XXII.

[Inhoud]XXII.CARKER DE CHEF NEEMT EENIGE VOORZORGEN.Carker de chef zat voor zijn lessenaar, met een gezicht zoo effen en glad gestreken als gewoonlijk, las de brieven, die hij alleen mocht openen, schreef nu en dan de noodige aanteekeningen en aanwijzingen achterop, en legde ze op verscheidene hoopjes, om deze aan de verschillende afdeelingen van het kantoor te laten uitdeelen. De post had dien ochtend een groot aantal brieven medegebracht, en Carker de chef had dus veel te doen.Het voorkomen van iemand die aldus bezig is—nu een hoopje papieren in zijne hand doorkijkende en een voor een uitdeelende, dan een[149]ander hoopje opnemende en met een gefronst voorhoofd en dichtgeknepene lippen naziende—beurtelings afnemende, uitzoekende, ronddeelende en peinzende—zou licht aan zekere comische gelijkenis op een kaartspeler doen denken. Het gezicht van Carker den chef strookte zeer wel met zulk een inval. Het was het gezicht van iemand die zijn spel voorzichtig doordacht, die op alles lette wat hem voordeelig en nadeelig kon zijn, die alle voorkomende kaarten in zijn geheugen hield, en nauwkeurig wist wat zij golden, wat zij nog misten, en wat zij te zamen uitmaakten; die slim genoeg was om te ontdekken wat de andere spelers in de hand hadden, en nooit zijn eigen spel verried.De brieven waren in verschillende talen, maar Carker de chef las ze allen. Als er op het kantoor van Dombey en Zoon iets was voorgekomen dat hij niet lezen kon, zou er eene kaart aan het spel ontbroken hebben. Hij las bijna met een enkelen blik, bracht al voortlezende den eenen brief met den anderen en de eene zaak met de andere in verband, en vergrootte aanhoudend de hoopjes—evenals een geoefend speler de kaarten met één blik kent, en ze nog onthoudt en in rekening brengt als zij gekeerd zijn. Eenigszins al te slim voor een partner, en veel te slim voor een tegenspeler, zat daar Carker de chef, in de stralen der zon, die hem door het lantarenvenster beschenen, en speelde zijn spel alleen.En schoon het kaartspelen niet tot de instincten van het kattengeslacht (wild of getemd) behoort, was Carker de chef katachtig van het hoofd tot de voeten, terwijl hij zich daar in het streepje zomerlicht en zomerwarmte zat te koesteren, dat op zijne tafel en grond scheen. Met haar en bakkebaard altijd flauw van kleur, maar in dien zonneschijn nog flauwer dan anders, en meer naar de vacht van eene geelgrauwe kat gelijkende; met lange nagels, net geknipt en fijn gescherpt; met eene natuurlijke antipathie voor ieder spatje vuil, welke hem somtijds naar de vallende stofjes deed kijken en van zijne witte hand of keurig linnen wegvegen; zat daar Carker de chef, sluw van uitzicht, scherp van tand, zacht van voet, waakzaam van oog, glad van tong, wreed van hart, zindelijk uit gewoonte, met zeker oplettend zelfbehagen en voorzichtig geduld te werken, alsof hij voor een muizenhol zat te loeren.Eindelijk waren de brieven afgehandeld, met uitzondering van een, dien hij voor eene afzonderlijke audiëntie bewaarde. Nadat hij de geheime correspondentie in eene lade had gesloten, trok hij aan de schel.“Waarom komtgijbinnen?” was de vraag waarmede hij zijn broeder ontving.—“De looper is uit, en ik ben de volgende,” was het onderdanig antwoord.—“Gij de volgende,” mompelde de chef. “Ja! Veel eer voor mij! Daar!”Naar de hoopjes brieven wijzende, keerde hij zich in zijn leuningstoel verachtelijk om, en verbrak het cachet van den brief dien hij in de hand had.“Het spijt mij dat ik u moet lastig vallen, James,” begon zijn broeder, de brieven opzamelende, “maar …”—“O! Gij hebt iets te zeggen. Dat wist ik wel. Nu?”Carker de chef sloeg zijne oogen niet naar zijn broeder op, maar hield ze op den brief gevestigd, zonder dien evenwel te openen.“Welnu?” herhaalde hij scherp.—“Ik ben ongerust over Harriët.”—“Welke Harriët? Ik ken niemand die zoo heet.”—“Zij is niet wel. Zij is sedert eenigen tijd veel veranderd.”—“Zij is veel veranderd, al vele jaren geleden,” antwoordde de chef, “en dat is al wat ik te zeggen heb.”—“Ik denk, als ge mij woudt aanhooren …”—“Waarom zou ik u aanhooren, broeder John?” antwoordde Carker de chef, met een spottenden nadruk op deze twee woorden, en het hoofd oprichtende, maar zonder zijne oogen op te slaan. “Ik zeg u, Harriët Carker heeft voor vele jaren de keus gedaan tusschen hare twee broeders. Zij mag er nu berouw van hebben, maar zij moet er bij blijven.”—“Versta mij niet verkeerd. Ik zeg niet dat zij er berouw van heeft. Het zou eene groote ondankbaarheid van mij zijn, als ik zoo iets liet denken,” zeide de ander. “Maar geloof mij, James, ik ben even bedroefd over hare opoffering als gij.”—“Als ik?” riep de chef uit. “Als ik?”—“Even bedroefd over hare keus—over wat gij hare keus noemt—als gij er kwaad over zijt.”—“Kwaad?” herhaalde de ander, en liet al zijne tanden zien.—“Onvergenoegd. Welk woord u maar belieft. Gij weet wel wat ik meen. Ik wil niet beleedigend zijn.”—“Al wat gij doet is beleedigend,” antwoordde zijn broeder, hem eensklaps met een donkeren blik aanziende, die terstond plaats maakte voor een glimlach nog breeder dan de vorige. “Neem die papieren mee, als het u belieft. Ik heb bezigheden.”Zijne beleefdheid was zooveel scherper dan zijne gramschap, dat de Junior naar de deur ging. Daar bleef hij echter staan, en zich omkeerende, zeide hij:—“Toen Harriët, bij uwe eerste billijke verontwaardiging en mijne eerste schande, vruchteloos voor mij bij u poogde te spreken, en toen zij u verliet, James, om mij in mijn ongeluk te volgen, en zich in hare blinde liefde aan haar gevallen broeder toe te wijden, omdat hij buiten haar niemand had, was zij nog jong en bevallig. Ik denk als gij haar nu kondt zien—als gij haar nu wildet gaan zien—zoudt gij u verwonderen en medelijden met haar hebben.”De chef boog zijn hoofd en toonde zijne tanden, als wilde hij, tot antwoord op een onverschillig praatje, zeggen: “Wel, wel! Zoo, zoo!”[150]maar sprak geen woord.—“Wij dachten in die dagen, gij en ik beiden, dat zij jong zou trouwen en een gelukkig en onbezorgd leven hebben,” vervolgde de ander. “O, als gij wist hoe blijmoedig zij is voortgegaan op den weg dien zij toen nam, zonder eene enkele maal om te zien, dan zoudt gij nooit weder kunnen zeggen dat haar naam u vreemd was. Nooit!”Wederom boog de chef zijn hoofd en toonde zijne tanden, als wilde hij zeggen: “Wel opmerkelijk! Ik ben waarlijk verwonderd;” maar wederom sprak hij geen woord.—“Mag ik voortgaan?” zeide John Carker gedwee.—“Heengaan?” antwoordde zijn glimlachende broeder. “Als ge zoo goed wilt zijn.”Met een zucht ging John Carker langzaam de deur uit, toen de stem van zijn broeder hem op den drempel deed stilstaan.“Als zij blijmoedig haar weg gaat,” zeide hij, den nog ongeopenden brief op den lessenaar werpende, “kunt gij haar zeggen dat ik even blijmoedig den mijnen ga. Als zij nooit heeft omgezien, kunt gij haar zeggen dat ik dat wel eens heb gedaan, om mij te herinneren dat zij uwe partij heeft gekozen, en dat mijne besluiten niet minder duurzaam zijn,” hier glimlachte hij zeer vriendelijk, “dan marmer.”—“Ik zeg haar niets van u. Wij spreken nooit over u. Eenmaal ’s jaars, op uw verjaardag, zegt Harriët altijd: “Laten wij James gedachtig zijn en wenschen dat hij gelukkig zij;” maar meer zeggen wij niet.”—“Zeg het dan u zelven als het u belieft,” was het antwoord. “Gij kunt het niet te dikwijls herhalen, als eene les voor u om mij niet over de zaak te spreken. Ik ken geene Harriët Carker. Er is zoo iemand niet. Gij moogt eene zuster hebben; houd haar dan in waarde. Ik heb er geen.”Hij nam den brief weder op en wuifde met een glimlach van spottende beleefdheid naar de deur. Toen zijn broeder heenging, zag hij dezen nog donker na, en zich toen weder in zijn leuningstoel omdraaiende begon hij den brief met aandacht te lezen.Deze was van de hand van zijn grooten patroon, Dombey, en vanLeamingtongedateerd. Schoon hij een vlug lezer van alle andere brieven was, las Carker dezen langzaam: ieder woord wegende, en al zijne tanden als het ware er op scherpende. Toen hij het geschrift had doorgelezen, sloeg hij het blad nog eens om, en zocht deze plaatsen uit: “Ik vind dat de verandering mij heilzaam is, en ben nog niet gezind om een tijd voor mijne terugkomst te bepalen.”—“Ik wenschte, dat gij schikking wildet maken om eens in persoon over te komen, om mij te zeggen hoe de zaken gaan.” “Ik heb nagelaten u van den jongen Gay te spreken. Zoo nog niet met de Zoon en Erfgenaam vertrokken, of als de Zoon en Erfgenaam nog in de dokken ligt, benoem dan een ander jongmensch, en houd hem vooreerst aan het kantoor. Ik heb nog niet besloten.”—“Dat is nu wel ongelukkig!” zeide Carker, zijn mond uitrekkende alsof die van gom-elastiek was; “want hij is al ver weg.”Evenwel trok deze plaats, die in een naschrift voorkwam, nogmaals zijne aandacht.“Ik geloof,” zeide hij, “dat mijn goede vriend kapitein Cuttle er eens van sprak, dat hij wel in het zog van dien grooten dag zou worden meegesleept. Hoe jammer dat hij zoo ver weg is!”Hij vouwde den brief weder op en zat er mede te spelen, keerde hem naar alle richtingen op de tafel om en om—misschien deed hij wel hetzelfde met den inhoud, toen Perch de boodschaplooper zachtjes aan de deur klopte, op de teenen binnenkwam, bij elken stap buigende alsof het buigen de lust van zijn leven was, en eenige papieren op de tafel legde.“Zoudt ge misschien belet willen hebben, mijnheer?” vroeg Perch, zijne handen wrijvende en zijn hoofd ootmoedig op zijde houdende, als iemand die wel wist dat het zijne zaak niet was het voor zulk een persoon op te steken en het zooveel mogelijk uit den weg wilde houden.“Wie vraagt er naar mij?”—“Och, mijnheer,” antwoordde Perch zeer zacht, “eigenlijk niemand om van te spreken. Mijnheer Gills, de scheepsinstrumentmaker, is gekomen om een betalinkje te doen, zegt hij; maar ik heb hem gezegd dat gij denkelijk belet hadt, voor nog lang—heel lang.”Perch kuchte eens achter zijne hand en wachtte op verdere bevelen.“Iemand anders?”—“Wel, mijnheer,” zeide Perch, “ik zou uit mij zelven niet zoo vrijpostig zijn om te zeggen, mijnheer, dat er nog iemand was; maar die zelfde jongen, mijnheer, die gisteren en verleden week al hier is geweest, slentert nu weer hier in het rond; en het staat zoo gemeen, mijnheer,” vervolgde Perch, even ophoudende om de deur dicht te doen, “als men hem daar tegen de musschen ziet staan fluiten tot zij hem antwoord geven.”—“Gij hebt gezegd dat hij iets te doen wilde hebben, niet waar, Perch?” zeide Carker, in zijn stoel achteroverleunende en den ander aanziende.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Perch, weder met een kuchje achter zijne hand, “hij zeide eens dat hij naar eene conditie zocht, en dat hij dacht dat men hem wel aan de dokken zou kunnen gebruiken, omdat hij aan het visschen met den hengel gewoon was; maar”—Perch schudde zeer twijfelachtig zijn hoofd.—“Wat zegt hij dan als hij hier komt?” vroeg Carker.—“Wel, mijnheer,” antwoordde Perch, nog eens achter zijne hand kuchende, hetgeen, als een blijk van nederigheid, altijd zijne toevlucht was als hem niet anders inviel, “hij zegt doorgaans dat hij nederig verzoekt om een van de heeren te spreken, en dat hij zijn brood wil verdienen. Maar gij begrijpt wel, mijnheer,”[151]vervolgde Perch fluisterend, en zich omkeerende om de deur eene duw met hand en knie te geven, alsof hij ze daardoor nog dichter dan dicht zou kunnen sluiten, “het is haast niet te verdragen dat zulk een gemeene jongen hier komt malen en zeggen dat zijne moeder den jongen heer van ons kantoor gezoogd heeft, en dat hij daarom hoopt dat het kantoor hem een kansje zal geven. Ik verzeker u, mijnheer, dat hoewel mijne vrouw toen zulk een gezond meisje zoogde als wij ooit zoo vrij zijn geweest om onze familie mee te vergrooten, ik nooit zoo vrijpostig zou zijn geweest om er van te spreken dat zij ook wel min had kunnen wezen, al was het om nog zooveel geweest.”Carker grijnsde hem aan als een haai, maar deed dit op eene verstrooide, peinzende manier.“Of,” hervatte Perch, na eene poos van stilte en nog een kuchje, “het niet best zou zijn als ik hem zeide, dat ik hem zou laten arresteeren als hij weer hier kwam, en dat dan ook te doen. Ik zou gemakkelijk kunnen bezweren, mijnheer, dat ik voor gewelddadigheden van hem bang ben, zoo vreesachtig ben ik van aard, mijnheer, en zoo zenuwachtig maken mij de omstandigheden van mijne vrouw.”—“Laat mij dien knaap eens zien, Perch,” zeide Carker. “Breng hem eens hier.”—“Ja, mijnheer. Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Perch en bleef aarzelend bij de deur staan. “Maar hij ziet er heel ruw uit, mijnheer.”—“Dat komt er niet op aan. Als hij er nog is, breng hem dan hier. Ik zal mijnheer Gills dadelijk spreken. Vraag hem om te wachten!”Perch boog; en de deur zoo zorgvuldig en nauwkeurig achter zich sluitende alsof hij in geene week terugkwam, ging hij tusschen de musschen zoeken. Terwijl hij weg was hernam Carker zijne geliefkoosde houding voor den schoorsteen en bleef naar de deur staan kijken. Met zijne opgetrokken bovenlip, die eene geheele rij tanden liet zien, had hij een bijzonder loerend en dreigend uitzicht.Het duurde niet lang of Perch kwam terug, gevolgd door een paar zware laarzen, die als lompen door den gang klotsten. Met de onbeleefde woorden: “Kom aan, binnen!”—een zeer ongewone vorm van aandienen in zijn mond—liet Perch toen een forsch gebouwden knaap van vijftien jaren in, met een rond rood gezicht, een rond glad hoofd, ronde zwarte oogen, ronde leden en een rond lijf, die, om met de algemeene rondheid van zijn voorkomen te strooken, een ronden hoed in de hand had, zonder eenig spoor van rand er aan.Op een wenk van Carker verdween Perch, zoodra hij dezen knaap voor hem had geplaatst. Zoodra zij alleen waren greep Carker, zonder een woord tot inleiding, den jongen bij de keel en schudde hem tot zijn hoofd geheel los op zijne schouders scheen te staan.De jongen, die te midden van zijne verbazing over den heer met zooveel witte tanden, die hem scheen te willen verworgen, niet nalaten kon in de kamer rond te kijken, als had hij besloten dat, als hij dan geworgd moest worden, zijn laatste blik gevestigd zou zijn op die geheimen voor welker schennis hij zoo zwaar moest boeten, bracht eindelijk uit:“Laat staan, mijnheer. Laat mij los!”—“U loslaten!” zeide Carker. “Wat! Heb ik u dan beet?” Daar was geen twijfel aan, en dat wel vrij stevig. “Gij rekel,” zeide Carker, door zijne opeengeklemde tanden, “ik zal u verworgen!”Biler jankte, och neen, och neen!—en wat had hij gedaan—en waarom worgde hij geen jongen die zoo groot was als hij zelf, enhemniet. Maar Biler werd door deze buitengewone ontvangst geheel overbluft; en toen zijn hoofd weder stilstond, en hij den onbekenden heer in het gezicht of liever in de dreigende tanden keek, vergat hij zijne manhaftigheid in zoo verre dat hij begon te huilen.“Ik heb u niets gedaan, mijnheer,” zeide Biler, alias Robert, alias Grinder, oudste zoon van baas Toodle.—“Gij schobbejak!” antwoordde Carker, hem langzaam loslatende en een stap achterwaarts doende, om zijne geliefkoosde houding aan te nemen. “Wat meent gij daarmee dat gij hier durft komen?”—“Ik meende geen kwaad, mijnheer,” jankte Rob, met de eene hand zijne keel betastende en de knokkels der andere in zijne oogen duwende. “Ik zal nooit weerom komen, mijnheer. Ik wilde maar werk hebben.”—“Werk, gij jonge Kaïn!” zeide Carker, hem strak aanziende. “Zijt ge dan niet de luiste deugniet van de geheele stad?”De beschuldiging, die Toodle junior ten diepste trof, was echter zoo wel gegrond, dat hij geen woord van ontkenning kon uitbrengen. Hij bleef den geduchten heer dus met een verschrikt, beschaamd en boetvaardig gezicht staan aankijken. Wat dit aankijken betreft, mag men zeggen dat Carker hem scheen te betooveren, en de knaap zijne ronde oogen geen oogenblik van hem kon afwenden.“Zijt ge niet een dief?” zeide Carker, met zijne handen achter zich in zijne zakken.—“Neen, mijnheer,” antwoordde Rob verlegen.—“Dat zijt ge wel,” zeide Carker.—“Waarlijk niet, mijnheer,” jankte Rob. “Gij moogt mij gelooven, mijnheer, ik heb nooit iets gestolen. Ik weet wel dat ik ondeugend ben geworden, mijnheer, sedert ik mij met vogelvangen en hardloopen had opgehouden. Iemand zou wel denken,” zeide Rob, met eene uitbarsting van boetvaardigheid, “dat zangvogeltjes een onschuldig gezelschap waren, maar niemand weet hoeveel kwaad er in die beestjes steekt en waar zij iemand toe brengen.”Zij schenen hem gebracht te hebben tot een zeer versleten trijpten buis en broek, een buitengemeen[152]klein rood vestje, dat naar een enkelen kraag geleek, eene tusschenruimte van blauw bont en den bovengemelden hoed.“Ik ben geen twintigmaal naar huis geweest sedert die vogeltjes mij den baas werden,” zeide Rob, “en dat is tien maanden. Hoe kan ik naar huis gaan, als iedereen verdrietig is dat hij mij ziet! Het verwondert mij,” zeide Rob, nu hardop snikkende en zijne oogen met zijne mouw besmerende, “dat ik mij niet al dikwijls en dikwijls heb gaan verdrinken.”Dit alles, de betuiging van verwondering dat hij dit laatste feit niet verricht had, ingesloten, zeide de jongen, alsof Carker’s tanden het hem uit de keel haalden, en hij, zoolang deze hunne macht op hem uitoefenden, niet in staat was om iets te verbergen.“Ge zijt een aardig jong heer!” zeide Carker, zijn hoofd schuddende. “Er is al hennepzaad voor u gezaaid, jongetje!”—“Waarachtig, mijnheer,” antwoordde de ongelukkige Biler al snikkende, “het zou mij niet kunnen schelen, al was het al gegroeid ook. Al mijn ongeluk is begonnen met spijbelen, mijnheer; maar wat kon ik anders doen?”—“Anders dan wat?” zeide Carker.—“Spijbelen, mijnheer. Spijbelen van school.”—“Meent gij, te doen alsof gij daarheen zoudt gaan en er niet heen gaan?” zeide Carker.—“Ja, mijnheer; dat is spijbelen, mijnheer,” antwoordde de gewezen Slijper, zeer aangedaan, “Ik werd op straat dood geplaagd, mijnheer, als ik er naar toe ging, en als ik er kwam kreeg ik nog slaag. Zoo liep ik spijbelen, en hield mij ergens schuil, en zoo begon het.”—“En wilt ge mij nu zeggen,” zeide Carker, nadat hij hem weder bij de keel had gepakt, op armslengte van zich afgehouden en eene poos zwijgend aangestaard, “dat gij naar eene plaats zoekt?”—“Ik zou dankbaar zijn als men mij eens probeerde, mijnheer,” antwoordde Toodle junior flauw.Carker duwde hem achteruit in een hoek—de jongen onderwierp zich stil, durfde nauwelijks ademhalen, en keerde de oogen niet van zijn gezicht af—en schelde.“Laat mijnheer Gills hier komen.”Perch was te eerbiedig om te laten blijken, dat hij de gedaante in den hoek herkende of zich daarover verwonderde; en weldra verscheen oom Sam.“Ga zitten, mijnheer Gills,” zeide Carker met een glimlach. “Hoe vaart gij? Nog altijd gezond, hoop ik?”—“Wel bedankt, mijnheer,” antwoordde oom Sam, zijn zakboekje uithalende en onder het spreken eenige papiertjes overgevende. “Naar het lichaam scheelt mij niets dan mijn ouderdom. Vijf en twintig, mijnheer.”—“Ge zijt zoo nauwkeurig, mijnheer Gills,” antwoordde de glimlachende chef, een papier uit een van zijne vele laden halende en iets op den achterkant aanteekenende, terwijl oom Sam er naar keek, “als een van uw eigen chronometers. In orde.”—“De Zoon en Erfgenaam is niet gepraaid, mijnheer, zie ik aan de lijst,” zeide oom Sam, met eene geringe vermeerdering der gewone beving in zijne stem.—“De Zoon en Erfgenaam is niet gepraaid,” antwoordde Carker. “Er schijnt stormachtig weer te zijn geweest, mijnheer Gills, en waarschijnlijk is het schip uit zijn koers gedreven.”—“Het is toch veilig, hoop ik van den hemel,” zeide de oude Sam.—“Het is toch veilig, hoop ik van den hemel,” herhaalde Carker op die stemlooze manier, die hij somtijds aannam, en die den oplettenden jongen Toodle wederom deed beven. “Mijnheer Gills,” vervolgde hij overluid, “gij moet uw neef wel erg missen.”Oom Sam, die bij hem stond, schudde zijn hoofd en slaakte een zwaren zucht.“Mijnheer Gills,” zeide Carker, met zijne zachte hand om zijn mond spelende, en den instrumentmaker aanziende, “het zou gezellig voor u zijn als ge tegenwoordig een jong maatje in uw winkel hadt, en het zou eene verplichting voor mij zijn als gij zulk een knaapje vooreerst huisvesting wildet geven. Ik weet wel,” vervolgde hij snel, om den ouden man voor te komen, “dat er niet veel in uw winkel omgaat; maar gij kunt hem dien laten schoonhouden, de instrumenten oppoetsen, kortom van alles laten doen. Daar staat de jongen, mijnheer Gills!”Samuel Gills schoof zijn bril van zijn voorhoofd voor zijne oogen, en keek naar Toodle junior, die zoo stijf als een staak in zijn hoek stond;—wiens hoofd (gelijk altijd) een voorkomen had, alsof hij zoo pas uit een emmer koud water was gehaald, terwijl zijn vestje met het spel zijner aandoeningen rees en daalde,—en zijne oogen strak op Carker hield gevestigd, zonder op den meester, dien men hem wilde geven, te letten.“Wilt gij hem bij u nemen, mijnheer Gills?” zeide Carker.Zonder zeer met het voorstel te zijn ingenomen, antwoordde Samuel, dat hij blijde was met eene gelegenheid, hoe gering ook, om mijnheer Carker te verplichten, wiens verlangen in zulk een opzicht een bevel was; en dat de houten adelborst zich gelukkig zou achten een door mijnheer Carker gekozen gast te mogen ontvangen.Carker liet tanden en tandvleesch zien—hetgeen den waakzamen Toodle junior al erger en erger deed beven—en dankte den instrumentmaker op zijne vriendelijkste manier voor zijne beleefdheid.“Ik zal hem dan bij u zenden, mijnheer Gills,” zeide hij, opstaande en den ouden man de hand gevende, “tot ik het met mij zelven eens word wat verder met hem te doen, en wat hij verdient. Daar ik mij zelven verantwoordelijk[153]voor hem acht, mijnheer Gills,” hierbij zag hij Robert aan met een glimlach, waarvoor de knaap sidderde, “zal het mij genoegen doen als gij scherp op hem let en mij bericht geeft hoe hij zich gedraagt. Ik zal zijne ouders—ordentelijke lieden—een paar vragen doen als ik vandaag naar huis rijd, ter bevestiging van het een en ander dat hij mij gezegd heeft; en dan zal ik hem morgen naar u toe zenden, mijnheer Gills. Goeden morgen!”“Laat staan, mijnheer. Laat mij los!”—“U loslaten!” zeide Carker. “Wat! heb ik u dan beet?” Daar was geen twijfel aan, en dat wel vrij stevig. “Gij rekel,” zeide Carker, door zijne opeengeklemde tanden, “ik zal u verworgen!” (blz. 151).“Laat staan, mijnheer. Laat mij los!”—“U loslaten!” zeide Carker. “Wat! heb ik u dan beet?” Daar was geen twijfel aan, en dat wel vrij stevig. “Gij rekel,” zeide Carker, door zijne opeengeklemde tanden, “ik zal u verworgen!”(blz. 151).Zijn glimlach bij het afscheid was zoo vol tanden, dat de oude Sam er verlegen en onrustig van werd, zonder te weten waarom. Onderweg naar huis dacht hij aan kokende zeeën, zinkende schepen, drenkelingen, eene flesch oude madera die nooit weder voor het licht kwam, en andere akeligheden.“Kom aan, jongen,” zeide Carker, zijne hand op Rob’s schouder leggende, en hem naar het midden van de kamer brengende. “Gij hebt mij gehoord?”—“Ja, mijnheer,” zeide Rob.