[Inhoud]XXXIX.VERDERE AVONTUREN VAN DEN ZEEKAPITEIN EDWARD CUTTLE.De tijd, vast van voet en krachtig van wil, had zich zoo gerept, dat het jaar, hetwelk de oude instrumentmaker had bepaald als de tijd hoelang zijn vriend moest wachten om het verzegelde pakje te openen, dat hij bij zijn brief had achtergelaten, nu bijna verloopen was, en kapitein Cuttle het op een avond met eene mengeling van nieuwsgierigheid en ongerustheid zat te bekijken.De kapitein zou er, als man van eer, even weinig aan gedacht hebben om het pakje een uur voor den afloop van den voorgeschreven tijd te openen, als om zich zelven te openen ten einde zich van binnen te bekijken. Hij haalde het slechts, als hij zijne eerste avondpijp rookte, te voorschijn, legde het op de tafel, en zat het dan twee of drie uren achtereen met stillen ernst van buiten aan te staren. Somtijds, als hij het aldus een tamelijk langen tijd had beschouwd,[270]schoof de kapitein zijn stoel langzamerhand al verder en verder achteruit, als ware het om buiten den kring der toovermacht te komen; maar als dit zijn oogmerk was, gelukte het hem toch nooit; want zelfs als hij tegen den muur van het kamertje gekomen was, bleef het pakje hem toch aantrekken, of als zijne oogen, peinzend zwervende, naar den zolder of het vuur dwaalden, ging het beeld van het pakje dadelijk mede en posteerde zich tusschen de kolen of tegen de witkalk aan.Wat zijn Hartediefje betrof, kende des kapiteins vaderlijke genegenheid en opgetogenheid geene verandering. Maar sedert zijn laatste gesprek met Carker, was kapitein Cuttle begonnen te twijfelen, of zijne vroegere tusschenkomst ten behoeve van die jonge dame en Walter, zijn lieven jongen, wel zoo voordeelig was geweest als hij had kunnen wenschen en toen ter tijd had geloofd. De kapitein was, kortom, ernstig bekommerd dat hij meer kwaad dan goed had gedaan; en in zijne wroeging en bescheidenheid deed hij de beste boete die hij kon doen, door zich overal vandaan te houden, waar hij iemand nog meer kwaad zou kunnen doen, en zich, als het ware, als een ongeluksvogel overboord te werpen.Zoo door zijn eigen vonnis tusschen instrumenten begraven, kwam de kapitein nooit meer in de nabijheid van Dombey’s huis, en liet hij Florence en Suze Nipper niets meer van zich zien of hooren. Hij brak zelfs de kennis met Perch af, toen deze hem eene volgende maal kwam bezoeken, door dien heer droogjes te onderrichten, dat hij hem voor zijn gezelschap dankbaar was, maar zich voortaan van al zulken omgang wilde af houden, daar hij niet wist welk kruitmagazijn hij, zonder het te willen, in de lucht kon doen vliegen. In deze hem door zich zelven opgelegde afzondering sleet de kapitein geheele dagen en weken zonder een enkel woord met iemand te wisselen behalve met Rob den Slijper, wien hij voor een model van belangelooze verkleefdheid en trouw hield. In deze afzondering zat de kapitein des avonds het pakje aan te staren en al rookende aan Florence en den armen Walter te denken, tot zij voor zijne eenvoudige verbeelding beide dood schenen en nu in eeuwige jeugd de schoone onschuldige kinderen zijner eerste herinnering bleven.De kapitein verzuimde echter door dit gepeins zijne eigene stichting en de verstandsbeschaving van Rob den Slijper niet. Gewoonlijk moest deze jongeling den kapitein elken avond een uur uit een boek voorlezen; en daar de kapitein blindelings geloofde dat in alle boeken niets anders dan waarheid stond, zamelde hij aldus vele merkwaardige feiten op. Op zondagavond las de kapitein altijd voor zich zelven, eer hij naar bed ging, zekere Goddelijke Rede, die eens op een berg werd uitgesproken; en hoewel hij gewoon was den tekst, zonder boek, op zijne eigenaardige manier aan te halen, scheen hij toch met een even eerbiedig gevoel van den hemelschen geest daarin te lezen, alsof hij dien in het Grieksch van buiten kende en in staat was om over ieder vers een aantal scherpe theologische twistschriften te schrijven.Rob de Slijper, wiens eerbied voor de Heilige Schriften, onder het bewonderenswaardig stelsel der Slijpersschool, ontwikkeld was door hem aanhoudend over al de eigennamen in de geslachtregisters van Israël te laten struikelen en bij wijze van straf moeielijke verzen te laten opzeggen, alsmede door hem op zesjarigen ouderdom met zijne lederen broek, driemaal op een zondag, in parade heel ver naar eene heel warme kerk te laten trekken, waar een groot orgel hem door zijn slaperig hoofd bromde, gelijk eene reusachtige nijvere bij—Rob de Slijper hield zich alsof hij machtig gesticht was wanneer de kapitein met lezen ophield, en zat doorgaans te geeuwen en te knikkebollen zoolang het lezen duurde; welke laatste omstandigheid nooit door den kapitein werd vermoed.Kapitein Cuttle ging ook, als man van zaken, aan het boekhouden. In zijne boeken schreef hij observatiën over het weder, en over den stroom van wagens en andere rijtuigen, dien hij opmerkte dat in die streek des morgens en gedurende het grootste gedeelte van den dag westwaarts en des avonds oostwaarts liep. Daar zich in eene week twee of drie “kruisers” vertoonden, die hem “praaiden”—zoo werd het door den kapitein geboekt—over een bril, en, zonder eigenlijk te koopen, zeiden dat zij nog wel eens zouden aankomen, begreep de kapitein dat de zaken beter begonnen te gaan, en noteerde dit ook in zijn dagboek; de wind toen (hetgeen hij eerst aanteekende) tamelijk frisch waaiende, west ten noorden, daar hij in den nacht veranderd was.Een der voornaamste bezwaren des kapiteins was Toots, die dikwijls aankwam, en, zonder veel te zeggen, in het denkbeeld scheen te verkeeren dat het achterkamertje een zeer geschikt vertrekje was om in te zittengrinniken, dewijl hij het daartoe bij het halve uur achtereen kwam gebruiken, zonder daarom met den kapitein op vertrouwelijker voet te komen. De kapitein, door zijne jongste ondervinding voorzichtig geworden, kon het maar niet met zich zelven eens worden of Toots inderdaad de onnoozele bloed was dien hij scheen te zijn, dan wel een listige veinsaard en huichelaar. Zijne herhaalde toespelingen op jufvrouw Dombey waren verdacht; maar de kapitein gevoelde zich heimelijk ingenomen door de vertrouwelijkheid die Toots hem scheen te bewijzen, en wilde dus vooreerst nog niet ongunstig over hem oordeelen. Hij zag hem slechts, als hij het onderwerp[271]naderde dat hen het naast aan het hart lag, met onbeschrijfelijke schranderheid aan.“Kapitein Gills,” flapte Toots eens geheel onverwacht uit, gelijk zijne manier was, “denkt gij dat gij gunstig zoudt kunnen denken over dat voorstel van mij, en mij het pleizier geven om kennis met u te mogen houden?”—“Wel, ik zal u zeggen hoe het is, mijn jongen,” zeide de kapitein; “ik heb dat eens overlegd.”—“Kapitein Gills, dat is heel vriendelijk van u,” hervatte Toots, “en ik ben u wel verplicht. Op mijn woord van eer, kapitein Gills, het zou eene weldaad voor mij zijn als ik het pleizier mocht hebben om kennis met u te houden. Dat zou het waarlijk.”—“Gij ziet wel, broeder,” zeide de kapitein langzaam redeneerend, “ik ken u niet.”—“Maar gij kunt mij nooit kennen, kapitein Gills,” antwoordde Toots, bij zijn a-propos blijvende, “als gij mij het pleizier niet geeft om kennis met u te mogen houden.”De kapitein scheen getroffen door het juiste en origineele dezer opmerking, en keek Toots aan alsof hij dacht dat er veel meer achter hem stak dan hij zich verbeeld had.“Wel gezegd, mijn jongen,” zeide de kapitein, peinzend knikkende, “en wel waar. Zie nu eens hier. Gij hebt mij het een en ander verteld waaruit ik opmaak dat gij bewondering gevoelt voor zeker lief schepseltje. He?”—“Kapitein Gills,”zeide Toots, geweldige gebaren makende met de hand waarin hij zijn hoed hield. “Bewondering is het rechte woord niet. Op mijn woord, gij hebt er geen begrip van wat mijn gevoel is. Als men mij kon zwart verven en tot jufvrouw Dombey’s slaaf maken, zou ik het voor een compliment houden. Als ik, met opoffering van al wat ik bezit, in jufvrouw Dombey’s hond kon herschapen worden, denk ik—denk ik waarlijk dat ik nooit zou ophouden met kwispelstaarten. Zoo volmaakt gelukkig zou ik zijn, kapitein Gills.”Toots zeide dit met waterige oogen, en drukte, met diepe aandoening, zijn hoed tegen zijne borst.“Mijn jongen,” antwoordde de kapitein, tot medelijden bewogen, “als gij dat waarlijk ernstig meent …”—“Kapitein Gills,” riep Toots uit, “ik meen het zoo schrikkelijk ernstig, en ik ben in zulk een gemoedstoestand, dat ik, als ik het op een gloeiend stuk ijzer, of op eene kool vuur, of op gesmolten lood, of brandend lak, of iets van dien aard, kon bezweren, waarlijk blij zou zijn als ik mij zeer deed, om mijn gevoel maar wat lucht te geven.” En Toots keek haastig in de kamer rond, als zocht hij naar het een of ander om zijn vreeselijk voornemen te volvoeren.De kapitein schoof zijn blinkenden hoed op zijn hoofd achterover, streek zijn gezicht met zijne zware hand,—daardoor zijn neus nog bonter makende—plantte zich vlak voor Toots, haakte hem bij den lappel van zijn jasje, en sprak hem met deze woorden toe, terwijl Toots hem zeer aandachtig en eenigszins verwonderd aanstaarde:“Als gij het ernstig meent, ziet gij, mijn jongen, zijt gij een voorwerp van menschlievendheid, en menschlievendheid is de schoonste parel in de kroon op het hoofd van een Brit, dat gij kunt nazien in de constitutie, zooals in Rule Britannia staat, en als gij dat vindt, dan hebt gij daar het charter, waarvan die beschermengelen zoo dikwijls zingen. Sta vast nu! Dat voorstel van u brengt mij een beetje overstuur. En waarom? Omdat ik, verstaat ge, hier in deze wateren maar alleen rondzwalk, en geen maat heb, en misschien daar ook niet naar wensch. Sta vast. Gij hebt mij eerst gepraaid om eene zekere jonge juffer, die u had uitgerust. Als gij en ik nu elkander gezelschap zullen houden, dan moet de naam van dat jonge schepseltje nooit genoemd of gerept worden. Ik weet niet wat voor kwaad er al gebeurd is door er voorheen al te vrij van te spreken, en daarbij houd ik het. Begrijpt ge mij zoo tamelijk, broeder?”—“Wel, gij moet het mij niet kwalijk nemen, kapitein Gills,” antwoordde Toots, “als ik u somtijds niet geheel kan volgen. Maar op mijn woord, ik—het is toch hard, kapitein Gills, niet van jufvrouw Dombey te mogen spreken. Ik heb waarlijk zulk eene vreeselijke zwaarte hier,” daarbij legde Toots weemoedig beide handen op zijne borst, “dat ik nacht en dag een gevoel heb, juist alsof er iemand op mij zat.”—“Dat zijn de bedingen, die ik aanbied.” zeide de kapitein. “Als gij ze te hard vindt, broeder, zooals ze misschien zijn, laat ze dan staan, en laten wij als goede vrienden scheiden.”—“Kapitein Gills,” antwoordde Toots, “ik weet haast niet hoe het is, maar na hetgeen gij mij gezegd hebt toen ik de eerste maal hier kwam, gevoel ik—dat ik liever in uw gezelschap aan jufvrouw Dombey wil denken, dan bij haast iemand anders van haar praten. Dus kapitein Gills, als ge mij het pleizier wilt doen van met u te mogen kennis houden, zal ik dat heel gaarne op uw eigene conditiën doen. Ik wil eerlijk zijn, kapitein Gills,” zeide Toots, zijne uitgestokene hand nog even terugtrekkende, “en daarom moet ik zeggen, dat iknietkan nalaten aan jufvrouw Dombey te denken. Het is mij onmogelijk te beloven, dat ik niet aan haar denken zal.”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein, wiens achting voor Toots door deze oprechte bekentenis zeer verhoogd werd, “iemands gedachten zijn evenals de wind, en niemand kan lang achtereen daarvoor instaan. Is het een accoord wat woorden betreft?”—“Wat woorden betreft, kapitein Gills,” antwoordde Toots, “denk ik dat ik mij wel kan verbinden.”Toen gaf Toots den kapitein zijne hand er op; en de kapitein gaf hem, met veel vertooning[272]van vriendelijke goedgunstigheid, uitdrukkelijk verlof om kennis met hem te mogen houden. Toots scheen zeer verheugd over dit geluk, en bleef, zoolang zijn bezoek nog duurde, vergenoegd zitten grinniken. De kapitein, van zijn kant, was niet slecht in zijn schik met zijne positie als begunstiger en beschermer, en buitengemeen weltevreden over zijne eigene voorzichtigheid en schranderheid.Doch hoe rijk kapitein Cuttle ook met deze hoedanigheden was bedeeld, hij kreeg denzelfden avond nog eene onverwachte verrassing, van geen minder oprecht en eenvoudig jongeling dan Rob den Slijper. Die argelooze knaap, die aan dezelfde tafel thee dronk en deemoedig over zijn kopje gebogen zat, ondertusschen met zijdelingsche blikken op zijn meester lettende, die met veel moeite, maar groote deftigheid, door zijn bril de courant las, verbrak de stilte door te zeggen:“Neem mij niet kwalijk, kapitein; maar gij zult misschien geen duiven noodig hebben, zult ge wel, mijnheer?”—“Neen, mijn jongen,” antwoordde de kapitein.—“Omdat ik de mijne maar wilde wegdoen, kapitein,” zeide Rob.—“Zoo, zoo?” zeide de kapitein, zijne ruige wenkbrauwen een weinig optrekkende.—“Ja; ik ga heen, kapitein,” zeide Rob.—“Heengaan? Waar gaat gij dan naar toe?” vroeg de kapitein, over zijn bril heen naar hem omkijkende.—“Wat? Wist gij dan niet dat ik van u vandaan zou gaan, kapitein?” zeide Rob, met een gluiperigen glimlach.De kapitein legde de courant neer, zette zijn bril af, en zag den deserteur strak aan.“Wel ja, kapitein, ik zou u waarschuwen. Ik dacht dat gij er misschien al te voren van geweten hadt,” zeide Rob, zijne handen wrijvende en opstaande. “Als ge zoo goed kondt zijn om u gauw van iemand anders te voorzien, kapitein, zou mij dat best gelegen komen. Ge zoudt dat niet tegen morgenochtend kunnen doen, vrees ik, kapitein; zoudt ge wel, denkt gij?”—“Zult gij dan van uwe vlag gaan deserteeren, jongetje?” zeide de kapitein, na hem lang in het gezicht te hebben gekeken.—“Het is toch wel hard voor een jongen, kapitein,” zeide de teerhartige Rob, gekrenkt en verontwaardigd te gelijk, “dat hij niet eens behoorlijk zijne huur kan opzeggen, of men moet hem zoo zuur aankijken en een deserteur noemen. Het staat u niet vrij om een armen jongen uit te schelden, kapitein. Omdat ik een knecht ben en gij een meester zijt, moogt ge mij toch geen kwaden naam geven. Wat voor kwaad heb ik gedaan? Kom aan, kapitein, zeg mij wat ik misdaan heb.”De diepgetroffen Slijper huilde, en duwde zijn mouwopslag tegen zijn oog.“Kom aan, kapitein,” riep de beleedigde jongeling uit, “laat hooren waaraan ik schuldig ben. Wat heb ik gedaan? Heb ik van het goed gestolen? Heb ik het huis in brand gestoken? Zoo ja, waarom laat ge mij dan niet pakken en voor het gerecht brengen? Maar een jongen zijn goeden naam te ontnemen, die een goede knecht voor u is geweest, omdat hij zich zelven niet in het licht wil staan voor uw profijt, wat voor kwaad is dat, en wat voor belooning voor trouwen dienst! Dat is immers om een jongen voor altijd te bederven en om hem op een slechten weg te brengen. Ik ben verbaasd over u, kapitein, dat ben ik.”Dit alles bracht de Slijper uit met een jankend gehuil, terwijl hij voorzichtig achteruit naar de deur week.“Dus hebt gij eene andere plaats, jongetje, niet waar?” zeide de kapitein, hem nog strak aanziende.—“Ja, kapitein, als gij daarop komt, ikhebeene andere plaats,” zeide Rob, al meer en meer achteruitgaande, “beter plaats dan ik hier heb, en waar ik niet eens uw goed woord noodig heb, dat gelukkig voor mij is, na al het vuil waarmee ge mij gegooid hebt, omdat ik arm ben en het mij niet schikt, mij zelven in het licht te staan voor uw profijt. Waarom verwijt gij het mij dat ik arm ben en mij zelven niet voor uw profijt in het licht wil staan, kapitein? Hoe kunt gij u zoo gemeen aanstellen?”—“Hoor eens hier, jongetje,” antwoordde de vreedzame kapitein. “Laat maar niet meer van die woorden los.”—“Wel, laat gij dan ook niet meer van uwe woorden los,” zeide de gegriefde Rob hierop, nog harder jankende en in den winkel afdeinzende. “Ik heb liever, dat gij mijn bloed neemt dan mijn goeden naam.”—“Omdat ge,” vervolgde de kapitein bedaard, “misschien wel eens van zoo iets als een eindje touw hebt gehoord.”—“Of ik—zoo?” riep de smalende Slijper uit. “Neen, kapitein. Van zulk een ding heb ik nooit gehoord.”—“Wel,” zeide de kapitein, “dan geloof ik dat gij er tamelijk gauw meer van zult weten, als ge niet voor u ziet. Ik kan uwe seinen wel onderscheiden, jongetje. Gij kunt gaan.”—“Zoo, mag ik dadelijk, kapitein?” riep Rob verheugd over dezen afloop. “Maar let er wel op, datikniet gevraagd heb om dadelijk te gaan, kapitein. Gij moet mij niet weer een slechten naam geven, omdat gij mij uit eigen verkiezing wegzendt. En gij moet niets van mijn loon inhouden, kapitein.”Zijn meester besliste dit laatste punt door het blikken busje te voorschijn te halen en des Slijpers volle geld op de tafel uit te tellen. Zuchtend en snikkend, en diep in zijn gevoel gekwetst, nam Rob de stukken een voor een op, met een zucht en een snik voor elk, en knoopte ze een voor een in zijn zakdoek; daarna klom hij naar het dak van het huis en vulde zijn hoed en zijne zakken met duiven; vervolgens kwam hij weder naar beneden, ging naar zijn bed[273]onder de toonbank en maakte zijn pakje, nog harder zuchtende en snikkende, alsof oude herinneringen hem het hart doorsneden; daarop jankte hij: “Goedennacht, kapitein. Ik ga zonder boosheid van u vandaan;” eindelijk naar buiten stappende, trok hij, als een afscheidsaffront, den houten adelborst bij den neus, en ging in grijnzenden triomf de straat af.Hij liep grinnikend heen om het stuk geld te wisselen, en verdobbelde het toen bij een taartjesman. (blz. 269).Hij liepgrinnikendheen om het stuk geld te wisselen, en verdobbelde het toen bij een taartjesman.(blz. 269).De kapitein, alleen gelaten, hervatte zijn onderzoek van het nieuws alsof er niets buitengewoons of onverwachts gebeurd was, en las met den grootsten ijver voort. Maar geen enkel woord verstond kapitein Cuttle, hoewel hij er een groot aantal las, want Rob de Slijper liep de geheele courant door langs de kolommen op en neer.Het is twijfelachtig of de brave kapitein zich ooit voor op dit oogenblik geheel verlaten had gevoeld; maar nu waren de oude Sam Gills, Walter en Hartediefje eerst waarlijk voor hem verloren, en nu eerst bedroog en smaadde Carker hem op het grievendst. Zij allen hadden een vertegenwoordiger in den valschen Rob, voor wien hij zoo dikwijls had uitgeweid over de herinneringen, die zijn binnenste verwarmden. Hij had in den valschen Rob geloofd en zich verheugd dat hij dit doen kon; hij had hem tot zijn gezelschap gemaakt als den laatsten[274]der bemanning van het oude schip; hij had met hem aan zijne rechterhand het kommando over den houten adelborst overgenomen, hij had zijn plicht jegens hem willen doen, en den jongen eene genegenheid toegedragen, bijna alsof zij te zamen schipbreuk hadden geleden en op eene onbewoonde plek waren aangespoeld. En nu de valsche Rob wantrouwen, verraad en laagheid in dat achterkamertje had gebracht, dat een soort van heiligdom was, was het kapitein Cuttle te moede, alsof het achterkamertje zelf nu ook wel had kunnen verzinken, zonder dat het hem veel verwonderde of speet.Daarom las kapitein Cuttle de courant met groote aandacht en zonder eenig begrip, en daarom zeide kapitein Cuttle niets hoegenaamd over Rob tot zich zelven, of wilde hij zich zelven bekennen, dat hij aan hem dacht, of dat Rob er iets mee te maken had dat hij zich zoo eenzaam gevoelde als Robinson Crusoe.Op dezelfde bedaarde en onverschillige manier stapte de kapitein in het donker naarLeadenhallMarketen maakte daar schikking met een waker, die de wacht had, om elken ochtend en avond de luiken van den houten adelborst te komen afnemen en opzetten. Toen ging hij in het eethuis aan, om het dagelijksch rantsoen, tot nog toe aan den houten adelborst geleverd, tot de helft te verminderen, en in de herberg, om het bier van den verrader af te zeggen. “Mijn jongen,” zeide de kapitein ter verklaring aan het juffertje in het buffet, “mijn jongen heeft eene betere plaats gezocht, jufvrouw.” Eindelijk besloot de kapitein om het bed onder de toonbank in bezit te nemen, en daar des nachts te slapen in plaats van boven, als eenig bewaker van het goed.Uit dit bed stond de kapitein voortaan elken morgen om zes uur op en duwde zijn harden hoed op het hoofd, met het eenzame uitzicht van Crusoe, die zijne muts van geitenvel opzet; en hoewel zijne vrees voor een bezoek van den wilden stam der MacStinger’s eenigszins was bekoeld, gelijk eene dergelijke vrees bij den eenzamen schipbreukeling placht te bekoelen als er een lange tijd verliep zonder dat hij iets van de kannibalen bespeurde, bleef hij nog zijn geregeld verdedigingsstelsel in acht nemen, en waagde hij zich nooit in de nabijheid van een vrouwenhoed, zonder dien vooraf uit zijn kasteel te hebben waargenomen. Ondertusschen begon (daar hij in langen tijd geen bezoek van Toots kreeg, die hem schreef dat hij uit de stad was) zijne eigene stem een vreemden klank in zijne ooren te krijgen, en nam hij zoodanig de gewoonte aan om te zitten peinzen, dat de roode rand, door zijn harden blinkenden hoed op zijn voorhoofd veroorzaakt, somtijds zeer deed van het ingespannen nadenken.Daar het jaar nu om was, achtte kapitein Cuttle het raadzaam, het pakje te openen; maar dewijl hij altijd voornemens was geweest dit in tegenwoordigheid van Rob den Slijper te doen, die het hem gebracht had, en hij zich verbeeldde dat het behoorlijk was dit in iemands tegenwoordigheid te verrichten, was hij erg om een getuige verlegen. In deze verlegenheid, was het met buitengewone blijdschap dat hij eens onder de scheepsberichten de tijding vond, dat de Voorzichtige Clara, kapitein John Bunsby, weder van eene kustvaart was teruggekomen; en dadelijk zond hij dezen philosoof over de post een brief, waarin hij het diepste stilzwijgen ten aanzien van zijne woning aanbeval, en verzocht om eens in den avond met een bezoek te worden begunstigd.Bunsby, een van de wijzen, die niet dan met volle overtuiging willen handelen, had eenige dagen noodig om zich ten volle van de overtuiging te doordringen dat hij zulk een brief had ontvangen. Toen het hem echter gelukt was zich dat denkbeeld geheel eigen te maken, zond hij spoedig een jongen met de boodschap: “Hij komt van avond.” Deze knaap was belast om deze woorden uit te spreken en dan weder te verdwijnen, en vervulde ook zijne zending gelijk een beteerd spook, met eene geheimzinnige waarschuwing belast.De kapitein, zeer daarmede in zijn schik, maakte toebereidselen van pijpen, rum en water, en verwachtte het bezoek in het achterkamertje. Tegen acht uur begreep de luisterende kapitein uit een dof geloei voor de deur, als ware het van een zeestier, gevolgd door het kloppen met een stok op het paneel, dat Bunsby voor de haven was; en zoodra de deur geopend was, trad deze binnen, ruig en slordig, en met zijn strak mahoniehouten gezicht, dat gelijk gewoonlijk, geene bewustheid scheen te hebben van iets dat het voor zich had, maar oplettend naar iets te turen dat in eene geheel andere wereldstreek voorviel.