,” zeide mevrouw Chick, “omdat, liefje, zooals onze lieve jufvrouw Tox—wier verstand en oordeel niemand betwijfelen kan—”—“Mijne lieve Louise, ik zal waarlijk nog trotsch worden,” zeide jufvrouw Tox.—“U zal zeggen en met hare ondervinding bevestigen,” vervolgde mevrouw Chick, “dat wij altijd gereed moeten zijn om ons in te spannen. Als een misanthroop ooit in mijn bijzijn mocht vragen: “Waartoe wordt de mensch geboren?” zou ik antwoorden: “Om zich in te spannen.””—“Heel goed gezegd,” zeide jufvrouw Tox, getroffen door het origineele dier ontboezeming. “Heel goed!”—“Ongelukkig,” hervatte mevrouw Chick, “hebben wij een waarschuwend voorbeeld vlak voor onze oogen. Wij hebben maar al te veel reden om te denken, lief kind dat, als men zich in deze familie maar bijtijds eene inspanning had gevergd, eene geheele reeks van bedroevende omstandigheden had kunnen vermeden worden. Niets zal mij ooit overreden,” zeide zij, op vasten toon, “of als de arme lieve Fanny zich maar wat had ingespannen, zou dat arme lieve kind ten minste een sterker gestel gehad hebben.”

Mevrouw Chick gaf zich voor een half oogenblik aan hare aandoening over; maar om hare leer met een voorbeeld te bekrachtigen, stuitte zij zich in het midden van een snik, en ging toen weder voort:

“Laat ons daarom zien, Florence, verzoek ik u, dat gij een beetje kracht van geest hebt, en de droefheid, waarin uw papa gedompeld is, niet door uwe eigenliefde verzwaart.”—“Lieve tante!” zeide Florence, snel voor haar neerknielende, om haar te beter en ernstiger in het gezicht te kunnen zien. “Zeg mij meer van papa. Och, zeg mij wat van hem! Is hij geheel onder zijn hartzeer bezweken?”

Jufvrouw Tox had een teer gevoel, en dit gezegde deed haar diep ontroeren. Of zij daarin bij het verwaarloosde kind slechts dezelfde medelijdende aandoening zag, die haar doode broeder zoo dikwijls had getoond—of wel eene liefde, die zich aan het hart, dat hem had liefgehad, zocht te hechten, en niet dulden kon dat zij van de gemeenschap in zulk eene smart werd uitgesloten—dan of zij daarin alleen het kinderlijke hart zag, gegriefd omdat zijne teederheid zoolang onbeantwoord was gebleven, en dat in zijne eenzaamheid tot hem riep om getroost te worden en troost te geven—hoe zij dit gezegde ook opvatte, jufvrouw Tox werd er door geroerd. Voor een oogenblik vergat zij de waardigheid van mevrouw Chick, en haastig Florence de wang streelende, keerde zij zich om en liet de tranen uit hare oogen stroomen, zonder naar een wenk van die deftige matrone te wachten.

Mevrouw Chick verloor zelve voor een oogenblik de tegenwoordigheid van geest, waarop zij zooveel roem droeg, en bleef het schoone jeugdige gezichtje, dat zoolang, standvastig en geduldig naar het bedje gekeerd was gebleven, verstomd aanzien. Maar hare stem terug krijgende—een synoniem van hare tegenwoordigheid van geest, want beide waren eigenlijk een en hetzelfde—antwoordde zij deftig:

“Florence, kindlief, uw goede papa heeft somtijds wel iets singuliers; en als gij mij naar hem vraagt, vraagt gij mij naar iets dat ik waarlijk niet kan beweren te verstaan. Ik geloof dat ik zooveel invloed op uw papa heb als iemand anders. Evenwel is al wat ik zeggen kan, dat hij mij zeer weinig gezegd heeft, en dat ik hem maar eens of tweemaal voor een oogenblik heb gezien, of eigenlijk haast niet gezien, want zijne kamer was donker. Ik heb tot uw papa gezegd: “Paul!” dat is de juiste[123]uitdrukking die ik gebezigd heb—“Paul! waarom gebruikt gij niet iets versterkends?” Telkens is het antwoord van uw papa geweest: “Louise, wees zoo goed om mij alleen te laten. Ik heb niets noodig. Ik ben beter alleen.” Als ik morgen een eed voor een rechter moest doen, Lucretia,” zeide mevrouw Chick, “twijfel ik niet of ik zou veilig durven zweren, dat dit zijne eigene woorden waren.”

Jufvrouw Tox gaf hare bewondering te kennen door te zeggen: “Mijne Louise is altijd zoo nauwkeurig!”—“Kortom, Florence,” hervatte hare tante, “er is letterlijk niets tusschen uw ongelukkigen papa en mij gepasseerd, tot vandaag, toen ik uw papa zeide dat Sir Barnet en Lady Skettles buitengemeen vriendelijke briefjes hadden gezonden—onze lieve jongen! Lady Skettles hield zooveel van hem als van een—waar is mijn zakdoek?”

Jufvrouw Tox gaf er haar een aan.

