[Inhoud]XXIII.FLORENCE EENZAAM EN DE ADELBORST GEHEIMZINNIG.Florence leefde alleen in het groote, akelige huis, en de eene dag volgde den anderen, en nog leefde zij alleen; en de koude muren zagen starend op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.Geen tooverkasteel in een tooversprookje, in het hart van een dicht bosch verscholen, was voor de verbeelding ooit eenzamer en verlatener, dan haar vaderlijk huis in zijn stugge werkelijkheid was—des avonds, als er licht door de naburige vensters scheen, een zwarte vlek op die karige helderheid, over dag eene naargeestige uitzondering in eene lang niet vroolijke straat.Er stonden geene twee draken op schildwacht aan de poort dezer woning, gelijk men in een tooversprookje doorgaans de onrechtvaardig gekerkerde onschuld vindt bewaken; maar behalve een verwrongen gezicht, dat uit de lijst boven de deur uitkeek, was daarboven nog een monsterachtig arabesk-werk van roestig ijzer, naar de versteening van een loofpriëel gelijkende, dat in scherpe punten en schroefsgewijze krullen uitliep, en aan elke zijde een grooten domper1droeg, die onheilspellend schenen te zeggen: “Wie hier binnentreedt, laat het licht achter!” Er waren geene tooverletters op den drempel gebeiteld, maar het huis zag er nu zoo verwaarloosd uit, dat de jongens het hek en de stoep met krijt bekrabbelden—vooral om den hoek waar de zijmuur was—en spoken op de staldeur teekenden; en daar Towlinson hen somtijds wegjoeg, maakten zij tot wraak portretten van hem, met ooren die zijdelings uit zijn hoed uitgroeiden. Binnen de schaduw van dat dak hield alle gerucht op. De troep horenblazers, die eens in de week des morgens de straat doorkwam, blies voor die vensters nooit een enkelen toon; al zulke lieden, tot zelfs de half simpele orgeldraaier, schuwden het als eene plaats waar niets te hopen was.De tooverban, die er op rustte, was verderfelijker dan die, welke eens op een tijd een huis in een tooverslaap dompelde, maar het als het weder ontwaakte onbeschadigd liet. De stille, verterende werking der onbewoondheid openbaarde zich overal. De zwaar neerhangende gordijnen verloren hare oude plooien en vormen en begonnen naar opgehangen lijkkleeden te gelijken. Hecatomben van meubelen, opgestapeld en overdekt, slonken weg, evenals in gevangenis vergetene menschen, en ondergingen eene ongevoelige verandering. Spiegels besloegen als door den adem van jaren. De kleuren van tapijten verschoten en werden zoo verward en flauw als de geheugenissen dier jaren. Planken, schrikkende van een ongewonen voetstap, kraakten[159]en trilden. Sleutels roestten in de sloten van deuren. De vochtigheid sloeg de muren uit, en naarmate de vlekken naar buiten kwamen, schenen de schilderijen naar binnen te kruipen en zich te verbergen. In de kasten begon zich schimmel te vestigen, en boomachtige paddestoelen groeiden in de hoeken van kelders. Het stof hoopte zich overal op, niemand wist hoe; spinnen en motten zag men elken dag opnieuw. Nu en dan vond men eene verdwaalde zwarte tor onbeweeglijk op de trap of op eene bovenkamer, als verwonderd hoe zij daar gekomen was. Ratten begonnen des nachts te piepen en te schermutselen in de donkere galerijen, die zij achter de paneelen uitgroeven.De akelige pracht der staatsievertrekken, onduidelijk gezien in het schemerlicht dat door de geslotene luiken drong, zou wel genoeg met een tooverkasteel hebben gestrookt. Zoo, bij voorbeeld, de dof aangeslagene pooten van vergulde leeuwen, die tersluiks onder een overtrek te voorschijn kwamen; de marmeren gelaatstrekken van borstbeelden, die spookachtig door een sluier heenschemerden; de pendules, die nooit den tijd verkondigden, of, als zij bij toeval werden opgewonden, dit verkeerd deden en onaardsche uren sloegen, die niet op de wijzerplaat staan; het toevallig gerinkel in de glazen lichtkronen, meer schrik aanjagend dan eene alarmklok; de verzachte klanken en de trage lucht, die zich tusschen deze voorwerpen en eene menigte anderen, allen even spookachtig, heendrongen. Bovendien was er de groote trap, waarop de heer des huizes zoo zelden zijn voet zette, en waarlangs zijn kind omhoog naar den hemel was gegaan. Er waren nog andere trappen en gangen, waar weken achtereen niemand kwam; er waren twee gesloten kamers, met herinneringen aan doode leden der familie, waarvan fluisterend werd gesproken; en voor het geheele huis was Florence, de eenige bevallige gedaante, die door deze somberheid en eenzaamheid rondging, en ieder levenloos voorwerp iets menschelijks gaf, dat belangstelling en verwondering opwekte.Florence leefde alleen in het verlaten huis, en de eene dag volgde den anderen en nog leefde zij alleen, en de koude muren zagen starende op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.Het gras begon op het dak en in de spleten der keldergaten te groeien. Schubachtige, kruimelige plantjes sproten om de vensterbanken uit. Stukjes kalk raakten binnen in de schoorsteenen los en kwamen ratelend naar beneden. De twee boomen met berookte stammen verstierven omhoog, en de verdorde takken overheerschten de bladeren. Door het geheele gebouw was het wit in geel, het geel bijna in wit veranderd; en van den tijd af toen de ongelukkige dame stierf, was het langzamerhand eene donkere gaping in de straat geworden.Maar Florence bloeide daar, gelijk de schoone koningsdochter in het sprookje. Hare boeken, hare muziek en hare dagelijksche meesters en meesteressen, waren haar eenig wezenlijk gezelschap, Suze Nipper en Diogenes uitgezonderd. De eerste begon, door het bijwonen der lessen van hare jonge meesteres zelve een wonder van geleerdheid te worden, terwijl de laatste, mogelijk door denzelfden invloed verzacht, zijn kop op de vensterbank legde en een geheelen zomermorgen lang vreedzaam tegen de straat knipoogde; somtijds zijn kop opstak om met grooten ernst naar een luidruchtig blaffenden hond voor eene kar te kijken, en somtijds, eensklaps en zonder eenige aanleiding om zijn ouden vijand in de buurt denkende, naar de deur stoof, een verdoovend geweld maakte, en dan met een eigenaardig zelfbehagen kwam terugwandelen en zijn kop weder op de vensterbank legde, met het gezicht van een hond die den staat een dienst had bewezen.Zoo leefde Florence in hare woestijn van een huis, binnen den kring harer schuldelooze bezigheden en gedachten, en niets deed haar leed of hinder. Zij kon nu naar haar vaders kamer gaan en aan hem denken, en met haar liefderijk hart hem nederig naderen, zonder vrees van teruggestooten te worden. Zij kon hem kleine blijken van hare gehechtheid en dienstvaardigheid geven, door alles met eigene handen voor hem in orde te brengen, ruikertjes voor zijne tafel te maken, ze een voor een te verwisselen, als zij verwelkten zonder dat hij terugkwam, dagelijks het een of ander voor hem gereed te maken, en bij zijne gewone plaats een schroomvallig teeken van hare tegenwoordigheid te laten. Vandaag was het een geschilderd kastje voor zijn horloge; morgen werd zij bang om dat daar te laten, en zette zij eene andere kleinigheid van haar maaksel in de plaats, die niet zoo licht zijn oog zou trekken. In den nacht wakker wordende, beefde zij misschien bij de gedachte dat hij thuis zou komen en er zich boos over maken, en sloop dan haastig, met een kloppend hart, naar beneden om haar werk weder weg te nemen. Een andermaal legde zij slechts haar hoofdje op zijn lessenaar, en liet daar een kus en een traan.Nog wist niemand daarvan. Als de dienstboden het niet ontdekten, wanneer zij er niet was—en allen waren bang voor Dombey’s kamer—was het een even diep geheim in het hart, als wat vroeger was gebeurd. In den schemeravond, des morgens vroeg, en somtijds als men beneden aan het eten was, sloop Florence naar die kamers; en hoewel ieder hoekje te helderder en vroolijker was door hare zorg,[160]glipte zij zoo stil als een zonnestraal uit en in, behalve dat zij haar licht achterliet.Schimachtig gezelschap vergezelde Florence op en neer door het galmende huis, en zat bij haar in de ontmeubelde kamers. Alsof haar leven een tooverdroom was, sproten er gedachten uit hare eenzaamheid, die de werkelijkheid geheel veranderden. Zij verbeeldde zich zoo dikwijls wat haar leven zou geweest zijn als haar vader haar had kunnen liefhebben en zij een begunstigd kind was geweest, dat zij somtijds voor een oogenblik bijna geloofde dat het zoo was, en zij, door die peinzende verbeelding medegevoerd, zich scheen te herinneren, hoe zij werkelijk beiden haar broeder in zijn graf hadden zien dalen; hoe zij nog dikwijls over hem gesproken hadden, en haar goede vader, haar teeder aanziende, haar over hunne gemeenschappelijke hoop en vertrouwen op God had onderhouden. Op een anderen tijd verbeeldde zij zich dat hare moeder nog leefde. En o, welk een geluk, haar om den hals te vallen en zich met al de vertrouwelijke liefde harer ziel aan hare borst te klemmen! En o, hoe akelig weder het eenzame huis, als de avond viel en er niemand was!Doch er was ééne gedachte—die zich nog nauwelijks duidelijk kon maken en toch vurig en krachtig in haar binnenste was—welke Florence ondersteunde als zij haar jeugdig hart, zoo zwaar beproefd, met moed en goede voornemens poogde te vervullen. In haar gemoed, gelijk in dat van iedereen die met de groote ramp onzer sterfelijkheid heeft te kampen, was eene plechtige verwondering en hoop binnengeslopen, die haar uit de schemerachtige wereld voorbij het tegenwoordige leven iets, gelijk flauwe muziek, van eene herkenning tusschen haar broeder en hare moeder toefluisterde, van eene bewustheid van haar, die beiden nog bewaarden, van liefde en medelijden voor haar, van eene kennis hoe zij haar weg op aarde zou voortzetten. Het was een balsemende troost voor Florence, deze gedachten te koesteren tot zij eens—het was kort nadat zij haar vader, laat in den nacht, in zijne eigene kamer had gezien—op het denkbeeld kwam, dat zij, als zij schreide omdat zijn hart van haar vervreemd bleef, misschien de geesten der dooden tegen hem zou opwekken. Hoe zwak en kinderachtig het ook wezen mocht, zoo iets te denken en daarbij te beven, haar liefderijk hart kon toch niet anders; en van dat uur af deed Florence haar best om de wreede wond in hare borst aan zich zelve te ontveinzen, en niet dan met hoop te denken aan hem, wiens hand haar die had toegebracht.Haar vader wist niet—daaraan hield zij zich vast, van dien tijd af—hoe lief zij hem had. Zij was nog heel jong, en had geene moeder, en had nooit geleerd, hetzij door hare schuld of door haar ongeluk, hoe zij moest toonen dat zij hem liefhad. Zij wilde geduld hebben, zij wilde beproeven door den tijd die kunst te leeren, en hem zijn eenig kind beter doen kennen.Dit werd het doel van haar leven. De morgenzon bescheen het vervallene huis, en vond dat besluit frisch en krachtig in de borst der eenzame meesteres. Onder al hare werkzaamheden van den dag bezielde het haar, want Florence hoopte dat, hoe meer zij wist en hoe meer talenten zij zich verwierf, hij des te vergenoegder zou zijn als hij haar leerde kennen. Somtijds verwonderde zij zich, met een angstig hart en een opwellenden traan, of zij wel in iets genoeg gevorderd was om hem te verrassen als zij eens bij elkander kwamen. Somtijds poogde zij te bedenken, of er niet een vak van kennis was, dat zijne belangstelling lichter dan een ander zou opwekken. Altijd, bij hare boeken, aan hare muziek, aan haar werk, op hare ochtendwandeling, en onder haar nachtgebed, had zij dat één groot doel in het oog. Vreemde studie voor een kind, den weg naar het hart van een hardvochtigen vader te leeren.Er waren vele wandelaren op de straat, als de zomeravond in den nacht overging, die van den overkant naar het sombere huis keken, en de jeugdige gedaante voor het venster,—zulk een contrast daarbij—naar de sterren zagen opzien, en slechter zouden geslapen hebben indien zij hadden geweten waarover zij zoo peinsde. De naam van het huis, als een spookhuis, zou bij eenige eenvoudige lieden, die door het naargeestige voorkomen daarvan getroffen waren, en het zoo genoemd hadden, niet beter zijn geworden, als zij de geschiedenis van dat gebouw op den gevel hadden kunnen lezen. Maar Florence vervolgde haar heilig doel, zonder dat iemand er iets van vermoedde of haar hielp: zij was er alleen op bedacht hoe zij haar vader zou doen begrijpen dat zij hem liefhad, en bracht zelfs met hare geheimste gedachten geene aanklacht tegen hem in.Zoo leefde Florence alleen in het verlaten huis, en de eene dag volgde op den anderen, en de koude muren zagen starend op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.Suze Nipper stond op zekeren morgen bij hare meesteres, terwijl deze een briefje cacheteerde dat zij geschreven had, en toonde door haar uitzicht dat zij den inhoud wist en goedkeurde.“Beter laat dan nooit, lieve jufvrouw Flore,” zeide Suze, “en ik zeg dat het altijd een verzetje zal zijn eens uit logeeren te gaan, al is het maar bij die oude Skettles’sen.”—“Sir Barnet en Lady Skettles,” antwoordde Florence, met eene zachte berisping, daar de jonge juffer met zooveel gemeenzaamheid van de bedoelde familie sprak, “zijn wel goed dat zij hunne invitatie zoo vriendelijk herhalen.”[161]Suze, die misschien zoo partijzuchtig was als ooit iemand op de wereld, en in alle dingen, groot en klein, dadelijk eene partij koos, waarvoor zij tegen de geheele wereld wilde vechten, kneep hare lippen dicht en schudde haar hoofd, als een protest tegen de belangeloosheid der Skettles’sen, en om aan te duiden dat het gezelschap van Florence hen rijkelijk voor hunne vriendelijkheid zou beloonen.“Zij weten wel wat zij doen,” prevelde Suze; “laat dat maar voor de Skettles’sen over.”—“Ik ben er niet zeer op gesteld om naar Fulham te gaan, moet ik bekennen, Suze,” zeide Florence nadenkend. “Maar het zal toch goed zijn dat ik ga. Het zal beter zijn, denk ik.”—“Veel beter,” zeide Suze met nadruk.—“En dus,” vervolgde Florence, “al had ik liever willen gaan als er niemand was, in plaats van onder die vacantie, nu het schijnt dat er eenige jongelieden logeeren, heb ik met dankbaarheid ja gezegd.”—“En ik zeg, dat ik blij toe ben,” antwoordde Suze. “A-ah!”“Wat moet gij met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren zult.” (blz. 164).“Wat moet gij met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren zult.”(blz. 164).Deze laatste uitroep, waarmede Suze in dien tijd dikwijls een gezegde besloot, werd beneden gehouden voor iets dat in het algemeen op mijnheer Dombey doelde, en jufvrouw Nipper’s verlangen aanduidde om hem eens te zeggen wat zij wel van hem dacht; maar zij gaf er nooit eene verklaring van, en dus had dit “A-ah!” bij de grootst mogelijke scherpheid, nog het bekoorlijke der geheimzinnigheid.“Hoelang duurt het toch eer wij tijding van Walter krijgen, Suze!” merkte Florence na een oogenblik zwijgens aan.—“Ja wel lang, jufvrouw Flore!” antwoordde hare kamenier. “En toen Perch daar straks om brieven kwam vragen, zeide hij—maar wat beduidt het wat hij zegt!” riep Suze rood wordend uit. “Hij weet er veel van!”Florence sloeg snel hare oogen op, en een gloed overspreidde haar gezichtje.“Als ik niet meer mannelijks had,” zeide Suze, blijkbaar tegen een verborgen angst worstelende en hare jonge meesteres strak aanziende, terwijl zij zich op den onschuldigen Perch poogde boos te maken, “dan die flauwe kerel, zou ik nooit weer grootsch op mijn haar zijn, maar het achter mijne ooren opsteken, en eene grove[162]muts dragen, zonder een strookje kant, tot de dood mij van mijne onbeduidendheid verloste. Ik mag geene Amazone wezen, jufvrouw Flore, en ik zou mij ook niet te schande willen maken door mij zelve zoo te misvormen, maar ik ben toch geen opgeefster, hoop ik.”—“Opgeven? Wat?” riep Florence met ontzetting uit.—“Wel, niets, jufvrouw,” antwoordde Suze. “Lieve hemel, niets! Het is maar die natte papillot van een man, die Perch, dien iemand haast met een vinger zou kunnen omgooien.”—“Geeft hij het schip op, Suze?” vroeg Florence, zeer bleek.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde Suze; “ik zou wel eens willen zien dat hij dat in mijn gezicht durfde doen. Maar hij loopt malen over een pot gember dien mijnheer Walter voor jufvrouw Perch zou sturen, en schudt zijn miserabel hoofd, en zegt dat hij maar hoopt dat hij zal komen; want, zegt hij, al kan het nu niet meer bijtijds zijn voor de bedoelde gelegenheid, dan kan het toch voor de volgende wezen, en dat maakt,” zeide Suze, met diepe minachting, “dat ik mijn geduld met dien kerel verlies, want al kan ik veel dragen, ik ben toch geen kameel, en ook,” voegde zij er na een oogenblik bedenkens bij, “als ik mij zelve wel ken, geen dromedaris.”—“Wat zegt hij anders, Suze?” vroeg Florence met ernst. “Wilt ge mij dat niet vertellen?”—“Alsof ik u niet alles zou willen vertellen, jufvrouw Flore!” zeide Suze. “Wel, jufvrouw, hij zegt dat men algemeen over het schip begint te praten, en dat er nog nooit een schip half zoolang op de reis is uit geweest zonder dat men er van hoorde, en dat de vrouw van den kapitein gisteren aan het kantoor is geweest, en er een beetje ongerust over scheen te zijn; maar dat kon iedereen wel zeggen; dat wisten wij te voren al.”—“Ik moet Walter’s oom gaan bezoeken,” zeide Florence haastig, “eer ik van huis ga. ik wil van morgen nog naar hem toe. Laten wij dadelijk maar gaan, Suze.”Daar Suze niets tegen dit voornemen had, maar het integendeel hartelijk goedkeurde, waren zij spoedig gereed, en weldra op straat en op weg naar den houten adelborst.De gemoedstoestand, waarin de arme Walter naar kapitein Cuttle was gegaan, op dien dag toen Brogley de uitdrager beslag op den boedel kwam leggen, en zelfs de kerktorens met eene executie schenen te dreigen, had veel gelijkenis naar dien waarin Florence zich nu naar oom Sam begaf; met dit verschil, dat Florence bovendien nog het verdriet had van te denken, dat zij misschien de onschuldige oorzaak was geweest om Walter in gevaar en allen wien hij dierbaar was, haar zelve daarbij ingesloten, in een doodelijken angst te brengen. Voor het overige schenen gevaar en onzekerheid overal geschreven te zijn. De weerhanen op huizen en torens schenen geheimzinnig op stormen te doelen en als spookvingers naar gevaarlijke zeeën te wijzen, waar, misschien, wrakken ronddreven, en hulpelooze schipbreukelingen dobberden, in een slaap, even diep als het onpeilbare water. Toen Florence in deCitykwam en heeren voorbijging, die met elkander praatten, vreesde zij hen over het schip te hooren spreken en de tijding te zullen opvangen, dat het vergaan was. Prenten van schepen tegen de rollende golven kampende vervulden haar met schrik. De wolken en de rook, hoewel langzaam voortdrijvende, dreven veel te snel voor haar angst, en deden haar vreezen dat het op dat oogenblik op zee een storm woei.Misschien was Suze Nipper onder den invloed van dergelijke gewaarwordingen, misschien ook niet; maar daar zij het in eene eenigszins drukke straat altijd met de jongens te kwaad had—tusschen welke klasse der menschheid en haar eene natuurlijke vijandschap bestond, die bij elke gelegenheid uitbarstte—scheen zij onderweg niet veel tijd te hebben om zich met nadenken bezig te houden.Toen zij eindelijk aan den overkant der straat op de hoogte van den houten adelborst waren gekomen, en naar eene gelegenheid wachtten om over te stappen, waren zij in het eerst verwonderd voor de deur des instrumentmakers een jongen te zien, wiens appelrond gezicht naar de lucht was gekeerd, en die juist, toen zij naar hem keken, twee vingers van elke hand in den mond stopte, en op deze kunstige manier met verbazende schelheid floot naar eenige duiven hoog in de lucht.“Jufvrouw Richards’ oudste, jufvrouw!” zeide Suze, “en de plaag van haar leven!”Daar Polly Florence van de verbeterde vooruitzichten van haar zoon en erfgenaam was komen vertellen, was Florence op deze ontmoeting voorbereid; en bij het eerste gunstige oogenblik stapten zij dus de straat over, zonder zich langer met de beschouwing van jufvrouw Richards’ oudste en plaaggeest op te houden. Deze liefhebber van vogels en visschen bleef met alle macht aan het fluiten, en schreeuwde tusschenbeide, als dol van verrukking: “Ho! hoep! Wegvliegers! Wegvliegers!” een geroep, dat het kwade geweten der duiven zoodanig scheen te treffen, dat zij, in plaats van recht naar eene of andere stad in het noorden vanEngelandte vliegen, gelijk zij eerst voornemens schenen, onzeker in het rond begonnen te zwieren; waarop jufvrouw Richards’ eerstgeborene nog harder begon te fluiten en te schreeuwen, met eene stem die boven het straatrumoer uitklonk.Uit deze verrukking werd hij op eens naar de aarde teruggeroepen door een stomp van Suze, die hem den winkel deed binnenstuiven.“Is dat de manier om uw berouw te toonen, nu uwe moeder maanden lang om u heeft zitten[163]huilen?” zeide Suze, ten vervolge op den stomp. “Waar is mijnheer Gills?”Rob, die zijne opwellende wederspannigheid tegen Suze smoorde, toen hij Florence zag volgen, duwde, ter eere der laatste, zijne knokkels tegen zijn haar, en zeide tot de eerste dat mijnheer Gills uit was.“Haal hem dan naar huis,” zeide Suze met gezag, “en zeg dat mijne jonge jufvrouw hier is.”—“Ik weet niet waar hij naar toe is,” zeide Rob.—“Isdatberouw?” riep Suze met bijtende scherpheid uit.—“Wel, hoe kan ik hem gaan halen, als ik niet weet waar ik naar toe moet?” jankte de gekwelde Rob. “Hoe kunt ge zoo onredelijk zijn?”—“Heeft mijnheer Gills ook gezegd wanneer hij weder thuis zou komen?” vroeg Florence.—“Ja, jufvrouw,” antwoordde Rob, nogmaals zijne knokkels tegen zijn haar duwende. “Hij zeide dat hij kort na den middag weerom zou zijn; nu over een paar uren, jufvrouw.”—“Is hij angstig over zijn neef,” vroeg Suze.—“Ja, jufvrouw,” zeide Rob, zich bij voorkeur tot Florence richtende en Suze voorbijziende, “dat zou ik wel zeggen—heel erg zelfs. Hij blijft geen kwartier binnenshuis, jufvrouw. Hij kan geen vijf minuten op dezelfde plek blijven zitten. Hij zwiert rond als—net als een duif, die niet hokvast meer is,” zeide Rob, bukkende om door het venster naar de duiven te zien, en zich bedwingende, met de vingers halverwege naar zijn mond, op het punt om nog eens te gaan fluiten.—“Kent gij ook een vriend van mijnheer Gills, die kapitein Cuttle heet?” zeide Florence, na een oogenblik bedenkens.—“Die met zijn haak, jufvrouw?” antwoordde Rob, met eene ophelderende beweging van zijne linkerhand. “Ja, jufvrouw. Hij is hier eergisteren nog geweest.”—“Is hij later niet meer hier geweest?” vroeg Suze.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde Rob, wederom tot Florence het woord richtende.—“Misschien is Walter’s oom daarheen, Suze,” merkte Florence aan.—“Naar kapitein Cuttle, jufvrouw?” viel Rob er op in. “Neen, daar is hij niet; want hij heeft de boodschap gelaten dat ik, als kapitein Cuttle aankwam, zeggen moest, hoe verwonderd hij was dat hij hem gisteren niet gezien had, en hem moest laten wachten tot hij terugkwam.”—“Weet ge waar kapitein Cuttle woont?” vroeg Florence.Rob antwoordde bevestigend, sloeg een in perkament gebonden boekje, dat in den winkel lag, op, en las het adres voor.Florence keerde zich weder naar hare kamenier en nam fluisterend raad met haar, terwijl Rob, aan den last van zijn patroon gedachtig, keek en luisterde. Florence stelde voor dat zij bij kapitein Cuttle aan huis zouden gaan, om van hem te hooren wat hij er van dacht, dat er in zoolang geene tijding van de Zoon en Erfgenaam kwam, en hem zoo mogelijk mede te brengen om oom Sam te troosten. Suze maakte in het eerst eenig bezwaar, uit hoofde van den afstand; maar toen hare meesteres van eene huurkoets sprak, trok zij deze bedenking in en gaf hare toestemming. Het beraad duurde eenige minuten, eer zij tot dit besluit kwamen, en in dien tijd wijdde de starende Rob beurtelings zijne aandacht aan beide spreeksters, en keerde beide beurtelings zijn oor toe, alsof hij was aangesteld om het geschil te beslissen.Eindelijk werd Rob om eene koets gezonden, terwijl de dames in den winkel bleven wachten; en toen hij er mede aankwam, stapten zij in, voor oom Sam de boodschap latende dat zij op den terugweg zeker nog eens zouden aankomen. Nadat Rob de koets had nagekeken, tot zij even onzichtbaar was als de duiven nu waren geworden, zette hij zich met alle vlijt aan den lessenaar, en om niets van het gebeurde te vergeten, maakte hij daarvan aanteekeningen op verscheidene brokjes papier, waarbij hij niet weinig inkt gebruikte. Er was geen gevaar dat deze documenten, als zij toevallig te zoek raakten, iets zouden verraden; want lang voor dat een woord droog was, werd het voor Rob zelven zulk een geheimzinnig raadsel, alsof hij geen het minste deel aan het schrijven had gehad.Terwijl hij nog aan dezen arbeid zat, hield de huurkoets—na het ontmoeten van ongehoorde bezwaren, door draaibruggen, grondelooze wegen, onoverkomelijke vaarten, wagens met vaten, plantages van roode klimboomen en kleine waschhuisjes, en andere in dat gewest veelvuldige hindernissen veroorzaakt—aan den hoek vanBrig Placestil. Hier afstappende, gingen Florence en Suze de straat langs en zochten naar de woning van kapitein Cuttle.Het ongeluk wilde dat het juist een van jufvrouw MacStinger’s groote schoonmaakdagen was. Bij zulk eene gelegenheid, werd deze jufvrouw des morgens kwartier vóór drieën door den politieman opgeklopt, en bezweek zij zelden voor twaalf uur in den nacht onder haar arbeid. Het hoofdoogmerk dezer instelling scheen te zijn, dat jufvrouw MacStinger met het krieken van den dag al het huisraad in het tuintje bracht, den geheelen dag op klompen door het huis liep, en na den donker het huisraad weder binnenbracht. Onder deze ceremoniën hadden de jeugdige MacStinger’s nergens rust of veiligheid, werden overal vandaan gejaagd, en waren dientengevolge buitengewoon onrustig en lastig.Op het oogenblik toen Florence en Suze aan de deur van jufvrouw MacStinger kwamen, was die brave maar geduchte vrouw juist bezig met Alexander MacStinger, oud twee jaar en drie maanden, door den gang te zeulen, om hem in eene zittende houding op de straatsteenen te zetten; want Alexander was blauw in zijn[164]gezicht, dewijl hij na eene kastijding zijn adem wat lang had ingehouden, en in zulke gevallen waren de koele straatsteenen een beproefd middel om hem weder te doen bekomen.Het gevoel van jufvrouw MacStinger, als vrouw en moeder, werd diep gekwetst door het medelijden met Alexander dat zij in Florence’s gezichtje opmerkte; en de edelste driften onzer natuur volgende, in plaats van kleingeestig hare nieuwsgierigheid te voldoen, schudde zij Alexander dus nog wat, en deed alsof zij de vreemdelingen niet bemerkte.“Neem mij niet kwalijk, jufvrouw,” zeide Florence, toen het kind zijn adem terug had en dien gebruikte. “Is dit kapitein Cuttle’s huis?”—“Neen,” antwoordde jufvrouw MacStinger.