“Bunsby,” zeide de kapitein, hem bij de hand vattende, “hoe gaat het, mijn jongen, hoe gaat het?”—“Scheepskameraad,” antwoordde de stem in het binnenste van Bunsby, zonder dat die kommandant zelf iets daarvan scheen te weten, “hartig, hartig!”—“Bunsby,” zeide de kapitein, met onwillekeurig betoon van hulde aan zijn genie, “daar zijt ge weer hier! Een man die een gevoelen kan geven dat helderder is dan diamant, en een man die hier in de kamer al eens een gevoelen heeft gegeven, dat letterlijk is uitgekomen;” hetgeen de kapitein oprecht geloofde.—“Ja, ja!” bromde Bunsby.—“Letterlijk!” zeide de kapitein.—“Want waarom?” bromde Bunsby, zijn vriend nu voor de eerste maal aanziende. “Hoe dat? Zoo ja, waarom niet? Dus!” Met deze orakelachtige woorden—die den kapitein bijna duizelig schenen te doen worden, zooveel vermoedens en twijfelingen gaven zij hem aan de hand[275]—liet de wijze zich zijne ruige jas uittrekken, en vergezelde zijn vriend naar het achterkamertje, waar zijne hand dadelijk op de rumflesch neerkwam, waaruit hij een stevig glas grog gereedmaakte; en kort daarna op eene pijp, die hij stopte en aanstak.Kapitein Cuttle, in beide opzichten zijn vriend navolgende, schoon de strakke verstrooidheid van Bunsby ver boven zijn vermogen was, zat aan het andere hoekje van den haard eerbiedig naar hem te kijken, alsof hij wachtte dat Bunsby eenig blijk van nieuwsgierigheid zou geven of hem aanmoedigen om ter zake te komen. Daar de mahoniehouten philosoof echter geen blijk gaf van iets bewust te zijn, behalve van warmte en tabaksrook, met eene uitzondering, toen hij, zijne pijp uit zijn mond nemende, om plaats voor zijn glas te maken, met eene zeer grove stem aanmerkte, dat zijn naam Jack Bunsby was—een gezegde dat niet veel gelegenheid gaf om een gesprek aan te knoopen—verzocht de kapitein hem in eene korte, maar vleiende voorafspraak om zijne aandacht, verhaalde daarna de geheele geschiedenis van oom Sam’s verdwijnen, met de verandering daardoor in zijn eigen levenslot teweeggebracht, en besloot met het pakje op de tafel te leggen.Na eene lange pauze knikte Bunsby met zijn hoofd.“Opendoen?” zeide de kapitein.Bunsby knikte nog eens.De kapitein brak dus het zegel los, en bracht aldus twee toegevouwen papieren te voorschijn, waarvan hij een voor een de opschriften las: “Laatste Wil en Testament van Samuel Gills.” “Brief aan Ned Cuttle.”Bunsby scheen, met zijn oog op de kust vanGroenland, naar den inhoud te luisteren. De kapitein schraapte dus zijne keel en las den brief voor.““Mijn waarde Ned Cuttle. Toen ik naarWest-Indiëwilde vertrekken.…””Hier hield de kapitein op en keek Bunsby strak aan, die even strak naar de kust vanGroenlandkeek.““Om hopeloos tijding van mijn lieven jongen te zoeken, wist ik wel dat gij, als gij met mijn plan bekend waart, mij zoudt willen tegenhouden, of met mij medegaan; en daarom hield ik het geheim. Als gij ooit dezen brief leest, Ned, zal ik waarschijnlijk wel dood wezen. Gij zult dan gemakkelijk de dwaasheid van een oud vriend vergeven, en medelijden hebben met de onrustigheid en onzekerheid, die hem dreven om op zulk eene reis uit te gaan. Dus niet meer daarvan. Ik heb weinig hoop dat mijn arme jongen ooit deze woorden zal lezen, of uwe oogen ooit meer met zijn openhartig gezicht verheugen.””—“Neen, neen; nooit meer,” zeide kapitein Cuttle, treurig peinzende.Een oogenblik later las hij voort: “Maar als hij er bij mocht wezen wanneer deze brief gelezen wordt:” de kapitein zag onwillekeurig rond en schudde zijn hoofd, “of er op een anderen tijd van mocht vernemen,” de kapitein schudde weder zijn hoofd; “dan geef ik hem mijn zegen. In geval het hierbijgevoegde papier niet volgens de wet is geschreven, komt het er zeer weinig op aan, want het is voor niemand van eenig belang dan voor u en voor hem, en mijn verlangen is eenvoudig dat hij, als hij nog leeft, het weinige zal hebben dat ik bezit, en dat, als het anders is, (gelijk ik vrees) gij het dan hebben zult, Ned. Gij zult mijn wensch eerbiedigen, dat weet ik. God zegen u daarvoor, en voor alle uwe vriendschap bovendien voor Samuel Gills.”“Bunsby,” zeide de kapitein, hem plechtig aansprekende, “wat maakt gij nu daarvan? Daar zit gij, een man die van kindsbeen af zijn hoofd aan stuk heeft gevallen, en er door elke nieuwe barst nieuw verstand in heeft gekregen. Wat maakt gij nu hiervan?”—“Als het gebeurt,” antwoordde Bunsby met buitengewonen spoed, “dat hij dood is, dan is het mijn gevoelen dat hij niet weerom zal komen. Als het gebeurt dat hij nog leeft, dan is het mijn gevoelen dat hij het wel zal doen. Zeg ik dat hij zal? Neen. Waarom niet? Omdat de ondervinding het zal leeren.”—“Bunsby,” zeide kapitein Cuttle, die de uitspraken van zijn vriend des te hooger scheen te achten, naarmate hij het moeielijker vond om er iets van te begrijpen; “Bunsby,” zeide de kapitein met opgetogene bewondering, “gij voert met gemak eene vracht van verstand, waarmee iemand van mijne maat gauw zou verzinken. Maar wat dit testament betreft, ik ben niet voornemens iets met het goed te doen—God bewaar mij—behalve om het voor een meer rechtmatigen eigenaar te bewaren; en ik hoop dat de rechtmatige eigenaar, Sam Gills, nog leeft en nog weerom zal komen, al is het vreemd dat hij geene rapporten heeft gezonden. Wat is nu uw gevoelen er van, Bunsby, om deze papieren weer weg te stouwen en er buitenop te merken, dat zij op dien en dien dag in tegenwoordigheid van John Bunsby en Edward Cuttle zijn geopend?”Daar Bunsby op de kust vanGroenlandof elders geen bezwaar tegen dit voorstel zag, werd het ten uitvoer gebracht; en de groote man, zijn oog daartoe even vanGroenlandterugroepende, zette zijne handteekening op den omslag, waarbij hij zich, met eigenaardige zedigheid, geheel van het gebruik van kapitale letters onthield. Nadat kapitein Cuttle ook zijne linksche handteekening er op had gezet en het pakje in de ijzeren kist gesloten, verzocht hij zijn gast om zich nog een glas klaar te maken en nog eene pijp te rooken; en insgelijks hetzelfde doende, geraakte hij bij het vuur over[276]het mogelijke lot des ouden instrumentmakers aan het peinzen.En nu had er eene verrassing plaats van zoo geduchten aard, dat kapitein Cuttle, indien de tegenwoordigheid van Bunsby hem niet had ondersteund, er geheel onder had moeten bezwijken, en van dat noodlottig uur af een verloren man zou zijn geweest.Hoe de kapitein, zelfs in zijne blijdschap over het ontvangen van zulk een gast, de deur slechts had kunnen toestooten, in plaats van ze te sluiten, aan welk verzuim hij zich inderdaad had schuldig gemaakt, is een van die vragen, die voor altijd punten van bespiegeling moeten blijven, indien men ze niet in beschuldigingen tegen het noodlot wil veranderen. Maar door die ongeslotene deur kwam op dat stille oogenblik de geduchte jufvrouw MacStinger binnenstuiven, met Alexander MacStinger in hare moederlijke armen, en straf en wraak (om niet van Juliana MacStinger en haar broertje Charles, op zijne jeugdige speelplaatsen algemeen als Chowley bekend, te spreken) in haar gevolg. Zij kwam zoo snel en stil, alsof de wind haar uit de buurt der Oost-Indische dokken had overgewaaid, dat kapitein Cuttle haar werkelijk reeds een poosje had aangekeken, eer het kalme gelaat, waarmede hij had zitten peinzen, in een gezicht vol schrik en ontzetting veranderde.Maar zoodra kapitein Cuttle de volle uitgestrektheid van zijn ongeluk begreep, deed de zucht tot zelfbehoud hem eene poging aanwenden om te vluchten. Naar het deurtje snellende, dat uit het achterkamertje naar het steile keldertrapje voerde, schoot hij met het hoofd vooruit daarbinnen, als een man, die onverschillig voor builen en kneuzingen, zich slechts in de ingewanden der aarde zoekt te verbergen. Zijn dapper voornemen zou hem waarschijnlijk gelukt zijn, zonder de hartelijkheid van Juliana en Chowley, die hem bij de beenen grepen—een van deze lieve kinderen aan ieder been—en hem met een jammerlijk geschreeuw als een wedergevonden vriend begroetten. Ondertusschen had jufvrouw MacStinger, die nooit iets van aanbelang begon zonder eerst haar zoontje Alexander ten onderste boven te keeren, om hem onder het bereik eener batterij van vlugge klappen te brengen, en hem dan neer te zetten om af te koelen, gelijk de lezer hem eens gezien heeft, deze plechtigheid verricht, welke bij deze gelegenheid eene offerande aan de Furiën scheen te zijn; en nadat zij het slachtoffer op den grond had geplaatst, kwam zij op den kapitein af met een gezicht hetwelk Bunsby, die tusschen beiden kwam, met krabben scheen te bedreigen.Het geschreeuw der twee oudste MacStinger’s en het gehuil van den jeugdigen Alexander maakten dit tooneel nog geduchter; maar eerst toen er weder stilte heerschte, en de kapitein, geweldig zweetende, jufvrouw MacStinger bedeesd stond aan te zien, steeg het ontzettende daarvan ten top.“O, kapitein Cuttle, kapitein Cuttle!” zeide jufvrouw MacStinger, iets tegen hem schuddende, dat men, als hare sekse niet zoo teer was, hare vuist zou kunnen noemen. “O, kapitein Cuttle, kapitein Cuttle, durft ge mij in het gezicht zien, zonder dat ge door den grond zinkt!”De kapitein, die er alles behalve manhaftig uitzag, mompelde flauw: “Sta vast!”—“O, ik was wel eene teerhartige zottin, toen ik u onder mijn dak nam, kapitein Cuttle, dat was ik,” riep jufvrouw MacStinger. “Als ik aan de weldaden denk waarmede ik dien man heb overhoopt, en de manier zooals ik mijne kinderen leerde om hem lief te hebben en te eeren alsof hij een vader voor hen was, al was er geen huishoudster, ja zelfs geen commensaal in de straat, of men wist dat ik geld op dien man toelegde met zijn slobberen en flobberen.” Jufvrouw MacStinger gebruikte het laatste woord om het rijm en tot versterking van den nadruk, niet zoozeer om een bepaald denkbeeld aan te duiden; “en al sprak men er schande van dat hij zoo leefde met eene brave vrouw, vroeg en laat op om voor haar huishouden wat te verdienen, en die haar huis zoo zindelijk houdt, dat iemand van den vloer of van de trap zou kunnen eten, ja zelfs theedrinken als hij wilde, in spijt van al zijn slobberen en flobberen, zooveel moeite gaf ik mij om hem.”Zij hield even op om eens adem te halen, en triomfeerde er in dat zij des kapiteins flobberen nog eens zoo gelukkig had te pas gebracht.“En hij loopt vo-o-ort!” riep jufvrouw MacStinger, met een uithaal van het laatste woord, die den ongelukkigen kapitein zich zelven voor den laagsten aller stervelingen deed houden, “enhoudtzich een jaar lang schuil! Voor eene vrouw! Dat doet zijn geweten. Hij durft haar niet onder de oogen komen, maar kruipt weg als een deserteur. Wel, als dat kleine kind van mij,” zeide jufvrouw MacStinger, zeer snel sprekende, “zoo wilde wegkruipen, zou ik als moeder mijn plicht aan hem doen, tot hij bont en blauw was.”De jeugdige Alexander, die dit als eene stellige belofte opnam, tuimelde van schrik omver, bleef met de schoenzooltjes omhoog op den vloer liggen en hief zulk een verdoovend geschreeuw aan, dat jufvrouw MacStinger het noodig vond hem op haar arm te nemen, en hem nu en dan, als hij weder uitbarstte, te stillen, door hem te schudden op eene manier, die zijne tandjes scheen te moeten losmaken.“Een aardig soort van een man is kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, “om zich zoo aan te trekken, dat men er niet van slapen kan, en er van flauw valt, en hem voor dood houdt, en de heele stad op en neer loopt,[277]alsof men gek was, om naar hem te vragen! Een aardig soort van man, ha, ha, ha! Hij is wel zooveel angst en moeite waard, en nog meer. Och Heere, dat is niemendal. Ha, ha, ha! Kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, met eene stem vol barsche strengheid, “ik wensch te weten, of gij nu naar huis komt.”De verschrikte kapitein keek in zijn hoed, alsof hij er niets meer op zag dan dien op te zetten en zich over te geven.“Kapitein Cuttle,” herhaalde jufvrouw MacStinger op denzelfden vasten toon, “ik wensch te weten of gij nu naar huis komt, mijnheer.”De kapitein scheen volkomen bereid om mede te gaan, maar mompelde flauw iets van “zooveel leven niet te maken.”—“Ja, ja, ja,” zeide nu Bunsby op een bedaarden toon. “Zachtjes aan, vrouwtje, zachtjes aan!”—“En wie zoudtgijwel wezen, als je belieft!” zeide jufvrouw MacStinger zeer preutsch en statig. “Hebt gij in nommer negen opBrig Placegewoond, mijnheer? Mijn geheugen mag slecht wezen, maar ik geloof toch bij mij niet. Zekere jufvrouw Jollson heeft voor mij in nommer negen gewoond, en misschien ziet ge mij voor haar aan. Dit is de eenige manier waarop ik uwe familiariteit kan verklaren, mijnheer.”—“Kom, kom; zachtjes aan.”Kapitein Cuttle kon het nauwelijks gelooven, zelfs van dezen grooten man, hoewel hij het met zijne eigene oogen zag; maar Bunsby, stoutmoedig nader komende, sloeg zijn ruigen blauwen arm om jufvrouw MacStinger heen, en vermurwde haar, door de tooverachtige manier waarop hij dit deed, en die weinig woorden sprak—hij zeide niets meer—zoodanig, dat zij, na hem even te hebben aangezien, in tranen wegsmolt, en zeide dat een kind haar nu aankon, zoo had zij haar moed verloren.Sprakeloos van verbazing zag de kapitein hem die onverbiddelijke vrouw naar den winkel brengen, terugkomen om rum, water en eene kaars te halen, en haar geheel bevredigen, zonder naar het scheen een woord te spreken. Weldra kwam hij nog eens binnenkijken met zijne jas aan en zeide: “Cuttle, ik ga ze als convooi naar huis brengen”; en met meer verslagenheid, dan wanneer hij zelf in de boeien was gezet om hem veilig naarBrig Placete vervoeren, zag de kapitein de familie vreedzaam aftrekken, met jufvrouw MacStinger aan het hoofd. Hij had nauwelijks tijd om het blikken busje te krijgen, en Juliana, zijne vorige lieveling, en Chowley tersluiks eenig geld in de hand te stoppen, of de houten adelborst werd door allen verlaten, en Bunsby, fluisterende dat hij Ned Cuttle nog eens zou praaien eer hij weder naar boord ging, trok de deur achter zich toe.Een onrustige twijfel dat hij gedroomd moest hebben of schimmen had gezien, en geene familie van vleesch en bloed, kwelde den kapitein in het eerst toen hij weder naar het achterkamertje ging en zich daar alleen bevond. Daarop volgde een toestand van verrukking, vol onbeperkt geloof aan en onmetelijkebewonderingvoor den gezagvoerder der Voorzichtige Clara.Toen echter de tijd verliep en Bunsby niet terugkwam, begon de kapitein onaangename twijfelingen van een anderen aard te ontwaren. Of Bunsby arglistig naarBrig Placewas gelokt en daar in hechtenis werd gehouden als gijzelaar voor zijn vriend; in welk geval het den kapitein als man van eer zou voegen hem te verlossen door het opofferen van zijne eigene vrijheid. Of hij door jufvrouw MacStinger aangevallen en overwonnen was, en zich schaamde om zich na zijne nederlaag te vertoonen. Of jufvrouw MacStinger, zich in de ongestadigheid van haar humeur bedenkende, was teruggekeerd om den houten adelborst nog eens aan boord te klampen, en Bunsby veinzende haar een korter weg te willen brengen, de familie in de woestenijen der stad poogde te doen verdwalen. Vooral wat hem, kapitein Cuttle, wel zou voegen, in geval hij nooit meer iets van de MacStinger’s of van Bunsby hoorde, hetgeen, met al die verwonderlijke en onverwachte gebeurtenissen, mogelijk ook wel gebeuren kon.Hij overlegde dat alles met zich zelven tot hij er moe van werd; en nog kwam er geen Bunsby. Hij maakte zijn bed onder de toonbank op, gereed om er in te kruipen; en nog geen Bunsby. Eindelijk, toen de kapitein hem voor dien avond ten minste had opgegeven en zich had beginnen te ontkleeden, hoorde hij het gerucht van naderende wielen, die voor de deur stilhielden en daarop volgde Bunsby’s aanroep.De kapitein beefde bij de gedachte dat hij jufvrouw MacStinger niet had kunnen kwijtraken en in die koets terugbracht.Maar neen. Bunsby had niets anders bij zich dan een grooten koffer, dien hij met eigene handen binnensleepte, en waarop hij, zoodra hij dien had binnengesleept, ging zitten. Kapitein Cuttle herkende daarin den koffer dien hij bij jufvrouw MacStinger aan huis had gelaten, en toen hij, met de kaars in de hand, Bunsby meer oplettend bekeek, meende hij dat deze een nat zeil had, of ronduit gezegd, dronken was. Het was echter moeielijk hiervan zeker te zijn, daar de kommandant, wanneer hij nuchter was, toch geen het minste spoor van uitdrukking in zijn gezicht had.“Cuttle,” zeide Bunsby, van den koffer opstaande en het deksel openende, “is dat uwe plunje?”Kapitein Cuttle keek in den koffer en herkende zijn eigendom.“Tamelijk knap geklaard, niet waar, scheepskameraad?” zeide Bunsby.[278]De dankbare en verbijsterde kapitein vatte hem bij de hand en wilde zijn gevoel in een opgetogen antwoord lucht geven, toen Bunsby zich met een ruk losmaakte en eene poging scheen te doen om met zijn draaiend oog te lonken, waarvan het eenige gevolg, in zijn toestand, was dat hij zijne balans kwijtraakte en bijna omver tuimelde. Toen deed hij onverwacht de deur open en streek heen om met allen spoed de voorzichtige Clara weder op te zoeken—hetgeen men voor zijne vaste gewoonte hield, wanneer hij begreep dat hij bijzonder had uitgemunt.Daar het hem niet beviel als men hem te dikwijls opzocht, besloot kapitein Cuttle niet naar hem toe te gaan of iemand naar hem te zenden, voordat hij zijn genadig welgevallen in dit opzicht had laten weten, of er ten minste eenige tijd verloopen was. De kapitein hervatte dus den volgenden morgen zijn eenzaam leven, en dacht vele ochtenden, middagen en avonden diepzinnig na over Sam Gills en de hoop op zijne terugkomst. Dit vele denken versterkte hem in die hoop; en hij vermaakte zich dikwijls met naar den instrumentmaker aan de deur te staan wachten—gelijk hij nu, in zijne zonderlinge vrijheid durfde doen—en zijn stoel op de gewone plaats te zetten, en alles in het achterkamertje te schikken gelijk het placht te zijn, ingeval hij onverwacht thuis mocht komen. Hij was ook behoedzaam genoeg om zeker miniatuurtje van Walter als een schoolknaap van den gewonen spijker te nemen, opdat het den ouden man bij zijne terugkomst niet zou schokken. De kapitein had somtijds ook een voorgevoel dat hij op dien of dien dag zou komen; en op zekeren zondag bestelde hij zelfs eene dubbele portie eten, zoo vast rekende hij er op. Maar de oude Samuel kwam toch niet; en de buren raakten er aan gewoon dat de varensman met den blinkenden hoed des avonds aan de deur stond en de straat op- en afkeek.
