Hoofdstuk IX.

Hoofdstuk IX.De molen.’t Was reeds helderlichte dag geworden, toen de ridder en zijn dienaar door een engen hollen weg in een afgelegen, vrij uitgestrekt dal uitkwamen. Zij stapten hier van hunne vermoeide dieren, vergastten zich op den voorraad, die Sancho van de monniken had meegepakt, en voelden er zich zoo wel, dat zij den ganschen dag en een deel van den volgenden nacht op die plaats bleven uitrusten. Den daarop volgenden morgen echter, lang voordat het licht aan den hemel kwam, braken zij weer op, leidden hunne dieren bij den teugel, om er in de donkerheid niet mee te struikelen, en vervolgden zoo behoedzaam hun weg. De hen omringende duisternis was zoo groot, dat zij nauwelijks twee passen ver zien konden.Zij waren nog niet ver, toen op eens een geweldig klateren en klotsen als van neerstortende wateren, in hun oor drong. Dit gedruis ging gepaard met een vreemd gedreun, dat den armen schildknaap, die nu eenmaal van de natuur het hart van een haas had gekregen, met schrik en ontzetting vervulde. Zij hoorden namelijk regelmatige, doffe slagen, met geluiden als het rammelen van ijzeren kettingen vermengd. Daarbij was de nacht pikdonker, en in de bladeren der boomen ruischte de wind, die akelig langs de naaste rotswanden huilde en gierde. De eenzaamheid, de woeste streek, de donkerheid, het ruischen van het water, het loeien van den wind, dat alles vereenigde zich met dat voortdurend, schrikbarend bonzen en stampen, om onze helden het hart in de borst te doen trillen. Zooals gezegd is, sidderde Sancho Panza dan ook als een popelblad; maar Don Quichot bleef onverschrokken, besteeg Rocinante, greep lans en schild en sprak:“Sancho Panza, de hemel heeft mij tot groote daden geroepen,gelijk nu weer uit het nieuwe, schrikbarende avontuur, dat ik manhaftig te gemoet zal gaan, ten duidelijkste schijnt te blijken. Haal mij dus den zadelriem wat vaster aan, trouwe vriend, en blijf dan hier op de plaats, om mij drie dagen te wachten. Als ik binnen dien tijd niet hier terug ben, trek dan naar onze woonplaats en doe aan mijne gebiederesse, de edele Dulcinea van Toboso, kond en te weten, dat haar ridder bij de vervulling zijner plichten als dolend held, onder het volvoeren van grootsche en verheven daden bezweken is.”Deze toespraak van zijn heer bewoog Sancho Panza tot schreiens toe, en hij peinsde op een middel, om den edelen Don Quichot aan den zekeren dood te ontrukken. Terwijl hij het paard den gordel vaster om het lijf gespte, sloeg hij den halsterriem van zijn ezel vlug en ongemerkt om Rocinantes voorpooten heen, zoodat Don Quichot met zijn ros bezwaarlijk van de plaats kon komen. De ridder gaf nu werkelijk het dier de sporen, doch dat wipte slechts een paar malen op en bleef toen onbeweeglijk staan.Ziende, dat zijne list gelukt was, sprak Sancho:“Heer ridder, de hemel zelf verlangt door teekens en wonderen, dat gij u niet in gevaar zult storten. Hij heeft Rocinantes ledematen verlamd, zoodat hij zoo stijf als een stok is, en als gij nu toch het arme dier woudt slaan en aansporen, zou het u niet baten en gij zoudt geen stap verder voortkomen.”Don Quichot was razend van ongeduld. Hij luisterde heel niet naar Sancho’s woorden, maar hieuw en stak als dol op het arme beest los, zonder daardoor iets anders dan een paar vruchtelooze sprongen van het gebonden dier gedaan te kunnen krijgen. Eindelijk moest hij alle verdere pogingen opgeven. Zonder op de gedachte te komen, dat Rocinante door een uitwendig middel gebonden kon zijn, besloot hij, zich voorloopig tevreden te stellen en den morgen af te wachten, wanneer, naar hij hoopte, Rocinante wel weer vanzelf in beweging zou komen. Hij gaf dit besluit aan Sancho te kennen, maar kon toch wel bijna gehuild hebben van ongeduld.“Troost u, gestrenge heer,” voegde zijn guitachtige schildknaaphem op deelnemenden toon toe, “troost u, want ik wil u, tot de dag komt, een aardige historie vertellen, als gij niet liever uit den zadel wilt komen en tot het aanbreken van den dag nog eene zoete rust genieten.”“Neen, ik zal niet afstijgen en slapen,” verklaarde Don Quichot; “maar wel zal ik met genoegen uwe geschiedenis aanhooren.”“Goed, gestrenge heer,” zeide Sancho. “Luister dan goed toe en val mij vooral niet in de rede, want dat is een ding, dat ik volstrekt niet dulden kan.”“In een dorp van Estramadura was eens een geitenherder, dat wil zeggen een man, die geiten hoedde, en deze geitenherder of man, die geiten hoedde, van wien mijne geschiedenis vertelt, heette Lope Ruiz.”“Hoor, Sancho, als ge zoo omslachtig blijft voortvertellen, zullen we uwe geschiedenis niet voor het einde van de wereld te hooren krijgen,” viel de ridder hem verdrietig in de rede. “Spreek als een verstandig mensch, of houd liever den mond dicht.”“Goed, goed, heer!” riep Sancho Panza en vertelde verder.“Deze geitenherder dan nu, die Lope Ruiz heette, ging op een goeden dag met zijne kudde uit en kwam aan een breeden stroom, dien hij met de geiten niet doorwaden kon. En daarom keek hij dus naar een veerman om en ontdekte al spoedig een visscher, die aanbood zijne driehonderd geiten op den anderen oever te brengen. Hij stapte in zijne boot, nam een geit mee en bracht haar naar de overzij. Hierop kwam hij terug, nam weer eene geit en bracht haar ook over.—En nu, gestrenge heer, tel nu goed al de geiten, die de visscher overzette, want als ge er ook maar één van vergeet, dan is mijn historie uit en kan ik met den besten wil niet verder vertellen. Hoor nu.—De gindsche oever van de rivier, waarover de geiten gebracht moesten worden, was buitengewoon glad en glibberig, en de visscher had dus veel tijd noodig, om al de geiten over te krijgen. Evenwel voer hij heen en terug en bracht nog eene geit naar de overzij.”“Maar, domme kerel,” riep Don Quichot ongeduldig en verdrietig,“neem dan gerust aan, dat al de geiten zijn, waar ze wezen moeten, en vertel dan verder.”“Ja, dat gaat niet,” antwoordde Sancho. “Hoeveel geiten zijn er nu over?”“Hoe drommel, weet ik dat?” riep de ridder.“Daar hebben we ’t al!” zeide Sancho Panza. “Nu is mijn vertelsel uit en ik kan er onmogelijk het slot van vinden. Waarom hebt gij de geiten dan ook niet beter geteld?”“Maar, goede hemel, wat heeft het getal der overgezette geiten dan toch eigenlijk met uwe geschiedenis te doen? Vertel maar verder.”“Neen, nu gaat dat niet meer,” antwoordde Sancho, de schouders ophalend. “Daar gij niet wist, hoeveel geiten overgezet waren, raakte ik de kluts kwijt, en nu is mij de heele historie door het hoofd gegaan.”Don Quichot bromde wat, en beiden zwegen nu een tijdlang doodstil. Eindelijk echter, toen de hemel zich in het oosten begon te kleuren en de morgen aanbrak, oordeelde de ondeugende schildknaap het tijd, zijns meesters strijdhengst weer van zijne banden te ontdoen. Hij maakte den halsterriem behoedzaam los en legde dien zijn ezel aan.Nauwelijks voelde Rocinante zich weer vrij, of zijn zelfgevoel scheen te ontwaken. Hij lichtte eenige malen zijne stijve voorpooten op en maakte eenige andere bewegingen. Dit hield Don Quichot voor een goed voorteeken en hij geloofde, dat het nu tijd was om het gevaarlijkste van alle avonturen te beginnen en te bestaan.Middelerwijl werd het ten volle licht en zag de ridder, dat hij zich in een dicht boschje van kastanjeboomen bevond, welker groene takken het uitzicht beletten. Daar hij echter nog altijd dat schrikbarend stampen vernam, nam hij afscheid van Sancho Panza, herhaalde hem zijne vroegere aanwijzingen, gaf Rocinante de sporen en ging op weg, terwijl de schildknaap langzaam te voet achternakwam.Toen zij nu vrij lang onder kastanjes en andere lommerrijke boomen waren voortgetrokken, kwamen zij op eene kleine weidevlakte, die te midden van hooge rotsen was gelegen, van welke een prachtige waterval zich in de diepte neerstortte. Aan den voetdaarvan lagen eenige ellendige lage hutten, uit wier binnenste het dreunend stampen klonk, dat onze beide helden al zooveel schrik aangejaagd had. Rocinante werd erg schuw door het gebons, het geklapper en de slagen, die het aardrijk voortdurend deden schudden. Don Quichot bedwong nochtans zijn steigerend ros en reed voort, recht op de oorzaak van het schrikbarend geraas aan.Sancho Panza hield zich dicht achter hem en loerde nu en dan tusschen Rocinantes pooten door, om de eigenlijke oorzaak van het vreeselijk rumoer, dat hem door merg en heenging, te vernemen.Op eens hield Don Quichot zijn ros staande, want zie, de onschuldige oorzaak van het zoo geducht alarm, dat hen den halven nacht in onrust, vrees en spanning had gehouden, lag daar open en bloot voor hen. Dat waren namelijk de zes stampers van een pletmolen, die, door de kracht des waters gedreven, door hunne slagen den omliggenden grond in voortdurende trilling en schudding hielden.Toen Don Quichot zich hiervan ten volle overtuigd had, werd hij bleek van teleurstelling en ergernis. Hij liet het hoofd op de borst zinken en schaamde zich zoo, dat hij liefst dadelijk in den grond zou zijn weggezonken. Sancho Panza daarentegen barstte in zulk een luid en schaterend lachen uit, dat hij zich onmogelijk op de been kon houden, maar als een meelzak neerplofte en zich in het gras rondwentelde van pleizier. Dit kluchtig gezicht verdreef eindelijk ook des ridders mismoedigheid, zoodat de diepe rimpels van zijn voorhoofd verdwenen en hij zelf hartelijk meelachen moest.Zoodra Sancho Panza dit bemerkte, ontwaakte zijn overmoed en deed hem de vrijheid nemen met zijn heer den spot te drijven door alles, wat die in de verwachting van een groot gevaar tot hem gesproken had, onder schaterend lachen te herhalen. Deze bespotting verdreef nochtans weder de blijmoedige stemming van zijn heer en maakte dezen zoo verbolgen, dat hij zijne lans ophief en zijn schildknaap een paar slagen over de schouderbladen gaf, die aan zijn ondeugenden spotlust op eens een einde maakten. Hij stond op en nam zijne vroegere onderdanige en bescheiden houding weder aan.“Vergeef mij, gestrenge heer,” zeide hij; “ik gekte maar wat.”“Nu, al gekt gij, knaap, zoo houd ik toch niet van gekken,” antwoordde de ridder. “Daar gij uwe straf nu reeds bekomen hebt, zal ik u uw onbehoorlijk gedrag echter voor ditmaal vergeven.”Intusschen begon het een weinig te regenen, en Sancho Panza betoonde grooten lust, een paar uren in den pletmolen te schuilen. Zijn meester had echter zulk een afkeer gekregen van het gebouw, dat hem op eene zoo belachelijke wijze gefopt had, dat hij voor Sancho’s voorstel geen ooren had, maar zijn tocht onverwijld voortzette. Hij keerde zich rechts en kwam op een weg, dien hij tot hiertoe nog niet betreden had.Het duurde niet lang, of hij kreeg een man te paard in het oog, die een blinkend ding op het hoofd droeg, dat in de hoogste mate Don Quichots aandacht trok. Zoodra hij het gezien had, keerde hij zich tot zijn schildknaap om en zeide:”Sancho, het noodlot maakt alle teleurstelling goed, die ons zoo bitter heeft verdroten. Zie, daar komt ons een man te gemoet, die op zijn hoofd den helm van een hoogberoemden held, den ridder Mambrino, draagt.”“Als ge u maar niet vergist, gestrenge heer!” antwoordde Sancho Panza. “Wees niet al te voorbarig!”“Gij schandelijke twijfelaar! Hoe zou ik mij op helderlichten dag zoo kunnen vergissen?” riep de ridder, wiens hoofd weer op hol begon te raken. “Ziet gij dien ridder op zijn appelschimmel niet? Ziet gij den gouden helm op zijn hoofd niet?”“Och, ik met mijn dom verstand zie niets dan een man op een grauwen ezel, die veel van den mijnen heeft,” was het koele antwoord. “Wel heeft hij een blinkend ding op zijn hoofd, dat ik niet recht onderscheiden kan; maar een helm is het zeker niet.”“Het is de helm van Mambrino, domkop!” schreeuwde Don Quichot. “Ga op zij, kerel, en laat mij met dien ridder alleen. Weldra zult gij zien, dat ik met hem kampen en den helm veroveren zal.”“En toch is het geen helm,” bromde de schildknaap.“Hondsvot, rekel, zwijg!” riep Don Quichot vol woede. “Als gij nog een woord spreekt, zweer ik u de ziel uit het lijf te beuken.”Door deze bedreiging verschrikt, vond Sancho ’t maar het verstandigst, op zij te gaan en geen mond meer open te doen.Er lagen daar in den omtrek twee dorpen, die te klein waren, om er ieder een eigen barbier op na te houden. Daarom bediende dan ook maar één scheerbaas beide plaatsen en ging op zijn grauwtje bij zijne verschillende klanten rond. Dit was ook heden weer het geval en, om zijn nieuwen hoed tegen de regendroppels te beschutten, had de goede man zijn geelkoperen scheerbekken daar bovenop gezet. Dat bekken, blank geschuurd, blonk van verre als een spiegel en werkte zoo levendig op des Dons ziekelijke verbeelding, dat alles, als gewoonlijk, in zijn oog eene herschepping onderging, dat hij een grauwen ezel voor een appelschimmel hield en een ridder met gouden helm zag, waar daar in werkelijkheid niets van bestond.In zijne dolle verblinding stoof Don Quichot dan nu ook op den aan geen kwaad denkenden baardschrabber aan en richtte in vollen ren zijne lans op hem met het vaste voornemen, om hem met de scherpe punt zonder genade door en door te priemen. Eerst toen hij al heel dicht bij was, schreeuwde hij hem toe: “Verweer u, roover en dief! of sta af, wat u niet toekomt!”De arme, verschrikte barbier wist geen ander middel om den dreigenden lansstoot te vermijden, dan dat hij zich maar terstond van den ezel liet vallen. Dit deed hij, en nauwelijks had hij met zijne volle lengte den bodem gemeten, of hij sprong weer op, nam, gelijk men dat noemt, zijne beenen onder den arm en zette het op een loopen met eene snelheid, dat een stormwind hem bezwaarlijk zou hebben ingehaald.Don Quichot liet hem loopen, zonder aan eene vervolging te denken; want bij den val was den verschrikten barbier zijn bekken van het hoofd gevlogen en lag nu als goud in de zon te blinken. Don Quichot beval zijn schildknaap, den helm op te nemen, en Sancho Panza gehoorzaamde, terwijl hij zeide: “Waarachtig, eenheel goed scheerbekken, en onder broeders zijne acht realen waard.”Met deze woorden reikte hij het bekken aan Don Quichot over, die het terstond op zijn hoofd zette en omdraaide, om het vizier te vinden. Wijl dit er nu niet was, vond hij het ook niet en zeide: “Die held Mambrino moet een geweldig dik en groot hoofd hebben! Jammer maar, dat de helft van den helm ontbreekt!”Toen Sancho Panza zag, dat zijn meester nog altijd hardnekkig bij zijne verbeelding bleef, kon hij toch onmogelijk het lachen laten en proestte het hardop uit.“Waarom lacht gij?” vroeg Don Quichot dadelijk.“Ei,” antwoordde de schildknaap, “ik lach, als ik mij den dikken kop voorstel, die onder dat barbiersbekken moet gezeten hebben.”“Sancho, gij spreekt onverstandig!” zeide de ridder op berispenden toon. “Ik wil u zeggen, hoe ik over dit wapenstuk denk. Stellig zeker is de helm eens door een of ander toeval in de handen van een mensch gekomen, die er den prijs niet van wist te waardeeren en, zonder te weten wat hij deed, de helft er van smolt, om er geld van te maken, maar de andere helft tot een ding misvormde, dat misschien wel wat op een barbiersbekken lijkt. Dat zal mij echter niet beletten hem in eere te houden, en zoodra wij bij eene smederij komen, wil ik hem zoo laten opknappen, dat hij zelfs den krijgshelm zal overtreffen, dien Vulcanus, de god der smeden, voor Mars, den oorlogsgod, vervaardigd heeft. Tot zoo lang wil ik hem dragen, gelijk hij is; want in allen gevalle is hij beter dan in ’t geheel niets en kan hij mij desnoods tegen een steenworp dekken.”“Als die maar niet uit een slinger komt,” merkte Sancho spotachtig aan. “Maar wat moet nu met het beest gebeuren, dat uw edelheid voor een appelschimmel gelieft te houden? Het is niet te denken, dat de eigenaar er van terugkomt, en, bij mijn baard, het is zoo kloek en krachtig, dat het mij bevallen zou, zelfs als ’t mijn eigendom was.”“Gij moogt het u niet toeëigenen,” antwoordde Don Quichot. “Het zou onedel zijn, een overwonnene te berooven. Laat daarom den appelschimmel stilletjes staan.”“Nu, als ik hem niet met huid en haar mag nemen, wil ik toch zijn zadeltuig voor mijn dier meepakken,” mompelde Sancho Panza en ging dadelijk tot dezen ruil over, zonder dat zijn gestrenge meester daar iets tegen inbracht. Hij knapte nu zijn eigen ezel netjes op, zoodat hij er tienmaal fraaier dan vroeger uitzag, en volgde toen op een sukkeldrafje zijn heer, die reeds een tamelijk eind vooruit was. Rustig trokken zij nu met elkaar voort en lieten aan Rocinante over zijn eigen weg te zoeken. Rocinante bleef op den grooten rijweg, zeker omdat die hem de gemakkelijkste toescheen.Hoofdstuk X.Hoe Don Quichot eenige ongelukkigen in vrijheid stelt en wat hem verder overkomt.Ongeveer een uur waren onze beide helden, in vertrouwelijke gesprekken verdiept, huns weegs getrokken, toen Don Quichot toevallig zijne oogen opsloeg en van verre twaalf menschen zag aankomen, die aan handen en voeten met ijzeren kettingen geboeid schenen. Twee mannen met geweer en twee anderen met pieken en sabels gewapend gingen te voet bij hen aan. Hij maakte daar Sancho opmerkzaam op, en deze zeide: “Het is een koppel galeislaven, die tot dwangdienst voor den koning naar de haven worden geleid.”“Wat, tot dwangdienst?” riep Don Quichot verontwaardigd uit. “Doet de koning zelf zijnen onderdanen dwang en geweld aan?”“Dat zeg ik niet,” sprak Sancho. “Die menschen zijn boosdoeners, die tot straf voor hunne misdaden tot de galeien veroordeeld zijn.”“In allen gevalle gaan zij dus niet uit vrije verkiezing, maar gedwongen daarheen?”“Ja, zoo is het,” zeide Sancho.“Welaan, ik zal mijn plicht doen en den ongelukkigen hulp en bijstand verleenen,” sprak Don Quichot.“Maar in ’s hemels naam, bedenk toch, edele heer, dat de gerechtigheid, en dus in zeker opzicht de koning zelf, die menschen tot hunne straf heeft veroordeeld,” riep Sancho angstig.Don Quichot luisterde niet naar deze verstandige voorstelling, en de koppel galeiboeven kwam nader. De ridder wendde zich tot de wachters en verzocht die in beleefde bewoordingen wel zoo goed te willen zijn, de redenen op te geven, waarom zij die arme menschen geboeid meesleepten. Een der wachters antwoordde kortaf, dat het schelmen en gauwdieven waren, die naar de haven werden gebracht, en dat hij daar verder zijn nieuwsgierigen neus niet in had te steken.Dit onheusche antwoord verdroot den dolenden held in hooge mate; maar toch hield hij zich nog in en vroeg beleefd: “Niettegenstaande dat wensch ik van ieder dezer menschen in het bijzonder de oorzaak van zijn ongeluk te vernemen, en ik hoop en vertrouw, dat gij, heeren, mij daarin niet hinderlijk zult zijn.”Lachend werd hem de gevraagde vergunning gegeven, en Don Quichot vroeg den eersten den besten van den troep, hoe hij in zijn ongelukkigen toestand was geraakt.“Dat moogt gij gerust weten,” antwoordde de kerel. “Kijk, ik was op een mand met schoon linnen verliefd geraakt en hield die zoo stevig gepakt, dat ik haar eerst losliet, toen de strenge hand van de politie mij daartoe dwong. Zij hielden mij vast, gaven mij een goed getelde honderd op den rug en nu brengen ze mij naar de galeien, om mij daar drie jaren lang vrij kost en logies te geven.”“En waarom zijt gij geboeid, vriend?” vroeg Don Quichot aan den tweeden uit den troep.“Omdat ik een paar schapen heb gestolen en stom genoeg was schuld te bekennen. Dat was ezelachtig dom van mij; want ik had evengoed Neen kunnen zeggen.”“Dat is waar,” zeide Don Quichot en vroeg den derden naar zijn vergrijp.“Ik moet naar de galeien, omdat mij tien dukaten te kort kwamen, juist toen ik die noodig had,” antwoordde de schelm.Don Quichot vroeg verder, tot hij bij den laatsten van het edele gezelschap kwam. Dit was een kloek, knap man van om de dertig jaren, die geen ander gebrek had, dan dat hij wat heel erg scheel zag. Zijne boeien waren veel zwaarder dan die der overigen, en op zijne navraag vernam de ridder, dat hij wegens vele en zware misdaden tot levenslange galeistraf was veroordeeld. Hij heette Gines van Pasamonte en stond als de ergste en sluwste gauwdief van geheel Spanje te boek.Nadat de edele ridder zoo van alles, wat hij weten wou, nauwkeurig onderricht was, wendde hij zich weer tot de wachters en zeide:“Mijne heeren, ik bid u uiterst beleefd deze arme menschen zonder verwijl van hunne boeien te ontdoen en hen vrij en ongehinderd te laten gaan, waarheen ’t hun goeddunkt. Zij hebben zich wel aan eenige kleine verkeerdheden schuldig gemaakt, maar daarom kunnen zij nog altijd goede en brave menschen zijn. Laat hen goedwillig los, zeg ik, of reken er op, dat ik u daar met deze lans en dit zwaard toe zal dwingen.”De wachters lachten hardop.“Ge schijnt mij een rare snaak toe!” riep hun aanvoerder. “Maak, dat je wegkomt, zet je scheerbekken terecht en bemoei je voortaan niet met dingen, die je geen zier aangaan!”“Gij vlegel, gij onbeschaamde rekel!” schreeuwde Don Quichot vol woede, en rende met zooveel geweld op den wachter in, dat deze geen tijd vond, om zich te weer te stellen, maar terstond op den grond lag. De lans was hem bijna midden door het lichaam gegaan. Een oogenblik stonden de overige wachters door deze koene daad als verbijsterd; maar toen rukten zij hunne zwaarden uit de scheeden, tastten naar hunne verdere wapens en keerden zich tegen Don Quichot, die hun aanval met veel koelbloedigheid afwachtte. Niettegenstaande dit zou het slecht met hem zijn afgeloopen, zoo niet de gevangenen zich dit plotseling ontstaan tumult hadden ten nutte gemaakt om hunne boeien te verbreken en zichin vrijheid te stellen. Het gevolg was, dat de wachters niet recht wisten, waarheen zij zich het eerst wenden moesten, en zich dus deels tegen Don Quichot verweerden, deels op de vluchtende gevangenen wierpen, en zoo met verdeelde krachten weinig konden uitrichten. Sancho maakte onderwijl de zware ketens van Gines van Pasamonte los. Zoodra deze handen en voeten vrij had, greep hij sabel en buks van den gevallen wachter op, welke laatste hij, zonder vuur te geven, nu op dezen dan op genen aanlegde. De dreigende houding van het geweer boezemde den wachters meer schrik in, dan al Don Quichots vechtkunst. Toen nu eindelijk de ontboeide gevangenen hen met een hagelbui van steenen begonnen te overstelpen, wisten zij geen raad meer en zochten hun eenige en laatste heil in de vlucht.Hoe blij ook, dat zij hunne piek schuurden, kon Sancho Panza toch niet zonder bezorgdheid aan de mogelijke gevolgen van dit avontuur denken. Hij zocht zijn heer aan het verstand te brengen, dat de wachters ongetwijfeld dadelijk alarm maken, versterking halen en alsdan de misdadigers vervolgen zouden, waarom het maar het best zou zijn, dat zij beiden zich stilletjes uit de voeten maakten en de wijk naar het nabijgelegen gebergte namen.“Zwijg stil!” voegde Don Quichot hem barsch toe. “Ik weet best, wat mij in dit roemrijk geval te doen staat.”Hij riep de galeiboeven in zijne nabijheid, deed hen een kring sluiten, hield eene lange toespraak en verlangde van hen, dat zij zich naar Toboso begeven en zijne schoone Dulcinea van hunne bevrijding bericht brengen zouden.“Hoor, uwe edelheid,” gaf Gines van Pasamonte in naam der overigen tot antwoord, “daar is geen denken aan, want als wij ons niet schielijk naar al de windstreken verstrooiden, zou men ons al gauw weer bij de lurven hebben gepakt. Heb overigens dank voor de ons bewezen goede diensten, en wees hiermee vriendelijk gegroet.”“Hoe is dat, ondankbare snoodaard?” vroeg Don Quichot ten hoogste verontwaardigd. “Zoo weigert gij dus den heiligen plicht der dankbaarheid te vervullen? Wacht, man, dan zal ik je toonen, met wien gij te doen hebt.”Gines van Pasamonte, die al van den beginne had gemerkt, dat het met het verstand van den edelen ridder niet recht in den haak moest wezen, wenkte zijne kameraden hem te volgen, en bracht hen een eind ver achteruit. Van daar, op veiligen afstand, deden de schelmen nu zulk een dichten regen van steenen op den grootmoedigen ridder en zijn schildknaap neerkletteren, dat de eerste zich moeielijk met zijn schild konde dekken, terwijl de laatste in aller ijl achter zijn ezel wegkroop. De bui duurde voort, tot eenige keisteenen den armen Don Quichot zoo gevoelig raakten, dat hij in den zadel waggelde en in zijne kletterende wapenrusting ter aarde stortte. Pas lag hij daar weerloos, of Gines van Pasamonte was bij hem, rukte hem het scheerbekken van het hoofd, bracht hem een paar moorddadige houwen toe en sloeg den zoogenaamden helm bijna in stukken. De overigen trokken hem den wapenrok, dien hij over het harnas droeg, uit en zouden hem ook zijn broek hebben ontstolen, indien de stevig vastgegespte dijplaten zijner rusting hun dat niet hadden belet. Sancho Panza moest insgelijks zijn bovenkleed afstaan en mocht blij zijn, dat men hem zijn wambuis liet, waarna de dievenbende zich links en rechts verstrooide, om niet weer opnieuw in de klauwen der straffende gerechtigheid te geraken.Don Quichot en Rocinante benevens Sancho en zijn grauwtje bleven alleen op het slagveld achter. De ezel stond daar als in droefgeestig gepeins en schudde van tijd tot tijd zijne ooren, alsof ’t hem verwonderde, dat de hagelbui, die ook hem niet weinig pijnlijk getroffen had, nu toch voorbij was. Rocinante lag bij zijn heer op den grond en stak al zijne vier pooten in de lucht. Sancho Panza beefde van angst en woede, en de edele ridder van La Mancha smeekte de wraak des hemels af over de schelmen en gauwdieven, die hem zoo schandelijk en verregaand ondankbaar behandeld hadden.Hoofdstuk XI.Sancho Panza verliest zijn ezel en Don Quichot speelt voor gek.Toen de edele ridder van La Mancha weer eenigermate van de werking der zware steenworpen bekomen was, sprak hij:“Sancho Panza, altijd heb ik gehoord, dat men een nutteloos en vergeefsch werk doet, als men aan ’t gemeene volk weldaden bewijst. Die schurkachtige gevangenen hebben mij met den snoodsten ondank beloond, en dit zal ons leeren ons nimmer weer met soortgelijk gespuis in te laten.”“Nu, ik wil hopen, dat gij eindelijk door schade en schande wijs wordt,” antwoordde Sancho Panza. “Voorts is ’t maar best, dat wij ons zoo spoedig mogelijk uit de voeten maken. De politie heeft voor dolende helden bitter weinig ontzag en zou, als zij u in handen kreeg, aan uwe ridderschap spoedig een treurig einde maken. Zie, dat gij weer op Rocinante komt, en laat ons vluchten.”“Gij zijt een bloodaard, Sancho! Toch wil ik voor ditmaal aan uw verlangen toegeven en mij in de Sierra Morena begeven, in de hoop, dat het ons daar geen dag aan avonturen ontbreken zal.”Sancho was van harte blij, dat hij zijn zin kreeg, en ging dadelijk zijn best doen om eerst Rocinante en toen ook zijn meester weer op de been te helpen. Gelukkig had hij zijn broodzak aan de handen der roofzuchtige spitsboeven weten te onttrekken en kon dus zich zelf en zijn heer een stevige hartsterking voorzetten. Hierop bestegen beiden hunne dieren en kwamen nog voor den donker midden in de Sierra Morena, waar zij in een eng rotsdal onder eenige zware, lommerrijke boomen hun nachtleger opsloegen.Nauwelijks lagen onze twee helden daar vast in slaap, of hun ongelukkige gesternte wilde, dat de schelmachtige Gines van Pasamontetoevallig dienzelfden weg langs kwam. Uit vrees voor den straffenden arm der gerechtigheid was ook hij in de Sierra Morena zijn heil komen zoeken en, vooral ter wille van den ezel, niet weinig verheugd, hier zoo geheel onverwachts zijne beide bevrijders te vinden. Met alle omzichtigheid sloop hij nader, maakte zich van des schildknaaps langoor meester, ging daar op zitten en voerde zijn buit weg, zoo hard als het dier maar loopen wou. Den volgenden dag was hij reeds uren ver van de beroofde twee verwijderd.De zon kwam zich tot verkwikking van al, wat leeft en ademt, boven de kim vertoonen, doch ditmaal niet tot blijdschap van den armen Sancho Panza, die door haar helder licht al spoedig onderricht werd van het zware verlies, dat hij in den loop van dien nacht geleden had. Hij vervulde de lucht met zijne jammerklachten en huilde zoo geweldig, dat ook zijn meester ontwaakte en naar de oorzaak van dat klaaglied vernam.“Ach,” lamenteerde de knaap, “ach, mijn grauwtje is weg, mijn hartelap, mijn suikerpop, de oogappel van mijn vrouw, de doorn in ’t vleesch van al mijne buren, de steun van al mijne lasten!”“Kom, kom, Sancho, bedaar, man!”trooste de ridder zijn weeklagenden dienaar; “gij zult voor den verloren ezel drie van de vijf hebben, die ik bij mij thuis op stal heb staan. Ik zal u daar een papier van geven en gij zult ze zelf halen. Nu kom en laat ons zorgen, dat wij dieper in het gebergte komen.”De goede Sancho trooste zich en dankte zijn meester voor de grootmoedige toezegging. Hierop braken zij op en vervolgden hunne reis.Hoe dieper Don Quichot in de wilde bergstreek doordrong, des te meer verblijde zich zijne ziel, terwijl hij zich al de wonderbare daden en avonturen voor den geest riep, welke dolende ridders vóór hem in zulke woestijnen en wildernissen volvoerd en beleefd hadden. Hij verzonk zoo diep in gepeins, dat hij geen woord sprak en de tijd den armen Sancho, die pruttelend achter hem aan sjokte, danig lang begon te vallen. Hij had bijster gaarne eens een woordje gepraat, doch waagde niet een gesprek aan te vangen uit vrees, dat hij zijn heer hierdoor beleedigen zou. Ten laatste werd het hemechter toch al te erg en besloot hij, op elk gevaar af, aan dat vervelende zwijgen een einde te maken.“Heer,” begon hij, “ik verzoek u dringend, mij mijn afscheid te geven en stilletjes naar huis te laten terugkeeren. Thuis kan ik althans met vrouw en kinderen praten, als ik daar lust toe voel; maar hier in de wildernis moet ik als een gek achter Rocinante aansukkelen en krijg geen woord te hooren, en dat noem ik dood wezen bij levenden lijve.”“Sancho Panza,” antwoordde de ridder, “daar is raad voor, want weet, dat ik juist van plan ben, eene daad te verrichten, die mij tot den beroemdsten ridder moet maken, dien de aardbodem ooit gedragen heeft. En daartoe heb ik uwe medewerking noodig.”“Is er gevaar bij, heer ridder?” vroeg Sancho Panza.“Neen; met gevaar is de daad niet verbonden. Echter hangt alles van uwe werkzaamheid af.”“Van mijne werkzaamheid?” vroeg Sancho verwonderd.“Zeker, mijn zoon,” luidde des ridders antwoord, “want weet, dat, zoo gij schielijk van de plaats, waarheen ik u zenden zal, terugkeert, gij den tijd van mijn lijden zult verkorten, en dat dan mijn triomf een aanvang zal nemen. Ten einde gij echter in staat moogt zijn, mij te verstaan, moet ik u zeggen, dat vóór tijden de beroemde Amadis van Gallië een der beste, dapperste dolende ridders was, en dat hem na te volgen mij tot onvergankelijke eer moet strekken. En dit moet geschieden ten opzichte van de beste daad, die van hem verhaald word. Toen namelijk de schoone Oriana hem versmaad had, begaf hij zich naar de wildernis, deed boete en kastijdde zich en noemde zich gedurende dien tijd Beltenebros.”“Maar, gestrenge heer, gij wordt toch niet door uwe Dulcinea versmaad?” zeide Sancho Panza.“Dat is juist de zaak waar het op aankomt, Sancho,” antwoordde Don Quichot; “want versta mij wel: dat een dolend ridder om goede redenen dol en razend wordt, dat is niet de moeite waard, dat men er over praat. De groote kunst is, zonder grond of oorzaak dol te worden, en van deze kunst wil ik blijk geven. Gij echter, Sancho, moet u naar mijne aanbiddelijke meesteresDulcinea van Toboso begeven en haar een brief overbrengen, die haar van mijn waanzin onderrichten moet, opdat zij de sterkte van mijne vereering en aanbidding leere waarderen.”Sancho Panza wist niet, wat hij op deze dollemanspraat zeggen moest. Hij schudde het hoofd en stapte zwijgend nevens Don Quichot voort, totdat zij aan den voet van een hoogen rotskegel kwamen, die rondom met naakte wanden van graniet omgeven was. Daar borrelde eene heldere bron uit op en rondom breidde zich een groen graskleed uit, dat met bonte bloemen sierlijk getooid was. Deze plaats scheen den edelen ridder tot volvoering van zijn avontuurlijk opzet uiterst geschikt toe, en hij besloot hier zijne dolle razernij maar terstond den vrijen teugel te vieren.“Ha, ha!” riep hij met bulderende stem, alsof hij op eens stapelgek was geworden, “ha ha! dit is dus de plaats, waar ik mijn ongeluk wil beschreien. Ha, ha! dit is de plaats, waar mijn tranen dit beekje tot een schuimenden bergstroom zullen doen aanzwellen. Ha, ha! dit is de plaats, waar ik zuchten ga loozen, die als een stormwind door de boomtoppen en hunne groene bladeren zullen ruischen.”Onder het uitstooten van al dezen onzin liet hij zich van zijn paard zakken en gaf dat een slag op den rug.“Vlucht weg,” riep hij dat toe, “vlucht weg, mijn edel ros! Ik geef u uwe vrijheid weer, daar ik zelf in de boeien en banden van den waanzin zal vervallen. Vlucht weg en dool als een rustelooze schim in bosschen en wildernissen rond.”“Nu ja, van een schim begint Rocinante al vrij wat te krijgen, heer ridder,” zeide Sancho Panza; “maar toch reken ik ’t beter, dat ik maar op hem ga zitten en op zijn rug mijne reis naar uwe Dulcinea aanvaard. Ik zal dan des te gauwer hier terug kunnen zijn.”