[Inhoud]XXIX.HOE MEVROUW CHICK DE OOGEN OPENGAAN.Jufvrouw Tox, geheel onbewust van zulke vreemde verschijnselen in en om mijnheer Dombey’s huis als steigers en ladders, en mannen met zakdoeken om het hoofd, die als zwevende spoken of vreemde vogels door de vensters binnenkeken—had op een ochtend tegen dezen gewichtigen tijd op hare gewone manier ontbeten, namelijk met een geraspt Fransch broodje, een versch, pas gelegd ei (of daarvoor verkocht) en één kopje thee, en ging toen naar boven om de Vogel-wals op haar klavier te spelen, hare bloemen te begieten en te verzorgen, hare galanterieën af te stoffen en, volgens hare dagelijksche gewoonte, haar salonnetje tot het juweel vanPrincess’s Placete maken.Jufvrouw Tox voorzag zich van een paar oude handschoenen, naar dorre bladeren gelijkende, waarmede zij gewoon was deze bezigheden te verrichten—op alle andere tijden[203]in de la eener tafel voor ieder menschelijk oog verborgen—en ging methodisch aan het werk, beginnende met de Vogel-wals; toen, volgens een natuurlijk verband van denkbeelden, tot haar vogeltje overgaande, een stokoude kanarie, slecht in de veeren, maar een doordringend zinger, gelijk de geheele buurt wel wist, daarna hare ornamenten van porselein, kaartpapier, enz. onder handen nemende, en zoo, na verloop van tijd, aan hare bloemen komende, welke doorgaans hier en daar met eene schaar beknipt moesten worden, om zekere botanische reden waaraan jufvrouw Tox groot gewicht hechtte.Het duurde dien ochtend lang eer jufvrouw Tox aan hare bloemen kwam. Het was warm weder, zuidenwind, en er was inPrincess’s Placeeen zweempje zomer te bespeuren, dat jufvrouw Tox aan het buitenleven deed denken. De bierjongen uit de herberg was met eene kan buitengekomen en had een waterstraaltje met een slingerend patroon over de straatsteenen laten loopen, dat zulk eene frischheid aan de lucht gaf, zeide jufvrouw Tox, alsof men werkelijk buiten was. Men zag een streepje zonneschijn uit de groote straat om den hoek komen, en de rookerige musschen wipten daarover heen en weder, en werden in dien glans zoo verhelderd en verheerlijkt alsof zij nooit iets van schoorsteenen hadden geweten. Spreuken tot lof van het gemberbier, met afbeeldsels van dorstige klanten, onder het bruisende schuim bedolven of door het springen der kurken versuft, blonken voor het venster der herberg. Men was ergens buiten de stad nog laat aan het hooien, en hoewel de geur van verre moest komen en tusschen de woningen der armen met vele andere geuren had te worstelen (God beloone de brave heeren, die de pest voor een deel der wijsheid onzer voorvaderen houden en hun best doen om die woningen zoo ellendig te doen blijven) kwam er toch een flauwe zweem van inPrincess’s Place, en fluisterde van het vrije veld en zijne gezonde lucht.Jufvrouw Tox zette zich in de vensterbank en dacht aan haar goeden papa, sedert lang overleden en in zijn leven beambte bij het vak van in- en uitgaande rechten; en aan hare kindsheid, in eene zeeplaats gesleten, waar zij veel teer, maar toch ook gras en hooi had geroken. Zoo kwam zij tot eene weemoedige herinnering van groene weiden, vol boterbloempjes; en hoe zij kettinkjes van paardenbloemstengels had gemaakt, voor jeugdige zweerders van eeuwige standvastigheid, voornamelijk in het nankin gekleed; en hoe spoedig die kluisters verdroogd en gebroken waren.In die vensterbank gezeten, en naar de menschen en het streepje zonneschijn kijkende, dacht jufvrouw Tox insgelijks aan hare goede overledene mama—zuster van den eigenaar van het gepoederde hoofd en het staartje— aan hare deugden en hare rheumatiek. En toen een man met kromme beenen, eene grove stem, en eene zware mand op zijn hoofd, welke zijn hoed tot een zwarten pannekoek samendrukte, met bloemen doorPrincess’s Placekwam roepen, en zijne kleine vreesachtige plantjes madelieven deed beven door de trilling van elken schreeuw dien hij gaf, alsof hij een menschenvreter was, die met kleine kinderen te koop liep, werden de zomerherinneringen zoo sterk bij jufvrouw Tox, dat zij haar hoofd schudde, en prevelde dat zij oud zou worden eer zij het wist—hetgeen wel denkelijk scheen.In die peinzende stemming zochten hare gedachten het spoor van Dombey, misschien omdat de majoor weder zijne kamers aan den overkant had betrokken en juist aan zijn venster voor haar gebogen had. Welke andere reden kon jufvrouw Tox hebben om Dombey met hare zomerdagen en kluisters van paardenbloemen in verband brengen? Was hij nu vroolijker? dacht jufvrouw Tox. Was hij nu met de besluiten des noodlots verzoend? Zou hij nooit weer trouwen, en zoo ja, met wie? Welke soort van vrouw zou het wel zijn!Een gloed overspreidde haar gelaat—het was warm weder—toen zij onder deze bespiegelingen haar hoofd omkeerde en door de weerkaatsing van haar peinzend beeld in den spiegel werd verrast. Een tweede gloed volgde daarop toen zij een rijtuigje zag aankomen en vlak voor hare deur stilhouden. Zij stond op, nam haastig hare schaar, en zoo eindelijk tot hare bloemen komende, was zij druk daarmede bezig, toen mevrouw Chick de kamer binnentrad.“Hoe vaart mijne liefste vriendin?” riep jufvrouw Tox, met open armen, uit.Deze liefste vriendin van jufvrouw Tox had thans zekere statigheid in hare houding, maar zij gaf haar toch een kus en zeide: “Wel bedankt, Lucretia. Ik ben tamelijk wel. Gij ook, hoop ik. Hm!”Mevrouw Chick had een eigenaardig kort kuchje, als het ware een begin om de kunst van hoesten te leeren.“Gij komt al heel vroeg; dat is vriendelijk van u, lieve,” hervatte jufvrouw Tox. “Hebt gij al ontbeten?”—“Bedankt Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick. “Ik heb vroeg ontbeten,”—mevrouw Chick scheen zeer nieuwsgierig naarPrincess’s Placete zijn en keek onder het spreken gedurig naar buiten, “bij mijn broeder, die thuis gekomen is.”—“Hij is beter, durf ik hopen,” stamelde jufvrouw Tox.—“Veel beter, wel bedankt. Hm!”—“Mijne lieve Louise moet op die kuch passen,” merkte jufvrouw Tox aan.—“Het is niets,” antwoordde mevrouw Chick. “Het is maar de verandering van het weer. Men moet[204]zich aan veranderingen gewennen.”—“Van weer?” vroeg jufvrouw Tox in hare eenvoudigheid.—“Van alles,” antwoordde mevrouw Chick. “Het is eene wereld vol verandering. De menschen die mij iets wilden tegenspreken dat zoo duidelijk is, Lucretia, zouden mij zeer verwonderen en mij veel geringer gedachten van hun verstand doen opvatten. Verandering!” riep mevrouw Chick met strenge wijsheid uit. “Wel mijn tijd, wat is er datnietverandert? Zelfs de zijworm, die men zeker niet denken zou dat zich met zoo iets bemoeide, verandert gedurig in allerlei onverwachte dingen.”—“Mijne Louise,” zeide de zachtzinnigejufvrouwTox, “is altijd gelukkig in hare voorbeelden.”—“Ge zijt wel vriendelijk, Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick, eenigszins verzacht, “dat ge zoo zegt, en ook zoo denkt, geloof ik. Ik hoop dat wij geen van beiden ooit reden zullen hebben om geringer gedachten van de andere te krijgen. Lucretia.”—“O, daar ben ik wel zeker van,” antwoordde jufvrouw Tox.Mevrouw Chick kuchte weder, en trok strepen op het tapijt met het ivoren puntje van hare parasol. Jufvrouw Tox, die ondervinding van hare vriendin had, en wist dat zij, als zij eenigszins vermoeid was of haar iets had gehinderd, wel wat wrevelig en lichtgeraakt kon zijn, nam de stilte waar om van onderwerp te veranderen.“Neem mij niet kwalijk, Louise,” zeide zij, “maar heb ik niet de manhaftige gedaante van mijnheer Chick in de koets zien zitten?”—“Hij is daar,” antwoordde mevrouw Chick, “maar ik verzoek u, laat hem daar maar. Hij heeft zijne courant en zou zich daarmee in geen twee uren vervelen. Ga voort met uwe bloemen, Lucretia, en laat mij hier maar wat zitten rusten.”—“Mijne Louise weet wel,” merkte jufvrouw Tox aan, “dat tusschen vriendinnen gelijk wij geene complimenten te pas komen. Daarom—” Daarom eindigde jufvrouw Tox den volzin niet met woorden maar met daden, en de handschoenen, die zij uitgedaan had, weder aantrekkende, wapende zij zich nogmaals met hare schaar, en begon zij met microscopische vlijt tusschen de bladeren te knippen.—“Florence is ook thuis gekomen,” zeide mevrouw Chick nadat zij eene poos met haar hoofd op zijde had gezeten, en met hare parasol teekeningen op den grond getrokken; “en waarlijk, Florence is nu veel te oud geworden, om dat eenzame leven te blijven leiden, waaraan zij gewend is. Dat spreekt van zelf. Daar kan geen twijfel aan zijn. Ik zou heel weinig achting voor iemand hebben, die daarover anders kon denken. Al mocht ik ook anders wenschen, ik zou zoo iemand nietkunnenachten. Zoover kan men zijn gevoel niet beheerschen.”Jufvrouw Tox stemde dit toe, zonder juist te zeggen of zij de stelling begrijpelijk vond.“Als zij een vreemd meisje is,” zeide mevrouw Chick, “en mijn broeder Paul zich in haar gezelschap niet op zijn gemak gevoelt, na al de droevige omstandigheden, die er hebben plaats gehad, en al de schrikkelijke teleurstellingen die hij ondergaan heeft, wat is dan het antwoord? Dat hij zich eene inspanning moet vergen. Dat hij verplicht is zich eene inspanning te vergen. Wij zijn eene familie die altijd door inspanningen heeft uitgemunt. Paul staat aan het hoofd van de familie—hij is bijna de eenig overgeblevene vertegenwoordiger daarvan. Want wat ben ik?Ikben van geen beduiden.”—“Maar liefste vriendin!” bracht jufvrouw Tox er tegen in.Mevrouw Chick droogde hare oogen af, die juist overliepen, en vervolgde:“En bijgevolg is hij meer dan ooit verplicht om zich eene inspanning te vergen. En hoewel het mij eenigszins een schok geeft, dat hij dat werkelijk heeft gedaan—want ik heb een heel zwak en aandoenlijk gestel, dat waarlijk alles behalve een geluk is; ik wenschte dikwijls dat ik maar eene marmeren zerk of een keisteen was …”—“Maar lieve Louise!” riep jufvrouw Tox uit.—“Evenwel is het een triomf voor mij, te weten dat hij zich zelven en zijn naam van Dombey zoo getrouw blijft, schoon ik natuurlijk altijd wel wist dat hij dat doen zou. Ik hoop maar,” zeide mevrouw Chick, na eene korte poos van stilte, “dat zij ook dien naam waardig zal wezen.”Jufvrouw Tox was juist bezig met haar groen gietertje uit eene kan te vullen, maar, toen zij dit gedaan had, toevallig opkijkende, was zij zoo verwonderd over de uitdrukking waarmede mevrouw Chick haar aanzag, dat zij het gietertje vooreerst maar op de tafel zette en er zelve bij ging zitten.“Mijne lieve Louise,” zeide jufvrouw Tox, “zal het u misschien genoegen doen, als ik, wat dat gezegde van u betreft, de aanmerking waag, dat ik, als een nederig onbeduidend persoon, denk dat uw nichtje in alle opzichten veel belooft?”—“Wat meent gij toch, Lucretia?” hervatte mevrouw Chick met toenemende deftigheid. “Op welk gezegde van mij doelt gij toch, lieve?”—“Dat zij haar naam waardig zal zijn, lieve vriendin,” antwoordde jufvrouw Tox.—“Als ik mij misschien niet duidelijk genoeg heb uitgedrukt, Lucretia,” zeide mevrouw Chick met zeker plechtig geduld, “ligt de schuld natuurlijk aan mij. Er is misschien geene reden waarom ik er van zou spreken, behalve de vertrouwelijkheid die zoolang tusschen ons bestaan heeft, en die ik hoop, Lucretia, hartelijk hoop, dat door niets gestoord zal worden. Want waarom zou ik dat niet hopen? Er is volstrekt geene reden van neen—het zou ongerijmd wezen. Maar ik wensch toch duidelijk te zijn, Lucretia; en daarom neem ik dat gezegde nog eens op[205]en verzoek u te mogen onder het oog brengen, dat het volstrekt niet op Florence doelde.”—“Niet?” zeide jufvrouw Tox.—“Neen,” antwoordde mevrouw Chick, kort en beslissend.—“Neem mij niet kwalijk, lieve,” zeide hare zachtmoedige vriendin; “maar dan zal ik het niet recht verstaan hebben. Ik vrees dat ik wat onbegrijpelijk ben.”Mevrouw Chick keek in de kamer rond en naar den overkant, en naar de bloemen, het vogeltje en het gietertje, naar bijna alles in haar gezichtskring, behalve naar jufvrouw Tox; eindelijk liet zij haar blik, terwijl hij den grond zocht, even over jufvrouw Tox heenglijden, en zeide, ondertusschen met opgetrokken wenkbrauwen naar het karpet kijkende:“Als ik hoop, Lucretia, dat zij den naam waardig zal zijn, dan bedoel ik de tweede vrouw van mijn broeder Paul. Ik meen reeds duidelijk genoeg gezegd te hebben, al is het niet met de woorden die ik nu gebruik, dat hij voornemens is eene tweede vrouw te nemen.”Jufvrouw Tox stond haastig op, ging weder naar hare bloemen, en knipte tusschen de takjes en bladeren met zoo weinig omzichtigheid als een kapper, die eenige armjongens het haar snijdt.“Of zij ten volle bewust zal zijn van de onderscheiding, die haar bewezen wordt,” hervatte mevrouw Chick op een hoogdravenden toon, “is eene geheel andere vraag. Ik hoop van ja. Men is in deze wereld verplicht het beste van elkander te denken, en ik hoop dus van ja. Met mij is geen raad genomen. En als er met mij raad genomen was, twijfel ik niet of mijn raad zou weinig geteld zijn, en dus is het oneindig beter zóó. Ik heb het veel liever zóó.”Jufvrouw Tox knipte nog met gebogen hoofd tusschen hare bloemen. Mevrouw Chick, die haar hoofd nu en dan krachtig schudde, vervolgde op een toon alsof zij iemand uitdaagde:“Als mijn broeder Paul mij geraadpleegd had, gelijk hij somtijds doet—of liever, somtijds placht te doen; want natuurlijk zal hij dat nu niet meer doen, en dit is eene omstandigheid die ik als eene ontheffing van eene verantwoordelijkheid aanmerk,” zeide mevrouw Chick, op eene manier alsof zij zenuwachtig werd, “want ik ben Goddank niet jaloersch,” hier liet zij wederom tranen vallen, “als mijn broeder Paul bij mij gekomen was en gezegd had: “Louise, naar welke soort van eigenschappen zoudt ge mij raden bij eene vrouw te zien?” zou ik zeker geantwoord hebben: “Paul, gij moet afkomst hebben, gij moet schoonheid hebben, gij moet deftigheid hebben, gij moet connectiën hebben.” Dat zijn de woorden die ik zou gebruikt hebben. Gij hadt mij terstond daarop naar het blok mogen brengen,” zeide mevrouw Chick, alsof dat gevolg hoogst waarschijnlijk was, “maar ik zou ze gebruikt hebben. Ik zou gezegd hebben: “Paul, gij voor de tweede maal zonder afkomst te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder schoonheid te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder deftigheid te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder connectiën te trouwen! Er is niemand in de wereld, of hij moest gek wezen, die er van zou kunnen droomen om zulke ongerijmde denkbeelden te durven koesteren.””Jufvrouw Tox hield op met knippen en bleef, met haar hoofd tusschen de bloemen, aandachtig luisteren. Misschien dacht zij dat deze inleiding en de warmte van mevrouw Chick haar eenige hoop gaven.