Hoofdstuk XIII.Don Quichot velt eenige reuzen en wordt naar huis gebracht.In de herberg aangekomen, werd Don Quichot door den waard zeer beleefd verwelkomd en de ridder nam dit teeken van eerbied met zichtbaar welgevallen aan. Op zijne vraag, of hij een goed nachtverblijf kon bekomen, antwoordde de waard toestemmend en verklaarde, dat, mits hij goed betalen wilde, hij een zoo groot en kostelijk bed zou krijgen, dat een keizer of koning er in hun paleis geen beter hadden. Don Quichot beloofde te zullen betalen, en werd hierop door den waard in hetzelfde vertrek gebracht, waar hij voor eenigen tijd dat merkwaardig avontuur met den muildierdrijver, den gerechtsdienaar en Maritornes, de meid, bestaan had. Ten einde zijn doel te bereiken, dat hij geen oogenblik uit het oog verloor, volgde Sancho Panza hem daarheen; doch de overigen bleven in de algemeene gelagkamer, waar ’s ridders ongehoorde dwaasheid hun stof tot lachen in overvloed gaf.Zoodra de Ridder van de Droevige Figuur zich met zijn schildknaap alleen bevond, nam hij dezen een examen af, dat Sancho Panza hoegenaamd niet beviel. Don Quichot vroeg namelijk naar zijne aangebedene Dulcinea van Toboso, en Sancho had het gesprek veel liever op de prinses van Micomicon gebracht, om in zijn heer den wensch op te wekken, om die schoone dame te huwen, en zichzelf op die wijze het vurig begeerde stadhouderschap te verzekeren. Desniettemin moest hij op Don Quichots vragen antwoorden geven; doch hij richtte die in, zooals zij best in zijn kraam te pas kwamen.“Nu, Sancho Panza,” begon Don Quichot, nadat hij zich languitop zijne legerstede had uitgestrekt, “waar en hoe hebt gij de aanbiddelijke Dulcinea aangetroffen? Wat deed zij, wat zeide zij? Hoe dacht zij over mijn brief? Spreek, maar hoed u, met leugens voor den dag te komen, want die zouden u hals en hoofd kosten.”“Ja, heer, om de waarheid te zeggen, heb ik den brief niet kunnen doen overschrijven en overbrengen,” antwoordde Sancho Panza met de handen in het haar. “Ik heb uw zakboek verloren, edele ridder.”“Sancho Panza, hieraan zie ik, dat gij mij geen leugens op de mouw wilt spelden,” sprak Don Quichot uitermate tevreden. “Gij moet weten, dat ik zelf het zakboek vond, toen gij mij nog pas een uur hadt verlaten. Uwe waarheidsliefde draagt mijne volle goedkeuring weg en ik verzoek u, het verhaal van uwe verdere lotgevallen te beginnen. Spreek op en zeg, waarmede mijne gebiedster zich bij uwe aankomst bezighield? Reeg zij niet parels aan gouden draden of zat zij eenig zinnebeeld voor haren in staat van razernij verkeerenden ridder te stikken?”“Neen, dat deed zij niet,” bromde Sancho Panza verdrietig. “Zij was bezig voor haar vader twee schepels tarwe te ziften.”“Wat?” vroeg Don Quichot. “Tarwe? Dan zaagt gij zeker ook, dat de korrels onder hare fijne handen in diamanten en edelgesteenten veranderden?”“Daar heb ik niemendal van gemerkt. Ze bleven heel gewone, grove, gele tarwe.”“Nu, dan wordt zekerlijk het fijnste brood daaruit gebakken,” verklaarde de ridder. “Maar ga voort! Hoe nam zij de boodschap van mij op? Geraakte zij niet buiten haarzelve van verrukking, toen zij u mijnen naam hoorde noemen?”“Neen, volstrekt niet,” antwoordde Sancho. “Zij stond midden in het dichtste stof en stak wat den gek met mijne tijding van u. Ik zei, dat gij half naakt in den wildernis rondliept, op den blooten grond sliept, geen kam, water of handdoek gebruiktet en uw tijd doorbracht met uw lot te beweenen en te verwenschen. Toen antwoordde zij mij, dat gij een gek en een vuile, morsige kerel waart, en wou niets meer van u hooren. Dus, lieve heer, laat die dommeboerendeerne loopen en houd u aan de schoone prinses Micomicona. Deze moet gij trouwen, want gij trouwt met haar een heel groot koninkrijk en kunt dan uwen trouwen schildknaap beloonen, die u altijd braaf en eerlijk gediend heeft.”“Zwijg!” beval Don Quichot met somberen ernst. “Ik mag uw wensch niet vervullen en nimmer aan trouwen denken, zoolang Dulcinea van Toboso nog mijne hooge en verhevene gebiedster is.”Deze woorden van den ridder deden zijn schildknaap in hevigen toorn ontvlammen. “Bij hoog en bij laag zweer ik, dat gij de grootste gek zijt, die op twee beenen loopt, als gij de prinses Micomicona niet trouwt!” schreeuwde hij. “Denkt gij, dat u elken dag eene zoo goede gelegenheid wordt aangeboden, als u hier onder den neus wordt geduwd? Meent gij, dat uwe smerige Dulcinea maar half zoo mooi is als de prinses? Niet het honderdste part zoo mooi is ze en ze is niet waard dewezenlijkeen waarachtige prinses de voeten te kussen. Trouw haar in ’s hemels naam, zeg ik, en neem het koninkrijk, dat u maar zoo vanzelf in den mond komt vliegen! Als gij eerst koning zijt en mij tot stadhouder hebt gemaakt, doe dan, wat ge niet laten kunt, en mijnenthalve mag je de drommel halen, als ik eerst geborgen ben en mijne schaapjes geschoren heb.”Toen Don Quichot zijn schildknaap zulk eene taal hoorde voeren, geraakte hij van verbaasdheid zoo geheel buiten zichzelf, dat hij geen woord over de lippen kon brengen. Hij richtte zich langzaam in zijn bed op, greep naar zijne lans en liet die met zooveel geweld op Sancho’s breede schouderbladen neervallen, dat deze tuimelde, waar hij stond.“Neem dat, gemeene boerenziel!” riep hij alstoen, “en hoed u in het vervolg, één smalend woord tegen mijne meesteresse Dulcinea uit te brengen. Gij moet niet denken, dat gij haar ooit ongestraft beschimpen moogt, hondsvot, deugniet, schavuit, domme rekel, die ge zijt! Zwijg, zeg ik je, of reken er op, dat ik je je beetje hersens uit den dikken schedel zal stampen.”Na aan zijne gramschap in deze niet zeer kiesche en malsche bewoordingen lucht te hebben gegeven, liet de Ridder van de Droevige Figuur zijn hoofd op het kussen neervallen, strekte de lange beenenuit en sliep in. Sancho echter, wien de rug nog gloeide, stond op, dook in een hoek neer en hield zich doodstil.Intusschen hadden de pastoor, de barbier en het overige gezelschap er in de herberg hun gemak van genomen en bij den waard een duchtig maal besteld. Terwijl zij daarop wachtten, brachten zij het gesprek opnieuw op Don Quichot en overlegden, wat zij verder aanvangen moesten, om hem veilig naar huis terug te brengen. De dame had hare bekomst van de grap en wilde met hare begeleiders de reis voortzetten, zonder zich verder om den dollen ridder te bekommeren. De pastoor stelde dus voor, dezen wijs te maken, dat de prinses met haar geleide was vooruitgereisd en den ridder in zijn eigen huis opwachten wilde.“Als wij hem eens daar hebben,” voegde hij er bij, “zullen wij wel zorgen, dat hij ons zoo spoedig niet weer ontsnapt.”Nog praatten zij hierover, toen plotseling Sancho Panza geducht ontsteld uit de kamer van zijn heer kwam aanloopen en met luider stemme riep: “Komt, heeren, komt toch den ridder Don Quichot te hulp, want daar zoo pas is hij in het vreeselijkste gevecht gewikkeld, dat nog ooit op de aarde geleverd is. Haast u, haast u! want, zoo waar als ik hier sta, heeft hij den reus, den snooden vijand van de prinses Micomicona, een slag toegebracht, die hem den kop dadelijk glad van den romp heeft weggesabeld.”“Wat domme dingen praat gij daar weer, Sancho?” vroeg de pastoor. “Zijt ge dan nog gekker dan uw gekke heer geworden? Hoe kan Don Quichot dien reus geveld hebben, daar hij voor ’t minst twee duizend mijlen ver van hier woont!”Sancho antwoordde niet, maar wel vernamen thans allen uit des ridders kamer een geweldig gerucht en hoorden diens luid schreeuwen en roepen.“Halt, roover,” brulde hij, “halt, schandelijke booswicht! Ik heb u nu in mijne macht en die groote sabel zal door de kracht mijner vuist in splinters worden geslagen.”En terwijl hij zoo tierde, deelde hij rechts en links geweldige houwen uit en stampte en beukte tegen den wand, dat het halve huis er van trilde.“Waarom staat gij en wacht, in plaats van toe te snellen en mijn meester bijstand te verleenen?” riep Sancho Panza. “Gaat in de kamer, scheidt de strijdenden of redt en helpt althans den dappersten van alle dolende ridders! Maar toch zal dat, hoop ik, niet eens noodig zijn, want zeker ligt de reus al verslagen aan zijne voeten en braakt zijne zwarte ziel uit, om daarboven rekenschap te geven van het snoode leven, dat hij hier geleid heeft. Immers heb ik zelf zijn bloed over den vloer zien stroomen en het afgehouwen hoofd, dat wel de dikte van een wijnzak had, in een hoek zien liggen.”“De drommel hale me, als ik het niet al begrijp!” riep nu op eens de waard. “Dan heeft me die malle ridder zeker een van de zakken vol rooden wijn, die vlak boven zijn hoofd hangen, een stoot toegebracht, en de uitgeloopen wijn is het bloed, dat hier dit domme uilskuiken gezien heeft.”Met deze woorden draafde hij naar de kamer van den ridder en alle overigen volgden hem.Zij troffen Don Quichot in den potsierlijksten toestand van de wereld aan. Hij stond daar in zijn hemd, dat hem pas tot aan de knieën reikte, en had eene niet al te zindelijke nachtmuts op het hoofd; hij had zich zijn beddelaken om den linkerarm gewikkeld, om zich daarvan als schild te bedienen, en in de rechterhand hield hij zijn verroesten degen, waarmee hij als een dolleman naar rechts en links steken en houwen uitdeelde. Daarbij schreeuwde hij als bezeten en stelde zich aan, alsof hij werkelijk met een reus aan het vechten was. Het wonderlijkste van het geval was echter, dat zijne oogen vast gesloten schenen, en dat hij werkelijk nog in slapenden toestand verkeerde. Vermoedelijk had een bedrieglijke droom hem voorgespiegeld, dat hij zich reeds in het koninkrijk Micomicon bevond en met den reus, die het land tegen alle recht overmeesterd had, den strijd op leven en dood had begonnen. In deze inbeelding had hij aan de zakken, die met rooden wijn gevuld waren, zooveel moorddadige steken toegebracht, dat de kamer onderliep van den wijn, die nog altijd uit de door zijn degen geboorde gaten stroomde.Bij dit gezicht werd de herbergier zoo woedend, dat hij, zonder een woord te spreken, op Don Quichot aanviel en met beide vuisten grimmig op zijn rug begon te trommelen. Hij zou hem hebben doodgeslagen, was niet de pastoor tusschenbeide gekomen en had beloofd, den verloren geganen wijn tot den laatsten duit toe te betalen.Niettegenstaande de duchtige stompen, die de waard hem met zijne stevige vuisten had toegediend, werd de slaapwandelaar niet wakker, maar raasde voort, totdat de barbier een grooten emmer vol ijskoud water uit den put haalde en hem dat over het gansche lichaam uitgoot. Toen eerst deed hij de oogen open, maar was nog te verward en te verbijsterd, om te begrijpen, wat er gebeurd was en wat deerlijke verwoesting hij had aangericht.Onderwijl zocht Sancho naar het hoofd van den gevelden reus, doch kon dat nergens vinden en riep op krijterigen toon: “Ik wist al lang, dat in dit huis alles behekst en betooverd is, want hier op deze zelfde plaats kreeg ik oorvijgen en stompen, zonder dat ik wist waar ze vandaan kwamen, en nu zoek ik vruchteloos naar den kop, dien ik met eigen oogen den reus van den romp zag vallen. Het bloed stroomde na en spoot uit het lichaam op, als het water uit eene fontein.”“Gij stomme rekel!” bulderde de waard, “wat leutert ge daar van bloed en fonteinen! Ziet ge dan niet, ezel, dat al dat bloed niets anders is dan de roode wijn uit de zakken, die je dolle heer me voor altijd totaal bedorven heeft?”“Wat zou ik weten?” snauwde Sancho daartegen in. “Ik weet alleen, dat ik een ongelukkige sukkel ben, als ik den kop van den reus niet vind; want mijn graafschap en stadhouderschap zijn dan voor altijd naar de maan!”De waard hoorde verbaasd op bij deze woorden van Sancho, wien de beloften van zijn heer insgelijks het hoofd geheel op hol gebracht hadden. Evenwel zwoer hij bij kris en bij kras, dat noch de ridder noch zijn knecht ditmaal wegkomen zouden gelijk de vorige maal, d.i. zonder gelag en schade ten volle te betalen.Don Quichot was inmiddels weer wat tot zichzelf gekomen en meende, zijn avontuur triomfantelijk ten einde te hebben gebracht.Hij viel voor de vermeende prinses Micomicona op de knieën en sprak haar aan, als volgt:“Koninklijke hoogheid, doorluchtigste, edelmoedigste en schoonste prinses! Van dezen gezegenden dag af kunt gij in rust en veiligheid leven, want de verfoeielijke toovenaar, de reus, ligt hier verslagen door mijne dappere hand. Ik echter heb mij ten volle van mijn ridderplicht gekweten, daar ik met behulp van mijne meesteresse Dulcinea van Toboso mijne beloften gehouden heb.”“Hoort gij ’t nu wel?” riep Sancho vroolijk. “Heb ik ’t niet gezegd? Ik sprak toch niet in dronkenschap. Nu ziet gij, mijn heer heeft den reus doodgemaakt en mijn stadhouderschap kan mij nu niet meer ontgaan.”Allen lachten hartelijk bij deze nieuwe dwaasheden van den ridder en zijn knaap. Alleen de herbergier vloekte en schimpte nog altijd voort en wenschte de twee gekken naar het land, waar de peper groeit.Om echter aan deze klucht een goed einde te maken, brachten de pastoor en de barbier den ridder weer te bed, dekten hem warmpjes toe en merkten tot hunne blijdschap, dat hij van uitputting dadelijk insliep. Zij lieten hem rusten, traden voor de deur van de herberg, namen Sancho Panza mee en troostten hem, dat hij het hoofd van den reus niet had kunnen vinden. De schildknaap was spoedig tevredengesteld; doch meer moeite had men met den verbolgen waard, die nog altijd over het verlies van zijn wijn en zijne kostelijke nieuwe zakken lamenteerde. Hij zette eerst weer een lachend gezicht, toen de begeleiders van jonkvrouwe Dorothea hem tot schadeloos stelling eenige goudstukken, die zijne schade dubbel en dwars goedmaakten, in de hand drukten.Nu werd het eten opgedragen en allen schikten vroolijk aan den maaltijd. Toen die was afgeloopen, nam jonkvrouwe Dorothea met hare begeleiders van den pastoor en den barbier vriendelijk afscheid, droeg den verbaasden Sancho op, zijn meester wel duizendmaal van haar te groeten, en zette toen hare door het avontuur met den dolenden ridder afgebroken reis met haar gezelschap voort. Eerst toen zij in de verte verdwenen was, verklapte men aanSancho, hoe ’t met de zaak was gelegen geweest; en deze maakte zich niet weinig boos over de comedie, welke men met hem en zijn dapperen meester gespeeld had. Men wist hem echter door vriendelijke toespraak al spoedig tot bedaren te brengen, en eindelijk beloofde hij zelfs zijne medewerking tot het beraamde plan, om den ridder Don Quichot goed- of kwaadschiks weer naar zijne woonplaats terug te brengen.De nacht ging verder rustig voorbij. Den volgenden morgen echter kwam Don Quichot, die nu uitgeslapen en weer tamelijk goed bij zijne zinnen was, uit zijne slaapkamer te voorschijn en vernam naar de prinses Micomicona en de heeren van haar gevolg. De pastoor maakte hem volgens afspraak wijs, dat die was vooruitgereden, om de woonplaats van een zoo beroemden ridder als Don Quichot te leeren kennen, en dat zij aldaar zijne aankomst rustig afwachten wilde. De goede man stelde zich met deze verklaring dan ook dadelijk tevreden en drong nu zelf op vertrekken aan, daar zijn harte brandende was van verlangen, om zijne edele beschermelinge ten spoedigste weer te ontmoeten.Vóór de afreis daagde nu ook de barbier op, die tot hiertoe de betrekking van palfrenier bij de prinses Micomicona had vervuld, en begroette Don Quichot, alsof hij hem in tijden niet gezien en gesproken had. Don Quichot verwelkomde hem op dezelfde wijze en noodigde hem uit, zich aan zijn gezelschap aan te sluiten. Hierop besteeg hij Rocinante; de overigen, ook Sancho Panza die een muildier van Dorothea ten geschenke had gekregen, volgden op hunne ezels, en de reis naar de woonplaats des dolenden ridders werd ondernomen.De eerste dag leverde niets opmerkelijks op. Don Quichot hield zich tamelijk rustig, Sancho Panza keuvelde met den barbier, en de pastoor vleide zich meer en meer met de hoop, dat men des ridders huis wel zonder tegenspoed bereiken en hem daar zijne dolle ideën eindelijk uit het hoofd drijven zou.Voordat zij hunne bestemming bereikten, moesten zij echter nog een avontuur bestaan, dat den Ridder van de Droevige Figuur bijna ’t leven kostte.Op den tweeden dag hunner reis vernam deze de tonen eener trompet, keek op en zag van eenen heuvel eene schaar geheel in ’t wit gedoste lieden afkomen. Dit waren geeselaars, die, daar de hemel dit jaar allen regen had geweigerd, onder gebed en boetedoening eene bedevaart naar eene kluizenaarshut ondernamen, om daar van God af te smeeken, dat Hij zijne milde hand mocht openen en een verkwikkenden regen op de verdorde velden doen neerruischen. Bij ’t zien van hunne zonderlinge en ongewone kleeding beeldde Don Quichot zich nu echter naar gewoonte in, dat hem weder een avontuur wachtte, en dat hij als dolend ridder verplicht was, dat met koenheid en moed te bestaan. In dezen waan werd hij door een beeld in rouwkleederen nog meer versterkt. Hij hield dat namelijk voor de eene of andere edele en voorname vrouw, die door deze schaamtelooze en schandelijke roovers met geweld voortgesleept werd.Zoodra hij dit alles in zijne dolle verbeelding zoo had vastgesteld, greep hij zijne teugels vaster, hield zijn schild voor, trok met geweldigen zwaai zijn blinkend zwaard uit de scheede en riep met dreunende stem:“Geeft acht, gij mannen; thans zult gij met eigen oogen aanschouwen, dat er helden in de wereld zijn, die zich uit vrije verkiezing voor het algemeen welzijn opofferen en tot de beroemde orde der dolende ridders behooren.”Na dit geroepen te hebben, stiet hij Rocinante, daar hij geen sporen had, met de kuiten en hakken in de ribben en stormde in een zwakken galop, die echter de snelste was, dien de knol aannemen kon, op de geeselaars in. Tevergeefs schreeuwden de pastoor en de barbier zich heesch, om hem van zijn roekeloos opzet af te brengen. Don Quichot was daar doof voor. Ook Sancho Panza verhief zijne stem, om den ridder tot staan te brengen, doch met hetzelfde gevolg.