—“Misschien begrijpt gij wel,” hervatte zijn patroon, “dat als ge mij ooit bedriegt of streken speelt, ge beter zoudt gedaan hebben als gij u maar voorgoed hadt verdronken, eer ge hier naar toe kwaamt?”[154]Er was in alle vakken van wetenschap niets dat Rob beter scheen te begrijpen dan dit.“Als ge mij in iets belogen hebt,” zeide Carker, “kom mij dan nooit weer in den weg. Zoo niet, laat ik u dan dezen achtermiddag ergens bij uw moeders huis naar mij vinden wachten. Ik zal om vijf uur hier vandaan gaan en te paard daarheen rijden. Geef mij nu het adres.”Rob zeide dit langzaam voor, terwijl Carker het opschreef. Rob spelde het zelfs nog eens, letter voor letter, over, alsof hij dacht dat het vergeten van een stipje of streepje zijn verderf zou berokkenen. Daarna duwde Carker hem de kamer uit, en Rob verdween nu vooreerst, maar hield tot het laatste toe zijne ronde oogen op zijn patroon gevestigd.Carker de chef deed dien dag vele zaken af, en liet een groot aantal menschen zijne tanden zien. In het kantoor, op straat en op de beurs glinsterden zij geweldig en schrikkelijk. Toen het vijf uur werd en Carker’s paard voorkwam, stegen zij op en reden al glinsterendCheapsideaf.Daar iemand, al wilde hij haast maken, door het gewoel en gedrang in deCityop dat uur niet gemakkelijk hard kon rijden, en Carker geen haast wilde maken, reed hij op zijn gemak voort, tusschen de karren en rijtuigen door, zooveel mogelijk de modderplassen vermijdende en zich oneindige moeite gevende om zich zelven en zijn paard schoon te houden. Terwijl hij zoo voorttrippelende naar de voorbijgangers keek, ontmoette hij eensklaps de ronde oogen van Rob, zoo strak op zijn gezicht gevestigd, alsof hij ze er nooit had afgewend, terwijl de knaap zelf, met een bonten zakdoek stijf om zijn middel geknoopt, zich blijkbaar gereed hield, om hem bij te houden, hoe hard hij ook verkoos te rijden.Daar deze oplettendheid, hoe vleiend ook, van eenigszins buitengewonen aard was en de aandacht van andere voetgangers trok, nam Carker, op eene plek waar de weg ruimer en de straat schooner werd, de gelegenheid waar om het in een draf te zetten. Terstond deed Rob hetzelfde. Daarop beproefde Carker een handgalop, Rob hield hem bij. Toen een meer gestrekten galop; het was den knaap eveneens. Als Carker zijne oogen naar dien kant wendde, zag hij Toodle junior naast hem loopen, naar het scheen zonder moe te worden, en zich met de ellebogen voortwerkende, gelijk een hardlooper van beroep, die voor eene weddenschap loopt.Zoo belachelijk als dit geleide was, was het toch een teeken van den invloed dien hij op den knaap had verworven, en Carker reed derhalve, alsof hij er niet eens op lette, voort, tot dicht bij de woonplaats van baas Toodle. Toen hij hier zachter begon te rijden, liep Rob vooruit om hem den weg te wijzen, en toen hij een man riep om zijn paard te houden, terwijl hij het buurtje datStagg’s Gardenshad vervangen, inging, hield Rob gedienstig den stijgbeugel, terwijl zijn patroon afsteeg.“Kom aan,” zeide Carker, hem bij den schouder vattende; “nu maar voort!”De verloren zoon was blijkbaar beschroomd om de ouderlijke woning te bezoeken; maar dewijl Carker hem voortduwde, kon hij niet anders dan de rechte deur openen, en zich zoo in het midden van zijne broeders en zusters laten brengen, die om de huiselijke theetafel waren gezeten. Op het gezicht van den verlorene in de greep van een vreemdeling, hieven deze teedere bloedverwanten een algemeen gehuil aan, hetwelk het hart van den losbol zoodanig roerde dat hij, toen hij zijne moeder, met het kleinste kleintje op den arm, bleek en bevende zag opstaan, zijne eigene stem bij den koorzang voegde.Nu niet twijfelende of de vreemdeling, zoo niet mijnheer Ketch in eigen persoon, was toch een van zijne ambtgenooten, schreeuwde de jeugdige familie des te harder, terwijl de jongste leden, buiten staat om de aandoenlijkheid van hun leeftijd te bedwingen, zich op den rug wierpen, evenals jonge vogeltjes als zij voor een havik bang worden, en geweldig in de lucht schopten. Eindelijk maakte de arme Polly zich toch hoorbaar, en zeide met bevende lippen: “O Rob, mijn arme jongen, wat hebt ge nu gedaan!”—“Niets, moeder,” riep Rob, op een jammerenden toon. “Vraag het dien heer maar!”—“Wees niet ongerust,” zeide Carker nu. “Ik wil hem goeddoen.”Op dit bericht barstte Polly, die nog niet geschreid had, in tranen uit. De oudste Toodle’s, die op een ontzet schenen bedacht te zijn geweest, ontsloten nu hunne vuisten; de jongsten drongen zich om hun moeders japon en keken onder hunne ronde armpjes door naar hun losbandigen broeder en zijn onbekenden vriend. Iedereen zegende den heer met de mooie tanden, die goed wilde doen.“Deze jongen,” zeide Carker tot Polly, Rob even schuddende, “is uw zoon, niet waar, jufvrouw?”—“Ja, mijnheer,” snikte Polly nijgende. “Ja, mijnheer.”—“Een slechte zoon, vrees ik?” zeide Carker.—“Nooit een slechte zoon voor mij, mijnheer,” antwoordde Polly.—“Voor wien dan?” vroeg Carker.—“Hij is een beetje wild geweest, mijnheer,” zeide Polly, haar kleinste vasthoudende, dat met armpjes en beentjes stuipachtige pogingen aanwendde om door de lucht heen op Biler toe te vliegen, “en heeft met slecht gezelschap verkeerd, mijnheer; maar ik hoop dat hij het ongelukkige daarvan heeft ingezien, mijnheer, en zich weer zal verbeteren.”[155]Carker zag naar Polly, en de zindelijke kamer, en de zindelijke kinderen, en het eenvoudige Toodle’s gezicht, uit dat van vader en moeder samengesteld, dat hem overal in de oogen viel, en scheen het wezenlijke oogmerk van zijn bezoek bereikt te hebben.“Uw man is zeker niet thuis?” zeide hij.—“Neen, mijnheer,” antwoordde Polly. “Hij is nu op het oogenblik op een trein.”De losbandige Rob scheen ruimer adem te halen toen hij dit hoorde, schoon hij, nog geheel onder den invloed van zijn patroon, zijne oogen bijna niet van Carker’s gezicht afkeerde, dan om even een treurigen blik naar zijne moeder te werpen.—“Dan zal ik u zeggen,” hervatte Carker, “hoe ik aan dien jongen van u ben gekomen, en wie ik ben, en wat ik voor hem zal doen.”Carker deed dit op zijne eigene manier, zeggende dat hij hem eerst geducht had willen straffen voor zijne vermetelheid om naar het kantoor van Dombey en Zoon te komen; dat hij zich door zijne jeugd, zijne betuigingen van berouw, en zijne betrekkingen had laten vermurwen, dat hij vreesde eene onvoorzichtigheid te zullen begaan door iets voor den jongen te doen, en dat bedachtzame lieden hem zouden laken; maar dat hij dit voor zijne rekening nam en het op de gevolgen waagde; dat hij dit alleen en geheel zelf deed; dat zijne moeders vroegere betrekking tot de familie Dombey er niets mede te maken had, en dat mijnheer Dombey zelf er niets mede te maken had, maar dat hij, Carker, hier alles in alles was. Na zich zelven voor zijne goedheid te hebben geprezen, en geen minderen lof van de geheele daar aanwezige familie te hebben ontvangen, gaf Carker zijdelings maar toch vrij duidelijk te kennen, dat Rob hem eeuwige dankbaarheid, trouw en verkleefdheid verschuldigd was, en deze de geringste hulde waren die hij kon aannemen. Van deze waarheid was Rob zelf zoodanig doordrongen dat, terwijl hij zijn patroon stond aan te staren, de tranen hem over de wangen rolden, en hij met zijn rond hoofd knikte, tot het bijna even los op zijne schouders scheen te worden, als het dien morgen onder de handen van dien zelfden patroon had gedaan.Polly, die door haar losbandigen eerstgeborene de hemel weet hoeveel slapelooze nachten had doorgebracht, en hem in geene weken had gezien, had welhaast voor Carker den chef, als voor een goeden engel, willen knielen, in spijt van zijne tanden. Maar daar Carker nu opstond om heen te gaan, dankte zij hem slechts met hare moederlijke zegeningen en gebeden; een dank zoo rijk, als hij uit de munt van het hart wordt betaald, vooral voor zulk een dienst als Carker had bewezen, dat hij een grooten hoop klein geld had kunnen teruggeven, en toch nog te duur betaald blijven.Toen deze heer door den troep kinderen heen naar de deur ging, vloog Rob naar zijne moeder toe en sloot haar en het kleintje in dezelfde boetvaardige omhelzing.“Ik zal mijn best doen, lieve moeder. Bij mijne ziel, ik zal nu mijn best doen!”—“Och, doe dat, mijn lieve jongen! En dat zult gij zeker, voor ons en voor u zelven,” zeide Polly, hem een kus gevende. “Maar gij komt toch terug om mij nog eens te spreken, als gij mijnheer hebt weggebracht?”—“Dat weet ik niet, moeder.” Rob aarzelde en liet het hoofd hangen. “Vader—wanneer komt hij thuis?”—“Niet voor morgen om twee uur.”—“Dan zal ik terugkomen, moeder lief,” zeide Rob; en door zijne broertjes en zusjes heengaande, die deze belofte met een schellen kreet ontvingen, volgde hij Carker naar buiten.—“Wat!” zeide Carker, die dit gehoord had. “Hebt gij een slechten vader?”—“Neen, mijnheer,” antwoordde Rob verbaasd. “Er is geen beter en goediger vader dan de mijne is.”—“Waarom wilt gij hem dan niet zien?” vroeg zijn patroon.—“Er is zulk een verschil tusschen een vader en eene moeder, mijnheer,” zeide Rob, na een oogenblik haperens. “Hij zou nog moeielijk kunnen gelooven dat ik het beter zal maken—al weet ik dat hij het wel zou willen gelooven—maar eene moeder—zijgelooft altijd wat goed is, mijnheer; ten minste, ik weet dat mijne moeder dat doet; God zegen haar!”Carker rekte zijn mond uit, maar sprak niet meer voordat hij op zijn paard was gestegen en den man die het vasthield had weggezonden. Toen van den zadel af den oplettenden knaap strak in de oogen ziende, zeide hij: “Gij moet morgenochtend bij mij komen, en dan zal u beduid worden waar die oude heer woont; die oude heer, die van morgen bij mij was en waar gij naar toe gaat, gelijk ge mij hebt hooren zeggen.”—“Ja, mijnheer,” antwoordde Rob.—“Ik stel het grootste belang in dien ouden heer, en als gij hem dient, doet ge mij ook dienst, jongen, verstaat gij wel? Goed,” zeide hij, Rob voorkomende, want hij zag bij deze woorden het ronde gezicht ophelderen, “ik zie dat gij het doet. Ik verlang alles van dien ouden heer te weten, en hoe hij het van dag tot dag maakt—want ik wenschte hem van allen mogelijken dienst te zijn—en vooral wie er bij hem komt. Verstaat ge wel?”Rob knikte met een strak gezicht en zeide wederom: “Ja, mijnheer.”—“Ik zou gaarne hooren dat hij vrienden heeft, die hem niet vergeten—want hij is nu zooveel alleen, de arme man; maar dat zij van hem blijven houden, en van zijn neef, die het land uit is. Er is eene heel jonge dame, die misschien naar hem zal komen zien. Ik verlang vooral alles vanhaarte weten.”—“Daar zal ik wel voor zorgen, mijnheer,” zeide de jongen.—“En[156]pas wel op,” hervatte zijn patroon, bukkende om zijn grijnzend gezicht dichter bij dat van den knaap te brengen, en hem met het achtereind zijner zweep op den schouder te tikken, “pas wel op dat ge tegen niemand behalve mij van mijne zaken spreekt.”—“Tegen niemand in de wereld, mijnheer,” antwoordde Rob, zijn hoofd schuddende.—“Daar ook niet,” zeide Carker, naar de plaats wijzende waar zij vandaan kwamen, “en nergens anders. Ik zal zien of gij trouw en dankbaar kunt zijn. Ik zal u op de proef stellen!” Dit gezegde, door het vertoonen zijner tanden en de beweging van zijn hoofd, evenzeer tot een dreigement als eene belofte makende, keerde hij zich voor Robin’s oogen om—die aan hem vastgenageld waren, alsof hij den jongen door tooverij met lichaam en ziel aan zich onderworpen had—en reed heen. Daar hij echter, na een eindje te hebben gedraafd, wederom bespeurde, dat zijn trouwe geleider, evenals te voren met een zakdoek omgord, hem nog, tot groot vermaak van verscheidene toeschouwers, op zijde bleef, hield hij op en beval hem naar huis te gaan. Om zich te verzekeren dat hij gehoorzaamd werd, keerde hij zich in den zadel om en keek hem na. Het was merkwaardig om te zien, dat Rob zelfs nu nog zijne oogen niet geheel van het gezicht zijns patroons kon afhouden, maar gedurig naar hem bleef omkijken, en daardoor telkens tegen andere voetgangers aanliep, zonder dat hij dit scheen te bemerken.Carker de chef reed nu stapvoets voort, met het geruste gezicht van iemand die al zijne bezigheden van dien dag naar genoegen heeft afgedaan. Hij neuriede al voortrijdende zelfs zachtjes een wijsje. Hij scheen te spinnen, zoo vergenoegd was hij.In zijne verbeelding lag hij zich ook voor een haard te koesteren. Voor zekere voeten ineengedoken, was hij gereed om op te springen en te bijten of te krabben, of ook om te streelen en te vleien, naarmate hij daartoe lust en gelegenheid kreeg. Was er ergens een vogeltje in eene kooi, dat in zijne aandacht deelde?“Eene heel jonge dame,” dacht Carker, al neuriënde. “Ja: toen ik haar de laatste maal zag, was zij nog een klein kind. Met donkere oogen en haar, herinner ik mij, en een goedig gezichtje; een heel goedig gezichtje. Zij zal nu wel mooi zijn geworden.”Nog genoeglijker en tevredener reed Carker verder en sloeg eindelijk de beschaduwde straat in, waar het huis van Dombey stond. Hij had het zoo druk gehad met netten om goedige gezichten te knoopen en ze met de mazen te verdonkeren, dat hij er niet aan dacht reeds zoo ver te zijn, tot hij, het koude verschiet der hooge huizen langs ziende, zijn paard, op eenige schreden afstands van de deur, inhield. Maar om te verklaren waarom Carker zijn paard eensklaps inhield, en wat hij met geene geringe verwondering aanzag, is eene kleine uitweiding noodig.Toots, uit de slavernij bij doctor Blimber bevrijd, en in het genot van zeker gedeelte zijner aardsche bezittingen gekomen, “dat,” gelijk hij mijnheer Feeder, in het laatste halfjaar van zijn proeftijd, elken avond als eene nieuwe ontdekking had medegedeeld, “de executeuren hem niet konden onthouden,” had zich met grooten ijver op de wetenschap des levens toegelegd. Door eene edele eerzucht om uit te blinken aangevuurd, had hij eenige keurige apartementen gehuurd, en een zijner kamers tot een jachtsalon ingericht, versierd met de portretten van vermaarde renpaarden, waarin hij geen het minste belang stelde, en een rookdivan, die hij niet kon gebruiken zonder misselijk te worden. In dit verrukkelijk verblijf, wijdde hij zich aan de beoefening dier vriendelijke kunsten, welke het menschdom beschaven en veredelen, en waarin zijn voornaamste leermeester zeker belangwekkend persoon was, die de kemphaan werd genoemd, altijd in de tapperij De Zwarte Bunsing was te bevragen, in het warmste weder eene ruige witte jas droeg, en Toots driemaal in de week met vuisten kwam stompen, tegen het geringe honorarium van tien en een halven schelling voor ieder bezoek.De kemphaan, die de Apollo van Toots’ Pantheon was, had hem met een markeur in kennis gebracht die hem leerde biljarten, met een gardist die hem leerde schermen, met een stalbonk die hem leerde paardrijden, met een heer uitCornwalldie meester was in alle athletische oefeningen, en met nog twee of drie andere vrienden, niet minder nauw aan de schoone kunsten verwant. Onder zulke meesters kon Toots bijna niet missen snelle vorderingen te maken, en onder hunne leiding ging hij dus aan het werk.Doch hoe het wezen mocht, het was toch zoo, dat zelfs terwijl deze heeren het innemende van nieuwe bekenden hadden, Toots zich toch, hij wist niet waarom, onbehaaglijk en ongedurig gevoelde. Hij werd door vlagen van verdrietelijkheid en verveling geplaagd, die zelfs de kemphaan niet kon verdrijven. Niets scheen hem zooveel goed te doen, dan gedurig een kaartje bij Dombey aan huis te brengen. Geen belastinggaarder in het Britsche rijk—dat uitgebreide grondgebied, waar de zon nooit onder- en de belastinggaarder nooit naar bed gaat—kwam ooit trouwer en regelmatiger terug dan Toots.Toots ging nooit naar boven en vervulde altijd dezelfde ceremoniën—met opzet zeer zwierig daartoe gekleed—aan de straatdeur.“Zoo, goeden morgen!” was het eerste gezegde, als de knecht opendeed. “Voor mijnheer Dombey,” was zijn tweede gezegde, terwijl hij[157]een kaartje overgaf. “Voor jufvrouw Dombey,” was zijn derde, terwijl hij nog een kaartje overgaf.Dan keerde Toots zich om, alsof hij wilde heengaan; maar de knecht kende hem al, en wist dat hij nog niet ging.“O, neem mij niet kwalijk,” zeide Toots dan, alsof die gedachte hem eensklaps inviel. “Is dat meisje thuis?”De knecht dacht het dan wel, maar wist het niet zeker. Dan trok hij aan eene schel, die boven hing, en keek de trap op, en zeide, ja, zij was thuis en kwam naar beneden. Dan verscheen Suze Nipper, en ging de knecht heen.“O! Hoe maakt gij het?” zeide Toots dan,grinnikenden blozend.Suze bedankte hem dan, en zeide dat zij heel wel was.“Hoe maakt het Diogenes?” was dan Toots’ tweede vraag.Ook heel wel. Jufvrouw Florence hield van dag tot dag meer van hem. Toots begroette dit bericht met eene uitbarsting van gegrinnek, alsof men eene flesch met een of ander bruisend vocht opentrok.“Jufvrouw Florence is ook heel wel, mijnheer,” voegde Suze er dan bij.—“O, dit komt er niet op aan, dankje wel,” was daarop het onveranderlijk antwoord van Toots; en als hij dit gezegd had, ging hij altijd zeer snel heen.Nu is het zeker dat Toots iets nevelachtigs voor den geest had, hetwelk hem deed besluiten dat hij, als hij eens naar de hand van Florence kon staan, gelukzalig zou wezen. Het is zeker dat Toots, met een grooten omweg, tot dit begrip gekomen was, en daarbij was blijven stilstaan. Zijn hart was gekwetst; hij was verliefd. Op zekeren avond had hij eene wanhopige poging gedaan (en hij was den geheelen nacht daarvoor opgebleven) om een naamvers op Florence te schrijven, en terwijl hij er over zat te denken, had zijne ontroering hem tranen doen storten. Maar op schrift kwam hij niet verder dan de woorden: “Frisch klopt mijn hart wanneer ik zie,” daar de vlucht van verbeelding, waarmede hij de beginletters der zeven andere regels had neergeschreven hem toen begaf.Behalve tot het uitdenken van dien listigen maatregel om mijnheer Dombey dagelijks een kaartje te brengen, was het brein van Toots nog niet zeer werkzaam geweest over het onderwerp dat zijn gevoel zooveel te doen gaf. Maar na diep overleg kwam Toots tot de overtuiging, dat het een gewichtige stap zou zijn als hij de gunst van Suze Nipper kon winnen, eer hij deze iets van den staat van zijn gemoed openbaarde.Deze jonge juffer met schertsende galanterie te behandelen, kwam hem voor het rechte middel te zijn om haar voor zijne belangen te winnen. Niet in staat om het hieromtrent met zich zelven eens te worden, raadpleegde hij den Kemphaan—zonder dien heer evenwel in zijn vertrouwen te nemen, en hem slechts onderrichtende dat een vriend uitYorkshirehem (Toots) om zijn gevoelen over zulk een vraagpunt had geschreven. Toen de Kemphaan hierop antwoordde, dat zijn gevoelen altijd was: “Zet maar door,” en verder: “Als gij uw portuur voor u hebt, ga dan uw gang,” hield Toots dit voor eene figuurlijke manier om zijne eigene meening te bevestigen, en nam dus het heldhaftige besluit om Suze des anderen daags een kus te geven.Des anderen daags versierde Toots zich derhalve met het fraaiste dat Burgess en Comp. hem hadden geleverd, en ging met dit voornemen naar het huis van Dombey. Maar toen hij de plek naderde, waar hij zijn moed zou toonen, ontzonk hem deze zoozeer, dat het, schoon hij tegen drie uur in den namiddag daar aankwam, zes uur was eer hij aan de deur klopte.Alles ging volgens gewoonte, tot aan het punt waar Suze zeide dat hare jonge meesteres heel wel was, en Toots zeide dat dit hem niet kon schelen. Tot hare verbazing, bleef Toots, in plaats van na dat gezegde als een vuurpijl heen te stuiven, voor haar staangrinniken.“Misschien wilt gij wel eens boven gaan, mijnheer?” zeide Suze.—“Ja, mij dunkt ik zal eens binnenkomen,” zeide Toots.Maar in plaats van de trap op te gaan, toen de deur gesloten was, deed Toots half in den blinde een greep naar Suze, sloot haar in zijne armen en gaf haar een kus op de wang.“Loop heen,” riep Suze, “of ik zal je de oogen uitplukken.”—“Nog een!” zeide Toots.—“Loop heen!” riep Suze, hem een duw gevende. “Zulk een hals als gij! Wie zal er nu nog beginnen! Loop heen, mijnheer!”Suze was niet ernstig in het nauw, want zij kon haast niet spreken van het lachen; maar Diogenes, op de trap, die een geritsel tegen den muur en een gescharrel van voeten hoorde, en door de leuning heen zag dat er eene vechtpartij plaats had en er een vreemde indringer in huis was, dacht er anders over, stoof tot ontzet naar beneden en had Toots in een oogwenk bij een been.Suze gilde, lachte, deed de straatdeur open, en liep weg; de stoutmoedige Toots stommelde de straat op, met Diogenes aan een pijp van zijne broek; Diogenes, afgeschud, rolde om en om in het stof, sprong weder op, rende om den duizeligen Toots heen, en beet naar hem; en al dat oproer zag Carker, die op eenigen afstand zijn paard ophield, tot zijn verbazing uit het deftige huis van Dombey komen.Carker bleef naar den onthutsten Toots zitten kijken, tot Diogenes binnengeroepen en de deur gesloten was, en ook nog terwijl Toots,[158]schuilplaats zoekende in een poortje dichtbij, zijne gescheurde broekspijp verbond met een fraaien zijden zakdoek, die een deel was geweest van zijne kostbare uitrusting voor de onderneming.“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Carker, met zijn vriendelijksten glimlach naar hem toerijdende, “ik hoop dat gij niet bezeerd zijt.”—“O neen, wel bedankt,” zeide Toots, zijn hoog gekleurd gezicht opheffende, “het is van geen beduiden.” Hij had wel willen doen gelooven, dat het hem zeer beviel.—“Als de hond zijne tanden in het vleesch heeft gezet, mijnheer,” begon Carker, naar zijn eigen been wijzende.—“Neen, wel bedankt,” zeide Toots. “Het is heel goed afgeloopen, ik voel er niets van. Wel bedankt.”—“Ik heb het genoegen van mijnheer Dombey te kennen,” merkte Carker aan.—“Hebt gij toch?” zeide de blozende Toots.—“En gij zult mij misschien wel willen vergunnen, dat ik in zijne afwezigheid voor zulk eene onaangenaamheid verschooning verzoek,” zeide Carker, zijn hoed afnemende, “en mij verwonder hoe zoo iets met mogelijkheid gebeurd kan zijn.”Toots gevoelt zich door deze beleefdheid zoo zeer gestreeld, en is zoo blijde over de gelukkige kans om met een vriend van mijnheer Dombey kennis te maken, dat hij zijn kaartjestaschje uithaalt, hetwelk hij nooit verzuimt zooveel mogelijk te gebruiken, en Carker zijn naam en adres toereikt. Carker beantwoordt deze beleefdheid door hem zijn kaartje te geven, en daarmede scheiden zij.Terwijl Carker zoo zachtjes het huis voorbijrijdt, en naar de vensters opziet, en het peinzende gezichtje poogt te onderscheiden dat achter het gordijn naar de kinderen aan den overkant kijkt, komt de ruige kop van Diogenes dicht daarbijgeklauterd; en zonder naar verbod of liefkoozing te luisteren, bromt en blaft de hond, en schijnt van die hoogte naar hem te willen afspringen om hem van lid tot lid te verscheuren.Wel gedaan, Diogenes, zoo dicht bij uwe meesteres! Nog eens, en nog eens, met den kop omhoog en vlammende oogen, grimmig den bek vertrekkende, dat gij hem niet kunt krijgen! Nog eens, terwijl hij, voorzichtig de schoonste plekjes zoekende, heenrijdt. Gij hebt een goeden reuk, Diogenes. Eene kat, jongen, eene kat!

