XXXVIII.

[Inhoud]XXXVIII.JUFVROUW TOX ZOEKT EENE OUDE KENNIS OP.De verlatene jufvrouw Tox, door hare vriendin Louisa Chick verzaakt, en geheel van Dombey’s gunst beroofd—want geen paar keurige kaartjes van huwelijkscommunicatie, met een zilveren draadje vereenigd, versierde den schoorsteenspiegel opPrincess’s Place, of de piano, of een ander dier plaatsen van tentoonstelling, waar Lucretia met zulke schatten pronkte—gaf zich een tijd lang aan zwaarmoedigheid over. Zoolang werd de piano niet gehoord, werden de bloemen verwaarloosd en verzamelde zich het stof op het miniatuurtje van haar voorvader met het gepoeierde hoofd en het staartje.Jufvrouw Tox was echter niet van een leeftijd of een karakter om zich lang aan nuttelooze droefheid over te geven. Slechts twee snaren der piano waren gesprongen toen de Vogelwals weder door het scheve voorkamertje klonk; slechts ééne geranium werd het slachtoffer van haar verzuim, eer zij weder geregeld elken morgen tusschen hare potten aan het tuinieren ging; de gepoeierde voorvader had niet langer dan zes weken onder een nevel van stof gescholen, toen jufvrouw Tox zijn vriendelijk aangezicht beademde en hem met een lapje zeem af boende.Evenwel was jufvrouw Tox eenzaam en met zich zelve verlegen. Hare aandoeningen, op[265]welke belachelijke manier zij die ook toonde, waren echt en krachtig, en zij was gelijk zij het uitdrukte, diep gekwetst door de onverdiende bejegening, die zij van Louisa had ontmoet. Haatdragendheid was echter iets dat in haar karakter geene plaats kon vinden. Indien zij op hare fleemerige manier door het leven was getrippeld zonder eenige bepaalde begrippen te vormen, was zij ook ten minste zoover gekomen zonder eenige bittere hartstochten te koesteren. Het enkele gezicht van Louisa Chick op straat, op een aanmerkelijken afstand, overweldigde hare weekhartigheid eens zoodanig, dat zij terstond bij een pasteibakker de wijk moest nemen, en daar, in een dompig achterkamertje, gewoonlijk aan het verorberen van soep gewijd, en waar eene vette etenslucht heerscht, haar gemoed verlichtte door onbedwongen uit te schreien.Withers, die hem op de trap tegenkwam, stond verbaasd over de witheid van zijne tanden en zijn schitterenden glimlach. (blz. 262).Withers, die hem op de trap tegenkwam, stond verbaasd over de witheid van zijne tanden en zijn schitterenden glimlach.(blz. 262).Over Dombey gevoelde jufvrouw Tox dat zij bijna geene reden van klagen had. Zij koesterde voor de grootheid van dezen heer zulk een diepen eerbied, dat het haar, eens weder van hem verwijderd, te moede was alsof haar afstand altijd onmetelijk was geweest, en het eene uitstekende goedheid van hem geweest was, dat hij haar ooit had willen dulden. Geene vrouw kon, volgens hare meening, voor hem te schoon[266]of te statig zijn. Het was zeer natuurlijk dat hij, als hij eene vrouw zocht, in de hoogste kringen zocht. Met tranen in de oogen drong jufvrouw Tox zich twintigmaal daags deze stelling op. Nooit herinnerde zij zich de stijve trotschheid, waarmede Dombey haar aan zijn gerief en zijne grillen dienstbaar had gemaakt, en haar goedgunstig had veroorloofd eene der oppassters van zijn zoontje te zijn. Zij bedacht alleen, met hare eigene woorden, “dat zij zeer vele gelukkige uren in dat huis had doorgebracht, waaraan zij altijd met streelend genoegen zou moeten denken, en dat zij nooit kon nalaten mijnheer Dombey voor een der waardigste en deftigste mannen te houden.”Evenwel, afgesneden van de onverzoenlijke Louisa, en schuw voor den majoor (dien zij thans eenigszins begon te wantrouwen), vond jufvrouw Tox het zeer onaangenaam niets te weten van hetgeen er in Dombey’s huishouden omging; en daar zij werkelijk de gewoonte had aangenomen om Dombey en Zoon te beschouwen als de spil waarop de geheele wereld draaide, besloot zij, liever dan onkundig te blijven van dingen waarin zij zooveel belang stelde, hare oude kennis jufvrouw Richards weder op te zoeken, van welke zij, sedert hare laatste gedenkwaardige verschijning voor Dombey, wist, dat zij somtijds nog gemeenschap met zijne dienstboden hield. Misschien had jufvrouw Tox, toen zij de familie Toodle ging opzoeken, in hare borst ook het teedere verlangen verborgen, om iemand te hebben met welke zij over mijnheer Dombey kon praten, hoe nederig van stand die persoon dan ook mocht wezen.Hoe dit zij, op zekeren avond richtte jufvrouw Tox hare schreden naar de woning der Toodle’s, juist op een tijd toen Toodle, gezwart en met asch bedekt, zich in den schoot van zijn gezin met theedrinken verkwikte. Toodle had slechts drie trappen van aanzijn. Hij zat zich òf in den zoo even gemelden schoot te verkwikken, òf hij vloog met eene vaart van vijf en twintig tot vijftig mijlen in het uur het land door, òf hij lag zijne vermoeienis uit te slapen. Hij was altijd in een wervelwind of in eene kalmte, en in beide toestanden was hij een vergenoegd, goedhartig en zachtzinnig man, die al zijn recht op blazen en bruisen aan de machines, welke hij stookte, scheen te hebben overgedaan, welke dan ook hijgden, snoven en proestten en hare krachten versleten, terwijl Toodle een vreedzaam, gelijkmatig leven leidde.“Polly, meidlief,” zeide Toodle, met een jongen Toodle op elke knie, twee die voor hem thee schonken en nog een aantal in het rond—Toodle had nooit gebrek aan kinderen, maar hield er altijd genoeg bij de hand—“gij hebt Biler binnen kort niet gezien, hebt ge wel?”—“Neen,” antwoordde Polly. “Maar ik ben zoo goed als zeker dat hij van avond zal aankomen. Het is juist zijn dag vandaag en hij komt heel geregeld.”—“Ik denk,” zeide Toodle, met nog meer smaak voortkauwende, “dat onze Biler het tegenwoordig haast zoo goed maakt als een jongen het maken kan, niet waar, Polly?”—“O, hij maakt het heerlijk,” was het antwoord.—“En hij is niet achterhoudend geworden—is hij wel, Polly?” vroeg Toodle wederom.—“Neen!” antwoordde zijne vrouw stoutweg.—“Ik ben blij dat hij niet achterhoudend wordt,” zeide Toodle langzaam en bedenkelijk, terwijl hij brokken boterham met een knipmes naar binnen duwde, alsof hij zich zelven stookte; “want dat staat nooit goed—doet het wel, Polly?”—“Wel zeker niet, vader. Hoe kunt gij dat vragen?”—“Ziet ge wel, jongens en meisjes,” zeide Toodle, in het rond kijkende, “wat gij op eene eerlijke manier moogt beginnen of doen, ik ben van gedachten dat gij nooit beter dan rondborstig kunt zijn. Als gij ooit in doorsnijdingen of tunnels komt, speelt dan nooit schuilhoekje. Laat uwe fluit hooren en iedereen weten waar ge zijt.”De opwassende Toodle’s lieten een schel gemurmel hooren, om aan te duiden dat zij den vaderlijken raad ter harte zouden nemen.“Maar wat doet u dat zoo van Rob zeggen, vader?” vroeg zijne vrouw bekommerd.—“Polly, oudje,” antwoordde hij, “ik weet niet dat ik dat zoo bijzonder van Rob zeide. Het komt mij maar bij Rob in het hoofd. Als ik aan een zijtak kom, dan kijk ik den weg op, wat ik daar zie, en dan krijg ik daardoor een aantal gedachten in het hoofd eer ik weet waar zij vandaan komen. Iemands gedachten zijn net als een draaischijf; zij loopen naar alle kanten.”Deze diepzinnige gedachte spoelde Toodle met eene kom thee door en bevestigde ze vervolgens met nog eene dikke boterham, ondertusschen zijne dochters gelastende om den trekpot vol te houden, daar hij ongemeen droog was en vrij wat kommetjes zou noodig hebben eer zijn dorst was gelescht.Terwijl hij zijn eigen trek verzadigde, vergat Toodle echter de jeugdige spruiten om hem heen niet, die, hoewel zij hun avondeten reeds op hadden, nog naar afvalletjes stonden uit te kijken, die altijd nog beter smaakten. Deze deelde hij dan ook van tijd tot tijd rond, in de gedaante van groote hompen brood, die hij in het rond liet afbijten, terwijl hij ieder op zijne beurt met een lepel van zijne thee liet proeven; welke versnaperingen de jeugdige Toodle’s zoo bijzonder smaakten, dat zij telkens na het rondgaan der uitdeeling een vreugdedans uitvoerden, op een been hinkten, haasje-over sprongen, en zich aan andere springende vreugdeblijken overgaven. Nadat zij aldus hunne opgewondenheid hadden lucht gegeven, sloten[267]zijlangzamerhandweder een kring om den vader en bleven hem strak staan aankijken, hoewel zij veinsden niets meer van de boterhammen of de thee te verwachten, maar over geheel andere dingen vertrouwelijk onder elkander te fluisteren.Terwijl Toodle zijne kinderen aldus een geducht voorbeeld van eetlust gaf, en tevens de twee jeugdige Toodle’s op zijne knieën met een expressen trein naarBirminghambracht, trad Rob de Slijper met zijn flaphoed en zijn rouwpak binnen, en dadelijk stoven al zijne broertjes en zusjes naar hem toe.“Wel, moeder, hoe gaat het?” zeide Rob, haar een kus gevende.—“Daar is mijn jongen!” zeide Polly, hem op den rug kloppende. “Achterhoudend! Wel Heere neen, vader, hij niet!”Dit was voor baas Toodle in het bijzonder bestemd, maar Rob de Slijper, wiens geweten niet zuiver was, ving de woorden op.“Wat, heeft vader alweer wat van mij gezegd?” riep de gekrenkte onnoozelheid uit. “Och, wat is het toch hard als een jongen eens een beetje los is geweest, dat zijn vader dat dan altijd achter zijn rug in zijn gezicht moet smijten. Het is genoeg,” zeide Rob, in zijne zielesmart tot zijne mouw de toevlucht nemende, “om te maken dat hij van spijt weer op hol gaat.”—“Mijn arme jongen!” zeide Polly. “Vader heeft er niets mee gemeend.”—“Als vader niets meende,” snikte de arme Slijper, “wat behoefde hij dan iets te zeggen, moeder? Niemand denkt half zoo slecht over mij als mijn eigen vader doet. Hoe onnatuurlijk! Ik wenschte dat iemand mij maar den kop afhakte. Vader zou dat niet kunnen schelen, geloof ik; en ik had veel liever dat hij dat deed dan dat andere.”Op deze wanhopige woorden begonnen al de jeugdige Toodle’s te gillen; een aandoenlijk tooneel, waarvan de Slijper den indruk nog vergrootte door hen ironisch te bezweren om niet om hem te huilen, want dat zij een hekel aan hem moesten hebben als zij zoete kinderen waren, hetgeen de jongste Toodle op een na zoodanig trof, dat de adem hem begaf en hij zoo blauw in zijn gezicht werd, dat de oude Toodle hem van ontsteltenis naar de waterton droeg, en hem onder de kraan zou hebben gehouden, indien het gezicht van dit geneesmiddel hem niet had doen bekomen.Toen het zoo erg liep, gaf baas Toodle eene opheldering, die zijn zoon tot kalmte bracht, waarna men elkander de hand gaf en de harmonie hersteld was.“Wilt gij met mij mee doen, Biler, mijn jongen?” zeide zijn vader, met vernieuwde krachten aan zijn maaltijd gaande.—“Neen, vader, bedankt. Meester en ik hebben al samen thee gehad.”—“En hoe maakt het meester, Rob?” zeide Polly.—“Wel, ik weet het niet moeder; niet veel om op te roemen. Er gaat niets in den winkel om, ziet ge. Hij schijnt er ook niets van te weten, de kapitein. Er kwam nog vandaag een man in den winkel en zeide: “Ik heb een ge weet wel noodig,” een lang en wonderlijk woord was het. “Een wat?” zeide de kapitein. “Een zoo en zoo,” zeide de man. “Broertje,” zeide de kapitein toen, “wilt gij eens observatie doen in het rond?” “Wel,” zeide de man, “dat heb ik gedaan.” “En ziet gij niet wat gij noodig hebt?” zeide de kapitein. “Neen, dat doe ik niet,” zeide de man. “Maar kent gij zulk een ding wel als gij het ziet?” zeide de kapitein. “Neen, dat doe ik niet,” zeide de man. “Wel, dan zal ik u eerst wat zeggen, mijn jongen,” zeide de kapitein, “ga dan liever weerom en vraag hoe zulk een ding er uitziet,want ik weet het ook niet.””