“Buitengemeen vriendelijke briefjes, om voor te stellen dat gij tot verstrooiing bij hen zoudt komen logeeren. Toen ik uw papa zeide te denken dat jufvrouw Tox en ik nu wel naar huis konden gaan (waarin hij toestemde) vroeg ik of hij er tegen had dat gij die invitatie zoudt aannemen. Hij zeide: “Neen, Louise, niet het minste!””

Florence sloeg hare betraande oogen op.

“Evenwel, als gij liever hier woudt blijven, Florence, in plaats van daar nu te gaan logeeren, of met mij naar huis te gaan—”—“Dat zou ik veel liever willen, tante,” was het flauwe antwoord.—“Wel kind,” zeide mevrouw Chick, “dan kunt gij dat. Het is eene vreemde keus, moet ik zeggen. Maar gij zijt altijd vreemd geweest. Iemand anders op uwe jaren, en na hetgeen er is voorgevallen—mijne lieve jufvrouw Tox, ik ben mijn zakdoek weer kwijt—zou gaarne hier vandaan gaan, zou men denken.”—“Ik had niet gaarne,” zeide Florence, “dat het huis nu gemeden scheen. Ik zou niet gaarne denken, dat de—zijne—de kamers boven nu geheel leeg stonden en zoo akelig waren, tante. Ik wilde liever vooreerst hier blijven. O, mijn broeder! O, mijn broeder!”

Het was eene natuurlijke, onbedwingbare gemoedsbeweging, die zich zelve een uitweg baande tusschen de vingers door waarmede zij haar gezicht bedekte. De overkropte borst moest somtijds zoo lucht krijgen, of het gewonde, eenzame hart daarbinnen had moeten smoren.

“Wel kind,” zeide mevrouw Chick, “ik zou u voor alles niets onaangenaams willen zeggen, en dat weet gij ook wel. Gij zult dus hier blijven en net zoo doen als gij verkiest. Niemand zal zich met u bemoeien, Florence, of willen bemoeien.”

Florence schudde treurig toestemmend haar hoofd.

“Ik had niet zoodra uw armen papa begonnen te raden, dat hij waarlijk wat verstrooiing en afleiding moest gaan zoeken,” zeide mevrouw Chick, “of hij zeide mij, dat hij al voornemens was voor eene poos naar buiten te gaan. Ik hoop maar dat hij het gauw zal doen. Hij kan het niet te gauw doen. Maar ik denk dat er nog wel zaken te beschikken en papieren te veranderen zijn, ten gevolge van dien slag, die ons allen zoo bedroefd heeft—ik kan niet begrijpen waar de mijne gebleven is: Lucretia, leen mij den uwen eens, lieve—die hem nog wel een paar avonden in zijne kamer zullen bezig houden. Uw papa is een Dombey, kind, als er ooit een geweest is,” zeide mevrouw Chick, hare beide oogen zeer zorgvuldig met verschillende hoeken van den geleenden zakdoek afdrogende. “Hij zal zich wel inspannen. Daarvoor behoeft men bij hem niet bang te zijn.”

“Is er niets, tante,” begon Florence bevende, “dat ik zou kunnen doen om …”—“Heere, kindlief,” viel mevrouw Chick er haastig op in, “wat praat ge toch? Als uw papa tegenmijzeide—ik heb u zijne eigene woorden laten hooren: “Louise, ik heb niets noodig. Ik ben beter alleen,”—wat denkt gij dan dat hij tegen u zou zeggen? Gij moet u niet aan hem laten zien, kind—niet eens van zoo iets droomen.”—“Tante,” zeide Florence, “ik zal maar wat te bed gaan liggen.”

Mevrouw Chick keurde dit besluit goed en zond haar met een kus heen. Maar jufvrouw Tox ging, met het flauwe voorwendsel dat zij naar den weggeraakten zakdoek wilde zoeken, haar na naar boven, en poogde in eenige gestolene minuten haar te troosten, hoewel Suze Nipper haar lang niet daartoe aanmoedigde. Want in haar gloeienden ijver maakte Suze jufvrouw Tox voor een krokodil uit; en toch scheen haar medelijden van echte soort te zijn, en had het ten minste den schijn van belangeloosheid voor zich—er was weinig gunst mede te winnen.

En was er niemand nader en dierbaarder dan Suze om het worstelende hart in zijn strijd bij te staan? Was er geen andere hals om te omvatten; geen ander gezicht om aan te zien; niemand anders om in zulke diepe droefheid een troostend woord te spreken? Was Florence zoo alleen in de barre wereld, dat haar niets anders overschoot? Niets. Op eens en te gelijk moederloos en broederloos geworden—want met het verlies van den kleinen Paul, trof het eerste en zwaarste verlies haar met nieuwe zwaarte—was dit de eenige hulp die zij had. O, wie kan zeggen hoezeer zij in het eerst naar hulp verlangde!