“Goed, Sancho, doe, wat gij verkiest,” antwoordde de ridder van de droevige figuur. “Evenwel moet gij op zijn minst nog drie dagen in mijne tegenwoordigheid blijven, om aan mijne uitverkorene te kunnen berichten, wat ik al niet tot hare verheerlijking gedaan heb.”“Zal ik nog meer razende dolligheden zien, dan ik nu al gezien heb, heer?” vroeg Sancho Panza verwonderd.“O, ik zal er nog zooveel vertoonen, dat ge u van verbaasdheid de oogen uit het hoofd kijkt,” antwoordde de ridder. “Vooreerst moet ik, daar ik nog niet weet, of ik in mijne dolheid Amadis van Gallië of den razenden ridder Roland wil navolgen, mijne kleeren verscheuren, mijne wapens te grabbel gooien, met mijn hoofd tegen de rots aanrennen en nog meer dergelijke dingen uitvoeren, zoodat ge verbluft staat van wat ge ziet.”“Doe, wat ge niet laten kunt, edele heer,” antwoordde de schildknaap; “maar wees in ’s hemels naam wat voorzichtig met dat met het hoofd tegen de rots rammeien. De steenen zijn hard en hebben allerlei hoeken en punten. Als ge toevallig op zoo’n punt te land kwaamt, kon ’t met alle malligheid op eens gedaan wezen. Zoo gij werkelijk oordeelt, dat die kopstooten volstrekt noodig zijn, kondt gij, dunkt me, volstaan met het hoofd in ’t water te plompen of met vooraf een week, zacht ding tegen de rots te plakken. Dan doet de stoot geen zeer, en ik wil Dulcinea van Toboso er toch een relaas van geven, dat de haren haar te berge rijzen. ’t Is toch alles maar fopperij en malligheid, edele heer!”“Dan verkeert gij in een geweldige en betreurenswaardige dwaling, vriend Sancho,” antwoordde Don Quichot. “Al de dingen, die ik wil uitvoeren, zijn geenszins malligheid, maar hooge, heilige ernst. Ik zal koen en krachtig tegen de rotsen aanrennen, en ’t zou dus niet kwaad zijn, dat gij mij wat linnen tot het verbinden der daardoor aan mijn hoofd toegebrachte wonden achterliet.”“Heer, al ’t linnen is met den ezel naar de maan gegaan,” verzekerde de schildknaap. “Daarom verzoek ik u ook dringend, die gekheid van met het hoofd tegen de harde steenen te loopen maar achterwege te laten en u liever in te beelden, dat de drie dagen van razernij al voorbij zijn. Ik voor mij wil aannemen, dat ik al uwe dwaze stukken gezien heb, en zal de edele jonkvrouwe Dulcinea daar de ongeloofelijkste dingen van vertellen. Schrijf den brief en laat het overige aan mij over.”Don Quichot gaf aan dit verstandig voorstel gehoor. “Gijhebt gelijk, Sancho,” zeide hij. “Doch hoe moeten wij ’t aanleggen, om den brief klaar te krijgen?”“Ja, en ’t papiertje, waarop ze mij de drie ezels moeten afgeven,” voegde zijn schildknaap er bij.“Juist, juist!” riep Don Quichot, “dat mogen wij niet vergeten. Ik zal alles in mijn zakboek schrijven, en gij moet het dan door den eersten den besten koster in het naaste dorp mooi en netjes laten kopieeren.”“Maar hoe moet het dan met de onderteekening?”“De brieven van den grooten ridder Amadis van Gallië waren nooit onderteekend,” verzekerde Don Quichot.“Voor den brief komt dat er ook zooveel niet op aan,” zei Sancho; “maar met het papiertje voor de ezels is dat anders gelegen. Daar moet uw edelheids handteekening onder staan, of ze zullen mij als een afzetter en bedrieger de deur voor den neus toesmijten.”“Dat is zoo,” erkende Don Quichot, “en ik zal dus de lastgeving in het dagboek zelf met mijn naam onderschrijven. Als mijne nicht dat ziet, zal zij u de ezels gewillig afstaan. En onder den brief kunt gij zetten: De uwe tot in den dood. Don Quichot van La Mancha, de ridder van de droevige figuur.—Daar Dulcinea niet lezen kan, voor zoover ik weet, zal zij met dat onderschrift volkomen tevreden wezen, en dan heb ik haar ook nog maar pas een- of tweemaal gezien, omdat zij door haar vader, Lorenzo Corchuelo, en hare moeder, Aldonza Nogales, zeer streng wordt opgevoed.”“Ei, de dochter van Lorenzo, die dikke vette, is dat dus uwe hooge en edele gebiedster?” vroeg Sancho Panza heel verwonderd.“Ja, die is het, en zij verdient tot meesteresse van het gansche heelal te worden verheven.”“O, haar ken ik wel,” zeide Sancho Panza en lachte, dat zijn buik schudde. “Dat is een meid van stavast. Zij gooit met knuppels zoo goed als de beste jongen in het dorp, en kan haar mondwerk roeren, dat iedereen voor haar wegloopt. Een stemmetje heeft ze als een trompet, en ze is van top tot teen een echte, stevige, plompe boerendeern. En ik, ezel, heb me altijd verbeeld, dat uwehooge en edele gebiederesse Dulcinea van Toboso heel wat bijzonders was, een prinses of een koningin of zoo’n andere voorname hoogheid. Dat valt me dan danig tegen! En ’t is maar een geluk, edele heer, dat al de lui, die ge in bloedige gevechten overwonnen hebt, niet naar haar toe gegaan zijn. Die hadden uwe Dulcinea dan licht bij ’t vlashekelen of druk aan het dorschen gevonden, en zouden u in dat geval niet weinig hebben bespot en uitgelachen.”“Sancho, ik zeg, dat gij een stomme ezel zijt!” riep Don Quichot verstoord. “Mij behaagt mijne Dulcinea en in mijn oog is zij de hoogste en edelste prinses op aarde. Zoo gij nog een woord ten haren nadeele zegt, zal ik u mijne lans dwars door het lichaam boren.”“Goed, goed, ik heb er vrede mee, als uwe edelheid met zulk eene schoonheid tevreden is,” verklaarde Sancho Panza. “Schrijf nu den brief maar en laat mij stilletjes mijns weegs gaan.”Don Quichot haalde zijn zakboek uit, ging op zij, bedacht zich lang en schreef toen zijn brief aan Dulcinea van Toboso. Toen hij dien klaar had, keerde hij tot zijn schildknaap terug en zeide, hem het stuk te willen voorlezen, zoodat hij het in zijn hoofd had, ingeval het geschrift onderweg door eenig ongelukkig toeval mocht verloren gaan. Sancho Panza wilde daar echter niets van hooren.“Schrijf mij den brief liever een maal of tien twaalf af,” zeide hij, “en maak er veilig staat op, dat ik al die afschriften trouw bewaren zal. Dat voorlezen echter helpt niemendal. Mijne memorie is zoo zwak, dat ik geen tien letters onthouden kan, en nog veel minder zoo’n langen brief.”De ridder zag dus van zijn voornemen af en vergenoegde zich met op een tweede blad van zijn dagboek de aanwijzing tot het uitleveren der ezels te schrijven. Vervolgens vertrouwde hij die gewichtige papieren aan zijn schildknaap toe, drukte hem op het hart, er toch vooral goed op te passen, en gaf hem de verzekering, dat alles uitmuntend afloopen zou, zoo hij ijverig in den dienst en stipt in de volvoering van zijne taak was.“Heb daar maar geen zorg voor, heer ridder,” zeide Sancho. “Geef mij uwen zegen, laat mij Rocinante bestijgen, en houd mij nu maar niet langer op. Uwe dwaze stukken behoef ik niet te zien,daar ik er zonder dat wel zooveel van zal vertellen, dat uwe meesteres er versteld en verbijsterd van staat.”“En toch verlangde ik, dat gij althans een dozijn van mijne dolheden met eigen oogen aanschouwdet,” zeide Don Quichot. “Gij kunt dan bezweren, dat gij mij in den staat van volslagen razernij hebt gezien, en deze betuiging zal ontwijfelbaar een diepen indruk op de aangebedene van mijn hart maken.”“Neen, neen, laat dat rusten,” antwoordde Sancho. “Wij hebben nog gewichtiger dingen af te doen. Wat, bij voorbeeld, zult gij te eten krijgen in den tijd, dat ik weg ben? Teerkost heeft geen van ons beiden meer.”“Maak u daar niet bezorgd over, mijn zoon,” zeide Don Quichot. “Al waren wij nog zoo ruim van mondvoorraad voorzien, toch zou ik daar niets van aanraken. Ik zal mijn leven rekken met de kruiden, die hier in de weide groeien en met de vruchten des wouds, want zoo verlangt het de waanzin, waaraan ik mij prijs zal geven.”“Nu, dan wensch ik u smakelijk eten!” zeide Sancho. “Maar nog één ding! Hoe zal ik de plaats weervinden, waar ik u nu verlaat? Ze schijnt mij vrij wat afgelegen, en ’t zou een leelijk ding wezen, als ik weken lang omdwalen moest en u nergens weerom kon vinden.”“Prent u onder het rijden goed de merkteekens van den weg in het hoofd,” antwoordde Don Quichot. “Ik voor mij zal dezen omtrek niet verlaten en tegen den tijd, dat ik u terug mag verwachten, de hoogste toppen der omliggende bergen beklimmen, om naar u uit zien. Ook kunt gij uw weg door boomtakken merken, die gij van tijd tot tijd in den grond steekt, en de groene twijgen zullen u dan als zekere wegwijzers in mijne nabijheid terugbrengen.”“Welaan, dat wil ik doen,” riep Sancho en sneed al dadelijk een voorraad takken af. Hierop verzocht hij den edelen ridder om zijn zegen, nam onder heete tranen van hem afscheid, besteeg Rocinante en aanvaardde zijn tocht. Hij was echter nog geen honderd passen ver gereden, of hij keerde op een drafje weerom en riep:“Luister, heer ridder! Daar valt mij in, dat het toch niet kwaadzou wezen, dat ik althans één van uwe dolle stukken zag. Ik kan dan met een goed geweten bezweren, dat gij wis en waarachtig stapelgek zijt geworden.”“Ziet gij wel, dat ik gelijk had?” riep Don Quichot verheugd uit. “Wacht maar, mijn zoon! Ik zal er u dadelijk een vertoonen.”Na deze woorden trok hij met den meest mogelijken spoed zijne kleeren uit en hield niets aan zijn lichaam buiten het bloote hemd. Hierop buitelde hij een paar malen over den kop, vertoonde allerlei gekke bokkesprongen, ging op zijn hoofd staan, kortom, stelde zich zoo boven alle beschrijving gek aan, dat Sancho Panza met de volste overtuiging van zijns meesters dolheid weg kon rijden.Terwijl Sancho Panza zijns weegs trok, staakte de ridder zijne luchtsprongen en kopjebuitelingen en beklom eene hooge rots, om daar bedaard te overleggen, of hij verder voor razenden Roland of eenvoudig voor den smachtenden Amadis wilde spelen. Na lang, ernstig nadenken besloot hij eindelijk zich Amadis tot voorbeeld te kiezen, omdat hij daarbij noch zoo veel builen te vreezen, noch ook boomen uit den grond te rukken en rotsen te vergruizelen had. Zoo kortte hij zich dus den tijd met op de groene weide rond te kuieren, den zoeten naam zijner Dulcinea in de schors der boomen te snijden en verzen te maken, die in liefelijkheid alles overtroffen, wat nog ooit door een menschenkind gedicht is.Hoofdstuk XII.Hoe Don Quichot uit het rotsdal bevrijdt wordt.Onderwijl reed Sancho Panza door de bosch- en bergstreken en kwam al spoedig op den grooten heerweg uit. Dezen houdende kwam hij den volgenden dag aan de herberg, waar hij eerst voor eenigedagen door eenige reizigers zoo erg beet was genomen, en zoodra hij haar in het oog kreeg, had hij een gevoel, alsof hij weer hoog in de lucht werd opgegooid. Dus wilde hij hier liever maar niet pleisteren, alhoewel hij juist tegen den besten tijd van den dag, tegen etenstijd namelijk, in de nabijheid kwam. Zijne maag kwam echter tegen dezen zijnen wil in opstand, en daar de mensch bijna altijd aan de eischen van zijne maag moet gehoorzamen, zoo voldeed ook Sancho Panza aan hare dringende aanmaning en reed regelrecht op de herberg toe, om haar door eene warme soep en een duchtig stuk vleesch tevreden te stellen.Juist toen hij in de deur trad, kwamen twee heeren naar buiten, die hem terstond herkenden. De een sprak tot den ander: “Kijk eens, heer pastoor, is dat niet Sancho Panza, die met den gekken ridder Don Quichot op avonturen is uitgegaan?”“Ja, waarlijk, hij is het,” antwoordde de pastoor, “en hij zit op den knol van zijn meester.”Die beide mannen waren, gelijk wij reeds geraden hebben, de pastoor en de barbier uit Don Quichots dorp, die voor eenigen tijd met de huishoudster van den dolenden ridder al diens mooie ridderboeken verbrand en den ingang tot de bibliotheek dichtgemetseld hadden. Zij naderden den schildknaap, en de pastoor, uiterst verlangend, om iets van Don Quichot te vernemen, riep hem bij zijn naam en vroeg hem: “Vriend Sancho Panza, waar is uw heer?”De ondervraagde herkende de beide mannen op het eerste gezicht, doch nam zich voor, hun van het verblijf en de lotgevallen van zijn meester geen enkel woord te verklappen. Hij antwoordde dus kortaf, dat zijn heer ergens een gewichtige zaak had in orde te brengen, waarvan hem streng verboden was iets naders te zeggen.“Nu, als de zaken zoo staan, vriend Sancho,” sprak de barbier, die terstond begreep, hoe het was, “als gij niet zeggen wilt, waar de ridder zich ophoudt, dan moeten wij aannemen, dat hij door u vermoord en geplunderd is geworden. Gij rijdt op zijn paard en gij moet dus ook uw meester terugbezorgen, of ’t zal leelijk met u afloopen.”“Ho, ho, maar zoo driftig niet!” riep Sancho Panza op barschentoon, alhoewel de bedreiging van den barbier hem wel eenigszins ongerust maakte. “Ik ben geen man, om andere eerlijke menschen dood te slaan, en als gij mijn heer vinden wilt, zoek hem dan daarginder in het gebergte, waar hij zich met veel kunst en knapheid stapelgek houdt.”Op verder navragen der beide heeren bracht hij hen nu bij de rij af al de avonturen en dolheden van zijn meester over en voegde er bij, dat hij was afgezonden, om aan de dochter van den boer Lorenzo Corchuelo een brief over te brengen. De beide heeren hoorden dit bericht met verwondering aan; want ofschoon zij Don Quichot een tamelijk hoogen graad van gekheid toeschreven, moesten zij erkennen, dat wat zij nu van zijne dollemansstreken vernamen, hunne stoutste verwachtingen nog verre overtrof. Eindelijk verzochten zij Sancho, hun den brief te toonen, dien de ridder aan zijne aangebedene Dulcinea van Toboso geschreven had.Sancho Panza tastte dadelijk in den zak, om aan hun verlangen te voldoen, maar ontdekte tot zijn schrik, dat hij het boekje moest verloren hebben. Hij werd doodsbleek van schrik, woelde en grabbelde in al zijne zakken om en geraakte in zulk eene vertwijfeling, dat hij haar en baard uitrukte en zich met beide vuisten zoo in het gezicht sloeg, dat het bloed hem uit den neus sprong. De barbier en de pastoor verwonderden zich natuurlijk zeer over zijn gedrag en vroegen hem, waarom hij dan toch zoo tegen zijn eigen vleesch woedde.“Daar is mij ’t grootste ongeluk van mijn geheele leven overkomen!” huilde Sancho. “Ik heb drie jonge ezels verloren, waarvan ieder althans een gravenslot waard was.”“Ei! En hoe heeft dat zich toegedragen?” vroeg de barbier.“Wel, doodeenvoudig,” antwoordde Sancho. “Ik ben het zakboekje kwijt, waarin de brief van mijn heer aan zijne Dulcinea en buitendien ook de door hem eigenhandig onderteekende aanwijzing staat, dat zijne nicht mij drie van de jonge ezels, die hij op stal heeft, moet uitleveren.”De pastoor troostte hem over dat verlies en beloofde hem, zijnen heer te zullen bewegen eene tweede aanwijzing op de drie ezelsaf te geven. Deze toezegging stelde den schildknaap ten volle gerust, terwijl het verlies van den brief voor Dulcinea hem niet de koude kleeren scheen te raken.“Ik ken hem bijna van buiten, daar ik hem onder weg verscheiden malen gelezen heb, en kan hem desnoods uit mijne memorie opschrijven,” zei hij op onverschilligen toon.“Toe dan, zeg hem ons voor,” antwoordde de barbier. “Wij willen hem dan later op papier brengen.”Bij deze uitnoodiging krabde Sancho zich verlegen achter de ooren en gaf zich alle mogelijke moeite, om de woorden van het schrijven in zijn geheugen terug te roepen. Hij trok daarbij nu het eene, dan het andere been in de hoogte, keek nu naar de lucht en dan naar den grond, scheen zich de nagels van de vingers te willen zuigen en riep eindelijk in zijne verlegenheid:“Hoort, mijne heeren, de drommel mag me halen, als ik nog veel van den brief weet! Mij heugt alleen nog maar het begin en dat was: Allerverhevenste en alleromgeperste gebiederesse!”“Alleronbeperktste zal er gestaan hebben,” zei de barbier lachend.“Ja, ja, zoo was het vast,” zeide Sancho; “en dan kwam verder: “De verwonde, blauwgebeukte en slapelooze kust u de hand, onbekende en ondankbare jonkvrouwe!” en zoo al voort tot aan het slot, dat was: “De uwe tot den dood, Don Quichot van La Mancha, Ridder van de Droevige Figuur.”De beide mannen lachten, dat de tranen hun over de wangen rolden, en lieten zich den brief nog eenige malen herhalen. Sancho Panza vond daar zelf pleizier in en vertelde buitendien nog eene menigte andere geschiedenissen, zonder echter van het onbetaald gebleven gelag in de herberg ook maar met een woord te reppen.“Als mijn meester,” zoo vervolgde hij, “zijne penitentie in het rotsdal volbracht heeft, zullen wij terstond op weg gaan, om ons een keizerschap of toch voor ’t minst een koningschap te veroveren. Zoo hebben wij het tusschen ons beiden afgesproken, en ’t kan niet anders, of het zal mijn heer met zijne ontzettende koenheid heel licht gelukken, dit doel te bereiken. Als wij eenmaal zoover zijn, dan wil mijn heer mij eene edele jonkvrouw tot gemalin geven enmij tot gouverneur van een eiland benoemen, dat minstens zoo groot als heel Spanje is.”Sancho kwam met deze ongerijmdheden met zooveel bedaardheid en innerlijke overtuiging voor den dag, dat zijne beide toehoorders vol verwondering de hoofden schudden.“Hoever,” fluisterde de pastoor den barbier toe, “hoever moet het met Don Quichots waanzin gekomen zijn, dat hij ook het verstand van dezen armen sukkel zoo deerlijk op hol kon brengen!”Nochtans besloten zij, zich geen moeite te geven, om Sancho Panza uit zijn droom te helpen. Zijne ziel werd er niet door in gevaar gebracht, en zij zelven beloofden zich van zijne verdwaasdheid nog vrij wat pret. Zij zeiden hem derhalve slechts, dat hij maar op de gezondheid zijns meesters moest hopen, opdat die al zijne stoute plannen en ontwerpen zou kunnen volvoeren en hijzelf mettertijd keizer of aartsbisschop of wat anders heel hoogs en voornaams zou worden.“Wat!” vroeg Sancho, “kan een dolend ridder ook aartsbisschop worden? Wat heb ik, als zijn trouwe schildknaap, dan niet eene belooning te wachten!”“Wel zeker, gewoonlijk krijgen de schildknapen de eene of andere vette prebende of toch ten minste eene goede kostersplaats,” antwoordde de pastoor.“Welaan,” verklaarde Sancho, zich vergenoegd de handen wrijvende, “dan wil ik mijn meester daarheen leiden, waar ’t voor hemzelf het best is en hij mij de vetste happen kan toeduwen.”“Gij zijt een vroom man en een goed Christen, Sancho,” sprak de pastoor. “Doch ’t wordt nu tijd, een middel uit te denken, om uw heer van zijne onnutte boete af te brengen, en me dunkt, we stappen daartoe hier de herberg binnen, om dat eens op ons gemak te bepraten. Kom, vriend Sancho, wees onze gast bij den maaltijd.”Sancho’s schrik voor de herberg was intusschen weer levendig geworden en hij zei dus, dat zij maar moesten binnengaan; hij zelf zou zoolang buiten wachten en hun later de reden zeggen, waarom hij van hunne uitnoodiging geen gebruik kon maken. Evenwel zouden zij hem groot pleizier doen, indien zij hem eene portiewarm eten en Rocinante een maaltje gerst buiten wilden zenden.De beide mannen drongen na deze verklaring niet verder bij Sancho aan, maar traden in de herberg. De barbier verzuimde echter niet, den hongerige en zijn rijbeest al spoedig ruim van het noodige te voorzien.Terwijl Sancho Panza in eenzaamheid zijn maal verteerde, overlegden de pastoor en de barbier, op welke wijze zij het best hun doel bereiken en Don Quichot van zijn dol opzet afbrengen konden. Na lang heen en weer praten, kwam de pastoor op een denkbeeld, dat zoowel met des ridders dweperij, als ook met hunne bedoelingen in volmaakte overeenstemming was. Hij had namelijk den inval, zichzelf als eene dolende jonkvrouw te vermommen, terwijl de barbier zich als stalmeester van de edele dame in het pak zou steken. Zoo verkleed wilden zij Don Quichot gaan opzoeken; de pastoor zou zich voor eene vervolgde, hulpbehoevende edelvrouwe uitgeven en hem bezweren, haar te volgen en den smaad en hoon te wreken, haar door een boozen, ondeugenden ridder aangedaan. Om het geheim niet voor den tijd te verraden, wilde de pastoor eene gelofte voorwenden, die haar verbood, zich te ontsluieren, voordat Don Quichot haar tegen den valschen ridder recht had verschaft, en hij vertrouwde ten volle, dat het op die wijze gelukken zou, den krankzinnigen ridder naar zijne oude woonstee terug te brengen en hem daar geheel van zijne kwaal te genezen.Den barbier kwam dit plan zoo goed voor, dat hij terstond op de uitvoering er van aandrong. Zij verzochten dus van de waardin een vrouwenkleed en een hoofdkap met toereikend dichten sluier ter leen en werden aan een en ander volgens hun wensch geholpen. De barbier echter maakte zich een ontzettenden baard van een roodbruinen ossestaart, waarin hij gewoonlijk zijn kam placht te steken. Op haar vragen vernam de herbergiersvrouw, waartoe deze verkleeding eigenlijk moest dienen, en nu begreep zij oogenblikkelijk, dat die gekke ridder haar gewezen gast en de heer van dien geplaagden schildknaap moest zijn. Zij vertelde den pastoor, wat toenmaals was voorgevallen, en verzweeg ook niet het geringste van wat Sancho Panza zoo zorgvuldig verborgen had gehouden.Hierop verkleedde zij den pastoor met zooveel zorg, dat hij zichzelf bijna niet herkend zou hebben. Zij trok hem een lakenschen rok aan, die met breede zwartfluweelen strooken bezet was, gaf hem een groenfluweelen rijglijf en wou hem ook nog het haar kappen, zooals de vrouwen gewoon zijn, dat te doen. Dit laatste liet de brave man evenwel niet toe, maar hij bedekte zijn hoofd met eene witte linnen slaapmuts en bond daar een sluier aan, die zijn baard en zijn geheele gezicht ten volle bedekte. Daarop drukte hij zich zijn grooten breedgeranden hoed diep in de oogen, wierp een langen mantel om en ging, op vrouwenmanier, dwars op zijn muildier zitten. Ook de barbier met zijn roodbruinen langen baard besteeg zijn ezel, en zoo zeiden zij de wakkere waardin vaarwel en gingen bij Sancho, die over de wonderlijke toetakeling der beide eerzame mannen lachen moest, dat zijn buik er van schudde.Terwijl zij nu den weg naar het gebergte insloegen, begreep de pastoor, dat het in den grond nergens toe diende, dat zij nu reeds hunne verkleeding droegen, en besloot dus die vooreerst af te leggen en eerst weder aan te nemen, als zij in de nabijheid van de schouwplaats hunner daden en van Don Quichots dwaasheid zouden zijn aangekomen. Dit geschiedde, en in zeer vroolijke stemming vervolgden zij hierop hunnen tocht.Den volgenden dag kwamen zij aan de plaats, waar Sancho Panza de boomtakken in den grond had gestoken, om hem tot wegwijzers te dienen. Hier vonden zij een lustig gezelschap van personen, die, naar het scheen, eene reis door het gebergte hadden gedaan. Het bestond uit drie heeren en eene dame van buitengewoone schoonheid.Sancho Panza haastte zich vooruit, om voorloopig naar zijn heer om te zien; doch de pastoor liet zich in een gesprek met de reizigers in en vertelde op hunne vraag, hoe hij hierheen kwam, alles wat hij van Don Quichot wist, van zijne wonderbaarlijke dwaasheid en van zijn waanzinnig besluit, om in een rotsdal van het gebergte den razenden Roland of den smachtenden Amadis van Gallië te spelen.De jonge dame had dit verhaal onder veel lachen aangehoord,en daar zij van een zeer vroolijken en spotzieken aard was, wist zij hare begeleiders over te halen, den braven pastoor in zijn goed werk te ondersteunen en den dollen ridder van La Mancha eens eene heilzame poets te helpen spelen.“Ik wil de vervolgde jonkvrouw voorstellen,” zeide zij, “en kan die rol recht natuurlijk spelen, daar ik toevallig eenige kleeren bij mij heb, die daarbij uitmuntend te pas kunnen komen. Ook weet ik zeer goed, hoe dergelijke dames in de riddergeschiedenissen doorgaans spreken en zich aanstellen, en dus twijfel ik niet, of de grap zal kostelijk gelukken.”De pastoor en de overige heeren waren met dit plan dadelijk bijzonder ingenomen, en de vreemde dame, die blijkbaar van hoogen stand was en Dorothea heette, haalde dus uit haar reiskoffer een prachtig fluweelen kleed voor den dag, tooide zich met schitterende juweelen en schikte zich zoo deftig op, dat elk haar wel voor eene echte ridderdame uit den goeden ouden tijd moest houden. Allen stonden over haar prachtig uitzien verbaasd, en vooral Sancho Panza, die intusschen teruggekeerd was, kon niet ophouden haar te bewonderen, en verklaarde haar voor de schoonste dame, die hij nog ooit in zijn leven gezien had. Hij vroeg heimelijk den pastoor, of die niet wist, wie zij was.“Zeker weet ik dat, vriend Sancho,” antwoordde de pastoor, om den schildknaap wat te foppen. “Deze schoone jonkvrouw is eene prinses en de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon. Zij is hierheen gekomen, om de hulp van uw meester in te roepen tegen een reus, die haar ten schandelijkste beleedigd heeft, en stelt het hoogste vertrouwen op zijn heldenmoed en zijne dapperheid.”Sancho Panza nam deze gekheid voor echte munt op en zeide vergenoegd: “Waarlijk, dan heeft zij zich tot den rechten man gewend, want mijn heer weet met reuzen om te springen, alsof het ratten en muizen waren. Och toe, heer, zorg, dat hij die schoone prinses tot gemalin en zoodoende haar gansche koninkrijk krijgt. Stellig maakt hij mij dan tot zijn stadhouder, en mijn fortuin is voor altijd gemaakt. Maar hoe heet de schoone prinses eigenlijk?”“Zij heet prinses Micomicona naar haar koninkrijk Micomicon,”antwoordde de pastoor; “en ik wil mijn uiterste best doen, om uw meester tot een huwelijk met haar te bewegen. Maar zeg, in welken toestand hebt gij den edelen ridder eigenlijk gevonden?”“Och lieve hemeltje,” zeide Sancho Panza, “ik vond hem half naakt, in ’t bloote hemd, vervallen, geel, van honger blaffend en voortdurend naar zijne Dulcinea zuchtend. Ik droeg zorg, dat hij mij niet te zien kreeg, en ben maar dadelijk tot u teruggekeerd.”Onderwijl werd Dorothea op des pastoors muilezel geholpen, bond de barbier zijn ossestaart weer voor en beval de pastoor Sancho, die beiden in Don Quichots nabijheid te brengen. Hij prentte hem goed in, op geenerlei wijze te verraden, dat hij den barbier kende, en wendde zich toen tot Dorothea, om de rol van het op te voeren kluchtspel nog eens met haar door te loopen. Hierop gingen de dame, de barbier en Sancho Panza op weg, terwijl de anderen, om het spel niet te bederven, vooreerst achterbleven.Zij konden misschien een kwartier afgelegd hebben, toen Dorothea een maar half gekleeden man in het oog kreeg en van Sancho hoorde, dat dit de dolle ridder in hoogsteigen persoon was. Terstond spoorde zij nu haar muildier aan en de ossebaardige barbier volgde haar op den voet. Zoodra zij dicht bij den ridder waren, sprong de voorgewende palfrenier van zijn ezel en hielp Dorothea van haar muildier. De dame viel dadelijk voor Don Quichot op de knieën neer; deze wilde haar oprichten, doch zij wilde niet opstaan, maar begon op hoogdravenden toon de volgende toespraak:“Dappere, edele en grootmoedige ridder! niet eer zal ik van mijne knieën opstaan, voordat gij mij uw ridderlijk woord hebt gegeven, de sterkte van uwen arm tot hulp eener ongelukkige aan te wenden, die op de faam uwer daden uit verre landen is toegesneld, om u te smeeken, aan haren nood en hare ellendigheid een einde te maken.”“En ik,” antwoordde Don Quichot op denzelfden toon, “zal u niet eer antwoord geven, alleraanminnigste en allerschoonste jonkvrouwe, voordat gij van dien vuilen grond zijt opgestaan.”“Neen, edele heer,” verklaarde de smeekelinge, “hier zal ik neerknielen in het stof, tot uwe goedertierenheid mij de genade heeft toegezegd, welke ik smeekend van u durfde vragen.”“Welaan dan,” sprak Don Quichot, “zoo zij uwe bede u toegestaan, mits zij namelijk niet strijdt tegen wat ik mijn vaderland, mijn koning en mijn hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso verschuldigd ben.”“Tegen niets van dat alles strijdt zij,” antwoordde de hulpzoekende jonkvrouw en richtte zich op.Inmiddels kwam Sancho Panza achter zijn meester staan en fluisterde hem in het oor: “Toe, toe maar, edele heer! Gij kunt aan de dame veilig alles beloven, want zij verlangt eenvoudig maar, dat gij een geweldigen en schrikbarenden reus voor haar kapot maakt. Zij is de verheven prinses Micomicona, de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon in ’t land van Aethiopië.”“Zwijg!” beval de ridder op barschen toon. “Zij moge wezen, wie zij wil, ik zal doen, wat mijn plicht als dolend ridder voorschrijft.”Hierop keerde hij zich weer tot de dame en sprak: “Spreek, doorluchtige jonkvrouwe! Wat is uwe begeerte?”“Ik bid en smeek, hooge ridder,” zeide de dame, “dat uw grootmoedig persoon met mij komen en beloven moge, geen ander avontuur te beginnen, voordat gij mij wraak en genoegdoening tegen den snooden verrader hebt verschaft, die in strijd met alle menschelijke en goddelijke wetten mijn koninkrijk overweldigd heeft.”“Het zij u toegestaan, edele dame,” antwoordde de ridder met veel grootmoedigheid.“Verban derhalve de droefgeestigheid van uw aanminnig aangezicht en verheug u, want met Gods hulp zal ik uwe goede zaak recht verschaffen en u weder op den troon uwer vaderen plaatsen. Laat ons moedig en wakker tegen de schurken en roovers te werk gaan, want uit talmen en dralen komt niets dan gevaar en tegenspoed voort.”De eerst beproefde, maar thans wonderbaarlijk vertrooste jonkvrouwe wilde met alle geweld den ridder de handen kussen, wat deze als hoffelijk en welgemanierd held evenwel volstrekt niet toestaan wou. Veeleer omhelsde hij haar met groote aandoening, waarna hij zijn schildknaap beval, Rocinante den gordelriem vaster aan te halen en hemzelf de wapenstukken aan te leggen. Dit geschiedde,en nu riep hij: “Welaan, in naam van Dulcinea, laat ons gaan, want de aanminnige dame moet geholpen worden.”De barbier had, terwijl dit alles voorviel, nog altijd op de knieën gelegen en zichzelf alle geweld aangedaan, om ’t niet hardop uit proesten en daardoor de heele grap op eens te bederven. Toen hij zag, dat de terugreis zou worden aangenomen, sprong hij op, hielp zijne gebiedster op het muildier en steeg vervolgens ook zelf op. Don Quichot stapte op Rocinante; doch Sancho, voor wien paard noch ezel meer overbleef, moest te voet het gezelschap volgen. Niettegenstaande dat bleef hij blij en welgemoed, want hij waande zijn meester thans op den besten weg, om door het huwelijk met de prinses keizer te worden; en dan kon ’t niet uitblijven, of ook hij zou geborgen zijn en tot een groot stadhouderschap geraken. De eenige zorg, die hem kwelde, bestond in de omstandigheid, dat zijne toekomstige onderdanen Negers zijn zouden. Evenwel wist hij zich ook daarover te troosten, daar hij het plan opvatte, hen tot een handelsartikel te maken en er zoovelen van te verkoopen, als hij maar goedschiks slijten kon.Intusschen kwam het gezelschap weder op de vlakte aan den voet van het gebergte, waar de pastoor en de begeleiders van jonkvrouwe Dorothea het opwachtten. Om zich zonder omstandigheden te kunnen aansluiten, kwam de pastoor met open armen op Don Quichot toe, viel hem te voet, omhelsde zijne knie en hield eene toespraak tot hem, die zoo rijkelijk met vuistdikke bloemen en pluimpjes voor den dolenden ridder doorspekt was, dat Don Quichot zelf hem en die bij hem waren uitnoodigde, met hem te gaan. Ja, hij wou zelfs afstijgen en den pastoor zijn eigen Rocinante ten gebruike overlaten.Dit aanbod werd nochtans door den pastoor niet aangenomen, en er volgde eene kleine vriendschappelijke schermutseling, totdat de dame tusschenbeide kwam en haar palfrenier, d. i. den barbier met den ossestaart, verzocht zijn plaats aan den geestelijken heer af te staan en achter dezen op het muildier te kruipen.De gehoorzame palfrenier was hier aanstonds toe bereid; hij steeg af en liet den pastoor zijne plaats in den zadel over. Toenhij nu echter achter hem opzitten wilde, begon het muildier te steigeren en achteruit te slaan, en toonde zich zoo koppig, dat meester Nicolaas op den grond tuimelde en onder den val zijn ossestaart verloor.Don Quichot was niet weinig verwonderd, toen hij op eens den roodbruinen baard van des barbiers gelaat verdwenen zag, doch stelde zich spoedig gerust, toen de pastoor hem toeschreeuwde, dat alleen dat verwenschte muildier den armen palfenier zoo deerlijk gehavend had. Hij zou echter wel zorgen, dat de baard ten spoedigste weer aangroeide.Alles, wat den schijn van het wonderbare had, was voor den goeden ridder het geloofwaardigste ter wereld. Hij gaf dus ook volstrekt geen bevreemding te kennen, toen hij zag, hoe de pastoor den baard opraapte, bij de borst van den barbier neerknielde, eenige wonderlijke grimassen maakte en een paar tooverwoorden mompelde, die den baard op eens zoo vast deden zitten, als die vroeger gezeten had. Men steeg opnieuw op en de door dit toeval vertraagde reis werd nu onverwijld voortgezet.Onderweg kraamde Don Quichot nochtans zoo veel onzin uit en overstelpte Sancho Panza, om zich zijn stadhouderschap te verzekeren, zijn meester met zoo veel dwaze en kant noch wal rakende loftuitingen en pluimstrijkerijen, dat de vreemde dame de klucht spoedig moe werd en van harte blij was, toen zij den volgenden dag de herberg bereikten, van waar de pastoor en de barbier waren opgebroken, om Don Quichot op te zoeken en door list naar huis terug te lokken.Wat nu echter in deze herberg gebeurde en welke heldendaad de Ridder van de Droevige Figuur aldaar verrichtte, daarvan zal in het volgende hoofdstuk uitvoerig verslag worden gegeven.