—“Niet nommer negen?” zeide Florence aarzelend.—“Wie heeft gezegd, dat het nommer negen niet was?” was het antwoord.Dadelijk viel Suze er op in, en verzocht jufvrouw MacStinger te mogen vragen, wat zij daarmede meende en of zij wel wist met wie zij sprak.De jufvrouw nam haar eens op van het hoofd tot de voeten: “Wat moet gij met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren zult.”—“Stil toch, Suze,” zeide Florence. “Misschien kunt gij wel zoo goed zijn om ons te zeggen waar kapitein Cuttle woont, jufvrouw, daar hij hier niet woont.”—“Wie zegt dat hij hier niet woont?” hervatte de onverzoenlijke jufvrouw MacStinger. “Ik zeide dat het kapitein Cuttle’s huis niet was—en het is ook zijn huis niet—en ik hoop dat het nooit zijn huis zal worden—want kapitein Cuttle weet niet hoe men een huis moet schoonhouden—en hij verdient geen huis te hebben—het is mijnhuis—en als ik de bovenkamers aan kapitein Cuttle verhuur, doe ik iets daar ik geen dank voor heb, en strooi ik paarlen voor de zwijnen!”Jufvrouw MacStinger verhief hare stem, om de bovenvensters te bereiken, en schoot ieder gezegde afzonderlijk uit, als uit een geweer met een oneindig getal van loopen. Na het laatste schot, hoorde men de stem des kapiteins, flauw protesteerend, boven op zijne kamer zeggen: “Sta vast, beneden!”—“Als gij naar kapitein Cuttle vraagt, daar is hij,” zeide jufvrouw MacStinger, gramstorig met hare hand wuivende. Toen Florence daarop zonder verder spreken binnentrad en Suze volgde, hervatte de jufvrouw hare wandeling op klompen, vervolgde Alexander, (nog op de steenen gezeten) die opgehouden had met huilen om naar het gesprek te luisteren, zijn gejammer, zich onder dit misbaar, dat geheel werktuigelijk was, vermakende met in de verte naar de huurkoets te kijken.De kapitein zat op zijne kamer, met de handen in de zakken en de beenen onder zijn stoel opgetrokken, op een eilandje in een oceaan van zeepsop. De glazen waren gewasschen, de wanden waren afgeboend, de kachel was schoongemaakt, en alles, de kachel uitgezonderd, glom van het zeepsop, waarvan de reuk ook de lucht vervulde. Te midden van dit akelige tooneel keek de kapitein, op zijn eiland gebannen, treurig rond, en scheen op eene vriendelijke bark te wachten om hem te komen afhalen.Maar toen de kapitein, zijne benauwde oogen naar de deur richtende, Florence en hare kamenier zag, konden geene woorden zijne verbazing beschrijven. Daar jufvrouw MacStinger’s welsprekendheid alle andere geluiden had verdoofd, had hij geen merkwaardiger bezoek verwacht dan van den bierjongen of den melkboer; en toen Florence verscheen en de kust van zijn eiland naderde, en hem hare hand toestak, stond de kapitein met zooveel ontzetting op, alsof hij voor eenoogenblikdacht dat zij een jeugdig lid van de familie van den Vliegenden Hollander was.Terstond echter zijne tegenwoordigheid van geest hernemende, was des kapiteins eerste zorg haar op het droge te plaatsen, hetgeen hij gelukkig, met eene enkele beweging van zijn arm, volbracht. Zich toen op den waterplas wagende, nam de kapitein Suze om haar middel en droeg haar insgelijks naar het eiland. Daarna bracht hij met grooten eerbied Florence’s hand aan zijne lippen, en zag haar op eenigen afstand (want het eiland was groot genoeg voor drie) met zielvolle blikken uit het zeepsop aan, gelijk een nieuw soort van Triton.“Gij zijt zeker wel verwonderd ons hier te zien,” zeide Florence met een glimlach.De onuitsprekelijk gevleide kapitein kuste tot antwoord zijn haak en bromde: “Sta vast! Sta vast!” alsof deze woorden een uitgezocht compliment waren.“Maar ik kon geene rust hebben,” vervolgde Florence, “zonder te komen vragen wat gij van dien lieven Walter denkt—die nu mijn broeder is—en of er iets te vreezen is, en of gij zijn armen oom niet alle dag wilt gaan troosten, tot wij tijding van hem hebben.”Bij deze woorden bracht kapitein Cuttle, als ware het onwillekeurig, zijne hand naar zijn hoofd, waarop de blinkende hoed niet stond, en keek verslagen.“Zijt gij bang voor Walter’s behoud?” zeide Florence, van wier gezichtje de kapitein (zoo verrukt was hij) zijne oogen niet kon afwenden; terwijl zij hem, op hare beurt, ernstig aanzag, om overtuigd te zijn van de oprechtheid van zijn antwoord.—“Neen, hartediefje,” antwoordde kapitein Cuttle, “ik ben niet bang. Walter is een jongen die veel slecht weer[165]zal doorstaan. Walter is een jongen, die dat schip zooveel geluk zal aanbrengen als een jongen maar doen kan. Walter,” zeide de kapitein, met glinsterende oogen en zijn haak opheffende om eene fraaie aanhaling aan te kondigen, “is wat gij noemen moogt, een uitwendig zichtbaar teeken van eene innerlijke geestelijke werking, en als gij dat vindt, zet er een streepje bij.”Florence, die dit niet recht begreep, schoon de kapitein het blijkbaar voor zeer krachtig en duidelijk hield, zag hem vriendelijk aan, alsof zij nog iets meer hoopte te hooren.“Ik ben niet bang, mijn hartediefje,” hervatte de kapitein. “Er is ongemeen slecht weer in die breedten geweest, dat is niet tegen te spreken, en zij zijn misschien naar den anderen kant van de wereld afgedreven. Maar het schip is een goed schip, en de jongen is een goede jongen; en het is niet gemakkelijk, de Heer zij gedankt,” daarbij boog hij even, “gezond eikenhout te breken, hetzij van een schip of van een hart. Hier hebben wij allebei, en dus ben ik nog niet bang.”—“Nog niet?” herhaalde Florence.—“Geheel niet,” antwoordde de kapitein, zijne ijzeren hand kussende. “En eer ik begin bang te worden, mijn hartediefje, zal Walter al van het eiland of uit eene of andere haven naar huis hebben geschreven. En wat den ouden Sam Gills betreft,” hier werd de kapitein ernstig, “wien ik zal bijstaan en niet verlaten tot de dood ons scheidt, en als de stormen waaien, waaien—zie den katechismus maar na,” voegde de kapitein er tusschen, “en daar zult gij die woorden vinden—als het Sam Gills zou troosten om het gevoelen te hooren van een varensman, die nergens voor staat, en die in zijn leertijd het eene ongeluk op het andere heeft gehad, en die Bunsby heet, dan zal die man hem in zijn eigen achterkamertje dingen zeggen, waarvan hij versuft zal staan. Ja!” zeide de kapitein snoevend, “zoo goed alsof hij met zijn hoofd tegen eene deur was geloopen.”—“Laten wij met dezen heer naar hem toegaan, en hooren wat hij zegt,” riep Florence uit. “Wilt gij nu met ons meegaan? Wij hebben eene koets hier.”Wederom bracht de kapitein de hand naar het hoofd, waarop de harde blinkende hoed niet stond, en keek verslagen. Maar op dit oogenblik had er een zeer opmerkelijk verschijnsel plaats. De deur ging, zonder dat men eenig gerucht had gehoord, open, en de harde blinkende hoed kwam als een vogel de kamer invliegen en viel met een zwaren bons voor des kapiteins voeten neer. Toen sloot zich de deur weder even geweldig als zij zich geopend had, zonder dat er iets volgde dat dit wonder kon verklaren.Kapitein Cuttle raapte zijn hoed op, keerde hem met een blik van genoeglijke belangstelling om en om, en begon hem met zijne mouw op te wrijven. Zoo doende, keek de kapitein zijne bezoeksters aan en zeide met eene zachte stem:“Ik zou gisteren en van morgen wel naar Sam Gills zijn gegaan, maar—zij had hem gekaapt en weggestopt.—Dat is het lange en het korte van de zaak.”—“Wie heeft dat gedaan, om alle goedheid?” vroeg Suze.—“De huisvrouw, liefje,” antwoordde de kapitein, met een grof gefluister en een wenk om voorzichtig te zijn. “Wij hadden woorden over het zwabberen van die planken, en zij—kortom,” zeide de kapitein, zich met eene zware uitademing verluchtende, “zij gaf mij arrest.”—“O, ik wou dat zij eens met mij te doen had,” zeide Suze, rood wordende door het vuur van dien wensch. “Ik zou haar wel wat doen bedaren!”—“Zoudt ge dat denken, liefje?” hervatte de kapitein, twijfelachtig zijn hoofd schuddende, maar den moed der schoone aspirante met blijkbare bewondering beschouwende. “Ik weet het niet. Het is een moeielijk vaarwater. Zij is lastig om mee om te gaan, liefje. Men kan nooit weten welken koers zij zal houden. Het eene oogenblik houdt zij af, en het andere komt zij vlak op u aan. En als zij op haar dreef is,” zeide de kapitein, terwijl het zweet hem op het voorhoofd uitbrak—Niets anders dan een gefluit was nadrukkelijk genoeg om den zin te besluiten, en de kapitein floot dus, maar bevende. Daarna schudde hij wederom zijn hoofd en opnieuw Suze’s dapperheid bewonderende, herhaalde hij beschroomd: “Zoudt ge dat denken, liefje?”Suze antwoordde slechts met een spottenden glimlach, maar zoo uitdagend, dat men niet weten kan hoelang de kapitein verrukt van verwondering zou zijn gebleven, als Florence niet met angstig ongeduld had voorgesteld om terstond naar den wijzen Bunsby te gaan. Aldus aan zijn plicht herinnerd, zette de kapitein den blinkenden hoed vast op het hoofd, nam een nieuwen knoestigen stok, welke voor den aan Walter gegevenen in de plaats was gekomen, bood Florence zijn arm, en hield zich gereed om door den vijand heen te slaan.Het bleek echter dat jufvrouw MacStinger, gelijk de kapitein het uitdrukte, reeds een anderen koers had genomen, want toen zij beneden kwamen, vonden zij die voorbeeldige vrouw op de stoep bezig met matten uitkloppen, terwijl Alexander, flauw zichtbaar door een nevel van stof, nog op de straatsteenen zat; en zoozeer was jufvrouw MacStinger in deze huiselijke bezigheid verdiept, dat zij, toen het gezelschap voorbijkwam, des te harder klopte en geene de minste bewustheid van iemands nabijheid toonde. De kapitein was zoo in zijn schik dat hij zoo gemakkelijk vrij kwam—hoewel het mattenstof de werking van snuif op[166]hem had en hem deed niezen tot de tranen over zijn gezicht rolden—dat hij zijn geluk nauwelijks kon gelooven, maar tusschen de deur en de huurkoets meermalen over zijn schouder omkeek, blijkbaar bevreesd dat jufvrouw MacStinger nog jacht op hem zou maken.Zij bereikten echter den hoek vanBrig Place, zonder dat die geduchte kanonneerboot hen lastig viel; en de kapitein, op den bok geklommen—want zijne galanterie wilde hem niet veroorloven om bij de dames te gaan zitten, hoewel men hem daarom verzocht—loodste den koetsier op zijn koers naar kapitein Bunsby’s schip, dat de Voorzichtige Clara heette en dicht bijRatcliffelag.Aan de werf gekomen, waarvoor het schip van dien zeevoogd tusschen nagenoeg vijfhonderd kameraden lag ingeklemd, welker verwarde tuigage naar reusachtige, half weggeveegde spinnewebben geleek, vertoonde kapitein Cuttle zich voor het portier en noodigde Florence en Suze uit om met hem aan boord te gaan; aanmerkende dat Bunsby uiterst galant voor dames was, en niets zoozeer zou strekken om zijn geweldig brein in een staat van harmonie te brengen dan dat zij zich aan hem lieten presenteeren.Florence was terstond gewillig, en haar handje in zijne geduchte vuist nemende, leidde de kapitein haar met eene mengeling van vaderlijke, beschermende teederheid, trotschheid en deftigheid, die alleraardigst was om aan te zien, over verscheidene zwarte dekken, tot zij aan de Clara kwamen, welke voorzichtige bodem buiten de rij lag, met de loopplank weggenomen en zes voet rivierwater tusschen haar en haar naasten buurman. Het scheen, volgens kapitein Cuttle’s verklaring, dat de groote Bunsby, evenals hij zelf, door zijne huiswaardin zeer hard werd behandeld, en als hij die behandeling niet langer kon uithouden, als laatste toevlucht, aldus eene kloof tusschen hen plaatste.“Clara, a-hoy!” riep de kapitein, met de hand naast den mond.—“A-hoy!” riep een jongen terug, die van beneden kwam opschieten.—“Bunsby aan boord?” riep de kapitein, met eene stem alsof de jongen eene halve mijl in plaats van twee voetstappen ver was.—“Ja, ja!” riep de jongen op denzelfden toon.Daarop schoof de jongen kapitein Cuttle eene plank toe, welke deze zorgvuldig vastlegde, eer hij Florence er over hielp. Toen kwam hij voor Suze terug, en zoo stonden zij op het dek der Voorzichtige Clara, in welks staande touwen verschillende fladderende kleedingstukken hingen te drogen, in gezelschap met eenige tongen en makreelen.Terstond daarop verscheen uit het luik van de kajuit een zeer groot menschelijk hoofd met een mahoniehouten gezicht, één vaststaand en één draaiend oog. Dit hoofd was versierd met ruige haren, naar uitgeplozen touw gelijkende, die geene heerschende richting naar eenige windstreek hadden, maar zich naar alle punten van het kompas uitspreidden. Dit hoofd werd gevolgd door een hemdsboord en halsdoek, en door eene ruige zeemansjas, en door eene ruige zeemansbroek, met zulk een breeden en hoogen band, dat zij ook in plaats van vest diende, zijnde op en nabij het borstbeen van den drager versierd met eenige houten knoopen, zoo groot en dik als damschijven. Toen de ondereinden van die broek boven waren gekomen, stond Bunsby daar, met de handen in zijne diepe zakken, en zijn blik gericht, niet naar den kapitein Cuttle of de dames, maar naar den top van den mast.Het diepzinnig uitzicht van dezen philosoof, die grof en zwaar gebouwd was, en op wiens buitengemeen rood gezicht eene stilzwijgendheid ten troon zat, welke zijn roem in dit opzicht staafde, had zelfs voor kapitein Cuttle, die hem gemeenzaam kende, iets geduchts. Florence toefluisterende, dat Bunsby nog nooit in zijn leven verwonderd had gekeken, en, naar men dacht, niet eens wist wat verwondering was, bleef de kapitein staan wachten terwijl hij naar den top van den mast keek en zijn draaiend oog vervolgens langs den horizon dwaalde; en toen dit oog in zijne richting scheen te komen, zeide hij: “Bunsby, mijn jongen, hoe gaat het?”Eene zware, grove, heesche stem, die niet van Bunsby scheen te komen, en waarbij zijn gezicht geen de minste verandering onderging, antwoordde: “Ja, ja, scheepskameraad, hoe gaat het!” Te gelijk kwam Bunsby’s rechterhand uit een zak, schudde die des kapiteins en werd weder in den zak gestopt.“Bunsby,” zeide de kapitein, terstond ter zake komende, “daar staat gij, een man die verstand heeft, en een man die denkt. Hier is eene jonge juffer, die verlangt te weten wat gij wel denkt van mijn vriend Walter, en ook mijn anderen vriend, Sam Gills, iemand met wien ge wel mocht kennis maken, want hij is een man van wetenschap, en wetenschap breekt wet en is de moeder der uitvindingen. Bunsby, wilt gij, om mij pleizier te doen, met ons meegaan?”De groote zeevoogd, die, naar de uitdrukking van zijn gezicht te oordeelen, altijd in de uiterste verte scheen te turen en niets te zien dat minder dan tien mijlen van hem af was, gaf geen antwoord hoegenaamd.“Hier staat een man,” zeide de kapitein, zich tot zijne hoorderessen wendende en met zijn haak naar zijn vriend wijzende, “die meer vallen heeft gedaan, dan iemand op de wereld, en meer ongelukken heeft gehad dan het geheele zeemanshospitaal bij elkander; die, toen hij nog jong was, zooveel sparren, houten en[167]bouten op zijn hoofd heeft gekregen, dat men er een pleizierjacht van zou kunnen bouwen, en die zoo een denker is geworden, wiens gelijke men op de wereld niet vindt.”De zwijgende zeevoogd scheen door eene zeer geringe trilling zijner ellebogen eenige tevredenheid over deze lofspraak aan te duiden; maar zijn gezicht gaf geen het minste blijk van hetgeen er in zijne gedachten omging.“Scheepskameraad,” zeide Bunsby op eens, bukkende om onder eene spar, die hem in den weg was, door te kijken, “wat zullen de dames drinken?”Kapitein Cuttle, wiens kieschheid door zulk eene vraag met betrekking tot Florence geschokt werd, trok den wijze ter zijde, scheen hem aan zijn oor iets uit te leggen, en ging met hem naar beneden; waar, opdat hij zich niet boos zou maken, de kapitein zelf een borrel dronk, dien Florence en Suze, door het opene luik kijkende, den wijze voor zich zelven en zijn vriend zagen inschenken. Weldra kwamen zij weder op het dek, en leidde kapitein Cuttle, opgetogen over den goeden uitslag zijner onderneming, Florence naar de koets terug, terwijl Bunsby met Suze volgde, welke hij onderweg (tot groote verontwaardiging dier jonge juffer) in zijn ruigen arm gesloten hield, alsof hij een blauwe beer was.De kapitein zette zijn orakel in de koets, en was er zoo trotsch op dat hij dit gedaan had gekregen, dat hij niet kon nalaten om dikwijls door het raampje achter den koetsier naar Florence te kijken en tegen zijn voorhoofd te tikken, als een wenk dat Bunsby’s brein reeds aan het werk was. Ondertusschen bewaarde Bunsby zijn ernstig stilzwijgen, wel op den duur zijn arm om Suze heen houdende (want zijn vriend had niet te veel van zijne galanterie gezegd), maar zonder anders eenige bewustheid van haar of iets anders te toonen.Oom Sam, die thuis gekomen was, ontving hen aan de deur en bracht hen terstond naar het achterkamertje, dat door Walter’s afwezigheid een geheel ander voorkomen scheen te hebben gekregen. Op de tafel en hier en daar verspreid lagen de kaarten, waarop de instrumentmaker zoo dikwijls het vermiste schip had pogen na te sporen, en waarop hij zoo even, met een passer dien hij nog in de hand had, gemeten had hoe ver het wel had kunnen afdrijven, om zoo te betoogen, dat het nog lang moest duren eer men niet meer kon hopen.“Of het kan verzeild wezen tot aan,” zeide de oude man, met een angstigen blik over de kaart; “maar neen, dat is bijna onmogelijk. Of dat het door slecht weder genoodzaakt kan zijn om—maar dat is ook niet te denken. Of dat er hoop is, dat het zoo ver uit den koers is geraakt dat—maar zelfs dat kan ik haast niet hopen.”Met zulke afgebrokene gissingen zwierf de arme oude man over het groote blad, en kon geen plekje van hoop en waarschijnlijkheid vinden, groot genoeg om er de punt van zijn passer op te zetten.Florence zag terstond—het zou moeielijk geweest zijn het niet te zien—dat er eene zonderlinge, onbeschrijfelijke verandering bij den ouden man had plaats gehad, en dat zijn voorkomen, schoon veel onrustiger dan gewoonlijk, toch eene daarmede strijdige vastberadenheid had, die haar geheel in de war bracht. Eens verbeeldde zij zich dat hij niet recht wist wat hij zeide; want toen zij sprak van hare spijt dat zij hem des morgens niet had gevonden, antwoordde hij eerst dat hij naar haar toe was geweest, en scheen terstond daarop dat antwoord te willen herroepen.“Naar mij toe geweest?” zeide Florence. “Vandaag?”—“Ja, lieve jonge juffer,” antwoordde oom Sam, met zekere verlegenheid eerst haar aanziende en toen weder naar een anderen kant kijkende, “ik wenschte u nog eens met mijne eigene oogen te zien en met mijne eigene ooren te hooren, eer—” Daarbij bleef hij steken.“Eer? Eer wat?” zeide Florence, hare hand op zijn arm leggende.—“Heb ik “eer,” gezegd?” antwoordde de oude man. “Dan moet ik gemeend hebben, eer wij tijding van mijn lieven Walter kregen.”—“Ge zijt niet wel,” zeide Florence met teedere bezorgdheid. “Ge zijt ook zoo ongerust geweest. Ge zijt zeker niet wel.”—“Ik ben zoo gezond,” antwoordde de oude man, zijne rechterhand sluitende en uitstekende, om ze haar te toonen, “zoo gezond en sterk als iemand op mijne jaren kan hopen te zijn. Zie maar! Zij is vast. Is haar meester niet in staat om zooveel kracht en moed te toonen als menig jonger man? Ik denk van ja. Wij zullen zien.”Er was iets in zijn toon, meer dan in zijne woorden, schoon ook deze haar bijbleven, hetwelk zulk een indruk op Florence maakte, dat zij hare ongerustheid terstond aan kapitein Cuttle zou hebben te kennen gegeven, indien de kapitein niet juist dat oogenblik had waargenomen om den wijzen Bunsby de omstandigheden mede te deelen, waarover men zijne diep doordachte meening wenschte te vernemen.Bunsby, wiens oog ergens halverwege tusschenLondenenGravesendgevestigd bleef, stak twee- of driemaal zijn ruigen rechterarm uit, om dien om Suze’s ranke gestalte te slaan, als wilde hij zich daardoor inspireeren; maar daar Suze in ongenoegen naar den anderen kant van de tafel was gegaan, kon de wijze zeeman zijne galante neiging niet bevredigen. Na verscheidene zulke mislukkingen, sprak hij, zonder zich tot iemand in het bijzonder te richten, aldus; of liever de stem in zijn binnenste, zeide van zelf, alsof hij[168]door een brommenden geest bezeten was: “Mijn naam is Jack Bunsby!”—“Hij is John gedoopt,” riep de opgetogen kapitein Cuttle uit. “Hoor maar!”—“En wat ik zeg,” vervolgde de stem, na eenig bedenken, “daar blijf ik bij.”De kapitein, met Florence aan den arm, knikte tot het gehoor en scheen te zeggen: “Nu komt het! Dat heb ik gemeend, toen ik hem meebracht.”—“Waarom?” vervolgde de stem. “Waarom niet? Zoo ja, dat is hetzelfde. Kan iemand anders zeggen? Neen. Pak aan dan!”Toen de redeneering zoover gekomen was, bleef de stem eene poos steken. Daarna vervolgde zij zeer langzaam aldus: “Of ik geloof dat de Zoon en Erfgenaam vergaan is, kameraads? Misschien. Zeg ik zoo? Hoe dan? Als een schipper het kanaal van Sint George uitvaart en koers houdt naarDuins, wat heeft hij dan vlak voor den boeg? DeGoodwins. Hij behoeft het niet op deGoodwinste zetten, maar hij kan toch. Die observatie moet maar berekend en toegepast worden. Maar dat behoef ik niet te doen. Pak aan dan, houdt goede wacht, en—goede reis!”Daarmede ging de stem het achterkamertje uit en de straat op, den kapitein der Voorzichtige Clara medenemende, en vergezelde hem met allen spoed weder naar boord, waar hij in de kooi kroop en zijn brein met een dutje verfrischte.Zij die de uitspraak van den wijze hadden gehoord en zelven de toepassing zijner wijsheid moesten zoeken—volgens een regel, die de steunpilaar van Bunsby’s roem, en misschien ook van andere orakelsprekers is—zagen elkander eenigszins twijfelachtig aan; terwijl Rob de Slijper, die de vrijheid had genomen om door het lantarenraam in het dak te luisteren en te kijken, geheel versuft weder van het plat naar beneden kwam. Kapitein Cuttle, wiens achting voor Bunsby, zoo mogelijk, nog verhoogd was, door de luisterrijke manier waarop deze zijn roem had gehandhaafd, verklaarde echter dat Bunsby niets anders had gemeend dan dat men maar moest hopen en vertrouwen; dat Bunsby niet bang was; en dat zulk eene uitspraak van zulk een man het beste was dat men kon verlangen. Florence poogde te gelooven dat de kapitein gelijk had; maar Suze schudde, met stijf over elkander geslagene armen, haar hoofd, en vertrouwde Bunsby even weinig als zij Perch deed.De philosoof scheen den goeden oom Sam nagenoeg gelaten te hebben waar hij hem gevonden had, want de oude man bleef nog met den passer in de hand over de waterwereld dwalen, en kon geen rustpunt daarvoor vinden. Het was na een gefluisterd verzoek van Florence, dat kapitein Cuttle zijne zware hand op zijn schouder legde.“Hoe gaat het, Sam Gills?” zeide de kapitein hartelijk.—“Maar zoo, zoo, Ned,” antwoordde de instrumentmaker. “Ik heb er dezen geheelen middag aan gedacht, dat op den dag toen mijn jongen bij Dombey op het kantoor was gekomen, en laat thuis kwam om te eten, en daar zat waar gij nu staat, wij toen van stormen en schipbreuken praatten, en ik hem haast niet daarvan kon afbrengen.”Maar toen hij de oogen van Florence ontmoette, die ernstig uitvorschend op hem gevestigd waren, zweeg de oude man met een glimlach stil.“Sta vast,oude vriend!” riep de kapitein. “Ik zal u eens wat zeggen, Sam Gills. Als ik Hartediefje veilig heb thuis gebracht,” daarbij kuste hij zijn haak naar Florence, “zal ik terugkomen en u voor de rest van dezen dag op sleeptouw nemen. Gij moet hier of daar met mij gaan eten, Sam!”—“Neen, vandaag niet, Ned,” zeide de oude man snel, en scheen van dit voorstel op eene onverklaarbare wijs te schrikken. “Vandaag niet. Dat zou ik niet kunnen!”—“Waarom niet?” hernam de kapitein, hem met verbazing aanziende.—“Ik—ik heb zooveel te doen. Ik—ik meen te denken en te beschikken. Ik kan niet, Ned, waarlijk niet. Ik moet vandaag nog weer uitgaan, en alleen wezen, en voor allerlei dingen zorgen.”De kapitein zag den instrumentmaker, en daarop Florence, en wederom den instrumentmaker aan. “Morgen dan,” zeide hij eindelijk.—“Ja, ja, morgen,” zeide de oude man. “Denk morgen maar om mij. Zeg morgen.”—“Dan zal ik vroeg hier komen, onthoud dat, Sam Gills,” bedong de kapitein.—“Ja, ja, morgenochtend heel vroeg,” zeide de instrumentmaker. “En nu goedendag, Ned Cuttle, en God zegen u.”Dit zeggende drukte de oude man den kapitein met buitengewone warmte de hand, keerde zich toen naar Florence, vatte hare beide handjes, drukte ze aan zijne lippen, en bracht haar daarop met buitengewone haast naar de koets. Over het geheel maakte hij zulk een indruk op kapitein Cuttle, dat deze nog even draalde, om Rob te belasten dat hij tot morgenochtend bijzonder oplettend en gewillig voor zijn meester moest wezen, welk bevel hij aandrong met de betaling van een schelling op hand en de belofte van nog een halven des anderen daags. Deze vriendendienst verricht hebbende, klom de kapitein, die zich zelven als de natuurlijke en wettige lijfwacht van Florence beschouwde, weder op den bok, en bracht haar, met eene verhevene bewustheid van zijn post van vertrouwen, naar huis. Bij het afscheid verzekerde hij haar, dat hij Sam Gills trouw zou blijven bijstaan, en buiten staat om Suze’s dappere woorden ten aanzien van jufvrouw MacStinger te vergeten,[169]vroeg hij deze jonge juffer nog eens: “Zoudt ge dat waarlijk denken, liefje?”De bloemen werden als stof over den grond gestrooid; de ledige handen bedekten het gezichtje; en de verweesde Florence, op den grond ineengedoken, schreide lang en bitter. (blz. 172).De bloemen werden als stof over den grond gestrooid; de ledige handen bedekten het gezichtje; en de verweesde Florence, op den grond ineengedoken, schreide lang en bitter.(blz. 172).Toen de deur van het naargeestige huis zich achter die twee gesloten had, begon de kapitein weder aan den instrumentmaker te denken, en gevoelde hij zich ongerust. In plaats van dus naar huis te gaan, wandelde hij de straat verscheidene malen op en neer, en zoo tot aan den avond dralende, ging hij eindelijk eten in zeker tusschen andere huizen als eene wig ingeklemd herbergje in de City, dat veel door blinkende hoeden werd bezocht. Des kapiteins voornaamste doel was, na den donker nog eens bij Sam Gills voorbij te gaan en door het venster binnen te kijken; hetgeen hij ook deed. De deur van het achterkamertje stond open, en hij zag zijn ouden vriend stil maar ijverig aan zijne tafel zitten schrijven, terwijl de houten adelborst, reeds voor den nacht geborgen, hem van de toonbank waarnam; onder welke Rob de Slijper, eer hij den winkel sloot, zijn bed opmaakte. Gerustgesteld door de kalmte, die er in den omtrek van den houten adelborst heerschte, zette de kapitein koers naar Brig Place, met voornemen om den volgenden morgen vroeg wederom het anker te lichten.[170]1Deze dompers omhoog aan de huisdeuren, dienden in vroeger tijd om de flambouwen uit te dooven, toen, bij gebrek aan straatverlichting, meer dan thans in gebruik.Vert.↑