In het eerst, toen het huis weder op den gewonen regel was gekomen, en allen vertrokken waren behalve de dienstboden en haar vader, die in zijne kamers bleef opgesloten, kon Florence niets doen dan schreien, en op en neer[124]dwalen, en somtijds, in eene vlaag van wanhopig herdenken, naar hare kamer vliegen, hare handen wringen, zich met haar gezicht op haar bed werpen, en van geen troost willen weten, van niets weten dan de bitterheid en wreedheid van haar leed. Dit volgde gewoonlijk op het herkennen van eene plek of een voorwerp dat in bijzonder teedere betrekking met hem stond, en maakte het huis in het begin tot eene martelplaats voor haar.

Maar het ligt niet in den aard der reine liefde om lang met zulk eene verderfelijke woestheid te branden. De vlam, die door grove aardsche deelen wordt ontreinigd, mag de borst verteren, welke haar schuilplaats geeft; maar het heilige vuur van den hemel is in het hart even zacht, als toen het op de hoofden der verzamelde twaalve rustte, en ieder daarbij zijn broeder zag, verlicht en ongedeerd. Het opgeroepene beeld kreeg weldra het vergenoegde gezichtje, de zachte stem, de liefdevolle blikken, de stille vertrouwelijkheid terug, en hoewel Florence nog bleef schreien, schreide zij toch rustiger, en gevoelde zij dat de herinnering haar weldadig was.

Het duurde niet lang of de gouden golfjes, die op de oude plaats en den ouden tijd over den muur speelden, werden onder het verdwijnen met kalme treurigheid nagestaard. Het duurde niet lang of die kamer zag haar daar weder zitten, alleen, maar even stil en geduldig als zij bij dat bedje had gewaakt. Als het akelige gevoel, dat het nu ledig was, haar te pijnlijk werd, kon zij er nu bij neerknielen en God bidden—het was de uitstorting van het overvolle hart—dat een engel haar mocht blijven liefhebben en gedenken.

Het duurde niet lang, of in dat akelige, holle huis hief hare stem in het schemeruur, langzaam en somtijds ophoudende, de oude wijsjes aan, waarnaar hij zoo dikwijls had geluisterd, met het zwakke hoofdje in haar arm. En daarna, als het geheel donker was, klonk er eene muziek door de kamer, zoo zacht gespeeld en gezongen, dat zij meer eene weemoedige herinnering geleek van hetgeen zij dien laatsten avond op zijn verzoek gedaan had, dan eene werkelijke herhaling. Maar zij werd toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in tranen wegsmolt.

Zoo kreeg zij moed om naar het werk te zien, waarmede hare vingers naast hem op het zeestrand waren bezig geweest; en zoo duurde het niet lang of zij vatte het weder op—met iets dat naar menschelijke liefde geleek, alsof het gevoel en bewustheid had en hem had gekend; en zoo sleet zij, voor het venster, dicht bij het portret harer moeder gezeten, de peinzende uren.

Waarom richtten hare donkere oogen zich zoo dikwijls naar den overkant, waar die blozende kinderen woonden? Zij deden haar niet rechtstreeks aan haar verlies denken, want het waren allen meisjes, vier kleine zusters. Maar zij waren moederloos evenals zij—en hadden een vader.

Het was gemakkelijk te weten wanneer hij uit was en thuis werd verwacht, want het oudste kind stond dan altijd gekleed voor het venster van het salon of op het balkon naar hem uit te zien, en als hij verscheen blonk haar verwachtend gezichtje van blijdschap, terwijl de anderen, voor het hoogere venster, ook altijd op de wacht, in de handjes klapten en op de vensterbank trommelden en hem riepen. Het oudste meisje kwam dan beneden naar het voorhuis, en gaf hem haar handje en bracht hem naar boven; en Florence zag haar naderhand naast hem of op zijne knie zitten, met haar arm liefkoozend om zijn hals, en met hem praten; en hoewel zij altijd vroolijk met elkander waren, zag hij haar dikwijls aan, alsof hij dacht dat zij naar hare doode moeder geleek. Somtijds wilde Florence hier niet meer naar zien, en in tranen uitbarstende, verschool zij zich dan achter het gordijn, alsof zij bang werd, of ging zij van het venster af. Zij kon zich echter niet weerhouden van terug te komen, en dan viel haar werk haar spoedig weder onopgemerkt uit de handen.

Het was het huis, dat voor jaren ledig had gestaan. Het was lang zoo blijven staan. Eindelijk, en terwijl zij van huis was, had deze familie het betrokken; en toen was het gerepareerd en nieuw geschilderd, en nu waren er vogeltjes en bloemen in, en geleek het niet meer naar wat het vroeger was. Maar zij dacht nooit aan het huis. De meisjes en haar vader waren haar alles.

Als hij gegeten had, kon zij ze, door de opene vensters, met de kindermeid of gouvernante naar beneden zien komen, en zich om de tafel scharen; en bij het stille zomerweder kwam het geluid van hare kinderstemmetjes en haar helder gelach de straat overklinken in de drukkende lucht der kamer waar zij zat. Dan sprongen enklauterdenzij met hem de trap op, en stoeiden met hem op de sofa, of zaten op zijne knieën bij elkander gedrongen, een bouquetje van gezichtjes, terwijl hij iets scheen te vertellen. Of zij kwamen ook naar buiten op het balkon loopen, en dan verborg Florence zich snel, uit vrees dat het hare blijdschap zou storen, als zij haar daar in het zwart alleen zagen zitten.