“Zoo zou ik geredeneerd hebben,” vervolgde die schrandere dame, “omdat ik vertrouw dat ik geene zottin ben. Ik wil niet voor iemand van buitengewoon verstand te boek staan—schoon ik geloof dat sommige menschen zonderling genoeg zijn geweest om mij daarvoor te houden; iemand die zoo weinig ontzien wordt als ik, zou zeer spoedig uit zulk een droom worden geholpen; maar ik vertrouw toch dat ik niet geheel en al eene zottin ben. Enmijdan te zeggen,” zeide mevrouw Chick met onbeschrijfelijke minachting, “dat mijn broeder Paul Dombey ooit aan de mogelijkheid kon denken om zich met iemand te vereenigen—ik vraag met wie—” dit korte gezegde sprak zij met meer scherpheid uit dan eenig ander gedeelte van hare rede—“die deze vereischten niet bezat, zou eene beleediging zijn voor zooveel verstand als ik dan heb, evengoed alsof men mij zeide dat ik een olifant geboren was, dat mij dan ook nog welkangezegd worden,” zeide mevrouw Chick met berusting. “Het zou mij geheel niet verwonderen. Ik verwacht het zelfs wel.”In het oogenblik van stilte, dat hierop volgde, gaf de schaar van jufvrouw Tox een paar flauwe knipjes; maar haar gezicht bleef nog onzichtbaar en hare ochtendjapon was ontroerd. Mevrouw Chick keek eens naar haar, door het groen heen, en vervolgde toen, op een toon van kalme overtuiging, en alsof zij uitweidde over iets dat bijna niet gezegd behoefde te worden:“Dus heeft ook, gelijk van zelf spreekt, mijn broeder Paul gedaan wat van hem te wachten was; en wat iedereen kon voorzien dat hij doen zou, als hij weder in het huwelijk trad. Ik moet bekennen dat het mij eenigszins verrast, hoewel het mij streelt; omdat ik, toen Paul uit de stad ging, geheel geen denkbeeld had dat hij buiten de stad een attachement zou vormen, en zekerlijk had hij bij zijn vertrek nog geen attachement. Evenwel, het schijnt in alle opzichten zeer wenschelijk te zijn. Ik twijfel niet of de moeder is eene zeer fatsoenlijke en elegante dame, en ik heb volstrekt geen recht om te betwijfelen, of het raadzaam is dat zij[206]bij hem komt inwonen; dat is iets dat Paul aangaat, mij niet—; en wat Paul’s keus zelve betreft, ik heb nog maar haar portret gezien, maar dat is waarlijk schoon. Haar naam klinkt ook mooi,” zeide mevrouw Chick, met kracht haar hoofd schuddende en zich op haar stoel te recht zettende; “Edith komt mij voor, is te gelijk ongemeen en gedistingueerd. Bij gevolg, Lucretia, twijfel ik er niet aan of het zal u genoegen doen te hooren dat het huwelijk binnen heel kort zal plaats hebben—natuurlijk moet u dat genoegen doen,” wederom grooten nadruk, “en verheugt gij u over deze verandering in den staat van mijn broeder, die u bij verschillende gelegenheden zooveel oplettendheid heeft bewezen.”Jufvrouw Tox gaf geen antwoord met woorden, maar nam met eene bevende hand het gietertje op en keek wezenloos rond, alsof zij zich bedacht voor welk meubelstuk het goed zou zijn als het met den inhoud werd begoten. Daar bij deze crisis harer aandoening juist de kamerdeur openging, lachte zij schaterend en viel daarop den binnentredende in de armen, gelukkig onbewust van mevrouw Chick’s verontwaardigde blikken en van den majoor aan den overkant, die door zijn dubbelen tooneelkijker stond te turen, en wiens geheele gestalte opzwol van Mephistopheliaansche blijdschap.Niet zoo verheugd was de inboorling, de verbaasde opvanger der bezwijmde jufvrouw Tox, die juist naar boven kwam om, volgens den boosaardigen last des majoors, uit beleefdheid naar de gezondheid van jufvrouw Tox te vernemen, en toevallig het rechte tijdstip trof om de teedere vracht in zijne armen te pakken en den inhoud van het gietertje in zijn eenen schoen te krijgen; welke beide omstandigheden, vereenigd met de bewustheid dat hij onder de oogen van zijn oploopenden meester was, die hem volgens gewoonte met de vernieling van al zijn gebeente had gedreigd als zijne boodschap niet goed afliep, hem tot een aandoenlijk toonbeeld van schrik en angst maakten.Eenige oogenblikken bleef de benauwde vreemdeling jufvrouw Tox aan zijne borst drukken, met een vuur dat in zonderling contrast met zijn onthutst gezicht stond, terwijl die arme jufvrouw de laatste droppels van haar gieter in zijn schoen goot. Eindelijk herkreeg mevrouw Chick tegenwoordigheid van geest genoeg om tusschen beiden te komen, en beval hem om jufvrouw Tox op de sofa te laten zakken en heen te gaan. Hij gehoorzaamde terstond, en daarop begon zij jufvrouw Tox weder bij te helpen.Maar niets van die teedere meewarigheid welke de dochters van Eva kenmerkt als zij elkander in zulke omstandigheden bijstaan, niets van die flauwten-vrijmetselarij waardoor zij gewoonlijk in een geheimzinnig verbond van zusterschap zijn vereenigd, was in de handelwijs van mevrouw Chick zichtbaar. Veeleer gelijk de scherprechter, die zijn slachtoffer weder tot bewustheid brengt eer hij de pijniging voortzet (of dat placht te doen in den goeden ouden tijd, waarover alle brave lieden bestendig in den rouw zijn), wendde mevrouw Chick het reukfleschje, het handenkloppen, het koud water spatten en andere beproefde middelen aan. En toen jufvrouw Tox eindelijk hare oogen opende en langzamerhand hare bewustheid herkreeg, deinsde mevrouw Chick terug als voor eene misdadige, en het voorbeeld van den vermoorden koning van Denemarken omkeerende, zag zij haar meer gramstorig dan droevig aan.“Lucretia,” zeide mevrouw Chick, “ik wil niet pogen te ontveinzen wat ik gevoel. Mijne oogen gaan eensklaps open. Ik zou het niet geloofd hebben, al had een Heilige het mij gezegd.”—“Het is dwaas van mij dat ik zoo flauw val,” stamelde jufvrouw Tox. “Maar ik zal zoo meteen wel beter zijn.”—“Zoo meteen wel beter zijn, Lucretia!” herhaalde mevrouw Chick met diepe verachting. “Denkt gij dat ik blind ben? Verbeeldt gij u dat ik in mijne tweede kindsheid ben gekomen? Neen, Lucretia. Ik ben u wel zeer verplicht.”Jufvrouw Tox wierp hare vriendin een jammerlijk smeekenden blik toe, en hield haar zakdoek voor haar gezicht.“Als iemand mij dit gisteren gezegd had,” zeide mevrouw Chick met majesteit, “of zelfs maar een half uur geleden, zou ik in verzoeking zijn gekomen, geloof ik haast, om hem ter aarde te vellen. Lucretia Tox, mijne oogen zijn op eens voor u opengegaan. De blindheid van mijn vertrouwen is voorbij, Lucretia. Dat vertrouwen is misbruikt, er is mede gespeeld en er baten geene uitvluchten meer, dat kan ik u verzekeren.”—“Waarop doelt gij toch met die wreede woorden, lieve vriendin?” vroeg jufvrouw Tox door hare tranen.—“Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick, “vraag dat uw eigen hart. Ik moet u verzoeken om mij niet meer met zulk eene gemeenzame uitdrukking aan te spreken, als gij daar gebruikt hebt, als het u belieft. Ik heb nog eenig gevoel van eigenwaarde, al moogt gij anders denken.”—“O, Louise!” riep jufvrouw Tox uit. “Hoe kunt ge zoo tegen mij spreken?”—“Hoe ik zóó tegen u spreken kan?” liet mevrouw Chick hierop volgen, die, bij gebrek aan goede redenen om te doen gelden, zich vooral op zulke herhalingen verliet om eenen verpletterenden indruk te maken. “Zóó. Gij moogt waarlijk wel zóó zeggen.”Jufvrouw Tox snikte jammerlijk.“De gedachte,” zeide mevrouw Chick, “dat gij u aan mijns broeders haard hebt gekoesterd, en u door mij bijna in zijn vertrouwen hebt gewrongen, Lucretia, om in het geheim zekere[207]plannen op hem te smeden, en dat gij aan de mogelijkheid hebt durven denken dat hij zich ooit met u zou vereenigen! Wel, het is eene gedachte,” zeide mevrouw Chick met sarcastische deftigheid, “waarvan de ongerijmdheid bijna het verraderlijke wegneemt.”—“Och, Louise,” smeekte jufvrouw Tox. “Zeg toch zulke ijselijke dingen niet.”—“IJselijke dingen!” herhaalde mevrouw Chick. “IJselijke dingen! Is het dan de waarheid niet, Lucretia, dat gij daar zoo even niet in staat zijt geweest om uwe aandoeningen te beheerschen zelfs voor mij, wier oogen gij zoo geheel hadt verblind?”—“Ik heb niet geklaagd,” snikte jufvrouw Tox. “Ik heb niets gezegd. Als uwe tijding mij eenigszins overweldigde, Louise, en ik ooit eenigszins dacht dat mijnheer Dombey wel genegen was om een oog op mij te laten vallen, zult gij mij zeker niet veroordeelen.”—“Zij zal zeggen,” zeide mevrouw Chick, zich met een blik vol berusting op al de meubelen beroepende. “Zij zal nog zeggen—dat weet ik—dat ik haar heb aangemoedigd.”—“Ik wil geene verwijten uitwisselen, lieve Louise,” snikte jufvrouw Tox. “En ik wil ook niet klagen. Maar tot mijne eigene verdediging …”—“Ja, zij zal het zeggen,” zeide mevrouw Chick, met een profetischen blik in de kamer rondziende. “Ik wist het wel. Zeg het mij dan maar liever. Zeg het openlijk. Wees rondborstig, Lucretia Tox, wat gij ook wezen moogt.”—“Tot mijne eigene verdediging, lieve Louise,” stamelde jufvrouw Tox, “en alleen tot mijne eigene verdediging tegen uwe harde woorden, wilde ik u alleen vragen of gij niet dikwijls zulk eene inbeelding hebt begunstigd, en zelfs gezegd dat het wel gebeuren kon, zooveel iemand kon zeggen?”—“Er is een punt,” zeide mevrouw Chick, opstaande, niet alsof zij op den vloer zou blijven staan, maar alsof zij zoo dadelijk zou omhoogrijzen en de lucht inzweven, “waarboven de verdraagzaamheid belachelijk, zoo niet berispelijk wordt. Ik kan veel verdragen, maar niet al te veel. Wat mij scheelde toen ik vandaag hier in huis kwam, of het tooverij was, weet ik niet; maar ik had een voorgevoel—een donker voorgevoel,” zeide mevrouw Chick huiverend, “dat er iets zou gebeuren. Wel mag ik dat voorgevoel gehad hebben, Lucretia, nu mijn vertrouwen van vele jaren in een oogenblik verwoest wordt, nu mijne oogen op eens opengaan, en ik u in uwe ware kleuren voor mij zie. Lucretia, ik heb mij in u bedrogen. Het is beter voor ons beiden dat de zaak hierbij blijft. Ik wensch u het beste, en zal u altijd het beste wenschen. Maar als iemand die zich zelve in hare eigene positie getrouw wil zijn, wat die positie ook mag wezen of niet mag wezen—en als de zuster van mijn broeder—als de schoonzuster van mijn broeders vrouw—en als in aangehuwde connectie met de moeder van mijn broeders vrouw—en misschien mag ik er bijvoegen als eene Dombey—kan ik niets anders doen dan u goedenmorgen wenschen.”Deze woorden, met bijtende zachtheid uitgesproken en door een verheven gevoel van zedelijke eigenwaarde ingegeven, brachten de spreekster tot aan de deur. Daar boog zij op eene spookachtige, standbeeldachtige manier haar hoofd, en toen begaf zij zich naar haar rijtuig, om in de armen van Chick, haar heer, heul en troost te zoeken.Dat is te zeggen, figuurlijk gesproken, want Chick had zijne armen al vol met zijne courant. Ook richtte hij zijne oogen niet naar zijne vrouw dan alleen tersluiks; en hij bood haar ook hoegenaamd geen troost aan. Kortom hij bleef zitten lezen en brokken van wijsjes neuriën, en somtijds zijdelings naar haar kijken, zonder een enkel woord te spreken, goed, kwaad of onverschillig.Intusschen zat mevrouw Chick haar hoofd te draaien en in den nek te zetten en zich op te blazen, alsof zij nog dat plechtig afscheidsformulier aan Lucretia Tox herhaalde. Eindelijk zeide zij overluid: “O, hoe zijn mij vandaag de oogen opengegaan!”“Waarvoor zijn u de oogen opengegaan, vrouwlief?” zeide Chick.—“Och, spreek maar niet tegen mij,” antwoordde zijne echtgenoote. “Als ge mij zóó kunt zien, zonder eens te vragen wat mij scheelt, moest ge liever maar geheel zwijgen.”—“Wat scheelt er dan aan, lieve?” vroeg Chick.—“Te denken,” zeide mevrouw Chick, bij wijze van alleenspraak, “dat zij ooit het lage denkbeeld zou hebben opgevat om zich met onze familie te verbinden door een huwelijk met Paul! Te denken dat toen zij paardje speelde met het lieve kind dat nu in zijn graf ligt—het beviel mij toen ook al nooit—er zulke slinksche oogmerken achter scholen! Het verbaast mij dat zij nooit bang werd dat haar iets overkomen zou. Zij is wel gelukkig als dat niet gebeurt.”—“Ik dacht waarlijk, lieve,” zeide Chick, nadat hij een poosje zijn neus met zijne courant had gewreven, “dat gij aldoor hetzelfde op het oog hadt, tot van morgen toe; en het wel aardig zoudt gevonden hebben, als het er toe had kunnen komen.”Mevrouw Chick barstte dadelijk in tranen uit, en zeide haar echtgenoot, dat hij, als hij met zijne laarzen op haar wilde trappen, het liever maar doen moest.“Maar met Lucretia heb ik afgedaan,” zeide mevrouw Chick, nadat zij zich, tot groote ontsteltenis van mijnheer Chick, eenige minuten lang aan hare aandoeningen had overgegeven. “Ik kan het wel dragen dat ik Paul’s vertrouwen moet afstaan ter gunste van iemand, van wie ik hoop en vertrouw dat zij het verdienen zal, en die hij alle recht heeft om voor de arme Fanny in de plaats te stellen; ik kan het verdragen[208]dat Paul mij op zijne koele manier van zulk eene verandering in zijne plannen onderricht, en dat ik niet geraadpleegd word eer alles besloten en bepaald is; maar bedrog kan ik niet verdragen, en met Lucretia Tox heb ik afgedaan. Het is beter zoo,” zeide zij, met eene vrome berusting, “veel beter. Het zou lang geduurd hebben eer ik na dit alles weder op mijn gemak met haar was geweest, en ik weet waarlijk niet, daar Paul als een groot heer zal gaan leven en zij van afkomst zijn, of zij eigenlijk wel presentabel zou zijn en ik mij zelve niet zou gecompromitteerd hebben. Er is eene voorzienigheid in alle dingen; ik ben vandaag zwaar beproefd, maar over het geheel spijt het mij niet.”In dezen Christelijken geest droogde mevrouw Chick hare oogen af, streek hare japon glad en bleef zitten kijken gelijk iemand past die onder eene zware verongelijking kalm blijft. Haar echtgenoot, zonder twijfel zijne onwaardigheid gevoelende, nam spoedig eene gelegenheid waar om zich aan den hoek eener straat te laten afzetten, en kuierde fluitend heen, met hoog opgetrokken schouders en de handen in de zakken.De arme veroordeelde jufvrouw Tox, die, als zij eene pluimstrijkster en fleemster was, dit ten minste met alle oprechtheid was, die hare aanklaagster altijd eene hartelijke vriendschap had toegedragen, en de grootheid van Dombey met diep gevoelden eerbied had gehuldigd—de arme veroordeelde en verworpene jufvrouw Tox begoot ondertusschen hare bloemen met hare tranen en gevoelde dat het inPrincess’s Placewinter was geworden.