“Heer, bedroefde ridder,” schreeuwde hij hem na, “waar wilt gij dan eigenlijk naar toe? Welke booze duivel is in u gevaren, dat gij zelfs tegen ons eigen heilig geloof wilt vechten? Ziet gij dan niet, dat die optocht eene schaar boetelingen en dat de vrouw, die zij op dat voetstuk dragen, enkel het beeld der heilige Moedermaagd is?God helpe ons en sta ons bij! Bedenk wel, heer ridder, wat gij doet, en stel u niet moedwillig aan schimp, schande en schade bloot!”Zoo brulde Sancho; doch ’t was, zooals gezegd is, voor doovemansooren gepraat. Don Quichot van La Mancha stoof, om de in diepen rouw gekleede vrouw te bevrijden, met zulk een dolle vaart op de boetelingen in, dat hij nergens naar luisterde. En ook als hij elk woord verstaan had, zou hij daarom toch niet omgekeerd zijn. Eens door zijne razernij aangetast, liet hij zich door geen woord en geen koning meer tegenhouden.Op korten afstand gekomen, hield hij zijn hijgend en kuchend strijdros in en riep met dreigende stem: “Gij daar in witte kleederen, die uwe aangezichten zeker alleen bedekt houdt, omdat gij booze dingen in het schild voert, houdt stil en verneemt mijne rede!”De voorsten in de rij droegen het beeld en waren dus natuurlijk ook de eersten, die ’s ridders toeroep vernamen en vol verbazing bleven staan. Het waren vier geestelijken, en bij ’t zien van de wonderbaarlijke uitrusting, het magere paard en heel het potsierlijk voorkomen van onzen held nam een hunner het woord en riep terug:“Hoor, mijn beste heer, zoo gij ons iets van belang hebt mede te deelen, doe dat wat kort en bondig en houd ons, als ’t wezen kan, niet op. De vrome lieden hier achter ons doen boete en kastijden hun lichaam, tot wij daar bij de hermitage zullen zijn aangekomen. Wij mogen hun lijden niet onnoodig verlengen, en als gij dus wat lang van stijl zijt, zwijg dan liever en maak u wat spoedig uit de voeten.”“Nu, wat ik wil is in korte woorden te zeggen en af te doen,” antwoordde Don Quichot. “Ik verlang van u, dat gij zonder verwijl die arme en in tranen wegsmeltende dame in vrijheid stelt, naardien gij haar zonder twijfel tegen haar wil medesleept en haar hemeltergend geweld hebt aangedaan. Ik, die in de wereld ben gezonden, om het kromme recht te buigen en de onderdrukten te helpen, zal niet dulden, dat men de arme bedrukte jonkvrouwe nog verder onrecht doet. Voordat gij een stap verder moogt gaan, moet gijhaar de volle vrijheid teruggeven, die zij gewisselijk verdient.”Uit deze onzinnige taal merkten allen, die ’t hooren en verstaan konden, dat er bij den ridder van de droevige figuur een vrij erge streep door moest loopen, en het gevolg was, dat allen in een schaterend lachen uitbarstten. Dit lachen was echter olie in het vuur gegoten. Don Quichots toorn ontvlamde; zonder een woord te spreken, schuimbekkend van woede, zwaaide hij zijn zwaard en stoof tot den aanval vooruit. Zoodra de dragers van het heilige beeld dit zagen, liet de sterkste zijn last aan een ander over, trad den dolleman in den weg en weerde diens eersten houw af met eene soort van vork, waarmee hij bij het uitrusten het beeld der Heilige Maagd placht te stutten. Die vork of gaffel werd wel door ’s ridders geweldige zwaardslagen in tweeën gehakt, doch de drager verloor daarom den moed niet, maar bracht met het stuk, dat hij nog in de hand hield, onzen armen held een zoo geduchten veeg over de schouders toe, dat deze waggelde, tuimelde en half kopjebuitelend op den harden, zandigen grond neerplofte.Op dit oogenblik schreeuwde Sancho Panza, die hijgend aan kwam loopen, den overwinnaar toe, den gevallene te ontzien en hem verder geen kwaad meer te doen. Don Quichot was een arme behekste en verbijsterde ridder, die niet wist, wat hij deed, en derhalve het medelijden van alle verstandige menschen verdiende.De boer hief zijn knuppel dan ook niet weer op; doch ’t was niet Sancho’s kermen, dat hem tot deze verschooning bewoog, maar alleen de opmerking, dat Don Quichot als een blok op den grond lag en geen vin meer verroerde. Deze omstandigheid deed den boer denken, dat hij den armen ridder had doodgeslagen, en daarom pakte hij zijn lang sleepkleed op, trok het tot den gordel in de hoogte, wierp zijn knuppel weg en zette het met de snelheid van een hert op een loopen.Inmiddels waren ook de pastoor en de barbier nader gekomen en hadden de geeselaars zich om den gevallene opeengedrongen, ten gevolge waarvan een kluchtig tooneel van verwarring en misverstand ontstond. Debedevaartgangersmeenden, dat zij zouden worden aangevallen, trokken hunne kappen over het hoofd, zwaaidenhunne geeselroeden enwachttenhet begin van den kamp af met het vaste voornemen, om iederen vijand ongenadig van de taart te geven. Toen zij nu echter zagen, dat Sancho Panza, zonder zich aan iets anders te storen, bij het lichaam van zijn meester neerknielde en, in de stellige verbeelding, dat die werkelijk morsdood was, de akeligste jammer- en klaagtonen uitstiet, toen ook de pastoor door een der priesters, die de bedevaart aanvoerden, herkend werd, toen maakten op eens haat en vijandschap voor vrede en verzoening plaats en werd van geen van beide kanten aan vechten meer gedacht.Onze pastoor deelde den priester in korte woorden mede, hoe het eigenlijk met den armen ridder gesteld was, en ging daarop met nog eenige anderen bij den gevallene, om te zien, of die werkelijk den adem had uitgeblazen of alleen maar buiten kennis lag. Op de kampplaats aangekomen, hoorde hij den trouwen schildknaap luid krijten en huilen en aan zijne droefheid lucht geven in de volgende bewoordingen:“O gij, bloem van alle ridderschap, roem en glorie dezer eeuw, eer en sieraad van uw gansche geslacht, waarom moest gij door zoo een ellendigen knuppelslag uw doorluchtig leven eindigen? Nu, daar gij gestorven zijt, zullen alle zondaars en boosdoeners weer stoutmoedig de hoofden opsteken, zonder te vreezen, dat zij voor hunne goddeloosheden gestraft worden. Hoe beklaag en betreur ik uwen dood, o grootmoedigste en milddadigste van alle dolende helden, die mij voor de korte dienstbaarheid van weinig maanden ’t schoonste eiland zoudt hebben gegeven, dat gij maar op de wereld veroveren kondt. Rust zacht, deemoedige onder de hoovaardigen, wreker der beleedigden, helper der bedrukten, tuchtroede der boozen en godslasteraars, schrik der schelmen en gauwdieven en vervolger der wreedaardigen! Rust zacht, zeg ik, want gij verdient dat, als de beste dolende ridder, dien ooit de wereld gezien en bewonderd heeft.”Dat laatste woord had Sancho Panza echter pas over de lippen, of Don Quichot sloeg na het uitstooten van een diepen zucht zijne oogen op en keek uiterst verbijsterd rond.“Waar ben ik?” vroeg hij. “Ha, ik herinner mij: een vreeselijke reus en toovenaar heeft mij met zijn ijzeren knods ter aarde geveld. Bezorg mij een voertuig, waarde vriend Sancho Panza, want ik ben niet meer in staat mijn strijdhengst Rocinante te beklimmen. Mijne schouderbladen zijn stukgebeukt, en wij moeten ons haasten onze woonplaats te bereiken, als ik er het leven afbrengen zal. Ach, wat zal van de edele prinses Micomicona van Micomicon worden, nu mijn heldenarm haar niet langer beschermen kan!”“Maak u daar niet ongerust over,” antwoordde de pastoor, die dit oogenblik gunstig oordeelde, om Don Quichot het vertrek van de jonkvrouw mede te deelen. “Zoo pas heb ik daar eene boodschap van de prinses ontvangen, dat zij uwe bescherming niet meer noodig heeft. De reus is door hare onderdanen doodgeslagen, en haar terugkeer in haar koningrijk staat dus niets meer in den weg. Reeds is zij daarheen op reis gegaan en zij laat u door mij duizendmaal groeten en haren innigsten dank betuigen.”“Dat verheugt mij hartelijk,” antwoordde de ridder. “Ik wensch der edele dame zegen en voorspoed op haar weg toe en verblijd mij, dat zij ook zonder mijne hulp tot hare rechten is gekomen. Maar waar is de karos? Sancho Panza, zorg gij, dat ik een rijtuig krijg.”“Terstond, terstond, edele heer!” riep Sancho en liep heen, om ergens in de nabijheid een voertuig op te loopen. Hij vond gelukkig eene oude, deerlijk gehavende herderskar op het veld staan, kwam daarmee aankruien en laadde met behulp van den pastoor en den barbier den gekwetste er op. Rocinante werd er als trekpaard voorgespannen en zoo de reis voortgezet. De bedevaartgangers stelden zich weder in beweging, en Don Quichot werd langzaam naar huis gekruid.Tegen den middag kwamen zij in Don Quichot’s geboortedorp aan. Het was juist op een Zondag en bijna al de bewoners der plaats hadden zich op het marktplein verzameld, dat de kar van den ridder dwars moest oversteken. Oud en jong stroomden nieuwsgierig toe, om met de lading van het vreemde voertuig kennis te maken, en waren niet weinig verbaasd, toen zij hunnen edelen landsman herkenden. Een jongen liep op een drafje naar ’s riddershuis vooruit, om aan de huishoudster en de nicht bericht te brengen, dat haar meester en oom bontenblauw geslagen, bleek, vermagerd, op een bos hooi op eene ellendige kar liggend, in aantocht was.De beide vrouwen waren door dit bericht zoo ontsteld, dat het met geen woorden te beschrijven is. Zij maakten een gruwelijk misbaar, rukten zich haren en krullen uit het hoofd en verwenschten opnieuw de onzalige ridderboeken, die al deze ellende hadden veroorzaakt.Nog raasden zij op deze wijze tegen hare eigen hoofden en tegen die verwenschte romans, toen de hofpoort knarsend op hare verroeste hengsels draaide en de kruiwagen met den gewonden ridder voor de deur stilhield. Terstond schoten de beide vrouwen toe, namen den armen held op, droegen hem met behulp van den pastoor en den barbier in huis, ontkleedden hem en brachten hem eindelijk in zijn ouderwetsch ledikant ter ruste. Don Quichot zei geen woord, maar liet zich alles bedaard welgevallen. De pastoor drukte echter het nichtje op het hart, haar oom toch met de meeste zorg te verplegen en in ’s hemels naam toe te zien, dat hij nog niet eens ontsnapte en als dolend ridder het land op stelten zette. Hierop vertelde hij, wat moeite het gekost had, den gekken held weer naar huis te krijgen, en zocht de arme vrouwen te troosten, die alweer hardop begonnen te huilen en haar hart vasthielden, dat haar meester en oom die dolle kuren opnieuw zoude beginnen.Of dit al of niet gebeurde, zullen wij spoedig genoeg vernemen.Terwijl nu daar binnen in huis over den ridder geklaagd, getreurd en gelamenteerd werd, kreeg zijn arme schildknaap het daarbuiten op den hof bitter zwaar te verantwoorden. Op het bericht van Don Quichots terugkeer kwam namelijk Sancho Panza’s vrouw toe en vond haren echtvriend op het punt van zijn ezel te bestijgen, om naar zijne hut en zijne dierbare gade terug te keeren. De schimp- en scheldwoorden, waarmede de vergramde vrouw hem overstelpte, omdat hij zoo heimelijk den huiselijken haard had verlaten, willen wij hier liever niet herhalen. Wij zeggen alleen, dat den armenknaap terdeeg de ooren werden gewasschen, en dat hij zeer mak en gedwee onder geleide van zijne kijvende wederhelft thuis aankwam.HoofdstukXIV.Hoe Don Quichot tot een nieuwen tocht wordt bewogen.Verscheiden weken achtereen lag de ridder aan de gevolgen van de bekomen wonden en kwetsuren vrij ernstig ziek. In plaats van hem gedurende zijne krankheid te bezoeken, hielden de pastoor en de barbier zich opzettelijk op een afstand, om de voorvallen van den laatsten tijd maar niet weer in zijn ontsteld brein op te frisschen, doch verzuimden niet, van tijd tot tijd de huishoudster en het nichtje te komen zien, om haar in de behandeling van den ridder naar hun beste weten te onderrichten.“Geeft hem goeden, stevigen kost en praat hem niet van de dolle streken, die hij uitgevoerd heeft,” zeide de pastoor. “Misschien vergeet hij dan zijne waanzinnige hersenschimmen en wordt mettertijd weer een zoo wat half verstandig man.”De vrouwen volgden deze aanwijzing met alle stiptheid en Don Quichot kwam eindelijk zoo ver, dat hij bezoekers toelaten en zijne oude vrienden, den pastoor en den barbier, ontvangen kon. Bij hunne komst vonden zij hem overeind in zijn bed zitten. Hij had een buis van groen laken aan, droeg eene groene Toledomuts op het hoofd en zag er zoo mager en uitgedroogd uit, dat hij wel haast eene mummie geleek. Voor ’t overige ontving hij zijne gasten met veel vriendelijkheid, sprak zeer bedaard en verstandig en bediendezich van zulke uitgezochte en gepaste uitdrukkingen, dat de goede pastoor reeds hoop begon te voeden, dat hij zich die dwaze dolende ridderschap nu toch voorgoed uit het hoofd had gezet. Om daarvan de zekerheid te verkrijgen, besloot hij eene afdoende proef te nemen, en bracht zoo in den loop van het gesprek te pas, dat de Turken met eene geweldige legermacht in aantocht waren en het eiland Sicilië, dat destijds nog tot het koningrijk Spanje behoorde, met een inval bedreigden. De koning had dat eiland evenwel reeds doen versterken en er een sterke krijgsmacht heengezonden.Bij dit verhaal schudde Don Quichot bedenkelijk het hoofd.“De koning,” zeide hij na eene poos, “heeft zeker bij deze gelegenheid als een wijs en zeer voorzichtig veldheer gehandeld en zijne staten gedekt, zoodat de vijand die niet onvoorbereid en weerloos zal vinden; maar als hij mijn raad wou volgen, zou hij toch met veel geringer aanwending van geld en krachten veel grooter uitkomsten kunnen verkrijgen.”Bij het vernemen van deze woorden kreeg het vertrouwen van den pastoor op Don Quichots herstelling weer een bedenkelijken stoot en bij zichzelf dacht hij: “Mijn goede beste Don Quichot! daar tuimelt gij weer hals over kop in den afgrond van uwe dolle inbeeldingen neer!”De barbier had nagenoeg dezelfde gedachten; maar om niet te voorbarig te oordeelen, vroeg hij Don Quichot, waar zijne voortreffelijke maatregelen dan wel eigenlijk in bestonden? Misschien behoorden zij wel tot die, welke men in het dagelijksch leven dolzinnige en ongerijmde noemt.“Mijn denkbeeld, meester baardschrabber, is zeer gerijmd,” antwoordde Don Quichot op barschen toon, “en stellig lang niet zoo dolzinnig als gij zelf.”“Kom, kom, heer ridder, ik meende ’t zoo boos niet, als gij het daar opvat,” zei de barbier. “Ik wou alleen maar zeggen, dat veel voorslagen, die den koning reeds gedaan zijn, onuitvoerbaar en onmogelijk zijn bevonden en, wou men er gevolg aan geven, het rijk enkel schade en verlies zouden toebrengen.”“Dat is echter met mijn voorslag niet het geval,” verzekerdeDon Quichot. “’t Is het lichtste, gemakkelijkste, doelmatigste en vernuftigste middel, dat ooit in de hersens van een verstandig man is opgekomen.”“En wilt gij het ons ook mededeelen, heer?” vroeg de pastoor.Don Quichot zag hem wantrouwig van ter zijde aan. “Ik zal mij wel wachten, het te verklappen,” zeide hij. “Wie staat mij borg, dat gij niet, zoodra gij het plan vernomen hebt, dat dadelijk aan de ministers des konings mededeelt en u zoo den roem en de eer toeëigent, die mij, als den uitvinder, heel alleen toekomt?”“Ik voor mij zweer bij alles, wat heilig is, dat ik mij nooit aan zulk een schandelijk verraad zal schuldig maken,” riep de barbier. “Wat gij ook spreken moogt, nooit zal eene syllabe over mijne lippen komen, en noch koning noch bedelaar zal mij immer bewegen mijn eed te breken.”“Dat is genoeg, dat is genoeg,” zeide Don Quichot. “Ik ken u als een eerlijk man, heer barbier, en vertrouw u ten volle.”“En was dat niet zoo, dan durfde ik wel voor hem instaan,” verklaarde de pastoor. “Hij zou niet meer over deze zaak spreken, dan een stomme, op straffe der boete, die ik hem opleggen zou.”“Maar wie is mij borg voor u zelf, heer pastoor?” vroeg Don Quichot.“Mijn heilig ambt,” antwoordde de pastoor met waardigheid, “mijn heilig ambt, dat mij streng stilzwijgen tot een onverbrekelijken plicht maakt.”