[Inhoud]XXIII.FLORENCE EENZAAM EN DE ADELBORST GEHEIMZINNIG.Florence leefde alleen in het groote, akelige huis, en de eene dag volgde den anderen, en nog leefde zij alleen; en de koude muren zagen starend op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.Geen tooverkasteel in een tooversprookje, in het hart van een dicht bosch verscholen, was voor de verbeelding ooit eenzamer en verlatener, dan haar vaderlijk huis in zijn stugge werkelijkheid was—des avonds, als er licht door de naburige vensters scheen, een zwarte vlek op die karige helderheid, over dag eene naargeestige uitzondering in eene lang niet vroolijke straat.Er stonden geene twee draken op schildwacht aan de poort dezer woning, gelijk men in een tooversprookje doorgaans de onrechtvaardig gekerkerde onschuld vindt bewaken; maar behalve een verwrongen gezicht, dat uit de lijst boven de deur uitkeek, was daarboven nog een monsterachtig arabesk-werk van roestig ijzer, naar de versteening van een loofpriëel gelijkende, dat in scherpe punten en schroefsgewijze krullen uitliep, en aan elke zijde een grooten domper1droeg, die onheilspellend schenen te zeggen: “Wie hier binnentreedt, laat het licht achter!” Er waren geene tooverletters op den drempel gebeiteld, maar het huis zag er nu zoo verwaarloosd uit, dat de jongens het hek en de stoep met krijt bekrabbelden—vooral om den hoek waar de zijmuur was—en spoken op de staldeur teekenden; en daar Towlinson hen somtijds wegjoeg, maakten zij tot wraak portretten van hem, met ooren die zijdelings uit zijn hoed uitgroeiden. Binnen de schaduw van dat dak hield alle gerucht op. De troep horenblazers, die eens in de week des morgens de straat doorkwam, blies voor die vensters nooit een enkelen toon; al zulke lieden, tot zelfs de half simpele orgeldraaier, schuwden het als eene plaats waar niets te hopen was.De tooverban, die er op rustte, was verderfelijker dan die, welke eens op een tijd een huis in een tooverslaap dompelde, maar het als het weder ontwaakte onbeschadigd liet. De stille, verterende werking der onbewoondheid openbaarde zich overal. De zwaar neerhangende gordijnen verloren hare oude plooien en vormen en begonnen naar opgehangen lijkkleeden te gelijken. Hecatomben van meubelen, opgestapeld en overdekt, slonken weg, evenals in gevangenis vergetene menschen, en ondergingen eene ongevoelige verandering. Spiegels besloegen als door den adem van jaren. De kleuren van tapijten verschoten en werden zoo verward en flauw als de geheugenissen dier jaren. Planken, schrikkende van een ongewonen voetstap, kraakten[159]en trilden. Sleutels roestten in de sloten van deuren. De vochtigheid sloeg de muren uit, en naarmate de vlekken naar buiten kwamen, schenen de schilderijen naar binnen te kruipen en zich te verbergen. In de kasten begon zich schimmel te vestigen, en boomachtige paddestoelen groeiden in de hoeken van kelders. Het stof hoopte zich overal op, niemand wist hoe; spinnen en motten zag men elken dag opnieuw. Nu en dan vond men eene verdwaalde zwarte tor onbeweeglijk op de trap of op eene bovenkamer, als verwonderd hoe zij daar gekomen was. Ratten begonnen des nachts te piepen en te schermutselen in de donkere galerijen, die zij achter de paneelen uitgroeven.De akelige pracht der staatsievertrekken, onduidelijk gezien in het schemerlicht dat door de geslotene luiken drong, zou wel genoeg met een tooverkasteel hebben gestrookt. Zoo, bij voorbeeld, de dof aangeslagene pooten van vergulde leeuwen, die tersluiks onder een overtrek te voorschijn kwamen; de marmeren gelaatstrekken van borstbeelden, die spookachtig door een sluier heenschemerden; de pendules, die nooit den tijd verkondigden, of, als zij bij toeval werden opgewonden, dit verkeerd deden en onaardsche uren sloegen, die niet op de wijzerplaat staan; het toevallig gerinkel in de glazen lichtkronen, meer schrik aanjagend dan eene alarmklok; de verzachte klanken en de trage lucht, die zich tusschen deze voorwerpen en eene menigte anderen, allen even spookachtig, heendrongen. Bovendien was er de groote trap, waarop de heer des huizes zoo zelden zijn voet zette, en waarlangs zijn kind omhoog naar den hemel was gegaan. Er waren nog andere trappen en gangen, waar weken achtereen niemand kwam; er waren twee gesloten kamers, met herinneringen aan doode leden der familie, waarvan fluisterend werd gesproken; en voor het geheele huis was Florence, de eenige bevallige gedaante, die door deze somberheid en eenzaamheid rondging, en ieder levenloos voorwerp iets menschelijks gaf, dat belangstelling en verwondering opwekte.Florence leefde alleen in het verlaten huis, en de eene dag volgde den anderen en nog leefde zij alleen, en de koude muren zagen starende op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.Het gras begon op het dak en in de spleten der keldergaten te groeien. Schubachtige, kruimelige plantjes sproten om de vensterbanken uit. Stukjes kalk raakten binnen in de schoorsteenen los en kwamen ratelend naar beneden. De twee boomen met berookte stammen verstierven omhoog, en de verdorde takken overheerschten de bladeren. Door het geheele gebouw was het wit in geel, het geel bijna in wit veranderd; en van den tijd af toen de ongelukkige dame stierf, was het langzamerhand eene donkere gaping in de straat geworden.Maar Florence bloeide daar, gelijk de schoone koningsdochter in het sprookje. Hare boeken, hare muziek en hare dagelijksche meesters en meesteressen, waren haar eenig wezenlijk gezelschap, Suze Nipper en Diogenes uitgezonderd. De eerste begon, door het bijwonen der lessen van hare jonge meesteres zelve een wonder van geleerdheid te worden, terwijl de laatste, mogelijk door denzelfden invloed verzacht, zijn kop op de vensterbank legde en een geheelen zomermorgen lang vreedzaam tegen de straat knipoogde; somtijds zijn kop opstak om met grooten ernst naar een luidruchtig blaffenden hond voor eene kar te kijken, en somtijds, eensklaps en zonder eenige aanleiding om zijn ouden vijand in de buurt denkende, naar de deur stoof, een verdoovend geweld maakte, en dan met een eigenaardig zelfbehagen kwam terugwandelen en zijn kop weder op de vensterbank legde, met het gezicht van een hond die den staat een dienst had bewezen.Zoo leefde Florence in hare woestijn van een huis, binnen den kring harer schuldelooze bezigheden en gedachten, en niets deed haar leed of hinder. Zij kon nu naar haar vaders kamer gaan en aan hem denken, en met haar liefderijk hart hem nederig naderen, zonder vrees van teruggestooten te worden. Zij kon hem kleine blijken van hare gehechtheid en dienstvaardigheid geven, door alles met eigene handen voor hem in orde te brengen, ruikertjes voor zijne tafel te maken, ze een voor een te verwisselen, als zij verwelkten zonder dat hij terugkwam, dagelijks het een of ander voor hem gereed te maken, en bij zijne gewone plaats een schroomvallig teeken van hare tegenwoordigheid te laten. Vandaag was het een geschilderd kastje voor zijn horloge; morgen werd zij bang om dat daar te laten, en zette zij eene andere kleinigheid van haar maaksel in de plaats, die niet zoo licht zijn oog zou trekken. In den nacht wakker wordende, beefde zij misschien bij de gedachte dat hij thuis zou komen en er zich boos over maken, en sloop dan haastig, met een kloppend hart, naar beneden om haar werk weder weg te nemen. Een andermaal legde zij slechts haar hoofdje op zijn lessenaar, en liet daar een kus en een traan.Nog wist niemand daarvan. Als de dienstboden het niet ontdekten, wanneer zij er niet was—en allen waren bang voor Dombey’s kamer—was het een even diep geheim in het hart, als wat vroeger was gebeurd. In den schemeravond, des morgens vroeg, en somtijds als men beneden aan het eten was, sloop Florence naar die kamers; en hoewel ieder hoekje te helderder en vroolijker was door hare zorg,[160]glipte zij zoo stil als een zonnestraal uit en in, behalve dat zij haar licht achterliet.Schimachtig gezelschap vergezelde Florence op en neer door het galmende huis, en zat bij haar in de ontmeubelde kamers. Alsof haar leven een tooverdroom was, sproten er gedachten uit hare eenzaamheid, die de werkelijkheid geheel veranderden. Zij verbeeldde zich zoo dikwijls wat haar leven zou geweest zijn als haar vader haar had kunnen liefhebben en zij een begunstigd kind was geweest, dat zij somtijds voor een oogenblik bijna geloofde dat het zoo was, en zij, door die peinzende verbeelding medegevoerd, zich scheen te herinneren, hoe zij werkelijk beiden haar broeder in zijn graf hadden zien dalen; hoe zij nog dikwijls over hem gesproken hadden, en haar goede vader, haar teeder aanziende, haar over hunne gemeenschappelijke hoop en vertrouwen op God had onderhouden. Op een anderen tijd verbeeldde zij zich dat hare moeder nog leefde. En o, welk een geluk, haar om den hals te vallen en zich met al de vertrouwelijke liefde harer ziel aan hare borst te klemmen! En o, hoe akelig weder het eenzame huis, als de avond viel en er niemand was!Doch er was ééne gedachte—die zich nog nauwelijks duidelijk kon maken en toch vurig en krachtig in haar binnenste was—welke Florence ondersteunde als zij haar jeugdig hart, zoo zwaar beproefd, met moed en goede voornemens poogde te vervullen. In haar gemoed, gelijk in dat van iedereen die met de groote ramp onzer sterfelijkheid heeft te kampen, was eene plechtige verwondering en hoop binnengeslopen, die haar uit de schemerachtige wereld voorbij het tegenwoordige leven iets, gelijk flauwe muziek, van eene herkenning tusschen haar broeder en hare moeder toefluisterde, van eene bewustheid van haar, die beiden nog bewaarden, van liefde en medelijden voor haar, van eene kennis hoe zij haar weg op aarde zou voortzetten. Het was een balsemende troost voor Florence, deze gedachten te koesteren tot zij eens—het was kort nadat zij haar vader, laat in den nacht, in zijne eigene kamer had gezien—op het denkbeeld kwam, dat zij, als zij schreide omdat zijn hart van haar vervreemd bleef, misschien de geesten der dooden tegen hem zou opwekken. Hoe zwak en kinderachtig het ook wezen mocht, zoo iets te denken en daarbij te beven, haar liefderijk hart kon toch niet anders; en van dat uur af deed Florence haar best om de wreede wond in hare borst aan zich zelve te ontveinzen, en niet dan met hoop te denken aan hem, wiens hand haar die had toegebracht.Haar vader wist niet—daaraan hield zij zich vast, van dien tijd af—hoe lief zij hem had. Zij was nog heel jong, en had geene moeder, en had nooit geleerd, hetzij door hare schuld of door haar ongeluk, hoe zij moest toonen dat zij hem liefhad. Zij wilde geduld hebben, zij wilde beproeven door den tijd die kunst te leeren, en hem zijn eenig kind beter doen kennen.Dit werd het doel van haar leven. De morgenzon bescheen het vervallene huis, en vond dat besluit frisch en krachtig in de borst der eenzame meesteres. Onder al hare werkzaamheden van den dag bezielde het haar, want Florence hoopte dat, hoe meer zij wist en hoe meer talenten zij zich verwierf, hij des te vergenoegder zou zijn als hij haar leerde kennen. Somtijds verwonderde zij zich, met een angstig hart en een opwellenden traan, of zij wel in iets genoeg gevorderd was om hem te verrassen als zij eens bij elkander kwamen. Somtijds poogde zij te bedenken, of er niet een vak van kennis was, dat zijne belangstelling lichter dan een ander zou opwekken. Altijd, bij hare boeken, aan hare muziek, aan haar werk, op hare ochtendwandeling, en onder haar nachtgebed, had zij dat één groot doel in het oog. Vreemde studie voor een kind, den weg naar het hart van een hardvochtigen vader te leeren.Er waren vele wandelaren op de straat, als de zomeravond in den nacht overging, die van den overkant naar het sombere huis keken, en de jeugdige gedaante voor het venster,—zulk een contrast daarbij—naar de sterren zagen opzien, en slechter zouden geslapen hebben indien zij hadden geweten waarover zij zoo peinsde. De naam van het huis, als een spookhuis, zou bij eenige eenvoudige lieden, die door het naargeestige voorkomen daarvan getroffen waren, en het zoo genoemd hadden, niet beter zijn geworden, als zij de geschiedenis van dat gebouw op den gevel hadden kunnen lezen. Maar Florence vervolgde haar heilig doel, zonder dat iemand er iets van vermoedde of haar hielp: zij was er alleen op bedacht hoe zij haar vader zou doen begrijpen dat zij hem liefhad, en bracht zelfs met hare geheimste gedachten geene aanklacht tegen hem in.Zoo leefde Florence alleen in het verlaten huis, en de eene dag volgde op den anderen, en de koude muren zagen starend op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.Suze Nipper stond op zekeren morgen bij hare meesteres, terwijl deze een briefje cacheteerde dat zij geschreven had, en toonde door haar uitzicht dat zij den inhoud wist en goedkeurde.“Beter laat dan nooit, lieve jufvrouw Flore,” zeide Suze, “en ik zeg dat het altijd een verzetje zal zijn eens uit logeeren te gaan, al is het maar bij die oude Skettles’sen.”—“Sir Barnet en Lady Skettles,” antwoordde Florence, met eene zachte berisping, daar de jonge juffer met zooveel gemeenzaamheid van de bedoelde familie sprak, “zijn wel goed dat zij hunne invitatie zoo vriendelijk herhalen.”[161]Suze, die misschien zoo partijzuchtig was als ooit iemand op de wereld, en in alle dingen, groot en klein, dadelijk eene partij koos, waarvoor zij tegen de geheele wereld wilde vechten, kneep hare lippen dicht en schudde haar hoofd, als een protest tegen de belangeloosheid der Skettles’sen, en om aan te duiden dat het gezelschap van Florence hen rijkelijk voor hunne vriendelijkheid zou beloonen.“Zij weten wel wat zij doen,” prevelde Suze; “laat dat maar voor de Skettles’sen over.”—“Ik ben er niet zeer op gesteld om naar Fulham te gaan, moet ik bekennen, Suze,” zeide Florence nadenkend. “Maar het zal toch goed zijn dat ik ga. Het zal beter zijn, denk ik.”—“Veel beter,” zeide Suze met nadruk.—“En dus,” vervolgde Florence, “al had ik liever willen gaan als er niemand was, in plaats van onder die vacantie, nu het schijnt dat er eenige jongelieden logeeren, heb ik met dankbaarheid ja gezegd.”—“En ik zeg, dat ik blij toe ben,” antwoordde Suze. “A-ah!”“Wat moet gij met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren zult.” (blz. 164).“Wat moet gij met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren zult.”(blz. 164).Deze laatste uitroep, waarmede Suze in dien tijd dikwijls een gezegde besloot, werd beneden gehouden voor iets dat in het algemeen op mijnheer Dombey doelde, en jufvrouw Nipper’s verlangen aanduidde om hem eens te zeggen wat zij wel van hem dacht; maar zij gaf er nooit eene verklaring van, en dus had dit “A-ah!” bij de grootst mogelijke scherpheid, nog het bekoorlijke der geheimzinnigheid.“Hoelang duurt het toch eer wij tijding van Walter krijgen, Suze!” merkte Florence na een oogenblik zwijgens aan.—“Ja wel lang, jufvrouw Flore!” antwoordde hare kamenier. “En toen Perch daar straks om brieven kwam vragen, zeide hij—maar wat beduidt het wat hij zegt!” riep Suze rood wordend uit. “Hij weet er veel van!”Florence sloeg snel hare oogen op, en een gloed overspreidde haar gezichtje.“Als ik niet meer mannelijks had,” zeide Suze, blijkbaar tegen een verborgen angst worstelende en hare jonge meesteres strak aanziende, terwijl zij zich op den onschuldigen Perch poogde boos te maken, “dan die flauwe kerel, zou ik nooit weer grootsch op mijn haar zijn, maar het achter mijne ooren opsteken, en eene grove[162]muts dragen, zonder een strookje kant, tot de dood mij van mijne onbeduidendheid verloste. Ik mag geene Amazone wezen, jufvrouw Flore, en ik zou mij ook niet te schande willen maken door mij zelve zoo te misvormen, maar ik ben toch geen opgeefster, hoop ik.”—“Opgeven? Wat?” riep Florence met ontzetting uit.—“Wel, niets, jufvrouw,” antwoordde Suze. “Lieve hemel, niets! Het is maar die natte papillot van een man, die Perch, dien iemand haast met een vinger zou kunnen omgooien.”—“Geeft hij het schip op, Suze?” vroeg Florence, zeer bleek.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde Suze; “ik zou wel eens willen zien dat hij dat in mijn gezicht durfde doen. Maar hij loopt malen over een pot gember dien mijnheer Walter voor jufvrouw Perch zou sturen, en schudt zijn miserabel hoofd, en zegt dat hij maar hoopt dat hij zal komen; want, zegt hij, al kan het nu niet meer bijtijds zijn voor de bedoelde gelegenheid, dan kan het toch voor de volgende wezen, en dat maakt,” zeide Suze, met diepe minachting, “dat ik mijn geduld met dien kerel verlies, want al kan ik veel dragen, ik ben toch geen kameel, en ook,” voegde zij er na een oogenblik bedenkens bij, “als ik mij zelve wel ken, geen dromedaris.”—“Wat zegt hij anders, Suze?” vroeg Florence met ernst. “Wilt ge mij dat niet vertellen?”—“Alsof ik u niet alles zou willen vertellen, jufvrouw Flore!” zeide Suze. “Wel, jufvrouw, hij zegt dat men algemeen over het schip begint te praten, en dat er nog nooit een schip half zoolang op de reis is uit geweest zonder dat men er van hoorde, en dat de vrouw van den kapitein gisteren aan het kantoor is geweest, en er een beetje ongerust over scheen te zijn; maar dat kon iedereen wel zeggen; dat wisten wij te voren al.”—“Ik moet Walter’s oom gaan bezoeken,” zeide Florence haastig, “eer ik van huis ga. ik wil van morgen nog naar hem toe. Laten wij dadelijk maar gaan, Suze.”Daar Suze niets tegen dit voornemen had, maar het integendeel hartelijk goedkeurde, waren zij spoedig gereed, en weldra op straat en op weg naar den houten adelborst.De gemoedstoestand, waarin de arme Walter naar kapitein Cuttle was gegaan, op dien dag toen Brogley de uitdrager beslag op den boedel kwam leggen, en zelfs de kerktorens met eene executie schenen te dreigen, had veel gelijkenis naar dien waarin Florence zich nu naar oom Sam begaf; met dit verschil, dat Florence bovendien nog het verdriet had van te denken, dat zij misschien de onschuldige oorzaak was geweest om Walter in gevaar en allen wien hij dierbaar was, haar zelve daarbij ingesloten, in een doodelijken angst te brengen. Voor het overige schenen gevaar en onzekerheid overal geschreven te zijn. De weerhanen op huizen en torens schenen geheimzinnig op stormen te doelen en als spookvingers naar gevaarlijke zeeën te wijzen, waar, misschien, wrakken ronddreven, en hulpelooze schipbreukelingen dobberden, in een slaap, even diep als het onpeilbare water. Toen Florence in deCitykwam en heeren voorbijging, die met elkander praatten, vreesde zij hen over het schip te hooren spreken en de tijding te zullen opvangen, dat het vergaan was. Prenten van schepen tegen de rollende golven kampende vervulden haar met schrik. De wolken en de rook, hoewel langzaam voortdrijvende, dreven veel te snel voor haar angst, en deden haar vreezen dat het op dat oogenblik op zee een storm woei.Misschien was Suze Nipper onder den invloed van dergelijke gewaarwordingen, misschien ook niet; maar daar zij het in eene eenigszins drukke straat altijd met de jongens te kwaad had—tusschen welke klasse der menschheid en haar eene natuurlijke vijandschap bestond, die bij elke gelegenheid uitbarstte—scheen zij onderweg niet veel tijd te hebben om zich met nadenken bezig te houden.Toen zij eindelijk aan den overkant der straat op de hoogte van den houten adelborst waren gekomen, en naar eene gelegenheid wachtten om over te stappen, waren zij in het eerst verwonderd voor de deur des instrumentmakers een jongen te zien, wiens appelrond gezicht naar de lucht was gekeerd, en die juist, toen zij naar hem keken, twee vingers van elke hand in den mond stopte, en op deze kunstige manier met verbazende schelheid floot naar eenige duiven hoog in de lucht.“Jufvrouw Richards’ oudste, jufvrouw!” zeide Suze, “en de plaag van haar leven!”Daar Polly Florence van de verbeterde vooruitzichten van haar zoon en erfgenaam was komen vertellen, was Florence op deze ontmoeting voorbereid; en bij het eerste gunstige oogenblik stapten zij dus de straat over, zonder zich langer met de beschouwing van jufvrouw Richards’ oudste en plaaggeest op te houden. Deze liefhebber van vogels en visschen bleef met alle macht aan het fluiten, en schreeuwde tusschenbeide, als dol van verrukking: “Ho! hoep! Wegvliegers! Wegvliegers!” een geroep, dat het kwade geweten der duiven zoodanig scheen te treffen, dat zij, in plaats van recht naar eene of andere stad in het noorden vanEngelandte vliegen, gelijk zij eerst voornemens schenen, onzeker in het rond begonnen te zwieren; waarop jufvrouw Richards’ eerstgeborene nog harder begon te fluiten en te schreeuwen, met eene stem die boven het straatrumoer uitklonk.Uit deze verrukking werd hij op eens naar de aarde teruggeroepen door een stomp van Suze, die hem den winkel deed binnenstuiven.“Is dat de manier om uw berouw te toonen, nu uwe moeder maanden lang om u heeft zitten[163]huilen?” zeide Suze, ten vervolge op den stomp. “Waar is mijnheer Gills?”Rob, die zijne opwellende wederspannigheid tegen Suze smoorde, toen hij Florence zag volgen, duwde, ter eere der laatste, zijne knokkels tegen zijn haar, en zeide tot de eerste dat mijnheer Gills uit was.“Haal hem dan naar huis,” zeide Suze met gezag, “en zeg dat mijne jonge jufvrouw hier is.”—“Ik weet niet waar hij naar toe is,” zeide Rob.—“Isdatberouw?” riep Suze met bijtende scherpheid uit.—“Wel, hoe kan ik hem gaan halen, als ik niet weet waar ik naar toe moet?” jankte de gekwelde Rob. “Hoe kunt ge zoo onredelijk zijn?”—“Heeft mijnheer Gills ook gezegd wanneer hij weder thuis zou komen?” vroeg Florence.—“Ja, jufvrouw,” antwoordde Rob, nogmaals zijne knokkels tegen zijn haar duwende. “Hij zeide dat hij kort na den middag weerom zou zijn; nu over een paar uren, jufvrouw.”—“Is hij angstig over zijn neef,” vroeg Suze.—“Ja, jufvrouw,” zeide Rob, zich bij voorkeur tot Florence richtende en Suze voorbijziende, “dat zou ik wel zeggen—heel erg zelfs. Hij blijft geen kwartier binnenshuis, jufvrouw. Hij kan geen vijf minuten op dezelfde plek blijven zitten. Hij zwiert rond als—net als een duif, die niet hokvast meer is,” zeide Rob, bukkende om door het venster naar de duiven te zien, en zich bedwingende, met de vingers halverwege naar zijn mond, op het punt om nog eens te gaan fluiten.—“Kent gij ook een vriend van mijnheer Gills, die kapitein Cuttle heet?” zeide Florence, na een oogenblik bedenkens.—“Die met zijn haak, jufvrouw?” antwoordde Rob, met eene ophelderende beweging van zijne linkerhand. “Ja, jufvrouw. Hij is hier eergisteren nog geweest.”—“Is hij later niet meer hier geweest?” vroeg Suze.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde Rob, wederom tot Florence het woord richtende.—“Misschien is Walter’s oom daarheen, Suze,” merkte Florence aan.—“Naar kapitein Cuttle, jufvrouw?” viel Rob er op in. “Neen, daar is hij niet; want hij heeft de boodschap gelaten dat ik, als kapitein Cuttle aankwam, zeggen moest, hoe verwonderd hij was dat hij hem gisteren niet gezien had, en hem moest laten wachten tot hij terugkwam.”—“Weet ge waar kapitein Cuttle woont?” vroeg Florence.Rob antwoordde bevestigend, sloeg een in perkament gebonden boekje, dat in den winkel lag, op, en las het adres voor.Florence keerde zich weder naar hare kamenier en nam fluisterend raad met haar, terwijl Rob, aan den last van zijn patroon gedachtig, keek en luisterde. Florence stelde voor dat zij bij kapitein Cuttle aan huis zouden gaan, om van hem te hooren wat hij er van dacht, dat er in zoolang geene tijding van de Zoon en Erfgenaam kwam, en hem zoo mogelijk mede te brengen om oom Sam te troosten. Suze maakte in het eerst eenig bezwaar, uit hoofde van den afstand; maar toen hare meesteres van eene huurkoets sprak, trok zij deze bedenking in en gaf hare toestemming. Het beraad duurde eenige minuten, eer zij tot dit besluit kwamen, en in dien tijd wijdde de starende Rob beurtelings zijne aandacht aan beide spreeksters, en keerde beide beurtelings zijn oor toe, alsof hij was aangesteld om het geschil te beslissen.Eindelijk werd Rob om eene koets gezonden, terwijl de dames in den winkel bleven wachten; en toen hij er mede aankwam, stapten zij in, voor oom Sam de boodschap latende dat zij op den terugweg zeker nog eens zouden aankomen. Nadat Rob de koets had nagekeken, tot zij even onzichtbaar was als de duiven nu waren geworden, zette hij zich met alle vlijt aan den lessenaar, en om niets van het gebeurde te vergeten, maakte hij daarvan aanteekeningen op verscheidene brokjes papier, waarbij hij niet weinig inkt gebruikte. Er was geen gevaar dat deze documenten, als zij toevallig te zoek raakten, iets zouden verraden; want lang voor dat een woord droog was, werd het voor Rob zelven zulk een geheimzinnig raadsel, alsof hij geen het minste deel aan het schrijven had gehad.Terwijl hij nog aan dezen arbeid zat, hield de huurkoets—na het ontmoeten van ongehoorde bezwaren, door draaibruggen, grondelooze wegen, onoverkomelijke vaarten, wagens met vaten, plantages van roode klimboomen en kleine waschhuisjes, en andere in dat gewest veelvuldige hindernissen veroorzaakt—aan den hoek vanBrig Placestil. Hier afstappende, gingen Florence en Suze de straat langs en zochten naar de woning van kapitein Cuttle.Het ongeluk wilde dat het juist een van jufvrouw MacStinger’s groote schoonmaakdagen was. Bij zulk eene gelegenheid, werd deze jufvrouw des morgens kwartier vóór drieën door den politieman opgeklopt, en bezweek zij zelden voor twaalf uur in den nacht onder haar arbeid. Het hoofdoogmerk dezer instelling scheen te zijn, dat jufvrouw MacStinger met het krieken van den dag al het huisraad in het tuintje bracht, den geheelen dag op klompen door het huis liep, en na den donker het huisraad weder binnenbracht. Onder deze ceremoniën hadden de jeugdige MacStinger’s nergens rust of veiligheid, werden overal vandaan gejaagd, en waren dientengevolge buitengewoon onrustig en lastig.Op het oogenblik toen Florence en Suze aan de deur van jufvrouw MacStinger kwamen, was die brave maar geduchte vrouw juist bezig met Alexander MacStinger, oud twee jaar en drie maanden, door den gang te zeulen, om hem in eene zittende houding op de straatsteenen te zetten; want Alexander was blauw in zijn[164]gezicht, dewijl hij na eene kastijding zijn adem wat lang had ingehouden, en in zulke gevallen waren de koele straatsteenen een beproefd middel om hem weder te doen bekomen.Het gevoel van jufvrouw MacStinger, als vrouw en moeder, werd diep gekwetst door het medelijden met Alexander dat zij in Florence’s gezichtje opmerkte; en de edelste driften onzer natuur volgende, in plaats van kleingeestig hare nieuwsgierigheid te voldoen, schudde zij Alexander dus nog wat, en deed alsof zij de vreemdelingen niet bemerkte.“Neem mij niet kwalijk, jufvrouw,” zeide Florence, toen het kind zijn adem terug had en dien gebruikte. “Is dit kapitein Cuttle’s huis?”—“Neen,” antwoordde jufvrouw MacStinger.—“Niet nommer negen?” zeide Florence aarzelend.