[Inhoud]XXIX.HOE MEVROUW CHICK DE OOGEN OPENGAAN.Jufvrouw Tox, geheel onbewust van zulke vreemde verschijnselen in en om mijnheer Dombey’s huis als steigers en ladders, en mannen met zakdoeken om het hoofd, die als zwevende spoken of vreemde vogels door de vensters binnenkeken—had op een ochtend tegen dezen gewichtigen tijd op hare gewone manier ontbeten, namelijk met een geraspt Fransch broodje, een versch, pas gelegd ei (of daarvoor verkocht) en één kopje thee, en ging toen naar boven om de Vogel-wals op haar klavier te spelen, hare bloemen te begieten en te verzorgen, hare galanterieën af te stoffen en, volgens hare dagelijksche gewoonte, haar salonnetje tot het juweel vanPrincess’s Placete maken.Jufvrouw Tox voorzag zich van een paar oude handschoenen, naar dorre bladeren gelijkende, waarmede zij gewoon was deze bezigheden te verrichten—op alle andere tijden[203]in de la eener tafel voor ieder menschelijk oog verborgen—en ging methodisch aan het werk, beginnende met de Vogel-wals; toen, volgens een natuurlijk verband van denkbeelden, tot haar vogeltje overgaande, een stokoude kanarie, slecht in de veeren, maar een doordringend zinger, gelijk de geheele buurt wel wist, daarna hare ornamenten van porselein, kaartpapier, enz. onder handen nemende, en zoo, na verloop van tijd, aan hare bloemen komende, welke doorgaans hier en daar met eene schaar beknipt moesten worden, om zekere botanische reden waaraan jufvrouw Tox groot gewicht hechtte.Het duurde dien ochtend lang eer jufvrouw Tox aan hare bloemen kwam. Het was warm weder, zuidenwind, en er was inPrincess’s Placeeen zweempje zomer te bespeuren, dat jufvrouw Tox aan het buitenleven deed denken. De bierjongen uit de herberg was met eene kan buitengekomen en had een waterstraaltje met een slingerend patroon over de straatsteenen laten loopen, dat zulk eene frischheid aan de lucht gaf, zeide jufvrouw Tox, alsof men werkelijk buiten was. Men zag een streepje zonneschijn uit de groote straat om den hoek komen, en de rookerige musschen wipten daarover heen en weder, en werden in dien glans zoo verhelderd en verheerlijkt alsof zij nooit iets van schoorsteenen hadden geweten. Spreuken tot lof van het gemberbier, met afbeeldsels van dorstige klanten, onder het bruisende schuim bedolven of door het springen der kurken versuft, blonken voor het venster der herberg. Men was ergens buiten de stad nog laat aan het hooien, en hoewel de geur van verre moest komen en tusschen de woningen der armen met vele andere geuren had te worstelen (God beloone de brave heeren, die de pest voor een deel der wijsheid onzer voorvaderen houden en hun best doen om die woningen zoo ellendig te doen blijven) kwam er toch een flauwe zweem van inPrincess’s Place, en fluisterde van het vrije veld en zijne gezonde lucht.Jufvrouw Tox zette zich in de vensterbank en dacht aan haar goeden papa, sedert lang overleden en in zijn leven beambte bij het vak van in- en uitgaande rechten; en aan hare kindsheid, in eene zeeplaats gesleten, waar zij veel teer, maar toch ook gras en hooi had geroken. Zoo kwam zij tot eene weemoedige herinnering van groene weiden, vol boterbloempjes; en hoe zij kettinkjes van paardenbloemstengels had gemaakt, voor jeugdige zweerders van eeuwige standvastigheid, voornamelijk in het nankin gekleed; en hoe spoedig die kluisters verdroogd en gebroken waren.In die vensterbank gezeten, en naar de menschen en het streepje zonneschijn kijkende, dacht jufvrouw Tox insgelijks aan hare goede overledene mama—zuster van den eigenaar van het gepoederde hoofd en het staartje— aan hare deugden en hare rheumatiek. En toen een man met kromme beenen, eene grove stem, en eene zware mand op zijn hoofd, welke zijn hoed tot een zwarten pannekoek samendrukte, met bloemen doorPrincess’s Placekwam roepen, en zijne kleine vreesachtige plantjes madelieven deed beven door de trilling van elken schreeuw dien hij gaf, alsof hij een menschenvreter was, die met kleine kinderen te koop liep, werden de zomerherinneringen zoo sterk bij jufvrouw Tox, dat zij haar hoofd schudde, en prevelde dat zij oud zou worden eer zij het wist—hetgeen wel denkelijk scheen.In die peinzende stemming zochten hare gedachten het spoor van Dombey, misschien omdat de majoor weder zijne kamers aan den overkant had betrokken en juist aan zijn venster voor haar gebogen had. Welke andere reden kon jufvrouw Tox hebben om Dombey met hare zomerdagen en kluisters van paardenbloemen in verband brengen? Was hij nu vroolijker? dacht jufvrouw Tox. Was hij nu met de besluiten des noodlots verzoend? Zou hij nooit weer trouwen, en zoo ja, met wie? Welke soort van vrouw zou het wel zijn!Een gloed overspreidde haar gelaat—het was warm weder—toen zij onder deze bespiegelingen haar hoofd omkeerde en door de weerkaatsing van haar peinzend beeld in den spiegel werd verrast. Een tweede gloed volgde daarop toen zij een rijtuigje zag aankomen en vlak voor hare deur stilhouden. Zij stond op, nam haastig hare schaar, en zoo eindelijk tot hare bloemen komende, was zij druk daarmede bezig, toen mevrouw Chick de kamer binnentrad.“Hoe vaart mijne liefste vriendin?” riep jufvrouw Tox, met open armen, uit.Deze liefste vriendin van jufvrouw Tox had thans zekere statigheid in hare houding, maar zij gaf haar toch een kus en zeide: “Wel bedankt, Lucretia. Ik ben tamelijk wel. Gij ook, hoop ik. Hm!”Mevrouw Chick had een eigenaardig kort kuchje, als het ware een begin om de kunst van hoesten te leeren.“Gij komt al heel vroeg; dat is vriendelijk van u, lieve,” hervatte jufvrouw Tox. “Hebt gij al ontbeten?”—“Bedankt Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick. “Ik heb vroeg ontbeten,”—mevrouw Chick scheen zeer nieuwsgierig naarPrincess’s Placete zijn en keek onder het spreken gedurig naar buiten, “bij mijn broeder, die thuis gekomen is.”—“Hij is beter, durf ik hopen,” stamelde jufvrouw Tox.—“Veel beter, wel bedankt. Hm!”—“Mijne lieve Louise moet op die kuch passen,” merkte jufvrouw Tox aan.—“Het is niets,” antwoordde mevrouw Chick. “Het is maar de verandering van het weer. Men moet[204]zich aan veranderingen gewennen.”—“Van weer?” vroeg jufvrouw Tox in hare eenvoudigheid.—“Van alles,” antwoordde mevrouw Chick. “Het is eene wereld vol verandering. De menschen die mij iets wilden tegenspreken dat zoo duidelijk is, Lucretia, zouden mij zeer verwonderen en mij veel geringer gedachten van hun verstand doen opvatten. Verandering!” riep mevrouw Chick met strenge wijsheid uit. “Wel mijn tijd, wat is er datnietverandert? Zelfs de zijworm, die men zeker niet denken zou dat zich met zoo iets bemoeide, verandert gedurig in allerlei onverwachte dingen.”—“Mijne Louise,” zeide de zachtzinnigejufvrouwTox, “is altijd gelukkig in hare voorbeelden.”—“Ge zijt wel vriendelijk, Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick, eenigszins verzacht, “dat ge zoo zegt, en ook zoo denkt, geloof ik. Ik hoop dat wij geen van beiden ooit reden zullen hebben om geringer gedachten van de andere te krijgen. Lucretia.”—“O, daar ben ik wel zeker van,” antwoordde jufvrouw Tox.Mevrouw Chick kuchte weder, en trok strepen op het tapijt met het ivoren puntje van hare parasol. Jufvrouw Tox, die ondervinding van hare vriendin had, en wist dat zij, als zij eenigszins vermoeid was of haar iets had gehinderd, wel wat wrevelig en lichtgeraakt kon zijn, nam de stilte waar om van onderwerp te veranderen.“Neem mij niet kwalijk, Louise,” zeide zij, “maar heb ik niet de manhaftige gedaante van mijnheer Chick in de koets zien zitten?”—“Hij is daar,” antwoordde mevrouw Chick, “maar ik verzoek u, laat hem daar maar. Hij heeft zijne courant en zou zich daarmee in geen twee uren vervelen. Ga voort met uwe bloemen, Lucretia, en laat mij hier maar wat zitten rusten.”—“Mijne Louise weet wel,” merkte jufvrouw Tox aan, “dat tusschen vriendinnen gelijk wij geene complimenten te pas komen. Daarom—” Daarom eindigde jufvrouw Tox den volzin niet met woorden maar met daden, en de handschoenen, die zij uitgedaan had, weder aantrekkende, wapende zij zich nogmaals met hare schaar, en begon zij met microscopische vlijt tusschen de bladeren te knippen.—“Florence is ook thuis gekomen,” zeide mevrouw Chick nadat zij eene poos met haar hoofd op zijde had gezeten, en met hare parasol teekeningen op den grond getrokken; “en waarlijk, Florence is nu veel te oud geworden, om dat eenzame leven te blijven leiden, waaraan zij gewend is. Dat spreekt van zelf. Daar kan geen twijfel aan zijn. Ik zou heel weinig achting voor iemand hebben, die daarover anders kon denken. Al mocht ik ook anders wenschen, ik zou zoo iemand nietkunnenachten. Zoover kan men zijn gevoel niet beheerschen.”Jufvrouw Tox stemde dit toe, zonder juist te zeggen of zij de stelling begrijpelijk vond.“Als zij een vreemd meisje is,” zeide mevrouw Chick, “en mijn broeder Paul zich in haar gezelschap niet op zijn gemak gevoelt, na al de droevige omstandigheden, die er hebben plaats gehad, en al de schrikkelijke teleurstellingen die hij ondergaan heeft, wat is dan het antwoord? Dat hij zich eene inspanning moet vergen. Dat hij verplicht is zich eene inspanning te vergen. Wij zijn eene familie die altijd door inspanningen heeft uitgemunt. Paul staat aan het hoofd van de familie—hij is bijna de eenig overgeblevene vertegenwoordiger daarvan. Want wat ben ik?Ikben van geen beduiden.”—“Maar liefste vriendin!” bracht jufvrouw Tox er tegen in.Mevrouw Chick droogde hare oogen af, die juist overliepen, en vervolgde:“En bijgevolg is hij meer dan ooit verplicht om zich eene inspanning te vergen. En hoewel het mij eenigszins een schok geeft, dat hij dat werkelijk heeft gedaan—want ik heb een heel zwak en aandoenlijk gestel, dat waarlijk alles behalve een geluk is; ik wenschte dikwijls dat ik maar eene marmeren zerk of een keisteen was …”—“Maar lieve Louise!” riep jufvrouw Tox uit.—“Evenwel is het een triomf voor mij, te weten dat hij zich zelven en zijn naam van Dombey zoo getrouw blijft, schoon ik natuurlijk altijd wel wist dat hij dat doen zou. Ik hoop maar,” zeide mevrouw Chick, na eene korte poos van stilte, “dat zij ook dien naam waardig zal wezen.”Jufvrouw Tox was juist bezig met haar groen gietertje uit eene kan te vullen, maar, toen zij dit gedaan had, toevallig opkijkende, was zij zoo verwonderd over de uitdrukking waarmede mevrouw Chick haar aanzag, dat zij het gietertje vooreerst maar op de tafel zette en er zelve bij ging zitten.“Mijne lieve Louise,” zeide jufvrouw Tox, “zal het u misschien genoegen doen, als ik, wat dat gezegde van u betreft, de aanmerking waag, dat ik, als een nederig onbeduidend persoon, denk dat uw nichtje in alle opzichten veel belooft?”—“Wat meent gij toch, Lucretia?” hervatte mevrouw Chick met toenemende deftigheid. “Op welk gezegde van mij doelt gij toch, lieve?”—“Dat zij haar naam waardig zal zijn, lieve vriendin,” antwoordde jufvrouw Tox.—“Als ik mij misschien niet duidelijk genoeg heb uitgedrukt, Lucretia,” zeide mevrouw Chick met zeker plechtig geduld, “ligt de schuld natuurlijk aan mij. Er is misschien geene reden waarom ik er van zou spreken, behalve de vertrouwelijkheid die zoolang tusschen ons bestaan heeft, en die ik hoop, Lucretia, hartelijk hoop, dat door niets gestoord zal worden. Want waarom zou ik dat niet hopen? Er is volstrekt geene reden van neen—het zou ongerijmd wezen. Maar ik wensch toch duidelijk te zijn, Lucretia; en daarom neem ik dat gezegde nog eens op[205]en verzoek u te mogen onder het oog brengen, dat het volstrekt niet op Florence doelde.”—“Niet?” zeide jufvrouw Tox.—“Neen,” antwoordde mevrouw Chick, kort en beslissend.—“Neem mij niet kwalijk, lieve,” zeide hare zachtmoedige vriendin; “maar dan zal ik het niet recht verstaan hebben. Ik vrees dat ik wat onbegrijpelijk ben.”Mevrouw Chick keek in de kamer rond en naar den overkant, en naar de bloemen, het vogeltje en het gietertje, naar bijna alles in haar gezichtskring, behalve naar jufvrouw Tox; eindelijk liet zij haar blik, terwijl hij den grond zocht, even over jufvrouw Tox heenglijden, en zeide, ondertusschen met opgetrokken wenkbrauwen naar het karpet kijkende:“Als ik hoop, Lucretia, dat zij den naam waardig zal zijn, dan bedoel ik de tweede vrouw van mijn broeder Paul. Ik meen reeds duidelijk genoeg gezegd te hebben, al is het niet met de woorden die ik nu gebruik, dat hij voornemens is eene tweede vrouw te nemen.”Jufvrouw Tox stond haastig op, ging weder naar hare bloemen, en knipte tusschen de takjes en bladeren met zoo weinig omzichtigheid als een kapper, die eenige armjongens het haar snijdt.“Of zij ten volle bewust zal zijn van de onderscheiding, die haar bewezen wordt,” hervatte mevrouw Chick op een hoogdravenden toon, “is eene geheel andere vraag. Ik hoop van ja. Men is in deze wereld verplicht het beste van elkander te denken, en ik hoop dus van ja. Met mij is geen raad genomen. En als er met mij raad genomen was, twijfel ik niet of mijn raad zou weinig geteld zijn, en dus is het oneindig beter zóó. Ik heb het veel liever zóó.”Jufvrouw Tox knipte nog met gebogen hoofd tusschen hare bloemen. Mevrouw Chick, die haar hoofd nu en dan krachtig schudde, vervolgde op een toon alsof zij iemand uitdaagde:“Als mijn broeder Paul mij geraadpleegd had, gelijk hij somtijds doet—of liever, somtijds placht te doen; want natuurlijk zal hij dat nu niet meer doen, en dit is eene omstandigheid die ik als eene ontheffing van eene verantwoordelijkheid aanmerk,” zeide mevrouw Chick, op eene manier alsof zij zenuwachtig werd, “want ik ben Goddank niet jaloersch,” hier liet zij wederom tranen vallen, “als mijn broeder Paul bij mij gekomen was en gezegd had: “Louise, naar welke soort van eigenschappen zoudt ge mij raden bij eene vrouw te zien?” zou ik zeker geantwoord hebben: “Paul, gij moet afkomst hebben, gij moet schoonheid hebben, gij moet deftigheid hebben, gij moet connectiën hebben.” Dat zijn de woorden die ik zou gebruikt hebben. Gij hadt mij terstond daarop naar het blok mogen brengen,” zeide mevrouw Chick, alsof dat gevolg hoogst waarschijnlijk was, “maar ik zou ze gebruikt hebben. Ik zou gezegd hebben: “Paul, gij voor de tweede maal zonder afkomst te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder schoonheid te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder deftigheid te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder connectiën te trouwen! Er is niemand in de wereld, of hij moest gek wezen, die er van zou kunnen droomen om zulke ongerijmde denkbeelden te durven koesteren.””Jufvrouw Tox hield op met knippen en bleef, met haar hoofd tusschen de bloemen, aandachtig luisteren. Misschien dacht zij dat deze inleiding en de warmte van mevrouw Chick haar eenige hoop gaven.