“Welaan dan,” riep Don Quichot, die thans zijne toehoorders ten volle vertrouwde: “waarom laat dan de koning niet uitroepen, dat op een vastgestelden dag alle dolende ridders en helden van Spanje zich ten hove verzamelen moeten? Indien ook maar een dozijn verschenen, zou toch reeds dit gering aantal toereikend zijn, om de gansche macht van den heidenschen Turk geheel te vernielen. Heeft niet al vaak een eenig dolend ridder een leger van tweemaal honderd duizend krijgers op de vlucht gejaagd? Waarom zou in den tegenwoordigen tijd zulk eene heldendaad niet meer kunnen voorkomen? Waarlijk, waarlijk, nog heden ten dage zijn er mannen, die voor de ridders uit den ouden tijd in sterkte noch in dapperheid onderdoen!God hoort mij en ziet in mijn hart.... Meer wil ik niet zeggen.”“Och grut!” riep hier de nicht, die met de huishoudster het gansche gesprek had aangehoord, “och grut, dat is weer de oude mallepraat; en ik wil een boon wezen, als hij niet weer lust heeft, om op zijne dolle avonturen uit te gaan.”“Ja,” zeide Don Quichot op ernstigen toon, “als dolend ridder wil ik leven en sterven, en geen sterveling zal mij van mijn voornemen afbrengen. Laat de Turken maar komen! Al zijn zij nog zoo machtig en geweldig, ik zal.”“Luister, beste heer,” wendde de barbier, die een poosje stil nagedacht had, zich hier tot den koenen ridder: “vergun mij, eene kleine geschiedenis te vertellen, die in Sevilla is voorgevallen en op deze dingen past, als het deksel op den pot.”Don Quichot gaf dadelijk de gevraagde vergunning, en de barbier vertelde de volgende aardige kleine geschiedenis:“In het dolhuis te Sevilla was een man, dien zijne verwanten daarheen gebracht hadden, omdat het met zijn hoofd niet goed was. Hij was van den geestelijken stand en had zijn examen al gedaan, toen zijn vroeger verstandige en vlugge kop op eens van streek raakte en niemand raad meer met hem wist.“De candidaat woonde eenige jaren in het gekkenhuis en hield zich stil en bedaard, totdat hij op eens op de gedachte kwam, dat hij zijn verstand weerom had gekregen en dat hem niets meer haperde. In deze vreemde overtuiging ging hij zitten, schreef een langen brief aan den aartsbisschop, meldde hem in verstandige woorden, dat hij door Gods goedheid al zijne vijf zinnen weer bij elkaar had, en dat men hem alleen nog maar als een gevangene hield opgesloten, omdat zijne verwanten uit hebzucht en vrekkigheid het weinigje vermogen, dat hem toekwam, niet uitkeeren wilden.“Daar de eerste brief onbeantwoord bleef, stelde de waanzinnige candidaat een tweeden op; toen een derden, een vierden en zoo voort, totdat de aartsbisschop zich eindelijk door zijne mooie, sierlijke woorden liet verleiden om een kapelaan naar het gekkenhuis af tevaardigen. Dezen gaf hij de bepaalde order, eerst bij het hoofd van het gesticht te vernemen, of alles waar was, wat de candidaat geschreven had; vervolgens moest hij den candidaat zelf in verhoor nemen, en bevond hij dan, dat die werkelijk gezond en goed bij zijn hoofd was, dan moest hij hem dadelijk op vrije voeten stellen.“De kapelaan handelde stipt volgens het voorschrift van den bisschop; doch toen hij in het gekkenhuis kwam, werd hem door den bestuurder verzekerd, dat de bewuste jonge geestelijke even gek was, als in den beginne, en al sprak hij soms eens een verstandig woord, dan sloeg hij daarvoor al spoedig weer zoo hard door, dat aan loslating niet te denken viel.“Om in alles naar het voorschrift van zijn aartsbisschop te handelen, antwoordde de kapelaan hier niet op, maar liet zich bij den krankzinnige brengen, om te zien, of hij zoo ook achter de waarheid zou kunnen komen. Hij sprak langer dan een uur met den jongen geestelijke, hoorde in al dien tijd geen enkel onwijs of zelfs maar onverstandig woord van hem, en kon dus moeielijk anders, dan den gekken candidaat voor een mensch met gezonde hersens houden. De waanzinnige beklaagde zich er onder andere ook over, dat de bestuurder hem alleen daarom voor een lijder, die slechts nu en dan heldere oogenblikken had, uitgaf, omdat hij daarvoor door zijne verwanten rijkelijk werd betaald. Zoo kwam het dan, dat zijn vermogen de steen des aanstoots, de bron van alle kwaad bij hem geworden was. Alleen om genot van zijne have te hebben, overstelpten zijne verwanten hem met smaad en schande en loochenden stoutweg, dat een wonder aan hem gedaan was en hem van een krankzinnig tot een verstandig mensch gemaakt had.“De kapelaan, die al deze verklaringen zeer geloofwaardig vond, vatte nu argwaan tegen den bestuurder van het gesticht op en geloofde den gek liever dan zijn dokter. Hij besloot dus, den candidaat in vrijheid te stellen en hem bij den aartsbisschop te brengen, zoodat deze zelf zich van het helder verstand van den armen man overtuigen kon.“Zonder dralen beval de kapelaan den bestuurder, den candidaat van behoorlijke kleederen te voorzien. De bestuurder pruttelde hierwel erg tegen en deed alles, om den kapelaan tot andere gedachten te brengen; maar dat hielp niet, hij moest gehoorzamen. De candidaat kreeg dus een fatsoenlijk splinternieuw pak aan en verzocht den kapelaan zeer beleefd, van zijne voormalige lotgenooten afscheid te mogen nemen. Dit werd toegestaan en de kapelaan zelf bood aan, hem op deze wandeling te vergezellen. Zoo kwamen zij bij de cel van een krankzinnige, wien de candidaat goedendagzeide, terwijl hij aanbood, zoo de ander de eene of andere boodschap mocht hebben, die zonder haperen over te brengen.““Beschik vrij over mij,” zeide hij tot den waanzinnige. “Nu ik mijn verstand weerom heb gekregen, wil ik dat ook gebruiken, om al mijnen medemenschen van dienst te zijn.”“Deze woorden hoorde een andere gek, die in eene cel tegenover die van den eersten zat. Hij sprong dus van zijne mat op en vroeg, luid schreeuwend: “Wie is het toch, die daar gezond en verstandig heen mag gaan?”““Ik ben het, lieve broeder,” antwoordde de candidaat; “ik behoef hier niet langer te blijven en ben dankbaar, dat mij zoo groote genade is verleend.”““Ei, ge weet niet, wat ge zegt,” schreeuwde de gek den candidaat toe. “Laat je niet door den duivel verblinden, maar blijf stil in je cel, zoodat ze je niet terug hebben te brengen.”““O, dat heeft geen nood,” riep de candidaat lachend. “Ik weet, dat ik volkomen goed bij mijn verstand ben en hier dus niet behoef terug te komen, om het ellendig leven van een krankzinnige te leiden.”““Jij volkomen bij je verstand?” riep de gek. “Jij gezond? Loop heen! De tijd zal ’t gauw anders leeren. Ik zweer je bij Jupiter, wiens plaats ik op aarde bekleed, dat ik de onnoozele stad Sevilla, die zoo’n razenden gek, als jij bent, vrijlaat, voor die dwaasheid hard zal straffen en kastijden. Van vandaag af zal het drie volle jaren lang niet regenen over deze stad, en alle vruchten zullen verdorren en alle weiden verschroeid en verzengd worden. Je zoudt goed bij je verstand wezen, terwijl men mij hier gebonden en opgesloten houdt? Daar moet straf voor wezen! Voordat die driejaren om zijn, zal geen droppeltje regen over Sevilla vallen.”“De omstanders hoorden vreemd op bij dien zottepraat van den gek, en ook de kapelaan zag hem verwonderd aan. Nu echter klopte de candidaat dezen op schouder en voegde hem vertrouwelijk toe:““Wees maar niet bang, waarde heer, en stoor u niet aan de dreigementen van dien armen zot. Als hij Jupiter is en niet wil laten regenen, dan ben ik daarentegen Neptunus, de vader der zeeën en van alle wateren, en kan dus ook regen zenden, zooveel ge maar hebben wilt.”““Ei, wat ge zegt!” riep de kapelaan, die nu zijn man had leeren kennen. “Als gij Neptunus zijt en heer Jupiter wilt beleedigen, oordeel ik het toch maar beter, dat gij vooreerst hier in huis blijft. Een ander maal, als ’t mij eens gelegen komt, wil ik terugkeeren en u van hier weghalen.”“De bestuurder van het gesticht lachte, en de gekke candidaat kreeg zijn oude pak weer aan en kon weer naar zijne oude cel stappen.“Dit is mijne geschiedenis,” zeide de barbier; “en de toepassing kan ieder licht zelf maken.”“O baardschrabber, o baardschrabber!” riep Don Quichot uit, “meent ge werkelijk, dat deze dwaze historie zoo goed op onze omstandigheden past? Ik voor mijn part geloof dat niet; want ik weet opperbest, dat ik niet Neptunus ben, en verlang van niemand, dat hij mij voor wijs houdt, als ik een domme ezel, een onwijze sukkel ben. Mijn streven is edel en groot, en door de plichten der dolende ridderschap te vervullen doe ik eenvoudig, wat goed en recht is. Zwijgt allen en leutert me niet langer met zulke beuzelpraatjes om de ooren! Ik ga mijn eigen weg, en er is geen mensch in de wereld, die mij daarvan afbrengen zal.”Verstoord keerde Don Quichot hun den rug toe, zoodat de pastoor en de barbier het ’t best oordeelden, maar stilletjes weer op te trekken. Zij moesten alle hoop, om den armen ridder Don Quichot van zijne dwaze inbeeldingen terug te brengen, nu eindelijk wel opgeven, en deden dat dan ook.Bij het verlaten van het huis kwamen zij een zeer aardig en verstandig jonkman, zekeren Sanson Carrasco, tegen, die een geleerde en met onzen welmeenenden pastoor bevriend was. Bij hem stortte deze laatste zijn hart uit, en de jonge Carrasco gaf al spoedig een middel op, om Don Quichot van zijne avontuurlijke hersenschimmen te bevrijden. Dat middel kwam den pastoor goed voor en terstond overlegde hij met zijn vriend, op welke wijze men dit het best zou kunnen aanwenden.Weinige dagen daarna, toen Don Quichot weer ten volle hersteld was en zich juist met Sancho Panza over zijne toekomstige plannen onderhield, liet Sanson Carrasco zich bij hem aanmelden en werd zonder verwijl in zijn vertrek toegelaten. Na eenige voorafgaande komplimenten deelde hij den edelen ridder mede, dat hij zeer veel goeds en schoons van zijne roemruchtige daden had vernomen en nu opzettelijk gekomen was, om van aangezicht tot aangezicht den held te zien, wiens naam sinds eenigen tijd het gansche heelal vervulde. Na deze inleiding spoorde hij hem met krachtige taal aan, toch spoedig weer een nieuwen krijgstocht tegen de ondeugden, verkeerdheden en zonden der goddelooze wereld te beginnen, en bracht het toch al zwakke hoofd des edelen Dons daardoor dusdanig op hol, dat deze terstond besloot, aan de inblazingen van den welbespraakten Carrasco gehoor te geven. Nauwelijks had deze met de belofte van hem een prachtigen ridderhelm te zullen vereeren van hem afscheid genomen, of hij gaf Sancho Panza last, zijn ezel en zichzelf gereed te houden, om binnen drie dagen op nieuwe avonturen uit te gaan. Sancho verklaarde zich daartoe gaarne bereid, daar Don Quichots beloften en voorspiegelingen nog altijd een open oor bij hem vonden, en hierop deelde Don Quichot zijn besluit ook aan huishoudster en nicht mede. De arme vrouwen, die van Carrasco’s fijn plan niets wisten, waren radeloos, en kermden en huilden, maar richtten daardoor niets uit, dan dat Don Quichot haar voor malloten en domme, onverstandige vrouwlui uitmaakte, zonder zich door al dat misbaar van zijn voornemen te laten afbrengen.Den volgenden dag zond Carrasco den beloofden helm. Deze wasmet roest en schimmel overdekt en had niets aan zich, dat aan blank en glanzig staal deed denken. Dat achtte Don Quichot evenwel maar eene kleinigheid. Hij nam puimsteen en schuurlappen, poetste hem zoo goed mogelijk op en besteedde de overige dagen, om alles voor zijne reis in gereedheid te brengen.Het was Don Quichot echter gedurende zijne ziekte door het hoofd gegaan, wie hij tot hiertoe voor jonkvrouwe Dulcinea had gehouden, zoodat deze voor hem een zuiver phantasiebeeld geworden was.
Hoofdstuk XIII.Don Quichot velt eenige reuzen en wordt naar huis gebracht.In de herberg aangekomen, werd Don Quichot door den waard zeer beleefd verwelkomd en de ridder nam dit teeken van eerbied met zichtbaar welgevallen aan. Op zijne vraag, of hij een goed nachtverblijf kon bekomen, antwoordde de waard toestemmend en verklaarde, dat, mits hij goed betalen wilde, hij een zoo groot en kostelijk bed zou krijgen, dat een keizer of koning er in hun paleis geen beter hadden. Don Quichot beloofde te zullen betalen, en werd hierop door den waard in hetzelfde vertrek gebracht, waar hij voor eenigen tijd dat merkwaardig avontuur met den muildierdrijver, den gerechtsdienaar en Maritornes, de meid, bestaan had. Ten einde zijn doel te bereiken, dat hij geen oogenblik uit het oog verloor, volgde Sancho Panza hem daarheen; doch de overigen bleven in de algemeene gelagkamer, waar ’s ridders ongehoorde dwaasheid hun stof tot lachen in overvloed gaf.Zoodra de Ridder van de Droevige Figuur zich met zijn schildknaap alleen bevond, nam hij dezen een examen af, dat Sancho Panza hoegenaamd niet beviel. Don Quichot vroeg namelijk naar zijne aangebedene Dulcinea van Toboso, en Sancho had het gesprek veel liever op de prinses van Micomicon gebracht, om in zijn heer den wensch op te wekken, om die schoone dame te huwen, en zichzelf op die wijze het vurig begeerde stadhouderschap te verzekeren. Desniettemin moest hij op Don Quichots vragen antwoorden geven; doch hij richtte die in, zooals zij best in zijn kraam te pas kwamen.“Nu, Sancho Panza,” begon Don Quichot, nadat hij zich languitop zijne legerstede had uitgestrekt, “waar en hoe hebt gij de aanbiddelijke Dulcinea aangetroffen? Wat deed zij, wat zeide zij? Hoe dacht zij over mijn brief? Spreek, maar hoed u, met leugens voor den dag te komen, want die zouden u hals en hoofd kosten.”“Ja, heer, om de waarheid te zeggen, heb ik den brief niet kunnen doen overschrijven en overbrengen,” antwoordde Sancho Panza met de handen in het haar. “Ik heb uw zakboek verloren, edele ridder.”“Sancho Panza, hieraan zie ik, dat gij mij geen leugens op de mouw wilt spelden,” sprak Don Quichot uitermate tevreden. “Gij moet weten, dat ik zelf het zakboek vond, toen gij mij nog pas een uur hadt verlaten. Uwe waarheidsliefde draagt mijne volle goedkeuring weg en ik verzoek u, het verhaal van uwe verdere lotgevallen te beginnen. Spreek op en zeg, waarmede mijne gebiedster zich bij uwe aankomst bezighield? Reeg zij niet parels aan gouden draden of zat zij eenig zinnebeeld voor haren in staat van razernij verkeerenden ridder te stikken?”“Neen, dat deed zij niet,” bromde Sancho Panza verdrietig. “Zij was bezig voor haar vader twee schepels tarwe te ziften.”“Wat?” vroeg Don Quichot. “Tarwe? Dan zaagt gij zeker ook, dat de korrels onder hare fijne handen in diamanten en edelgesteenten veranderden?”“Daar heb ik niemendal van gemerkt. Ze bleven heel gewone, grove, gele tarwe.”“Nu, dan wordt zekerlijk het fijnste brood daaruit gebakken,” verklaarde de ridder. “Maar ga voort! Hoe nam zij de boodschap van mij op? Geraakte zij niet buiten haarzelve van verrukking, toen zij u mijnen naam hoorde noemen?”“Neen, volstrekt niet,” antwoordde Sancho. “Zij stond midden in het dichtste stof en stak wat den gek met mijne tijding van u. Ik zei, dat gij half naakt in den wildernis rondliept, op den blooten grond sliept, geen kam, water of handdoek gebruiktet en uw tijd doorbracht met uw lot te beweenen en te verwenschen. Toen antwoordde zij mij, dat gij een gek en een vuile, morsige kerel waart, en wou niets meer van u hooren. Dus, lieve heer, laat die dommeboerendeerne loopen en houd u aan de schoone prinses Micomicona. Deze moet gij trouwen, want gij trouwt met haar een heel groot koninkrijk en kunt dan uwen trouwen schildknaap beloonen, die u altijd braaf en eerlijk gediend heeft.”“Zwijg!” beval Don Quichot met somberen ernst. “Ik mag uw wensch niet vervullen en nimmer aan trouwen denken, zoolang Dulcinea van Toboso nog mijne hooge en verhevene gebiedster is.”Deze woorden van den ridder deden zijn schildknaap in hevigen toorn ontvlammen. “Bij hoog en bij laag zweer ik, dat gij de grootste gek zijt, die op twee beenen loopt, als gij de prinses Micomicona niet trouwt!” schreeuwde hij. “Denkt gij, dat u elken dag eene zoo goede gelegenheid wordt aangeboden, als u hier onder den neus wordt geduwd? Meent gij, dat uwe smerige Dulcinea maar half zoo mooi is als de prinses? Niet het honderdste part zoo mooi is ze en ze is niet waard dewezenlijkeen waarachtige prinses de voeten te kussen. Trouw haar in ’s hemels naam, zeg ik, en neem het koninkrijk, dat u maar zoo vanzelf in den mond komt vliegen! Als gij eerst koning zijt en mij tot stadhouder hebt gemaakt, doe dan, wat ge niet laten kunt, en mijnenthalve mag je de drommel halen, als ik eerst geborgen ben en mijne schaapjes geschoren heb.”Toen Don Quichot zijn schildknaap zulk eene taal hoorde voeren, geraakte hij van verbaasdheid zoo geheel buiten zichzelf, dat hij geen woord over de lippen kon brengen. Hij richtte zich langzaam in zijn bed op, greep naar zijne lans en liet die met zooveel geweld op Sancho’s breede schouderbladen neervallen, dat deze tuimelde, waar hij stond.