—“Wie heeft gezegd, dat het nommer negen niet was?” was het antwoord.Dadelijk viel Suze er op in, en verzocht jufvrouw MacStinger te mogen vragen, wat zij daarmede meende en of zij wel wist met wie zij sprak.De jufvrouw nam haar eens op van het hoofd tot de voeten: “Wat moet gij met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren zult.”—“Stil toch, Suze,” zeide Florence. “Misschien kunt gij wel zoo goed zijn om ons te zeggen waar kapitein Cuttle woont, jufvrouw, daar hij hier niet woont.”—“Wie zegt dat hij hier niet woont?” hervatte de onverzoenlijke jufvrouw MacStinger. “Ik zeide dat het kapitein Cuttle’s huis niet was—en het is ook zijn huis niet—en ik hoop dat het nooit zijn huis zal worden—want kapitein Cuttle weet niet hoe men een huis moet schoonhouden—en hij verdient geen huis te hebben—het is mijnhuis—en als ik de bovenkamers aan kapitein Cuttle verhuur, doe ik iets daar ik geen dank voor heb, en strooi ik paarlen voor de zwijnen!”Jufvrouw MacStinger verhief hare stem, om de bovenvensters te bereiken, en schoot ieder gezegde afzonderlijk uit, als uit een geweer met een oneindig getal van loopen. Na het laatste schot, hoorde men de stem des kapiteins, flauw protesteerend, boven op zijne kamer zeggen: “Sta vast, beneden!”—“Als gij naar kapitein Cuttle vraagt, daar is hij,” zeide jufvrouw MacStinger, gramstorig met hare hand wuivende. Toen Florence daarop zonder verder spreken binnentrad en Suze volgde, hervatte de jufvrouw hare wandeling op klompen, vervolgde Alexander, (nog op de steenen gezeten) die opgehouden had met huilen om naar het gesprek te luisteren, zijn gejammer, zich onder dit misbaar, dat geheel werktuigelijk was, vermakende met in de verte naar de huurkoets te kijken.De kapitein zat op zijne kamer, met de handen in de zakken en de beenen onder zijn stoel opgetrokken, op een eilandje in een oceaan van zeepsop. De glazen waren gewasschen, de wanden waren afgeboend, de kachel was schoongemaakt, en alles, de kachel uitgezonderd, glom van het zeepsop, waarvan de reuk ook de lucht vervulde. Te midden van dit akelige tooneel keek de kapitein, op zijn eiland gebannen, treurig rond, en scheen op eene vriendelijke bark te wachten om hem te komen afhalen.Maar toen de kapitein, zijne benauwde oogen naar de deur richtende, Florence en hare kamenier zag, konden geene woorden zijne verbazing beschrijven. Daar jufvrouw MacStinger’s welsprekendheid alle andere geluiden had verdoofd, had hij geen merkwaardiger bezoek verwacht dan van den bierjongen of den melkboer; en toen Florence verscheen en de kust van zijn eiland naderde, en hem hare hand toestak, stond de kapitein met zooveel ontzetting op, alsof hij voor eenoogenblikdacht dat zij een jeugdig lid van de familie van den Vliegenden Hollander was.Terstond echter zijne tegenwoordigheid van geest hernemende, was des kapiteins eerste zorg haar op het droge te plaatsen, hetgeen hij gelukkig, met eene enkele beweging van zijn arm, volbracht. Zich toen op den waterplas wagende, nam de kapitein Suze om haar middel en droeg haar insgelijks naar het eiland. Daarna bracht hij met grooten eerbied Florence’s hand aan zijne lippen, en zag haar op eenigen afstand (want het eiland was groot genoeg voor drie) met zielvolle blikken uit het zeepsop aan, gelijk een nieuw soort van Triton.“Gij zijt zeker wel verwonderd ons hier te zien,” zeide Florence met een glimlach.De onuitsprekelijk gevleide kapitein kuste tot antwoord zijn haak en bromde: “Sta vast! Sta vast!” alsof deze woorden een uitgezocht compliment waren.“Maar ik kon geene rust hebben,” vervolgde Florence, “zonder te komen vragen wat gij van dien lieven Walter denkt—die nu mijn broeder is—en of er iets te vreezen is, en of gij zijn armen oom niet alle dag wilt gaan troosten, tot wij tijding van hem hebben.”Bij deze woorden bracht kapitein Cuttle, als ware het onwillekeurig, zijne hand naar zijn hoofd, waarop de blinkende hoed niet stond, en keek verslagen.“Zijt gij bang voor Walter’s behoud?” zeide Florence, van wier gezichtje de kapitein (zoo verrukt was hij) zijne oogen niet kon afwenden; terwijl zij hem, op hare beurt, ernstig aanzag, om overtuigd te zijn van de oprechtheid van zijn antwoord.—“Neen, hartediefje,” antwoordde kapitein Cuttle, “ik ben niet bang. Walter is een jongen die veel slecht weer[165]zal doorstaan. Walter is een jongen, die dat schip zooveel geluk zal aanbrengen als een jongen maar doen kan. Walter,” zeide de kapitein, met glinsterende oogen en zijn haak opheffende om eene fraaie aanhaling aan te kondigen, “is wat gij noemen moogt, een uitwendig zichtbaar teeken van eene innerlijke geestelijke werking, en als gij dat vindt, zet er een streepje bij.”Florence, die dit niet recht begreep, schoon de kapitein het blijkbaar voor zeer krachtig en duidelijk hield, zag hem vriendelijk aan, alsof zij nog iets meer hoopte te hooren.“Ik ben niet bang, mijn hartediefje,” hervatte de kapitein. “Er is ongemeen slecht weer in die breedten geweest, dat is niet tegen te spreken, en zij zijn misschien naar den anderen kant van de wereld afgedreven. Maar het schip is een goed schip, en de jongen is een goede jongen; en het is niet gemakkelijk, de Heer zij gedankt,” daarbij boog hij even, “gezond eikenhout te breken, hetzij van een schip of van een hart. Hier hebben wij allebei, en dus ben ik nog niet bang.”—“Nog niet?” herhaalde Florence.—“Geheel niet,” antwoordde de kapitein, zijne ijzeren hand kussende. “En eer ik begin bang te worden, mijn hartediefje, zal Walter al van het eiland of uit eene of andere haven naar huis hebben geschreven. En wat den ouden Sam Gills betreft,” hier werd de kapitein ernstig, “wien ik zal bijstaan en niet verlaten tot de dood ons scheidt, en als de stormen waaien, waaien—zie den katechismus maar na,” voegde de kapitein er tusschen, “en daar zult gij die woorden vinden—als het Sam Gills zou troosten om het gevoelen te hooren van een varensman, die nergens voor staat, en die in zijn leertijd het eene ongeluk op het andere heeft gehad, en die Bunsby heet, dan zal die man hem in zijn eigen achterkamertje dingen zeggen, waarvan hij versuft zal staan. Ja!” zeide de kapitein snoevend, “zoo goed alsof hij met zijn hoofd tegen eene deur was geloopen.”—“Laten wij met dezen heer naar hem toegaan, en hooren wat hij zegt,” riep Florence uit. “Wilt gij nu met ons meegaan? Wij hebben eene koets hier.”Wederom bracht de kapitein de hand naar het hoofd, waarop de harde blinkende hoed niet stond, en keek verslagen. Maar op dit oogenblik had er een zeer opmerkelijk verschijnsel plaats. De deur ging, zonder dat men eenig gerucht had gehoord, open, en de harde blinkende hoed kwam als een vogel de kamer invliegen en viel met een zwaren bons voor des kapiteins voeten neer. Toen sloot zich de deur weder even geweldig als zij zich geopend had, zonder dat er iets volgde dat dit wonder kon verklaren.Kapitein Cuttle raapte zijn hoed op, keerde hem met een blik van genoeglijke belangstelling om en om, en begon hem met zijne mouw op te wrijven. Zoo doende, keek de kapitein zijne bezoeksters aan en zeide met eene zachte stem:“Ik zou gisteren en van morgen wel naar Sam Gills zijn gegaan, maar—zij had hem gekaapt en weggestopt.—Dat is het lange en het korte van de zaak.”—“Wie heeft dat gedaan, om alle goedheid?” vroeg Suze.—“De huisvrouw, liefje,” antwoordde de kapitein, met een grof gefluister en een wenk om voorzichtig te zijn. “Wij hadden woorden over het zwabberen van die planken, en zij—kortom,” zeide de kapitein, zich met eene zware uitademing verluchtende, “zij gaf mij arrest.”—“O, ik wou dat zij eens met mij te doen had,” zeide Suze, rood wordende door het vuur van dien wensch. “Ik zou haar wel wat doen bedaren!”—“Zoudt ge dat denken, liefje?” hervatte de kapitein, twijfelachtig zijn hoofd schuddende, maar den moed der schoone aspirante met blijkbare bewondering beschouwende. “Ik weet het niet. Het is een moeielijk vaarwater. Zij is lastig om mee om te gaan, liefje. Men kan nooit weten welken koers zij zal houden. Het eene oogenblik houdt zij af, en het andere komt zij vlak op u aan. En als zij op haar dreef is,” zeide de kapitein, terwijl het zweet hem op het voorhoofd uitbrak—Niets anders dan een gefluit was nadrukkelijk genoeg om den zin te besluiten, en de kapitein floot dus, maar bevende. Daarna schudde hij wederom zijn hoofd en opnieuw Suze’s dapperheid bewonderende, herhaalde hij beschroomd: “Zoudt ge dat denken, liefje?”Suze antwoordde slechts met een spottenden glimlach, maar zoo uitdagend, dat men niet weten kan hoelang de kapitein verrukt van verwondering zou zijn gebleven, als Florence niet met angstig ongeduld had voorgesteld om terstond naar den wijzen Bunsby te gaan. Aldus aan zijn plicht herinnerd, zette de kapitein den blinkenden hoed vast op het hoofd, nam een nieuwen knoestigen stok, welke voor den aan Walter gegevenen in de plaats was gekomen, bood Florence zijn arm, en hield zich gereed om door den vijand heen te slaan.Het bleek echter dat jufvrouw MacStinger, gelijk de kapitein het uitdrukte, reeds een anderen koers had genomen, want toen zij beneden kwamen, vonden zij die voorbeeldige vrouw op de stoep bezig met matten uitkloppen, terwijl Alexander, flauw zichtbaar door een nevel van stof, nog op de straatsteenen zat; en zoozeer was jufvrouw MacStinger in deze huiselijke bezigheid verdiept, dat zij, toen het gezelschap voorbijkwam, des te harder klopte en geene de minste bewustheid van iemands nabijheid toonde. De kapitein was zoo in zijn schik dat hij zoo gemakkelijk vrij kwam—hoewel het mattenstof de werking van snuif op[166]hem had en hem deed niezen tot de tranen over zijn gezicht rolden—dat hij zijn geluk nauwelijks kon gelooven, maar tusschen de deur en de huurkoets meermalen over zijn schouder omkeek, blijkbaar bevreesd dat jufvrouw MacStinger nog jacht op hem zou maken.Zij bereikten echter den hoek vanBrig Place, zonder dat die geduchte kanonneerboot hen lastig viel; en de kapitein, op den bok geklommen—want zijne galanterie wilde hem niet veroorloven om bij de dames te gaan zitten, hoewel men hem daarom verzocht—loodste den koetsier op zijn koers naar kapitein Bunsby’s schip, dat de Voorzichtige Clara heette en dicht bijRatcliffelag.Aan de werf gekomen, waarvoor het schip van dien zeevoogd tusschen nagenoeg vijfhonderd kameraden lag ingeklemd, welker verwarde tuigage naar reusachtige, half weggeveegde spinnewebben geleek, vertoonde kapitein Cuttle zich voor het portier en noodigde Florence en Suze uit om met hem aan boord te gaan; aanmerkende dat Bunsby uiterst galant voor dames was, en niets zoozeer zou strekken om zijn geweldig brein in een staat van harmonie te brengen dan dat zij zich aan hem lieten presenteeren.Florence was terstond gewillig, en haar handje in zijne geduchte vuist nemende, leidde de kapitein haar met eene mengeling van vaderlijke, beschermende teederheid, trotschheid en deftigheid, die alleraardigst was om aan te zien, over verscheidene zwarte dekken, tot zij aan de Clara kwamen, welke voorzichtige bodem buiten de rij lag, met de loopplank weggenomen en zes voet rivierwater tusschen haar en haar naasten buurman. Het scheen, volgens kapitein Cuttle’s verklaring, dat de groote Bunsby, evenals hij zelf, door zijne huiswaardin zeer hard werd behandeld, en als hij die behandeling niet langer kon uithouden, als laatste toevlucht, aldus eene kloof tusschen hen plaatste.“Clara, a-hoy!” riep de kapitein, met de hand naast den mond.—“A-hoy!” riep een jongen terug, die van beneden kwam opschieten.—“Bunsby aan boord?” riep de kapitein, met eene stem alsof de jongen eene halve mijl in plaats van twee voetstappen ver was.—“Ja, ja!” riep de jongen op denzelfden toon.Daarop schoof de jongen kapitein Cuttle eene plank toe, welke deze zorgvuldig vastlegde, eer hij Florence er over hielp. Toen kwam hij voor Suze terug, en zoo stonden zij op het dek der Voorzichtige Clara, in welks staande touwen verschillende fladderende kleedingstukken hingen te drogen, in gezelschap met eenige tongen en makreelen.Terstond daarop verscheen uit het luik van de kajuit een zeer groot menschelijk hoofd met een mahoniehouten gezicht, één vaststaand en één draaiend oog. Dit hoofd was versierd met ruige haren, naar uitgeplozen touw gelijkende, die geene heerschende richting naar eenige windstreek hadden, maar zich naar alle punten van het kompas uitspreidden. Dit hoofd werd gevolgd door een hemdsboord en halsdoek, en door eene ruige zeemansjas, en door eene ruige zeemansbroek, met zulk een breeden en hoogen band, dat zij ook in plaats van vest diende, zijnde op en nabij het borstbeen van den drager versierd met eenige houten knoopen, zoo groot en dik als damschijven. Toen de ondereinden van die broek boven waren gekomen, stond Bunsby daar, met de handen in zijne diepe zakken, en zijn blik gericht, niet naar den kapitein Cuttle of de dames, maar naar den top van den mast.Het diepzinnig uitzicht van dezen philosoof, die grof en zwaar gebouwd was, en op wiens buitengemeen rood gezicht eene stilzwijgendheid ten troon zat, welke zijn roem in dit opzicht staafde, had zelfs voor kapitein Cuttle, die hem gemeenzaam kende, iets geduchts. Florence toefluisterende, dat Bunsby nog nooit in zijn leven verwonderd had gekeken, en, naar men dacht, niet eens wist wat verwondering was, bleef de kapitein staan wachten terwijl hij naar den top van den mast keek en zijn draaiend oog vervolgens langs den horizon dwaalde; en toen dit oog in zijne richting scheen te komen, zeide hij: “Bunsby, mijn jongen, hoe gaat het?”Eene zware, grove, heesche stem, die niet van Bunsby scheen te komen, en waarbij zijn gezicht geen de minste verandering onderging, antwoordde: “Ja, ja, scheepskameraad, hoe gaat het!” Te gelijk kwam Bunsby’s rechterhand uit een zak, schudde die des kapiteins en werd weder in den zak gestopt.“Bunsby,” zeide de kapitein, terstond ter zake komende, “daar staat gij, een man die verstand heeft, en een man die denkt. Hier is eene jonge juffer, die verlangt te weten wat gij wel denkt van mijn vriend Walter, en ook mijn anderen vriend, Sam Gills, iemand met wien ge wel mocht kennis maken, want hij is een man van wetenschap, en wetenschap breekt wet en is de moeder der uitvindingen. Bunsby, wilt gij, om mij pleizier te doen, met ons meegaan?”De groote zeevoogd, die, naar de uitdrukking van zijn gezicht te oordeelen, altijd in de uiterste verte scheen te turen en niets te zien dat minder dan tien mijlen van hem af was, gaf geen antwoord hoegenaamd.“Hier staat een man,” zeide de kapitein, zich tot zijne hoorderessen wendende en met zijn haak naar zijn vriend wijzende, “die meer vallen heeft gedaan, dan iemand op de wereld, en meer ongelukken heeft gehad dan het geheele zeemanshospitaal bij elkander; die, toen hij nog jong was, zooveel sparren, houten en[167]bouten op zijn hoofd heeft gekregen, dat men er een pleizierjacht van zou kunnen bouwen, en die zoo een denker is geworden, wiens gelijke men op de wereld niet vindt.”De zwijgende zeevoogd scheen door eene zeer geringe trilling zijner ellebogen eenige tevredenheid over deze lofspraak aan te duiden; maar zijn gezicht gaf geen het minste blijk van hetgeen er in zijne gedachten omging.“Scheepskameraad,” zeide Bunsby op eens, bukkende om onder eene spar, die hem in den weg was, door te kijken, “wat zullen de dames drinken?”Kapitein Cuttle, wiens kieschheid door zulk eene vraag met betrekking tot Florence geschokt werd, trok den wijze ter zijde, scheen hem aan zijn oor iets uit te leggen, en ging met hem naar beneden; waar, opdat hij zich niet boos zou maken, de kapitein zelf een borrel dronk, dien Florence en Suze, door het opene luik kijkende, den wijze voor zich zelven en zijn vriend zagen inschenken. Weldra kwamen zij weder op het dek, en leidde kapitein Cuttle, opgetogen over den goeden uitslag zijner onderneming, Florence naar de koets terug, terwijl Bunsby met Suze volgde, welke hij onderweg (tot groote verontwaardiging dier jonge juffer) in zijn ruigen arm gesloten hield, alsof hij een blauwe beer was.De kapitein zette zijn orakel in de koets, en was er zoo trotsch op dat hij dit gedaan had gekregen, dat hij niet kon nalaten om dikwijls door het raampje achter den koetsier naar Florence te kijken en tegen zijn voorhoofd te tikken, als een wenk dat Bunsby’s brein reeds aan het werk was. Ondertusschen bewaarde Bunsby zijn ernstig stilzwijgen, wel op den duur zijn arm om Suze heen houdende (want zijn vriend had niet te veel van zijne galanterie gezegd), maar zonder anders eenige bewustheid van haar of iets anders te toonen.Oom Sam, die thuis gekomen was, ontving hen aan de deur en bracht hen terstond naar het achterkamertje, dat door Walter’s afwezigheid een geheel ander voorkomen scheen te hebben gekregen. Op de tafel en hier en daar verspreid lagen de kaarten, waarop de instrumentmaker zoo dikwijls het vermiste schip had pogen na te sporen, en waarop hij zoo even, met een passer dien hij nog in de hand had, gemeten had hoe ver het wel had kunnen afdrijven, om zoo te betoogen, dat het nog lang moest duren eer men niet meer kon hopen.“Of het kan verzeild wezen tot aan,” zeide de oude man, met een angstigen blik over de kaart; “maar neen, dat is bijna onmogelijk. Of dat het door slecht weder genoodzaakt kan zijn om—maar dat is ook niet te denken. Of dat er hoop is, dat het zoo ver uit den koers is geraakt dat—maar zelfs dat kan ik haast niet hopen.”Met zulke afgebrokene gissingen zwierf de arme oude man over het groote blad, en kon geen plekje van hoop en waarschijnlijkheid vinden, groot genoeg om er de punt van zijn passer op te zetten.Florence zag terstond—het zou moeielijk geweest zijn het niet te zien—dat er eene zonderlinge, onbeschrijfelijke verandering bij den ouden man had plaats gehad, en dat zijn voorkomen, schoon veel onrustiger dan gewoonlijk, toch eene daarmede strijdige vastberadenheid had, die haar geheel in de war bracht. Eens verbeeldde zij zich dat hij niet recht wist wat hij zeide; want toen zij sprak van hare spijt dat zij hem des morgens niet had gevonden, antwoordde hij eerst dat hij naar haar toe was geweest, en scheen terstond daarop dat antwoord te willen herroepen.“Naar mij toe geweest?” zeide Florence. “Vandaag?”—“Ja, lieve jonge juffer,” antwoordde oom Sam, met zekere verlegenheid eerst haar aanziende en toen weder naar een anderen kant kijkende, “ik wenschte u nog eens met mijne eigene oogen te zien en met mijne eigene ooren te hooren, eer—” Daarbij bleef hij steken.“Eer? Eer wat?” zeide Florence, hare hand op zijn arm leggende.—“Heb ik “eer,” gezegd?” antwoordde de oude man. “Dan moet ik gemeend hebben, eer wij tijding van mijn lieven Walter kregen.”—“Ge zijt niet wel,” zeide Florence met teedere bezorgdheid. “Ge zijt ook zoo ongerust geweest. Ge zijt zeker niet wel.”—“Ik ben zoo gezond,” antwoordde de oude man, zijne rechterhand sluitende en uitstekende, om ze haar te toonen, “zoo gezond en sterk als iemand op mijne jaren kan hopen te zijn. Zie maar! Zij is vast. Is haar meester niet in staat om zooveel kracht en moed te toonen als menig jonger man? Ik denk van ja. Wij zullen zien.”Er was iets in zijn toon, meer dan in zijne woorden, schoon ook deze haar bijbleven, hetwelk zulk een indruk op Florence maakte, dat zij hare ongerustheid terstond aan kapitein Cuttle zou hebben te kennen gegeven, indien de kapitein niet juist dat oogenblik had waargenomen om den wijzen Bunsby de omstandigheden mede te deelen, waarover men zijne diep doordachte meening wenschte te vernemen.Bunsby, wiens oog ergens halverwege tusschenLondenenGravesendgevestigd bleef, stak twee- of driemaal zijn ruigen rechterarm uit, om dien om Suze’s ranke gestalte te slaan, als wilde hij zich daardoor inspireeren; maar daar Suze in ongenoegen naar den anderen kant van de tafel was gegaan, kon de wijze zeeman zijne galante neiging niet bevredigen. Na verscheidene zulke mislukkingen, sprak hij, zonder zich tot iemand in het bijzonder te richten, aldus; of liever de stem in zijn binnenste, zeide van zelf, alsof hij[168]door een brommenden geest bezeten was: “Mijn naam is Jack Bunsby!”—“Hij is John gedoopt,” riep de opgetogen kapitein Cuttle uit. “Hoor maar!”—“En wat ik zeg,” vervolgde de stem, na eenig bedenken, “daar blijf ik bij.”De kapitein, met Florence aan den arm, knikte tot het gehoor en scheen te zeggen: “Nu komt het! Dat heb ik gemeend, toen ik hem meebracht.”—“Waarom?” vervolgde de stem. “Waarom niet? Zoo ja, dat is hetzelfde. Kan iemand anders zeggen? Neen. Pak aan dan!”Toen de redeneering zoover gekomen was, bleef de stem eene poos steken. Daarna vervolgde zij zeer langzaam aldus: “Of ik geloof dat de Zoon en Erfgenaam vergaan is, kameraads? Misschien. Zeg ik zoo? Hoe dan? Als een schipper het kanaal van Sint George uitvaart en koers houdt naarDuins, wat heeft hij dan vlak voor den boeg? DeGoodwins. Hij behoeft het niet op deGoodwinste zetten, maar hij kan toch. Die observatie moet maar berekend en toegepast worden. Maar dat behoef ik niet te doen. Pak aan dan, houdt goede wacht, en—goede reis!”Daarmede ging de stem het achterkamertje uit en de straat op, den kapitein der Voorzichtige Clara medenemende, en vergezelde hem met allen spoed weder naar boord, waar hij in de kooi kroop en zijn brein met een dutje verfrischte.Zij die de uitspraak van den wijze hadden gehoord en zelven de toepassing zijner wijsheid moesten zoeken—volgens een regel, die de steunpilaar van Bunsby’s roem, en misschien ook van andere orakelsprekers is—zagen elkander eenigszins twijfelachtig aan; terwijl Rob de Slijper, die de vrijheid had genomen om door het lantarenraam in het dak te luisteren en te kijken, geheel versuft weder van het plat naar beneden kwam. Kapitein Cuttle, wiens achting voor Bunsby, zoo mogelijk, nog verhoogd was, door de luisterrijke manier waarop deze zijn roem had gehandhaafd, verklaarde echter dat Bunsby niets anders had gemeend dan dat men maar moest hopen en vertrouwen; dat Bunsby niet bang was; en dat zulk eene uitspraak van zulk een man het beste was dat men kon verlangen. Florence poogde te gelooven dat de kapitein gelijk had; maar Suze schudde, met stijf over elkander geslagene armen, haar hoofd, en vertrouwde Bunsby even weinig als zij Perch deed.De philosoof scheen den goeden oom Sam nagenoeg gelaten te hebben waar hij hem gevonden had, want de oude man bleef nog met den passer in de hand over de waterwereld dwalen, en kon geen rustpunt daarvoor vinden. Het was na een gefluisterd verzoek van Florence, dat kapitein Cuttle zijne zware hand op zijn schouder legde.“Hoe gaat het, Sam Gills?” zeide de kapitein hartelijk.—“Maar zoo, zoo, Ned,” antwoordde de instrumentmaker. “Ik heb er dezen geheelen middag aan gedacht, dat op den dag toen mijn jongen bij Dombey op het kantoor was gekomen, en laat thuis kwam om te eten, en daar zat waar gij nu staat, wij toen van stormen en schipbreuken praatten, en ik hem haast niet daarvan kon afbrengen.”Maar toen hij de oogen van Florence ontmoette, die ernstig uitvorschend op hem gevestigd waren, zweeg de oude man met een glimlach stil.“Sta vast,oude vriend!” riep de kapitein. “Ik zal u eens wat zeggen, Sam Gills. Als ik Hartediefje veilig heb thuis gebracht,” daarbij kuste hij zijn haak naar Florence, “zal ik terugkomen en u voor de rest van dezen dag op sleeptouw nemen. Gij moet hier of daar met mij gaan eten, Sam!”—“Neen, vandaag niet, Ned,” zeide de oude man snel, en scheen van dit voorstel op eene onverklaarbare wijs te schrikken. “Vandaag niet. Dat zou ik niet kunnen!”—“Waarom niet?” hernam de kapitein, hem met verbazing aanziende.—“Ik—ik heb zooveel te doen. Ik—ik meen te denken en te beschikken. Ik kan niet, Ned, waarlijk niet. Ik moet vandaag nog weer uitgaan, en alleen wezen, en voor allerlei dingen zorgen.”De kapitein zag den instrumentmaker, en daarop Florence, en wederom den instrumentmaker aan. “Morgen dan,” zeide hij eindelijk.—“Ja, ja, morgen,” zeide de oude man. “Denk morgen maar om mij. Zeg morgen.”—“Dan zal ik vroeg hier komen, onthoud dat, Sam Gills,” bedong de kapitein.—“Ja, ja, morgenochtend heel vroeg,” zeide de instrumentmaker. “En nu goedendag, Ned Cuttle, en God zegen u.”Dit zeggende drukte de oude man den kapitein met buitengewone warmte de hand, keerde zich toen naar Florence, vatte hare beide handjes, drukte ze aan zijne lippen, en bracht haar daarop met buitengewone haast naar de koets. Over het geheel maakte hij zulk een indruk op kapitein Cuttle, dat deze nog even draalde, om Rob te belasten dat hij tot morgenochtend bijzonder oplettend en gewillig voor zijn meester moest wezen, welk bevel hij aandrong met de betaling van een schelling op hand en de belofte van nog een halven des anderen daags. Deze vriendendienst verricht hebbende, klom de kapitein, die zich zelven als de natuurlijke en wettige lijfwacht van Florence beschouwde, weder op den bok, en bracht haar, met eene verhevene bewustheid van zijn post van vertrouwen, naar huis. Bij het afscheid verzekerde hij haar, dat hij Sam Gills trouw zou blijven bijstaan, en buiten staat om Suze’s dappere woorden ten aanzien van jufvrouw MacStinger te vergeten,[169]vroeg hij deze jonge juffer nog eens: “Zoudt ge dat waarlijk denken, liefje?”De bloemen werden als stof over den grond gestrooid; de ledige handen bedekten het gezichtje; en de verweesde Florence, op den grond ineengedoken, schreide lang en bitter. (blz. 172).De bloemen werden als stof over den grond gestrooid; de ledige handen bedekten het gezichtje; en de verweesde Florence, op den grond ineengedoken, schreide lang en bitter.(blz. 172).Toen de deur van het naargeestige huis zich achter die twee gesloten had, begon de kapitein weder aan den instrumentmaker te denken, en gevoelde hij zich ongerust. In plaats van dus naar huis te gaan, wandelde hij de straat verscheidene malen op en neer, en zoo tot aan den avond dralende, ging hij eindelijk eten in zeker tusschen andere huizen als eene wig ingeklemd herbergje in de City, dat veel door blinkende hoeden werd bezocht. Des kapiteins voornaamste doel was, na den donker nog eens bij Sam Gills voorbij te gaan en door het venster binnen te kijken; hetgeen hij ook deed. De deur van het achterkamertje stond open, en hij zag zijn ouden vriend stil maar ijverig aan zijne tafel zitten schrijven, terwijl de houten adelborst, reeds voor den nacht geborgen, hem van de toonbank waarnam; onder welke Rob de Slijper, eer hij den winkel sloot, zijn bed opmaakte. Gerustgesteld door de kalmte, die er in den omtrek van den houten adelborst heerschte, zette de kapitein koers naar Brig Place, met voornemen om den volgenden morgen vroeg wederom het anker te lichten.[170]1Deze dompers omhoog aan de huisdeuren, dienden in vroeger tijd om de flambouwen uit te dooven, toen, bij gebrek aan straatverlichting, meer dan thans in gebruik.Vert.↑
XXIII.FLORENCE EENZAAM EN DE ADELBORST GEHEIMZINNIG.