Het oudste meisje bleef bij haar vader als de anderen heengingen, en schonk dan thee voor hem—welk een vergenoegd lief huishoudstertje—en zat met hem te praten, somtijds voor het venster, somtijds meer achter in de kamer, tot er licht werd gebracht. Hij[125]maakte haar dus tot zijne gezellin, hoewel zij eenige jaren jonger was dan Florence, en zij kon zich bij haar boekje of werkdoosje zoo stil en stemmig houden als een volwassen meisje. Als er licht brandde, was Florence niet bang om uit hare eigene donkere kamer weder binnen te kijken. Maar wanneer het tijd voor het meisje werd om “goeden nacht, papa,” te zeggen en naar bed te gaan, en zij haar gezichtje naar hem ophief, begon Florence te beven en te snikken, en kon zij niet meer zien.

Eer zij zelve naar bed ging, keek zij echter, onder het zingen en spelen der eenvoudige wijs, die hem zoo dikwijls in slaap had gesust, nog dikwijls naar dat huis om. Maar dat zij er ooit aan dacht, of het bespiedde, was een geheim dat zij in haar jeugdig hart bewaarde.

En bewaarde dat hart—zoo oprecht en trouw—de liefde zoo waardig die de gestorvene haar had toegedragen en met zijne laatste woorden toegefluisterd—dat hart, welks argelooze onschuld zich in haar gezichtje spiegelde en in elken klank harer zachte stem ademde—geen ander geheim? Ja. Nog een.

Als er niemand anders in huis meer op was en alle lichten waren uitgedaan, verliet zij zacht hare kamer, en ging met onhoorbare stappen de trap af naar de deur van haar vaders kamer. Daartegen liet zij dan met smachtende liefde haar hoofd rusten, en drukte zij hare bevende lippen. Elken nacht knielde zij op den kouden steenen vloer daar buiten, om naar zijne ademhaling te luisteren, en in haar vurig verlangen om hem maar eenige genegenheid te mogen toonen, om hem tot eenigen troost te mogen zijn, om hem te bewegen dat hij eenige teederheid van haar, zijn eenzaam kind, verdroeg, zou zij, als zij maar gedurfd had, nederig smeekend voor zijne voeten geknield hebben.

Niemand wist het. Niemand dacht er aan. De deur bleef altijd dicht en hij daar binnen opgesloten. Een paar malen ging hij uit, en in huis zeide men dat hij spoedig op reis zou gaan; maar overigens bleef hij in die kamers, geheel alleen; en haar zag hij nooit, naar haar vroeg hij nooit. Misschien wist hij niet eens dat zij in huis was.

Eens, omtrent eene week na de begrafenis, zat Florence te werken, toen Suze haar met een half lachend half schreiend gezicht kwam zeggen, dat er visite voor haar was.

“Visite! Voor mij, Suze?” zeide Florence verwonderd opziende.—“Ja dat is wel een wonder, niet waar jufvrouw Flore,” zeide Suze; “maar ik wenschte dat gij druk visites hadt, dat doe ik waarlijk; want dat zou beter voor u zijn, en ik denk ook hoe eerder gij zelfs naar de oude Skettles’en gaat, zooveel te beter voor ons allebei. Ik mag van geene drukte houden, jonge jufvrouw Flore, maar ik ben toch geen oester.”

Om Suze recht te doen, dacht zij, dit zeggende, meer om hare jonge meesteres dan om zich zelve, en haar gezicht toonde dit.

“Maar wie is er dan om mij te spreken, Suze?” zeide Florence.

Met eene zenuwachtige uitbarsting, die evenveel een lach als een snik, en evenveel een snik als een lach was, antwoordde Suze: “mijnheer Toots!”

De glimlach die zich even op Florence’s gezichtje vertoonde, verdween terstond weder, en hare oogen vulden zich met tranen. Maar het was toch een glimlach geweest, en daarmede was Suze reeds zeer in haar schik.

“Net hetzelfde dat ik gevoeld heb, jufvrouw Flore,” zeide zij, haar voorschoot voor hare oogen houdende, en haar hoofd schuddende. “Toen ik dien lummel in het voorhuis zag, begon ik eerst te lachen en toen kreeg ik een brok in de keel.”

Onwillekeurig deed zij hetzelfde nog eens. Ondertusschen was Toots, geheel onbewust van den indruk dien hij gemaakt had, haar achterop naar boven gekomen, en nadat hij met zijne knokkels op de deur zich zelven nog eens had aangediend, stapte hij met bijzondere vlugheid binnen.

“Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide hij. “Ik ben heel wel—zeer verplicht. Hoe maakt gij het?”