“Zoo zou ik geredeneerd hebben,” vervolgde die schrandere dame, “omdat ik vertrouw dat ik geene zottin ben. Ik wil niet voor iemand van buitengewoon verstand te boek staan—schoon ik geloof dat sommige menschen zonderling genoeg zijn geweest om mij daarvoor te houden; iemand die zoo weinig ontzien wordt als ik, zou zeer spoedig uit zulk een droom worden geholpen; maar ik vertrouw toch dat ik niet geheel en al eene zottin ben. Enmijdan te zeggen,” zeide mevrouw Chick met onbeschrijfelijke minachting, “dat mijn broeder Paul Dombey ooit aan de mogelijkheid kon denken om zich met iemand te vereenigen—ik vraag met wie—” dit korte gezegde sprak zij met meer scherpheid uit dan eenig ander gedeelte van hare rede—“die deze vereischten niet bezat, zou eene beleediging zijn voor zooveel verstand als ik dan heb, evengoed alsof men mij zeide dat ik een olifant geboren was, dat mij dan ook nog welkangezegd worden,” zeide mevrouw Chick met berusting. “Het zou mij geheel niet verwonderen. Ik verwacht het zelfs wel.”In het oogenblik van stilte, dat hierop volgde, gaf de schaar van jufvrouw Tox een paar flauwe knipjes; maar haar gezicht bleef nog onzichtbaar en hare ochtendjapon was ontroerd. Mevrouw Chick keek eens naar haar, door het groen heen, en vervolgde toen, op een toon van kalme overtuiging, en alsof zij uitweidde over iets dat bijna niet gezegd behoefde te worden:“Dus heeft ook, gelijk van zelf spreekt, mijn broeder Paul gedaan wat van hem te wachten was; en wat iedereen kon voorzien dat hij doen zou, als hij weder in het huwelijk trad. Ik moet bekennen dat het mij eenigszins verrast, hoewel het mij streelt; omdat ik, toen Paul uit de stad ging, geheel geen denkbeeld had dat hij buiten de stad een attachement zou vormen, en zekerlijk had hij bij zijn vertrek nog geen attachement. Evenwel, het schijnt in alle opzichten zeer wenschelijk te zijn. Ik twijfel niet of de moeder is eene zeer fatsoenlijke en elegante dame, en ik heb volstrekt geen recht om te betwijfelen, of het raadzaam is dat zij[206]bij hem komt inwonen; dat is iets dat Paul aangaat, mij niet—; en wat Paul’s keus zelve betreft, ik heb nog maar haar portret gezien, maar dat is waarlijk schoon. Haar naam klinkt ook mooi,” zeide mevrouw Chick, met kracht haar hoofd schuddende en zich op haar stoel te recht zettende; “Edith komt mij voor, is te gelijk ongemeen en gedistingueerd. Bij gevolg, Lucretia, twijfel ik er niet aan of het zal u genoegen doen te hooren dat het huwelijk binnen heel kort zal plaats hebben—natuurlijk moet u dat genoegen doen,” wederom grooten nadruk, “en verheugt gij u over deze verandering in den staat van mijn broeder, die u bij verschillende gelegenheden zooveel oplettendheid heeft bewezen.”Jufvrouw Tox gaf geen antwoord met woorden, maar nam met eene bevende hand het gietertje op en keek wezenloos rond, alsof zij zich bedacht voor welk meubelstuk het goed zou zijn als het met den inhoud werd begoten. Daar bij deze crisis harer aandoening juist de kamerdeur openging, lachte zij schaterend en viel daarop den binnentredende in de armen, gelukkig onbewust van mevrouw Chick’s verontwaardigde blikken en van den majoor aan den overkant, die door zijn dubbelen tooneelkijker stond te turen, en wiens geheele gestalte opzwol van Mephistopheliaansche blijdschap.Niet zoo verheugd was de inboorling, de verbaasde opvanger der bezwijmde jufvrouw Tox, die juist naar boven kwam om, volgens den boosaardigen last des majoors, uit beleefdheid naar de gezondheid van jufvrouw Tox te vernemen, en toevallig het rechte tijdstip trof om de teedere vracht in zijne armen te pakken en den inhoud van het gietertje in zijn eenen schoen te krijgen; welke beide omstandigheden, vereenigd met de bewustheid dat hij onder de oogen van zijn oploopenden meester was, die hem volgens gewoonte met de vernieling van al zijn gebeente had gedreigd als zijne boodschap niet goed afliep, hem tot een aandoenlijk toonbeeld van schrik en angst maakten.Eenige oogenblikken bleef de benauwde vreemdeling jufvrouw Tox aan zijne borst drukken, met een vuur dat in zonderling contrast met zijn onthutst gezicht stond, terwijl die arme jufvrouw de laatste droppels van haar gieter in zijn schoen goot. Eindelijk herkreeg mevrouw Chick tegenwoordigheid van geest genoeg om tusschen beiden te komen, en beval hem om jufvrouw Tox op de sofa te laten zakken en heen te gaan. Hij gehoorzaamde terstond, en daarop begon zij jufvrouw Tox weder bij te helpen.Maar niets van die teedere meewarigheid welke de dochters van Eva kenmerkt als zij elkander in zulke omstandigheden bijstaan, niets van die flauwten-vrijmetselarij waardoor zij gewoonlijk in een geheimzinnig verbond van zusterschap zijn vereenigd, was in de handelwijs van mevrouw Chick zichtbaar. Veeleer gelijk de scherprechter, die zijn slachtoffer weder tot bewustheid brengt eer hij de pijniging voortzet (of dat placht te doen in den goeden ouden tijd, waarover alle brave lieden bestendig in den rouw zijn), wendde mevrouw Chick het reukfleschje, het handenkloppen, het koud water spatten en andere beproefde middelen aan. En toen jufvrouw Tox eindelijk hare oogen opende en langzamerhand hare bewustheid herkreeg, deinsde mevrouw Chick terug als voor eene misdadige, en het voorbeeld van den vermoorden koning van Denemarken omkeerende, zag zij haar meer gramstorig dan droevig aan.“Lucretia,” zeide mevrouw Chick, “ik wil niet pogen te ontveinzen wat ik gevoel. Mijne oogen gaan eensklaps open. Ik zou het niet geloofd hebben, al had een Heilige het mij gezegd.”—“Het is dwaas van mij dat ik zoo flauw val,” stamelde jufvrouw Tox. “Maar ik zal zoo meteen wel beter zijn.”—“Zoo meteen wel beter zijn, Lucretia!” herhaalde mevrouw Chick met diepe verachting. “Denkt gij dat ik blind ben? Verbeeldt gij u dat ik in mijne tweede kindsheid ben gekomen? Neen, Lucretia. Ik ben u wel zeer verplicht.”Jufvrouw Tox wierp hare vriendin een jammerlijk smeekenden blik toe, en hield haar zakdoek voor haar gezicht.“Als iemand mij dit gisteren gezegd had,” zeide mevrouw Chick met majesteit, “of zelfs maar een half uur geleden, zou ik in verzoeking zijn gekomen, geloof ik haast, om hem ter aarde te vellen. Lucretia Tox, mijne oogen zijn op eens voor u opengegaan. De blindheid van mijn vertrouwen is voorbij, Lucretia. Dat vertrouwen is misbruikt, er is mede gespeeld en er baten geene uitvluchten meer, dat kan ik u verzekeren.”—“Waarop doelt gij toch met die wreede woorden, lieve vriendin?” vroeg jufvrouw Tox door hare tranen.—“Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick, “vraag dat uw eigen hart. Ik moet u verzoeken om mij niet meer met zulk eene gemeenzame uitdrukking aan te spreken, als gij daar gebruikt hebt, als het u belieft. Ik heb nog eenig gevoel van eigenwaarde, al moogt gij anders denken.”—“O, Louise!” riep jufvrouw Tox uit. “Hoe kunt ge zoo tegen mij spreken?”—“Hoe ik zóó tegen u spreken kan?” liet mevrouw Chick hierop volgen, die, bij gebrek aan goede redenen om te doen gelden, zich vooral op zulke herhalingen verliet om eenen verpletterenden indruk te maken. “Zóó. Gij moogt waarlijk wel zóó zeggen.”Jufvrouw Tox snikte jammerlijk.“De gedachte,” zeide mevrouw Chick, “dat gij u aan mijns broeders haard hebt gekoesterd, en u door mij bijna in zijn vertrouwen hebt gewrongen, Lucretia, om in het geheim zekere[207]plannen op hem te smeden, en dat gij aan de mogelijkheid hebt durven denken dat hij zich ooit met u zou vereenigen! Wel, het is eene gedachte,” zeide mevrouw Chick met sarcastische deftigheid, “waarvan de ongerijmdheid bijna het verraderlijke wegneemt.”—“Och, Louise,” smeekte jufvrouw Tox. “Zeg toch zulke ijselijke dingen niet.”—“IJselijke dingen!” herhaalde mevrouw Chick. “IJselijke dingen! Is het dan de waarheid niet, Lucretia, dat gij daar zoo even niet in staat zijt geweest om uwe aandoeningen te beheerschen zelfs voor mij, wier oogen gij zoo geheel hadt verblind?”—“Ik heb niet geklaagd,” snikte jufvrouw Tox. “Ik heb niets gezegd. Als uwe tijding mij eenigszins overweldigde, Louise, en ik ooit eenigszins dacht dat mijnheer Dombey wel genegen was om een oog op mij te laten vallen, zult gij mij zeker niet veroordeelen.”—“Zij zal zeggen,” zeide mevrouw Chick, zich met een blik vol berusting op al de meubelen beroepende. “Zij zal nog zeggen—dat weet ik—dat ik haar heb aangemoedigd.”—“Ik wil geene verwijten uitwisselen, lieve Louise,” snikte jufvrouw Tox. “En ik wil ook niet klagen. Maar tot mijne eigene verdediging …”—“Ja, zij zal het zeggen,” zeide mevrouw Chick, met een profetischen blik in de kamer rondziende. “Ik wist het wel. Zeg het mij dan maar liever. Zeg het openlijk. Wees rondborstig, Lucretia Tox, wat gij ook wezen moogt.”—“Tot mijne eigene verdediging, lieve Louise,” stamelde jufvrouw Tox, “en alleen tot mijne eigene verdediging tegen uwe harde woorden, wilde ik u alleen vragen of gij niet dikwijls zulk eene inbeelding hebt begunstigd, en zelfs gezegd dat het wel gebeuren kon, zooveel iemand kon zeggen?”—“Er is een punt,” zeide mevrouw Chick, opstaande, niet alsof zij op den vloer zou blijven staan, maar alsof zij zoo dadelijk zou omhoogrijzen en de lucht inzweven, “waarboven de verdraagzaamheid belachelijk, zoo niet berispelijk wordt. Ik kan veel verdragen, maar niet al te veel. Wat mij scheelde toen ik vandaag hier in huis kwam, of het tooverij was, weet ik niet; maar ik had een voorgevoel—een donker voorgevoel,” zeide mevrouw Chick huiverend, “dat er iets zou gebeuren. Wel mag ik dat voorgevoel gehad hebben, Lucretia, nu mijn vertrouwen van vele jaren in een oogenblik verwoest wordt, nu mijne oogen op eens opengaan, en ik u in uwe ware kleuren voor mij zie. Lucretia, ik heb mij in u bedrogen. Het is beter voor ons beiden dat de zaak hierbij blijft. Ik wensch u het beste, en zal u altijd het beste wenschen. Maar als iemand die zich zelve in hare eigene positie getrouw wil zijn, wat die positie ook mag wezen of niet mag wezen—en als de zuster van mijn broeder—als de schoonzuster van mijn broeders vrouw—en als in aangehuwde connectie met de moeder van mijn broeders vrouw—en misschien mag ik er bijvoegen als eene Dombey—kan ik niets anders doen dan u goedenmorgen wenschen.”Deze woorden, met bijtende zachtheid uitgesproken en door een verheven gevoel van zedelijke eigenwaarde ingegeven, brachten de spreekster tot aan de deur. Daar boog zij op eene spookachtige, standbeeldachtige manier haar hoofd, en toen begaf zij zich naar haar rijtuig, om in de armen van Chick, haar heer, heul en troost te zoeken.Dat is te zeggen, figuurlijk gesproken, want Chick had zijne armen al vol met zijne courant. Ook richtte hij zijne oogen niet naar zijne vrouw dan alleen tersluiks; en hij bood haar ook hoegenaamd geen troost aan. Kortom hij bleef zitten lezen en brokken van wijsjes neuriën, en somtijds zijdelings naar haar kijken, zonder een enkel woord te spreken, goed, kwaad of onverschillig.Intusschen zat mevrouw Chick haar hoofd te draaien en in den nek te zetten en zich op te blazen, alsof zij nog dat plechtig afscheidsformulier aan Lucretia Tox herhaalde. Eindelijk zeide zij overluid: “O, hoe zijn mij vandaag de oogen opengegaan!”“Waarvoor zijn u de oogen opengegaan, vrouwlief?” zeide Chick.—“Och, spreek maar niet tegen mij,” antwoordde zijne echtgenoote. “Als ge mij zóó kunt zien, zonder eens te vragen wat mij scheelt, moest ge liever maar geheel zwijgen.”—“Wat scheelt er dan aan, lieve?” vroeg Chick.—“Te denken,” zeide mevrouw Chick, bij wijze van alleenspraak, “dat zij ooit het lage denkbeeld zou hebben opgevat om zich met onze familie te verbinden door een huwelijk met Paul! Te denken dat toen zij paardje speelde met het lieve kind dat nu in zijn graf ligt—het beviel mij toen ook al nooit—er zulke slinksche oogmerken achter scholen! Het verbaast mij dat zij nooit bang werd dat haar iets overkomen zou. Zij is wel gelukkig als dat niet gebeurt.”—“Ik dacht waarlijk, lieve,” zeide Chick, nadat hij een poosje zijn neus met zijne courant had gewreven, “dat gij aldoor hetzelfde op het oog hadt, tot van morgen toe; en het wel aardig zoudt gevonden hebben, als het er toe had kunnen komen.”Mevrouw Chick barstte dadelijk in tranen uit, en zeide haar echtgenoot, dat hij, als hij met zijne laarzen op haar wilde trappen, het liever maar doen moest.“Maar met Lucretia heb ik afgedaan,” zeide mevrouw Chick, nadat zij zich, tot groote ontsteltenis van mijnheer Chick, eenige minuten lang aan hare aandoeningen had overgegeven. “Ik kan het wel dragen dat ik Paul’s vertrouwen moet afstaan ter gunste van iemand, van wie ik hoop en vertrouw dat zij het verdienen zal, en die hij alle recht heeft om voor de arme Fanny in de plaats te stellen; ik kan het verdragen[208]dat Paul mij op zijne koele manier van zulk eene verandering in zijne plannen onderricht, en dat ik niet geraadpleegd word eer alles besloten en bepaald is; maar bedrog kan ik niet verdragen, en met Lucretia Tox heb ik afgedaan. Het is beter zoo,” zeide zij, met eene vrome berusting, “veel beter. Het zou lang geduurd hebben eer ik na dit alles weder op mijn gemak met haar was geweest, en ik weet waarlijk niet, daar Paul als een groot heer zal gaan leven en zij van afkomst zijn, of zij eigenlijk wel presentabel zou zijn en ik mij zelve niet zou gecompromitteerd hebben. Er is eene voorzienigheid in alle dingen; ik ben vandaag zwaar beproefd, maar over het geheel spijt het mij niet.”In dezen Christelijken geest droogde mevrouw Chick hare oogen af, streek hare japon glad en bleef zitten kijken gelijk iemand past die onder eene zware verongelijking kalm blijft. Haar echtgenoot, zonder twijfel zijne onwaardigheid gevoelende, nam spoedig eene gelegenheid waar om zich aan den hoek eener straat te laten afzetten, en kuierde fluitend heen, met hoog opgetrokken schouders en de handen in de zakken.De arme veroordeelde jufvrouw Tox, die, als zij eene pluimstrijkster en fleemster was, dit ten minste met alle oprechtheid was, die hare aanklaagster altijd eene hartelijke vriendschap had toegedragen, en de grootheid van Dombey met diep gevoelden eerbied had gehuldigd—de arme veroordeelde en verworpene jufvrouw Tox begoot ondertusschen hare bloemen met hare tranen en gevoelde dat het inPrincess’s Placewinter was geworden.