[Inhoud]XXXIX.VERDERE AVONTUREN VAN DEN ZEEKAPITEIN EDWARD CUTTLE.De tijd, vast van voet en krachtig van wil, had zich zoo gerept, dat het jaar, hetwelk de oude instrumentmaker had bepaald als de tijd hoelang zijn vriend moest wachten om het verzegelde pakje te openen, dat hij bij zijn brief had achtergelaten, nu bijna verloopen was, en kapitein Cuttle het op een avond met eene mengeling van nieuwsgierigheid en ongerustheid zat te bekijken.De kapitein zou er, als man van eer, even weinig aan gedacht hebben om het pakje een uur voor den afloop van den voorgeschreven tijd te openen, als om zich zelven te openen ten einde zich van binnen te bekijken. Hij haalde het slechts, als hij zijne eerste avondpijp rookte, te voorschijn, legde het op de tafel, en zat het dan twee of drie uren achtereen met stillen ernst van buiten aan te staren. Somtijds, als hij het aldus een tamelijk langen tijd had beschouwd,[270]schoof de kapitein zijn stoel langzamerhand al verder en verder achteruit, als ware het om buiten den kring der toovermacht te komen; maar als dit zijn oogmerk was, gelukte het hem toch nooit; want zelfs als hij tegen den muur van het kamertje gekomen was, bleef het pakje hem toch aantrekken, of als zijne oogen, peinzend zwervende, naar den zolder of het vuur dwaalden, ging het beeld van het pakje dadelijk mede en posteerde zich tusschen de kolen of tegen de witkalk aan.Wat zijn Hartediefje betrof, kende des kapiteins vaderlijke genegenheid en opgetogenheid geene verandering. Maar sedert zijn laatste gesprek met Carker, was kapitein Cuttle begonnen te twijfelen, of zijne vroegere tusschenkomst ten behoeve van die jonge dame en Walter, zijn lieven jongen, wel zoo voordeelig was geweest als hij had kunnen wenschen en toen ter tijd had geloofd. De kapitein was, kortom, ernstig bekommerd dat hij meer kwaad dan goed had gedaan; en in zijne wroeging en bescheidenheid deed hij de beste boete die hij kon doen, door zich overal vandaan te houden, waar hij iemand nog meer kwaad zou kunnen doen, en zich, als het ware, als een ongeluksvogel overboord te werpen.Zoo door zijn eigen vonnis tusschen instrumenten begraven, kwam de kapitein nooit meer in de nabijheid van Dombey’s huis, en liet hij Florence en Suze Nipper niets meer van zich zien of hooren. Hij brak zelfs de kennis met Perch af, toen deze hem eene volgende maal kwam bezoeken, door dien heer droogjes te onderrichten, dat hij hem voor zijn gezelschap dankbaar was, maar zich voortaan van al zulken omgang wilde af houden, daar hij niet wist welk kruitmagazijn hij, zonder het te willen, in de lucht kon doen vliegen. In deze hem door zich zelven opgelegde afzondering sleet de kapitein geheele dagen en weken zonder een enkel woord met iemand te wisselen behalve met Rob den Slijper, wien hij voor een model van belangelooze verkleefdheid en trouw hield. In deze afzondering zat de kapitein des avonds het pakje aan te staren en al rookende aan Florence en den armen Walter te denken, tot zij voor zijne eenvoudige verbeelding beide dood schenen en nu in eeuwige jeugd de schoone onschuldige kinderen zijner eerste herinnering bleven.De kapitein verzuimde echter door dit gepeins zijne eigene stichting en de verstandsbeschaving van Rob den Slijper niet. Gewoonlijk moest deze jongeling den kapitein elken avond een uur uit een boek voorlezen; en daar de kapitein blindelings geloofde dat in alle boeken niets anders dan waarheid stond, zamelde hij aldus vele merkwaardige feiten op. Op zondagavond las de kapitein altijd voor zich zelven, eer hij naar bed ging, zekere Goddelijke Rede, die eens op een berg werd uitgesproken; en hoewel hij gewoon was den tekst, zonder boek, op zijne eigenaardige manier aan te halen, scheen hij toch met een even eerbiedig gevoel van den hemelschen geest daarin te lezen, alsof hij dien in het Grieksch van buiten kende en in staat was om over ieder vers een aantal scherpe theologische twistschriften te schrijven.Rob de Slijper, wiens eerbied voor de Heilige Schriften, onder het bewonderenswaardig stelsel der Slijpersschool, ontwikkeld was door hem aanhoudend over al de eigennamen in de geslachtregisters van Israël te laten struikelen en bij wijze van straf moeielijke verzen te laten opzeggen, alsmede door hem op zesjarigen ouderdom met zijne lederen broek, driemaal op een zondag, in parade heel ver naar eene heel warme kerk te laten trekken, waar een groot orgel hem door zijn slaperig hoofd bromde, gelijk eene reusachtige nijvere bij—Rob de Slijper hield zich alsof hij machtig gesticht was wanneer de kapitein met lezen ophield, en zat doorgaans te geeuwen en te knikkebollen zoolang het lezen duurde; welke laatste omstandigheid nooit door den kapitein werd vermoed.Kapitein Cuttle ging ook, als man van zaken, aan het boekhouden. In zijne boeken schreef hij observatiën over het weder, en over den stroom van wagens en andere rijtuigen, dien hij opmerkte dat in die streek des morgens en gedurende het grootste gedeelte van den dag westwaarts en des avonds oostwaarts liep. Daar zich in eene week twee of drie “kruisers” vertoonden, die hem “praaiden”—zoo werd het door den kapitein geboekt—over een bril, en, zonder eigenlijk te koopen, zeiden dat zij nog wel eens zouden aankomen, begreep de kapitein dat de zaken beter begonnen te gaan, en noteerde dit ook in zijn dagboek; de wind toen (hetgeen hij eerst aanteekende) tamelijk frisch waaiende, west ten noorden, daar hij in den nacht veranderd was.Een der voornaamste bezwaren des kapiteins was Toots, die dikwijls aankwam, en, zonder veel te zeggen, in het denkbeeld scheen te verkeeren dat het achterkamertje een zeer geschikt vertrekje was om in te zittengrinniken, dewijl hij het daartoe bij het halve uur achtereen kwam gebruiken, zonder daarom met den kapitein op vertrouwelijker voet te komen. De kapitein, door zijne jongste ondervinding voorzichtig geworden, kon het maar niet met zich zelven eens worden of Toots inderdaad de onnoozele bloed was dien hij scheen te zijn, dan wel een listige veinsaard en huichelaar. Zijne herhaalde toespelingen op jufvrouw Dombey waren verdacht; maar de kapitein gevoelde zich heimelijk ingenomen door de vertrouwelijkheid die Toots hem scheen te bewijzen, en wilde dus vooreerst nog niet ongunstig over hem oordeelen. Hij zag hem slechts, als hij het onderwerp[271]naderde dat hen het naast aan het hart lag, met onbeschrijfelijke schranderheid aan.“Kapitein Gills,” flapte Toots eens geheel onverwacht uit, gelijk zijne manier was, “denkt gij dat gij gunstig zoudt kunnen denken over dat voorstel van mij, en mij het pleizier geven om kennis met u te mogen houden?”—“Wel, ik zal u zeggen hoe het is, mijn jongen,” zeide de kapitein; “ik heb dat eens overlegd.”—“Kapitein Gills, dat is heel vriendelijk van u,” hervatte Toots, “en ik ben u wel verplicht. Op mijn woord van eer, kapitein Gills, het zou eene weldaad voor mij zijn als ik het pleizier mocht hebben om kennis met u te houden. Dat zou het waarlijk.”—“Gij ziet wel, broeder,” zeide de kapitein langzaam redeneerend, “ik ken u niet.”—“Maar gij kunt mij nooit kennen, kapitein Gills,” antwoordde Toots, bij zijn a-propos blijvende, “als gij mij het pleizier niet geeft om kennis met u te mogen houden.”De kapitein scheen getroffen door het juiste en origineele dezer opmerking, en keek Toots aan alsof hij dacht dat er veel meer achter hem stak dan hij zich verbeeld had.“Wel gezegd, mijn jongen,” zeide de kapitein, peinzend knikkende, “en wel waar. Zie nu eens hier. Gij hebt mij het een en ander verteld waaruit ik opmaak dat gij bewondering gevoelt voor zeker lief schepseltje. He?”—“Kapitein Gills,”zeide Toots, geweldige gebaren makende met de hand waarin hij zijn hoed hield. “Bewondering is het rechte woord niet. Op mijn woord, gij hebt er geen begrip van wat mijn gevoel is. Als men mij kon zwart verven en tot jufvrouw Dombey’s slaaf maken, zou ik het voor een compliment houden. Als ik, met opoffering van al wat ik bezit, in jufvrouw Dombey’s hond kon herschapen worden, denk ik—denk ik waarlijk dat ik nooit zou ophouden met kwispelstaarten. Zoo volmaakt gelukkig zou ik zijn, kapitein Gills.”Toots zeide dit met waterige oogen, en drukte, met diepe aandoening, zijn hoed tegen zijne borst.“Mijn jongen,” antwoordde de kapitein, tot medelijden bewogen, “als gij dat waarlijk ernstig meent …”—“Kapitein Gills,” riep Toots uit, “ik meen het zoo schrikkelijk ernstig, en ik ben in zulk een gemoedstoestand, dat ik, als ik het op een gloeiend stuk ijzer, of op eene kool vuur, of op gesmolten lood, of brandend lak, of iets van dien aard, kon bezweren, waarlijk blij zou zijn als ik mij zeer deed, om mijn gevoel maar wat lucht te geven.” En Toots keek haastig in de kamer rond, als zocht hij naar het een of ander om zijn vreeselijk voornemen te volvoeren.De kapitein schoof zijn blinkenden hoed op zijn hoofd achterover, streek zijn gezicht met zijne zware hand,—daardoor zijn neus nog bonter makende—plantte zich vlak voor Toots, haakte hem bij den lappel van zijn jasje, en sprak hem met deze woorden toe, terwijl Toots hem zeer aandachtig en eenigszins verwonderd aanstaarde:“Als gij het ernstig meent, ziet gij, mijn jongen, zijt gij een voorwerp van menschlievendheid, en menschlievendheid is de schoonste parel in de kroon op het hoofd van een Brit, dat gij kunt nazien in de constitutie, zooals in Rule Britannia staat, en als gij dat vindt, dan hebt gij daar het charter, waarvan die beschermengelen zoo dikwijls zingen. Sta vast nu! Dat voorstel van u brengt mij een beetje overstuur. En waarom? Omdat ik, verstaat ge, hier in deze wateren maar alleen rondzwalk, en geen maat heb, en misschien daar ook niet naar wensch. Sta vast. Gij hebt mij eerst gepraaid om eene zekere jonge juffer, die u had uitgerust. Als gij en ik nu elkander gezelschap zullen houden, dan moet de naam van dat jonge schepseltje nooit genoemd of gerept worden. Ik weet niet wat voor kwaad er al gebeurd is door er voorheen al te vrij van te spreken, en daarbij houd ik het. Begrijpt ge mij zoo tamelijk, broeder?”—“Wel, gij moet het mij niet kwalijk nemen, kapitein Gills,” antwoordde Toots, “als ik u somtijds niet geheel kan volgen. Maar op mijn woord, ik—het is toch hard, kapitein Gills, niet van jufvrouw Dombey te mogen spreken. Ik heb waarlijk zulk eene vreeselijke zwaarte hier,” daarbij legde Toots weemoedig beide handen op zijne borst, “dat ik nacht en dag een gevoel heb, juist alsof er iemand op mij zat.”—“Dat zijn de bedingen, die ik aanbied.” zeide de kapitein. “Als gij ze te hard vindt, broeder, zooals ze misschien zijn, laat ze dan staan, en laten wij als goede vrienden scheiden.”—“Kapitein Gills,” antwoordde Toots, “ik weet haast niet hoe het is, maar na hetgeen gij mij gezegd hebt toen ik de eerste maal hier kwam, gevoel ik—dat ik liever in uw gezelschap aan jufvrouw Dombey wil denken, dan bij haast iemand anders van haar praten. Dus kapitein Gills, als ge mij het pleizier wilt doen van met u te mogen kennis houden, zal ik dat heel gaarne op uw eigene conditiën doen. Ik wil eerlijk zijn, kapitein Gills,” zeide Toots, zijne uitgestokene hand nog even terugtrekkende, “en daarom moet ik zeggen, dat iknietkan nalaten aan jufvrouw Dombey te denken. Het is mij onmogelijk te beloven, dat ik niet aan haar denken zal.”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein, wiens achting voor Toots door deze oprechte bekentenis zeer verhoogd werd, “iemands gedachten zijn evenals de wind, en niemand kan lang achtereen daarvoor instaan. Is het een accoord wat woorden betreft?”—“Wat woorden betreft, kapitein Gills,” antwoordde Toots, “denk ik dat ik mij wel kan verbinden.”Toen gaf Toots den kapitein zijne hand er op; en de kapitein gaf hem, met veel vertooning[272]van vriendelijke goedgunstigheid, uitdrukkelijk verlof om kennis met hem te mogen houden. Toots scheen zeer verheugd over dit geluk, en bleef, zoolang zijn bezoek nog duurde, vergenoegd zitten grinniken. De kapitein, van zijn kant, was niet slecht in zijn schik met zijne positie als begunstiger en beschermer, en buitengemeen weltevreden over zijne eigene voorzichtigheid en schranderheid.Doch hoe rijk kapitein Cuttle ook met deze hoedanigheden was bedeeld, hij kreeg denzelfden avond nog eene onverwachte verrassing, van geen minder oprecht en eenvoudig jongeling dan Rob den Slijper. Die argelooze knaap, die aan dezelfde tafel thee dronk en deemoedig over zijn kopje gebogen zat, ondertusschen met zijdelingsche blikken op zijn meester lettende, die met veel moeite, maar groote deftigheid, door zijn bril de courant las, verbrak de stilte door te zeggen:“Neem mij niet kwalijk, kapitein; maar gij zult misschien geen duiven noodig hebben, zult ge wel, mijnheer?”—“Neen, mijn jongen,” antwoordde de kapitein.—“Omdat ik de mijne maar wilde wegdoen, kapitein,” zeide Rob.—“Zoo, zoo?” zeide de kapitein, zijne ruige wenkbrauwen een weinig optrekkende.—“Ja; ik ga heen, kapitein,” zeide Rob.—“Heengaan? Waar gaat gij dan naar toe?” vroeg de kapitein, over zijn bril heen naar hem omkijkende.—“Wat? Wist gij dan niet dat ik van u vandaan zou gaan, kapitein?” zeide Rob, met een gluiperigen glimlach.De kapitein legde de courant neer, zette zijn bril af, en zag den deserteur strak aan.“Wel ja, kapitein, ik zou u waarschuwen. Ik dacht dat gij er misschien al te voren van geweten hadt,” zeide Rob, zijne handen wrijvende en opstaande. “Als ge zoo goed kondt zijn om u gauw van iemand anders te voorzien, kapitein, zou mij dat best gelegen komen. Ge zoudt dat niet tegen morgenochtend kunnen doen, vrees ik, kapitein; zoudt ge wel, denkt gij?”—“Zult gij dan van uwe vlag gaan deserteeren, jongetje?” zeide de kapitein, na hem lang in het gezicht te hebben gekeken.—“Het is toch wel hard voor een jongen, kapitein,” zeide de teerhartige Rob, gekrenkt en verontwaardigd te gelijk, “dat hij niet eens behoorlijk zijne huur kan opzeggen, of men moet hem zoo zuur aankijken en een deserteur noemen. Het staat u niet vrij om een armen jongen uit te schelden, kapitein. Omdat ik een knecht ben en gij een meester zijt, moogt ge mij toch geen kwaden naam geven. Wat voor kwaad heb ik gedaan? Kom aan, kapitein, zeg mij wat ik misdaan heb.”De diepgetroffen Slijper huilde, en duwde zijn mouwopslag tegen zijn oog.“Kom aan, kapitein,” riep de beleedigde jongeling uit, “laat hooren waaraan ik schuldig ben. Wat heb ik gedaan? Heb ik van het goed gestolen? Heb ik het huis in brand gestoken? Zoo ja, waarom laat ge mij dan niet pakken en voor het gerecht brengen? Maar een jongen zijn goeden naam te ontnemen, die een goede knecht voor u is geweest, omdat hij zich zelven niet in het licht wil staan voor uw profijt, wat voor kwaad is dat, en wat voor belooning voor trouwen dienst! Dat is immers om een jongen voor altijd te bederven en om hem op een slechten weg te brengen. Ik ben verbaasd over u, kapitein, dat ben ik.”Dit alles bracht de Slijper uit met een jankend gehuil, terwijl hij voorzichtig achteruit naar de deur week.“Dus hebt gij eene andere plaats, jongetje, niet waar?” zeide de kapitein, hem nog strak aanziende.—“Ja, kapitein, als gij daarop komt, ikhebeene andere plaats,” zeide Rob, al meer en meer achteruitgaande, “beter plaats dan ik hier heb, en waar ik niet eens uw goed woord noodig heb, dat gelukkig voor mij is, na al het vuil waarmee ge mij gegooid hebt, omdat ik arm ben en het mij niet schikt, mij zelven in het licht te staan voor uw profijt. Waarom verwijt gij het mij dat ik arm ben en mij zelven niet voor uw profijt in het licht wil staan, kapitein? Hoe kunt gij u zoo gemeen aanstellen?”—“Hoor eens hier, jongetje,” antwoordde de vreedzame kapitein. “Laat maar niet meer van die woorden los.”—“Wel, laat gij dan ook niet meer van uwe woorden los,” zeide de gegriefde Rob hierop, nog harder jankende en in den winkel afdeinzende. “Ik heb liever, dat gij mijn bloed neemt dan mijn goeden naam.”—“Omdat ge,” vervolgde de kapitein bedaard, “misschien wel eens van zoo iets als een eindje touw hebt gehoord.”—“Of ik—zoo?” riep de smalende Slijper uit. “Neen, kapitein. Van zulk een ding heb ik nooit gehoord.”—“Wel,” zeide de kapitein, “dan geloof ik dat gij er tamelijk gauw meer van zult weten, als ge niet voor u ziet. Ik kan uwe seinen wel onderscheiden, jongetje. Gij kunt gaan.”—“Zoo, mag ik dadelijk, kapitein?” riep Rob verheugd over dezen afloop. “Maar let er wel op, datikniet gevraagd heb om dadelijk te gaan, kapitein. Gij moet mij niet weer een slechten naam geven, omdat gij mij uit eigen verkiezing wegzendt. En gij moet niets van mijn loon inhouden, kapitein.”Zijn meester besliste dit laatste punt door het blikken busje te voorschijn te halen en des Slijpers volle geld op de tafel uit te tellen. Zuchtend en snikkend, en diep in zijn gevoel gekwetst, nam Rob de stukken een voor een op, met een zucht en een snik voor elk, en knoopte ze een voor een in zijn zakdoek; daarna klom hij naar het dak van het huis en vulde zijn hoed en zijne zakken met duiven; vervolgens kwam hij weder naar beneden, ging naar zijn bed[273]onder de toonbank en maakte zijn pakje, nog harder zuchtende en snikkende, alsof oude herinneringen hem het hart doorsneden; daarop jankte hij: “Goedennacht, kapitein. Ik ga zonder boosheid van u vandaan;” eindelijk naar buiten stappende, trok hij, als een afscheidsaffront, den houten adelborst bij den neus, en ging in grijnzenden triomf de straat af.Hij liep grinnikend heen om het stuk geld te wisselen, en verdobbelde het toen bij een taartjesman. (blz. 269).Hij liepgrinnikendheen om het stuk geld te wisselen, en verdobbelde het toen bij een taartjesman.(blz. 269).De kapitein, alleen gelaten, hervatte zijn onderzoek van het nieuws alsof er niets buitengewoons of onverwachts gebeurd was, en las met den grootsten ijver voort. Maar geen enkel woord verstond kapitein Cuttle, hoewel hij er een groot aantal las, want Rob de Slijper liep de geheele courant door langs de kolommen op en neer.Het is twijfelachtig of de brave kapitein zich ooit voor op dit oogenblik geheel verlaten had gevoeld; maar nu waren de oude Sam Gills, Walter en Hartediefje eerst waarlijk voor hem verloren, en nu eerst bedroog en smaadde Carker hem op het grievendst. Zij allen hadden een vertegenwoordiger in den valschen Rob, voor wien hij zoo dikwijls had uitgeweid over de herinneringen, die zijn binnenste verwarmden. Hij had in den valschen Rob geloofd en zich verheugd dat hij dit doen kon; hij had hem tot zijn gezelschap gemaakt als den laatsten[274]der bemanning van het oude schip; hij had met hem aan zijne rechterhand het kommando over den houten adelborst overgenomen, hij had zijn plicht jegens hem willen doen, en den jongen eene genegenheid toegedragen, bijna alsof zij te zamen schipbreuk hadden geleden en op eene onbewoonde plek waren aangespoeld. En nu de valsche Rob wantrouwen, verraad en laagheid in dat achterkamertje had gebracht, dat een soort van heiligdom was, was het kapitein Cuttle te moede, alsof het achterkamertje zelf nu ook wel had kunnen verzinken, zonder dat het hem veel verwonderde of speet.Daarom las kapitein Cuttle de courant met groote aandacht en zonder eenig begrip, en daarom zeide kapitein Cuttle niets hoegenaamd over Rob tot zich zelven, of wilde hij zich zelven bekennen, dat hij aan hem dacht, of dat Rob er iets mee te maken had dat hij zich zoo eenzaam gevoelde als Robinson Crusoe.Op dezelfde bedaarde en onverschillige manier stapte de kapitein in het donker naarLeadenhallMarketen maakte daar schikking met een waker, die de wacht had, om elken ochtend en avond de luiken van den houten adelborst te komen afnemen en opzetten. Toen ging hij in het eethuis aan, om het dagelijksch rantsoen, tot nog toe aan den houten adelborst geleverd, tot de helft te verminderen, en in de herberg, om het bier van den verrader af te zeggen. “Mijn jongen,” zeide de kapitein ter verklaring aan het juffertje in het buffet, “mijn jongen heeft eene betere plaats gezocht, jufvrouw.” Eindelijk besloot de kapitein om het bed onder de toonbank in bezit te nemen, en daar des nachts te slapen in plaats van boven, als eenig bewaker van het goed.Uit dit bed stond de kapitein voortaan elken morgen om zes uur op en duwde zijn harden hoed op het hoofd, met het eenzame uitzicht van Crusoe, die zijne muts van geitenvel opzet; en hoewel zijne vrees voor een bezoek van den wilden stam der MacStinger’s eenigszins was bekoeld, gelijk eene dergelijke vrees bij den eenzamen schipbreukeling placht te bekoelen als er een lange tijd verliep zonder dat hij iets van de kannibalen bespeurde, bleef hij nog zijn geregeld verdedigingsstelsel in acht nemen, en waagde hij zich nooit in de nabijheid van een vrouwenhoed, zonder dien vooraf uit zijn kasteel te hebben waargenomen. Ondertusschen begon (daar hij in langen tijd geen bezoek van Toots kreeg, die hem schreef dat hij uit de stad was) zijne eigene stem een vreemden klank in zijne ooren te krijgen, en nam hij zoodanig de gewoonte aan om te zitten peinzen, dat de roode rand, door zijn harden blinkenden hoed op zijn voorhoofd veroorzaakt, somtijds zeer deed van het ingespannen nadenken.Daar het jaar nu om was, achtte kapitein Cuttle het raadzaam, het pakje te openen; maar dewijl hij altijd voornemens was geweest dit in tegenwoordigheid van Rob den Slijper te doen, die het hem gebracht had, en hij zich verbeeldde dat het behoorlijk was dit in iemands tegenwoordigheid te verrichten, was hij erg om een getuige verlegen. In deze verlegenheid, was het met buitengewone blijdschap dat hij eens onder de scheepsberichten de tijding vond, dat de Voorzichtige Clara, kapitein John Bunsby, weder van eene kustvaart was teruggekomen; en dadelijk zond hij dezen philosoof over de post een brief, waarin hij het diepste stilzwijgen ten aanzien van zijne woning aanbeval, en verzocht om eens in den avond met een bezoek te worden begunstigd.Bunsby, een van de wijzen, die niet dan met volle overtuiging willen handelen, had eenige dagen noodig om zich ten volle van de overtuiging te doordringen dat hij zulk een brief had ontvangen. Toen het hem echter gelukt was zich dat denkbeeld geheel eigen te maken, zond hij spoedig een jongen met de boodschap: “Hij komt van avond.” Deze knaap was belast om deze woorden uit te spreken en dan weder te verdwijnen, en vervulde ook zijne zending gelijk een beteerd spook, met eene geheimzinnige waarschuwing belast.De kapitein, zeer daarmede in zijn schik, maakte toebereidselen van pijpen, rum en water, en verwachtte het bezoek in het achterkamertje. Tegen acht uur begreep de luisterende kapitein uit een dof geloei voor de deur, als ware het van een zeestier, gevolgd door het kloppen met een stok op het paneel, dat Bunsby voor de haven was; en zoodra de deur geopend was, trad deze binnen, ruig en slordig, en met zijn strak mahoniehouten gezicht, dat gelijk gewoonlijk, geene bewustheid scheen te hebben van iets dat het voor zich had, maar oplettend naar iets te turen dat in eene geheel andere wereldstreek voorviel.