—“Dat is toch de manier niet om geld te verdienen, is het wel?” zeide Polly.—“Geld verdienen, moeder? Dat zal hij nooit. Hij is zoo wonderlijk als ik nooit iemand gezien heb. Als meester is hij evenwel zoo kwaad niet, dat moet ik van hem zeggen. Maar dat kan mij niet veel schelen, want ik denk niet dat ik lang bij hem zal blijven.”—“Niet in uwe betrekking blijven, Rob!” riep zijne moeder uit, terwijl baas Toodle zijne oogen wijd opendeed.—“Niet in die betrekking blijven, misschien,” zeide de Slijper knipoogende. “Het zou mij niet verwonderen—vrienden aan het hof, weet ge wel—maar vraag nu maar niet meer, moeder; ik weet wat ik weet, anders niet.”Het onloochenbare bewijs, hetwelk deze geheimzinnige wenken gaven, dat Rob niet onderhevig was aan het gebrek dat zijn vader hem bewimpeld had toegeschreven, had misschien tot eene vernieuwing dier grievende beschuldiging en tot nieuwe opschudding kunnen leiden, als er niet, tot Polly’s groote verwondering, een ander bezoek was gekomen. Het was jufvrouw Tox, die in de deur bleef staan en met een minzaam glimlachje rondkeek.Het goedige gezicht van jufvrouw Richards bood haar eene gulle welkomst; jufvrouw Tox nam den aangeboden stoel, op weg daarheen baas Toodle een vriendelijk knikje van herkenning schenkende, strikte haar hoed los, en zeide dat zij eerst de lieve kinderen moest verzoeken om haar van den eersten tot den laatsten een kus te komen geven.De beklagenswaardige jongste Toodle op een na, die, naar de menigte zijner kinderlijke rampen te oordeelen, onder eene ongelukkige planeet geboren scheen, werd daardoor verhinderd in deze ceremonie zijne rol te spelen, dat hij Rob’s flaphoed (waarmede hij had gespeeld) juist zoo diep ten achterste voren had opgezet, dat hij hem niet weder kon afnemen; welk onheil zijne verschrikte verbeelding het akelige vooruitzicht[268]voorhield om het overige van zijn leven in gestadige duisternis en hopelooze afzondering van zijne vrienden en familie te moeten slijten, en hem dus, onder het uiten van gesmoorde kreten, geweldig deed spartelen. Toen hij verlost was, ontdekte men een gloeiend rood en erg behuild gezicht, en nam jufvrouw Tox hem op haar schoot.“Gij zijt mij haast vergeten, mijnheer, durf ik wel zeggen,” zeide jufvrouw Tox tot baas Toodle.—“Wel neen, jufvrouw; wel neen,” was het antwoord. “Maar wij zijn sedert allemaal een beetje ouder geworden.”—“En hoe gaat het u tegenwoordig?” vroeg jufvrouw Tox zoetsappig.—“Frisch en wel, jufvrouw, dankje,” antwoordde Toodle. “En hoe gaat hetu, jufvrouw? Blijft de rheumatiek nog al weg, jufvrouw? Die moeten we toch wachten allemaal te krijgen, als wij op jaren komen.”—“Wel bedankt,” zeide jufvrouw Tox. “Ik heb nog geen ongemak van die kwaal gevoeld.”—“Dan zijt ge wel gelukkig, jufvrouw,” hervatte Toodle. “Vele menschen op uwe jaren zijn martelaren daaraan. Daar was mijne moeder.…” Maar een wenk van zijne vrouw opvangende, was Toodle verstandig genoeg om het overige in nog eene kom thee te verdrinken.—“Gij wilt toch niet zeggen, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, Rob aanziende, “dat dit uw.…”—“Mijn oudste is, jufvrouw!” zeide Polly. “Ja, dat is hij, jufvrouw. Dat kleine kereltje, dat de onschuldige oorzaak van zooveel is geweest.”—“Dit hier, jufvrouw,” zeide Toodle, “is hij met de korte beentjes, en zij waren,” vervolgde hij, met zekere aandoening in zijn toon, “buitengemeen kort voor eene korte leeren broek—toen mijnheer Dombey een Slijper van hem maakte.”Deze herinnering overweldigde jufvrouw Tox bijna, en het onderwerp daarvan kreeg terstond iets bijzonder belangwekkends voor haar. Zij verzocht hem de hand te mogen geven, en maakte zijne moeder een compliment over zijn vrijmoedig, openhartig uitzicht. Rob, dit hoorende, poogde een gezicht te zetten dat deze lofspraak rechtvaardigde, maar het was eigenlijk het rechte gezicht niet.“En nu, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, “en gij ook, mijnheer,” zich naar Toodle keerende, “zal ik u eens ronduit zeggen waarom ik hier ben gekomen. Gij zult wel weten, jufvrouw Richards—en gij zult mogelijk ook wel weten, mijnheer—dat er eene kleine verwijdering is ontstaan tusschen mij en eenige vrienden, waar ik veel aan huis placht te komen, en nu niet meer aan huis kom.”Polly, die dit met vrouwelijke tact dadelijk begreep, gaf zulks met een blik te kennen. Toodle, die geen het minste denkbeeld had waar jufvrouw Tox van sprak, drukte dit insgelijks door zijn staren uit.“Het is natuurlijk van geen belang, en er behoeft dus niet van gesproken te worden,” hervatte jufvrouw Tox, “hoe de kleine verkoeling is ontstaan. Het zal genoeg zijn als ik zeg, dat ik nog de grootste achting voor mijnheer Dombey heb,” hier haperde hare stem, “en het grootste belang stel in al wat hem aangaat.”Toodle, nu ingelicht, schudde zijn hoofd en zeide, dat hij wel had hooren zeggen, en wat hem betrof ook zelf wel dacht, dat mijnheer Dombey een ongemakkelijk heerschap was.“O, zeg dat niet, mijnheer, als het u belieft,” antwoordde jufvrouw Tox daarop. “Laat ik u mogen bidden om zoo niet te spreken, mijnheer, hetzij nu of later. Zulke aanmerkingen kunnen mij niet anders dan zeer smartelijk zijn, en kunnen ook eengentleman, die het hart zoo geplaatst heeft als ik overtuigd ben dat het uwe is, geene duurzame zelfvoldoening geven!”Toodle, die er niet het minste aan had getwijfeld of zijn gezegde zou met eene toestemming worden beantwoord, was geheel verslagen.“Al wat ik te zeggen heb, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, “en ik richt mij ook tot u, mijnheer—is dit. Dat alle berichten van de omstandigheden der familie, van het welzijn der familie, van de gezondheid der familie, die u ter oore komen, mij zeer welkom zullen zijn. Dat het mij altijd verheugen zal eens met jufvrouw Richards over de familie en den ouden tijd te keuvelen. En daar jufvrouw Richards en ik nooit het minste verschil hebben gehad (schoon ik nu wel wenschte dat wij elkander beter hadden gekend—maar ik heb daar geen schuld aan) hoop ik dat zij er niet tegen zal hebben dat wij nu heele goede vrienden worden, en dat ik nu en dan hier eens aankom zonder voor eene vreemde te worden gehouden. Ik hoop waarlijk, jufvrouw Richards, dat ge dit zult opvatten zooals ik het meen, als een goedhartig schepsel, gelijk gij altijd zijt geweest.”Polly was hierdoor gevleid en liet dit ook blijken. Toodle wist niet of hij gevleid was of niet, en bewaarde zijne botte kalmte.“Gij ziet wel, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox verder—“en ik hoop gij ziet het ook, mijnheer—er zijn vele manieren waarop ik u in kleinigheden van dienst kan zijn, en dat ook gaarne doen zal, als gij mij maar niet voor eene vreemde wilt houden. Bij voorbeeld, ik kan uwe kinderen wat leeren. Ik zal eenige boekjes meebrengen, als gij er niet tegen hebt, en wat werk, en dan zullen zij nu en dan op een avond leeren—o Heere, zij zullen heel veel leeren, vertrouw ik, en hunne meesteres eer aandoen.”Toodle, die een grooten eerbied voor geleerdheid had, knikte zijne vrouw goedkeurend toe en wreef vergenoegd in zijne handen.“Als ik dan voor geene vreemde word gehouden, zal ik niemand in den weg zijn,” vervolgde[269]jufvrouw Tox, “en zal alles net zoo voortgaan alsof ik er niet was. Jufvrouw Richards zal naaien, of strijken, of haar kleintje helpen, of wat het ook wezen mag, zonder zich aan mij te storen; en gij zult ook eene pijp rooken, als gij er trek in hebt niet waar, mijnheer?”—“Bedankt, jufvrouw,” zeide Toodle. “Ja, ik zal tusschenbeiden eens opsteken.”—“Heel goed van u, dat zoo te zeggen, mijnheer,” antwoordde jufvrouw Tox, “en ik mag u nu oprecht verzekeren, dat het mij een groot genoegen zal zijn, en dat wat ik ook voor de kinderen zal mogen doen, gij er mij meer dan voor betalen zult, als gij goed willig en eenvoudig deze afspraak aanneemt, zonder er een woord meer over te zeggen.”Het verdrag werd dadelijk bekrachtigd; en jufvrouw Tox gevoelde zich reeds zoo thuis, dat zij zonder uitstel een voorloopig examen van de kinderen hield—waarbij Toodle bewonderend toeluisterde—en hunne namen, jaren en kundigheden op een stukje papier aanteekende. Door deze ceremonie en het daaropvolgende gekeuvel werd de tijd gerekt tot na het gewone uur van naar bed gaan, en bleef jufvrouw Tox bij den haard der Toodle’s zitten, tot het te laat voor haar was om alleen naar huis te gaan. Daar echter de welgemanierde Slijper er nog was, bood hij beleefdelijk aan om haar te begeleiden; en daar het voor jufvrouw Tox wel iets van belang was naar huis gebracht te worden door een jongeling, die door mijnheer Dombey het eerst in dat mannelijke kleedingstuk was gestoken, waarvan zij zelden den naam uitsprak, nam zij dit voorstel gereedelijk aan.Na Polly en Toodle de hand gegeven en al de kinderen gekust te hebben, verliet jufvrouw Tox, een uitmuntenden indruk nalatende, het huis met zulk een licht hart, dat mevrouw Chick er zich misschien over geërgerd zou hebben, als die goede vrouw het had kunnen wegen.Rob de Slijper had uit bescheidenheid achter haar willen blijven, maar jufvrouw Tox verlangde dat hij naast haar zou gaan om met elkander te kunnen praten, en “hoorde hem onderweg eens wat uit,” gelijk zij naderhand tot zijne moeder zeide.Bij dit uithooren kwam er zooveel moois voor den dag, dat jufvrouw Tox zeer met hem was ingenomen. Er was nooit beter en meer belovend, nooit hartelijker, degelijker, voorzichtiger, eerlijker, nuchterder, zachtzinniger en oprechter jonkman geweest, dan toen Rob zich op dien avond liet uithooren.“Het doet mij waarlijk veel genoegen dat ik u ken,” zeide jufvrouw Tox, toen zij aan hare eigene deur gekomen was. “Ik hoop dat ge mij als uwe vriendin zult beschouwen en mij zoo dikwijls komen opzoeken als gij wilt. Hebt ge ook een spaarpot?”“Ja, jufvrouw,” antwoordde Rob; “ik bewaar mijn geld, tegen dat ik genoeg heb om het in de bank te zetten, jufvrouw.”—“Zeer prijselijk,” zeide jufvrouw Tox. “Het doet mij genoegen dat te hooren. Steek er dan die halve kroon ook in, als het u belieft.”—“O, wel bedankt, jufvrouw,” antwoordde Rob, “maar ik kan er waarlijk niet aan denken om er u mee te ontrieven.”—“Ik prijs uwe zucht voor onafhankelijkheid,” zeide jufvrouw Tox; “maar gij ontrieft mij niet, dat verzeker ik u. Ik zal er boos om worden als gij ze niet aanneemt, als een bewijs van mijn goeden wil. Goedennacht, Robin.”—“Goedennacht, jufvrouw,” zeide Rob, “en wel bedankt.”Hij liepgrinnikendheen om het stuk geld te wisselen, en verdobbelde het toen bij een taartjesman. Maar in de Slijpersschool leerde men ook geen eergevoel; het daar heerschende stelsel was bijzonder geschikt om huichelarij aan te kweeken; zoozeer dat vele betrekkingen en meesters van gewezen Slijpers zeiden: “Als het dat is wat er van de opvoeding van den gemeenen man komt, laten wij er dan liever geheel geen hebben.” Sommige, die meer doordachten, zeiden: “laten wij eene betere hebben.” Maar het bestuur van het Slijpers Gild was voorhenaltijd klaar, door eenige jongens uit te zoeken die, in weerwil van het stelsel, goed waren uitgevallen, en stoutweg te beweren, dat zij alleen ten gevolge van het stelsel zoo uitgevallen waren. Dit maakte dan die vitters beschaamd, en bevestigde den roem van het Slijpers Gild.

