[Inhoud]XXXII.DE HOUTEN ADELBORST IN DEN ROUW.De brave kapitein Cuttle verzuimde, toen de weken in zijne versterkte schuilplaats voor hem voorbijvlogen, zonder dat zijne vijandin verscheen, geenszins zijne voorzichtige voorzorgen tegen eene verrassing. De kapitein beredeneerde dat zijne tegenwoordige veiligheid al te verwonderlijk was om veel langer te kunnen duren; hij wist dat, als de wind in een gunstigen hoek stond, de windvaan daar zelden vastgespijkerd bleef, en hij was al te wel bekend met het onverschrokken en doorzettend karakter van jufvrouw MacStinger, om er aan te twijfelen of deze heldhaftige vrouw had zich terstond toegewijd aan de taak om hem op te zoeken en weder gevangen te nemen. Bevende onder het gewicht dezer redenen, leidde kapitein Cuttle een zeer stil en afgezonderd leven. Zelden waagde hij zich buiten de deur dan na den donker, en dan zelfs alleen in de donkerste straten; op zondag ging hij geheel niet uit, en zoowel binnen als buiten de muren zijner schuilplaats vermeed hij vrouwenhoeden, alsof deze door woedende leeuwen werden gedragen.Het kwam den kapitein nooit in het hoofd, dat het, als jufvrouw MacStinger hem eens op eene wandeling aangreep, hem mogelijk zou zijn om tegenstand te bieden. Hij gevoelde wel dat dit niet aanging. Hij zag zich zelven, in zijne verbeelding, gedwee in eene huurkoets zetten en naar zijne oude woning terugbrengen. Hij voorzag dat hij, eens daar gekerkerd, een verloren man was—zonder hoed, met jufvrouw MacStinger nacht en dag op de wacht, met verwijten overladen ten aanhoore der kleine familie, het schuldige voorwerp van wantrouwen en achterdocht, in de oogen der kinderen een wildeman, en in die hunner moeder een betrapte verrader.Altijd kreeg de kapitein eene geweldige uitwaseming en eene diepe neerslachtigheid, als dit somber tafereel voor zijne verbeelding oprees. Doorgaans deed het dit voordat hij des avonds de deur uitsloop om wat lucht en beweging te hebben. Bewust van het gevaar waaraan hij zich blootstelde, nam de kapitein alsdan afscheid van Rob, met den plechtigen ernst van een man die misschien nooit zou terugkomen; en vermaande hem, in geval hij (de kapitein) eene poos onzichtbaar werd, om het pad der deugd te blijven bewandelen, en de koperen instrumenten blinkend gepoetst te houden.Maar om niets te verzuimen en zich in geval van het ergste, een middel te verzekeren om met de buitenwereld gemeenschap te houden, kwam kapitein Cuttle weldra op het gelukkige denkbeeld om Rob den Slijper een geheim teeken te leeren, waardoor hij zijne aanwezigheid en trouw, in het uur van tegenspoed, aan zijn kommandant zou kunnen te kennen geven. Na veel overwegens deed de kapitein de keus om hem het zeemansliedje “Vroolijk, vroolijk!” te leeren fluiten; en toen Rob de Slijper het daarin zoo nabij de volmaaktheid had gebracht als een landsman kon hopen, drukte de kapitein hem deze geheimzinnige onderrichtingen op het hart:“Sta vast nu, mijn jongen. Als ik ooit gepakt word …”—“Gepakt, kapitein!” viel Rob er op in, met zijne ronde oogen wijd open.—“Dat wil zeggen,” hernam kapitein Cuttle somber, “als ik ooit heenga, met gedachte om voor het avondeten terug te komen, en mij niet weer laat praaien, ga dan vier en twintig uren na mijn verlies naarBrig Placeen fluit dat deuntje dicht bij mijne oude ankerplaats—niet alsof ge dat zoo met opzet kwaamt doen, verstaat ge wel, maar alsof ge daar zoo bij geval naartoe waart gedreven. Als ik met datzelfde deuntje antwoord, mijn jongen, loop dan heen en kom vier en twintig uren later terug; en[225]als ik met een ander deuntje antwoord, houd dan af en aan, en wacht tot ik verdere seinen geef. Hebt ge dat goed begrepen?”—“Wat moet ik af- en aanhouden, kapitein?” vroeg Rob. “Het deuntje?”—“Dat is een knappe jongen!” zeide de kapitein, hem barsch aanziende, “die zijn a b c nog niet kent. Kuier een eindje voort, en kom dan weer terug, en zoo beurt om beurt—verstaat ge dat?”—“Ja, kapitein,” zeide Rob.—“Heel goed, mijn jongen,” zeide de kapitein, al weder vriendelijk. “Doe het dan zoo!”Met eene vrije, vaste hand teekent de bruid haar naam in het register. (blz. 220).Met eene vrije, vaste hand teekent de bruid haar naam in het register.(blz. 220).Opdat hij het te beter zou doen, hield kapitein Cuttle somtijds des avonds, als de winkel gesloten was, repetitie van het tooneel. Hij ging tot dat einde in het achterkamertje, als het vooronderstelde huis van jufvrouw MacStinger, en lette zorgvuldig op het gedrag van zijn bondgenoot, door het kijkgaatje dat hij in den muur had gemaakt. Rob de Slijper kweet zich, als hij aldus op de proef werd gesteld, met zooveel nauwkeurigheid en schranderheid van zijne taak, dat de kapitein hem van tijd tot tijd, ten blijke zijner tevredenheid, zeven halve schellingen vereerde, en langzamerhand de berusting van een man begon te gevoelen, die zich op het ergste heeft gewapend en alle redelijke voorzorgen tegen een onverzoenlijk noodlot heeft genomen.Evenwel tartte de kapitein het ongeluk niet door een stipje meer te wagen dan te voren. Hoewel hij het, als vriend van de familie, een punt van beleefdheid achtte de trouwplechtigheid bij te wonen (waarvan hij door Perch gehoord had) en Dombey van de galerij een vroolijk en goedkeurend gelaat te toonen, had hij zich in eene huurkoets met opgehaalde blindjes naar de kerk begeven; en zou hij misschien, in zijne angst voor jufvrouw MacStinger, zelfs dit niet gewaagd hebben, indien de trouw, waarmede deze dame de vermaningen van den eerwaarden Melchizedek bijwoonde, het niet zeer onwaarschijnlijk had gemaakt dat men haar ooit in eenige gemeenschap met de gevestigde kerk zou vinden.De kapitein kwam veilig weder thuis, en viel wederom in den gewonen sleur van zijn nieuw leven, zonder meer door de gedachte aan zijne vijandin ontrust te worden, dan bij het dagelijksch gezicht van vrouwenhoeden op straat[226]onvermijdelijk was. Maar andere dingen begonnen den kapitein zwaar op het hart te wegen. Men had nog niets van Walter’s schip gehoord. Er kwam geene tijding van den ouden Sam Gills. Florence wist niet eens dat de oude man verdwenen was, en kapitein Cuttle had het hart niet om het haar te zeggen. Naarmate de kapitein zijne hoop voor den knappen, edelaardigen jonkman, dien hij, op zijne ruwe manier, van een kind af had liefgehad, voelde verdwijnen, werd hij ook huiveriger om een woord met Florence te wisselen. Als hij haar goed nieuws had kunnen brengen, zou de goede kapitein het nieuw opgemaakte huis en de prachtige meubelen hebben gebraveerd—hoewel deze, in verband met de dame die hij in de kerk gezien had, hem zeer geducht voorkwamen—en Florence hebben gaan opzoeken. Maar toen de gezichteinder hunner gemeenschappelijke hoop betrok en met ieder uur donkerder werd, was het den kapitein te moede, alsof hij maar een nieuw ongeluk voor haar zou zijn, en was hij nauwelijks minder bevreesd voor een bezoek van Florence, dan voor een van jufvrouw MacStinger.Het was een kille, donkere najaarsavond, en kapitein Cuttle had vuur in het achterkamertje laten aanleggen, dat nu meer dan ooit naar de kajuit van een schip geleek. Het regende hard en het waaide hard; en langs het stormachtige slaapkamertje van zijn vriend naar het plat op het dak gaande om het weder waar te nemen, gevoelde de kapitein zich het hart wegzinken, toen hij zag hoe woest en bar het was. Niet dat hij het weder van dien tijd met het lot van den armen Walter in verband bracht, of er aan twijfelde dat, indien de Voorzienigheid hem had veroordeeld om schipbreuk te lijden en te vergaan, alles reeds lang voorbij was; maar die uitwendige invloed, geheel onderscheiden van het onderwerp zijner gedachten, drukte den kapitein toch nog meer ter neer en deed zijne hoop nog dieper wegzinken, gelijk dikwijls wijzer mannen dan hem gebeurd is en nog dikwijls gebeuren zal.Met zijn gezicht naar den scherpen wind en den schuins voortgejaagden regen gekeerd, zag kapitein Cuttle naar de donkere wolken op, die over de woestijn van daken heenvlogen, en zocht vruchteloos naar iets vervroolijkends. Het uitzicht dichtbij was niet beter. In eenige oude theekisten en andere ruwe hokken aan zijne voeten, zaten de duiven van Rob den Slijper zwaarmoedig te kirren. Eene wrakke windvaan, die het fatsoen van een adelborst had en eens van de straat zichtbaar was geweest, maar lang door hooger opgetrokken muren was omsingeld, piepte en knarste op hare roestige spil, terwijl de rukwinden haar spelend lieten draaien. Op het grove, blauwe vest des kapiteins lagen de regendruppels als stalen kralen, en hij kon zich nauwelijks schuins vooroverhellende tegen den stijven noordwester inzetten, die hem over de borstwering heen beneden op de straatsteenen scheen te willen smijten. Als er dien avond nog hoop leefde, dacht de kapitein, terwijl hij zijn hoed vasthield, bleef zij zeker in huis en was dus in de vrije lucht niet te vinden. Zwaarmoedig zijn hoofd schuddende, ging de kapitein naar binnen, om haar te zoeken.Langzaam naar het achterkamertje afgedaald en op zijn gewonen stoel gezeten, zocht kapitein Cuttle naar de hoop in het vuur; maar daar was zij niet, hoewel het helder brandde. Hij kreeg zijne tabaksdoos en zijne pijp, ging zitten rooken, en zocht de hoop in den rooden gloed van den kop, en de krullende rookwolkjes die zijne lippen uitbliezen; maar geen der beiden bevatte een greintje van den roest van het anker der hoop. Hij beproefde een glas grog; maar zwaarmoedige waarheid school op den bodem van dien put, en hij kon het glas niet uitdrinken. Hij ging den winkel een paar maal op en neer en zocht onder de instrumenten; maar zij werkten, in spijt van al wat hij daartegen doen kon, voor het vermiste schip eene rekening uit, die op den bodem der diepe zee eindigde.Terwijl de wind nog loeide en de regen nog tegen de luiken kletterde, bleef de kapitein voor den houten adelborst op de toonbank staan, en dacht, terwijl hij de uniform van het officiertje met zijne mouw afdroogde, hoevele jaren die adelborst had beleefd zonder dat hij bijna eenige veranderingen onder de bemanning van zijn schip had gezien—hoe die veranderingen als het ware allen op één dag waren gekomen, en hoe weinig er van het oude was overgebleven. Het kleine gezelschap in het achterkamertje was opgebroken en wijd en zijd verstrooid. Er waren geene toehoorders meer voor mooie Peggy, al was er iemand geweest om die ballade te zingen, en dat was zoo niet; want kapitein Cuttle was evenzeer overtuigd dat niemand behalve hij ze zingen kon, als dat hij onder deze omstandigheden geen lust had om het te beproeven. Er was geen helder gezicht van Walter meer in huis—hier liet de kapitein zijne mouw voor een oogenblik van de houten uniform naar zijne eigene wang dwalen—de pruik en de knoopen van Sam Gills waren een droombeeld uit het verledene; Richard Whittington was doodgeslagen; alle plannen en uitzichten, die met den adelborst in verband stonden, lagen zonder mast of roer op de waterwoestijn te drijven.Terwijl de kapitein, met een treurig gezicht, zoo stond te peinzen en den adelborst op te wrijven, gedeeltelijk uit teederheid voor dien ouden bekende, gedeeltelijk uit verstrooiing, gaf een kloppen aan de voordeur een schok[227]van schrik aan Rob den Slijper, die, op de toonbank geklommen, den kapitein met groote oogen zat aan te staren, en voor de vijfhonderdste maal bij zich zelven had overlegd, of de kapitein ook een moord kon begaan hebben, dat hij zulk een kwaad geweten had en telkens wegliep.“Wat is dat?” zeide kapitein Cuttle zachtjes.—“Iemand die aan de deur klopt, kapitein,” antwoordde Rob.Met een verslagen en schuldbewust gezicht, sloop de kapitein op de teenen naar het achterkamertje en sloot zich daarin op. Rob deed de deur open, en zou op den drempel eene onderhandeling met den vreemdeling hebben geopend, indien deze eene vrouwelijke gedaante had gehad; maar de gedaante had een mannelijk voorkomen, en daar Rob alleen ten aanzien van vrouwen voorzichtigheid was aanbevolen, hield hij de deur open en liet den onbekende binnentreden, hetgeen deze ook zeer spoedig deed, blijde om uit den regen te komen.“Een karweitje voor Burgess en Comp. in alle gevallen,” zeide de onbekende, met medelijden naar zijne beenen kijkende, die erg nat en met modder bespat waren. “O—hoe vaart ge, mijnheer Gills?”Deze begroeting was tot den kapitein gericht, die nu het achterkamertje uitkwam met eene ellendig mislukte poging om zich te houden alsof hij dit geheel toevallig deed.“Wel bedankt,” vervolgde de onbekende in denzelfden adem; “ik ben ook heel wel, zeer verplicht. Mijn naam is Toots—meneerToots.”De kapitein herinnerde zich dezen jongen heer bij de trouwplechtigheid gezien te hebben, en maakte eene buiging voor hem. Toots antwoordde met een gegrinnik; en daar hij, gelijk doorgaans, verlegen was, haalde hij zwaar adem, schudde den kapitein een langen tijd de hand, en keerde zich toen naar Rob den Slijper, dien hij, geene andere uitkomst meer wetende, insgelijks op de hartelijkste manier de hand schudde.“Zeg! ik zou gaarne eens een woordje met u spreken, mijnheer Gills, als het u belieft,” zeide Toots eindelijk, met verwonderlijke tegenwoordigheid van geest. “Zeg! jufvrouw D. O. M., weet ge wel!”Even ernstig en geheimzinnig, wuifde de kapitein met zijn haak naar het achterkamertje, waarheen Toots hem dan ook volgde.“O, neem mij niet kwalijk,” zeide Toots, naar den kapitein opkijkende, zoodra hij op een stoel zat, dien de kapitein voor hem bij het vuur had geschoven. “Gij kent bij geval den Kemphaan niet al? Doet ge, mijnheer Gills?”—“Den Kemphaan?” zeide de kapitein.—“Ja, mijn vriend den Kemphaan.”Daar de kapitein zijn hoofd schudde, legde Toots hem uit, dat de bedoelde vriend een vermaard publiek persoon was, die zich zelven en zijn vaderland met roem had bedekt in zijn kampgevecht met Nobby vanShropshire; maar dit bericht scheen den kapitein niet veel opheldering te geven.“Omdat hij buiten staat, anders niet,” zeide Toots. “Maar het is van geen beduiden; hij zal misschien niet heel nat worden.”—“Ik kan dadelijk order geven om hem binnen te laten,” zeide de kapitein.—“Wel, als ge zoo goed zoudt willen zijn om hem zoolang bij uw knechtje in den winkel te laten,” grinnikte Toots, “zou het mij pleizier doen, omdat hij, weet ge, licht iets kwalijk neemt, en de vochtigheid ook niet goed voor zijne gewrichten is.Ikzal hem wel binnenroepen, mijnheer Gills.”Daarmede ging Toots naar de voordeur en liet een eigenaardig gefluit hooren, hetwelk weldra een stoïcijnsch heerschap deed verschijnen, met eene ruige witte jas, een breedgeranden hoed, zeer kort haar, een platgedrukten neus, en vrij groote kale plekken achter de ooren.“Ga maar zitten, Kemphaan,” zeide Toots.De Kemphaan deed zulks, spuwde eenig stroo uit, waarop hij zich vergastte, en stak eenig nieuw in zijn mond, uit een voorraad dien hij in de hand had.“Er is geen dropje van iets of wat kort bij de hand?” zeide de Kemphaan in het algemeen. “Zulk een regenachtige avond deugt niet veel voor iemand die van zijne spieren moet leven.”Kapitein Cuttle bood hem een glas rum aan, hetwelk de Kemphaan, zijn hoofd achteroverhoudende, in zijne keel goot, alsof het in eene ton was, nadat hij de korte spreuk had geuit: “Op onze!” Daarop keerden Toots en de kapitein naar het achterkamertje terug; en toen zij bij het vuur zaten, begon Toots:“Mijnheer Gills …”—“Houdaar!” zeide de kapitein. “Mijn naam is Cuttle.”Toots keek zeer verslagen; terwijl de kapitein zeer ernstig vervolgde:“Kapitein Cuttle is mijn naam, enEngelandmijne natie, en tegenwoordig woon ik hier, gezegend zij de gratie—Job,” zeide de kapitein, als om aan te duiden waar hij deze spreuk vandaan had gehaald.—“Zoo! Ik zou mijnheer Gills niet kunnen zien, zou ik?” hervatte Toots. “Omdat …”—“Als gij Sam Gills kondt zien, jonge heer,” zeide de kapitein met nadruk, en legde zijne zware hand op Toots’ knie, “oude Sam, verstaat ge wel—met uwe eigene oogen—zooals ge daar zit—zoudt ge mij liever wezen dan een frissche wind van achteren voor een schip, dat acht dagen lang windstilte heeft gehad. Maar gij kunt Sam Gills niet zien. En waarom kunt gij dat niet?” zeide de kapitein, door het gezicht van Toots verwittigd,[228]dat hij een diepen indruk op des jonkmans gemoed maakte. “Omdat hij onzichtbaar is.”Toots wilde in zijne ontroering antwoorden dat dit van geheel geen beduiden was; maar hij bedacht zich nog en zeide: “God zegen me!”“Die man,” zeide de kapitein, “heeft mij hier in bewaring over zijn goed gelaten, door eene geschrevene aanstelling, maar hoewel hij zoo goed als mijn gezworen broeder was, weet ik evenmin waar hij naar toe is, of waarom hij is heengegaan—of het moest wezen om zijn neef op te zoeken, of misschien omdat hij niet recht bij zijne zinnen was—dan gij het weet. Op een ochtend vroeg,” zeide de kapitein, “ging hij over boord, zonder plof en zonder een rimpeltje in het water. Ik heb overal naar dien man gezocht, maar van dat uur af nooit weder iets van hem gehoord of gezien.”—“Maar, mijn goede hemel, jufvrouw Dombey weet niet,” begon Toots.—“Wel, ik vraag u als een jong mensch met een gevoelig hart,” zeide de kapitein, zijne stem latende dalen, “waarom zou zij het weten? Waarom zou men het haar zeggen, of het moest wezen dat het niet anders kon? Zij had zich aan den ouden Sam Gills gehecht met eene hartelijkheid, met een—wat behoeft het gezegd te worden? Gij kent haar toch.”—“Dat zou ik hopen,” giggelde Toots, terwijl een blos van verlegenheid geheel zijn gezicht overspreidde.—“En komt gij van haar af hier naar toe?” zeide de kapitein.—“Dat zou ik denken,” giggelde Toots.—“Dan heb ik alleen maar te zeggen,” hervatte de kapitein, “dat gij eene engelin kent en door eene engelin gestuurd wordt.”Toots vatte den kapitein dadelijk bij de hand en verzocht om de gunst van zijne vriendschap.“Op mijn woord van eer,” zeide Toots met ernst, “ik zou u zeer verplicht wezen als gij kennis met mij woudt houden. Ik zou u heel gaarne nader willen leeren kennen, kapitein. Ik heb waarlijk gebrek aan een vriend. Bij Blimber was kleine Dombey mijn vriend, en dat zou hij nog wezen, als hij was blijven leven. De Kemphaan,” zeide Toots, neerslachtig fluisterend, “is heel wel—bewonderenswaardig op zijne manier—misschien de slimste kerel van de wereld; er is geen streek dien hij niet weet, zegt iedereen—maar ik weet het niet—hij is toch alles niet. Gij vindt haar dus eene engelin, kapitein. Ja, als er ergens eene engelin is, dan is het jufvrouw Dombey. Dat heb ik altijd gezegd. Maar waarlijk, weet ge,” zeide Toots, “ge zoudt mij zeer verplichten als ge kennis met mij woudt houden.”Kapitein Cuttle ontving dit voorstel op eene beleefde manier, maar toch zonder zich tot het aannemen daarvan te verbinden, alleen zeggende: “Ja, ja, mijn jongen. Wij zullen zien, wij zullen zien;” en herinnerde Toots daarop aan het oogmerk zijner zending, door te vragen waaraan hij de eer van dit bezoek te danken had.“Wel, om de waarheid te zeggen,” antwoordde Toots, “kom ik van het meisje. Niet van jufvrouw Dombey—van Suze, weet ge.”De kapitein knikte eens, met een zeer ernstig gezicht, ten teeken, dat hij deze jonge juffer eene ware hoogachting toedroeg.“En ik zal u zeggen hoe dat zoo komt,” vervolgde Toots. “Gij weet, ik ga tusschenbeide wel eens bij jufvrouw Dombey aan. Ik ga daar niet met opzet naar toe, maar ik kom toevallig heel dikwijls in de buurt, en als ik daar kom—dan ga ik er eens aan.”—“Natuurlijk,” zeide de kapitein.—“Ja,” zeide Toots. “Zoo kwam ik daar van middag. Op mijn woord van eer, ik geloof niet dat het mogelijk is zich te verbeelden welk een engel jufvrouw Dombey van middag was.”De kapitein antwoordde, door zijn hoofd met een schok in den nek te werpen, waardoor hij aanduidde, dat dit voor sommige menschen niet gemakkelijk mocht wezen, maar voor hem heel gemakkelijk was.“Toen ik weder heenging,” zeide Toots, “bracht Suze mij heel onverwacht in de provisiekamer.”De kapitein scheen dit niet goed te keuren, liet zich in zijn stoel achteroverzakken en zag Toots aan, met een wantrouwig, zoo niet dreigend gezicht.“En daar liet zij mij deze courant zien,” zeide Toots. “Zij zeide mij, dat zij die den geheelen dag voor jufvrouw Dombey had weggehouden om iets dat er in stond over iemand, dien zij placht te kennen; en toen las zij het mij voor. Ja, goed. En toen zeide zij—wacht eens even—wat zeide zij ook weer?”Terwijl Toots al zijne geestvermogens op deze vraag poogde te richten, zag hij toevallig den kapitein in de oogen en ontstelde zoodanig van hunne barsche uitdrukking, dat hij daardoor nog minder den verloren draad zijner rede kon terugvinden.“O,” zeide Toots, na lang bedenken. “O ja! Zij zeide te hopen dat het nog mogelijk was, dat het niet waar zou zijn, en omdat zij niet wel zelve kon uitgaan, zonder dat jufvrouw Dombey er zich over zou verwonderen, of ik eens naar mijnheer Samuel Gills den instrumentmaker, hier in de straat, wilde gaan, en vragen of hij geloofde dat het waar was, of er in deCityiets anders van had gehoord. Zij zeide, als hij mij niet kon spreken, zou kapitein Cuttle dat zeker wel kunnen. A propos!” zeide Toots, toen deze ontdekking hem eensklaps inviel, “dat waart gij.”De kapitein keek naar de courant, die Toots in de hand had, en begon kort en snel adem te halen.“Wel,” vervolgde Toots, “de reden dat ik wat laat kom is, dat ik eerst heel naarFinchley[229]ben gegaan om wat buitengemeen mooi muurkruid, dat daar groeit, voor jufvrouw Dombey’s vogeltje te halen. Maar toen ben ik dadelijk hier naar toe gekomen. Gij zult de courant wel gezien hebben, denk ik?”De kapitein, die bang was om couranten te lezen, uit vrees van eene advertentie te vinden waarbij jufvrouw MacStinger eene premie voor hem uitloofde, schudde zijn hoofd.