[Inhoud]XXII.CARKER DE CHEF NEEMT EENIGE VOORZORGEN.Carker de chef zat voor zijn lessenaar, met een gezicht zoo effen en glad gestreken als gewoonlijk, las de brieven, die hij alleen mocht openen, schreef nu en dan de noodige aanteekeningen en aanwijzingen achterop, en legde ze op verscheidene hoopjes, om deze aan de verschillende afdeelingen van het kantoor te laten uitdeelen. De post had dien ochtend een groot aantal brieven medegebracht, en Carker de chef had dus veel te doen.Het voorkomen van iemand die aldus bezig is—nu een hoopje papieren in zijne hand doorkijkende en een voor een uitdeelende, dan een[149]ander hoopje opnemende en met een gefronst voorhoofd en dichtgeknepene lippen naziende—beurtelings afnemende, uitzoekende, ronddeelende en peinzende—zou licht aan zekere comische gelijkenis op een kaartspeler doen denken. Het gezicht van Carker den chef strookte zeer wel met zulk een inval. Het was het gezicht van iemand die zijn spel voorzichtig doordacht, die op alles lette wat hem voordeelig en nadeelig kon zijn, die alle voorkomende kaarten in zijn geheugen hield, en nauwkeurig wist wat zij golden, wat zij nog misten, en wat zij te zamen uitmaakten; die slim genoeg was om te ontdekken wat de andere spelers in de hand hadden, en nooit zijn eigen spel verried.De brieven waren in verschillende talen, maar Carker de chef las ze allen. Als er op het kantoor van Dombey en Zoon iets was voorgekomen dat hij niet lezen kon, zou er eene kaart aan het spel ontbroken hebben. Hij las bijna met een enkelen blik, bracht al voortlezende den eenen brief met den anderen en de eene zaak met de andere in verband, en vergrootte aanhoudend de hoopjes—evenals een geoefend speler de kaarten met één blik kent, en ze nog onthoudt en in rekening brengt als zij gekeerd zijn. Eenigszins al te slim voor een partner, en veel te slim voor een tegenspeler, zat daar Carker de chef, in de stralen der zon, die hem door het lantarenvenster beschenen, en speelde zijn spel alleen.En schoon het kaartspelen niet tot de instincten van het kattengeslacht (wild of getemd) behoort, was Carker de chef katachtig van het hoofd tot de voeten, terwijl hij zich daar in het streepje zomerlicht en zomerwarmte zat te koesteren, dat op zijne tafel en grond scheen. Met haar en bakkebaard altijd flauw van kleur, maar in dien zonneschijn nog flauwer dan anders, en meer naar de vacht van eene geelgrauwe kat gelijkende; met lange nagels, net geknipt en fijn gescherpt; met eene natuurlijke antipathie voor ieder spatje vuil, welke hem somtijds naar de vallende stofjes deed kijken en van zijne witte hand of keurig linnen wegvegen; zat daar Carker de chef, sluw van uitzicht, scherp van tand, zacht van voet, waakzaam van oog, glad van tong, wreed van hart, zindelijk uit gewoonte, met zeker oplettend zelfbehagen en voorzichtig geduld te werken, alsof hij voor een muizenhol zat te loeren.Eindelijk waren de brieven afgehandeld, met uitzondering van een, dien hij voor eene afzonderlijke audiëntie bewaarde. Nadat hij de geheime correspondentie in eene lade had gesloten, trok hij aan de schel.“Waarom komtgijbinnen?” was de vraag waarmede hij zijn broeder ontving.—“De looper is uit, en ik ben de volgende,” was het onderdanig antwoord.—“Gij de volgende,” mompelde de chef. “Ja! Veel eer voor mij! Daar!”Naar de hoopjes brieven wijzende, keerde hij zich in zijn leuningstoel verachtelijk om, en verbrak het cachet van den brief dien hij in de hand had.“Het spijt mij dat ik u moet lastig vallen, James,” begon zijn broeder, de brieven opzamelende, “maar …”—“O! Gij hebt iets te zeggen. Dat wist ik wel. Nu?”Carker de chef sloeg zijne oogen niet naar zijn broeder op, maar hield ze op den brief gevestigd, zonder dien evenwel te openen.“Welnu?” herhaalde hij scherp.—“Ik ben ongerust over Harriët.”—“Welke Harriët? Ik ken niemand die zoo heet.”—“Zij is niet wel. Zij is sedert eenigen tijd veel veranderd.”—“Zij is veel veranderd, al vele jaren geleden,” antwoordde de chef, “en dat is al wat ik te zeggen heb.”—“Ik denk, als ge mij woudt aanhooren …”—“Waarom zou ik u aanhooren, broeder John?” antwoordde Carker de chef, met een spottenden nadruk op deze twee woorden, en het hoofd oprichtende, maar zonder zijne oogen op te slaan. “Ik zeg u, Harriët Carker heeft voor vele jaren de keus gedaan tusschen hare twee broeders. Zij mag er nu berouw van hebben, maar zij moet er bij blijven.”—“Versta mij niet verkeerd. Ik zeg niet dat zij er berouw van heeft. Het zou eene groote ondankbaarheid van mij zijn, als ik zoo iets liet denken,” zeide de ander. “Maar geloof mij, James, ik ben even bedroefd over hare opoffering als gij.”—“Als ik?” riep de chef uit. “Als ik?”—“Even bedroefd over hare keus—over wat gij hare keus noemt—als gij er kwaad over zijt.”—“Kwaad?” herhaalde de ander, en liet al zijne tanden zien.—“Onvergenoegd. Welk woord u maar belieft. Gij weet wel wat ik meen. Ik wil niet beleedigend zijn.”—“Al wat gij doet is beleedigend,” antwoordde zijn broeder, hem eensklaps met een donkeren blik aanziende, die terstond plaats maakte voor een glimlach nog breeder dan de vorige. “Neem die papieren mee, als het u belieft. Ik heb bezigheden.”Zijne beleefdheid was zooveel scherper dan zijne gramschap, dat de Junior naar de deur ging. Daar bleef hij echter staan, en zich omkeerende, zeide hij:—“Toen Harriët, bij uwe eerste billijke verontwaardiging en mijne eerste schande, vruchteloos voor mij bij u poogde te spreken, en toen zij u verliet, James, om mij in mijn ongeluk te volgen, en zich in hare blinde liefde aan haar gevallen broeder toe te wijden, omdat hij buiten haar niemand had, was zij nog jong en bevallig. Ik denk als gij haar nu kondt zien—als gij haar nu wildet gaan zien—zoudt gij u verwonderen en medelijden met haar hebben.”De chef boog zijn hoofd en toonde zijne tanden, als wilde hij, tot antwoord op een onverschillig praatje, zeggen: “Wel, wel! Zoo, zoo!”[150]maar sprak geen woord.—“Wij dachten in die dagen, gij en ik beiden, dat zij jong zou trouwen en een gelukkig en onbezorgd leven hebben,” vervolgde de ander. “O, als gij wist hoe blijmoedig zij is voortgegaan op den weg dien zij toen nam, zonder eene enkele maal om te zien, dan zoudt gij nooit weder kunnen zeggen dat haar naam u vreemd was. Nooit!”Wederom boog de chef zijn hoofd en toonde zijne tanden, als wilde hij zeggen: “Wel opmerkelijk! Ik ben waarlijk verwonderd;” maar wederom sprak hij geen woord.—“Mag ik voortgaan?” zeide John Carker gedwee.—“Heengaan?” antwoordde zijn glimlachende broeder. “Als ge zoo goed wilt zijn.”Met een zucht ging John Carker langzaam de deur uit, toen de stem van zijn broeder hem op den drempel deed stilstaan.“Als zij blijmoedig haar weg gaat,” zeide hij, den nog ongeopenden brief op den lessenaar werpende, “kunt gij haar zeggen dat ik even blijmoedig den mijnen ga. Als zij nooit heeft omgezien, kunt gij haar zeggen dat ik dat wel eens heb gedaan, om mij te herinneren dat zij uwe partij heeft gekozen, en dat mijne besluiten niet minder duurzaam zijn,” hier glimlachte hij zeer vriendelijk, “dan marmer.”—“Ik zeg haar niets van u. Wij spreken nooit over u. Eenmaal ’s jaars, op uw verjaardag, zegt Harriët altijd: “Laten wij James gedachtig zijn en wenschen dat hij gelukkig zij;” maar meer zeggen wij niet.”—“Zeg het dan u zelven als het u belieft,” was het antwoord. “Gij kunt het niet te dikwijls herhalen, als eene les voor u om mij niet over de zaak te spreken. Ik ken geene Harriët Carker. Er is zoo iemand niet. Gij moogt eene zuster hebben; houd haar dan in waarde. Ik heb er geen.”Hij nam den brief weder op en wuifde met een glimlach van spottende beleefdheid naar de deur. Toen zijn broeder heenging, zag hij dezen nog donker na, en zich toen weder in zijn leuningstoel omdraaiende begon hij den brief met aandacht te lezen.Deze was van de hand van zijn grooten patroon, Dombey, en vanLeamingtongedateerd. Schoon hij een vlug lezer van alle andere brieven was, las Carker dezen langzaam: ieder woord wegende, en al zijne tanden als het ware er op scherpende. Toen hij het geschrift had doorgelezen, sloeg hij het blad nog eens om, en zocht deze plaatsen uit: “Ik vind dat de verandering mij heilzaam is, en ben nog niet gezind om een tijd voor mijne terugkomst te bepalen.”—“Ik wenschte, dat gij schikking wildet maken om eens in persoon over te komen, om mij te zeggen hoe de zaken gaan.” “Ik heb nagelaten u van den jongen Gay te spreken. Zoo nog niet met de Zoon en Erfgenaam vertrokken, of als de Zoon en Erfgenaam nog in de dokken ligt, benoem dan een ander jongmensch, en houd hem vooreerst aan het kantoor. Ik heb nog niet besloten.”—“Dat is nu wel ongelukkig!” zeide Carker, zijn mond uitrekkende alsof die van gom-elastiek was; “want hij is al ver weg.”Evenwel trok deze plaats, die in een naschrift voorkwam, nogmaals zijne aandacht.“Ik geloof,” zeide hij, “dat mijn goede vriend kapitein Cuttle er eens van sprak, dat hij wel in het zog van dien grooten dag zou worden meegesleept. Hoe jammer dat hij zoo ver weg is!”Hij vouwde den brief weder op en zat er mede te spelen, keerde hem naar alle richtingen op de tafel om en om—misschien deed hij wel hetzelfde met den inhoud, toen Perch de boodschaplooper zachtjes aan de deur klopte, op de teenen binnenkwam, bij elken stap buigende alsof het buigen de lust van zijn leven was, en eenige papieren op de tafel legde.“Zoudt ge misschien belet willen hebben, mijnheer?” vroeg Perch, zijne handen wrijvende en zijn hoofd ootmoedig op zijde houdende, als iemand die wel wist dat het zijne zaak niet was het voor zulk een persoon op te steken en het zooveel mogelijk uit den weg wilde houden.“Wie vraagt er naar mij?”—“Och, mijnheer,” antwoordde Perch zeer zacht, “eigenlijk niemand om van te spreken. Mijnheer Gills, de scheepsinstrumentmaker, is gekomen om een betalinkje te doen, zegt hij; maar ik heb hem gezegd dat gij denkelijk belet hadt, voor nog lang—heel lang.”Perch kuchte eens achter zijne hand en wachtte op verdere bevelen.“Iemand anders?”—“Wel, mijnheer,” zeide Perch, “ik zou uit mij zelven niet zoo vrijpostig zijn om te zeggen, mijnheer, dat er nog iemand was; maar die zelfde jongen, mijnheer, die gisteren en verleden week al hier is geweest, slentert nu weer hier in het rond; en het staat zoo gemeen, mijnheer,” vervolgde Perch, even ophoudende om de deur dicht te doen, “als men hem daar tegen de musschen ziet staan fluiten tot zij hem antwoord geven.”—“Gij hebt gezegd dat hij iets te doen wilde hebben, niet waar, Perch?” zeide Carker, in zijn stoel achteroverleunende en den ander aanziende.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Perch, weder met een kuchje achter zijne hand, “hij zeide eens dat hij naar eene conditie zocht, en dat hij dacht dat men hem wel aan de dokken zou kunnen gebruiken, omdat hij aan het visschen met den hengel gewoon was; maar”—Perch schudde zeer twijfelachtig zijn hoofd.—“Wat zegt hij dan als hij hier komt?” vroeg Carker.—“Wel, mijnheer,” antwoordde Perch, nog eens achter zijne hand kuchende, hetgeen, als een blijk van nederigheid, altijd zijne toevlucht was als hem niet anders inviel, “hij zegt doorgaans dat hij nederig verzoekt om een van de heeren te spreken, en dat hij zijn brood wil verdienen. Maar gij begrijpt wel, mijnheer,”[151]vervolgde Perch fluisterend, en zich omkeerende om de deur eene duw met hand en knie te geven, alsof hij ze daardoor nog dichter dan dicht zou kunnen sluiten, “het is haast niet te verdragen dat zulk een gemeene jongen hier komt malen en zeggen dat zijne moeder den jongen heer van ons kantoor gezoogd heeft, en dat hij daarom hoopt dat het kantoor hem een kansje zal geven. Ik verzeker u, mijnheer, dat hoewel mijne vrouw toen zulk een gezond meisje zoogde als wij ooit zoo vrij zijn geweest om onze familie mee te vergrooten, ik nooit zoo vrijpostig zou zijn geweest om er van te spreken dat zij ook wel min had kunnen wezen, al was het om nog zooveel geweest.”Carker grijnsde hem aan als een haai, maar deed dit op eene verstrooide, peinzende manier.“Of,” hervatte Perch, na eene poos van stilte en nog een kuchje, “het niet best zou zijn als ik hem zeide, dat ik hem zou laten arresteeren als hij weer hier kwam, en dat dan ook te doen. Ik zou gemakkelijk kunnen bezweren, mijnheer, dat ik voor gewelddadigheden van hem bang ben, zoo vreesachtig ben ik van aard, mijnheer, en zoo zenuwachtig maken mij de omstandigheden van mijne vrouw.”—“Laat mij dien knaap eens zien, Perch,” zeide Carker. “Breng hem eens hier.”—“Ja, mijnheer. Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Perch en bleef aarzelend bij de deur staan. “Maar hij ziet er heel ruw uit, mijnheer.”—“Dat komt er niet op aan. Als hij er nog is, breng hem dan hier. Ik zal mijnheer Gills dadelijk spreken. Vraag hem om te wachten!”Perch boog; en de deur zoo zorgvuldig en nauwkeurig achter zich sluitende alsof hij in geene week terugkwam, ging hij tusschen de musschen zoeken. Terwijl hij weg was hernam Carker zijne geliefkoosde houding voor den schoorsteen en bleef naar de deur staan kijken. Met zijne opgetrokken bovenlip, die eene geheele rij tanden liet zien, had hij een bijzonder loerend en dreigend uitzicht.Het duurde niet lang of Perch kwam terug, gevolgd door een paar zware laarzen, die als lompen door den gang klotsten. Met de onbeleefde woorden: “Kom aan, binnen!”—een zeer ongewone vorm van aandienen in zijn mond—liet Perch toen een forsch gebouwden knaap van vijftien jaren in, met een rond rood gezicht, een rond glad hoofd, ronde zwarte oogen, ronde leden en een rond lijf, die, om met de algemeene rondheid van zijn voorkomen te strooken, een ronden hoed in de hand had, zonder eenig spoor van rand er aan.Op een wenk van Carker verdween Perch, zoodra hij dezen knaap voor hem had geplaatst. Zoodra zij alleen waren greep Carker, zonder een woord tot inleiding, den jongen bij de keel en schudde hem tot zijn hoofd geheel los op zijne schouders scheen te staan.De jongen, die te midden van zijne verbazing over den heer met zooveel witte tanden, die hem scheen te willen verworgen, niet nalaten kon in de kamer rond te kijken, als had hij besloten dat, als hij dan geworgd moest worden, zijn laatste blik gevestigd zou zijn op die geheimen voor welker schennis hij zoo zwaar moest boeten, bracht eindelijk uit:“Laat staan, mijnheer. Laat mij los!”—“U loslaten!” zeide Carker. “Wat! Heb ik u dan beet?” Daar was geen twijfel aan, en dat wel vrij stevig. “Gij rekel,” zeide Carker, door zijne opeengeklemde tanden, “ik zal u verworgen!”Biler jankte, och neen, och neen!—en wat had hij gedaan—en waarom worgde hij geen jongen die zoo groot was als hij zelf, enhemniet. Maar Biler werd door deze buitengewone ontvangst geheel overbluft; en toen zijn hoofd weder stilstond, en hij den onbekenden heer in het gezicht of liever in de dreigende tanden keek, vergat hij zijne manhaftigheid in zoo verre dat hij begon te huilen.“Ik heb u niets gedaan, mijnheer,” zeide Biler, alias Robert, alias Grinder, oudste zoon van baas Toodle.—“Gij schobbejak!” antwoordde Carker, hem langzaam loslatende en een stap achterwaarts doende, om zijne geliefkoosde houding aan te nemen. “Wat meent gij daarmee dat gij hier durft komen?”—“Ik meende geen kwaad, mijnheer,” jankte Rob, met de eene hand zijne keel betastende en de knokkels der andere in zijne oogen duwende. “Ik zal nooit weerom komen, mijnheer. Ik wilde maar werk hebben.”—“Werk, gij jonge Kaïn!” zeide Carker, hem strak aanziende. “Zijt ge dan niet de luiste deugniet van de geheele stad?”De beschuldiging, die Toodle junior ten diepste trof, was echter zoo wel gegrond, dat hij geen woord van ontkenning kon uitbrengen. Hij bleef den geduchten heer dus met een verschrikt, beschaamd en boetvaardig gezicht staan aankijken. Wat dit aankijken betreft, mag men zeggen dat Carker hem scheen te betooveren, en de knaap zijne ronde oogen geen oogenblik van hem kon afwenden.“Zijt ge niet een dief?” zeide Carker, met zijne handen achter zich in zijne zakken.—“Neen, mijnheer,” antwoordde Rob verlegen.—“Dat zijt ge wel,” zeide Carker.—“Waarlijk niet, mijnheer,” jankte Rob. “Gij moogt mij gelooven, mijnheer, ik heb nooit iets gestolen. Ik weet wel dat ik ondeugend ben geworden, mijnheer, sedert ik mij met vogelvangen en hardloopen had opgehouden. Iemand zou wel denken,” zeide Rob, met eene uitbarsting van boetvaardigheid, “dat zangvogeltjes een onschuldig gezelschap waren, maar niemand weet hoeveel kwaad er in die beestjes steekt en waar zij iemand toe brengen.”Zij schenen hem gebracht te hebben tot een zeer versleten trijpten buis en broek, een buitengemeen[152]klein rood vestje, dat naar een enkelen kraag geleek, eene tusschenruimte van blauw bont en den bovengemelden hoed.“Ik ben geen twintigmaal naar huis geweest sedert die vogeltjes mij den baas werden,” zeide Rob, “en dat is tien maanden. Hoe kan ik naar huis gaan, als iedereen verdrietig is dat hij mij ziet! Het verwondert mij,” zeide Rob, nu hardop snikkende en zijne oogen met zijne mouw besmerende, “dat ik mij niet al dikwijls en dikwijls heb gaan verdrinken.”Dit alles, de betuiging van verwondering dat hij dit laatste feit niet verricht had, ingesloten, zeide de jongen, alsof Carker’s tanden het hem uit de keel haalden, en hij, zoolang deze hunne macht op hem uitoefenden, niet in staat was om iets te verbergen.“Ge zijt een aardig jong heer!” zeide Carker, zijn hoofd schuddende. “Er is al hennepzaad voor u gezaaid, jongetje!”—“Waarachtig, mijnheer,” antwoordde de ongelukkige Biler al snikkende, “het zou mij niet kunnen schelen, al was het al gegroeid ook. Al mijn ongeluk is begonnen met spijbelen, mijnheer; maar wat kon ik anders doen?”—“Anders dan wat?” zeide Carker.—“Spijbelen, mijnheer. Spijbelen van school.”—“Meent gij, te doen alsof gij daarheen zoudt gaan en er niet heen gaan?” zeide Carker.—“Ja, mijnheer; dat is spijbelen, mijnheer,” antwoordde de gewezen Slijper, zeer aangedaan, “Ik werd op straat dood geplaagd, mijnheer, als ik er naar toe ging, en als ik er kwam kreeg ik nog slaag. Zoo liep ik spijbelen, en hield mij ergens schuil, en zoo begon het.”—“En wilt ge mij nu zeggen,” zeide Carker, nadat hij hem weder bij de keel had gepakt, op armslengte van zich afgehouden en eene poos zwijgend aangestaard, “dat gij naar eene plaats zoekt?”—“Ik zou dankbaar zijn als men mij eens probeerde, mijnheer,” antwoordde Toodle junior flauw.Carker duwde hem achteruit in een hoek—de jongen onderwierp zich stil, durfde nauwelijks ademhalen, en keerde de oogen niet van zijn gezicht af—en schelde.“Laat mijnheer Gills hier komen.”Perch was te eerbiedig om te laten blijken, dat hij de gedaante in den hoek herkende of zich daarover verwonderde; en weldra verscheen oom Sam.“Ga zitten, mijnheer Gills,” zeide Carker met een glimlach. “Hoe vaart gij? Nog altijd gezond, hoop ik?”—“Wel bedankt, mijnheer,” antwoordde oom Sam, zijn zakboekje uithalende en onder het spreken eenige papiertjes overgevende. “Naar het lichaam scheelt mij niets dan mijn ouderdom. Vijf en twintig, mijnheer.”—“Ge zijt zoo nauwkeurig, mijnheer Gills,” antwoordde de glimlachende chef, een papier uit een van zijne vele laden halende en iets op den achterkant aanteekenende, terwijl oom Sam er naar keek, “als een van uw eigen chronometers. In orde.”—“De Zoon en Erfgenaam is niet gepraaid, mijnheer, zie ik aan de lijst,” zeide oom Sam, met eene geringe vermeerdering der gewone beving in zijne stem.—“De Zoon en Erfgenaam is niet gepraaid,” antwoordde Carker. “Er schijnt stormachtig weer te zijn geweest, mijnheer Gills, en waarschijnlijk is het schip uit zijn koers gedreven.”—“Het is toch veilig, hoop ik van den hemel,” zeide de oude Sam.—“Het is toch veilig, hoop ik van den hemel,” herhaalde Carker op die stemlooze manier, die hij somtijds aannam, en die den oplettenden jongen Toodle wederom deed beven. “Mijnheer Gills,” vervolgde hij overluid, “gij moet uw neef wel erg missen.”Oom Sam, die bij hem stond, schudde zijn hoofd en slaakte een zwaren zucht.“Mijnheer Gills,” zeide Carker, met zijne zachte hand om zijn mond spelende, en den instrumentmaker aanziende, “het zou gezellig voor u zijn als ge tegenwoordig een jong maatje in uw winkel hadt, en het zou eene verplichting voor mij zijn als gij zulk een knaapje vooreerst huisvesting wildet geven. Ik weet wel,” vervolgde hij snel, om den ouden man voor te komen, “dat er niet veel in uw winkel omgaat; maar gij kunt hem dien laten schoonhouden, de instrumenten oppoetsen, kortom van alles laten doen. Daar staat de jongen, mijnheer Gills!”Samuel Gills schoof zijn bril van zijn voorhoofd voor zijne oogen, en keek naar Toodle junior, die zoo stijf als een staak in zijn hoek stond;—wiens hoofd (gelijk altijd) een voorkomen had, alsof hij zoo pas uit een emmer koud water was gehaald, terwijl zijn vestje met het spel zijner aandoeningen rees en daalde,—en zijne oogen strak op Carker hield gevestigd, zonder op den meester, dien men hem wilde geven, te letten.“Wilt gij hem bij u nemen, mijnheer Gills?” zeide Carker.Zonder zeer met het voorstel te zijn ingenomen, antwoordde Samuel, dat hij blijde was met eene gelegenheid, hoe gering ook, om mijnheer Carker te verplichten, wiens verlangen in zulk een opzicht een bevel was; en dat de houten adelborst zich gelukkig zou achten een door mijnheer Carker gekozen gast te mogen ontvangen.Carker liet tanden en tandvleesch zien—hetgeen den waakzamen Toodle junior al erger en erger deed beven—en dankte den instrumentmaker op zijne vriendelijkste manier voor zijne beleefdheid.“Ik zal hem dan bij u zenden, mijnheer Gills,” zeide hij, opstaande en den ouden man de hand gevende, “tot ik het met mij zelven eens word wat verder met hem te doen, en wat hij verdient. Daar ik mij zelven verantwoordelijk[153]voor hem acht, mijnheer Gills,” hierbij zag hij Robert aan met een glimlach, waarvoor de knaap sidderde, “zal het mij genoegen doen als gij scherp op hem let en mij bericht geeft hoe hij zich gedraagt. Ik zal zijne ouders—ordentelijke lieden—een paar vragen doen als ik vandaag naar huis rijd, ter bevestiging van het een en ander dat hij mij gezegd heeft; en dan zal ik hem morgen naar u toe zenden, mijnheer Gills. Goeden morgen!”“Laat staan, mijnheer. Laat mij los!”—“U loslaten!” zeide Carker. “Wat! heb ik u dan beet?” Daar was geen twijfel aan, en dat wel vrij stevig. “Gij rekel,” zeide Carker, door zijne opeengeklemde tanden, “ik zal u verworgen!” (blz. 151).“Laat staan, mijnheer. Laat mij los!”—“U loslaten!” zeide Carker. “Wat! heb ik u dan beet?” Daar was geen twijfel aan, en dat wel vrij stevig. “Gij rekel,” zeide Carker, door zijne opeengeklemde tanden, “ik zal u verworgen!”(blz. 151).Zijn glimlach bij het afscheid was zoo vol tanden, dat de oude Sam er verlegen en onrustig van werd, zonder te weten waarom. Onderweg naar huis dacht hij aan kokende zeeën, zinkende schepen, drenkelingen, eene flesch oude madera die nooit weder voor het licht kwam, en andere akeligheden.“Kom aan, jongen,” zeide Carker, zijne hand op Rob’s schouder leggende, en hem naar het midden van de kamer brengende. “Gij hebt mij gehoord?”—“Ja, mijnheer,” zeide Rob.