Hoofdstuk IX.De molen.’t Was reeds helderlichte dag geworden, toen de ridder en zijn dienaar door een engen hollen weg in een afgelegen, vrij uitgestrekt dal uitkwamen. Zij stapten hier van hunne vermoeide dieren, vergastten zich op den voorraad, die Sancho van de monniken had meegepakt, en voelden er zich zoo wel, dat zij den ganschen dag en een deel van den volgenden nacht op die plaats bleven uitrusten. Den daarop volgenden morgen echter, lang voordat het licht aan den hemel kwam, braken zij weer op, leidden hunne dieren bij den teugel, om er in de donkerheid niet mee te struikelen, en vervolgden zoo behoedzaam hun weg. De hen omringende duisternis was zoo groot, dat zij nauwelijks twee passen ver zien konden.Zij waren nog niet ver, toen op eens een geweldig klateren en klotsen als van neerstortende wateren, in hun oor drong. Dit gedruis ging gepaard met een vreemd gedreun, dat den armen schildknaap, die nu eenmaal van de natuur het hart van een haas had gekregen, met schrik en ontzetting vervulde. Zij hoorden namelijk regelmatige, doffe slagen, met geluiden als het rammelen van ijzeren kettingen vermengd. Daarbij was de nacht pikdonker, en in de bladeren der boomen ruischte de wind, die akelig langs de naaste rotswanden huilde en gierde. De eenzaamheid, de woeste streek, de donkerheid, het ruischen van het water, het loeien van den wind, dat alles vereenigde zich met dat voortdurend, schrikbarend bonzen en stampen, om onze helden het hart in de borst te doen trillen. Zooals gezegd is, sidderde Sancho Panza dan ook als een popelblad; maar Don Quichot bleef onverschrokken, besteeg Rocinante, greep lans en schild en sprak:“Sancho Panza, de hemel heeft mij tot groote daden geroepen,gelijk nu weer uit het nieuwe, schrikbarende avontuur, dat ik manhaftig te gemoet zal gaan, ten duidelijkste schijnt te blijken. Haal mij dus den zadelriem wat vaster aan, trouwe vriend, en blijf dan hier op de plaats, om mij drie dagen te wachten. Als ik binnen dien tijd niet hier terug ben, trek dan naar onze woonplaats en doe aan mijne gebiederesse, de edele Dulcinea van Toboso, kond en te weten, dat haar ridder bij de vervulling zijner plichten als dolend held, onder het volvoeren van grootsche en verheven daden bezweken is.”Deze toespraak van zijn heer bewoog Sancho Panza tot schreiens toe, en hij peinsde op een middel, om den edelen Don Quichot aan den zekeren dood te ontrukken. Terwijl hij het paard den gordel vaster om het lijf gespte, sloeg hij den halsterriem van zijn ezel vlug en ongemerkt om Rocinantes voorpooten heen, zoodat Don Quichot met zijn ros bezwaarlijk van de plaats kon komen. De ridder gaf nu werkelijk het dier de sporen, doch dat wipte slechts een paar malen op en bleef toen onbeweeglijk staan.Ziende, dat zijne list gelukt was, sprak Sancho:“Heer ridder, de hemel zelf verlangt door teekens en wonderen, dat gij u niet in gevaar zult storten. Hij heeft Rocinantes ledematen verlamd, zoodat hij zoo stijf als een stok is, en als gij nu toch het arme dier woudt slaan en aansporen, zou het u niet baten en gij zoudt geen stap verder voortkomen.”Don Quichot was razend van ongeduld. Hij luisterde heel niet naar Sancho’s woorden, maar hieuw en stak als dol op het arme beest los, zonder daardoor iets anders dan een paar vruchtelooze sprongen van het gebonden dier gedaan te kunnen krijgen. Eindelijk moest hij alle verdere pogingen opgeven. Zonder op de gedachte te komen, dat Rocinante door een uitwendig middel gebonden kon zijn, besloot hij, zich voorloopig tevreden te stellen en den morgen af te wachten, wanneer, naar hij hoopte, Rocinante wel weer vanzelf in beweging zou komen. Hij gaf dit besluit aan Sancho te kennen, maar kon toch wel bijna gehuild hebben van ongeduld.“Troost u, gestrenge heer,” voegde zijn guitachtige schildknaaphem op deelnemenden toon toe, “troost u, want ik wil u, tot de dag komt, een aardige historie vertellen, als gij niet liever uit den zadel wilt komen en tot het aanbreken van den dag nog eene zoete rust genieten.”“Neen, ik zal niet afstijgen en slapen,” verklaarde Don Quichot; “maar wel zal ik met genoegen uwe geschiedenis aanhooren.”“Goed, gestrenge heer,” zeide Sancho. “Luister dan goed toe en val mij vooral niet in de rede, want dat is een ding, dat ik volstrekt niet dulden kan.”“In een dorp van Estramadura was eens een geitenherder, dat wil zeggen een man, die geiten hoedde, en deze geitenherder of man, die geiten hoedde, van wien mijne geschiedenis vertelt, heette Lope Ruiz.”“Hoor, Sancho, als ge zoo omslachtig blijft voortvertellen, zullen we uwe geschiedenis niet voor het einde van de wereld te hooren krijgen,” viel de ridder hem verdrietig in de rede. “Spreek als een verstandig mensch, of houd liever den mond dicht.”“Goed, goed, heer!” riep Sancho Panza en vertelde verder.“Deze geitenherder dan nu, die Lope Ruiz heette, ging op een goeden dag met zijne kudde uit en kwam aan een breeden stroom, dien hij met de geiten niet doorwaden kon. En daarom keek hij dus naar een veerman om en ontdekte al spoedig een visscher, die aanbood zijne driehonderd geiten op den anderen oever te brengen. Hij stapte in zijne boot, nam een geit mee en bracht haar naar de overzij. Hierop kwam hij terug, nam weer eene geit en bracht haar ook over.—En nu, gestrenge heer, tel nu goed al de geiten, die de visscher overzette, want als ge er ook maar één van vergeet, dan is mijn historie uit en kan ik met den besten wil niet verder vertellen. Hoor nu.—De gindsche oever van de rivier, waarover de geiten gebracht moesten worden, was buitengewoon glad en glibberig, en de visscher had dus veel tijd noodig, om al de geiten over te krijgen. Evenwel voer hij heen en terug en bracht nog eene geit naar de overzij.”“Maar, domme kerel,” riep Don Quichot ongeduldig en verdrietig,“neem dan gerust aan, dat al de geiten zijn, waar ze wezen moeten, en vertel dan verder.”“Ja, dat gaat niet,” antwoordde Sancho. “Hoeveel geiten zijn er nu over?”“Hoe drommel, weet ik dat?” riep de ridder.“Daar hebben we ’t al!” zeide Sancho Panza. “Nu is mijn vertelsel uit en ik kan er onmogelijk het slot van vinden. Waarom hebt gij de geiten dan ook niet beter geteld?”“Maar, goede hemel, wat heeft het getal der overgezette geiten dan toch eigenlijk met uwe geschiedenis te doen? Vertel maar verder.”“Neen, nu gaat dat niet meer,” antwoordde Sancho, de schouders ophalend. “Daar gij niet wist, hoeveel geiten overgezet waren, raakte ik de kluts kwijt, en nu is mij de heele historie door het hoofd gegaan.”Don Quichot bromde wat, en beiden zwegen nu een tijdlang doodstil. Eindelijk echter, toen de hemel zich in het oosten begon te kleuren en de morgen aanbrak, oordeelde de ondeugende schildknaap het tijd, zijns meesters strijdhengst weer van zijne banden te ontdoen. Hij maakte den halsterriem behoedzaam los en legde dien zijn ezel aan.Nauwelijks voelde Rocinante zich weer vrij, of zijn zelfgevoel scheen te ontwaken. Hij lichtte eenige malen zijne stijve voorpooten op en maakte eenige andere bewegingen. Dit hield Don Quichot voor een goed voorteeken en hij geloofde, dat het nu tijd was om het gevaarlijkste van alle avonturen te beginnen en te bestaan.Middelerwijl werd het ten volle licht en zag de ridder, dat hij zich in een dicht boschje van kastanjeboomen bevond, welker groene takken het uitzicht beletten. Daar hij echter nog altijd dat schrikbarend stampen vernam, nam hij afscheid van Sancho Panza, herhaalde hem zijne vroegere aanwijzingen, gaf Rocinante de sporen en ging op weg, terwijl de schildknaap langzaam te voet achternakwam.Toen zij nu vrij lang onder kastanjes en andere lommerrijke boomen waren voortgetrokken, kwamen zij op eene kleine weidevlakte, die te midden van hooge rotsen was gelegen, van welke een prachtige waterval zich in de diepte neerstortte. Aan den voetdaarvan lagen eenige ellendige lage hutten, uit wier binnenste het dreunend stampen klonk, dat onze beide helden al zooveel schrik aangejaagd had. Rocinante werd erg schuw door het gebons, het geklapper en de slagen, die het aardrijk voortdurend deden schudden. Don Quichot bedwong nochtans zijn steigerend ros en reed voort, recht op de oorzaak van het schrikbarend geraas aan.Sancho Panza hield zich dicht achter hem en loerde nu en dan tusschen Rocinantes pooten door, om de eigenlijke oorzaak van het vreeselijk rumoer, dat hem door merg en heenging, te vernemen.Op eens hield Don Quichot zijn ros staande, want zie, de onschuldige oorzaak van het zoo geducht alarm, dat hen den halven nacht in onrust, vrees en spanning had gehouden, lag daar open en bloot voor hen. Dat waren namelijk de zes stampers van een pletmolen, die, door de kracht des waters gedreven, door hunne slagen den omliggenden grond in voortdurende trilling en schudding hielden.Toen Don Quichot zich hiervan ten volle overtuigd had, werd hij bleek van teleurstelling en ergernis. Hij liet het hoofd op de borst zinken en schaamde zich zoo, dat hij liefst dadelijk in den grond zou zijn weggezonken. Sancho Panza daarentegen barstte in zulk een luid en schaterend lachen uit, dat hij zich onmogelijk op de been kon houden, maar als een meelzak neerplofte en zich in het gras rondwentelde van pleizier. Dit kluchtig gezicht verdreef eindelijk ook des ridders mismoedigheid, zoodat de diepe rimpels van zijn voorhoofd verdwenen en hij zelf hartelijk meelachen moest.Zoodra Sancho Panza dit bemerkte, ontwaakte zijn overmoed en deed hem de vrijheid nemen met zijn heer den spot te drijven door alles, wat die in de verwachting van een groot gevaar tot hem gesproken had, onder schaterend lachen te herhalen. Deze bespotting verdreef nochtans weder de blijmoedige stemming van zijn heer en maakte dezen zoo verbolgen, dat hij zijne lans ophief en zijn schildknaap een paar slagen over de schouderbladen gaf, die aan zijn ondeugenden spotlust op eens een einde maakten. Hij stond op en nam zijne vroegere onderdanige en bescheiden houding weder aan.“Vergeef mij, gestrenge heer,” zeide hij; “ik gekte maar wat.”“Nu, al gekt gij, knaap, zoo houd ik toch niet van gekken,” antwoordde de ridder. “Daar gij uwe straf nu reeds bekomen hebt, zal ik u uw onbehoorlijk gedrag echter voor ditmaal vergeven.”Intusschen begon het een weinig te regenen, en Sancho Panza betoonde grooten lust, een paar uren in den pletmolen te schuilen. Zijn meester had echter zulk een afkeer gekregen van het gebouw, dat hem op eene zoo belachelijke wijze gefopt had, dat hij voor Sancho’s voorstel geen ooren had, maar zijn tocht onverwijld voortzette. Hij keerde zich rechts en kwam op een weg, dien hij tot hiertoe nog niet betreden had.Het duurde niet lang, of hij kreeg een man te paard in het oog, die een blinkend ding op het hoofd droeg, dat in de hoogste mate Don Quichots aandacht trok. Zoodra hij het gezien had, keerde hij zich tot zijn schildknaap om en zeide:”Sancho, het noodlot maakt alle teleurstelling goed, die ons zoo bitter heeft verdroten. Zie, daar komt ons een man te gemoet, die op zijn hoofd den helm van een hoogberoemden held, den ridder Mambrino, draagt.”“Als ge u maar niet vergist, gestrenge heer!” antwoordde Sancho Panza. “Wees niet al te voorbarig!”“Gij schandelijke twijfelaar! Hoe zou ik mij op helderlichten dag zoo kunnen vergissen?” riep de ridder, wiens hoofd weer op hol begon te raken. “Ziet gij dien ridder op zijn appelschimmel niet? Ziet gij den gouden helm op zijn hoofd niet?”“Och, ik met mijn dom verstand zie niets dan een man op een grauwen ezel, die veel van den mijnen heeft,” was het koele antwoord. “Wel heeft hij een blinkend ding op zijn hoofd, dat ik niet recht onderscheiden kan; maar een helm is het zeker niet.”“Het is de helm van Mambrino, domkop!” schreeuwde Don Quichot. “Ga op zij, kerel, en laat mij met dien ridder alleen. Weldra zult gij zien, dat ik met hem kampen en den helm veroveren zal.”“En toch is het geen helm,” bromde de schildknaap.“Hondsvot, rekel, zwijg!” riep Don Quichot vol woede. “Als gij nog een woord spreekt, zweer ik u de ziel uit het lijf te beuken.”Door deze bedreiging verschrikt, vond Sancho ’t maar het verstandigst, op zij te gaan en geen mond meer open te doen.Er lagen daar in den omtrek twee dorpen, die te klein waren, om er ieder een eigen barbier op na te houden. Daarom bediende dan ook maar één scheerbaas beide plaatsen en ging op zijn grauwtje bij zijne verschillende klanten rond. Dit was ook heden weer het geval en, om zijn nieuwen hoed tegen de regendroppels te beschutten, had de goede man zijn geelkoperen scheerbekken daar bovenop gezet. Dat bekken, blank geschuurd, blonk van verre als een spiegel en werkte zoo levendig op des Dons ziekelijke verbeelding, dat alles, als gewoonlijk, in zijn oog eene herschepping onderging, dat hij een grauwen ezel voor een appelschimmel hield en een ridder met gouden helm zag, waar daar in werkelijkheid niets van bestond.In zijne dolle verblinding stoof Don Quichot dan nu ook op den aan geen kwaad denkenden baardschrabber aan en richtte in vollen ren zijne lans op hem met het vaste voornemen, om hem met de scherpe punt zonder genade door en door te priemen. Eerst toen hij al heel dicht bij was, schreeuwde hij hem toe: “Verweer u, roover en dief! of sta af, wat u niet toekomt!”De arme, verschrikte barbier wist geen ander middel om den dreigenden lansstoot te vermijden, dan dat hij zich maar terstond van den ezel liet vallen. Dit deed hij, en nauwelijks had hij met zijne volle lengte den bodem gemeten, of hij sprong weer op, nam, gelijk men dat noemt, zijne beenen onder den arm en zette het op een loopen met eene snelheid, dat een stormwind hem bezwaarlijk zou hebben ingehaald.Don Quichot liet hem loopen, zonder aan eene vervolging te denken; want bij den val was den verschrikten barbier zijn bekken van het hoofd gevlogen en lag nu als goud in de zon te blinken. Don Quichot beval zijn schildknaap, den helm op te nemen, en Sancho Panza gehoorzaamde, terwijl hij zeide: “Waarachtig, eenheel goed scheerbekken, en onder broeders zijne acht realen waard.”Met deze woorden reikte hij het bekken aan Don Quichot over, die het terstond op zijn hoofd zette en omdraaide, om het vizier te vinden. Wijl dit er nu niet was, vond hij het ook niet en zeide: “Die held Mambrino moet een geweldig dik en groot hoofd hebben! Jammer maar, dat de helft van den helm ontbreekt!”Toen Sancho Panza zag, dat zijn meester nog altijd hardnekkig bij zijne verbeelding bleef, kon hij toch onmogelijk het lachen laten en proestte het hardop uit.“Waarom lacht gij?” vroeg Don Quichot dadelijk.“Ei,” antwoordde de schildknaap, “ik lach, als ik mij den dikken kop voorstel, die onder dat barbiersbekken moet gezeten hebben.”“Sancho, gij spreekt onverstandig!” zeide de ridder op berispenden toon. “Ik wil u zeggen, hoe ik over dit wapenstuk denk. Stellig zeker is de helm eens door een of ander toeval in de handen van een mensch gekomen, die er den prijs niet van wist te waardeeren en, zonder te weten wat hij deed, de helft er van smolt, om er geld van te maken, maar de andere helft tot een ding misvormde, dat misschien wel wat op een barbiersbekken lijkt. Dat zal mij echter niet beletten hem in eere te houden, en zoodra wij bij eene smederij komen, wil ik hem zoo laten opknappen, dat hij zelfs den krijgshelm zal overtreffen, dien Vulcanus, de god der smeden, voor Mars, den oorlogsgod, vervaardigd heeft. Tot zoo lang wil ik hem dragen, gelijk hij is; want in allen gevalle is hij beter dan in ’t geheel niets en kan hij mij desnoods tegen een steenworp dekken.”“Als die maar niet uit een slinger komt,” merkte Sancho spotachtig aan. “Maar wat moet nu met het beest gebeuren, dat uw edelheid voor een appelschimmel gelieft te houden? Het is niet te denken, dat de eigenaar er van terugkomt, en, bij mijn baard, het is zoo kloek en krachtig, dat het mij bevallen zou, zelfs als ’t mijn eigendom was.”“Gij moogt het u niet toeëigenen,” antwoordde Don Quichot. “Het zou onedel zijn, een overwonnene te berooven. Laat daarom den appelschimmel stilletjes staan.”“Nu, als ik hem niet met huid en haar mag nemen, wil ik toch zijn zadeltuig voor mijn dier meepakken,” mompelde Sancho Panza en ging dadelijk tot dezen ruil over, zonder dat zijn gestrenge meester daar iets tegen inbracht. Hij knapte nu zijn eigen ezel netjes op, zoodat hij er tienmaal fraaier dan vroeger uitzag, en volgde toen op een sukkeldrafje zijn heer, die reeds een tamelijk eind vooruit was. Rustig trokken zij nu met elkaar voort en lieten aan Rocinante over zijn eigen weg te zoeken. Rocinante bleef op den grooten rijweg, zeker omdat die hem de gemakkelijkste toescheen.