“Wil ik het u dan eens voorlezen?” vroeg Toots.Op een toestemmend teeken van den kapitein, las Toots het volgende uit de scheepstijdingen:“Southampton.Het barkschip de Speculatie, kapitein Henry James, heden in deze haven aangekomen, met eene lading suiker, koffie en rum, bericht, dat het op den zesden dag van deJamaica, op—dat is de breedte, weet gij wel,” zeide Toots na eene poging om de cijfers uit te spreken, en er over gestruikeld te zijn.“Ja wel,” zeide de kapitein, met zijne gebalde vuist op de tafel slaande. “Gang maar!”“Breedte dus,” hervatte Toots, eventjes verschrikt naar den kapitein opkijkende, “en lengte zooveel, windstilte heeft gehad, en de wacht toen, een half uur vóór zonsondergang, eenige stukken van een wrak heeft gezien, die op ongeveer een mijl afstands drijvende waren. Daar het weder helder was en de bark niet vorderde, werd er eene boot uitgezet om die voorwerpen nader op te nemen, en toen bevond men dat zij bestonden uit eenige groote rondhouten en een gedeelte der tuigage van eene Engelsche brik van omtrent vijfhonderd tonnen last, benevens een gedeelte van den achtersteven, waarop de woorden en letters “Zoon en E” nog duidelijk leesbaar waren. Geen lijk was op of tusschen de wrakken te zien. Het journaal van de Speculatie vermeldt verder, dat in den nacht de wind opstak, en het wrak dus niet meer gezien werd. Alle twijfelingen aangaande het lot van het vermiste schip, de Zoon en Erfgenaam, uit de haven vanLondennaarBarbadosuitgezeild, zijn daarmede opgelost. Het is nu zeker dat het in den laatsten orkaan is verbrijzeld, en allen die aan boord waren zijn omgekomen.”Gelijk het allen menschen gaat, wist kapitein Cuttle weinig hoeveel hoop er te midden van zijne hopeloosheid was blijven leven, tot hij haar den doodsteek voelde geven. Onder het lezen van dit bericht en nog een paar minuten later bleef hij den zedigen Toots als versteend zitten aanstaren. Toen stond hij eensklaps op, zette den blinkenden hoed op, dien hij ter eer van het bezoek op de tafel had gelegd, keerde zijn gast den rug toe en liet zijn hoofd op den schoorsteenmantel zakken.“Op mijn woord van eer,” zeide Toots, wiens teeder hart door de onverwachte droefheid des kapiteins getroffen was, “die wereld is toch een allerellendigst ding! Altijd sterft er iemand in, of wordt er iets onpleizierigs gedaan. Ik zou waarlijk nooit zoo verlangd hebben om aan mijn eigendom te komen, als ik dat geweten had. Ik heb nooit zulk eene wereld gezien. Het is nog veel erger dan bij Blimber.”Zonder van houding te veranderen, gaf de kapitein Toots een teeken om zich maar niet aan hem te storen, en weldra keerde hij zich om, met den blinkenden hoed op de ooren geduwd, en streek met zijne hand zijn bruin gezicht effen.“Walter, mijn lieve beste jongen,” zeide de kapitein, “vaarwel! Walter, als kind, als jongen en als man heb ik u liefgehad. Hij was mijn vleesch en bloed niet,” zeide de kapitein, naar het vuur kijkende,—“dat heb ik niet—maar iets van wat een vader gevoelt als hij een zoon verliest, gevoel ik nu ik Walter verlies. En waarom?” zeide de kapitein. “Omdat het niet één verlies is, maar wel een dozijn verliezen. Waar is dat aardige schoolknaapje met zijn blozend gezichtje en krullende haren, dat hier zoo vroolijk placht te wezen als een stukje dansmuziek? Met Walter verdronken. Waar is de frissche jongen, die nooit moe kon worden, en die zoo rood werd als wij hem met hartediefje plaagden, dat het een lust was om hem aan te zien? Met Walter verdronken. Waar is die jonkman vol geest en vuur, die den ouden man geen oogenblik neerslachtig kon zien, maar om zich zelven niet het minste gaf? Met Walter verdronken. Het is niet één Walter. Er waren wel een dozijn Walter’s die ik kende en liefhad, die hem allen om den hals hielden toen hij naar beneden zonk, en die mij nu om den hals houden!”Toots bleef stil zitten, en vouwde de courant op zijne knie zoo klein mogelijk op.“En Sam Gills,” zeide de kapitein, in het vuur starende, “arme oude Sam Gills, die nu geen neef meer heeft, waar zijtgijnaar toe? Hij had u aan mij toevertrouwd; zijne laatste woorden waren: “Pas op mijn oom.” Wat is u overkomen, Sam Gills, dat ge van Ned Cuttle zijt weggeloopen, en wat zal ik hem van u verantwoorden? Sam Gills, Sam Gills,” zeide de kapitein, langzaam zijn hoofd schuddende, “als gij die courant onder de oogen krijgt, ver van huis, en met niemand, die Walter gekend heeft, om u een woordje toe te spreken, dan zult gij er niet tegen bestand zijn!”Een zwaren zucht slakende, keerde de kapitein zich naar Toots, alsof hij nu eerst bedacht dat deze tegenwoordig was.“Mijn jongen,” zeide de kapitein, “gij moet dat meisje eerlijk zeggen dat die ongelukkige tijding maar al te waar is. Zij schrijven geene romannetjes van zulke dingen, ziet ge. Het staat in het scheepsjournaal, en dat is het waarste boek dat iemand kan schrijven. Morgenochtend zal ik eens uitgaan en navraag doen; maar er[230]zal niets goeds van komen. Dat kan het niet. Als gij later op den dag eens bij mij wilt komen, zult gij vernemen wat ik gehoord heb. Maar zeg het meisje uit naam van kapitein Cuttle, dat alles voorbij is. Voorbij!”De kapitein nam zijn blinkenden hoed af, haalde zijn zakdoek uit den bol, wreef er wanhopig zijn grijzend hoofd mede, en smeet hem weder in den hoed, met de onverschilligheid der diepste neerslachtigheid.“O, ik verzeker u,” zeide Toots, “dat het mij vreeselijk spijt. Op mijn woord, dat doet het, schoon ik den persoon niet gekend heb. Denkt gij dat jufvrouw Dombey erg aangedaan zal zijn, kapitein Gills—ik wil zeggen, mijnheer Cuttle?”,—“Wel, mijn hemel,” antwoordde de kapitein, met zeker medelijden met Toots’ onnoozelheid. “Toen zij nog niet grooter was dan zóó, waren zij al zoo teer voor elkander als twee jonge duifjes.”—“Zoo, waarlijk,” zeide Toots, wiens gezicht aanmerkelijk langer werd.—“Zij waren voor elkander geschapen,” zeide de kapitein droevig. “Maar wat beduidt dat nu?”—“Op mijn woord van eer,” riep Toots, zijne woorden tusschen eene zonderlinge mengeling van gegiggel en halve snikken uitstootende, “er heeft mij nooit iets zoo gespeten. Gij moet weten, kapitein Gills, ik—ik aanbid jufvrouw Dombey—ik—ik ben geheel van mijne streek van liefde voor haar.” De heftigheid waarmede deze bekentenis zich den ongelukkigen Toots afdwong, bewees het ernstige van zijn gevoel. “Maar wat zou het baten dat ik haar liefhad, als ik niet waarlijk spijt had van haar verdriet, wat er ook de reden van mocht wezen. Mijne genegenheid is niet zelfzuchtig, moet ge weten,” zeide Toots, wiens vertrouwen door de teerhartigheid des kapiteins, waarvan hij getuige was geweest, werd uitgelokt. “Het is bij mij zoo iets, kapitein Gills, dat als ik mij kon laten overrijden—of laten vertrappen—of van eene groote hoogte afsmijten—of iets van dien aard—ten genoegen van jufvrouw Dombey, het waarlijk het verrukkelijkste zou zijn dat mij kon gebeuren.”Dit alles zeide Toots met eene gesmoorde stem, opdat het de ijverzuchtige ooren van den Kemphaan niet zou bereiken, die alle zachte aandoeningen afkeurde; en dit bedwang, met de kracht van zijn gevoel vereenigd, deed hem rood worden tot aan de lapjes van zijne ooren, en maakte hem in de oogen van kapitein Cuttle tot zulk een aandoenlijk schouwspel van onbaatzuchtige liefde, dat de goede kapitein hem troostend op den rug klopte en vermaande om zich maar wat op te beuren.“Dankje wel, kapitein Gills,” zeide Toots, “het is wel vriendelijk van u, onder al uw eigen verdriet, dat ge dat zegt. Gelijk ik al vroeger gezegd heb, ik heb waarlijk gebrek aan een vriend, en ik zou blij zijn als gij kennis met mij woudt houden. Schoon ik er heel goed in zit,” zeide Toots met vuur, “kunt gij u toch niet verbeelden welk een ellendeling ik ben. De wufte menigte, weet gij, als zij mij met den Kemphaan en andere personen van onderscheiding ziet, houdt mij voor gelukkig, maar ik ben rampzalig. Ik martel mij zelven met jufvrouw Dombey, kapitein Gills. Ik kan haast niet eten. Ik heb geen pleizier in mijn kleermaker. Ik huil dikwijls als ik alleen ben. Ik verzeker u, het zal een genoegen voor mij zijn als ik morgen en nog vijftigmaal terug mag komen.”Met deze woorden drukte Toots den kapitein de hand, en zijn best doende om de sporen zijner aandoening voor den scherpen blik van den Kemphaan te verbergen, ging hij dezen uitstekenden persoon in den winkel opzoeken. De Kemphaan, die licht jaloersch werd, zag den kapitein met alles behalve gunstige oogen aan, maar volgde zijn patroon zonder eenig ander blijk van misnoegen te geven; en liet den kapitein diep ter neer geslagen, en Rob den Slijper opgetogen van blijdschap omdat hij de eer had gehad van een halfuur lang den overwinnaar van Nobby van Shropshire aan te staren.Lang na dat Rob in zijn bed onder de toonbank gerust was ingeslapen, zat de kapitein nog in het vuur te kijken, en lang na dat er geen vuur meer was om naar te kijken, zat de kapitein nog naar de roestige traliën te turen, terwijl nuttelooze gedachten aan Walter en den ouden Sam hem het hoofd verwarden. Toen hij zich naar het stormachtige kamertje boven in huis begaf, kon hij daar ook niet rusten, en des morgens stond hij onverkwikt en treurig op.Zoodra de kantoren in de stad open waren, ging de kapitein uit om zich naar dat van Dombey en Zoon te begeven. Maar de vensters van den houten adelborst werden dien ochtend niet geopend. Op last van den kapitein liet Rob de Slijper de luiken voor, zoodat het huis een sterfhuis geleek.Bij toeval ging Carker de chef juist het kantoor in, toen de kapitein aan de deur kwam. Carker’s groet met ernstig stilzwijgen aannemende, was de kapitein zoo vrij om met hem naar de kamer te gaan.“Wel, kapitein Cuttle,” zeide Carker, zich in zijne gewone houding voor den haard plaatsende en zijn hoed ophoudende, “dat is een leelijk geval.”—“Gij hebt dus de tijding gekregen, die gisteren in de courant stond, mijnheer?” zeide de kapitein.—“Ja,” zeide Carker, “wij hebben ze ontvangen. Het is maar zoo. De assuradeurs lijden een aanmerkelijk verlies. Het spijt ons zeer, maar er is niet aan te doen. Zoo gaat het in de wereld!”Carker sneed zijne nagels voorzichtig met een pennemes, en glimlachte tegen den kapitein, die hem bij de deur stond aan te zien.“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man, en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen hebben.” (blz. 231).“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man, en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen hebben.”(blz. 231).[231]“Het spijt mij zeer van den armen Gay,” zeide Carker, “en van het scheepsvolk. Ik hoor dat er sommige van onze knapste lui onder waren. Dat gaat altijd zoo. Velen met huishoudens ook. Een troost dat Gay geen huishouden had, kapitein Cuttle!”De kapitein wreef zijne kin en bleef Carker staan aanzien. Carker keek nu eens naar de ongeopende brieven op zijn lessenaar en nam de courant op.“Is er iets dat ik voor u doen kan, kapitein Cuttle?” vroeg hij, van de courant opkijkende, met een glimlach en een veelbeduidenden blik naar de deur.—“Ik wenschte dat ge mij goed kondt geruststellen, mijnheer, over iets waar ik ongerust over ben,” antwoordde de kapitein.—“Zoo!” zeide Carker. “Wat is dat dan?Kom aan, kapitein Cuttle, ik moet u verzoeken om u wat te haasten. Ik heb veel te doen.”—“Ziet ge, mijnheer,” zeide de kapitein, een stap nader komende, “eer mijn vriend Walter op die heillooze reis uitging …”—“Kom, kom, kapitein Cuttle,” viel de glimlachende Carker er op in, “spreek zoo niet van heillooze reizen. Daar weten wij hier niet van. Gij moet vandaag al vroeg aan uw rantsoen zijn begonnen, als gij niet bedenkt dat alle reizen, ter zee of te land, hare gevaren hebben. Gij maakt u toch niet ongerust over de gedachte dat de jonge—hoe heet hij ook weer—vergaan zou zijn in slecht weer, dat aan dit kantoor tegen hem werd afgezonden—doet ge? Foei, kapitein! Uitslapen en sodawater zijn de beste middelen tegen zulke ongerustheid.”—“Mijn jongen,” antwoordde de kapitein langzaam—“ge zijt haast nog een jongen bij mij, en dus vraag ik geen excuus dat dit woord mij ontvalt—als gij pleizier hebt in die aardigheid, zijt ge de man niet waar ik u voor hield. En als gij de man niet zijt waar ik u voor hield, heb ik misschien wel reden om ongerust te zijn. De zaak is zóó gelegen, mijnheer Carker.—Eer die arme jongen heenging, zooals hem gelast was, zeide hij mij dat hij niet tot zijn bestwil of voor zijne bevordering heenging, dat wist hij wel. Ik dacht toen dat hij dit verkeerd had, en zeide hem dat; en toen kwam ik hier, daar uw patroon er niet was, om u op eene beleefde manier een paar vragen te doen, tot mijne eigene geruststelling. Die vragen hebt gij beantwoord—vrijwillig. Nu zal het mij wederom geruststellen—nu alles voorbij is, en wat men niet verhelpen kan moet men maar dragen; gij, als een geleerde, kunt het boek wel nazien waar dat in staat, en zet er dan een streepje bij als gij het vindt—kortom, om nog eens te hooren dat ik mijn plicht niet heb verzuimd toen ik den ouden man niet zeide wat Walter mij gezegd had; en dat hij waarlijk den wind in het zeil had toen hij naarBarbadosuitliep. Mijnheer Carker,” zeide de kapitein, in zijne goedhartigheid, “toen ik laatst hier was, waren wij heel pleizierig met elkander. Als ik van morgen niet zoo heel pleizierig ben, om reden van dien armen jongen, en mij driftig gemaakt heb over een zeggen van u dat ik goed had moeten opnemen, mijn naam is Edward Cuttle, en ik vraag u excuus.”—“Kapitein Cuttle,” antwoordde Carker, met alle mogelijke beleefdheid, “ik moet u om eene gunst verzoeken.”—“En wat is dat, mijnheer?” vroeg de kapitein.—“Dat gij zoo goed zijt om u weg te pakken, als het u belieft,” antwoordde Carker, zijn arm uitstekende, “en met uwe borrelpraatjes ergens anders heen te gaan.”Elke knobbel van des kapiteins gezicht verbleekte van verbazing en verontwaardiging; zelfs de roode streep op zijn voorhoofd verdween, gelijk een regenboog tusschen samengepakte wolken.“Ik zal u eens wat zeggen, kapitein Cuttle,” vervolgde Carker, zijn vinger tegen hem schuddende en hem al zijne tanden toonende, maar nog vriendelijk glimlachend. “Ik heb veel te veel verschooning voor u gehad toen gij de vorige maal hier waart. Gij behoort tot een doortrapt en onbeschaamd slag van menschen. Uit verlangen om dien jongen—hoe heet hij ook weer—er voor te bewaren dat hij ridderlijk hier vandaan geschopt werd, mijn goede kapitein, heb ik geduld met u gehad, doch maar voor eens en niet meer. Ga nu heen, mijn vriend!”De kapitein stond aan den grond vastgeworteld en sprakeloos.“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man, en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen hebben. Als mijnheer Dombey hier was, kapitein, zoudt ge misschien op eene schandelijker manier hier vandaan komen. Ik zeg maar, ga heen.”De kapitein legde zijne zware hand op zijne borst om zich zelven te helpen om diep adem te halen, nam Carker van het hoofd tot de voeten op en keek toen in het kamertje rond, alsof hij niet duidelijk begreep waar hij was of in welk gezelschap.“Gij zijt slim, kapitein Cuttle,” vervolgde Carker met de luchtige rondborstigheid van een man naar de wereld, die de wereld te wel kende om zich uit zijn humeur te laten brengen door de ontdekking van een wanbedrijf dat hem niet onmiddellijk aanging; “maar gij zijt toch niet geheel ondoorgrondelijk—en uw afwezige vriend ook niet, kapitein. Wat hebt ge met uw afwezigen vriend gedaan, zeg?”Wederom legde de kapitein de hand op de borst. Na nog eens diep adem te hebben gehaald, bezwoer hij zich zelven met een “sta vast!” maar fluisterend.“Gij smeedt aardige komplotjes, en maakt[232]aardige afspraakjes, en krijgt ook aardige visites, niet waar, kapitein?” zeide Carker, zijne wenkbrauwen samentrekkende, zonder daarom minder zijne tanden te toonen; “maar het is wat al te stout om naderhand nog hier te komen. Dat gelijkt niet naar uwe gewone voorzichtigheid. Gij komplottenmakers, wegschuilers en wegloopers, moest beter weten. Wilt ge nu zoo goed zijn om heen te gaan?”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein met eene gesmoorde en bevende stem, en eene zonderlinge beweging in zijne zware vuist, “er zijn vele woorden, die ik u zou willen zeggen, maar ik weet ze op het oogenblik niet recht te vinden. Mijn jonge vriend, Walter, is pas gisteravond verdronken, volgens mijne rekening, en dat brengt mij van mijne streek, ziet ge. Maar gij en ik zullen elkander wel eens weder voor den boeg komen, mijn jongen,” zeide de kapitein, zijn haak ophoudende, “als wij het beleven.”—“Het zal alles behalve slim van u zijn, mijn goede man, als wij dat doen,” antwoordde Carker, met dezelfde rondborstigheid, “want gij kunt er op aan, ik waarschuw u vooruit, dat ik u zal ontmaskeren en ten toon stellen. Ik wil niet zeggen dat ik beter ben dan anderen, mijn goede kapitein, maar ik zal het vertrouwen van dit kantoor, of een lid van dit kantoor, toch niet laten misbruiken en ondermijnen, zoolang ik ooren en oogen heb. Goedendag!” zeide Carker knikkende.Hem strak aanziende (Carker zag hem even strak aan) ging de kapitein de kamer uit, en liet hem wijdbeens voor het vuur staan, zoo kalm en zoo genoeglijk, alsof er niet meer vlekken op zijne ziel waren dan op zijn sneeuwwit linnen of zijne gladde huid.Toen de kapitein het groote kantoor doorkwam, keek hij even naar den lessenaar, waaraan hij wist dat de arme Walter placht te zitten, en waaraan nu een andere jonge knaap zat, met een gezicht bijna even frisch als het zijne, toen zij in het achterkamertje die kostbare flesch ouden madera (de laatste op een na) met elkander ledigden. De aldus opgewekte herinneringen deden den kapitein veel goed; op het toppunt zijner gramschap verteederden zij hem en deden hem de tranen in de oogen komen.Wederom bij den houten adelborst in een hoekje van den donkeren winkel gezeten, kon des kapiteins verontwaardiging, hoe sterk zij ook was, het niet tegen zijne droefheid uithouden. Zijne hartstochtelijkheid scheen niet alleen de nagedachtenis van den doode te beleedigen, maar ook bij de gedachte daaraan van zelf weg te kwijnen. Al de levende schelmen en logenaars van de wereld waren niets bij de oprechtheid en trouw van den eenen dooden vriend.Het eenige dat de brave kapitein in dezen gemoedstoestand duidelijk kon zien, behalve het verlies van Walter, was, dat met hem bijna de geheele wereld van kapitein Cuttle verdronken was. Als hij het zich somtijds scherp verweet dat hij tot Walter’s onschuldig bedrog had medegeholpen, dacht hij ten minste even dikwijls aan den vorigen mijnheer Carker, dien geene zee ooit kon teruggeven; en den mijnheer Dombey, die hij nu begon te begrijpen, dat ver boven alle menschelijk bereik was; en het harteliefje waarmede hij nooit weder een woord zou spreken; en de mooie Peggy, die heerlijke ballade, nu eene reeks van rijmen zonder kracht of beteekenis. De kapitein zat in den donkeren winkel aan deze dingen te denken, zoodat hij de beleediging, die hij zelf ondergaan had, geheel vergat, en keek met zulke droevige oogen naar den grond, alsof hij de wrakken van al het verlorene daar werkelijk voorbij zag drijven.Maar de kapitein vergat toch niet om de nagedachtenis van den armen Walter zooveel eer te bewijzen als in zijn vermogen was. Zich zelven wakker schuddende, en ook Rob den Slijper wakker schuddende, (die in de onnatuurlijke schemering gerust zat te slapen) ging de kapitein, met dezen trawant op de hielen en den huissleutel in zijn zak, uit, en begaf zich naar een van die geriefelijke oude kleerenwinkels, waarvan men in het oosten vanLondenkeus genoeg heeft. Daar kocht hij twee rouwpakken—een voor Rob den Slijper, dat veel te klein, en een voor zich zelven dat veel te groot was. Hij voorzag Rob insgelijks van een hoed, die met geen bekend fatsoen was te vergelijken, maar het meest van een zuidwester had, en dus in een winkel van instrumenten eene gelukkige nieuwigheid was. In deze gewaden gedost, welke de verkooper verklaarde zoo wonderbaar te passen, dat dit alleen door een zeldzamen samenloop van gelukkige omstandigheden mogelijk was, stapten de kapitein en de Slijper weder naar huis, een schouwspel aanbiedende, dat ieder, die het zag, moest verbazen.In deze veranderde gedaante ontving de kapitein het volgende bezoek van Toots. “Ik ben op dit oogenblik wat van mijne streek, mijn jongen,” zeide de kapitein, “en zal maar alleen die slechte tijding bevestigen. Zeg dat meisje dat zij ze de jonge juffer voorzichtig moet zeggen, en dat zij ook geen van beiden meer om mij moeten denken—in het bijzonder, meen ik, begrijpt gij wel—schoon ik wel om ze denken zal, als des nachts de winden razen en de zeeën bergen hoog rollen—zie doctor Watts daar maar eens voor na, broeder, en als gij het vindt, zet er dan een streepje bij.”De kapitein stelde het tot gelegener tijd uit om Toots’ aanbod van vriendschap in overweging te nemen, en liet hem zoo gaan. De kapitein was zelf zoo neerslachtig, dat hij dien[233]dag half en half besloot om geene voorzorgen tegen eene verrassing van jufvrouw MacStinger meer te nemen, maar zich roekeloos aan het toeval over te geven en onverschillig te zijn voor wat er gebeuren mocht. Toen het echter avond werd, kwam hij in eene betere stemming, en sprak veel van Walter tot Rob den Slijper, wien hij insgelijks prees voor zijne oplettendheid en trouw. Rob bloosde hierover niet, maar zat den kapitein aan te staren en hield zich alsof hij van aandoening griende, maar onthield (die jonge spion) met veelbelovende valschheid ieder woord dat hij sprak.Dit in het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte. (blz. 233).Dit in het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte.(blz. 233).Toen Rob naar bed en in slaap was, snoot de kapitein de kaars, zette zijn bril op—hij had het, toen hij den instrumentenwinkel aanvaardde, voegzaam geacht zich een bril aan te schaffen, hoewel hij oogen had als een valk—en opende het gebedenboek bij het begrafenisformulier. Dit in het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte.[234]