“Bunsby,” zeide de kapitein, hem bij de hand vattende, “hoe gaat het, mijn jongen, hoe gaat het?”—“Scheepskameraad,” antwoordde de stem in het binnenste van Bunsby, zonder dat die kommandant zelf iets daarvan scheen te weten, “hartig, hartig!”—“Bunsby,” zeide de kapitein, met onwillekeurig betoon van hulde aan zijn genie, “daar zijt ge weer hier! Een man die een gevoelen kan geven dat helderder is dan diamant, en een man die hier in de kamer al eens een gevoelen heeft gegeven, dat letterlijk is uitgekomen;” hetgeen de kapitein oprecht geloofde.—“Ja, ja!” bromde Bunsby.—“Letterlijk!” zeide de kapitein.—“Want waarom?” bromde Bunsby, zijn vriend nu voor de eerste maal aanziende. “Hoe dat? Zoo ja, waarom niet? Dus!” Met deze orakelachtige woorden—die den kapitein bijna duizelig schenen te doen worden, zooveel vermoedens en twijfelingen gaven zij hem aan de hand[275]—liet de wijze zich zijne ruige jas uittrekken, en vergezelde zijn vriend naar het achterkamertje, waar zijne hand dadelijk op de rumflesch neerkwam, waaruit hij een stevig glas grog gereedmaakte; en kort daarna op eene pijp, die hij stopte en aanstak.Kapitein Cuttle, in beide opzichten zijn vriend navolgende, schoon de strakke verstrooidheid van Bunsby ver boven zijn vermogen was, zat aan het andere hoekje van den haard eerbiedig naar hem te kijken, alsof hij wachtte dat Bunsby eenig blijk van nieuwsgierigheid zou geven of hem aanmoedigen om ter zake te komen. Daar de mahoniehouten philosoof echter geen blijk gaf van iets bewust te zijn, behalve van warmte en tabaksrook, met eene uitzondering, toen hij, zijne pijp uit zijn mond nemende, om plaats voor zijn glas te maken, met eene zeer grove stem aanmerkte, dat zijn naam Jack Bunsby was—een gezegde dat niet veel gelegenheid gaf om een gesprek aan te knoopen—verzocht de kapitein hem in eene korte, maar vleiende voorafspraak om zijne aandacht, verhaalde daarna de geheele geschiedenis van oom Sam’s verdwijnen, met de verandering daardoor in zijn eigen levenslot teweeggebracht, en besloot met het pakje op de tafel te leggen.Na eene lange pauze knikte Bunsby met zijn hoofd.“Opendoen?” zeide de kapitein.Bunsby knikte nog eens.De kapitein brak dus het zegel los, en bracht aldus twee toegevouwen papieren te voorschijn, waarvan hij een voor een de opschriften las: “Laatste Wil en Testament van Samuel Gills.” “Brief aan Ned Cuttle.”Bunsby scheen, met zijn oog op de kust vanGroenland, naar den inhoud te luisteren. De kapitein schraapte dus zijne keel en las den brief voor.““Mijn waarde Ned Cuttle. Toen ik naarWest-Indiëwilde vertrekken.…””Hier hield de kapitein op en keek Bunsby strak aan, die even strak naar de kust vanGroenlandkeek.““Om hopeloos tijding van mijn lieven jongen te zoeken, wist ik wel dat gij, als gij met mijn plan bekend waart, mij zoudt willen tegenhouden, of met mij medegaan; en daarom hield ik het geheim. Als gij ooit dezen brief leest, Ned, zal ik waarschijnlijk wel dood wezen. Gij zult dan gemakkelijk de dwaasheid van een oud vriend vergeven, en medelijden hebben met de onrustigheid en onzekerheid, die hem dreven om op zulk eene reis uit te gaan. Dus niet meer daarvan. Ik heb weinig hoop dat mijn arme jongen ooit deze woorden zal lezen, of uwe oogen ooit meer met zijn openhartig gezicht verheugen.””—“Neen, neen; nooit meer,” zeide kapitein Cuttle, treurig peinzende.Een oogenblik later las hij voort: “Maar als hij er bij mocht wezen wanneer deze brief gelezen wordt:” de kapitein zag onwillekeurig rond en schudde zijn hoofd, “of er op een anderen tijd van mocht vernemen,” de kapitein schudde weder zijn hoofd; “dan geef ik hem mijn zegen. In geval het hierbijgevoegde papier niet volgens de wet is geschreven, komt het er zeer weinig op aan, want het is voor niemand van eenig belang dan voor u en voor hem, en mijn verlangen is eenvoudig dat hij, als hij nog leeft, het weinige zal hebben dat ik bezit, en dat, als het anders is, (gelijk ik vrees) gij het dan hebben zult, Ned. Gij zult mijn wensch eerbiedigen, dat weet ik. God zegen u daarvoor, en voor alle uwe vriendschap bovendien voor Samuel Gills.”“Bunsby,” zeide de kapitein, hem plechtig aansprekende, “wat maakt gij nu daarvan? Daar zit gij, een man die van kindsbeen af zijn hoofd aan stuk heeft gevallen, en er door elke nieuwe barst nieuw verstand in heeft gekregen. Wat maakt gij nu hiervan?”—“Als het gebeurt,” antwoordde Bunsby met buitengewonen spoed, “dat hij dood is, dan is het mijn gevoelen dat hij niet weerom zal komen. Als het gebeurt dat hij nog leeft, dan is het mijn gevoelen dat hij het wel zal doen. Zeg ik dat hij zal? Neen. Waarom niet? Omdat de ondervinding het zal leeren.”—“Bunsby,” zeide kapitein Cuttle, die de uitspraken van zijn vriend des te hooger scheen te achten, naarmate hij het moeielijker vond om er iets van te begrijpen; “Bunsby,” zeide de kapitein met opgetogene bewondering, “gij voert met gemak eene vracht van verstand, waarmee iemand van mijne maat gauw zou verzinken. Maar wat dit testament betreft, ik ben niet voornemens iets met het goed te doen—God bewaar mij—behalve om het voor een meer rechtmatigen eigenaar te bewaren; en ik hoop dat de rechtmatige eigenaar, Sam Gills, nog leeft en nog weerom zal komen, al is het vreemd dat hij geene rapporten heeft gezonden. Wat is nu uw gevoelen er van, Bunsby, om deze papieren weer weg te stouwen en er buitenop te merken, dat zij op dien en dien dag in tegenwoordigheid van John Bunsby en Edward Cuttle zijn geopend?”Daar Bunsby op de kust vanGroenlandof elders geen bezwaar tegen dit voorstel zag, werd het ten uitvoer gebracht; en de groote man, zijn oog daartoe even vanGroenlandterugroepende, zette zijne handteekening op den omslag, waarbij hij zich, met eigenaardige zedigheid, geheel van het gebruik van kapitale letters onthield. Nadat kapitein Cuttle ook zijne linksche handteekening er op had gezet en het pakje in de ijzeren kist gesloten, verzocht hij zijn gast om zich nog een glas klaar te maken en nog eene pijp te rooken; en insgelijks hetzelfde doende, geraakte hij bij het vuur over[276]het mogelijke lot des ouden instrumentmakers aan het peinzen.En nu had er eene verrassing plaats van zoo geduchten aard, dat kapitein Cuttle, indien de tegenwoordigheid van Bunsby hem niet had ondersteund, er geheel onder had moeten bezwijken, en van dat noodlottig uur af een verloren man zou zijn geweest.Hoe de kapitein, zelfs in zijne blijdschap over het ontvangen van zulk een gast, de deur slechts had kunnen toestooten, in plaats van ze te sluiten, aan welk verzuim hij zich inderdaad had schuldig gemaakt, is een van die vragen, die voor altijd punten van bespiegeling moeten blijven, indien men ze niet in beschuldigingen tegen het noodlot wil veranderen. Maar door die ongeslotene deur kwam op dat stille oogenblik de geduchte jufvrouw MacStinger binnenstuiven, met Alexander MacStinger in hare moederlijke armen, en straf en wraak (om niet van Juliana MacStinger en haar broertje Charles, op zijne jeugdige speelplaatsen algemeen als Chowley bekend, te spreken) in haar gevolg. Zij kwam zoo snel en stil, alsof de wind haar uit de buurt der Oost-Indische dokken had overgewaaid, dat kapitein Cuttle haar werkelijk reeds een poosje had aangekeken, eer het kalme gelaat, waarmede hij had zitten peinzen, in een gezicht vol schrik en ontzetting veranderde.Maar zoodra kapitein Cuttle de volle uitgestrektheid van zijn ongeluk begreep, deed de zucht tot zelfbehoud hem eene poging aanwenden om te vluchten. Naar het deurtje snellende, dat uit het achterkamertje naar het steile keldertrapje voerde, schoot hij met het hoofd vooruit daarbinnen, als een man, die onverschillig voor builen en kneuzingen, zich slechts in de ingewanden der aarde zoekt te verbergen. Zijn dapper voornemen zou hem waarschijnlijk gelukt zijn, zonder de hartelijkheid van Juliana en Chowley, die hem bij de beenen grepen—een van deze lieve kinderen aan ieder been—en hem met een jammerlijk geschreeuw als een wedergevonden vriend begroetten. Ondertusschen had jufvrouw MacStinger, die nooit iets van aanbelang begon zonder eerst haar zoontje Alexander ten onderste boven te keeren, om hem onder het bereik eener batterij van vlugge klappen te brengen, en hem dan neer te zetten om af te koelen, gelijk de lezer hem eens gezien heeft, deze plechtigheid verricht, welke bij deze gelegenheid eene offerande aan de Furiën scheen te zijn; en nadat zij het slachtoffer op den grond had geplaatst, kwam zij op den kapitein af met een gezicht hetwelk Bunsby, die tusschen beiden kwam, met krabben scheen te bedreigen.Het geschreeuw der twee oudste MacStinger’s en het gehuil van den jeugdigen Alexander maakten dit tooneel nog geduchter; maar eerst toen er weder stilte heerschte, en de kapitein, geweldig zweetende, jufvrouw MacStinger bedeesd stond aan te zien, steeg het ontzettende daarvan ten top.“O, kapitein Cuttle, kapitein Cuttle!” zeide jufvrouw MacStinger, iets tegen hem schuddende, dat men, als hare sekse niet zoo teer was, hare vuist zou kunnen noemen. “O, kapitein Cuttle, kapitein Cuttle, durft ge mij in het gezicht zien, zonder dat ge door den grond zinkt!”De kapitein, die er alles behalve manhaftig uitzag, mompelde flauw: “Sta vast!”—“O, ik was wel eene teerhartige zottin, toen ik u onder mijn dak nam, kapitein Cuttle, dat was ik,” riep jufvrouw MacStinger. “Als ik aan de weldaden denk waarmede ik dien man heb overhoopt, en de manier zooals ik mijne kinderen leerde om hem lief te hebben en te eeren alsof hij een vader voor hen was, al was er geen huishoudster, ja zelfs geen commensaal in de straat, of men wist dat ik geld op dien man toelegde met zijn slobberen en flobberen.” Jufvrouw MacStinger gebruikte het laatste woord om het rijm en tot versterking van den nadruk, niet zoozeer om een bepaald denkbeeld aan te duiden; “en al sprak men er schande van dat hij zoo leefde met eene brave vrouw, vroeg en laat op om voor haar huishouden wat te verdienen, en die haar huis zoo zindelijk houdt, dat iemand van den vloer of van de trap zou kunnen eten, ja zelfs theedrinken als hij wilde, in spijt van al zijn slobberen en flobberen, zooveel moeite gaf ik mij om hem.”Zij hield even op om eens adem te halen, en triomfeerde er in dat zij des kapiteins flobberen nog eens zoo gelukkig had te pas gebracht.“En hij loopt vo-o-ort!” riep jufvrouw MacStinger, met een uithaal van het laatste woord, die den ongelukkigen kapitein zich zelven voor den laagsten aller stervelingen deed houden, “enhoudtzich een jaar lang schuil! Voor eene vrouw! Dat doet zijn geweten. Hij durft haar niet onder de oogen komen, maar kruipt weg als een deserteur. Wel, als dat kleine kind van mij,” zeide jufvrouw MacStinger, zeer snel sprekende, “zoo wilde wegkruipen, zou ik als moeder mijn plicht aan hem doen, tot hij bont en blauw was.”De jeugdige Alexander, die dit als eene stellige belofte opnam, tuimelde van schrik omver, bleef met de schoenzooltjes omhoog op den vloer liggen en hief zulk een verdoovend geschreeuw aan, dat jufvrouw MacStinger het noodig vond hem op haar arm te nemen, en hem nu en dan, als hij weder uitbarstte, te stillen, door hem te schudden op eene manier, die zijne tandjes scheen te moeten losmaken.“Een aardig soort van een man is kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, “om zich zoo aan te trekken, dat men er niet van slapen kan, en er van flauw valt, en hem voor dood houdt, en de heele stad op en neer loopt,[277]alsof men gek was, om naar hem te vragen! Een aardig soort van man, ha, ha, ha! Hij is wel zooveel angst en moeite waard, en nog meer. Och Heere, dat is niemendal. Ha, ha, ha! Kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, met eene stem vol barsche strengheid, “ik wensch te weten, of gij nu naar huis komt.”De verschrikte kapitein keek in zijn hoed, alsof hij er niets meer op zag dan dien op te zetten en zich over te geven.“Kapitein Cuttle,” herhaalde jufvrouw MacStinger op denzelfden vasten toon, “ik wensch te weten of gij nu naar huis komt, mijnheer.”De kapitein scheen volkomen bereid om mede te gaan, maar mompelde flauw iets van “zooveel leven niet te maken.”—“Ja, ja, ja,” zeide nu Bunsby op een bedaarden toon. “Zachtjes aan, vrouwtje, zachtjes aan!”—“En wie zoudtgijwel wezen, als je belieft!” zeide jufvrouw MacStinger zeer preutsch en statig. “Hebt gij in nommer negen opBrig Placegewoond, mijnheer? Mijn geheugen mag slecht wezen, maar ik geloof toch bij mij niet. Zekere jufvrouw Jollson heeft voor mij in nommer negen gewoond, en misschien ziet ge mij voor haar aan. Dit is de eenige manier waarop ik uwe familiariteit kan verklaren, mijnheer.”—“Kom, kom; zachtjes aan.”Kapitein Cuttle kon het nauwelijks gelooven, zelfs van dezen grooten man, hoewel hij het met zijne eigene oogen zag; maar Bunsby, stoutmoedig nader komende, sloeg zijn ruigen blauwen arm om jufvrouw MacStinger heen, en vermurwde haar, door de tooverachtige manier waarop hij dit deed, en die weinig woorden sprak—hij zeide niets meer—zoodanig, dat zij, na hem even te hebben aangezien, in tranen wegsmolt, en zeide dat een kind haar nu aankon, zoo had zij haar moed verloren.Sprakeloos van verbazing zag de kapitein hem die onverbiddelijke vrouw naar den winkel brengen, terugkomen om rum, water en eene kaars te halen, en haar geheel bevredigen, zonder naar het scheen een woord te spreken. Weldra kwam hij nog eens binnenkijken met zijne jas aan en zeide: “Cuttle, ik ga ze als convooi naar huis brengen”; en met meer verslagenheid, dan wanneer hij zelf in de boeien was gezet om hem veilig naarBrig Placete vervoeren, zag de kapitein de familie vreedzaam aftrekken, met jufvrouw MacStinger aan het hoofd. Hij had nauwelijks tijd om het blikken busje te krijgen, en Juliana, zijne vorige lieveling, en Chowley tersluiks eenig geld in de hand te stoppen, of de houten adelborst werd door allen verlaten, en Bunsby, fluisterende dat hij Ned Cuttle nog eens zou praaien eer hij weder naar boord ging, trok de deur achter zich toe.Een onrustige twijfel dat hij gedroomd moest hebben of schimmen had gezien, en geene familie van vleesch en bloed, kwelde den kapitein in het eerst toen hij weder naar het achterkamertje ging en zich daar alleen bevond. Daarop volgde een toestand van verrukking, vol onbeperkt geloof aan en onmetelijkebewonderingvoor den gezagvoerder der Voorzichtige Clara.Toen echter de tijd verliep en Bunsby niet terugkwam, begon de kapitein onaangename twijfelingen van een anderen aard te ontwaren. Of Bunsby arglistig naarBrig Placewas gelokt en daar in hechtenis werd gehouden als gijzelaar voor zijn vriend; in welk geval het den kapitein als man van eer zou voegen hem te verlossen door het opofferen van zijne eigene vrijheid. Of hij door jufvrouw MacStinger aangevallen en overwonnen was, en zich schaamde om zich na zijne nederlaag te vertoonen. Of jufvrouw MacStinger, zich in de ongestadigheid van haar humeur bedenkende, was teruggekeerd om den houten adelborst nog eens aan boord te klampen, en Bunsby veinzende haar een korter weg te willen brengen, de familie in de woestenijen der stad poogde te doen verdwalen. Vooral wat hem, kapitein Cuttle, wel zou voegen, in geval hij nooit meer iets van de MacStinger’s of van Bunsby hoorde, hetgeen, met al die verwonderlijke en onverwachte gebeurtenissen, mogelijk ook wel gebeuren kon.Hij overlegde dat alles met zich zelven tot hij er moe van werd; en nog kwam er geen Bunsby. Hij maakte zijn bed onder de toonbank op, gereed om er in te kruipen; en nog geen Bunsby. Eindelijk, toen de kapitein hem voor dien avond ten minste had opgegeven en zich had beginnen te ontkleeden, hoorde hij het gerucht van naderende wielen, die voor de deur stilhielden en daarop volgde Bunsby’s aanroep.De kapitein beefde bij de gedachte dat hij jufvrouw MacStinger niet had kunnen kwijtraken en in die koets terugbracht.Maar neen. Bunsby had niets anders bij zich dan een grooten koffer, dien hij met eigene handen binnensleepte, en waarop hij, zoodra hij dien had binnengesleept, ging zitten. Kapitein Cuttle herkende daarin den koffer dien hij bij jufvrouw MacStinger aan huis had gelaten, en toen hij, met de kaars in de hand, Bunsby meer oplettend bekeek, meende hij dat deze een nat zeil had, of ronduit gezegd, dronken was. Het was echter moeielijk hiervan zeker te zijn, daar de kommandant, wanneer hij nuchter was, toch geen het minste spoor van uitdrukking in zijn gezicht had.“Cuttle,” zeide Bunsby, van den koffer opstaande en het deksel openende, “is dat uwe plunje?”Kapitein Cuttle keek in den koffer en herkende zijn eigendom.“Tamelijk knap geklaard, niet waar, scheepskameraad?” zeide Bunsby.[278]De dankbare en verbijsterde kapitein vatte hem bij de hand en wilde zijn gevoel in een opgetogen antwoord lucht geven, toen Bunsby zich met een ruk losmaakte en eene poging scheen te doen om met zijn draaiend oog te lonken, waarvan het eenige gevolg, in zijn toestand, was dat hij zijne balans kwijtraakte en bijna omver tuimelde. Toen deed hij onverwacht de deur open en streek heen om met allen spoed de voorzichtige Clara weder op te zoeken—hetgeen men voor zijne vaste gewoonte hield, wanneer hij begreep dat hij bijzonder had uitgemunt.Daar het hem niet beviel als men hem te dikwijls opzocht, besloot kapitein Cuttle niet naar hem toe te gaan of iemand naar hem te zenden, voordat hij zijn genadig welgevallen in dit opzicht had laten weten, of er ten minste eenige tijd verloopen was. De kapitein hervatte dus den volgenden morgen zijn eenzaam leven, en dacht vele ochtenden, middagen en avonden diepzinnig na over Sam Gills en de hoop op zijne terugkomst. Dit vele denken versterkte hem in die hoop; en hij vermaakte zich dikwijls met naar den instrumentmaker aan de deur te staan wachten—gelijk hij nu, in zijne zonderlinge vrijheid durfde doen—en zijn stoel op de gewone plaats te zetten, en alles in het achterkamertje te schikken gelijk het placht te zijn, ingeval hij onverwacht thuis mocht komen. Hij was ook behoedzaam genoeg om zeker miniatuurtje van Walter als een schoolknaap van den gewonen spijker te nemen, opdat het den ouden man bij zijne terugkomst niet zou schokken. De kapitein had somtijds ook een voorgevoel dat hij op dien of dien dag zou komen; en op zekeren zondag bestelde hij zelfs eene dubbele portie eten, zoo vast rekende hij er op. Maar de oude Samuel kwam toch niet; en de buren raakten er aan gewoon dat de varensman met den blinkenden hoed des avonds aan de deur stond en de straat op- en afkeek.
XXXIX.VERDERE AVONTUREN VAN DEN ZEEKAPITEIN EDWARD CUTTLE.