XXIX.HOE MEVROUW CHICK DE OOGEN OPENGAAN.
Jufvrouw Tox, geheel onbewust van zulke vreemde verschijnselen in en om mijnheer Dombey’s huis als steigers en ladders, en mannen met zakdoeken om het hoofd, die als zwevende spoken of vreemde vogels door de vensters binnenkeken—had op een ochtend tegen dezen gewichtigen tijd op hare gewone manier ontbeten, namelijk met een geraspt Fransch broodje, een versch, pas gelegd ei (of daarvoor verkocht) en één kopje thee, en ging toen naar boven om de Vogel-wals op haar klavier te spelen, hare bloemen te begieten en te verzorgen, hare galanterieën af te stoffen en, volgens hare dagelijksche gewoonte, haar salonnetje tot het juweel vanPrincess’s Placete maken.Jufvrouw Tox voorzag zich van een paar oude handschoenen, naar dorre bladeren gelijkende, waarmede zij gewoon was deze bezigheden te verrichten—op alle andere tijden[203]in de la eener tafel voor ieder menschelijk oog verborgen—en ging methodisch aan het werk, beginnende met de Vogel-wals; toen, volgens een natuurlijk verband van denkbeelden, tot haar vogeltje overgaande, een stokoude kanarie, slecht in de veeren, maar een doordringend zinger, gelijk de geheele buurt wel wist, daarna hare ornamenten van porselein, kaartpapier, enz. onder handen nemende, en zoo, na verloop van tijd, aan hare bloemen komende, welke doorgaans hier en daar met eene schaar beknipt moesten worden, om zekere botanische reden waaraan jufvrouw Tox groot gewicht hechtte.Het duurde dien ochtend lang eer jufvrouw Tox aan hare bloemen kwam. Het was warm weder, zuidenwind, en er was inPrincess’s Placeeen zweempje zomer te bespeuren, dat jufvrouw Tox aan het buitenleven deed denken. De bierjongen uit de herberg was met eene kan buitengekomen en had een waterstraaltje met een slingerend patroon over de straatsteenen laten loopen, dat zulk eene frischheid aan de lucht gaf, zeide jufvrouw Tox, alsof men werkelijk buiten was. Men zag een streepje zonneschijn uit de groote straat om den hoek komen, en de rookerige musschen wipten daarover heen en weder, en werden in dien glans zoo verhelderd en verheerlijkt alsof zij nooit iets van schoorsteenen hadden geweten. Spreuken tot lof van het gemberbier, met afbeeldsels van dorstige klanten, onder het bruisende schuim bedolven of door het springen der kurken versuft, blonken voor het venster der herberg. Men was ergens buiten de stad nog laat aan het hooien, en hoewel de geur van verre moest komen en tusschen de woningen der armen met vele andere geuren had te worstelen (God beloone de brave heeren, die de pest voor een deel der wijsheid onzer voorvaderen houden en hun best doen om die woningen zoo ellendig te doen blijven) kwam er toch een flauwe zweem van inPrincess’s Place, en fluisterde van het vrije veld en zijne gezonde lucht.Jufvrouw Tox zette zich in de vensterbank en dacht aan haar goeden papa, sedert lang overleden en in zijn leven beambte bij het vak van in- en uitgaande rechten; en aan hare kindsheid, in eene zeeplaats gesleten, waar zij veel teer, maar toch ook gras en hooi had geroken. Zoo kwam zij tot eene weemoedige herinnering van groene weiden, vol boterbloempjes; en hoe zij kettinkjes van paardenbloemstengels had gemaakt, voor jeugdige zweerders van eeuwige standvastigheid, voornamelijk in het nankin gekleed; en hoe spoedig die kluisters verdroogd en gebroken waren.In die vensterbank gezeten, en naar de menschen en het streepje zonneschijn kijkende, dacht jufvrouw Tox insgelijks aan hare goede overledene mama—zuster van den eigenaar van het gepoederde hoofd en het staartje— aan hare deugden en hare rheumatiek. En toen een man met kromme beenen, eene grove stem, en eene zware mand op zijn hoofd, welke zijn hoed tot een zwarten pannekoek samendrukte, met bloemen doorPrincess’s Placekwam roepen, en zijne kleine vreesachtige plantjes madelieven deed beven door de trilling van elken schreeuw dien hij gaf, alsof hij een menschenvreter was, die met kleine kinderen te koop liep, werden de zomerherinneringen zoo sterk bij jufvrouw Tox, dat zij haar hoofd schudde, en prevelde dat zij oud zou worden eer zij het wist—hetgeen wel denkelijk scheen.In die peinzende stemming zochten hare gedachten het spoor van Dombey, misschien omdat de majoor weder zijne kamers aan den overkant had betrokken en juist aan zijn venster voor haar gebogen had. Welke andere reden kon jufvrouw Tox hebben om Dombey met hare zomerdagen en kluisters van paardenbloemen in verband brengen? Was hij nu vroolijker? dacht jufvrouw Tox. Was hij nu met de besluiten des noodlots verzoend? Zou hij nooit weer trouwen, en zoo ja, met wie? Welke soort van vrouw zou het wel zijn!Een gloed overspreidde haar gelaat—het was warm weder—toen zij onder deze bespiegelingen haar hoofd omkeerde en door de weerkaatsing van haar peinzend beeld in den spiegel werd verrast. Een tweede gloed volgde daarop toen zij een rijtuigje zag aankomen en vlak voor hare deur stilhouden. Zij stond op, nam haastig hare schaar, en zoo eindelijk tot hare bloemen komende, was zij druk daarmede bezig, toen mevrouw Chick de kamer binnentrad.“Hoe vaart mijne liefste vriendin?” riep jufvrouw Tox, met open armen, uit.Deze liefste vriendin van jufvrouw Tox had thans zekere statigheid in hare houding, maar zij gaf haar toch een kus en zeide: “Wel bedankt, Lucretia. Ik ben tamelijk wel. Gij ook, hoop ik. Hm!”Mevrouw Chick had een eigenaardig kort kuchje, als het ware een begin om de kunst van hoesten te leeren.“Gij komt al heel vroeg; dat is vriendelijk van u, lieve,” hervatte jufvrouw Tox. “Hebt gij al ontbeten?”—“Bedankt Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick. “Ik heb vroeg ontbeten,”—mevrouw Chick scheen zeer nieuwsgierig naarPrincess’s Placete zijn en keek onder het spreken gedurig naar buiten, “bij mijn broeder, die thuis gekomen is.”—“Hij is beter, durf ik hopen,” stamelde jufvrouw Tox.—“Veel beter, wel bedankt. Hm!”—“Mijne lieve Louise moet op die kuch passen,” merkte jufvrouw Tox aan.—“Het is niets,” antwoordde mevrouw Chick. “Het is maar de verandering van het weer. Men moet[204]zich aan veranderingen gewennen.”—“Van weer?” vroeg jufvrouw Tox in hare eenvoudigheid.—“Van alles,” antwoordde mevrouw Chick. “Het is eene wereld vol verandering. De menschen die mij iets wilden tegenspreken dat zoo duidelijk is, Lucretia, zouden mij zeer verwonderen en mij veel geringer gedachten van hun verstand doen opvatten. Verandering!” riep mevrouw Chick met strenge wijsheid uit. “Wel mijn tijd, wat is er datnietverandert? Zelfs de zijworm, die men zeker niet denken zou dat zich met zoo iets bemoeide, verandert gedurig in allerlei onverwachte dingen.”—“Mijne Louise,” zeide de zachtzinnigejufvrouwTox, “is altijd gelukkig in hare voorbeelden.”—“Ge zijt wel vriendelijk, Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick, eenigszins verzacht, “dat ge zoo zegt, en ook zoo denkt, geloof ik. Ik hoop dat wij geen van beiden ooit reden zullen hebben om geringer gedachten van de andere te krijgen. Lucretia.”—“O, daar ben ik wel zeker van,” antwoordde jufvrouw Tox.Mevrouw Chick kuchte weder, en trok strepen op het tapijt met het ivoren puntje van hare parasol. Jufvrouw Tox, die ondervinding van hare vriendin had, en wist dat zij, als zij eenigszins vermoeid was of haar iets had gehinderd, wel wat wrevelig en lichtgeraakt kon zijn, nam de stilte waar om van onderwerp te veranderen.“Neem mij niet kwalijk, Louise,” zeide zij, “maar heb ik niet de manhaftige gedaante van mijnheer Chick in de koets zien zitten?”—“Hij is daar,” antwoordde mevrouw Chick, “maar ik verzoek u, laat hem daar maar. Hij heeft zijne courant en zou zich daarmee in geen twee uren vervelen. Ga voort met uwe bloemen, Lucretia, en laat mij hier maar wat zitten rusten.”—“Mijne Louise weet wel,” merkte jufvrouw Tox aan, “dat tusschen vriendinnen gelijk wij geene complimenten te pas komen. Daarom—” Daarom eindigde jufvrouw Tox den volzin niet met woorden maar met daden, en de handschoenen, die zij uitgedaan had, weder aantrekkende, wapende zij zich nogmaals met hare schaar, en begon zij met microscopische vlijt tusschen de bladeren te knippen.—“Florence is ook thuis gekomen,” zeide mevrouw Chick nadat zij eene poos met haar hoofd op zijde had gezeten, en met hare parasol teekeningen op den grond getrokken; “en waarlijk, Florence is nu veel te oud geworden, om dat eenzame leven te blijven leiden, waaraan zij gewend is. Dat spreekt van zelf. Daar kan geen twijfel aan zijn. Ik zou heel weinig achting voor iemand hebben, die daarover anders kon denken. Al mocht ik ook anders wenschen, ik zou zoo iemand nietkunnenachten. Zoover kan men zijn gevoel niet beheerschen.”Jufvrouw Tox stemde dit toe, zonder juist te zeggen of zij de stelling begrijpelijk vond.“Als zij een vreemd meisje is,” zeide mevrouw Chick, “en mijn broeder Paul zich in haar gezelschap niet op zijn gemak gevoelt, na al de droevige omstandigheden, die er hebben plaats gehad, en al de schrikkelijke teleurstellingen die hij ondergaan heeft, wat is dan het antwoord? Dat hij zich eene inspanning moet vergen. Dat hij verplicht is zich eene inspanning te vergen. Wij zijn eene familie die altijd door inspanningen heeft uitgemunt. Paul staat aan het hoofd van de familie—hij is bijna de eenig overgeblevene vertegenwoordiger daarvan. Want wat ben ik?Ikben van geen beduiden.”—“Maar liefste vriendin!” bracht jufvrouw Tox er tegen in.Mevrouw Chick droogde hare oogen af, die juist overliepen, en vervolgde:“En bijgevolg is hij meer dan ooit verplicht om zich eene inspanning te vergen. En hoewel het mij eenigszins een schok geeft, dat hij dat werkelijk heeft gedaan—want ik heb een heel zwak en aandoenlijk gestel, dat waarlijk alles behalve een geluk is; ik wenschte dikwijls dat ik maar eene marmeren zerk of een keisteen was …”—“Maar lieve Louise!” riep jufvrouw Tox uit.—“Evenwel is het een triomf voor mij, te weten dat hij zich zelven en zijn naam van Dombey zoo getrouw blijft, schoon ik natuurlijk altijd wel wist dat hij dat doen zou. Ik hoop maar,” zeide mevrouw Chick, na eene korte poos van stilte, “dat zij ook dien naam waardig zal wezen.”Jufvrouw Tox was juist bezig met haar groen gietertje uit eene kan te vullen, maar, toen zij dit gedaan had, toevallig opkijkende, was zij zoo verwonderd over de uitdrukking waarmede mevrouw Chick haar aanzag, dat zij het gietertje vooreerst maar op de tafel zette en er zelve bij ging zitten.“Mijne lieve Louise,” zeide jufvrouw Tox, “zal het u misschien genoegen doen, als ik, wat dat gezegde van u betreft, de aanmerking waag, dat ik, als een nederig onbeduidend persoon, denk dat uw nichtje in alle opzichten veel belooft?”—“Wat meent gij toch, Lucretia?” hervatte mevrouw Chick met toenemende deftigheid. “Op welk gezegde van mij doelt gij toch, lieve?”—“Dat zij haar naam waardig zal zijn, lieve vriendin,” antwoordde jufvrouw Tox.—“Als ik mij misschien niet duidelijk genoeg heb uitgedrukt, Lucretia,” zeide mevrouw Chick met zeker plechtig geduld, “ligt de schuld natuurlijk aan mij. Er is misschien geene reden waarom ik er van zou spreken, behalve de vertrouwelijkheid die zoolang tusschen ons bestaan heeft, en die ik hoop, Lucretia, hartelijk hoop, dat door niets gestoord zal worden. Want waarom zou ik dat niet hopen? Er is volstrekt geene reden van neen—het zou ongerijmd wezen. Maar ik wensch toch duidelijk te zijn, Lucretia; en daarom neem ik dat gezegde nog eens op[205]en verzoek u te mogen onder het oog brengen, dat het volstrekt niet op Florence doelde.”—“Niet?” zeide jufvrouw Tox.—“Neen,” antwoordde mevrouw Chick, kort en beslissend.—“Neem mij niet kwalijk, lieve,” zeide hare zachtmoedige vriendin; “maar dan zal ik het niet recht verstaan hebben. Ik vrees dat ik wat onbegrijpelijk ben.”Mevrouw Chick keek in de kamer rond en naar den overkant, en naar de bloemen, het vogeltje en het gietertje, naar bijna alles in haar gezichtskring, behalve naar jufvrouw Tox; eindelijk liet zij haar blik, terwijl hij den grond zocht, even over jufvrouw Tox heenglijden, en zeide, ondertusschen met opgetrokken wenkbrauwen naar het karpet kijkende:“Als ik hoop, Lucretia, dat zij den naam waardig zal zijn, dan bedoel ik de tweede vrouw van mijn broeder Paul. Ik meen reeds duidelijk genoeg gezegd te hebben, al is het niet met de woorden die ik nu gebruik, dat hij voornemens is eene tweede vrouw te nemen.”Jufvrouw Tox stond haastig op, ging weder naar hare bloemen, en knipte tusschen de takjes en bladeren met zoo weinig omzichtigheid als een kapper, die eenige armjongens het haar snijdt.“Of zij ten volle bewust zal zijn van de onderscheiding, die haar bewezen wordt,” hervatte mevrouw Chick op een hoogdravenden toon, “is eene geheel andere vraag. Ik hoop van ja. Men is in deze wereld verplicht het beste van elkander te denken, en ik hoop dus van ja. Met mij is geen raad genomen. En als er met mij raad genomen was, twijfel ik niet of mijn raad zou weinig geteld zijn, en dus is het oneindig beter zóó. Ik heb het veel liever zóó.”Jufvrouw Tox knipte nog met gebogen hoofd tusschen hare bloemen. Mevrouw Chick, die haar hoofd nu en dan krachtig schudde, vervolgde op een toon alsof zij iemand uitdaagde:“Als mijn broeder Paul mij geraadpleegd had, gelijk hij somtijds doet—of liever, somtijds placht te doen; want natuurlijk zal hij dat nu niet meer doen, en dit is eene omstandigheid die ik als eene ontheffing van eene verantwoordelijkheid aanmerk,” zeide mevrouw Chick, op eene manier alsof zij zenuwachtig werd, “want ik ben Goddank niet jaloersch,” hier liet zij wederom tranen vallen, “als mijn broeder Paul bij mij gekomen was en gezegd had: “Louise, naar welke soort van eigenschappen zoudt ge mij raden bij eene vrouw te zien?” zou ik zeker geantwoord hebben: “Paul, gij moet afkomst hebben, gij moet schoonheid hebben, gij moet deftigheid hebben, gij moet connectiën hebben.” Dat zijn de woorden die ik zou gebruikt hebben. Gij hadt mij terstond daarop naar het blok mogen brengen,” zeide mevrouw Chick, alsof dat gevolg hoogst waarschijnlijk was, “maar ik zou ze gebruikt hebben. Ik zou gezegd hebben: “Paul, gij voor de tweede maal zonder afkomst te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder schoonheid te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder deftigheid te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder connectiën te trouwen! Er is niemand in de wereld, of hij moest gek wezen, die er van zou kunnen droomen om zulke ongerijmde denkbeelden te durven koesteren.””Jufvrouw Tox hield op met knippen en bleef, met haar hoofd tusschen de bloemen, aandachtig luisteren. Misschien dacht zij dat deze inleiding en de warmte van mevrouw Chick haar eenige hoop gaven.