—“Misschien begrijpt gij wel,” hervatte zijn patroon, “dat als ge mij ooit bedriegt of streken speelt, ge beter zoudt gedaan hebben als gij u maar voorgoed hadt verdronken, eer ge hier naar toe kwaamt?”[154]Er was in alle vakken van wetenschap niets dat Rob beter scheen te begrijpen dan dit.“Als ge mij in iets belogen hebt,” zeide Carker, “kom mij dan nooit weer in den weg. Zoo niet, laat ik u dan dezen achtermiddag ergens bij uw moeders huis naar mij vinden wachten. Ik zal om vijf uur hier vandaan gaan en te paard daarheen rijden. Geef mij nu het adres.”Rob zeide dit langzaam voor, terwijl Carker het opschreef. Rob spelde het zelfs nog eens, letter voor letter, over, alsof hij dacht dat het vergeten van een stipje of streepje zijn verderf zou berokkenen. Daarna duwde Carker hem de kamer uit, en Rob verdween nu vooreerst, maar hield tot het laatste toe zijne ronde oogen op zijn patroon gevestigd.Carker de chef deed dien dag vele zaken af, en liet een groot aantal menschen zijne tanden zien. In het kantoor, op straat en op de beurs glinsterden zij geweldig en schrikkelijk. Toen het vijf uur werd en Carker’s paard voorkwam, stegen zij op en reden al glinsterendCheapsideaf.Daar iemand, al wilde hij haast maken, door het gewoel en gedrang in deCityop dat uur niet gemakkelijk hard kon rijden, en Carker geen haast wilde maken, reed hij op zijn gemak voort, tusschen de karren en rijtuigen door, zooveel mogelijk de modderplassen vermijdende en zich oneindige moeite gevende om zich zelven en zijn paard schoon te houden. Terwijl hij zoo voorttrippelende naar de voorbijgangers keek, ontmoette hij eensklaps de ronde oogen van Rob, zoo strak op zijn gezicht gevestigd, alsof hij ze er nooit had afgewend, terwijl de knaap zelf, met een bonten zakdoek stijf om zijn middel geknoopt, zich blijkbaar gereed hield, om hem bij te houden, hoe hard hij ook verkoos te rijden.Daar deze oplettendheid, hoe vleiend ook, van eenigszins buitengewonen aard was en de aandacht van andere voetgangers trok, nam Carker, op eene plek waar de weg ruimer en de straat schooner werd, de gelegenheid waar om het in een draf te zetten. Terstond deed Rob hetzelfde. Daarop beproefde Carker een handgalop, Rob hield hem bij. Toen een meer gestrekten galop; het was den knaap eveneens. Als Carker zijne oogen naar dien kant wendde, zag hij Toodle junior naast hem loopen, naar het scheen zonder moe te worden, en zich met de ellebogen voortwerkende, gelijk een hardlooper van beroep, die voor eene weddenschap loopt.Zoo belachelijk als dit geleide was, was het toch een teeken van den invloed dien hij op den knaap had verworven, en Carker reed derhalve, alsof hij er niet eens op lette, voort, tot dicht bij de woonplaats van baas Toodle. Toen hij hier zachter begon te rijden, liep Rob vooruit om hem den weg te wijzen, en toen hij een man riep om zijn paard te houden, terwijl hij het buurtje datStagg’s Gardenshad vervangen, inging, hield Rob gedienstig den stijgbeugel, terwijl zijn patroon afsteeg.“Kom aan,” zeide Carker, hem bij den schouder vattende; “nu maar voort!”De verloren zoon was blijkbaar beschroomd om de ouderlijke woning te bezoeken; maar dewijl Carker hem voortduwde, kon hij niet anders dan de rechte deur openen, en zich zoo in het midden van zijne broeders en zusters laten brengen, die om de huiselijke theetafel waren gezeten. Op het gezicht van den verlorene in de greep van een vreemdeling, hieven deze teedere bloedverwanten een algemeen gehuil aan, hetwelk het hart van den losbol zoodanig roerde dat hij, toen hij zijne moeder, met het kleinste kleintje op den arm, bleek en bevende zag opstaan, zijne eigene stem bij den koorzang voegde.Nu niet twijfelende of de vreemdeling, zoo niet mijnheer Ketch in eigen persoon, was toch een van zijne ambtgenooten, schreeuwde de jeugdige familie des te harder, terwijl de jongste leden, buiten staat om de aandoenlijkheid van hun leeftijd te bedwingen, zich op den rug wierpen, evenals jonge vogeltjes als zij voor een havik bang worden, en geweldig in de lucht schopten. Eindelijk maakte de arme Polly zich toch hoorbaar, en zeide met bevende lippen: “O Rob, mijn arme jongen, wat hebt ge nu gedaan!”—“Niets, moeder,” riep Rob, op een jammerenden toon. “Vraag het dien heer maar!”—“Wees niet ongerust,” zeide Carker nu. “Ik wil hem goeddoen.”Op dit bericht barstte Polly, die nog niet geschreid had, in tranen uit. De oudste Toodle’s, die op een ontzet schenen bedacht te zijn geweest, ontsloten nu hunne vuisten; de jongsten drongen zich om hun moeders japon en keken onder hunne ronde armpjes door naar hun losbandigen broeder en zijn onbekenden vriend. Iedereen zegende den heer met de mooie tanden, die goed wilde doen.“Deze jongen,” zeide Carker tot Polly, Rob even schuddende, “is uw zoon, niet waar, jufvrouw?”—“Ja, mijnheer,” snikte Polly nijgende. “Ja, mijnheer.”—“Een slechte zoon, vrees ik?” zeide Carker.—“Nooit een slechte zoon voor mij, mijnheer,” antwoordde Polly.—“Voor wien dan?” vroeg Carker.—“Hij is een beetje wild geweest, mijnheer,” zeide Polly, haar kleinste vasthoudende, dat met armpjes en beentjes stuipachtige pogingen aanwendde om door de lucht heen op Biler toe te vliegen, “en heeft met slecht gezelschap verkeerd, mijnheer; maar ik hoop dat hij het ongelukkige daarvan heeft ingezien, mijnheer, en zich weer zal verbeteren.”[155]Carker zag naar Polly, en de zindelijke kamer, en de zindelijke kinderen, en het eenvoudige Toodle’s gezicht, uit dat van vader en moeder samengesteld, dat hem overal in de oogen viel, en scheen het wezenlijke oogmerk van zijn bezoek bereikt te hebben.“Uw man is zeker niet thuis?” zeide hij.—“Neen, mijnheer,” antwoordde Polly. “Hij is nu op het oogenblik op een trein.”De losbandige Rob scheen ruimer adem te halen toen hij dit hoorde, schoon hij, nog geheel onder den invloed van zijn patroon, zijne oogen bijna niet van Carker’s gezicht afkeerde, dan om even een treurigen blik naar zijne moeder te werpen.—“Dan zal ik u zeggen,” hervatte Carker, “hoe ik aan dien jongen van u ben gekomen, en wie ik ben, en wat ik voor hem zal doen.”Carker deed dit op zijne eigene manier, zeggende dat hij hem eerst geducht had willen straffen voor zijne vermetelheid om naar het kantoor van Dombey en Zoon te komen; dat hij zich door zijne jeugd, zijne betuigingen van berouw, en zijne betrekkingen had laten vermurwen, dat hij vreesde eene onvoorzichtigheid te zullen begaan door iets voor den jongen te doen, en dat bedachtzame lieden hem zouden laken; maar dat hij dit voor zijne rekening nam en het op de gevolgen waagde; dat hij dit alleen en geheel zelf deed; dat zijne moeders vroegere betrekking tot de familie Dombey er niets mede te maken had, en dat mijnheer Dombey zelf er niets mede te maken had, maar dat hij, Carker, hier alles in alles was. Na zich zelven voor zijne goedheid te hebben geprezen, en geen minderen lof van de geheele daar aanwezige familie te hebben ontvangen, gaf Carker zijdelings maar toch vrij duidelijk te kennen, dat Rob hem eeuwige dankbaarheid, trouw en verkleefdheid verschuldigd was, en deze de geringste hulde waren die hij kon aannemen. Van deze waarheid was Rob zelf zoodanig doordrongen dat, terwijl hij zijn patroon stond aan te staren, de tranen hem over de wangen rolden, en hij met zijn rond hoofd knikte, tot het bijna even los op zijne schouders scheen te worden, als het dien morgen onder de handen van dien zelfden patroon had gedaan.Polly, die door haar losbandigen eerstgeborene de hemel weet hoeveel slapelooze nachten had doorgebracht, en hem in geene weken had gezien, had welhaast voor Carker den chef, als voor een goeden engel, willen knielen, in spijt van zijne tanden. Maar daar Carker nu opstond om heen te gaan, dankte zij hem slechts met hare moederlijke zegeningen en gebeden; een dank zoo rijk, als hij uit de munt van het hart wordt betaald, vooral voor zulk een dienst als Carker had bewezen, dat hij een grooten hoop klein geld had kunnen teruggeven, en toch nog te duur betaald blijven.Toen deze heer door den troep kinderen heen naar de deur ging, vloog Rob naar zijne moeder toe en sloot haar en het kleintje in dezelfde boetvaardige omhelzing.“Ik zal mijn best doen, lieve moeder. Bij mijne ziel, ik zal nu mijn best doen!”—“Och, doe dat, mijn lieve jongen! En dat zult gij zeker, voor ons en voor u zelven,” zeide Polly, hem een kus gevende. “Maar gij komt toch terug om mij nog eens te spreken, als gij mijnheer hebt weggebracht?”—“Dat weet ik niet, moeder.” Rob aarzelde en liet het hoofd hangen. “Vader—wanneer komt hij thuis?”—“Niet voor morgen om twee uur.”—“Dan zal ik terugkomen, moeder lief,” zeide Rob; en door zijne broertjes en zusjes heengaande, die deze belofte met een schellen kreet ontvingen, volgde hij Carker naar buiten.—“Wat!” zeide Carker, die dit gehoord had. “Hebt gij een slechten vader?”—“Neen, mijnheer,” antwoordde Rob verbaasd. “Er is geen beter en goediger vader dan de mijne is.”—“Waarom wilt gij hem dan niet zien?” vroeg zijn patroon.—“Er is zulk een verschil tusschen een vader en eene moeder, mijnheer,” zeide Rob, na een oogenblik haperens. “Hij zou nog moeielijk kunnen gelooven dat ik het beter zal maken—al weet ik dat hij het wel zou willen gelooven—maar eene moeder—zijgelooft altijd wat goed is, mijnheer; ten minste, ik weet dat mijne moeder dat doet; God zegen haar!”Carker rekte zijn mond uit, maar sprak niet meer voordat hij op zijn paard was gestegen en den man die het vasthield had weggezonden. Toen van den zadel af den oplettenden knaap strak in de oogen ziende, zeide hij: “Gij moet morgenochtend bij mij komen, en dan zal u beduid worden waar die oude heer woont; die oude heer, die van morgen bij mij was en waar gij naar toe gaat, gelijk ge mij hebt hooren zeggen.”—“Ja, mijnheer,” antwoordde Rob.—“Ik stel het grootste belang in dien ouden heer, en als gij hem dient, doet ge mij ook dienst, jongen, verstaat gij wel? Goed,” zeide hij, Rob voorkomende, want hij zag bij deze woorden het ronde gezicht ophelderen, “ik zie dat gij het doet. Ik verlang alles van dien ouden heer te weten, en hoe hij het van dag tot dag maakt—want ik wenschte hem van allen mogelijken dienst te zijn—en vooral wie er bij hem komt. Verstaat ge wel?”Rob knikte met een strak gezicht en zeide wederom: “Ja, mijnheer.”—“Ik zou gaarne hooren dat hij vrienden heeft, die hem niet vergeten—want hij is nu zooveel alleen, de arme man; maar dat zij van hem blijven houden, en van zijn neef, die het land uit is. Er is eene heel jonge dame, die misschien naar hem zal komen zien. Ik verlang vooral alles vanhaarte weten.”—“Daar zal ik wel voor zorgen, mijnheer,” zeide de jongen.—“En[156]pas wel op,” hervatte zijn patroon, bukkende om zijn grijnzend gezicht dichter bij dat van den knaap te brengen, en hem met het achtereind zijner zweep op den schouder te tikken, “pas wel op dat ge tegen niemand behalve mij van mijne zaken spreekt.”—“Tegen niemand in de wereld, mijnheer,” antwoordde Rob, zijn hoofd schuddende.—“Daar ook niet,” zeide Carker, naar de plaats wijzende waar zij vandaan kwamen, “en nergens anders. Ik zal zien of gij trouw en dankbaar kunt zijn. Ik zal u op de proef stellen!” Dit gezegde, door het vertoonen zijner tanden en de beweging van zijn hoofd, evenzeer tot een dreigement als eene belofte makende, keerde hij zich voor Robin’s oogen om—die aan hem vastgenageld waren, alsof hij den jongen door tooverij met lichaam en ziel aan zich onderworpen had—en reed heen. Daar hij echter, na een eindje te hebben gedraafd, wederom bespeurde, dat zijn trouwe geleider, evenals te voren met een zakdoek omgord, hem nog, tot groot vermaak van verscheidene toeschouwers, op zijde bleef, hield hij op en beval hem naar huis te gaan. Om zich te verzekeren dat hij gehoorzaamd werd, keerde hij zich in den zadel om en keek hem na. Het was merkwaardig om te zien, dat Rob zelfs nu nog zijne oogen niet geheel van het gezicht zijns patroons kon afhouden, maar gedurig naar hem bleef omkijken, en daardoor telkens tegen andere voetgangers aanliep, zonder dat hij dit scheen te bemerken.Carker de chef reed nu stapvoets voort, met het geruste gezicht van iemand die al zijne bezigheden van dien dag naar genoegen heeft afgedaan. Hij neuriede al voortrijdende zelfs zachtjes een wijsje. Hij scheen te spinnen, zoo vergenoegd was hij.In zijne verbeelding lag hij zich ook voor een haard te koesteren. Voor zekere voeten ineengedoken, was hij gereed om op te springen en te bijten of te krabben, of ook om te streelen en te vleien, naarmate hij daartoe lust en gelegenheid kreeg. Was er ergens een vogeltje in eene kooi, dat in zijne aandacht deelde?“Eene heel jonge dame,” dacht Carker, al neuriënde. “Ja: toen ik haar de laatste maal zag, was zij nog een klein kind. Met donkere oogen en haar, herinner ik mij, en een goedig gezichtje; een heel goedig gezichtje. Zij zal nu wel mooi zijn geworden.”Nog genoeglijker en tevredener reed Carker verder en sloeg eindelijk de beschaduwde straat in, waar het huis van Dombey stond. Hij had het zoo druk gehad met netten om goedige gezichten te knoopen en ze met de mazen te verdonkeren, dat hij er niet aan dacht reeds zoo ver te zijn, tot hij, het koude verschiet der hooge huizen langs ziende, zijn paard, op eenige schreden afstands van de deur, inhield. Maar om te verklaren waarom Carker zijn paard eensklaps inhield, en wat hij met geene geringe verwondering aanzag, is eene kleine uitweiding noodig.Toots, uit de slavernij bij doctor Blimber bevrijd, en in het genot van zeker gedeelte zijner aardsche bezittingen gekomen, “dat,” gelijk hij mijnheer Feeder, in het laatste halfjaar van zijn proeftijd, elken avond als eene nieuwe ontdekking had medegedeeld, “de executeuren hem niet konden onthouden,” had zich met grooten ijver op de wetenschap des levens toegelegd. Door eene edele eerzucht om uit te blinken aangevuurd, had hij eenige keurige apartementen gehuurd, en een zijner kamers tot een jachtsalon ingericht, versierd met de portretten van vermaarde renpaarden, waarin hij geen het minste belang stelde, en een rookdivan, die hij niet kon gebruiken zonder misselijk te worden. In dit verrukkelijk verblijf, wijdde hij zich aan de beoefening dier vriendelijke kunsten, welke het menschdom beschaven en veredelen, en waarin zijn voornaamste leermeester zeker belangwekkend persoon was, die de kemphaan werd genoemd, altijd in de tapperij De Zwarte Bunsing was te bevragen, in het warmste weder eene ruige witte jas droeg, en Toots driemaal in de week met vuisten kwam stompen, tegen het geringe honorarium van tien en een halven schelling voor ieder bezoek.De kemphaan, die de Apollo van Toots’ Pantheon was, had hem met een markeur in kennis gebracht die hem leerde biljarten, met een gardist die hem leerde schermen, met een stalbonk die hem leerde paardrijden, met een heer uitCornwalldie meester was in alle athletische oefeningen, en met nog twee of drie andere vrienden, niet minder nauw aan de schoone kunsten verwant. Onder zulke meesters kon Toots bijna niet missen snelle vorderingen te maken, en onder hunne leiding ging hij dus aan het werk.Doch hoe het wezen mocht, het was toch zoo, dat zelfs terwijl deze heeren het innemende van nieuwe bekenden hadden, Toots zich toch, hij wist niet waarom, onbehaaglijk en ongedurig gevoelde. Hij werd door vlagen van verdrietelijkheid en verveling geplaagd, die zelfs de kemphaan niet kon verdrijven. Niets scheen hem zooveel goed te doen, dan gedurig een kaartje bij Dombey aan huis te brengen. Geen belastinggaarder in het Britsche rijk—dat uitgebreide grondgebied, waar de zon nooit onder- en de belastinggaarder nooit naar bed gaat—kwam ooit trouwer en regelmatiger terug dan Toots.Toots ging nooit naar boven en vervulde altijd dezelfde ceremoniën—met opzet zeer zwierig daartoe gekleed—aan de straatdeur.“Zoo, goeden morgen!” was het eerste gezegde, als de knecht opendeed. “Voor mijnheer Dombey,” was zijn tweede gezegde, terwijl hij[157]een kaartje overgaf. “Voor jufvrouw Dombey,” was zijn derde, terwijl hij nog een kaartje overgaf.Dan keerde Toots zich om, alsof hij wilde heengaan; maar de knecht kende hem al, en wist dat hij nog niet ging.“O, neem mij niet kwalijk,” zeide Toots dan, alsof die gedachte hem eensklaps inviel. “Is dat meisje thuis?”De knecht dacht het dan wel, maar wist het niet zeker. Dan trok hij aan eene schel, die boven hing, en keek de trap op, en zeide, ja, zij was thuis en kwam naar beneden. Dan verscheen Suze Nipper, en ging de knecht heen.“O! Hoe maakt gij het?” zeide Toots dan,grinnikenden blozend.Suze bedankte hem dan, en zeide dat zij heel wel was.“Hoe maakt het Diogenes?” was dan Toots’ tweede vraag.Ook heel wel. Jufvrouw Florence hield van dag tot dag meer van hem. Toots begroette dit bericht met eene uitbarsting van gegrinnek, alsof men eene flesch met een of ander bruisend vocht opentrok.“Jufvrouw Florence is ook heel wel, mijnheer,” voegde Suze er dan bij.—“O, dit komt er niet op aan, dankje wel,” was daarop het onveranderlijk antwoord van Toots; en als hij dit gezegd had, ging hij altijd zeer snel heen.Nu is het zeker dat Toots iets nevelachtigs voor den geest had, hetwelk hem deed besluiten dat hij, als hij eens naar de hand van Florence kon staan, gelukzalig zou wezen. Het is zeker dat Toots, met een grooten omweg, tot dit begrip gekomen was, en daarbij was blijven stilstaan. Zijn hart was gekwetst; hij was verliefd. Op zekeren avond had hij eene wanhopige poging gedaan (en hij was den geheelen nacht daarvoor opgebleven) om een naamvers op Florence te schrijven, en terwijl hij er over zat te denken, had zijne ontroering hem tranen doen storten. Maar op schrift kwam hij niet verder dan de woorden: “Frisch klopt mijn hart wanneer ik zie,” daar de vlucht van verbeelding, waarmede hij de beginletters der zeven andere regels had neergeschreven hem toen begaf.Behalve tot het uitdenken van dien listigen maatregel om mijnheer Dombey dagelijks een kaartje te brengen, was het brein van Toots nog niet zeer werkzaam geweest over het onderwerp dat zijn gevoel zooveel te doen gaf. Maar na diep overleg kwam Toots tot de overtuiging, dat het een gewichtige stap zou zijn als hij de gunst van Suze Nipper kon winnen, eer hij deze iets van den staat van zijn gemoed openbaarde.Deze jonge juffer met schertsende galanterie te behandelen, kwam hem voor het rechte middel te zijn om haar voor zijne belangen te winnen. Niet in staat om het hieromtrent met zich zelven eens te worden, raadpleegde hij den Kemphaan—zonder dien heer evenwel in zijn vertrouwen te nemen, en hem slechts onderrichtende dat een vriend uitYorkshirehem (Toots) om zijn gevoelen over zulk een vraagpunt had geschreven. Toen de Kemphaan hierop antwoordde, dat zijn gevoelen altijd was: “Zet maar door,” en verder: “Als gij uw portuur voor u hebt, ga dan uw gang,” hield Toots dit voor eene figuurlijke manier om zijne eigene meening te bevestigen, en nam dus het heldhaftige besluit om Suze des anderen daags een kus te geven.Des anderen daags versierde Toots zich derhalve met het fraaiste dat Burgess en Comp. hem hadden geleverd, en ging met dit voornemen naar het huis van Dombey. Maar toen hij de plek naderde, waar hij zijn moed zou toonen, ontzonk hem deze zoozeer, dat het, schoon hij tegen drie uur in den namiddag daar aankwam, zes uur was eer hij aan de deur klopte.Alles ging volgens gewoonte, tot aan het punt waar Suze zeide dat hare jonge meesteres heel wel was, en Toots zeide dat dit hem niet kon schelen. Tot hare verbazing, bleef Toots, in plaats van na dat gezegde als een vuurpijl heen te stuiven, voor haar staangrinniken.“Misschien wilt gij wel eens boven gaan, mijnheer?” zeide Suze.—“Ja, mij dunkt ik zal eens binnenkomen,” zeide Toots.Maar in plaats van de trap op te gaan, toen de deur gesloten was, deed Toots half in den blinde een greep naar Suze, sloot haar in zijne armen en gaf haar een kus op de wang.“Loop heen,” riep Suze, “of ik zal je de oogen uitplukken.”—“Nog een!” zeide Toots.—“Loop heen!” riep Suze, hem een duw gevende. “Zulk een hals als gij! Wie zal er nu nog beginnen! Loop heen, mijnheer!”Suze was niet ernstig in het nauw, want zij kon haast niet spreken van het lachen; maar Diogenes, op de trap, die een geritsel tegen den muur en een gescharrel van voeten hoorde, en door de leuning heen zag dat er eene vechtpartij plaats had en er een vreemde indringer in huis was, dacht er anders over, stoof tot ontzet naar beneden en had Toots in een oogwenk bij een been.Suze gilde, lachte, deed de straatdeur open, en liep weg; de stoutmoedige Toots stommelde de straat op, met Diogenes aan een pijp van zijne broek; Diogenes, afgeschud, rolde om en om in het stof, sprong weder op, rende om den duizeligen Toots heen, en beet naar hem; en al dat oproer zag Carker, die op eenigen afstand zijn paard ophield, tot zijn verbazing uit het deftige huis van Dombey komen.Carker bleef naar den onthutsten Toots zitten kijken, tot Diogenes binnengeroepen en de deur gesloten was, en ook nog terwijl Toots,[158]schuilplaats zoekende in een poortje dichtbij, zijne gescheurde broekspijp verbond met een fraaien zijden zakdoek, die een deel was geweest van zijne kostbare uitrusting voor de onderneming.“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Carker, met zijn vriendelijksten glimlach naar hem toerijdende, “ik hoop dat gij niet bezeerd zijt.”—“O neen, wel bedankt,” zeide Toots, zijn hoog gekleurd gezicht opheffende, “het is van geen beduiden.” Hij had wel willen doen gelooven, dat het hem zeer beviel.—“Als de hond zijne tanden in het vleesch heeft gezet, mijnheer,” begon Carker, naar zijn eigen been wijzende.—“Neen, wel bedankt,” zeide Toots. “Het is heel goed afgeloopen, ik voel er niets van. Wel bedankt.”—“Ik heb het genoegen van mijnheer Dombey te kennen,” merkte Carker aan.—“Hebt gij toch?” zeide de blozende Toots.—“En gij zult mij misschien wel willen vergunnen, dat ik in zijne afwezigheid voor zulk eene onaangenaamheid verschooning verzoek,” zeide Carker, zijn hoed afnemende, “en mij verwonder hoe zoo iets met mogelijkheid gebeurd kan zijn.”Toots gevoelt zich door deze beleefdheid zoo zeer gestreeld, en is zoo blijde over de gelukkige kans om met een vriend van mijnheer Dombey kennis te maken, dat hij zijn kaartjestaschje uithaalt, hetwelk hij nooit verzuimt zooveel mogelijk te gebruiken, en Carker zijn naam en adres toereikt. Carker beantwoordt deze beleefdheid door hem zijn kaartje te geven, en daarmede scheiden zij.Terwijl Carker zoo zachtjes het huis voorbijrijdt, en naar de vensters opziet, en het peinzende gezichtje poogt te onderscheiden dat achter het gordijn naar de kinderen aan den overkant kijkt, komt de ruige kop van Diogenes dicht daarbijgeklauterd; en zonder naar verbod of liefkoozing te luisteren, bromt en blaft de hond, en schijnt van die hoogte naar hem te willen afspringen om hem van lid tot lid te verscheuren.Wel gedaan, Diogenes, zoo dicht bij uwe meesteres! Nog eens, en nog eens, met den kop omhoog en vlammende oogen, grimmig den bek vertrekkende, dat gij hem niet kunt krijgen! Nog eens, terwijl hij, voorzichtig de schoonste plekjes zoekende, heenrijdt. Gij hebt een goeden reuk, Diogenes. Eene kat, jongen, eene kat!