’t Was reeds helderlichte dag geworden, toen de ridder en zijn dienaar door een engen hollen weg in een afgelegen, vrij uitgestrekt dal uitkwamen. Zij stapten hier van hunne vermoeide dieren, vergastten zich op den voorraad, die Sancho van de monniken had meegepakt, en voelden er zich zoo wel, dat zij den ganschen dag en een deel van den volgenden nacht op die plaats bleven uitrusten. Den daarop volgenden morgen echter, lang voordat het licht aan den hemel kwam, braken zij weer op, leidden hunne dieren bij den teugel, om er in de donkerheid niet mee te struikelen, en vervolgden zoo behoedzaam hun weg. De hen omringende duisternis was zoo groot, dat zij nauwelijks twee passen ver zien konden.

Zij waren nog niet ver, toen op eens een geweldig klateren en klotsen als van neerstortende wateren, in hun oor drong. Dit gedruis ging gepaard met een vreemd gedreun, dat den armen schildknaap, die nu eenmaal van de natuur het hart van een haas had gekregen, met schrik en ontzetting vervulde. Zij hoorden namelijk regelmatige, doffe slagen, met geluiden als het rammelen van ijzeren kettingen vermengd. Daarbij was de nacht pikdonker, en in de bladeren der boomen ruischte de wind, die akelig langs de naaste rotswanden huilde en gierde. De eenzaamheid, de woeste streek, de donkerheid, het ruischen van het water, het loeien van den wind, dat alles vereenigde zich met dat voortdurend, schrikbarend bonzen en stampen, om onze helden het hart in de borst te doen trillen. Zooals gezegd is, sidderde Sancho Panza dan ook als een popelblad; maar Don Quichot bleef onverschrokken, besteeg Rocinante, greep lans en schild en sprak:

“Sancho Panza, de hemel heeft mij tot groote daden geroepen,gelijk nu weer uit het nieuwe, schrikbarende avontuur, dat ik manhaftig te gemoet zal gaan, ten duidelijkste schijnt te blijken. Haal mij dus den zadelriem wat vaster aan, trouwe vriend, en blijf dan hier op de plaats, om mij drie dagen te wachten. Als ik binnen dien tijd niet hier terug ben, trek dan naar onze woonplaats en doe aan mijne gebiederesse, de edele Dulcinea van Toboso, kond en te weten, dat haar ridder bij de vervulling zijner plichten als dolend held, onder het volvoeren van grootsche en verheven daden bezweken is.”

Deze toespraak van zijn heer bewoog Sancho Panza tot schreiens toe, en hij peinsde op een middel, om den edelen Don Quichot aan den zekeren dood te ontrukken. Terwijl hij het paard den gordel vaster om het lijf gespte, sloeg hij den halsterriem van zijn ezel vlug en ongemerkt om Rocinantes voorpooten heen, zoodat Don Quichot met zijn ros bezwaarlijk van de plaats kon komen. De ridder gaf nu werkelijk het dier de sporen, doch dat wipte slechts een paar malen op en bleef toen onbeweeglijk staan.

Ziende, dat zijne list gelukt was, sprak Sancho:

“Heer ridder, de hemel zelf verlangt door teekens en wonderen, dat gij u niet in gevaar zult storten. Hij heeft Rocinantes ledematen verlamd, zoodat hij zoo stijf als een stok is, en als gij nu toch het arme dier woudt slaan en aansporen, zou het u niet baten en gij zoudt geen stap verder voortkomen.”

Don Quichot was razend van ongeduld. Hij luisterde heel niet naar Sancho’s woorden, maar hieuw en stak als dol op het arme beest los, zonder daardoor iets anders dan een paar vruchtelooze sprongen van het gebonden dier gedaan te kunnen krijgen. Eindelijk moest hij alle verdere pogingen opgeven. Zonder op de gedachte te komen, dat Rocinante door een uitwendig middel gebonden kon zijn, besloot hij, zich voorloopig tevreden te stellen en den morgen af te wachten, wanneer, naar hij hoopte, Rocinante wel weer vanzelf in beweging zou komen. Hij gaf dit besluit aan Sancho te kennen, maar kon toch wel bijna gehuild hebben van ongeduld.

“Troost u, gestrenge heer,” voegde zijn guitachtige schildknaaphem op deelnemenden toon toe, “troost u, want ik wil u, tot de dag komt, een aardige historie vertellen, als gij niet liever uit den zadel wilt komen en tot het aanbreken van den dag nog eene zoete rust genieten.”

“Neen, ik zal niet afstijgen en slapen,” verklaarde Don Quichot; “maar wel zal ik met genoegen uwe geschiedenis aanhooren.”

“Goed, gestrenge heer,” zeide Sancho. “Luister dan goed toe en val mij vooral niet in de rede, want dat is een ding, dat ik volstrekt niet dulden kan.”

“In een dorp van Estramadura was eens een geitenherder, dat wil zeggen een man, die geiten hoedde, en deze geitenherder of man, die geiten hoedde, van wien mijne geschiedenis vertelt, heette Lope Ruiz.”

“Hoor, Sancho, als ge zoo omslachtig blijft voortvertellen, zullen we uwe geschiedenis niet voor het einde van de wereld te hooren krijgen,” viel de ridder hem verdrietig in de rede. “Spreek als een verstandig mensch, of houd liever den mond dicht.”

“Goed, goed, heer!” riep Sancho Panza en vertelde verder.

“Deze geitenherder dan nu, die Lope Ruiz heette, ging op een goeden dag met zijne kudde uit en kwam aan een breeden stroom, dien hij met de geiten niet doorwaden kon. En daarom keek hij dus naar een veerman om en ontdekte al spoedig een visscher, die aanbood zijne driehonderd geiten op den anderen oever te brengen. Hij stapte in zijne boot, nam een geit mee en bracht haar naar de overzij. Hierop kwam hij terug, nam weer eene geit en bracht haar ook over.—En nu, gestrenge heer, tel nu goed al de geiten, die de visscher overzette, want als ge er ook maar één van vergeet, dan is mijn historie uit en kan ik met den besten wil niet verder vertellen. Hoor nu.—De gindsche oever van de rivier, waarover de geiten gebracht moesten worden, was buitengewoon glad en glibberig, en de visscher had dus veel tijd noodig, om al de geiten over te krijgen. Evenwel voer hij heen en terug en bracht nog eene geit naar de overzij.”

“Maar, domme kerel,” riep Don Quichot ongeduldig en verdrietig,“neem dan gerust aan, dat al de geiten zijn, waar ze wezen moeten, en vertel dan verder.”

“Ja, dat gaat niet,” antwoordde Sancho. “Hoeveel geiten zijn er nu over?”

“Hoe drommel, weet ik dat?” riep de ridder.

“Daar hebben we ’t al!” zeide Sancho Panza. “Nu is mijn vertelsel uit en ik kan er onmogelijk het slot van vinden. Waarom hebt gij de geiten dan ook niet beter geteld?”

“Maar, goede hemel, wat heeft het getal der overgezette geiten dan toch eigenlijk met uwe geschiedenis te doen? Vertel maar verder.”

“Neen, nu gaat dat niet meer,” antwoordde Sancho, de schouders ophalend. “Daar gij niet wist, hoeveel geiten overgezet waren, raakte ik de kluts kwijt, en nu is mij de heele historie door het hoofd gegaan.”

Don Quichot bromde wat, en beiden zwegen nu een tijdlang doodstil. Eindelijk echter, toen de hemel zich in het oosten begon te kleuren en de morgen aanbrak, oordeelde de ondeugende schildknaap het tijd, zijns meesters strijdhengst weer van zijne banden te ontdoen. Hij maakte den halsterriem behoedzaam los en legde dien zijn ezel aan.

Nauwelijks voelde Rocinante zich weer vrij, of zijn zelfgevoel scheen te ontwaken. Hij lichtte eenige malen zijne stijve voorpooten op en maakte eenige andere bewegingen. Dit hield Don Quichot voor een goed voorteeken en hij geloofde, dat het nu tijd was om het gevaarlijkste van alle avonturen te beginnen en te bestaan.

Middelerwijl werd het ten volle licht en zag de ridder, dat hij zich in een dicht boschje van kastanjeboomen bevond, welker groene takken het uitzicht beletten. Daar hij echter nog altijd dat schrikbarend stampen vernam, nam hij afscheid van Sancho Panza, herhaalde hem zijne vroegere aanwijzingen, gaf Rocinante de sporen en ging op weg, terwijl de schildknaap langzaam te voet achternakwam.

Toen zij nu vrij lang onder kastanjes en andere lommerrijke boomen waren voortgetrokken, kwamen zij op eene kleine weidevlakte, die te midden van hooge rotsen was gelegen, van welke een prachtige waterval zich in de diepte neerstortte. Aan den voetdaarvan lagen eenige ellendige lage hutten, uit wier binnenste het dreunend stampen klonk, dat onze beide helden al zooveel schrik aangejaagd had. Rocinante werd erg schuw door het gebons, het geklapper en de slagen, die het aardrijk voortdurend deden schudden. Don Quichot bedwong nochtans zijn steigerend ros en reed voort, recht op de oorzaak van het schrikbarend geraas aan.

Sancho Panza hield zich dicht achter hem en loerde nu en dan tusschen Rocinantes pooten door, om de eigenlijke oorzaak van het vreeselijk rumoer, dat hem door merg en heenging, te vernemen.

Op eens hield Don Quichot zijn ros staande, want zie, de onschuldige oorzaak van het zoo geducht alarm, dat hen den halven nacht in onrust, vrees en spanning had gehouden, lag daar open en bloot voor hen. Dat waren namelijk de zes stampers van een pletmolen, die, door de kracht des waters gedreven, door hunne slagen den omliggenden grond in voortdurende trilling en schudding hielden.

Toen Don Quichot zich hiervan ten volle overtuigd had, werd hij bleek van teleurstelling en ergernis. Hij liet het hoofd op de borst zinken en schaamde zich zoo, dat hij liefst dadelijk in den grond zou zijn weggezonken. Sancho Panza daarentegen barstte in zulk een luid en schaterend lachen uit, dat hij zich onmogelijk op de been kon houden, maar als een meelzak neerplofte en zich in het gras rondwentelde van pleizier. Dit kluchtig gezicht verdreef eindelijk ook des ridders mismoedigheid, zoodat de diepe rimpels van zijn voorhoofd verdwenen en hij zelf hartelijk meelachen moest.

Zoodra Sancho Panza dit bemerkte, ontwaakte zijn overmoed en deed hem de vrijheid nemen met zijn heer den spot te drijven door alles, wat die in de verwachting van een groot gevaar tot hem gesproken had, onder schaterend lachen te herhalen. Deze bespotting verdreef nochtans weder de blijmoedige stemming van zijn heer en maakte dezen zoo verbolgen, dat hij zijne lans ophief en zijn schildknaap een paar slagen over de schouderbladen gaf, die aan zijn ondeugenden spotlust op eens een einde maakten. Hij stond op en nam zijne vroegere onderdanige en bescheiden houding weder aan.

“Vergeef mij, gestrenge heer,” zeide hij; “ik gekte maar wat.”

“Nu, al gekt gij, knaap, zoo houd ik toch niet van gekken,” antwoordde de ridder. “Daar gij uwe straf nu reeds bekomen hebt, zal ik u uw onbehoorlijk gedrag echter voor ditmaal vergeven.”

Intusschen begon het een weinig te regenen, en Sancho Panza betoonde grooten lust, een paar uren in den pletmolen te schuilen. Zijn meester had echter zulk een afkeer gekregen van het gebouw, dat hem op eene zoo belachelijke wijze gefopt had, dat hij voor Sancho’s voorstel geen ooren had, maar zijn tocht onverwijld voortzette. Hij keerde zich rechts en kwam op een weg, dien hij tot hiertoe nog niet betreden had.

Het duurde niet lang, of hij kreeg een man te paard in het oog, die een blinkend ding op het hoofd droeg, dat in de hoogste mate Don Quichots aandacht trok. Zoodra hij het gezien had, keerde hij zich tot zijn schildknaap om en zeide:

”Sancho, het noodlot maakt alle teleurstelling goed, die ons zoo bitter heeft verdroten. Zie, daar komt ons een man te gemoet, die op zijn hoofd den helm van een hoogberoemden held, den ridder Mambrino, draagt.”

“Als ge u maar niet vergist, gestrenge heer!” antwoordde Sancho Panza. “Wees niet al te voorbarig!”

“Gij schandelijke twijfelaar! Hoe zou ik mij op helderlichten dag zoo kunnen vergissen?” riep de ridder, wiens hoofd weer op hol begon te raken. “Ziet gij dien ridder op zijn appelschimmel niet? Ziet gij den gouden helm op zijn hoofd niet?”

“Och, ik met mijn dom verstand zie niets dan een man op een grauwen ezel, die veel van den mijnen heeft,” was het koele antwoord. “Wel heeft hij een blinkend ding op zijn hoofd, dat ik niet recht onderscheiden kan; maar een helm is het zeker niet.”

“Het is de helm van Mambrino, domkop!” schreeuwde Don Quichot. “Ga op zij, kerel, en laat mij met dien ridder alleen. Weldra zult gij zien, dat ik met hem kampen en den helm veroveren zal.”

“En toch is het geen helm,” bromde de schildknaap.

“Hondsvot, rekel, zwijg!” riep Don Quichot vol woede. “Als gij nog een woord spreekt, zweer ik u de ziel uit het lijf te beuken.”

Door deze bedreiging verschrikt, vond Sancho ’t maar het verstandigst, op zij te gaan en geen mond meer open te doen.

Er lagen daar in den omtrek twee dorpen, die te klein waren, om er ieder een eigen barbier op na te houden. Daarom bediende dan ook maar één scheerbaas beide plaatsen en ging op zijn grauwtje bij zijne verschillende klanten rond. Dit was ook heden weer het geval en, om zijn nieuwen hoed tegen de regendroppels te beschutten, had de goede man zijn geelkoperen scheerbekken daar bovenop gezet. Dat bekken, blank geschuurd, blonk van verre als een spiegel en werkte zoo levendig op des Dons ziekelijke verbeelding, dat alles, als gewoonlijk, in zijn oog eene herschepping onderging, dat hij een grauwen ezel voor een appelschimmel hield en een ridder met gouden helm zag, waar daar in werkelijkheid niets van bestond.

In zijne dolle verblinding stoof Don Quichot dan nu ook op den aan geen kwaad denkenden baardschrabber aan en richtte in vollen ren zijne lans op hem met het vaste voornemen, om hem met de scherpe punt zonder genade door en door te priemen. Eerst toen hij al heel dicht bij was, schreeuwde hij hem toe: “Verweer u, roover en dief! of sta af, wat u niet toekomt!”

De arme, verschrikte barbier wist geen ander middel om den dreigenden lansstoot te vermijden, dan dat hij zich maar terstond van den ezel liet vallen. Dit deed hij, en nauwelijks had hij met zijne volle lengte den bodem gemeten, of hij sprong weer op, nam, gelijk men dat noemt, zijne beenen onder den arm en zette het op een loopen met eene snelheid, dat een stormwind hem bezwaarlijk zou hebben ingehaald.

Don Quichot liet hem loopen, zonder aan eene vervolging te denken; want bij den val was den verschrikten barbier zijn bekken van het hoofd gevlogen en lag nu als goud in de zon te blinken. Don Quichot beval zijn schildknaap, den helm op te nemen, en Sancho Panza gehoorzaamde, terwijl hij zeide: “Waarachtig, eenheel goed scheerbekken, en onder broeders zijne acht realen waard.”

Met deze woorden reikte hij het bekken aan Don Quichot over, die het terstond op zijn hoofd zette en omdraaide, om het vizier te vinden. Wijl dit er nu niet was, vond hij het ook niet en zeide: “Die held Mambrino moet een geweldig dik en groot hoofd hebben! Jammer maar, dat de helft van den helm ontbreekt!”

Toen Sancho Panza zag, dat zijn meester nog altijd hardnekkig bij zijne verbeelding bleef, kon hij toch onmogelijk het lachen laten en proestte het hardop uit.

“Waarom lacht gij?” vroeg Don Quichot dadelijk.

“Ei,” antwoordde de schildknaap, “ik lach, als ik mij den dikken kop voorstel, die onder dat barbiersbekken moet gezeten hebben.”

“Sancho, gij spreekt onverstandig!” zeide de ridder op berispenden toon. “Ik wil u zeggen, hoe ik over dit wapenstuk denk. Stellig zeker is de helm eens door een of ander toeval in de handen van een mensch gekomen, die er den prijs niet van wist te waardeeren en, zonder te weten wat hij deed, de helft er van smolt, om er geld van te maken, maar de andere helft tot een ding misvormde, dat misschien wel wat op een barbiersbekken lijkt. Dat zal mij echter niet beletten hem in eere te houden, en zoodra wij bij eene smederij komen, wil ik hem zoo laten opknappen, dat hij zelfs den krijgshelm zal overtreffen, dien Vulcanus, de god der smeden, voor Mars, den oorlogsgod, vervaardigd heeft. Tot zoo lang wil ik hem dragen, gelijk hij is; want in allen gevalle is hij beter dan in ’t geheel niets en kan hij mij desnoods tegen een steenworp dekken.”

“Als die maar niet uit een slinger komt,” merkte Sancho spotachtig aan. “Maar wat moet nu met het beest gebeuren, dat uw edelheid voor een appelschimmel gelieft te houden? Het is niet te denken, dat de eigenaar er van terugkomt, en, bij mijn baard, het is zoo kloek en krachtig, dat het mij bevallen zou, zelfs als ’t mijn eigendom was.”

“Gij moogt het u niet toeëigenen,” antwoordde Don Quichot. “Het zou onedel zijn, een overwonnene te berooven. Laat daarom den appelschimmel stilletjes staan.”

“Nu, als ik hem niet met huid en haar mag nemen, wil ik toch zijn zadeltuig voor mijn dier meepakken,” mompelde Sancho Panza en ging dadelijk tot dezen ruil over, zonder dat zijn gestrenge meester daar iets tegen inbracht. Hij knapte nu zijn eigen ezel netjes op, zoodat hij er tienmaal fraaier dan vroeger uitzag, en volgde toen op een sukkeldrafje zijn heer, die reeds een tamelijk eind vooruit was. Rustig trokken zij nu met elkaar voort en lieten aan Rocinante over zijn eigen weg te zoeken. Rocinante bleef op den grooten rijweg, zeker omdat die hem de gemakkelijkste toescheen.