Toots—een van de beste jongens in de wereld, hoewel er schranderder mochten zijn—had deze lange redevoering met moeite bijeengebracht, om aldus voor Florence en zich zelven de aandoening van het wederzien te verminderen. Nu echter bevindende dat hij onvoorzichtig genoeg was geweest om al wat hij wist uit te kramen, eer hij nog een stoel genomen, of Florence een woord gezegd had—eer hij eigenlijk wel binnen de deur was—achtte hij het raadzaam om nog eens te beginnen.

“Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide hij. “Ik ben heel wel—zeer verplicht. Hoe maakt gij het?”

Florence gaf hem hare hand en zeide dat zij zeer wel was.

“Ik ben ook heel wel,” zeide Toots, een stoel nemende. “Inderdaad, heel wel ben ik. Ik kan mij niet herinneren,” vervolgde hij, na een oogenblik peinzens, “dat ik ooit beter ben geweest—zeer verplicht.”—“Het is heel vriendelijk van u dat gij eens aankomt,” zeide Florence, haar werk weder opnemende. “Ik ben blij dat ik u zie.”

Toots antwoordde met een gegiggel. Denkende dat dit misschien te levendig was, verbeterde hij het met een zucht. Wederom denkende dat dit misschien te treurig was, giggelde[126]hij weder. Met geen van beide manieren van antwoord geheel tevreden, haalde hij zwaar adem.

“Gij zijt heel goed voor mijn lieven broeder geweest,” zeide Florence, hare natuurlijke neiging volgende om zijne verlegenheid te verminderen. “Hij heeft mij dikwijls over u gesproken.”—“O, dat is van geen beduiden,” zeide Toots haastig. “Warm, niet waar?”—“Het is heel mooi weer,” antwoordde Florence.—“Dat is recht mijn weer,” hervatte Toots. “Ik geloof niet dat ik mij ooit zoo wel heb gevoeld als tegenwoordig—zeer verplicht.”

Na deze merkwaardige en onverwachte omstandigheid vermeld te hebben, verzonk Toots in een diepen put van stilzwijgen.

“Ge zijt nu niet meer bij doctor Blimber?” zeide Florence, als eene poging om hem er uit te helpen.—“Dat zou ik hopen,” antwoordde Toots en stortte er weder in.

Hij bleef, verzonken naar het scheen, wel tien minuten lang beneden. Na verloop van dien tijd kwam hij eensklaps bovendrijven, en zeide:

“Wel! Goeden morgen, jufvrouw Dombey.”—“Gaat gij al heen?” zeide Florence, opstaande.—“Dat weet ik toch nog niet. Neen, nog niet,” zeide Toots, en ging alleronverwachtst weder zitten. “De zaak is—zeg eens, jufvrouw Dombey.”—“Wees niet bang om te spreken,” zeide Florence met een glimlach, “ik zou heel gaarne eens over mijn broeder met u spreken.”—“Zoudt ge—toch?” zeide Toots daarop, met levendige sympathie in elken trek van zijn anders onbeteekenend gezicht. “Arme Dombey! Ik had waarlijk nooit gedacht dat Burgess en Comp.—kleermakers, in de mode, maar heel duur, over wie wij wel eens gepraat hebben—mij daarvoor dit pak zouden maken.” Toots was in den rouw. “Arme Dombey! Zeg eens, jufvrouw Dombey!” stotterde en snikte Toots.—“Wel?” zeide Florence.—“Er is een vriend, waarvan hij op het laatst bijzonder gehouden heeft. Ik dacht dat gij hem misschien wel zoudt willen hebben als eene soort van gedachtenis. Gij weet wel hoe hij nog om Diogenes dacht?”—“O ja! o ja!” riep Florence uit.—“Arme Dombey! Ik ook,” zeide Toots.

Toots, die Florence in tranen zag, had veel moeite om dit punt te boven te komen, en was bijna weder in den put getuimeld. Maar een gegiggel redde hem op den kant.

“Zeg, jufvrouw Dombey,” vervolgde hij. “Ik zou in staat zijn geweest om hem te stelen, als zij hem niet gegeven hadden—dat zou ik zeker hebben gedaan; maar zij waren blij dat zij hem maar kwijt raakten, geloof ik. Als gij hem hebben wilt, hij is voor de deur. Ik heb hem met opzet voor u meegebracht. Hij is geen dameshondje, weet ge wel; maar daar zult ge niet op zien, niet waar?”

Diogenes stond op dat oogenblik, gelijk zij weldra zagen, toen zij naar de straat keken, uit het portier van eene huurkoets te staren, waarin men hem, om hem te vervoeren, had gelokt door hem wijs te maken dat er ratten in het stroo zaten. Om de waarheid te zeggen, hij geleek zoo weinig op een dameshondje als een hond wel doen kon; en in zijn ongeduldigen angst om uit de koets te komen zag hij er weinig innemend uit. Hij jankte aanhoudend, nam nu en dan een sprong, die telkens mislukte, zoodat hij achterover in het stroo tuimelde, en sprong dan hijgend weder op en stak zijne tong uit, alsof hij ze een dokter moest laten zien.