“Zoo zou ik geredeneerd hebben,” vervolgde die schrandere dame, “omdat ik vertrouw dat ik geene zottin ben. Ik wil niet voor iemand van buitengewoon verstand te boek staan—schoon ik geloof dat sommige menschen zonderling genoeg zijn geweest om mij daarvoor te houden; iemand die zoo weinig ontzien wordt als ik, zou zeer spoedig uit zulk een droom worden geholpen; maar ik vertrouw toch dat ik niet geheel en al eene zottin ben. Enmijdan te zeggen,” zeide mevrouw Chick met onbeschrijfelijke minachting, “dat mijn broeder Paul Dombey ooit aan de mogelijkheid kon denken om zich met iemand te vereenigen—ik vraag met wie—” dit korte gezegde sprak zij met meer scherpheid uit dan eenig ander gedeelte van hare rede—“die deze vereischten niet bezat, zou eene beleediging zijn voor zooveel verstand als ik dan heb, evengoed alsof men mij zeide dat ik een olifant geboren was, dat mij dan ook nog welkangezegd worden,” zeide mevrouw Chick met berusting. “Het zou mij geheel niet verwonderen. Ik verwacht het zelfs wel.”In het oogenblik van stilte, dat hierop volgde, gaf de schaar van jufvrouw Tox een paar flauwe knipjes; maar haar gezicht bleef nog onzichtbaar en hare ochtendjapon was ontroerd. Mevrouw Chick keek eens naar haar, door het groen heen, en vervolgde toen, op een toon van kalme overtuiging, en alsof zij uitweidde over iets dat bijna niet gezegd behoefde te worden:“Dus heeft ook, gelijk van zelf spreekt, mijn broeder Paul gedaan wat van hem te wachten was; en wat iedereen kon voorzien dat hij doen zou, als hij weder in het huwelijk trad. Ik moet bekennen dat het mij eenigszins verrast, hoewel het mij streelt; omdat ik, toen Paul uit de stad ging, geheel geen denkbeeld had dat hij buiten de stad een attachement zou vormen, en zekerlijk had hij bij zijn vertrek nog geen attachement. Evenwel, het schijnt in alle opzichten zeer wenschelijk te zijn. Ik twijfel niet of de moeder is eene zeer fatsoenlijke en elegante dame, en ik heb volstrekt geen recht om te betwijfelen, of het raadzaam is dat zij[206]bij hem komt inwonen; dat is iets dat Paul aangaat, mij niet—; en wat Paul’s keus zelve betreft, ik heb nog maar haar portret gezien, maar dat is waarlijk schoon. Haar naam klinkt ook mooi,” zeide mevrouw Chick, met kracht haar hoofd schuddende en zich op haar stoel te recht zettende; “Edith komt mij voor, is te gelijk ongemeen en gedistingueerd. Bij gevolg, Lucretia, twijfel ik er niet aan of het zal u genoegen doen te hooren dat het huwelijk binnen heel kort zal plaats hebben—natuurlijk moet u dat genoegen doen,” wederom grooten nadruk, “en verheugt gij u over deze verandering in den staat van mijn broeder, die u bij verschillende gelegenheden zooveel oplettendheid heeft bewezen.”Jufvrouw Tox gaf geen antwoord met woorden, maar nam met eene bevende hand het gietertje op en keek wezenloos rond, alsof zij zich bedacht voor welk meubelstuk het goed zou zijn als het met den inhoud werd begoten. Daar bij deze crisis harer aandoening juist de kamerdeur openging, lachte zij schaterend en viel daarop den binnentredende in de armen, gelukkig onbewust van mevrouw Chick’s verontwaardigde blikken en van den majoor aan den overkant, die door zijn dubbelen tooneelkijker stond te turen, en wiens geheele gestalte opzwol van Mephistopheliaansche blijdschap.Niet zoo verheugd was de inboorling, de verbaasde opvanger der bezwijmde jufvrouw Tox, die juist naar boven kwam om, volgens den boosaardigen last des majoors, uit beleefdheid naar de gezondheid van jufvrouw Tox te vernemen, en toevallig het rechte tijdstip trof om de teedere vracht in zijne armen te pakken en den inhoud van het gietertje in zijn eenen schoen te krijgen; welke beide omstandigheden, vereenigd met de bewustheid dat hij onder de oogen van zijn oploopenden meester was, die hem volgens gewoonte met de vernieling van al zijn gebeente had gedreigd als zijne boodschap niet goed afliep, hem tot een aandoenlijk toonbeeld van schrik en angst maakten.Eenige oogenblikken bleef de benauwde vreemdeling jufvrouw Tox aan zijne borst drukken, met een vuur dat in zonderling contrast met zijn onthutst gezicht stond, terwijl die arme jufvrouw de laatste droppels van haar gieter in zijn schoen goot. Eindelijk herkreeg mevrouw Chick tegenwoordigheid van geest genoeg om tusschen beiden te komen, en beval hem om jufvrouw Tox op de sofa te laten zakken en heen te gaan. Hij gehoorzaamde terstond, en daarop begon zij jufvrouw Tox weder bij te helpen.Maar niets van die teedere meewarigheid welke de dochters van Eva kenmerkt als zij elkander in zulke omstandigheden bijstaan, niets van die flauwten-vrijmetselarij waardoor zij gewoonlijk in een geheimzinnig verbond van zusterschap zijn vereenigd, was in de handelwijs van mevrouw Chick zichtbaar. Veeleer gelijk de scherprechter, die zijn slachtoffer weder tot bewustheid brengt eer hij de pijniging voortzet (of dat placht te doen in den goeden ouden tijd, waarover alle brave lieden bestendig in den rouw zijn), wendde mevrouw Chick het reukfleschje, het handenkloppen, het koud water spatten en andere beproefde middelen aan. En toen jufvrouw Tox eindelijk hare oogen opende en langzamerhand hare bewustheid herkreeg, deinsde mevrouw Chick terug als voor eene misdadige, en het voorbeeld van den vermoorden koning van Denemarken omkeerende, zag zij haar meer gramstorig dan droevig aan.“Lucretia,” zeide mevrouw Chick, “ik wil niet pogen te ontveinzen wat ik gevoel. Mijne oogen gaan eensklaps open. Ik zou het niet geloofd hebben, al had een Heilige het mij gezegd.”—“Het is dwaas van mij dat ik zoo flauw val,” stamelde jufvrouw Tox. “Maar ik zal zoo meteen wel beter zijn.”—“Zoo meteen wel beter zijn, Lucretia!” herhaalde mevrouw Chick met diepe verachting. “Denkt gij dat ik blind ben? Verbeeldt gij u dat ik in mijne tweede kindsheid ben gekomen? Neen, Lucretia. Ik ben u wel zeer verplicht.”Jufvrouw Tox wierp hare vriendin een jammerlijk smeekenden blik toe, en hield haar zakdoek voor haar gezicht.“Als iemand mij dit gisteren gezegd had,” zeide mevrouw Chick met majesteit, “of zelfs maar een half uur geleden, zou ik in verzoeking zijn gekomen, geloof ik haast, om hem ter aarde te vellen. Lucretia Tox, mijne oogen zijn op eens voor u opengegaan. De blindheid van mijn vertrouwen is voorbij, Lucretia. Dat vertrouwen is misbruikt, er is mede gespeeld en er baten geene uitvluchten meer, dat kan ik u verzekeren.”—“Waarop doelt gij toch met die wreede woorden, lieve vriendin?” vroeg jufvrouw Tox door hare tranen.—“Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick, “vraag dat uw eigen hart. Ik moet u verzoeken om mij niet meer met zulk eene gemeenzame uitdrukking aan te spreken, als gij daar gebruikt hebt, als het u belieft. Ik heb nog eenig gevoel van eigenwaarde, al moogt gij anders denken.”—“O, Louise!” riep jufvrouw Tox uit. “Hoe kunt ge zoo tegen mij spreken?”—“Hoe ik zóó tegen u spreken kan?” liet mevrouw Chick hierop volgen, die, bij gebrek aan goede redenen om te doen gelden, zich vooral op zulke herhalingen verliet om eenen verpletterenden indruk te maken. “Zóó. Gij moogt waarlijk wel zóó zeggen.”Jufvrouw Tox snikte jammerlijk.“De gedachte,” zeide mevrouw Chick, “dat gij u aan mijns broeders haard hebt gekoesterd, en u door mij bijna in zijn vertrouwen hebt gewrongen, Lucretia, om in het geheim zekere[207]plannen op hem te smeden, en dat gij aan de mogelijkheid hebt durven denken dat hij zich ooit met u zou vereenigen! Wel, het is eene gedachte,” zeide mevrouw Chick met sarcastische deftigheid, “waarvan de ongerijmdheid bijna het verraderlijke wegneemt.”—“Och, Louise,” smeekte jufvrouw Tox. “Zeg toch zulke ijselijke dingen niet.”—“IJselijke dingen!” herhaalde mevrouw Chick. “IJselijke dingen! Is het dan de waarheid niet, Lucretia, dat gij daar zoo even niet in staat zijt geweest om uwe aandoeningen te beheerschen zelfs voor mij, wier oogen gij zoo geheel hadt verblind?”—“Ik heb niet geklaagd,” snikte jufvrouw Tox. “Ik heb niets gezegd. Als uwe tijding mij eenigszins overweldigde, Louise, en ik ooit eenigszins dacht dat mijnheer Dombey wel genegen was om een oog op mij te laten vallen, zult gij mij zeker niet veroordeelen.”—“Zij zal zeggen,” zeide mevrouw Chick, zich met een blik vol berusting op al de meubelen beroepende. “Zij zal nog zeggen—dat weet ik—dat ik haar heb aangemoedigd.”—“Ik wil geene verwijten uitwisselen, lieve Louise,” snikte jufvrouw Tox. “En ik wil ook niet klagen. Maar tot mijne eigene verdediging …”—“Ja, zij zal het zeggen,” zeide mevrouw Chick, met een profetischen blik in de kamer rondziende. “Ik wist het wel. Zeg het mij dan maar liever. Zeg het openlijk. Wees rondborstig, Lucretia Tox, wat gij ook wezen moogt.”—“Tot mijne eigene verdediging, lieve Louise,” stamelde jufvrouw Tox, “en alleen tot mijne eigene verdediging tegen uwe harde woorden, wilde ik u alleen vragen of gij niet dikwijls zulk eene inbeelding hebt begunstigd, en zelfs gezegd dat het wel gebeuren kon, zooveel iemand kon zeggen?”—“Er is een punt,” zeide mevrouw Chick, opstaande, niet alsof zij op den vloer zou blijven staan, maar alsof zij zoo dadelijk zou omhoogrijzen en de lucht inzweven, “waarboven de verdraagzaamheid belachelijk, zoo niet berispelijk wordt. Ik kan veel verdragen, maar niet al te veel. Wat mij scheelde toen ik vandaag hier in huis kwam, of het tooverij was, weet ik niet; maar ik had een voorgevoel—een donker voorgevoel,” zeide mevrouw Chick huiverend, “dat er iets zou gebeuren. Wel mag ik dat voorgevoel gehad hebben, Lucretia, nu mijn vertrouwen van vele jaren in een oogenblik verwoest wordt, nu mijne oogen op eens opengaan, en ik u in uwe ware kleuren voor mij zie. Lucretia, ik heb mij in u bedrogen. Het is beter voor ons beiden dat de zaak hierbij blijft. Ik wensch u het beste, en zal u altijd het beste wenschen. Maar als iemand die zich zelve in hare eigene positie getrouw wil zijn, wat die positie ook mag wezen of niet mag wezen—en als de zuster van mijn broeder—als de schoonzuster van mijn broeders vrouw—en als in aangehuwde connectie met de moeder van mijn broeders vrouw—en misschien mag ik er bijvoegen als eene Dombey—kan ik niets anders doen dan u goedenmorgen wenschen.”Deze woorden, met bijtende zachtheid uitgesproken en door een verheven gevoel van zedelijke eigenwaarde ingegeven, brachten de spreekster tot aan de deur. Daar boog zij op eene spookachtige, standbeeldachtige manier haar hoofd, en toen begaf zij zich naar haar rijtuig, om in de armen van Chick, haar heer, heul en troost te zoeken.Dat is te zeggen, figuurlijk gesproken, want Chick had zijne armen al vol met zijne courant. Ook richtte hij zijne oogen niet naar zijne vrouw dan alleen tersluiks; en hij bood haar ook hoegenaamd geen troost aan. Kortom hij bleef zitten lezen en brokken van wijsjes neuriën, en somtijds zijdelings naar haar kijken, zonder een enkel woord te spreken, goed, kwaad of onverschillig.Intusschen zat mevrouw Chick haar hoofd te draaien en in den nek te zetten en zich op te blazen, alsof zij nog dat plechtig afscheidsformulier aan Lucretia Tox herhaalde. Eindelijk zeide zij overluid: “O, hoe zijn mij vandaag de oogen opengegaan!”“Waarvoor zijn u de oogen opengegaan, vrouwlief?” zeide Chick.—“Och, spreek maar niet tegen mij,” antwoordde zijne echtgenoote. “Als ge mij zóó kunt zien, zonder eens te vragen wat mij scheelt, moest ge liever maar geheel zwijgen.”—“Wat scheelt er dan aan, lieve?” vroeg Chick.—“Te denken,” zeide mevrouw Chick, bij wijze van alleenspraak, “dat zij ooit het lage denkbeeld zou hebben opgevat om zich met onze familie te verbinden door een huwelijk met Paul! Te denken dat toen zij paardje speelde met het lieve kind dat nu in zijn graf ligt—het beviel mij toen ook al nooit—er zulke slinksche oogmerken achter scholen! Het verbaast mij dat zij nooit bang werd dat haar iets overkomen zou. Zij is wel gelukkig als dat niet gebeurt.”—“Ik dacht waarlijk, lieve,” zeide Chick, nadat hij een poosje zijn neus met zijne courant had gewreven, “dat gij aldoor hetzelfde op het oog hadt, tot van morgen toe; en het wel aardig zoudt gevonden hebben, als het er toe had kunnen komen.”Mevrouw Chick barstte dadelijk in tranen uit, en zeide haar echtgenoot, dat hij, als hij met zijne laarzen op haar wilde trappen, het liever maar doen moest.“Maar met Lucretia heb ik afgedaan,” zeide mevrouw Chick, nadat zij zich, tot groote ontsteltenis van mijnheer Chick, eenige minuten lang aan hare aandoeningen had overgegeven. “Ik kan het wel dragen dat ik Paul’s vertrouwen moet afstaan ter gunste van iemand, van wie ik hoop en vertrouw dat zij het verdienen zal, en die hij alle recht heeft om voor de arme Fanny in de plaats te stellen; ik kan het verdragen[208]dat Paul mij op zijne koele manier van zulk eene verandering in zijne plannen onderricht, en dat ik niet geraadpleegd word eer alles besloten en bepaald is; maar bedrog kan ik niet verdragen, en met Lucretia Tox heb ik afgedaan. Het is beter zoo,” zeide zij, met eene vrome berusting, “veel beter. Het zou lang geduurd hebben eer ik na dit alles weder op mijn gemak met haar was geweest, en ik weet waarlijk niet, daar Paul als een groot heer zal gaan leven en zij van afkomst zijn, of zij eigenlijk wel presentabel zou zijn en ik mij zelve niet zou gecompromitteerd hebben. Er is eene voorzienigheid in alle dingen; ik ben vandaag zwaar beproefd, maar over het geheel spijt het mij niet.”In dezen Christelijken geest droogde mevrouw Chick hare oogen af, streek hare japon glad en bleef zitten kijken gelijk iemand past die onder eene zware verongelijking kalm blijft. Haar echtgenoot, zonder twijfel zijne onwaardigheid gevoelende, nam spoedig eene gelegenheid waar om zich aan den hoek eener straat te laten afzetten, en kuierde fluitend heen, met hoog opgetrokken schouders en de handen in de zakken.De arme veroordeelde jufvrouw Tox, die, als zij eene pluimstrijkster en fleemster was, dit ten minste met alle oprechtheid was, die hare aanklaagster altijd eene hartelijke vriendschap had toegedragen, en de grootheid van Dombey met diep gevoelden eerbied had gehuldigd—de arme veroordeelde en verworpene jufvrouw Tox begoot ondertusschen hare bloemen met hare tranen en gevoelde dat het inPrincess’s Placewinter was geworden.