[Inhoud]XXXII.DE HOUTEN ADELBORST IN DEN ROUW.De brave kapitein Cuttle verzuimde, toen de weken in zijne versterkte schuilplaats voor hem voorbijvlogen, zonder dat zijne vijandin verscheen, geenszins zijne voorzichtige voorzorgen tegen eene verrassing. De kapitein beredeneerde dat zijne tegenwoordige veiligheid al te verwonderlijk was om veel langer te kunnen duren; hij wist dat, als de wind in een gunstigen hoek stond, de windvaan daar zelden vastgespijkerd bleef, en hij was al te wel bekend met het onverschrokken en doorzettend karakter van jufvrouw MacStinger, om er aan te twijfelen of deze heldhaftige vrouw had zich terstond toegewijd aan de taak om hem op te zoeken en weder gevangen te nemen. Bevende onder het gewicht dezer redenen, leidde kapitein Cuttle een zeer stil en afgezonderd leven. Zelden waagde hij zich buiten de deur dan na den donker, en dan zelfs alleen in de donkerste straten; op zondag ging hij geheel niet uit, en zoowel binnen als buiten de muren zijner schuilplaats vermeed hij vrouwenhoeden, alsof deze door woedende leeuwen werden gedragen.Het kwam den kapitein nooit in het hoofd, dat het, als jufvrouw MacStinger hem eens op eene wandeling aangreep, hem mogelijk zou zijn om tegenstand te bieden. Hij gevoelde wel dat dit niet aanging. Hij zag zich zelven, in zijne verbeelding, gedwee in eene huurkoets zetten en naar zijne oude woning terugbrengen. Hij voorzag dat hij, eens daar gekerkerd, een verloren man was—zonder hoed, met jufvrouw MacStinger nacht en dag op de wacht, met verwijten overladen ten aanhoore der kleine familie, het schuldige voorwerp van wantrouwen en achterdocht, in de oogen der kinderen een wildeman, en in die hunner moeder een betrapte verrader.Altijd kreeg de kapitein eene geweldige uitwaseming en eene diepe neerslachtigheid, als dit somber tafereel voor zijne verbeelding oprees. Doorgaans deed het dit voordat hij des avonds de deur uitsloop om wat lucht en beweging te hebben. Bewust van het gevaar waaraan hij zich blootstelde, nam de kapitein alsdan afscheid van Rob, met den plechtigen ernst van een man die misschien nooit zou terugkomen; en vermaande hem, in geval hij (de kapitein) eene poos onzichtbaar werd, om het pad der deugd te blijven bewandelen, en de koperen instrumenten blinkend gepoetst te houden.Maar om niets te verzuimen en zich in geval van het ergste, een middel te verzekeren om met de buitenwereld gemeenschap te houden, kwam kapitein Cuttle weldra op het gelukkige denkbeeld om Rob den Slijper een geheim teeken te leeren, waardoor hij zijne aanwezigheid en trouw, in het uur van tegenspoed, aan zijn kommandant zou kunnen te kennen geven. Na veel overwegens deed de kapitein de keus om hem het zeemansliedje “Vroolijk, vroolijk!” te leeren fluiten; en toen Rob de Slijper het daarin zoo nabij de volmaaktheid had gebracht als een landsman kon hopen, drukte de kapitein hem deze geheimzinnige onderrichtingen op het hart:“Sta vast nu, mijn jongen. Als ik ooit gepakt word …”—“Gepakt, kapitein!” viel Rob er op in, met zijne ronde oogen wijd open.—“Dat wil zeggen,” hernam kapitein Cuttle somber, “als ik ooit heenga, met gedachte om voor het avondeten terug te komen, en mij niet weer laat praaien, ga dan vier en twintig uren na mijn verlies naarBrig Placeen fluit dat deuntje dicht bij mijne oude ankerplaats—niet alsof ge dat zoo met opzet kwaamt doen, verstaat ge wel, maar alsof ge daar zoo bij geval naartoe waart gedreven. Als ik met datzelfde deuntje antwoord, mijn jongen, loop dan heen en kom vier en twintig uren later terug; en[225]als ik met een ander deuntje antwoord, houd dan af en aan, en wacht tot ik verdere seinen geef. Hebt ge dat goed begrepen?”—“Wat moet ik af- en aanhouden, kapitein?” vroeg Rob. “Het deuntje?”—“Dat is een knappe jongen!” zeide de kapitein, hem barsch aanziende, “die zijn a b c nog niet kent. Kuier een eindje voort, en kom dan weer terug, en zoo beurt om beurt—verstaat ge dat?”—“Ja, kapitein,” zeide Rob.—“Heel goed, mijn jongen,” zeide de kapitein, al weder vriendelijk. “Doe het dan zoo!”Met eene vrije, vaste hand teekent de bruid haar naam in het register. (blz. 220).Met eene vrije, vaste hand teekent de bruid haar naam in het register.(blz. 220).Opdat hij het te beter zou doen, hield kapitein Cuttle somtijds des avonds, als de winkel gesloten was, repetitie van het tooneel. Hij ging tot dat einde in het achterkamertje, als het vooronderstelde huis van jufvrouw MacStinger, en lette zorgvuldig op het gedrag van zijn bondgenoot, door het kijkgaatje dat hij in den muur had gemaakt. Rob de Slijper kweet zich, als hij aldus op de proef werd gesteld, met zooveel nauwkeurigheid en schranderheid van zijne taak, dat de kapitein hem van tijd tot tijd, ten blijke zijner tevredenheid, zeven halve schellingen vereerde, en langzamerhand de berusting van een man begon te gevoelen, die zich op het ergste heeft gewapend en alle redelijke voorzorgen tegen een onverzoenlijk noodlot heeft genomen.Evenwel tartte de kapitein het ongeluk niet door een stipje meer te wagen dan te voren. Hoewel hij het, als vriend van de familie, een punt van beleefdheid achtte de trouwplechtigheid bij te wonen (waarvan hij door Perch gehoord had) en Dombey van de galerij een vroolijk en goedkeurend gelaat te toonen, had hij zich in eene huurkoets met opgehaalde blindjes naar de kerk begeven; en zou hij misschien, in zijne angst voor jufvrouw MacStinger, zelfs dit niet gewaagd hebben, indien de trouw, waarmede deze dame de vermaningen van den eerwaarden Melchizedek bijwoonde, het niet zeer onwaarschijnlijk had gemaakt dat men haar ooit in eenige gemeenschap met de gevestigde kerk zou vinden.De kapitein kwam veilig weder thuis, en viel wederom in den gewonen sleur van zijn nieuw leven, zonder meer door de gedachte aan zijne vijandin ontrust te worden, dan bij het dagelijksch gezicht van vrouwenhoeden op straat[226]onvermijdelijk was. Maar andere dingen begonnen den kapitein zwaar op het hart te wegen. Men had nog niets van Walter’s schip gehoord. Er kwam geene tijding van den ouden Sam Gills. Florence wist niet eens dat de oude man verdwenen was, en kapitein Cuttle had het hart niet om het haar te zeggen. Naarmate de kapitein zijne hoop voor den knappen, edelaardigen jonkman, dien hij, op zijne ruwe manier, van een kind af had liefgehad, voelde verdwijnen, werd hij ook huiveriger om een woord met Florence te wisselen. Als hij haar goed nieuws had kunnen brengen, zou de goede kapitein het nieuw opgemaakte huis en de prachtige meubelen hebben gebraveerd—hoewel deze, in verband met de dame die hij in de kerk gezien had, hem zeer geducht voorkwamen—en Florence hebben gaan opzoeken. Maar toen de gezichteinder hunner gemeenschappelijke hoop betrok en met ieder uur donkerder werd, was het den kapitein te moede, alsof hij maar een nieuw ongeluk voor haar zou zijn, en was hij nauwelijks minder bevreesd voor een bezoek van Florence, dan voor een van jufvrouw MacStinger.Het was een kille, donkere najaarsavond, en kapitein Cuttle had vuur in het achterkamertje laten aanleggen, dat nu meer dan ooit naar de kajuit van een schip geleek. Het regende hard en het waaide hard; en langs het stormachtige slaapkamertje van zijn vriend naar het plat op het dak gaande om het weder waar te nemen, gevoelde de kapitein zich het hart wegzinken, toen hij zag hoe woest en bar het was. Niet dat hij het weder van dien tijd met het lot van den armen Walter in verband bracht, of er aan twijfelde dat, indien de Voorzienigheid hem had veroordeeld om schipbreuk te lijden en te vergaan, alles reeds lang voorbij was; maar die uitwendige invloed, geheel onderscheiden van het onderwerp zijner gedachten, drukte den kapitein toch nog meer ter neer en deed zijne hoop nog dieper wegzinken, gelijk dikwijls wijzer mannen dan hem gebeurd is en nog dikwijls gebeuren zal.Met zijn gezicht naar den scherpen wind en den schuins voortgejaagden regen gekeerd, zag kapitein Cuttle naar de donkere wolken op, die over de woestijn van daken heenvlogen, en zocht vruchteloos naar iets vervroolijkends. Het uitzicht dichtbij was niet beter. In eenige oude theekisten en andere ruwe hokken aan zijne voeten, zaten de duiven van Rob den Slijper zwaarmoedig te kirren. Eene wrakke windvaan, die het fatsoen van een adelborst had en eens van de straat zichtbaar was geweest, maar lang door hooger opgetrokken muren was omsingeld, piepte en knarste op hare roestige spil, terwijl de rukwinden haar spelend lieten draaien. Op het grove, blauwe vest des kapiteins lagen de regendruppels als stalen kralen, en hij kon zich nauwelijks schuins vooroverhellende tegen den stijven noordwester inzetten, die hem over de borstwering heen beneden op de straatsteenen scheen te willen smijten. Als er dien avond nog hoop leefde, dacht de kapitein, terwijl hij zijn hoed vasthield, bleef zij zeker in huis en was dus in de vrije lucht niet te vinden. Zwaarmoedig zijn hoofd schuddende, ging de kapitein naar binnen, om haar te zoeken.Langzaam naar het achterkamertje afgedaald en op zijn gewonen stoel gezeten, zocht kapitein Cuttle naar de hoop in het vuur; maar daar was zij niet, hoewel het helder brandde. Hij kreeg zijne tabaksdoos en zijne pijp, ging zitten rooken, en zocht de hoop in den rooden gloed van den kop, en de krullende rookwolkjes die zijne lippen uitbliezen; maar geen der beiden bevatte een greintje van den roest van het anker der hoop. Hij beproefde een glas grog; maar zwaarmoedige waarheid school op den bodem van dien put, en hij kon het glas niet uitdrinken. Hij ging den winkel een paar maal op en neer en zocht onder de instrumenten; maar zij werkten, in spijt van al wat hij daartegen doen kon, voor het vermiste schip eene rekening uit, die op den bodem der diepe zee eindigde.Terwijl de wind nog loeide en de regen nog tegen de luiken kletterde, bleef de kapitein voor den houten adelborst op de toonbank staan, en dacht, terwijl hij de uniform van het officiertje met zijne mouw afdroogde, hoevele jaren die adelborst had beleefd zonder dat hij bijna eenige veranderingen onder de bemanning van zijn schip had gezien—hoe die veranderingen als het ware allen op één dag waren gekomen, en hoe weinig er van het oude was overgebleven. Het kleine gezelschap in het achterkamertje was opgebroken en wijd en zijd verstrooid. Er waren geene toehoorders meer voor mooie Peggy, al was er iemand geweest om die ballade te zingen, en dat was zoo niet; want kapitein Cuttle was evenzeer overtuigd dat niemand behalve hij ze zingen kon, als dat hij onder deze omstandigheden geen lust had om het te beproeven. Er was geen helder gezicht van Walter meer in huis—hier liet de kapitein zijne mouw voor een oogenblik van de houten uniform naar zijne eigene wang dwalen—de pruik en de knoopen van Sam Gills waren een droombeeld uit het verledene; Richard Whittington was doodgeslagen; alle plannen en uitzichten, die met den adelborst in verband stonden, lagen zonder mast of roer op de waterwoestijn te drijven.Terwijl de kapitein, met een treurig gezicht, zoo stond te peinzen en den adelborst op te wrijven, gedeeltelijk uit teederheid voor dien ouden bekende, gedeeltelijk uit verstrooiing, gaf een kloppen aan de voordeur een schok[227]van schrik aan Rob den Slijper, die, op de toonbank geklommen, den kapitein met groote oogen zat aan te staren, en voor de vijfhonderdste maal bij zich zelven had overlegd, of de kapitein ook een moord kon begaan hebben, dat hij zulk een kwaad geweten had en telkens wegliep.“Wat is dat?” zeide kapitein Cuttle zachtjes.—“Iemand die aan de deur klopt, kapitein,” antwoordde Rob.Met een verslagen en schuldbewust gezicht, sloop de kapitein op de teenen naar het achterkamertje en sloot zich daarin op. Rob deed de deur open, en zou op den drempel eene onderhandeling met den vreemdeling hebben geopend, indien deze eene vrouwelijke gedaante had gehad; maar de gedaante had een mannelijk voorkomen, en daar Rob alleen ten aanzien van vrouwen voorzichtigheid was aanbevolen, hield hij de deur open en liet den onbekende binnentreden, hetgeen deze ook zeer spoedig deed, blijde om uit den regen te komen.“Een karweitje voor Burgess en Comp. in alle gevallen,” zeide de onbekende, met medelijden naar zijne beenen kijkende, die erg nat en met modder bespat waren. “O—hoe vaart ge, mijnheer Gills?”Deze begroeting was tot den kapitein gericht, die nu het achterkamertje uitkwam met eene ellendig mislukte poging om zich te houden alsof hij dit geheel toevallig deed.“Wel bedankt,” vervolgde de onbekende in denzelfden adem; “ik ben ook heel wel, zeer verplicht. Mijn naam is Toots—meneerToots.”De kapitein herinnerde zich dezen jongen heer bij de trouwplechtigheid gezien te hebben, en maakte eene buiging voor hem. Toots antwoordde met een gegrinnik; en daar hij, gelijk doorgaans, verlegen was, haalde hij zwaar adem, schudde den kapitein een langen tijd de hand, en keerde zich toen naar Rob den Slijper, dien hij, geene andere uitkomst meer wetende, insgelijks op de hartelijkste manier de hand schudde.“Zeg! ik zou gaarne eens een woordje met u spreken, mijnheer Gills, als het u belieft,” zeide Toots eindelijk, met verwonderlijke tegenwoordigheid van geest. “Zeg! jufvrouw D. O. M., weet ge wel!”Even ernstig en geheimzinnig, wuifde de kapitein met zijn haak naar het achterkamertje, waarheen Toots hem dan ook volgde.“O, neem mij niet kwalijk,” zeide Toots, naar den kapitein opkijkende, zoodra hij op een stoel zat, dien de kapitein voor hem bij het vuur had geschoven. “Gij kent bij geval den Kemphaan niet al? Doet ge, mijnheer Gills?”—“Den Kemphaan?” zeide de kapitein.—“Ja, mijn vriend den Kemphaan.”Daar de kapitein zijn hoofd schudde, legde Toots hem uit, dat de bedoelde vriend een vermaard publiek persoon was, die zich zelven en zijn vaderland met roem had bedekt in zijn kampgevecht met Nobby vanShropshire; maar dit bericht scheen den kapitein niet veel opheldering te geven.“Omdat hij buiten staat, anders niet,” zeide Toots. “Maar het is van geen beduiden; hij zal misschien niet heel nat worden.”—“Ik kan dadelijk order geven om hem binnen te laten,” zeide de kapitein.—“Wel, als ge zoo goed zoudt willen zijn om hem zoolang bij uw knechtje in den winkel te laten,” grinnikte Toots, “zou het mij pleizier doen, omdat hij, weet ge, licht iets kwalijk neemt, en de vochtigheid ook niet goed voor zijne gewrichten is.Ikzal hem wel binnenroepen, mijnheer Gills.”Daarmede ging Toots naar de voordeur en liet een eigenaardig gefluit hooren, hetwelk weldra een stoïcijnsch heerschap deed verschijnen, met eene ruige witte jas, een breedgeranden hoed, zeer kort haar, een platgedrukten neus, en vrij groote kale plekken achter de ooren.“Ga maar zitten, Kemphaan,” zeide Toots.De Kemphaan deed zulks, spuwde eenig stroo uit, waarop hij zich vergastte, en stak eenig nieuw in zijn mond, uit een voorraad dien hij in de hand had.“Er is geen dropje van iets of wat kort bij de hand?” zeide de Kemphaan in het algemeen. “Zulk een regenachtige avond deugt niet veel voor iemand die van zijne spieren moet leven.”Kapitein Cuttle bood hem een glas rum aan, hetwelk de Kemphaan, zijn hoofd achteroverhoudende, in zijne keel goot, alsof het in eene ton was, nadat hij de korte spreuk had geuit: “Op onze!” Daarop keerden Toots en de kapitein naar het achterkamertje terug; en toen zij bij het vuur zaten, begon Toots:“Mijnheer Gills …”—“Houdaar!” zeide de kapitein. “Mijn naam is Cuttle.”Toots keek zeer verslagen; terwijl de kapitein zeer ernstig vervolgde:“Kapitein Cuttle is mijn naam, enEngelandmijne natie, en tegenwoordig woon ik hier, gezegend zij de gratie—Job,” zeide de kapitein, als om aan te duiden waar hij deze spreuk vandaan had gehaald.—“Zoo! Ik zou mijnheer Gills niet kunnen zien, zou ik?” hervatte Toots. “Omdat …”—“Als gij Sam Gills kondt zien, jonge heer,” zeide de kapitein met nadruk, en legde zijne zware hand op Toots’ knie, “oude Sam, verstaat ge wel—met uwe eigene oogen—zooals ge daar zit—zoudt ge mij liever wezen dan een frissche wind van achteren voor een schip, dat acht dagen lang windstilte heeft gehad. Maar gij kunt Sam Gills niet zien. En waarom kunt gij dat niet?” zeide de kapitein, door het gezicht van Toots verwittigd,[228]dat hij een diepen indruk op des jonkmans gemoed maakte. “Omdat hij onzichtbaar is.”Toots wilde in zijne ontroering antwoorden dat dit van geheel geen beduiden was; maar hij bedacht zich nog en zeide: “God zegen me!”“Die man,” zeide de kapitein, “heeft mij hier in bewaring over zijn goed gelaten, door eene geschrevene aanstelling, maar hoewel hij zoo goed als mijn gezworen broeder was, weet ik evenmin waar hij naar toe is, of waarom hij is heengegaan—of het moest wezen om zijn neef op te zoeken, of misschien omdat hij niet recht bij zijne zinnen was—dan gij het weet. Op een ochtend vroeg,” zeide de kapitein, “ging hij over boord, zonder plof en zonder een rimpeltje in het water. Ik heb overal naar dien man gezocht, maar van dat uur af nooit weder iets van hem gehoord of gezien.”—“Maar, mijn goede hemel, jufvrouw Dombey weet niet,” begon Toots.—“Wel, ik vraag u als een jong mensch met een gevoelig hart,” zeide de kapitein, zijne stem latende dalen, “waarom zou zij het weten? Waarom zou men het haar zeggen, of het moest wezen dat het niet anders kon? Zij had zich aan den ouden Sam Gills gehecht met eene hartelijkheid, met een—wat behoeft het gezegd te worden? Gij kent haar toch.”—“Dat zou ik hopen,” giggelde Toots, terwijl een blos van verlegenheid geheel zijn gezicht overspreidde.—“En komt gij van haar af hier naar toe?” zeide de kapitein.—“Dat zou ik denken,” giggelde Toots.—“Dan heb ik alleen maar te zeggen,” hervatte de kapitein, “dat gij eene engelin kent en door eene engelin gestuurd wordt.”Toots vatte den kapitein dadelijk bij de hand en verzocht om de gunst van zijne vriendschap.“Op mijn woord van eer,” zeide Toots met ernst, “ik zou u zeer verplicht wezen als gij kennis met mij woudt houden. Ik zou u heel gaarne nader willen leeren kennen, kapitein. Ik heb waarlijk gebrek aan een vriend. Bij Blimber was kleine Dombey mijn vriend, en dat zou hij nog wezen, als hij was blijven leven. De Kemphaan,” zeide Toots, neerslachtig fluisterend, “is heel wel—bewonderenswaardig op zijne manier—misschien de slimste kerel van de wereld; er is geen streek dien hij niet weet, zegt iedereen—maar ik weet het niet—hij is toch alles niet. Gij vindt haar dus eene engelin, kapitein. Ja, als er ergens eene engelin is, dan is het jufvrouw Dombey. Dat heb ik altijd gezegd. Maar waarlijk, weet ge,” zeide Toots, “ge zoudt mij zeer verplichten als ge kennis met mij woudt houden.”Kapitein Cuttle ontving dit voorstel op eene beleefde manier, maar toch zonder zich tot het aannemen daarvan te verbinden, alleen zeggende: “Ja, ja, mijn jongen. Wij zullen zien, wij zullen zien;” en herinnerde Toots daarop aan het oogmerk zijner zending, door te vragen waaraan hij de eer van dit bezoek te danken had.“Wel, om de waarheid te zeggen,” antwoordde Toots, “kom ik van het meisje. Niet van jufvrouw Dombey—van Suze, weet ge.”De kapitein knikte eens, met een zeer ernstig gezicht, ten teeken, dat hij deze jonge juffer eene ware hoogachting toedroeg.“En ik zal u zeggen hoe dat zoo komt,” vervolgde Toots. “Gij weet, ik ga tusschenbeide wel eens bij jufvrouw Dombey aan. Ik ga daar niet met opzet naar toe, maar ik kom toevallig heel dikwijls in de buurt, en als ik daar kom—dan ga ik er eens aan.”—“Natuurlijk,” zeide de kapitein.—“Ja,” zeide Toots. “Zoo kwam ik daar van middag. Op mijn woord van eer, ik geloof niet dat het mogelijk is zich te verbeelden welk een engel jufvrouw Dombey van middag was.”De kapitein antwoordde, door zijn hoofd met een schok in den nek te werpen, waardoor hij aanduidde, dat dit voor sommige menschen niet gemakkelijk mocht wezen, maar voor hem heel gemakkelijk was.“Toen ik weder heenging,” zeide Toots, “bracht Suze mij heel onverwacht in de provisiekamer.”De kapitein scheen dit niet goed te keuren, liet zich in zijn stoel achteroverzakken en zag Toots aan, met een wantrouwig, zoo niet dreigend gezicht.“En daar liet zij mij deze courant zien,” zeide Toots. “Zij zeide mij, dat zij die den geheelen dag voor jufvrouw Dombey had weggehouden om iets dat er in stond over iemand, dien zij placht te kennen; en toen las zij het mij voor. Ja, goed. En toen zeide zij—wacht eens even—wat zeide zij ook weer?”Terwijl Toots al zijne geestvermogens op deze vraag poogde te richten, zag hij toevallig den kapitein in de oogen en ontstelde zoodanig van hunne barsche uitdrukking, dat hij daardoor nog minder den verloren draad zijner rede kon terugvinden.“O,” zeide Toots, na lang bedenken. “O ja! Zij zeide te hopen dat het nog mogelijk was, dat het niet waar zou zijn, en omdat zij niet wel zelve kon uitgaan, zonder dat jufvrouw Dombey er zich over zou verwonderen, of ik eens naar mijnheer Samuel Gills den instrumentmaker, hier in de straat, wilde gaan, en vragen of hij geloofde dat het waar was, of er in deCityiets anders van had gehoord. Zij zeide, als hij mij niet kon spreken, zou kapitein Cuttle dat zeker wel kunnen. A propos!” zeide Toots, toen deze ontdekking hem eensklaps inviel, “dat waart gij.”De kapitein keek naar de courant, die Toots in de hand had, en begon kort en snel adem te halen.“Wel,” vervolgde Toots, “de reden dat ik wat laat kom is, dat ik eerst heel naarFinchley[229]ben gegaan om wat buitengemeen mooi muurkruid, dat daar groeit, voor jufvrouw Dombey’s vogeltje te halen. Maar toen ben ik dadelijk hier naar toe gekomen. Gij zult de courant wel gezien hebben, denk ik?”De kapitein, die bang was om couranten te lezen, uit vrees van eene advertentie te vinden waarbij jufvrouw MacStinger eene premie voor hem uitloofde, schudde zijn hoofd.