“Neem dat, gemeene boerenziel!” riep hij alstoen, “en hoed u in het vervolg, één smalend woord tegen mijne meesteresse Dulcinea uit te brengen. Gij moet niet denken, dat gij haar ooit ongestraft beschimpen moogt, hondsvot, deugniet, schavuit, domme rekel, die ge zijt! Zwijg, zeg ik je, of reken er op, dat ik je je beetje hersens uit den dikken schedel zal stampen.”Na aan zijne gramschap in deze niet zeer kiesche en malsche bewoordingen lucht te hebben gegeven, liet de Ridder van de Droevige Figuur zijn hoofd op het kussen neervallen, strekte de lange beenenuit en sliep in. Sancho echter, wien de rug nog gloeide, stond op, dook in een hoek neer en hield zich doodstil.Intusschen hadden de pastoor, de barbier en het overige gezelschap er in de herberg hun gemak van genomen en bij den waard een duchtig maal besteld. Terwijl zij daarop wachtten, brachten zij het gesprek opnieuw op Don Quichot en overlegden, wat zij verder aanvangen moesten, om hem veilig naar huis terug te brengen. De dame had hare bekomst van de grap en wilde met hare begeleiders de reis voortzetten, zonder zich verder om den dollen ridder te bekommeren. De pastoor stelde dus voor, dezen wijs te maken, dat de prinses met haar geleide was vooruitgereisd en den ridder in zijn eigen huis opwachten wilde.“Als wij hem eens daar hebben,” voegde hij er bij, “zullen wij wel zorgen, dat hij ons zoo spoedig niet weer ontsnapt.”Nog praatten zij hierover, toen plotseling Sancho Panza geducht ontsteld uit de kamer van zijn heer kwam aanloopen en met luider stemme riep: “Komt, heeren, komt toch den ridder Don Quichot te hulp, want daar zoo pas is hij in het vreeselijkste gevecht gewikkeld, dat nog ooit op de aarde geleverd is. Haast u, haast u! want, zoo waar als ik hier sta, heeft hij den reus, den snooden vijand van de prinses Micomicona, een slag toegebracht, die hem den kop dadelijk glad van den romp heeft weggesabeld.”“Wat domme dingen praat gij daar weer, Sancho?” vroeg de pastoor. “Zijt ge dan nog gekker dan uw gekke heer geworden? Hoe kan Don Quichot dien reus geveld hebben, daar hij voor ’t minst twee duizend mijlen ver van hier woont!”Sancho antwoordde niet, maar wel vernamen thans allen uit des ridders kamer een geweldig gerucht en hoorden diens luid schreeuwen en roepen.“Halt, roover,” brulde hij, “halt, schandelijke booswicht! Ik heb u nu in mijne macht en die groote sabel zal door de kracht mijner vuist in splinters worden geslagen.”En terwijl hij zoo tierde, deelde hij rechts en links geweldige houwen uit en stampte en beukte tegen den wand, dat het halve huis er van trilde.“Waarom staat gij en wacht, in plaats van toe te snellen en mijn meester bijstand te verleenen?” riep Sancho Panza. “Gaat in de kamer, scheidt de strijdenden of redt en helpt althans den dappersten van alle dolende ridders! Maar toch zal dat, hoop ik, niet eens noodig zijn, want zeker ligt de reus al verslagen aan zijne voeten en braakt zijne zwarte ziel uit, om daarboven rekenschap te geven van het snoode leven, dat hij hier geleid heeft. Immers heb ik zelf zijn bloed over den vloer zien stroomen en het afgehouwen hoofd, dat wel de dikte van een wijnzak had, in een hoek zien liggen.”“De drommel hale me, als ik het niet al begrijp!” riep nu op eens de waard. “Dan heeft me die malle ridder zeker een van de zakken vol rooden wijn, die vlak boven zijn hoofd hangen, een stoot toegebracht, en de uitgeloopen wijn is het bloed, dat hier dit domme uilskuiken gezien heeft.”Met deze woorden draafde hij naar de kamer van den ridder en alle overigen volgden hem.Zij troffen Don Quichot in den potsierlijksten toestand van de wereld aan. Hij stond daar in zijn hemd, dat hem pas tot aan de knieën reikte, en had eene niet al te zindelijke nachtmuts op het hoofd; hij had zich zijn beddelaken om den linkerarm gewikkeld, om zich daarvan als schild te bedienen, en in de rechterhand hield hij zijn verroesten degen, waarmee hij als een dolleman naar rechts en links steken en houwen uitdeelde. Daarbij schreeuwde hij als bezeten en stelde zich aan, alsof hij werkelijk met een reus aan het vechten was. Het wonderlijkste van het geval was echter, dat zijne oogen vast gesloten schenen, en dat hij werkelijk nog in slapenden toestand verkeerde. Vermoedelijk had een bedrieglijke droom hem voorgespiegeld, dat hij zich reeds in het koninkrijk Micomicon bevond en met den reus, die het land tegen alle recht overmeesterd had, den strijd op leven en dood had begonnen. In deze inbeelding had hij aan de zakken, die met rooden wijn gevuld waren, zooveel moorddadige steken toegebracht, dat de kamer onderliep van den wijn, die nog altijd uit de door zijn degen geboorde gaten stroomde.Bij dit gezicht werd de herbergier zoo woedend, dat hij, zonder een woord te spreken, op Don Quichot aanviel en met beide vuisten grimmig op zijn rug begon te trommelen. Hij zou hem hebben doodgeslagen, was niet de pastoor tusschenbeide gekomen en had beloofd, den verloren geganen wijn tot den laatsten duit toe te betalen.Niettegenstaande de duchtige stompen, die de waard hem met zijne stevige vuisten had toegediend, werd de slaapwandelaar niet wakker, maar raasde voort, totdat de barbier een grooten emmer vol ijskoud water uit den put haalde en hem dat over het gansche lichaam uitgoot. Toen eerst deed hij de oogen open, maar was nog te verward en te verbijsterd, om te begrijpen, wat er gebeurd was en wat deerlijke verwoesting hij had aangericht.Onderwijl zocht Sancho naar het hoofd van den gevelden reus, doch kon dat nergens vinden en riep op krijterigen toon: “Ik wist al lang, dat in dit huis alles behekst en betooverd is, want hier op deze zelfde plaats kreeg ik oorvijgen en stompen, zonder dat ik wist waar ze vandaan kwamen, en nu zoek ik vruchteloos naar den kop, dien ik met eigen oogen den reus van den romp zag vallen. Het bloed stroomde na en spoot uit het lichaam op, als het water uit eene fontein.”“Gij stomme rekel!” bulderde de waard, “wat leutert ge daar van bloed en fonteinen! Ziet ge dan niet, ezel, dat al dat bloed niets anders is dan de roode wijn uit de zakken, die je dolle heer me voor altijd totaal bedorven heeft?”“Wat zou ik weten?” snauwde Sancho daartegen in. “Ik weet alleen, dat ik een ongelukkige sukkel ben, als ik den kop van den reus niet vind; want mijn graafschap en stadhouderschap zijn dan voor altijd naar de maan!”De waard hoorde verbaasd op bij deze woorden van Sancho, wien de beloften van zijn heer insgelijks het hoofd geheel op hol gebracht hadden. Evenwel zwoer hij bij kris en bij kras, dat noch de ridder noch zijn knecht ditmaal wegkomen zouden gelijk de vorige maal, d.i. zonder gelag en schade ten volle te betalen.Don Quichot was inmiddels weer wat tot zichzelf gekomen en meende, zijn avontuur triomfantelijk ten einde te hebben gebracht.Hij viel voor de vermeende prinses Micomicona op de knieën en sprak haar aan, als volgt:“Koninklijke hoogheid, doorluchtigste, edelmoedigste en schoonste prinses! Van dezen gezegenden dag af kunt gij in rust en veiligheid leven, want de verfoeielijke toovenaar, de reus, ligt hier verslagen door mijne dappere hand. Ik echter heb mij ten volle van mijn ridderplicht gekweten, daar ik met behulp van mijne meesteresse Dulcinea van Toboso mijne beloften gehouden heb.”“Hoort gij ’t nu wel?” riep Sancho vroolijk. “Heb ik ’t niet gezegd? Ik sprak toch niet in dronkenschap. Nu ziet gij, mijn heer heeft den reus doodgemaakt en mijn stadhouderschap kan mij nu niet meer ontgaan.”Allen lachten hartelijk bij deze nieuwe dwaasheden van den ridder en zijn knaap. Alleen de herbergier vloekte en schimpte nog altijd voort en wenschte de twee gekken naar het land, waar de peper groeit.Om echter aan deze klucht een goed einde te maken, brachten de pastoor en de barbier den ridder weer te bed, dekten hem warmpjes toe en merkten tot hunne blijdschap, dat hij van uitputting dadelijk insliep. Zij lieten hem rusten, traden voor de deur van de herberg, namen Sancho Panza mee en troostten hem, dat hij het hoofd van den reus niet had kunnen vinden. De schildknaap was spoedig tevredengesteld; doch meer moeite had men met den verbolgen waard, die nog altijd over het verlies van zijn wijn en zijne kostelijke nieuwe zakken lamenteerde. Hij zette eerst weer een lachend gezicht, toen de begeleiders van jonkvrouwe Dorothea hem tot schadeloos stelling eenige goudstukken, die zijne schade dubbel en dwars goedmaakten, in de hand drukten.Nu werd het eten opgedragen en allen schikten vroolijk aan den maaltijd. Toen die was afgeloopen, nam jonkvrouwe Dorothea met hare begeleiders van den pastoor en den barbier vriendelijk afscheid, droeg den verbaasden Sancho op, zijn meester wel duizendmaal van haar te groeten, en zette toen hare door het avontuur met den dolenden ridder afgebroken reis met haar gezelschap voort. Eerst toen zij in de verte verdwenen was, verklapte men aanSancho, hoe ’t met de zaak was gelegen geweest; en deze maakte zich niet weinig boos over de comedie, welke men met hem en zijn dapperen meester gespeeld had. Men wist hem echter door vriendelijke toespraak al spoedig tot bedaren te brengen, en eindelijk beloofde hij zelfs zijne medewerking tot het beraamde plan, om den ridder Don Quichot goed- of kwaadschiks weer naar zijne woonplaats terug te brengen.De nacht ging verder rustig voorbij. Den volgenden morgen echter kwam Don Quichot, die nu uitgeslapen en weer tamelijk goed bij zijne zinnen was, uit zijne slaapkamer te voorschijn en vernam naar de prinses Micomicona en de heeren van haar gevolg. De pastoor maakte hem volgens afspraak wijs, dat die was vooruitgereden, om de woonplaats van een zoo beroemden ridder als Don Quichot te leeren kennen, en dat zij aldaar zijne aankomst rustig afwachten wilde. De goede man stelde zich met deze verklaring dan ook dadelijk tevreden en drong nu zelf op vertrekken aan, daar zijn harte brandende was van verlangen, om zijne edele beschermelinge ten spoedigste weer te ontmoeten.Vóór de afreis daagde nu ook de barbier op, die tot hiertoe de betrekking van palfrenier bij de prinses Micomicona had vervuld, en begroette Don Quichot, alsof hij hem in tijden niet gezien en gesproken had. Don Quichot verwelkomde hem op dezelfde wijze en noodigde hem uit, zich aan zijn gezelschap aan te sluiten. Hierop besteeg hij Rocinante; de overigen, ook Sancho Panza die een muildier van Dorothea ten geschenke had gekregen, volgden op hunne ezels, en de reis naar de woonplaats des dolenden ridders werd ondernomen.De eerste dag leverde niets opmerkelijks op. Don Quichot hield zich tamelijk rustig, Sancho Panza keuvelde met den barbier, en de pastoor vleide zich meer en meer met de hoop, dat men des ridders huis wel zonder tegenspoed bereiken en hem daar zijne dolle ideën eindelijk uit het hoofd drijven zou.Voordat zij hunne bestemming bereikten, moesten zij echter nog een avontuur bestaan, dat den Ridder van de Droevige Figuur bijna ’t leven kostte.Op den tweeden dag hunner reis vernam deze de tonen eener trompet, keek op en zag van eenen heuvel eene schaar geheel in ’t wit gedoste lieden afkomen. Dit waren geeselaars, die, daar de hemel dit jaar allen regen had geweigerd, onder gebed en boetedoening eene bedevaart naar eene kluizenaarshut ondernamen, om daar van God af te smeeken, dat Hij zijne milde hand mocht openen en een verkwikkenden regen op de verdorde velden doen neerruischen. Bij ’t zien van hunne zonderlinge en ongewone kleeding beeldde Don Quichot zich nu echter naar gewoonte in, dat hem weder een avontuur wachtte, en dat hij als dolend ridder verplicht was, dat met koenheid en moed te bestaan. In dezen waan werd hij door een beeld in rouwkleederen nog meer versterkt. Hij hield dat namelijk voor de eene of andere edele en voorname vrouw, die door deze schaamtelooze en schandelijke roovers met geweld voortgesleept werd.Zoodra hij dit alles in zijne dolle verbeelding zoo had vastgesteld, greep hij zijne teugels vaster, hield zijn schild voor, trok met geweldigen zwaai zijn blinkend zwaard uit de scheede en riep met dreunende stem:“Geeft acht, gij mannen; thans zult gij met eigen oogen aanschouwen, dat er helden in de wereld zijn, die zich uit vrije verkiezing voor het algemeen welzijn opofferen en tot de beroemde orde der dolende ridders behooren.”Na dit geroepen te hebben, stiet hij Rocinante, daar hij geen sporen had, met de kuiten en hakken in de ribben en stormde in een zwakken galop, die echter de snelste was, dien de knol aannemen kon, op de geeselaars in. Tevergeefs schreeuwden de pastoor en de barbier zich heesch, om hem van zijn roekeloos opzet af te brengen. Don Quichot was daar doof voor. Ook Sancho Panza verhief zijne stem, om den ridder tot staan te brengen, doch met hetzelfde gevolg.“Heer, bedroefde ridder,” schreeuwde hij hem na, “waar wilt gij dan eigenlijk naar toe? Welke booze duivel is in u gevaren, dat gij zelfs tegen ons eigen heilig geloof wilt vechten? Ziet gij dan niet, dat die optocht eene schaar boetelingen en dat de vrouw, die zij op dat voetstuk dragen, enkel het beeld der heilige Moedermaagd is?God helpe ons en sta ons bij! Bedenk wel, heer ridder, wat gij doet, en stel u niet moedwillig aan schimp, schande en schade bloot!”Zoo brulde Sancho; doch ’t was, zooals gezegd is, voor doovemansooren gepraat. Don Quichot van La Mancha stoof, om de in diepen rouw gekleede vrouw te bevrijden, met zulk een dolle vaart op de boetelingen in, dat hij nergens naar luisterde. En ook als hij elk woord verstaan had, zou hij daarom toch niet omgekeerd zijn. Eens door zijne razernij aangetast, liet hij zich door geen woord en geen koning meer tegenhouden.Op korten afstand gekomen, hield hij zijn hijgend en kuchend strijdros in en riep met dreigende stem: “Gij daar in witte kleederen, die uwe aangezichten zeker alleen bedekt houdt, omdat gij booze dingen in het schild voert, houdt stil en verneemt mijne rede!”De voorsten in de rij droegen het beeld en waren dus natuurlijk ook de eersten, die ’s ridders toeroep vernamen en vol verbazing bleven staan. Het waren vier geestelijken, en bij ’t zien van de wonderbaarlijke uitrusting, het magere paard en heel het potsierlijk voorkomen van onzen held nam een hunner het woord en riep terug:“Hoor, mijn beste heer, zoo gij ons iets van belang hebt mede te deelen, doe dat wat kort en bondig en houd ons, als ’t wezen kan, niet op. De vrome lieden hier achter ons doen boete en kastijden hun lichaam, tot wij daar bij de hermitage zullen zijn aangekomen. Wij mogen hun lijden niet onnoodig verlengen, en als gij dus wat lang van stijl zijt, zwijg dan liever en maak u wat spoedig uit de voeten.”“Nu, wat ik wil is in korte woorden te zeggen en af te doen,” antwoordde Don Quichot. “Ik verlang van u, dat gij zonder verwijl die arme en in tranen wegsmeltende dame in vrijheid stelt, naardien gij haar zonder twijfel tegen haar wil medesleept en haar hemeltergend geweld hebt aangedaan. Ik, die in de wereld ben gezonden, om het kromme recht te buigen en de onderdrukten te helpen, zal niet dulden, dat men de arme bedrukte jonkvrouwe nog verder onrecht doet. Voordat gij een stap verder moogt gaan, moet gijhaar de volle vrijheid teruggeven, die zij gewisselijk verdient.”Uit deze onzinnige taal merkten allen, die ’t hooren en verstaan konden, dat er bij den ridder van de droevige figuur een vrij erge streep door moest loopen, en het gevolg was, dat allen in een schaterend lachen uitbarstten. Dit lachen was echter olie in het vuur gegoten. Don Quichots toorn ontvlamde; zonder een woord te spreken, schuimbekkend van woede, zwaaide hij zijn zwaard en stoof tot den aanval vooruit. Zoodra de dragers van het heilige beeld dit zagen, liet de sterkste zijn last aan een ander over, trad den dolleman in den weg en weerde diens eersten houw af met eene soort van vork, waarmee hij bij het uitrusten het beeld der Heilige Maagd placht te stutten. Die vork of gaffel werd wel door ’s ridders geweldige zwaardslagen in tweeën gehakt, doch de drager verloor daarom den moed niet, maar bracht met het stuk, dat hij nog in de hand hield, onzen armen held een zoo geduchten veeg over de schouders toe, dat deze waggelde, tuimelde en half kopjebuitelend op den harden, zandigen grond neerplofte.Op dit oogenblik schreeuwde Sancho Panza, die hijgend aan kwam loopen, den overwinnaar toe, den gevallene te ontzien en hem verder geen kwaad meer te doen. Don Quichot was een arme behekste en verbijsterde ridder, die niet wist, wat hij deed, en derhalve het medelijden van alle verstandige menschen verdiende.De boer hief zijn knuppel dan ook niet weer op; doch ’t was niet Sancho’s kermen, dat hem tot deze verschooning bewoog, maar alleen de opmerking, dat Don Quichot als een blok op den grond lag en geen vin meer verroerde. Deze omstandigheid deed den boer denken, dat hij den armen ridder had doodgeslagen, en daarom pakte hij zijn lang sleepkleed op, trok het tot den gordel in de hoogte, wierp zijn knuppel weg en zette het met de snelheid van een hert op een loopen.Inmiddels waren ook de pastoor en de barbier nader gekomen en hadden de geeselaars zich om den gevallene opeengedrongen, ten gevolge waarvan een kluchtig tooneel van verwarring en misverstand ontstond. Debedevaartgangersmeenden, dat zij zouden worden aangevallen, trokken hunne kappen over het hoofd, zwaaidenhunne geeselroeden enwachttenhet begin van den kamp af met het vaste voornemen, om iederen vijand ongenadig van de taart te geven. Toen zij nu echter zagen, dat Sancho Panza, zonder zich aan iets anders te storen, bij het lichaam van zijn meester neerknielde en, in de stellige verbeelding, dat die werkelijk morsdood was, de akeligste jammer- en klaagtonen uitstiet, toen ook de pastoor door een der priesters, die de bedevaart aanvoerden, herkend werd, toen maakten op eens haat en vijandschap voor vrede en verzoening plaats en werd van geen van beide kanten aan vechten meer gedacht.Onze pastoor deelde den priester in korte woorden mede, hoe het eigenlijk met den armen ridder gesteld was, en ging daarop met nog eenige anderen bij den gevallene, om te zien, of die werkelijk den adem had uitgeblazen of alleen maar buiten kennis lag. Op de kampplaats aangekomen, hoorde hij den trouwen schildknaap luid krijten en huilen en aan zijne droefheid lucht geven in de volgende bewoordingen:“O gij, bloem van alle ridderschap, roem en glorie dezer eeuw, eer en sieraad van uw gansche geslacht, waarom moest gij door zoo een ellendigen knuppelslag uw doorluchtig leven eindigen? Nu, daar gij gestorven zijt, zullen alle zondaars en boosdoeners weer stoutmoedig de hoofden opsteken, zonder te vreezen, dat zij voor hunne goddeloosheden gestraft worden. Hoe beklaag en betreur ik uwen dood, o grootmoedigste en milddadigste van alle dolende helden, die mij voor de korte dienstbaarheid van weinig maanden ’t schoonste eiland zoudt hebben gegeven, dat gij maar op de wereld veroveren kondt. Rust zacht, deemoedige onder de hoovaardigen, wreker der beleedigden, helper der bedrukten, tuchtroede der boozen en godslasteraars, schrik der schelmen en gauwdieven en vervolger der wreedaardigen! Rust zacht, zeg ik, want gij verdient dat, als de beste dolende ridder, dien ooit de wereld gezien en bewonderd heeft.”Dat laatste woord had Sancho Panza echter pas over de lippen, of Don Quichot sloeg na het uitstooten van een diepen zucht zijne oogen op en keek uiterst verbijsterd rond.