XXII.CARKER DE CHEF NEEMT EENIGE VOORZORGEN.

Carker de chef zat voor zijn lessenaar, met een gezicht zoo effen en glad gestreken als gewoonlijk, las de brieven, die hij alleen mocht openen, schreef nu en dan de noodige aanteekeningen en aanwijzingen achterop, en legde ze op verscheidene hoopjes, om deze aan de verschillende afdeelingen van het kantoor te laten uitdeelen. De post had dien ochtend een groot aantal brieven medegebracht, en Carker de chef had dus veel te doen.Het voorkomen van iemand die aldus bezig is—nu een hoopje papieren in zijne hand doorkijkende en een voor een uitdeelende, dan een[149]ander hoopje opnemende en met een gefronst voorhoofd en dichtgeknepene lippen naziende—beurtelings afnemende, uitzoekende, ronddeelende en peinzende—zou licht aan zekere comische gelijkenis op een kaartspeler doen denken. Het gezicht van Carker den chef strookte zeer wel met zulk een inval. Het was het gezicht van iemand die zijn spel voorzichtig doordacht, die op alles lette wat hem voordeelig en nadeelig kon zijn, die alle voorkomende kaarten in zijn geheugen hield, en nauwkeurig wist wat zij golden, wat zij nog misten, en wat zij te zamen uitmaakten; die slim genoeg was om te ontdekken wat de andere spelers in de hand hadden, en nooit zijn eigen spel verried.De brieven waren in verschillende talen, maar Carker de chef las ze allen. Als er op het kantoor van Dombey en Zoon iets was voorgekomen dat hij niet lezen kon, zou er eene kaart aan het spel ontbroken hebben. Hij las bijna met een enkelen blik, bracht al voortlezende den eenen brief met den anderen en de eene zaak met de andere in verband, en vergrootte aanhoudend de hoopjes—evenals een geoefend speler de kaarten met één blik kent, en ze nog onthoudt en in rekening brengt als zij gekeerd zijn. Eenigszins al te slim voor een partner, en veel te slim voor een tegenspeler, zat daar Carker de chef, in de stralen der zon, die hem door het lantarenvenster beschenen, en speelde zijn spel alleen.En schoon het kaartspelen niet tot de instincten van het kattengeslacht (wild of getemd) behoort, was Carker de chef katachtig van het hoofd tot de voeten, terwijl hij zich daar in het streepje zomerlicht en zomerwarmte zat te koesteren, dat op zijne tafel en grond scheen. Met haar en bakkebaard altijd flauw van kleur, maar in dien zonneschijn nog flauwer dan anders, en meer naar de vacht van eene geelgrauwe kat gelijkende; met lange nagels, net geknipt en fijn gescherpt; met eene natuurlijke antipathie voor ieder spatje vuil, welke hem somtijds naar de vallende stofjes deed kijken en van zijne witte hand of keurig linnen wegvegen; zat daar Carker de chef, sluw van uitzicht, scherp van tand, zacht van voet, waakzaam van oog, glad van tong, wreed van hart, zindelijk uit gewoonte, met zeker oplettend zelfbehagen en voorzichtig geduld te werken, alsof hij voor een muizenhol zat te loeren.Eindelijk waren de brieven afgehandeld, met uitzondering van een, dien hij voor eene afzonderlijke audiëntie bewaarde. Nadat hij de geheime correspondentie in eene lade had gesloten, trok hij aan de schel.“Waarom komtgijbinnen?” was de vraag waarmede hij zijn broeder ontving.—“De looper is uit, en ik ben de volgende,” was het onderdanig antwoord.—“Gij de volgende,” mompelde de chef. “Ja! Veel eer voor mij! Daar!”Naar de hoopjes brieven wijzende, keerde hij zich in zijn leuningstoel verachtelijk om, en verbrak het cachet van den brief dien hij in de hand had.“Het spijt mij dat ik u moet lastig vallen, James,” begon zijn broeder, de brieven opzamelende, “maar …”—“O! Gij hebt iets te zeggen. Dat wist ik wel. Nu?”Carker de chef sloeg zijne oogen niet naar zijn broeder op, maar hield ze op den brief gevestigd, zonder dien evenwel te openen.“Welnu?” herhaalde hij scherp.—“Ik ben ongerust over Harriët.”—“Welke Harriët? Ik ken niemand die zoo heet.”—“Zij is niet wel. Zij is sedert eenigen tijd veel veranderd.”—“Zij is veel veranderd, al vele jaren geleden,” antwoordde de chef, “en dat is al wat ik te zeggen heb.”—“Ik denk, als ge mij woudt aanhooren …”—“Waarom zou ik u aanhooren, broeder John?” antwoordde Carker de chef, met een spottenden nadruk op deze twee woorden, en het hoofd oprichtende, maar zonder zijne oogen op te slaan. “Ik zeg u, Harriët Carker heeft voor vele jaren de keus gedaan tusschen hare twee broeders. Zij mag er nu berouw van hebben, maar zij moet er bij blijven.”—“Versta mij niet verkeerd. Ik zeg niet dat zij er berouw van heeft. Het zou eene groote ondankbaarheid van mij zijn, als ik zoo iets liet denken,” zeide de ander. “Maar geloof mij, James, ik ben even bedroefd over hare opoffering als gij.”—“Als ik?” riep de chef uit. “Als ik?”—“Even bedroefd over hare keus—over wat gij hare keus noemt—als gij er kwaad over zijt.”—“Kwaad?” herhaalde de ander, en liet al zijne tanden zien.—“Onvergenoegd. Welk woord u maar belieft. Gij weet wel wat ik meen. Ik wil niet beleedigend zijn.”—“Al wat gij doet is beleedigend,” antwoordde zijn broeder, hem eensklaps met een donkeren blik aanziende, die terstond plaats maakte voor een glimlach nog breeder dan de vorige. “Neem die papieren mee, als het u belieft. Ik heb bezigheden.”Zijne beleefdheid was zooveel scherper dan zijne gramschap, dat de Junior naar de deur ging. Daar bleef hij echter staan, en zich omkeerende, zeide hij:—“Toen Harriët, bij uwe eerste billijke verontwaardiging en mijne eerste schande, vruchteloos voor mij bij u poogde te spreken, en toen zij u verliet, James, om mij in mijn ongeluk te volgen, en zich in hare blinde liefde aan haar gevallen broeder toe te wijden, omdat hij buiten haar niemand had, was zij nog jong en bevallig. Ik denk als gij haar nu kondt zien—als gij haar nu wildet gaan zien—zoudt gij u verwonderen en medelijden met haar hebben.”De chef boog zijn hoofd en toonde zijne tanden, als wilde hij, tot antwoord op een onverschillig praatje, zeggen: “Wel, wel! Zoo, zoo!”[150]maar sprak geen woord.—“Wij dachten in die dagen, gij en ik beiden, dat zij jong zou trouwen en een gelukkig en onbezorgd leven hebben,” vervolgde de ander. “O, als gij wist hoe blijmoedig zij is voortgegaan op den weg dien zij toen nam, zonder eene enkele maal om te zien, dan zoudt gij nooit weder kunnen zeggen dat haar naam u vreemd was. Nooit!”Wederom boog de chef zijn hoofd en toonde zijne tanden, als wilde hij zeggen: “Wel opmerkelijk! Ik ben waarlijk verwonderd;” maar wederom sprak hij geen woord.—“Mag ik voortgaan?” zeide John Carker gedwee.—“Heengaan?” antwoordde zijn glimlachende broeder. “Als ge zoo goed wilt zijn.”Met een zucht ging John Carker langzaam de deur uit, toen de stem van zijn broeder hem op den drempel deed stilstaan.“Als zij blijmoedig haar weg gaat,” zeide hij, den nog ongeopenden brief op den lessenaar werpende, “kunt gij haar zeggen dat ik even blijmoedig den mijnen ga. Als zij nooit heeft omgezien, kunt gij haar zeggen dat ik dat wel eens heb gedaan, om mij te herinneren dat zij uwe partij heeft gekozen, en dat mijne besluiten niet minder duurzaam zijn,” hier glimlachte hij zeer vriendelijk, “dan marmer.”—“Ik zeg haar niets van u. Wij spreken nooit over u. Eenmaal ’s jaars, op uw verjaardag, zegt Harriët altijd: “Laten wij James gedachtig zijn en wenschen dat hij gelukkig zij;” maar meer zeggen wij niet.”—“Zeg het dan u zelven als het u belieft,” was het antwoord. “Gij kunt het niet te dikwijls herhalen, als eene les voor u om mij niet over de zaak te spreken. Ik ken geene Harriët Carker. Er is zoo iemand niet. Gij moogt eene zuster hebben; houd haar dan in waarde. Ik heb er geen.”Hij nam den brief weder op en wuifde met een glimlach van spottende beleefdheid naar de deur. Toen zijn broeder heenging, zag hij dezen nog donker na, en zich toen weder in zijn leuningstoel omdraaiende begon hij den brief met aandacht te lezen.Deze was van de hand van zijn grooten patroon, Dombey, en vanLeamingtongedateerd. Schoon hij een vlug lezer van alle andere brieven was, las Carker dezen langzaam: ieder woord wegende, en al zijne tanden als het ware er op scherpende. Toen hij het geschrift had doorgelezen, sloeg hij het blad nog eens om, en zocht deze plaatsen uit: “Ik vind dat de verandering mij heilzaam is, en ben nog niet gezind om een tijd voor mijne terugkomst te bepalen.”—“Ik wenschte, dat gij schikking wildet maken om eens in persoon over te komen, om mij te zeggen hoe de zaken gaan.” “Ik heb nagelaten u van den jongen Gay te spreken. Zoo nog niet met de Zoon en Erfgenaam vertrokken, of als de Zoon en Erfgenaam nog in de dokken ligt, benoem dan een ander jongmensch, en houd hem vooreerst aan het kantoor. Ik heb nog niet besloten.”—“Dat is nu wel ongelukkig!” zeide Carker, zijn mond uitrekkende alsof die van gom-elastiek was; “want hij is al ver weg.”Evenwel trok deze plaats, die in een naschrift voorkwam, nogmaals zijne aandacht.“Ik geloof,” zeide hij, “dat mijn goede vriend kapitein Cuttle er eens van sprak, dat hij wel in het zog van dien grooten dag zou worden meegesleept. Hoe jammer dat hij zoo ver weg is!”Hij vouwde den brief weder op en zat er mede te spelen, keerde hem naar alle richtingen op de tafel om en om—misschien deed hij wel hetzelfde met den inhoud, toen Perch de boodschaplooper zachtjes aan de deur klopte, op de teenen binnenkwam, bij elken stap buigende alsof het buigen de lust van zijn leven was, en eenige papieren op de tafel legde.“Zoudt ge misschien belet willen hebben, mijnheer?” vroeg Perch, zijne handen wrijvende en zijn hoofd ootmoedig op zijde houdende, als iemand die wel wist dat het zijne zaak niet was het voor zulk een persoon op te steken en het zooveel mogelijk uit den weg wilde houden.“Wie vraagt er naar mij?”—“Och, mijnheer,” antwoordde Perch zeer zacht, “eigenlijk niemand om van te spreken. Mijnheer Gills, de scheepsinstrumentmaker, is gekomen om een betalinkje te doen, zegt hij; maar ik heb hem gezegd dat gij denkelijk belet hadt, voor nog lang—heel lang.”Perch kuchte eens achter zijne hand en wachtte op verdere bevelen.“Iemand anders?”—“Wel, mijnheer,” zeide Perch, “ik zou uit mij zelven niet zoo vrijpostig zijn om te zeggen, mijnheer, dat er nog iemand was; maar die zelfde jongen, mijnheer, die gisteren en verleden week al hier is geweest, slentert nu weer hier in het rond; en het staat zoo gemeen, mijnheer,” vervolgde Perch, even ophoudende om de deur dicht te doen, “als men hem daar tegen de musschen ziet staan fluiten tot zij hem antwoord geven.”—“Gij hebt gezegd dat hij iets te doen wilde hebben, niet waar, Perch?” zeide Carker, in zijn stoel achteroverleunende en den ander aanziende.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Perch, weder met een kuchje achter zijne hand, “hij zeide eens dat hij naar eene conditie zocht, en dat hij dacht dat men hem wel aan de dokken zou kunnen gebruiken, omdat hij aan het visschen met den hengel gewoon was; maar”—Perch schudde zeer twijfelachtig zijn hoofd.—“Wat zegt hij dan als hij hier komt?” vroeg Carker.—“Wel, mijnheer,” antwoordde Perch, nog eens achter zijne hand kuchende, hetgeen, als een blijk van nederigheid, altijd zijne toevlucht was als hem niet anders inviel, “hij zegt doorgaans dat hij nederig verzoekt om een van de heeren te spreken, en dat hij zijn brood wil verdienen. Maar gij begrijpt wel, mijnheer,”[151]vervolgde Perch fluisterend, en zich omkeerende om de deur eene duw met hand en knie te geven, alsof hij ze daardoor nog dichter dan dicht zou kunnen sluiten, “het is haast niet te verdragen dat zulk een gemeene jongen hier komt malen en zeggen dat zijne moeder den jongen heer van ons kantoor gezoogd heeft, en dat hij daarom hoopt dat het kantoor hem een kansje zal geven. Ik verzeker u, mijnheer, dat hoewel mijne vrouw toen zulk een gezond meisje zoogde als wij ooit zoo vrij zijn geweest om onze familie mee te vergrooten, ik nooit zoo vrijpostig zou zijn geweest om er van te spreken dat zij ook wel min had kunnen wezen, al was het om nog zooveel geweest.”Carker grijnsde hem aan als een haai, maar deed dit op eene verstrooide, peinzende manier.“Of,” hervatte Perch, na eene poos van stilte en nog een kuchje, “het niet best zou zijn als ik hem zeide, dat ik hem zou laten arresteeren als hij weer hier kwam, en dat dan ook te doen. Ik zou gemakkelijk kunnen bezweren, mijnheer, dat ik voor gewelddadigheden van hem bang ben, zoo vreesachtig ben ik van aard, mijnheer, en zoo zenuwachtig maken mij de omstandigheden van mijne vrouw.”—“Laat mij dien knaap eens zien, Perch,” zeide Carker. “Breng hem eens hier.”—“Ja, mijnheer. Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Perch en bleef aarzelend bij de deur staan. “Maar hij ziet er heel ruw uit, mijnheer.”—“Dat komt er niet op aan. Als hij er nog is, breng hem dan hier. Ik zal mijnheer Gills dadelijk spreken. Vraag hem om te wachten!”Perch boog; en de deur zoo zorgvuldig en nauwkeurig achter zich sluitende alsof hij in geene week terugkwam, ging hij tusschen de musschen zoeken. Terwijl hij weg was hernam Carker zijne geliefkoosde houding voor den schoorsteen en bleef naar de deur staan kijken. Met zijne opgetrokken bovenlip, die eene geheele rij tanden liet zien, had hij een bijzonder loerend en dreigend uitzicht.Het duurde niet lang of Perch kwam terug, gevolgd door een paar zware laarzen, die als lompen door den gang klotsten. Met de onbeleefde woorden: “Kom aan, binnen!”—een zeer ongewone vorm van aandienen in zijn mond—liet Perch toen een forsch gebouwden knaap van vijftien jaren in, met een rond rood gezicht, een rond glad hoofd, ronde zwarte oogen, ronde leden en een rond lijf, die, om met de algemeene rondheid van zijn voorkomen te strooken, een ronden hoed in de hand had, zonder eenig spoor van rand er aan.Op een wenk van Carker verdween Perch, zoodra hij dezen knaap voor hem had geplaatst. Zoodra zij alleen waren greep Carker, zonder een woord tot inleiding, den jongen bij de keel en schudde hem tot zijn hoofd geheel los op zijne schouders scheen te staan.De jongen, die te midden van zijne verbazing over den heer met zooveel witte tanden, die hem scheen te willen verworgen, niet nalaten kon in de kamer rond te kijken, als had hij besloten dat, als hij dan geworgd moest worden, zijn laatste blik gevestigd zou zijn op die geheimen voor welker schennis hij zoo zwaar moest boeten, bracht eindelijk uit:“Laat staan, mijnheer. Laat mij los!”—“U loslaten!” zeide Carker. “Wat! Heb ik u dan beet?” Daar was geen twijfel aan, en dat wel vrij stevig. “Gij rekel,” zeide Carker, door zijne opeengeklemde tanden, “ik zal u verworgen!”Biler jankte, och neen, och neen!—en wat had hij gedaan—en waarom worgde hij geen jongen die zoo groot was als hij zelf, enhemniet. Maar Biler werd door deze buitengewone ontvangst geheel overbluft; en toen zijn hoofd weder stilstond, en hij den onbekenden heer in het gezicht of liever in de dreigende tanden keek, vergat hij zijne manhaftigheid in zoo verre dat hij begon te huilen.“Ik heb u niets gedaan, mijnheer,” zeide Biler, alias Robert, alias Grinder, oudste zoon van baas Toodle.—“Gij schobbejak!” antwoordde Carker, hem langzaam loslatende en een stap achterwaarts doende, om zijne geliefkoosde houding aan te nemen. “Wat meent gij daarmee dat gij hier durft komen?”—“Ik meende geen kwaad, mijnheer,” jankte Rob, met de eene hand zijne keel betastende en de knokkels der andere in zijne oogen duwende. “Ik zal nooit weerom komen, mijnheer. Ik wilde maar werk hebben.”—“Werk, gij jonge Kaïn!” zeide Carker, hem strak aanziende. “Zijt ge dan niet de luiste deugniet van de geheele stad?”De beschuldiging, die Toodle junior ten diepste trof, was echter zoo wel gegrond, dat hij geen woord van ontkenning kon uitbrengen. Hij bleef den geduchten heer dus met een verschrikt, beschaamd en boetvaardig gezicht staan aankijken. Wat dit aankijken betreft, mag men zeggen dat Carker hem scheen te betooveren, en de knaap zijne ronde oogen geen oogenblik van hem kon afwenden.“Zijt ge niet een dief?” zeide Carker, met zijne handen achter zich in zijne zakken.—“Neen, mijnheer,” antwoordde Rob verlegen.—“Dat zijt ge wel,” zeide Carker.—“Waarlijk niet, mijnheer,” jankte Rob. “Gij moogt mij gelooven, mijnheer, ik heb nooit iets gestolen. Ik weet wel dat ik ondeugend ben geworden, mijnheer, sedert ik mij met vogelvangen en hardloopen had opgehouden. Iemand zou wel denken,” zeide Rob, met eene uitbarsting van boetvaardigheid, “dat zangvogeltjes een onschuldig gezelschap waren, maar niemand weet hoeveel kwaad er in die beestjes steekt en waar zij iemand toe brengen.”Zij schenen hem gebracht te hebben tot een zeer versleten trijpten buis en broek, een buitengemeen[152]klein rood vestje, dat naar een enkelen kraag geleek, eene tusschenruimte van blauw bont en den bovengemelden hoed.“Ik ben geen twintigmaal naar huis geweest sedert die vogeltjes mij den baas werden,” zeide Rob, “en dat is tien maanden. Hoe kan ik naar huis gaan, als iedereen verdrietig is dat hij mij ziet! Het verwondert mij,” zeide Rob, nu hardop snikkende en zijne oogen met zijne mouw besmerende, “dat ik mij niet al dikwijls en dikwijls heb gaan verdrinken.”Dit alles, de betuiging van verwondering dat hij dit laatste feit niet verricht had, ingesloten, zeide de jongen, alsof Carker’s tanden het hem uit de keel haalden, en hij, zoolang deze hunne macht op hem uitoefenden, niet in staat was om iets te verbergen.“Ge zijt een aardig jong heer!” zeide Carker, zijn hoofd schuddende. “Er is al hennepzaad voor u gezaaid, jongetje!”—“Waarachtig, mijnheer,” antwoordde de ongelukkige Biler al snikkende, “het zou mij niet kunnen schelen, al was het al gegroeid ook. Al mijn ongeluk is begonnen met spijbelen, mijnheer; maar wat kon ik anders doen?”—“Anders dan wat?” zeide Carker.—“Spijbelen, mijnheer. Spijbelen van school.”—“Meent gij, te doen alsof gij daarheen zoudt gaan en er niet heen gaan?” zeide Carker.—“Ja, mijnheer; dat is spijbelen, mijnheer,” antwoordde de gewezen Slijper, zeer aangedaan, “Ik werd op straat dood geplaagd, mijnheer, als ik er naar toe ging, en als ik er kwam kreeg ik nog slaag. Zoo liep ik spijbelen, en hield mij ergens schuil, en zoo begon het.”—“En wilt ge mij nu zeggen,” zeide Carker, nadat hij hem weder bij de keel had gepakt, op armslengte van zich afgehouden en eene poos zwijgend aangestaard, “dat gij naar eene plaats zoekt?”—“Ik zou dankbaar zijn als men mij eens probeerde, mijnheer,” antwoordde Toodle junior flauw.Carker duwde hem achteruit in een hoek—de jongen onderwierp zich stil, durfde nauwelijks ademhalen, en keerde de oogen niet van zijn gezicht af—en schelde.“Laat mijnheer Gills hier komen.”Perch was te eerbiedig om te laten blijken, dat hij de gedaante in den hoek herkende of zich daarover verwonderde; en weldra verscheen oom Sam.“Ga zitten, mijnheer Gills,” zeide Carker met een glimlach. “Hoe vaart gij? Nog altijd gezond, hoop ik?”—“Wel bedankt, mijnheer,” antwoordde oom Sam, zijn zakboekje uithalende en onder het spreken eenige papiertjes overgevende. “Naar het lichaam scheelt mij niets dan mijn ouderdom. Vijf en twintig, mijnheer.”—“Ge zijt zoo nauwkeurig, mijnheer Gills,” antwoordde de glimlachende chef, een papier uit een van zijne vele laden halende en iets op den achterkant aanteekenende, terwijl oom Sam er naar keek, “als een van uw eigen chronometers. In orde.”—“De Zoon en Erfgenaam is niet gepraaid, mijnheer, zie ik aan de lijst,” zeide oom Sam, met eene geringe vermeerdering der gewone beving in zijne stem.—“De Zoon en Erfgenaam is niet gepraaid,” antwoordde Carker. “Er schijnt stormachtig weer te zijn geweest, mijnheer Gills, en waarschijnlijk is het schip uit zijn koers gedreven.”—“Het is toch veilig, hoop ik van den hemel,” zeide de oude Sam.—“Het is toch veilig, hoop ik van den hemel,” herhaalde Carker op die stemlooze manier, die hij somtijds aannam, en die den oplettenden jongen Toodle wederom deed beven. “Mijnheer Gills,” vervolgde hij overluid, “gij moet uw neef wel erg missen.”Oom Sam, die bij hem stond, schudde zijn hoofd en slaakte een zwaren zucht.“Mijnheer Gills,” zeide Carker, met zijne zachte hand om zijn mond spelende, en den instrumentmaker aanziende, “het zou gezellig voor u zijn als ge tegenwoordig een jong maatje in uw winkel hadt, en het zou eene verplichting voor mij zijn als gij zulk een knaapje vooreerst huisvesting wildet geven. Ik weet wel,” vervolgde hij snel, om den ouden man voor te komen, “dat er niet veel in uw winkel omgaat; maar gij kunt hem dien laten schoonhouden, de instrumenten oppoetsen, kortom van alles laten doen. Daar staat de jongen, mijnheer Gills!”Samuel Gills schoof zijn bril van zijn voorhoofd voor zijne oogen, en keek naar Toodle junior, die zoo stijf als een staak in zijn hoek stond;—wiens hoofd (gelijk altijd) een voorkomen had, alsof hij zoo pas uit een emmer koud water was gehaald, terwijl zijn vestje met het spel zijner aandoeningen rees en daalde,—en zijne oogen strak op Carker hield gevestigd, zonder op den meester, dien men hem wilde geven, te letten.“Wilt gij hem bij u nemen, mijnheer Gills?” zeide Carker.Zonder zeer met het voorstel te zijn ingenomen, antwoordde Samuel, dat hij blijde was met eene gelegenheid, hoe gering ook, om mijnheer Carker te verplichten, wiens verlangen in zulk een opzicht een bevel was; en dat de houten adelborst zich gelukkig zou achten een door mijnheer Carker gekozen gast te mogen ontvangen.Carker liet tanden en tandvleesch zien—hetgeen den waakzamen Toodle junior al erger en erger deed beven—en dankte den instrumentmaker op zijne vriendelijkste manier voor zijne beleefdheid.“Ik zal hem dan bij u zenden, mijnheer Gills,” zeide hij, opstaande en den ouden man de hand gevende, “tot ik het met mij zelven eens word wat verder met hem te doen, en wat hij verdient. Daar ik mij zelven verantwoordelijk[153]voor hem acht, mijnheer Gills,” hierbij zag hij Robert aan met een glimlach, waarvoor de knaap sidderde, “zal het mij genoegen doen als gij scherp op hem let en mij bericht geeft hoe hij zich gedraagt. Ik zal zijne ouders—ordentelijke lieden—een paar vragen doen als ik vandaag naar huis rijd, ter bevestiging van het een en ander dat hij mij gezegd heeft; en dan zal ik hem morgen naar u toe zenden, mijnheer Gills. Goeden morgen!”“Laat staan, mijnheer. Laat mij los!”—“U loslaten!” zeide Carker. “Wat! heb ik u dan beet?” Daar was geen twijfel aan, en dat wel vrij stevig. “Gij rekel,” zeide Carker, door zijne opeengeklemde tanden, “ik zal u verworgen!” (blz. 151).“Laat staan, mijnheer. Laat mij los!”—“U loslaten!” zeide Carker. “Wat! heb ik u dan beet?” Daar was geen twijfel aan, en dat wel vrij stevig. “Gij rekel,” zeide Carker, door zijne opeengeklemde tanden, “ik zal u verworgen!”(blz. 151).Zijn glimlach bij het afscheid was zoo vol tanden, dat de oude Sam er verlegen en onrustig van werd, zonder te weten waarom. Onderweg naar huis dacht hij aan kokende zeeën, zinkende schepen, drenkelingen, eene flesch oude madera die nooit weder voor het licht kwam, en andere akeligheden.“Kom aan, jongen,” zeide Carker, zijne hand op Rob’s schouder leggende, en hem naar het midden van de kamer brengende. “Gij hebt mij gehoord?”—“Ja, mijnheer,” zeide Rob.—“Misschien begrijpt gij wel,” hervatte zijn patroon, “dat als ge mij ooit bedriegt of streken speelt, ge beter zoudt gedaan hebben als gij u maar voorgoed hadt verdronken, eer ge hier naar toe kwaamt?”[154]Er was in alle vakken van wetenschap niets dat Rob beter scheen te begrijpen dan dit.“Als ge mij in iets belogen hebt,” zeide Carker, “kom mij dan nooit weer in den weg. Zoo niet, laat ik u dan dezen achtermiddag ergens bij uw moeders huis naar mij vinden wachten. Ik zal om vijf uur hier vandaan gaan en te paard daarheen rijden. Geef mij nu het adres.”Rob zeide dit langzaam voor, terwijl Carker het opschreef. Rob spelde het zelfs nog eens, letter voor letter, over, alsof hij dacht dat het vergeten van een stipje of streepje zijn verderf zou berokkenen. Daarna duwde Carker hem de kamer uit, en Rob verdween nu vooreerst, maar hield tot het laatste toe zijne ronde oogen op zijn patroon gevestigd.Carker de chef deed dien dag vele zaken af, en liet een groot aantal menschen zijne tanden zien. In het kantoor, op straat en op de beurs glinsterden zij geweldig en schrikkelijk. Toen het vijf uur werd en Carker’s paard voorkwam, stegen zij op en reden al glinsterendCheapsideaf.Daar iemand, al wilde hij haast maken, door het gewoel en gedrang in deCityop dat uur niet gemakkelijk hard kon rijden, en Carker geen haast wilde maken, reed hij op zijn gemak voort, tusschen de karren en rijtuigen door, zooveel mogelijk de modderplassen vermijdende en zich oneindige moeite gevende om zich zelven en zijn paard schoon te houden. Terwijl hij zoo voorttrippelende naar de voorbijgangers keek, ontmoette hij eensklaps de ronde oogen van Rob, zoo strak op zijn gezicht gevestigd, alsof hij ze er nooit had afgewend, terwijl de knaap zelf, met een bonten zakdoek stijf om zijn middel geknoopt, zich blijkbaar gereed hield, om hem bij te houden, hoe hard hij ook verkoos te rijden.Daar deze oplettendheid, hoe vleiend ook, van eenigszins buitengewonen aard was en de aandacht van andere voetgangers trok, nam Carker, op eene plek waar de weg ruimer en de straat schooner werd, de gelegenheid waar om het in een draf te zetten. Terstond deed Rob hetzelfde. Daarop beproefde Carker een handgalop, Rob hield hem bij. Toen een meer gestrekten galop; het was den knaap eveneens. Als Carker zijne oogen naar dien kant wendde, zag hij Toodle junior naast hem loopen, naar het scheen zonder moe te worden, en zich met de ellebogen voortwerkende, gelijk een hardlooper van beroep, die voor eene weddenschap loopt.Zoo belachelijk als dit geleide was, was het toch een teeken van den invloed dien hij op den knaap had verworven, en Carker reed derhalve, alsof hij er niet eens op lette, voort, tot dicht bij de woonplaats van baas Toodle. Toen hij hier zachter begon te rijden, liep Rob vooruit om hem den weg te wijzen, en toen hij een man riep om zijn paard te houden, terwijl hij het buurtje datStagg’s Gardenshad vervangen, inging, hield Rob gedienstig den stijgbeugel, terwijl zijn patroon afsteeg.“Kom aan,” zeide Carker, hem bij den schouder vattende; “nu maar voort!”De verloren zoon was blijkbaar beschroomd om de ouderlijke woning te bezoeken; maar dewijl Carker hem voortduwde, kon hij niet anders dan de rechte deur openen, en zich zoo in het midden van zijne broeders en zusters laten brengen, die om de huiselijke theetafel waren gezeten. Op het gezicht van den verlorene in de greep van een vreemdeling, hieven deze teedere bloedverwanten een algemeen gehuil aan, hetwelk het hart van den losbol zoodanig roerde dat hij, toen hij zijne moeder, met het kleinste kleintje op den arm, bleek en bevende zag opstaan, zijne eigene stem bij den koorzang voegde.Nu niet twijfelende of de vreemdeling, zoo niet mijnheer Ketch in eigen persoon, was toch een van zijne ambtgenooten, schreeuwde de jeugdige familie des te harder, terwijl de jongste leden, buiten staat om de aandoenlijkheid van hun leeftijd te bedwingen, zich op den rug wierpen, evenals jonge vogeltjes als zij voor een havik bang worden, en geweldig in de lucht schopten. Eindelijk maakte de arme Polly zich toch hoorbaar, en zeide met bevende lippen: “O Rob, mijn arme jongen, wat hebt ge nu gedaan!”—“Niets, moeder,” riep Rob, op een jammerenden toon. “Vraag het dien heer maar!”—“Wees niet ongerust,” zeide Carker nu. “Ik wil hem goeddoen.”Op dit bericht barstte Polly, die nog niet geschreid had, in tranen uit. De oudste Toodle’s, die op een ontzet schenen bedacht te zijn geweest, ontsloten nu hunne vuisten; de jongsten drongen zich om hun moeders japon en keken onder hunne ronde armpjes door naar hun losbandigen broeder en zijn onbekenden vriend. Iedereen zegende den heer met de mooie tanden, die goed wilde doen.“Deze jongen,” zeide Carker tot Polly, Rob even schuddende, “is uw zoon, niet waar, jufvrouw?”—“Ja, mijnheer,” snikte Polly nijgende. “Ja, mijnheer.”—“Een slechte zoon, vrees ik?” zeide Carker.—“Nooit een slechte zoon voor mij, mijnheer,” antwoordde Polly.—“Voor wien dan?” vroeg Carker.—“Hij is een beetje wild geweest, mijnheer,” zeide Polly, haar kleinste vasthoudende, dat met armpjes en beentjes stuipachtige pogingen aanwendde om door de lucht heen op Biler toe te vliegen, “en heeft met slecht gezelschap verkeerd, mijnheer; maar ik hoop dat hij het ongelukkige daarvan heeft ingezien, mijnheer, en zich weer zal verbeteren.”[155]Carker zag naar Polly, en de zindelijke kamer, en de zindelijke kinderen, en het eenvoudige Toodle’s gezicht, uit dat van vader en moeder samengesteld, dat hem overal in de oogen viel, en scheen het wezenlijke oogmerk van zijn bezoek bereikt te hebben.“Uw man is zeker niet thuis?” zeide hij.—“Neen, mijnheer,” antwoordde Polly. “Hij is nu op het oogenblik op een trein.”De losbandige Rob scheen ruimer adem te halen toen hij dit hoorde, schoon hij, nog geheel onder den invloed van zijn patroon, zijne oogen bijna niet van Carker’s gezicht afkeerde, dan om even een treurigen blik naar zijne moeder te werpen.—“Dan zal ik u zeggen,” hervatte Carker, “hoe ik aan dien jongen van u ben gekomen, en wie ik ben, en wat ik voor hem zal doen.”Carker deed dit op zijne eigene manier, zeggende dat hij hem eerst geducht had willen straffen voor zijne vermetelheid om naar het kantoor van Dombey en Zoon te komen; dat hij zich door zijne jeugd, zijne betuigingen van berouw, en zijne betrekkingen had laten vermurwen, dat hij vreesde eene onvoorzichtigheid te zullen begaan door iets voor den jongen te doen, en dat bedachtzame lieden hem zouden laken; maar dat hij dit voor zijne rekening nam en het op de gevolgen waagde; dat hij dit alleen en geheel zelf deed; dat zijne moeders vroegere betrekking tot de familie Dombey er niets mede te maken had, en dat mijnheer Dombey zelf er niets mede te maken had, maar dat hij, Carker, hier alles in alles was. Na zich zelven voor zijne goedheid te hebben geprezen, en geen minderen lof van de geheele daar aanwezige familie te hebben ontvangen, gaf Carker zijdelings maar toch vrij duidelijk te kennen, dat Rob hem eeuwige dankbaarheid, trouw en verkleefdheid verschuldigd was, en deze de geringste hulde waren die hij kon aannemen. Van deze waarheid was Rob zelf zoodanig doordrongen dat, terwijl hij zijn patroon stond aan te staren, de tranen hem over de wangen rolden, en hij met zijn rond hoofd knikte, tot het bijna even los op zijne schouders scheen te worden, als het dien morgen onder de handen van dien zelfden patroon had gedaan.Polly, die door haar losbandigen eerstgeborene de hemel weet hoeveel slapelooze nachten had doorgebracht, en hem in geene weken had gezien, had welhaast voor Carker den chef, als voor een goeden engel, willen knielen, in spijt van zijne tanden. Maar daar Carker nu opstond om heen te gaan, dankte zij hem slechts met hare moederlijke zegeningen en gebeden; een dank zoo rijk, als hij uit de munt van het hart wordt betaald, vooral voor zulk een dienst als Carker had bewezen, dat hij een grooten hoop klein geld had kunnen teruggeven, en toch nog te duur betaald blijven.Toen deze heer door den troep kinderen heen naar de deur ging, vloog Rob naar zijne moeder toe en sloot haar en het kleintje in dezelfde boetvaardige omhelzing.“Ik zal mijn best doen, lieve moeder. Bij mijne ziel, ik zal nu mijn best doen!”—“Och, doe dat, mijn lieve jongen! En dat zult gij zeker, voor ons en voor u zelven,” zeide Polly, hem een kus gevende. “Maar gij komt toch terug om mij nog eens te spreken, als gij mijnheer hebt weggebracht?”—“Dat weet ik niet, moeder.” Rob aarzelde en liet het hoofd hangen. “Vader—wanneer komt hij thuis?”—“Niet voor morgen om twee uur.”—“Dan zal ik terugkomen, moeder lief,” zeide Rob; en door zijne broertjes en zusjes heengaande, die deze belofte met een schellen kreet ontvingen, volgde hij Carker naar buiten.—“Wat!” zeide Carker, die dit gehoord had. “Hebt gij een slechten vader?”—“Neen, mijnheer,” antwoordde Rob verbaasd. “Er is geen beter en goediger vader dan de mijne is.”—“Waarom wilt gij hem dan niet zien?” vroeg zijn patroon.—“Er is zulk een verschil tusschen een vader en eene moeder, mijnheer,” zeide Rob, na een oogenblik haperens. “Hij zou nog moeielijk kunnen gelooven dat ik het beter zal maken—al weet ik dat hij het wel zou willen gelooven—maar eene moeder—zijgelooft altijd wat goed is, mijnheer; ten minste, ik weet dat mijne moeder dat doet; God zegen haar!”Carker rekte zijn mond uit, maar sprak niet meer voordat hij op zijn paard was gestegen en den man die het vasthield had weggezonden. Toen van den zadel af den oplettenden knaap strak in de oogen ziende, zeide hij: “Gij moet morgenochtend bij mij komen, en dan zal u beduid worden waar die oude heer woont; die oude heer, die van morgen bij mij was en waar gij naar toe gaat, gelijk ge mij hebt hooren zeggen.”—“Ja, mijnheer,” antwoordde Rob.—“Ik stel het grootste belang in dien ouden heer, en als gij hem dient, doet ge mij ook dienst, jongen, verstaat gij wel? Goed,” zeide hij, Rob voorkomende, want hij zag bij deze woorden het ronde gezicht ophelderen, “ik zie dat gij het doet. Ik verlang alles van dien ouden heer te weten, en hoe hij het van dag tot dag maakt—want ik wenschte hem van allen mogelijken dienst te zijn—en vooral wie er bij hem komt. Verstaat ge wel?”Rob knikte met een strak gezicht en zeide wederom: “Ja, mijnheer.”—“Ik zou gaarne hooren dat hij vrienden heeft, die hem niet vergeten—want hij is nu zooveel alleen, de arme man; maar dat zij van hem blijven houden, en van zijn neef, die het land uit is. Er is eene heel jonge dame, die misschien naar hem zal komen zien. Ik verlang vooral alles vanhaarte weten.”—“Daar zal ik wel voor zorgen, mijnheer,” zeide de jongen.—“En[156]pas wel op,” hervatte zijn patroon, bukkende om zijn grijnzend gezicht dichter bij dat van den knaap te brengen, en hem met het achtereind zijner zweep op den schouder te tikken, “pas wel op dat ge tegen niemand behalve mij van mijne zaken spreekt.”—“Tegen niemand in de wereld, mijnheer,” antwoordde Rob, zijn hoofd schuddende.—“Daar ook niet,” zeide Carker, naar de plaats wijzende waar zij vandaan kwamen, “en nergens anders. Ik zal zien of gij trouw en dankbaar kunt zijn. Ik zal u op de proef stellen!” Dit gezegde, door het vertoonen zijner tanden en de beweging van zijn hoofd, evenzeer tot een dreigement als eene belofte makende, keerde hij zich voor Robin’s oogen om—die aan hem vastgenageld waren, alsof hij den jongen door tooverij met lichaam en ziel aan zich onderworpen had—en reed heen. Daar hij echter, na een eindje te hebben gedraafd, wederom bespeurde, dat zijn trouwe geleider, evenals te voren met een zakdoek omgord, hem nog, tot groot vermaak van verscheidene toeschouwers, op zijde bleef, hield hij op en beval hem naar huis te gaan. Om zich te verzekeren dat hij gehoorzaamd werd, keerde hij zich in den zadel om en keek hem na. Het was merkwaardig om te zien, dat Rob zelfs nu nog zijne oogen niet geheel van het gezicht zijns patroons kon afhouden, maar gedurig naar hem bleef omkijken, en daardoor telkens tegen andere voetgangers aanliep, zonder dat hij dit scheen te bemerken.Carker de chef reed nu stapvoets voort, met het geruste gezicht van iemand die al zijne bezigheden van dien dag naar genoegen heeft afgedaan. Hij neuriede al voortrijdende zelfs zachtjes een wijsje. Hij scheen te spinnen, zoo vergenoegd was hij.In zijne verbeelding lag hij zich ook voor een haard te koesteren. Voor zekere voeten ineengedoken, was hij gereed om op te springen en te bijten of te krabben, of ook om te streelen en te vleien, naarmate hij daartoe lust en gelegenheid kreeg. Was er ergens een vogeltje in eene kooi, dat in zijne aandacht deelde?“Eene heel jonge dame,” dacht Carker, al neuriënde. “Ja: toen ik haar de laatste maal zag, was zij nog een klein kind. Met donkere oogen en haar, herinner ik mij, en een goedig gezichtje; een heel goedig gezichtje. Zij zal nu wel mooi zijn geworden.”Nog genoeglijker en tevredener reed Carker verder en sloeg eindelijk de beschaduwde straat in, waar het huis van Dombey stond. Hij had het zoo druk gehad met netten om goedige gezichten te knoopen en ze met de mazen te verdonkeren, dat hij er niet aan dacht reeds zoo ver te zijn, tot hij, het koude verschiet der hooge huizen langs ziende, zijn paard, op eenige schreden afstands van de deur, inhield. Maar om te verklaren waarom Carker zijn paard eensklaps inhield, en wat hij met geene geringe verwondering aanzag, is eene kleine uitweiding noodig.Toots, uit de slavernij bij doctor Blimber bevrijd, en in het genot van zeker gedeelte zijner aardsche bezittingen gekomen, “dat,” gelijk hij mijnheer Feeder, in het laatste halfjaar van zijn proeftijd, elken avond als eene nieuwe ontdekking had medegedeeld, “de executeuren hem niet konden onthouden,” had zich met grooten ijver op de wetenschap des levens toegelegd. Door eene edele eerzucht om uit te blinken aangevuurd, had hij eenige keurige apartementen gehuurd, en een zijner kamers tot een jachtsalon ingericht, versierd met de portretten van vermaarde renpaarden, waarin hij geen het minste belang stelde, en een rookdivan, die hij niet kon gebruiken zonder misselijk te worden. In dit verrukkelijk verblijf, wijdde hij zich aan de beoefening dier vriendelijke kunsten, welke het menschdom beschaven en veredelen, en waarin zijn voornaamste leermeester zeker belangwekkend persoon was, die de kemphaan werd genoemd, altijd in de tapperij De Zwarte Bunsing was te bevragen, in het warmste weder eene ruige witte jas droeg, en Toots driemaal in de week met vuisten kwam stompen, tegen het geringe honorarium van tien en een halven schelling voor ieder bezoek.De kemphaan, die de Apollo van Toots’ Pantheon was, had hem met een markeur in kennis gebracht die hem leerde biljarten, met een gardist die hem leerde schermen, met een stalbonk die hem leerde paardrijden, met een heer uitCornwalldie meester was in alle athletische oefeningen, en met nog twee of drie andere vrienden, niet minder nauw aan de schoone kunsten verwant. Onder zulke meesters kon Toots bijna niet missen snelle vorderingen te maken, en onder hunne leiding ging hij dus aan het werk.Doch hoe het wezen mocht, het was toch zoo, dat zelfs terwijl deze heeren het innemende van nieuwe bekenden hadden, Toots zich toch, hij wist niet waarom, onbehaaglijk en ongedurig gevoelde. Hij werd door vlagen van verdrietelijkheid en verveling geplaagd, die zelfs de kemphaan niet kon verdrijven. Niets scheen hem zooveel goed te doen, dan gedurig een kaartje bij Dombey aan huis te brengen. Geen belastinggaarder in het Britsche rijk—dat uitgebreide grondgebied, waar de zon nooit onder- en de belastinggaarder nooit naar bed gaat—kwam ooit trouwer en regelmatiger terug dan Toots.Toots ging nooit naar boven en vervulde altijd dezelfde ceremoniën—met opzet zeer zwierig daartoe gekleed—aan de straatdeur.“Zoo, goeden morgen!” was het eerste gezegde, als de knecht opendeed. “Voor mijnheer Dombey,” was zijn tweede gezegde, terwijl hij[157]een kaartje overgaf. “Voor jufvrouw Dombey,” was zijn derde, terwijl hij nog een kaartje overgaf.Dan keerde Toots zich om, alsof hij wilde heengaan; maar de knecht kende hem al, en wist dat hij nog niet ging.“O, neem mij niet kwalijk,” zeide Toots dan, alsof die gedachte hem eensklaps inviel. “Is dat meisje thuis?”De knecht dacht het dan wel, maar wist het niet zeker. Dan trok hij aan eene schel, die boven hing, en keek de trap op, en zeide, ja, zij was thuis en kwam naar beneden. Dan verscheen Suze Nipper, en ging de knecht heen.“O! Hoe maakt gij het?” zeide Toots dan,grinnikenden blozend.Suze bedankte hem dan, en zeide dat zij heel wel was.“Hoe maakt het Diogenes?” was dan Toots’ tweede vraag.Ook heel wel. Jufvrouw Florence hield van dag tot dag meer van hem. Toots begroette dit bericht met eene uitbarsting van gegrinnek, alsof men eene flesch met een of ander bruisend vocht opentrok.“Jufvrouw Florence is ook heel wel, mijnheer,” voegde Suze er dan bij.—“O, dit komt er niet op aan, dankje wel,” was daarop het onveranderlijk antwoord van Toots; en als hij dit gezegd had, ging hij altijd zeer snel heen.Nu is het zeker dat Toots iets nevelachtigs voor den geest had, hetwelk hem deed besluiten dat hij, als hij eens naar de hand van Florence kon staan, gelukzalig zou wezen. Het is zeker dat Toots, met een grooten omweg, tot dit begrip gekomen was, en daarbij was blijven stilstaan. Zijn hart was gekwetst; hij was verliefd. Op zekeren avond had hij eene wanhopige poging gedaan (en hij was den geheelen nacht daarvoor opgebleven) om een naamvers op Florence te schrijven, en terwijl hij er over zat te denken, had zijne ontroering hem tranen doen storten. Maar op schrift kwam hij niet verder dan de woorden: “Frisch klopt mijn hart wanneer ik zie,” daar de vlucht van verbeelding, waarmede hij de beginletters der zeven andere regels had neergeschreven hem toen begaf.Behalve tot het uitdenken van dien listigen maatregel om mijnheer Dombey dagelijks een kaartje te brengen, was het brein van Toots nog niet zeer werkzaam geweest over het onderwerp dat zijn gevoel zooveel te doen gaf. Maar na diep overleg kwam Toots tot de overtuiging, dat het een gewichtige stap zou zijn als hij de gunst van Suze Nipper kon winnen, eer hij deze iets van den staat van zijn gemoed openbaarde.Deze jonge juffer met schertsende galanterie te behandelen, kwam hem voor het rechte middel te zijn om haar voor zijne belangen te winnen. Niet in staat om het hieromtrent met zich zelven eens te worden, raadpleegde hij den Kemphaan—zonder dien heer evenwel in zijn vertrouwen te nemen, en hem slechts onderrichtende dat een vriend uitYorkshirehem (Toots) om zijn gevoelen over zulk een vraagpunt had geschreven. Toen de Kemphaan hierop antwoordde, dat zijn gevoelen altijd was: “Zet maar door,” en verder: “Als gij uw portuur voor u hebt, ga dan uw gang,” hield Toots dit voor eene figuurlijke manier om zijne eigene meening te bevestigen, en nam dus het heldhaftige besluit om Suze des anderen daags een kus te geven.Des anderen daags versierde Toots zich derhalve met het fraaiste dat Burgess en Comp. hem hadden geleverd, en ging met dit voornemen naar het huis van Dombey. Maar toen hij de plek naderde, waar hij zijn moed zou toonen, ontzonk hem deze zoozeer, dat het, schoon hij tegen drie uur in den namiddag daar aankwam, zes uur was eer hij aan de deur klopte.Alles ging volgens gewoonte, tot aan het punt waar Suze zeide dat hare jonge meesteres heel wel was, en Toots zeide dat dit hem niet kon schelen. Tot hare verbazing, bleef Toots, in plaats van na dat gezegde als een vuurpijl heen te stuiven, voor haar staangrinniken.“Misschien wilt gij wel eens boven gaan, mijnheer?” zeide Suze.—“Ja, mij dunkt ik zal eens binnenkomen,” zeide Toots.Maar in plaats van de trap op te gaan, toen de deur gesloten was, deed Toots half in den blinde een greep naar Suze, sloot haar in zijne armen en gaf haar een kus op de wang.“Loop heen,” riep Suze, “of ik zal je de oogen uitplukken.”—“Nog een!” zeide Toots.—“Loop heen!” riep Suze, hem een duw gevende. “Zulk een hals als gij! Wie zal er nu nog beginnen! Loop heen, mijnheer!”Suze was niet ernstig in het nauw, want zij kon haast niet spreken van het lachen; maar Diogenes, op de trap, die een geritsel tegen den muur en een gescharrel van voeten hoorde, en door de leuning heen zag dat er eene vechtpartij plaats had en er een vreemde indringer in huis was, dacht er anders over, stoof tot ontzet naar beneden en had Toots in een oogwenk bij een been.Suze gilde, lachte, deed de straatdeur open, en liep weg; de stoutmoedige Toots stommelde de straat op, met Diogenes aan een pijp van zijne broek; Diogenes, afgeschud, rolde om en om in het stof, sprong weder op, rende om den duizeligen Toots heen, en beet naar hem; en al dat oproer zag Carker, die op eenigen afstand zijn paard ophield, tot zijn verbazing uit het deftige huis van Dombey komen.Carker bleef naar den onthutsten Toots zitten kijken, tot Diogenes binnengeroepen en de deur gesloten was, en ook nog terwijl Toots,[158]schuilplaats zoekende in een poortje dichtbij, zijne gescheurde broekspijp verbond met een fraaien zijden zakdoek, die een deel was geweest van zijne kostbare uitrusting voor de onderneming.“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Carker, met zijn vriendelijksten glimlach naar hem toerijdende, “ik hoop dat gij niet bezeerd zijt.”—“O neen, wel bedankt,” zeide Toots, zijn hoog gekleurd gezicht opheffende, “het is van geen beduiden.” Hij had wel willen doen gelooven, dat het hem zeer beviel.—“Als de hond zijne tanden in het vleesch heeft gezet, mijnheer,” begon Carker, naar zijn eigen been wijzende.—“Neen, wel bedankt,” zeide Toots. “Het is heel goed afgeloopen, ik voel er niets van. Wel bedankt.”—“Ik heb het genoegen van mijnheer Dombey te kennen,” merkte Carker aan.—“Hebt gij toch?” zeide de blozende Toots.—“En gij zult mij misschien wel willen vergunnen, dat ik in zijne afwezigheid voor zulk eene onaangenaamheid verschooning verzoek,” zeide Carker, zijn hoed afnemende, “en mij verwonder hoe zoo iets met mogelijkheid gebeurd kan zijn.”Toots gevoelt zich door deze beleefdheid zoo zeer gestreeld, en is zoo blijde over de gelukkige kans om met een vriend van mijnheer Dombey kennis te maken, dat hij zijn kaartjestaschje uithaalt, hetwelk hij nooit verzuimt zooveel mogelijk te gebruiken, en Carker zijn naam en adres toereikt. Carker beantwoordt deze beleefdheid door hem zijn kaartje te geven, en daarmede scheiden zij.Terwijl Carker zoo zachtjes het huis voorbijrijdt, en naar de vensters opziet, en het peinzende gezichtje poogt te onderscheiden dat achter het gordijn naar de kinderen aan den overkant kijkt, komt de ruige kop van Diogenes dicht daarbijgeklauterd; en zonder naar verbod of liefkoozing te luisteren, bromt en blaft de hond, en schijnt van die hoogte naar hem te willen afspringen om hem van lid tot lid te verscheuren.Wel gedaan, Diogenes, zoo dicht bij uwe meesteres! Nog eens, en nog eens, met den kop omhoog en vlammende oogen, grimmig den bek vertrekkende, dat gij hem niet kunt krijgen! Nog eens, terwijl hij, voorzichtig de schoonste plekjes zoekende, heenrijdt. Gij hebt een goeden reuk, Diogenes. Eene kat, jongen, eene kat!