De tijd, vast van voet en krachtig van wil, had zich zoo gerept, dat het jaar, hetwelk de oude instrumentmaker had bepaald als de tijd hoelang zijn vriend moest wachten om het verzegelde pakje te openen, dat hij bij zijn brief had achtergelaten, nu bijna verloopen was, en kapitein Cuttle het op een avond met eene mengeling van nieuwsgierigheid en ongerustheid zat te bekijken.De kapitein zou er, als man van eer, even weinig aan gedacht hebben om het pakje een uur voor den afloop van den voorgeschreven tijd te openen, als om zich zelven te openen ten einde zich van binnen te bekijken. Hij haalde het slechts, als hij zijne eerste avondpijp rookte, te voorschijn, legde het op de tafel, en zat het dan twee of drie uren achtereen met stillen ernst van buiten aan te staren. Somtijds, als hij het aldus een tamelijk langen tijd had beschouwd,[270]schoof de kapitein zijn stoel langzamerhand al verder en verder achteruit, als ware het om buiten den kring der toovermacht te komen; maar als dit zijn oogmerk was, gelukte het hem toch nooit; want zelfs als hij tegen den muur van het kamertje gekomen was, bleef het pakje hem toch aantrekken, of als zijne oogen, peinzend zwervende, naar den zolder of het vuur dwaalden, ging het beeld van het pakje dadelijk mede en posteerde zich tusschen de kolen of tegen de witkalk aan.Wat zijn Hartediefje betrof, kende des kapiteins vaderlijke genegenheid en opgetogenheid geene verandering. Maar sedert zijn laatste gesprek met Carker, was kapitein Cuttle begonnen te twijfelen, of zijne vroegere tusschenkomst ten behoeve van die jonge dame en Walter, zijn lieven jongen, wel zoo voordeelig was geweest als hij had kunnen wenschen en toen ter tijd had geloofd. De kapitein was, kortom, ernstig bekommerd dat hij meer kwaad dan goed had gedaan; en in zijne wroeging en bescheidenheid deed hij de beste boete die hij kon doen, door zich overal vandaan te houden, waar hij iemand nog meer kwaad zou kunnen doen, en zich, als het ware, als een ongeluksvogel overboord te werpen.Zoo door zijn eigen vonnis tusschen instrumenten begraven, kwam de kapitein nooit meer in de nabijheid van Dombey’s huis, en liet hij Florence en Suze Nipper niets meer van zich zien of hooren. Hij brak zelfs de kennis met Perch af, toen deze hem eene volgende maal kwam bezoeken, door dien heer droogjes te onderrichten, dat hij hem voor zijn gezelschap dankbaar was, maar zich voortaan van al zulken omgang wilde af houden, daar hij niet wist welk kruitmagazijn hij, zonder het te willen, in de lucht kon doen vliegen. In deze hem door zich zelven opgelegde afzondering sleet de kapitein geheele dagen en weken zonder een enkel woord met iemand te wisselen behalve met Rob den Slijper, wien hij voor een model van belangelooze verkleefdheid en trouw hield. In deze afzondering zat de kapitein des avonds het pakje aan te staren en al rookende aan Florence en den armen Walter te denken, tot zij voor zijne eenvoudige verbeelding beide dood schenen en nu in eeuwige jeugd de schoone onschuldige kinderen zijner eerste herinnering bleven.De kapitein verzuimde echter door dit gepeins zijne eigene stichting en de verstandsbeschaving van Rob den Slijper niet. Gewoonlijk moest deze jongeling den kapitein elken avond een uur uit een boek voorlezen; en daar de kapitein blindelings geloofde dat in alle boeken niets anders dan waarheid stond, zamelde hij aldus vele merkwaardige feiten op. Op zondagavond las de kapitein altijd voor zich zelven, eer hij naar bed ging, zekere Goddelijke Rede, die eens op een berg werd uitgesproken; en hoewel hij gewoon was den tekst, zonder boek, op zijne eigenaardige manier aan te halen, scheen hij toch met een even eerbiedig gevoel van den hemelschen geest daarin te lezen, alsof hij dien in het Grieksch van buiten kende en in staat was om over ieder vers een aantal scherpe theologische twistschriften te schrijven.Rob de Slijper, wiens eerbied voor de Heilige Schriften, onder het bewonderenswaardig stelsel der Slijpersschool, ontwikkeld was door hem aanhoudend over al de eigennamen in de geslachtregisters van Israël te laten struikelen en bij wijze van straf moeielijke verzen te laten opzeggen, alsmede door hem op zesjarigen ouderdom met zijne lederen broek, driemaal op een zondag, in parade heel ver naar eene heel warme kerk te laten trekken, waar een groot orgel hem door zijn slaperig hoofd bromde, gelijk eene reusachtige nijvere bij—Rob de Slijper hield zich alsof hij machtig gesticht was wanneer de kapitein met lezen ophield, en zat doorgaans te geeuwen en te knikkebollen zoolang het lezen duurde; welke laatste omstandigheid nooit door den kapitein werd vermoed.Kapitein Cuttle ging ook, als man van zaken, aan het boekhouden. In zijne boeken schreef hij observatiën over het weder, en over den stroom van wagens en andere rijtuigen, dien hij opmerkte dat in die streek des morgens en gedurende het grootste gedeelte van den dag westwaarts en des avonds oostwaarts liep. Daar zich in eene week twee of drie “kruisers” vertoonden, die hem “praaiden”—zoo werd het door den kapitein geboekt—over een bril, en, zonder eigenlijk te koopen, zeiden dat zij nog wel eens zouden aankomen, begreep de kapitein dat de zaken beter begonnen te gaan, en noteerde dit ook in zijn dagboek; de wind toen (hetgeen hij eerst aanteekende) tamelijk frisch waaiende, west ten noorden, daar hij in den nacht veranderd was.Een der voornaamste bezwaren des kapiteins was Toots, die dikwijls aankwam, en, zonder veel te zeggen, in het denkbeeld scheen te verkeeren dat het achterkamertje een zeer geschikt vertrekje was om in te zittengrinniken, dewijl hij het daartoe bij het halve uur achtereen kwam gebruiken, zonder daarom met den kapitein op vertrouwelijker voet te komen. De kapitein, door zijne jongste ondervinding voorzichtig geworden, kon het maar niet met zich zelven eens worden of Toots inderdaad de onnoozele bloed was dien hij scheen te zijn, dan wel een listige veinsaard en huichelaar. Zijne herhaalde toespelingen op jufvrouw Dombey waren verdacht; maar de kapitein gevoelde zich heimelijk ingenomen door de vertrouwelijkheid die Toots hem scheen te bewijzen, en wilde dus vooreerst nog niet ongunstig over hem oordeelen. Hij zag hem slechts, als hij het onderwerp[271]naderde dat hen het naast aan het hart lag, met onbeschrijfelijke schranderheid aan.“Kapitein Gills,” flapte Toots eens geheel onverwacht uit, gelijk zijne manier was, “denkt gij dat gij gunstig zoudt kunnen denken over dat voorstel van mij, en mij het pleizier geven om kennis met u te mogen houden?”—“Wel, ik zal u zeggen hoe het is, mijn jongen,” zeide de kapitein; “ik heb dat eens overlegd.”—“Kapitein Gills, dat is heel vriendelijk van u,” hervatte Toots, “en ik ben u wel verplicht. Op mijn woord van eer, kapitein Gills, het zou eene weldaad voor mij zijn als ik het pleizier mocht hebben om kennis met u te houden. Dat zou het waarlijk.”—“Gij ziet wel, broeder,” zeide de kapitein langzaam redeneerend, “ik ken u niet.”—“Maar gij kunt mij nooit kennen, kapitein Gills,” antwoordde Toots, bij zijn a-propos blijvende, “als gij mij het pleizier niet geeft om kennis met u te mogen houden.”De kapitein scheen getroffen door het juiste en origineele dezer opmerking, en keek Toots aan alsof hij dacht dat er veel meer achter hem stak dan hij zich verbeeld had.“Wel gezegd, mijn jongen,” zeide de kapitein, peinzend knikkende, “en wel waar. Zie nu eens hier. Gij hebt mij het een en ander verteld waaruit ik opmaak dat gij bewondering gevoelt voor zeker lief schepseltje. He?”—“Kapitein Gills,”zeide Toots, geweldige gebaren makende met de hand waarin hij zijn hoed hield. “Bewondering is het rechte woord niet. Op mijn woord, gij hebt er geen begrip van wat mijn gevoel is. Als men mij kon zwart verven en tot jufvrouw Dombey’s slaaf maken, zou ik het voor een compliment houden. Als ik, met opoffering van al wat ik bezit, in jufvrouw Dombey’s hond kon herschapen worden, denk ik—denk ik waarlijk dat ik nooit zou ophouden met kwispelstaarten. Zoo volmaakt gelukkig zou ik zijn, kapitein Gills.”Toots zeide dit met waterige oogen, en drukte, met diepe aandoening, zijn hoed tegen zijne borst.“Mijn jongen,” antwoordde de kapitein, tot medelijden bewogen, “als gij dat waarlijk ernstig meent …”—“Kapitein Gills,” riep Toots uit, “ik meen het zoo schrikkelijk ernstig, en ik ben in zulk een gemoedstoestand, dat ik, als ik het op een gloeiend stuk ijzer, of op eene kool vuur, of op gesmolten lood, of brandend lak, of iets van dien aard, kon bezweren, waarlijk blij zou zijn als ik mij zeer deed, om mijn gevoel maar wat lucht te geven.” En Toots keek haastig in de kamer rond, als zocht hij naar het een of ander om zijn vreeselijk voornemen te volvoeren.De kapitein schoof zijn blinkenden hoed op zijn hoofd achterover, streek zijn gezicht met zijne zware hand,—daardoor zijn neus nog bonter makende—plantte zich vlak voor Toots, haakte hem bij den lappel van zijn jasje, en sprak hem met deze woorden toe, terwijl Toots hem zeer aandachtig en eenigszins verwonderd aanstaarde:“Als gij het ernstig meent, ziet gij, mijn jongen, zijt gij een voorwerp van menschlievendheid, en menschlievendheid is de schoonste parel in de kroon op het hoofd van een Brit, dat gij kunt nazien in de constitutie, zooals in Rule Britannia staat, en als gij dat vindt, dan hebt gij daar het charter, waarvan die beschermengelen zoo dikwijls zingen. Sta vast nu! Dat voorstel van u brengt mij een beetje overstuur. En waarom? Omdat ik, verstaat ge, hier in deze wateren maar alleen rondzwalk, en geen maat heb, en misschien daar ook niet naar wensch. Sta vast. Gij hebt mij eerst gepraaid om eene zekere jonge juffer, die u had uitgerust. Als gij en ik nu elkander gezelschap zullen houden, dan moet de naam van dat jonge schepseltje nooit genoemd of gerept worden. Ik weet niet wat voor kwaad er al gebeurd is door er voorheen al te vrij van te spreken, en daarbij houd ik het. Begrijpt ge mij zoo tamelijk, broeder?”—“Wel, gij moet het mij niet kwalijk nemen, kapitein Gills,” antwoordde Toots, “als ik u somtijds niet geheel kan volgen. Maar op mijn woord, ik—het is toch hard, kapitein Gills, niet van jufvrouw Dombey te mogen spreken. Ik heb waarlijk zulk eene vreeselijke zwaarte hier,” daarbij legde Toots weemoedig beide handen op zijne borst, “dat ik nacht en dag een gevoel heb, juist alsof er iemand op mij zat.”—“Dat zijn de bedingen, die ik aanbied.” zeide de kapitein. “Als gij ze te hard vindt, broeder, zooals ze misschien zijn, laat ze dan staan, en laten wij als goede vrienden scheiden.”—“Kapitein Gills,” antwoordde Toots, “ik weet haast niet hoe het is, maar na hetgeen gij mij gezegd hebt toen ik de eerste maal hier kwam, gevoel ik—dat ik liever in uw gezelschap aan jufvrouw Dombey wil denken, dan bij haast iemand anders van haar praten. Dus kapitein Gills, als ge mij het pleizier wilt doen van met u te mogen kennis houden, zal ik dat heel gaarne op uw eigene conditiën doen. Ik wil eerlijk zijn, kapitein Gills,” zeide Toots, zijne uitgestokene hand nog even terugtrekkende, “en daarom moet ik zeggen, dat iknietkan nalaten aan jufvrouw Dombey te denken. Het is mij onmogelijk te beloven, dat ik niet aan haar denken zal.”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein, wiens achting voor Toots door deze oprechte bekentenis zeer verhoogd werd, “iemands gedachten zijn evenals de wind, en niemand kan lang achtereen daarvoor instaan. Is het een accoord wat woorden betreft?”—“Wat woorden betreft, kapitein Gills,” antwoordde Toots, “denk ik dat ik mij wel kan verbinden.”Toen gaf Toots den kapitein zijne hand er op; en de kapitein gaf hem, met veel vertooning[272]van vriendelijke goedgunstigheid, uitdrukkelijk verlof om kennis met hem te mogen houden. Toots scheen zeer verheugd over dit geluk, en bleef, zoolang zijn bezoek nog duurde, vergenoegd zitten grinniken. De kapitein, van zijn kant, was niet slecht in zijn schik met zijne positie als begunstiger en beschermer, en buitengemeen weltevreden over zijne eigene voorzichtigheid en schranderheid.Doch hoe rijk kapitein Cuttle ook met deze hoedanigheden was bedeeld, hij kreeg denzelfden avond nog eene onverwachte verrassing, van geen minder oprecht en eenvoudig jongeling dan Rob den Slijper. Die argelooze knaap, die aan dezelfde tafel thee dronk en deemoedig over zijn kopje gebogen zat, ondertusschen met zijdelingsche blikken op zijn meester lettende, die met veel moeite, maar groote deftigheid, door zijn bril de courant las, verbrak de stilte door te zeggen:“Neem mij niet kwalijk, kapitein; maar gij zult misschien geen duiven noodig hebben, zult ge wel, mijnheer?”—“Neen, mijn jongen,” antwoordde de kapitein.—“Omdat ik de mijne maar wilde wegdoen, kapitein,” zeide Rob.—“Zoo, zoo?” zeide de kapitein, zijne ruige wenkbrauwen een weinig optrekkende.—“Ja; ik ga heen, kapitein,” zeide Rob.—“Heengaan? Waar gaat gij dan naar toe?” vroeg de kapitein, over zijn bril heen naar hem omkijkende.—“Wat? Wist gij dan niet dat ik van u vandaan zou gaan, kapitein?” zeide Rob, met een gluiperigen glimlach.De kapitein legde de courant neer, zette zijn bril af, en zag den deserteur strak aan.“Wel ja, kapitein, ik zou u waarschuwen. Ik dacht dat gij er misschien al te voren van geweten hadt,” zeide Rob, zijne handen wrijvende en opstaande. “Als ge zoo goed kondt zijn om u gauw van iemand anders te voorzien, kapitein, zou mij dat best gelegen komen. Ge zoudt dat niet tegen morgenochtend kunnen doen, vrees ik, kapitein; zoudt ge wel, denkt gij?”—“Zult gij dan van uwe vlag gaan deserteeren, jongetje?” zeide de kapitein, na hem lang in het gezicht te hebben gekeken.—“Het is toch wel hard voor een jongen, kapitein,” zeide de teerhartige Rob, gekrenkt en verontwaardigd te gelijk, “dat hij niet eens behoorlijk zijne huur kan opzeggen, of men moet hem zoo zuur aankijken en een deserteur noemen. Het staat u niet vrij om een armen jongen uit te schelden, kapitein. Omdat ik een knecht ben en gij een meester zijt, moogt ge mij toch geen kwaden naam geven. Wat voor kwaad heb ik gedaan? Kom aan, kapitein, zeg mij wat ik misdaan heb.”De diepgetroffen Slijper huilde, en duwde zijn mouwopslag tegen zijn oog.“Kom aan, kapitein,” riep de beleedigde jongeling uit, “laat hooren waaraan ik schuldig ben. Wat heb ik gedaan? Heb ik van het goed gestolen? Heb ik het huis in brand gestoken? Zoo ja, waarom laat ge mij dan niet pakken en voor het gerecht brengen? Maar een jongen zijn goeden naam te ontnemen, die een goede knecht voor u is geweest, omdat hij zich zelven niet in het licht wil staan voor uw profijt, wat voor kwaad is dat, en wat voor belooning voor trouwen dienst! Dat is immers om een jongen voor altijd te bederven en om hem op een slechten weg te brengen. Ik ben verbaasd over u, kapitein, dat ben ik.”Dit alles bracht de Slijper uit met een jankend gehuil, terwijl hij voorzichtig achteruit naar de deur week.“Dus hebt gij eene andere plaats, jongetje, niet waar?” zeide de kapitein, hem nog strak aanziende.—“Ja, kapitein, als gij daarop komt, ikhebeene andere plaats,” zeide Rob, al meer en meer achteruitgaande, “beter plaats dan ik hier heb, en waar ik niet eens uw goed woord noodig heb, dat gelukkig voor mij is, na al het vuil waarmee ge mij gegooid hebt, omdat ik arm ben en het mij niet schikt, mij zelven in het licht te staan voor uw profijt. Waarom verwijt gij het mij dat ik arm ben en mij zelven niet voor uw profijt in het licht wil staan, kapitein? Hoe kunt gij u zoo gemeen aanstellen?”—“Hoor eens hier, jongetje,” antwoordde de vreedzame kapitein. “Laat maar niet meer van die woorden los.”—“Wel, laat gij dan ook niet meer van uwe woorden los,” zeide de gegriefde Rob hierop, nog harder jankende en in den winkel afdeinzende. “Ik heb liever, dat gij mijn bloed neemt dan mijn goeden naam.”—“Omdat ge,” vervolgde de kapitein bedaard, “misschien wel eens van zoo iets als een eindje touw hebt gehoord.”—“Of ik—zoo?” riep de smalende Slijper uit. “Neen, kapitein. Van zulk een ding heb ik nooit gehoord.”—“Wel,” zeide de kapitein, “dan geloof ik dat gij er tamelijk gauw meer van zult weten, als ge niet voor u ziet. Ik kan uwe seinen wel onderscheiden, jongetje. Gij kunt gaan.”—“Zoo, mag ik dadelijk, kapitein?” riep Rob verheugd over dezen afloop. “Maar let er wel op, datikniet gevraagd heb om dadelijk te gaan, kapitein. Gij moet mij niet weer een slechten naam geven, omdat gij mij uit eigen verkiezing wegzendt. En gij moet niets van mijn loon inhouden, kapitein.”Zijn meester besliste dit laatste punt door het blikken busje te voorschijn te halen en des Slijpers volle geld op de tafel uit te tellen. Zuchtend en snikkend, en diep in zijn gevoel gekwetst, nam Rob de stukken een voor een op, met een zucht en een snik voor elk, en knoopte ze een voor een in zijn zakdoek; daarna klom hij naar het dak van het huis en vulde zijn hoed en zijne zakken met duiven; vervolgens kwam hij weder naar beneden, ging naar zijn bed[273]onder de toonbank en maakte zijn pakje, nog harder zuchtende en snikkende, alsof oude herinneringen hem het hart doorsneden; daarop jankte hij: “Goedennacht, kapitein. Ik ga zonder boosheid van u vandaan;” eindelijk naar buiten stappende, trok hij, als een afscheidsaffront, den houten adelborst bij den neus, en ging in grijnzenden triomf de straat af.Hij liep grinnikend heen om het stuk geld te wisselen, en verdobbelde het toen bij een taartjesman. (blz. 269).Hij liepgrinnikendheen om het stuk geld te wisselen, en verdobbelde het toen bij een taartjesman.(blz. 269).De kapitein, alleen gelaten, hervatte zijn onderzoek van het nieuws alsof er niets buitengewoons of onverwachts gebeurd was, en las met den grootsten ijver voort. Maar geen enkel woord verstond kapitein Cuttle, hoewel hij er een groot aantal las, want Rob de Slijper liep de geheele courant door langs de kolommen op en neer.Het is twijfelachtig of de brave kapitein zich ooit voor op dit oogenblik geheel verlaten had gevoeld; maar nu waren de oude Sam Gills, Walter en Hartediefje eerst waarlijk voor hem verloren, en nu eerst bedroog en smaadde Carker hem op het grievendst. Zij allen hadden een vertegenwoordiger in den valschen Rob, voor wien hij zoo dikwijls had uitgeweid over de herinneringen, die zijn binnenste verwarmden. Hij had in den valschen Rob geloofd en zich verheugd dat hij dit doen kon; hij had hem tot zijn gezelschap gemaakt als den laatsten[274]der bemanning van het oude schip; hij had met hem aan zijne rechterhand het kommando over den houten adelborst overgenomen, hij had zijn plicht jegens hem willen doen, en den jongen eene genegenheid toegedragen, bijna alsof zij te zamen schipbreuk hadden geleden en op eene onbewoonde plek waren aangespoeld. En nu de valsche Rob wantrouwen, verraad en laagheid in dat achterkamertje had gebracht, dat een soort van heiligdom was, was het kapitein Cuttle te moede, alsof het achterkamertje zelf nu ook wel had kunnen verzinken, zonder dat het hem veel verwonderde of speet.Daarom las kapitein Cuttle de courant met groote aandacht en zonder eenig begrip, en daarom zeide kapitein Cuttle niets hoegenaamd over Rob tot zich zelven, of wilde hij zich zelven bekennen, dat hij aan hem dacht, of dat Rob er iets mee te maken had dat hij zich zoo eenzaam gevoelde als Robinson Crusoe.Op dezelfde bedaarde en onverschillige manier stapte de kapitein in het donker naarLeadenhallMarketen maakte daar schikking met een waker, die de wacht had, om elken ochtend en avond de luiken van den houten adelborst te komen afnemen en opzetten. Toen ging hij in het eethuis aan, om het dagelijksch rantsoen, tot nog toe aan den houten adelborst geleverd, tot de helft te verminderen, en in de herberg, om het bier van den verrader af te zeggen. “Mijn jongen,” zeide de kapitein ter verklaring aan het juffertje in het buffet, “mijn jongen heeft eene betere plaats gezocht, jufvrouw.” Eindelijk besloot de kapitein om het bed onder de toonbank in bezit te nemen, en daar des nachts te slapen in plaats van boven, als eenig bewaker van het goed.Uit dit bed stond de kapitein voortaan elken morgen om zes uur op en duwde zijn harden hoed op het hoofd, met het eenzame uitzicht van Crusoe, die zijne muts van geitenvel opzet; en hoewel zijne vrees voor een bezoek van den wilden stam der MacStinger’s eenigszins was bekoeld, gelijk eene dergelijke vrees bij den eenzamen schipbreukeling placht te bekoelen als er een lange tijd verliep zonder dat hij iets van de kannibalen bespeurde, bleef hij nog zijn geregeld verdedigingsstelsel in acht nemen, en waagde hij zich nooit in de nabijheid van een vrouwenhoed, zonder dien vooraf uit zijn kasteel te hebben waargenomen. Ondertusschen begon (daar hij in langen tijd geen bezoek van Toots kreeg, die hem schreef dat hij uit de stad was) zijne eigene stem een vreemden klank in zijne ooren te krijgen, en nam hij zoodanig de gewoonte aan om te zitten peinzen, dat de roode rand, door zijn harden blinkenden hoed op zijn voorhoofd veroorzaakt, somtijds zeer deed van het ingespannen nadenken.Daar het jaar nu om was, achtte kapitein Cuttle het raadzaam, het pakje te openen; maar dewijl hij altijd voornemens was geweest dit in tegenwoordigheid van Rob den Slijper te doen, die het hem gebracht had, en hij zich verbeeldde dat het behoorlijk was dit in iemands tegenwoordigheid te verrichten, was hij erg om een getuige verlegen. In deze verlegenheid, was het met buitengewone blijdschap dat hij eens onder de scheepsberichten de tijding vond, dat de Voorzichtige Clara, kapitein John Bunsby, weder van eene kustvaart was teruggekomen; en dadelijk zond hij dezen philosoof over de post een brief, waarin hij het diepste stilzwijgen ten aanzien van zijne woning aanbeval, en verzocht om eens in den avond met een bezoek te worden begunstigd.Bunsby, een van de wijzen, die niet dan met volle overtuiging willen handelen, had eenige dagen noodig om zich ten volle van de overtuiging te doordringen dat hij zulk een brief had ontvangen. Toen het hem echter gelukt was zich dat denkbeeld geheel eigen te maken, zond hij spoedig een jongen met de boodschap: “Hij komt van avond.” Deze knaap was belast om deze woorden uit te spreken en dan weder te verdwijnen, en vervulde ook zijne zending gelijk een beteerd spook, met eene geheimzinnige waarschuwing belast.De kapitein, zeer daarmede in zijn schik, maakte toebereidselen van pijpen, rum en water, en verwachtte het bezoek in het achterkamertje. Tegen acht uur begreep de luisterende kapitein uit een dof geloei voor de deur, als ware het van een zeestier, gevolgd door het kloppen met een stok op het paneel, dat Bunsby voor de haven was; en zoodra de deur geopend was, trad deze binnen, ruig en slordig, en met zijn strak mahoniehouten gezicht, dat gelijk gewoonlijk, geene bewustheid scheen te hebben van iets dat het voor zich had, maar oplettend naar iets te turen dat in eene geheel andere wereldstreek voorviel.