[Inhoud]XXXVIII.JUFVROUW TOX ZOEKT EENE OUDE KENNIS OP.De verlatene jufvrouw Tox, door hare vriendin Louisa Chick verzaakt, en geheel van Dombey’s gunst beroofd—want geen paar keurige kaartjes van huwelijkscommunicatie, met een zilveren draadje vereenigd, versierde den schoorsteenspiegel opPrincess’s Place, of de piano, of een ander dier plaatsen van tentoonstelling, waar Lucretia met zulke schatten pronkte—gaf zich een tijd lang aan zwaarmoedigheid over. Zoolang werd de piano niet gehoord, werden de bloemen verwaarloosd en verzamelde zich het stof op het miniatuurtje van haar voorvader met het gepoeierde hoofd en het staartje.Jufvrouw Tox was echter niet van een leeftijd of een karakter om zich lang aan nuttelooze droefheid over te geven. Slechts twee snaren der piano waren gesprongen toen de Vogelwals weder door het scheve voorkamertje klonk; slechts ééne geranium werd het slachtoffer van haar verzuim, eer zij weder geregeld elken morgen tusschen hare potten aan het tuinieren ging; de gepoeierde voorvader had niet langer dan zes weken onder een nevel van stof gescholen, toen jufvrouw Tox zijn vriendelijk aangezicht beademde en hem met een lapje zeem af boende.Evenwel was jufvrouw Tox eenzaam en met zich zelve verlegen. Hare aandoeningen, op[265]welke belachelijke manier zij die ook toonde, waren echt en krachtig, en zij was gelijk zij het uitdrukte, diep gekwetst door de onverdiende bejegening, die zij van Louisa had ontmoet. Haatdragendheid was echter iets dat in haar karakter geene plaats kon vinden. Indien zij op hare fleemerige manier door het leven was getrippeld zonder eenige bepaalde begrippen te vormen, was zij ook ten minste zoover gekomen zonder eenige bittere hartstochten te koesteren. Het enkele gezicht van Louisa Chick op straat, op een aanmerkelijken afstand, overweldigde hare weekhartigheid eens zoodanig, dat zij terstond bij een pasteibakker de wijk moest nemen, en daar, in een dompig achterkamertje, gewoonlijk aan het verorberen van soep gewijd, en waar eene vette etenslucht heerscht, haar gemoed verlichtte door onbedwongen uit te schreien.Withers, die hem op de trap tegenkwam, stond verbaasd over de witheid van zijne tanden en zijn schitterenden glimlach. (blz. 262).Withers, die hem op de trap tegenkwam, stond verbaasd over de witheid van zijne tanden en zijn schitterenden glimlach.(blz. 262).Over Dombey gevoelde jufvrouw Tox dat zij bijna geene reden van klagen had. Zij koesterde voor de grootheid van dezen heer zulk een diepen eerbied, dat het haar, eens weder van hem verwijderd, te moede was alsof haar afstand altijd onmetelijk was geweest, en het eene uitstekende goedheid van hem geweest was, dat hij haar ooit had willen dulden. Geene vrouw kon, volgens hare meening, voor hem te schoon[266]of te statig zijn. Het was zeer natuurlijk dat hij, als hij eene vrouw zocht, in de hoogste kringen zocht. Met tranen in de oogen drong jufvrouw Tox zich twintigmaal daags deze stelling op. Nooit herinnerde zij zich de stijve trotschheid, waarmede Dombey haar aan zijn gerief en zijne grillen dienstbaar had gemaakt, en haar goedgunstig had veroorloofd eene der oppassters van zijn zoontje te zijn. Zij bedacht alleen, met hare eigene woorden, “dat zij zeer vele gelukkige uren in dat huis had doorgebracht, waaraan zij altijd met streelend genoegen zou moeten denken, en dat zij nooit kon nalaten mijnheer Dombey voor een der waardigste en deftigste mannen te houden.”Evenwel, afgesneden van de onverzoenlijke Louisa, en schuw voor den majoor (dien zij thans eenigszins begon te wantrouwen), vond jufvrouw Tox het zeer onaangenaam niets te weten van hetgeen er in Dombey’s huishouden omging; en daar zij werkelijk de gewoonte had aangenomen om Dombey en Zoon te beschouwen als de spil waarop de geheele wereld draaide, besloot zij, liever dan onkundig te blijven van dingen waarin zij zooveel belang stelde, hare oude kennis jufvrouw Richards weder op te zoeken, van welke zij, sedert hare laatste gedenkwaardige verschijning voor Dombey, wist, dat zij somtijds nog gemeenschap met zijne dienstboden hield. Misschien had jufvrouw Tox, toen zij de familie Toodle ging opzoeken, in hare borst ook het teedere verlangen verborgen, om iemand te hebben met welke zij over mijnheer Dombey kon praten, hoe nederig van stand die persoon dan ook mocht wezen.Hoe dit zij, op zekeren avond richtte jufvrouw Tox hare schreden naar de woning der Toodle’s, juist op een tijd toen Toodle, gezwart en met asch bedekt, zich in den schoot van zijn gezin met theedrinken verkwikte. Toodle had slechts drie trappen van aanzijn. Hij zat zich òf in den zoo even gemelden schoot te verkwikken, òf hij vloog met eene vaart van vijf en twintig tot vijftig mijlen in het uur het land door, òf hij lag zijne vermoeienis uit te slapen. Hij was altijd in een wervelwind of in eene kalmte, en in beide toestanden was hij een vergenoegd, goedhartig en zachtzinnig man, die al zijn recht op blazen en bruisen aan de machines, welke hij stookte, scheen te hebben overgedaan, welke dan ook hijgden, snoven en proestten en hare krachten versleten, terwijl Toodle een vreedzaam, gelijkmatig leven leidde.“Polly, meidlief,” zeide Toodle, met een jongen Toodle op elke knie, twee die voor hem thee schonken en nog een aantal in het rond—Toodle had nooit gebrek aan kinderen, maar hield er altijd genoeg bij de hand—“gij hebt Biler binnen kort niet gezien, hebt ge wel?”—“Neen,” antwoordde Polly. “Maar ik ben zoo goed als zeker dat hij van avond zal aankomen. Het is juist zijn dag vandaag en hij komt heel geregeld.”—“Ik denk,” zeide Toodle, met nog meer smaak voortkauwende, “dat onze Biler het tegenwoordig haast zoo goed maakt als een jongen het maken kan, niet waar, Polly?”—“O, hij maakt het heerlijk,” was het antwoord.—“En hij is niet achterhoudend geworden—is hij wel, Polly?” vroeg Toodle wederom.—“Neen!” antwoordde zijne vrouw stoutweg.—“Ik ben blij dat hij niet achterhoudend wordt,” zeide Toodle langzaam en bedenkelijk, terwijl hij brokken boterham met een knipmes naar binnen duwde, alsof hij zich zelven stookte; “want dat staat nooit goed—doet het wel, Polly?”—“Wel zeker niet, vader. Hoe kunt gij dat vragen?”—“Ziet ge wel, jongens en meisjes,” zeide Toodle, in het rond kijkende, “wat gij op eene eerlijke manier moogt beginnen of doen, ik ben van gedachten dat gij nooit beter dan rondborstig kunt zijn. Als gij ooit in doorsnijdingen of tunnels komt, speelt dan nooit schuilhoekje. Laat uwe fluit hooren en iedereen weten waar ge zijt.”De opwassende Toodle’s lieten een schel gemurmel hooren, om aan te duiden dat zij den vaderlijken raad ter harte zouden nemen.“Maar wat doet u dat zoo van Rob zeggen, vader?” vroeg zijne vrouw bekommerd.—“Polly, oudje,” antwoordde hij, “ik weet niet dat ik dat zoo bijzonder van Rob zeide. Het komt mij maar bij Rob in het hoofd. Als ik aan een zijtak kom, dan kijk ik den weg op, wat ik daar zie, en dan krijg ik daardoor een aantal gedachten in het hoofd eer ik weet waar zij vandaan komen. Iemands gedachten zijn net als een draaischijf; zij loopen naar alle kanten.”Deze diepzinnige gedachte spoelde Toodle met eene kom thee door en bevestigde ze vervolgens met nog eene dikke boterham, ondertusschen zijne dochters gelastende om den trekpot vol te houden, daar hij ongemeen droog was en vrij wat kommetjes zou noodig hebben eer zijn dorst was gelescht.Terwijl hij zijn eigen trek verzadigde, vergat Toodle echter de jeugdige spruiten om hem heen niet, die, hoewel zij hun avondeten reeds op hadden, nog naar afvalletjes stonden uit te kijken, die altijd nog beter smaakten. Deze deelde hij dan ook van tijd tot tijd rond, in de gedaante van groote hompen brood, die hij in het rond liet afbijten, terwijl hij ieder op zijne beurt met een lepel van zijne thee liet proeven; welke versnaperingen de jeugdige Toodle’s zoo bijzonder smaakten, dat zij telkens na het rondgaan der uitdeeling een vreugdedans uitvoerden, op een been hinkten, haasje-over sprongen, en zich aan andere springende vreugdeblijken overgaven. Nadat zij aldus hunne opgewondenheid hadden lucht gegeven, sloten[267]zijlangzamerhandweder een kring om den vader en bleven hem strak staan aankijken, hoewel zij veinsden niets meer van de boterhammen of de thee te verwachten, maar over geheel andere dingen vertrouwelijk onder elkander te fluisteren.Terwijl Toodle zijne kinderen aldus een geducht voorbeeld van eetlust gaf, en tevens de twee jeugdige Toodle’s op zijne knieën met een expressen trein naarBirminghambracht, trad Rob de Slijper met zijn flaphoed en zijn rouwpak binnen, en dadelijk stoven al zijne broertjes en zusjes naar hem toe.“Wel, moeder, hoe gaat het?” zeide Rob, haar een kus gevende.—“Daar is mijn jongen!” zeide Polly, hem op den rug kloppende. “Achterhoudend! Wel Heere neen, vader, hij niet!”Dit was voor baas Toodle in het bijzonder bestemd, maar Rob de Slijper, wiens geweten niet zuiver was, ving de woorden op.“Wat, heeft vader alweer wat van mij gezegd?” riep de gekrenkte onnoozelheid uit. “Och, wat is het toch hard als een jongen eens een beetje los is geweest, dat zijn vader dat dan altijd achter zijn rug in zijn gezicht moet smijten. Het is genoeg,” zeide Rob, in zijne zielesmart tot zijne mouw de toevlucht nemende, “om te maken dat hij van spijt weer op hol gaat.”—“Mijn arme jongen!” zeide Polly. “Vader heeft er niets mee gemeend.”—“Als vader niets meende,” snikte de arme Slijper, “wat behoefde hij dan iets te zeggen, moeder? Niemand denkt half zoo slecht over mij als mijn eigen vader doet. Hoe onnatuurlijk! Ik wenschte dat iemand mij maar den kop afhakte. Vader zou dat niet kunnen schelen, geloof ik; en ik had veel liever dat hij dat deed dan dat andere.”Op deze wanhopige woorden begonnen al de jeugdige Toodle’s te gillen; een aandoenlijk tooneel, waarvan de Slijper den indruk nog vergrootte door hen ironisch te bezweren om niet om hem te huilen, want dat zij een hekel aan hem moesten hebben als zij zoete kinderen waren, hetgeen de jongste Toodle op een na zoodanig trof, dat de adem hem begaf en hij zoo blauw in zijn gezicht werd, dat de oude Toodle hem van ontsteltenis naar de waterton droeg, en hem onder de kraan zou hebben gehouden, indien het gezicht van dit geneesmiddel hem niet had doen bekomen.Toen het zoo erg liep, gaf baas Toodle eene opheldering, die zijn zoon tot kalmte bracht, waarna men elkander de hand gaf en de harmonie hersteld was.“Wilt gij met mij mee doen, Biler, mijn jongen?” zeide zijn vader, met vernieuwde krachten aan zijn maaltijd gaande.—“Neen, vader, bedankt. Meester en ik hebben al samen thee gehad.”—“En hoe maakt het meester, Rob?” zeide Polly.—“Wel, ik weet het niet moeder; niet veel om op te roemen. Er gaat niets in den winkel om, ziet ge. Hij schijnt er ook niets van te weten, de kapitein. Er kwam nog vandaag een man in den winkel en zeide: “Ik heb een ge weet wel noodig,” een lang en wonderlijk woord was het. “Een wat?” zeide de kapitein. “Een zoo en zoo,” zeide de man. “Broertje,” zeide de kapitein toen, “wilt gij eens observatie doen in het rond?” “Wel,” zeide de man, “dat heb ik gedaan.” “En ziet gij niet wat gij noodig hebt?” zeide de kapitein. “Neen, dat doe ik niet,” zeide de man. “Maar kent gij zulk een ding wel als gij het ziet?” zeide de kapitein. “Neen, dat doe ik niet,” zeide de man. “Wel, dan zal ik u eerst wat zeggen, mijn jongen,” zeide de kapitein, “ga dan liever weerom en vraag hoe zulk een ding er uitziet,want ik weet het ook niet.””