Carker de chef zat voor zijn lessenaar, met een gezicht zoo effen en glad gestreken als gewoonlijk, las de brieven, die hij alleen mocht openen, schreef nu en dan de noodige aanteekeningen en aanwijzingen achterop, en legde ze op verscheidene hoopjes, om deze aan de verschillende afdeelingen van het kantoor te laten uitdeelen. De post had dien ochtend een groot aantal brieven medegebracht, en Carker de chef had dus veel te doen.

Het voorkomen van iemand die aldus bezig is—nu een hoopje papieren in zijne hand doorkijkende en een voor een uitdeelende, dan een[149]ander hoopje opnemende en met een gefronst voorhoofd en dichtgeknepene lippen naziende—beurtelings afnemende, uitzoekende, ronddeelende en peinzende—zou licht aan zekere comische gelijkenis op een kaartspeler doen denken. Het gezicht van Carker den chef strookte zeer wel met zulk een inval. Het was het gezicht van iemand die zijn spel voorzichtig doordacht, die op alles lette wat hem voordeelig en nadeelig kon zijn, die alle voorkomende kaarten in zijn geheugen hield, en nauwkeurig wist wat zij golden, wat zij nog misten, en wat zij te zamen uitmaakten; die slim genoeg was om te ontdekken wat de andere spelers in de hand hadden, en nooit zijn eigen spel verried.