“Waar ben ik?” vroeg hij. “Ha, ik herinner mij: een vreeselijke reus en toovenaar heeft mij met zijn ijzeren knods ter aarde geveld. Bezorg mij een voertuig, waarde vriend Sancho Panza, want ik ben niet meer in staat mijn strijdhengst Rocinante te beklimmen. Mijne schouderbladen zijn stukgebeukt, en wij moeten ons haasten onze woonplaats te bereiken, als ik er het leven afbrengen zal. Ach, wat zal van de edele prinses Micomicona van Micomicon worden, nu mijn heldenarm haar niet langer beschermen kan!”“Maak u daar niet ongerust over,” antwoordde de pastoor, die dit oogenblik gunstig oordeelde, om Don Quichot het vertrek van de jonkvrouw mede te deelen. “Zoo pas heb ik daar eene boodschap van de prinses ontvangen, dat zij uwe bescherming niet meer noodig heeft. De reus is door hare onderdanen doodgeslagen, en haar terugkeer in haar koningrijk staat dus niets meer in den weg. Reeds is zij daarheen op reis gegaan en zij laat u door mij duizendmaal groeten en haren innigsten dank betuigen.”“Dat verheugt mij hartelijk,” antwoordde de ridder. “Ik wensch der edele dame zegen en voorspoed op haar weg toe en verblijd mij, dat zij ook zonder mijne hulp tot hare rechten is gekomen. Maar waar is de karos? Sancho Panza, zorg gij, dat ik een rijtuig krijg.”“Terstond, terstond, edele heer!” riep Sancho en liep heen, om ergens in de nabijheid een voertuig op te loopen. Hij vond gelukkig eene oude, deerlijk gehavende herderskar op het veld staan, kwam daarmee aankruien en laadde met behulp van den pastoor en den barbier den gekwetste er op. Rocinante werd er als trekpaard voorgespannen en zoo de reis voortgezet. De bedevaartgangers stelden zich weder in beweging, en Don Quichot werd langzaam naar huis gekruid.Tegen den middag kwamen zij in Don Quichot’s geboortedorp aan. Het was juist op een Zondag en bijna al de bewoners der plaats hadden zich op het marktplein verzameld, dat de kar van den ridder dwars moest oversteken. Oud en jong stroomden nieuwsgierig toe, om met de lading van het vreemde voertuig kennis te maken, en waren niet weinig verbaasd, toen zij hunnen edelen landsman herkenden. Een jongen liep op een drafje naar ’s riddershuis vooruit, om aan de huishoudster en de nicht bericht te brengen, dat haar meester en oom bontenblauw geslagen, bleek, vermagerd, op een bos hooi op eene ellendige kar liggend, in aantocht was.De beide vrouwen waren door dit bericht zoo ontsteld, dat het met geen woorden te beschrijven is. Zij maakten een gruwelijk misbaar, rukten zich haren en krullen uit het hoofd en verwenschten opnieuw de onzalige ridderboeken, die al deze ellende hadden veroorzaakt.Nog raasden zij op deze wijze tegen hare eigen hoofden en tegen die verwenschte romans, toen de hofpoort knarsend op hare verroeste hengsels draaide en de kruiwagen met den gewonden ridder voor de deur stilhield. Terstond schoten de beide vrouwen toe, namen den armen held op, droegen hem met behulp van den pastoor en den barbier in huis, ontkleedden hem en brachten hem eindelijk in zijn ouderwetsch ledikant ter ruste. Don Quichot zei geen woord, maar liet zich alles bedaard welgevallen. De pastoor drukte echter het nichtje op het hart, haar oom toch met de meeste zorg te verplegen en in ’s hemels naam toe te zien, dat hij nog niet eens ontsnapte en als dolend ridder het land op stelten zette. Hierop vertelde hij, wat moeite het gekost had, den gekken held weer naar huis te krijgen, en zocht de arme vrouwen te troosten, die alweer hardop begonnen te huilen en haar hart vasthielden, dat haar meester en oom die dolle kuren opnieuw zoude beginnen.Of dit al of niet gebeurde, zullen wij spoedig genoeg vernemen.Terwijl nu daar binnen in huis over den ridder geklaagd, getreurd en gelamenteerd werd, kreeg zijn arme schildknaap het daarbuiten op den hof bitter zwaar te verantwoorden. Op het bericht van Don Quichots terugkeer kwam namelijk Sancho Panza’s vrouw toe en vond haren echtvriend op het punt van zijn ezel te bestijgen, om naar zijne hut en zijne dierbare gade terug te keeren. De schimp- en scheldwoorden, waarmede de vergramde vrouw hem overstelpte, omdat hij zoo heimelijk den huiselijken haard had verlaten, willen wij hier liever niet herhalen. Wij zeggen alleen, dat den armenknaap terdeeg de ooren werden gewasschen, en dat hij zeer mak en gedwee onder geleide van zijne kijvende wederhelft thuis aankwam.
In de herberg aangekomen, werd Don Quichot door den waard zeer beleefd verwelkomd en de ridder nam dit teeken van eerbied met zichtbaar welgevallen aan. Op zijne vraag, of hij een goed nachtverblijf kon bekomen, antwoordde de waard toestemmend en verklaarde, dat, mits hij goed betalen wilde, hij een zoo groot en kostelijk bed zou krijgen, dat een keizer of koning er in hun paleis geen beter hadden. Don Quichot beloofde te zullen betalen, en werd hierop door den waard in hetzelfde vertrek gebracht, waar hij voor eenigen tijd dat merkwaardig avontuur met den muildierdrijver, den gerechtsdienaar en Maritornes, de meid, bestaan had. Ten einde zijn doel te bereiken, dat hij geen oogenblik uit het oog verloor, volgde Sancho Panza hem daarheen; doch de overigen bleven in de algemeene gelagkamer, waar ’s ridders ongehoorde dwaasheid hun stof tot lachen in overvloed gaf.
Zoodra de Ridder van de Droevige Figuur zich met zijn schildknaap alleen bevond, nam hij dezen een examen af, dat Sancho Panza hoegenaamd niet beviel. Don Quichot vroeg namelijk naar zijne aangebedene Dulcinea van Toboso, en Sancho had het gesprek veel liever op de prinses van Micomicon gebracht, om in zijn heer den wensch op te wekken, om die schoone dame te huwen, en zichzelf op die wijze het vurig begeerde stadhouderschap te verzekeren. Desniettemin moest hij op Don Quichots vragen antwoorden geven; doch hij richtte die in, zooals zij best in zijn kraam te pas kwamen.
“Nu, Sancho Panza,” begon Don Quichot, nadat hij zich languitop zijne legerstede had uitgestrekt, “waar en hoe hebt gij de aanbiddelijke Dulcinea aangetroffen? Wat deed zij, wat zeide zij? Hoe dacht zij over mijn brief? Spreek, maar hoed u, met leugens voor den dag te komen, want die zouden u hals en hoofd kosten.”
“Ja, heer, om de waarheid te zeggen, heb ik den brief niet kunnen doen overschrijven en overbrengen,” antwoordde Sancho Panza met de handen in het haar. “Ik heb uw zakboek verloren, edele ridder.”
“Sancho Panza, hieraan zie ik, dat gij mij geen leugens op de mouw wilt spelden,” sprak Don Quichot uitermate tevreden. “Gij moet weten, dat ik zelf het zakboek vond, toen gij mij nog pas een uur hadt verlaten. Uwe waarheidsliefde draagt mijne volle goedkeuring weg en ik verzoek u, het verhaal van uwe verdere lotgevallen te beginnen. Spreek op en zeg, waarmede mijne gebiedster zich bij uwe aankomst bezighield? Reeg zij niet parels aan gouden draden of zat zij eenig zinnebeeld voor haren in staat van razernij verkeerenden ridder te stikken?”
“Neen, dat deed zij niet,” bromde Sancho Panza verdrietig. “Zij was bezig voor haar vader twee schepels tarwe te ziften.”
“Wat?” vroeg Don Quichot. “Tarwe? Dan zaagt gij zeker ook, dat de korrels onder hare fijne handen in diamanten en edelgesteenten veranderden?”
“Daar heb ik niemendal van gemerkt. Ze bleven heel gewone, grove, gele tarwe.”
“Nu, dan wordt zekerlijk het fijnste brood daaruit gebakken,” verklaarde de ridder. “Maar ga voort! Hoe nam zij de boodschap van mij op? Geraakte zij niet buiten haarzelve van verrukking, toen zij u mijnen naam hoorde noemen?”
“Neen, volstrekt niet,” antwoordde Sancho. “Zij stond midden in het dichtste stof en stak wat den gek met mijne tijding van u. Ik zei, dat gij half naakt in den wildernis rondliept, op den blooten grond sliept, geen kam, water of handdoek gebruiktet en uw tijd doorbracht met uw lot te beweenen en te verwenschen. Toen antwoordde zij mij, dat gij een gek en een vuile, morsige kerel waart, en wou niets meer van u hooren. Dus, lieve heer, laat die dommeboerendeerne loopen en houd u aan de schoone prinses Micomicona. Deze moet gij trouwen, want gij trouwt met haar een heel groot koninkrijk en kunt dan uwen trouwen schildknaap beloonen, die u altijd braaf en eerlijk gediend heeft.”
“Zwijg!” beval Don Quichot met somberen ernst. “Ik mag uw wensch niet vervullen en nimmer aan trouwen denken, zoolang Dulcinea van Toboso nog mijne hooge en verhevene gebiedster is.”
Deze woorden van den ridder deden zijn schildknaap in hevigen toorn ontvlammen. “Bij hoog en bij laag zweer ik, dat gij de grootste gek zijt, die op twee beenen loopt, als gij de prinses Micomicona niet trouwt!” schreeuwde hij. “Denkt gij, dat u elken dag eene zoo goede gelegenheid wordt aangeboden, als u hier onder den neus wordt geduwd? Meent gij, dat uwe smerige Dulcinea maar half zoo mooi is als de prinses? Niet het honderdste part zoo mooi is ze en ze is niet waard dewezenlijkeen waarachtige prinses de voeten te kussen. Trouw haar in ’s hemels naam, zeg ik, en neem het koninkrijk, dat u maar zoo vanzelf in den mond komt vliegen! Als gij eerst koning zijt en mij tot stadhouder hebt gemaakt, doe dan, wat ge niet laten kunt, en mijnenthalve mag je de drommel halen, als ik eerst geborgen ben en mijne schaapjes geschoren heb.”
Toen Don Quichot zijn schildknaap zulk eene taal hoorde voeren, geraakte hij van verbaasdheid zoo geheel buiten zichzelf, dat hij geen woord over de lippen kon brengen. Hij richtte zich langzaam in zijn bed op, greep naar zijne lans en liet die met zooveel geweld op Sancho’s breede schouderbladen neervallen, dat deze tuimelde, waar hij stond.
“Neem dat, gemeene boerenziel!” riep hij alstoen, “en hoed u in het vervolg, één smalend woord tegen mijne meesteresse Dulcinea uit te brengen. Gij moet niet denken, dat gij haar ooit ongestraft beschimpen moogt, hondsvot, deugniet, schavuit, domme rekel, die ge zijt! Zwijg, zeg ik je, of reken er op, dat ik je je beetje hersens uit den dikken schedel zal stampen.”
Na aan zijne gramschap in deze niet zeer kiesche en malsche bewoordingen lucht te hebben gegeven, liet de Ridder van de Droevige Figuur zijn hoofd op het kussen neervallen, strekte de lange beenenuit en sliep in. Sancho echter, wien de rug nog gloeide, stond op, dook in een hoek neer en hield zich doodstil.
Intusschen hadden de pastoor, de barbier en het overige gezelschap er in de herberg hun gemak van genomen en bij den waard een duchtig maal besteld. Terwijl zij daarop wachtten, brachten zij het gesprek opnieuw op Don Quichot en overlegden, wat zij verder aanvangen moesten, om hem veilig naar huis terug te brengen. De dame had hare bekomst van de grap en wilde met hare begeleiders de reis voortzetten, zonder zich verder om den dollen ridder te bekommeren. De pastoor stelde dus voor, dezen wijs te maken, dat de prinses met haar geleide was vooruitgereisd en den ridder in zijn eigen huis opwachten wilde.
“Als wij hem eens daar hebben,” voegde hij er bij, “zullen wij wel zorgen, dat hij ons zoo spoedig niet weer ontsnapt.”
Nog praatten zij hierover, toen plotseling Sancho Panza geducht ontsteld uit de kamer van zijn heer kwam aanloopen en met luider stemme riep: “Komt, heeren, komt toch den ridder Don Quichot te hulp, want daar zoo pas is hij in het vreeselijkste gevecht gewikkeld, dat nog ooit op de aarde geleverd is. Haast u, haast u! want, zoo waar als ik hier sta, heeft hij den reus, den snooden vijand van de prinses Micomicona, een slag toegebracht, die hem den kop dadelijk glad van den romp heeft weggesabeld.”
“Wat domme dingen praat gij daar weer, Sancho?” vroeg de pastoor. “Zijt ge dan nog gekker dan uw gekke heer geworden? Hoe kan Don Quichot dien reus geveld hebben, daar hij voor ’t minst twee duizend mijlen ver van hier woont!”
Sancho antwoordde niet, maar wel vernamen thans allen uit des ridders kamer een geweldig gerucht en hoorden diens luid schreeuwen en roepen.
“Halt, roover,” brulde hij, “halt, schandelijke booswicht! Ik heb u nu in mijne macht en die groote sabel zal door de kracht mijner vuist in splinters worden geslagen.”
En terwijl hij zoo tierde, deelde hij rechts en links geweldige houwen uit en stampte en beukte tegen den wand, dat het halve huis er van trilde.
“Waarom staat gij en wacht, in plaats van toe te snellen en mijn meester bijstand te verleenen?” riep Sancho Panza. “Gaat in de kamer, scheidt de strijdenden of redt en helpt althans den dappersten van alle dolende ridders! Maar toch zal dat, hoop ik, niet eens noodig zijn, want zeker ligt de reus al verslagen aan zijne voeten en braakt zijne zwarte ziel uit, om daarboven rekenschap te geven van het snoode leven, dat hij hier geleid heeft. Immers heb ik zelf zijn bloed over den vloer zien stroomen en het afgehouwen hoofd, dat wel de dikte van een wijnzak had, in een hoek zien liggen.”
“De drommel hale me, als ik het niet al begrijp!” riep nu op eens de waard. “Dan heeft me die malle ridder zeker een van de zakken vol rooden wijn, die vlak boven zijn hoofd hangen, een stoot toegebracht, en de uitgeloopen wijn is het bloed, dat hier dit domme uilskuiken gezien heeft.”
Met deze woorden draafde hij naar de kamer van den ridder en alle overigen volgden hem.
Zij troffen Don Quichot in den potsierlijksten toestand van de wereld aan. Hij stond daar in zijn hemd, dat hem pas tot aan de knieën reikte, en had eene niet al te zindelijke nachtmuts op het hoofd; hij had zich zijn beddelaken om den linkerarm gewikkeld, om zich daarvan als schild te bedienen, en in de rechterhand hield hij zijn verroesten degen, waarmee hij als een dolleman naar rechts en links steken en houwen uitdeelde. Daarbij schreeuwde hij als bezeten en stelde zich aan, alsof hij werkelijk met een reus aan het vechten was. Het wonderlijkste van het geval was echter, dat zijne oogen vast gesloten schenen, en dat hij werkelijk nog in slapenden toestand verkeerde. Vermoedelijk had een bedrieglijke droom hem voorgespiegeld, dat hij zich reeds in het koninkrijk Micomicon bevond en met den reus, die het land tegen alle recht overmeesterd had, den strijd op leven en dood had begonnen. In deze inbeelding had hij aan de zakken, die met rooden wijn gevuld waren, zooveel moorddadige steken toegebracht, dat de kamer onderliep van den wijn, die nog altijd uit de door zijn degen geboorde gaten stroomde.
Bij dit gezicht werd de herbergier zoo woedend, dat hij, zonder een woord te spreken, op Don Quichot aanviel en met beide vuisten grimmig op zijn rug begon te trommelen. Hij zou hem hebben doodgeslagen, was niet de pastoor tusschenbeide gekomen en had beloofd, den verloren geganen wijn tot den laatsten duit toe te betalen.
Niettegenstaande de duchtige stompen, die de waard hem met zijne stevige vuisten had toegediend, werd de slaapwandelaar niet wakker, maar raasde voort, totdat de barbier een grooten emmer vol ijskoud water uit den put haalde en hem dat over het gansche lichaam uitgoot. Toen eerst deed hij de oogen open, maar was nog te verward en te verbijsterd, om te begrijpen, wat er gebeurd was en wat deerlijke verwoesting hij had aangericht.