“Wil ik het u dan eens voorlezen?” vroeg Toots.Op een toestemmend teeken van den kapitein, las Toots het volgende uit de scheepstijdingen:“Southampton.Het barkschip de Speculatie, kapitein Henry James, heden in deze haven aangekomen, met eene lading suiker, koffie en rum, bericht, dat het op den zesden dag van deJamaica, op—dat is de breedte, weet gij wel,” zeide Toots na eene poging om de cijfers uit te spreken, en er over gestruikeld te zijn.“Ja wel,” zeide de kapitein, met zijne gebalde vuist op de tafel slaande. “Gang maar!”“Breedte dus,” hervatte Toots, eventjes verschrikt naar den kapitein opkijkende, “en lengte zooveel, windstilte heeft gehad, en de wacht toen, een half uur vóór zonsondergang, eenige stukken van een wrak heeft gezien, die op ongeveer een mijl afstands drijvende waren. Daar het weder helder was en de bark niet vorderde, werd er eene boot uitgezet om die voorwerpen nader op te nemen, en toen bevond men dat zij bestonden uit eenige groote rondhouten en een gedeelte der tuigage van eene Engelsche brik van omtrent vijfhonderd tonnen last, benevens een gedeelte van den achtersteven, waarop de woorden en letters “Zoon en E” nog duidelijk leesbaar waren. Geen lijk was op of tusschen de wrakken te zien. Het journaal van de Speculatie vermeldt verder, dat in den nacht de wind opstak, en het wrak dus niet meer gezien werd. Alle twijfelingen aangaande het lot van het vermiste schip, de Zoon en Erfgenaam, uit de haven vanLondennaarBarbadosuitgezeild, zijn daarmede opgelost. Het is nu zeker dat het in den laatsten orkaan is verbrijzeld, en allen die aan boord waren zijn omgekomen.”Gelijk het allen menschen gaat, wist kapitein Cuttle weinig hoeveel hoop er te midden van zijne hopeloosheid was blijven leven, tot hij haar den doodsteek voelde geven. Onder het lezen van dit bericht en nog een paar minuten later bleef hij den zedigen Toots als versteend zitten aanstaren. Toen stond hij eensklaps op, zette den blinkenden hoed op, dien hij ter eer van het bezoek op de tafel had gelegd, keerde zijn gast den rug toe en liet zijn hoofd op den schoorsteenmantel zakken.“Op mijn woord van eer,” zeide Toots, wiens teeder hart door de onverwachte droefheid des kapiteins getroffen was, “die wereld is toch een allerellendigst ding! Altijd sterft er iemand in, of wordt er iets onpleizierigs gedaan. Ik zou waarlijk nooit zoo verlangd hebben om aan mijn eigendom te komen, als ik dat geweten had. Ik heb nooit zulk eene wereld gezien. Het is nog veel erger dan bij Blimber.”Zonder van houding te veranderen, gaf de kapitein Toots een teeken om zich maar niet aan hem te storen, en weldra keerde hij zich om, met den blinkenden hoed op de ooren geduwd, en streek met zijne hand zijn bruin gezicht effen.“Walter, mijn lieve beste jongen,” zeide de kapitein, “vaarwel! Walter, als kind, als jongen en als man heb ik u liefgehad. Hij was mijn vleesch en bloed niet,” zeide de kapitein, naar het vuur kijkende,—“dat heb ik niet—maar iets van wat een vader gevoelt als hij een zoon verliest, gevoel ik nu ik Walter verlies. En waarom?” zeide de kapitein. “Omdat het niet één verlies is, maar wel een dozijn verliezen. Waar is dat aardige schoolknaapje met zijn blozend gezichtje en krullende haren, dat hier zoo vroolijk placht te wezen als een stukje dansmuziek? Met Walter verdronken. Waar is de frissche jongen, die nooit moe kon worden, en die zoo rood werd als wij hem met hartediefje plaagden, dat het een lust was om hem aan te zien? Met Walter verdronken. Waar is die jonkman vol geest en vuur, die den ouden man geen oogenblik neerslachtig kon zien, maar om zich zelven niet het minste gaf? Met Walter verdronken. Het is niet één Walter. Er waren wel een dozijn Walter’s die ik kende en liefhad, die hem allen om den hals hielden toen hij naar beneden zonk, en die mij nu om den hals houden!”Toots bleef stil zitten, en vouwde de courant op zijne knie zoo klein mogelijk op.“En Sam Gills,” zeide de kapitein, in het vuur starende, “arme oude Sam Gills, die nu geen neef meer heeft, waar zijtgijnaar toe? Hij had u aan mij toevertrouwd; zijne laatste woorden waren: “Pas op mijn oom.” Wat is u overkomen, Sam Gills, dat ge van Ned Cuttle zijt weggeloopen, en wat zal ik hem van u verantwoorden? Sam Gills, Sam Gills,” zeide de kapitein, langzaam zijn hoofd schuddende, “als gij die courant onder de oogen krijgt, ver van huis, en met niemand, die Walter gekend heeft, om u een woordje toe te spreken, dan zult gij er niet tegen bestand zijn!”Een zwaren zucht slakende, keerde de kapitein zich naar Toots, alsof hij nu eerst bedacht dat deze tegenwoordig was.“Mijn jongen,” zeide de kapitein, “gij moet dat meisje eerlijk zeggen dat die ongelukkige tijding maar al te waar is. Zij schrijven geene romannetjes van zulke dingen, ziet ge. Het staat in het scheepsjournaal, en dat is het waarste boek dat iemand kan schrijven. Morgenochtend zal ik eens uitgaan en navraag doen; maar er[230]zal niets goeds van komen. Dat kan het niet. Als gij later op den dag eens bij mij wilt komen, zult gij vernemen wat ik gehoord heb. Maar zeg het meisje uit naam van kapitein Cuttle, dat alles voorbij is. Voorbij!”De kapitein nam zijn blinkenden hoed af, haalde zijn zakdoek uit den bol, wreef er wanhopig zijn grijzend hoofd mede, en smeet hem weder in den hoed, met de onverschilligheid der diepste neerslachtigheid.“O, ik verzeker u,” zeide Toots, “dat het mij vreeselijk spijt. Op mijn woord, dat doet het, schoon ik den persoon niet gekend heb. Denkt gij dat jufvrouw Dombey erg aangedaan zal zijn, kapitein Gills—ik wil zeggen, mijnheer Cuttle?”,—“Wel, mijn hemel,” antwoordde de kapitein, met zeker medelijden met Toots’ onnoozelheid. “Toen zij nog niet grooter was dan zóó, waren zij al zoo teer voor elkander als twee jonge duifjes.”—“Zoo, waarlijk,” zeide Toots, wiens gezicht aanmerkelijk langer werd.—“Zij waren voor elkander geschapen,” zeide de kapitein droevig. “Maar wat beduidt dat nu?”—“Op mijn woord van eer,” riep Toots, zijne woorden tusschen eene zonderlinge mengeling van gegiggel en halve snikken uitstootende, “er heeft mij nooit iets zoo gespeten. Gij moet weten, kapitein Gills, ik—ik aanbid jufvrouw Dombey—ik—ik ben geheel van mijne streek van liefde voor haar.” De heftigheid waarmede deze bekentenis zich den ongelukkigen Toots afdwong, bewees het ernstige van zijn gevoel. “Maar wat zou het baten dat ik haar liefhad, als ik niet waarlijk spijt had van haar verdriet, wat er ook de reden van mocht wezen. Mijne genegenheid is niet zelfzuchtig, moet ge weten,” zeide Toots, wiens vertrouwen door de teerhartigheid des kapiteins, waarvan hij getuige was geweest, werd uitgelokt. “Het is bij mij zoo iets, kapitein Gills, dat als ik mij kon laten overrijden—of laten vertrappen—of van eene groote hoogte afsmijten—of iets van dien aard—ten genoegen van jufvrouw Dombey, het waarlijk het verrukkelijkste zou zijn dat mij kon gebeuren.”Dit alles zeide Toots met eene gesmoorde stem, opdat het de ijverzuchtige ooren van den Kemphaan niet zou bereiken, die alle zachte aandoeningen afkeurde; en dit bedwang, met de kracht van zijn gevoel vereenigd, deed hem rood worden tot aan de lapjes van zijne ooren, en maakte hem in de oogen van kapitein Cuttle tot zulk een aandoenlijk schouwspel van onbaatzuchtige liefde, dat de goede kapitein hem troostend op den rug klopte en vermaande om zich maar wat op te beuren.“Dankje wel, kapitein Gills,” zeide Toots, “het is wel vriendelijk van u, onder al uw eigen verdriet, dat ge dat zegt. Gelijk ik al vroeger gezegd heb, ik heb waarlijk gebrek aan een vriend, en ik zou blij zijn als gij kennis met mij woudt houden. Schoon ik er heel goed in zit,” zeide Toots met vuur, “kunt gij u toch niet verbeelden welk een ellendeling ik ben. De wufte menigte, weet gij, als zij mij met den Kemphaan en andere personen van onderscheiding ziet, houdt mij voor gelukkig, maar ik ben rampzalig. Ik martel mij zelven met jufvrouw Dombey, kapitein Gills. Ik kan haast niet eten. Ik heb geen pleizier in mijn kleermaker. Ik huil dikwijls als ik alleen ben. Ik verzeker u, het zal een genoegen voor mij zijn als ik morgen en nog vijftigmaal terug mag komen.”Met deze woorden drukte Toots den kapitein de hand, en zijn best doende om de sporen zijner aandoening voor den scherpen blik van den Kemphaan te verbergen, ging hij dezen uitstekenden persoon in den winkel opzoeken. De Kemphaan, die licht jaloersch werd, zag den kapitein met alles behalve gunstige oogen aan, maar volgde zijn patroon zonder eenig ander blijk van misnoegen te geven; en liet den kapitein diep ter neer geslagen, en Rob den Slijper opgetogen van blijdschap omdat hij de eer had gehad van een halfuur lang den overwinnaar van Nobby van Shropshire aan te staren.Lang na dat Rob in zijn bed onder de toonbank gerust was ingeslapen, zat de kapitein nog in het vuur te kijken, en lang na dat er geen vuur meer was om naar te kijken, zat de kapitein nog naar de roestige traliën te turen, terwijl nuttelooze gedachten aan Walter en den ouden Sam hem het hoofd verwarden. Toen hij zich naar het stormachtige kamertje boven in huis begaf, kon hij daar ook niet rusten, en des morgens stond hij onverkwikt en treurig op.Zoodra de kantoren in de stad open waren, ging de kapitein uit om zich naar dat van Dombey en Zoon te begeven. Maar de vensters van den houten adelborst werden dien ochtend niet geopend. Op last van den kapitein liet Rob de Slijper de luiken voor, zoodat het huis een sterfhuis geleek.Bij toeval ging Carker de chef juist het kantoor in, toen de kapitein aan de deur kwam. Carker’s groet met ernstig stilzwijgen aannemende, was de kapitein zoo vrij om met hem naar de kamer te gaan.“Wel, kapitein Cuttle,” zeide Carker, zich in zijne gewone houding voor den haard plaatsende en zijn hoed ophoudende, “dat is een leelijk geval.”—“Gij hebt dus de tijding gekregen, die gisteren in de courant stond, mijnheer?” zeide de kapitein.—“Ja,” zeide Carker, “wij hebben ze ontvangen. Het is maar zoo. De assuradeurs lijden een aanmerkelijk verlies. Het spijt ons zeer, maar er is niet aan te doen. Zoo gaat het in de wereld!”Carker sneed zijne nagels voorzichtig met een pennemes, en glimlachte tegen den kapitein, die hem bij de deur stond aan te zien.“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man, en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen hebben.” (blz. 231).“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man, en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen hebben.”(blz. 231).[231]“Het spijt mij zeer van den armen Gay,” zeide Carker, “en van het scheepsvolk. Ik hoor dat er sommige van onze knapste lui onder waren. Dat gaat altijd zoo. Velen met huishoudens ook. Een troost dat Gay geen huishouden had, kapitein Cuttle!”De kapitein wreef zijne kin en bleef Carker staan aanzien. Carker keek nu eens naar de ongeopende brieven op zijn lessenaar en nam de courant op.“Is er iets dat ik voor u doen kan, kapitein Cuttle?” vroeg hij, van de courant opkijkende, met een glimlach en een veelbeduidenden blik naar de deur.—“Ik wenschte dat ge mij goed kondt geruststellen, mijnheer, over iets waar ik ongerust over ben,” antwoordde de kapitein.—“Zoo!” zeide Carker. “Wat is dat dan?Kom aan, kapitein Cuttle, ik moet u verzoeken om u wat te haasten. Ik heb veel te doen.”—“Ziet ge, mijnheer,” zeide de kapitein, een stap nader komende, “eer mijn vriend Walter op die heillooze reis uitging …”—“Kom, kom, kapitein Cuttle,” viel de glimlachende Carker er op in, “spreek zoo niet van heillooze reizen. Daar weten wij hier niet van. Gij moet vandaag al vroeg aan uw rantsoen zijn begonnen, als gij niet bedenkt dat alle reizen, ter zee of te land, hare gevaren hebben. Gij maakt u toch niet ongerust over de gedachte dat de jonge—hoe heet hij ook weer—vergaan zou zijn in slecht weer, dat aan dit kantoor tegen hem werd afgezonden—doet ge? Foei, kapitein! Uitslapen en sodawater zijn de beste middelen tegen zulke ongerustheid.”—“Mijn jongen,” antwoordde de kapitein langzaam—“ge zijt haast nog een jongen bij mij, en dus vraag ik geen excuus dat dit woord mij ontvalt—als gij pleizier hebt in die aardigheid, zijt ge de man niet waar ik u voor hield. En als gij de man niet zijt waar ik u voor hield, heb ik misschien wel reden om ongerust te zijn. De zaak is zóó gelegen, mijnheer Carker.—Eer die arme jongen heenging, zooals hem gelast was, zeide hij mij dat hij niet tot zijn bestwil of voor zijne bevordering heenging, dat wist hij wel. Ik dacht toen dat hij dit verkeerd had, en zeide hem dat; en toen kwam ik hier, daar uw patroon er niet was, om u op eene beleefde manier een paar vragen te doen, tot mijne eigene geruststelling. Die vragen hebt gij beantwoord—vrijwillig. Nu zal het mij wederom geruststellen—nu alles voorbij is, en wat men niet verhelpen kan moet men maar dragen; gij, als een geleerde, kunt het boek wel nazien waar dat in staat, en zet er dan een streepje bij als gij het vindt—kortom, om nog eens te hooren dat ik mijn plicht niet heb verzuimd toen ik den ouden man niet zeide wat Walter mij gezegd had; en dat hij waarlijk den wind in het zeil had toen hij naarBarbadosuitliep. Mijnheer Carker,” zeide de kapitein, in zijne goedhartigheid, “toen ik laatst hier was, waren wij heel pleizierig met elkander. Als ik van morgen niet zoo heel pleizierig ben, om reden van dien armen jongen, en mij driftig gemaakt heb over een zeggen van u dat ik goed had moeten opnemen, mijn naam is Edward Cuttle, en ik vraag u excuus.”—“Kapitein Cuttle,” antwoordde Carker, met alle mogelijke beleefdheid, “ik moet u om eene gunst verzoeken.”—“En wat is dat, mijnheer?” vroeg de kapitein.—“Dat gij zoo goed zijt om u weg te pakken, als het u belieft,” antwoordde Carker, zijn arm uitstekende, “en met uwe borrelpraatjes ergens anders heen te gaan.”Elke knobbel van des kapiteins gezicht verbleekte van verbazing en verontwaardiging; zelfs de roode streep op zijn voorhoofd verdween, gelijk een regenboog tusschen samengepakte wolken.“Ik zal u eens wat zeggen, kapitein Cuttle,” vervolgde Carker, zijn vinger tegen hem schuddende en hem al zijne tanden toonende, maar nog vriendelijk glimlachend. “Ik heb veel te veel verschooning voor u gehad toen gij de vorige maal hier waart. Gij behoort tot een doortrapt en onbeschaamd slag van menschen. Uit verlangen om dien jongen—hoe heet hij ook weer—er voor te bewaren dat hij ridderlijk hier vandaan geschopt werd, mijn goede kapitein, heb ik geduld met u gehad, doch maar voor eens en niet meer. Ga nu heen, mijn vriend!”De kapitein stond aan den grond vastgeworteld en sprakeloos.“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man, en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen hebben. Als mijnheer Dombey hier was, kapitein, zoudt ge misschien op eene schandelijker manier hier vandaan komen. Ik zeg maar, ga heen.”De kapitein legde zijne zware hand op zijne borst om zich zelven te helpen om diep adem te halen, nam Carker van het hoofd tot de voeten op en keek toen in het kamertje rond, alsof hij niet duidelijk begreep waar hij was of in welk gezelschap.“Gij zijt slim, kapitein Cuttle,” vervolgde Carker met de luchtige rondborstigheid van een man naar de wereld, die de wereld te wel kende om zich uit zijn humeur te laten brengen door de ontdekking van een wanbedrijf dat hem niet onmiddellijk aanging; “maar gij zijt toch niet geheel ondoorgrondelijk—en uw afwezige vriend ook niet, kapitein. Wat hebt ge met uw afwezigen vriend gedaan, zeg?”Wederom legde de kapitein de hand op de borst. Na nog eens diep adem te hebben gehaald, bezwoer hij zich zelven met een “sta vast!” maar fluisterend.“Gij smeedt aardige komplotjes, en maakt[232]aardige afspraakjes, en krijgt ook aardige visites, niet waar, kapitein?” zeide Carker, zijne wenkbrauwen samentrekkende, zonder daarom minder zijne tanden te toonen; “maar het is wat al te stout om naderhand nog hier te komen. Dat gelijkt niet naar uwe gewone voorzichtigheid. Gij komplottenmakers, wegschuilers en wegloopers, moest beter weten. Wilt ge nu zoo goed zijn om heen te gaan?”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein met eene gesmoorde en bevende stem, en eene zonderlinge beweging in zijne zware vuist, “er zijn vele woorden, die ik u zou willen zeggen, maar ik weet ze op het oogenblik niet recht te vinden. Mijn jonge vriend, Walter, is pas gisteravond verdronken, volgens mijne rekening, en dat brengt mij van mijne streek, ziet ge. Maar gij en ik zullen elkander wel eens weder voor den boeg komen, mijn jongen,” zeide de kapitein, zijn haak ophoudende, “als wij het beleven.”—“Het zal alles behalve slim van u zijn, mijn goede man, als wij dat doen,” antwoordde Carker, met dezelfde rondborstigheid, “want gij kunt er op aan, ik waarschuw u vooruit, dat ik u zal ontmaskeren en ten toon stellen. Ik wil niet zeggen dat ik beter ben dan anderen, mijn goede kapitein, maar ik zal het vertrouwen van dit kantoor, of een lid van dit kantoor, toch niet laten misbruiken en ondermijnen, zoolang ik ooren en oogen heb. Goedendag!” zeide Carker knikkende.Hem strak aanziende (Carker zag hem even strak aan) ging de kapitein de kamer uit, en liet hem wijdbeens voor het vuur staan, zoo kalm en zoo genoeglijk, alsof er niet meer vlekken op zijne ziel waren dan op zijn sneeuwwit linnen of zijne gladde huid.Toen de kapitein het groote kantoor doorkwam, keek hij even naar den lessenaar, waaraan hij wist dat de arme Walter placht te zitten, en waaraan nu een andere jonge knaap zat, met een gezicht bijna even frisch als het zijne, toen zij in het achterkamertje die kostbare flesch ouden madera (de laatste op een na) met elkander ledigden. De aldus opgewekte herinneringen deden den kapitein veel goed; op het toppunt zijner gramschap verteederden zij hem en deden hem de tranen in de oogen komen.Wederom bij den houten adelborst in een hoekje van den donkeren winkel gezeten, kon des kapiteins verontwaardiging, hoe sterk zij ook was, het niet tegen zijne droefheid uithouden. Zijne hartstochtelijkheid scheen niet alleen de nagedachtenis van den doode te beleedigen, maar ook bij de gedachte daaraan van zelf weg te kwijnen. Al de levende schelmen en logenaars van de wereld waren niets bij de oprechtheid en trouw van den eenen dooden vriend.Het eenige dat de brave kapitein in dezen gemoedstoestand duidelijk kon zien, behalve het verlies van Walter, was, dat met hem bijna de geheele wereld van kapitein Cuttle verdronken was. Als hij het zich somtijds scherp verweet dat hij tot Walter’s onschuldig bedrog had medegeholpen, dacht hij ten minste even dikwijls aan den vorigen mijnheer Carker, dien geene zee ooit kon teruggeven; en den mijnheer Dombey, die hij nu begon te begrijpen, dat ver boven alle menschelijk bereik was; en het harteliefje waarmede hij nooit weder een woord zou spreken; en de mooie Peggy, die heerlijke ballade, nu eene reeks van rijmen zonder kracht of beteekenis. De kapitein zat in den donkeren winkel aan deze dingen te denken, zoodat hij de beleediging, die hij zelf ondergaan had, geheel vergat, en keek met zulke droevige oogen naar den grond, alsof hij de wrakken van al het verlorene daar werkelijk voorbij zag drijven.Maar de kapitein vergat toch niet om de nagedachtenis van den armen Walter zooveel eer te bewijzen als in zijn vermogen was. Zich zelven wakker schuddende, en ook Rob den Slijper wakker schuddende, (die in de onnatuurlijke schemering gerust zat te slapen) ging de kapitein, met dezen trawant op de hielen en den huissleutel in zijn zak, uit, en begaf zich naar een van die geriefelijke oude kleerenwinkels, waarvan men in het oosten vanLondenkeus genoeg heeft. Daar kocht hij twee rouwpakken—een voor Rob den Slijper, dat veel te klein, en een voor zich zelven dat veel te groot was. Hij voorzag Rob insgelijks van een hoed, die met geen bekend fatsoen was te vergelijken, maar het meest van een zuidwester had, en dus in een winkel van instrumenten eene gelukkige nieuwigheid was. In deze gewaden gedost, welke de verkooper verklaarde zoo wonderbaar te passen, dat dit alleen door een zeldzamen samenloop van gelukkige omstandigheden mogelijk was, stapten de kapitein en de Slijper weder naar huis, een schouwspel aanbiedende, dat ieder, die het zag, moest verbazen.In deze veranderde gedaante ontving de kapitein het volgende bezoek van Toots. “Ik ben op dit oogenblik wat van mijne streek, mijn jongen,” zeide de kapitein, “en zal maar alleen die slechte tijding bevestigen. Zeg dat meisje dat zij ze de jonge juffer voorzichtig moet zeggen, en dat zij ook geen van beiden meer om mij moeten denken—in het bijzonder, meen ik, begrijpt gij wel—schoon ik wel om ze denken zal, als des nachts de winden razen en de zeeën bergen hoog rollen—zie doctor Watts daar maar eens voor na, broeder, en als gij het vindt, zet er dan een streepje bij.”De kapitein stelde het tot gelegener tijd uit om Toots’ aanbod van vriendschap in overweging te nemen, en liet hem zoo gaan. De kapitein was zelf zoo neerslachtig, dat hij dien[233]dag half en half besloot om geene voorzorgen tegen eene verrassing van jufvrouw MacStinger meer te nemen, maar zich roekeloos aan het toeval over te geven en onverschillig te zijn voor wat er gebeuren mocht. Toen het echter avond werd, kwam hij in eene betere stemming, en sprak veel van Walter tot Rob den Slijper, wien hij insgelijks prees voor zijne oplettendheid en trouw. Rob bloosde hierover niet, maar zat den kapitein aan te staren en hield zich alsof hij van aandoening griende, maar onthield (die jonge spion) met veelbelovende valschheid ieder woord dat hij sprak.Dit in het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte. (blz. 233).Dit in het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte.(blz. 233).Toen Rob naar bed en in slaap was, snoot de kapitein de kaars, zette zijn bril op—hij had het, toen hij den instrumentenwinkel aanvaardde, voegzaam geacht zich een bril aan te schaffen, hoewel hij oogen had als een valk—en opende het gebedenboek bij het begrafenisformulier. Dit in het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte.[234]
XXXII.DE HOUTEN ADELBORST IN DEN ROUW.