Florence leefde alleen in het groote, akelige huis, en de eene dag volgde den anderen, en nog leefde zij alleen; en de koude muren zagen starend op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.Geen tooverkasteel in een tooversprookje, in het hart van een dicht bosch verscholen, was voor de verbeelding ooit eenzamer en verlatener, dan haar vaderlijk huis in zijn stugge werkelijkheid was—des avonds, als er licht door de naburige vensters scheen, een zwarte vlek op die karige helderheid, over dag eene naargeestige uitzondering in eene lang niet vroolijke straat.Er stonden geene twee draken op schildwacht aan de poort dezer woning, gelijk men in een tooversprookje doorgaans de onrechtvaardig gekerkerde onschuld vindt bewaken; maar behalve een verwrongen gezicht, dat uit de lijst boven de deur uitkeek, was daarboven nog een monsterachtig arabesk-werk van roestig ijzer, naar de versteening van een loofpriëel gelijkende, dat in scherpe punten en schroefsgewijze krullen uitliep, en aan elke zijde een grooten domper1droeg, die onheilspellend schenen te zeggen: “Wie hier binnentreedt, laat het licht achter!” Er waren geene tooverletters op den drempel gebeiteld, maar het huis zag er nu zoo verwaarloosd uit, dat de jongens het hek en de stoep met krijt bekrabbelden—vooral om den hoek waar de zijmuur was—en spoken op de staldeur teekenden; en daar Towlinson hen somtijds wegjoeg, maakten zij tot wraak portretten van hem, met ooren die zijdelings uit zijn hoed uitgroeiden. Binnen de schaduw van dat dak hield alle gerucht op. De troep horenblazers, die eens in de week des morgens de straat doorkwam, blies voor die vensters nooit een enkelen toon; al zulke lieden, tot zelfs de half simpele orgeldraaier, schuwden het als eene plaats waar niets te hopen was.De tooverban, die er op rustte, was verderfelijker dan die, welke eens op een tijd een huis in een tooverslaap dompelde, maar het als het weder ontwaakte onbeschadigd liet. De stille, verterende werking der onbewoondheid openbaarde zich overal. De zwaar neerhangende gordijnen verloren hare oude plooien en vormen en begonnen naar opgehangen lijkkleeden te gelijken. Hecatomben van meubelen, opgestapeld en overdekt, slonken weg, evenals in gevangenis vergetene menschen, en ondergingen eene ongevoelige verandering. Spiegels besloegen als door den adem van jaren. De kleuren van tapijten verschoten en werden zoo verward en flauw als de geheugenissen dier jaren. Planken, schrikkende van een ongewonen voetstap, kraakten[159]en trilden. Sleutels roestten in de sloten van deuren. De vochtigheid sloeg de muren uit, en naarmate de vlekken naar buiten kwamen, schenen de schilderijen naar binnen te kruipen en zich te verbergen. In de kasten begon zich schimmel te vestigen, en boomachtige paddestoelen groeiden in de hoeken van kelders. Het stof hoopte zich overal op, niemand wist hoe; spinnen en motten zag men elken dag opnieuw. Nu en dan vond men eene verdwaalde zwarte tor onbeweeglijk op de trap of op eene bovenkamer, als verwonderd hoe zij daar gekomen was. Ratten begonnen des nachts te piepen en te schermutselen in de donkere galerijen, die zij achter de paneelen uitgroeven.De akelige pracht der staatsievertrekken, onduidelijk gezien in het schemerlicht dat door de geslotene luiken drong, zou wel genoeg met een tooverkasteel hebben gestrookt. Zoo, bij voorbeeld, de dof aangeslagene pooten van vergulde leeuwen, die tersluiks onder een overtrek te voorschijn kwamen; de marmeren gelaatstrekken van borstbeelden, die spookachtig door een sluier heenschemerden; de pendules, die nooit den tijd verkondigden, of, als zij bij toeval werden opgewonden, dit verkeerd deden en onaardsche uren sloegen, die niet op de wijzerplaat staan; het toevallig gerinkel in de glazen lichtkronen, meer schrik aanjagend dan eene alarmklok; de verzachte klanken en de trage lucht, die zich tusschen deze voorwerpen en eene menigte anderen, allen even spookachtig, heendrongen. Bovendien was er de groote trap, waarop de heer des huizes zoo zelden zijn voet zette, en waarlangs zijn kind omhoog naar den hemel was gegaan. Er waren nog andere trappen en gangen, waar weken achtereen niemand kwam; er waren twee gesloten kamers, met herinneringen aan doode leden der familie, waarvan fluisterend werd gesproken; en voor het geheele huis was Florence, de eenige bevallige gedaante, die door deze somberheid en eenzaamheid rondging, en ieder levenloos voorwerp iets menschelijks gaf, dat belangstelling en verwondering opwekte.Florence leefde alleen in het verlaten huis, en de eene dag volgde den anderen en nog leefde zij alleen, en de koude muren zagen starende op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.Het gras begon op het dak en in de spleten der keldergaten te groeien. Schubachtige, kruimelige plantjes sproten om de vensterbanken uit. Stukjes kalk raakten binnen in de schoorsteenen los en kwamen ratelend naar beneden. De twee boomen met berookte stammen verstierven omhoog, en de verdorde takken overheerschten de bladeren. Door het geheele gebouw was het wit in geel, het geel bijna in wit veranderd; en van den tijd af toen de ongelukkige dame stierf, was het langzamerhand eene donkere gaping in de straat geworden.Maar Florence bloeide daar, gelijk de schoone koningsdochter in het sprookje. Hare boeken, hare muziek en hare dagelijksche meesters en meesteressen, waren haar eenig wezenlijk gezelschap, Suze Nipper en Diogenes uitgezonderd. De eerste begon, door het bijwonen der lessen van hare jonge meesteres zelve een wonder van geleerdheid te worden, terwijl de laatste, mogelijk door denzelfden invloed verzacht, zijn kop op de vensterbank legde en een geheelen zomermorgen lang vreedzaam tegen de straat knipoogde; somtijds zijn kop opstak om met grooten ernst naar een luidruchtig blaffenden hond voor eene kar te kijken, en somtijds, eensklaps en zonder eenige aanleiding om zijn ouden vijand in de buurt denkende, naar de deur stoof, een verdoovend geweld maakte, en dan met een eigenaardig zelfbehagen kwam terugwandelen en zijn kop weder op de vensterbank legde, met het gezicht van een hond die den staat een dienst had bewezen.Zoo leefde Florence in hare woestijn van een huis, binnen den kring harer schuldelooze bezigheden en gedachten, en niets deed haar leed of hinder. Zij kon nu naar haar vaders kamer gaan en aan hem denken, en met haar liefderijk hart hem nederig naderen, zonder vrees van teruggestooten te worden. Zij kon hem kleine blijken van hare gehechtheid en dienstvaardigheid geven, door alles met eigene handen voor hem in orde te brengen, ruikertjes voor zijne tafel te maken, ze een voor een te verwisselen, als zij verwelkten zonder dat hij terugkwam, dagelijks het een of ander voor hem gereed te maken, en bij zijne gewone plaats een schroomvallig teeken van hare tegenwoordigheid te laten. Vandaag was het een geschilderd kastje voor zijn horloge; morgen werd zij bang om dat daar te laten, en zette zij eene andere kleinigheid van haar maaksel in de plaats, die niet zoo licht zijn oog zou trekken. In den nacht wakker wordende, beefde zij misschien bij de gedachte dat hij thuis zou komen en er zich boos over maken, en sloop dan haastig, met een kloppend hart, naar beneden om haar werk weder weg te nemen. Een andermaal legde zij slechts haar hoofdje op zijn lessenaar, en liet daar een kus en een traan.Nog wist niemand daarvan. Als de dienstboden het niet ontdekten, wanneer zij er niet was—en allen waren bang voor Dombey’s kamer—was het een even diep geheim in het hart, als wat vroeger was gebeurd. In den schemeravond, des morgens vroeg, en somtijds als men beneden aan het eten was, sloop Florence naar die kamers; en hoewel ieder hoekje te helderder en vroolijker was door hare zorg,[160]glipte zij zoo stil als een zonnestraal uit en in, behalve dat zij haar licht achterliet.Schimachtig gezelschap vergezelde Florence op en neer door het galmende huis, en zat bij haar in de ontmeubelde kamers. Alsof haar leven een tooverdroom was, sproten er gedachten uit hare eenzaamheid, die de werkelijkheid geheel veranderden. Zij verbeeldde zich zoo dikwijls wat haar leven zou geweest zijn als haar vader haar had kunnen liefhebben en zij een begunstigd kind was geweest, dat zij somtijds voor een oogenblik bijna geloofde dat het zoo was, en zij, door die peinzende verbeelding medegevoerd, zich scheen te herinneren, hoe zij werkelijk beiden haar broeder in zijn graf hadden zien dalen; hoe zij nog dikwijls over hem gesproken hadden, en haar goede vader, haar teeder aanziende, haar over hunne gemeenschappelijke hoop en vertrouwen op God had onderhouden. Op een anderen tijd verbeeldde zij zich dat hare moeder nog leefde. En o, welk een geluk, haar om den hals te vallen en zich met al de vertrouwelijke liefde harer ziel aan hare borst te klemmen! En o, hoe akelig weder het eenzame huis, als de avond viel en er niemand was!Doch er was ééne gedachte—die zich nog nauwelijks duidelijk kon maken en toch vurig en krachtig in haar binnenste was—welke Florence ondersteunde als zij haar jeugdig hart, zoo zwaar beproefd, met moed en goede voornemens poogde te vervullen. In haar gemoed, gelijk in dat van iedereen die met de groote ramp onzer sterfelijkheid heeft te kampen, was eene plechtige verwondering en hoop binnengeslopen, die haar uit de schemerachtige wereld voorbij het tegenwoordige leven iets, gelijk flauwe muziek, van eene herkenning tusschen haar broeder en hare moeder toefluisterde, van eene bewustheid van haar, die beiden nog bewaarden, van liefde en medelijden voor haar, van eene kennis hoe zij haar weg op aarde zou voortzetten. Het was een balsemende troost voor Florence, deze gedachten te koesteren tot zij eens—het was kort nadat zij haar vader, laat in den nacht, in zijne eigene kamer had gezien—op het denkbeeld kwam, dat zij, als zij schreide omdat zijn hart van haar vervreemd bleef, misschien de geesten der dooden tegen hem zou opwekken. Hoe zwak en kinderachtig het ook wezen mocht, zoo iets te denken en daarbij te beven, haar liefderijk hart kon toch niet anders; en van dat uur af deed Florence haar best om de wreede wond in hare borst aan zich zelve te ontveinzen, en niet dan met hoop te denken aan hem, wiens hand haar die had toegebracht.Haar vader wist niet—daaraan hield zij zich vast, van dien tijd af—hoe lief zij hem had. Zij was nog heel jong, en had geene moeder, en had nooit geleerd, hetzij door hare schuld of door haar ongeluk, hoe zij moest toonen dat zij hem liefhad. Zij wilde geduld hebben, zij wilde beproeven door den tijd die kunst te leeren, en hem zijn eenig kind beter doen kennen.Dit werd het doel van haar leven. De morgenzon bescheen het vervallene huis, en vond dat besluit frisch en krachtig in de borst der eenzame meesteres. Onder al hare werkzaamheden van den dag bezielde het haar, want Florence hoopte dat, hoe meer zij wist en hoe meer talenten zij zich verwierf, hij des te vergenoegder zou zijn als hij haar leerde kennen. Somtijds verwonderde zij zich, met een angstig hart en een opwellenden traan, of zij wel in iets genoeg gevorderd was om hem te verrassen als zij eens bij elkander kwamen. Somtijds poogde zij te bedenken, of er niet een vak van kennis was, dat zijne belangstelling lichter dan een ander zou opwekken. Altijd, bij hare boeken, aan hare muziek, aan haar werk, op hare ochtendwandeling, en onder haar nachtgebed, had zij dat één groot doel in het oog. Vreemde studie voor een kind, den weg naar het hart van een hardvochtigen vader te leeren.Er waren vele wandelaren op de straat, als de zomeravond in den nacht overging, die van den overkant naar het sombere huis keken, en de jeugdige gedaante voor het venster,—zulk een contrast daarbij—naar de sterren zagen opzien, en slechter zouden geslapen hebben indien zij hadden geweten waarover zij zoo peinsde. De naam van het huis, als een spookhuis, zou bij eenige eenvoudige lieden, die door het naargeestige voorkomen daarvan getroffen waren, en het zoo genoemd hadden, niet beter zijn geworden, als zij de geschiedenis van dat gebouw op den gevel hadden kunnen lezen. Maar Florence vervolgde haar heilig doel, zonder dat iemand er iets van vermoedde of haar hielp: zij was er alleen op bedacht hoe zij haar vader zou doen begrijpen dat zij hem liefhad, en bracht zelfs met hare geheimste gedachten geene aanklacht tegen hem in.Zoo leefde Florence alleen in het verlaten huis, en de eene dag volgde op den anderen, en de koude muren zagen starend op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.Suze Nipper stond op zekeren morgen bij hare meesteres, terwijl deze een briefje cacheteerde dat zij geschreven had, en toonde door haar uitzicht dat zij den inhoud wist en goedkeurde.“Beter laat dan nooit, lieve jufvrouw Flore,” zeide Suze, “en ik zeg dat het altijd een verzetje zal zijn eens uit logeeren te gaan, al is het maar bij die oude Skettles’sen.”—“Sir Barnet en Lady Skettles,” antwoordde Florence, met eene zachte berisping, daar de jonge juffer met zooveel gemeenzaamheid van de bedoelde familie sprak, “zijn wel goed dat zij hunne invitatie zoo vriendelijk herhalen.”[161]Suze, die misschien zoo partijzuchtig was als ooit iemand op de wereld, en in alle dingen, groot en klein, dadelijk eene partij koos, waarvoor zij tegen de geheele wereld wilde vechten, kneep hare lippen dicht en schudde haar hoofd, als een protest tegen de belangeloosheid der Skettles’sen, en om aan te duiden dat het gezelschap van Florence hen rijkelijk voor hunne vriendelijkheid zou beloonen.“Zij weten wel wat zij doen,” prevelde Suze; “laat dat maar voor de Skettles’sen over.”—“Ik ben er niet zeer op gesteld om naar Fulham te gaan, moet ik bekennen, Suze,” zeide Florence nadenkend. “Maar het zal toch goed zijn dat ik ga. Het zal beter zijn, denk ik.”—“Veel beter,” zeide Suze met nadruk.—“En dus,” vervolgde Florence, “al had ik liever willen gaan als er niemand was, in plaats van onder die vacantie, nu het schijnt dat er eenige jongelieden logeeren, heb ik met dankbaarheid ja gezegd.”—“En ik zeg, dat ik blij toe ben,” antwoordde Suze. “A-ah!”“Wat moet gij met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren zult.” (blz. 164).“Wat moet gij met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren zult.”(blz. 164).Deze laatste uitroep, waarmede Suze in dien tijd dikwijls een gezegde besloot, werd beneden gehouden voor iets dat in het algemeen op mijnheer Dombey doelde, en jufvrouw Nipper’s verlangen aanduidde om hem eens te zeggen wat zij wel van hem dacht; maar zij gaf er nooit eene verklaring van, en dus had dit “A-ah!” bij de grootst mogelijke scherpheid, nog het bekoorlijke der geheimzinnigheid.“Hoelang duurt het toch eer wij tijding van Walter krijgen, Suze!” merkte Florence na een oogenblik zwijgens aan.—“Ja wel lang, jufvrouw Flore!” antwoordde hare kamenier. “En toen Perch daar straks om brieven kwam vragen, zeide hij—maar wat beduidt het wat hij zegt!” riep Suze rood wordend uit. “Hij weet er veel van!”Florence sloeg snel hare oogen op, en een gloed overspreidde haar gezichtje.“Als ik niet meer mannelijks had,” zeide Suze, blijkbaar tegen een verborgen angst worstelende en hare jonge meesteres strak aanziende, terwijl zij zich op den onschuldigen Perch poogde boos te maken, “dan die flauwe kerel, zou ik nooit weer grootsch op mijn haar zijn, maar het achter mijne ooren opsteken, en eene grove[162]muts dragen, zonder een strookje kant, tot de dood mij van mijne onbeduidendheid verloste. Ik mag geene Amazone wezen, jufvrouw Flore, en ik zou mij ook niet te schande willen maken door mij zelve zoo te misvormen, maar ik ben toch geen opgeefster, hoop ik.”—“Opgeven? Wat?” riep Florence met ontzetting uit.—“Wel, niets, jufvrouw,” antwoordde Suze. “Lieve hemel, niets! Het is maar die natte papillot van een man, die Perch, dien iemand haast met een vinger zou kunnen omgooien.”—“Geeft hij het schip op, Suze?” vroeg Florence, zeer bleek.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde Suze; “ik zou wel eens willen zien dat hij dat in mijn gezicht durfde doen. Maar hij loopt malen over een pot gember dien mijnheer Walter voor jufvrouw Perch zou sturen, en schudt zijn miserabel hoofd, en zegt dat hij maar hoopt dat hij zal komen; want, zegt hij, al kan het nu niet meer bijtijds zijn voor de bedoelde gelegenheid, dan kan het toch voor de volgende wezen, en dat maakt,” zeide Suze, met diepe minachting, “dat ik mijn geduld met dien kerel verlies, want al kan ik veel dragen, ik ben toch geen kameel, en ook,” voegde zij er na een oogenblik bedenkens bij, “als ik mij zelve wel ken, geen dromedaris.”—“Wat zegt hij anders, Suze?” vroeg Florence met ernst. “Wilt ge mij dat niet vertellen?”—“Alsof ik u niet alles zou willen vertellen, jufvrouw Flore!” zeide Suze. “Wel, jufvrouw, hij zegt dat men algemeen over het schip begint te praten, en dat er nog nooit een schip half zoolang op de reis is uit geweest zonder dat men er van hoorde, en dat de vrouw van den kapitein gisteren aan het kantoor is geweest, en er een beetje ongerust over scheen te zijn; maar dat kon iedereen wel zeggen; dat wisten wij te voren al.”—“Ik moet Walter’s oom gaan bezoeken,” zeide Florence haastig, “eer ik van huis ga. ik wil van morgen nog naar hem toe. Laten wij dadelijk maar gaan, Suze.”Daar Suze niets tegen dit voornemen had, maar het integendeel hartelijk goedkeurde, waren zij spoedig gereed, en weldra op straat en op weg naar den houten adelborst.De gemoedstoestand, waarin de arme Walter naar kapitein Cuttle was gegaan, op dien dag toen Brogley de uitdrager beslag op den boedel kwam leggen, en zelfs de kerktorens met eene executie schenen te dreigen, had veel gelijkenis naar dien waarin Florence zich nu naar oom Sam begaf; met dit verschil, dat Florence bovendien nog het verdriet had van te denken, dat zij misschien de onschuldige oorzaak was geweest om Walter in gevaar en allen wien hij dierbaar was, haar zelve daarbij ingesloten, in een doodelijken angst te brengen. Voor het overige schenen gevaar en onzekerheid overal geschreven te zijn. De weerhanen op huizen en torens schenen geheimzinnig op stormen te doelen en als spookvingers naar gevaarlijke zeeën te wijzen, waar, misschien, wrakken ronddreven, en hulpelooze schipbreukelingen dobberden, in een slaap, even diep als het onpeilbare water. Toen Florence in deCitykwam en heeren voorbijging, die met elkander praatten, vreesde zij hen over het schip te hooren spreken en de tijding te zullen opvangen, dat het vergaan was. Prenten van schepen tegen de rollende golven kampende vervulden haar met schrik. De wolken en de rook, hoewel langzaam voortdrijvende, dreven veel te snel voor haar angst, en deden haar vreezen dat het op dat oogenblik op zee een storm woei.Misschien was Suze Nipper onder den invloed van dergelijke gewaarwordingen, misschien ook niet; maar daar zij het in eene eenigszins drukke straat altijd met de jongens te kwaad had—tusschen welke klasse der menschheid en haar eene natuurlijke vijandschap bestond, die bij elke gelegenheid uitbarstte—scheen zij onderweg niet veel tijd te hebben om zich met nadenken bezig te houden.Toen zij eindelijk aan den overkant der straat op de hoogte van den houten adelborst waren gekomen, en naar eene gelegenheid wachtten om over te stappen, waren zij in het eerst verwonderd voor de deur des instrumentmakers een jongen te zien, wiens appelrond gezicht naar de lucht was gekeerd, en die juist, toen zij naar hem keken, twee vingers van elke hand in den mond stopte, en op deze kunstige manier met verbazende schelheid floot naar eenige duiven hoog in de lucht.“Jufvrouw Richards’ oudste, jufvrouw!” zeide Suze, “en de plaag van haar leven!”Daar Polly Florence van de verbeterde vooruitzichten van haar zoon en erfgenaam was komen vertellen, was Florence op deze ontmoeting voorbereid; en bij het eerste gunstige oogenblik stapten zij dus de straat over, zonder zich langer met de beschouwing van jufvrouw Richards’ oudste en plaaggeest op te houden. Deze liefhebber van vogels en visschen bleef met alle macht aan het fluiten, en schreeuwde tusschenbeide, als dol van verrukking: “Ho! hoep! Wegvliegers! Wegvliegers!” een geroep, dat het kwade geweten der duiven zoodanig scheen te treffen, dat zij, in plaats van recht naar eene of andere stad in het noorden vanEngelandte vliegen, gelijk zij eerst voornemens schenen, onzeker in het rond begonnen te zwieren; waarop jufvrouw Richards’ eerstgeborene nog harder begon te fluiten en te schreeuwen, met eene stem die boven het straatrumoer uitklonk.Uit deze verrukking werd hij op eens naar de aarde teruggeroepen door een stomp van Suze, die hem den winkel deed binnenstuiven.“Is dat de manier om uw berouw te toonen, nu uwe moeder maanden lang om u heeft zitten[163]huilen?” zeide Suze, ten vervolge op den stomp. “Waar is mijnheer Gills?”Rob, die zijne opwellende wederspannigheid tegen Suze smoorde, toen hij Florence zag volgen, duwde, ter eere der laatste, zijne knokkels tegen zijn haar, en zeide tot de eerste dat mijnheer Gills uit was.“Haal hem dan naar huis,” zeide Suze met gezag, “en zeg dat mijne jonge jufvrouw hier is.”—“Ik weet niet waar hij naar toe is,” zeide Rob.—“Isdatberouw?” riep Suze met bijtende scherpheid uit.—“Wel, hoe kan ik hem gaan halen, als ik niet weet waar ik naar toe moet?” jankte de gekwelde Rob. “Hoe kunt ge zoo onredelijk zijn?”—“Heeft mijnheer Gills ook gezegd wanneer hij weder thuis zou komen?” vroeg Florence.—“Ja, jufvrouw,” antwoordde Rob, nogmaals zijne knokkels tegen zijn haar duwende. “Hij zeide dat hij kort na den middag weerom zou zijn; nu over een paar uren, jufvrouw.”—“Is hij angstig over zijn neef,” vroeg Suze.—“Ja, jufvrouw,” zeide Rob, zich bij voorkeur tot Florence richtende en Suze voorbijziende, “dat zou ik wel zeggen—heel erg zelfs. Hij blijft geen kwartier binnenshuis, jufvrouw. Hij kan geen vijf minuten op dezelfde plek blijven zitten. Hij zwiert rond als—net als een duif, die niet hokvast meer is,” zeide Rob, bukkende om door het venster naar de duiven te zien, en zich bedwingende, met de vingers halverwege naar zijn mond, op het punt om nog eens te gaan fluiten.—“Kent gij ook een vriend van mijnheer Gills, die kapitein Cuttle heet?” zeide Florence, na een oogenblik bedenkens.—“Die met zijn haak, jufvrouw?” antwoordde Rob, met eene ophelderende beweging van zijne linkerhand. “Ja, jufvrouw. Hij is hier eergisteren nog geweest.”—“Is hij later niet meer hier geweest?” vroeg Suze.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde Rob, wederom tot Florence het woord richtende.—“Misschien is Walter’s oom daarheen, Suze,” merkte Florence aan.—“Naar kapitein Cuttle, jufvrouw?” viel Rob er op in. “Neen, daar is hij niet; want hij heeft de boodschap gelaten dat ik, als kapitein Cuttle aankwam, zeggen moest, hoe verwonderd hij was dat hij hem gisteren niet gezien had, en hem moest laten wachten tot hij terugkwam.”—“Weet ge waar kapitein Cuttle woont?” vroeg Florence.Rob antwoordde bevestigend, sloeg een in perkament gebonden boekje, dat in den winkel lag, op, en las het adres voor.Florence keerde zich weder naar hare kamenier en nam fluisterend raad met haar, terwijl Rob, aan den last van zijn patroon gedachtig, keek en luisterde. Florence stelde voor dat zij bij kapitein Cuttle aan huis zouden gaan, om van hem te hooren wat hij er van dacht, dat er in zoolang geene tijding van de Zoon en Erfgenaam kwam, en hem zoo mogelijk mede te brengen om oom Sam te troosten. Suze maakte in het eerst eenig bezwaar, uit hoofde van den afstand; maar toen hare meesteres van eene huurkoets sprak, trok zij deze bedenking in en gaf hare toestemming. Het beraad duurde eenige minuten, eer zij tot dit besluit kwamen, en in dien tijd wijdde de starende Rob beurtelings zijne aandacht aan beide spreeksters, en keerde beide beurtelings zijn oor toe, alsof hij was aangesteld om het geschil te beslissen.Eindelijk werd Rob om eene koets gezonden, terwijl de dames in den winkel bleven wachten; en toen hij er mede aankwam, stapten zij in, voor oom Sam de boodschap latende dat zij op den terugweg zeker nog eens zouden aankomen. Nadat Rob de koets had nagekeken, tot zij even onzichtbaar was als de duiven nu waren geworden, zette hij zich met alle vlijt aan den lessenaar, en om niets van het gebeurde te vergeten, maakte hij daarvan aanteekeningen op verscheidene brokjes papier, waarbij hij niet weinig inkt gebruikte. Er was geen gevaar dat deze documenten, als zij toevallig te zoek raakten, iets zouden verraden; want lang voor dat een woord droog was, werd het voor Rob zelven zulk een geheimzinnig raadsel, alsof hij geen het minste deel aan het schrijven had gehad.Terwijl hij nog aan dezen arbeid zat, hield de huurkoets—na het ontmoeten van ongehoorde bezwaren, door draaibruggen, grondelooze wegen, onoverkomelijke vaarten, wagens met vaten, plantages van roode klimboomen en kleine waschhuisjes, en andere in dat gewest veelvuldige hindernissen veroorzaakt—aan den hoek vanBrig Placestil. Hier afstappende, gingen Florence en Suze de straat langs en zochten naar de woning van kapitein Cuttle.Het ongeluk wilde dat het juist een van jufvrouw MacStinger’s groote schoonmaakdagen was. Bij zulk eene gelegenheid, werd deze jufvrouw des morgens kwartier vóór drieën door den politieman opgeklopt, en bezweek zij zelden voor twaalf uur in den nacht onder haar arbeid. Het hoofdoogmerk dezer instelling scheen te zijn, dat jufvrouw MacStinger met het krieken van den dag al het huisraad in het tuintje bracht, den geheelen dag op klompen door het huis liep, en na den donker het huisraad weder binnenbracht. Onder deze ceremoniën hadden de jeugdige MacStinger’s nergens rust of veiligheid, werden overal vandaan gejaagd, en waren dientengevolge buitengewoon onrustig en lastig.Op het oogenblik toen Florence en Suze aan de deur van jufvrouw MacStinger kwamen, was die brave maar geduchte vrouw juist bezig met Alexander MacStinger, oud twee jaar en drie maanden, door den gang te zeulen, om hem in eene zittende houding op de straatsteenen te zetten; want Alexander was blauw in zijn[164]gezicht, dewijl hij na eene kastijding zijn adem wat lang had ingehouden, en in zulke gevallen waren de koele straatsteenen een beproefd middel om hem weder te doen bekomen.Het gevoel van jufvrouw MacStinger, als vrouw en moeder, werd diep gekwetst door het medelijden met Alexander dat zij in Florence’s gezichtje opmerkte; en de edelste driften onzer natuur volgende, in plaats van kleingeestig hare nieuwsgierigheid te voldoen, schudde zij Alexander dus nog wat, en deed alsof zij de vreemdelingen niet bemerkte.“Neem mij niet kwalijk, jufvrouw,” zeide Florence, toen het kind zijn adem terug had en dien gebruikte. “Is dit kapitein Cuttle’s huis?”—“Neen,” antwoordde jufvrouw MacStinger.—“Niet nommer negen?” zeide Florence aarzelend.—“Wie heeft gezegd, dat het nommer negen niet was?” was het antwoord.Dadelijk viel Suze er op in, en verzocht jufvrouw MacStinger te mogen vragen, wat zij daarmede meende en of zij wel wist met wie zij sprak.De jufvrouw nam haar eens op van het hoofd tot de voeten: “Wat moet gij met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren zult.”