Maar schoon Diogenes zulk een belachelijke, lompe, leelijke hond was als men ergens zou vinden, een lastige hond, die zich altijd verbeeldde dat er ergens een vijand school, tegen wien het zijn plicht was te blaffen; schoon hij ver van goedaardig en zeker niet schrander was, met haar over de oogen, een gekken neus, een staart die hem niet scheen toe te komen, en eene grove stem, was hij Florence, omdat Paul bij zijn afscheid nog zoo om hem had gedacht en verzocht dat er goed voor hem gezorgd zou worden, aangenamer dan de fraaiste en kostbaarste hond kon zijn geweest. Zoo dierbaar, zoo welkom was haar die leelijke Diogenes, dat zij de bejuweelde hand van Toots vatte en die uit dankbaarheid kuste. En toen Diogenes, losgelaten, de trap kwam oprennen en de kamer instuiven (zulk een gedoente als men eerst had, om hem uit de koets te krijgen!) en onder al de meubelen kroop, en een langen ijzeren ketting, die hem nasleepte, om de pooten van stoelen en tafels wond, en er toen aan trok, tot zijne oogen hem zoodanig uit den kop puilden, dat zij door zijne haren zichtbaar werden; en toen hij bromde tegen Toots, die familiaar met hem wilde zijn, en op Towlinson aanvloog, met de zedelijke overtuiging, dat hij de vijand om den hoek was, tegen wien hij al zijn leven had geblaft en dien hij nog nooit had gezien, was Florence zoo met hem ingenomen als ware hij een model van dressuur en schranderheid geweest.

Toots was zoo blijde dat zijn present zoo beviel, en zoo verrukt toen hij Florence zich over Diogenes zag bukken en zijn ruigen rug met haar handje streelen—hetgeen Diogenes van het eerste oogenblik hunner kennismaking af goedgunstig toeliet—dat het hem moeielijk viel afscheid te nemen, en het zeker nog veel langer zou geduurd hebben eer hij daartoe kon besluiten, als Diogenes zelf hem niet had geholpen, door het in zijn kop te krijgen om tegen hem te blaffen en uit te schieten. Niet zeker zijnde waarop deze demonstratiën zouden uitloopen, en begrijpende dat zij de pantalon, waaraan Burgess en Comp. hunne kunst hadden getoond, in gevaar brachten, ging Toots[127]grinnikendnaar de deur, keek daar nog een paar malen zonder bepaald oogmerk om, telkens door een nieuwen uitval van Diogenes begroet, en ging eindelijk heen.

“Kom dan, Di! lieve Di! maak eens kennis met uwe nieuwe meesteres. Wij moeten veel van elkander houden, Di!” zeide Florence, zijn ruigen kop liefkoozende. En de grove, ruige Di, alsof zijne harige huid niet ondoordringbaar was voor den traan die er op viel, en zijn hondehart er door verweekt werd, duwde haar zijn neus in het gezicht en zwoer haar trouw.

Diogenes de man sprak niet duidelijker tot Alexander den Groote, als Diogenes de hond tot Florence sprak. Hij onderteekende blijmoedig het contract met zijne kleine meesteres en wijdde zich aan haar dienst. Dadelijk werd in een hoek een feestmaal voor hem aangericht, en toen hij volop gegeten had, kwam bij naar het venster waar Florence zat toe te kijken, ging op de achterpooten staan, met zijne lompe voorpooten op hare schouders, likte haar gezicht en hare handen, drukte zijn kop tegen hare borst en kwispelstaartte tot hij er moe van werd. Eindelijk rolde hij zich voor hare voeten ineen en ging liggen slapen.

Hoewel Suze eenigszins bang voor honden was, en het raadzaam achtte om, als zij in de kamer was, hare rokken zorgvuldig strak te trekken, alsof zij door een geverfd huis ging, en ook eenige gilletjes te geven en op een stoel te gaan staan als Di zich eens uitrekte, was zij toch op hare manier aangedaan over de vriendelijkheid van Toots, en kon zij Florence niet zoo gevoelig zien voor de genegenheid en het gezelschap van dien ruwen vriend van kleinen Paul, zonder eenige stille bespiegelingen daarover, die haar het water in de oogen brachten. Misschien brachten hare denkbeelden mijnheer Dombey wel in zeker verband met den hond; in allen gevalle, nadat zij den geheelen avond naar Diogenes en zijne meesteres had zitten kijken, en zeer goedwillig eene slaapplaats voor Diogenes had gereedgemaakt, in de voorkamer dicht bij de deur zijner meesteres, zeide zij, eer zij deze goeden nacht wenschte, haastig:

“Uw papa gaat morgenochtend heen, jufvrouw Flore.”—“Morgenochtend, Suze?”—“Ja jufvrouw. Zoo heeft hij het besteld. Vroeg.”—“Weet gij ook,” zeide Florence zonder haar aan te zien, “waar papa naar toe gaat?”—“Niet recht, jufvrouw. Hij zal eerst dien heerlijken majoor gaan opzoeken, en ik moet zeggen, als ik zelve met een majoor kennis hield (waarvoor de hemel mij moge bewaren) zou het geen blauwe zijn.”—“St; Suze!” zeide Florence zacht maar dringend.—“Wel, jufvrouw Flore,” antwoordde Suze, die van verontwaardiging gloeide, “dat kan ik niet helpen, blauw is hij, en zoolang ik een Christenmensch was, al was het van lagen staat, zou ik vrienden van natuurlijke kleur willen hebben, of in het geheel geen.”