De brave kapitein Cuttle verzuimde, toen de weken in zijne versterkte schuilplaats voor hem voorbijvlogen, zonder dat zijne vijandin verscheen, geenszins zijne voorzichtige voorzorgen tegen eene verrassing. De kapitein beredeneerde dat zijne tegenwoordige veiligheid al te verwonderlijk was om veel langer te kunnen duren; hij wist dat, als de wind in een gunstigen hoek stond, de windvaan daar zelden vastgespijkerd bleef, en hij was al te wel bekend met het onverschrokken en doorzettend karakter van jufvrouw MacStinger, om er aan te twijfelen of deze heldhaftige vrouw had zich terstond toegewijd aan de taak om hem op te zoeken en weder gevangen te nemen. Bevende onder het gewicht dezer redenen, leidde kapitein Cuttle een zeer stil en afgezonderd leven. Zelden waagde hij zich buiten de deur dan na den donker, en dan zelfs alleen in de donkerste straten; op zondag ging hij geheel niet uit, en zoowel binnen als buiten de muren zijner schuilplaats vermeed hij vrouwenhoeden, alsof deze door woedende leeuwen werden gedragen.Het kwam den kapitein nooit in het hoofd, dat het, als jufvrouw MacStinger hem eens op eene wandeling aangreep, hem mogelijk zou zijn om tegenstand te bieden. Hij gevoelde wel dat dit niet aanging. Hij zag zich zelven, in zijne verbeelding, gedwee in eene huurkoets zetten en naar zijne oude woning terugbrengen. Hij voorzag dat hij, eens daar gekerkerd, een verloren man was—zonder hoed, met jufvrouw MacStinger nacht en dag op de wacht, met verwijten overladen ten aanhoore der kleine familie, het schuldige voorwerp van wantrouwen en achterdocht, in de oogen der kinderen een wildeman, en in die hunner moeder een betrapte verrader.Altijd kreeg de kapitein eene geweldige uitwaseming en eene diepe neerslachtigheid, als dit somber tafereel voor zijne verbeelding oprees. Doorgaans deed het dit voordat hij des avonds de deur uitsloop om wat lucht en beweging te hebben. Bewust van het gevaar waaraan hij zich blootstelde, nam de kapitein alsdan afscheid van Rob, met den plechtigen ernst van een man die misschien nooit zou terugkomen; en vermaande hem, in geval hij (de kapitein) eene poos onzichtbaar werd, om het pad der deugd te blijven bewandelen, en de koperen instrumenten blinkend gepoetst te houden.Maar om niets te verzuimen en zich in geval van het ergste, een middel te verzekeren om met de buitenwereld gemeenschap te houden, kwam kapitein Cuttle weldra op het gelukkige denkbeeld om Rob den Slijper een geheim teeken te leeren, waardoor hij zijne aanwezigheid en trouw, in het uur van tegenspoed, aan zijn kommandant zou kunnen te kennen geven. Na veel overwegens deed de kapitein de keus om hem het zeemansliedje “Vroolijk, vroolijk!” te leeren fluiten; en toen Rob de Slijper het daarin zoo nabij de volmaaktheid had gebracht als een landsman kon hopen, drukte de kapitein hem deze geheimzinnige onderrichtingen op het hart:“Sta vast nu, mijn jongen. Als ik ooit gepakt word …”—“Gepakt, kapitein!” viel Rob er op in, met zijne ronde oogen wijd open.—“Dat wil zeggen,” hernam kapitein Cuttle somber, “als ik ooit heenga, met gedachte om voor het avondeten terug te komen, en mij niet weer laat praaien, ga dan vier en twintig uren na mijn verlies naarBrig Placeen fluit dat deuntje dicht bij mijne oude ankerplaats—niet alsof ge dat zoo met opzet kwaamt doen, verstaat ge wel, maar alsof ge daar zoo bij geval naartoe waart gedreven. Als ik met datzelfde deuntje antwoord, mijn jongen, loop dan heen en kom vier en twintig uren later terug; en[225]als ik met een ander deuntje antwoord, houd dan af en aan, en wacht tot ik verdere seinen geef. Hebt ge dat goed begrepen?”—“Wat moet ik af- en aanhouden, kapitein?” vroeg Rob. “Het deuntje?”—“Dat is een knappe jongen!” zeide de kapitein, hem barsch aanziende, “die zijn a b c nog niet kent. Kuier een eindje voort, en kom dan weer terug, en zoo beurt om beurt—verstaat ge dat?”—“Ja, kapitein,” zeide Rob.—“Heel goed, mijn jongen,” zeide de kapitein, al weder vriendelijk. “Doe het dan zoo!”Met eene vrije, vaste hand teekent de bruid haar naam in het register. (blz. 220).Met eene vrije, vaste hand teekent de bruid haar naam in het register.(blz. 220).Opdat hij het te beter zou doen, hield kapitein Cuttle somtijds des avonds, als de winkel gesloten was, repetitie van het tooneel. Hij ging tot dat einde in het achterkamertje, als het vooronderstelde huis van jufvrouw MacStinger, en lette zorgvuldig op het gedrag van zijn bondgenoot, door het kijkgaatje dat hij in den muur had gemaakt. Rob de Slijper kweet zich, als hij aldus op de proef werd gesteld, met zooveel nauwkeurigheid en schranderheid van zijne taak, dat de kapitein hem van tijd tot tijd, ten blijke zijner tevredenheid, zeven halve schellingen vereerde, en langzamerhand de berusting van een man begon te gevoelen, die zich op het ergste heeft gewapend en alle redelijke voorzorgen tegen een onverzoenlijk noodlot heeft genomen.Evenwel tartte de kapitein het ongeluk niet door een stipje meer te wagen dan te voren. Hoewel hij het, als vriend van de familie, een punt van beleefdheid achtte de trouwplechtigheid bij te wonen (waarvan hij door Perch gehoord had) en Dombey van de galerij een vroolijk en goedkeurend gelaat te toonen, had hij zich in eene huurkoets met opgehaalde blindjes naar de kerk begeven; en zou hij misschien, in zijne angst voor jufvrouw MacStinger, zelfs dit niet gewaagd hebben, indien de trouw, waarmede deze dame de vermaningen van den eerwaarden Melchizedek bijwoonde, het niet zeer onwaarschijnlijk had gemaakt dat men haar ooit in eenige gemeenschap met de gevestigde kerk zou vinden.De kapitein kwam veilig weder thuis, en viel wederom in den gewonen sleur van zijn nieuw leven, zonder meer door de gedachte aan zijne vijandin ontrust te worden, dan bij het dagelijksch gezicht van vrouwenhoeden op straat[226]onvermijdelijk was. Maar andere dingen begonnen den kapitein zwaar op het hart te wegen. Men had nog niets van Walter’s schip gehoord. Er kwam geene tijding van den ouden Sam Gills. Florence wist niet eens dat de oude man verdwenen was, en kapitein Cuttle had het hart niet om het haar te zeggen. Naarmate de kapitein zijne hoop voor den knappen, edelaardigen jonkman, dien hij, op zijne ruwe manier, van een kind af had liefgehad, voelde verdwijnen, werd hij ook huiveriger om een woord met Florence te wisselen. Als hij haar goed nieuws had kunnen brengen, zou de goede kapitein het nieuw opgemaakte huis en de prachtige meubelen hebben gebraveerd—hoewel deze, in verband met de dame die hij in de kerk gezien had, hem zeer geducht voorkwamen—en Florence hebben gaan opzoeken. Maar toen de gezichteinder hunner gemeenschappelijke hoop betrok en met ieder uur donkerder werd, was het den kapitein te moede, alsof hij maar een nieuw ongeluk voor haar zou zijn, en was hij nauwelijks minder bevreesd voor een bezoek van Florence, dan voor een van jufvrouw MacStinger.Het was een kille, donkere najaarsavond, en kapitein Cuttle had vuur in het achterkamertje laten aanleggen, dat nu meer dan ooit naar de kajuit van een schip geleek. Het regende hard en het waaide hard; en langs het stormachtige slaapkamertje van zijn vriend naar het plat op het dak gaande om het weder waar te nemen, gevoelde de kapitein zich het hart wegzinken, toen hij zag hoe woest en bar het was. Niet dat hij het weder van dien tijd met het lot van den armen Walter in verband bracht, of er aan twijfelde dat, indien de Voorzienigheid hem had veroordeeld om schipbreuk te lijden en te vergaan, alles reeds lang voorbij was; maar die uitwendige invloed, geheel onderscheiden van het onderwerp zijner gedachten, drukte den kapitein toch nog meer ter neer en deed zijne hoop nog dieper wegzinken, gelijk dikwijls wijzer mannen dan hem gebeurd is en nog dikwijls gebeuren zal.Met zijn gezicht naar den scherpen wind en den schuins voortgejaagden regen gekeerd, zag kapitein Cuttle naar de donkere wolken op, die over de woestijn van daken heenvlogen, en zocht vruchteloos naar iets vervroolijkends. Het uitzicht dichtbij was niet beter. In eenige oude theekisten en andere ruwe hokken aan zijne voeten, zaten de duiven van Rob den Slijper zwaarmoedig te kirren. Eene wrakke windvaan, die het fatsoen van een adelborst had en eens van de straat zichtbaar was geweest, maar lang door hooger opgetrokken muren was omsingeld, piepte en knarste op hare roestige spil, terwijl de rukwinden haar spelend lieten draaien. Op het grove, blauwe vest des kapiteins lagen de regendruppels als stalen kralen, en hij kon zich nauwelijks schuins vooroverhellende tegen den stijven noordwester inzetten, die hem over de borstwering heen beneden op de straatsteenen scheen te willen smijten. Als er dien avond nog hoop leefde, dacht de kapitein, terwijl hij zijn hoed vasthield, bleef zij zeker in huis en was dus in de vrije lucht niet te vinden. Zwaarmoedig zijn hoofd schuddende, ging de kapitein naar binnen, om haar te zoeken.Langzaam naar het achterkamertje afgedaald en op zijn gewonen stoel gezeten, zocht kapitein Cuttle naar de hoop in het vuur; maar daar was zij niet, hoewel het helder brandde. Hij kreeg zijne tabaksdoos en zijne pijp, ging zitten rooken, en zocht de hoop in den rooden gloed van den kop, en de krullende rookwolkjes die zijne lippen uitbliezen; maar geen der beiden bevatte een greintje van den roest van het anker der hoop. Hij beproefde een glas grog; maar zwaarmoedige waarheid school op den bodem van dien put, en hij kon het glas niet uitdrinken. Hij ging den winkel een paar maal op en neer en zocht onder de instrumenten; maar zij werkten, in spijt van al wat hij daartegen doen kon, voor het vermiste schip eene rekening uit, die op den bodem der diepe zee eindigde.Terwijl de wind nog loeide en de regen nog tegen de luiken kletterde, bleef de kapitein voor den houten adelborst op de toonbank staan, en dacht, terwijl hij de uniform van het officiertje met zijne mouw afdroogde, hoevele jaren die adelborst had beleefd zonder dat hij bijna eenige veranderingen onder de bemanning van zijn schip had gezien—hoe die veranderingen als het ware allen op één dag waren gekomen, en hoe weinig er van het oude was overgebleven. Het kleine gezelschap in het achterkamertje was opgebroken en wijd en zijd verstrooid. Er waren geene toehoorders meer voor mooie Peggy, al was er iemand geweest om die ballade te zingen, en dat was zoo niet; want kapitein Cuttle was evenzeer overtuigd dat niemand behalve hij ze zingen kon, als dat hij onder deze omstandigheden geen lust had om het te beproeven. Er was geen helder gezicht van Walter meer in huis—hier liet de kapitein zijne mouw voor een oogenblik van de houten uniform naar zijne eigene wang dwalen—de pruik en de knoopen van Sam Gills waren een droombeeld uit het verledene; Richard Whittington was doodgeslagen; alle plannen en uitzichten, die met den adelborst in verband stonden, lagen zonder mast of roer op de waterwoestijn te drijven.Terwijl de kapitein, met een treurig gezicht, zoo stond te peinzen en den adelborst op te wrijven, gedeeltelijk uit teederheid voor dien ouden bekende, gedeeltelijk uit verstrooiing, gaf een kloppen aan de voordeur een schok[227]van schrik aan Rob den Slijper, die, op de toonbank geklommen, den kapitein met groote oogen zat aan te staren, en voor de vijfhonderdste maal bij zich zelven had overlegd, of de kapitein ook een moord kon begaan hebben, dat hij zulk een kwaad geweten had en telkens wegliep.“Wat is dat?” zeide kapitein Cuttle zachtjes.—“Iemand die aan de deur klopt, kapitein,” antwoordde Rob.Met een verslagen en schuldbewust gezicht, sloop de kapitein op de teenen naar het achterkamertje en sloot zich daarin op. Rob deed de deur open, en zou op den drempel eene onderhandeling met den vreemdeling hebben geopend, indien deze eene vrouwelijke gedaante had gehad; maar de gedaante had een mannelijk voorkomen, en daar Rob alleen ten aanzien van vrouwen voorzichtigheid was aanbevolen, hield hij de deur open en liet den onbekende binnentreden, hetgeen deze ook zeer spoedig deed, blijde om uit den regen te komen.“Een karweitje voor Burgess en Comp. in alle gevallen,” zeide de onbekende, met medelijden naar zijne beenen kijkende, die erg nat en met modder bespat waren. “O—hoe vaart ge, mijnheer Gills?”Deze begroeting was tot den kapitein gericht, die nu het achterkamertje uitkwam met eene ellendig mislukte poging om zich te houden alsof hij dit geheel toevallig deed.“Wel bedankt,” vervolgde de onbekende in denzelfden adem; “ik ben ook heel wel, zeer verplicht. Mijn naam is Toots—meneerToots.”De kapitein herinnerde zich dezen jongen heer bij de trouwplechtigheid gezien te hebben, en maakte eene buiging voor hem. Toots antwoordde met een gegrinnik; en daar hij, gelijk doorgaans, verlegen was, haalde hij zwaar adem, schudde den kapitein een langen tijd de hand, en keerde zich toen naar Rob den Slijper, dien hij, geene andere uitkomst meer wetende, insgelijks op de hartelijkste manier de hand schudde.“Zeg! ik zou gaarne eens een woordje met u spreken, mijnheer Gills, als het u belieft,” zeide Toots eindelijk, met verwonderlijke tegenwoordigheid van geest. “Zeg! jufvrouw D. O. M., weet ge wel!”Even ernstig en geheimzinnig, wuifde de kapitein met zijn haak naar het achterkamertje, waarheen Toots hem dan ook volgde.“O, neem mij niet kwalijk,” zeide Toots, naar den kapitein opkijkende, zoodra hij op een stoel zat, dien de kapitein voor hem bij het vuur had geschoven. “Gij kent bij geval den Kemphaan niet al? Doet ge, mijnheer Gills?”—“Den Kemphaan?” zeide de kapitein.—“Ja, mijn vriend den Kemphaan.”Daar de kapitein zijn hoofd schudde, legde Toots hem uit, dat de bedoelde vriend een vermaard publiek persoon was, die zich zelven en zijn vaderland met roem had bedekt in zijn kampgevecht met Nobby vanShropshire; maar dit bericht scheen den kapitein niet veel opheldering te geven.“Omdat hij buiten staat, anders niet,” zeide Toots. “Maar het is van geen beduiden; hij zal misschien niet heel nat worden.”—“Ik kan dadelijk order geven om hem binnen te laten,” zeide de kapitein.—“Wel, als ge zoo goed zoudt willen zijn om hem zoolang bij uw knechtje in den winkel te laten,” grinnikte Toots, “zou het mij pleizier doen, omdat hij, weet ge, licht iets kwalijk neemt, en de vochtigheid ook niet goed voor zijne gewrichten is.Ikzal hem wel binnenroepen, mijnheer Gills.”Daarmede ging Toots naar de voordeur en liet een eigenaardig gefluit hooren, hetwelk weldra een stoïcijnsch heerschap deed verschijnen, met eene ruige witte jas, een breedgeranden hoed, zeer kort haar, een platgedrukten neus, en vrij groote kale plekken achter de ooren.“Ga maar zitten, Kemphaan,” zeide Toots.De Kemphaan deed zulks, spuwde eenig stroo uit, waarop hij zich vergastte, en stak eenig nieuw in zijn mond, uit een voorraad dien hij in de hand had.“Er is geen dropje van iets of wat kort bij de hand?” zeide de Kemphaan in het algemeen. “Zulk een regenachtige avond deugt niet veel voor iemand die van zijne spieren moet leven.”Kapitein Cuttle bood hem een glas rum aan, hetwelk de Kemphaan, zijn hoofd achteroverhoudende, in zijne keel goot, alsof het in eene ton was, nadat hij de korte spreuk had geuit: “Op onze!” Daarop keerden Toots en de kapitein naar het achterkamertje terug; en toen zij bij het vuur zaten, begon Toots:“Mijnheer Gills …”—“Houdaar!” zeide de kapitein. “Mijn naam is Cuttle.”Toots keek zeer verslagen; terwijl de kapitein zeer ernstig vervolgde:“Kapitein Cuttle is mijn naam, enEngelandmijne natie, en tegenwoordig woon ik hier, gezegend zij de gratie—Job,” zeide de kapitein, als om aan te duiden waar hij deze spreuk vandaan had gehaald.—“Zoo! Ik zou mijnheer Gills niet kunnen zien, zou ik?” hervatte Toots. “Omdat …”—“Als gij Sam Gills kondt zien, jonge heer,” zeide de kapitein met nadruk, en legde zijne zware hand op Toots’ knie, “oude Sam, verstaat ge wel—met uwe eigene oogen—zooals ge daar zit—zoudt ge mij liever wezen dan een frissche wind van achteren voor een schip, dat acht dagen lang windstilte heeft gehad. Maar gij kunt Sam Gills niet zien. En waarom kunt gij dat niet?” zeide de kapitein, door het gezicht van Toots verwittigd,[228]dat hij een diepen indruk op des jonkmans gemoed maakte. “Omdat hij onzichtbaar is.”Toots wilde in zijne ontroering antwoorden dat dit van geheel geen beduiden was; maar hij bedacht zich nog en zeide: “God zegen me!”“Die man,” zeide de kapitein, “heeft mij hier in bewaring over zijn goed gelaten, door eene geschrevene aanstelling, maar hoewel hij zoo goed als mijn gezworen broeder was, weet ik evenmin waar hij naar toe is, of waarom hij is heengegaan—of het moest wezen om zijn neef op te zoeken, of misschien omdat hij niet recht bij zijne zinnen was—dan gij het weet. Op een ochtend vroeg,” zeide de kapitein, “ging hij over boord, zonder plof en zonder een rimpeltje in het water. Ik heb overal naar dien man gezocht, maar van dat uur af nooit weder iets van hem gehoord of gezien.”—“Maar, mijn goede hemel, jufvrouw Dombey weet niet,” begon Toots.—“Wel, ik vraag u als een jong mensch met een gevoelig hart,” zeide de kapitein, zijne stem latende dalen, “waarom zou zij het weten? Waarom zou men het haar zeggen, of het moest wezen dat het niet anders kon? Zij had zich aan den ouden Sam Gills gehecht met eene hartelijkheid, met een—wat behoeft het gezegd te worden? Gij kent haar toch.”—“Dat zou ik hopen,” giggelde Toots, terwijl een blos van verlegenheid geheel zijn gezicht overspreidde.—“En komt gij van haar af hier naar toe?” zeide de kapitein.—“Dat zou ik denken,” giggelde Toots.—“Dan heb ik alleen maar te zeggen,” hervatte de kapitein, “dat gij eene engelin kent en door eene engelin gestuurd wordt.”Toots vatte den kapitein dadelijk bij de hand en verzocht om de gunst van zijne vriendschap.“Op mijn woord van eer,” zeide Toots met ernst, “ik zou u zeer verplicht wezen als gij kennis met mij woudt houden. Ik zou u heel gaarne nader willen leeren kennen, kapitein. Ik heb waarlijk gebrek aan een vriend. Bij Blimber was kleine Dombey mijn vriend, en dat zou hij nog wezen, als hij was blijven leven. De Kemphaan,” zeide Toots, neerslachtig fluisterend, “is heel wel—bewonderenswaardig op zijne manier—misschien de slimste kerel van de wereld; er is geen streek dien hij niet weet, zegt iedereen—maar ik weet het niet—hij is toch alles niet. Gij vindt haar dus eene engelin, kapitein. Ja, als er ergens eene engelin is, dan is het jufvrouw Dombey. Dat heb ik altijd gezegd. Maar waarlijk, weet ge,” zeide Toots, “ge zoudt mij zeer verplichten als ge kennis met mij woudt houden.”Kapitein Cuttle ontving dit voorstel op eene beleefde manier, maar toch zonder zich tot het aannemen daarvan te verbinden, alleen zeggende: “Ja, ja, mijn jongen. Wij zullen zien, wij zullen zien;” en herinnerde Toots daarop aan het oogmerk zijner zending, door te vragen waaraan hij de eer van dit bezoek te danken had.“Wel, om de waarheid te zeggen,” antwoordde Toots, “kom ik van het meisje. Niet van jufvrouw Dombey—van Suze, weet ge.”De kapitein knikte eens, met een zeer ernstig gezicht, ten teeken, dat hij deze jonge juffer eene ware hoogachting toedroeg.“En ik zal u zeggen hoe dat zoo komt,” vervolgde Toots. “Gij weet, ik ga tusschenbeide wel eens bij jufvrouw Dombey aan. Ik ga daar niet met opzet naar toe, maar ik kom toevallig heel dikwijls in de buurt, en als ik daar kom—dan ga ik er eens aan.”—“Natuurlijk,” zeide de kapitein.—“Ja,” zeide Toots. “Zoo kwam ik daar van middag. Op mijn woord van eer, ik geloof niet dat het mogelijk is zich te verbeelden welk een engel jufvrouw Dombey van middag was.”De kapitein antwoordde, door zijn hoofd met een schok in den nek te werpen, waardoor hij aanduidde, dat dit voor sommige menschen niet gemakkelijk mocht wezen, maar voor hem heel gemakkelijk was.“Toen ik weder heenging,” zeide Toots, “bracht Suze mij heel onverwacht in de provisiekamer.”De kapitein scheen dit niet goed te keuren, liet zich in zijn stoel achteroverzakken en zag Toots aan, met een wantrouwig, zoo niet dreigend gezicht.“En daar liet zij mij deze courant zien,” zeide Toots. “Zij zeide mij, dat zij die den geheelen dag voor jufvrouw Dombey had weggehouden om iets dat er in stond over iemand, dien zij placht te kennen; en toen las zij het mij voor. Ja, goed. En toen zeide zij—wacht eens even—wat zeide zij ook weer?”Terwijl Toots al zijne geestvermogens op deze vraag poogde te richten, zag hij toevallig den kapitein in de oogen en ontstelde zoodanig van hunne barsche uitdrukking, dat hij daardoor nog minder den verloren draad zijner rede kon terugvinden.“O,” zeide Toots, na lang bedenken. “O ja! Zij zeide te hopen dat het nog mogelijk was, dat het niet waar zou zijn, en omdat zij niet wel zelve kon uitgaan, zonder dat jufvrouw Dombey er zich over zou verwonderen, of ik eens naar mijnheer Samuel Gills den instrumentmaker, hier in de straat, wilde gaan, en vragen of hij geloofde dat het waar was, of er in deCityiets anders van had gehoord. Zij zeide, als hij mij niet kon spreken, zou kapitein Cuttle dat zeker wel kunnen. A propos!” zeide Toots, toen deze ontdekking hem eensklaps inviel, “dat waart gij.”De kapitein keek naar de courant, die Toots in de hand had, en begon kort en snel adem te halen.“Wel,” vervolgde Toots, “de reden dat ik wat laat kom is, dat ik eerst heel naarFinchley[229]ben gegaan om wat buitengemeen mooi muurkruid, dat daar groeit, voor jufvrouw Dombey’s vogeltje te halen. Maar toen ben ik dadelijk hier naar toe gekomen. Gij zult de courant wel gezien hebben, denk ik?”De kapitein, die bang was om couranten te lezen, uit vrees van eene advertentie te vinden waarbij jufvrouw MacStinger eene premie voor hem uitloofde, schudde zijn hoofd.“Wil ik het u dan eens voorlezen?” vroeg Toots.Op een toestemmend teeken van den kapitein, las Toots het volgende uit de scheepstijdingen:“Southampton.Het barkschip de Speculatie, kapitein Henry James, heden in deze haven aangekomen, met eene lading suiker, koffie en rum, bericht, dat het op den zesden dag van deJamaica, op—dat is de breedte, weet gij wel,” zeide Toots na eene poging om de cijfers uit te spreken, en er over gestruikeld te zijn.“Ja wel,” zeide de kapitein, met zijne gebalde vuist op de tafel slaande. “Gang maar!”