—“Dat is toch de manier niet om geld te verdienen, is het wel?” zeide Polly.—“Geld verdienen, moeder? Dat zal hij nooit. Hij is zoo wonderlijk als ik nooit iemand gezien heb. Als meester is hij evenwel zoo kwaad niet, dat moet ik van hem zeggen. Maar dat kan mij niet veel schelen, want ik denk niet dat ik lang bij hem zal blijven.”—“Niet in uwe betrekking blijven, Rob!” riep zijne moeder uit, terwijl baas Toodle zijne oogen wijd opendeed.—“Niet in die betrekking blijven, misschien,” zeide de Slijper knipoogende. “Het zou mij niet verwonderen—vrienden aan het hof, weet ge wel—maar vraag nu maar niet meer, moeder; ik weet wat ik weet, anders niet.”Het onloochenbare bewijs, hetwelk deze geheimzinnige wenken gaven, dat Rob niet onderhevig was aan het gebrek dat zijn vader hem bewimpeld had toegeschreven, had misschien tot eene vernieuwing dier grievende beschuldiging en tot nieuwe opschudding kunnen leiden, als er niet, tot Polly’s groote verwondering, een ander bezoek was gekomen. Het was jufvrouw Tox, die in de deur bleef staan en met een minzaam glimlachje rondkeek.Het goedige gezicht van jufvrouw Richards bood haar eene gulle welkomst; jufvrouw Tox nam den aangeboden stoel, op weg daarheen baas Toodle een vriendelijk knikje van herkenning schenkende, strikte haar hoed los, en zeide dat zij eerst de lieve kinderen moest verzoeken om haar van den eersten tot den laatsten een kus te komen geven.De beklagenswaardige jongste Toodle op een na, die, naar de menigte zijner kinderlijke rampen te oordeelen, onder eene ongelukkige planeet geboren scheen, werd daardoor verhinderd in deze ceremonie zijne rol te spelen, dat hij Rob’s flaphoed (waarmede hij had gespeeld) juist zoo diep ten achterste voren had opgezet, dat hij hem niet weder kon afnemen; welk onheil zijne verschrikte verbeelding het akelige vooruitzicht[268]voorhield om het overige van zijn leven in gestadige duisternis en hopelooze afzondering van zijne vrienden en familie te moeten slijten, en hem dus, onder het uiten van gesmoorde kreten, geweldig deed spartelen. Toen hij verlost was, ontdekte men een gloeiend rood en erg behuild gezicht, en nam jufvrouw Tox hem op haar schoot.“Gij zijt mij haast vergeten, mijnheer, durf ik wel zeggen,” zeide jufvrouw Tox tot baas Toodle.—“Wel neen, jufvrouw; wel neen,” was het antwoord. “Maar wij zijn sedert allemaal een beetje ouder geworden.”—“En hoe gaat het u tegenwoordig?” vroeg jufvrouw Tox zoetsappig.—“Frisch en wel, jufvrouw, dankje,” antwoordde Toodle. “En hoe gaat hetu, jufvrouw? Blijft de rheumatiek nog al weg, jufvrouw? Die moeten we toch wachten allemaal te krijgen, als wij op jaren komen.”—“Wel bedankt,” zeide jufvrouw Tox. “Ik heb nog geen ongemak van die kwaal gevoeld.”—“Dan zijt ge wel gelukkig, jufvrouw,” hervatte Toodle. “Vele menschen op uwe jaren zijn martelaren daaraan. Daar was mijne moeder.…” Maar een wenk van zijne vrouw opvangende, was Toodle verstandig genoeg om het overige in nog eene kom thee te verdrinken.—“Gij wilt toch niet zeggen, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, Rob aanziende, “dat dit uw.…”—“Mijn oudste is, jufvrouw!” zeide Polly. “Ja, dat is hij, jufvrouw. Dat kleine kereltje, dat de onschuldige oorzaak van zooveel is geweest.”—“Dit hier, jufvrouw,” zeide Toodle, “is hij met de korte beentjes, en zij waren,” vervolgde hij, met zekere aandoening in zijn toon, “buitengemeen kort voor eene korte leeren broek—toen mijnheer Dombey een Slijper van hem maakte.”Deze herinnering overweldigde jufvrouw Tox bijna, en het onderwerp daarvan kreeg terstond iets bijzonder belangwekkends voor haar. Zij verzocht hem de hand te mogen geven, en maakte zijne moeder een compliment over zijn vrijmoedig, openhartig uitzicht. Rob, dit hoorende, poogde een gezicht te zetten dat deze lofspraak rechtvaardigde, maar het was eigenlijk het rechte gezicht niet.“En nu, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, “en gij ook, mijnheer,” zich naar Toodle keerende, “zal ik u eens ronduit zeggen waarom ik hier ben gekomen. Gij zult wel weten, jufvrouw Richards—en gij zult mogelijk ook wel weten, mijnheer—dat er eene kleine verwijdering is ontstaan tusschen mij en eenige vrienden, waar ik veel aan huis placht te komen, en nu niet meer aan huis kom.”Polly, die dit met vrouwelijke tact dadelijk begreep, gaf zulks met een blik te kennen. Toodle, die geen het minste denkbeeld had waar jufvrouw Tox van sprak, drukte dit insgelijks door zijn staren uit.“Het is natuurlijk van geen belang, en er behoeft dus niet van gesproken te worden,” hervatte jufvrouw Tox, “hoe de kleine verkoeling is ontstaan. Het zal genoeg zijn als ik zeg, dat ik nog de grootste achting voor mijnheer Dombey heb,” hier haperde hare stem, “en het grootste belang stel in al wat hem aangaat.”Toodle, nu ingelicht, schudde zijn hoofd en zeide, dat hij wel had hooren zeggen, en wat hem betrof ook zelf wel dacht, dat mijnheer Dombey een ongemakkelijk heerschap was.“O, zeg dat niet, mijnheer, als het u belieft,” antwoordde jufvrouw Tox daarop. “Laat ik u mogen bidden om zoo niet te spreken, mijnheer, hetzij nu of later. Zulke aanmerkingen kunnen mij niet anders dan zeer smartelijk zijn, en kunnen ook eengentleman, die het hart zoo geplaatst heeft als ik overtuigd ben dat het uwe is, geene duurzame zelfvoldoening geven!”Toodle, die er niet het minste aan had getwijfeld of zijn gezegde zou met eene toestemming worden beantwoord, was geheel verslagen.“Al wat ik te zeggen heb, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, “en ik richt mij ook tot u, mijnheer—is dit. Dat alle berichten van de omstandigheden der familie, van het welzijn der familie, van de gezondheid der familie, die u ter oore komen, mij zeer welkom zullen zijn. Dat het mij altijd verheugen zal eens met jufvrouw Richards over de familie en den ouden tijd te keuvelen. En daar jufvrouw Richards en ik nooit het minste verschil hebben gehad (schoon ik nu wel wenschte dat wij elkander beter hadden gekend—maar ik heb daar geen schuld aan) hoop ik dat zij er niet tegen zal hebben dat wij nu heele goede vrienden worden, en dat ik nu en dan hier eens aankom zonder voor eene vreemde te worden gehouden. Ik hoop waarlijk, jufvrouw Richards, dat ge dit zult opvatten zooals ik het meen, als een goedhartig schepsel, gelijk gij altijd zijt geweest.”Polly was hierdoor gevleid en liet dit ook blijken. Toodle wist niet of hij gevleid was of niet, en bewaarde zijne botte kalmte.“Gij ziet wel, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox verder—“en ik hoop gij ziet het ook, mijnheer—er zijn vele manieren waarop ik u in kleinigheden van dienst kan zijn, en dat ook gaarne doen zal, als gij mij maar niet voor eene vreemde wilt houden. Bij voorbeeld, ik kan uwe kinderen wat leeren. Ik zal eenige boekjes meebrengen, als gij er niet tegen hebt, en wat werk, en dan zullen zij nu en dan op een avond leeren—o Heere, zij zullen heel veel leeren, vertrouw ik, en hunne meesteres eer aandoen.”Toodle, die een grooten eerbied voor geleerdheid had, knikte zijne vrouw goedkeurend toe en wreef vergenoegd in zijne handen.“Als ik dan voor geene vreemde word gehouden, zal ik niemand in den weg zijn,” vervolgde[269]jufvrouw Tox, “en zal alles net zoo voortgaan alsof ik er niet was. Jufvrouw Richards zal naaien, of strijken, of haar kleintje helpen, of wat het ook wezen mag, zonder zich aan mij te storen; en gij zult ook eene pijp rooken, als gij er trek in hebt niet waar, mijnheer?”—“Bedankt, jufvrouw,” zeide Toodle. “Ja, ik zal tusschenbeiden eens opsteken.”—“Heel goed van u, dat zoo te zeggen, mijnheer,” antwoordde jufvrouw Tox, “en ik mag u nu oprecht verzekeren, dat het mij een groot genoegen zal zijn, en dat wat ik ook voor de kinderen zal mogen doen, gij er mij meer dan voor betalen zult, als gij goed willig en eenvoudig deze afspraak aanneemt, zonder er een woord meer over te zeggen.”Het verdrag werd dadelijk bekrachtigd; en jufvrouw Tox gevoelde zich reeds zoo thuis, dat zij zonder uitstel een voorloopig examen van de kinderen hield—waarbij Toodle bewonderend toeluisterde—en hunne namen, jaren en kundigheden op een stukje papier aanteekende. Door deze ceremonie en het daaropvolgende gekeuvel werd de tijd gerekt tot na het gewone uur van naar bed gaan, en bleef jufvrouw Tox bij den haard der Toodle’s zitten, tot het te laat voor haar was om alleen naar huis te gaan. Daar echter de welgemanierde Slijper er nog was, bood hij beleefdelijk aan om haar te begeleiden; en daar het voor jufvrouw Tox wel iets van belang was naar huis gebracht te worden door een jongeling, die door mijnheer Dombey het eerst in dat mannelijke kleedingstuk was gestoken, waarvan zij zelden den naam uitsprak, nam zij dit voorstel gereedelijk aan.Na Polly en Toodle de hand gegeven en al de kinderen gekust te hebben, verliet jufvrouw Tox, een uitmuntenden indruk nalatende, het huis met zulk een licht hart, dat mevrouw Chick er zich misschien over geërgerd zou hebben, als die goede vrouw het had kunnen wegen.Rob de Slijper had uit bescheidenheid achter haar willen blijven, maar jufvrouw Tox verlangde dat hij naast haar zou gaan om met elkander te kunnen praten, en “hoorde hem onderweg eens wat uit,” gelijk zij naderhand tot zijne moeder zeide.Bij dit uithooren kwam er zooveel moois voor den dag, dat jufvrouw Tox zeer met hem was ingenomen. Er was nooit beter en meer belovend, nooit hartelijker, degelijker, voorzichtiger, eerlijker, nuchterder, zachtzinniger en oprechter jonkman geweest, dan toen Rob zich op dien avond liet uithooren.“Het doet mij waarlijk veel genoegen dat ik u ken,” zeide jufvrouw Tox, toen zij aan hare eigene deur gekomen was. “Ik hoop dat ge mij als uwe vriendin zult beschouwen en mij zoo dikwijls komen opzoeken als gij wilt. Hebt ge ook een spaarpot?”“Ja, jufvrouw,” antwoordde Rob; “ik bewaar mijn geld, tegen dat ik genoeg heb om het in de bank te zetten, jufvrouw.”—“Zeer prijselijk,” zeide jufvrouw Tox. “Het doet mij genoegen dat te hooren. Steek er dan die halve kroon ook in, als het u belieft.”—“O, wel bedankt, jufvrouw,” antwoordde Rob, “maar ik kan er waarlijk niet aan denken om er u mee te ontrieven.”—“Ik prijs uwe zucht voor onafhankelijkheid,” zeide jufvrouw Tox; “maar gij ontrieft mij niet, dat verzeker ik u. Ik zal er boos om worden als gij ze niet aanneemt, als een bewijs van mijn goeden wil. Goedennacht, Robin.”—“Goedennacht, jufvrouw,” zeide Rob, “en wel bedankt.”Hij liepgrinnikendheen om het stuk geld te wisselen, en verdobbelde het toen bij een taartjesman. Maar in de Slijpersschool leerde men ook geen eergevoel; het daar heerschende stelsel was bijzonder geschikt om huichelarij aan te kweeken; zoozeer dat vele betrekkingen en meesters van gewezen Slijpers zeiden: “Als het dat is wat er van de opvoeding van den gemeenen man komt, laten wij er dan liever geheel geen hebben.” Sommige, die meer doordachten, zeiden: “laten wij eene betere hebben.” Maar het bestuur van het Slijpers Gild was voorhenaltijd klaar, door eenige jongens uit te zoeken die, in weerwil van het stelsel, goed waren uitgevallen, en stoutweg te beweren, dat zij alleen ten gevolge van het stelsel zoo uitgevallen waren. Dit maakte dan die vitters beschaamd, en bevestigde den roem van het Slijpers Gild.