Onderwijl zocht Sancho naar het hoofd van den gevelden reus, doch kon dat nergens vinden en riep op krijterigen toon: “Ik wist al lang, dat in dit huis alles behekst en betooverd is, want hier op deze zelfde plaats kreeg ik oorvijgen en stompen, zonder dat ik wist waar ze vandaan kwamen, en nu zoek ik vruchteloos naar den kop, dien ik met eigen oogen den reus van den romp zag vallen. Het bloed stroomde na en spoot uit het lichaam op, als het water uit eene fontein.”
“Gij stomme rekel!” bulderde de waard, “wat leutert ge daar van bloed en fonteinen! Ziet ge dan niet, ezel, dat al dat bloed niets anders is dan de roode wijn uit de zakken, die je dolle heer me voor altijd totaal bedorven heeft?”
“Wat zou ik weten?” snauwde Sancho daartegen in. “Ik weet alleen, dat ik een ongelukkige sukkel ben, als ik den kop van den reus niet vind; want mijn graafschap en stadhouderschap zijn dan voor altijd naar de maan!”
De waard hoorde verbaasd op bij deze woorden van Sancho, wien de beloften van zijn heer insgelijks het hoofd geheel op hol gebracht hadden. Evenwel zwoer hij bij kris en bij kras, dat noch de ridder noch zijn knecht ditmaal wegkomen zouden gelijk de vorige maal, d.i. zonder gelag en schade ten volle te betalen.
Don Quichot was inmiddels weer wat tot zichzelf gekomen en meende, zijn avontuur triomfantelijk ten einde te hebben gebracht.Hij viel voor de vermeende prinses Micomicona op de knieën en sprak haar aan, als volgt:
“Koninklijke hoogheid, doorluchtigste, edelmoedigste en schoonste prinses! Van dezen gezegenden dag af kunt gij in rust en veiligheid leven, want de verfoeielijke toovenaar, de reus, ligt hier verslagen door mijne dappere hand. Ik echter heb mij ten volle van mijn ridderplicht gekweten, daar ik met behulp van mijne meesteresse Dulcinea van Toboso mijne beloften gehouden heb.”
“Hoort gij ’t nu wel?” riep Sancho vroolijk. “Heb ik ’t niet gezegd? Ik sprak toch niet in dronkenschap. Nu ziet gij, mijn heer heeft den reus doodgemaakt en mijn stadhouderschap kan mij nu niet meer ontgaan.”
Allen lachten hartelijk bij deze nieuwe dwaasheden van den ridder en zijn knaap. Alleen de herbergier vloekte en schimpte nog altijd voort en wenschte de twee gekken naar het land, waar de peper groeit.
Om echter aan deze klucht een goed einde te maken, brachten de pastoor en de barbier den ridder weer te bed, dekten hem warmpjes toe en merkten tot hunne blijdschap, dat hij van uitputting dadelijk insliep. Zij lieten hem rusten, traden voor de deur van de herberg, namen Sancho Panza mee en troostten hem, dat hij het hoofd van den reus niet had kunnen vinden. De schildknaap was spoedig tevredengesteld; doch meer moeite had men met den verbolgen waard, die nog altijd over het verlies van zijn wijn en zijne kostelijke nieuwe zakken lamenteerde. Hij zette eerst weer een lachend gezicht, toen de begeleiders van jonkvrouwe Dorothea hem tot schadeloos stelling eenige goudstukken, die zijne schade dubbel en dwars goedmaakten, in de hand drukten.
Nu werd het eten opgedragen en allen schikten vroolijk aan den maaltijd. Toen die was afgeloopen, nam jonkvrouwe Dorothea met hare begeleiders van den pastoor en den barbier vriendelijk afscheid, droeg den verbaasden Sancho op, zijn meester wel duizendmaal van haar te groeten, en zette toen hare door het avontuur met den dolenden ridder afgebroken reis met haar gezelschap voort. Eerst toen zij in de verte verdwenen was, verklapte men aanSancho, hoe ’t met de zaak was gelegen geweest; en deze maakte zich niet weinig boos over de comedie, welke men met hem en zijn dapperen meester gespeeld had. Men wist hem echter door vriendelijke toespraak al spoedig tot bedaren te brengen, en eindelijk beloofde hij zelfs zijne medewerking tot het beraamde plan, om den ridder Don Quichot goed- of kwaadschiks weer naar zijne woonplaats terug te brengen.
De nacht ging verder rustig voorbij. Den volgenden morgen echter kwam Don Quichot, die nu uitgeslapen en weer tamelijk goed bij zijne zinnen was, uit zijne slaapkamer te voorschijn en vernam naar de prinses Micomicona en de heeren van haar gevolg. De pastoor maakte hem volgens afspraak wijs, dat die was vooruitgereden, om de woonplaats van een zoo beroemden ridder als Don Quichot te leeren kennen, en dat zij aldaar zijne aankomst rustig afwachten wilde. De goede man stelde zich met deze verklaring dan ook dadelijk tevreden en drong nu zelf op vertrekken aan, daar zijn harte brandende was van verlangen, om zijne edele beschermelinge ten spoedigste weer te ontmoeten.
Vóór de afreis daagde nu ook de barbier op, die tot hiertoe de betrekking van palfrenier bij de prinses Micomicona had vervuld, en begroette Don Quichot, alsof hij hem in tijden niet gezien en gesproken had. Don Quichot verwelkomde hem op dezelfde wijze en noodigde hem uit, zich aan zijn gezelschap aan te sluiten. Hierop besteeg hij Rocinante; de overigen, ook Sancho Panza die een muildier van Dorothea ten geschenke had gekregen, volgden op hunne ezels, en de reis naar de woonplaats des dolenden ridders werd ondernomen.
De eerste dag leverde niets opmerkelijks op. Don Quichot hield zich tamelijk rustig, Sancho Panza keuvelde met den barbier, en de pastoor vleide zich meer en meer met de hoop, dat men des ridders huis wel zonder tegenspoed bereiken en hem daar zijne dolle ideën eindelijk uit het hoofd drijven zou.
Voordat zij hunne bestemming bereikten, moesten zij echter nog een avontuur bestaan, dat den Ridder van de Droevige Figuur bijna ’t leven kostte.
Op den tweeden dag hunner reis vernam deze de tonen eener trompet, keek op en zag van eenen heuvel eene schaar geheel in ’t wit gedoste lieden afkomen. Dit waren geeselaars, die, daar de hemel dit jaar allen regen had geweigerd, onder gebed en boetedoening eene bedevaart naar eene kluizenaarshut ondernamen, om daar van God af te smeeken, dat Hij zijne milde hand mocht openen en een verkwikkenden regen op de verdorde velden doen neerruischen. Bij ’t zien van hunne zonderlinge en ongewone kleeding beeldde Don Quichot zich nu echter naar gewoonte in, dat hem weder een avontuur wachtte, en dat hij als dolend ridder verplicht was, dat met koenheid en moed te bestaan. In dezen waan werd hij door een beeld in rouwkleederen nog meer versterkt. Hij hield dat namelijk voor de eene of andere edele en voorname vrouw, die door deze schaamtelooze en schandelijke roovers met geweld voortgesleept werd.
Zoodra hij dit alles in zijne dolle verbeelding zoo had vastgesteld, greep hij zijne teugels vaster, hield zijn schild voor, trok met geweldigen zwaai zijn blinkend zwaard uit de scheede en riep met dreunende stem:
“Geeft acht, gij mannen; thans zult gij met eigen oogen aanschouwen, dat er helden in de wereld zijn, die zich uit vrije verkiezing voor het algemeen welzijn opofferen en tot de beroemde orde der dolende ridders behooren.”
Na dit geroepen te hebben, stiet hij Rocinante, daar hij geen sporen had, met de kuiten en hakken in de ribben en stormde in een zwakken galop, die echter de snelste was, dien de knol aannemen kon, op de geeselaars in. Tevergeefs schreeuwden de pastoor en de barbier zich heesch, om hem van zijn roekeloos opzet af te brengen. Don Quichot was daar doof voor. Ook Sancho Panza verhief zijne stem, om den ridder tot staan te brengen, doch met hetzelfde gevolg.
“Heer, bedroefde ridder,” schreeuwde hij hem na, “waar wilt gij dan eigenlijk naar toe? Welke booze duivel is in u gevaren, dat gij zelfs tegen ons eigen heilig geloof wilt vechten? Ziet gij dan niet, dat die optocht eene schaar boetelingen en dat de vrouw, die zij op dat voetstuk dragen, enkel het beeld der heilige Moedermaagd is?God helpe ons en sta ons bij! Bedenk wel, heer ridder, wat gij doet, en stel u niet moedwillig aan schimp, schande en schade bloot!”
Zoo brulde Sancho; doch ’t was, zooals gezegd is, voor doovemansooren gepraat. Don Quichot van La Mancha stoof, om de in diepen rouw gekleede vrouw te bevrijden, met zulk een dolle vaart op de boetelingen in, dat hij nergens naar luisterde. En ook als hij elk woord verstaan had, zou hij daarom toch niet omgekeerd zijn. Eens door zijne razernij aangetast, liet hij zich door geen woord en geen koning meer tegenhouden.
Op korten afstand gekomen, hield hij zijn hijgend en kuchend strijdros in en riep met dreigende stem: “Gij daar in witte kleederen, die uwe aangezichten zeker alleen bedekt houdt, omdat gij booze dingen in het schild voert, houdt stil en verneemt mijne rede!”
De voorsten in de rij droegen het beeld en waren dus natuurlijk ook de eersten, die ’s ridders toeroep vernamen en vol verbazing bleven staan. Het waren vier geestelijken, en bij ’t zien van de wonderbaarlijke uitrusting, het magere paard en heel het potsierlijk voorkomen van onzen held nam een hunner het woord en riep terug:
“Hoor, mijn beste heer, zoo gij ons iets van belang hebt mede te deelen, doe dat wat kort en bondig en houd ons, als ’t wezen kan, niet op. De vrome lieden hier achter ons doen boete en kastijden hun lichaam, tot wij daar bij de hermitage zullen zijn aangekomen. Wij mogen hun lijden niet onnoodig verlengen, en als gij dus wat lang van stijl zijt, zwijg dan liever en maak u wat spoedig uit de voeten.”
“Nu, wat ik wil is in korte woorden te zeggen en af te doen,” antwoordde Don Quichot. “Ik verlang van u, dat gij zonder verwijl die arme en in tranen wegsmeltende dame in vrijheid stelt, naardien gij haar zonder twijfel tegen haar wil medesleept en haar hemeltergend geweld hebt aangedaan. Ik, die in de wereld ben gezonden, om het kromme recht te buigen en de onderdrukten te helpen, zal niet dulden, dat men de arme bedrukte jonkvrouwe nog verder onrecht doet. Voordat gij een stap verder moogt gaan, moet gijhaar de volle vrijheid teruggeven, die zij gewisselijk verdient.”
Uit deze onzinnige taal merkten allen, die ’t hooren en verstaan konden, dat er bij den ridder van de droevige figuur een vrij erge streep door moest loopen, en het gevolg was, dat allen in een schaterend lachen uitbarstten. Dit lachen was echter olie in het vuur gegoten. Don Quichots toorn ontvlamde; zonder een woord te spreken, schuimbekkend van woede, zwaaide hij zijn zwaard en stoof tot den aanval vooruit. Zoodra de dragers van het heilige beeld dit zagen, liet de sterkste zijn last aan een ander over, trad den dolleman in den weg en weerde diens eersten houw af met eene soort van vork, waarmee hij bij het uitrusten het beeld der Heilige Maagd placht te stutten. Die vork of gaffel werd wel door ’s ridders geweldige zwaardslagen in tweeën gehakt, doch de drager verloor daarom den moed niet, maar bracht met het stuk, dat hij nog in de hand hield, onzen armen held een zoo geduchten veeg over de schouders toe, dat deze waggelde, tuimelde en half kopjebuitelend op den harden, zandigen grond neerplofte.
Op dit oogenblik schreeuwde Sancho Panza, die hijgend aan kwam loopen, den overwinnaar toe, den gevallene te ontzien en hem verder geen kwaad meer te doen. Don Quichot was een arme behekste en verbijsterde ridder, die niet wist, wat hij deed, en derhalve het medelijden van alle verstandige menschen verdiende.
De boer hief zijn knuppel dan ook niet weer op; doch ’t was niet Sancho’s kermen, dat hem tot deze verschooning bewoog, maar alleen de opmerking, dat Don Quichot als een blok op den grond lag en geen vin meer verroerde. Deze omstandigheid deed den boer denken, dat hij den armen ridder had doodgeslagen, en daarom pakte hij zijn lang sleepkleed op, trok het tot den gordel in de hoogte, wierp zijn knuppel weg en zette het met de snelheid van een hert op een loopen.
Inmiddels waren ook de pastoor en de barbier nader gekomen en hadden de geeselaars zich om den gevallene opeengedrongen, ten gevolge waarvan een kluchtig tooneel van verwarring en misverstand ontstond. Debedevaartgangersmeenden, dat zij zouden worden aangevallen, trokken hunne kappen over het hoofd, zwaaidenhunne geeselroeden enwachttenhet begin van den kamp af met het vaste voornemen, om iederen vijand ongenadig van de taart te geven. Toen zij nu echter zagen, dat Sancho Panza, zonder zich aan iets anders te storen, bij het lichaam van zijn meester neerknielde en, in de stellige verbeelding, dat die werkelijk morsdood was, de akeligste jammer- en klaagtonen uitstiet, toen ook de pastoor door een der priesters, die de bedevaart aanvoerden, herkend werd, toen maakten op eens haat en vijandschap voor vrede en verzoening plaats en werd van geen van beide kanten aan vechten meer gedacht.
Onze pastoor deelde den priester in korte woorden mede, hoe het eigenlijk met den armen ridder gesteld was, en ging daarop met nog eenige anderen bij den gevallene, om te zien, of die werkelijk den adem had uitgeblazen of alleen maar buiten kennis lag. Op de kampplaats aangekomen, hoorde hij den trouwen schildknaap luid krijten en huilen en aan zijne droefheid lucht geven in de volgende bewoordingen:
“O gij, bloem van alle ridderschap, roem en glorie dezer eeuw, eer en sieraad van uw gansche geslacht, waarom moest gij door zoo een ellendigen knuppelslag uw doorluchtig leven eindigen? Nu, daar gij gestorven zijt, zullen alle zondaars en boosdoeners weer stoutmoedig de hoofden opsteken, zonder te vreezen, dat zij voor hunne goddeloosheden gestraft worden. Hoe beklaag en betreur ik uwen dood, o grootmoedigste en milddadigste van alle dolende helden, die mij voor de korte dienstbaarheid van weinig maanden ’t schoonste eiland zoudt hebben gegeven, dat gij maar op de wereld veroveren kondt. Rust zacht, deemoedige onder de hoovaardigen, wreker der beleedigden, helper der bedrukten, tuchtroede der boozen en godslasteraars, schrik der schelmen en gauwdieven en vervolger der wreedaardigen! Rust zacht, zeg ik, want gij verdient dat, als de beste dolende ridder, dien ooit de wereld gezien en bewonderd heeft.”
Dat laatste woord had Sancho Panza echter pas over de lippen, of Don Quichot sloeg na het uitstooten van een diepen zucht zijne oogen op en keek uiterst verbijsterd rond.
“Waar ben ik?” vroeg hij. “Ha, ik herinner mij: een vreeselijke reus en toovenaar heeft mij met zijn ijzeren knods ter aarde geveld. Bezorg mij een voertuig, waarde vriend Sancho Panza, want ik ben niet meer in staat mijn strijdhengst Rocinante te beklimmen. Mijne schouderbladen zijn stukgebeukt, en wij moeten ons haasten onze woonplaats te bereiken, als ik er het leven afbrengen zal. Ach, wat zal van de edele prinses Micomicona van Micomicon worden, nu mijn heldenarm haar niet langer beschermen kan!”
“Maak u daar niet ongerust over,” antwoordde de pastoor, die dit oogenblik gunstig oordeelde, om Don Quichot het vertrek van de jonkvrouw mede te deelen. “Zoo pas heb ik daar eene boodschap van de prinses ontvangen, dat zij uwe bescherming niet meer noodig heeft. De reus is door hare onderdanen doodgeslagen, en haar terugkeer in haar koningrijk staat dus niets meer in den weg. Reeds is zij daarheen op reis gegaan en zij laat u door mij duizendmaal groeten en haren innigsten dank betuigen.”
“Dat verheugt mij hartelijk,” antwoordde de ridder. “Ik wensch der edele dame zegen en voorspoed op haar weg toe en verblijd mij, dat zij ook zonder mijne hulp tot hare rechten is gekomen. Maar waar is de karos? Sancho Panza, zorg gij, dat ik een rijtuig krijg.”
“Terstond, terstond, edele heer!” riep Sancho en liep heen, om ergens in de nabijheid een voertuig op te loopen. Hij vond gelukkig eene oude, deerlijk gehavende herderskar op het veld staan, kwam daarmee aankruien en laadde met behulp van den pastoor en den barbier den gekwetste er op. Rocinante werd er als trekpaard voorgespannen en zoo de reis voortgezet. De bedevaartgangers stelden zich weder in beweging, en Don Quichot werd langzaam naar huis gekruid.
Tegen den middag kwamen zij in Don Quichot’s geboortedorp aan. Het was juist op een Zondag en bijna al de bewoners der plaats hadden zich op het marktplein verzameld, dat de kar van den ridder dwars moest oversteken. Oud en jong stroomden nieuwsgierig toe, om met de lading van het vreemde voertuig kennis te maken, en waren niet weinig verbaasd, toen zij hunnen edelen landsman herkenden. Een jongen liep op een drafje naar ’s riddershuis vooruit, om aan de huishoudster en de nicht bericht te brengen, dat haar meester en oom bontenblauw geslagen, bleek, vermagerd, op een bos hooi op eene ellendige kar liggend, in aantocht was.
De beide vrouwen waren door dit bericht zoo ontsteld, dat het met geen woorden te beschrijven is. Zij maakten een gruwelijk misbaar, rukten zich haren en krullen uit het hoofd en verwenschten opnieuw de onzalige ridderboeken, die al deze ellende hadden veroorzaakt.
Nog raasden zij op deze wijze tegen hare eigen hoofden en tegen die verwenschte romans, toen de hofpoort knarsend op hare verroeste hengsels draaide en de kruiwagen met den gewonden ridder voor de deur stilhield. Terstond schoten de beide vrouwen toe, namen den armen held op, droegen hem met behulp van den pastoor en den barbier in huis, ontkleedden hem en brachten hem eindelijk in zijn ouderwetsch ledikant ter ruste. Don Quichot zei geen woord, maar liet zich alles bedaard welgevallen. De pastoor drukte echter het nichtje op het hart, haar oom toch met de meeste zorg te verplegen en in ’s hemels naam toe te zien, dat hij nog niet eens ontsnapte en als dolend ridder het land op stelten zette. Hierop vertelde hij, wat moeite het gekost had, den gekken held weer naar huis te krijgen, en zocht de arme vrouwen te troosten, die alweer hardop begonnen te huilen en haar hart vasthielden, dat haar meester en oom die dolle kuren opnieuw zoude beginnen.