—“Stil toch, Suze,” zeide Florence. “Misschien kunt gij wel zoo goed zijn om ons te zeggen waar kapitein Cuttle woont, jufvrouw, daar hij hier niet woont.”—“Wie zegt dat hij hier niet woont?” hervatte de onverzoenlijke jufvrouw MacStinger. “Ik zeide dat het kapitein Cuttle’s huis niet was—en het is ook zijn huis niet—en ik hoop dat het nooit zijn huis zal worden—want kapitein Cuttle weet niet hoe men een huis moet schoonhouden—en hij verdient geen huis te hebben—het is mijnhuis—en als ik de bovenkamers aan kapitein Cuttle verhuur, doe ik iets daar ik geen dank voor heb, en strooi ik paarlen voor de zwijnen!”Jufvrouw MacStinger verhief hare stem, om de bovenvensters te bereiken, en schoot ieder gezegde afzonderlijk uit, als uit een geweer met een oneindig getal van loopen. Na het laatste schot, hoorde men de stem des kapiteins, flauw protesteerend, boven op zijne kamer zeggen: “Sta vast, beneden!”—“Als gij naar kapitein Cuttle vraagt, daar is hij,” zeide jufvrouw MacStinger, gramstorig met hare hand wuivende. Toen Florence daarop zonder verder spreken binnentrad en Suze volgde, hervatte de jufvrouw hare wandeling op klompen, vervolgde Alexander, (nog op de steenen gezeten) die opgehouden had met huilen om naar het gesprek te luisteren, zijn gejammer, zich onder dit misbaar, dat geheel werktuigelijk was, vermakende met in de verte naar de huurkoets te kijken.De kapitein zat op zijne kamer, met de handen in de zakken en de beenen onder zijn stoel opgetrokken, op een eilandje in een oceaan van zeepsop. De glazen waren gewasschen, de wanden waren afgeboend, de kachel was schoongemaakt, en alles, de kachel uitgezonderd, glom van het zeepsop, waarvan de reuk ook de lucht vervulde. Te midden van dit akelige tooneel keek de kapitein, op zijn eiland gebannen, treurig rond, en scheen op eene vriendelijke bark te wachten om hem te komen afhalen.Maar toen de kapitein, zijne benauwde oogen naar de deur richtende, Florence en hare kamenier zag, konden geene woorden zijne verbazing beschrijven. Daar jufvrouw MacStinger’s welsprekendheid alle andere geluiden had verdoofd, had hij geen merkwaardiger bezoek verwacht dan van den bierjongen of den melkboer; en toen Florence verscheen en de kust van zijn eiland naderde, en hem hare hand toestak, stond de kapitein met zooveel ontzetting op, alsof hij voor eenoogenblikdacht dat zij een jeugdig lid van de familie van den Vliegenden Hollander was.Terstond echter zijne tegenwoordigheid van geest hernemende, was des kapiteins eerste zorg haar op het droge te plaatsen, hetgeen hij gelukkig, met eene enkele beweging van zijn arm, volbracht. Zich toen op den waterplas wagende, nam de kapitein Suze om haar middel en droeg haar insgelijks naar het eiland. Daarna bracht hij met grooten eerbied Florence’s hand aan zijne lippen, en zag haar op eenigen afstand (want het eiland was groot genoeg voor drie) met zielvolle blikken uit het zeepsop aan, gelijk een nieuw soort van Triton.“Gij zijt zeker wel verwonderd ons hier te zien,” zeide Florence met een glimlach.De onuitsprekelijk gevleide kapitein kuste tot antwoord zijn haak en bromde: “Sta vast! Sta vast!” alsof deze woorden een uitgezocht compliment waren.“Maar ik kon geene rust hebben,” vervolgde Florence, “zonder te komen vragen wat gij van dien lieven Walter denkt—die nu mijn broeder is—en of er iets te vreezen is, en of gij zijn armen oom niet alle dag wilt gaan troosten, tot wij tijding van hem hebben.”Bij deze woorden bracht kapitein Cuttle, als ware het onwillekeurig, zijne hand naar zijn hoofd, waarop de blinkende hoed niet stond, en keek verslagen.“Zijt gij bang voor Walter’s behoud?” zeide Florence, van wier gezichtje de kapitein (zoo verrukt was hij) zijne oogen niet kon afwenden; terwijl zij hem, op hare beurt, ernstig aanzag, om overtuigd te zijn van de oprechtheid van zijn antwoord.—“Neen, hartediefje,” antwoordde kapitein Cuttle, “ik ben niet bang. Walter is een jongen die veel slecht weer[165]zal doorstaan. Walter is een jongen, die dat schip zooveel geluk zal aanbrengen als een jongen maar doen kan. Walter,” zeide de kapitein, met glinsterende oogen en zijn haak opheffende om eene fraaie aanhaling aan te kondigen, “is wat gij noemen moogt, een uitwendig zichtbaar teeken van eene innerlijke geestelijke werking, en als gij dat vindt, zet er een streepje bij.”Florence, die dit niet recht begreep, schoon de kapitein het blijkbaar voor zeer krachtig en duidelijk hield, zag hem vriendelijk aan, alsof zij nog iets meer hoopte te hooren.“Ik ben niet bang, mijn hartediefje,” hervatte de kapitein. “Er is ongemeen slecht weer in die breedten geweest, dat is niet tegen te spreken, en zij zijn misschien naar den anderen kant van de wereld afgedreven. Maar het schip is een goed schip, en de jongen is een goede jongen; en het is niet gemakkelijk, de Heer zij gedankt,” daarbij boog hij even, “gezond eikenhout te breken, hetzij van een schip of van een hart. Hier hebben wij allebei, en dus ben ik nog niet bang.”—“Nog niet?” herhaalde Florence.—“Geheel niet,” antwoordde de kapitein, zijne ijzeren hand kussende. “En eer ik begin bang te worden, mijn hartediefje, zal Walter al van het eiland of uit eene of andere haven naar huis hebben geschreven. En wat den ouden Sam Gills betreft,” hier werd de kapitein ernstig, “wien ik zal bijstaan en niet verlaten tot de dood ons scheidt, en als de stormen waaien, waaien—zie den katechismus maar na,” voegde de kapitein er tusschen, “en daar zult gij die woorden vinden—als het Sam Gills zou troosten om het gevoelen te hooren van een varensman, die nergens voor staat, en die in zijn leertijd het eene ongeluk op het andere heeft gehad, en die Bunsby heet, dan zal die man hem in zijn eigen achterkamertje dingen zeggen, waarvan hij versuft zal staan. Ja!” zeide de kapitein snoevend, “zoo goed alsof hij met zijn hoofd tegen eene deur was geloopen.”—“Laten wij met dezen heer naar hem toegaan, en hooren wat hij zegt,” riep Florence uit. “Wilt gij nu met ons meegaan? Wij hebben eene koets hier.”Wederom bracht de kapitein de hand naar het hoofd, waarop de harde blinkende hoed niet stond, en keek verslagen. Maar op dit oogenblik had er een zeer opmerkelijk verschijnsel plaats. De deur ging, zonder dat men eenig gerucht had gehoord, open, en de harde blinkende hoed kwam als een vogel de kamer invliegen en viel met een zwaren bons voor des kapiteins voeten neer. Toen sloot zich de deur weder even geweldig als zij zich geopend had, zonder dat er iets volgde dat dit wonder kon verklaren.Kapitein Cuttle raapte zijn hoed op, keerde hem met een blik van genoeglijke belangstelling om en om, en begon hem met zijne mouw op te wrijven. Zoo doende, keek de kapitein zijne bezoeksters aan en zeide met eene zachte stem:“Ik zou gisteren en van morgen wel naar Sam Gills zijn gegaan, maar—zij had hem gekaapt en weggestopt.—Dat is het lange en het korte van de zaak.”—“Wie heeft dat gedaan, om alle goedheid?” vroeg Suze.—“De huisvrouw, liefje,” antwoordde de kapitein, met een grof gefluister en een wenk om voorzichtig te zijn. “Wij hadden woorden over het zwabberen van die planken, en zij—kortom,” zeide de kapitein, zich met eene zware uitademing verluchtende, “zij gaf mij arrest.”—“O, ik wou dat zij eens met mij te doen had,” zeide Suze, rood wordende door het vuur van dien wensch. “Ik zou haar wel wat doen bedaren!”—“Zoudt ge dat denken, liefje?” hervatte de kapitein, twijfelachtig zijn hoofd schuddende, maar den moed der schoone aspirante met blijkbare bewondering beschouwende. “Ik weet het niet. Het is een moeielijk vaarwater. Zij is lastig om mee om te gaan, liefje. Men kan nooit weten welken koers zij zal houden. Het eene oogenblik houdt zij af, en het andere komt zij vlak op u aan. En als zij op haar dreef is,” zeide de kapitein, terwijl het zweet hem op het voorhoofd uitbrak—Niets anders dan een gefluit was nadrukkelijk genoeg om den zin te besluiten, en de kapitein floot dus, maar bevende. Daarna schudde hij wederom zijn hoofd en opnieuw Suze’s dapperheid bewonderende, herhaalde hij beschroomd: “Zoudt ge dat denken, liefje?”Suze antwoordde slechts met een spottenden glimlach, maar zoo uitdagend, dat men niet weten kan hoelang de kapitein verrukt van verwondering zou zijn gebleven, als Florence niet met angstig ongeduld had voorgesteld om terstond naar den wijzen Bunsby te gaan. Aldus aan zijn plicht herinnerd, zette de kapitein den blinkenden hoed vast op het hoofd, nam een nieuwen knoestigen stok, welke voor den aan Walter gegevenen in de plaats was gekomen, bood Florence zijn arm, en hield zich gereed om door den vijand heen te slaan.Het bleek echter dat jufvrouw MacStinger, gelijk de kapitein het uitdrukte, reeds een anderen koers had genomen, want toen zij beneden kwamen, vonden zij die voorbeeldige vrouw op de stoep bezig met matten uitkloppen, terwijl Alexander, flauw zichtbaar door een nevel van stof, nog op de straatsteenen zat; en zoozeer was jufvrouw MacStinger in deze huiselijke bezigheid verdiept, dat zij, toen het gezelschap voorbijkwam, des te harder klopte en geene de minste bewustheid van iemands nabijheid toonde. De kapitein was zoo in zijn schik dat hij zoo gemakkelijk vrij kwam—hoewel het mattenstof de werking van snuif op[166]hem had en hem deed niezen tot de tranen over zijn gezicht rolden—dat hij zijn geluk nauwelijks kon gelooven, maar tusschen de deur en de huurkoets meermalen over zijn schouder omkeek, blijkbaar bevreesd dat jufvrouw MacStinger nog jacht op hem zou maken.Zij bereikten echter den hoek vanBrig Place, zonder dat die geduchte kanonneerboot hen lastig viel; en de kapitein, op den bok geklommen—want zijne galanterie wilde hem niet veroorloven om bij de dames te gaan zitten, hoewel men hem daarom verzocht—loodste den koetsier op zijn koers naar kapitein Bunsby’s schip, dat de Voorzichtige Clara heette en dicht bijRatcliffelag.Aan de werf gekomen, waarvoor het schip van dien zeevoogd tusschen nagenoeg vijfhonderd kameraden lag ingeklemd, welker verwarde tuigage naar reusachtige, half weggeveegde spinnewebben geleek, vertoonde kapitein Cuttle zich voor het portier en noodigde Florence en Suze uit om met hem aan boord te gaan; aanmerkende dat Bunsby uiterst galant voor dames was, en niets zoozeer zou strekken om zijn geweldig brein in een staat van harmonie te brengen dan dat zij zich aan hem lieten presenteeren.Florence was terstond gewillig, en haar handje in zijne geduchte vuist nemende, leidde de kapitein haar met eene mengeling van vaderlijke, beschermende teederheid, trotschheid en deftigheid, die alleraardigst was om aan te zien, over verscheidene zwarte dekken, tot zij aan de Clara kwamen, welke voorzichtige bodem buiten de rij lag, met de loopplank weggenomen en zes voet rivierwater tusschen haar en haar naasten buurman. Het scheen, volgens kapitein Cuttle’s verklaring, dat de groote Bunsby, evenals hij zelf, door zijne huiswaardin zeer hard werd behandeld, en als hij die behandeling niet langer kon uithouden, als laatste toevlucht, aldus eene kloof tusschen hen plaatste.“Clara, a-hoy!” riep de kapitein, met de hand naast den mond.—“A-hoy!” riep een jongen terug, die van beneden kwam opschieten.—“Bunsby aan boord?” riep de kapitein, met eene stem alsof de jongen eene halve mijl in plaats van twee voetstappen ver was.—“Ja, ja!” riep de jongen op denzelfden toon.Daarop schoof de jongen kapitein Cuttle eene plank toe, welke deze zorgvuldig vastlegde, eer hij Florence er over hielp. Toen kwam hij voor Suze terug, en zoo stonden zij op het dek der Voorzichtige Clara, in welks staande touwen verschillende fladderende kleedingstukken hingen te drogen, in gezelschap met eenige tongen en makreelen.Terstond daarop verscheen uit het luik van de kajuit een zeer groot menschelijk hoofd met een mahoniehouten gezicht, één vaststaand en één draaiend oog. Dit hoofd was versierd met ruige haren, naar uitgeplozen touw gelijkende, die geene heerschende richting naar eenige windstreek hadden, maar zich naar alle punten van het kompas uitspreidden. Dit hoofd werd gevolgd door een hemdsboord en halsdoek, en door eene ruige zeemansjas, en door eene ruige zeemansbroek, met zulk een breeden en hoogen band, dat zij ook in plaats van vest diende, zijnde op en nabij het borstbeen van den drager versierd met eenige houten knoopen, zoo groot en dik als damschijven. Toen de ondereinden van die broek boven waren gekomen, stond Bunsby daar, met de handen in zijne diepe zakken, en zijn blik gericht, niet naar den kapitein Cuttle of de dames, maar naar den top van den mast.Het diepzinnig uitzicht van dezen philosoof, die grof en zwaar gebouwd was, en op wiens buitengemeen rood gezicht eene stilzwijgendheid ten troon zat, welke zijn roem in dit opzicht staafde, had zelfs voor kapitein Cuttle, die hem gemeenzaam kende, iets geduchts. Florence toefluisterende, dat Bunsby nog nooit in zijn leven verwonderd had gekeken, en, naar men dacht, niet eens wist wat verwondering was, bleef de kapitein staan wachten terwijl hij naar den top van den mast keek en zijn draaiend oog vervolgens langs den horizon dwaalde; en toen dit oog in zijne richting scheen te komen, zeide hij: “Bunsby, mijn jongen, hoe gaat het?”Eene zware, grove, heesche stem, die niet van Bunsby scheen te komen, en waarbij zijn gezicht geen de minste verandering onderging, antwoordde: “Ja, ja, scheepskameraad, hoe gaat het!” Te gelijk kwam Bunsby’s rechterhand uit een zak, schudde die des kapiteins en werd weder in den zak gestopt.“Bunsby,” zeide de kapitein, terstond ter zake komende, “daar staat gij, een man die verstand heeft, en een man die denkt. Hier is eene jonge juffer, die verlangt te weten wat gij wel denkt van mijn vriend Walter, en ook mijn anderen vriend, Sam Gills, iemand met wien ge wel mocht kennis maken, want hij is een man van wetenschap, en wetenschap breekt wet en is de moeder der uitvindingen. Bunsby, wilt gij, om mij pleizier te doen, met ons meegaan?”De groote zeevoogd, die, naar de uitdrukking van zijn gezicht te oordeelen, altijd in de uiterste verte scheen te turen en niets te zien dat minder dan tien mijlen van hem af was, gaf geen antwoord hoegenaamd.“Hier staat een man,” zeide de kapitein, zich tot zijne hoorderessen wendende en met zijn haak naar zijn vriend wijzende, “die meer vallen heeft gedaan, dan iemand op de wereld, en meer ongelukken heeft gehad dan het geheele zeemanshospitaal bij elkander; die, toen hij nog jong was, zooveel sparren, houten en[167]bouten op zijn hoofd heeft gekregen, dat men er een pleizierjacht van zou kunnen bouwen, en die zoo een denker is geworden, wiens gelijke men op de wereld niet vindt.”De zwijgende zeevoogd scheen door eene zeer geringe trilling zijner ellebogen eenige tevredenheid over deze lofspraak aan te duiden; maar zijn gezicht gaf geen het minste blijk van hetgeen er in zijne gedachten omging.“Scheepskameraad,” zeide Bunsby op eens, bukkende om onder eene spar, die hem in den weg was, door te kijken, “wat zullen de dames drinken?”Kapitein Cuttle, wiens kieschheid door zulk eene vraag met betrekking tot Florence geschokt werd, trok den wijze ter zijde, scheen hem aan zijn oor iets uit te leggen, en ging met hem naar beneden; waar, opdat hij zich niet boos zou maken, de kapitein zelf een borrel dronk, dien Florence en Suze, door het opene luik kijkende, den wijze voor zich zelven en zijn vriend zagen inschenken. Weldra kwamen zij weder op het dek, en leidde kapitein Cuttle, opgetogen over den goeden uitslag zijner onderneming, Florence naar de koets terug, terwijl Bunsby met Suze volgde, welke hij onderweg (tot groote verontwaardiging dier jonge juffer) in zijn ruigen arm gesloten hield, alsof hij een blauwe beer was.De kapitein zette zijn orakel in de koets, en was er zoo trotsch op dat hij dit gedaan had gekregen, dat hij niet kon nalaten om dikwijls door het raampje achter den koetsier naar Florence te kijken en tegen zijn voorhoofd te tikken, als een wenk dat Bunsby’s brein reeds aan het werk was. Ondertusschen bewaarde Bunsby zijn ernstig stilzwijgen, wel op den duur zijn arm om Suze heen houdende (want zijn vriend had niet te veel van zijne galanterie gezegd), maar zonder anders eenige bewustheid van haar of iets anders te toonen.Oom Sam, die thuis gekomen was, ontving hen aan de deur en bracht hen terstond naar het achterkamertje, dat door Walter’s afwezigheid een geheel ander voorkomen scheen te hebben gekregen. Op de tafel en hier en daar verspreid lagen de kaarten, waarop de instrumentmaker zoo dikwijls het vermiste schip had pogen na te sporen, en waarop hij zoo even, met een passer dien hij nog in de hand had, gemeten had hoe ver het wel had kunnen afdrijven, om zoo te betoogen, dat het nog lang moest duren eer men niet meer kon hopen.“Of het kan verzeild wezen tot aan,” zeide de oude man, met een angstigen blik over de kaart; “maar neen, dat is bijna onmogelijk. Of dat het door slecht weder genoodzaakt kan zijn om—maar dat is ook niet te denken. Of dat er hoop is, dat het zoo ver uit den koers is geraakt dat—maar zelfs dat kan ik haast niet hopen.”Met zulke afgebrokene gissingen zwierf de arme oude man over het groote blad, en kon geen plekje van hoop en waarschijnlijkheid vinden, groot genoeg om er de punt van zijn passer op te zetten.Florence zag terstond—het zou moeielijk geweest zijn het niet te zien—dat er eene zonderlinge, onbeschrijfelijke verandering bij den ouden man had plaats gehad, en dat zijn voorkomen, schoon veel onrustiger dan gewoonlijk, toch eene daarmede strijdige vastberadenheid had, die haar geheel in de war bracht. Eens verbeeldde zij zich dat hij niet recht wist wat hij zeide; want toen zij sprak van hare spijt dat zij hem des morgens niet had gevonden, antwoordde hij eerst dat hij naar haar toe was geweest, en scheen terstond daarop dat antwoord te willen herroepen.“Naar mij toe geweest?” zeide Florence. “Vandaag?”—“Ja, lieve jonge juffer,” antwoordde oom Sam, met zekere verlegenheid eerst haar aanziende en toen weder naar een anderen kant kijkende, “ik wenschte u nog eens met mijne eigene oogen te zien en met mijne eigene ooren te hooren, eer—” Daarbij bleef hij steken.“Eer? Eer wat?” zeide Florence, hare hand op zijn arm leggende.—“Heb ik “eer,” gezegd?” antwoordde de oude man. “Dan moet ik gemeend hebben, eer wij tijding van mijn lieven Walter kregen.”—“Ge zijt niet wel,” zeide Florence met teedere bezorgdheid. “Ge zijt ook zoo ongerust geweest. Ge zijt zeker niet wel.”—“Ik ben zoo gezond,” antwoordde de oude man, zijne rechterhand sluitende en uitstekende, om ze haar te toonen, “zoo gezond en sterk als iemand op mijne jaren kan hopen te zijn. Zie maar! Zij is vast. Is haar meester niet in staat om zooveel kracht en moed te toonen als menig jonger man? Ik denk van ja. Wij zullen zien.”Er was iets in zijn toon, meer dan in zijne woorden, schoon ook deze haar bijbleven, hetwelk zulk een indruk op Florence maakte, dat zij hare ongerustheid terstond aan kapitein Cuttle zou hebben te kennen gegeven, indien de kapitein niet juist dat oogenblik had waargenomen om den wijzen Bunsby de omstandigheden mede te deelen, waarover men zijne diep doordachte meening wenschte te vernemen.Bunsby, wiens oog ergens halverwege tusschenLondenenGravesendgevestigd bleef, stak twee- of driemaal zijn ruigen rechterarm uit, om dien om Suze’s ranke gestalte te slaan, als wilde hij zich daardoor inspireeren; maar daar Suze in ongenoegen naar den anderen kant van de tafel was gegaan, kon de wijze zeeman zijne galante neiging niet bevredigen. Na verscheidene zulke mislukkingen, sprak hij, zonder zich tot iemand in het bijzonder te richten, aldus; of liever de stem in zijn binnenste, zeide van zelf, alsof hij[168]door een brommenden geest bezeten was: “Mijn naam is Jack Bunsby!”—“Hij is John gedoopt,” riep de opgetogen kapitein Cuttle uit. “Hoor maar!”—“En wat ik zeg,” vervolgde de stem, na eenig bedenken, “daar blijf ik bij.”De kapitein, met Florence aan den arm, knikte tot het gehoor en scheen te zeggen: “Nu komt het! Dat heb ik gemeend, toen ik hem meebracht.”—“Waarom?” vervolgde de stem. “Waarom niet? Zoo ja, dat is hetzelfde. Kan iemand anders zeggen? Neen. Pak aan dan!”Toen de redeneering zoover gekomen was, bleef de stem eene poos steken. Daarna vervolgde zij zeer langzaam aldus: “Of ik geloof dat de Zoon en Erfgenaam vergaan is, kameraads? Misschien. Zeg ik zoo? Hoe dan? Als een schipper het kanaal van Sint George uitvaart en koers houdt naarDuins, wat heeft hij dan vlak voor den boeg? DeGoodwins. Hij behoeft het niet op deGoodwinste zetten, maar hij kan toch. Die observatie moet maar berekend en toegepast worden. Maar dat behoef ik niet te doen. Pak aan dan, houdt goede wacht, en—goede reis!”Daarmede ging de stem het achterkamertje uit en de straat op, den kapitein der Voorzichtige Clara medenemende, en vergezelde hem met allen spoed weder naar boord, waar hij in de kooi kroop en zijn brein met een dutje verfrischte.Zij die de uitspraak van den wijze hadden gehoord en zelven de toepassing zijner wijsheid moesten zoeken—volgens een regel, die de steunpilaar van Bunsby’s roem, en misschien ook van andere orakelsprekers is—zagen elkander eenigszins twijfelachtig aan; terwijl Rob de Slijper, die de vrijheid had genomen om door het lantarenraam in het dak te luisteren en te kijken, geheel versuft weder van het plat naar beneden kwam. Kapitein Cuttle, wiens achting voor Bunsby, zoo mogelijk, nog verhoogd was, door de luisterrijke manier waarop deze zijn roem had gehandhaafd, verklaarde echter dat Bunsby niets anders had gemeend dan dat men maar moest hopen en vertrouwen; dat Bunsby niet bang was; en dat zulk eene uitspraak van zulk een man het beste was dat men kon verlangen. Florence poogde te gelooven dat de kapitein gelijk had; maar Suze schudde, met stijf over elkander geslagene armen, haar hoofd, en vertrouwde Bunsby even weinig als zij Perch deed.De philosoof scheen den goeden oom Sam nagenoeg gelaten te hebben waar hij hem gevonden had, want de oude man bleef nog met den passer in de hand over de waterwereld dwalen, en kon geen rustpunt daarvoor vinden. Het was na een gefluisterd verzoek van Florence, dat kapitein Cuttle zijne zware hand op zijn schouder legde.“Hoe gaat het, Sam Gills?” zeide de kapitein hartelijk.—“Maar zoo, zoo, Ned,” antwoordde de instrumentmaker. “Ik heb er dezen geheelen middag aan gedacht, dat op den dag toen mijn jongen bij Dombey op het kantoor was gekomen, en laat thuis kwam om te eten, en daar zat waar gij nu staat, wij toen van stormen en schipbreuken praatten, en ik hem haast niet daarvan kon afbrengen.”Maar toen hij de oogen van Florence ontmoette, die ernstig uitvorschend op hem gevestigd waren, zweeg de oude man met een glimlach stil.“Sta vast,oude vriend!” riep de kapitein. “Ik zal u eens wat zeggen, Sam Gills. Als ik Hartediefje veilig heb thuis gebracht,” daarbij kuste hij zijn haak naar Florence, “zal ik terugkomen en u voor de rest van dezen dag op sleeptouw nemen. Gij moet hier of daar met mij gaan eten, Sam!”—“Neen, vandaag niet, Ned,” zeide de oude man snel, en scheen van dit voorstel op eene onverklaarbare wijs te schrikken. “Vandaag niet. Dat zou ik niet kunnen!”—“Waarom niet?” hernam de kapitein, hem met verbazing aanziende.—“Ik—ik heb zooveel te doen. Ik—ik meen te denken en te beschikken. Ik kan niet, Ned, waarlijk niet. Ik moet vandaag nog weer uitgaan, en alleen wezen, en voor allerlei dingen zorgen.”De kapitein zag den instrumentmaker, en daarop Florence, en wederom den instrumentmaker aan. “Morgen dan,” zeide hij eindelijk.—“Ja, ja, morgen,” zeide de oude man. “Denk morgen maar om mij. Zeg morgen.”—“Dan zal ik vroeg hier komen, onthoud dat, Sam Gills,” bedong de kapitein.—“Ja, ja, morgenochtend heel vroeg,” zeide de instrumentmaker. “En nu goedendag, Ned Cuttle, en God zegen u.”Dit zeggende drukte de oude man den kapitein met buitengewone warmte de hand, keerde zich toen naar Florence, vatte hare beide handjes, drukte ze aan zijne lippen, en bracht haar daarop met buitengewone haast naar de koets. Over het geheel maakte hij zulk een indruk op kapitein Cuttle, dat deze nog even draalde, om Rob te belasten dat hij tot morgenochtend bijzonder oplettend en gewillig voor zijn meester moest wezen, welk bevel hij aandrong met de betaling van een schelling op hand en de belofte van nog een halven des anderen daags. Deze vriendendienst verricht hebbende, klom de kapitein, die zich zelven als de natuurlijke en wettige lijfwacht van Florence beschouwde, weder op den bok, en bracht haar, met eene verhevene bewustheid van zijn post van vertrouwen, naar huis. Bij het afscheid verzekerde hij haar, dat hij Sam Gills trouw zou blijven bijstaan, en buiten staat om Suze’s dappere woorden ten aanzien van jufvrouw MacStinger te vergeten,[169]vroeg hij deze jonge juffer nog eens: “Zoudt ge dat waarlijk denken, liefje?”De bloemen werden als stof over den grond gestrooid; de ledige handen bedekten het gezichtje; en de verweesde Florence, op den grond ineengedoken, schreide lang en bitter. (blz. 172).De bloemen werden als stof over den grond gestrooid; de ledige handen bedekten het gezichtje; en de verweesde Florence, op den grond ineengedoken, schreide lang en bitter.(blz. 172).Toen de deur van het naargeestige huis zich achter die twee gesloten had, begon de kapitein weder aan den instrumentmaker te denken, en gevoelde hij zich ongerust. In plaats van dus naar huis te gaan, wandelde hij de straat verscheidene malen op en neer, en zoo tot aan den avond dralende, ging hij eindelijk eten in zeker tusschen andere huizen als eene wig ingeklemd herbergje in de City, dat veel door blinkende hoeden werd bezocht. Des kapiteins voornaamste doel was, na den donker nog eens bij Sam Gills voorbij te gaan en door het venster binnen te kijken; hetgeen hij ook deed. De deur van het achterkamertje stond open, en hij zag zijn ouden vriend stil maar ijverig aan zijne tafel zitten schrijven, terwijl de houten adelborst, reeds voor den nacht geborgen, hem van de toonbank waarnam; onder welke Rob de Slijper, eer hij den winkel sloot, zijn bed opmaakte. Gerustgesteld door de kalmte, die er in den omtrek van den houten adelborst heerschte, zette de kapitein koers naar Brig Place, met voornemen om den volgenden morgen vroeg wederom het anker te lichten.[170]
Florence leefde alleen in het groote, akelige huis, en de eene dag volgde den anderen, en nog leefde zij alleen; en de koude muren zagen starend op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.
Geen tooverkasteel in een tooversprookje, in het hart van een dicht bosch verscholen, was voor de verbeelding ooit eenzamer en verlatener, dan haar vaderlijk huis in zijn stugge werkelijkheid was—des avonds, als er licht door de naburige vensters scheen, een zwarte vlek op die karige helderheid, over dag eene naargeestige uitzondering in eene lang niet vroolijke straat.