XXXVIII.JUFVROUW TOX ZOEKT EENE OUDE KENNIS OP.

De verlatene jufvrouw Tox, door hare vriendin Louisa Chick verzaakt, en geheel van Dombey’s gunst beroofd—want geen paar keurige kaartjes van huwelijkscommunicatie, met een zilveren draadje vereenigd, versierde den schoorsteenspiegel opPrincess’s Place, of de piano, of een ander dier plaatsen van tentoonstelling, waar Lucretia met zulke schatten pronkte—gaf zich een tijd lang aan zwaarmoedigheid over. Zoolang werd de piano niet gehoord, werden de bloemen verwaarloosd en verzamelde zich het stof op het miniatuurtje van haar voorvader met het gepoeierde hoofd en het staartje.Jufvrouw Tox was echter niet van een leeftijd of een karakter om zich lang aan nuttelooze droefheid over te geven. Slechts twee snaren der piano waren gesprongen toen de Vogelwals weder door het scheve voorkamertje klonk; slechts ééne geranium werd het slachtoffer van haar verzuim, eer zij weder geregeld elken morgen tusschen hare potten aan het tuinieren ging; de gepoeierde voorvader had niet langer dan zes weken onder een nevel van stof gescholen, toen jufvrouw Tox zijn vriendelijk aangezicht beademde en hem met een lapje zeem af boende.Evenwel was jufvrouw Tox eenzaam en met zich zelve verlegen. Hare aandoeningen, op[265]welke belachelijke manier zij die ook toonde, waren echt en krachtig, en zij was gelijk zij het uitdrukte, diep gekwetst door de onverdiende bejegening, die zij van Louisa had ontmoet. Haatdragendheid was echter iets dat in haar karakter geene plaats kon vinden. Indien zij op hare fleemerige manier door het leven was getrippeld zonder eenige bepaalde begrippen te vormen, was zij ook ten minste zoover gekomen zonder eenige bittere hartstochten te koesteren. Het enkele gezicht van Louisa Chick op straat, op een aanmerkelijken afstand, overweldigde hare weekhartigheid eens zoodanig, dat zij terstond bij een pasteibakker de wijk moest nemen, en daar, in een dompig achterkamertje, gewoonlijk aan het verorberen van soep gewijd, en waar eene vette etenslucht heerscht, haar gemoed verlichtte door onbedwongen uit te schreien.Withers, die hem op de trap tegenkwam, stond verbaasd over de witheid van zijne tanden en zijn schitterenden glimlach. (blz. 262).Withers, die hem op de trap tegenkwam, stond verbaasd over de witheid van zijne tanden en zijn schitterenden glimlach.(blz. 262).Over Dombey gevoelde jufvrouw Tox dat zij bijna geene reden van klagen had. Zij koesterde voor de grootheid van dezen heer zulk een diepen eerbied, dat het haar, eens weder van hem verwijderd, te moede was alsof haar afstand altijd onmetelijk was geweest, en het eene uitstekende goedheid van hem geweest was, dat hij haar ooit had willen dulden. Geene vrouw kon, volgens hare meening, voor hem te schoon[266]of te statig zijn. Het was zeer natuurlijk dat hij, als hij eene vrouw zocht, in de hoogste kringen zocht. Met tranen in de oogen drong jufvrouw Tox zich twintigmaal daags deze stelling op. Nooit herinnerde zij zich de stijve trotschheid, waarmede Dombey haar aan zijn gerief en zijne grillen dienstbaar had gemaakt, en haar goedgunstig had veroorloofd eene der oppassters van zijn zoontje te zijn. Zij bedacht alleen, met hare eigene woorden, “dat zij zeer vele gelukkige uren in dat huis had doorgebracht, waaraan zij altijd met streelend genoegen zou moeten denken, en dat zij nooit kon nalaten mijnheer Dombey voor een der waardigste en deftigste mannen te houden.”Evenwel, afgesneden van de onverzoenlijke Louisa, en schuw voor den majoor (dien zij thans eenigszins begon te wantrouwen), vond jufvrouw Tox het zeer onaangenaam niets te weten van hetgeen er in Dombey’s huishouden omging; en daar zij werkelijk de gewoonte had aangenomen om Dombey en Zoon te beschouwen als de spil waarop de geheele wereld draaide, besloot zij, liever dan onkundig te blijven van dingen waarin zij zooveel belang stelde, hare oude kennis jufvrouw Richards weder op te zoeken, van welke zij, sedert hare laatste gedenkwaardige verschijning voor Dombey, wist, dat zij somtijds nog gemeenschap met zijne dienstboden hield. Misschien had jufvrouw Tox, toen zij de familie Toodle ging opzoeken, in hare borst ook het teedere verlangen verborgen, om iemand te hebben met welke zij over mijnheer Dombey kon praten, hoe nederig van stand die persoon dan ook mocht wezen.Hoe dit zij, op zekeren avond richtte jufvrouw Tox hare schreden naar de woning der Toodle’s, juist op een tijd toen Toodle, gezwart en met asch bedekt, zich in den schoot van zijn gezin met theedrinken verkwikte. Toodle had slechts drie trappen van aanzijn. Hij zat zich òf in den zoo even gemelden schoot te verkwikken, òf hij vloog met eene vaart van vijf en twintig tot vijftig mijlen in het uur het land door, òf hij lag zijne vermoeienis uit te slapen. Hij was altijd in een wervelwind of in eene kalmte, en in beide toestanden was hij een vergenoegd, goedhartig en zachtzinnig man, die al zijn recht op blazen en bruisen aan de machines, welke hij stookte, scheen te hebben overgedaan, welke dan ook hijgden, snoven en proestten en hare krachten versleten, terwijl Toodle een vreedzaam, gelijkmatig leven leidde.“Polly, meidlief,” zeide Toodle, met een jongen Toodle op elke knie, twee die voor hem thee schonken en nog een aantal in het rond—Toodle had nooit gebrek aan kinderen, maar hield er altijd genoeg bij de hand—“gij hebt Biler binnen kort niet gezien, hebt ge wel?”—“Neen,” antwoordde Polly. “Maar ik ben zoo goed als zeker dat hij van avond zal aankomen. Het is juist zijn dag vandaag en hij komt heel geregeld.”—“Ik denk,” zeide Toodle, met nog meer smaak voortkauwende, “dat onze Biler het tegenwoordig haast zoo goed maakt als een jongen het maken kan, niet waar, Polly?”—“O, hij maakt het heerlijk,” was het antwoord.—“En hij is niet achterhoudend geworden—is hij wel, Polly?” vroeg Toodle wederom.—“Neen!” antwoordde zijne vrouw stoutweg.—“Ik ben blij dat hij niet achterhoudend wordt,” zeide Toodle langzaam en bedenkelijk, terwijl hij brokken boterham met een knipmes naar binnen duwde, alsof hij zich zelven stookte; “want dat staat nooit goed—doet het wel, Polly?”—“Wel zeker niet, vader. Hoe kunt gij dat vragen?”—“Ziet ge wel, jongens en meisjes,” zeide Toodle, in het rond kijkende, “wat gij op eene eerlijke manier moogt beginnen of doen, ik ben van gedachten dat gij nooit beter dan rondborstig kunt zijn. Als gij ooit in doorsnijdingen of tunnels komt, speelt dan nooit schuilhoekje. Laat uwe fluit hooren en iedereen weten waar ge zijt.”De opwassende Toodle’s lieten een schel gemurmel hooren, om aan te duiden dat zij den vaderlijken raad ter harte zouden nemen.“Maar wat doet u dat zoo van Rob zeggen, vader?” vroeg zijne vrouw bekommerd.—“Polly, oudje,” antwoordde hij, “ik weet niet dat ik dat zoo bijzonder van Rob zeide. Het komt mij maar bij Rob in het hoofd. Als ik aan een zijtak kom, dan kijk ik den weg op, wat ik daar zie, en dan krijg ik daardoor een aantal gedachten in het hoofd eer ik weet waar zij vandaan komen. Iemands gedachten zijn net als een draaischijf; zij loopen naar alle kanten.”Deze diepzinnige gedachte spoelde Toodle met eene kom thee door en bevestigde ze vervolgens met nog eene dikke boterham, ondertusschen zijne dochters gelastende om den trekpot vol te houden, daar hij ongemeen droog was en vrij wat kommetjes zou noodig hebben eer zijn dorst was gelescht.Terwijl hij zijn eigen trek verzadigde, vergat Toodle echter de jeugdige spruiten om hem heen niet, die, hoewel zij hun avondeten reeds op hadden, nog naar afvalletjes stonden uit te kijken, die altijd nog beter smaakten. Deze deelde hij dan ook van tijd tot tijd rond, in de gedaante van groote hompen brood, die hij in het rond liet afbijten, terwijl hij ieder op zijne beurt met een lepel van zijne thee liet proeven; welke versnaperingen de jeugdige Toodle’s zoo bijzonder smaakten, dat zij telkens na het rondgaan der uitdeeling een vreugdedans uitvoerden, op een been hinkten, haasje-over sprongen, en zich aan andere springende vreugdeblijken overgaven. Nadat zij aldus hunne opgewondenheid hadden lucht gegeven, sloten[267]zijlangzamerhandweder een kring om den vader en bleven hem strak staan aankijken, hoewel zij veinsden niets meer van de boterhammen of de thee te verwachten, maar over geheel andere dingen vertrouwelijk onder elkander te fluisteren.Terwijl Toodle zijne kinderen aldus een geducht voorbeeld van eetlust gaf, en tevens de twee jeugdige Toodle’s op zijne knieën met een expressen trein naarBirminghambracht, trad Rob de Slijper met zijn flaphoed en zijn rouwpak binnen, en dadelijk stoven al zijne broertjes en zusjes naar hem toe.“Wel, moeder, hoe gaat het?” zeide Rob, haar een kus gevende.—“Daar is mijn jongen!” zeide Polly, hem op den rug kloppende. “Achterhoudend! Wel Heere neen, vader, hij niet!”Dit was voor baas Toodle in het bijzonder bestemd, maar Rob de Slijper, wiens geweten niet zuiver was, ving de woorden op.“Wat, heeft vader alweer wat van mij gezegd?” riep de gekrenkte onnoozelheid uit. “Och, wat is het toch hard als een jongen eens een beetje los is geweest, dat zijn vader dat dan altijd achter zijn rug in zijn gezicht moet smijten. Het is genoeg,” zeide Rob, in zijne zielesmart tot zijne mouw de toevlucht nemende, “om te maken dat hij van spijt weer op hol gaat.”—“Mijn arme jongen!” zeide Polly. “Vader heeft er niets mee gemeend.”—“Als vader niets meende,” snikte de arme Slijper, “wat behoefde hij dan iets te zeggen, moeder? Niemand denkt half zoo slecht over mij als mijn eigen vader doet. Hoe onnatuurlijk! Ik wenschte dat iemand mij maar den kop afhakte. Vader zou dat niet kunnen schelen, geloof ik; en ik had veel liever dat hij dat deed dan dat andere.”Op deze wanhopige woorden begonnen al de jeugdige Toodle’s te gillen; een aandoenlijk tooneel, waarvan de Slijper den indruk nog vergrootte door hen ironisch te bezweren om niet om hem te huilen, want dat zij een hekel aan hem moesten hebben als zij zoete kinderen waren, hetgeen de jongste Toodle op een na zoodanig trof, dat de adem hem begaf en hij zoo blauw in zijn gezicht werd, dat de oude Toodle hem van ontsteltenis naar de waterton droeg, en hem onder de kraan zou hebben gehouden, indien het gezicht van dit geneesmiddel hem niet had doen bekomen.Toen het zoo erg liep, gaf baas Toodle eene opheldering, die zijn zoon tot kalmte bracht, waarna men elkander de hand gaf en de harmonie hersteld was.“Wilt gij met mij mee doen, Biler, mijn jongen?” zeide zijn vader, met vernieuwde krachten aan zijn maaltijd gaande.—“Neen, vader, bedankt. Meester en ik hebben al samen thee gehad.”—“En hoe maakt het meester, Rob?” zeide Polly.—“Wel, ik weet het niet moeder; niet veel om op te roemen. Er gaat niets in den winkel om, ziet ge. Hij schijnt er ook niets van te weten, de kapitein. Er kwam nog vandaag een man in den winkel en zeide: “Ik heb een ge weet wel noodig,” een lang en wonderlijk woord was het. “Een wat?” zeide de kapitein. “Een zoo en zoo,” zeide de man. “Broertje,” zeide de kapitein toen, “wilt gij eens observatie doen in het rond?” “Wel,” zeide de man, “dat heb ik gedaan.” “En ziet gij niet wat gij noodig hebt?” zeide de kapitein. “Neen, dat doe ik niet,” zeide de man. “Maar kent gij zulk een ding wel als gij het ziet?” zeide de kapitein. “Neen, dat doe ik niet,” zeide de man. “Wel, dan zal ik u eerst wat zeggen, mijn jongen,” zeide de kapitein, “ga dan liever weerom en vraag hoe zulk een ding er uitziet,want ik weet het ook niet.””