Jufvrouw Tox, geheel onbewust van zulke vreemde verschijnselen in en om mijnheer Dombey’s huis als steigers en ladders, en mannen met zakdoeken om het hoofd, die als zwevende spoken of vreemde vogels door de vensters binnenkeken—had op een ochtend tegen dezen gewichtigen tijd op hare gewone manier ontbeten, namelijk met een geraspt Fransch broodje, een versch, pas gelegd ei (of daarvoor verkocht) en één kopje thee, en ging toen naar boven om de Vogel-wals op haar klavier te spelen, hare bloemen te begieten en te verzorgen, hare galanterieën af te stoffen en, volgens hare dagelijksche gewoonte, haar salonnetje tot het juweel vanPrincess’s Placete maken.
Jufvrouw Tox voorzag zich van een paar oude handschoenen, naar dorre bladeren gelijkende, waarmede zij gewoon was deze bezigheden te verrichten—op alle andere tijden[203]in de la eener tafel voor ieder menschelijk oog verborgen—en ging methodisch aan het werk, beginnende met de Vogel-wals; toen, volgens een natuurlijk verband van denkbeelden, tot haar vogeltje overgaande, een stokoude kanarie, slecht in de veeren, maar een doordringend zinger, gelijk de geheele buurt wel wist, daarna hare ornamenten van porselein, kaartpapier, enz. onder handen nemende, en zoo, na verloop van tijd, aan hare bloemen komende, welke doorgaans hier en daar met eene schaar beknipt moesten worden, om zekere botanische reden waaraan jufvrouw Tox groot gewicht hechtte.
Het duurde dien ochtend lang eer jufvrouw Tox aan hare bloemen kwam. Het was warm weder, zuidenwind, en er was inPrincess’s Placeeen zweempje zomer te bespeuren, dat jufvrouw Tox aan het buitenleven deed denken. De bierjongen uit de herberg was met eene kan buitengekomen en had een waterstraaltje met een slingerend patroon over de straatsteenen laten loopen, dat zulk eene frischheid aan de lucht gaf, zeide jufvrouw Tox, alsof men werkelijk buiten was. Men zag een streepje zonneschijn uit de groote straat om den hoek komen, en de rookerige musschen wipten daarover heen en weder, en werden in dien glans zoo verhelderd en verheerlijkt alsof zij nooit iets van schoorsteenen hadden geweten. Spreuken tot lof van het gemberbier, met afbeeldsels van dorstige klanten, onder het bruisende schuim bedolven of door het springen der kurken versuft, blonken voor het venster der herberg. Men was ergens buiten de stad nog laat aan het hooien, en hoewel de geur van verre moest komen en tusschen de woningen der armen met vele andere geuren had te worstelen (God beloone de brave heeren, die de pest voor een deel der wijsheid onzer voorvaderen houden en hun best doen om die woningen zoo ellendig te doen blijven) kwam er toch een flauwe zweem van inPrincess’s Place, en fluisterde van het vrije veld en zijne gezonde lucht.
Jufvrouw Tox zette zich in de vensterbank en dacht aan haar goeden papa, sedert lang overleden en in zijn leven beambte bij het vak van in- en uitgaande rechten; en aan hare kindsheid, in eene zeeplaats gesleten, waar zij veel teer, maar toch ook gras en hooi had geroken. Zoo kwam zij tot eene weemoedige herinnering van groene weiden, vol boterbloempjes; en hoe zij kettinkjes van paardenbloemstengels had gemaakt, voor jeugdige zweerders van eeuwige standvastigheid, voornamelijk in het nankin gekleed; en hoe spoedig die kluisters verdroogd en gebroken waren.
In die vensterbank gezeten, en naar de menschen en het streepje zonneschijn kijkende, dacht jufvrouw Tox insgelijks aan hare goede overledene mama—zuster van den eigenaar van het gepoederde hoofd en het staartje— aan hare deugden en hare rheumatiek. En toen een man met kromme beenen, eene grove stem, en eene zware mand op zijn hoofd, welke zijn hoed tot een zwarten pannekoek samendrukte, met bloemen doorPrincess’s Placekwam roepen, en zijne kleine vreesachtige plantjes madelieven deed beven door de trilling van elken schreeuw dien hij gaf, alsof hij een menschenvreter was, die met kleine kinderen te koop liep, werden de zomerherinneringen zoo sterk bij jufvrouw Tox, dat zij haar hoofd schudde, en prevelde dat zij oud zou worden eer zij het wist—hetgeen wel denkelijk scheen.
In die peinzende stemming zochten hare gedachten het spoor van Dombey, misschien omdat de majoor weder zijne kamers aan den overkant had betrokken en juist aan zijn venster voor haar gebogen had. Welke andere reden kon jufvrouw Tox hebben om Dombey met hare zomerdagen en kluisters van paardenbloemen in verband brengen? Was hij nu vroolijker? dacht jufvrouw Tox. Was hij nu met de besluiten des noodlots verzoend? Zou hij nooit weer trouwen, en zoo ja, met wie? Welke soort van vrouw zou het wel zijn!
Een gloed overspreidde haar gelaat—het was warm weder—toen zij onder deze bespiegelingen haar hoofd omkeerde en door de weerkaatsing van haar peinzend beeld in den spiegel werd verrast. Een tweede gloed volgde daarop toen zij een rijtuigje zag aankomen en vlak voor hare deur stilhouden. Zij stond op, nam haastig hare schaar, en zoo eindelijk tot hare bloemen komende, was zij druk daarmede bezig, toen mevrouw Chick de kamer binnentrad.
“Hoe vaart mijne liefste vriendin?” riep jufvrouw Tox, met open armen, uit.
Deze liefste vriendin van jufvrouw Tox had thans zekere statigheid in hare houding, maar zij gaf haar toch een kus en zeide: “Wel bedankt, Lucretia. Ik ben tamelijk wel. Gij ook, hoop ik. Hm!”
Mevrouw Chick had een eigenaardig kort kuchje, als het ware een begin om de kunst van hoesten te leeren.
“Gij komt al heel vroeg; dat is vriendelijk van u, lieve,” hervatte jufvrouw Tox. “Hebt gij al ontbeten?”—“Bedankt Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick. “Ik heb vroeg ontbeten,”—mevrouw Chick scheen zeer nieuwsgierig naarPrincess’s Placete zijn en keek onder het spreken gedurig naar buiten, “bij mijn broeder, die thuis gekomen is.”—“Hij is beter, durf ik hopen,” stamelde jufvrouw Tox.—“Veel beter, wel bedankt. Hm!”—“Mijne lieve Louise moet op die kuch passen,” merkte jufvrouw Tox aan.—“Het is niets,” antwoordde mevrouw Chick. “Het is maar de verandering van het weer. Men moet[204]zich aan veranderingen gewennen.”—“Van weer?” vroeg jufvrouw Tox in hare eenvoudigheid.—“Van alles,” antwoordde mevrouw Chick. “Het is eene wereld vol verandering. De menschen die mij iets wilden tegenspreken dat zoo duidelijk is, Lucretia, zouden mij zeer verwonderen en mij veel geringer gedachten van hun verstand doen opvatten. Verandering!” riep mevrouw Chick met strenge wijsheid uit. “Wel mijn tijd, wat is er datnietverandert? Zelfs de zijworm, die men zeker niet denken zou dat zich met zoo iets bemoeide, verandert gedurig in allerlei onverwachte dingen.”—“Mijne Louise,” zeide de zachtzinnigejufvrouwTox, “is altijd gelukkig in hare voorbeelden.”—“Ge zijt wel vriendelijk, Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick, eenigszins verzacht, “dat ge zoo zegt, en ook zoo denkt, geloof ik. Ik hoop dat wij geen van beiden ooit reden zullen hebben om geringer gedachten van de andere te krijgen. Lucretia.”—“O, daar ben ik wel zeker van,” antwoordde jufvrouw Tox.
Mevrouw Chick kuchte weder, en trok strepen op het tapijt met het ivoren puntje van hare parasol. Jufvrouw Tox, die ondervinding van hare vriendin had, en wist dat zij, als zij eenigszins vermoeid was of haar iets had gehinderd, wel wat wrevelig en lichtgeraakt kon zijn, nam de stilte waar om van onderwerp te veranderen.
“Neem mij niet kwalijk, Louise,” zeide zij, “maar heb ik niet de manhaftige gedaante van mijnheer Chick in de koets zien zitten?”—“Hij is daar,” antwoordde mevrouw Chick, “maar ik verzoek u, laat hem daar maar. Hij heeft zijne courant en zou zich daarmee in geen twee uren vervelen. Ga voort met uwe bloemen, Lucretia, en laat mij hier maar wat zitten rusten.”—“Mijne Louise weet wel,” merkte jufvrouw Tox aan, “dat tusschen vriendinnen gelijk wij geene complimenten te pas komen. Daarom—” Daarom eindigde jufvrouw Tox den volzin niet met woorden maar met daden, en de handschoenen, die zij uitgedaan had, weder aantrekkende, wapende zij zich nogmaals met hare schaar, en begon zij met microscopische vlijt tusschen de bladeren te knippen.—“Florence is ook thuis gekomen,” zeide mevrouw Chick nadat zij eene poos met haar hoofd op zijde had gezeten, en met hare parasol teekeningen op den grond getrokken; “en waarlijk, Florence is nu veel te oud geworden, om dat eenzame leven te blijven leiden, waaraan zij gewend is. Dat spreekt van zelf. Daar kan geen twijfel aan zijn. Ik zou heel weinig achting voor iemand hebben, die daarover anders kon denken. Al mocht ik ook anders wenschen, ik zou zoo iemand nietkunnenachten. Zoover kan men zijn gevoel niet beheerschen.”
Jufvrouw Tox stemde dit toe, zonder juist te zeggen of zij de stelling begrijpelijk vond.
“Als zij een vreemd meisje is,” zeide mevrouw Chick, “en mijn broeder Paul zich in haar gezelschap niet op zijn gemak gevoelt, na al de droevige omstandigheden, die er hebben plaats gehad, en al de schrikkelijke teleurstellingen die hij ondergaan heeft, wat is dan het antwoord? Dat hij zich eene inspanning moet vergen. Dat hij verplicht is zich eene inspanning te vergen. Wij zijn eene familie die altijd door inspanningen heeft uitgemunt. Paul staat aan het hoofd van de familie—hij is bijna de eenig overgeblevene vertegenwoordiger daarvan. Want wat ben ik?Ikben van geen beduiden.”—“Maar liefste vriendin!” bracht jufvrouw Tox er tegen in.
Mevrouw Chick droogde hare oogen af, die juist overliepen, en vervolgde:
“En bijgevolg is hij meer dan ooit verplicht om zich eene inspanning te vergen. En hoewel het mij eenigszins een schok geeft, dat hij dat werkelijk heeft gedaan—want ik heb een heel zwak en aandoenlijk gestel, dat waarlijk alles behalve een geluk is; ik wenschte dikwijls dat ik maar eene marmeren zerk of een keisteen was …”—“Maar lieve Louise!” riep jufvrouw Tox uit.—“Evenwel is het een triomf voor mij, te weten dat hij zich zelven en zijn naam van Dombey zoo getrouw blijft, schoon ik natuurlijk altijd wel wist dat hij dat doen zou. Ik hoop maar,” zeide mevrouw Chick, na eene korte poos van stilte, “dat zij ook dien naam waardig zal wezen.”
Jufvrouw Tox was juist bezig met haar groen gietertje uit eene kan te vullen, maar, toen zij dit gedaan had, toevallig opkijkende, was zij zoo verwonderd over de uitdrukking waarmede mevrouw Chick haar aanzag, dat zij het gietertje vooreerst maar op de tafel zette en er zelve bij ging zitten.
“Mijne lieve Louise,” zeide jufvrouw Tox, “zal het u misschien genoegen doen, als ik, wat dat gezegde van u betreft, de aanmerking waag, dat ik, als een nederig onbeduidend persoon, denk dat uw nichtje in alle opzichten veel belooft?”—“Wat meent gij toch, Lucretia?” hervatte mevrouw Chick met toenemende deftigheid. “Op welk gezegde van mij doelt gij toch, lieve?”—“Dat zij haar naam waardig zal zijn, lieve vriendin,” antwoordde jufvrouw Tox.—“Als ik mij misschien niet duidelijk genoeg heb uitgedrukt, Lucretia,” zeide mevrouw Chick met zeker plechtig geduld, “ligt de schuld natuurlijk aan mij. Er is misschien geene reden waarom ik er van zou spreken, behalve de vertrouwelijkheid die zoolang tusschen ons bestaan heeft, en die ik hoop, Lucretia, hartelijk hoop, dat door niets gestoord zal worden. Want waarom zou ik dat niet hopen? Er is volstrekt geene reden van neen—het zou ongerijmd wezen. Maar ik wensch toch duidelijk te zijn, Lucretia; en daarom neem ik dat gezegde nog eens op[205]en verzoek u te mogen onder het oog brengen, dat het volstrekt niet op Florence doelde.”—“Niet?” zeide jufvrouw Tox.—“Neen,” antwoordde mevrouw Chick, kort en beslissend.—“Neem mij niet kwalijk, lieve,” zeide hare zachtmoedige vriendin; “maar dan zal ik het niet recht verstaan hebben. Ik vrees dat ik wat onbegrijpelijk ben.”
Mevrouw Chick keek in de kamer rond en naar den overkant, en naar de bloemen, het vogeltje en het gietertje, naar bijna alles in haar gezichtskring, behalve naar jufvrouw Tox; eindelijk liet zij haar blik, terwijl hij den grond zocht, even over jufvrouw Tox heenglijden, en zeide, ondertusschen met opgetrokken wenkbrauwen naar het karpet kijkende:
“Als ik hoop, Lucretia, dat zij den naam waardig zal zijn, dan bedoel ik de tweede vrouw van mijn broeder Paul. Ik meen reeds duidelijk genoeg gezegd te hebben, al is het niet met de woorden die ik nu gebruik, dat hij voornemens is eene tweede vrouw te nemen.”
Jufvrouw Tox stond haastig op, ging weder naar hare bloemen, en knipte tusschen de takjes en bladeren met zoo weinig omzichtigheid als een kapper, die eenige armjongens het haar snijdt.
“Of zij ten volle bewust zal zijn van de onderscheiding, die haar bewezen wordt,” hervatte mevrouw Chick op een hoogdravenden toon, “is eene geheel andere vraag. Ik hoop van ja. Men is in deze wereld verplicht het beste van elkander te denken, en ik hoop dus van ja. Met mij is geen raad genomen. En als er met mij raad genomen was, twijfel ik niet of mijn raad zou weinig geteld zijn, en dus is het oneindig beter zóó. Ik heb het veel liever zóó.”
Jufvrouw Tox knipte nog met gebogen hoofd tusschen hare bloemen. Mevrouw Chick, die haar hoofd nu en dan krachtig schudde, vervolgde op een toon alsof zij iemand uitdaagde:
“Als mijn broeder Paul mij geraadpleegd had, gelijk hij somtijds doet—of liever, somtijds placht te doen; want natuurlijk zal hij dat nu niet meer doen, en dit is eene omstandigheid die ik als eene ontheffing van eene verantwoordelijkheid aanmerk,” zeide mevrouw Chick, op eene manier alsof zij zenuwachtig werd, “want ik ben Goddank niet jaloersch,” hier liet zij wederom tranen vallen, “als mijn broeder Paul bij mij gekomen was en gezegd had: “Louise, naar welke soort van eigenschappen zoudt ge mij raden bij eene vrouw te zien?” zou ik zeker geantwoord hebben: “Paul, gij moet afkomst hebben, gij moet schoonheid hebben, gij moet deftigheid hebben, gij moet connectiën hebben.” Dat zijn de woorden die ik zou gebruikt hebben. Gij hadt mij terstond daarop naar het blok mogen brengen,” zeide mevrouw Chick, alsof dat gevolg hoogst waarschijnlijk was, “maar ik zou ze gebruikt hebben. Ik zou gezegd hebben: “Paul, gij voor de tweede maal zonder afkomst te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder schoonheid te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder deftigheid te trouwen! Gij voor de tweede maal zonder connectiën te trouwen! Er is niemand in de wereld, of hij moest gek wezen, die er van zou kunnen droomen om zulke ongerijmde denkbeelden te durven koesteren.””
Jufvrouw Tox hield op met knippen en bleef, met haar hoofd tusschen de bloemen, aandachtig luisteren. Misschien dacht zij dat deze inleiding en de warmte van mevrouw Chick haar eenige hoop gaven.