Hoofdstuk X.Hoe Don Quichot eenige ongelukkigen in vrijheid stelt en wat hem verder overkomt.Ongeveer een uur waren onze beide helden, in vertrouwelijke gesprekken verdiept, huns weegs getrokken, toen Don Quichot toevallig zijne oogen opsloeg en van verre twaalf menschen zag aankomen, die aan handen en voeten met ijzeren kettingen geboeid schenen. Twee mannen met geweer en twee anderen met pieken en sabels gewapend gingen te voet bij hen aan. Hij maakte daar Sancho opmerkzaam op, en deze zeide: “Het is een koppel galeislaven, die tot dwangdienst voor den koning naar de haven worden geleid.”“Wat, tot dwangdienst?” riep Don Quichot verontwaardigd uit. “Doet de koning zelf zijnen onderdanen dwang en geweld aan?”“Dat zeg ik niet,” sprak Sancho. “Die menschen zijn boosdoeners, die tot straf voor hunne misdaden tot de galeien veroordeeld zijn.”“In allen gevalle gaan zij dus niet uit vrije verkiezing, maar gedwongen daarheen?”“Ja, zoo is het,” zeide Sancho.“Welaan, ik zal mijn plicht doen en den ongelukkigen hulp en bijstand verleenen,” sprak Don Quichot.“Maar in ’s hemels naam, bedenk toch, edele heer, dat de gerechtigheid, en dus in zeker opzicht de koning zelf, die menschen tot hunne straf heeft veroordeeld,” riep Sancho angstig.Don Quichot luisterde niet naar deze verstandige voorstelling, en de koppel galeiboeven kwam nader. De ridder wendde zich tot de wachters en verzocht die in beleefde bewoordingen wel zoo goed te willen zijn, de redenen op te geven, waarom zij die arme menschen geboeid meesleepten. Een der wachters antwoordde kortaf, dat het schelmen en gauwdieven waren, die naar de haven werden gebracht, en dat hij daar verder zijn nieuwsgierigen neus niet in had te steken.Dit onheusche antwoord verdroot den dolenden held in hooge mate; maar toch hield hij zich nog in en vroeg beleefd: “Niettegenstaande dat wensch ik van ieder dezer menschen in het bijzonder de oorzaak van zijn ongeluk te vernemen, en ik hoop en vertrouw, dat gij, heeren, mij daarin niet hinderlijk zult zijn.”Lachend werd hem de gevraagde vergunning gegeven, en Don Quichot vroeg den eersten den besten van den troep, hoe hij in zijn ongelukkigen toestand was geraakt.“Dat moogt gij gerust weten,” antwoordde de kerel. “Kijk, ik was op een mand met schoon linnen verliefd geraakt en hield die zoo stevig gepakt, dat ik haar eerst losliet, toen de strenge hand van de politie mij daartoe dwong. Zij hielden mij vast, gaven mij een goed getelde honderd op den rug en nu brengen ze mij naar de galeien, om mij daar drie jaren lang vrij kost en logies te geven.”“En waarom zijt gij geboeid, vriend?” vroeg Don Quichot aan den tweeden uit den troep.“Omdat ik een paar schapen heb gestolen en stom genoeg was schuld te bekennen. Dat was ezelachtig dom van mij; want ik had evengoed Neen kunnen zeggen.”“Dat is waar,” zeide Don Quichot en vroeg den derden naar zijn vergrijp.“Ik moet naar de galeien, omdat mij tien dukaten te kort kwamen, juist toen ik die noodig had,” antwoordde de schelm.Don Quichot vroeg verder, tot hij bij den laatsten van het edele gezelschap kwam. Dit was een kloek, knap man van om de dertig jaren, die geen ander gebrek had, dan dat hij wat heel erg scheel zag. Zijne boeien waren veel zwaarder dan die der overigen, en op zijne navraag vernam de ridder, dat hij wegens vele en zware misdaden tot levenslange galeistraf was veroordeeld. Hij heette Gines van Pasamonte en stond als de ergste en sluwste gauwdief van geheel Spanje te boek.Nadat de edele ridder zoo van alles, wat hij weten wou, nauwkeurig onderricht was, wendde hij zich weer tot de wachters en zeide:“Mijne heeren, ik bid u uiterst beleefd deze arme menschen zonder verwijl van hunne boeien te ontdoen en hen vrij en ongehinderd te laten gaan, waarheen ’t hun goeddunkt. Zij hebben zich wel aan eenige kleine verkeerdheden schuldig gemaakt, maar daarom kunnen zij nog altijd goede en brave menschen zijn. Laat hen goedwillig los, zeg ik, of reken er op, dat ik u daar met deze lans en dit zwaard toe zal dwingen.”De wachters lachten hardop.“Ge schijnt mij een rare snaak toe!” riep hun aanvoerder. “Maak, dat je wegkomt, zet je scheerbekken terecht en bemoei je voortaan niet met dingen, die je geen zier aangaan!”“Gij vlegel, gij onbeschaamde rekel!” schreeuwde Don Quichot vol woede, en rende met zooveel geweld op den wachter in, dat deze geen tijd vond, om zich te weer te stellen, maar terstond op den grond lag. De lans was hem bijna midden door het lichaam gegaan. Een oogenblik stonden de overige wachters door deze koene daad als verbijsterd; maar toen rukten zij hunne zwaarden uit de scheeden, tastten naar hunne verdere wapens en keerden zich tegen Don Quichot, die hun aanval met veel koelbloedigheid afwachtte. Niettegenstaande dit zou het slecht met hem zijn afgeloopen, zoo niet de gevangenen zich dit plotseling ontstaan tumult hadden ten nutte gemaakt om hunne boeien te verbreken en zichin vrijheid te stellen. Het gevolg was, dat de wachters niet recht wisten, waarheen zij zich het eerst wenden moesten, en zich dus deels tegen Don Quichot verweerden, deels op de vluchtende gevangenen wierpen, en zoo met verdeelde krachten weinig konden uitrichten. Sancho maakte onderwijl de zware ketens van Gines van Pasamonte los. Zoodra deze handen en voeten vrij had, greep hij sabel en buks van den gevallen wachter op, welke laatste hij, zonder vuur te geven, nu op dezen dan op genen aanlegde. De dreigende houding van het geweer boezemde den wachters meer schrik in, dan al Don Quichots vechtkunst. Toen nu eindelijk de ontboeide gevangenen hen met een hagelbui van steenen begonnen te overstelpen, wisten zij geen raad meer en zochten hun eenige en laatste heil in de vlucht.Hoe blij ook, dat zij hunne piek schuurden, kon Sancho Panza toch niet zonder bezorgdheid aan de mogelijke gevolgen van dit avontuur denken. Hij zocht zijn heer aan het verstand te brengen, dat de wachters ongetwijfeld dadelijk alarm maken, versterking halen en alsdan de misdadigers vervolgen zouden, waarom het maar het best zou zijn, dat zij beiden zich stilletjes uit de voeten maakten en de wijk naar het nabijgelegen gebergte namen.“Zwijg stil!” voegde Don Quichot hem barsch toe. “Ik weet best, wat mij in dit roemrijk geval te doen staat.”Hij riep de galeiboeven in zijne nabijheid, deed hen een kring sluiten, hield eene lange toespraak en verlangde van hen, dat zij zich naar Toboso begeven en zijne schoone Dulcinea van hunne bevrijding bericht brengen zouden.“Hoor, uwe edelheid,” gaf Gines van Pasamonte in naam der overigen tot antwoord, “daar is geen denken aan, want als wij ons niet schielijk naar al de windstreken verstrooiden, zou men ons al gauw weer bij de lurven hebben gepakt. Heb overigens dank voor de ons bewezen goede diensten, en wees hiermee vriendelijk gegroet.”“Hoe is dat, ondankbare snoodaard?” vroeg Don Quichot ten hoogste verontwaardigd. “Zoo weigert gij dus den heiligen plicht der dankbaarheid te vervullen? Wacht, man, dan zal ik je toonen, met wien gij te doen hebt.”Gines van Pasamonte, die al van den beginne had gemerkt, dat het met het verstand van den edelen ridder niet recht in den haak moest wezen, wenkte zijne kameraden hem te volgen, en bracht hen een eind ver achteruit. Van daar, op veiligen afstand, deden de schelmen nu zulk een dichten regen van steenen op den grootmoedigen ridder en zijn schildknaap neerkletteren, dat de eerste zich moeielijk met zijn schild konde dekken, terwijl de laatste in aller ijl achter zijn ezel wegkroop. De bui duurde voort, tot eenige keisteenen den armen Don Quichot zoo gevoelig raakten, dat hij in den zadel waggelde en in zijne kletterende wapenrusting ter aarde stortte. Pas lag hij daar weerloos, of Gines van Pasamonte was bij hem, rukte hem het scheerbekken van het hoofd, bracht hem een paar moorddadige houwen toe en sloeg den zoogenaamden helm bijna in stukken. De overigen trokken hem den wapenrok, dien hij over het harnas droeg, uit en zouden hem ook zijn broek hebben ontstolen, indien de stevig vastgegespte dijplaten zijner rusting hun dat niet hadden belet. Sancho Panza moest insgelijks zijn bovenkleed afstaan en mocht blij zijn, dat men hem zijn wambuis liet, waarna de dievenbende zich links en rechts verstrooide, om niet weer opnieuw in de klauwen der straffende gerechtigheid te geraken.Don Quichot en Rocinante benevens Sancho en zijn grauwtje bleven alleen op het slagveld achter. De ezel stond daar als in droefgeestig gepeins en schudde van tijd tot tijd zijne ooren, alsof ’t hem verwonderde, dat de hagelbui, die ook hem niet weinig pijnlijk getroffen had, nu toch voorbij was. Rocinante lag bij zijn heer op den grond en stak al zijne vier pooten in de lucht. Sancho Panza beefde van angst en woede, en de edele ridder van La Mancha smeekte de wraak des hemels af over de schelmen en gauwdieven, die hem zoo schandelijk en verregaand ondankbaar behandeld hadden.

Ongeveer een uur waren onze beide helden, in vertrouwelijke gesprekken verdiept, huns weegs getrokken, toen Don Quichot toevallig zijne oogen opsloeg en van verre twaalf menschen zag aankomen, die aan handen en voeten met ijzeren kettingen geboeid schenen. Twee mannen met geweer en twee anderen met pieken en sabels gewapend gingen te voet bij hen aan. Hij maakte daar Sancho opmerkzaam op, en deze zeide: “Het is een koppel galeislaven, die tot dwangdienst voor den koning naar de haven worden geleid.”

“Wat, tot dwangdienst?” riep Don Quichot verontwaardigd uit. “Doet de koning zelf zijnen onderdanen dwang en geweld aan?”

“Dat zeg ik niet,” sprak Sancho. “Die menschen zijn boosdoeners, die tot straf voor hunne misdaden tot de galeien veroordeeld zijn.”

“In allen gevalle gaan zij dus niet uit vrije verkiezing, maar gedwongen daarheen?”

“Ja, zoo is het,” zeide Sancho.

“Welaan, ik zal mijn plicht doen en den ongelukkigen hulp en bijstand verleenen,” sprak Don Quichot.

“Maar in ’s hemels naam, bedenk toch, edele heer, dat de gerechtigheid, en dus in zeker opzicht de koning zelf, die menschen tot hunne straf heeft veroordeeld,” riep Sancho angstig.

Don Quichot luisterde niet naar deze verstandige voorstelling, en de koppel galeiboeven kwam nader. De ridder wendde zich tot de wachters en verzocht die in beleefde bewoordingen wel zoo goed te willen zijn, de redenen op te geven, waarom zij die arme menschen geboeid meesleepten. Een der wachters antwoordde kortaf, dat het schelmen en gauwdieven waren, die naar de haven werden gebracht, en dat hij daar verder zijn nieuwsgierigen neus niet in had te steken.

Dit onheusche antwoord verdroot den dolenden held in hooge mate; maar toch hield hij zich nog in en vroeg beleefd: “Niettegenstaande dat wensch ik van ieder dezer menschen in het bijzonder de oorzaak van zijn ongeluk te vernemen, en ik hoop en vertrouw, dat gij, heeren, mij daarin niet hinderlijk zult zijn.”

Lachend werd hem de gevraagde vergunning gegeven, en Don Quichot vroeg den eersten den besten van den troep, hoe hij in zijn ongelukkigen toestand was geraakt.

“Dat moogt gij gerust weten,” antwoordde de kerel. “Kijk, ik was op een mand met schoon linnen verliefd geraakt en hield die zoo stevig gepakt, dat ik haar eerst losliet, toen de strenge hand van de politie mij daartoe dwong. Zij hielden mij vast, gaven mij een goed getelde honderd op den rug en nu brengen ze mij naar de galeien, om mij daar drie jaren lang vrij kost en logies te geven.”

“En waarom zijt gij geboeid, vriend?” vroeg Don Quichot aan den tweeden uit den troep.

“Omdat ik een paar schapen heb gestolen en stom genoeg was schuld te bekennen. Dat was ezelachtig dom van mij; want ik had evengoed Neen kunnen zeggen.”

“Dat is waar,” zeide Don Quichot en vroeg den derden naar zijn vergrijp.

“Ik moet naar de galeien, omdat mij tien dukaten te kort kwamen, juist toen ik die noodig had,” antwoordde de schelm.

Don Quichot vroeg verder, tot hij bij den laatsten van het edele gezelschap kwam. Dit was een kloek, knap man van om de dertig jaren, die geen ander gebrek had, dan dat hij wat heel erg scheel zag. Zijne boeien waren veel zwaarder dan die der overigen, en op zijne navraag vernam de ridder, dat hij wegens vele en zware misdaden tot levenslange galeistraf was veroordeeld. Hij heette Gines van Pasamonte en stond als de ergste en sluwste gauwdief van geheel Spanje te boek.

Nadat de edele ridder zoo van alles, wat hij weten wou, nauwkeurig onderricht was, wendde hij zich weer tot de wachters en zeide:

“Mijne heeren, ik bid u uiterst beleefd deze arme menschen zonder verwijl van hunne boeien te ontdoen en hen vrij en ongehinderd te laten gaan, waarheen ’t hun goeddunkt. Zij hebben zich wel aan eenige kleine verkeerdheden schuldig gemaakt, maar daarom kunnen zij nog altijd goede en brave menschen zijn. Laat hen goedwillig los, zeg ik, of reken er op, dat ik u daar met deze lans en dit zwaard toe zal dwingen.”

De wachters lachten hardop.

“Ge schijnt mij een rare snaak toe!” riep hun aanvoerder. “Maak, dat je wegkomt, zet je scheerbekken terecht en bemoei je voortaan niet met dingen, die je geen zier aangaan!”

“Gij vlegel, gij onbeschaamde rekel!” schreeuwde Don Quichot vol woede, en rende met zooveel geweld op den wachter in, dat deze geen tijd vond, om zich te weer te stellen, maar terstond op den grond lag. De lans was hem bijna midden door het lichaam gegaan. Een oogenblik stonden de overige wachters door deze koene daad als verbijsterd; maar toen rukten zij hunne zwaarden uit de scheeden, tastten naar hunne verdere wapens en keerden zich tegen Don Quichot, die hun aanval met veel koelbloedigheid afwachtte. Niettegenstaande dit zou het slecht met hem zijn afgeloopen, zoo niet de gevangenen zich dit plotseling ontstaan tumult hadden ten nutte gemaakt om hunne boeien te verbreken en zichin vrijheid te stellen. Het gevolg was, dat de wachters niet recht wisten, waarheen zij zich het eerst wenden moesten, en zich dus deels tegen Don Quichot verweerden, deels op de vluchtende gevangenen wierpen, en zoo met verdeelde krachten weinig konden uitrichten. Sancho maakte onderwijl de zware ketens van Gines van Pasamonte los. Zoodra deze handen en voeten vrij had, greep hij sabel en buks van den gevallen wachter op, welke laatste hij, zonder vuur te geven, nu op dezen dan op genen aanlegde. De dreigende houding van het geweer boezemde den wachters meer schrik in, dan al Don Quichots vechtkunst. Toen nu eindelijk de ontboeide gevangenen hen met een hagelbui van steenen begonnen te overstelpen, wisten zij geen raad meer en zochten hun eenige en laatste heil in de vlucht.

Hoe blij ook, dat zij hunne piek schuurden, kon Sancho Panza toch niet zonder bezorgdheid aan de mogelijke gevolgen van dit avontuur denken. Hij zocht zijn heer aan het verstand te brengen, dat de wachters ongetwijfeld dadelijk alarm maken, versterking halen en alsdan de misdadigers vervolgen zouden, waarom het maar het best zou zijn, dat zij beiden zich stilletjes uit de voeten maakten en de wijk naar het nabijgelegen gebergte namen.

“Zwijg stil!” voegde Don Quichot hem barsch toe. “Ik weet best, wat mij in dit roemrijk geval te doen staat.”

Hij riep de galeiboeven in zijne nabijheid, deed hen een kring sluiten, hield eene lange toespraak en verlangde van hen, dat zij zich naar Toboso begeven en zijne schoone Dulcinea van hunne bevrijding bericht brengen zouden.

“Hoor, uwe edelheid,” gaf Gines van Pasamonte in naam der overigen tot antwoord, “daar is geen denken aan, want als wij ons niet schielijk naar al de windstreken verstrooiden, zou men ons al gauw weer bij de lurven hebben gepakt. Heb overigens dank voor de ons bewezen goede diensten, en wees hiermee vriendelijk gegroet.”

“Hoe is dat, ondankbare snoodaard?” vroeg Don Quichot ten hoogste verontwaardigd. “Zoo weigert gij dus den heiligen plicht der dankbaarheid te vervullen? Wacht, man, dan zal ik je toonen, met wien gij te doen hebt.”

Gines van Pasamonte, die al van den beginne had gemerkt, dat het met het verstand van den edelen ridder niet recht in den haak moest wezen, wenkte zijne kameraden hem te volgen, en bracht hen een eind ver achteruit. Van daar, op veiligen afstand, deden de schelmen nu zulk een dichten regen van steenen op den grootmoedigen ridder en zijn schildknaap neerkletteren, dat de eerste zich moeielijk met zijn schild konde dekken, terwijl de laatste in aller ijl achter zijn ezel wegkroop. De bui duurde voort, tot eenige keisteenen den armen Don Quichot zoo gevoelig raakten, dat hij in den zadel waggelde en in zijne kletterende wapenrusting ter aarde stortte. Pas lag hij daar weerloos, of Gines van Pasamonte was bij hem, rukte hem het scheerbekken van het hoofd, bracht hem een paar moorddadige houwen toe en sloeg den zoogenaamden helm bijna in stukken. De overigen trokken hem den wapenrok, dien hij over het harnas droeg, uit en zouden hem ook zijn broek hebben ontstolen, indien de stevig vastgegespte dijplaten zijner rusting hun dat niet hadden belet. Sancho Panza moest insgelijks zijn bovenkleed afstaan en mocht blij zijn, dat men hem zijn wambuis liet, waarna de dievenbende zich links en rechts verstrooide, om niet weer opnieuw in de klauwen der straffende gerechtigheid te geraken.

Don Quichot en Rocinante benevens Sancho en zijn grauwtje bleven alleen op het slagveld achter. De ezel stond daar als in droefgeestig gepeins en schudde van tijd tot tijd zijne ooren, alsof ’t hem verwonderde, dat de hagelbui, die ook hem niet weinig pijnlijk getroffen had, nu toch voorbij was. Rocinante lag bij zijn heer op den grond en stak al zijne vier pooten in de lucht. Sancho Panza beefde van angst en woede, en de edele ridder van La Mancha smeekte de wraak des hemels af over de schelmen en gauwdieven, die hem zoo schandelijk en verregaand ondankbaar behandeld hadden.