—“Dat is toch de manier niet om geld te verdienen, is het wel?” zeide Polly.—“Geld verdienen, moeder? Dat zal hij nooit. Hij is zoo wonderlijk als ik nooit iemand gezien heb. Als meester is hij evenwel zoo kwaad niet, dat moet ik van hem zeggen. Maar dat kan mij niet veel schelen, want ik denk niet dat ik lang bij hem zal blijven.”—“Niet in uwe betrekking blijven, Rob!” riep zijne moeder uit, terwijl baas Toodle zijne oogen wijd opendeed.—“Niet in die betrekking blijven, misschien,” zeide de Slijper knipoogende. “Het zou mij niet verwonderen—vrienden aan het hof, weet ge wel—maar vraag nu maar niet meer, moeder; ik weet wat ik weet, anders niet.”Het onloochenbare bewijs, hetwelk deze geheimzinnige wenken gaven, dat Rob niet onderhevig was aan het gebrek dat zijn vader hem bewimpeld had toegeschreven, had misschien tot eene vernieuwing dier grievende beschuldiging en tot nieuwe opschudding kunnen leiden, als er niet, tot Polly’s groote verwondering, een ander bezoek was gekomen. Het was jufvrouw Tox, die in de deur bleef staan en met een minzaam glimlachje rondkeek.Het goedige gezicht van jufvrouw Richards bood haar eene gulle welkomst; jufvrouw Tox nam den aangeboden stoel, op weg daarheen baas Toodle een vriendelijk knikje van herkenning schenkende, strikte haar hoed los, en zeide dat zij eerst de lieve kinderen moest verzoeken om haar van den eersten tot den laatsten een kus te komen geven.De beklagenswaardige jongste Toodle op een na, die, naar de menigte zijner kinderlijke rampen te oordeelen, onder eene ongelukkige planeet geboren scheen, werd daardoor verhinderd in deze ceremonie zijne rol te spelen, dat hij Rob’s flaphoed (waarmede hij had gespeeld) juist zoo diep ten achterste voren had opgezet, dat hij hem niet weder kon afnemen; welk onheil zijne verschrikte verbeelding het akelige vooruitzicht[268]voorhield om het overige van zijn leven in gestadige duisternis en hopelooze afzondering van zijne vrienden en familie te moeten slijten, en hem dus, onder het uiten van gesmoorde kreten, geweldig deed spartelen. Toen hij verlost was, ontdekte men een gloeiend rood en erg behuild gezicht, en nam jufvrouw Tox hem op haar schoot.“Gij zijt mij haast vergeten, mijnheer, durf ik wel zeggen,” zeide jufvrouw Tox tot baas Toodle.—“Wel neen, jufvrouw; wel neen,” was het antwoord. “Maar wij zijn sedert allemaal een beetje ouder geworden.”—“En hoe gaat het u tegenwoordig?” vroeg jufvrouw Tox zoetsappig.—“Frisch en wel, jufvrouw, dankje,” antwoordde Toodle. “En hoe gaat hetu, jufvrouw? Blijft de rheumatiek nog al weg, jufvrouw? Die moeten we toch wachten allemaal te krijgen, als wij op jaren komen.”—“Wel bedankt,” zeide jufvrouw Tox. “Ik heb nog geen ongemak van die kwaal gevoeld.”—“Dan zijt ge wel gelukkig, jufvrouw,” hervatte Toodle. “Vele menschen op uwe jaren zijn martelaren daaraan. Daar was mijne moeder.…” Maar een wenk van zijne vrouw opvangende, was Toodle verstandig genoeg om het overige in nog eene kom thee te verdrinken.—“Gij wilt toch niet zeggen, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, Rob aanziende, “dat dit uw.…”—“Mijn oudste is, jufvrouw!” zeide Polly. “Ja, dat is hij, jufvrouw. Dat kleine kereltje, dat de onschuldige oorzaak van zooveel is geweest.”—“Dit hier, jufvrouw,” zeide Toodle, “is hij met de korte beentjes, en zij waren,” vervolgde hij, met zekere aandoening in zijn toon, “buitengemeen kort voor eene korte leeren broek—toen mijnheer Dombey een Slijper van hem maakte.”Deze herinnering overweldigde jufvrouw Tox bijna, en het onderwerp daarvan kreeg terstond iets bijzonder belangwekkends voor haar. Zij verzocht hem de hand te mogen geven, en maakte zijne moeder een compliment over zijn vrijmoedig, openhartig uitzicht. Rob, dit hoorende, poogde een gezicht te zetten dat deze lofspraak rechtvaardigde, maar het was eigenlijk het rechte gezicht niet.“En nu, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, “en gij ook, mijnheer,” zich naar Toodle keerende, “zal ik u eens ronduit zeggen waarom ik hier ben gekomen. Gij zult wel weten, jufvrouw Richards—en gij zult mogelijk ook wel weten, mijnheer—dat er eene kleine verwijdering is ontstaan tusschen mij en eenige vrienden, waar ik veel aan huis placht te komen, en nu niet meer aan huis kom.”Polly, die dit met vrouwelijke tact dadelijk begreep, gaf zulks met een blik te kennen. Toodle, die geen het minste denkbeeld had waar jufvrouw Tox van sprak, drukte dit insgelijks door zijn staren uit.“Het is natuurlijk van geen belang, en er behoeft dus niet van gesproken te worden,” hervatte jufvrouw Tox, “hoe de kleine verkoeling is ontstaan. Het zal genoeg zijn als ik zeg, dat ik nog de grootste achting voor mijnheer Dombey heb,” hier haperde hare stem, “en het grootste belang stel in al wat hem aangaat.”Toodle, nu ingelicht, schudde zijn hoofd en zeide, dat hij wel had hooren zeggen, en wat hem betrof ook zelf wel dacht, dat mijnheer Dombey een ongemakkelijk heerschap was.“O, zeg dat niet, mijnheer, als het u belieft,” antwoordde jufvrouw Tox daarop. “Laat ik u mogen bidden om zoo niet te spreken, mijnheer, hetzij nu of later. Zulke aanmerkingen kunnen mij niet anders dan zeer smartelijk zijn, en kunnen ook eengentleman, die het hart zoo geplaatst heeft als ik overtuigd ben dat het uwe is, geene duurzame zelfvoldoening geven!”Toodle, die er niet het minste aan had getwijfeld of zijn gezegde zou met eene toestemming worden beantwoord, was geheel verslagen.“Al wat ik te zeggen heb, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, “en ik richt mij ook tot u, mijnheer—is dit. Dat alle berichten van de omstandigheden der familie, van het welzijn der familie, van de gezondheid der familie, die u ter oore komen, mij zeer welkom zullen zijn. Dat het mij altijd verheugen zal eens met jufvrouw Richards over de familie en den ouden tijd te keuvelen. En daar jufvrouw Richards en ik nooit het minste verschil hebben gehad (schoon ik nu wel wenschte dat wij elkander beter hadden gekend—maar ik heb daar geen schuld aan) hoop ik dat zij er niet tegen zal hebben dat wij nu heele goede vrienden worden, en dat ik nu en dan hier eens aankom zonder voor eene vreemde te worden gehouden. Ik hoop waarlijk, jufvrouw Richards, dat ge dit zult opvatten zooals ik het meen, als een goedhartig schepsel, gelijk gij altijd zijt geweest.”Polly was hierdoor gevleid en liet dit ook blijken. Toodle wist niet of hij gevleid was of niet, en bewaarde zijne botte kalmte.“Gij ziet wel, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox verder—“en ik hoop gij ziet het ook, mijnheer—er zijn vele manieren waarop ik u in kleinigheden van dienst kan zijn, en dat ook gaarne doen zal, als gij mij maar niet voor eene vreemde wilt houden. Bij voorbeeld, ik kan uwe kinderen wat leeren. Ik zal eenige boekjes meebrengen, als gij er niet tegen hebt, en wat werk, en dan zullen zij nu en dan op een avond leeren—o Heere, zij zullen heel veel leeren, vertrouw ik, en hunne meesteres eer aandoen.”Toodle, die een grooten eerbied voor geleerdheid had, knikte zijne vrouw goedkeurend toe en wreef vergenoegd in zijne handen.“Als ik dan voor geene vreemde word gehouden, zal ik niemand in den weg zijn,” vervolgde[269]jufvrouw Tox, “en zal alles net zoo voortgaan alsof ik er niet was. Jufvrouw Richards zal naaien, of strijken, of haar kleintje helpen, of wat het ook wezen mag, zonder zich aan mij te storen; en gij zult ook eene pijp rooken, als gij er trek in hebt niet waar, mijnheer?”—“Bedankt, jufvrouw,” zeide Toodle. “Ja, ik zal tusschenbeiden eens opsteken.”—“Heel goed van u, dat zoo te zeggen, mijnheer,” antwoordde jufvrouw Tox, “en ik mag u nu oprecht verzekeren, dat het mij een groot genoegen zal zijn, en dat wat ik ook voor de kinderen zal mogen doen, gij er mij meer dan voor betalen zult, als gij goed willig en eenvoudig deze afspraak aanneemt, zonder er een woord meer over te zeggen.”Het verdrag werd dadelijk bekrachtigd; en jufvrouw Tox gevoelde zich reeds zoo thuis, dat zij zonder uitstel een voorloopig examen van de kinderen hield—waarbij Toodle bewonderend toeluisterde—en hunne namen, jaren en kundigheden op een stukje papier aanteekende. Door deze ceremonie en het daaropvolgende gekeuvel werd de tijd gerekt tot na het gewone uur van naar bed gaan, en bleef jufvrouw Tox bij den haard der Toodle’s zitten, tot het te laat voor haar was om alleen naar huis te gaan. Daar echter de welgemanierde Slijper er nog was, bood hij beleefdelijk aan om haar te begeleiden; en daar het voor jufvrouw Tox wel iets van belang was naar huis gebracht te worden door een jongeling, die door mijnheer Dombey het eerst in dat mannelijke kleedingstuk was gestoken, waarvan zij zelden den naam uitsprak, nam zij dit voorstel gereedelijk aan.Na Polly en Toodle de hand gegeven en al de kinderen gekust te hebben, verliet jufvrouw Tox, een uitmuntenden indruk nalatende, het huis met zulk een licht hart, dat mevrouw Chick er zich misschien over geërgerd zou hebben, als die goede vrouw het had kunnen wegen.Rob de Slijper had uit bescheidenheid achter haar willen blijven, maar jufvrouw Tox verlangde dat hij naast haar zou gaan om met elkander te kunnen praten, en “hoorde hem onderweg eens wat uit,” gelijk zij naderhand tot zijne moeder zeide.Bij dit uithooren kwam er zooveel moois voor den dag, dat jufvrouw Tox zeer met hem was ingenomen. Er was nooit beter en meer belovend, nooit hartelijker, degelijker, voorzichtiger, eerlijker, nuchterder, zachtzinniger en oprechter jonkman geweest, dan toen Rob zich op dien avond liet uithooren.“Het doet mij waarlijk veel genoegen dat ik u ken,” zeide jufvrouw Tox, toen zij aan hare eigene deur gekomen was. “Ik hoop dat ge mij als uwe vriendin zult beschouwen en mij zoo dikwijls komen opzoeken als gij wilt. Hebt ge ook een spaarpot?”“Ja, jufvrouw,” antwoordde Rob; “ik bewaar mijn geld, tegen dat ik genoeg heb om het in de bank te zetten, jufvrouw.”—“Zeer prijselijk,” zeide jufvrouw Tox. “Het doet mij genoegen dat te hooren. Steek er dan die halve kroon ook in, als het u belieft.”—“O, wel bedankt, jufvrouw,” antwoordde Rob, “maar ik kan er waarlijk niet aan denken om er u mee te ontrieven.”—“Ik prijs uwe zucht voor onafhankelijkheid,” zeide jufvrouw Tox; “maar gij ontrieft mij niet, dat verzeker ik u. Ik zal er boos om worden als gij ze niet aanneemt, als een bewijs van mijn goeden wil. Goedennacht, Robin.”—“Goedennacht, jufvrouw,” zeide Rob, “en wel bedankt.”Hij liepgrinnikendheen om het stuk geld te wisselen, en verdobbelde het toen bij een taartjesman. Maar in de Slijpersschool leerde men ook geen eergevoel; het daar heerschende stelsel was bijzonder geschikt om huichelarij aan te kweeken; zoozeer dat vele betrekkingen en meesters van gewezen Slijpers zeiden: “Als het dat is wat er van de opvoeding van den gemeenen man komt, laten wij er dan liever geheel geen hebben.” Sommige, die meer doordachten, zeiden: “laten wij eene betere hebben.” Maar het bestuur van het Slijpers Gild was voorhenaltijd klaar, door eenige jongens uit te zoeken die, in weerwil van het stelsel, goed waren uitgevallen, en stoutweg te beweren, dat zij alleen ten gevolge van het stelsel zoo uitgevallen waren. Dit maakte dan die vitters beschaamd, en bevestigde den roem van het Slijpers Gild.