Of dit al of niet gebeurde, zullen wij spoedig genoeg vernemen.
Terwijl nu daar binnen in huis over den ridder geklaagd, getreurd en gelamenteerd werd, kreeg zijn arme schildknaap het daarbuiten op den hof bitter zwaar te verantwoorden. Op het bericht van Don Quichots terugkeer kwam namelijk Sancho Panza’s vrouw toe en vond haren echtvriend op het punt van zijn ezel te bestijgen, om naar zijne hut en zijne dierbare gade terug te keeren. De schimp- en scheldwoorden, waarmede de vergramde vrouw hem overstelpte, omdat hij zoo heimelijk den huiselijken haard had verlaten, willen wij hier liever niet herhalen. Wij zeggen alleen, dat den armenknaap terdeeg de ooren werden gewasschen, en dat hij zeer mak en gedwee onder geleide van zijne kijvende wederhelft thuis aankwam.
HoofdstukXIV.Hoe Don Quichot tot een nieuwen tocht wordt bewogen.Verscheiden weken achtereen lag de ridder aan de gevolgen van de bekomen wonden en kwetsuren vrij ernstig ziek. In plaats van hem gedurende zijne krankheid te bezoeken, hielden de pastoor en de barbier zich opzettelijk op een afstand, om de voorvallen van den laatsten tijd maar niet weer in zijn ontsteld brein op te frisschen, doch verzuimden niet, van tijd tot tijd de huishoudster en het nichtje te komen zien, om haar in de behandeling van den ridder naar hun beste weten te onderrichten.“Geeft hem goeden, stevigen kost en praat hem niet van de dolle streken, die hij uitgevoerd heeft,” zeide de pastoor. “Misschien vergeet hij dan zijne waanzinnige hersenschimmen en wordt mettertijd weer een zoo wat half verstandig man.”De vrouwen volgden deze aanwijzing met alle stiptheid en Don Quichot kwam eindelijk zoo ver, dat hij bezoekers toelaten en zijne oude vrienden, den pastoor en den barbier, ontvangen kon. Bij hunne komst vonden zij hem overeind in zijn bed zitten. Hij had een buis van groen laken aan, droeg eene groene Toledomuts op het hoofd en zag er zoo mager en uitgedroogd uit, dat hij wel haast eene mummie geleek. Voor ’t overige ontving hij zijne gasten met veel vriendelijkheid, sprak zeer bedaard en verstandig en bediendezich van zulke uitgezochte en gepaste uitdrukkingen, dat de goede pastoor reeds hoop begon te voeden, dat hij zich die dwaze dolende ridderschap nu toch voorgoed uit het hoofd had gezet. Om daarvan de zekerheid te verkrijgen, besloot hij eene afdoende proef te nemen, en bracht zoo in den loop van het gesprek te pas, dat de Turken met eene geweldige legermacht in aantocht waren en het eiland Sicilië, dat destijds nog tot het koningrijk Spanje behoorde, met een inval bedreigden. De koning had dat eiland evenwel reeds doen versterken en er een sterke krijgsmacht heengezonden.Bij dit verhaal schudde Don Quichot bedenkelijk het hoofd.“De koning,” zeide hij na eene poos, “heeft zeker bij deze gelegenheid als een wijs en zeer voorzichtig veldheer gehandeld en zijne staten gedekt, zoodat de vijand die niet onvoorbereid en weerloos zal vinden; maar als hij mijn raad wou volgen, zou hij toch met veel geringer aanwending van geld en krachten veel grooter uitkomsten kunnen verkrijgen.”Bij het vernemen van deze woorden kreeg het vertrouwen van den pastoor op Don Quichots herstelling weer een bedenkelijken stoot en bij zichzelf dacht hij: “Mijn goede beste Don Quichot! daar tuimelt gij weer hals over kop in den afgrond van uwe dolle inbeeldingen neer!”De barbier had nagenoeg dezelfde gedachten; maar om niet te voorbarig te oordeelen, vroeg hij Don Quichot, waar zijne voortreffelijke maatregelen dan wel eigenlijk in bestonden? Misschien behoorden zij wel tot die, welke men in het dagelijksch leven dolzinnige en ongerijmde noemt.“Mijn denkbeeld, meester baardschrabber, is zeer gerijmd,” antwoordde Don Quichot op barschen toon, “en stellig lang niet zoo dolzinnig als gij zelf.”“Kom, kom, heer ridder, ik meende ’t zoo boos niet, als gij het daar opvat,” zei de barbier. “Ik wou alleen maar zeggen, dat veel voorslagen, die den koning reeds gedaan zijn, onuitvoerbaar en onmogelijk zijn bevonden en, wou men er gevolg aan geven, het rijk enkel schade en verlies zouden toebrengen.”“Dat is echter met mijn voorslag niet het geval,” verzekerdeDon Quichot. “’t Is het lichtste, gemakkelijkste, doelmatigste en vernuftigste middel, dat ooit in de hersens van een verstandig man is opgekomen.”“En wilt gij het ons ook mededeelen, heer?” vroeg de pastoor.Don Quichot zag hem wantrouwig van ter zijde aan. “Ik zal mij wel wachten, het te verklappen,” zeide hij. “Wie staat mij borg, dat gij niet, zoodra gij het plan vernomen hebt, dat dadelijk aan de ministers des konings mededeelt en u zoo den roem en de eer toeëigent, die mij, als den uitvinder, heel alleen toekomt?”“Ik voor mij zweer bij alles, wat heilig is, dat ik mij nooit aan zulk een schandelijk verraad zal schuldig maken,” riep de barbier. “Wat gij ook spreken moogt, nooit zal eene syllabe over mijne lippen komen, en noch koning noch bedelaar zal mij immer bewegen mijn eed te breken.”“Dat is genoeg, dat is genoeg,” zeide Don Quichot. “Ik ken u als een eerlijk man, heer barbier, en vertrouw u ten volle.”“En was dat niet zoo, dan durfde ik wel voor hem instaan,” verklaarde de pastoor. “Hij zou niet meer over deze zaak spreken, dan een stomme, op straffe der boete, die ik hem opleggen zou.”“Maar wie is mij borg voor u zelf, heer pastoor?” vroeg Don Quichot.“Mijn heilig ambt,” antwoordde de pastoor met waardigheid, “mijn heilig ambt, dat mij streng stilzwijgen tot een onverbrekelijken plicht maakt.”“Welaan dan,” riep Don Quichot, die thans zijne toehoorders ten volle vertrouwde: “waarom laat dan de koning niet uitroepen, dat op een vastgestelden dag alle dolende ridders en helden van Spanje zich ten hove verzamelen moeten? Indien ook maar een dozijn verschenen, zou toch reeds dit gering aantal toereikend zijn, om de gansche macht van den heidenschen Turk geheel te vernielen. Heeft niet al vaak een eenig dolend ridder een leger van tweemaal honderd duizend krijgers op de vlucht gejaagd? Waarom zou in den tegenwoordigen tijd zulk eene heldendaad niet meer kunnen voorkomen? Waarlijk, waarlijk, nog heden ten dage zijn er mannen, die voor de ridders uit den ouden tijd in sterkte noch in dapperheid onderdoen!God hoort mij en ziet in mijn hart.... Meer wil ik niet zeggen.”“Och grut!” riep hier de nicht, die met de huishoudster het gansche gesprek had aangehoord, “och grut, dat is weer de oude mallepraat; en ik wil een boon wezen, als hij niet weer lust heeft, om op zijne dolle avonturen uit te gaan.”“Ja,” zeide Don Quichot op ernstigen toon, “als dolend ridder wil ik leven en sterven, en geen sterveling zal mij van mijn voornemen afbrengen. Laat de Turken maar komen! Al zijn zij nog zoo machtig en geweldig, ik zal.”“Luister, beste heer,” wendde de barbier, die een poosje stil nagedacht had, zich hier tot den koenen ridder: “vergun mij, eene kleine geschiedenis te vertellen, die in Sevilla is voorgevallen en op deze dingen past, als het deksel op den pot.”Don Quichot gaf dadelijk de gevraagde vergunning, en de barbier vertelde de volgende aardige kleine geschiedenis:“In het dolhuis te Sevilla was een man, dien zijne verwanten daarheen gebracht hadden, omdat het met zijn hoofd niet goed was. Hij was van den geestelijken stand en had zijn examen al gedaan, toen zijn vroeger verstandige en vlugge kop op eens van streek raakte en niemand raad meer met hem wist.“De candidaat woonde eenige jaren in het gekkenhuis en hield zich stil en bedaard, totdat hij op eens op de gedachte kwam, dat hij zijn verstand weerom had gekregen en dat hem niets meer haperde. In deze vreemde overtuiging ging hij zitten, schreef een langen brief aan den aartsbisschop, meldde hem in verstandige woorden, dat hij door Gods goedheid al zijne vijf zinnen weer bij elkaar had, en dat men hem alleen nog maar als een gevangene hield opgesloten, omdat zijne verwanten uit hebzucht en vrekkigheid het weinigje vermogen, dat hem toekwam, niet uitkeeren wilden.“Daar de eerste brief onbeantwoord bleef, stelde de waanzinnige candidaat een tweeden op; toen een derden, een vierden en zoo voort, totdat de aartsbisschop zich eindelijk door zijne mooie, sierlijke woorden liet verleiden om een kapelaan naar het gekkenhuis af tevaardigen. Dezen gaf hij de bepaalde order, eerst bij het hoofd van het gesticht te vernemen, of alles waar was, wat de candidaat geschreven had; vervolgens moest hij den candidaat zelf in verhoor nemen, en bevond hij dan, dat die werkelijk gezond en goed bij zijn hoofd was, dan moest hij hem dadelijk op vrije voeten stellen.“De kapelaan handelde stipt volgens het voorschrift van den bisschop; doch toen hij in het gekkenhuis kwam, werd hem door den bestuurder verzekerd, dat de bewuste jonge geestelijke even gek was, als in den beginne, en al sprak hij soms eens een verstandig woord, dan sloeg hij daarvoor al spoedig weer zoo hard door, dat aan loslating niet te denken viel.“Om in alles naar het voorschrift van zijn aartsbisschop te handelen, antwoordde de kapelaan hier niet op, maar liet zich bij den krankzinnige brengen, om te zien, of hij zoo ook achter de waarheid zou kunnen komen. Hij sprak langer dan een uur met den jongen geestelijke, hoorde in al dien tijd geen enkel onwijs of zelfs maar onverstandig woord van hem, en kon dus moeielijk anders, dan den gekken candidaat voor een mensch met gezonde hersens houden. De waanzinnige beklaagde zich er onder andere ook over, dat de bestuurder hem alleen daarom voor een lijder, die slechts nu en dan heldere oogenblikken had, uitgaf, omdat hij daarvoor door zijne verwanten rijkelijk werd betaald. Zoo kwam het dan, dat zijn vermogen de steen des aanstoots, de bron van alle kwaad bij hem geworden was. Alleen om genot van zijne have te hebben, overstelpten zijne verwanten hem met smaad en schande en loochenden stoutweg, dat een wonder aan hem gedaan was en hem van een krankzinnig tot een verstandig mensch gemaakt had.“De kapelaan, die al deze verklaringen zeer geloofwaardig vond, vatte nu argwaan tegen den bestuurder van het gesticht op en geloofde den gek liever dan zijn dokter. Hij besloot dus, den candidaat in vrijheid te stellen en hem bij den aartsbisschop te brengen, zoodat deze zelf zich van het helder verstand van den armen man overtuigen kon.“Zonder dralen beval de kapelaan den bestuurder, den candidaat van behoorlijke kleederen te voorzien. De bestuurder pruttelde hierwel erg tegen en deed alles, om den kapelaan tot andere gedachten te brengen; maar dat hielp niet, hij moest gehoorzamen. De candidaat kreeg dus een fatsoenlijk splinternieuw pak aan en verzocht den kapelaan zeer beleefd, van zijne voormalige lotgenooten afscheid te mogen nemen. Dit werd toegestaan en de kapelaan zelf bood aan, hem op deze wandeling te vergezellen. Zoo kwamen zij bij de cel van een krankzinnige, wien de candidaat goedendagzeide, terwijl hij aanbood, zoo de ander de eene of andere boodschap mocht hebben, die zonder haperen over te brengen.““Beschik vrij over mij,” zeide hij tot den waanzinnige. “Nu ik mijn verstand weerom heb gekregen, wil ik dat ook gebruiken, om al mijnen medemenschen van dienst te zijn.”“Deze woorden hoorde een andere gek, die in eene cel tegenover die van den eersten zat. Hij sprong dus van zijne mat op en vroeg, luid schreeuwend: “Wie is het toch, die daar gezond en verstandig heen mag gaan?”““Ik ben het, lieve broeder,” antwoordde de candidaat; “ik behoef hier niet langer te blijven en ben dankbaar, dat mij zoo groote genade is verleend.”““Ei, ge weet niet, wat ge zegt,” schreeuwde de gek den candidaat toe. “Laat je niet door den duivel verblinden, maar blijf stil in je cel, zoodat ze je niet terug hebben te brengen.”““O, dat heeft geen nood,” riep de candidaat lachend. “Ik weet, dat ik volkomen goed bij mijn verstand ben en hier dus niet behoef terug te komen, om het ellendig leven van een krankzinnige te leiden.”““Jij volkomen bij je verstand?” riep de gek. “Jij gezond? Loop heen! De tijd zal ’t gauw anders leeren. Ik zweer je bij Jupiter, wiens plaats ik op aarde bekleed, dat ik de onnoozele stad Sevilla, die zoo’n razenden gek, als jij bent, vrijlaat, voor die dwaasheid hard zal straffen en kastijden. Van vandaag af zal het drie volle jaren lang niet regenen over deze stad, en alle vruchten zullen verdorren en alle weiden verschroeid en verzengd worden. Je zoudt goed bij je verstand wezen, terwijl men mij hier gebonden en opgesloten houdt? Daar moet straf voor wezen! Voordat die driejaren om zijn, zal geen droppeltje regen over Sevilla vallen.”“De omstanders hoorden vreemd op bij dien zottepraat van den gek, en ook de kapelaan zag hem verwonderd aan. Nu echter klopte de candidaat dezen op schouder en voegde hem vertrouwelijk toe:““Wees maar niet bang, waarde heer, en stoor u niet aan de dreigementen van dien armen zot. Als hij Jupiter is en niet wil laten regenen, dan ben ik daarentegen Neptunus, de vader der zeeën en van alle wateren, en kan dus ook regen zenden, zooveel ge maar hebben wilt.”““Ei, wat ge zegt!” riep de kapelaan, die nu zijn man had leeren kennen. “Als gij Neptunus zijt en heer Jupiter wilt beleedigen, oordeel ik het toch maar beter, dat gij vooreerst hier in huis blijft. Een ander maal, als ’t mij eens gelegen komt, wil ik terugkeeren en u van hier weghalen.”“De bestuurder van het gesticht lachte, en de gekke candidaat kreeg zijn oude pak weer aan en kon weer naar zijne oude cel stappen.“Dit is mijne geschiedenis,” zeide de barbier; “en de toepassing kan ieder licht zelf maken.”“O baardschrabber, o baardschrabber!” riep Don Quichot uit, “meent ge werkelijk, dat deze dwaze historie zoo goed op onze omstandigheden past? Ik voor mijn part geloof dat niet; want ik weet opperbest, dat ik niet Neptunus ben, en verlang van niemand, dat hij mij voor wijs houdt, als ik een domme ezel, een onwijze sukkel ben. Mijn streven is edel en groot, en door de plichten der dolende ridderschap te vervullen doe ik eenvoudig, wat goed en recht is. Zwijgt allen en leutert me niet langer met zulke beuzelpraatjes om de ooren! Ik ga mijn eigen weg, en er is geen mensch in de wereld, die mij daarvan afbrengen zal.”Verstoord keerde Don Quichot hun den rug toe, zoodat de pastoor en de barbier het ’t best oordeelden, maar stilletjes weer op te trekken. Zij moesten alle hoop, om den armen ridder Don Quichot van zijne dwaze inbeeldingen terug te brengen, nu eindelijk wel opgeven, en deden dat dan ook.Bij het verlaten van het huis kwamen zij een zeer aardig en verstandig jonkman, zekeren Sanson Carrasco, tegen, die een geleerde en met onzen welmeenenden pastoor bevriend was. Bij hem stortte deze laatste zijn hart uit, en de jonge Carrasco gaf al spoedig een middel op, om Don Quichot van zijne avontuurlijke hersenschimmen te bevrijden. Dat middel kwam den pastoor goed voor en terstond overlegde hij met zijn vriend, op welke wijze men dit het best zou kunnen aanwenden.Weinige dagen daarna, toen Don Quichot weer ten volle hersteld was en zich juist met Sancho Panza over zijne toekomstige plannen onderhield, liet Sanson Carrasco zich bij hem aanmelden en werd zonder verwijl in zijn vertrek toegelaten. Na eenige voorafgaande komplimenten deelde hij den edelen ridder mede, dat hij zeer veel goeds en schoons van zijne roemruchtige daden had vernomen en nu opzettelijk gekomen was, om van aangezicht tot aangezicht den held te zien, wiens naam sinds eenigen tijd het gansche heelal vervulde. Na deze inleiding spoorde hij hem met krachtige taal aan, toch spoedig weer een nieuwen krijgstocht tegen de ondeugden, verkeerdheden en zonden der goddelooze wereld te beginnen, en bracht het toch al zwakke hoofd des edelen Dons daardoor dusdanig op hol, dat deze terstond besloot, aan de inblazingen van den welbespraakten Carrasco gehoor te geven. Nauwelijks had deze met de belofte van hem een prachtigen ridderhelm te zullen vereeren van hem afscheid genomen, of hij gaf Sancho Panza last, zijn ezel en zichzelf gereed te houden, om binnen drie dagen op nieuwe avonturen uit te gaan. Sancho verklaarde zich daartoe gaarne bereid, daar Don Quichots beloften en voorspiegelingen nog altijd een open oor bij hem vonden, en hierop deelde Don Quichot zijn besluit ook aan huishoudster en nicht mede. De arme vrouwen, die van Carrasco’s fijn plan niets wisten, waren radeloos, en kermden en huilden, maar richtten daardoor niets uit, dan dat Don Quichot haar voor malloten en domme, onverstandige vrouwlui uitmaakte, zonder zich door al dat misbaar van zijn voornemen te laten afbrengen.Den volgenden dag zond Carrasco den beloofden helm. Deze wasmet roest en schimmel overdekt en had niets aan zich, dat aan blank en glanzig staal deed denken. Dat achtte Don Quichot evenwel maar eene kleinigheid. Hij nam puimsteen en schuurlappen, poetste hem zoo goed mogelijk op en besteedde de overige dagen, om alles voor zijne reis in gereedheid te brengen.Het was Don Quichot echter gedurende zijne ziekte door het hoofd gegaan, wie hij tot hiertoe voor jonkvrouwe Dulcinea had gehouden, zoodat deze voor hem een zuiver phantasiebeeld geworden was.