Hoofdstuk XI.Sancho Panza verliest zijn ezel en Don Quichot speelt voor gek.Toen de edele ridder van La Mancha weer eenigermate van de werking der zware steenworpen bekomen was, sprak hij:“Sancho Panza, altijd heb ik gehoord, dat men een nutteloos en vergeefsch werk doet, als men aan ’t gemeene volk weldaden bewijst. Die schurkachtige gevangenen hebben mij met den snoodsten ondank beloond, en dit zal ons leeren ons nimmer weer met soortgelijk gespuis in te laten.”“Nu, ik wil hopen, dat gij eindelijk door schade en schande wijs wordt,” antwoordde Sancho Panza. “Voorts is ’t maar best, dat wij ons zoo spoedig mogelijk uit de voeten maken. De politie heeft voor dolende helden bitter weinig ontzag en zou, als zij u in handen kreeg, aan uwe ridderschap spoedig een treurig einde maken. Zie, dat gij weer op Rocinante komt, en laat ons vluchten.”“Gij zijt een bloodaard, Sancho! Toch wil ik voor ditmaal aan uw verlangen toegeven en mij in de Sierra Morena begeven, in de hoop, dat het ons daar geen dag aan avonturen ontbreken zal.”Sancho was van harte blij, dat hij zijn zin kreeg, en ging dadelijk zijn best doen om eerst Rocinante en toen ook zijn meester weer op de been te helpen. Gelukkig had hij zijn broodzak aan de handen der roofzuchtige spitsboeven weten te onttrekken en kon dus zich zelf en zijn heer een stevige hartsterking voorzetten. Hierop bestegen beiden hunne dieren en kwamen nog voor den donker midden in de Sierra Morena, waar zij in een eng rotsdal onder eenige zware, lommerrijke boomen hun nachtleger opsloegen.Nauwelijks lagen onze twee helden daar vast in slaap, of hun ongelukkige gesternte wilde, dat de schelmachtige Gines van Pasamontetoevallig dienzelfden weg langs kwam. Uit vrees voor den straffenden arm der gerechtigheid was ook hij in de Sierra Morena zijn heil komen zoeken en, vooral ter wille van den ezel, niet weinig verheugd, hier zoo geheel onverwachts zijne beide bevrijders te vinden. Met alle omzichtigheid sloop hij nader, maakte zich van des schildknaaps langoor meester, ging daar op zitten en voerde zijn buit weg, zoo hard als het dier maar loopen wou. Den volgenden dag was hij reeds uren ver van de beroofde twee verwijderd.De zon kwam zich tot verkwikking van al, wat leeft en ademt, boven de kim vertoonen, doch ditmaal niet tot blijdschap van den armen Sancho Panza, die door haar helder licht al spoedig onderricht werd van het zware verlies, dat hij in den loop van dien nacht geleden had. Hij vervulde de lucht met zijne jammerklachten en huilde zoo geweldig, dat ook zijn meester ontwaakte en naar de oorzaak van dat klaaglied vernam.“Ach,” lamenteerde de knaap, “ach, mijn grauwtje is weg, mijn hartelap, mijn suikerpop, de oogappel van mijn vrouw, de doorn in ’t vleesch van al mijne buren, de steun van al mijne lasten!”“Kom, kom, Sancho, bedaar, man!”trooste de ridder zijn weeklagenden dienaar; “gij zult voor den verloren ezel drie van de vijf hebben, die ik bij mij thuis op stal heb staan. Ik zal u daar een papier van geven en gij zult ze zelf halen. Nu kom en laat ons zorgen, dat wij dieper in het gebergte komen.”De goede Sancho trooste zich en dankte zijn meester voor de grootmoedige toezegging. Hierop braken zij op en vervolgden hunne reis.Hoe dieper Don Quichot in de wilde bergstreek doordrong, des te meer verblijde zich zijne ziel, terwijl hij zich al de wonderbare daden en avonturen voor den geest riep, welke dolende ridders vóór hem in zulke woestijnen en wildernissen volvoerd en beleefd hadden. Hij verzonk zoo diep in gepeins, dat hij geen woord sprak en de tijd den armen Sancho, die pruttelend achter hem aan sjokte, danig lang begon te vallen. Hij had bijster gaarne eens een woordje gepraat, doch waagde niet een gesprek aan te vangen uit vrees, dat hij zijn heer hierdoor beleedigen zou. Ten laatste werd het hemechter toch al te erg en besloot hij, op elk gevaar af, aan dat vervelende zwijgen een einde te maken.“Heer,” begon hij, “ik verzoek u dringend, mij mijn afscheid te geven en stilletjes naar huis te laten terugkeeren. Thuis kan ik althans met vrouw en kinderen praten, als ik daar lust toe voel; maar hier in de wildernis moet ik als een gek achter Rocinante aansukkelen en krijg geen woord te hooren, en dat noem ik dood wezen bij levenden lijve.”“Sancho Panza,” antwoordde de ridder, “daar is raad voor, want weet, dat ik juist van plan ben, eene daad te verrichten, die mij tot den beroemdsten ridder moet maken, dien de aardbodem ooit gedragen heeft. En daartoe heb ik uwe medewerking noodig.”“Is er gevaar bij, heer ridder?” vroeg Sancho Panza.“Neen; met gevaar is de daad niet verbonden. Echter hangt alles van uwe werkzaamheid af.”“Van mijne werkzaamheid?” vroeg Sancho verwonderd.“Zeker, mijn zoon,” luidde des ridders antwoord, “want weet, dat, zoo gij schielijk van de plaats, waarheen ik u zenden zal, terugkeert, gij den tijd van mijn lijden zult verkorten, en dat dan mijn triomf een aanvang zal nemen. Ten einde gij echter in staat moogt zijn, mij te verstaan, moet ik u zeggen, dat vóór tijden de beroemde Amadis van Gallië een der beste, dapperste dolende ridders was, en dat hem na te volgen mij tot onvergankelijke eer moet strekken. En dit moet geschieden ten opzichte van de beste daad, die van hem verhaald word. Toen namelijk de schoone Oriana hem versmaad had, begaf hij zich naar de wildernis, deed boete en kastijdde zich en noemde zich gedurende dien tijd Beltenebros.”“Maar, gestrenge heer, gij wordt toch niet door uwe Dulcinea versmaad?” zeide Sancho Panza.“Dat is juist de zaak waar het op aankomt, Sancho,” antwoordde Don Quichot; “want versta mij wel: dat een dolend ridder om goede redenen dol en razend wordt, dat is niet de moeite waard, dat men er over praat. De groote kunst is, zonder grond of oorzaak dol te worden, en van deze kunst wil ik blijk geven. Gij echter, Sancho, moet u naar mijne aanbiddelijke meesteresDulcinea van Toboso begeven en haar een brief overbrengen, die haar van mijn waanzin onderrichten moet, opdat zij de sterkte van mijne vereering en aanbidding leere waarderen.”Sancho Panza wist niet, wat hij op deze dollemanspraat zeggen moest. Hij schudde het hoofd en stapte zwijgend nevens Don Quichot voort, totdat zij aan den voet van een hoogen rotskegel kwamen, die rondom met naakte wanden van graniet omgeven was. Daar borrelde eene heldere bron uit op en rondom breidde zich een groen graskleed uit, dat met bonte bloemen sierlijk getooid was. Deze plaats scheen den edelen ridder tot volvoering van zijn avontuurlijk opzet uiterst geschikt toe, en hij besloot hier zijne dolle razernij maar terstond den vrijen teugel te vieren.“Ha, ha!” riep hij met bulderende stem, alsof hij op eens stapelgek was geworden, “ha ha! dit is dus de plaats, waar ik mijn ongeluk wil beschreien. Ha, ha! dit is de plaats, waar mijn tranen dit beekje tot een schuimenden bergstroom zullen doen aanzwellen. Ha, ha! dit is de plaats, waar ik zuchten ga loozen, die als een stormwind door de boomtoppen en hunne groene bladeren zullen ruischen.”Onder het uitstooten van al dezen onzin liet hij zich van zijn paard zakken en gaf dat een slag op den rug.“Vlucht weg,” riep hij dat toe, “vlucht weg, mijn edel ros! Ik geef u uwe vrijheid weer, daar ik zelf in de boeien en banden van den waanzin zal vervallen. Vlucht weg en dool als een rustelooze schim in bosschen en wildernissen rond.”“Nu ja, van een schim begint Rocinante al vrij wat te krijgen, heer ridder,” zeide Sancho Panza; “maar toch reken ik ’t beter, dat ik maar op hem ga zitten en op zijn rug mijne reis naar uwe Dulcinea aanvaard. Ik zal dan des te gauwer hier terug kunnen zijn.”“Goed, Sancho, doe, wat gij verkiest,” antwoordde de ridder van de droevige figuur. “Evenwel moet gij op zijn minst nog drie dagen in mijne tegenwoordigheid blijven, om aan mijne uitverkorene te kunnen berichten, wat ik al niet tot hare verheerlijking gedaan heb.”“Zal ik nog meer razende dolligheden zien, dan ik nu al gezien heb, heer?” vroeg Sancho Panza verwonderd.“O, ik zal er nog zooveel vertoonen, dat ge u van verbaasdheid de oogen uit het hoofd kijkt,” antwoordde de ridder. “Vooreerst moet ik, daar ik nog niet weet, of ik in mijne dolheid Amadis van Gallië of den razenden ridder Roland wil navolgen, mijne kleeren verscheuren, mijne wapens te grabbel gooien, met mijn hoofd tegen de rots aanrennen en nog meer dergelijke dingen uitvoeren, zoodat ge verbluft staat van wat ge ziet.”“Doe, wat ge niet laten kunt, edele heer,” antwoordde de schildknaap; “maar wees in ’s hemels naam wat voorzichtig met dat met het hoofd tegen de rots rammeien. De steenen zijn hard en hebben allerlei hoeken en punten. Als ge toevallig op zoo’n punt te land kwaamt, kon ’t met alle malligheid op eens gedaan wezen. Zoo gij werkelijk oordeelt, dat die kopstooten volstrekt noodig zijn, kondt gij, dunkt me, volstaan met het hoofd in ’t water te plompen of met vooraf een week, zacht ding tegen de rots te plakken. Dan doet de stoot geen zeer, en ik wil Dulcinea van Toboso er toch een relaas van geven, dat de haren haar te berge rijzen. ’t Is toch alles maar fopperij en malligheid, edele heer!”“Dan verkeert gij in een geweldige en betreurenswaardige dwaling, vriend Sancho,” antwoordde Don Quichot. “Al de dingen, die ik wil uitvoeren, zijn geenszins malligheid, maar hooge, heilige ernst. Ik zal koen en krachtig tegen de rotsen aanrennen, en ’t zou dus niet kwaad zijn, dat gij mij wat linnen tot het verbinden der daardoor aan mijn hoofd toegebrachte wonden achterliet.”“Heer, al ’t linnen is met den ezel naar de maan gegaan,” verzekerde de schildknaap. “Daarom verzoek ik u ook dringend, die gekheid van met het hoofd tegen de harde steenen te loopen maar achterwege te laten en u liever in te beelden, dat de drie dagen van razernij al voorbij zijn. Ik voor mij wil aannemen, dat ik al uwe dwaze stukken gezien heb, en zal de edele jonkvrouwe Dulcinea daar de ongeloofelijkste dingen van vertellen. Schrijf den brief en laat het overige aan mij over.”Don Quichot gaf aan dit verstandig voorstel gehoor. “Gijhebt gelijk, Sancho,” zeide hij. “Doch hoe moeten wij ’t aanleggen, om den brief klaar te krijgen?”“Ja, en ’t papiertje, waarop ze mij de drie ezels moeten afgeven,” voegde zijn schildknaap er bij.“Juist, juist!” riep Don Quichot, “dat mogen wij niet vergeten. Ik zal alles in mijn zakboek schrijven, en gij moet het dan door den eersten den besten koster in het naaste dorp mooi en netjes laten kopieeren.”“Maar hoe moet het dan met de onderteekening?”“De brieven van den grooten ridder Amadis van Gallië waren nooit onderteekend,” verzekerde Don Quichot.“Voor den brief komt dat er ook zooveel niet op aan,” zei Sancho; “maar met het papiertje voor de ezels is dat anders gelegen. Daar moet uw edelheids handteekening onder staan, of ze zullen mij als een afzetter en bedrieger de deur voor den neus toesmijten.”“Dat is zoo,” erkende Don Quichot, “en ik zal dus de lastgeving in het dagboek zelf met mijn naam onderschrijven. Als mijne nicht dat ziet, zal zij u de ezels gewillig afstaan. En onder den brief kunt gij zetten: De uwe tot in den dood. Don Quichot van La Mancha, de ridder van de droevige figuur.—Daar Dulcinea niet lezen kan, voor zoover ik weet, zal zij met dat onderschrift volkomen tevreden wezen, en dan heb ik haar ook nog maar pas een- of tweemaal gezien, omdat zij door haar vader, Lorenzo Corchuelo, en hare moeder, Aldonza Nogales, zeer streng wordt opgevoed.”“Ei, de dochter van Lorenzo, die dikke vette, is dat dus uwe hooge en edele gebiedster?” vroeg Sancho Panza heel verwonderd.“Ja, die is het, en zij verdient tot meesteresse van het gansche heelal te worden verheven.”“O, haar ken ik wel,” zeide Sancho Panza en lachte, dat zijn buik schudde. “Dat is een meid van stavast. Zij gooit met knuppels zoo goed als de beste jongen in het dorp, en kan haar mondwerk roeren, dat iedereen voor haar wegloopt. Een stemmetje heeft ze als een trompet, en ze is van top tot teen een echte, stevige, plompe boerendeern. En ik, ezel, heb me altijd verbeeld, dat uwehooge en edele gebiederesse Dulcinea van Toboso heel wat bijzonders was, een prinses of een koningin of zoo’n andere voorname hoogheid. Dat valt me dan danig tegen! En ’t is maar een geluk, edele heer, dat al de lui, die ge in bloedige gevechten overwonnen hebt, niet naar haar toe gegaan zijn. Die hadden uwe Dulcinea dan licht bij ’t vlashekelen of druk aan het dorschen gevonden, en zouden u in dat geval niet weinig hebben bespot en uitgelachen.”“Sancho, ik zeg, dat gij een stomme ezel zijt!” riep Don Quichot verstoord. “Mij behaagt mijne Dulcinea en in mijn oog is zij de hoogste en edelste prinses op aarde. Zoo gij nog een woord ten haren nadeele zegt, zal ik u mijne lans dwars door het lichaam boren.”“Goed, goed, ik heb er vrede mee, als uwe edelheid met zulk eene schoonheid tevreden is,” verklaarde Sancho Panza. “Schrijf nu den brief maar en laat mij stilletjes mijns weegs gaan.”Don Quichot haalde zijn zakboek uit, ging op zij, bedacht zich lang en schreef toen zijn brief aan Dulcinea van Toboso. Toen hij dien klaar had, keerde hij tot zijn schildknaap terug en zeide, hem het stuk te willen voorlezen, zoodat hij het in zijn hoofd had, ingeval het geschrift onderweg door eenig ongelukkig toeval mocht verloren gaan. Sancho Panza wilde daar echter niets van hooren.“Schrijf mij den brief liever een maal of tien twaalf af,” zeide hij, “en maak er veilig staat op, dat ik al die afschriften trouw bewaren zal. Dat voorlezen echter helpt niemendal. Mijne memorie is zoo zwak, dat ik geen tien letters onthouden kan, en nog veel minder zoo’n langen brief.”De ridder zag dus van zijn voornemen af en vergenoegde zich met op een tweede blad van zijn dagboek de aanwijzing tot het uitleveren der ezels te schrijven. Vervolgens vertrouwde hij die gewichtige papieren aan zijn schildknaap toe, drukte hem op het hart, er toch vooral goed op te passen, en gaf hem de verzekering, dat alles uitmuntend afloopen zou, zoo hij ijverig in den dienst en stipt in de volvoering van zijne taak was.“Heb daar maar geen zorg voor, heer ridder,” zeide Sancho. “Geef mij uwen zegen, laat mij Rocinante bestijgen, en houd mij nu maar niet langer op. Uwe dwaze stukken behoef ik niet te zien,daar ik er zonder dat wel zooveel van zal vertellen, dat uwe meesteres er versteld en verbijsterd van staat.”“En toch verlangde ik, dat gij althans een dozijn van mijne dolheden met eigen oogen aanschouwdet,” zeide Don Quichot. “Gij kunt dan bezweren, dat gij mij in den staat van volslagen razernij hebt gezien, en deze betuiging zal ontwijfelbaar een diepen indruk op de aangebedene van mijn hart maken.”“Neen, neen, laat dat rusten,” antwoordde Sancho. “Wij hebben nog gewichtiger dingen af te doen. Wat, bij voorbeeld, zult gij te eten krijgen in den tijd, dat ik weg ben? Teerkost heeft geen van ons beiden meer.”“Maak u daar niet bezorgd over, mijn zoon,” zeide Don Quichot. “Al waren wij nog zoo ruim van mondvoorraad voorzien, toch zou ik daar niets van aanraken. Ik zal mijn leven rekken met de kruiden, die hier in de weide groeien en met de vruchten des wouds, want zoo verlangt het de waanzin, waaraan ik mij prijs zal geven.”“Nu, dan wensch ik u smakelijk eten!” zeide Sancho. “Maar nog één ding! Hoe zal ik de plaats weervinden, waar ik u nu verlaat? Ze schijnt mij vrij wat afgelegen, en ’t zou een leelijk ding wezen, als ik weken lang omdwalen moest en u nergens weerom kon vinden.”“Prent u onder het rijden goed de merkteekens van den weg in het hoofd,” antwoordde Don Quichot. “Ik voor mij zal dezen omtrek niet verlaten en tegen den tijd, dat ik u terug mag verwachten, de hoogste toppen der omliggende bergen beklimmen, om naar u uit zien. Ook kunt gij uw weg door boomtakken merken, die gij van tijd tot tijd in den grond steekt, en de groene twijgen zullen u dan als zekere wegwijzers in mijne nabijheid terugbrengen.”“Welaan, dat wil ik doen,” riep Sancho en sneed al dadelijk een voorraad takken af. Hierop verzocht hij den edelen ridder om zijn zegen, nam onder heete tranen van hem afscheid, besteeg Rocinante en aanvaardde zijn tocht. Hij was echter nog geen honderd passen ver gereden, of hij keerde op een drafje weerom en riep:“Luister, heer ridder! Daar valt mij in, dat het toch niet kwaadzou wezen, dat ik althans één van uwe dolle stukken zag. Ik kan dan met een goed geweten bezweren, dat gij wis en waarachtig stapelgek zijt geworden.”“Ziet gij wel, dat ik gelijk had?” riep Don Quichot verheugd uit. “Wacht maar, mijn zoon! Ik zal er u dadelijk een vertoonen.”Na deze woorden trok hij met den meest mogelijken spoed zijne kleeren uit en hield niets aan zijn lichaam buiten het bloote hemd. Hierop buitelde hij een paar malen over den kop, vertoonde allerlei gekke bokkesprongen, ging op zijn hoofd staan, kortom, stelde zich zoo boven alle beschrijving gek aan, dat Sancho Panza met de volste overtuiging van zijns meesters dolheid weg kon rijden.Terwijl Sancho Panza zijns weegs trok, staakte de ridder zijne luchtsprongen en kopjebuitelingen en beklom eene hooge rots, om daar bedaard te overleggen, of hij verder voor razenden Roland of eenvoudig voor den smachtenden Amadis wilde spelen. Na lang, ernstig nadenken besloot hij eindelijk zich Amadis tot voorbeeld te kiezen, omdat hij daarbij noch zoo veel builen te vreezen, noch ook boomen uit den grond te rukken en rotsen te vergruizelen had. Zoo kortte hij zich dus den tijd met op de groene weide rond te kuieren, den zoeten naam zijner Dulcinea in de schors der boomen te snijden en verzen te maken, die in liefelijkheid alles overtroffen, wat nog ooit door een menschenkind gedicht is.

Toen de edele ridder van La Mancha weer eenigermate van de werking der zware steenworpen bekomen was, sprak hij:

“Sancho Panza, altijd heb ik gehoord, dat men een nutteloos en vergeefsch werk doet, als men aan ’t gemeene volk weldaden bewijst. Die schurkachtige gevangenen hebben mij met den snoodsten ondank beloond, en dit zal ons leeren ons nimmer weer met soortgelijk gespuis in te laten.”

“Nu, ik wil hopen, dat gij eindelijk door schade en schande wijs wordt,” antwoordde Sancho Panza. “Voorts is ’t maar best, dat wij ons zoo spoedig mogelijk uit de voeten maken. De politie heeft voor dolende helden bitter weinig ontzag en zou, als zij u in handen kreeg, aan uwe ridderschap spoedig een treurig einde maken. Zie, dat gij weer op Rocinante komt, en laat ons vluchten.”

“Gij zijt een bloodaard, Sancho! Toch wil ik voor ditmaal aan uw verlangen toegeven en mij in de Sierra Morena begeven, in de hoop, dat het ons daar geen dag aan avonturen ontbreken zal.”

Sancho was van harte blij, dat hij zijn zin kreeg, en ging dadelijk zijn best doen om eerst Rocinante en toen ook zijn meester weer op de been te helpen. Gelukkig had hij zijn broodzak aan de handen der roofzuchtige spitsboeven weten te onttrekken en kon dus zich zelf en zijn heer een stevige hartsterking voorzetten. Hierop bestegen beiden hunne dieren en kwamen nog voor den donker midden in de Sierra Morena, waar zij in een eng rotsdal onder eenige zware, lommerrijke boomen hun nachtleger opsloegen.

Nauwelijks lagen onze twee helden daar vast in slaap, of hun ongelukkige gesternte wilde, dat de schelmachtige Gines van Pasamontetoevallig dienzelfden weg langs kwam. Uit vrees voor den straffenden arm der gerechtigheid was ook hij in de Sierra Morena zijn heil komen zoeken en, vooral ter wille van den ezel, niet weinig verheugd, hier zoo geheel onverwachts zijne beide bevrijders te vinden. Met alle omzichtigheid sloop hij nader, maakte zich van des schildknaaps langoor meester, ging daar op zitten en voerde zijn buit weg, zoo hard als het dier maar loopen wou. Den volgenden dag was hij reeds uren ver van de beroofde twee verwijderd.

De zon kwam zich tot verkwikking van al, wat leeft en ademt, boven de kim vertoonen, doch ditmaal niet tot blijdschap van den armen Sancho Panza, die door haar helder licht al spoedig onderricht werd van het zware verlies, dat hij in den loop van dien nacht geleden had. Hij vervulde de lucht met zijne jammerklachten en huilde zoo geweldig, dat ook zijn meester ontwaakte en naar de oorzaak van dat klaaglied vernam.

“Ach,” lamenteerde de knaap, “ach, mijn grauwtje is weg, mijn hartelap, mijn suikerpop, de oogappel van mijn vrouw, de doorn in ’t vleesch van al mijne buren, de steun van al mijne lasten!”

“Kom, kom, Sancho, bedaar, man!”trooste de ridder zijn weeklagenden dienaar; “gij zult voor den verloren ezel drie van de vijf hebben, die ik bij mij thuis op stal heb staan. Ik zal u daar een papier van geven en gij zult ze zelf halen. Nu kom en laat ons zorgen, dat wij dieper in het gebergte komen.”

De goede Sancho trooste zich en dankte zijn meester voor de grootmoedige toezegging. Hierop braken zij op en vervolgden hunne reis.

Hoe dieper Don Quichot in de wilde bergstreek doordrong, des te meer verblijde zich zijne ziel, terwijl hij zich al de wonderbare daden en avonturen voor den geest riep, welke dolende ridders vóór hem in zulke woestijnen en wildernissen volvoerd en beleefd hadden. Hij verzonk zoo diep in gepeins, dat hij geen woord sprak en de tijd den armen Sancho, die pruttelend achter hem aan sjokte, danig lang begon te vallen. Hij had bijster gaarne eens een woordje gepraat, doch waagde niet een gesprek aan te vangen uit vrees, dat hij zijn heer hierdoor beleedigen zou. Ten laatste werd het hemechter toch al te erg en besloot hij, op elk gevaar af, aan dat vervelende zwijgen een einde te maken.

“Heer,” begon hij, “ik verzoek u dringend, mij mijn afscheid te geven en stilletjes naar huis te laten terugkeeren. Thuis kan ik althans met vrouw en kinderen praten, als ik daar lust toe voel; maar hier in de wildernis moet ik als een gek achter Rocinante aansukkelen en krijg geen woord te hooren, en dat noem ik dood wezen bij levenden lijve.”

“Sancho Panza,” antwoordde de ridder, “daar is raad voor, want weet, dat ik juist van plan ben, eene daad te verrichten, die mij tot den beroemdsten ridder moet maken, dien de aardbodem ooit gedragen heeft. En daartoe heb ik uwe medewerking noodig.”

“Is er gevaar bij, heer ridder?” vroeg Sancho Panza.

“Neen; met gevaar is de daad niet verbonden. Echter hangt alles van uwe werkzaamheid af.”

“Van mijne werkzaamheid?” vroeg Sancho verwonderd.

“Zeker, mijn zoon,” luidde des ridders antwoord, “want weet, dat, zoo gij schielijk van de plaats, waarheen ik u zenden zal, terugkeert, gij den tijd van mijn lijden zult verkorten, en dat dan mijn triomf een aanvang zal nemen. Ten einde gij echter in staat moogt zijn, mij te verstaan, moet ik u zeggen, dat vóór tijden de beroemde Amadis van Gallië een der beste, dapperste dolende ridders was, en dat hem na te volgen mij tot onvergankelijke eer moet strekken. En dit moet geschieden ten opzichte van de beste daad, die van hem verhaald word. Toen namelijk de schoone Oriana hem versmaad had, begaf hij zich naar de wildernis, deed boete en kastijdde zich en noemde zich gedurende dien tijd Beltenebros.”

“Maar, gestrenge heer, gij wordt toch niet door uwe Dulcinea versmaad?” zeide Sancho Panza.

“Dat is juist de zaak waar het op aankomt, Sancho,” antwoordde Don Quichot; “want versta mij wel: dat een dolend ridder om goede redenen dol en razend wordt, dat is niet de moeite waard, dat men er over praat. De groote kunst is, zonder grond of oorzaak dol te worden, en van deze kunst wil ik blijk geven. Gij echter, Sancho, moet u naar mijne aanbiddelijke meesteresDulcinea van Toboso begeven en haar een brief overbrengen, die haar van mijn waanzin onderrichten moet, opdat zij de sterkte van mijne vereering en aanbidding leere waarderen.”

Sancho Panza wist niet, wat hij op deze dollemanspraat zeggen moest. Hij schudde het hoofd en stapte zwijgend nevens Don Quichot voort, totdat zij aan den voet van een hoogen rotskegel kwamen, die rondom met naakte wanden van graniet omgeven was. Daar borrelde eene heldere bron uit op en rondom breidde zich een groen graskleed uit, dat met bonte bloemen sierlijk getooid was. Deze plaats scheen den edelen ridder tot volvoering van zijn avontuurlijk opzet uiterst geschikt toe, en hij besloot hier zijne dolle razernij maar terstond den vrijen teugel te vieren.

“Ha, ha!” riep hij met bulderende stem, alsof hij op eens stapelgek was geworden, “ha ha! dit is dus de plaats, waar ik mijn ongeluk wil beschreien. Ha, ha! dit is de plaats, waar mijn tranen dit beekje tot een schuimenden bergstroom zullen doen aanzwellen. Ha, ha! dit is de plaats, waar ik zuchten ga loozen, die als een stormwind door de boomtoppen en hunne groene bladeren zullen ruischen.”

Onder het uitstooten van al dezen onzin liet hij zich van zijn paard zakken en gaf dat een slag op den rug.

“Vlucht weg,” riep hij dat toe, “vlucht weg, mijn edel ros! Ik geef u uwe vrijheid weer, daar ik zelf in de boeien en banden van den waanzin zal vervallen. Vlucht weg en dool als een rustelooze schim in bosschen en wildernissen rond.”

“Nu ja, van een schim begint Rocinante al vrij wat te krijgen, heer ridder,” zeide Sancho Panza; “maar toch reken ik ’t beter, dat ik maar op hem ga zitten en op zijn rug mijne reis naar uwe Dulcinea aanvaard. Ik zal dan des te gauwer hier terug kunnen zijn.”

“Goed, Sancho, doe, wat gij verkiest,” antwoordde de ridder van de droevige figuur. “Evenwel moet gij op zijn minst nog drie dagen in mijne tegenwoordigheid blijven, om aan mijne uitverkorene te kunnen berichten, wat ik al niet tot hare verheerlijking gedaan heb.”

“Zal ik nog meer razende dolligheden zien, dan ik nu al gezien heb, heer?” vroeg Sancho Panza verwonderd.

“O, ik zal er nog zooveel vertoonen, dat ge u van verbaasdheid de oogen uit het hoofd kijkt,” antwoordde de ridder. “Vooreerst moet ik, daar ik nog niet weet, of ik in mijne dolheid Amadis van Gallië of den razenden ridder Roland wil navolgen, mijne kleeren verscheuren, mijne wapens te grabbel gooien, met mijn hoofd tegen de rots aanrennen en nog meer dergelijke dingen uitvoeren, zoodat ge verbluft staat van wat ge ziet.”

“Doe, wat ge niet laten kunt, edele heer,” antwoordde de schildknaap; “maar wees in ’s hemels naam wat voorzichtig met dat met het hoofd tegen de rots rammeien. De steenen zijn hard en hebben allerlei hoeken en punten. Als ge toevallig op zoo’n punt te land kwaamt, kon ’t met alle malligheid op eens gedaan wezen. Zoo gij werkelijk oordeelt, dat die kopstooten volstrekt noodig zijn, kondt gij, dunkt me, volstaan met het hoofd in ’t water te plompen of met vooraf een week, zacht ding tegen de rots te plakken. Dan doet de stoot geen zeer, en ik wil Dulcinea van Toboso er toch een relaas van geven, dat de haren haar te berge rijzen. ’t Is toch alles maar fopperij en malligheid, edele heer!”

“Dan verkeert gij in een geweldige en betreurenswaardige dwaling, vriend Sancho,” antwoordde Don Quichot. “Al de dingen, die ik wil uitvoeren, zijn geenszins malligheid, maar hooge, heilige ernst. Ik zal koen en krachtig tegen de rotsen aanrennen, en ’t zou dus niet kwaad zijn, dat gij mij wat linnen tot het verbinden der daardoor aan mijn hoofd toegebrachte wonden achterliet.”

“Heer, al ’t linnen is met den ezel naar de maan gegaan,” verzekerde de schildknaap. “Daarom verzoek ik u ook dringend, die gekheid van met het hoofd tegen de harde steenen te loopen maar achterwege te laten en u liever in te beelden, dat de drie dagen van razernij al voorbij zijn. Ik voor mij wil aannemen, dat ik al uwe dwaze stukken gezien heb, en zal de edele jonkvrouwe Dulcinea daar de ongeloofelijkste dingen van vertellen. Schrijf den brief en laat het overige aan mij over.”

Don Quichot gaf aan dit verstandig voorstel gehoor. “Gijhebt gelijk, Sancho,” zeide hij. “Doch hoe moeten wij ’t aanleggen, om den brief klaar te krijgen?”

“Ja, en ’t papiertje, waarop ze mij de drie ezels moeten afgeven,” voegde zijn schildknaap er bij.

“Juist, juist!” riep Don Quichot, “dat mogen wij niet vergeten. Ik zal alles in mijn zakboek schrijven, en gij moet het dan door den eersten den besten koster in het naaste dorp mooi en netjes laten kopieeren.”

“Maar hoe moet het dan met de onderteekening?”

“De brieven van den grooten ridder Amadis van Gallië waren nooit onderteekend,” verzekerde Don Quichot.

“Voor den brief komt dat er ook zooveel niet op aan,” zei Sancho; “maar met het papiertje voor de ezels is dat anders gelegen. Daar moet uw edelheids handteekening onder staan, of ze zullen mij als een afzetter en bedrieger de deur voor den neus toesmijten.”

“Dat is zoo,” erkende Don Quichot, “en ik zal dus de lastgeving in het dagboek zelf met mijn naam onderschrijven. Als mijne nicht dat ziet, zal zij u de ezels gewillig afstaan. En onder den brief kunt gij zetten: De uwe tot in den dood. Don Quichot van La Mancha, de ridder van de droevige figuur.—Daar Dulcinea niet lezen kan, voor zoover ik weet, zal zij met dat onderschrift volkomen tevreden wezen, en dan heb ik haar ook nog maar pas een- of tweemaal gezien, omdat zij door haar vader, Lorenzo Corchuelo, en hare moeder, Aldonza Nogales, zeer streng wordt opgevoed.”

“Ei, de dochter van Lorenzo, die dikke vette, is dat dus uwe hooge en edele gebiedster?” vroeg Sancho Panza heel verwonderd.

“Ja, die is het, en zij verdient tot meesteresse van het gansche heelal te worden verheven.”

“O, haar ken ik wel,” zeide Sancho Panza en lachte, dat zijn buik schudde. “Dat is een meid van stavast. Zij gooit met knuppels zoo goed als de beste jongen in het dorp, en kan haar mondwerk roeren, dat iedereen voor haar wegloopt. Een stemmetje heeft ze als een trompet, en ze is van top tot teen een echte, stevige, plompe boerendeern. En ik, ezel, heb me altijd verbeeld, dat uwehooge en edele gebiederesse Dulcinea van Toboso heel wat bijzonders was, een prinses of een koningin of zoo’n andere voorname hoogheid. Dat valt me dan danig tegen! En ’t is maar een geluk, edele heer, dat al de lui, die ge in bloedige gevechten overwonnen hebt, niet naar haar toe gegaan zijn. Die hadden uwe Dulcinea dan licht bij ’t vlashekelen of druk aan het dorschen gevonden, en zouden u in dat geval niet weinig hebben bespot en uitgelachen.”

“Sancho, ik zeg, dat gij een stomme ezel zijt!” riep Don Quichot verstoord. “Mij behaagt mijne Dulcinea en in mijn oog is zij de hoogste en edelste prinses op aarde. Zoo gij nog een woord ten haren nadeele zegt, zal ik u mijne lans dwars door het lichaam boren.”

“Goed, goed, ik heb er vrede mee, als uwe edelheid met zulk eene schoonheid tevreden is,” verklaarde Sancho Panza. “Schrijf nu den brief maar en laat mij stilletjes mijns weegs gaan.”

Don Quichot haalde zijn zakboek uit, ging op zij, bedacht zich lang en schreef toen zijn brief aan Dulcinea van Toboso. Toen hij dien klaar had, keerde hij tot zijn schildknaap terug en zeide, hem het stuk te willen voorlezen, zoodat hij het in zijn hoofd had, ingeval het geschrift onderweg door eenig ongelukkig toeval mocht verloren gaan. Sancho Panza wilde daar echter niets van hooren.

“Schrijf mij den brief liever een maal of tien twaalf af,” zeide hij, “en maak er veilig staat op, dat ik al die afschriften trouw bewaren zal. Dat voorlezen echter helpt niemendal. Mijne memorie is zoo zwak, dat ik geen tien letters onthouden kan, en nog veel minder zoo’n langen brief.”

De ridder zag dus van zijn voornemen af en vergenoegde zich met op een tweede blad van zijn dagboek de aanwijzing tot het uitleveren der ezels te schrijven. Vervolgens vertrouwde hij die gewichtige papieren aan zijn schildknaap toe, drukte hem op het hart, er toch vooral goed op te passen, en gaf hem de verzekering, dat alles uitmuntend afloopen zou, zoo hij ijverig in den dienst en stipt in de volvoering van zijne taak was.