Er stonden geene twee draken op schildwacht aan de poort dezer woning, gelijk men in een tooversprookje doorgaans de onrechtvaardig gekerkerde onschuld vindt bewaken; maar behalve een verwrongen gezicht, dat uit de lijst boven de deur uitkeek, was daarboven nog een monsterachtig arabesk-werk van roestig ijzer, naar de versteening van een loofpriëel gelijkende, dat in scherpe punten en schroefsgewijze krullen uitliep, en aan elke zijde een grooten domper1droeg, die onheilspellend schenen te zeggen: “Wie hier binnentreedt, laat het licht achter!” Er waren geene tooverletters op den drempel gebeiteld, maar het huis zag er nu zoo verwaarloosd uit, dat de jongens het hek en de stoep met krijt bekrabbelden—vooral om den hoek waar de zijmuur was—en spoken op de staldeur teekenden; en daar Towlinson hen somtijds wegjoeg, maakten zij tot wraak portretten van hem, met ooren die zijdelings uit zijn hoed uitgroeiden. Binnen de schaduw van dat dak hield alle gerucht op. De troep horenblazers, die eens in de week des morgens de straat doorkwam, blies voor die vensters nooit een enkelen toon; al zulke lieden, tot zelfs de half simpele orgeldraaier, schuwden het als eene plaats waar niets te hopen was.
De tooverban, die er op rustte, was verderfelijker dan die, welke eens op een tijd een huis in een tooverslaap dompelde, maar het als het weder ontwaakte onbeschadigd liet. De stille, verterende werking der onbewoondheid openbaarde zich overal. De zwaar neerhangende gordijnen verloren hare oude plooien en vormen en begonnen naar opgehangen lijkkleeden te gelijken. Hecatomben van meubelen, opgestapeld en overdekt, slonken weg, evenals in gevangenis vergetene menschen, en ondergingen eene ongevoelige verandering. Spiegels besloegen als door den adem van jaren. De kleuren van tapijten verschoten en werden zoo verward en flauw als de geheugenissen dier jaren. Planken, schrikkende van een ongewonen voetstap, kraakten[159]en trilden. Sleutels roestten in de sloten van deuren. De vochtigheid sloeg de muren uit, en naarmate de vlekken naar buiten kwamen, schenen de schilderijen naar binnen te kruipen en zich te verbergen. In de kasten begon zich schimmel te vestigen, en boomachtige paddestoelen groeiden in de hoeken van kelders. Het stof hoopte zich overal op, niemand wist hoe; spinnen en motten zag men elken dag opnieuw. Nu en dan vond men eene verdwaalde zwarte tor onbeweeglijk op de trap of op eene bovenkamer, als verwonderd hoe zij daar gekomen was. Ratten begonnen des nachts te piepen en te schermutselen in de donkere galerijen, die zij achter de paneelen uitgroeven.
De akelige pracht der staatsievertrekken, onduidelijk gezien in het schemerlicht dat door de geslotene luiken drong, zou wel genoeg met een tooverkasteel hebben gestrookt. Zoo, bij voorbeeld, de dof aangeslagene pooten van vergulde leeuwen, die tersluiks onder een overtrek te voorschijn kwamen; de marmeren gelaatstrekken van borstbeelden, die spookachtig door een sluier heenschemerden; de pendules, die nooit den tijd verkondigden, of, als zij bij toeval werden opgewonden, dit verkeerd deden en onaardsche uren sloegen, die niet op de wijzerplaat staan; het toevallig gerinkel in de glazen lichtkronen, meer schrik aanjagend dan eene alarmklok; de verzachte klanken en de trage lucht, die zich tusschen deze voorwerpen en eene menigte anderen, allen even spookachtig, heendrongen. Bovendien was er de groote trap, waarop de heer des huizes zoo zelden zijn voet zette, en waarlangs zijn kind omhoog naar den hemel was gegaan. Er waren nog andere trappen en gangen, waar weken achtereen niemand kwam; er waren twee gesloten kamers, met herinneringen aan doode leden der familie, waarvan fluisterend werd gesproken; en voor het geheele huis was Florence, de eenige bevallige gedaante, die door deze somberheid en eenzaamheid rondging, en ieder levenloos voorwerp iets menschelijks gaf, dat belangstelling en verwondering opwekte.
Florence leefde alleen in het verlaten huis, en de eene dag volgde den anderen en nog leefde zij alleen, en de koude muren zagen starende op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.
Het gras begon op het dak en in de spleten der keldergaten te groeien. Schubachtige, kruimelige plantjes sproten om de vensterbanken uit. Stukjes kalk raakten binnen in de schoorsteenen los en kwamen ratelend naar beneden. De twee boomen met berookte stammen verstierven omhoog, en de verdorde takken overheerschten de bladeren. Door het geheele gebouw was het wit in geel, het geel bijna in wit veranderd; en van den tijd af toen de ongelukkige dame stierf, was het langzamerhand eene donkere gaping in de straat geworden.
Maar Florence bloeide daar, gelijk de schoone koningsdochter in het sprookje. Hare boeken, hare muziek en hare dagelijksche meesters en meesteressen, waren haar eenig wezenlijk gezelschap, Suze Nipper en Diogenes uitgezonderd. De eerste begon, door het bijwonen der lessen van hare jonge meesteres zelve een wonder van geleerdheid te worden, terwijl de laatste, mogelijk door denzelfden invloed verzacht, zijn kop op de vensterbank legde en een geheelen zomermorgen lang vreedzaam tegen de straat knipoogde; somtijds zijn kop opstak om met grooten ernst naar een luidruchtig blaffenden hond voor eene kar te kijken, en somtijds, eensklaps en zonder eenige aanleiding om zijn ouden vijand in de buurt denkende, naar de deur stoof, een verdoovend geweld maakte, en dan met een eigenaardig zelfbehagen kwam terugwandelen en zijn kop weder op de vensterbank legde, met het gezicht van een hond die den staat een dienst had bewezen.
Zoo leefde Florence in hare woestijn van een huis, binnen den kring harer schuldelooze bezigheden en gedachten, en niets deed haar leed of hinder. Zij kon nu naar haar vaders kamer gaan en aan hem denken, en met haar liefderijk hart hem nederig naderen, zonder vrees van teruggestooten te worden. Zij kon hem kleine blijken van hare gehechtheid en dienstvaardigheid geven, door alles met eigene handen voor hem in orde te brengen, ruikertjes voor zijne tafel te maken, ze een voor een te verwisselen, als zij verwelkten zonder dat hij terugkwam, dagelijks het een of ander voor hem gereed te maken, en bij zijne gewone plaats een schroomvallig teeken van hare tegenwoordigheid te laten. Vandaag was het een geschilderd kastje voor zijn horloge; morgen werd zij bang om dat daar te laten, en zette zij eene andere kleinigheid van haar maaksel in de plaats, die niet zoo licht zijn oog zou trekken. In den nacht wakker wordende, beefde zij misschien bij de gedachte dat hij thuis zou komen en er zich boos over maken, en sloop dan haastig, met een kloppend hart, naar beneden om haar werk weder weg te nemen. Een andermaal legde zij slechts haar hoofdje op zijn lessenaar, en liet daar een kus en een traan.
Nog wist niemand daarvan. Als de dienstboden het niet ontdekten, wanneer zij er niet was—en allen waren bang voor Dombey’s kamer—was het een even diep geheim in het hart, als wat vroeger was gebeurd. In den schemeravond, des morgens vroeg, en somtijds als men beneden aan het eten was, sloop Florence naar die kamers; en hoewel ieder hoekje te helderder en vroolijker was door hare zorg,[160]glipte zij zoo stil als een zonnestraal uit en in, behalve dat zij haar licht achterliet.
Schimachtig gezelschap vergezelde Florence op en neer door het galmende huis, en zat bij haar in de ontmeubelde kamers. Alsof haar leven een tooverdroom was, sproten er gedachten uit hare eenzaamheid, die de werkelijkheid geheel veranderden. Zij verbeeldde zich zoo dikwijls wat haar leven zou geweest zijn als haar vader haar had kunnen liefhebben en zij een begunstigd kind was geweest, dat zij somtijds voor een oogenblik bijna geloofde dat het zoo was, en zij, door die peinzende verbeelding medegevoerd, zich scheen te herinneren, hoe zij werkelijk beiden haar broeder in zijn graf hadden zien dalen; hoe zij nog dikwijls over hem gesproken hadden, en haar goede vader, haar teeder aanziende, haar over hunne gemeenschappelijke hoop en vertrouwen op God had onderhouden. Op een anderen tijd verbeeldde zij zich dat hare moeder nog leefde. En o, welk een geluk, haar om den hals te vallen en zich met al de vertrouwelijke liefde harer ziel aan hare borst te klemmen! En o, hoe akelig weder het eenzame huis, als de avond viel en er niemand was!
Doch er was ééne gedachte—die zich nog nauwelijks duidelijk kon maken en toch vurig en krachtig in haar binnenste was—welke Florence ondersteunde als zij haar jeugdig hart, zoo zwaar beproefd, met moed en goede voornemens poogde te vervullen. In haar gemoed, gelijk in dat van iedereen die met de groote ramp onzer sterfelijkheid heeft te kampen, was eene plechtige verwondering en hoop binnengeslopen, die haar uit de schemerachtige wereld voorbij het tegenwoordige leven iets, gelijk flauwe muziek, van eene herkenning tusschen haar broeder en hare moeder toefluisterde, van eene bewustheid van haar, die beiden nog bewaarden, van liefde en medelijden voor haar, van eene kennis hoe zij haar weg op aarde zou voortzetten. Het was een balsemende troost voor Florence, deze gedachten te koesteren tot zij eens—het was kort nadat zij haar vader, laat in den nacht, in zijne eigene kamer had gezien—op het denkbeeld kwam, dat zij, als zij schreide omdat zijn hart van haar vervreemd bleef, misschien de geesten der dooden tegen hem zou opwekken. Hoe zwak en kinderachtig het ook wezen mocht, zoo iets te denken en daarbij te beven, haar liefderijk hart kon toch niet anders; en van dat uur af deed Florence haar best om de wreede wond in hare borst aan zich zelve te ontveinzen, en niet dan met hoop te denken aan hem, wiens hand haar die had toegebracht.
Haar vader wist niet—daaraan hield zij zich vast, van dien tijd af—hoe lief zij hem had. Zij was nog heel jong, en had geene moeder, en had nooit geleerd, hetzij door hare schuld of door haar ongeluk, hoe zij moest toonen dat zij hem liefhad. Zij wilde geduld hebben, zij wilde beproeven door den tijd die kunst te leeren, en hem zijn eenig kind beter doen kennen.
Dit werd het doel van haar leven. De morgenzon bescheen het vervallene huis, en vond dat besluit frisch en krachtig in de borst der eenzame meesteres. Onder al hare werkzaamheden van den dag bezielde het haar, want Florence hoopte dat, hoe meer zij wist en hoe meer talenten zij zich verwierf, hij des te vergenoegder zou zijn als hij haar leerde kennen. Somtijds verwonderde zij zich, met een angstig hart en een opwellenden traan, of zij wel in iets genoeg gevorderd was om hem te verrassen als zij eens bij elkander kwamen. Somtijds poogde zij te bedenken, of er niet een vak van kennis was, dat zijne belangstelling lichter dan een ander zou opwekken. Altijd, bij hare boeken, aan hare muziek, aan haar werk, op hare ochtendwandeling, en onder haar nachtgebed, had zij dat één groot doel in het oog. Vreemde studie voor een kind, den weg naar het hart van een hardvochtigen vader te leeren.
Er waren vele wandelaren op de straat, als de zomeravond in den nacht overging, die van den overkant naar het sombere huis keken, en de jeugdige gedaante voor het venster,—zulk een contrast daarbij—naar de sterren zagen opzien, en slechter zouden geslapen hebben indien zij hadden geweten waarover zij zoo peinsde. De naam van het huis, als een spookhuis, zou bij eenige eenvoudige lieden, die door het naargeestige voorkomen daarvan getroffen waren, en het zoo genoemd hadden, niet beter zijn geworden, als zij de geschiedenis van dat gebouw op den gevel hadden kunnen lezen. Maar Florence vervolgde haar heilig doel, zonder dat iemand er iets van vermoedde of haar hielp: zij was er alleen op bedacht hoe zij haar vader zou doen begrijpen dat zij hem liefhad, en bracht zelfs met hare geheimste gedachten geene aanklacht tegen hem in.
Zoo leefde Florence alleen in het verlaten huis, en de eene dag volgde op den anderen, en de koude muren zagen starend op haar neer, alsof zij Medusa-achtig gezind waren om hare jeugd en schoonheid te doen versteenen.
Suze Nipper stond op zekeren morgen bij hare meesteres, terwijl deze een briefje cacheteerde dat zij geschreven had, en toonde door haar uitzicht dat zij den inhoud wist en goedkeurde.
“Beter laat dan nooit, lieve jufvrouw Flore,” zeide Suze, “en ik zeg dat het altijd een verzetje zal zijn eens uit logeeren te gaan, al is het maar bij die oude Skettles’sen.”—“Sir Barnet en Lady Skettles,” antwoordde Florence, met eene zachte berisping, daar de jonge juffer met zooveel gemeenzaamheid van de bedoelde familie sprak, “zijn wel goed dat zij hunne invitatie zoo vriendelijk herhalen.”[161]
Suze, die misschien zoo partijzuchtig was als ooit iemand op de wereld, en in alle dingen, groot en klein, dadelijk eene partij koos, waarvoor zij tegen de geheele wereld wilde vechten, kneep hare lippen dicht en schudde haar hoofd, als een protest tegen de belangeloosheid der Skettles’sen, en om aan te duiden dat het gezelschap van Florence hen rijkelijk voor hunne vriendelijkheid zou beloonen.
“Zij weten wel wat zij doen,” prevelde Suze; “laat dat maar voor de Skettles’sen over.”—“Ik ben er niet zeer op gesteld om naar Fulham te gaan, moet ik bekennen, Suze,” zeide Florence nadenkend. “Maar het zal toch goed zijn dat ik ga. Het zal beter zijn, denk ik.”—“Veel beter,” zeide Suze met nadruk.—“En dus,” vervolgde Florence, “al had ik liever willen gaan als er niemand was, in plaats van onder die vacantie, nu het schijnt dat er eenige jongelieden logeeren, heb ik met dankbaarheid ja gezegd.”—“En ik zeg, dat ik blij toe ben,” antwoordde Suze. “A-ah!”
“Wat moet gij met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren zult.” (blz. 164).“Wat moet gij met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren zult.”(blz. 164).
“Wat moet gij met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren zult.”(blz. 164).
Deze laatste uitroep, waarmede Suze in dien tijd dikwijls een gezegde besloot, werd beneden gehouden voor iets dat in het algemeen op mijnheer Dombey doelde, en jufvrouw Nipper’s verlangen aanduidde om hem eens te zeggen wat zij wel van hem dacht; maar zij gaf er nooit eene verklaring van, en dus had dit “A-ah!” bij de grootst mogelijke scherpheid, nog het bekoorlijke der geheimzinnigheid.
“Hoelang duurt het toch eer wij tijding van Walter krijgen, Suze!” merkte Florence na een oogenblik zwijgens aan.—“Ja wel lang, jufvrouw Flore!” antwoordde hare kamenier. “En toen Perch daar straks om brieven kwam vragen, zeide hij—maar wat beduidt het wat hij zegt!” riep Suze rood wordend uit. “Hij weet er veel van!”
Florence sloeg snel hare oogen op, en een gloed overspreidde haar gezichtje.
“Als ik niet meer mannelijks had,” zeide Suze, blijkbaar tegen een verborgen angst worstelende en hare jonge meesteres strak aanziende, terwijl zij zich op den onschuldigen Perch poogde boos te maken, “dan die flauwe kerel, zou ik nooit weer grootsch op mijn haar zijn, maar het achter mijne ooren opsteken, en eene grove[162]muts dragen, zonder een strookje kant, tot de dood mij van mijne onbeduidendheid verloste. Ik mag geene Amazone wezen, jufvrouw Flore, en ik zou mij ook niet te schande willen maken door mij zelve zoo te misvormen, maar ik ben toch geen opgeefster, hoop ik.”—“Opgeven? Wat?” riep Florence met ontzetting uit.—“Wel, niets, jufvrouw,” antwoordde Suze. “Lieve hemel, niets! Het is maar die natte papillot van een man, die Perch, dien iemand haast met een vinger zou kunnen omgooien.”—“Geeft hij het schip op, Suze?” vroeg Florence, zeer bleek.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde Suze; “ik zou wel eens willen zien dat hij dat in mijn gezicht durfde doen. Maar hij loopt malen over een pot gember dien mijnheer Walter voor jufvrouw Perch zou sturen, en schudt zijn miserabel hoofd, en zegt dat hij maar hoopt dat hij zal komen; want, zegt hij, al kan het nu niet meer bijtijds zijn voor de bedoelde gelegenheid, dan kan het toch voor de volgende wezen, en dat maakt,” zeide Suze, met diepe minachting, “dat ik mijn geduld met dien kerel verlies, want al kan ik veel dragen, ik ben toch geen kameel, en ook,” voegde zij er na een oogenblik bedenkens bij, “als ik mij zelve wel ken, geen dromedaris.”—“Wat zegt hij anders, Suze?” vroeg Florence met ernst. “Wilt ge mij dat niet vertellen?”—“Alsof ik u niet alles zou willen vertellen, jufvrouw Flore!” zeide Suze. “Wel, jufvrouw, hij zegt dat men algemeen over het schip begint te praten, en dat er nog nooit een schip half zoolang op de reis is uit geweest zonder dat men er van hoorde, en dat de vrouw van den kapitein gisteren aan het kantoor is geweest, en er een beetje ongerust over scheen te zijn; maar dat kon iedereen wel zeggen; dat wisten wij te voren al.”—“Ik moet Walter’s oom gaan bezoeken,” zeide Florence haastig, “eer ik van huis ga. ik wil van morgen nog naar hem toe. Laten wij dadelijk maar gaan, Suze.”
Daar Suze niets tegen dit voornemen had, maar het integendeel hartelijk goedkeurde, waren zij spoedig gereed, en weldra op straat en op weg naar den houten adelborst.
De gemoedstoestand, waarin de arme Walter naar kapitein Cuttle was gegaan, op dien dag toen Brogley de uitdrager beslag op den boedel kwam leggen, en zelfs de kerktorens met eene executie schenen te dreigen, had veel gelijkenis naar dien waarin Florence zich nu naar oom Sam begaf; met dit verschil, dat Florence bovendien nog het verdriet had van te denken, dat zij misschien de onschuldige oorzaak was geweest om Walter in gevaar en allen wien hij dierbaar was, haar zelve daarbij ingesloten, in een doodelijken angst te brengen. Voor het overige schenen gevaar en onzekerheid overal geschreven te zijn. De weerhanen op huizen en torens schenen geheimzinnig op stormen te doelen en als spookvingers naar gevaarlijke zeeën te wijzen, waar, misschien, wrakken ronddreven, en hulpelooze schipbreukelingen dobberden, in een slaap, even diep als het onpeilbare water. Toen Florence in deCitykwam en heeren voorbijging, die met elkander praatten, vreesde zij hen over het schip te hooren spreken en de tijding te zullen opvangen, dat het vergaan was. Prenten van schepen tegen de rollende golven kampende vervulden haar met schrik. De wolken en de rook, hoewel langzaam voortdrijvende, dreven veel te snel voor haar angst, en deden haar vreezen dat het op dat oogenblik op zee een storm woei.
Misschien was Suze Nipper onder den invloed van dergelijke gewaarwordingen, misschien ook niet; maar daar zij het in eene eenigszins drukke straat altijd met de jongens te kwaad had—tusschen welke klasse der menschheid en haar eene natuurlijke vijandschap bestond, die bij elke gelegenheid uitbarstte—scheen zij onderweg niet veel tijd te hebben om zich met nadenken bezig te houden.
Toen zij eindelijk aan den overkant der straat op de hoogte van den houten adelborst waren gekomen, en naar eene gelegenheid wachtten om over te stappen, waren zij in het eerst verwonderd voor de deur des instrumentmakers een jongen te zien, wiens appelrond gezicht naar de lucht was gekeerd, en die juist, toen zij naar hem keken, twee vingers van elke hand in den mond stopte, en op deze kunstige manier met verbazende schelheid floot naar eenige duiven hoog in de lucht.
“Jufvrouw Richards’ oudste, jufvrouw!” zeide Suze, “en de plaag van haar leven!”
Daar Polly Florence van de verbeterde vooruitzichten van haar zoon en erfgenaam was komen vertellen, was Florence op deze ontmoeting voorbereid; en bij het eerste gunstige oogenblik stapten zij dus de straat over, zonder zich langer met de beschouwing van jufvrouw Richards’ oudste en plaaggeest op te houden. Deze liefhebber van vogels en visschen bleef met alle macht aan het fluiten, en schreeuwde tusschenbeide, als dol van verrukking: “Ho! hoep! Wegvliegers! Wegvliegers!” een geroep, dat het kwade geweten der duiven zoodanig scheen te treffen, dat zij, in plaats van recht naar eene of andere stad in het noorden vanEngelandte vliegen, gelijk zij eerst voornemens schenen, onzeker in het rond begonnen te zwieren; waarop jufvrouw Richards’ eerstgeborene nog harder begon te fluiten en te schreeuwen, met eene stem die boven het straatrumoer uitklonk.
Uit deze verrukking werd hij op eens naar de aarde teruggeroepen door een stomp van Suze, die hem den winkel deed binnenstuiven.
“Is dat de manier om uw berouw te toonen, nu uwe moeder maanden lang om u heeft zitten[163]huilen?” zeide Suze, ten vervolge op den stomp. “Waar is mijnheer Gills?”
Rob, die zijne opwellende wederspannigheid tegen Suze smoorde, toen hij Florence zag volgen, duwde, ter eere der laatste, zijne knokkels tegen zijn haar, en zeide tot de eerste dat mijnheer Gills uit was.
“Haal hem dan naar huis,” zeide Suze met gezag, “en zeg dat mijne jonge jufvrouw hier is.”—“Ik weet niet waar hij naar toe is,” zeide Rob.—“Isdatberouw?” riep Suze met bijtende scherpheid uit.—“Wel, hoe kan ik hem gaan halen, als ik niet weet waar ik naar toe moet?” jankte de gekwelde Rob. “Hoe kunt ge zoo onredelijk zijn?”—“Heeft mijnheer Gills ook gezegd wanneer hij weder thuis zou komen?” vroeg Florence.—“Ja, jufvrouw,” antwoordde Rob, nogmaals zijne knokkels tegen zijn haar duwende. “Hij zeide dat hij kort na den middag weerom zou zijn; nu over een paar uren, jufvrouw.”—“Is hij angstig over zijn neef,” vroeg Suze.—“Ja, jufvrouw,” zeide Rob, zich bij voorkeur tot Florence richtende en Suze voorbijziende, “dat zou ik wel zeggen—heel erg zelfs. Hij blijft geen kwartier binnenshuis, jufvrouw. Hij kan geen vijf minuten op dezelfde plek blijven zitten. Hij zwiert rond als—net als een duif, die niet hokvast meer is,” zeide Rob, bukkende om door het venster naar de duiven te zien, en zich bedwingende, met de vingers halverwege naar zijn mond, op het punt om nog eens te gaan fluiten.—“Kent gij ook een vriend van mijnheer Gills, die kapitein Cuttle heet?” zeide Florence, na een oogenblik bedenkens.—“Die met zijn haak, jufvrouw?” antwoordde Rob, met eene ophelderende beweging van zijne linkerhand. “Ja, jufvrouw. Hij is hier eergisteren nog geweest.”—“Is hij later niet meer hier geweest?” vroeg Suze.—“Neen, jufvrouw,” antwoordde Rob, wederom tot Florence het woord richtende.—“Misschien is Walter’s oom daarheen, Suze,” merkte Florence aan.—“Naar kapitein Cuttle, jufvrouw?” viel Rob er op in. “Neen, daar is hij niet; want hij heeft de boodschap gelaten dat ik, als kapitein Cuttle aankwam, zeggen moest, hoe verwonderd hij was dat hij hem gisteren niet gezien had, en hem moest laten wachten tot hij terugkwam.”—“Weet ge waar kapitein Cuttle woont?” vroeg Florence.
Rob antwoordde bevestigend, sloeg een in perkament gebonden boekje, dat in den winkel lag, op, en las het adres voor.
Florence keerde zich weder naar hare kamenier en nam fluisterend raad met haar, terwijl Rob, aan den last van zijn patroon gedachtig, keek en luisterde. Florence stelde voor dat zij bij kapitein Cuttle aan huis zouden gaan, om van hem te hooren wat hij er van dacht, dat er in zoolang geene tijding van de Zoon en Erfgenaam kwam, en hem zoo mogelijk mede te brengen om oom Sam te troosten. Suze maakte in het eerst eenig bezwaar, uit hoofde van den afstand; maar toen hare meesteres van eene huurkoets sprak, trok zij deze bedenking in en gaf hare toestemming. Het beraad duurde eenige minuten, eer zij tot dit besluit kwamen, en in dien tijd wijdde de starende Rob beurtelings zijne aandacht aan beide spreeksters, en keerde beide beurtelings zijn oor toe, alsof hij was aangesteld om het geschil te beslissen.
Eindelijk werd Rob om eene koets gezonden, terwijl de dames in den winkel bleven wachten; en toen hij er mede aankwam, stapten zij in, voor oom Sam de boodschap latende dat zij op den terugweg zeker nog eens zouden aankomen. Nadat Rob de koets had nagekeken, tot zij even onzichtbaar was als de duiven nu waren geworden, zette hij zich met alle vlijt aan den lessenaar, en om niets van het gebeurde te vergeten, maakte hij daarvan aanteekeningen op verscheidene brokjes papier, waarbij hij niet weinig inkt gebruikte. Er was geen gevaar dat deze documenten, als zij toevallig te zoek raakten, iets zouden verraden; want lang voor dat een woord droog was, werd het voor Rob zelven zulk een geheimzinnig raadsel, alsof hij geen het minste deel aan het schrijven had gehad.
Terwijl hij nog aan dezen arbeid zat, hield de huurkoets—na het ontmoeten van ongehoorde bezwaren, door draaibruggen, grondelooze wegen, onoverkomelijke vaarten, wagens met vaten, plantages van roode klimboomen en kleine waschhuisjes, en andere in dat gewest veelvuldige hindernissen veroorzaakt—aan den hoek vanBrig Placestil. Hier afstappende, gingen Florence en Suze de straat langs en zochten naar de woning van kapitein Cuttle.
Het ongeluk wilde dat het juist een van jufvrouw MacStinger’s groote schoonmaakdagen was. Bij zulk eene gelegenheid, werd deze jufvrouw des morgens kwartier vóór drieën door den politieman opgeklopt, en bezweek zij zelden voor twaalf uur in den nacht onder haar arbeid. Het hoofdoogmerk dezer instelling scheen te zijn, dat jufvrouw MacStinger met het krieken van den dag al het huisraad in het tuintje bracht, den geheelen dag op klompen door het huis liep, en na den donker het huisraad weder binnenbracht. Onder deze ceremoniën hadden de jeugdige MacStinger’s nergens rust of veiligheid, werden overal vandaan gejaagd, en waren dientengevolge buitengewoon onrustig en lastig.
Op het oogenblik toen Florence en Suze aan de deur van jufvrouw MacStinger kwamen, was die brave maar geduchte vrouw juist bezig met Alexander MacStinger, oud twee jaar en drie maanden, door den gang te zeulen, om hem in eene zittende houding op de straatsteenen te zetten; want Alexander was blauw in zijn[164]gezicht, dewijl hij na eene kastijding zijn adem wat lang had ingehouden, en in zulke gevallen waren de koele straatsteenen een beproefd middel om hem weder te doen bekomen.
Het gevoel van jufvrouw MacStinger, als vrouw en moeder, werd diep gekwetst door het medelijden met Alexander dat zij in Florence’s gezichtje opmerkte; en de edelste driften onzer natuur volgende, in plaats van kleingeestig hare nieuwsgierigheid te voldoen, schudde zij Alexander dus nog wat, en deed alsof zij de vreemdelingen niet bemerkte.
“Neem mij niet kwalijk, jufvrouw,” zeide Florence, toen het kind zijn adem terug had en dien gebruikte. “Is dit kapitein Cuttle’s huis?”—“Neen,” antwoordde jufvrouw MacStinger.—“Niet nommer negen?” zeide Florence aarzelend.—“Wie heeft gezegd, dat het nommer negen niet was?” was het antwoord.
Dadelijk viel Suze er op in, en verzocht jufvrouw MacStinger te mogen vragen, wat zij daarmede meende en of zij wel wist met wie zij sprak.
De jufvrouw nam haar eens op van het hoofd tot de voeten: “Wat moet gij met kapitein Cuttle, zou ik wel eens willen weten?” zeide zij.—“Zoudt ge?” antwoordde Suze. “Dan spijt het me dat gij het niet hooren zult.”—“Stil toch, Suze,” zeide Florence. “Misschien kunt gij wel zoo goed zijn om ons te zeggen waar kapitein Cuttle woont, jufvrouw, daar hij hier niet woont.”—“Wie zegt dat hij hier niet woont?” hervatte de onverzoenlijke jufvrouw MacStinger. “Ik zeide dat het kapitein Cuttle’s huis niet was—en het is ook zijn huis niet—en ik hoop dat het nooit zijn huis zal worden—want kapitein Cuttle weet niet hoe men een huis moet schoonhouden—en hij verdient geen huis te hebben—het is mijnhuis—en als ik de bovenkamers aan kapitein Cuttle verhuur, doe ik iets daar ik geen dank voor heb, en strooi ik paarlen voor de zwijnen!”