“Bunsby,” zeide de kapitein, hem bij de hand vattende, “hoe gaat het, mijn jongen, hoe gaat het?”—“Scheepskameraad,” antwoordde de stem in het binnenste van Bunsby, zonder dat die kommandant zelf iets daarvan scheen te weten, “hartig, hartig!”—“Bunsby,” zeide de kapitein, met onwillekeurig betoon van hulde aan zijn genie, “daar zijt ge weer hier! Een man die een gevoelen kan geven dat helderder is dan diamant, en een man die hier in de kamer al eens een gevoelen heeft gegeven, dat letterlijk is uitgekomen;” hetgeen de kapitein oprecht geloofde.—“Ja, ja!” bromde Bunsby.—“Letterlijk!” zeide de kapitein.—“Want waarom?” bromde Bunsby, zijn vriend nu voor de eerste maal aanziende. “Hoe dat? Zoo ja, waarom niet? Dus!” Met deze orakelachtige woorden—die den kapitein bijna duizelig schenen te doen worden, zooveel vermoedens en twijfelingen gaven zij hem aan de hand[275]—liet de wijze zich zijne ruige jas uittrekken, en vergezelde zijn vriend naar het achterkamertje, waar zijne hand dadelijk op de rumflesch neerkwam, waaruit hij een stevig glas grog gereedmaakte; en kort daarna op eene pijp, die hij stopte en aanstak.Kapitein Cuttle, in beide opzichten zijn vriend navolgende, schoon de strakke verstrooidheid van Bunsby ver boven zijn vermogen was, zat aan het andere hoekje van den haard eerbiedig naar hem te kijken, alsof hij wachtte dat Bunsby eenig blijk van nieuwsgierigheid zou geven of hem aanmoedigen om ter zake te komen. Daar de mahoniehouten philosoof echter geen blijk gaf van iets bewust te zijn, behalve van warmte en tabaksrook, met eene uitzondering, toen hij, zijne pijp uit zijn mond nemende, om plaats voor zijn glas te maken, met eene zeer grove stem aanmerkte, dat zijn naam Jack Bunsby was—een gezegde dat niet veel gelegenheid gaf om een gesprek aan te knoopen—verzocht de kapitein hem in eene korte, maar vleiende voorafspraak om zijne aandacht, verhaalde daarna de geheele geschiedenis van oom Sam’s verdwijnen, met de verandering daardoor in zijn eigen levenslot teweeggebracht, en besloot met het pakje op de tafel te leggen.Na eene lange pauze knikte Bunsby met zijn hoofd.“Opendoen?” zeide de kapitein.Bunsby knikte nog eens.De kapitein brak dus het zegel los, en bracht aldus twee toegevouwen papieren te voorschijn, waarvan hij een voor een de opschriften las: “Laatste Wil en Testament van Samuel Gills.” “Brief aan Ned Cuttle.”Bunsby scheen, met zijn oog op de kust vanGroenland, naar den inhoud te luisteren. De kapitein schraapte dus zijne keel en las den brief voor.““Mijn waarde Ned Cuttle. Toen ik naarWest-Indiëwilde vertrekken.…””Hier hield de kapitein op en keek Bunsby strak aan, die even strak naar de kust vanGroenlandkeek.““Om hopeloos tijding van mijn lieven jongen te zoeken, wist ik wel dat gij, als gij met mijn plan bekend waart, mij zoudt willen tegenhouden, of met mij medegaan; en daarom hield ik het geheim. Als gij ooit dezen brief leest, Ned, zal ik waarschijnlijk wel dood wezen. Gij zult dan gemakkelijk de dwaasheid van een oud vriend vergeven, en medelijden hebben met de onrustigheid en onzekerheid, die hem dreven om op zulk eene reis uit te gaan. Dus niet meer daarvan. Ik heb weinig hoop dat mijn arme jongen ooit deze woorden zal lezen, of uwe oogen ooit meer met zijn openhartig gezicht verheugen.””—“Neen, neen; nooit meer,” zeide kapitein Cuttle, treurig peinzende.Een oogenblik later las hij voort: “Maar als hij er bij mocht wezen wanneer deze brief gelezen wordt:” de kapitein zag onwillekeurig rond en schudde zijn hoofd, “of er op een anderen tijd van mocht vernemen,” de kapitein schudde weder zijn hoofd; “dan geef ik hem mijn zegen. In geval het hierbijgevoegde papier niet volgens de wet is geschreven, komt het er zeer weinig op aan, want het is voor niemand van eenig belang dan voor u en voor hem, en mijn verlangen is eenvoudig dat hij, als hij nog leeft, het weinige zal hebben dat ik bezit, en dat, als het anders is, (gelijk ik vrees) gij het dan hebben zult, Ned. Gij zult mijn wensch eerbiedigen, dat weet ik. God zegen u daarvoor, en voor alle uwe vriendschap bovendien voor Samuel Gills.”“Bunsby,” zeide de kapitein, hem plechtig aansprekende, “wat maakt gij nu daarvan? Daar zit gij, een man die van kindsbeen af zijn hoofd aan stuk heeft gevallen, en er door elke nieuwe barst nieuw verstand in heeft gekregen. Wat maakt gij nu hiervan?”—“Als het gebeurt,” antwoordde Bunsby met buitengewonen spoed, “dat hij dood is, dan is het mijn gevoelen dat hij niet weerom zal komen. Als het gebeurt dat hij nog leeft, dan is het mijn gevoelen dat hij het wel zal doen. Zeg ik dat hij zal? Neen. Waarom niet? Omdat de ondervinding het zal leeren.”—“Bunsby,” zeide kapitein Cuttle, die de uitspraken van zijn vriend des te hooger scheen te achten, naarmate hij het moeielijker vond om er iets van te begrijpen; “Bunsby,” zeide de kapitein met opgetogene bewondering, “gij voert met gemak eene vracht van verstand, waarmee iemand van mijne maat gauw zou verzinken. Maar wat dit testament betreft, ik ben niet voornemens iets met het goed te doen—God bewaar mij—behalve om het voor een meer rechtmatigen eigenaar te bewaren; en ik hoop dat de rechtmatige eigenaar, Sam Gills, nog leeft en nog weerom zal komen, al is het vreemd dat hij geene rapporten heeft gezonden. Wat is nu uw gevoelen er van, Bunsby, om deze papieren weer weg te stouwen en er buitenop te merken, dat zij op dien en dien dag in tegenwoordigheid van John Bunsby en Edward Cuttle zijn geopend?”Daar Bunsby op de kust vanGroenlandof elders geen bezwaar tegen dit voorstel zag, werd het ten uitvoer gebracht; en de groote man, zijn oog daartoe even vanGroenlandterugroepende, zette zijne handteekening op den omslag, waarbij hij zich, met eigenaardige zedigheid, geheel van het gebruik van kapitale letters onthield. Nadat kapitein Cuttle ook zijne linksche handteekening er op had gezet en het pakje in de ijzeren kist gesloten, verzocht hij zijn gast om zich nog een glas klaar te maken en nog eene pijp te rooken; en insgelijks hetzelfde doende, geraakte hij bij het vuur over[276]het mogelijke lot des ouden instrumentmakers aan het peinzen.En nu had er eene verrassing plaats van zoo geduchten aard, dat kapitein Cuttle, indien de tegenwoordigheid van Bunsby hem niet had ondersteund, er geheel onder had moeten bezwijken, en van dat noodlottig uur af een verloren man zou zijn geweest.Hoe de kapitein, zelfs in zijne blijdschap over het ontvangen van zulk een gast, de deur slechts had kunnen toestooten, in plaats van ze te sluiten, aan welk verzuim hij zich inderdaad had schuldig gemaakt, is een van die vragen, die voor altijd punten van bespiegeling moeten blijven, indien men ze niet in beschuldigingen tegen het noodlot wil veranderen. Maar door die ongeslotene deur kwam op dat stille oogenblik de geduchte jufvrouw MacStinger binnenstuiven, met Alexander MacStinger in hare moederlijke armen, en straf en wraak (om niet van Juliana MacStinger en haar broertje Charles, op zijne jeugdige speelplaatsen algemeen als Chowley bekend, te spreken) in haar gevolg. Zij kwam zoo snel en stil, alsof de wind haar uit de buurt der Oost-Indische dokken had overgewaaid, dat kapitein Cuttle haar werkelijk reeds een poosje had aangekeken, eer het kalme gelaat, waarmede hij had zitten peinzen, in een gezicht vol schrik en ontzetting veranderde.Maar zoodra kapitein Cuttle de volle uitgestrektheid van zijn ongeluk begreep, deed de zucht tot zelfbehoud hem eene poging aanwenden om te vluchten. Naar het deurtje snellende, dat uit het achterkamertje naar het steile keldertrapje voerde, schoot hij met het hoofd vooruit daarbinnen, als een man, die onverschillig voor builen en kneuzingen, zich slechts in de ingewanden der aarde zoekt te verbergen. Zijn dapper voornemen zou hem waarschijnlijk gelukt zijn, zonder de hartelijkheid van Juliana en Chowley, die hem bij de beenen grepen—een van deze lieve kinderen aan ieder been—en hem met een jammerlijk geschreeuw als een wedergevonden vriend begroetten. Ondertusschen had jufvrouw MacStinger, die nooit iets van aanbelang begon zonder eerst haar zoontje Alexander ten onderste boven te keeren, om hem onder het bereik eener batterij van vlugge klappen te brengen, en hem dan neer te zetten om af te koelen, gelijk de lezer hem eens gezien heeft, deze plechtigheid verricht, welke bij deze gelegenheid eene offerande aan de Furiën scheen te zijn; en nadat zij het slachtoffer op den grond had geplaatst, kwam zij op den kapitein af met een gezicht hetwelk Bunsby, die tusschen beiden kwam, met krabben scheen te bedreigen.Het geschreeuw der twee oudste MacStinger’s en het gehuil van den jeugdigen Alexander maakten dit tooneel nog geduchter; maar eerst toen er weder stilte heerschte, en de kapitein, geweldig zweetende, jufvrouw MacStinger bedeesd stond aan te zien, steeg het ontzettende daarvan ten top.“O, kapitein Cuttle, kapitein Cuttle!” zeide jufvrouw MacStinger, iets tegen hem schuddende, dat men, als hare sekse niet zoo teer was, hare vuist zou kunnen noemen. “O, kapitein Cuttle, kapitein Cuttle, durft ge mij in het gezicht zien, zonder dat ge door den grond zinkt!”De kapitein, die er alles behalve manhaftig uitzag, mompelde flauw: “Sta vast!”—“O, ik was wel eene teerhartige zottin, toen ik u onder mijn dak nam, kapitein Cuttle, dat was ik,” riep jufvrouw MacStinger. “Als ik aan de weldaden denk waarmede ik dien man heb overhoopt, en de manier zooals ik mijne kinderen leerde om hem lief te hebben en te eeren alsof hij een vader voor hen was, al was er geen huishoudster, ja zelfs geen commensaal in de straat, of men wist dat ik geld op dien man toelegde met zijn slobberen en flobberen.” Jufvrouw MacStinger gebruikte het laatste woord om het rijm en tot versterking van den nadruk, niet zoozeer om een bepaald denkbeeld aan te duiden; “en al sprak men er schande van dat hij zoo leefde met eene brave vrouw, vroeg en laat op om voor haar huishouden wat te verdienen, en die haar huis zoo zindelijk houdt, dat iemand van den vloer of van de trap zou kunnen eten, ja zelfs theedrinken als hij wilde, in spijt van al zijn slobberen en flobberen, zooveel moeite gaf ik mij om hem.”Zij hield even op om eens adem te halen, en triomfeerde er in dat zij des kapiteins flobberen nog eens zoo gelukkig had te pas gebracht.“En hij loopt vo-o-ort!” riep jufvrouw MacStinger, met een uithaal van het laatste woord, die den ongelukkigen kapitein zich zelven voor den laagsten aller stervelingen deed houden, “enhoudtzich een jaar lang schuil! Voor eene vrouw! Dat doet zijn geweten. Hij durft haar niet onder de oogen komen, maar kruipt weg als een deserteur. Wel, als dat kleine kind van mij,” zeide jufvrouw MacStinger, zeer snel sprekende, “zoo wilde wegkruipen, zou ik als moeder mijn plicht aan hem doen, tot hij bont en blauw was.”De jeugdige Alexander, die dit als eene stellige belofte opnam, tuimelde van schrik omver, bleef met de schoenzooltjes omhoog op den vloer liggen en hief zulk een verdoovend geschreeuw aan, dat jufvrouw MacStinger het noodig vond hem op haar arm te nemen, en hem nu en dan, als hij weder uitbarstte, te stillen, door hem te schudden op eene manier, die zijne tandjes scheen te moeten losmaken.“Een aardig soort van een man is kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, “om zich zoo aan te trekken, dat men er niet van slapen kan, en er van flauw valt, en hem voor dood houdt, en de heele stad op en neer loopt,[277]alsof men gek was, om naar hem te vragen! Een aardig soort van man, ha, ha, ha! Hij is wel zooveel angst en moeite waard, en nog meer. Och Heere, dat is niemendal. Ha, ha, ha! Kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, met eene stem vol barsche strengheid, “ik wensch te weten, of gij nu naar huis komt.”De verschrikte kapitein keek in zijn hoed, alsof hij er niets meer op zag dan dien op te zetten en zich over te geven.“Kapitein Cuttle,” herhaalde jufvrouw MacStinger op denzelfden vasten toon, “ik wensch te weten of gij nu naar huis komt, mijnheer.”De kapitein scheen volkomen bereid om mede te gaan, maar mompelde flauw iets van “zooveel leven niet te maken.”—“Ja, ja, ja,” zeide nu Bunsby op een bedaarden toon. “Zachtjes aan, vrouwtje, zachtjes aan!”—“En wie zoudtgijwel wezen, als je belieft!” zeide jufvrouw MacStinger zeer preutsch en statig. “Hebt gij in nommer negen opBrig Placegewoond, mijnheer? Mijn geheugen mag slecht wezen, maar ik geloof toch bij mij niet. Zekere jufvrouw Jollson heeft voor mij in nommer negen gewoond, en misschien ziet ge mij voor haar aan. Dit is de eenige manier waarop ik uwe familiariteit kan verklaren, mijnheer.”—“Kom, kom; zachtjes aan.”Kapitein Cuttle kon het nauwelijks gelooven, zelfs van dezen grooten man, hoewel hij het met zijne eigene oogen zag; maar Bunsby, stoutmoedig nader komende, sloeg zijn ruigen blauwen arm om jufvrouw MacStinger heen, en vermurwde haar, door de tooverachtige manier waarop hij dit deed, en die weinig woorden sprak—hij zeide niets meer—zoodanig, dat zij, na hem even te hebben aangezien, in tranen wegsmolt, en zeide dat een kind haar nu aankon, zoo had zij haar moed verloren.Sprakeloos van verbazing zag de kapitein hem die onverbiddelijke vrouw naar den winkel brengen, terugkomen om rum, water en eene kaars te halen, en haar geheel bevredigen, zonder naar het scheen een woord te spreken. Weldra kwam hij nog eens binnenkijken met zijne jas aan en zeide: “Cuttle, ik ga ze als convooi naar huis brengen”; en met meer verslagenheid, dan wanneer hij zelf in de boeien was gezet om hem veilig naarBrig Placete vervoeren, zag de kapitein de familie vreedzaam aftrekken, met jufvrouw MacStinger aan het hoofd. Hij had nauwelijks tijd om het blikken busje te krijgen, en Juliana, zijne vorige lieveling, en Chowley tersluiks eenig geld in de hand te stoppen, of de houten adelborst werd door allen verlaten, en Bunsby, fluisterende dat hij Ned Cuttle nog eens zou praaien eer hij weder naar boord ging, trok de deur achter zich toe.Een onrustige twijfel dat hij gedroomd moest hebben of schimmen had gezien, en geene familie van vleesch en bloed, kwelde den kapitein in het eerst toen hij weder naar het achterkamertje ging en zich daar alleen bevond. Daarop volgde een toestand van verrukking, vol onbeperkt geloof aan en onmetelijkebewonderingvoor den gezagvoerder der Voorzichtige Clara.Toen echter de tijd verliep en Bunsby niet terugkwam, begon de kapitein onaangename twijfelingen van een anderen aard te ontwaren. Of Bunsby arglistig naarBrig Placewas gelokt en daar in hechtenis werd gehouden als gijzelaar voor zijn vriend; in welk geval het den kapitein als man van eer zou voegen hem te verlossen door het opofferen van zijne eigene vrijheid. Of hij door jufvrouw MacStinger aangevallen en overwonnen was, en zich schaamde om zich na zijne nederlaag te vertoonen. Of jufvrouw MacStinger, zich in de ongestadigheid van haar humeur bedenkende, was teruggekeerd om den houten adelborst nog eens aan boord te klampen, en Bunsby veinzende haar een korter weg te willen brengen, de familie in de woestenijen der stad poogde te doen verdwalen. Vooral wat hem, kapitein Cuttle, wel zou voegen, in geval hij nooit meer iets van de MacStinger’s of van Bunsby hoorde, hetgeen, met al die verwonderlijke en onverwachte gebeurtenissen, mogelijk ook wel gebeuren kon.Hij overlegde dat alles met zich zelven tot hij er moe van werd; en nog kwam er geen Bunsby. Hij maakte zijn bed onder de toonbank op, gereed om er in te kruipen; en nog geen Bunsby. Eindelijk, toen de kapitein hem voor dien avond ten minste had opgegeven en zich had beginnen te ontkleeden, hoorde hij het gerucht van naderende wielen, die voor de deur stilhielden en daarop volgde Bunsby’s aanroep.De kapitein beefde bij de gedachte dat hij jufvrouw MacStinger niet had kunnen kwijtraken en in die koets terugbracht.Maar neen. Bunsby had niets anders bij zich dan een grooten koffer, dien hij met eigene handen binnensleepte, en waarop hij, zoodra hij dien had binnengesleept, ging zitten. Kapitein Cuttle herkende daarin den koffer dien hij bij jufvrouw MacStinger aan huis had gelaten, en toen hij, met de kaars in de hand, Bunsby meer oplettend bekeek, meende hij dat deze een nat zeil had, of ronduit gezegd, dronken was. Het was echter moeielijk hiervan zeker te zijn, daar de kommandant, wanneer hij nuchter was, toch geen het minste spoor van uitdrukking in zijn gezicht had.“Cuttle,” zeide Bunsby, van den koffer opstaande en het deksel openende, “is dat uwe plunje?”Kapitein Cuttle keek in den koffer en herkende zijn eigendom.“Tamelijk knap geklaard, niet waar, scheepskameraad?” zeide Bunsby.[278]De dankbare en verbijsterde kapitein vatte hem bij de hand en wilde zijn gevoel in een opgetogen antwoord lucht geven, toen Bunsby zich met een ruk losmaakte en eene poging scheen te doen om met zijn draaiend oog te lonken, waarvan het eenige gevolg, in zijn toestand, was dat hij zijne balans kwijtraakte en bijna omver tuimelde. Toen deed hij onverwacht de deur open en streek heen om met allen spoed de voorzichtige Clara weder op te zoeken—hetgeen men voor zijne vaste gewoonte hield, wanneer hij begreep dat hij bijzonder had uitgemunt.Daar het hem niet beviel als men hem te dikwijls opzocht, besloot kapitein Cuttle niet naar hem toe te gaan of iemand naar hem te zenden, voordat hij zijn genadig welgevallen in dit opzicht had laten weten, of er ten minste eenige tijd verloopen was. De kapitein hervatte dus den volgenden morgen zijn eenzaam leven, en dacht vele ochtenden, middagen en avonden diepzinnig na over Sam Gills en de hoop op zijne terugkomst. Dit vele denken versterkte hem in die hoop; en hij vermaakte zich dikwijls met naar den instrumentmaker aan de deur te staan wachten—gelijk hij nu, in zijne zonderlinge vrijheid durfde doen—en zijn stoel op de gewone plaats te zetten, en alles in het achterkamertje te schikken gelijk het placht te zijn, ingeval hij onverwacht thuis mocht komen. Hij was ook behoedzaam genoeg om zeker miniatuurtje van Walter als een schoolknaap van den gewonen spijker te nemen, opdat het den ouden man bij zijne terugkomst niet zou schokken. De kapitein had somtijds ook een voorgevoel dat hij op dien of dien dag zou komen; en op zekeren zondag bestelde hij zelfs eene dubbele portie eten, zoo vast rekende hij er op. Maar de oude Samuel kwam toch niet; en de buren raakten er aan gewoon dat de varensman met den blinkenden hoed des avonds aan de deur stond en de straat op- en afkeek.