De verlatene jufvrouw Tox, door hare vriendin Louisa Chick verzaakt, en geheel van Dombey’s gunst beroofd—want geen paar keurige kaartjes van huwelijkscommunicatie, met een zilveren draadje vereenigd, versierde den schoorsteenspiegel opPrincess’s Place, of de piano, of een ander dier plaatsen van tentoonstelling, waar Lucretia met zulke schatten pronkte—gaf zich een tijd lang aan zwaarmoedigheid over. Zoolang werd de piano niet gehoord, werden de bloemen verwaarloosd en verzamelde zich het stof op het miniatuurtje van haar voorvader met het gepoeierde hoofd en het staartje.

Jufvrouw Tox was echter niet van een leeftijd of een karakter om zich lang aan nuttelooze droefheid over te geven. Slechts twee snaren der piano waren gesprongen toen de Vogelwals weder door het scheve voorkamertje klonk; slechts ééne geranium werd het slachtoffer van haar verzuim, eer zij weder geregeld elken morgen tusschen hare potten aan het tuinieren ging; de gepoeierde voorvader had niet langer dan zes weken onder een nevel van stof gescholen, toen jufvrouw Tox zijn vriendelijk aangezicht beademde en hem met een lapje zeem af boende.

Evenwel was jufvrouw Tox eenzaam en met zich zelve verlegen. Hare aandoeningen, op[265]welke belachelijke manier zij die ook toonde, waren echt en krachtig, en zij was gelijk zij het uitdrukte, diep gekwetst door de onverdiende bejegening, die zij van Louisa had ontmoet. Haatdragendheid was echter iets dat in haar karakter geene plaats kon vinden. Indien zij op hare fleemerige manier door het leven was getrippeld zonder eenige bepaalde begrippen te vormen, was zij ook ten minste zoover gekomen zonder eenige bittere hartstochten te koesteren. Het enkele gezicht van Louisa Chick op straat, op een aanmerkelijken afstand, overweldigde hare weekhartigheid eens zoodanig, dat zij terstond bij een pasteibakker de wijk moest nemen, en daar, in een dompig achterkamertje, gewoonlijk aan het verorberen van soep gewijd, en waar eene vette etenslucht heerscht, haar gemoed verlichtte door onbedwongen uit te schreien.

Withers, die hem op de trap tegenkwam, stond verbaasd over de witheid van zijne tanden en zijn schitterenden glimlach. (blz. 262).Withers, die hem op de trap tegenkwam, stond verbaasd over de witheid van zijne tanden en zijn schitterenden glimlach.(blz. 262).

Withers, die hem op de trap tegenkwam, stond verbaasd over de witheid van zijne tanden en zijn schitterenden glimlach.(blz. 262).

Over Dombey gevoelde jufvrouw Tox dat zij bijna geene reden van klagen had. Zij koesterde voor de grootheid van dezen heer zulk een diepen eerbied, dat het haar, eens weder van hem verwijderd, te moede was alsof haar afstand altijd onmetelijk was geweest, en het eene uitstekende goedheid van hem geweest was, dat hij haar ooit had willen dulden. Geene vrouw kon, volgens hare meening, voor hem te schoon[266]of te statig zijn. Het was zeer natuurlijk dat hij, als hij eene vrouw zocht, in de hoogste kringen zocht. Met tranen in de oogen drong jufvrouw Tox zich twintigmaal daags deze stelling op. Nooit herinnerde zij zich de stijve trotschheid, waarmede Dombey haar aan zijn gerief en zijne grillen dienstbaar had gemaakt, en haar goedgunstig had veroorloofd eene der oppassters van zijn zoontje te zijn. Zij bedacht alleen, met hare eigene woorden, “dat zij zeer vele gelukkige uren in dat huis had doorgebracht, waaraan zij altijd met streelend genoegen zou moeten denken, en dat zij nooit kon nalaten mijnheer Dombey voor een der waardigste en deftigste mannen te houden.”

Evenwel, afgesneden van de onverzoenlijke Louisa, en schuw voor den majoor (dien zij thans eenigszins begon te wantrouwen), vond jufvrouw Tox het zeer onaangenaam niets te weten van hetgeen er in Dombey’s huishouden omging; en daar zij werkelijk de gewoonte had aangenomen om Dombey en Zoon te beschouwen als de spil waarop de geheele wereld draaide, besloot zij, liever dan onkundig te blijven van dingen waarin zij zooveel belang stelde, hare oude kennis jufvrouw Richards weder op te zoeken, van welke zij, sedert hare laatste gedenkwaardige verschijning voor Dombey, wist, dat zij somtijds nog gemeenschap met zijne dienstboden hield. Misschien had jufvrouw Tox, toen zij de familie Toodle ging opzoeken, in hare borst ook het teedere verlangen verborgen, om iemand te hebben met welke zij over mijnheer Dombey kon praten, hoe nederig van stand die persoon dan ook mocht wezen.

Hoe dit zij, op zekeren avond richtte jufvrouw Tox hare schreden naar de woning der Toodle’s, juist op een tijd toen Toodle, gezwart en met asch bedekt, zich in den schoot van zijn gezin met theedrinken verkwikte. Toodle had slechts drie trappen van aanzijn. Hij zat zich òf in den zoo even gemelden schoot te verkwikken, òf hij vloog met eene vaart van vijf en twintig tot vijftig mijlen in het uur het land door, òf hij lag zijne vermoeienis uit te slapen. Hij was altijd in een wervelwind of in eene kalmte, en in beide toestanden was hij een vergenoegd, goedhartig en zachtzinnig man, die al zijn recht op blazen en bruisen aan de machines, welke hij stookte, scheen te hebben overgedaan, welke dan ook hijgden, snoven en proestten en hare krachten versleten, terwijl Toodle een vreedzaam, gelijkmatig leven leidde.

“Polly, meidlief,” zeide Toodle, met een jongen Toodle op elke knie, twee die voor hem thee schonken en nog een aantal in het rond—Toodle had nooit gebrek aan kinderen, maar hield er altijd genoeg bij de hand—“gij hebt Biler binnen kort niet gezien, hebt ge wel?”—“Neen,” antwoordde Polly. “Maar ik ben zoo goed als zeker dat hij van avond zal aankomen. Het is juist zijn dag vandaag en hij komt heel geregeld.”—“Ik denk,” zeide Toodle, met nog meer smaak voortkauwende, “dat onze Biler het tegenwoordig haast zoo goed maakt als een jongen het maken kan, niet waar, Polly?”—“O, hij maakt het heerlijk,” was het antwoord.—“En hij is niet achterhoudend geworden—is hij wel, Polly?” vroeg Toodle wederom.—“Neen!” antwoordde zijne vrouw stoutweg.—“Ik ben blij dat hij niet achterhoudend wordt,” zeide Toodle langzaam en bedenkelijk, terwijl hij brokken boterham met een knipmes naar binnen duwde, alsof hij zich zelven stookte; “want dat staat nooit goed—doet het wel, Polly?”—“Wel zeker niet, vader. Hoe kunt gij dat vragen?”—“Ziet ge wel, jongens en meisjes,” zeide Toodle, in het rond kijkende, “wat gij op eene eerlijke manier moogt beginnen of doen, ik ben van gedachten dat gij nooit beter dan rondborstig kunt zijn. Als gij ooit in doorsnijdingen of tunnels komt, speelt dan nooit schuilhoekje. Laat uwe fluit hooren en iedereen weten waar ge zijt.”

De opwassende Toodle’s lieten een schel gemurmel hooren, om aan te duiden dat zij den vaderlijken raad ter harte zouden nemen.

“Maar wat doet u dat zoo van Rob zeggen, vader?” vroeg zijne vrouw bekommerd.—“Polly, oudje,” antwoordde hij, “ik weet niet dat ik dat zoo bijzonder van Rob zeide. Het komt mij maar bij Rob in het hoofd. Als ik aan een zijtak kom, dan kijk ik den weg op, wat ik daar zie, en dan krijg ik daardoor een aantal gedachten in het hoofd eer ik weet waar zij vandaan komen. Iemands gedachten zijn net als een draaischijf; zij loopen naar alle kanten.”

Deze diepzinnige gedachte spoelde Toodle met eene kom thee door en bevestigde ze vervolgens met nog eene dikke boterham, ondertusschen zijne dochters gelastende om den trekpot vol te houden, daar hij ongemeen droog was en vrij wat kommetjes zou noodig hebben eer zijn dorst was gelescht.

Terwijl hij zijn eigen trek verzadigde, vergat Toodle echter de jeugdige spruiten om hem heen niet, die, hoewel zij hun avondeten reeds op hadden, nog naar afvalletjes stonden uit te kijken, die altijd nog beter smaakten. Deze deelde hij dan ook van tijd tot tijd rond, in de gedaante van groote hompen brood, die hij in het rond liet afbijten, terwijl hij ieder op zijne beurt met een lepel van zijne thee liet proeven; welke versnaperingen de jeugdige Toodle’s zoo bijzonder smaakten, dat zij telkens na het rondgaan der uitdeeling een vreugdedans uitvoerden, op een been hinkten, haasje-over sprongen, en zich aan andere springende vreugdeblijken overgaven. Nadat zij aldus hunne opgewondenheid hadden lucht gegeven, sloten[267]zijlangzamerhandweder een kring om den vader en bleven hem strak staan aankijken, hoewel zij veinsden niets meer van de boterhammen of de thee te verwachten, maar over geheel andere dingen vertrouwelijk onder elkander te fluisteren.

Terwijl Toodle zijne kinderen aldus een geducht voorbeeld van eetlust gaf, en tevens de twee jeugdige Toodle’s op zijne knieën met een expressen trein naarBirminghambracht, trad Rob de Slijper met zijn flaphoed en zijn rouwpak binnen, en dadelijk stoven al zijne broertjes en zusjes naar hem toe.

“Wel, moeder, hoe gaat het?” zeide Rob, haar een kus gevende.—“Daar is mijn jongen!” zeide Polly, hem op den rug kloppende. “Achterhoudend! Wel Heere neen, vader, hij niet!”

Dit was voor baas Toodle in het bijzonder bestemd, maar Rob de Slijper, wiens geweten niet zuiver was, ving de woorden op.

“Wat, heeft vader alweer wat van mij gezegd?” riep de gekrenkte onnoozelheid uit. “Och, wat is het toch hard als een jongen eens een beetje los is geweest, dat zijn vader dat dan altijd achter zijn rug in zijn gezicht moet smijten. Het is genoeg,” zeide Rob, in zijne zielesmart tot zijne mouw de toevlucht nemende, “om te maken dat hij van spijt weer op hol gaat.”—“Mijn arme jongen!” zeide Polly. “Vader heeft er niets mee gemeend.”—“Als vader niets meende,” snikte de arme Slijper, “wat behoefde hij dan iets te zeggen, moeder? Niemand denkt half zoo slecht over mij als mijn eigen vader doet. Hoe onnatuurlijk! Ik wenschte dat iemand mij maar den kop afhakte. Vader zou dat niet kunnen schelen, geloof ik; en ik had veel liever dat hij dat deed dan dat andere.”

Op deze wanhopige woorden begonnen al de jeugdige Toodle’s te gillen; een aandoenlijk tooneel, waarvan de Slijper den indruk nog vergrootte door hen ironisch te bezweren om niet om hem te huilen, want dat zij een hekel aan hem moesten hebben als zij zoete kinderen waren, hetgeen de jongste Toodle op een na zoodanig trof, dat de adem hem begaf en hij zoo blauw in zijn gezicht werd, dat de oude Toodle hem van ontsteltenis naar de waterton droeg, en hem onder de kraan zou hebben gehouden, indien het gezicht van dit geneesmiddel hem niet had doen bekomen.

Toen het zoo erg liep, gaf baas Toodle eene opheldering, die zijn zoon tot kalmte bracht, waarna men elkander de hand gaf en de harmonie hersteld was.

“Wilt gij met mij mee doen, Biler, mijn jongen?” zeide zijn vader, met vernieuwde krachten aan zijn maaltijd gaande.—“Neen, vader, bedankt. Meester en ik hebben al samen thee gehad.”—“En hoe maakt het meester, Rob?” zeide Polly.—“Wel, ik weet het niet moeder; niet veel om op te roemen. Er gaat niets in den winkel om, ziet ge. Hij schijnt er ook niets van te weten, de kapitein. Er kwam nog vandaag een man in den winkel en zeide: “Ik heb een ge weet wel noodig,” een lang en wonderlijk woord was het. “Een wat?” zeide de kapitein. “Een zoo en zoo,” zeide de man. “Broertje,” zeide de kapitein toen, “wilt gij eens observatie doen in het rond?” “Wel,” zeide de man, “dat heb ik gedaan.” “En ziet gij niet wat gij noodig hebt?” zeide de kapitein. “Neen, dat doe ik niet,” zeide de man. “Maar kent gij zulk een ding wel als gij het ziet?” zeide de kapitein. “Neen, dat doe ik niet,” zeide de man. “Wel, dan zal ik u eerst wat zeggen, mijn jongen,” zeide de kapitein, “ga dan liever weerom en vraag hoe zulk een ding er uitziet,want ik weet het ook niet.””—“Dat is toch de manier niet om geld te verdienen, is het wel?” zeide Polly.—“Geld verdienen, moeder? Dat zal hij nooit. Hij is zoo wonderlijk als ik nooit iemand gezien heb. Als meester is hij evenwel zoo kwaad niet, dat moet ik van hem zeggen. Maar dat kan mij niet veel schelen, want ik denk niet dat ik lang bij hem zal blijven.”—“Niet in uwe betrekking blijven, Rob!” riep zijne moeder uit, terwijl baas Toodle zijne oogen wijd opendeed.—“Niet in die betrekking blijven, misschien,” zeide de Slijper knipoogende. “Het zou mij niet verwonderen—vrienden aan het hof, weet ge wel—maar vraag nu maar niet meer, moeder; ik weet wat ik weet, anders niet.”