Jufvrouw MacStinger verhief hare stem, om de bovenvensters te bereiken, en schoot ieder gezegde afzonderlijk uit, als uit een geweer met een oneindig getal van loopen. Na het laatste schot, hoorde men de stem des kapiteins, flauw protesteerend, boven op zijne kamer zeggen: “Sta vast, beneden!”—“Als gij naar kapitein Cuttle vraagt, daar is hij,” zeide jufvrouw MacStinger, gramstorig met hare hand wuivende. Toen Florence daarop zonder verder spreken binnentrad en Suze volgde, hervatte de jufvrouw hare wandeling op klompen, vervolgde Alexander, (nog op de steenen gezeten) die opgehouden had met huilen om naar het gesprek te luisteren, zijn gejammer, zich onder dit misbaar, dat geheel werktuigelijk was, vermakende met in de verte naar de huurkoets te kijken.
De kapitein zat op zijne kamer, met de handen in de zakken en de beenen onder zijn stoel opgetrokken, op een eilandje in een oceaan van zeepsop. De glazen waren gewasschen, de wanden waren afgeboend, de kachel was schoongemaakt, en alles, de kachel uitgezonderd, glom van het zeepsop, waarvan de reuk ook de lucht vervulde. Te midden van dit akelige tooneel keek de kapitein, op zijn eiland gebannen, treurig rond, en scheen op eene vriendelijke bark te wachten om hem te komen afhalen.
Maar toen de kapitein, zijne benauwde oogen naar de deur richtende, Florence en hare kamenier zag, konden geene woorden zijne verbazing beschrijven. Daar jufvrouw MacStinger’s welsprekendheid alle andere geluiden had verdoofd, had hij geen merkwaardiger bezoek verwacht dan van den bierjongen of den melkboer; en toen Florence verscheen en de kust van zijn eiland naderde, en hem hare hand toestak, stond de kapitein met zooveel ontzetting op, alsof hij voor eenoogenblikdacht dat zij een jeugdig lid van de familie van den Vliegenden Hollander was.
Terstond echter zijne tegenwoordigheid van geest hernemende, was des kapiteins eerste zorg haar op het droge te plaatsen, hetgeen hij gelukkig, met eene enkele beweging van zijn arm, volbracht. Zich toen op den waterplas wagende, nam de kapitein Suze om haar middel en droeg haar insgelijks naar het eiland. Daarna bracht hij met grooten eerbied Florence’s hand aan zijne lippen, en zag haar op eenigen afstand (want het eiland was groot genoeg voor drie) met zielvolle blikken uit het zeepsop aan, gelijk een nieuw soort van Triton.
“Gij zijt zeker wel verwonderd ons hier te zien,” zeide Florence met een glimlach.
De onuitsprekelijk gevleide kapitein kuste tot antwoord zijn haak en bromde: “Sta vast! Sta vast!” alsof deze woorden een uitgezocht compliment waren.
“Maar ik kon geene rust hebben,” vervolgde Florence, “zonder te komen vragen wat gij van dien lieven Walter denkt—die nu mijn broeder is—en of er iets te vreezen is, en of gij zijn armen oom niet alle dag wilt gaan troosten, tot wij tijding van hem hebben.”
Bij deze woorden bracht kapitein Cuttle, als ware het onwillekeurig, zijne hand naar zijn hoofd, waarop de blinkende hoed niet stond, en keek verslagen.
“Zijt gij bang voor Walter’s behoud?” zeide Florence, van wier gezichtje de kapitein (zoo verrukt was hij) zijne oogen niet kon afwenden; terwijl zij hem, op hare beurt, ernstig aanzag, om overtuigd te zijn van de oprechtheid van zijn antwoord.—“Neen, hartediefje,” antwoordde kapitein Cuttle, “ik ben niet bang. Walter is een jongen die veel slecht weer[165]zal doorstaan. Walter is een jongen, die dat schip zooveel geluk zal aanbrengen als een jongen maar doen kan. Walter,” zeide de kapitein, met glinsterende oogen en zijn haak opheffende om eene fraaie aanhaling aan te kondigen, “is wat gij noemen moogt, een uitwendig zichtbaar teeken van eene innerlijke geestelijke werking, en als gij dat vindt, zet er een streepje bij.”
Florence, die dit niet recht begreep, schoon de kapitein het blijkbaar voor zeer krachtig en duidelijk hield, zag hem vriendelijk aan, alsof zij nog iets meer hoopte te hooren.
“Ik ben niet bang, mijn hartediefje,” hervatte de kapitein. “Er is ongemeen slecht weer in die breedten geweest, dat is niet tegen te spreken, en zij zijn misschien naar den anderen kant van de wereld afgedreven. Maar het schip is een goed schip, en de jongen is een goede jongen; en het is niet gemakkelijk, de Heer zij gedankt,” daarbij boog hij even, “gezond eikenhout te breken, hetzij van een schip of van een hart. Hier hebben wij allebei, en dus ben ik nog niet bang.”—“Nog niet?” herhaalde Florence.—“Geheel niet,” antwoordde de kapitein, zijne ijzeren hand kussende. “En eer ik begin bang te worden, mijn hartediefje, zal Walter al van het eiland of uit eene of andere haven naar huis hebben geschreven. En wat den ouden Sam Gills betreft,” hier werd de kapitein ernstig, “wien ik zal bijstaan en niet verlaten tot de dood ons scheidt, en als de stormen waaien, waaien—zie den katechismus maar na,” voegde de kapitein er tusschen, “en daar zult gij die woorden vinden—als het Sam Gills zou troosten om het gevoelen te hooren van een varensman, die nergens voor staat, en die in zijn leertijd het eene ongeluk op het andere heeft gehad, en die Bunsby heet, dan zal die man hem in zijn eigen achterkamertje dingen zeggen, waarvan hij versuft zal staan. Ja!” zeide de kapitein snoevend, “zoo goed alsof hij met zijn hoofd tegen eene deur was geloopen.”—“Laten wij met dezen heer naar hem toegaan, en hooren wat hij zegt,” riep Florence uit. “Wilt gij nu met ons meegaan? Wij hebben eene koets hier.”
Wederom bracht de kapitein de hand naar het hoofd, waarop de harde blinkende hoed niet stond, en keek verslagen. Maar op dit oogenblik had er een zeer opmerkelijk verschijnsel plaats. De deur ging, zonder dat men eenig gerucht had gehoord, open, en de harde blinkende hoed kwam als een vogel de kamer invliegen en viel met een zwaren bons voor des kapiteins voeten neer. Toen sloot zich de deur weder even geweldig als zij zich geopend had, zonder dat er iets volgde dat dit wonder kon verklaren.
Kapitein Cuttle raapte zijn hoed op, keerde hem met een blik van genoeglijke belangstelling om en om, en begon hem met zijne mouw op te wrijven. Zoo doende, keek de kapitein zijne bezoeksters aan en zeide met eene zachte stem:
“Ik zou gisteren en van morgen wel naar Sam Gills zijn gegaan, maar—zij had hem gekaapt en weggestopt.—Dat is het lange en het korte van de zaak.”—“Wie heeft dat gedaan, om alle goedheid?” vroeg Suze.—“De huisvrouw, liefje,” antwoordde de kapitein, met een grof gefluister en een wenk om voorzichtig te zijn. “Wij hadden woorden over het zwabberen van die planken, en zij—kortom,” zeide de kapitein, zich met eene zware uitademing verluchtende, “zij gaf mij arrest.”—“O, ik wou dat zij eens met mij te doen had,” zeide Suze, rood wordende door het vuur van dien wensch. “Ik zou haar wel wat doen bedaren!”—“Zoudt ge dat denken, liefje?” hervatte de kapitein, twijfelachtig zijn hoofd schuddende, maar den moed der schoone aspirante met blijkbare bewondering beschouwende. “Ik weet het niet. Het is een moeielijk vaarwater. Zij is lastig om mee om te gaan, liefje. Men kan nooit weten welken koers zij zal houden. Het eene oogenblik houdt zij af, en het andere komt zij vlak op u aan. En als zij op haar dreef is,” zeide de kapitein, terwijl het zweet hem op het voorhoofd uitbrak—Niets anders dan een gefluit was nadrukkelijk genoeg om den zin te besluiten, en de kapitein floot dus, maar bevende. Daarna schudde hij wederom zijn hoofd en opnieuw Suze’s dapperheid bewonderende, herhaalde hij beschroomd: “Zoudt ge dat denken, liefje?”
Suze antwoordde slechts met een spottenden glimlach, maar zoo uitdagend, dat men niet weten kan hoelang de kapitein verrukt van verwondering zou zijn gebleven, als Florence niet met angstig ongeduld had voorgesteld om terstond naar den wijzen Bunsby te gaan. Aldus aan zijn plicht herinnerd, zette de kapitein den blinkenden hoed vast op het hoofd, nam een nieuwen knoestigen stok, welke voor den aan Walter gegevenen in de plaats was gekomen, bood Florence zijn arm, en hield zich gereed om door den vijand heen te slaan.
Het bleek echter dat jufvrouw MacStinger, gelijk de kapitein het uitdrukte, reeds een anderen koers had genomen, want toen zij beneden kwamen, vonden zij die voorbeeldige vrouw op de stoep bezig met matten uitkloppen, terwijl Alexander, flauw zichtbaar door een nevel van stof, nog op de straatsteenen zat; en zoozeer was jufvrouw MacStinger in deze huiselijke bezigheid verdiept, dat zij, toen het gezelschap voorbijkwam, des te harder klopte en geene de minste bewustheid van iemands nabijheid toonde. De kapitein was zoo in zijn schik dat hij zoo gemakkelijk vrij kwam—hoewel het mattenstof de werking van snuif op[166]hem had en hem deed niezen tot de tranen over zijn gezicht rolden—dat hij zijn geluk nauwelijks kon gelooven, maar tusschen de deur en de huurkoets meermalen over zijn schouder omkeek, blijkbaar bevreesd dat jufvrouw MacStinger nog jacht op hem zou maken.
Zij bereikten echter den hoek vanBrig Place, zonder dat die geduchte kanonneerboot hen lastig viel; en de kapitein, op den bok geklommen—want zijne galanterie wilde hem niet veroorloven om bij de dames te gaan zitten, hoewel men hem daarom verzocht—loodste den koetsier op zijn koers naar kapitein Bunsby’s schip, dat de Voorzichtige Clara heette en dicht bijRatcliffelag.
Aan de werf gekomen, waarvoor het schip van dien zeevoogd tusschen nagenoeg vijfhonderd kameraden lag ingeklemd, welker verwarde tuigage naar reusachtige, half weggeveegde spinnewebben geleek, vertoonde kapitein Cuttle zich voor het portier en noodigde Florence en Suze uit om met hem aan boord te gaan; aanmerkende dat Bunsby uiterst galant voor dames was, en niets zoozeer zou strekken om zijn geweldig brein in een staat van harmonie te brengen dan dat zij zich aan hem lieten presenteeren.
Florence was terstond gewillig, en haar handje in zijne geduchte vuist nemende, leidde de kapitein haar met eene mengeling van vaderlijke, beschermende teederheid, trotschheid en deftigheid, die alleraardigst was om aan te zien, over verscheidene zwarte dekken, tot zij aan de Clara kwamen, welke voorzichtige bodem buiten de rij lag, met de loopplank weggenomen en zes voet rivierwater tusschen haar en haar naasten buurman. Het scheen, volgens kapitein Cuttle’s verklaring, dat de groote Bunsby, evenals hij zelf, door zijne huiswaardin zeer hard werd behandeld, en als hij die behandeling niet langer kon uithouden, als laatste toevlucht, aldus eene kloof tusschen hen plaatste.
“Clara, a-hoy!” riep de kapitein, met de hand naast den mond.—“A-hoy!” riep een jongen terug, die van beneden kwam opschieten.—“Bunsby aan boord?” riep de kapitein, met eene stem alsof de jongen eene halve mijl in plaats van twee voetstappen ver was.—“Ja, ja!” riep de jongen op denzelfden toon.
Daarop schoof de jongen kapitein Cuttle eene plank toe, welke deze zorgvuldig vastlegde, eer hij Florence er over hielp. Toen kwam hij voor Suze terug, en zoo stonden zij op het dek der Voorzichtige Clara, in welks staande touwen verschillende fladderende kleedingstukken hingen te drogen, in gezelschap met eenige tongen en makreelen.
Terstond daarop verscheen uit het luik van de kajuit een zeer groot menschelijk hoofd met een mahoniehouten gezicht, één vaststaand en één draaiend oog. Dit hoofd was versierd met ruige haren, naar uitgeplozen touw gelijkende, die geene heerschende richting naar eenige windstreek hadden, maar zich naar alle punten van het kompas uitspreidden. Dit hoofd werd gevolgd door een hemdsboord en halsdoek, en door eene ruige zeemansjas, en door eene ruige zeemansbroek, met zulk een breeden en hoogen band, dat zij ook in plaats van vest diende, zijnde op en nabij het borstbeen van den drager versierd met eenige houten knoopen, zoo groot en dik als damschijven. Toen de ondereinden van die broek boven waren gekomen, stond Bunsby daar, met de handen in zijne diepe zakken, en zijn blik gericht, niet naar den kapitein Cuttle of de dames, maar naar den top van den mast.
Het diepzinnig uitzicht van dezen philosoof, die grof en zwaar gebouwd was, en op wiens buitengemeen rood gezicht eene stilzwijgendheid ten troon zat, welke zijn roem in dit opzicht staafde, had zelfs voor kapitein Cuttle, die hem gemeenzaam kende, iets geduchts. Florence toefluisterende, dat Bunsby nog nooit in zijn leven verwonderd had gekeken, en, naar men dacht, niet eens wist wat verwondering was, bleef de kapitein staan wachten terwijl hij naar den top van den mast keek en zijn draaiend oog vervolgens langs den horizon dwaalde; en toen dit oog in zijne richting scheen te komen, zeide hij: “Bunsby, mijn jongen, hoe gaat het?”
Eene zware, grove, heesche stem, die niet van Bunsby scheen te komen, en waarbij zijn gezicht geen de minste verandering onderging, antwoordde: “Ja, ja, scheepskameraad, hoe gaat het!” Te gelijk kwam Bunsby’s rechterhand uit een zak, schudde die des kapiteins en werd weder in den zak gestopt.
“Bunsby,” zeide de kapitein, terstond ter zake komende, “daar staat gij, een man die verstand heeft, en een man die denkt. Hier is eene jonge juffer, die verlangt te weten wat gij wel denkt van mijn vriend Walter, en ook mijn anderen vriend, Sam Gills, iemand met wien ge wel mocht kennis maken, want hij is een man van wetenschap, en wetenschap breekt wet en is de moeder der uitvindingen. Bunsby, wilt gij, om mij pleizier te doen, met ons meegaan?”
De groote zeevoogd, die, naar de uitdrukking van zijn gezicht te oordeelen, altijd in de uiterste verte scheen te turen en niets te zien dat minder dan tien mijlen van hem af was, gaf geen antwoord hoegenaamd.
“Hier staat een man,” zeide de kapitein, zich tot zijne hoorderessen wendende en met zijn haak naar zijn vriend wijzende, “die meer vallen heeft gedaan, dan iemand op de wereld, en meer ongelukken heeft gehad dan het geheele zeemanshospitaal bij elkander; die, toen hij nog jong was, zooveel sparren, houten en[167]bouten op zijn hoofd heeft gekregen, dat men er een pleizierjacht van zou kunnen bouwen, en die zoo een denker is geworden, wiens gelijke men op de wereld niet vindt.”
De zwijgende zeevoogd scheen door eene zeer geringe trilling zijner ellebogen eenige tevredenheid over deze lofspraak aan te duiden; maar zijn gezicht gaf geen het minste blijk van hetgeen er in zijne gedachten omging.
“Scheepskameraad,” zeide Bunsby op eens, bukkende om onder eene spar, die hem in den weg was, door te kijken, “wat zullen de dames drinken?”
Kapitein Cuttle, wiens kieschheid door zulk eene vraag met betrekking tot Florence geschokt werd, trok den wijze ter zijde, scheen hem aan zijn oor iets uit te leggen, en ging met hem naar beneden; waar, opdat hij zich niet boos zou maken, de kapitein zelf een borrel dronk, dien Florence en Suze, door het opene luik kijkende, den wijze voor zich zelven en zijn vriend zagen inschenken. Weldra kwamen zij weder op het dek, en leidde kapitein Cuttle, opgetogen over den goeden uitslag zijner onderneming, Florence naar de koets terug, terwijl Bunsby met Suze volgde, welke hij onderweg (tot groote verontwaardiging dier jonge juffer) in zijn ruigen arm gesloten hield, alsof hij een blauwe beer was.
De kapitein zette zijn orakel in de koets, en was er zoo trotsch op dat hij dit gedaan had gekregen, dat hij niet kon nalaten om dikwijls door het raampje achter den koetsier naar Florence te kijken en tegen zijn voorhoofd te tikken, als een wenk dat Bunsby’s brein reeds aan het werk was. Ondertusschen bewaarde Bunsby zijn ernstig stilzwijgen, wel op den duur zijn arm om Suze heen houdende (want zijn vriend had niet te veel van zijne galanterie gezegd), maar zonder anders eenige bewustheid van haar of iets anders te toonen.
Oom Sam, die thuis gekomen was, ontving hen aan de deur en bracht hen terstond naar het achterkamertje, dat door Walter’s afwezigheid een geheel ander voorkomen scheen te hebben gekregen. Op de tafel en hier en daar verspreid lagen de kaarten, waarop de instrumentmaker zoo dikwijls het vermiste schip had pogen na te sporen, en waarop hij zoo even, met een passer dien hij nog in de hand had, gemeten had hoe ver het wel had kunnen afdrijven, om zoo te betoogen, dat het nog lang moest duren eer men niet meer kon hopen.
“Of het kan verzeild wezen tot aan,” zeide de oude man, met een angstigen blik over de kaart; “maar neen, dat is bijna onmogelijk. Of dat het door slecht weder genoodzaakt kan zijn om—maar dat is ook niet te denken. Of dat er hoop is, dat het zoo ver uit den koers is geraakt dat—maar zelfs dat kan ik haast niet hopen.”
Met zulke afgebrokene gissingen zwierf de arme oude man over het groote blad, en kon geen plekje van hoop en waarschijnlijkheid vinden, groot genoeg om er de punt van zijn passer op te zetten.
Florence zag terstond—het zou moeielijk geweest zijn het niet te zien—dat er eene zonderlinge, onbeschrijfelijke verandering bij den ouden man had plaats gehad, en dat zijn voorkomen, schoon veel onrustiger dan gewoonlijk, toch eene daarmede strijdige vastberadenheid had, die haar geheel in de war bracht. Eens verbeeldde zij zich dat hij niet recht wist wat hij zeide; want toen zij sprak van hare spijt dat zij hem des morgens niet had gevonden, antwoordde hij eerst dat hij naar haar toe was geweest, en scheen terstond daarop dat antwoord te willen herroepen.
“Naar mij toe geweest?” zeide Florence. “Vandaag?”—“Ja, lieve jonge juffer,” antwoordde oom Sam, met zekere verlegenheid eerst haar aanziende en toen weder naar een anderen kant kijkende, “ik wenschte u nog eens met mijne eigene oogen te zien en met mijne eigene ooren te hooren, eer—” Daarbij bleef hij steken.
“Eer? Eer wat?” zeide Florence, hare hand op zijn arm leggende.—“Heb ik “eer,” gezegd?” antwoordde de oude man. “Dan moet ik gemeend hebben, eer wij tijding van mijn lieven Walter kregen.”—“Ge zijt niet wel,” zeide Florence met teedere bezorgdheid. “Ge zijt ook zoo ongerust geweest. Ge zijt zeker niet wel.”—“Ik ben zoo gezond,” antwoordde de oude man, zijne rechterhand sluitende en uitstekende, om ze haar te toonen, “zoo gezond en sterk als iemand op mijne jaren kan hopen te zijn. Zie maar! Zij is vast. Is haar meester niet in staat om zooveel kracht en moed te toonen als menig jonger man? Ik denk van ja. Wij zullen zien.”
Er was iets in zijn toon, meer dan in zijne woorden, schoon ook deze haar bijbleven, hetwelk zulk een indruk op Florence maakte, dat zij hare ongerustheid terstond aan kapitein Cuttle zou hebben te kennen gegeven, indien de kapitein niet juist dat oogenblik had waargenomen om den wijzen Bunsby de omstandigheden mede te deelen, waarover men zijne diep doordachte meening wenschte te vernemen.
Bunsby, wiens oog ergens halverwege tusschenLondenenGravesendgevestigd bleef, stak twee- of driemaal zijn ruigen rechterarm uit, om dien om Suze’s ranke gestalte te slaan, als wilde hij zich daardoor inspireeren; maar daar Suze in ongenoegen naar den anderen kant van de tafel was gegaan, kon de wijze zeeman zijne galante neiging niet bevredigen. Na verscheidene zulke mislukkingen, sprak hij, zonder zich tot iemand in het bijzonder te richten, aldus; of liever de stem in zijn binnenste, zeide van zelf, alsof hij[168]door een brommenden geest bezeten was: “Mijn naam is Jack Bunsby!”—“Hij is John gedoopt,” riep de opgetogen kapitein Cuttle uit. “Hoor maar!”—“En wat ik zeg,” vervolgde de stem, na eenig bedenken, “daar blijf ik bij.”
De kapitein, met Florence aan den arm, knikte tot het gehoor en scheen te zeggen: “Nu komt het! Dat heb ik gemeend, toen ik hem meebracht.”—“Waarom?” vervolgde de stem. “Waarom niet? Zoo ja, dat is hetzelfde. Kan iemand anders zeggen? Neen. Pak aan dan!”
Toen de redeneering zoover gekomen was, bleef de stem eene poos steken. Daarna vervolgde zij zeer langzaam aldus: “Of ik geloof dat de Zoon en Erfgenaam vergaan is, kameraads? Misschien. Zeg ik zoo? Hoe dan? Als een schipper het kanaal van Sint George uitvaart en koers houdt naarDuins, wat heeft hij dan vlak voor den boeg? DeGoodwins. Hij behoeft het niet op deGoodwinste zetten, maar hij kan toch. Die observatie moet maar berekend en toegepast worden. Maar dat behoef ik niet te doen. Pak aan dan, houdt goede wacht, en—goede reis!”
Daarmede ging de stem het achterkamertje uit en de straat op, den kapitein der Voorzichtige Clara medenemende, en vergezelde hem met allen spoed weder naar boord, waar hij in de kooi kroop en zijn brein met een dutje verfrischte.
Zij die de uitspraak van den wijze hadden gehoord en zelven de toepassing zijner wijsheid moesten zoeken—volgens een regel, die de steunpilaar van Bunsby’s roem, en misschien ook van andere orakelsprekers is—zagen elkander eenigszins twijfelachtig aan; terwijl Rob de Slijper, die de vrijheid had genomen om door het lantarenraam in het dak te luisteren en te kijken, geheel versuft weder van het plat naar beneden kwam. Kapitein Cuttle, wiens achting voor Bunsby, zoo mogelijk, nog verhoogd was, door de luisterrijke manier waarop deze zijn roem had gehandhaafd, verklaarde echter dat Bunsby niets anders had gemeend dan dat men maar moest hopen en vertrouwen; dat Bunsby niet bang was; en dat zulk eene uitspraak van zulk een man het beste was dat men kon verlangen. Florence poogde te gelooven dat de kapitein gelijk had; maar Suze schudde, met stijf over elkander geslagene armen, haar hoofd, en vertrouwde Bunsby even weinig als zij Perch deed.
De philosoof scheen den goeden oom Sam nagenoeg gelaten te hebben waar hij hem gevonden had, want de oude man bleef nog met den passer in de hand over de waterwereld dwalen, en kon geen rustpunt daarvoor vinden. Het was na een gefluisterd verzoek van Florence, dat kapitein Cuttle zijne zware hand op zijn schouder legde.
“Hoe gaat het, Sam Gills?” zeide de kapitein hartelijk.—“Maar zoo, zoo, Ned,” antwoordde de instrumentmaker. “Ik heb er dezen geheelen middag aan gedacht, dat op den dag toen mijn jongen bij Dombey op het kantoor was gekomen, en laat thuis kwam om te eten, en daar zat waar gij nu staat, wij toen van stormen en schipbreuken praatten, en ik hem haast niet daarvan kon afbrengen.”
Maar toen hij de oogen van Florence ontmoette, die ernstig uitvorschend op hem gevestigd waren, zweeg de oude man met een glimlach stil.
“Sta vast,oude vriend!” riep de kapitein. “Ik zal u eens wat zeggen, Sam Gills. Als ik Hartediefje veilig heb thuis gebracht,” daarbij kuste hij zijn haak naar Florence, “zal ik terugkomen en u voor de rest van dezen dag op sleeptouw nemen. Gij moet hier of daar met mij gaan eten, Sam!”—“Neen, vandaag niet, Ned,” zeide de oude man snel, en scheen van dit voorstel op eene onverklaarbare wijs te schrikken. “Vandaag niet. Dat zou ik niet kunnen!”—“Waarom niet?” hernam de kapitein, hem met verbazing aanziende.—“Ik—ik heb zooveel te doen. Ik—ik meen te denken en te beschikken. Ik kan niet, Ned, waarlijk niet. Ik moet vandaag nog weer uitgaan, en alleen wezen, en voor allerlei dingen zorgen.”
De kapitein zag den instrumentmaker, en daarop Florence, en wederom den instrumentmaker aan. “Morgen dan,” zeide hij eindelijk.—“Ja, ja, morgen,” zeide de oude man. “Denk morgen maar om mij. Zeg morgen.”—“Dan zal ik vroeg hier komen, onthoud dat, Sam Gills,” bedong de kapitein.—“Ja, ja, morgenochtend heel vroeg,” zeide de instrumentmaker. “En nu goedendag, Ned Cuttle, en God zegen u.”
Dit zeggende drukte de oude man den kapitein met buitengewone warmte de hand, keerde zich toen naar Florence, vatte hare beide handjes, drukte ze aan zijne lippen, en bracht haar daarop met buitengewone haast naar de koets. Over het geheel maakte hij zulk een indruk op kapitein Cuttle, dat deze nog even draalde, om Rob te belasten dat hij tot morgenochtend bijzonder oplettend en gewillig voor zijn meester moest wezen, welk bevel hij aandrong met de betaling van een schelling op hand en de belofte van nog een halven des anderen daags. Deze vriendendienst verricht hebbende, klom de kapitein, die zich zelven als de natuurlijke en wettige lijfwacht van Florence beschouwde, weder op den bok, en bracht haar, met eene verhevene bewustheid van zijn post van vertrouwen, naar huis. Bij het afscheid verzekerde hij haar, dat hij Sam Gills trouw zou blijven bijstaan, en buiten staat om Suze’s dappere woorden ten aanzien van jufvrouw MacStinger te vergeten,[169]vroeg hij deze jonge juffer nog eens: “Zoudt ge dat waarlijk denken, liefje?”
De bloemen werden als stof over den grond gestrooid; de ledige handen bedekten het gezichtje; en de verweesde Florence, op den grond ineengedoken, schreide lang en bitter. (blz. 172).De bloemen werden als stof over den grond gestrooid; de ledige handen bedekten het gezichtje; en de verweesde Florence, op den grond ineengedoken, schreide lang en bitter.(blz. 172).
De bloemen werden als stof over den grond gestrooid; de ledige handen bedekten het gezichtje; en de verweesde Florence, op den grond ineengedoken, schreide lang en bitter.(blz. 172).
Toen de deur van het naargeestige huis zich achter die twee gesloten had, begon de kapitein weder aan den instrumentmaker te denken, en gevoelde hij zich ongerust. In plaats van dus naar huis te gaan, wandelde hij de straat verscheidene malen op en neer, en zoo tot aan den avond dralende, ging hij eindelijk eten in zeker tusschen andere huizen als eene wig ingeklemd herbergje in de City, dat veel door blinkende hoeden werd bezocht. Des kapiteins voornaamste doel was, na den donker nog eens bij Sam Gills voorbij te gaan en door het venster binnen te kijken; hetgeen hij ook deed. De deur van het achterkamertje stond open, en hij zag zijn ouden vriend stil maar ijverig aan zijne tafel zitten schrijven, terwijl de houten adelborst, reeds voor den nacht geborgen, hem van de toonbank waarnam; onder welke Rob de Slijper, eer hij den winkel sloot, zijn bed opmaakte. Gerustgesteld door de kalmte, die er in den omtrek van den houten adelborst heerschte, zette de kapitein koers naar Brig Place, met voornemen om den volgenden morgen vroeg wederom het anker te lichten.[170]
1Deze dompers omhoog aan de huisdeuren, dienden in vroeger tijd om de flambouwen uit te dooven, toen, bij gebrek aan straatverlichting, meer dan thans in gebruik.Vert.↑
1Deze dompers omhoog aan de huisdeuren, dienden in vroeger tijd om de flambouwen uit te dooven, toen, bij gebrek aan straatverlichting, meer dan thans in gebruik.Vert.↑
1Deze dompers omhoog aan de huisdeuren, dienden in vroeger tijd om de flambouwen uit te dooven, toen, bij gebrek aan straatverlichting, meer dan thans in gebruik.Vert.↑
1Deze dompers omhoog aan de huisdeuren, dienden in vroeger tijd om de flambouwen uit te dooven, toen, bij gebrek aan straatverlichting, meer dan thans in gebruik.
Vert.↑