De tijd, vast van voet en krachtig van wil, had zich zoo gerept, dat het jaar, hetwelk de oude instrumentmaker had bepaald als de tijd hoelang zijn vriend moest wachten om het verzegelde pakje te openen, dat hij bij zijn brief had achtergelaten, nu bijna verloopen was, en kapitein Cuttle het op een avond met eene mengeling van nieuwsgierigheid en ongerustheid zat te bekijken.
De kapitein zou er, als man van eer, even weinig aan gedacht hebben om het pakje een uur voor den afloop van den voorgeschreven tijd te openen, als om zich zelven te openen ten einde zich van binnen te bekijken. Hij haalde het slechts, als hij zijne eerste avondpijp rookte, te voorschijn, legde het op de tafel, en zat het dan twee of drie uren achtereen met stillen ernst van buiten aan te staren. Somtijds, als hij het aldus een tamelijk langen tijd had beschouwd,[270]schoof de kapitein zijn stoel langzamerhand al verder en verder achteruit, als ware het om buiten den kring der toovermacht te komen; maar als dit zijn oogmerk was, gelukte het hem toch nooit; want zelfs als hij tegen den muur van het kamertje gekomen was, bleef het pakje hem toch aantrekken, of als zijne oogen, peinzend zwervende, naar den zolder of het vuur dwaalden, ging het beeld van het pakje dadelijk mede en posteerde zich tusschen de kolen of tegen de witkalk aan.
Wat zijn Hartediefje betrof, kende des kapiteins vaderlijke genegenheid en opgetogenheid geene verandering. Maar sedert zijn laatste gesprek met Carker, was kapitein Cuttle begonnen te twijfelen, of zijne vroegere tusschenkomst ten behoeve van die jonge dame en Walter, zijn lieven jongen, wel zoo voordeelig was geweest als hij had kunnen wenschen en toen ter tijd had geloofd. De kapitein was, kortom, ernstig bekommerd dat hij meer kwaad dan goed had gedaan; en in zijne wroeging en bescheidenheid deed hij de beste boete die hij kon doen, door zich overal vandaan te houden, waar hij iemand nog meer kwaad zou kunnen doen, en zich, als het ware, als een ongeluksvogel overboord te werpen.
Zoo door zijn eigen vonnis tusschen instrumenten begraven, kwam de kapitein nooit meer in de nabijheid van Dombey’s huis, en liet hij Florence en Suze Nipper niets meer van zich zien of hooren. Hij brak zelfs de kennis met Perch af, toen deze hem eene volgende maal kwam bezoeken, door dien heer droogjes te onderrichten, dat hij hem voor zijn gezelschap dankbaar was, maar zich voortaan van al zulken omgang wilde af houden, daar hij niet wist welk kruitmagazijn hij, zonder het te willen, in de lucht kon doen vliegen. In deze hem door zich zelven opgelegde afzondering sleet de kapitein geheele dagen en weken zonder een enkel woord met iemand te wisselen behalve met Rob den Slijper, wien hij voor een model van belangelooze verkleefdheid en trouw hield. In deze afzondering zat de kapitein des avonds het pakje aan te staren en al rookende aan Florence en den armen Walter te denken, tot zij voor zijne eenvoudige verbeelding beide dood schenen en nu in eeuwige jeugd de schoone onschuldige kinderen zijner eerste herinnering bleven.
De kapitein verzuimde echter door dit gepeins zijne eigene stichting en de verstandsbeschaving van Rob den Slijper niet. Gewoonlijk moest deze jongeling den kapitein elken avond een uur uit een boek voorlezen; en daar de kapitein blindelings geloofde dat in alle boeken niets anders dan waarheid stond, zamelde hij aldus vele merkwaardige feiten op. Op zondagavond las de kapitein altijd voor zich zelven, eer hij naar bed ging, zekere Goddelijke Rede, die eens op een berg werd uitgesproken; en hoewel hij gewoon was den tekst, zonder boek, op zijne eigenaardige manier aan te halen, scheen hij toch met een even eerbiedig gevoel van den hemelschen geest daarin te lezen, alsof hij dien in het Grieksch van buiten kende en in staat was om over ieder vers een aantal scherpe theologische twistschriften te schrijven.
Rob de Slijper, wiens eerbied voor de Heilige Schriften, onder het bewonderenswaardig stelsel der Slijpersschool, ontwikkeld was door hem aanhoudend over al de eigennamen in de geslachtregisters van Israël te laten struikelen en bij wijze van straf moeielijke verzen te laten opzeggen, alsmede door hem op zesjarigen ouderdom met zijne lederen broek, driemaal op een zondag, in parade heel ver naar eene heel warme kerk te laten trekken, waar een groot orgel hem door zijn slaperig hoofd bromde, gelijk eene reusachtige nijvere bij—Rob de Slijper hield zich alsof hij machtig gesticht was wanneer de kapitein met lezen ophield, en zat doorgaans te geeuwen en te knikkebollen zoolang het lezen duurde; welke laatste omstandigheid nooit door den kapitein werd vermoed.
Kapitein Cuttle ging ook, als man van zaken, aan het boekhouden. In zijne boeken schreef hij observatiën over het weder, en over den stroom van wagens en andere rijtuigen, dien hij opmerkte dat in die streek des morgens en gedurende het grootste gedeelte van den dag westwaarts en des avonds oostwaarts liep. Daar zich in eene week twee of drie “kruisers” vertoonden, die hem “praaiden”—zoo werd het door den kapitein geboekt—over een bril, en, zonder eigenlijk te koopen, zeiden dat zij nog wel eens zouden aankomen, begreep de kapitein dat de zaken beter begonnen te gaan, en noteerde dit ook in zijn dagboek; de wind toen (hetgeen hij eerst aanteekende) tamelijk frisch waaiende, west ten noorden, daar hij in den nacht veranderd was.
Een der voornaamste bezwaren des kapiteins was Toots, die dikwijls aankwam, en, zonder veel te zeggen, in het denkbeeld scheen te verkeeren dat het achterkamertje een zeer geschikt vertrekje was om in te zittengrinniken, dewijl hij het daartoe bij het halve uur achtereen kwam gebruiken, zonder daarom met den kapitein op vertrouwelijker voet te komen. De kapitein, door zijne jongste ondervinding voorzichtig geworden, kon het maar niet met zich zelven eens worden of Toots inderdaad de onnoozele bloed was dien hij scheen te zijn, dan wel een listige veinsaard en huichelaar. Zijne herhaalde toespelingen op jufvrouw Dombey waren verdacht; maar de kapitein gevoelde zich heimelijk ingenomen door de vertrouwelijkheid die Toots hem scheen te bewijzen, en wilde dus vooreerst nog niet ongunstig over hem oordeelen. Hij zag hem slechts, als hij het onderwerp[271]naderde dat hen het naast aan het hart lag, met onbeschrijfelijke schranderheid aan.
“Kapitein Gills,” flapte Toots eens geheel onverwacht uit, gelijk zijne manier was, “denkt gij dat gij gunstig zoudt kunnen denken over dat voorstel van mij, en mij het pleizier geven om kennis met u te mogen houden?”—“Wel, ik zal u zeggen hoe het is, mijn jongen,” zeide de kapitein; “ik heb dat eens overlegd.”—“Kapitein Gills, dat is heel vriendelijk van u,” hervatte Toots, “en ik ben u wel verplicht. Op mijn woord van eer, kapitein Gills, het zou eene weldaad voor mij zijn als ik het pleizier mocht hebben om kennis met u te houden. Dat zou het waarlijk.”—“Gij ziet wel, broeder,” zeide de kapitein langzaam redeneerend, “ik ken u niet.”—“Maar gij kunt mij nooit kennen, kapitein Gills,” antwoordde Toots, bij zijn a-propos blijvende, “als gij mij het pleizier niet geeft om kennis met u te mogen houden.”
De kapitein scheen getroffen door het juiste en origineele dezer opmerking, en keek Toots aan alsof hij dacht dat er veel meer achter hem stak dan hij zich verbeeld had.
“Wel gezegd, mijn jongen,” zeide de kapitein, peinzend knikkende, “en wel waar. Zie nu eens hier. Gij hebt mij het een en ander verteld waaruit ik opmaak dat gij bewondering gevoelt voor zeker lief schepseltje. He?”—“Kapitein Gills,”zeide Toots, geweldige gebaren makende met de hand waarin hij zijn hoed hield. “Bewondering is het rechte woord niet. Op mijn woord, gij hebt er geen begrip van wat mijn gevoel is. Als men mij kon zwart verven en tot jufvrouw Dombey’s slaaf maken, zou ik het voor een compliment houden. Als ik, met opoffering van al wat ik bezit, in jufvrouw Dombey’s hond kon herschapen worden, denk ik—denk ik waarlijk dat ik nooit zou ophouden met kwispelstaarten. Zoo volmaakt gelukkig zou ik zijn, kapitein Gills.”
Toots zeide dit met waterige oogen, en drukte, met diepe aandoening, zijn hoed tegen zijne borst.
“Mijn jongen,” antwoordde de kapitein, tot medelijden bewogen, “als gij dat waarlijk ernstig meent …”—“Kapitein Gills,” riep Toots uit, “ik meen het zoo schrikkelijk ernstig, en ik ben in zulk een gemoedstoestand, dat ik, als ik het op een gloeiend stuk ijzer, of op eene kool vuur, of op gesmolten lood, of brandend lak, of iets van dien aard, kon bezweren, waarlijk blij zou zijn als ik mij zeer deed, om mijn gevoel maar wat lucht te geven.” En Toots keek haastig in de kamer rond, als zocht hij naar het een of ander om zijn vreeselijk voornemen te volvoeren.
De kapitein schoof zijn blinkenden hoed op zijn hoofd achterover, streek zijn gezicht met zijne zware hand,—daardoor zijn neus nog bonter makende—plantte zich vlak voor Toots, haakte hem bij den lappel van zijn jasje, en sprak hem met deze woorden toe, terwijl Toots hem zeer aandachtig en eenigszins verwonderd aanstaarde:
“Als gij het ernstig meent, ziet gij, mijn jongen, zijt gij een voorwerp van menschlievendheid, en menschlievendheid is de schoonste parel in de kroon op het hoofd van een Brit, dat gij kunt nazien in de constitutie, zooals in Rule Britannia staat, en als gij dat vindt, dan hebt gij daar het charter, waarvan die beschermengelen zoo dikwijls zingen. Sta vast nu! Dat voorstel van u brengt mij een beetje overstuur. En waarom? Omdat ik, verstaat ge, hier in deze wateren maar alleen rondzwalk, en geen maat heb, en misschien daar ook niet naar wensch. Sta vast. Gij hebt mij eerst gepraaid om eene zekere jonge juffer, die u had uitgerust. Als gij en ik nu elkander gezelschap zullen houden, dan moet de naam van dat jonge schepseltje nooit genoemd of gerept worden. Ik weet niet wat voor kwaad er al gebeurd is door er voorheen al te vrij van te spreken, en daarbij houd ik het. Begrijpt ge mij zoo tamelijk, broeder?”—“Wel, gij moet het mij niet kwalijk nemen, kapitein Gills,” antwoordde Toots, “als ik u somtijds niet geheel kan volgen. Maar op mijn woord, ik—het is toch hard, kapitein Gills, niet van jufvrouw Dombey te mogen spreken. Ik heb waarlijk zulk eene vreeselijke zwaarte hier,” daarbij legde Toots weemoedig beide handen op zijne borst, “dat ik nacht en dag een gevoel heb, juist alsof er iemand op mij zat.”—“Dat zijn de bedingen, die ik aanbied.” zeide de kapitein. “Als gij ze te hard vindt, broeder, zooals ze misschien zijn, laat ze dan staan, en laten wij als goede vrienden scheiden.”—“Kapitein Gills,” antwoordde Toots, “ik weet haast niet hoe het is, maar na hetgeen gij mij gezegd hebt toen ik de eerste maal hier kwam, gevoel ik—dat ik liever in uw gezelschap aan jufvrouw Dombey wil denken, dan bij haast iemand anders van haar praten. Dus kapitein Gills, als ge mij het pleizier wilt doen van met u te mogen kennis houden, zal ik dat heel gaarne op uw eigene conditiën doen. Ik wil eerlijk zijn, kapitein Gills,” zeide Toots, zijne uitgestokene hand nog even terugtrekkende, “en daarom moet ik zeggen, dat iknietkan nalaten aan jufvrouw Dombey te denken. Het is mij onmogelijk te beloven, dat ik niet aan haar denken zal.”—“Mijn jongen,” zeide de kapitein, wiens achting voor Toots door deze oprechte bekentenis zeer verhoogd werd, “iemands gedachten zijn evenals de wind, en niemand kan lang achtereen daarvoor instaan. Is het een accoord wat woorden betreft?”—“Wat woorden betreft, kapitein Gills,” antwoordde Toots, “denk ik dat ik mij wel kan verbinden.”
Toen gaf Toots den kapitein zijne hand er op; en de kapitein gaf hem, met veel vertooning[272]van vriendelijke goedgunstigheid, uitdrukkelijk verlof om kennis met hem te mogen houden. Toots scheen zeer verheugd over dit geluk, en bleef, zoolang zijn bezoek nog duurde, vergenoegd zitten grinniken. De kapitein, van zijn kant, was niet slecht in zijn schik met zijne positie als begunstiger en beschermer, en buitengemeen weltevreden over zijne eigene voorzichtigheid en schranderheid.
Doch hoe rijk kapitein Cuttle ook met deze hoedanigheden was bedeeld, hij kreeg denzelfden avond nog eene onverwachte verrassing, van geen minder oprecht en eenvoudig jongeling dan Rob den Slijper. Die argelooze knaap, die aan dezelfde tafel thee dronk en deemoedig over zijn kopje gebogen zat, ondertusschen met zijdelingsche blikken op zijn meester lettende, die met veel moeite, maar groote deftigheid, door zijn bril de courant las, verbrak de stilte door te zeggen:
“Neem mij niet kwalijk, kapitein; maar gij zult misschien geen duiven noodig hebben, zult ge wel, mijnheer?”—“Neen, mijn jongen,” antwoordde de kapitein.—“Omdat ik de mijne maar wilde wegdoen, kapitein,” zeide Rob.—“Zoo, zoo?” zeide de kapitein, zijne ruige wenkbrauwen een weinig optrekkende.—“Ja; ik ga heen, kapitein,” zeide Rob.—“Heengaan? Waar gaat gij dan naar toe?” vroeg de kapitein, over zijn bril heen naar hem omkijkende.—“Wat? Wist gij dan niet dat ik van u vandaan zou gaan, kapitein?” zeide Rob, met een gluiperigen glimlach.
De kapitein legde de courant neer, zette zijn bril af, en zag den deserteur strak aan.
“Wel ja, kapitein, ik zou u waarschuwen. Ik dacht dat gij er misschien al te voren van geweten hadt,” zeide Rob, zijne handen wrijvende en opstaande. “Als ge zoo goed kondt zijn om u gauw van iemand anders te voorzien, kapitein, zou mij dat best gelegen komen. Ge zoudt dat niet tegen morgenochtend kunnen doen, vrees ik, kapitein; zoudt ge wel, denkt gij?”—“Zult gij dan van uwe vlag gaan deserteeren, jongetje?” zeide de kapitein, na hem lang in het gezicht te hebben gekeken.—“Het is toch wel hard voor een jongen, kapitein,” zeide de teerhartige Rob, gekrenkt en verontwaardigd te gelijk, “dat hij niet eens behoorlijk zijne huur kan opzeggen, of men moet hem zoo zuur aankijken en een deserteur noemen. Het staat u niet vrij om een armen jongen uit te schelden, kapitein. Omdat ik een knecht ben en gij een meester zijt, moogt ge mij toch geen kwaden naam geven. Wat voor kwaad heb ik gedaan? Kom aan, kapitein, zeg mij wat ik misdaan heb.”
De diepgetroffen Slijper huilde, en duwde zijn mouwopslag tegen zijn oog.
“Kom aan, kapitein,” riep de beleedigde jongeling uit, “laat hooren waaraan ik schuldig ben. Wat heb ik gedaan? Heb ik van het goed gestolen? Heb ik het huis in brand gestoken? Zoo ja, waarom laat ge mij dan niet pakken en voor het gerecht brengen? Maar een jongen zijn goeden naam te ontnemen, die een goede knecht voor u is geweest, omdat hij zich zelven niet in het licht wil staan voor uw profijt, wat voor kwaad is dat, en wat voor belooning voor trouwen dienst! Dat is immers om een jongen voor altijd te bederven en om hem op een slechten weg te brengen. Ik ben verbaasd over u, kapitein, dat ben ik.”
Dit alles bracht de Slijper uit met een jankend gehuil, terwijl hij voorzichtig achteruit naar de deur week.
“Dus hebt gij eene andere plaats, jongetje, niet waar?” zeide de kapitein, hem nog strak aanziende.—“Ja, kapitein, als gij daarop komt, ikhebeene andere plaats,” zeide Rob, al meer en meer achteruitgaande, “beter plaats dan ik hier heb, en waar ik niet eens uw goed woord noodig heb, dat gelukkig voor mij is, na al het vuil waarmee ge mij gegooid hebt, omdat ik arm ben en het mij niet schikt, mij zelven in het licht te staan voor uw profijt. Waarom verwijt gij het mij dat ik arm ben en mij zelven niet voor uw profijt in het licht wil staan, kapitein? Hoe kunt gij u zoo gemeen aanstellen?”—“Hoor eens hier, jongetje,” antwoordde de vreedzame kapitein. “Laat maar niet meer van die woorden los.”—“Wel, laat gij dan ook niet meer van uwe woorden los,” zeide de gegriefde Rob hierop, nog harder jankende en in den winkel afdeinzende. “Ik heb liever, dat gij mijn bloed neemt dan mijn goeden naam.”—“Omdat ge,” vervolgde de kapitein bedaard, “misschien wel eens van zoo iets als een eindje touw hebt gehoord.”—“Of ik—zoo?” riep de smalende Slijper uit. “Neen, kapitein. Van zulk een ding heb ik nooit gehoord.”—“Wel,” zeide de kapitein, “dan geloof ik dat gij er tamelijk gauw meer van zult weten, als ge niet voor u ziet. Ik kan uwe seinen wel onderscheiden, jongetje. Gij kunt gaan.”—“Zoo, mag ik dadelijk, kapitein?” riep Rob verheugd over dezen afloop. “Maar let er wel op, datikniet gevraagd heb om dadelijk te gaan, kapitein. Gij moet mij niet weer een slechten naam geven, omdat gij mij uit eigen verkiezing wegzendt. En gij moet niets van mijn loon inhouden, kapitein.”
Zijn meester besliste dit laatste punt door het blikken busje te voorschijn te halen en des Slijpers volle geld op de tafel uit te tellen. Zuchtend en snikkend, en diep in zijn gevoel gekwetst, nam Rob de stukken een voor een op, met een zucht en een snik voor elk, en knoopte ze een voor een in zijn zakdoek; daarna klom hij naar het dak van het huis en vulde zijn hoed en zijne zakken met duiven; vervolgens kwam hij weder naar beneden, ging naar zijn bed[273]onder de toonbank en maakte zijn pakje, nog harder zuchtende en snikkende, alsof oude herinneringen hem het hart doorsneden; daarop jankte hij: “Goedennacht, kapitein. Ik ga zonder boosheid van u vandaan;” eindelijk naar buiten stappende, trok hij, als een afscheidsaffront, den houten adelborst bij den neus, en ging in grijnzenden triomf de straat af.
Hij liep grinnikend heen om het stuk geld te wisselen, en verdobbelde het toen bij een taartjesman. (blz. 269).Hij liepgrinnikendheen om het stuk geld te wisselen, en verdobbelde het toen bij een taartjesman.(blz. 269).
Hij liepgrinnikendheen om het stuk geld te wisselen, en verdobbelde het toen bij een taartjesman.(blz. 269).
De kapitein, alleen gelaten, hervatte zijn onderzoek van het nieuws alsof er niets buitengewoons of onverwachts gebeurd was, en las met den grootsten ijver voort. Maar geen enkel woord verstond kapitein Cuttle, hoewel hij er een groot aantal las, want Rob de Slijper liep de geheele courant door langs de kolommen op en neer.
Het is twijfelachtig of de brave kapitein zich ooit voor op dit oogenblik geheel verlaten had gevoeld; maar nu waren de oude Sam Gills, Walter en Hartediefje eerst waarlijk voor hem verloren, en nu eerst bedroog en smaadde Carker hem op het grievendst. Zij allen hadden een vertegenwoordiger in den valschen Rob, voor wien hij zoo dikwijls had uitgeweid over de herinneringen, die zijn binnenste verwarmden. Hij had in den valschen Rob geloofd en zich verheugd dat hij dit doen kon; hij had hem tot zijn gezelschap gemaakt als den laatsten[274]der bemanning van het oude schip; hij had met hem aan zijne rechterhand het kommando over den houten adelborst overgenomen, hij had zijn plicht jegens hem willen doen, en den jongen eene genegenheid toegedragen, bijna alsof zij te zamen schipbreuk hadden geleden en op eene onbewoonde plek waren aangespoeld. En nu de valsche Rob wantrouwen, verraad en laagheid in dat achterkamertje had gebracht, dat een soort van heiligdom was, was het kapitein Cuttle te moede, alsof het achterkamertje zelf nu ook wel had kunnen verzinken, zonder dat het hem veel verwonderde of speet.
Daarom las kapitein Cuttle de courant met groote aandacht en zonder eenig begrip, en daarom zeide kapitein Cuttle niets hoegenaamd over Rob tot zich zelven, of wilde hij zich zelven bekennen, dat hij aan hem dacht, of dat Rob er iets mee te maken had dat hij zich zoo eenzaam gevoelde als Robinson Crusoe.
Op dezelfde bedaarde en onverschillige manier stapte de kapitein in het donker naarLeadenhallMarketen maakte daar schikking met een waker, die de wacht had, om elken ochtend en avond de luiken van den houten adelborst te komen afnemen en opzetten. Toen ging hij in het eethuis aan, om het dagelijksch rantsoen, tot nog toe aan den houten adelborst geleverd, tot de helft te verminderen, en in de herberg, om het bier van den verrader af te zeggen. “Mijn jongen,” zeide de kapitein ter verklaring aan het juffertje in het buffet, “mijn jongen heeft eene betere plaats gezocht, jufvrouw.” Eindelijk besloot de kapitein om het bed onder de toonbank in bezit te nemen, en daar des nachts te slapen in plaats van boven, als eenig bewaker van het goed.
Uit dit bed stond de kapitein voortaan elken morgen om zes uur op en duwde zijn harden hoed op het hoofd, met het eenzame uitzicht van Crusoe, die zijne muts van geitenvel opzet; en hoewel zijne vrees voor een bezoek van den wilden stam der MacStinger’s eenigszins was bekoeld, gelijk eene dergelijke vrees bij den eenzamen schipbreukeling placht te bekoelen als er een lange tijd verliep zonder dat hij iets van de kannibalen bespeurde, bleef hij nog zijn geregeld verdedigingsstelsel in acht nemen, en waagde hij zich nooit in de nabijheid van een vrouwenhoed, zonder dien vooraf uit zijn kasteel te hebben waargenomen. Ondertusschen begon (daar hij in langen tijd geen bezoek van Toots kreeg, die hem schreef dat hij uit de stad was) zijne eigene stem een vreemden klank in zijne ooren te krijgen, en nam hij zoodanig de gewoonte aan om te zitten peinzen, dat de roode rand, door zijn harden blinkenden hoed op zijn voorhoofd veroorzaakt, somtijds zeer deed van het ingespannen nadenken.