“Heb daar maar geen zorg voor, heer ridder,” zeide Sancho. “Geef mij uwen zegen, laat mij Rocinante bestijgen, en houd mij nu maar niet langer op. Uwe dwaze stukken behoef ik niet te zien,daar ik er zonder dat wel zooveel van zal vertellen, dat uwe meesteres er versteld en verbijsterd van staat.”

“En toch verlangde ik, dat gij althans een dozijn van mijne dolheden met eigen oogen aanschouwdet,” zeide Don Quichot. “Gij kunt dan bezweren, dat gij mij in den staat van volslagen razernij hebt gezien, en deze betuiging zal ontwijfelbaar een diepen indruk op de aangebedene van mijn hart maken.”

“Neen, neen, laat dat rusten,” antwoordde Sancho. “Wij hebben nog gewichtiger dingen af te doen. Wat, bij voorbeeld, zult gij te eten krijgen in den tijd, dat ik weg ben? Teerkost heeft geen van ons beiden meer.”

“Maak u daar niet bezorgd over, mijn zoon,” zeide Don Quichot. “Al waren wij nog zoo ruim van mondvoorraad voorzien, toch zou ik daar niets van aanraken. Ik zal mijn leven rekken met de kruiden, die hier in de weide groeien en met de vruchten des wouds, want zoo verlangt het de waanzin, waaraan ik mij prijs zal geven.”

“Nu, dan wensch ik u smakelijk eten!” zeide Sancho. “Maar nog één ding! Hoe zal ik de plaats weervinden, waar ik u nu verlaat? Ze schijnt mij vrij wat afgelegen, en ’t zou een leelijk ding wezen, als ik weken lang omdwalen moest en u nergens weerom kon vinden.”

“Prent u onder het rijden goed de merkteekens van den weg in het hoofd,” antwoordde Don Quichot. “Ik voor mij zal dezen omtrek niet verlaten en tegen den tijd, dat ik u terug mag verwachten, de hoogste toppen der omliggende bergen beklimmen, om naar u uit zien. Ook kunt gij uw weg door boomtakken merken, die gij van tijd tot tijd in den grond steekt, en de groene twijgen zullen u dan als zekere wegwijzers in mijne nabijheid terugbrengen.”

“Welaan, dat wil ik doen,” riep Sancho en sneed al dadelijk een voorraad takken af. Hierop verzocht hij den edelen ridder om zijn zegen, nam onder heete tranen van hem afscheid, besteeg Rocinante en aanvaardde zijn tocht. Hij was echter nog geen honderd passen ver gereden, of hij keerde op een drafje weerom en riep:

“Luister, heer ridder! Daar valt mij in, dat het toch niet kwaadzou wezen, dat ik althans één van uwe dolle stukken zag. Ik kan dan met een goed geweten bezweren, dat gij wis en waarachtig stapelgek zijt geworden.”

“Ziet gij wel, dat ik gelijk had?” riep Don Quichot verheugd uit. “Wacht maar, mijn zoon! Ik zal er u dadelijk een vertoonen.”

Na deze woorden trok hij met den meest mogelijken spoed zijne kleeren uit en hield niets aan zijn lichaam buiten het bloote hemd. Hierop buitelde hij een paar malen over den kop, vertoonde allerlei gekke bokkesprongen, ging op zijn hoofd staan, kortom, stelde zich zoo boven alle beschrijving gek aan, dat Sancho Panza met de volste overtuiging van zijns meesters dolheid weg kon rijden.

Terwijl Sancho Panza zijns weegs trok, staakte de ridder zijne luchtsprongen en kopjebuitelingen en beklom eene hooge rots, om daar bedaard te overleggen, of hij verder voor razenden Roland of eenvoudig voor den smachtenden Amadis wilde spelen. Na lang, ernstig nadenken besloot hij eindelijk zich Amadis tot voorbeeld te kiezen, omdat hij daarbij noch zoo veel builen te vreezen, noch ook boomen uit den grond te rukken en rotsen te vergruizelen had. Zoo kortte hij zich dus den tijd met op de groene weide rond te kuieren, den zoeten naam zijner Dulcinea in de schors der boomen te snijden en verzen te maken, die in liefelijkheid alles overtroffen, wat nog ooit door een menschenkind gedicht is.

Hoofdstuk XII.Hoe Don Quichot uit het rotsdal bevrijdt wordt.Onderwijl reed Sancho Panza door de bosch- en bergstreken en kwam al spoedig op den grooten heerweg uit. Dezen houdende kwam hij den volgenden dag aan de herberg, waar hij eerst voor eenigedagen door eenige reizigers zoo erg beet was genomen, en zoodra hij haar in het oog kreeg, had hij een gevoel, alsof hij weer hoog in de lucht werd opgegooid. Dus wilde hij hier liever maar niet pleisteren, alhoewel hij juist tegen den besten tijd van den dag, tegen etenstijd namelijk, in de nabijheid kwam. Zijne maag kwam echter tegen dezen zijnen wil in opstand, en daar de mensch bijna altijd aan de eischen van zijne maag moet gehoorzamen, zoo voldeed ook Sancho Panza aan hare dringende aanmaning en reed regelrecht op de herberg toe, om haar door eene warme soep en een duchtig stuk vleesch tevreden te stellen.Juist toen hij in de deur trad, kwamen twee heeren naar buiten, die hem terstond herkenden. De een sprak tot den ander: “Kijk eens, heer pastoor, is dat niet Sancho Panza, die met den gekken ridder Don Quichot op avonturen is uitgegaan?”“Ja, waarlijk, hij is het,” antwoordde de pastoor, “en hij zit op den knol van zijn meester.”Die beide mannen waren, gelijk wij reeds geraden hebben, de pastoor en de barbier uit Don Quichots dorp, die voor eenigen tijd met de huishoudster van den dolenden ridder al diens mooie ridderboeken verbrand en den ingang tot de bibliotheek dichtgemetseld hadden. Zij naderden den schildknaap, en de pastoor, uiterst verlangend, om iets van Don Quichot te vernemen, riep hem bij zijn naam en vroeg hem: “Vriend Sancho Panza, waar is uw heer?”De ondervraagde herkende de beide mannen op het eerste gezicht, doch nam zich voor, hun van het verblijf en de lotgevallen van zijn meester geen enkel woord te verklappen. Hij antwoordde dus kortaf, dat zijn heer ergens een gewichtige zaak had in orde te brengen, waarvan hem streng verboden was iets naders te zeggen.“Nu, als de zaken zoo staan, vriend Sancho,” sprak de barbier, die terstond begreep, hoe het was, “als gij niet zeggen wilt, waar de ridder zich ophoudt, dan moeten wij aannemen, dat hij door u vermoord en geplunderd is geworden. Gij rijdt op zijn paard en gij moet dus ook uw meester terugbezorgen, of ’t zal leelijk met u afloopen.”“Ho, ho, maar zoo driftig niet!” riep Sancho Panza op barschentoon, alhoewel de bedreiging van den barbier hem wel eenigszins ongerust maakte. “Ik ben geen man, om andere eerlijke menschen dood te slaan, en als gij mijn heer vinden wilt, zoek hem dan daarginder in het gebergte, waar hij zich met veel kunst en knapheid stapelgek houdt.”Op verder navragen der beide heeren bracht hij hen nu bij de rij af al de avonturen en dolheden van zijn meester over en voegde er bij, dat hij was afgezonden, om aan de dochter van den boer Lorenzo Corchuelo een brief over te brengen. De beide heeren hoorden dit bericht met verwondering aan; want ofschoon zij Don Quichot een tamelijk hoogen graad van gekheid toeschreven, moesten zij erkennen, dat wat zij nu van zijne dollemansstreken vernamen, hunne stoutste verwachtingen nog verre overtrof. Eindelijk verzochten zij Sancho, hun den brief te toonen, dien de ridder aan zijne aangebedene Dulcinea van Toboso geschreven had.Sancho Panza tastte dadelijk in den zak, om aan hun verlangen te voldoen, maar ontdekte tot zijn schrik, dat hij het boekje moest verloren hebben. Hij werd doodsbleek van schrik, woelde en grabbelde in al zijne zakken om en geraakte in zulk eene vertwijfeling, dat hij haar en baard uitrukte en zich met beide vuisten zoo in het gezicht sloeg, dat het bloed hem uit den neus sprong. De barbier en de pastoor verwonderden zich natuurlijk zeer over zijn gedrag en vroegen hem, waarom hij dan toch zoo tegen zijn eigen vleesch woedde.“Daar is mij ’t grootste ongeluk van mijn geheele leven overkomen!” huilde Sancho. “Ik heb drie jonge ezels verloren, waarvan ieder althans een gravenslot waard was.”“Ei! En hoe heeft dat zich toegedragen?” vroeg de barbier.“Wel, doodeenvoudig,” antwoordde Sancho. “Ik ben het zakboekje kwijt, waarin de brief van mijn heer aan zijne Dulcinea en buitendien ook de door hem eigenhandig onderteekende aanwijzing staat, dat zijne nicht mij drie van de jonge ezels, die hij op stal heeft, moet uitleveren.”De pastoor troostte hem over dat verlies en beloofde hem, zijnen heer te zullen bewegen eene tweede aanwijzing op de drie ezelsaf te geven. Deze toezegging stelde den schildknaap ten volle gerust, terwijl het verlies van den brief voor Dulcinea hem niet de koude kleeren scheen te raken.“Ik ken hem bijna van buiten, daar ik hem onder weg verscheiden malen gelezen heb, en kan hem desnoods uit mijne memorie opschrijven,” zei hij op onverschilligen toon.“Toe dan, zeg hem ons voor,” antwoordde de barbier. “Wij willen hem dan later op papier brengen.”Bij deze uitnoodiging krabde Sancho zich verlegen achter de ooren en gaf zich alle mogelijke moeite, om de woorden van het schrijven in zijn geheugen terug te roepen. Hij trok daarbij nu het eene, dan het andere been in de hoogte, keek nu naar de lucht en dan naar den grond, scheen zich de nagels van de vingers te willen zuigen en riep eindelijk in zijne verlegenheid:“Hoort, mijne heeren, de drommel mag me halen, als ik nog veel van den brief weet! Mij heugt alleen nog maar het begin en dat was: Allerverhevenste en alleromgeperste gebiederesse!”“Alleronbeperktste zal er gestaan hebben,” zei de barbier lachend.“Ja, ja, zoo was het vast,” zeide Sancho; “en dan kwam verder: “De verwonde, blauwgebeukte en slapelooze kust u de hand, onbekende en ondankbare jonkvrouwe!” en zoo al voort tot aan het slot, dat was: “De uwe tot den dood, Don Quichot van La Mancha, Ridder van de Droevige Figuur.”De beide mannen lachten, dat de tranen hun over de wangen rolden, en lieten zich den brief nog eenige malen herhalen. Sancho Panza vond daar zelf pleizier in en vertelde buitendien nog eene menigte andere geschiedenissen, zonder echter van het onbetaald gebleven gelag in de herberg ook maar met een woord te reppen.“Als mijn meester,” zoo vervolgde hij, “zijne penitentie in het rotsdal volbracht heeft, zullen wij terstond op weg gaan, om ons een keizerschap of toch voor ’t minst een koningschap te veroveren. Zoo hebben wij het tusschen ons beiden afgesproken, en ’t kan niet anders, of het zal mijn heer met zijne ontzettende koenheid heel licht gelukken, dit doel te bereiken. Als wij eenmaal zoover zijn, dan wil mijn heer mij eene edele jonkvrouw tot gemalin geven enmij tot gouverneur van een eiland benoemen, dat minstens zoo groot als heel Spanje is.”Sancho kwam met deze ongerijmdheden met zooveel bedaardheid en innerlijke overtuiging voor den dag, dat zijne beide toehoorders vol verwondering de hoofden schudden.“Hoever,” fluisterde de pastoor den barbier toe, “hoever moet het met Don Quichots waanzin gekomen zijn, dat hij ook het verstand van dezen armen sukkel zoo deerlijk op hol kon brengen!”Nochtans besloten zij, zich geen moeite te geven, om Sancho Panza uit zijn droom te helpen. Zijne ziel werd er niet door in gevaar gebracht, en zij zelven beloofden zich van zijne verdwaasdheid nog vrij wat pret. Zij zeiden hem derhalve slechts, dat hij maar op de gezondheid zijns meesters moest hopen, opdat die al zijne stoute plannen en ontwerpen zou kunnen volvoeren en hijzelf mettertijd keizer of aartsbisschop of wat anders heel hoogs en voornaams zou worden.“Wat!” vroeg Sancho, “kan een dolend ridder ook aartsbisschop worden? Wat heb ik, als zijn trouwe schildknaap, dan niet eene belooning te wachten!”“Wel zeker, gewoonlijk krijgen de schildknapen de eene of andere vette prebende of toch ten minste eene goede kostersplaats,” antwoordde de pastoor.“Welaan,” verklaarde Sancho, zich vergenoegd de handen wrijvende, “dan wil ik mijn meester daarheen leiden, waar ’t voor hemzelf het best is en hij mij de vetste happen kan toeduwen.”“Gij zijt een vroom man en een goed Christen, Sancho,” sprak de pastoor. “Doch ’t wordt nu tijd, een middel uit te denken, om uw heer van zijne onnutte boete af te brengen, en me dunkt, we stappen daartoe hier de herberg binnen, om dat eens op ons gemak te bepraten. Kom, vriend Sancho, wees onze gast bij den maaltijd.”Sancho’s schrik voor de herberg was intusschen weer levendig geworden en hij zei dus, dat zij maar moesten binnengaan; hij zelf zou zoolang buiten wachten en hun later de reden zeggen, waarom hij van hunne uitnoodiging geen gebruik kon maken. Evenwel zouden zij hem groot pleizier doen, indien zij hem eene portiewarm eten en Rocinante een maaltje gerst buiten wilden zenden.De beide mannen drongen na deze verklaring niet verder bij Sancho aan, maar traden in de herberg. De barbier verzuimde echter niet, den hongerige en zijn rijbeest al spoedig ruim van het noodige te voorzien.Terwijl Sancho Panza in eenzaamheid zijn maal verteerde, overlegden de pastoor en de barbier, op welke wijze zij het best hun doel bereiken en Don Quichot van zijn dol opzet afbrengen konden. Na lang heen en weer praten, kwam de pastoor op een denkbeeld, dat zoowel met des ridders dweperij, als ook met hunne bedoelingen in volmaakte overeenstemming was. Hij had namelijk den inval, zichzelf als eene dolende jonkvrouw te vermommen, terwijl de barbier zich als stalmeester van de edele dame in het pak zou steken. Zoo verkleed wilden zij Don Quichot gaan opzoeken; de pastoor zou zich voor eene vervolgde, hulpbehoevende edelvrouwe uitgeven en hem bezweren, haar te volgen en den smaad en hoon te wreken, haar door een boozen, ondeugenden ridder aangedaan. Om het geheim niet voor den tijd te verraden, wilde de pastoor eene gelofte voorwenden, die haar verbood, zich te ontsluieren, voordat Don Quichot haar tegen den valschen ridder recht had verschaft, en hij vertrouwde ten volle, dat het op die wijze gelukken zou, den krankzinnigen ridder naar zijne oude woonstee terug te brengen en hem daar geheel van zijne kwaal te genezen.Den barbier kwam dit plan zoo goed voor, dat hij terstond op de uitvoering er van aandrong. Zij verzochten dus van de waardin een vrouwenkleed en een hoofdkap met toereikend dichten sluier ter leen en werden aan een en ander volgens hun wensch geholpen. De barbier echter maakte zich een ontzettenden baard van een roodbruinen ossestaart, waarin hij gewoonlijk zijn kam placht te steken. Op haar vragen vernam de herbergiersvrouw, waartoe deze verkleeding eigenlijk moest dienen, en nu begreep zij oogenblikkelijk, dat die gekke ridder haar gewezen gast en de heer van dien geplaagden schildknaap moest zijn. Zij vertelde den pastoor, wat toenmaals was voorgevallen, en verzweeg ook niet het geringste van wat Sancho Panza zoo zorgvuldig verborgen had gehouden.Hierop verkleedde zij den pastoor met zooveel zorg, dat hij zichzelf bijna niet herkend zou hebben. Zij trok hem een lakenschen rok aan, die met breede zwartfluweelen strooken bezet was, gaf hem een groenfluweelen rijglijf en wou hem ook nog het haar kappen, zooals de vrouwen gewoon zijn, dat te doen. Dit laatste liet de brave man evenwel niet toe, maar hij bedekte zijn hoofd met eene witte linnen slaapmuts en bond daar een sluier aan, die zijn baard en zijn geheele gezicht ten volle bedekte. Daarop drukte hij zich zijn grooten breedgeranden hoed diep in de oogen, wierp een langen mantel om en ging, op vrouwenmanier, dwars op zijn muildier zitten. Ook de barbier met zijn roodbruinen langen baard besteeg zijn ezel, en zoo zeiden zij de wakkere waardin vaarwel en gingen bij Sancho, die over de wonderlijke toetakeling der beide eerzame mannen lachen moest, dat zijn buik er van schudde.Terwijl zij nu den weg naar het gebergte insloegen, begreep de pastoor, dat het in den grond nergens toe diende, dat zij nu reeds hunne verkleeding droegen, en besloot dus die vooreerst af te leggen en eerst weder aan te nemen, als zij in de nabijheid van de schouwplaats hunner daden en van Don Quichots dwaasheid zouden zijn aangekomen. Dit geschiedde, en in zeer vroolijke stemming vervolgden zij hierop hunnen tocht.Den volgenden dag kwamen zij aan de plaats, waar Sancho Panza de boomtakken in den grond had gestoken, om hem tot wegwijzers te dienen. Hier vonden zij een lustig gezelschap van personen, die, naar het scheen, eene reis door het gebergte hadden gedaan. Het bestond uit drie heeren en eene dame van buitengewoone schoonheid.Sancho Panza haastte zich vooruit, om voorloopig naar zijn heer om te zien; doch de pastoor liet zich in een gesprek met de reizigers in en vertelde op hunne vraag, hoe hij hierheen kwam, alles wat hij van Don Quichot wist, van zijne wonderbaarlijke dwaasheid en van zijn waanzinnig besluit, om in een rotsdal van het gebergte den razenden Roland of den smachtenden Amadis van Gallië te spelen.De jonge dame had dit verhaal onder veel lachen aangehoord,en daar zij van een zeer vroolijken en spotzieken aard was, wist zij hare begeleiders over te halen, den braven pastoor in zijn goed werk te ondersteunen en den dollen ridder van La Mancha eens eene heilzame poets te helpen spelen.“Ik wil de vervolgde jonkvrouw voorstellen,” zeide zij, “en kan die rol recht natuurlijk spelen, daar ik toevallig eenige kleeren bij mij heb, die daarbij uitmuntend te pas kunnen komen. Ook weet ik zeer goed, hoe dergelijke dames in de riddergeschiedenissen doorgaans spreken en zich aanstellen, en dus twijfel ik niet, of de grap zal kostelijk gelukken.”De pastoor en de overige heeren waren met dit plan dadelijk bijzonder ingenomen, en de vreemde dame, die blijkbaar van hoogen stand was en Dorothea heette, haalde dus uit haar reiskoffer een prachtig fluweelen kleed voor den dag, tooide zich met schitterende juweelen en schikte zich zoo deftig op, dat elk haar wel voor eene echte ridderdame uit den goeden ouden tijd moest houden. Allen stonden over haar prachtig uitzien verbaasd, en vooral Sancho Panza, die intusschen teruggekeerd was, kon niet ophouden haar te bewonderen, en verklaarde haar voor de schoonste dame, die hij nog ooit in zijn leven gezien had. Hij vroeg heimelijk den pastoor, of die niet wist, wie zij was.“Zeker weet ik dat, vriend Sancho,” antwoordde de pastoor, om den schildknaap wat te foppen. “Deze schoone jonkvrouw is eene prinses en de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon. Zij is hierheen gekomen, om de hulp van uw meester in te roepen tegen een reus, die haar ten schandelijkste beleedigd heeft, en stelt het hoogste vertrouwen op zijn heldenmoed en zijne dapperheid.”Sancho Panza nam deze gekheid voor echte munt op en zeide vergenoegd: “Waarlijk, dan heeft zij zich tot den rechten man gewend, want mijn heer weet met reuzen om te springen, alsof het ratten en muizen waren. Och toe, heer, zorg, dat hij die schoone prinses tot gemalin en zoodoende haar gansche koninkrijk krijgt. Stellig maakt hij mij dan tot zijn stadhouder, en mijn fortuin is voor altijd gemaakt. Maar hoe heet de schoone prinses eigenlijk?”“Zij heet prinses Micomicona naar haar koninkrijk Micomicon,”antwoordde de pastoor; “en ik wil mijn uiterste best doen, om uw meester tot een huwelijk met haar te bewegen. Maar zeg, in welken toestand hebt gij den edelen ridder eigenlijk gevonden?”“Och lieve hemeltje,” zeide Sancho Panza, “ik vond hem half naakt, in ’t bloote hemd, vervallen, geel, van honger blaffend en voortdurend naar zijne Dulcinea zuchtend. Ik droeg zorg, dat hij mij niet te zien kreeg, en ben maar dadelijk tot u teruggekeerd.”Onderwijl werd Dorothea op des pastoors muilezel geholpen, bond de barbier zijn ossestaart weer voor en beval de pastoor Sancho, die beiden in Don Quichots nabijheid te brengen. Hij prentte hem goed in, op geenerlei wijze te verraden, dat hij den barbier kende, en wendde zich toen tot Dorothea, om de rol van het op te voeren kluchtspel nog eens met haar door te loopen. Hierop gingen de dame, de barbier en Sancho Panza op weg, terwijl de anderen, om het spel niet te bederven, vooreerst achterbleven.Zij konden misschien een kwartier afgelegd hebben, toen Dorothea een maar half gekleeden man in het oog kreeg en van Sancho hoorde, dat dit de dolle ridder in hoogsteigen persoon was. Terstond spoorde zij nu haar muildier aan en de ossebaardige barbier volgde haar op den voet. Zoodra zij dicht bij den ridder waren, sprong de voorgewende palfrenier van zijn ezel en hielp Dorothea van haar muildier. De dame viel dadelijk voor Don Quichot op de knieën neer; deze wilde haar oprichten, doch zij wilde niet opstaan, maar begon op hoogdravenden toon de volgende toespraak:“Dappere, edele en grootmoedige ridder! niet eer zal ik van mijne knieën opstaan, voordat gij mij uw ridderlijk woord hebt gegeven, de sterkte van uwen arm tot hulp eener ongelukkige aan te wenden, die op de faam uwer daden uit verre landen is toegesneld, om u te smeeken, aan haren nood en hare ellendigheid een einde te maken.”“En ik,” antwoordde Don Quichot op denzelfden toon, “zal u niet eer antwoord geven, alleraanminnigste en allerschoonste jonkvrouwe, voordat gij van dien vuilen grond zijt opgestaan.”“Neen, edele heer,” verklaarde de smeekelinge, “hier zal ik neerknielen in het stof, tot uwe goedertierenheid mij de genade heeft toegezegd, welke ik smeekend van u durfde vragen.”“Welaan dan,” sprak Don Quichot, “zoo zij uwe bede u toegestaan, mits zij namelijk niet strijdt tegen wat ik mijn vaderland, mijn koning en mijn hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso verschuldigd ben.”“Tegen niets van dat alles strijdt zij,” antwoordde de hulpzoekende jonkvrouw en richtte zich op.Inmiddels kwam Sancho Panza achter zijn meester staan en fluisterde hem in het oor: “Toe, toe maar, edele heer! Gij kunt aan de dame veilig alles beloven, want zij verlangt eenvoudig maar, dat gij een geweldigen en schrikbarenden reus voor haar kapot maakt. Zij is de verheven prinses Micomicona, de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon in ’t land van Aethiopië.”“Zwijg!” beval de ridder op barschen toon. “Zij moge wezen, wie zij wil, ik zal doen, wat mijn plicht als dolend ridder voorschrijft.”Hierop keerde hij zich weer tot de dame en sprak: “Spreek, doorluchtige jonkvrouwe! Wat is uwe begeerte?”“Ik bid en smeek, hooge ridder,” zeide de dame, “dat uw grootmoedig persoon met mij komen en beloven moge, geen ander avontuur te beginnen, voordat gij mij wraak en genoegdoening tegen den snooden verrader hebt verschaft, die in strijd met alle menschelijke en goddelijke wetten mijn koninkrijk overweldigd heeft.”“Het zij u toegestaan, edele dame,” antwoordde de ridder met veel grootmoedigheid.“Verban derhalve de droefgeestigheid van uw aanminnig aangezicht en verheug u, want met Gods hulp zal ik uwe goede zaak recht verschaffen en u weder op den troon uwer vaderen plaatsen. Laat ons moedig en wakker tegen de schurken en roovers te werk gaan, want uit talmen en dralen komt niets dan gevaar en tegenspoed voort.”De eerst beproefde, maar thans wonderbaarlijk vertrooste jonkvrouwe wilde met alle geweld den ridder de handen kussen, wat deze als hoffelijk en welgemanierd held evenwel volstrekt niet toestaan wou. Veeleer omhelsde hij haar met groote aandoening, waarna hij zijn schildknaap beval, Rocinante den gordelriem vaster aan te halen en hemzelf de wapenstukken aan te leggen. Dit geschiedde,en nu riep hij: “Welaan, in naam van Dulcinea, laat ons gaan, want de aanminnige dame moet geholpen worden.”De barbier had, terwijl dit alles voorviel, nog altijd op de knieën gelegen en zichzelf alle geweld aangedaan, om ’t niet hardop uit proesten en daardoor de heele grap op eens te bederven. Toen hij zag, dat de terugreis zou worden aangenomen, sprong hij op, hielp zijne gebiedster op het muildier en steeg vervolgens ook zelf op. Don Quichot stapte op Rocinante; doch Sancho, voor wien paard noch ezel meer overbleef, moest te voet het gezelschap volgen. Niettegenstaande dat bleef hij blij en welgemoed, want hij waande zijn meester thans op den besten weg, om door het huwelijk met de prinses keizer te worden; en dan kon ’t niet uitblijven, of ook hij zou geborgen zijn en tot een groot stadhouderschap geraken. De eenige zorg, die hem kwelde, bestond in de omstandigheid, dat zijne toekomstige onderdanen Negers zijn zouden. Evenwel wist hij zich ook daarover te troosten, daar hij het plan opvatte, hen tot een handelsartikel te maken en er zoovelen van te verkoopen, als hij maar goedschiks slijten kon.Intusschen kwam het gezelschap weder op de vlakte aan den voet van het gebergte, waar de pastoor en de begeleiders van jonkvrouwe Dorothea het opwachtten. Om zich zonder omstandigheden te kunnen aansluiten, kwam de pastoor met open armen op Don Quichot toe, viel hem te voet, omhelsde zijne knie en hield eene toespraak tot hem, die zoo rijkelijk met vuistdikke bloemen en pluimpjes voor den dolenden ridder doorspekt was, dat Don Quichot zelf hem en die bij hem waren uitnoodigde, met hem te gaan. Ja, hij wou zelfs afstijgen en den pastoor zijn eigen Rocinante ten gebruike overlaten.Dit aanbod werd nochtans door den pastoor niet aangenomen, en er volgde eene kleine vriendschappelijke schermutseling, totdat de dame tusschenbeide kwam en haar palfrenier, d. i. den barbier met den ossestaart, verzocht zijn plaats aan den geestelijken heer af te staan en achter dezen op het muildier te kruipen.De gehoorzame palfrenier was hier aanstonds toe bereid; hij steeg af en liet den pastoor zijne plaats in den zadel over. Toenhij nu echter achter hem opzitten wilde, begon het muildier te steigeren en achteruit te slaan, en toonde zich zoo koppig, dat meester Nicolaas op den grond tuimelde en onder den val zijn ossestaart verloor.Don Quichot was niet weinig verwonderd, toen hij op eens den roodbruinen baard van des barbiers gelaat verdwenen zag, doch stelde zich spoedig gerust, toen de pastoor hem toeschreeuwde, dat alleen dat verwenschte muildier den armen palfenier zoo deerlijk gehavend had. Hij zou echter wel zorgen, dat de baard ten spoedigste weer aangroeide.Alles, wat den schijn van het wonderbare had, was voor den goeden ridder het geloofwaardigste ter wereld. Hij gaf dus ook volstrekt geen bevreemding te kennen, toen hij zag, hoe de pastoor den baard opraapte, bij de borst van den barbier neerknielde, eenige wonderlijke grimassen maakte en een paar tooverwoorden mompelde, die den baard op eens zoo vast deden zitten, als die vroeger gezeten had. Men steeg opnieuw op en de door dit toeval vertraagde reis werd nu onverwijld voortgezet.Onderweg kraamde Don Quichot nochtans zoo veel onzin uit en overstelpte Sancho Panza, om zich zijn stadhouderschap te verzekeren, zijn meester met zoo veel dwaze en kant noch wal rakende loftuitingen en pluimstrijkerijen, dat de vreemde dame de klucht spoedig moe werd en van harte blij was, toen zij den volgenden dag de herberg bereikten, van waar de pastoor en de barbier waren opgebroken, om Don Quichot op te zoeken en door list naar huis terug te lokken.Wat nu echter in deze herberg gebeurde en welke heldendaad de Ridder van de Droevige Figuur aldaar verrichtte, daarvan zal in het volgende hoofdstuk uitvoerig verslag worden gegeven.