“Breedte dus,” hervatte Toots, eventjes verschrikt naar den kapitein opkijkende, “en lengte zooveel, windstilte heeft gehad, en de wacht toen, een half uur vóór zonsondergang, eenige stukken van een wrak heeft gezien, die op ongeveer een mijl afstands drijvende waren. Daar het weder helder was en de bark niet vorderde, werd er eene boot uitgezet om die voorwerpen nader op te nemen, en toen bevond men dat zij bestonden uit eenige groote rondhouten en een gedeelte der tuigage van eene Engelsche brik van omtrent vijfhonderd tonnen last, benevens een gedeelte van den achtersteven, waarop de woorden en letters “Zoon en E” nog duidelijk leesbaar waren. Geen lijk was op of tusschen de wrakken te zien. Het journaal van de Speculatie vermeldt verder, dat in den nacht de wind opstak, en het wrak dus niet meer gezien werd. Alle twijfelingen aangaande het lot van het vermiste schip, de Zoon en Erfgenaam, uit de haven vanLondennaarBarbadosuitgezeild, zijn daarmede opgelost. Het is nu zeker dat het in den laatsten orkaan is verbrijzeld, en allen die aan boord waren zijn omgekomen.”Gelijk het allen menschen gaat, wist kapitein Cuttle weinig hoeveel hoop er te midden van zijne hopeloosheid was blijven leven, tot hij haar den doodsteek voelde geven. Onder het lezen van dit bericht en nog een paar minuten later bleef hij den zedigen Toots als versteend zitten aanstaren. Toen stond hij eensklaps op, zette den blinkenden hoed op, dien hij ter eer van het bezoek op de tafel had gelegd, keerde zijn gast den rug toe en liet zijn hoofd op den schoorsteenmantel zakken.“Op mijn woord van eer,” zeide Toots, wiens teeder hart door de onverwachte droefheid des kapiteins getroffen was, “die wereld is toch een allerellendigst ding! Altijd sterft er iemand in, of wordt er iets onpleizierigs gedaan. Ik zou waarlijk nooit zoo verlangd hebben om aan mijn eigendom te komen, als ik dat geweten had. Ik heb nooit zulk eene wereld gezien. Het is nog veel erger dan bij Blimber.”Zonder van houding te veranderen, gaf de kapitein Toots een teeken om zich maar niet aan hem te storen, en weldra keerde hij zich om, met den blinkenden hoed op de ooren geduwd, en streek met zijne hand zijn bruin gezicht effen.“Walter, mijn lieve beste jongen,” zeide de kapitein, “vaarwel! Walter, als kind, als jongen en als man heb ik u liefgehad. Hij was mijn vleesch en bloed niet,” zeide de kapitein, naar het vuur kijkende,—“dat heb ik niet—maar iets van wat een vader gevoelt als hij een zoon verliest, gevoel ik nu ik Walter verlies. En waarom?” zeide de kapitein. “Omdat het niet één verlies is, maar wel een dozijn verliezen. Waar is dat aardige schoolknaapje met zijn blozend gezichtje en krullende haren, dat hier zoo vroolijk placht te wezen als een stukje dansmuziek? Met Walter verdronken. Waar is de frissche jongen, die nooit moe kon worden, en die zoo rood werd als wij hem met hartediefje plaagden, dat het een lust was om hem aan te zien? Met Walter verdronken. Waar is die jonkman vol geest en vuur, die den ouden man geen oogenblik neerslachtig kon zien, maar om zich zelven niet het minste gaf? Met Walter verdronken. Het is niet één Walter. Er waren wel een dozijn Walter’s die ik kende en liefhad, die hem allen om den hals hielden toen hij naar beneden zonk, en die mij nu om den hals houden!”Toots bleef stil zitten, en vouwde de courant op zijne knie zoo klein mogelijk op.“En Sam Gills,” zeide de kapitein, in het vuur starende, “arme oude Sam Gills, die nu geen neef meer heeft, waar zijtgijnaar toe? Hij had u aan mij toevertrouwd; zijne laatste woorden waren: “Pas op mijn oom.” Wat is u overkomen, Sam Gills, dat ge van Ned Cuttle zijt weggeloopen, en wat zal ik hem van u verantwoorden? Sam Gills, Sam Gills,” zeide de kapitein, langzaam zijn hoofd schuddende, “als gij die courant onder de oogen krijgt, ver van huis, en met niemand, die Walter gekend heeft, om u een woordje toe te spreken, dan zult gij er niet tegen bestand zijn!”Een zwaren zucht slakende, keerde de kapitein zich naar Toots, alsof hij nu eerst bedacht dat deze tegenwoordig was.“Mijn jongen,” zeide de kapitein, “gij moet dat meisje eerlijk zeggen dat die ongelukkige tijding maar al te waar is. Zij schrijven geene romannetjes van zulke dingen, ziet ge. Het staat in het scheepsjournaal, en dat is het waarste boek dat iemand kan schrijven. Morgenochtend zal ik eens uitgaan en navraag doen; maar er[230]zal niets goeds van komen. Dat kan het niet. Als gij later op den dag eens bij mij wilt komen, zult gij vernemen wat ik gehoord heb. Maar zeg het meisje uit naam van kapitein Cuttle, dat alles voorbij is. Voorbij!”De kapitein nam zijn blinkenden hoed af, haalde zijn zakdoek uit den bol, wreef er wanhopig zijn grijzend hoofd mede, en smeet hem weder in den hoed, met de onverschilligheid der diepste neerslachtigheid.“O, ik verzeker u,” zeide Toots, “dat het mij vreeselijk spijt. Op mijn woord, dat doet het, schoon ik den persoon niet gekend heb. Denkt gij dat jufvrouw Dombey erg aangedaan zal zijn, kapitein Gills—ik wil zeggen, mijnheer Cuttle?”,—“Wel, mijn hemel,” antwoordde de kapitein, met zeker medelijden met Toots’ onnoozelheid. “Toen zij nog niet grooter was dan zóó, waren zij al zoo teer voor elkander als twee jonge duifjes.”—“Zoo, waarlijk,” zeide Toots, wiens gezicht aanmerkelijk langer werd.—“Zij waren voor elkander geschapen,” zeide de kapitein droevig. “Maar wat beduidt dat nu?”—“Op mijn woord van eer,” riep Toots, zijne woorden tusschen eene zonderlinge mengeling van gegiggel en halve snikken uitstootende, “er heeft mij nooit iets zoo gespeten. Gij moet weten, kapitein Gills, ik—ik aanbid jufvrouw Dombey—ik—ik ben geheel van mijne streek van liefde voor haar.” De heftigheid waarmede deze bekentenis zich den ongelukkigen Toots afdwong, bewees het ernstige van zijn gevoel. “Maar wat zou het baten dat ik haar liefhad, als ik niet waarlijk spijt had van haar verdriet, wat er ook de reden van mocht wezen. Mijne genegenheid is niet zelfzuchtig, moet ge weten,” zeide Toots, wiens vertrouwen door de teerhartigheid des kapiteins, waarvan hij getuige was geweest, werd uitgelokt. “Het is bij mij zoo iets, kapitein Gills, dat als ik mij kon laten overrijden—of laten vertrappen—of van eene groote hoogte afsmijten—of iets van dien aard—ten genoegen van jufvrouw Dombey, het waarlijk het verrukkelijkste zou zijn dat mij kon gebeuren.”Dit alles zeide Toots met eene gesmoorde stem, opdat het de ijverzuchtige ooren van den Kemphaan niet zou bereiken, die alle zachte aandoeningen afkeurde; en dit bedwang, met de kracht van zijn gevoel vereenigd, deed hem rood worden tot aan de lapjes van zijne ooren, en maakte hem in de oogen van kapitein Cuttle tot zulk een aandoenlijk schouwspel van onbaatzuchtige liefde, dat de goede kapitein hem troostend op den rug klopte en vermaande om zich maar wat op te beuren.“Dankje wel, kapitein Gills,” zeide Toots, “het is wel vriendelijk van u, onder al uw eigen verdriet, dat ge dat zegt. Gelijk ik al vroeger gezegd heb, ik heb waarlijk gebrek aan een vriend, en ik zou blij zijn als gij kennis met mij woudt houden. Schoon ik er heel goed in zit,” zeide Toots met vuur, “kunt gij u toch niet verbeelden welk een ellendeling ik ben. De wufte menigte, weet gij, als zij mij met den Kemphaan en andere personen van onderscheiding ziet, houdt mij voor gelukkig, maar ik ben rampzalig. Ik martel mij zelven met jufvrouw Dombey, kapitein Gills. Ik kan haast niet eten. Ik heb geen pleizier in mijn kleermaker. Ik huil dikwijls als ik alleen ben. Ik verzeker u, het zal een genoegen voor mij zijn als ik morgen en nog vijftigmaal terug mag komen.”Met deze woorden drukte Toots den kapitein de hand, en zijn best doende om de sporen zijner aandoening voor den scherpen blik van den Kemphaan te verbergen, ging hij dezen uitstekenden persoon in den winkel opzoeken. De Kemphaan, die licht jaloersch werd, zag den kapitein met alles behalve gunstige oogen aan, maar volgde zijn patroon zonder eenig ander blijk van misnoegen te geven; en liet den kapitein diep ter neer geslagen, en Rob den Slijper opgetogen van blijdschap omdat hij de eer had gehad van een halfuur lang den overwinnaar van Nobby van Shropshire aan te staren.Lang na dat Rob in zijn bed onder de toonbank gerust was ingeslapen, zat de kapitein nog in het vuur te kijken, en lang na dat er geen vuur meer was om naar te kijken, zat de kapitein nog naar de roestige traliën te turen, terwijl nuttelooze gedachten aan Walter en den ouden Sam hem het hoofd verwarden. Toen hij zich naar het stormachtige kamertje boven in huis begaf, kon hij daar ook niet rusten, en des morgens stond hij onverkwikt en treurig op.Zoodra de kantoren in de stad open waren, ging de kapitein uit om zich naar dat van Dombey en Zoon te begeven. Maar de vensters van den houten adelborst werden dien ochtend niet geopend. Op last van den kapitein liet Rob de Slijper de luiken voor, zoodat het huis een sterfhuis geleek.Bij toeval ging Carker de chef juist het kantoor in, toen de kapitein aan de deur kwam. Carker’s groet met ernstig stilzwijgen aannemende, was de kapitein zoo vrij om met hem naar de kamer te gaan.“Wel, kapitein Cuttle,” zeide Carker, zich in zijne gewone houding voor den haard plaatsende en zijn hoed ophoudende, “dat is een leelijk geval.”—“Gij hebt dus de tijding gekregen, die gisteren in de courant stond, mijnheer?” zeide de kapitein.—“Ja,” zeide Carker, “wij hebben ze ontvangen. Het is maar zoo. De assuradeurs lijden een aanmerkelijk verlies. Het spijt ons zeer, maar er is niet aan te doen. Zoo gaat het in de wereld!”Carker sneed zijne nagels voorzichtig met een pennemes, en glimlachte tegen den kapitein, die hem bij de deur stond aan te zien.“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man, en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen hebben.” (blz. 231).“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man, en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen hebben.”(blz. 231).[231]“Het spijt mij zeer van den armen Gay,” zeide Carker, “en van het scheepsvolk. Ik hoor dat er sommige van onze knapste lui onder waren. Dat gaat altijd zoo. Velen met huishoudens ook. Een troost dat Gay geen huishouden had, kapitein Cuttle!”De kapitein wreef zijne kin en bleef Carker staan aanzien. Carker keek nu eens naar de ongeopende brieven op zijn lessenaar en nam de courant op.“Is er iets dat ik voor u doen kan, kapitein Cuttle?” vroeg hij, van de courant opkijkende, met een glimlach en een veelbeduidenden blik naar de deur.—“Ik wenschte dat ge mij goed kondt geruststellen, mijnheer, over iets waar ik ongerust over ben,” antwoordde de kapitein.—“Zoo!” zeide Carker. “Wat is dat dan?Kom aan, kapitein Cuttle, ik moet u verzoeken om u wat te haasten. Ik heb veel te doen.”—“Ziet ge, mijnheer,” zeide de kapitein, een stap nader komende, “eer mijn vriend Walter op die heillooze reis uitging …”—“Kom, kom, kapitein Cuttle,” viel de glimlachende Carker er op in, “spreek zoo niet van heillooze reizen. Daar weten wij hier niet van. Gij moet vandaag al vroeg aan uw rantsoen zijn begonnen, als gij niet bedenkt dat alle reizen, ter zee of te land, hare gevaren hebben. Gij maakt u toch niet ongerust over de gedachte dat de jonge—hoe heet hij ook weer—vergaan zou zijn in slecht weer, dat aan dit kantoor tegen hem werd afgezonden—doet ge? Foei, kapitein! Uitslapen en sodawater zijn de beste middelen tegen zulke ongerustheid.”—“Mijn jongen,” antwoordde de kapitein langzaam—“ge zijt haast nog een jongen bij mij, en dus vraag ik geen excuus dat dit woord mij ontvalt—als gij pleizier hebt in die aardigheid, zijt ge de man niet waar ik u voor hield. En als gij de man niet zijt waar ik u voor hield, heb ik misschien wel reden om ongerust te zijn. De zaak is zóó gelegen, mijnheer Carker.—Eer die arme jongen heenging, zooals hem gelast was, zeide hij mij dat hij niet tot zijn bestwil of voor zijne bevordering heenging, dat wist hij wel. Ik dacht toen dat hij dit verkeerd had, en zeide hem dat; en toen kwam ik hier, daar uw patroon er niet was, om u op eene beleefde manier een paar vragen te doen, tot mijne eigene geruststelling. Die vragen hebt gij beantwoord—vrijwillig. Nu zal het mij wederom geruststellen—nu alles voorbij is, en wat men niet verhelpen kan moet men maar dragen; gij, als een geleerde, kunt het boek wel nazien waar dat in staat, en zet er dan een streepje bij als gij het vindt—kortom, om nog eens te hooren dat ik mijn plicht niet heb verzuimd toen ik den ouden man niet zeide wat Walter mij gezegd had; en dat hij waarlijk den wind in het zeil had toen hij naarBarbadosuitliep. Mijnheer Carker,” zeide de kapitein, in zijne goedhartigheid, “toen ik laatst hier was, waren wij heel pleizierig met elkander. Als ik van morgen niet zoo heel pleizierig ben, om reden van dien armen jongen, en mij driftig gemaakt heb over een zeggen van u dat ik goed had moeten opnemen, mijn naam is Edward Cuttle, en ik vraag u excuus.”—“Kapitein Cuttle,” antwoordde Carker, met alle mogelijke beleefdheid, “ik moet u om eene gunst verzoeken.”—“En wat is dat, mijnheer?” vroeg de kapitein.—“Dat gij zoo goed zijt om u weg te pakken, als het u belieft,” antwoordde Carker, zijn arm uitstekende, “en met uwe borrelpraatjes ergens anders heen te gaan.”Elke knobbel van des kapiteins gezicht verbleekte van verbazing en verontwaardiging; zelfs de roode streep op zijn voorhoofd verdween, gelijk een regenboog tusschen samengepakte wolken.“Ik zal u eens wat zeggen, kapitein Cuttle,” vervolgde Carker, zijn vinger tegen hem schuddende en hem al zijne tanden toonende, maar nog vriendelijk glimlachend. “Ik heb veel te veel verschooning voor u gehad toen gij de vorige maal hier waart. Gij behoort tot een doortrapt en onbeschaamd slag van menschen. Uit verlangen om dien jongen—hoe heet hij ook weer—er voor te bewaren dat hij ridderlijk hier vandaan geschopt werd, mijn goede kapitein, heb ik geduld met u gehad, doch maar voor eens en niet meer. Ga nu heen, mijn vriend!”De kapitein stond aan den grond vastgeworteld en sprakeloos.“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man, en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen hebben. Als mijnheer Dombey hier was, kapitein, zoudt ge misschien op eene schandelijker manier hier vandaan komen. Ik zeg maar, ga heen.”De kapitein legde zijne zware hand op zijne borst om zich zelven te helpen om diep adem te halen, nam Carker van het hoofd tot de voeten op en keek toen in het kamertje rond, alsof hij niet duidelijk begreep waar hij was of in welk gezelschap.“Gij zijt slim, kapitein Cuttle,” vervolgde Carker met de luchtige rondborstigheid van een man naar de wereld, die de wereld te wel kende om zich uit zijn humeur te laten brengen door de ontdekking van een wanbedrijf dat hem niet onmiddellijk aanging; “maar gij zijt toch niet geheel ondoorgrondelijk—en uw afwezige vriend ook niet, kapitein. Wat hebt ge met uw afwezigen vriend gedaan, zeg?”Wederom legde de kapitein de hand op de borst. Na nog eens diep adem te hebben gehaald, bezwoer hij zich zelven met een “sta vast!” maar fluisterend.“Gij smeedt aardige komplotjes, en maakt[232]aardige afspraakjes, en krijgt ook aardige visites, niet waar, kapitein?” zeide Carker, zijne wenkbrauwen samentrekkende, zonder daarom minder zijne tanden te toonen; “maar het is wat al te stout om naderhand nog hier te komen. Dat gelijkt niet naar uwe gewone voorzichtigheid. Gij komplottenmakers, wegschuilers en wegloopers, moest beter weten. Wilt ge nu zoo goed zijn om heen te gaan?”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein met eene gesmoorde en bevende stem, en eene zonderlinge beweging in zijne zware vuist, “er zijn vele woorden, die ik u zou willen zeggen, maar ik weet ze op het oogenblik niet recht te vinden. Mijn jonge vriend, Walter, is pas gisteravond verdronken, volgens mijne rekening, en dat brengt mij van mijne streek, ziet ge. Maar gij en ik zullen elkander wel eens weder voor den boeg komen, mijn jongen,” zeide de kapitein, zijn haak ophoudende, “als wij het beleven.”—“Het zal alles behalve slim van u zijn, mijn goede man, als wij dat doen,” antwoordde Carker, met dezelfde rondborstigheid, “want gij kunt er op aan, ik waarschuw u vooruit, dat ik u zal ontmaskeren en ten toon stellen. Ik wil niet zeggen dat ik beter ben dan anderen, mijn goede kapitein, maar ik zal het vertrouwen van dit kantoor, of een lid van dit kantoor, toch niet laten misbruiken en ondermijnen, zoolang ik ooren en oogen heb. Goedendag!” zeide Carker knikkende.Hem strak aanziende (Carker zag hem even strak aan) ging de kapitein de kamer uit, en liet hem wijdbeens voor het vuur staan, zoo kalm en zoo genoeglijk, alsof er niet meer vlekken op zijne ziel waren dan op zijn sneeuwwit linnen of zijne gladde huid.Toen de kapitein het groote kantoor doorkwam, keek hij even naar den lessenaar, waaraan hij wist dat de arme Walter placht te zitten, en waaraan nu een andere jonge knaap zat, met een gezicht bijna even frisch als het zijne, toen zij in het achterkamertje die kostbare flesch ouden madera (de laatste op een na) met elkander ledigden. De aldus opgewekte herinneringen deden den kapitein veel goed; op het toppunt zijner gramschap verteederden zij hem en deden hem de tranen in de oogen komen.Wederom bij den houten adelborst in een hoekje van den donkeren winkel gezeten, kon des kapiteins verontwaardiging, hoe sterk zij ook was, het niet tegen zijne droefheid uithouden. Zijne hartstochtelijkheid scheen niet alleen de nagedachtenis van den doode te beleedigen, maar ook bij de gedachte daaraan van zelf weg te kwijnen. Al de levende schelmen en logenaars van de wereld waren niets bij de oprechtheid en trouw van den eenen dooden vriend.Het eenige dat de brave kapitein in dezen gemoedstoestand duidelijk kon zien, behalve het verlies van Walter, was, dat met hem bijna de geheele wereld van kapitein Cuttle verdronken was. Als hij het zich somtijds scherp verweet dat hij tot Walter’s onschuldig bedrog had medegeholpen, dacht hij ten minste even dikwijls aan den vorigen mijnheer Carker, dien geene zee ooit kon teruggeven; en den mijnheer Dombey, die hij nu begon te begrijpen, dat ver boven alle menschelijk bereik was; en het harteliefje waarmede hij nooit weder een woord zou spreken; en de mooie Peggy, die heerlijke ballade, nu eene reeks van rijmen zonder kracht of beteekenis. De kapitein zat in den donkeren winkel aan deze dingen te denken, zoodat hij de beleediging, die hij zelf ondergaan had, geheel vergat, en keek met zulke droevige oogen naar den grond, alsof hij de wrakken van al het verlorene daar werkelijk voorbij zag drijven.Maar de kapitein vergat toch niet om de nagedachtenis van den armen Walter zooveel eer te bewijzen als in zijn vermogen was. Zich zelven wakker schuddende, en ook Rob den Slijper wakker schuddende, (die in de onnatuurlijke schemering gerust zat te slapen) ging de kapitein, met dezen trawant op de hielen en den huissleutel in zijn zak, uit, en begaf zich naar een van die geriefelijke oude kleerenwinkels, waarvan men in het oosten vanLondenkeus genoeg heeft. Daar kocht hij twee rouwpakken—een voor Rob den Slijper, dat veel te klein, en een voor zich zelven dat veel te groot was. Hij voorzag Rob insgelijks van een hoed, die met geen bekend fatsoen was te vergelijken, maar het meest van een zuidwester had, en dus in een winkel van instrumenten eene gelukkige nieuwigheid was. In deze gewaden gedost, welke de verkooper verklaarde zoo wonderbaar te passen, dat dit alleen door een zeldzamen samenloop van gelukkige omstandigheden mogelijk was, stapten de kapitein en de Slijper weder naar huis, een schouwspel aanbiedende, dat ieder, die het zag, moest verbazen.In deze veranderde gedaante ontving de kapitein het volgende bezoek van Toots. “Ik ben op dit oogenblik wat van mijne streek, mijn jongen,” zeide de kapitein, “en zal maar alleen die slechte tijding bevestigen. Zeg dat meisje dat zij ze de jonge juffer voorzichtig moet zeggen, en dat zij ook geen van beiden meer om mij moeten denken—in het bijzonder, meen ik, begrijpt gij wel—schoon ik wel om ze denken zal, als des nachts de winden razen en de zeeën bergen hoog rollen—zie doctor Watts daar maar eens voor na, broeder, en als gij het vindt, zet er dan een streepje bij.”De kapitein stelde het tot gelegener tijd uit om Toots’ aanbod van vriendschap in overweging te nemen, en liet hem zoo gaan. De kapitein was zelf zoo neerslachtig, dat hij dien[233]dag half en half besloot om geene voorzorgen tegen eene verrassing van jufvrouw MacStinger meer te nemen, maar zich roekeloos aan het toeval over te geven en onverschillig te zijn voor wat er gebeuren mocht. Toen het echter avond werd, kwam hij in eene betere stemming, en sprak veel van Walter tot Rob den Slijper, wien hij insgelijks prees voor zijne oplettendheid en trouw. Rob bloosde hierover niet, maar zat den kapitein aan te staren en hield zich alsof hij van aandoening griende, maar onthield (die jonge spion) met veelbelovende valschheid ieder woord dat hij sprak.Dit in het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte. (blz. 233).Dit in het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte.(blz. 233).Toen Rob naar bed en in slaap was, snoot de kapitein de kaars, zette zijn bril op—hij had het, toen hij den instrumentenwinkel aanvaardde, voegzaam geacht zich een bril aan te schaffen, hoewel hij oogen had als een valk—en opende het gebedenboek bij het begrafenisformulier. Dit in het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte.[234]
De brave kapitein Cuttle verzuimde, toen de weken in zijne versterkte schuilplaats voor hem voorbijvlogen, zonder dat zijne vijandin verscheen, geenszins zijne voorzichtige voorzorgen tegen eene verrassing. De kapitein beredeneerde dat zijne tegenwoordige veiligheid al te verwonderlijk was om veel langer te kunnen duren; hij wist dat, als de wind in een gunstigen hoek stond, de windvaan daar zelden vastgespijkerd bleef, en hij was al te wel bekend met het onverschrokken en doorzettend karakter van jufvrouw MacStinger, om er aan te twijfelen of deze heldhaftige vrouw had zich terstond toegewijd aan de taak om hem op te zoeken en weder gevangen te nemen. Bevende onder het gewicht dezer redenen, leidde kapitein Cuttle een zeer stil en afgezonderd leven. Zelden waagde hij zich buiten de deur dan na den donker, en dan zelfs alleen in de donkerste straten; op zondag ging hij geheel niet uit, en zoowel binnen als buiten de muren zijner schuilplaats vermeed hij vrouwenhoeden, alsof deze door woedende leeuwen werden gedragen.