Daar het jaar nu om was, achtte kapitein Cuttle het raadzaam, het pakje te openen; maar dewijl hij altijd voornemens was geweest dit in tegenwoordigheid van Rob den Slijper te doen, die het hem gebracht had, en hij zich verbeeldde dat het behoorlijk was dit in iemands tegenwoordigheid te verrichten, was hij erg om een getuige verlegen. In deze verlegenheid, was het met buitengewone blijdschap dat hij eens onder de scheepsberichten de tijding vond, dat de Voorzichtige Clara, kapitein John Bunsby, weder van eene kustvaart was teruggekomen; en dadelijk zond hij dezen philosoof over de post een brief, waarin hij het diepste stilzwijgen ten aanzien van zijne woning aanbeval, en verzocht om eens in den avond met een bezoek te worden begunstigd.
Bunsby, een van de wijzen, die niet dan met volle overtuiging willen handelen, had eenige dagen noodig om zich ten volle van de overtuiging te doordringen dat hij zulk een brief had ontvangen. Toen het hem echter gelukt was zich dat denkbeeld geheel eigen te maken, zond hij spoedig een jongen met de boodschap: “Hij komt van avond.” Deze knaap was belast om deze woorden uit te spreken en dan weder te verdwijnen, en vervulde ook zijne zending gelijk een beteerd spook, met eene geheimzinnige waarschuwing belast.
De kapitein, zeer daarmede in zijn schik, maakte toebereidselen van pijpen, rum en water, en verwachtte het bezoek in het achterkamertje. Tegen acht uur begreep de luisterende kapitein uit een dof geloei voor de deur, als ware het van een zeestier, gevolgd door het kloppen met een stok op het paneel, dat Bunsby voor de haven was; en zoodra de deur geopend was, trad deze binnen, ruig en slordig, en met zijn strak mahoniehouten gezicht, dat gelijk gewoonlijk, geene bewustheid scheen te hebben van iets dat het voor zich had, maar oplettend naar iets te turen dat in eene geheel andere wereldstreek voorviel.
“Bunsby,” zeide de kapitein, hem bij de hand vattende, “hoe gaat het, mijn jongen, hoe gaat het?”—“Scheepskameraad,” antwoordde de stem in het binnenste van Bunsby, zonder dat die kommandant zelf iets daarvan scheen te weten, “hartig, hartig!”—“Bunsby,” zeide de kapitein, met onwillekeurig betoon van hulde aan zijn genie, “daar zijt ge weer hier! Een man die een gevoelen kan geven dat helderder is dan diamant, en een man die hier in de kamer al eens een gevoelen heeft gegeven, dat letterlijk is uitgekomen;” hetgeen de kapitein oprecht geloofde.—“Ja, ja!” bromde Bunsby.—“Letterlijk!” zeide de kapitein.—“Want waarom?” bromde Bunsby, zijn vriend nu voor de eerste maal aanziende. “Hoe dat? Zoo ja, waarom niet? Dus!” Met deze orakelachtige woorden—die den kapitein bijna duizelig schenen te doen worden, zooveel vermoedens en twijfelingen gaven zij hem aan de hand[275]—liet de wijze zich zijne ruige jas uittrekken, en vergezelde zijn vriend naar het achterkamertje, waar zijne hand dadelijk op de rumflesch neerkwam, waaruit hij een stevig glas grog gereedmaakte; en kort daarna op eene pijp, die hij stopte en aanstak.
Kapitein Cuttle, in beide opzichten zijn vriend navolgende, schoon de strakke verstrooidheid van Bunsby ver boven zijn vermogen was, zat aan het andere hoekje van den haard eerbiedig naar hem te kijken, alsof hij wachtte dat Bunsby eenig blijk van nieuwsgierigheid zou geven of hem aanmoedigen om ter zake te komen. Daar de mahoniehouten philosoof echter geen blijk gaf van iets bewust te zijn, behalve van warmte en tabaksrook, met eene uitzondering, toen hij, zijne pijp uit zijn mond nemende, om plaats voor zijn glas te maken, met eene zeer grove stem aanmerkte, dat zijn naam Jack Bunsby was—een gezegde dat niet veel gelegenheid gaf om een gesprek aan te knoopen—verzocht de kapitein hem in eene korte, maar vleiende voorafspraak om zijne aandacht, verhaalde daarna de geheele geschiedenis van oom Sam’s verdwijnen, met de verandering daardoor in zijn eigen levenslot teweeggebracht, en besloot met het pakje op de tafel te leggen.
Na eene lange pauze knikte Bunsby met zijn hoofd.
“Opendoen?” zeide de kapitein.
Bunsby knikte nog eens.
De kapitein brak dus het zegel los, en bracht aldus twee toegevouwen papieren te voorschijn, waarvan hij een voor een de opschriften las: “Laatste Wil en Testament van Samuel Gills.” “Brief aan Ned Cuttle.”
Bunsby scheen, met zijn oog op de kust vanGroenland, naar den inhoud te luisteren. De kapitein schraapte dus zijne keel en las den brief voor.
““Mijn waarde Ned Cuttle. Toen ik naarWest-Indiëwilde vertrekken.…””
Hier hield de kapitein op en keek Bunsby strak aan, die even strak naar de kust vanGroenlandkeek.
““Om hopeloos tijding van mijn lieven jongen te zoeken, wist ik wel dat gij, als gij met mijn plan bekend waart, mij zoudt willen tegenhouden, of met mij medegaan; en daarom hield ik het geheim. Als gij ooit dezen brief leest, Ned, zal ik waarschijnlijk wel dood wezen. Gij zult dan gemakkelijk de dwaasheid van een oud vriend vergeven, en medelijden hebben met de onrustigheid en onzekerheid, die hem dreven om op zulk eene reis uit te gaan. Dus niet meer daarvan. Ik heb weinig hoop dat mijn arme jongen ooit deze woorden zal lezen, of uwe oogen ooit meer met zijn openhartig gezicht verheugen.””—“Neen, neen; nooit meer,” zeide kapitein Cuttle, treurig peinzende.
Een oogenblik later las hij voort: “Maar als hij er bij mocht wezen wanneer deze brief gelezen wordt:” de kapitein zag onwillekeurig rond en schudde zijn hoofd, “of er op een anderen tijd van mocht vernemen,” de kapitein schudde weder zijn hoofd; “dan geef ik hem mijn zegen. In geval het hierbijgevoegde papier niet volgens de wet is geschreven, komt het er zeer weinig op aan, want het is voor niemand van eenig belang dan voor u en voor hem, en mijn verlangen is eenvoudig dat hij, als hij nog leeft, het weinige zal hebben dat ik bezit, en dat, als het anders is, (gelijk ik vrees) gij het dan hebben zult, Ned. Gij zult mijn wensch eerbiedigen, dat weet ik. God zegen u daarvoor, en voor alle uwe vriendschap bovendien voor Samuel Gills.”
“Bunsby,” zeide de kapitein, hem plechtig aansprekende, “wat maakt gij nu daarvan? Daar zit gij, een man die van kindsbeen af zijn hoofd aan stuk heeft gevallen, en er door elke nieuwe barst nieuw verstand in heeft gekregen. Wat maakt gij nu hiervan?”—“Als het gebeurt,” antwoordde Bunsby met buitengewonen spoed, “dat hij dood is, dan is het mijn gevoelen dat hij niet weerom zal komen. Als het gebeurt dat hij nog leeft, dan is het mijn gevoelen dat hij het wel zal doen. Zeg ik dat hij zal? Neen. Waarom niet? Omdat de ondervinding het zal leeren.”—“Bunsby,” zeide kapitein Cuttle, die de uitspraken van zijn vriend des te hooger scheen te achten, naarmate hij het moeielijker vond om er iets van te begrijpen; “Bunsby,” zeide de kapitein met opgetogene bewondering, “gij voert met gemak eene vracht van verstand, waarmee iemand van mijne maat gauw zou verzinken. Maar wat dit testament betreft, ik ben niet voornemens iets met het goed te doen—God bewaar mij—behalve om het voor een meer rechtmatigen eigenaar te bewaren; en ik hoop dat de rechtmatige eigenaar, Sam Gills, nog leeft en nog weerom zal komen, al is het vreemd dat hij geene rapporten heeft gezonden. Wat is nu uw gevoelen er van, Bunsby, om deze papieren weer weg te stouwen en er buitenop te merken, dat zij op dien en dien dag in tegenwoordigheid van John Bunsby en Edward Cuttle zijn geopend?”
Daar Bunsby op de kust vanGroenlandof elders geen bezwaar tegen dit voorstel zag, werd het ten uitvoer gebracht; en de groote man, zijn oog daartoe even vanGroenlandterugroepende, zette zijne handteekening op den omslag, waarbij hij zich, met eigenaardige zedigheid, geheel van het gebruik van kapitale letters onthield. Nadat kapitein Cuttle ook zijne linksche handteekening er op had gezet en het pakje in de ijzeren kist gesloten, verzocht hij zijn gast om zich nog een glas klaar te maken en nog eene pijp te rooken; en insgelijks hetzelfde doende, geraakte hij bij het vuur over[276]het mogelijke lot des ouden instrumentmakers aan het peinzen.
En nu had er eene verrassing plaats van zoo geduchten aard, dat kapitein Cuttle, indien de tegenwoordigheid van Bunsby hem niet had ondersteund, er geheel onder had moeten bezwijken, en van dat noodlottig uur af een verloren man zou zijn geweest.
Hoe de kapitein, zelfs in zijne blijdschap over het ontvangen van zulk een gast, de deur slechts had kunnen toestooten, in plaats van ze te sluiten, aan welk verzuim hij zich inderdaad had schuldig gemaakt, is een van die vragen, die voor altijd punten van bespiegeling moeten blijven, indien men ze niet in beschuldigingen tegen het noodlot wil veranderen. Maar door die ongeslotene deur kwam op dat stille oogenblik de geduchte jufvrouw MacStinger binnenstuiven, met Alexander MacStinger in hare moederlijke armen, en straf en wraak (om niet van Juliana MacStinger en haar broertje Charles, op zijne jeugdige speelplaatsen algemeen als Chowley bekend, te spreken) in haar gevolg. Zij kwam zoo snel en stil, alsof de wind haar uit de buurt der Oost-Indische dokken had overgewaaid, dat kapitein Cuttle haar werkelijk reeds een poosje had aangekeken, eer het kalme gelaat, waarmede hij had zitten peinzen, in een gezicht vol schrik en ontzetting veranderde.
Maar zoodra kapitein Cuttle de volle uitgestrektheid van zijn ongeluk begreep, deed de zucht tot zelfbehoud hem eene poging aanwenden om te vluchten. Naar het deurtje snellende, dat uit het achterkamertje naar het steile keldertrapje voerde, schoot hij met het hoofd vooruit daarbinnen, als een man, die onverschillig voor builen en kneuzingen, zich slechts in de ingewanden der aarde zoekt te verbergen. Zijn dapper voornemen zou hem waarschijnlijk gelukt zijn, zonder de hartelijkheid van Juliana en Chowley, die hem bij de beenen grepen—een van deze lieve kinderen aan ieder been—en hem met een jammerlijk geschreeuw als een wedergevonden vriend begroetten. Ondertusschen had jufvrouw MacStinger, die nooit iets van aanbelang begon zonder eerst haar zoontje Alexander ten onderste boven te keeren, om hem onder het bereik eener batterij van vlugge klappen te brengen, en hem dan neer te zetten om af te koelen, gelijk de lezer hem eens gezien heeft, deze plechtigheid verricht, welke bij deze gelegenheid eene offerande aan de Furiën scheen te zijn; en nadat zij het slachtoffer op den grond had geplaatst, kwam zij op den kapitein af met een gezicht hetwelk Bunsby, die tusschen beiden kwam, met krabben scheen te bedreigen.
Het geschreeuw der twee oudste MacStinger’s en het gehuil van den jeugdigen Alexander maakten dit tooneel nog geduchter; maar eerst toen er weder stilte heerschte, en de kapitein, geweldig zweetende, jufvrouw MacStinger bedeesd stond aan te zien, steeg het ontzettende daarvan ten top.
“O, kapitein Cuttle, kapitein Cuttle!” zeide jufvrouw MacStinger, iets tegen hem schuddende, dat men, als hare sekse niet zoo teer was, hare vuist zou kunnen noemen. “O, kapitein Cuttle, kapitein Cuttle, durft ge mij in het gezicht zien, zonder dat ge door den grond zinkt!”
De kapitein, die er alles behalve manhaftig uitzag, mompelde flauw: “Sta vast!”—“O, ik was wel eene teerhartige zottin, toen ik u onder mijn dak nam, kapitein Cuttle, dat was ik,” riep jufvrouw MacStinger. “Als ik aan de weldaden denk waarmede ik dien man heb overhoopt, en de manier zooals ik mijne kinderen leerde om hem lief te hebben en te eeren alsof hij een vader voor hen was, al was er geen huishoudster, ja zelfs geen commensaal in de straat, of men wist dat ik geld op dien man toelegde met zijn slobberen en flobberen.” Jufvrouw MacStinger gebruikte het laatste woord om het rijm en tot versterking van den nadruk, niet zoozeer om een bepaald denkbeeld aan te duiden; “en al sprak men er schande van dat hij zoo leefde met eene brave vrouw, vroeg en laat op om voor haar huishouden wat te verdienen, en die haar huis zoo zindelijk houdt, dat iemand van den vloer of van de trap zou kunnen eten, ja zelfs theedrinken als hij wilde, in spijt van al zijn slobberen en flobberen, zooveel moeite gaf ik mij om hem.”
Zij hield even op om eens adem te halen, en triomfeerde er in dat zij des kapiteins flobberen nog eens zoo gelukkig had te pas gebracht.
“En hij loopt vo-o-ort!” riep jufvrouw MacStinger, met een uithaal van het laatste woord, die den ongelukkigen kapitein zich zelven voor den laagsten aller stervelingen deed houden, “enhoudtzich een jaar lang schuil! Voor eene vrouw! Dat doet zijn geweten. Hij durft haar niet onder de oogen komen, maar kruipt weg als een deserteur. Wel, als dat kleine kind van mij,” zeide jufvrouw MacStinger, zeer snel sprekende, “zoo wilde wegkruipen, zou ik als moeder mijn plicht aan hem doen, tot hij bont en blauw was.”
De jeugdige Alexander, die dit als eene stellige belofte opnam, tuimelde van schrik omver, bleef met de schoenzooltjes omhoog op den vloer liggen en hief zulk een verdoovend geschreeuw aan, dat jufvrouw MacStinger het noodig vond hem op haar arm te nemen, en hem nu en dan, als hij weder uitbarstte, te stillen, door hem te schudden op eene manier, die zijne tandjes scheen te moeten losmaken.
“Een aardig soort van een man is kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, “om zich zoo aan te trekken, dat men er niet van slapen kan, en er van flauw valt, en hem voor dood houdt, en de heele stad op en neer loopt,[277]alsof men gek was, om naar hem te vragen! Een aardig soort van man, ha, ha, ha! Hij is wel zooveel angst en moeite waard, en nog meer. Och Heere, dat is niemendal. Ha, ha, ha! Kapitein Cuttle,” zeide jufvrouw MacStinger, met eene stem vol barsche strengheid, “ik wensch te weten, of gij nu naar huis komt.”
De verschrikte kapitein keek in zijn hoed, alsof hij er niets meer op zag dan dien op te zetten en zich over te geven.
“Kapitein Cuttle,” herhaalde jufvrouw MacStinger op denzelfden vasten toon, “ik wensch te weten of gij nu naar huis komt, mijnheer.”
De kapitein scheen volkomen bereid om mede te gaan, maar mompelde flauw iets van “zooveel leven niet te maken.”—“Ja, ja, ja,” zeide nu Bunsby op een bedaarden toon. “Zachtjes aan, vrouwtje, zachtjes aan!”—“En wie zoudtgijwel wezen, als je belieft!” zeide jufvrouw MacStinger zeer preutsch en statig. “Hebt gij in nommer negen opBrig Placegewoond, mijnheer? Mijn geheugen mag slecht wezen, maar ik geloof toch bij mij niet. Zekere jufvrouw Jollson heeft voor mij in nommer negen gewoond, en misschien ziet ge mij voor haar aan. Dit is de eenige manier waarop ik uwe familiariteit kan verklaren, mijnheer.”—“Kom, kom; zachtjes aan.”
Kapitein Cuttle kon het nauwelijks gelooven, zelfs van dezen grooten man, hoewel hij het met zijne eigene oogen zag; maar Bunsby, stoutmoedig nader komende, sloeg zijn ruigen blauwen arm om jufvrouw MacStinger heen, en vermurwde haar, door de tooverachtige manier waarop hij dit deed, en die weinig woorden sprak—hij zeide niets meer—zoodanig, dat zij, na hem even te hebben aangezien, in tranen wegsmolt, en zeide dat een kind haar nu aankon, zoo had zij haar moed verloren.
Sprakeloos van verbazing zag de kapitein hem die onverbiddelijke vrouw naar den winkel brengen, terugkomen om rum, water en eene kaars te halen, en haar geheel bevredigen, zonder naar het scheen een woord te spreken. Weldra kwam hij nog eens binnenkijken met zijne jas aan en zeide: “Cuttle, ik ga ze als convooi naar huis brengen”; en met meer verslagenheid, dan wanneer hij zelf in de boeien was gezet om hem veilig naarBrig Placete vervoeren, zag de kapitein de familie vreedzaam aftrekken, met jufvrouw MacStinger aan het hoofd. Hij had nauwelijks tijd om het blikken busje te krijgen, en Juliana, zijne vorige lieveling, en Chowley tersluiks eenig geld in de hand te stoppen, of de houten adelborst werd door allen verlaten, en Bunsby, fluisterende dat hij Ned Cuttle nog eens zou praaien eer hij weder naar boord ging, trok de deur achter zich toe.
Een onrustige twijfel dat hij gedroomd moest hebben of schimmen had gezien, en geene familie van vleesch en bloed, kwelde den kapitein in het eerst toen hij weder naar het achterkamertje ging en zich daar alleen bevond. Daarop volgde een toestand van verrukking, vol onbeperkt geloof aan en onmetelijkebewonderingvoor den gezagvoerder der Voorzichtige Clara.
Toen echter de tijd verliep en Bunsby niet terugkwam, begon de kapitein onaangename twijfelingen van een anderen aard te ontwaren. Of Bunsby arglistig naarBrig Placewas gelokt en daar in hechtenis werd gehouden als gijzelaar voor zijn vriend; in welk geval het den kapitein als man van eer zou voegen hem te verlossen door het opofferen van zijne eigene vrijheid. Of hij door jufvrouw MacStinger aangevallen en overwonnen was, en zich schaamde om zich na zijne nederlaag te vertoonen. Of jufvrouw MacStinger, zich in de ongestadigheid van haar humeur bedenkende, was teruggekeerd om den houten adelborst nog eens aan boord te klampen, en Bunsby veinzende haar een korter weg te willen brengen, de familie in de woestenijen der stad poogde te doen verdwalen. Vooral wat hem, kapitein Cuttle, wel zou voegen, in geval hij nooit meer iets van de MacStinger’s of van Bunsby hoorde, hetgeen, met al die verwonderlijke en onverwachte gebeurtenissen, mogelijk ook wel gebeuren kon.
Hij overlegde dat alles met zich zelven tot hij er moe van werd; en nog kwam er geen Bunsby. Hij maakte zijn bed onder de toonbank op, gereed om er in te kruipen; en nog geen Bunsby. Eindelijk, toen de kapitein hem voor dien avond ten minste had opgegeven en zich had beginnen te ontkleeden, hoorde hij het gerucht van naderende wielen, die voor de deur stilhielden en daarop volgde Bunsby’s aanroep.
De kapitein beefde bij de gedachte dat hij jufvrouw MacStinger niet had kunnen kwijtraken en in die koets terugbracht.
Maar neen. Bunsby had niets anders bij zich dan een grooten koffer, dien hij met eigene handen binnensleepte, en waarop hij, zoodra hij dien had binnengesleept, ging zitten. Kapitein Cuttle herkende daarin den koffer dien hij bij jufvrouw MacStinger aan huis had gelaten, en toen hij, met de kaars in de hand, Bunsby meer oplettend bekeek, meende hij dat deze een nat zeil had, of ronduit gezegd, dronken was. Het was echter moeielijk hiervan zeker te zijn, daar de kommandant, wanneer hij nuchter was, toch geen het minste spoor van uitdrukking in zijn gezicht had.
“Cuttle,” zeide Bunsby, van den koffer opstaande en het deksel openende, “is dat uwe plunje?”
Kapitein Cuttle keek in den koffer en herkende zijn eigendom.
“Tamelijk knap geklaard, niet waar, scheepskameraad?” zeide Bunsby.[278]
De dankbare en verbijsterde kapitein vatte hem bij de hand en wilde zijn gevoel in een opgetogen antwoord lucht geven, toen Bunsby zich met een ruk losmaakte en eene poging scheen te doen om met zijn draaiend oog te lonken, waarvan het eenige gevolg, in zijn toestand, was dat hij zijne balans kwijtraakte en bijna omver tuimelde. Toen deed hij onverwacht de deur open en streek heen om met allen spoed de voorzichtige Clara weder op te zoeken—hetgeen men voor zijne vaste gewoonte hield, wanneer hij begreep dat hij bijzonder had uitgemunt.
Daar het hem niet beviel als men hem te dikwijls opzocht, besloot kapitein Cuttle niet naar hem toe te gaan of iemand naar hem te zenden, voordat hij zijn genadig welgevallen in dit opzicht had laten weten, of er ten minste eenige tijd verloopen was. De kapitein hervatte dus den volgenden morgen zijn eenzaam leven, en dacht vele ochtenden, middagen en avonden diepzinnig na over Sam Gills en de hoop op zijne terugkomst. Dit vele denken versterkte hem in die hoop; en hij vermaakte zich dikwijls met naar den instrumentmaker aan de deur te staan wachten—gelijk hij nu, in zijne zonderlinge vrijheid durfde doen—en zijn stoel op de gewone plaats te zetten, en alles in het achterkamertje te schikken gelijk het placht te zijn, ingeval hij onverwacht thuis mocht komen. Hij was ook behoedzaam genoeg om zeker miniatuurtje van Walter als een schoolknaap van den gewonen spijker te nemen, opdat het den ouden man bij zijne terugkomst niet zou schokken. De kapitein had somtijds ook een voorgevoel dat hij op dien of dien dag zou komen; en op zekeren zondag bestelde hij zelfs eene dubbele portie eten, zoo vast rekende hij er op. Maar de oude Samuel kwam toch niet; en de buren raakten er aan gewoon dat de varensman met den blinkenden hoed des avonds aan de deur stond en de straat op- en afkeek.