“Zoo zou ik geredeneerd hebben,” vervolgde die schrandere dame, “omdat ik vertrouw dat ik geene zottin ben. Ik wil niet voor iemand van buitengewoon verstand te boek staan—schoon ik geloof dat sommige menschen zonderling genoeg zijn geweest om mij daarvoor te houden; iemand die zoo weinig ontzien wordt als ik, zou zeer spoedig uit zulk een droom worden geholpen; maar ik vertrouw toch dat ik niet geheel en al eene zottin ben. Enmijdan te zeggen,” zeide mevrouw Chick met onbeschrijfelijke minachting, “dat mijn broeder Paul Dombey ooit aan de mogelijkheid kon denken om zich met iemand te vereenigen—ik vraag met wie—” dit korte gezegde sprak zij met meer scherpheid uit dan eenig ander gedeelte van hare rede—“die deze vereischten niet bezat, zou eene beleediging zijn voor zooveel verstand als ik dan heb, evengoed alsof men mij zeide dat ik een olifant geboren was, dat mij dan ook nog welkangezegd worden,” zeide mevrouw Chick met berusting. “Het zou mij geheel niet verwonderen. Ik verwacht het zelfs wel.”
In het oogenblik van stilte, dat hierop volgde, gaf de schaar van jufvrouw Tox een paar flauwe knipjes; maar haar gezicht bleef nog onzichtbaar en hare ochtendjapon was ontroerd. Mevrouw Chick keek eens naar haar, door het groen heen, en vervolgde toen, op een toon van kalme overtuiging, en alsof zij uitweidde over iets dat bijna niet gezegd behoefde te worden:
“Dus heeft ook, gelijk van zelf spreekt, mijn broeder Paul gedaan wat van hem te wachten was; en wat iedereen kon voorzien dat hij doen zou, als hij weder in het huwelijk trad. Ik moet bekennen dat het mij eenigszins verrast, hoewel het mij streelt; omdat ik, toen Paul uit de stad ging, geheel geen denkbeeld had dat hij buiten de stad een attachement zou vormen, en zekerlijk had hij bij zijn vertrek nog geen attachement. Evenwel, het schijnt in alle opzichten zeer wenschelijk te zijn. Ik twijfel niet of de moeder is eene zeer fatsoenlijke en elegante dame, en ik heb volstrekt geen recht om te betwijfelen, of het raadzaam is dat zij[206]bij hem komt inwonen; dat is iets dat Paul aangaat, mij niet—; en wat Paul’s keus zelve betreft, ik heb nog maar haar portret gezien, maar dat is waarlijk schoon. Haar naam klinkt ook mooi,” zeide mevrouw Chick, met kracht haar hoofd schuddende en zich op haar stoel te recht zettende; “Edith komt mij voor, is te gelijk ongemeen en gedistingueerd. Bij gevolg, Lucretia, twijfel ik er niet aan of het zal u genoegen doen te hooren dat het huwelijk binnen heel kort zal plaats hebben—natuurlijk moet u dat genoegen doen,” wederom grooten nadruk, “en verheugt gij u over deze verandering in den staat van mijn broeder, die u bij verschillende gelegenheden zooveel oplettendheid heeft bewezen.”
Jufvrouw Tox gaf geen antwoord met woorden, maar nam met eene bevende hand het gietertje op en keek wezenloos rond, alsof zij zich bedacht voor welk meubelstuk het goed zou zijn als het met den inhoud werd begoten. Daar bij deze crisis harer aandoening juist de kamerdeur openging, lachte zij schaterend en viel daarop den binnentredende in de armen, gelukkig onbewust van mevrouw Chick’s verontwaardigde blikken en van den majoor aan den overkant, die door zijn dubbelen tooneelkijker stond te turen, en wiens geheele gestalte opzwol van Mephistopheliaansche blijdschap.
Niet zoo verheugd was de inboorling, de verbaasde opvanger der bezwijmde jufvrouw Tox, die juist naar boven kwam om, volgens den boosaardigen last des majoors, uit beleefdheid naar de gezondheid van jufvrouw Tox te vernemen, en toevallig het rechte tijdstip trof om de teedere vracht in zijne armen te pakken en den inhoud van het gietertje in zijn eenen schoen te krijgen; welke beide omstandigheden, vereenigd met de bewustheid dat hij onder de oogen van zijn oploopenden meester was, die hem volgens gewoonte met de vernieling van al zijn gebeente had gedreigd als zijne boodschap niet goed afliep, hem tot een aandoenlijk toonbeeld van schrik en angst maakten.
Eenige oogenblikken bleef de benauwde vreemdeling jufvrouw Tox aan zijne borst drukken, met een vuur dat in zonderling contrast met zijn onthutst gezicht stond, terwijl die arme jufvrouw de laatste droppels van haar gieter in zijn schoen goot. Eindelijk herkreeg mevrouw Chick tegenwoordigheid van geest genoeg om tusschen beiden te komen, en beval hem om jufvrouw Tox op de sofa te laten zakken en heen te gaan. Hij gehoorzaamde terstond, en daarop begon zij jufvrouw Tox weder bij te helpen.
Maar niets van die teedere meewarigheid welke de dochters van Eva kenmerkt als zij elkander in zulke omstandigheden bijstaan, niets van die flauwten-vrijmetselarij waardoor zij gewoonlijk in een geheimzinnig verbond van zusterschap zijn vereenigd, was in de handelwijs van mevrouw Chick zichtbaar. Veeleer gelijk de scherprechter, die zijn slachtoffer weder tot bewustheid brengt eer hij de pijniging voortzet (of dat placht te doen in den goeden ouden tijd, waarover alle brave lieden bestendig in den rouw zijn), wendde mevrouw Chick het reukfleschje, het handenkloppen, het koud water spatten en andere beproefde middelen aan. En toen jufvrouw Tox eindelijk hare oogen opende en langzamerhand hare bewustheid herkreeg, deinsde mevrouw Chick terug als voor eene misdadige, en het voorbeeld van den vermoorden koning van Denemarken omkeerende, zag zij haar meer gramstorig dan droevig aan.
“Lucretia,” zeide mevrouw Chick, “ik wil niet pogen te ontveinzen wat ik gevoel. Mijne oogen gaan eensklaps open. Ik zou het niet geloofd hebben, al had een Heilige het mij gezegd.”—“Het is dwaas van mij dat ik zoo flauw val,” stamelde jufvrouw Tox. “Maar ik zal zoo meteen wel beter zijn.”—“Zoo meteen wel beter zijn, Lucretia!” herhaalde mevrouw Chick met diepe verachting. “Denkt gij dat ik blind ben? Verbeeldt gij u dat ik in mijne tweede kindsheid ben gekomen? Neen, Lucretia. Ik ben u wel zeer verplicht.”
Jufvrouw Tox wierp hare vriendin een jammerlijk smeekenden blik toe, en hield haar zakdoek voor haar gezicht.
“Als iemand mij dit gisteren gezegd had,” zeide mevrouw Chick met majesteit, “of zelfs maar een half uur geleden, zou ik in verzoeking zijn gekomen, geloof ik haast, om hem ter aarde te vellen. Lucretia Tox, mijne oogen zijn op eens voor u opengegaan. De blindheid van mijn vertrouwen is voorbij, Lucretia. Dat vertrouwen is misbruikt, er is mede gespeeld en er baten geene uitvluchten meer, dat kan ik u verzekeren.”—“Waarop doelt gij toch met die wreede woorden, lieve vriendin?” vroeg jufvrouw Tox door hare tranen.—“Lucretia,” antwoordde mevrouw Chick, “vraag dat uw eigen hart. Ik moet u verzoeken om mij niet meer met zulk eene gemeenzame uitdrukking aan te spreken, als gij daar gebruikt hebt, als het u belieft. Ik heb nog eenig gevoel van eigenwaarde, al moogt gij anders denken.”—“O, Louise!” riep jufvrouw Tox uit. “Hoe kunt ge zoo tegen mij spreken?”—“Hoe ik zóó tegen u spreken kan?” liet mevrouw Chick hierop volgen, die, bij gebrek aan goede redenen om te doen gelden, zich vooral op zulke herhalingen verliet om eenen verpletterenden indruk te maken. “Zóó. Gij moogt waarlijk wel zóó zeggen.”
Jufvrouw Tox snikte jammerlijk.
“De gedachte,” zeide mevrouw Chick, “dat gij u aan mijns broeders haard hebt gekoesterd, en u door mij bijna in zijn vertrouwen hebt gewrongen, Lucretia, om in het geheim zekere[207]plannen op hem te smeden, en dat gij aan de mogelijkheid hebt durven denken dat hij zich ooit met u zou vereenigen! Wel, het is eene gedachte,” zeide mevrouw Chick met sarcastische deftigheid, “waarvan de ongerijmdheid bijna het verraderlijke wegneemt.”—“Och, Louise,” smeekte jufvrouw Tox. “Zeg toch zulke ijselijke dingen niet.”—“IJselijke dingen!” herhaalde mevrouw Chick. “IJselijke dingen! Is het dan de waarheid niet, Lucretia, dat gij daar zoo even niet in staat zijt geweest om uwe aandoeningen te beheerschen zelfs voor mij, wier oogen gij zoo geheel hadt verblind?”—“Ik heb niet geklaagd,” snikte jufvrouw Tox. “Ik heb niets gezegd. Als uwe tijding mij eenigszins overweldigde, Louise, en ik ooit eenigszins dacht dat mijnheer Dombey wel genegen was om een oog op mij te laten vallen, zult gij mij zeker niet veroordeelen.”—“Zij zal zeggen,” zeide mevrouw Chick, zich met een blik vol berusting op al de meubelen beroepende. “Zij zal nog zeggen—dat weet ik—dat ik haar heb aangemoedigd.”—“Ik wil geene verwijten uitwisselen, lieve Louise,” snikte jufvrouw Tox. “En ik wil ook niet klagen. Maar tot mijne eigene verdediging …”—“Ja, zij zal het zeggen,” zeide mevrouw Chick, met een profetischen blik in de kamer rondziende. “Ik wist het wel. Zeg het mij dan maar liever. Zeg het openlijk. Wees rondborstig, Lucretia Tox, wat gij ook wezen moogt.”—“Tot mijne eigene verdediging, lieve Louise,” stamelde jufvrouw Tox, “en alleen tot mijne eigene verdediging tegen uwe harde woorden, wilde ik u alleen vragen of gij niet dikwijls zulk eene inbeelding hebt begunstigd, en zelfs gezegd dat het wel gebeuren kon, zooveel iemand kon zeggen?”—“Er is een punt,” zeide mevrouw Chick, opstaande, niet alsof zij op den vloer zou blijven staan, maar alsof zij zoo dadelijk zou omhoogrijzen en de lucht inzweven, “waarboven de verdraagzaamheid belachelijk, zoo niet berispelijk wordt. Ik kan veel verdragen, maar niet al te veel. Wat mij scheelde toen ik vandaag hier in huis kwam, of het tooverij was, weet ik niet; maar ik had een voorgevoel—een donker voorgevoel,” zeide mevrouw Chick huiverend, “dat er iets zou gebeuren. Wel mag ik dat voorgevoel gehad hebben, Lucretia, nu mijn vertrouwen van vele jaren in een oogenblik verwoest wordt, nu mijne oogen op eens opengaan, en ik u in uwe ware kleuren voor mij zie. Lucretia, ik heb mij in u bedrogen. Het is beter voor ons beiden dat de zaak hierbij blijft. Ik wensch u het beste, en zal u altijd het beste wenschen. Maar als iemand die zich zelve in hare eigene positie getrouw wil zijn, wat die positie ook mag wezen of niet mag wezen—en als de zuster van mijn broeder—als de schoonzuster van mijn broeders vrouw—en als in aangehuwde connectie met de moeder van mijn broeders vrouw—en misschien mag ik er bijvoegen als eene Dombey—kan ik niets anders doen dan u goedenmorgen wenschen.”
Deze woorden, met bijtende zachtheid uitgesproken en door een verheven gevoel van zedelijke eigenwaarde ingegeven, brachten de spreekster tot aan de deur. Daar boog zij op eene spookachtige, standbeeldachtige manier haar hoofd, en toen begaf zij zich naar haar rijtuig, om in de armen van Chick, haar heer, heul en troost te zoeken.
Dat is te zeggen, figuurlijk gesproken, want Chick had zijne armen al vol met zijne courant. Ook richtte hij zijne oogen niet naar zijne vrouw dan alleen tersluiks; en hij bood haar ook hoegenaamd geen troost aan. Kortom hij bleef zitten lezen en brokken van wijsjes neuriën, en somtijds zijdelings naar haar kijken, zonder een enkel woord te spreken, goed, kwaad of onverschillig.
Intusschen zat mevrouw Chick haar hoofd te draaien en in den nek te zetten en zich op te blazen, alsof zij nog dat plechtig afscheidsformulier aan Lucretia Tox herhaalde. Eindelijk zeide zij overluid: “O, hoe zijn mij vandaag de oogen opengegaan!”
“Waarvoor zijn u de oogen opengegaan, vrouwlief?” zeide Chick.—“Och, spreek maar niet tegen mij,” antwoordde zijne echtgenoote. “Als ge mij zóó kunt zien, zonder eens te vragen wat mij scheelt, moest ge liever maar geheel zwijgen.”—“Wat scheelt er dan aan, lieve?” vroeg Chick.—“Te denken,” zeide mevrouw Chick, bij wijze van alleenspraak, “dat zij ooit het lage denkbeeld zou hebben opgevat om zich met onze familie te verbinden door een huwelijk met Paul! Te denken dat toen zij paardje speelde met het lieve kind dat nu in zijn graf ligt—het beviel mij toen ook al nooit—er zulke slinksche oogmerken achter scholen! Het verbaast mij dat zij nooit bang werd dat haar iets overkomen zou. Zij is wel gelukkig als dat niet gebeurt.”—“Ik dacht waarlijk, lieve,” zeide Chick, nadat hij een poosje zijn neus met zijne courant had gewreven, “dat gij aldoor hetzelfde op het oog hadt, tot van morgen toe; en het wel aardig zoudt gevonden hebben, als het er toe had kunnen komen.”
Mevrouw Chick barstte dadelijk in tranen uit, en zeide haar echtgenoot, dat hij, als hij met zijne laarzen op haar wilde trappen, het liever maar doen moest.
“Maar met Lucretia heb ik afgedaan,” zeide mevrouw Chick, nadat zij zich, tot groote ontsteltenis van mijnheer Chick, eenige minuten lang aan hare aandoeningen had overgegeven. “Ik kan het wel dragen dat ik Paul’s vertrouwen moet afstaan ter gunste van iemand, van wie ik hoop en vertrouw dat zij het verdienen zal, en die hij alle recht heeft om voor de arme Fanny in de plaats te stellen; ik kan het verdragen[208]dat Paul mij op zijne koele manier van zulk eene verandering in zijne plannen onderricht, en dat ik niet geraadpleegd word eer alles besloten en bepaald is; maar bedrog kan ik niet verdragen, en met Lucretia Tox heb ik afgedaan. Het is beter zoo,” zeide zij, met eene vrome berusting, “veel beter. Het zou lang geduurd hebben eer ik na dit alles weder op mijn gemak met haar was geweest, en ik weet waarlijk niet, daar Paul als een groot heer zal gaan leven en zij van afkomst zijn, of zij eigenlijk wel presentabel zou zijn en ik mij zelve niet zou gecompromitteerd hebben. Er is eene voorzienigheid in alle dingen; ik ben vandaag zwaar beproefd, maar over het geheel spijt het mij niet.”
In dezen Christelijken geest droogde mevrouw Chick hare oogen af, streek hare japon glad en bleef zitten kijken gelijk iemand past die onder eene zware verongelijking kalm blijft. Haar echtgenoot, zonder twijfel zijne onwaardigheid gevoelende, nam spoedig eene gelegenheid waar om zich aan den hoek eener straat te laten afzetten, en kuierde fluitend heen, met hoog opgetrokken schouders en de handen in de zakken.
De arme veroordeelde jufvrouw Tox, die, als zij eene pluimstrijkster en fleemster was, dit ten minste met alle oprechtheid was, die hare aanklaagster altijd eene hartelijke vriendschap had toegedragen, en de grootheid van Dombey met diep gevoelden eerbied had gehuldigd—de arme veroordeelde en verworpene jufvrouw Tox begoot ondertusschen hare bloemen met hare tranen en gevoelde dat het inPrincess’s Placewinter was geworden.