De brieven waren in verschillende talen, maar Carker de chef las ze allen. Als er op het kantoor van Dombey en Zoon iets was voorgekomen dat hij niet lezen kon, zou er eene kaart aan het spel ontbroken hebben. Hij las bijna met een enkelen blik, bracht al voortlezende den eenen brief met den anderen en de eene zaak met de andere in verband, en vergrootte aanhoudend de hoopjes—evenals een geoefend speler de kaarten met één blik kent, en ze nog onthoudt en in rekening brengt als zij gekeerd zijn. Eenigszins al te slim voor een partner, en veel te slim voor een tegenspeler, zat daar Carker de chef, in de stralen der zon, die hem door het lantarenvenster beschenen, en speelde zijn spel alleen.

En schoon het kaartspelen niet tot de instincten van het kattengeslacht (wild of getemd) behoort, was Carker de chef katachtig van het hoofd tot de voeten, terwijl hij zich daar in het streepje zomerlicht en zomerwarmte zat te koesteren, dat op zijne tafel en grond scheen. Met haar en bakkebaard altijd flauw van kleur, maar in dien zonneschijn nog flauwer dan anders, en meer naar de vacht van eene geelgrauwe kat gelijkende; met lange nagels, net geknipt en fijn gescherpt; met eene natuurlijke antipathie voor ieder spatje vuil, welke hem somtijds naar de vallende stofjes deed kijken en van zijne witte hand of keurig linnen wegvegen; zat daar Carker de chef, sluw van uitzicht, scherp van tand, zacht van voet, waakzaam van oog, glad van tong, wreed van hart, zindelijk uit gewoonte, met zeker oplettend zelfbehagen en voorzichtig geduld te werken, alsof hij voor een muizenhol zat te loeren.

Eindelijk waren de brieven afgehandeld, met uitzondering van een, dien hij voor eene afzonderlijke audiëntie bewaarde. Nadat hij de geheime correspondentie in eene lade had gesloten, trok hij aan de schel.

“Waarom komtgijbinnen?” was de vraag waarmede hij zijn broeder ontving.—“De looper is uit, en ik ben de volgende,” was het onderdanig antwoord.—“Gij de volgende,” mompelde de chef. “Ja! Veel eer voor mij! Daar!”

Naar de hoopjes brieven wijzende, keerde hij zich in zijn leuningstoel verachtelijk om, en verbrak het cachet van den brief dien hij in de hand had.

“Het spijt mij dat ik u moet lastig vallen, James,” begon zijn broeder, de brieven opzamelende, “maar …”—“O! Gij hebt iets te zeggen. Dat wist ik wel. Nu?”

Carker de chef sloeg zijne oogen niet naar zijn broeder op, maar hield ze op den brief gevestigd, zonder dien evenwel te openen.

“Welnu?” herhaalde hij scherp.—“Ik ben ongerust over Harriët.”—“Welke Harriët? Ik ken niemand die zoo heet.”—“Zij is niet wel. Zij is sedert eenigen tijd veel veranderd.”—“Zij is veel veranderd, al vele jaren geleden,” antwoordde de chef, “en dat is al wat ik te zeggen heb.”—“Ik denk, als ge mij woudt aanhooren …”—“Waarom zou ik u aanhooren, broeder John?” antwoordde Carker de chef, met een spottenden nadruk op deze twee woorden, en het hoofd oprichtende, maar zonder zijne oogen op te slaan. “Ik zeg u, Harriët Carker heeft voor vele jaren de keus gedaan tusschen hare twee broeders. Zij mag er nu berouw van hebben, maar zij moet er bij blijven.”—“Versta mij niet verkeerd. Ik zeg niet dat zij er berouw van heeft. Het zou eene groote ondankbaarheid van mij zijn, als ik zoo iets liet denken,” zeide de ander. “Maar geloof mij, James, ik ben even bedroefd over hare opoffering als gij.”—“Als ik?” riep de chef uit. “Als ik?”—“Even bedroefd over hare keus—over wat gij hare keus noemt—als gij er kwaad over zijt.”—“Kwaad?” herhaalde de ander, en liet al zijne tanden zien.—“Onvergenoegd. Welk woord u maar belieft. Gij weet wel wat ik meen. Ik wil niet beleedigend zijn.”—“Al wat gij doet is beleedigend,” antwoordde zijn broeder, hem eensklaps met een donkeren blik aanziende, die terstond plaats maakte voor een glimlach nog breeder dan de vorige. “Neem die papieren mee, als het u belieft. Ik heb bezigheden.”

Zijne beleefdheid was zooveel scherper dan zijne gramschap, dat de Junior naar de deur ging. Daar bleef hij echter staan, en zich omkeerende, zeide hij:—“Toen Harriët, bij uwe eerste billijke verontwaardiging en mijne eerste schande, vruchteloos voor mij bij u poogde te spreken, en toen zij u verliet, James, om mij in mijn ongeluk te volgen, en zich in hare blinde liefde aan haar gevallen broeder toe te wijden, omdat hij buiten haar niemand had, was zij nog jong en bevallig. Ik denk als gij haar nu kondt zien—als gij haar nu wildet gaan zien—zoudt gij u verwonderen en medelijden met haar hebben.”

De chef boog zijn hoofd en toonde zijne tanden, als wilde hij, tot antwoord op een onverschillig praatje, zeggen: “Wel, wel! Zoo, zoo!”[150]maar sprak geen woord.—“Wij dachten in die dagen, gij en ik beiden, dat zij jong zou trouwen en een gelukkig en onbezorgd leven hebben,” vervolgde de ander. “O, als gij wist hoe blijmoedig zij is voortgegaan op den weg dien zij toen nam, zonder eene enkele maal om te zien, dan zoudt gij nooit weder kunnen zeggen dat haar naam u vreemd was. Nooit!”

Wederom boog de chef zijn hoofd en toonde zijne tanden, als wilde hij zeggen: “Wel opmerkelijk! Ik ben waarlijk verwonderd;” maar wederom sprak hij geen woord.—“Mag ik voortgaan?” zeide John Carker gedwee.—“Heengaan?” antwoordde zijn glimlachende broeder. “Als ge zoo goed wilt zijn.”

Met een zucht ging John Carker langzaam de deur uit, toen de stem van zijn broeder hem op den drempel deed stilstaan.

“Als zij blijmoedig haar weg gaat,” zeide hij, den nog ongeopenden brief op den lessenaar werpende, “kunt gij haar zeggen dat ik even blijmoedig den mijnen ga. Als zij nooit heeft omgezien, kunt gij haar zeggen dat ik dat wel eens heb gedaan, om mij te herinneren dat zij uwe partij heeft gekozen, en dat mijne besluiten niet minder duurzaam zijn,” hier glimlachte hij zeer vriendelijk, “dan marmer.”—“Ik zeg haar niets van u. Wij spreken nooit over u. Eenmaal ’s jaars, op uw verjaardag, zegt Harriët altijd: “Laten wij James gedachtig zijn en wenschen dat hij gelukkig zij;” maar meer zeggen wij niet.”—“Zeg het dan u zelven als het u belieft,” was het antwoord. “Gij kunt het niet te dikwijls herhalen, als eene les voor u om mij niet over de zaak te spreken. Ik ken geene Harriët Carker. Er is zoo iemand niet. Gij moogt eene zuster hebben; houd haar dan in waarde. Ik heb er geen.”

Hij nam den brief weder op en wuifde met een glimlach van spottende beleefdheid naar de deur. Toen zijn broeder heenging, zag hij dezen nog donker na, en zich toen weder in zijn leuningstoel omdraaiende begon hij den brief met aandacht te lezen.

Deze was van de hand van zijn grooten patroon, Dombey, en vanLeamingtongedateerd. Schoon hij een vlug lezer van alle andere brieven was, las Carker dezen langzaam: ieder woord wegende, en al zijne tanden als het ware er op scherpende. Toen hij het geschrift had doorgelezen, sloeg hij het blad nog eens om, en zocht deze plaatsen uit: “Ik vind dat de verandering mij heilzaam is, en ben nog niet gezind om een tijd voor mijne terugkomst te bepalen.”—“Ik wenschte, dat gij schikking wildet maken om eens in persoon over te komen, om mij te zeggen hoe de zaken gaan.” “Ik heb nagelaten u van den jongen Gay te spreken. Zoo nog niet met de Zoon en Erfgenaam vertrokken, of als de Zoon en Erfgenaam nog in de dokken ligt, benoem dan een ander jongmensch, en houd hem vooreerst aan het kantoor. Ik heb nog niet besloten.”—“Dat is nu wel ongelukkig!” zeide Carker, zijn mond uitrekkende alsof die van gom-elastiek was; “want hij is al ver weg.”

Evenwel trok deze plaats, die in een naschrift voorkwam, nogmaals zijne aandacht.

“Ik geloof,” zeide hij, “dat mijn goede vriend kapitein Cuttle er eens van sprak, dat hij wel in het zog van dien grooten dag zou worden meegesleept. Hoe jammer dat hij zoo ver weg is!”

Hij vouwde den brief weder op en zat er mede te spelen, keerde hem naar alle richtingen op de tafel om en om—misschien deed hij wel hetzelfde met den inhoud, toen Perch de boodschaplooper zachtjes aan de deur klopte, op de teenen binnenkwam, bij elken stap buigende alsof het buigen de lust van zijn leven was, en eenige papieren op de tafel legde.

“Zoudt ge misschien belet willen hebben, mijnheer?” vroeg Perch, zijne handen wrijvende en zijn hoofd ootmoedig op zijde houdende, als iemand die wel wist dat het zijne zaak niet was het voor zulk een persoon op te steken en het zooveel mogelijk uit den weg wilde houden.

“Wie vraagt er naar mij?”—“Och, mijnheer,” antwoordde Perch zeer zacht, “eigenlijk niemand om van te spreken. Mijnheer Gills, de scheepsinstrumentmaker, is gekomen om een betalinkje te doen, zegt hij; maar ik heb hem gezegd dat gij denkelijk belet hadt, voor nog lang—heel lang.”

Perch kuchte eens achter zijne hand en wachtte op verdere bevelen.

“Iemand anders?”—“Wel, mijnheer,” zeide Perch, “ik zou uit mij zelven niet zoo vrijpostig zijn om te zeggen, mijnheer, dat er nog iemand was; maar die zelfde jongen, mijnheer, die gisteren en verleden week al hier is geweest, slentert nu weer hier in het rond; en het staat zoo gemeen, mijnheer,” vervolgde Perch, even ophoudende om de deur dicht te doen, “als men hem daar tegen de musschen ziet staan fluiten tot zij hem antwoord geven.”—“Gij hebt gezegd dat hij iets te doen wilde hebben, niet waar, Perch?” zeide Carker, in zijn stoel achteroverleunende en den ander aanziende.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Perch, weder met een kuchje achter zijne hand, “hij zeide eens dat hij naar eene conditie zocht, en dat hij dacht dat men hem wel aan de dokken zou kunnen gebruiken, omdat hij aan het visschen met den hengel gewoon was; maar”—Perch schudde zeer twijfelachtig zijn hoofd.—“Wat zegt hij dan als hij hier komt?” vroeg Carker.—“Wel, mijnheer,” antwoordde Perch, nog eens achter zijne hand kuchende, hetgeen, als een blijk van nederigheid, altijd zijne toevlucht was als hem niet anders inviel, “hij zegt doorgaans dat hij nederig verzoekt om een van de heeren te spreken, en dat hij zijn brood wil verdienen. Maar gij begrijpt wel, mijnheer,”[151]vervolgde Perch fluisterend, en zich omkeerende om de deur eene duw met hand en knie te geven, alsof hij ze daardoor nog dichter dan dicht zou kunnen sluiten, “het is haast niet te verdragen dat zulk een gemeene jongen hier komt malen en zeggen dat zijne moeder den jongen heer van ons kantoor gezoogd heeft, en dat hij daarom hoopt dat het kantoor hem een kansje zal geven. Ik verzeker u, mijnheer, dat hoewel mijne vrouw toen zulk een gezond meisje zoogde als wij ooit zoo vrij zijn geweest om onze familie mee te vergrooten, ik nooit zoo vrijpostig zou zijn geweest om er van te spreken dat zij ook wel min had kunnen wezen, al was het om nog zooveel geweest.”

Carker grijnsde hem aan als een haai, maar deed dit op eene verstrooide, peinzende manier.

“Of,” hervatte Perch, na eene poos van stilte en nog een kuchje, “het niet best zou zijn als ik hem zeide, dat ik hem zou laten arresteeren als hij weer hier kwam, en dat dan ook te doen. Ik zou gemakkelijk kunnen bezweren, mijnheer, dat ik voor gewelddadigheden van hem bang ben, zoo vreesachtig ben ik van aard, mijnheer, en zoo zenuwachtig maken mij de omstandigheden van mijne vrouw.”—“Laat mij dien knaap eens zien, Perch,” zeide Carker. “Breng hem eens hier.”—“Ja, mijnheer. Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Perch en bleef aarzelend bij de deur staan. “Maar hij ziet er heel ruw uit, mijnheer.”—“Dat komt er niet op aan. Als hij er nog is, breng hem dan hier. Ik zal mijnheer Gills dadelijk spreken. Vraag hem om te wachten!”

Perch boog; en de deur zoo zorgvuldig en nauwkeurig achter zich sluitende alsof hij in geene week terugkwam, ging hij tusschen de musschen zoeken. Terwijl hij weg was hernam Carker zijne geliefkoosde houding voor den schoorsteen en bleef naar de deur staan kijken. Met zijne opgetrokken bovenlip, die eene geheele rij tanden liet zien, had hij een bijzonder loerend en dreigend uitzicht.

Het duurde niet lang of Perch kwam terug, gevolgd door een paar zware laarzen, die als lompen door den gang klotsten. Met de onbeleefde woorden: “Kom aan, binnen!”—een zeer ongewone vorm van aandienen in zijn mond—liet Perch toen een forsch gebouwden knaap van vijftien jaren in, met een rond rood gezicht, een rond glad hoofd, ronde zwarte oogen, ronde leden en een rond lijf, die, om met de algemeene rondheid van zijn voorkomen te strooken, een ronden hoed in de hand had, zonder eenig spoor van rand er aan.

Op een wenk van Carker verdween Perch, zoodra hij dezen knaap voor hem had geplaatst. Zoodra zij alleen waren greep Carker, zonder een woord tot inleiding, den jongen bij de keel en schudde hem tot zijn hoofd geheel los op zijne schouders scheen te staan.

De jongen, die te midden van zijne verbazing over den heer met zooveel witte tanden, die hem scheen te willen verworgen, niet nalaten kon in de kamer rond te kijken, als had hij besloten dat, als hij dan geworgd moest worden, zijn laatste blik gevestigd zou zijn op die geheimen voor welker schennis hij zoo zwaar moest boeten, bracht eindelijk uit:

“Laat staan, mijnheer. Laat mij los!”—“U loslaten!” zeide Carker. “Wat! Heb ik u dan beet?” Daar was geen twijfel aan, en dat wel vrij stevig. “Gij rekel,” zeide Carker, door zijne opeengeklemde tanden, “ik zal u verworgen!”

Biler jankte, och neen, och neen!—en wat had hij gedaan—en waarom worgde hij geen jongen die zoo groot was als hij zelf, enhemniet. Maar Biler werd door deze buitengewone ontvangst geheel overbluft; en toen zijn hoofd weder stilstond, en hij den onbekenden heer in het gezicht of liever in de dreigende tanden keek, vergat hij zijne manhaftigheid in zoo verre dat hij begon te huilen.

“Ik heb u niets gedaan, mijnheer,” zeide Biler, alias Robert, alias Grinder, oudste zoon van baas Toodle.—“Gij schobbejak!” antwoordde Carker, hem langzaam loslatende en een stap achterwaarts doende, om zijne geliefkoosde houding aan te nemen. “Wat meent gij daarmee dat gij hier durft komen?”—“Ik meende geen kwaad, mijnheer,” jankte Rob, met de eene hand zijne keel betastende en de knokkels der andere in zijne oogen duwende. “Ik zal nooit weerom komen, mijnheer. Ik wilde maar werk hebben.”—“Werk, gij jonge Kaïn!” zeide Carker, hem strak aanziende. “Zijt ge dan niet de luiste deugniet van de geheele stad?”

De beschuldiging, die Toodle junior ten diepste trof, was echter zoo wel gegrond, dat hij geen woord van ontkenning kon uitbrengen. Hij bleef den geduchten heer dus met een verschrikt, beschaamd en boetvaardig gezicht staan aankijken. Wat dit aankijken betreft, mag men zeggen dat Carker hem scheen te betooveren, en de knaap zijne ronde oogen geen oogenblik van hem kon afwenden.

“Zijt ge niet een dief?” zeide Carker, met zijne handen achter zich in zijne zakken.—“Neen, mijnheer,” antwoordde Rob verlegen.—“Dat zijt ge wel,” zeide Carker.—“Waarlijk niet, mijnheer,” jankte Rob. “Gij moogt mij gelooven, mijnheer, ik heb nooit iets gestolen. Ik weet wel dat ik ondeugend ben geworden, mijnheer, sedert ik mij met vogelvangen en hardloopen had opgehouden. Iemand zou wel denken,” zeide Rob, met eene uitbarsting van boetvaardigheid, “dat zangvogeltjes een onschuldig gezelschap waren, maar niemand weet hoeveel kwaad er in die beestjes steekt en waar zij iemand toe brengen.”

Zij schenen hem gebracht te hebben tot een zeer versleten trijpten buis en broek, een buitengemeen[152]klein rood vestje, dat naar een enkelen kraag geleek, eene tusschenruimte van blauw bont en den bovengemelden hoed.

“Ik ben geen twintigmaal naar huis geweest sedert die vogeltjes mij den baas werden,” zeide Rob, “en dat is tien maanden. Hoe kan ik naar huis gaan, als iedereen verdrietig is dat hij mij ziet! Het verwondert mij,” zeide Rob, nu hardop snikkende en zijne oogen met zijne mouw besmerende, “dat ik mij niet al dikwijls en dikwijls heb gaan verdrinken.”

Dit alles, de betuiging van verwondering dat hij dit laatste feit niet verricht had, ingesloten, zeide de jongen, alsof Carker’s tanden het hem uit de keel haalden, en hij, zoolang deze hunne macht op hem uitoefenden, niet in staat was om iets te verbergen.

“Ge zijt een aardig jong heer!” zeide Carker, zijn hoofd schuddende. “Er is al hennepzaad voor u gezaaid, jongetje!”—“Waarachtig, mijnheer,” antwoordde de ongelukkige Biler al snikkende, “het zou mij niet kunnen schelen, al was het al gegroeid ook. Al mijn ongeluk is begonnen met spijbelen, mijnheer; maar wat kon ik anders doen?”—“Anders dan wat?” zeide Carker.—“Spijbelen, mijnheer. Spijbelen van school.”—“Meent gij, te doen alsof gij daarheen zoudt gaan en er niet heen gaan?” zeide Carker.—“Ja, mijnheer; dat is spijbelen, mijnheer,” antwoordde de gewezen Slijper, zeer aangedaan, “Ik werd op straat dood geplaagd, mijnheer, als ik er naar toe ging, en als ik er kwam kreeg ik nog slaag. Zoo liep ik spijbelen, en hield mij ergens schuil, en zoo begon het.”—“En wilt ge mij nu zeggen,” zeide Carker, nadat hij hem weder bij de keel had gepakt, op armslengte van zich afgehouden en eene poos zwijgend aangestaard, “dat gij naar eene plaats zoekt?”—“Ik zou dankbaar zijn als men mij eens probeerde, mijnheer,” antwoordde Toodle junior flauw.

Carker duwde hem achteruit in een hoek—de jongen onderwierp zich stil, durfde nauwelijks ademhalen, en keerde de oogen niet van zijn gezicht af—en schelde.

“Laat mijnheer Gills hier komen.”

Perch was te eerbiedig om te laten blijken, dat hij de gedaante in den hoek herkende of zich daarover verwonderde; en weldra verscheen oom Sam.

“Ga zitten, mijnheer Gills,” zeide Carker met een glimlach. “Hoe vaart gij? Nog altijd gezond, hoop ik?”—“Wel bedankt, mijnheer,” antwoordde oom Sam, zijn zakboekje uithalende en onder het spreken eenige papiertjes overgevende. “Naar het lichaam scheelt mij niets dan mijn ouderdom. Vijf en twintig, mijnheer.”—“Ge zijt zoo nauwkeurig, mijnheer Gills,” antwoordde de glimlachende chef, een papier uit een van zijne vele laden halende en iets op den achterkant aanteekenende, terwijl oom Sam er naar keek, “als een van uw eigen chronometers. In orde.”—“De Zoon en Erfgenaam is niet gepraaid, mijnheer, zie ik aan de lijst,” zeide oom Sam, met eene geringe vermeerdering der gewone beving in zijne stem.—“De Zoon en Erfgenaam is niet gepraaid,” antwoordde Carker. “Er schijnt stormachtig weer te zijn geweest, mijnheer Gills, en waarschijnlijk is het schip uit zijn koers gedreven.”—“Het is toch veilig, hoop ik van den hemel,” zeide de oude Sam.—“Het is toch veilig, hoop ik van den hemel,” herhaalde Carker op die stemlooze manier, die hij somtijds aannam, en die den oplettenden jongen Toodle wederom deed beven. “Mijnheer Gills,” vervolgde hij overluid, “gij moet uw neef wel erg missen.”

Oom Sam, die bij hem stond, schudde zijn hoofd en slaakte een zwaren zucht.

“Mijnheer Gills,” zeide Carker, met zijne zachte hand om zijn mond spelende, en den instrumentmaker aanziende, “het zou gezellig voor u zijn als ge tegenwoordig een jong maatje in uw winkel hadt, en het zou eene verplichting voor mij zijn als gij zulk een knaapje vooreerst huisvesting wildet geven. Ik weet wel,” vervolgde hij snel, om den ouden man voor te komen, “dat er niet veel in uw winkel omgaat; maar gij kunt hem dien laten schoonhouden, de instrumenten oppoetsen, kortom van alles laten doen. Daar staat de jongen, mijnheer Gills!”

Samuel Gills schoof zijn bril van zijn voorhoofd voor zijne oogen, en keek naar Toodle junior, die zoo stijf als een staak in zijn hoek stond;—wiens hoofd (gelijk altijd) een voorkomen had, alsof hij zoo pas uit een emmer koud water was gehaald, terwijl zijn vestje met het spel zijner aandoeningen rees en daalde,—en zijne oogen strak op Carker hield gevestigd, zonder op den meester, dien men hem wilde geven, te letten.

“Wilt gij hem bij u nemen, mijnheer Gills?” zeide Carker.

Zonder zeer met het voorstel te zijn ingenomen, antwoordde Samuel, dat hij blijde was met eene gelegenheid, hoe gering ook, om mijnheer Carker te verplichten, wiens verlangen in zulk een opzicht een bevel was; en dat de houten adelborst zich gelukkig zou achten een door mijnheer Carker gekozen gast te mogen ontvangen.

Carker liet tanden en tandvleesch zien—hetgeen den waakzamen Toodle junior al erger en erger deed beven—en dankte den instrumentmaker op zijne vriendelijkste manier voor zijne beleefdheid.

“Ik zal hem dan bij u zenden, mijnheer Gills,” zeide hij, opstaande en den ouden man de hand gevende, “tot ik het met mij zelven eens word wat verder met hem te doen, en wat hij verdient. Daar ik mij zelven verantwoordelijk[153]voor hem acht, mijnheer Gills,” hierbij zag hij Robert aan met een glimlach, waarvoor de knaap sidderde, “zal het mij genoegen doen als gij scherp op hem let en mij bericht geeft hoe hij zich gedraagt. Ik zal zijne ouders—ordentelijke lieden—een paar vragen doen als ik vandaag naar huis rijd, ter bevestiging van het een en ander dat hij mij gezegd heeft; en dan zal ik hem morgen naar u toe zenden, mijnheer Gills. Goeden morgen!”

“Laat staan, mijnheer. Laat mij los!”—“U loslaten!” zeide Carker. “Wat! heb ik u dan beet?” Daar was geen twijfel aan, en dat wel vrij stevig. “Gij rekel,” zeide Carker, door zijne opeengeklemde tanden, “ik zal u verworgen!” (blz. 151).“Laat staan, mijnheer. Laat mij los!”—“U loslaten!” zeide Carker. “Wat! heb ik u dan beet?” Daar was geen twijfel aan, en dat wel vrij stevig. “Gij rekel,” zeide Carker, door zijne opeengeklemde tanden, “ik zal u verworgen!”(blz. 151).

“Laat staan, mijnheer. Laat mij los!”—“U loslaten!” zeide Carker. “Wat! heb ik u dan beet?” Daar was geen twijfel aan, en dat wel vrij stevig. “Gij rekel,” zeide Carker, door zijne opeengeklemde tanden, “ik zal u verworgen!”(blz. 151).

Zijn glimlach bij het afscheid was zoo vol tanden, dat de oude Sam er verlegen en onrustig van werd, zonder te weten waarom. Onderweg naar huis dacht hij aan kokende zeeën, zinkende schepen, drenkelingen, eene flesch oude madera die nooit weder voor het licht kwam, en andere akeligheden.