Verscheiden weken achtereen lag de ridder aan de gevolgen van de bekomen wonden en kwetsuren vrij ernstig ziek. In plaats van hem gedurende zijne krankheid te bezoeken, hielden de pastoor en de barbier zich opzettelijk op een afstand, om de voorvallen van den laatsten tijd maar niet weer in zijn ontsteld brein op te frisschen, doch verzuimden niet, van tijd tot tijd de huishoudster en het nichtje te komen zien, om haar in de behandeling van den ridder naar hun beste weten te onderrichten.
“Geeft hem goeden, stevigen kost en praat hem niet van de dolle streken, die hij uitgevoerd heeft,” zeide de pastoor. “Misschien vergeet hij dan zijne waanzinnige hersenschimmen en wordt mettertijd weer een zoo wat half verstandig man.”
De vrouwen volgden deze aanwijzing met alle stiptheid en Don Quichot kwam eindelijk zoo ver, dat hij bezoekers toelaten en zijne oude vrienden, den pastoor en den barbier, ontvangen kon. Bij hunne komst vonden zij hem overeind in zijn bed zitten. Hij had een buis van groen laken aan, droeg eene groene Toledomuts op het hoofd en zag er zoo mager en uitgedroogd uit, dat hij wel haast eene mummie geleek. Voor ’t overige ontving hij zijne gasten met veel vriendelijkheid, sprak zeer bedaard en verstandig en bediendezich van zulke uitgezochte en gepaste uitdrukkingen, dat de goede pastoor reeds hoop begon te voeden, dat hij zich die dwaze dolende ridderschap nu toch voorgoed uit het hoofd had gezet. Om daarvan de zekerheid te verkrijgen, besloot hij eene afdoende proef te nemen, en bracht zoo in den loop van het gesprek te pas, dat de Turken met eene geweldige legermacht in aantocht waren en het eiland Sicilië, dat destijds nog tot het koningrijk Spanje behoorde, met een inval bedreigden. De koning had dat eiland evenwel reeds doen versterken en er een sterke krijgsmacht heengezonden.
Bij dit verhaal schudde Don Quichot bedenkelijk het hoofd.
“De koning,” zeide hij na eene poos, “heeft zeker bij deze gelegenheid als een wijs en zeer voorzichtig veldheer gehandeld en zijne staten gedekt, zoodat de vijand die niet onvoorbereid en weerloos zal vinden; maar als hij mijn raad wou volgen, zou hij toch met veel geringer aanwending van geld en krachten veel grooter uitkomsten kunnen verkrijgen.”
Bij het vernemen van deze woorden kreeg het vertrouwen van den pastoor op Don Quichots herstelling weer een bedenkelijken stoot en bij zichzelf dacht hij: “Mijn goede beste Don Quichot! daar tuimelt gij weer hals over kop in den afgrond van uwe dolle inbeeldingen neer!”
De barbier had nagenoeg dezelfde gedachten; maar om niet te voorbarig te oordeelen, vroeg hij Don Quichot, waar zijne voortreffelijke maatregelen dan wel eigenlijk in bestonden? Misschien behoorden zij wel tot die, welke men in het dagelijksch leven dolzinnige en ongerijmde noemt.
“Mijn denkbeeld, meester baardschrabber, is zeer gerijmd,” antwoordde Don Quichot op barschen toon, “en stellig lang niet zoo dolzinnig als gij zelf.”
“Kom, kom, heer ridder, ik meende ’t zoo boos niet, als gij het daar opvat,” zei de barbier. “Ik wou alleen maar zeggen, dat veel voorslagen, die den koning reeds gedaan zijn, onuitvoerbaar en onmogelijk zijn bevonden en, wou men er gevolg aan geven, het rijk enkel schade en verlies zouden toebrengen.”
“Dat is echter met mijn voorslag niet het geval,” verzekerdeDon Quichot. “’t Is het lichtste, gemakkelijkste, doelmatigste en vernuftigste middel, dat ooit in de hersens van een verstandig man is opgekomen.”
“En wilt gij het ons ook mededeelen, heer?” vroeg de pastoor.
Don Quichot zag hem wantrouwig van ter zijde aan. “Ik zal mij wel wachten, het te verklappen,” zeide hij. “Wie staat mij borg, dat gij niet, zoodra gij het plan vernomen hebt, dat dadelijk aan de ministers des konings mededeelt en u zoo den roem en de eer toeëigent, die mij, als den uitvinder, heel alleen toekomt?”
“Ik voor mij zweer bij alles, wat heilig is, dat ik mij nooit aan zulk een schandelijk verraad zal schuldig maken,” riep de barbier. “Wat gij ook spreken moogt, nooit zal eene syllabe over mijne lippen komen, en noch koning noch bedelaar zal mij immer bewegen mijn eed te breken.”
“Dat is genoeg, dat is genoeg,” zeide Don Quichot. “Ik ken u als een eerlijk man, heer barbier, en vertrouw u ten volle.”
“En was dat niet zoo, dan durfde ik wel voor hem instaan,” verklaarde de pastoor. “Hij zou niet meer over deze zaak spreken, dan een stomme, op straffe der boete, die ik hem opleggen zou.”
“Maar wie is mij borg voor u zelf, heer pastoor?” vroeg Don Quichot.
“Mijn heilig ambt,” antwoordde de pastoor met waardigheid, “mijn heilig ambt, dat mij streng stilzwijgen tot een onverbrekelijken plicht maakt.”
“Welaan dan,” riep Don Quichot, die thans zijne toehoorders ten volle vertrouwde: “waarom laat dan de koning niet uitroepen, dat op een vastgestelden dag alle dolende ridders en helden van Spanje zich ten hove verzamelen moeten? Indien ook maar een dozijn verschenen, zou toch reeds dit gering aantal toereikend zijn, om de gansche macht van den heidenschen Turk geheel te vernielen. Heeft niet al vaak een eenig dolend ridder een leger van tweemaal honderd duizend krijgers op de vlucht gejaagd? Waarom zou in den tegenwoordigen tijd zulk eene heldendaad niet meer kunnen voorkomen? Waarlijk, waarlijk, nog heden ten dage zijn er mannen, die voor de ridders uit den ouden tijd in sterkte noch in dapperheid onderdoen!God hoort mij en ziet in mijn hart.... Meer wil ik niet zeggen.”
“Och grut!” riep hier de nicht, die met de huishoudster het gansche gesprek had aangehoord, “och grut, dat is weer de oude mallepraat; en ik wil een boon wezen, als hij niet weer lust heeft, om op zijne dolle avonturen uit te gaan.”
“Ja,” zeide Don Quichot op ernstigen toon, “als dolend ridder wil ik leven en sterven, en geen sterveling zal mij van mijn voornemen afbrengen. Laat de Turken maar komen! Al zijn zij nog zoo machtig en geweldig, ik zal.”
“Luister, beste heer,” wendde de barbier, die een poosje stil nagedacht had, zich hier tot den koenen ridder: “vergun mij, eene kleine geschiedenis te vertellen, die in Sevilla is voorgevallen en op deze dingen past, als het deksel op den pot.”
Don Quichot gaf dadelijk de gevraagde vergunning, en de barbier vertelde de volgende aardige kleine geschiedenis:
“In het dolhuis te Sevilla was een man, dien zijne verwanten daarheen gebracht hadden, omdat het met zijn hoofd niet goed was. Hij was van den geestelijken stand en had zijn examen al gedaan, toen zijn vroeger verstandige en vlugge kop op eens van streek raakte en niemand raad meer met hem wist.
“De candidaat woonde eenige jaren in het gekkenhuis en hield zich stil en bedaard, totdat hij op eens op de gedachte kwam, dat hij zijn verstand weerom had gekregen en dat hem niets meer haperde. In deze vreemde overtuiging ging hij zitten, schreef een langen brief aan den aartsbisschop, meldde hem in verstandige woorden, dat hij door Gods goedheid al zijne vijf zinnen weer bij elkaar had, en dat men hem alleen nog maar als een gevangene hield opgesloten, omdat zijne verwanten uit hebzucht en vrekkigheid het weinigje vermogen, dat hem toekwam, niet uitkeeren wilden.
“Daar de eerste brief onbeantwoord bleef, stelde de waanzinnige candidaat een tweeden op; toen een derden, een vierden en zoo voort, totdat de aartsbisschop zich eindelijk door zijne mooie, sierlijke woorden liet verleiden om een kapelaan naar het gekkenhuis af tevaardigen. Dezen gaf hij de bepaalde order, eerst bij het hoofd van het gesticht te vernemen, of alles waar was, wat de candidaat geschreven had; vervolgens moest hij den candidaat zelf in verhoor nemen, en bevond hij dan, dat die werkelijk gezond en goed bij zijn hoofd was, dan moest hij hem dadelijk op vrije voeten stellen.
“De kapelaan handelde stipt volgens het voorschrift van den bisschop; doch toen hij in het gekkenhuis kwam, werd hem door den bestuurder verzekerd, dat de bewuste jonge geestelijke even gek was, als in den beginne, en al sprak hij soms eens een verstandig woord, dan sloeg hij daarvoor al spoedig weer zoo hard door, dat aan loslating niet te denken viel.
“Om in alles naar het voorschrift van zijn aartsbisschop te handelen, antwoordde de kapelaan hier niet op, maar liet zich bij den krankzinnige brengen, om te zien, of hij zoo ook achter de waarheid zou kunnen komen. Hij sprak langer dan een uur met den jongen geestelijke, hoorde in al dien tijd geen enkel onwijs of zelfs maar onverstandig woord van hem, en kon dus moeielijk anders, dan den gekken candidaat voor een mensch met gezonde hersens houden. De waanzinnige beklaagde zich er onder andere ook over, dat de bestuurder hem alleen daarom voor een lijder, die slechts nu en dan heldere oogenblikken had, uitgaf, omdat hij daarvoor door zijne verwanten rijkelijk werd betaald. Zoo kwam het dan, dat zijn vermogen de steen des aanstoots, de bron van alle kwaad bij hem geworden was. Alleen om genot van zijne have te hebben, overstelpten zijne verwanten hem met smaad en schande en loochenden stoutweg, dat een wonder aan hem gedaan was en hem van een krankzinnig tot een verstandig mensch gemaakt had.
“De kapelaan, die al deze verklaringen zeer geloofwaardig vond, vatte nu argwaan tegen den bestuurder van het gesticht op en geloofde den gek liever dan zijn dokter. Hij besloot dus, den candidaat in vrijheid te stellen en hem bij den aartsbisschop te brengen, zoodat deze zelf zich van het helder verstand van den armen man overtuigen kon.
“Zonder dralen beval de kapelaan den bestuurder, den candidaat van behoorlijke kleederen te voorzien. De bestuurder pruttelde hierwel erg tegen en deed alles, om den kapelaan tot andere gedachten te brengen; maar dat hielp niet, hij moest gehoorzamen. De candidaat kreeg dus een fatsoenlijk splinternieuw pak aan en verzocht den kapelaan zeer beleefd, van zijne voormalige lotgenooten afscheid te mogen nemen. Dit werd toegestaan en de kapelaan zelf bood aan, hem op deze wandeling te vergezellen. Zoo kwamen zij bij de cel van een krankzinnige, wien de candidaat goedendagzeide, terwijl hij aanbood, zoo de ander de eene of andere boodschap mocht hebben, die zonder haperen over te brengen.
““Beschik vrij over mij,” zeide hij tot den waanzinnige. “Nu ik mijn verstand weerom heb gekregen, wil ik dat ook gebruiken, om al mijnen medemenschen van dienst te zijn.”
“Deze woorden hoorde een andere gek, die in eene cel tegenover die van den eersten zat. Hij sprong dus van zijne mat op en vroeg, luid schreeuwend: “Wie is het toch, die daar gezond en verstandig heen mag gaan?”
““Ik ben het, lieve broeder,” antwoordde de candidaat; “ik behoef hier niet langer te blijven en ben dankbaar, dat mij zoo groote genade is verleend.”
““Ei, ge weet niet, wat ge zegt,” schreeuwde de gek den candidaat toe. “Laat je niet door den duivel verblinden, maar blijf stil in je cel, zoodat ze je niet terug hebben te brengen.”
““O, dat heeft geen nood,” riep de candidaat lachend. “Ik weet, dat ik volkomen goed bij mijn verstand ben en hier dus niet behoef terug te komen, om het ellendig leven van een krankzinnige te leiden.”
““Jij volkomen bij je verstand?” riep de gek. “Jij gezond? Loop heen! De tijd zal ’t gauw anders leeren. Ik zweer je bij Jupiter, wiens plaats ik op aarde bekleed, dat ik de onnoozele stad Sevilla, die zoo’n razenden gek, als jij bent, vrijlaat, voor die dwaasheid hard zal straffen en kastijden. Van vandaag af zal het drie volle jaren lang niet regenen over deze stad, en alle vruchten zullen verdorren en alle weiden verschroeid en verzengd worden. Je zoudt goed bij je verstand wezen, terwijl men mij hier gebonden en opgesloten houdt? Daar moet straf voor wezen! Voordat die driejaren om zijn, zal geen droppeltje regen over Sevilla vallen.”
“De omstanders hoorden vreemd op bij dien zottepraat van den gek, en ook de kapelaan zag hem verwonderd aan. Nu echter klopte de candidaat dezen op schouder en voegde hem vertrouwelijk toe:
““Wees maar niet bang, waarde heer, en stoor u niet aan de dreigementen van dien armen zot. Als hij Jupiter is en niet wil laten regenen, dan ben ik daarentegen Neptunus, de vader der zeeën en van alle wateren, en kan dus ook regen zenden, zooveel ge maar hebben wilt.”
““Ei, wat ge zegt!” riep de kapelaan, die nu zijn man had leeren kennen. “Als gij Neptunus zijt en heer Jupiter wilt beleedigen, oordeel ik het toch maar beter, dat gij vooreerst hier in huis blijft. Een ander maal, als ’t mij eens gelegen komt, wil ik terugkeeren en u van hier weghalen.”
“De bestuurder van het gesticht lachte, en de gekke candidaat kreeg zijn oude pak weer aan en kon weer naar zijne oude cel stappen.
“Dit is mijne geschiedenis,” zeide de barbier; “en de toepassing kan ieder licht zelf maken.”
“O baardschrabber, o baardschrabber!” riep Don Quichot uit, “meent ge werkelijk, dat deze dwaze historie zoo goed op onze omstandigheden past? Ik voor mijn part geloof dat niet; want ik weet opperbest, dat ik niet Neptunus ben, en verlang van niemand, dat hij mij voor wijs houdt, als ik een domme ezel, een onwijze sukkel ben. Mijn streven is edel en groot, en door de plichten der dolende ridderschap te vervullen doe ik eenvoudig, wat goed en recht is. Zwijgt allen en leutert me niet langer met zulke beuzelpraatjes om de ooren! Ik ga mijn eigen weg, en er is geen mensch in de wereld, die mij daarvan afbrengen zal.”
Verstoord keerde Don Quichot hun den rug toe, zoodat de pastoor en de barbier het ’t best oordeelden, maar stilletjes weer op te trekken. Zij moesten alle hoop, om den armen ridder Don Quichot van zijne dwaze inbeeldingen terug te brengen, nu eindelijk wel opgeven, en deden dat dan ook.
Bij het verlaten van het huis kwamen zij een zeer aardig en verstandig jonkman, zekeren Sanson Carrasco, tegen, die een geleerde en met onzen welmeenenden pastoor bevriend was. Bij hem stortte deze laatste zijn hart uit, en de jonge Carrasco gaf al spoedig een middel op, om Don Quichot van zijne avontuurlijke hersenschimmen te bevrijden. Dat middel kwam den pastoor goed voor en terstond overlegde hij met zijn vriend, op welke wijze men dit het best zou kunnen aanwenden.
Weinige dagen daarna, toen Don Quichot weer ten volle hersteld was en zich juist met Sancho Panza over zijne toekomstige plannen onderhield, liet Sanson Carrasco zich bij hem aanmelden en werd zonder verwijl in zijn vertrek toegelaten. Na eenige voorafgaande komplimenten deelde hij den edelen ridder mede, dat hij zeer veel goeds en schoons van zijne roemruchtige daden had vernomen en nu opzettelijk gekomen was, om van aangezicht tot aangezicht den held te zien, wiens naam sinds eenigen tijd het gansche heelal vervulde. Na deze inleiding spoorde hij hem met krachtige taal aan, toch spoedig weer een nieuwen krijgstocht tegen de ondeugden, verkeerdheden en zonden der goddelooze wereld te beginnen, en bracht het toch al zwakke hoofd des edelen Dons daardoor dusdanig op hol, dat deze terstond besloot, aan de inblazingen van den welbespraakten Carrasco gehoor te geven. Nauwelijks had deze met de belofte van hem een prachtigen ridderhelm te zullen vereeren van hem afscheid genomen, of hij gaf Sancho Panza last, zijn ezel en zichzelf gereed te houden, om binnen drie dagen op nieuwe avonturen uit te gaan. Sancho verklaarde zich daartoe gaarne bereid, daar Don Quichots beloften en voorspiegelingen nog altijd een open oor bij hem vonden, en hierop deelde Don Quichot zijn besluit ook aan huishoudster en nicht mede. De arme vrouwen, die van Carrasco’s fijn plan niets wisten, waren radeloos, en kermden en huilden, maar richtten daardoor niets uit, dan dat Don Quichot haar voor malloten en domme, onverstandige vrouwlui uitmaakte, zonder zich door al dat misbaar van zijn voornemen te laten afbrengen.
Den volgenden dag zond Carrasco den beloofden helm. Deze wasmet roest en schimmel overdekt en had niets aan zich, dat aan blank en glanzig staal deed denken. Dat achtte Don Quichot evenwel maar eene kleinigheid. Hij nam puimsteen en schuurlappen, poetste hem zoo goed mogelijk op en besteedde de overige dagen, om alles voor zijne reis in gereedheid te brengen.
Het was Don Quichot echter gedurende zijne ziekte door het hoofd gegaan, wie hij tot hiertoe voor jonkvrouwe Dulcinea had gehouden, zoodat deze voor hem een zuiver phantasiebeeld geworden was.