Uit hetgeen zij er bijvoegde en beneden had opgezameld, bleek, dat mevrouw Chick den majoor tot Dombey’s reisgenoot had voorgesteld, en dat Dombey hem na eenig bedenken daartoe had uitgenoodigd.

“Hij gezelschap wezen!” zeide Suze, met grenzelooze minachting. “In plaats van met zulk gezelschap was ik liever alleen.”—“Goeden nacht, Suze!” zeide Florence.—“Goeden nacht, mijne lieve, lieve jufvrouw Flore!”

Haar toon van medelijdend beklag deed de snaar trillen die zoo dikwijls werd aangeraakt, maar waarnaar Florence nooit luisterde zoolang Suze of iemand anders er bij was. Alleen gebleven, liet Florence haar hoofd op de eene hand zinken, drukte de andere op haar zwoegend hart, en verdiepte zich in haar leed.

Het was een regenachtige nacht: en vervelend was het aanhoudend gekletter tegen de glazen. Een flauwe, trage wind suisde zuchtend om het huis, als hoorde men een gesmoord steenen van pijn of droefheid. Een schel geschuifel floot door de boomen. Terwijl zij daar zoo zat te schreien werd het laat, en het akelige middernachtsuur klonk van de kerktorens.

Florence was weinig meer dan een kind in jaren—nauwelijks veertien—en de eenzaamheid en somberheid van zulk een uur in het groote huis, waar de dood zoo kort geleden zijne geduchte macht had getoond, hadden wel eene andere verbeelding met onbestemde akeligheden kunnen vervullen. Doch hare jeugdige verbeelding was te vol van één onderwerp om zich zulk een spel te veroorloven. Niets dwaalde er om in haar brein dan liefde—dwalende, als balling verstootene liefde, wel is waar—maar die altijd weder haar vader zocht.

Het kletteren van den regen, het zuchten van den wind, het sidderende geluid van het geboomte, het slaan der statige klokken had niets dat die ééne gedachte kon doen verflauwen. Hare herinneringen van het dierbare doode kind—en deze begaven haar nooit—hadden dezelfde strekking. O zoo gebannen te zijn; zoo buitengesloten; haar vaders gezicht van dat uur af nooit te hebben weergezien!

Zij kon niet naar bed gaan, het arme meisje, en was sedert ook nooit naar bed gegaan, zonder haar nachtelijken pelgrimstocht naar zijne deur te doen. Het zou een vreemd en droevig schouwspel zijn geweest, haar nu in duisternis zachtjes de trap te zien afsluipen, en daarvoor met verblinde oogen, een kloppend hart en achteloos loshangende haren blijven staan, en hare betraande wangen van buiten daartegen drukken. Maar de nacht verborg dit, en niemand wist het.

Op het oogenblik toen zij dezen nacht de deur[128]aanraakte, ontwaarde Florence dat die open was. Voor de eerste maal stond zij open, hoewel maar een haar breed; en daar binnen was nog licht. De eerste neiging van het schroomvallige meisje—en zij zwichtte daarvoor—was snel de vlucht te nemen. Hare volgende, terug te komen en binnen te gaan; en deze tweede neiging hield haar besluiteloos op de trap staande.

Dat de deur openstond, zelfs maar met zulk een reetje, scheen hoop te geven. Het was bemoedigend een streepje licht van binnen langs den donkeren post te zien sluipen en op den marmeren vloer schijnen. Zij keerde terug, nauwelijks wetende wat zij deed, maar voortgedreven door de liefde in haar binnenste en het leed dat zij te zamen ondergaan, maar niet gedeeld hadden; en met de bevende handen omhoog trad zij stil binnen.

Haar vader zat voor zijne oude tafel in het middenvertrek. Hij had eenige papieren in orde gebracht, en andere verscheurd, waarvan de snippers voor hem lagen. De regen kletterde zwaarmoedig op de ruiten van het achterste kamertje, waar hij zoo dikwijls den armen Paul, als een onnoozel wichtje, had gadegeslagen; en buiten hoorde men den wind zuchten.

Maar hij hoorde dit niet. Hij zat, met de oogen strak op de tafel, zoo diep in gedachten verzonken, dat een veel zwaarder tred dan het lichte voetje van zijn kind hem misschien niet zou gewekt hebben. Zijn gezicht was naar haar toegekeerd; bij de flauw brandende lamp en zoo laat in den nacht, zag het er vervallen en vermagerd uit; en de eenzaamheid, die hem omringde, had iets dat Florence diep ontroerde.

“Papa, papa! spreek toch tegen mij, lieve papa!”

Hare stem deed hem verschrikt opspringen. Zij stond dicht voor hem met uitgespreide armen, maar hij deinsde terug.