Het onloochenbare bewijs, hetwelk deze geheimzinnige wenken gaven, dat Rob niet onderhevig was aan het gebrek dat zijn vader hem bewimpeld had toegeschreven, had misschien tot eene vernieuwing dier grievende beschuldiging en tot nieuwe opschudding kunnen leiden, als er niet, tot Polly’s groote verwondering, een ander bezoek was gekomen. Het was jufvrouw Tox, die in de deur bleef staan en met een minzaam glimlachje rondkeek.

Het goedige gezicht van jufvrouw Richards bood haar eene gulle welkomst; jufvrouw Tox nam den aangeboden stoel, op weg daarheen baas Toodle een vriendelijk knikje van herkenning schenkende, strikte haar hoed los, en zeide dat zij eerst de lieve kinderen moest verzoeken om haar van den eersten tot den laatsten een kus te komen geven.

De beklagenswaardige jongste Toodle op een na, die, naar de menigte zijner kinderlijke rampen te oordeelen, onder eene ongelukkige planeet geboren scheen, werd daardoor verhinderd in deze ceremonie zijne rol te spelen, dat hij Rob’s flaphoed (waarmede hij had gespeeld) juist zoo diep ten achterste voren had opgezet, dat hij hem niet weder kon afnemen; welk onheil zijne verschrikte verbeelding het akelige vooruitzicht[268]voorhield om het overige van zijn leven in gestadige duisternis en hopelooze afzondering van zijne vrienden en familie te moeten slijten, en hem dus, onder het uiten van gesmoorde kreten, geweldig deed spartelen. Toen hij verlost was, ontdekte men een gloeiend rood en erg behuild gezicht, en nam jufvrouw Tox hem op haar schoot.

“Gij zijt mij haast vergeten, mijnheer, durf ik wel zeggen,” zeide jufvrouw Tox tot baas Toodle.—“Wel neen, jufvrouw; wel neen,” was het antwoord. “Maar wij zijn sedert allemaal een beetje ouder geworden.”—“En hoe gaat het u tegenwoordig?” vroeg jufvrouw Tox zoetsappig.—“Frisch en wel, jufvrouw, dankje,” antwoordde Toodle. “En hoe gaat hetu, jufvrouw? Blijft de rheumatiek nog al weg, jufvrouw? Die moeten we toch wachten allemaal te krijgen, als wij op jaren komen.”—“Wel bedankt,” zeide jufvrouw Tox. “Ik heb nog geen ongemak van die kwaal gevoeld.”—“Dan zijt ge wel gelukkig, jufvrouw,” hervatte Toodle. “Vele menschen op uwe jaren zijn martelaren daaraan. Daar was mijne moeder.…” Maar een wenk van zijne vrouw opvangende, was Toodle verstandig genoeg om het overige in nog eene kom thee te verdrinken.—“Gij wilt toch niet zeggen, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, Rob aanziende, “dat dit uw.…”—“Mijn oudste is, jufvrouw!” zeide Polly. “Ja, dat is hij, jufvrouw. Dat kleine kereltje, dat de onschuldige oorzaak van zooveel is geweest.”—“Dit hier, jufvrouw,” zeide Toodle, “is hij met de korte beentjes, en zij waren,” vervolgde hij, met zekere aandoening in zijn toon, “buitengemeen kort voor eene korte leeren broek—toen mijnheer Dombey een Slijper van hem maakte.”

Deze herinnering overweldigde jufvrouw Tox bijna, en het onderwerp daarvan kreeg terstond iets bijzonder belangwekkends voor haar. Zij verzocht hem de hand te mogen geven, en maakte zijne moeder een compliment over zijn vrijmoedig, openhartig uitzicht. Rob, dit hoorende, poogde een gezicht te zetten dat deze lofspraak rechtvaardigde, maar het was eigenlijk het rechte gezicht niet.

“En nu, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, “en gij ook, mijnheer,” zich naar Toodle keerende, “zal ik u eens ronduit zeggen waarom ik hier ben gekomen. Gij zult wel weten, jufvrouw Richards—en gij zult mogelijk ook wel weten, mijnheer—dat er eene kleine verwijdering is ontstaan tusschen mij en eenige vrienden, waar ik veel aan huis placht te komen, en nu niet meer aan huis kom.”

Polly, die dit met vrouwelijke tact dadelijk begreep, gaf zulks met een blik te kennen. Toodle, die geen het minste denkbeeld had waar jufvrouw Tox van sprak, drukte dit insgelijks door zijn staren uit.

“Het is natuurlijk van geen belang, en er behoeft dus niet van gesproken te worden,” hervatte jufvrouw Tox, “hoe de kleine verkoeling is ontstaan. Het zal genoeg zijn als ik zeg, dat ik nog de grootste achting voor mijnheer Dombey heb,” hier haperde hare stem, “en het grootste belang stel in al wat hem aangaat.”

Toodle, nu ingelicht, schudde zijn hoofd en zeide, dat hij wel had hooren zeggen, en wat hem betrof ook zelf wel dacht, dat mijnheer Dombey een ongemakkelijk heerschap was.

“O, zeg dat niet, mijnheer, als het u belieft,” antwoordde jufvrouw Tox daarop. “Laat ik u mogen bidden om zoo niet te spreken, mijnheer, hetzij nu of later. Zulke aanmerkingen kunnen mij niet anders dan zeer smartelijk zijn, en kunnen ook eengentleman, die het hart zoo geplaatst heeft als ik overtuigd ben dat het uwe is, geene duurzame zelfvoldoening geven!”

Toodle, die er niet het minste aan had getwijfeld of zijn gezegde zou met eene toestemming worden beantwoord, was geheel verslagen.

“Al wat ik te zeggen heb, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox, “en ik richt mij ook tot u, mijnheer—is dit. Dat alle berichten van de omstandigheden der familie, van het welzijn der familie, van de gezondheid der familie, die u ter oore komen, mij zeer welkom zullen zijn. Dat het mij altijd verheugen zal eens met jufvrouw Richards over de familie en den ouden tijd te keuvelen. En daar jufvrouw Richards en ik nooit het minste verschil hebben gehad (schoon ik nu wel wenschte dat wij elkander beter hadden gekend—maar ik heb daar geen schuld aan) hoop ik dat zij er niet tegen zal hebben dat wij nu heele goede vrienden worden, en dat ik nu en dan hier eens aankom zonder voor eene vreemde te worden gehouden. Ik hoop waarlijk, jufvrouw Richards, dat ge dit zult opvatten zooals ik het meen, als een goedhartig schepsel, gelijk gij altijd zijt geweest.”

Polly was hierdoor gevleid en liet dit ook blijken. Toodle wist niet of hij gevleid was of niet, en bewaarde zijne botte kalmte.

“Gij ziet wel, jufvrouw Richards,” zeide jufvrouw Tox verder—“en ik hoop gij ziet het ook, mijnheer—er zijn vele manieren waarop ik u in kleinigheden van dienst kan zijn, en dat ook gaarne doen zal, als gij mij maar niet voor eene vreemde wilt houden. Bij voorbeeld, ik kan uwe kinderen wat leeren. Ik zal eenige boekjes meebrengen, als gij er niet tegen hebt, en wat werk, en dan zullen zij nu en dan op een avond leeren—o Heere, zij zullen heel veel leeren, vertrouw ik, en hunne meesteres eer aandoen.”

Toodle, die een grooten eerbied voor geleerdheid had, knikte zijne vrouw goedkeurend toe en wreef vergenoegd in zijne handen.

“Als ik dan voor geene vreemde word gehouden, zal ik niemand in den weg zijn,” vervolgde[269]jufvrouw Tox, “en zal alles net zoo voortgaan alsof ik er niet was. Jufvrouw Richards zal naaien, of strijken, of haar kleintje helpen, of wat het ook wezen mag, zonder zich aan mij te storen; en gij zult ook eene pijp rooken, als gij er trek in hebt niet waar, mijnheer?”—“Bedankt, jufvrouw,” zeide Toodle. “Ja, ik zal tusschenbeiden eens opsteken.”—“Heel goed van u, dat zoo te zeggen, mijnheer,” antwoordde jufvrouw Tox, “en ik mag u nu oprecht verzekeren, dat het mij een groot genoegen zal zijn, en dat wat ik ook voor de kinderen zal mogen doen, gij er mij meer dan voor betalen zult, als gij goed willig en eenvoudig deze afspraak aanneemt, zonder er een woord meer over te zeggen.”

Het verdrag werd dadelijk bekrachtigd; en jufvrouw Tox gevoelde zich reeds zoo thuis, dat zij zonder uitstel een voorloopig examen van de kinderen hield—waarbij Toodle bewonderend toeluisterde—en hunne namen, jaren en kundigheden op een stukje papier aanteekende. Door deze ceremonie en het daaropvolgende gekeuvel werd de tijd gerekt tot na het gewone uur van naar bed gaan, en bleef jufvrouw Tox bij den haard der Toodle’s zitten, tot het te laat voor haar was om alleen naar huis te gaan. Daar echter de welgemanierde Slijper er nog was, bood hij beleefdelijk aan om haar te begeleiden; en daar het voor jufvrouw Tox wel iets van belang was naar huis gebracht te worden door een jongeling, die door mijnheer Dombey het eerst in dat mannelijke kleedingstuk was gestoken, waarvan zij zelden den naam uitsprak, nam zij dit voorstel gereedelijk aan.

Na Polly en Toodle de hand gegeven en al de kinderen gekust te hebben, verliet jufvrouw Tox, een uitmuntenden indruk nalatende, het huis met zulk een licht hart, dat mevrouw Chick er zich misschien over geërgerd zou hebben, als die goede vrouw het had kunnen wegen.

Rob de Slijper had uit bescheidenheid achter haar willen blijven, maar jufvrouw Tox verlangde dat hij naast haar zou gaan om met elkander te kunnen praten, en “hoorde hem onderweg eens wat uit,” gelijk zij naderhand tot zijne moeder zeide.

Bij dit uithooren kwam er zooveel moois voor den dag, dat jufvrouw Tox zeer met hem was ingenomen. Er was nooit beter en meer belovend, nooit hartelijker, degelijker, voorzichtiger, eerlijker, nuchterder, zachtzinniger en oprechter jonkman geweest, dan toen Rob zich op dien avond liet uithooren.

“Het doet mij waarlijk veel genoegen dat ik u ken,” zeide jufvrouw Tox, toen zij aan hare eigene deur gekomen was. “Ik hoop dat ge mij als uwe vriendin zult beschouwen en mij zoo dikwijls komen opzoeken als gij wilt. Hebt ge ook een spaarpot?”

“Ja, jufvrouw,” antwoordde Rob; “ik bewaar mijn geld, tegen dat ik genoeg heb om het in de bank te zetten, jufvrouw.”—“Zeer prijselijk,” zeide jufvrouw Tox. “Het doet mij genoegen dat te hooren. Steek er dan die halve kroon ook in, als het u belieft.”—“O, wel bedankt, jufvrouw,” antwoordde Rob, “maar ik kan er waarlijk niet aan denken om er u mee te ontrieven.”—“Ik prijs uwe zucht voor onafhankelijkheid,” zeide jufvrouw Tox; “maar gij ontrieft mij niet, dat verzeker ik u. Ik zal er boos om worden als gij ze niet aanneemt, als een bewijs van mijn goeden wil. Goedennacht, Robin.”—“Goedennacht, jufvrouw,” zeide Rob, “en wel bedankt.”

Hij liepgrinnikendheen om het stuk geld te wisselen, en verdobbelde het toen bij een taartjesman. Maar in de Slijpersschool leerde men ook geen eergevoel; het daar heerschende stelsel was bijzonder geschikt om huichelarij aan te kweeken; zoozeer dat vele betrekkingen en meesters van gewezen Slijpers zeiden: “Als het dat is wat er van de opvoeding van den gemeenen man komt, laten wij er dan liever geheel geen hebben.” Sommige, die meer doordachten, zeiden: “laten wij eene betere hebben.” Maar het bestuur van het Slijpers Gild was voorhenaltijd klaar, door eenige jongens uit te zoeken die, in weerwil van het stelsel, goed waren uitgevallen, en stoutweg te beweren, dat zij alleen ten gevolge van het stelsel zoo uitgevallen waren. Dit maakte dan die vitters beschaamd, en bevestigde den roem van het Slijpers Gild.


Back to IndexNext