“Kom aan, jongen,” zeide Carker, zijne hand op Rob’s schouder leggende, en hem naar het midden van de kamer brengende. “Gij hebt mij gehoord?”—“Ja, mijnheer,” zeide Rob.—“Misschien begrijpt gij wel,” hervatte zijn patroon, “dat als ge mij ooit bedriegt of streken speelt, ge beter zoudt gedaan hebben als gij u maar voorgoed hadt verdronken, eer ge hier naar toe kwaamt?”[154]

Er was in alle vakken van wetenschap niets dat Rob beter scheen te begrijpen dan dit.

“Als ge mij in iets belogen hebt,” zeide Carker, “kom mij dan nooit weer in den weg. Zoo niet, laat ik u dan dezen achtermiddag ergens bij uw moeders huis naar mij vinden wachten. Ik zal om vijf uur hier vandaan gaan en te paard daarheen rijden. Geef mij nu het adres.”

Rob zeide dit langzaam voor, terwijl Carker het opschreef. Rob spelde het zelfs nog eens, letter voor letter, over, alsof hij dacht dat het vergeten van een stipje of streepje zijn verderf zou berokkenen. Daarna duwde Carker hem de kamer uit, en Rob verdween nu vooreerst, maar hield tot het laatste toe zijne ronde oogen op zijn patroon gevestigd.

Carker de chef deed dien dag vele zaken af, en liet een groot aantal menschen zijne tanden zien. In het kantoor, op straat en op de beurs glinsterden zij geweldig en schrikkelijk. Toen het vijf uur werd en Carker’s paard voorkwam, stegen zij op en reden al glinsterendCheapsideaf.

Daar iemand, al wilde hij haast maken, door het gewoel en gedrang in deCityop dat uur niet gemakkelijk hard kon rijden, en Carker geen haast wilde maken, reed hij op zijn gemak voort, tusschen de karren en rijtuigen door, zooveel mogelijk de modderplassen vermijdende en zich oneindige moeite gevende om zich zelven en zijn paard schoon te houden. Terwijl hij zoo voorttrippelende naar de voorbijgangers keek, ontmoette hij eensklaps de ronde oogen van Rob, zoo strak op zijn gezicht gevestigd, alsof hij ze er nooit had afgewend, terwijl de knaap zelf, met een bonten zakdoek stijf om zijn middel geknoopt, zich blijkbaar gereed hield, om hem bij te houden, hoe hard hij ook verkoos te rijden.

Daar deze oplettendheid, hoe vleiend ook, van eenigszins buitengewonen aard was en de aandacht van andere voetgangers trok, nam Carker, op eene plek waar de weg ruimer en de straat schooner werd, de gelegenheid waar om het in een draf te zetten. Terstond deed Rob hetzelfde. Daarop beproefde Carker een handgalop, Rob hield hem bij. Toen een meer gestrekten galop; het was den knaap eveneens. Als Carker zijne oogen naar dien kant wendde, zag hij Toodle junior naast hem loopen, naar het scheen zonder moe te worden, en zich met de ellebogen voortwerkende, gelijk een hardlooper van beroep, die voor eene weddenschap loopt.

Zoo belachelijk als dit geleide was, was het toch een teeken van den invloed dien hij op den knaap had verworven, en Carker reed derhalve, alsof hij er niet eens op lette, voort, tot dicht bij de woonplaats van baas Toodle. Toen hij hier zachter begon te rijden, liep Rob vooruit om hem den weg te wijzen, en toen hij een man riep om zijn paard te houden, terwijl hij het buurtje datStagg’s Gardenshad vervangen, inging, hield Rob gedienstig den stijgbeugel, terwijl zijn patroon afsteeg.

“Kom aan,” zeide Carker, hem bij den schouder vattende; “nu maar voort!”

De verloren zoon was blijkbaar beschroomd om de ouderlijke woning te bezoeken; maar dewijl Carker hem voortduwde, kon hij niet anders dan de rechte deur openen, en zich zoo in het midden van zijne broeders en zusters laten brengen, die om de huiselijke theetafel waren gezeten. Op het gezicht van den verlorene in de greep van een vreemdeling, hieven deze teedere bloedverwanten een algemeen gehuil aan, hetwelk het hart van den losbol zoodanig roerde dat hij, toen hij zijne moeder, met het kleinste kleintje op den arm, bleek en bevende zag opstaan, zijne eigene stem bij den koorzang voegde.

Nu niet twijfelende of de vreemdeling, zoo niet mijnheer Ketch in eigen persoon, was toch een van zijne ambtgenooten, schreeuwde de jeugdige familie des te harder, terwijl de jongste leden, buiten staat om de aandoenlijkheid van hun leeftijd te bedwingen, zich op den rug wierpen, evenals jonge vogeltjes als zij voor een havik bang worden, en geweldig in de lucht schopten. Eindelijk maakte de arme Polly zich toch hoorbaar, en zeide met bevende lippen: “O Rob, mijn arme jongen, wat hebt ge nu gedaan!”—“Niets, moeder,” riep Rob, op een jammerenden toon. “Vraag het dien heer maar!”—“Wees niet ongerust,” zeide Carker nu. “Ik wil hem goeddoen.”

Op dit bericht barstte Polly, die nog niet geschreid had, in tranen uit. De oudste Toodle’s, die op een ontzet schenen bedacht te zijn geweest, ontsloten nu hunne vuisten; de jongsten drongen zich om hun moeders japon en keken onder hunne ronde armpjes door naar hun losbandigen broeder en zijn onbekenden vriend. Iedereen zegende den heer met de mooie tanden, die goed wilde doen.

“Deze jongen,” zeide Carker tot Polly, Rob even schuddende, “is uw zoon, niet waar, jufvrouw?”—“Ja, mijnheer,” snikte Polly nijgende. “Ja, mijnheer.”—“Een slechte zoon, vrees ik?” zeide Carker.—“Nooit een slechte zoon voor mij, mijnheer,” antwoordde Polly.—“Voor wien dan?” vroeg Carker.—“Hij is een beetje wild geweest, mijnheer,” zeide Polly, haar kleinste vasthoudende, dat met armpjes en beentjes stuipachtige pogingen aanwendde om door de lucht heen op Biler toe te vliegen, “en heeft met slecht gezelschap verkeerd, mijnheer; maar ik hoop dat hij het ongelukkige daarvan heeft ingezien, mijnheer, en zich weer zal verbeteren.”[155]

Carker zag naar Polly, en de zindelijke kamer, en de zindelijke kinderen, en het eenvoudige Toodle’s gezicht, uit dat van vader en moeder samengesteld, dat hem overal in de oogen viel, en scheen het wezenlijke oogmerk van zijn bezoek bereikt te hebben.

“Uw man is zeker niet thuis?” zeide hij.—“Neen, mijnheer,” antwoordde Polly. “Hij is nu op het oogenblik op een trein.”

De losbandige Rob scheen ruimer adem te halen toen hij dit hoorde, schoon hij, nog geheel onder den invloed van zijn patroon, zijne oogen bijna niet van Carker’s gezicht afkeerde, dan om even een treurigen blik naar zijne moeder te werpen.—“Dan zal ik u zeggen,” hervatte Carker, “hoe ik aan dien jongen van u ben gekomen, en wie ik ben, en wat ik voor hem zal doen.”

Carker deed dit op zijne eigene manier, zeggende dat hij hem eerst geducht had willen straffen voor zijne vermetelheid om naar het kantoor van Dombey en Zoon te komen; dat hij zich door zijne jeugd, zijne betuigingen van berouw, en zijne betrekkingen had laten vermurwen, dat hij vreesde eene onvoorzichtigheid te zullen begaan door iets voor den jongen te doen, en dat bedachtzame lieden hem zouden laken; maar dat hij dit voor zijne rekening nam en het op de gevolgen waagde; dat hij dit alleen en geheel zelf deed; dat zijne moeders vroegere betrekking tot de familie Dombey er niets mede te maken had, en dat mijnheer Dombey zelf er niets mede te maken had, maar dat hij, Carker, hier alles in alles was. Na zich zelven voor zijne goedheid te hebben geprezen, en geen minderen lof van de geheele daar aanwezige familie te hebben ontvangen, gaf Carker zijdelings maar toch vrij duidelijk te kennen, dat Rob hem eeuwige dankbaarheid, trouw en verkleefdheid verschuldigd was, en deze de geringste hulde waren die hij kon aannemen. Van deze waarheid was Rob zelf zoodanig doordrongen dat, terwijl hij zijn patroon stond aan te staren, de tranen hem over de wangen rolden, en hij met zijn rond hoofd knikte, tot het bijna even los op zijne schouders scheen te worden, als het dien morgen onder de handen van dien zelfden patroon had gedaan.

Polly, die door haar losbandigen eerstgeborene de hemel weet hoeveel slapelooze nachten had doorgebracht, en hem in geene weken had gezien, had welhaast voor Carker den chef, als voor een goeden engel, willen knielen, in spijt van zijne tanden. Maar daar Carker nu opstond om heen te gaan, dankte zij hem slechts met hare moederlijke zegeningen en gebeden; een dank zoo rijk, als hij uit de munt van het hart wordt betaald, vooral voor zulk een dienst als Carker had bewezen, dat hij een grooten hoop klein geld had kunnen teruggeven, en toch nog te duur betaald blijven.

Toen deze heer door den troep kinderen heen naar de deur ging, vloog Rob naar zijne moeder toe en sloot haar en het kleintje in dezelfde boetvaardige omhelzing.

“Ik zal mijn best doen, lieve moeder. Bij mijne ziel, ik zal nu mijn best doen!”—“Och, doe dat, mijn lieve jongen! En dat zult gij zeker, voor ons en voor u zelven,” zeide Polly, hem een kus gevende. “Maar gij komt toch terug om mij nog eens te spreken, als gij mijnheer hebt weggebracht?”—“Dat weet ik niet, moeder.” Rob aarzelde en liet het hoofd hangen. “Vader—wanneer komt hij thuis?”—“Niet voor morgen om twee uur.”—“Dan zal ik terugkomen, moeder lief,” zeide Rob; en door zijne broertjes en zusjes heengaande, die deze belofte met een schellen kreet ontvingen, volgde hij Carker naar buiten.—“Wat!” zeide Carker, die dit gehoord had. “Hebt gij een slechten vader?”—“Neen, mijnheer,” antwoordde Rob verbaasd. “Er is geen beter en goediger vader dan de mijne is.”—“Waarom wilt gij hem dan niet zien?” vroeg zijn patroon.—“Er is zulk een verschil tusschen een vader en eene moeder, mijnheer,” zeide Rob, na een oogenblik haperens. “Hij zou nog moeielijk kunnen gelooven dat ik het beter zal maken—al weet ik dat hij het wel zou willen gelooven—maar eene moeder—zijgelooft altijd wat goed is, mijnheer; ten minste, ik weet dat mijne moeder dat doet; God zegen haar!”

Carker rekte zijn mond uit, maar sprak niet meer voordat hij op zijn paard was gestegen en den man die het vasthield had weggezonden. Toen van den zadel af den oplettenden knaap strak in de oogen ziende, zeide hij: “Gij moet morgenochtend bij mij komen, en dan zal u beduid worden waar die oude heer woont; die oude heer, die van morgen bij mij was en waar gij naar toe gaat, gelijk ge mij hebt hooren zeggen.”—“Ja, mijnheer,” antwoordde Rob.—“Ik stel het grootste belang in dien ouden heer, en als gij hem dient, doet ge mij ook dienst, jongen, verstaat gij wel? Goed,” zeide hij, Rob voorkomende, want hij zag bij deze woorden het ronde gezicht ophelderen, “ik zie dat gij het doet. Ik verlang alles van dien ouden heer te weten, en hoe hij het van dag tot dag maakt—want ik wenschte hem van allen mogelijken dienst te zijn—en vooral wie er bij hem komt. Verstaat ge wel?”

Rob knikte met een strak gezicht en zeide wederom: “Ja, mijnheer.”—“Ik zou gaarne hooren dat hij vrienden heeft, die hem niet vergeten—want hij is nu zooveel alleen, de arme man; maar dat zij van hem blijven houden, en van zijn neef, die het land uit is. Er is eene heel jonge dame, die misschien naar hem zal komen zien. Ik verlang vooral alles vanhaarte weten.”—“Daar zal ik wel voor zorgen, mijnheer,” zeide de jongen.—“En[156]pas wel op,” hervatte zijn patroon, bukkende om zijn grijnzend gezicht dichter bij dat van den knaap te brengen, en hem met het achtereind zijner zweep op den schouder te tikken, “pas wel op dat ge tegen niemand behalve mij van mijne zaken spreekt.”—“Tegen niemand in de wereld, mijnheer,” antwoordde Rob, zijn hoofd schuddende.—“Daar ook niet,” zeide Carker, naar de plaats wijzende waar zij vandaan kwamen, “en nergens anders. Ik zal zien of gij trouw en dankbaar kunt zijn. Ik zal u op de proef stellen!” Dit gezegde, door het vertoonen zijner tanden en de beweging van zijn hoofd, evenzeer tot een dreigement als eene belofte makende, keerde hij zich voor Robin’s oogen om—die aan hem vastgenageld waren, alsof hij den jongen door tooverij met lichaam en ziel aan zich onderworpen had—en reed heen. Daar hij echter, na een eindje te hebben gedraafd, wederom bespeurde, dat zijn trouwe geleider, evenals te voren met een zakdoek omgord, hem nog, tot groot vermaak van verscheidene toeschouwers, op zijde bleef, hield hij op en beval hem naar huis te gaan. Om zich te verzekeren dat hij gehoorzaamd werd, keerde hij zich in den zadel om en keek hem na. Het was merkwaardig om te zien, dat Rob zelfs nu nog zijne oogen niet geheel van het gezicht zijns patroons kon afhouden, maar gedurig naar hem bleef omkijken, en daardoor telkens tegen andere voetgangers aanliep, zonder dat hij dit scheen te bemerken.

Carker de chef reed nu stapvoets voort, met het geruste gezicht van iemand die al zijne bezigheden van dien dag naar genoegen heeft afgedaan. Hij neuriede al voortrijdende zelfs zachtjes een wijsje. Hij scheen te spinnen, zoo vergenoegd was hij.

In zijne verbeelding lag hij zich ook voor een haard te koesteren. Voor zekere voeten ineengedoken, was hij gereed om op te springen en te bijten of te krabben, of ook om te streelen en te vleien, naarmate hij daartoe lust en gelegenheid kreeg. Was er ergens een vogeltje in eene kooi, dat in zijne aandacht deelde?

“Eene heel jonge dame,” dacht Carker, al neuriënde. “Ja: toen ik haar de laatste maal zag, was zij nog een klein kind. Met donkere oogen en haar, herinner ik mij, en een goedig gezichtje; een heel goedig gezichtje. Zij zal nu wel mooi zijn geworden.”

Nog genoeglijker en tevredener reed Carker verder en sloeg eindelijk de beschaduwde straat in, waar het huis van Dombey stond. Hij had het zoo druk gehad met netten om goedige gezichten te knoopen en ze met de mazen te verdonkeren, dat hij er niet aan dacht reeds zoo ver te zijn, tot hij, het koude verschiet der hooge huizen langs ziende, zijn paard, op eenige schreden afstands van de deur, inhield. Maar om te verklaren waarom Carker zijn paard eensklaps inhield, en wat hij met geene geringe verwondering aanzag, is eene kleine uitweiding noodig.

Toots, uit de slavernij bij doctor Blimber bevrijd, en in het genot van zeker gedeelte zijner aardsche bezittingen gekomen, “dat,” gelijk hij mijnheer Feeder, in het laatste halfjaar van zijn proeftijd, elken avond als eene nieuwe ontdekking had medegedeeld, “de executeuren hem niet konden onthouden,” had zich met grooten ijver op de wetenschap des levens toegelegd. Door eene edele eerzucht om uit te blinken aangevuurd, had hij eenige keurige apartementen gehuurd, en een zijner kamers tot een jachtsalon ingericht, versierd met de portretten van vermaarde renpaarden, waarin hij geen het minste belang stelde, en een rookdivan, die hij niet kon gebruiken zonder misselijk te worden. In dit verrukkelijk verblijf, wijdde hij zich aan de beoefening dier vriendelijke kunsten, welke het menschdom beschaven en veredelen, en waarin zijn voornaamste leermeester zeker belangwekkend persoon was, die de kemphaan werd genoemd, altijd in de tapperij De Zwarte Bunsing was te bevragen, in het warmste weder eene ruige witte jas droeg, en Toots driemaal in de week met vuisten kwam stompen, tegen het geringe honorarium van tien en een halven schelling voor ieder bezoek.

De kemphaan, die de Apollo van Toots’ Pantheon was, had hem met een markeur in kennis gebracht die hem leerde biljarten, met een gardist die hem leerde schermen, met een stalbonk die hem leerde paardrijden, met een heer uitCornwalldie meester was in alle athletische oefeningen, en met nog twee of drie andere vrienden, niet minder nauw aan de schoone kunsten verwant. Onder zulke meesters kon Toots bijna niet missen snelle vorderingen te maken, en onder hunne leiding ging hij dus aan het werk.

Doch hoe het wezen mocht, het was toch zoo, dat zelfs terwijl deze heeren het innemende van nieuwe bekenden hadden, Toots zich toch, hij wist niet waarom, onbehaaglijk en ongedurig gevoelde. Hij werd door vlagen van verdrietelijkheid en verveling geplaagd, die zelfs de kemphaan niet kon verdrijven. Niets scheen hem zooveel goed te doen, dan gedurig een kaartje bij Dombey aan huis te brengen. Geen belastinggaarder in het Britsche rijk—dat uitgebreide grondgebied, waar de zon nooit onder- en de belastinggaarder nooit naar bed gaat—kwam ooit trouwer en regelmatiger terug dan Toots.

Toots ging nooit naar boven en vervulde altijd dezelfde ceremoniën—met opzet zeer zwierig daartoe gekleed—aan de straatdeur.

“Zoo, goeden morgen!” was het eerste gezegde, als de knecht opendeed. “Voor mijnheer Dombey,” was zijn tweede gezegde, terwijl hij[157]een kaartje overgaf. “Voor jufvrouw Dombey,” was zijn derde, terwijl hij nog een kaartje overgaf.

Dan keerde Toots zich om, alsof hij wilde heengaan; maar de knecht kende hem al, en wist dat hij nog niet ging.

“O, neem mij niet kwalijk,” zeide Toots dan, alsof die gedachte hem eensklaps inviel. “Is dat meisje thuis?”

De knecht dacht het dan wel, maar wist het niet zeker. Dan trok hij aan eene schel, die boven hing, en keek de trap op, en zeide, ja, zij was thuis en kwam naar beneden. Dan verscheen Suze Nipper, en ging de knecht heen.

“O! Hoe maakt gij het?” zeide Toots dan,grinnikenden blozend.

Suze bedankte hem dan, en zeide dat zij heel wel was.

“Hoe maakt het Diogenes?” was dan Toots’ tweede vraag.

Ook heel wel. Jufvrouw Florence hield van dag tot dag meer van hem. Toots begroette dit bericht met eene uitbarsting van gegrinnek, alsof men eene flesch met een of ander bruisend vocht opentrok.

“Jufvrouw Florence is ook heel wel, mijnheer,” voegde Suze er dan bij.—“O, dit komt er niet op aan, dankje wel,” was daarop het onveranderlijk antwoord van Toots; en als hij dit gezegd had, ging hij altijd zeer snel heen.

Nu is het zeker dat Toots iets nevelachtigs voor den geest had, hetwelk hem deed besluiten dat hij, als hij eens naar de hand van Florence kon staan, gelukzalig zou wezen. Het is zeker dat Toots, met een grooten omweg, tot dit begrip gekomen was, en daarbij was blijven stilstaan. Zijn hart was gekwetst; hij was verliefd. Op zekeren avond had hij eene wanhopige poging gedaan (en hij was den geheelen nacht daarvoor opgebleven) om een naamvers op Florence te schrijven, en terwijl hij er over zat te denken, had zijne ontroering hem tranen doen storten. Maar op schrift kwam hij niet verder dan de woorden: “Frisch klopt mijn hart wanneer ik zie,” daar de vlucht van verbeelding, waarmede hij de beginletters der zeven andere regels had neergeschreven hem toen begaf.

Behalve tot het uitdenken van dien listigen maatregel om mijnheer Dombey dagelijks een kaartje te brengen, was het brein van Toots nog niet zeer werkzaam geweest over het onderwerp dat zijn gevoel zooveel te doen gaf. Maar na diep overleg kwam Toots tot de overtuiging, dat het een gewichtige stap zou zijn als hij de gunst van Suze Nipper kon winnen, eer hij deze iets van den staat van zijn gemoed openbaarde.

Deze jonge juffer met schertsende galanterie te behandelen, kwam hem voor het rechte middel te zijn om haar voor zijne belangen te winnen. Niet in staat om het hieromtrent met zich zelven eens te worden, raadpleegde hij den Kemphaan—zonder dien heer evenwel in zijn vertrouwen te nemen, en hem slechts onderrichtende dat een vriend uitYorkshirehem (Toots) om zijn gevoelen over zulk een vraagpunt had geschreven. Toen de Kemphaan hierop antwoordde, dat zijn gevoelen altijd was: “Zet maar door,” en verder: “Als gij uw portuur voor u hebt, ga dan uw gang,” hield Toots dit voor eene figuurlijke manier om zijne eigene meening te bevestigen, en nam dus het heldhaftige besluit om Suze des anderen daags een kus te geven.

Des anderen daags versierde Toots zich derhalve met het fraaiste dat Burgess en Comp. hem hadden geleverd, en ging met dit voornemen naar het huis van Dombey. Maar toen hij de plek naderde, waar hij zijn moed zou toonen, ontzonk hem deze zoozeer, dat het, schoon hij tegen drie uur in den namiddag daar aankwam, zes uur was eer hij aan de deur klopte.

Alles ging volgens gewoonte, tot aan het punt waar Suze zeide dat hare jonge meesteres heel wel was, en Toots zeide dat dit hem niet kon schelen. Tot hare verbazing, bleef Toots, in plaats van na dat gezegde als een vuurpijl heen te stuiven, voor haar staangrinniken.

“Misschien wilt gij wel eens boven gaan, mijnheer?” zeide Suze.—“Ja, mij dunkt ik zal eens binnenkomen,” zeide Toots.

Maar in plaats van de trap op te gaan, toen de deur gesloten was, deed Toots half in den blinde een greep naar Suze, sloot haar in zijne armen en gaf haar een kus op de wang.

“Loop heen,” riep Suze, “of ik zal je de oogen uitplukken.”—“Nog een!” zeide Toots.—“Loop heen!” riep Suze, hem een duw gevende. “Zulk een hals als gij! Wie zal er nu nog beginnen! Loop heen, mijnheer!”

Suze was niet ernstig in het nauw, want zij kon haast niet spreken van het lachen; maar Diogenes, op de trap, die een geritsel tegen den muur en een gescharrel van voeten hoorde, en door de leuning heen zag dat er eene vechtpartij plaats had en er een vreemde indringer in huis was, dacht er anders over, stoof tot ontzet naar beneden en had Toots in een oogwenk bij een been.

Suze gilde, lachte, deed de straatdeur open, en liep weg; de stoutmoedige Toots stommelde de straat op, met Diogenes aan een pijp van zijne broek; Diogenes, afgeschud, rolde om en om in het stof, sprong weder op, rende om den duizeligen Toots heen, en beet naar hem; en al dat oproer zag Carker, die op eenigen afstand zijn paard ophield, tot zijn verbazing uit het deftige huis van Dombey komen.

Carker bleef naar den onthutsten Toots zitten kijken, tot Diogenes binnengeroepen en de deur gesloten was, en ook nog terwijl Toots,[158]schuilplaats zoekende in een poortje dichtbij, zijne gescheurde broekspijp verbond met een fraaien zijden zakdoek, die een deel was geweest van zijne kostbare uitrusting voor de onderneming.

“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Carker, met zijn vriendelijksten glimlach naar hem toerijdende, “ik hoop dat gij niet bezeerd zijt.”—“O neen, wel bedankt,” zeide Toots, zijn hoog gekleurd gezicht opheffende, “het is van geen beduiden.” Hij had wel willen doen gelooven, dat het hem zeer beviel.—“Als de hond zijne tanden in het vleesch heeft gezet, mijnheer,” begon Carker, naar zijn eigen been wijzende.—“Neen, wel bedankt,” zeide Toots. “Het is heel goed afgeloopen, ik voel er niets van. Wel bedankt.”—“Ik heb het genoegen van mijnheer Dombey te kennen,” merkte Carker aan.—“Hebt gij toch?” zeide de blozende Toots.—“En gij zult mij misschien wel willen vergunnen, dat ik in zijne afwezigheid voor zulk eene onaangenaamheid verschooning verzoek,” zeide Carker, zijn hoed afnemende, “en mij verwonder hoe zoo iets met mogelijkheid gebeurd kan zijn.”

Toots gevoelt zich door deze beleefdheid zoo zeer gestreeld, en is zoo blijde over de gelukkige kans om met een vriend van mijnheer Dombey kennis te maken, dat hij zijn kaartjestaschje uithaalt, hetwelk hij nooit verzuimt zooveel mogelijk te gebruiken, en Carker zijn naam en adres toereikt. Carker beantwoordt deze beleefdheid door hem zijn kaartje te geven, en daarmede scheiden zij.

Terwijl Carker zoo zachtjes het huis voorbijrijdt, en naar de vensters opziet, en het peinzende gezichtje poogt te onderscheiden dat achter het gordijn naar de kinderen aan den overkant kijkt, komt de ruige kop van Diogenes dicht daarbijgeklauterd; en zonder naar verbod of liefkoozing te luisteren, bromt en blaft de hond, en schijnt van die hoogte naar hem te willen afspringen om hem van lid tot lid te verscheuren.

Wel gedaan, Diogenes, zoo dicht bij uwe meesteres! Nog eens, en nog eens, met den kop omhoog en vlammende oogen, grimmig den bek vertrekkende, dat gij hem niet kunt krijgen! Nog eens, terwijl hij, voorzichtig de schoonste plekjes zoekende, heenrijdt. Gij hebt een goeden reuk, Diogenes. Eene kat, jongen, eene kat!


Back to IndexNext