“Wat scheelt er aan?” zeide hij stuursch. “Waarom komt gij hier? Wat heeft u bang doen worden?”

Als iets haar bang had doen worden, was het zijn gezicht. De gloeiende liefde in het hart zijner jeugdige dochter bevroor onder dien blik, en zij bleef hem staan aanzien alsof zij in steen veranderd was.

Geen zweem van teederheid of medelijden had dat gezicht. Niets van vaderlijke herkenning, belangstelling of weemoedigheid. Er was eene verandering in, maar niet van dien aard. De onverschilligheid en stijfheid hadden plaats gemaakt voor iets anders—wat het was durfde zij niet denken, en toch gevoelde zij de kracht er van en kende zij het, zonder het een naam te geven—dat, toen hij haar zoo aanzag, eene schaduw op haar hoofd scheen te werpen.

Zag hij de gelukkige mededingster van zijn zoon, in leven en gezondheid voor zich? Beschouwde hij haar als zijne eigene gelukkige mededingster in de genegenheid van dien zoon? Werden zoete herinneringen, die haar dierbaar en kostbaar hadden moeten doen worden, door razende jaloezie en gekrenkte trotschheid vergiftigd? Kon het mogelijk zijn, dat het gal en alsem voor hem was, haar in hare veelbelovende schoonheid voor zich te zien, en aan zijn zoon te denken?

Florence dacht zoo iets niet. Maar de liefde ziet snel wanneer zij veracht en hopeloos is; en toen zij haar vader zoo zag, stierf de hoop harer liefde.

“Ik vraag u, Florence, zijt gij bang of geschrikt? Scheelt er iets aan, dat gij hier komt?” “Ik kwam, papa …”—“Tegen mijn verlangen. Waarom?”

Zij zag dat hij wel wist waarom—dit stond duidelijk op zijn gezicht geschreven—en zij liet met een zachten, langgerekten kreet haar hoofd in hare handen zinken.

Nog over jaren moge hij zich in die kamer dien kreet herinneren! Eer hij de stilte afbreekt, is het geluid weggestorven. Even snel is het hem uit de gedachten gegaan, naar hij gelooft; maar het blijft er nog in. Nog over jaren moge hij het zich in die kamer herinneren!

Hij nam haar bij den arm. Zijne hand was koud en vatte haar nauwelijks aan.

“Ge zijt vermoeid, zou ik denken,” zeide hij, de kaars opnemende en haar naar de deur brengende, “en hebt behoefte aan rust. Wij hebben allen behoefte aan rust. Ga heen, Florence. Gij hebt gedroomd.”

De droom dien zij gehad had, was toen, helaas! voorbij; en zij gevoelde dat hij nooit meer kon terugkomen.

“Ik zal hier blijven om u op de trap te lichten. Het geheele huis daar boven is voor u,” zeide haar vader langzaam. “Gij zijt daar nu meesteres. Goeden nacht!”

Nog met hare handen voor haar gezicht, zeide zij snikkend: “Goeden nacht, lieve papa!” en ging stil naar boven. Eens zag zij om, alsof zij had willen terugkeeren indien de vrees haar niet had weerhouden. Het was eene oogenblikkelijke gedachte, te hopeloos om er voedsel aan te geven; en haar vader stond daar met het licht—stijf, koel en roerloos—tot het fladderende kleedje zijner dochter in de duisternis verdween.

Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren. De regen, die op het dak klettert, de wind, die om het huis blaast, hebben misschien iets voorspellends in hun treurig geluid. Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren!

De laatste maal toen hij haar van die plek die trap zag opgaan, droeg zij haar broertje in hare armen. Dit verteederde nu zijn hart niet voor haar; het verstaalde het; maar hij ging zijne kamer binnen, sloot zijne deur,[129]zette zich op zijn stoel en schreide om zijn verloren zoon.

Diogenes was klaar wakker op zijn post, en wachtte naar zijne jonge meesteres.

“O, Di! O, lieve Di! Houd toch van mij, om zijnentwil!”

Diogenes hield reeds van haar om haar zelve, en schroomde niet dit te toonen. Hij maakte zich belachelijk door eene menigte lompe sprongen, en toen Florence eindelijk sliep en van de blozende kinderen aan den overkant droomde, besloot hij met hare kamerdeur open te krabben, zijn bed als een bal samen te rollen, en aan het uiterste eind van zijn ketting op de planken te gaan liggen, met zijn kop naar haar toe. Zoo bleef hij knipoogend naar haar liggen kijken, tot hij al knipoogend zelf in slaap viel en brommend van zijn vijand droomde.

Florence hem voorbij snelde, oom Sam’s koffiebruine lappellen vatte, met elke hand een, hem een kus op de wang drukte, enz. (blz. 131).Florence hem voorbij snelde, oom Sam’s koffiebruine lappellen vatte, met elke hand een, hem een kus op de wang drukte, enz.(blz. 131).

Florence hem voorbij snelde, oom Sam’s koffiebruine lappellen vatte, met elke hand een, hem een kus op de wang drukte, enz.(blz. 131).


Back to IndexNext