Het kwam den kapitein nooit in het hoofd, dat het, als jufvrouw MacStinger hem eens op eene wandeling aangreep, hem mogelijk zou zijn om tegenstand te bieden. Hij gevoelde wel dat dit niet aanging. Hij zag zich zelven, in zijne verbeelding, gedwee in eene huurkoets zetten en naar zijne oude woning terugbrengen. Hij voorzag dat hij, eens daar gekerkerd, een verloren man was—zonder hoed, met jufvrouw MacStinger nacht en dag op de wacht, met verwijten overladen ten aanhoore der kleine familie, het schuldige voorwerp van wantrouwen en achterdocht, in de oogen der kinderen een wildeman, en in die hunner moeder een betrapte verrader.
Altijd kreeg de kapitein eene geweldige uitwaseming en eene diepe neerslachtigheid, als dit somber tafereel voor zijne verbeelding oprees. Doorgaans deed het dit voordat hij des avonds de deur uitsloop om wat lucht en beweging te hebben. Bewust van het gevaar waaraan hij zich blootstelde, nam de kapitein alsdan afscheid van Rob, met den plechtigen ernst van een man die misschien nooit zou terugkomen; en vermaande hem, in geval hij (de kapitein) eene poos onzichtbaar werd, om het pad der deugd te blijven bewandelen, en de koperen instrumenten blinkend gepoetst te houden.
Maar om niets te verzuimen en zich in geval van het ergste, een middel te verzekeren om met de buitenwereld gemeenschap te houden, kwam kapitein Cuttle weldra op het gelukkige denkbeeld om Rob den Slijper een geheim teeken te leeren, waardoor hij zijne aanwezigheid en trouw, in het uur van tegenspoed, aan zijn kommandant zou kunnen te kennen geven. Na veel overwegens deed de kapitein de keus om hem het zeemansliedje “Vroolijk, vroolijk!” te leeren fluiten; en toen Rob de Slijper het daarin zoo nabij de volmaaktheid had gebracht als een landsman kon hopen, drukte de kapitein hem deze geheimzinnige onderrichtingen op het hart:
“Sta vast nu, mijn jongen. Als ik ooit gepakt word …”—“Gepakt, kapitein!” viel Rob er op in, met zijne ronde oogen wijd open.—“Dat wil zeggen,” hernam kapitein Cuttle somber, “als ik ooit heenga, met gedachte om voor het avondeten terug te komen, en mij niet weer laat praaien, ga dan vier en twintig uren na mijn verlies naarBrig Placeen fluit dat deuntje dicht bij mijne oude ankerplaats—niet alsof ge dat zoo met opzet kwaamt doen, verstaat ge wel, maar alsof ge daar zoo bij geval naartoe waart gedreven. Als ik met datzelfde deuntje antwoord, mijn jongen, loop dan heen en kom vier en twintig uren later terug; en[225]als ik met een ander deuntje antwoord, houd dan af en aan, en wacht tot ik verdere seinen geef. Hebt ge dat goed begrepen?”—“Wat moet ik af- en aanhouden, kapitein?” vroeg Rob. “Het deuntje?”—“Dat is een knappe jongen!” zeide de kapitein, hem barsch aanziende, “die zijn a b c nog niet kent. Kuier een eindje voort, en kom dan weer terug, en zoo beurt om beurt—verstaat ge dat?”—“Ja, kapitein,” zeide Rob.—“Heel goed, mijn jongen,” zeide de kapitein, al weder vriendelijk. “Doe het dan zoo!”
Met eene vrije, vaste hand teekent de bruid haar naam in het register. (blz. 220).Met eene vrije, vaste hand teekent de bruid haar naam in het register.(blz. 220).
Met eene vrije, vaste hand teekent de bruid haar naam in het register.(blz. 220).
Opdat hij het te beter zou doen, hield kapitein Cuttle somtijds des avonds, als de winkel gesloten was, repetitie van het tooneel. Hij ging tot dat einde in het achterkamertje, als het vooronderstelde huis van jufvrouw MacStinger, en lette zorgvuldig op het gedrag van zijn bondgenoot, door het kijkgaatje dat hij in den muur had gemaakt. Rob de Slijper kweet zich, als hij aldus op de proef werd gesteld, met zooveel nauwkeurigheid en schranderheid van zijne taak, dat de kapitein hem van tijd tot tijd, ten blijke zijner tevredenheid, zeven halve schellingen vereerde, en langzamerhand de berusting van een man begon te gevoelen, die zich op het ergste heeft gewapend en alle redelijke voorzorgen tegen een onverzoenlijk noodlot heeft genomen.
Evenwel tartte de kapitein het ongeluk niet door een stipje meer te wagen dan te voren. Hoewel hij het, als vriend van de familie, een punt van beleefdheid achtte de trouwplechtigheid bij te wonen (waarvan hij door Perch gehoord had) en Dombey van de galerij een vroolijk en goedkeurend gelaat te toonen, had hij zich in eene huurkoets met opgehaalde blindjes naar de kerk begeven; en zou hij misschien, in zijne angst voor jufvrouw MacStinger, zelfs dit niet gewaagd hebben, indien de trouw, waarmede deze dame de vermaningen van den eerwaarden Melchizedek bijwoonde, het niet zeer onwaarschijnlijk had gemaakt dat men haar ooit in eenige gemeenschap met de gevestigde kerk zou vinden.
De kapitein kwam veilig weder thuis, en viel wederom in den gewonen sleur van zijn nieuw leven, zonder meer door de gedachte aan zijne vijandin ontrust te worden, dan bij het dagelijksch gezicht van vrouwenhoeden op straat[226]onvermijdelijk was. Maar andere dingen begonnen den kapitein zwaar op het hart te wegen. Men had nog niets van Walter’s schip gehoord. Er kwam geene tijding van den ouden Sam Gills. Florence wist niet eens dat de oude man verdwenen was, en kapitein Cuttle had het hart niet om het haar te zeggen. Naarmate de kapitein zijne hoop voor den knappen, edelaardigen jonkman, dien hij, op zijne ruwe manier, van een kind af had liefgehad, voelde verdwijnen, werd hij ook huiveriger om een woord met Florence te wisselen. Als hij haar goed nieuws had kunnen brengen, zou de goede kapitein het nieuw opgemaakte huis en de prachtige meubelen hebben gebraveerd—hoewel deze, in verband met de dame die hij in de kerk gezien had, hem zeer geducht voorkwamen—en Florence hebben gaan opzoeken. Maar toen de gezichteinder hunner gemeenschappelijke hoop betrok en met ieder uur donkerder werd, was het den kapitein te moede, alsof hij maar een nieuw ongeluk voor haar zou zijn, en was hij nauwelijks minder bevreesd voor een bezoek van Florence, dan voor een van jufvrouw MacStinger.
Het was een kille, donkere najaarsavond, en kapitein Cuttle had vuur in het achterkamertje laten aanleggen, dat nu meer dan ooit naar de kajuit van een schip geleek. Het regende hard en het waaide hard; en langs het stormachtige slaapkamertje van zijn vriend naar het plat op het dak gaande om het weder waar te nemen, gevoelde de kapitein zich het hart wegzinken, toen hij zag hoe woest en bar het was. Niet dat hij het weder van dien tijd met het lot van den armen Walter in verband bracht, of er aan twijfelde dat, indien de Voorzienigheid hem had veroordeeld om schipbreuk te lijden en te vergaan, alles reeds lang voorbij was; maar die uitwendige invloed, geheel onderscheiden van het onderwerp zijner gedachten, drukte den kapitein toch nog meer ter neer en deed zijne hoop nog dieper wegzinken, gelijk dikwijls wijzer mannen dan hem gebeurd is en nog dikwijls gebeuren zal.
Met zijn gezicht naar den scherpen wind en den schuins voortgejaagden regen gekeerd, zag kapitein Cuttle naar de donkere wolken op, die over de woestijn van daken heenvlogen, en zocht vruchteloos naar iets vervroolijkends. Het uitzicht dichtbij was niet beter. In eenige oude theekisten en andere ruwe hokken aan zijne voeten, zaten de duiven van Rob den Slijper zwaarmoedig te kirren. Eene wrakke windvaan, die het fatsoen van een adelborst had en eens van de straat zichtbaar was geweest, maar lang door hooger opgetrokken muren was omsingeld, piepte en knarste op hare roestige spil, terwijl de rukwinden haar spelend lieten draaien. Op het grove, blauwe vest des kapiteins lagen de regendruppels als stalen kralen, en hij kon zich nauwelijks schuins vooroverhellende tegen den stijven noordwester inzetten, die hem over de borstwering heen beneden op de straatsteenen scheen te willen smijten. Als er dien avond nog hoop leefde, dacht de kapitein, terwijl hij zijn hoed vasthield, bleef zij zeker in huis en was dus in de vrije lucht niet te vinden. Zwaarmoedig zijn hoofd schuddende, ging de kapitein naar binnen, om haar te zoeken.
Langzaam naar het achterkamertje afgedaald en op zijn gewonen stoel gezeten, zocht kapitein Cuttle naar de hoop in het vuur; maar daar was zij niet, hoewel het helder brandde. Hij kreeg zijne tabaksdoos en zijne pijp, ging zitten rooken, en zocht de hoop in den rooden gloed van den kop, en de krullende rookwolkjes die zijne lippen uitbliezen; maar geen der beiden bevatte een greintje van den roest van het anker der hoop. Hij beproefde een glas grog; maar zwaarmoedige waarheid school op den bodem van dien put, en hij kon het glas niet uitdrinken. Hij ging den winkel een paar maal op en neer en zocht onder de instrumenten; maar zij werkten, in spijt van al wat hij daartegen doen kon, voor het vermiste schip eene rekening uit, die op den bodem der diepe zee eindigde.
Terwijl de wind nog loeide en de regen nog tegen de luiken kletterde, bleef de kapitein voor den houten adelborst op de toonbank staan, en dacht, terwijl hij de uniform van het officiertje met zijne mouw afdroogde, hoevele jaren die adelborst had beleefd zonder dat hij bijna eenige veranderingen onder de bemanning van zijn schip had gezien—hoe die veranderingen als het ware allen op één dag waren gekomen, en hoe weinig er van het oude was overgebleven. Het kleine gezelschap in het achterkamertje was opgebroken en wijd en zijd verstrooid. Er waren geene toehoorders meer voor mooie Peggy, al was er iemand geweest om die ballade te zingen, en dat was zoo niet; want kapitein Cuttle was evenzeer overtuigd dat niemand behalve hij ze zingen kon, als dat hij onder deze omstandigheden geen lust had om het te beproeven. Er was geen helder gezicht van Walter meer in huis—hier liet de kapitein zijne mouw voor een oogenblik van de houten uniform naar zijne eigene wang dwalen—de pruik en de knoopen van Sam Gills waren een droombeeld uit het verledene; Richard Whittington was doodgeslagen; alle plannen en uitzichten, die met den adelborst in verband stonden, lagen zonder mast of roer op de waterwoestijn te drijven.
Terwijl de kapitein, met een treurig gezicht, zoo stond te peinzen en den adelborst op te wrijven, gedeeltelijk uit teederheid voor dien ouden bekende, gedeeltelijk uit verstrooiing, gaf een kloppen aan de voordeur een schok[227]van schrik aan Rob den Slijper, die, op de toonbank geklommen, den kapitein met groote oogen zat aan te staren, en voor de vijfhonderdste maal bij zich zelven had overlegd, of de kapitein ook een moord kon begaan hebben, dat hij zulk een kwaad geweten had en telkens wegliep.
“Wat is dat?” zeide kapitein Cuttle zachtjes.—“Iemand die aan de deur klopt, kapitein,” antwoordde Rob.
Met een verslagen en schuldbewust gezicht, sloop de kapitein op de teenen naar het achterkamertje en sloot zich daarin op. Rob deed de deur open, en zou op den drempel eene onderhandeling met den vreemdeling hebben geopend, indien deze eene vrouwelijke gedaante had gehad; maar de gedaante had een mannelijk voorkomen, en daar Rob alleen ten aanzien van vrouwen voorzichtigheid was aanbevolen, hield hij de deur open en liet den onbekende binnentreden, hetgeen deze ook zeer spoedig deed, blijde om uit den regen te komen.
“Een karweitje voor Burgess en Comp. in alle gevallen,” zeide de onbekende, met medelijden naar zijne beenen kijkende, die erg nat en met modder bespat waren. “O—hoe vaart ge, mijnheer Gills?”
Deze begroeting was tot den kapitein gericht, die nu het achterkamertje uitkwam met eene ellendig mislukte poging om zich te houden alsof hij dit geheel toevallig deed.
“Wel bedankt,” vervolgde de onbekende in denzelfden adem; “ik ben ook heel wel, zeer verplicht. Mijn naam is Toots—meneerToots.”
De kapitein herinnerde zich dezen jongen heer bij de trouwplechtigheid gezien te hebben, en maakte eene buiging voor hem. Toots antwoordde met een gegrinnik; en daar hij, gelijk doorgaans, verlegen was, haalde hij zwaar adem, schudde den kapitein een langen tijd de hand, en keerde zich toen naar Rob den Slijper, dien hij, geene andere uitkomst meer wetende, insgelijks op de hartelijkste manier de hand schudde.
“Zeg! ik zou gaarne eens een woordje met u spreken, mijnheer Gills, als het u belieft,” zeide Toots eindelijk, met verwonderlijke tegenwoordigheid van geest. “Zeg! jufvrouw D. O. M., weet ge wel!”
Even ernstig en geheimzinnig, wuifde de kapitein met zijn haak naar het achterkamertje, waarheen Toots hem dan ook volgde.
“O, neem mij niet kwalijk,” zeide Toots, naar den kapitein opkijkende, zoodra hij op een stoel zat, dien de kapitein voor hem bij het vuur had geschoven. “Gij kent bij geval den Kemphaan niet al? Doet ge, mijnheer Gills?”—“Den Kemphaan?” zeide de kapitein.—“Ja, mijn vriend den Kemphaan.”
Daar de kapitein zijn hoofd schudde, legde Toots hem uit, dat de bedoelde vriend een vermaard publiek persoon was, die zich zelven en zijn vaderland met roem had bedekt in zijn kampgevecht met Nobby vanShropshire; maar dit bericht scheen den kapitein niet veel opheldering te geven.
“Omdat hij buiten staat, anders niet,” zeide Toots. “Maar het is van geen beduiden; hij zal misschien niet heel nat worden.”—“Ik kan dadelijk order geven om hem binnen te laten,” zeide de kapitein.—“Wel, als ge zoo goed zoudt willen zijn om hem zoolang bij uw knechtje in den winkel te laten,” grinnikte Toots, “zou het mij pleizier doen, omdat hij, weet ge, licht iets kwalijk neemt, en de vochtigheid ook niet goed voor zijne gewrichten is.Ikzal hem wel binnenroepen, mijnheer Gills.”
Daarmede ging Toots naar de voordeur en liet een eigenaardig gefluit hooren, hetwelk weldra een stoïcijnsch heerschap deed verschijnen, met eene ruige witte jas, een breedgeranden hoed, zeer kort haar, een platgedrukten neus, en vrij groote kale plekken achter de ooren.
“Ga maar zitten, Kemphaan,” zeide Toots.
De Kemphaan deed zulks, spuwde eenig stroo uit, waarop hij zich vergastte, en stak eenig nieuw in zijn mond, uit een voorraad dien hij in de hand had.
“Er is geen dropje van iets of wat kort bij de hand?” zeide de Kemphaan in het algemeen. “Zulk een regenachtige avond deugt niet veel voor iemand die van zijne spieren moet leven.”
Kapitein Cuttle bood hem een glas rum aan, hetwelk de Kemphaan, zijn hoofd achteroverhoudende, in zijne keel goot, alsof het in eene ton was, nadat hij de korte spreuk had geuit: “Op onze!” Daarop keerden Toots en de kapitein naar het achterkamertje terug; en toen zij bij het vuur zaten, begon Toots:
“Mijnheer Gills …”—“Houdaar!” zeide de kapitein. “Mijn naam is Cuttle.”
Toots keek zeer verslagen; terwijl de kapitein zeer ernstig vervolgde:
“Kapitein Cuttle is mijn naam, enEngelandmijne natie, en tegenwoordig woon ik hier, gezegend zij de gratie—Job,” zeide de kapitein, als om aan te duiden waar hij deze spreuk vandaan had gehaald.—“Zoo! Ik zou mijnheer Gills niet kunnen zien, zou ik?” hervatte Toots. “Omdat …”—“Als gij Sam Gills kondt zien, jonge heer,” zeide de kapitein met nadruk, en legde zijne zware hand op Toots’ knie, “oude Sam, verstaat ge wel—met uwe eigene oogen—zooals ge daar zit—zoudt ge mij liever wezen dan een frissche wind van achteren voor een schip, dat acht dagen lang windstilte heeft gehad. Maar gij kunt Sam Gills niet zien. En waarom kunt gij dat niet?” zeide de kapitein, door het gezicht van Toots verwittigd,[228]dat hij een diepen indruk op des jonkmans gemoed maakte. “Omdat hij onzichtbaar is.”
Toots wilde in zijne ontroering antwoorden dat dit van geheel geen beduiden was; maar hij bedacht zich nog en zeide: “God zegen me!”
“Die man,” zeide de kapitein, “heeft mij hier in bewaring over zijn goed gelaten, door eene geschrevene aanstelling, maar hoewel hij zoo goed als mijn gezworen broeder was, weet ik evenmin waar hij naar toe is, of waarom hij is heengegaan—of het moest wezen om zijn neef op te zoeken, of misschien omdat hij niet recht bij zijne zinnen was—dan gij het weet. Op een ochtend vroeg,” zeide de kapitein, “ging hij over boord, zonder plof en zonder een rimpeltje in het water. Ik heb overal naar dien man gezocht, maar van dat uur af nooit weder iets van hem gehoord of gezien.”—“Maar, mijn goede hemel, jufvrouw Dombey weet niet,” begon Toots.—“Wel, ik vraag u als een jong mensch met een gevoelig hart,” zeide de kapitein, zijne stem latende dalen, “waarom zou zij het weten? Waarom zou men het haar zeggen, of het moest wezen dat het niet anders kon? Zij had zich aan den ouden Sam Gills gehecht met eene hartelijkheid, met een—wat behoeft het gezegd te worden? Gij kent haar toch.”—“Dat zou ik hopen,” giggelde Toots, terwijl een blos van verlegenheid geheel zijn gezicht overspreidde.—“En komt gij van haar af hier naar toe?” zeide de kapitein.—“Dat zou ik denken,” giggelde Toots.—“Dan heb ik alleen maar te zeggen,” hervatte de kapitein, “dat gij eene engelin kent en door eene engelin gestuurd wordt.”
Toots vatte den kapitein dadelijk bij de hand en verzocht om de gunst van zijne vriendschap.
“Op mijn woord van eer,” zeide Toots met ernst, “ik zou u zeer verplicht wezen als gij kennis met mij woudt houden. Ik zou u heel gaarne nader willen leeren kennen, kapitein. Ik heb waarlijk gebrek aan een vriend. Bij Blimber was kleine Dombey mijn vriend, en dat zou hij nog wezen, als hij was blijven leven. De Kemphaan,” zeide Toots, neerslachtig fluisterend, “is heel wel—bewonderenswaardig op zijne manier—misschien de slimste kerel van de wereld; er is geen streek dien hij niet weet, zegt iedereen—maar ik weet het niet—hij is toch alles niet. Gij vindt haar dus eene engelin, kapitein. Ja, als er ergens eene engelin is, dan is het jufvrouw Dombey. Dat heb ik altijd gezegd. Maar waarlijk, weet ge,” zeide Toots, “ge zoudt mij zeer verplichten als ge kennis met mij woudt houden.”
Kapitein Cuttle ontving dit voorstel op eene beleefde manier, maar toch zonder zich tot het aannemen daarvan te verbinden, alleen zeggende: “Ja, ja, mijn jongen. Wij zullen zien, wij zullen zien;” en herinnerde Toots daarop aan het oogmerk zijner zending, door te vragen waaraan hij de eer van dit bezoek te danken had.
“Wel, om de waarheid te zeggen,” antwoordde Toots, “kom ik van het meisje. Niet van jufvrouw Dombey—van Suze, weet ge.”
De kapitein knikte eens, met een zeer ernstig gezicht, ten teeken, dat hij deze jonge juffer eene ware hoogachting toedroeg.
“En ik zal u zeggen hoe dat zoo komt,” vervolgde Toots. “Gij weet, ik ga tusschenbeide wel eens bij jufvrouw Dombey aan. Ik ga daar niet met opzet naar toe, maar ik kom toevallig heel dikwijls in de buurt, en als ik daar kom—dan ga ik er eens aan.”—“Natuurlijk,” zeide de kapitein.—“Ja,” zeide Toots. “Zoo kwam ik daar van middag. Op mijn woord van eer, ik geloof niet dat het mogelijk is zich te verbeelden welk een engel jufvrouw Dombey van middag was.”
De kapitein antwoordde, door zijn hoofd met een schok in den nek te werpen, waardoor hij aanduidde, dat dit voor sommige menschen niet gemakkelijk mocht wezen, maar voor hem heel gemakkelijk was.
“Toen ik weder heenging,” zeide Toots, “bracht Suze mij heel onverwacht in de provisiekamer.”
De kapitein scheen dit niet goed te keuren, liet zich in zijn stoel achteroverzakken en zag Toots aan, met een wantrouwig, zoo niet dreigend gezicht.
“En daar liet zij mij deze courant zien,” zeide Toots. “Zij zeide mij, dat zij die den geheelen dag voor jufvrouw Dombey had weggehouden om iets dat er in stond over iemand, dien zij placht te kennen; en toen las zij het mij voor. Ja, goed. En toen zeide zij—wacht eens even—wat zeide zij ook weer?”
Terwijl Toots al zijne geestvermogens op deze vraag poogde te richten, zag hij toevallig den kapitein in de oogen en ontstelde zoodanig van hunne barsche uitdrukking, dat hij daardoor nog minder den verloren draad zijner rede kon terugvinden.
“O,” zeide Toots, na lang bedenken. “O ja! Zij zeide te hopen dat het nog mogelijk was, dat het niet waar zou zijn, en omdat zij niet wel zelve kon uitgaan, zonder dat jufvrouw Dombey er zich over zou verwonderen, of ik eens naar mijnheer Samuel Gills den instrumentmaker, hier in de straat, wilde gaan, en vragen of hij geloofde dat het waar was, of er in deCityiets anders van had gehoord. Zij zeide, als hij mij niet kon spreken, zou kapitein Cuttle dat zeker wel kunnen. A propos!” zeide Toots, toen deze ontdekking hem eensklaps inviel, “dat waart gij.”
De kapitein keek naar de courant, die Toots in de hand had, en begon kort en snel adem te halen.
“Wel,” vervolgde Toots, “de reden dat ik wat laat kom is, dat ik eerst heel naarFinchley[229]ben gegaan om wat buitengemeen mooi muurkruid, dat daar groeit, voor jufvrouw Dombey’s vogeltje te halen. Maar toen ben ik dadelijk hier naar toe gekomen. Gij zult de courant wel gezien hebben, denk ik?”
De kapitein, die bang was om couranten te lezen, uit vrees van eene advertentie te vinden waarbij jufvrouw MacStinger eene premie voor hem uitloofde, schudde zijn hoofd.
“Wil ik het u dan eens voorlezen?” vroeg Toots.
Op een toestemmend teeken van den kapitein, las Toots het volgende uit de scheepstijdingen:
“Southampton.Het barkschip de Speculatie, kapitein Henry James, heden in deze haven aangekomen, met eene lading suiker, koffie en rum, bericht, dat het op den zesden dag van deJamaica, op—dat is de breedte, weet gij wel,” zeide Toots na eene poging om de cijfers uit te spreken, en er over gestruikeld te zijn.