Onderwijl reed Sancho Panza door de bosch- en bergstreken en kwam al spoedig op den grooten heerweg uit. Dezen houdende kwam hij den volgenden dag aan de herberg, waar hij eerst voor eenigedagen door eenige reizigers zoo erg beet was genomen, en zoodra hij haar in het oog kreeg, had hij een gevoel, alsof hij weer hoog in de lucht werd opgegooid. Dus wilde hij hier liever maar niet pleisteren, alhoewel hij juist tegen den besten tijd van den dag, tegen etenstijd namelijk, in de nabijheid kwam. Zijne maag kwam echter tegen dezen zijnen wil in opstand, en daar de mensch bijna altijd aan de eischen van zijne maag moet gehoorzamen, zoo voldeed ook Sancho Panza aan hare dringende aanmaning en reed regelrecht op de herberg toe, om haar door eene warme soep en een duchtig stuk vleesch tevreden te stellen.

Juist toen hij in de deur trad, kwamen twee heeren naar buiten, die hem terstond herkenden. De een sprak tot den ander: “Kijk eens, heer pastoor, is dat niet Sancho Panza, die met den gekken ridder Don Quichot op avonturen is uitgegaan?”

“Ja, waarlijk, hij is het,” antwoordde de pastoor, “en hij zit op den knol van zijn meester.”

Die beide mannen waren, gelijk wij reeds geraden hebben, de pastoor en de barbier uit Don Quichots dorp, die voor eenigen tijd met de huishoudster van den dolenden ridder al diens mooie ridderboeken verbrand en den ingang tot de bibliotheek dichtgemetseld hadden. Zij naderden den schildknaap, en de pastoor, uiterst verlangend, om iets van Don Quichot te vernemen, riep hem bij zijn naam en vroeg hem: “Vriend Sancho Panza, waar is uw heer?”

De ondervraagde herkende de beide mannen op het eerste gezicht, doch nam zich voor, hun van het verblijf en de lotgevallen van zijn meester geen enkel woord te verklappen. Hij antwoordde dus kortaf, dat zijn heer ergens een gewichtige zaak had in orde te brengen, waarvan hem streng verboden was iets naders te zeggen.

“Nu, als de zaken zoo staan, vriend Sancho,” sprak de barbier, die terstond begreep, hoe het was, “als gij niet zeggen wilt, waar de ridder zich ophoudt, dan moeten wij aannemen, dat hij door u vermoord en geplunderd is geworden. Gij rijdt op zijn paard en gij moet dus ook uw meester terugbezorgen, of ’t zal leelijk met u afloopen.”

“Ho, ho, maar zoo driftig niet!” riep Sancho Panza op barschentoon, alhoewel de bedreiging van den barbier hem wel eenigszins ongerust maakte. “Ik ben geen man, om andere eerlijke menschen dood te slaan, en als gij mijn heer vinden wilt, zoek hem dan daarginder in het gebergte, waar hij zich met veel kunst en knapheid stapelgek houdt.”

Op verder navragen der beide heeren bracht hij hen nu bij de rij af al de avonturen en dolheden van zijn meester over en voegde er bij, dat hij was afgezonden, om aan de dochter van den boer Lorenzo Corchuelo een brief over te brengen. De beide heeren hoorden dit bericht met verwondering aan; want ofschoon zij Don Quichot een tamelijk hoogen graad van gekheid toeschreven, moesten zij erkennen, dat wat zij nu van zijne dollemansstreken vernamen, hunne stoutste verwachtingen nog verre overtrof. Eindelijk verzochten zij Sancho, hun den brief te toonen, dien de ridder aan zijne aangebedene Dulcinea van Toboso geschreven had.

Sancho Panza tastte dadelijk in den zak, om aan hun verlangen te voldoen, maar ontdekte tot zijn schrik, dat hij het boekje moest verloren hebben. Hij werd doodsbleek van schrik, woelde en grabbelde in al zijne zakken om en geraakte in zulk eene vertwijfeling, dat hij haar en baard uitrukte en zich met beide vuisten zoo in het gezicht sloeg, dat het bloed hem uit den neus sprong. De barbier en de pastoor verwonderden zich natuurlijk zeer over zijn gedrag en vroegen hem, waarom hij dan toch zoo tegen zijn eigen vleesch woedde.

“Daar is mij ’t grootste ongeluk van mijn geheele leven overkomen!” huilde Sancho. “Ik heb drie jonge ezels verloren, waarvan ieder althans een gravenslot waard was.”

“Ei! En hoe heeft dat zich toegedragen?” vroeg de barbier.

“Wel, doodeenvoudig,” antwoordde Sancho. “Ik ben het zakboekje kwijt, waarin de brief van mijn heer aan zijne Dulcinea en buitendien ook de door hem eigenhandig onderteekende aanwijzing staat, dat zijne nicht mij drie van de jonge ezels, die hij op stal heeft, moet uitleveren.”

De pastoor troostte hem over dat verlies en beloofde hem, zijnen heer te zullen bewegen eene tweede aanwijzing op de drie ezelsaf te geven. Deze toezegging stelde den schildknaap ten volle gerust, terwijl het verlies van den brief voor Dulcinea hem niet de koude kleeren scheen te raken.

“Ik ken hem bijna van buiten, daar ik hem onder weg verscheiden malen gelezen heb, en kan hem desnoods uit mijne memorie opschrijven,” zei hij op onverschilligen toon.

“Toe dan, zeg hem ons voor,” antwoordde de barbier. “Wij willen hem dan later op papier brengen.”

Bij deze uitnoodiging krabde Sancho zich verlegen achter de ooren en gaf zich alle mogelijke moeite, om de woorden van het schrijven in zijn geheugen terug te roepen. Hij trok daarbij nu het eene, dan het andere been in de hoogte, keek nu naar de lucht en dan naar den grond, scheen zich de nagels van de vingers te willen zuigen en riep eindelijk in zijne verlegenheid:

“Hoort, mijne heeren, de drommel mag me halen, als ik nog veel van den brief weet! Mij heugt alleen nog maar het begin en dat was: Allerverhevenste en alleromgeperste gebiederesse!”

“Alleronbeperktste zal er gestaan hebben,” zei de barbier lachend.

“Ja, ja, zoo was het vast,” zeide Sancho; “en dan kwam verder: “De verwonde, blauwgebeukte en slapelooze kust u de hand, onbekende en ondankbare jonkvrouwe!” en zoo al voort tot aan het slot, dat was: “De uwe tot den dood, Don Quichot van La Mancha, Ridder van de Droevige Figuur.”

De beide mannen lachten, dat de tranen hun over de wangen rolden, en lieten zich den brief nog eenige malen herhalen. Sancho Panza vond daar zelf pleizier in en vertelde buitendien nog eene menigte andere geschiedenissen, zonder echter van het onbetaald gebleven gelag in de herberg ook maar met een woord te reppen.

“Als mijn meester,” zoo vervolgde hij, “zijne penitentie in het rotsdal volbracht heeft, zullen wij terstond op weg gaan, om ons een keizerschap of toch voor ’t minst een koningschap te veroveren. Zoo hebben wij het tusschen ons beiden afgesproken, en ’t kan niet anders, of het zal mijn heer met zijne ontzettende koenheid heel licht gelukken, dit doel te bereiken. Als wij eenmaal zoover zijn, dan wil mijn heer mij eene edele jonkvrouw tot gemalin geven enmij tot gouverneur van een eiland benoemen, dat minstens zoo groot als heel Spanje is.”

Sancho kwam met deze ongerijmdheden met zooveel bedaardheid en innerlijke overtuiging voor den dag, dat zijne beide toehoorders vol verwondering de hoofden schudden.

“Hoever,” fluisterde de pastoor den barbier toe, “hoever moet het met Don Quichots waanzin gekomen zijn, dat hij ook het verstand van dezen armen sukkel zoo deerlijk op hol kon brengen!”

Nochtans besloten zij, zich geen moeite te geven, om Sancho Panza uit zijn droom te helpen. Zijne ziel werd er niet door in gevaar gebracht, en zij zelven beloofden zich van zijne verdwaasdheid nog vrij wat pret. Zij zeiden hem derhalve slechts, dat hij maar op de gezondheid zijns meesters moest hopen, opdat die al zijne stoute plannen en ontwerpen zou kunnen volvoeren en hijzelf mettertijd keizer of aartsbisschop of wat anders heel hoogs en voornaams zou worden.

“Wat!” vroeg Sancho, “kan een dolend ridder ook aartsbisschop worden? Wat heb ik, als zijn trouwe schildknaap, dan niet eene belooning te wachten!”

“Wel zeker, gewoonlijk krijgen de schildknapen de eene of andere vette prebende of toch ten minste eene goede kostersplaats,” antwoordde de pastoor.

“Welaan,” verklaarde Sancho, zich vergenoegd de handen wrijvende, “dan wil ik mijn meester daarheen leiden, waar ’t voor hemzelf het best is en hij mij de vetste happen kan toeduwen.”

“Gij zijt een vroom man en een goed Christen, Sancho,” sprak de pastoor. “Doch ’t wordt nu tijd, een middel uit te denken, om uw heer van zijne onnutte boete af te brengen, en me dunkt, we stappen daartoe hier de herberg binnen, om dat eens op ons gemak te bepraten. Kom, vriend Sancho, wees onze gast bij den maaltijd.”

Sancho’s schrik voor de herberg was intusschen weer levendig geworden en hij zei dus, dat zij maar moesten binnengaan; hij zelf zou zoolang buiten wachten en hun later de reden zeggen, waarom hij van hunne uitnoodiging geen gebruik kon maken. Evenwel zouden zij hem groot pleizier doen, indien zij hem eene portiewarm eten en Rocinante een maaltje gerst buiten wilden zenden.

De beide mannen drongen na deze verklaring niet verder bij Sancho aan, maar traden in de herberg. De barbier verzuimde echter niet, den hongerige en zijn rijbeest al spoedig ruim van het noodige te voorzien.

Terwijl Sancho Panza in eenzaamheid zijn maal verteerde, overlegden de pastoor en de barbier, op welke wijze zij het best hun doel bereiken en Don Quichot van zijn dol opzet afbrengen konden. Na lang heen en weer praten, kwam de pastoor op een denkbeeld, dat zoowel met des ridders dweperij, als ook met hunne bedoelingen in volmaakte overeenstemming was. Hij had namelijk den inval, zichzelf als eene dolende jonkvrouw te vermommen, terwijl de barbier zich als stalmeester van de edele dame in het pak zou steken. Zoo verkleed wilden zij Don Quichot gaan opzoeken; de pastoor zou zich voor eene vervolgde, hulpbehoevende edelvrouwe uitgeven en hem bezweren, haar te volgen en den smaad en hoon te wreken, haar door een boozen, ondeugenden ridder aangedaan. Om het geheim niet voor den tijd te verraden, wilde de pastoor eene gelofte voorwenden, die haar verbood, zich te ontsluieren, voordat Don Quichot haar tegen den valschen ridder recht had verschaft, en hij vertrouwde ten volle, dat het op die wijze gelukken zou, den krankzinnigen ridder naar zijne oude woonstee terug te brengen en hem daar geheel van zijne kwaal te genezen.

Den barbier kwam dit plan zoo goed voor, dat hij terstond op de uitvoering er van aandrong. Zij verzochten dus van de waardin een vrouwenkleed en een hoofdkap met toereikend dichten sluier ter leen en werden aan een en ander volgens hun wensch geholpen. De barbier echter maakte zich een ontzettenden baard van een roodbruinen ossestaart, waarin hij gewoonlijk zijn kam placht te steken. Op haar vragen vernam de herbergiersvrouw, waartoe deze verkleeding eigenlijk moest dienen, en nu begreep zij oogenblikkelijk, dat die gekke ridder haar gewezen gast en de heer van dien geplaagden schildknaap moest zijn. Zij vertelde den pastoor, wat toenmaals was voorgevallen, en verzweeg ook niet het geringste van wat Sancho Panza zoo zorgvuldig verborgen had gehouden.

Hierop verkleedde zij den pastoor met zooveel zorg, dat hij zichzelf bijna niet herkend zou hebben. Zij trok hem een lakenschen rok aan, die met breede zwartfluweelen strooken bezet was, gaf hem een groenfluweelen rijglijf en wou hem ook nog het haar kappen, zooals de vrouwen gewoon zijn, dat te doen. Dit laatste liet de brave man evenwel niet toe, maar hij bedekte zijn hoofd met eene witte linnen slaapmuts en bond daar een sluier aan, die zijn baard en zijn geheele gezicht ten volle bedekte. Daarop drukte hij zich zijn grooten breedgeranden hoed diep in de oogen, wierp een langen mantel om en ging, op vrouwenmanier, dwars op zijn muildier zitten. Ook de barbier met zijn roodbruinen langen baard besteeg zijn ezel, en zoo zeiden zij de wakkere waardin vaarwel en gingen bij Sancho, die over de wonderlijke toetakeling der beide eerzame mannen lachen moest, dat zijn buik er van schudde.

Terwijl zij nu den weg naar het gebergte insloegen, begreep de pastoor, dat het in den grond nergens toe diende, dat zij nu reeds hunne verkleeding droegen, en besloot dus die vooreerst af te leggen en eerst weder aan te nemen, als zij in de nabijheid van de schouwplaats hunner daden en van Don Quichots dwaasheid zouden zijn aangekomen. Dit geschiedde, en in zeer vroolijke stemming vervolgden zij hierop hunnen tocht.

Den volgenden dag kwamen zij aan de plaats, waar Sancho Panza de boomtakken in den grond had gestoken, om hem tot wegwijzers te dienen. Hier vonden zij een lustig gezelschap van personen, die, naar het scheen, eene reis door het gebergte hadden gedaan. Het bestond uit drie heeren en eene dame van buitengewoone schoonheid.

Sancho Panza haastte zich vooruit, om voorloopig naar zijn heer om te zien; doch de pastoor liet zich in een gesprek met de reizigers in en vertelde op hunne vraag, hoe hij hierheen kwam, alles wat hij van Don Quichot wist, van zijne wonderbaarlijke dwaasheid en van zijn waanzinnig besluit, om in een rotsdal van het gebergte den razenden Roland of den smachtenden Amadis van Gallië te spelen.

De jonge dame had dit verhaal onder veel lachen aangehoord,en daar zij van een zeer vroolijken en spotzieken aard was, wist zij hare begeleiders over te halen, den braven pastoor in zijn goed werk te ondersteunen en den dollen ridder van La Mancha eens eene heilzame poets te helpen spelen.

“Ik wil de vervolgde jonkvrouw voorstellen,” zeide zij, “en kan die rol recht natuurlijk spelen, daar ik toevallig eenige kleeren bij mij heb, die daarbij uitmuntend te pas kunnen komen. Ook weet ik zeer goed, hoe dergelijke dames in de riddergeschiedenissen doorgaans spreken en zich aanstellen, en dus twijfel ik niet, of de grap zal kostelijk gelukken.”

De pastoor en de overige heeren waren met dit plan dadelijk bijzonder ingenomen, en de vreemde dame, die blijkbaar van hoogen stand was en Dorothea heette, haalde dus uit haar reiskoffer een prachtig fluweelen kleed voor den dag, tooide zich met schitterende juweelen en schikte zich zoo deftig op, dat elk haar wel voor eene echte ridderdame uit den goeden ouden tijd moest houden. Allen stonden over haar prachtig uitzien verbaasd, en vooral Sancho Panza, die intusschen teruggekeerd was, kon niet ophouden haar te bewonderen, en verklaarde haar voor de schoonste dame, die hij nog ooit in zijn leven gezien had. Hij vroeg heimelijk den pastoor, of die niet wist, wie zij was.

“Zeker weet ik dat, vriend Sancho,” antwoordde de pastoor, om den schildknaap wat te foppen. “Deze schoone jonkvrouw is eene prinses en de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon. Zij is hierheen gekomen, om de hulp van uw meester in te roepen tegen een reus, die haar ten schandelijkste beleedigd heeft, en stelt het hoogste vertrouwen op zijn heldenmoed en zijne dapperheid.”

Sancho Panza nam deze gekheid voor echte munt op en zeide vergenoegd: “Waarlijk, dan heeft zij zich tot den rechten man gewend, want mijn heer weet met reuzen om te springen, alsof het ratten en muizen waren. Och toe, heer, zorg, dat hij die schoone prinses tot gemalin en zoodoende haar gansche koninkrijk krijgt. Stellig maakt hij mij dan tot zijn stadhouder, en mijn fortuin is voor altijd gemaakt. Maar hoe heet de schoone prinses eigenlijk?”

“Zij heet prinses Micomicona naar haar koninkrijk Micomicon,”antwoordde de pastoor; “en ik wil mijn uiterste best doen, om uw meester tot een huwelijk met haar te bewegen. Maar zeg, in welken toestand hebt gij den edelen ridder eigenlijk gevonden?”

“Och lieve hemeltje,” zeide Sancho Panza, “ik vond hem half naakt, in ’t bloote hemd, vervallen, geel, van honger blaffend en voortdurend naar zijne Dulcinea zuchtend. Ik droeg zorg, dat hij mij niet te zien kreeg, en ben maar dadelijk tot u teruggekeerd.”

Onderwijl werd Dorothea op des pastoors muilezel geholpen, bond de barbier zijn ossestaart weer voor en beval de pastoor Sancho, die beiden in Don Quichots nabijheid te brengen. Hij prentte hem goed in, op geenerlei wijze te verraden, dat hij den barbier kende, en wendde zich toen tot Dorothea, om de rol van het op te voeren kluchtspel nog eens met haar door te loopen. Hierop gingen de dame, de barbier en Sancho Panza op weg, terwijl de anderen, om het spel niet te bederven, vooreerst achterbleven.

Zij konden misschien een kwartier afgelegd hebben, toen Dorothea een maar half gekleeden man in het oog kreeg en van Sancho hoorde, dat dit de dolle ridder in hoogsteigen persoon was. Terstond spoorde zij nu haar muildier aan en de ossebaardige barbier volgde haar op den voet. Zoodra zij dicht bij den ridder waren, sprong de voorgewende palfrenier van zijn ezel en hielp Dorothea van haar muildier. De dame viel dadelijk voor Don Quichot op de knieën neer; deze wilde haar oprichten, doch zij wilde niet opstaan, maar begon op hoogdravenden toon de volgende toespraak:

“Dappere, edele en grootmoedige ridder! niet eer zal ik van mijne knieën opstaan, voordat gij mij uw ridderlijk woord hebt gegeven, de sterkte van uwen arm tot hulp eener ongelukkige aan te wenden, die op de faam uwer daden uit verre landen is toegesneld, om u te smeeken, aan haren nood en hare ellendigheid een einde te maken.”

“En ik,” antwoordde Don Quichot op denzelfden toon, “zal u niet eer antwoord geven, alleraanminnigste en allerschoonste jonkvrouwe, voordat gij van dien vuilen grond zijt opgestaan.”

“Neen, edele heer,” verklaarde de smeekelinge, “hier zal ik neerknielen in het stof, tot uwe goedertierenheid mij de genade heeft toegezegd, welke ik smeekend van u durfde vragen.”

“Welaan dan,” sprak Don Quichot, “zoo zij uwe bede u toegestaan, mits zij namelijk niet strijdt tegen wat ik mijn vaderland, mijn koning en mijn hooge gebiederesse Dulcinea van Toboso verschuldigd ben.”

“Tegen niets van dat alles strijdt zij,” antwoordde de hulpzoekende jonkvrouw en richtte zich op.

Inmiddels kwam Sancho Panza achter zijn meester staan en fluisterde hem in het oor: “Toe, toe maar, edele heer! Gij kunt aan de dame veilig alles beloven, want zij verlangt eenvoudig maar, dat gij een geweldigen en schrikbarenden reus voor haar kapot maakt. Zij is de verheven prinses Micomicona, de erfgename van het groote koninkrijk Micomicon in ’t land van Aethiopië.”

“Zwijg!” beval de ridder op barschen toon. “Zij moge wezen, wie zij wil, ik zal doen, wat mijn plicht als dolend ridder voorschrijft.”

Hierop keerde hij zich weer tot de dame en sprak: “Spreek, doorluchtige jonkvrouwe! Wat is uwe begeerte?”

“Ik bid en smeek, hooge ridder,” zeide de dame, “dat uw grootmoedig persoon met mij komen en beloven moge, geen ander avontuur te beginnen, voordat gij mij wraak en genoegdoening tegen den snooden verrader hebt verschaft, die in strijd met alle menschelijke en goddelijke wetten mijn koninkrijk overweldigd heeft.”

“Het zij u toegestaan, edele dame,” antwoordde de ridder met veel grootmoedigheid.“Verban derhalve de droefgeestigheid van uw aanminnig aangezicht en verheug u, want met Gods hulp zal ik uwe goede zaak recht verschaffen en u weder op den troon uwer vaderen plaatsen. Laat ons moedig en wakker tegen de schurken en roovers te werk gaan, want uit talmen en dralen komt niets dan gevaar en tegenspoed voort.”

De eerst beproefde, maar thans wonderbaarlijk vertrooste jonkvrouwe wilde met alle geweld den ridder de handen kussen, wat deze als hoffelijk en welgemanierd held evenwel volstrekt niet toestaan wou. Veeleer omhelsde hij haar met groote aandoening, waarna hij zijn schildknaap beval, Rocinante den gordelriem vaster aan te halen en hemzelf de wapenstukken aan te leggen. Dit geschiedde,en nu riep hij: “Welaan, in naam van Dulcinea, laat ons gaan, want de aanminnige dame moet geholpen worden.”

De barbier had, terwijl dit alles voorviel, nog altijd op de knieën gelegen en zichzelf alle geweld aangedaan, om ’t niet hardop uit proesten en daardoor de heele grap op eens te bederven. Toen hij zag, dat de terugreis zou worden aangenomen, sprong hij op, hielp zijne gebiedster op het muildier en steeg vervolgens ook zelf op. Don Quichot stapte op Rocinante; doch Sancho, voor wien paard noch ezel meer overbleef, moest te voet het gezelschap volgen. Niettegenstaande dat bleef hij blij en welgemoed, want hij waande zijn meester thans op den besten weg, om door het huwelijk met de prinses keizer te worden; en dan kon ’t niet uitblijven, of ook hij zou geborgen zijn en tot een groot stadhouderschap geraken. De eenige zorg, die hem kwelde, bestond in de omstandigheid, dat zijne toekomstige onderdanen Negers zijn zouden. Evenwel wist hij zich ook daarover te troosten, daar hij het plan opvatte, hen tot een handelsartikel te maken en er zoovelen van te verkoopen, als hij maar goedschiks slijten kon.

Intusschen kwam het gezelschap weder op de vlakte aan den voet van het gebergte, waar de pastoor en de begeleiders van jonkvrouwe Dorothea het opwachtten. Om zich zonder omstandigheden te kunnen aansluiten, kwam de pastoor met open armen op Don Quichot toe, viel hem te voet, omhelsde zijne knie en hield eene toespraak tot hem, die zoo rijkelijk met vuistdikke bloemen en pluimpjes voor den dolenden ridder doorspekt was, dat Don Quichot zelf hem en die bij hem waren uitnoodigde, met hem te gaan. Ja, hij wou zelfs afstijgen en den pastoor zijn eigen Rocinante ten gebruike overlaten.

Dit aanbod werd nochtans door den pastoor niet aangenomen, en er volgde eene kleine vriendschappelijke schermutseling, totdat de dame tusschenbeide kwam en haar palfrenier, d. i. den barbier met den ossestaart, verzocht zijn plaats aan den geestelijken heer af te staan en achter dezen op het muildier te kruipen.

De gehoorzame palfrenier was hier aanstonds toe bereid; hij steeg af en liet den pastoor zijne plaats in den zadel over. Toenhij nu echter achter hem opzitten wilde, begon het muildier te steigeren en achteruit te slaan, en toonde zich zoo koppig, dat meester Nicolaas op den grond tuimelde en onder den val zijn ossestaart verloor.

Don Quichot was niet weinig verwonderd, toen hij op eens den roodbruinen baard van des barbiers gelaat verdwenen zag, doch stelde zich spoedig gerust, toen de pastoor hem toeschreeuwde, dat alleen dat verwenschte muildier den armen palfenier zoo deerlijk gehavend had. Hij zou echter wel zorgen, dat de baard ten spoedigste weer aangroeide.

Alles, wat den schijn van het wonderbare had, was voor den goeden ridder het geloofwaardigste ter wereld. Hij gaf dus ook volstrekt geen bevreemding te kennen, toen hij zag, hoe de pastoor den baard opraapte, bij de borst van den barbier neerknielde, eenige wonderlijke grimassen maakte en een paar tooverwoorden mompelde, die den baard op eens zoo vast deden zitten, als die vroeger gezeten had. Men steeg opnieuw op en de door dit toeval vertraagde reis werd nu onverwijld voortgezet.

Onderweg kraamde Don Quichot nochtans zoo veel onzin uit en overstelpte Sancho Panza, om zich zijn stadhouderschap te verzekeren, zijn meester met zoo veel dwaze en kant noch wal rakende loftuitingen en pluimstrijkerijen, dat de vreemde dame de klucht spoedig moe werd en van harte blij was, toen zij den volgenden dag de herberg bereikten, van waar de pastoor en de barbier waren opgebroken, om Don Quichot op te zoeken en door list naar huis terug te lokken.

Wat nu echter in deze herberg gebeurde en welke heldendaad de Ridder van de Droevige Figuur aldaar verrichtte, daarvan zal in het volgende hoofdstuk uitvoerig verslag worden gegeven.


Back to IndexNext