“Ja wel,” zeide de kapitein, met zijne gebalde vuist op de tafel slaande. “Gang maar!”
“Breedte dus,” hervatte Toots, eventjes verschrikt naar den kapitein opkijkende, “en lengte zooveel, windstilte heeft gehad, en de wacht toen, een half uur vóór zonsondergang, eenige stukken van een wrak heeft gezien, die op ongeveer een mijl afstands drijvende waren. Daar het weder helder was en de bark niet vorderde, werd er eene boot uitgezet om die voorwerpen nader op te nemen, en toen bevond men dat zij bestonden uit eenige groote rondhouten en een gedeelte der tuigage van eene Engelsche brik van omtrent vijfhonderd tonnen last, benevens een gedeelte van den achtersteven, waarop de woorden en letters “Zoon en E” nog duidelijk leesbaar waren. Geen lijk was op of tusschen de wrakken te zien. Het journaal van de Speculatie vermeldt verder, dat in den nacht de wind opstak, en het wrak dus niet meer gezien werd. Alle twijfelingen aangaande het lot van het vermiste schip, de Zoon en Erfgenaam, uit de haven vanLondennaarBarbadosuitgezeild, zijn daarmede opgelost. Het is nu zeker dat het in den laatsten orkaan is verbrijzeld, en allen die aan boord waren zijn omgekomen.”
Gelijk het allen menschen gaat, wist kapitein Cuttle weinig hoeveel hoop er te midden van zijne hopeloosheid was blijven leven, tot hij haar den doodsteek voelde geven. Onder het lezen van dit bericht en nog een paar minuten later bleef hij den zedigen Toots als versteend zitten aanstaren. Toen stond hij eensklaps op, zette den blinkenden hoed op, dien hij ter eer van het bezoek op de tafel had gelegd, keerde zijn gast den rug toe en liet zijn hoofd op den schoorsteenmantel zakken.
“Op mijn woord van eer,” zeide Toots, wiens teeder hart door de onverwachte droefheid des kapiteins getroffen was, “die wereld is toch een allerellendigst ding! Altijd sterft er iemand in, of wordt er iets onpleizierigs gedaan. Ik zou waarlijk nooit zoo verlangd hebben om aan mijn eigendom te komen, als ik dat geweten had. Ik heb nooit zulk eene wereld gezien. Het is nog veel erger dan bij Blimber.”
Zonder van houding te veranderen, gaf de kapitein Toots een teeken om zich maar niet aan hem te storen, en weldra keerde hij zich om, met den blinkenden hoed op de ooren geduwd, en streek met zijne hand zijn bruin gezicht effen.
“Walter, mijn lieve beste jongen,” zeide de kapitein, “vaarwel! Walter, als kind, als jongen en als man heb ik u liefgehad. Hij was mijn vleesch en bloed niet,” zeide de kapitein, naar het vuur kijkende,—“dat heb ik niet—maar iets van wat een vader gevoelt als hij een zoon verliest, gevoel ik nu ik Walter verlies. En waarom?” zeide de kapitein. “Omdat het niet één verlies is, maar wel een dozijn verliezen. Waar is dat aardige schoolknaapje met zijn blozend gezichtje en krullende haren, dat hier zoo vroolijk placht te wezen als een stukje dansmuziek? Met Walter verdronken. Waar is de frissche jongen, die nooit moe kon worden, en die zoo rood werd als wij hem met hartediefje plaagden, dat het een lust was om hem aan te zien? Met Walter verdronken. Waar is die jonkman vol geest en vuur, die den ouden man geen oogenblik neerslachtig kon zien, maar om zich zelven niet het minste gaf? Met Walter verdronken. Het is niet één Walter. Er waren wel een dozijn Walter’s die ik kende en liefhad, die hem allen om den hals hielden toen hij naar beneden zonk, en die mij nu om den hals houden!”
Toots bleef stil zitten, en vouwde de courant op zijne knie zoo klein mogelijk op.
“En Sam Gills,” zeide de kapitein, in het vuur starende, “arme oude Sam Gills, die nu geen neef meer heeft, waar zijtgijnaar toe? Hij had u aan mij toevertrouwd; zijne laatste woorden waren: “Pas op mijn oom.” Wat is u overkomen, Sam Gills, dat ge van Ned Cuttle zijt weggeloopen, en wat zal ik hem van u verantwoorden? Sam Gills, Sam Gills,” zeide de kapitein, langzaam zijn hoofd schuddende, “als gij die courant onder de oogen krijgt, ver van huis, en met niemand, die Walter gekend heeft, om u een woordje toe te spreken, dan zult gij er niet tegen bestand zijn!”
Een zwaren zucht slakende, keerde de kapitein zich naar Toots, alsof hij nu eerst bedacht dat deze tegenwoordig was.
“Mijn jongen,” zeide de kapitein, “gij moet dat meisje eerlijk zeggen dat die ongelukkige tijding maar al te waar is. Zij schrijven geene romannetjes van zulke dingen, ziet ge. Het staat in het scheepsjournaal, en dat is het waarste boek dat iemand kan schrijven. Morgenochtend zal ik eens uitgaan en navraag doen; maar er[230]zal niets goeds van komen. Dat kan het niet. Als gij later op den dag eens bij mij wilt komen, zult gij vernemen wat ik gehoord heb. Maar zeg het meisje uit naam van kapitein Cuttle, dat alles voorbij is. Voorbij!”
De kapitein nam zijn blinkenden hoed af, haalde zijn zakdoek uit den bol, wreef er wanhopig zijn grijzend hoofd mede, en smeet hem weder in den hoed, met de onverschilligheid der diepste neerslachtigheid.
“O, ik verzeker u,” zeide Toots, “dat het mij vreeselijk spijt. Op mijn woord, dat doet het, schoon ik den persoon niet gekend heb. Denkt gij dat jufvrouw Dombey erg aangedaan zal zijn, kapitein Gills—ik wil zeggen, mijnheer Cuttle?”,—“Wel, mijn hemel,” antwoordde de kapitein, met zeker medelijden met Toots’ onnoozelheid. “Toen zij nog niet grooter was dan zóó, waren zij al zoo teer voor elkander als twee jonge duifjes.”—“Zoo, waarlijk,” zeide Toots, wiens gezicht aanmerkelijk langer werd.—“Zij waren voor elkander geschapen,” zeide de kapitein droevig. “Maar wat beduidt dat nu?”—“Op mijn woord van eer,” riep Toots, zijne woorden tusschen eene zonderlinge mengeling van gegiggel en halve snikken uitstootende, “er heeft mij nooit iets zoo gespeten. Gij moet weten, kapitein Gills, ik—ik aanbid jufvrouw Dombey—ik—ik ben geheel van mijne streek van liefde voor haar.” De heftigheid waarmede deze bekentenis zich den ongelukkigen Toots afdwong, bewees het ernstige van zijn gevoel. “Maar wat zou het baten dat ik haar liefhad, als ik niet waarlijk spijt had van haar verdriet, wat er ook de reden van mocht wezen. Mijne genegenheid is niet zelfzuchtig, moet ge weten,” zeide Toots, wiens vertrouwen door de teerhartigheid des kapiteins, waarvan hij getuige was geweest, werd uitgelokt. “Het is bij mij zoo iets, kapitein Gills, dat als ik mij kon laten overrijden—of laten vertrappen—of van eene groote hoogte afsmijten—of iets van dien aard—ten genoegen van jufvrouw Dombey, het waarlijk het verrukkelijkste zou zijn dat mij kon gebeuren.”
Dit alles zeide Toots met eene gesmoorde stem, opdat het de ijverzuchtige ooren van den Kemphaan niet zou bereiken, die alle zachte aandoeningen afkeurde; en dit bedwang, met de kracht van zijn gevoel vereenigd, deed hem rood worden tot aan de lapjes van zijne ooren, en maakte hem in de oogen van kapitein Cuttle tot zulk een aandoenlijk schouwspel van onbaatzuchtige liefde, dat de goede kapitein hem troostend op den rug klopte en vermaande om zich maar wat op te beuren.
“Dankje wel, kapitein Gills,” zeide Toots, “het is wel vriendelijk van u, onder al uw eigen verdriet, dat ge dat zegt. Gelijk ik al vroeger gezegd heb, ik heb waarlijk gebrek aan een vriend, en ik zou blij zijn als gij kennis met mij woudt houden. Schoon ik er heel goed in zit,” zeide Toots met vuur, “kunt gij u toch niet verbeelden welk een ellendeling ik ben. De wufte menigte, weet gij, als zij mij met den Kemphaan en andere personen van onderscheiding ziet, houdt mij voor gelukkig, maar ik ben rampzalig. Ik martel mij zelven met jufvrouw Dombey, kapitein Gills. Ik kan haast niet eten. Ik heb geen pleizier in mijn kleermaker. Ik huil dikwijls als ik alleen ben. Ik verzeker u, het zal een genoegen voor mij zijn als ik morgen en nog vijftigmaal terug mag komen.”
Met deze woorden drukte Toots den kapitein de hand, en zijn best doende om de sporen zijner aandoening voor den scherpen blik van den Kemphaan te verbergen, ging hij dezen uitstekenden persoon in den winkel opzoeken. De Kemphaan, die licht jaloersch werd, zag den kapitein met alles behalve gunstige oogen aan, maar volgde zijn patroon zonder eenig ander blijk van misnoegen te geven; en liet den kapitein diep ter neer geslagen, en Rob den Slijper opgetogen van blijdschap omdat hij de eer had gehad van een halfuur lang den overwinnaar van Nobby van Shropshire aan te staren.
Lang na dat Rob in zijn bed onder de toonbank gerust was ingeslapen, zat de kapitein nog in het vuur te kijken, en lang na dat er geen vuur meer was om naar te kijken, zat de kapitein nog naar de roestige traliën te turen, terwijl nuttelooze gedachten aan Walter en den ouden Sam hem het hoofd verwarden. Toen hij zich naar het stormachtige kamertje boven in huis begaf, kon hij daar ook niet rusten, en des morgens stond hij onverkwikt en treurig op.
Zoodra de kantoren in de stad open waren, ging de kapitein uit om zich naar dat van Dombey en Zoon te begeven. Maar de vensters van den houten adelborst werden dien ochtend niet geopend. Op last van den kapitein liet Rob de Slijper de luiken voor, zoodat het huis een sterfhuis geleek.
Bij toeval ging Carker de chef juist het kantoor in, toen de kapitein aan de deur kwam. Carker’s groet met ernstig stilzwijgen aannemende, was de kapitein zoo vrij om met hem naar de kamer te gaan.
“Wel, kapitein Cuttle,” zeide Carker, zich in zijne gewone houding voor den haard plaatsende en zijn hoed ophoudende, “dat is een leelijk geval.”—“Gij hebt dus de tijding gekregen, die gisteren in de courant stond, mijnheer?” zeide de kapitein.—“Ja,” zeide Carker, “wij hebben ze ontvangen. Het is maar zoo. De assuradeurs lijden een aanmerkelijk verlies. Het spijt ons zeer, maar er is niet aan te doen. Zoo gaat het in de wereld!”
Carker sneed zijne nagels voorzichtig met een pennemes, en glimlachte tegen den kapitein, die hem bij de deur stond aan te zien.
“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man, en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen hebben.” (blz. 231).“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man, en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen hebben.”(blz. 231).
“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man, en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen hebben.”(blz. 231).
[231]
“Het spijt mij zeer van den armen Gay,” zeide Carker, “en van het scheepsvolk. Ik hoor dat er sommige van onze knapste lui onder waren. Dat gaat altijd zoo. Velen met huishoudens ook. Een troost dat Gay geen huishouden had, kapitein Cuttle!”
De kapitein wreef zijne kin en bleef Carker staan aanzien. Carker keek nu eens naar de ongeopende brieven op zijn lessenaar en nam de courant op.
“Is er iets dat ik voor u doen kan, kapitein Cuttle?” vroeg hij, van de courant opkijkende, met een glimlach en een veelbeduidenden blik naar de deur.—“Ik wenschte dat ge mij goed kondt geruststellen, mijnheer, over iets waar ik ongerust over ben,” antwoordde de kapitein.—“Zoo!” zeide Carker. “Wat is dat dan?Kom aan, kapitein Cuttle, ik moet u verzoeken om u wat te haasten. Ik heb veel te doen.”—“Ziet ge, mijnheer,” zeide de kapitein, een stap nader komende, “eer mijn vriend Walter op die heillooze reis uitging …”—“Kom, kom, kapitein Cuttle,” viel de glimlachende Carker er op in, “spreek zoo niet van heillooze reizen. Daar weten wij hier niet van. Gij moet vandaag al vroeg aan uw rantsoen zijn begonnen, als gij niet bedenkt dat alle reizen, ter zee of te land, hare gevaren hebben. Gij maakt u toch niet ongerust over de gedachte dat de jonge—hoe heet hij ook weer—vergaan zou zijn in slecht weer, dat aan dit kantoor tegen hem werd afgezonden—doet ge? Foei, kapitein! Uitslapen en sodawater zijn de beste middelen tegen zulke ongerustheid.”—“Mijn jongen,” antwoordde de kapitein langzaam—“ge zijt haast nog een jongen bij mij, en dus vraag ik geen excuus dat dit woord mij ontvalt—als gij pleizier hebt in die aardigheid, zijt ge de man niet waar ik u voor hield. En als gij de man niet zijt waar ik u voor hield, heb ik misschien wel reden om ongerust te zijn. De zaak is zóó gelegen, mijnheer Carker.—Eer die arme jongen heenging, zooals hem gelast was, zeide hij mij dat hij niet tot zijn bestwil of voor zijne bevordering heenging, dat wist hij wel. Ik dacht toen dat hij dit verkeerd had, en zeide hem dat; en toen kwam ik hier, daar uw patroon er niet was, om u op eene beleefde manier een paar vragen te doen, tot mijne eigene geruststelling. Die vragen hebt gij beantwoord—vrijwillig. Nu zal het mij wederom geruststellen—nu alles voorbij is, en wat men niet verhelpen kan moet men maar dragen; gij, als een geleerde, kunt het boek wel nazien waar dat in staat, en zet er dan een streepje bij als gij het vindt—kortom, om nog eens te hooren dat ik mijn plicht niet heb verzuimd toen ik den ouden man niet zeide wat Walter mij gezegd had; en dat hij waarlijk den wind in het zeil had toen hij naarBarbadosuitliep. Mijnheer Carker,” zeide de kapitein, in zijne goedhartigheid, “toen ik laatst hier was, waren wij heel pleizierig met elkander. Als ik van morgen niet zoo heel pleizierig ben, om reden van dien armen jongen, en mij driftig gemaakt heb over een zeggen van u dat ik goed had moeten opnemen, mijn naam is Edward Cuttle, en ik vraag u excuus.”—“Kapitein Cuttle,” antwoordde Carker, met alle mogelijke beleefdheid, “ik moet u om eene gunst verzoeken.”—“En wat is dat, mijnheer?” vroeg de kapitein.—“Dat gij zoo goed zijt om u weg te pakken, als het u belieft,” antwoordde Carker, zijn arm uitstekende, “en met uwe borrelpraatjes ergens anders heen te gaan.”
Elke knobbel van des kapiteins gezicht verbleekte van verbazing en verontwaardiging; zelfs de roode streep op zijn voorhoofd verdween, gelijk een regenboog tusschen samengepakte wolken.
“Ik zal u eens wat zeggen, kapitein Cuttle,” vervolgde Carker, zijn vinger tegen hem schuddende en hem al zijne tanden toonende, maar nog vriendelijk glimlachend. “Ik heb veel te veel verschooning voor u gehad toen gij de vorige maal hier waart. Gij behoort tot een doortrapt en onbeschaamd slag van menschen. Uit verlangen om dien jongen—hoe heet hij ook weer—er voor te bewaren dat hij ridderlijk hier vandaan geschopt werd, mijn goede kapitein, heb ik geduld met u gehad, doch maar voor eens en niet meer. Ga nu heen, mijn vriend!”
De kapitein stond aan den grond vastgeworteld en sprakeloos.
“Ga heen,” zeide de zachtzinnige Carker, zijne rokspanden opnemende en zich wijdbeens op het haardkleedje plantende, “als een verstandig man, en laten wij geen de deur uitzetten, of zulke geweldige maatregelen hebben. Als mijnheer Dombey hier was, kapitein, zoudt ge misschien op eene schandelijker manier hier vandaan komen. Ik zeg maar, ga heen.”
De kapitein legde zijne zware hand op zijne borst om zich zelven te helpen om diep adem te halen, nam Carker van het hoofd tot de voeten op en keek toen in het kamertje rond, alsof hij niet duidelijk begreep waar hij was of in welk gezelschap.
“Gij zijt slim, kapitein Cuttle,” vervolgde Carker met de luchtige rondborstigheid van een man naar de wereld, die de wereld te wel kende om zich uit zijn humeur te laten brengen door de ontdekking van een wanbedrijf dat hem niet onmiddellijk aanging; “maar gij zijt toch niet geheel ondoorgrondelijk—en uw afwezige vriend ook niet, kapitein. Wat hebt ge met uw afwezigen vriend gedaan, zeg?”
Wederom legde de kapitein de hand op de borst. Na nog eens diep adem te hebben gehaald, bezwoer hij zich zelven met een “sta vast!” maar fluisterend.
“Gij smeedt aardige komplotjes, en maakt[232]aardige afspraakjes, en krijgt ook aardige visites, niet waar, kapitein?” zeide Carker, zijne wenkbrauwen samentrekkende, zonder daarom minder zijne tanden te toonen; “maar het is wat al te stout om naderhand nog hier te komen. Dat gelijkt niet naar uwe gewone voorzichtigheid. Gij komplottenmakers, wegschuilers en wegloopers, moest beter weten. Wilt ge nu zoo goed zijn om heen te gaan?”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein met eene gesmoorde en bevende stem, en eene zonderlinge beweging in zijne zware vuist, “er zijn vele woorden, die ik u zou willen zeggen, maar ik weet ze op het oogenblik niet recht te vinden. Mijn jonge vriend, Walter, is pas gisteravond verdronken, volgens mijne rekening, en dat brengt mij van mijne streek, ziet ge. Maar gij en ik zullen elkander wel eens weder voor den boeg komen, mijn jongen,” zeide de kapitein, zijn haak ophoudende, “als wij het beleven.”—“Het zal alles behalve slim van u zijn, mijn goede man, als wij dat doen,” antwoordde Carker, met dezelfde rondborstigheid, “want gij kunt er op aan, ik waarschuw u vooruit, dat ik u zal ontmaskeren en ten toon stellen. Ik wil niet zeggen dat ik beter ben dan anderen, mijn goede kapitein, maar ik zal het vertrouwen van dit kantoor, of een lid van dit kantoor, toch niet laten misbruiken en ondermijnen, zoolang ik ooren en oogen heb. Goedendag!” zeide Carker knikkende.
Hem strak aanziende (Carker zag hem even strak aan) ging de kapitein de kamer uit, en liet hem wijdbeens voor het vuur staan, zoo kalm en zoo genoeglijk, alsof er niet meer vlekken op zijne ziel waren dan op zijn sneeuwwit linnen of zijne gladde huid.
Toen de kapitein het groote kantoor doorkwam, keek hij even naar den lessenaar, waaraan hij wist dat de arme Walter placht te zitten, en waaraan nu een andere jonge knaap zat, met een gezicht bijna even frisch als het zijne, toen zij in het achterkamertje die kostbare flesch ouden madera (de laatste op een na) met elkander ledigden. De aldus opgewekte herinneringen deden den kapitein veel goed; op het toppunt zijner gramschap verteederden zij hem en deden hem de tranen in de oogen komen.
Wederom bij den houten adelborst in een hoekje van den donkeren winkel gezeten, kon des kapiteins verontwaardiging, hoe sterk zij ook was, het niet tegen zijne droefheid uithouden. Zijne hartstochtelijkheid scheen niet alleen de nagedachtenis van den doode te beleedigen, maar ook bij de gedachte daaraan van zelf weg te kwijnen. Al de levende schelmen en logenaars van de wereld waren niets bij de oprechtheid en trouw van den eenen dooden vriend.
Het eenige dat de brave kapitein in dezen gemoedstoestand duidelijk kon zien, behalve het verlies van Walter, was, dat met hem bijna de geheele wereld van kapitein Cuttle verdronken was. Als hij het zich somtijds scherp verweet dat hij tot Walter’s onschuldig bedrog had medegeholpen, dacht hij ten minste even dikwijls aan den vorigen mijnheer Carker, dien geene zee ooit kon teruggeven; en den mijnheer Dombey, die hij nu begon te begrijpen, dat ver boven alle menschelijk bereik was; en het harteliefje waarmede hij nooit weder een woord zou spreken; en de mooie Peggy, die heerlijke ballade, nu eene reeks van rijmen zonder kracht of beteekenis. De kapitein zat in den donkeren winkel aan deze dingen te denken, zoodat hij de beleediging, die hij zelf ondergaan had, geheel vergat, en keek met zulke droevige oogen naar den grond, alsof hij de wrakken van al het verlorene daar werkelijk voorbij zag drijven.
Maar de kapitein vergat toch niet om de nagedachtenis van den armen Walter zooveel eer te bewijzen als in zijn vermogen was. Zich zelven wakker schuddende, en ook Rob den Slijper wakker schuddende, (die in de onnatuurlijke schemering gerust zat te slapen) ging de kapitein, met dezen trawant op de hielen en den huissleutel in zijn zak, uit, en begaf zich naar een van die geriefelijke oude kleerenwinkels, waarvan men in het oosten vanLondenkeus genoeg heeft. Daar kocht hij twee rouwpakken—een voor Rob den Slijper, dat veel te klein, en een voor zich zelven dat veel te groot was. Hij voorzag Rob insgelijks van een hoed, die met geen bekend fatsoen was te vergelijken, maar het meest van een zuidwester had, en dus in een winkel van instrumenten eene gelukkige nieuwigheid was. In deze gewaden gedost, welke de verkooper verklaarde zoo wonderbaar te passen, dat dit alleen door een zeldzamen samenloop van gelukkige omstandigheden mogelijk was, stapten de kapitein en de Slijper weder naar huis, een schouwspel aanbiedende, dat ieder, die het zag, moest verbazen.
In deze veranderde gedaante ontving de kapitein het volgende bezoek van Toots. “Ik ben op dit oogenblik wat van mijne streek, mijn jongen,” zeide de kapitein, “en zal maar alleen die slechte tijding bevestigen. Zeg dat meisje dat zij ze de jonge juffer voorzichtig moet zeggen, en dat zij ook geen van beiden meer om mij moeten denken—in het bijzonder, meen ik, begrijpt gij wel—schoon ik wel om ze denken zal, als des nachts de winden razen en de zeeën bergen hoog rollen—zie doctor Watts daar maar eens voor na, broeder, en als gij het vindt, zet er dan een streepje bij.”
De kapitein stelde het tot gelegener tijd uit om Toots’ aanbod van vriendschap in overweging te nemen, en liet hem zoo gaan. De kapitein was zelf zoo neerslachtig, dat hij dien[233]dag half en half besloot om geene voorzorgen tegen eene verrassing van jufvrouw MacStinger meer te nemen, maar zich roekeloos aan het toeval over te geven en onverschillig te zijn voor wat er gebeuren mocht. Toen het echter avond werd, kwam hij in eene betere stemming, en sprak veel van Walter tot Rob den Slijper, wien hij insgelijks prees voor zijne oplettendheid en trouw. Rob bloosde hierover niet, maar zat den kapitein aan te staren en hield zich alsof hij van aandoening griende, maar onthield (die jonge spion) met veelbelovende valschheid ieder woord dat hij sprak.
Dit in het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte. (blz. 233).Dit in het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte.(blz. 233).
Dit in het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte.(blz. 233).
Toen Rob naar bed en in slaap was, snoot de kapitein de kaars, zette zijn bril op—hij had het, toen hij den instrumentenwinkel aanvaardde, voegzaam geacht zich een bril aan te schaffen, hoewel hij oogen had als een valk—en opende het gebedenboek bij het begrafenisformulier. Dit in het achterkamertje zacht bij zich zelven lezende, nu en dan ophoudende om zijne oogen af te vegen, beval de kapitein, met een kinderlijk eenvoudigen geest, het lijk van Walter aan de bewaring der diepte.[234]