Hoofdstuk VI.Don Quichot en de windmolens.Onze twee hadden reeds een goed eind weegs afgelegd, toen zij op eens dertig tot veertig windmolens op de vlakte voor zich zagen. Op dat gezicht keerde de ridder zich tot zijn schildknaap om en zeide: “Vriend, het geluk lacht ons toe, vroeger dan wij hopen of verwachten konden. Daar voor ons staan dertig en nog meer schrikbarende reuzen. Ik wil er op losgaan, op leven en dood met henkampen en hun allen het levenslicht uitblazen. Als ik hen geveld heb, zullen wij rijken buit en ik zelf onsterfelijken roem behalen, daar het een edel ridderlijk en den hemel welgevallig werk is, dat men zulke snoode reuzen van den aardbodem verdelgt.”“Wat voor reuzen dan?” vroeg Sancho Panza, verwonderd rondkijkend en niets dan die onschuldige windmolens ontdekkend.“Daar staan zij,” antwoordde Don Quichot en wees op de windmolens, “daar staan ze en zwaaien hunne geweldige armen, die wel twee mijlen en meer lang zijn.”“Die dingen daar, doorluchtige heer?” vroeg Sancho, ten uiterste verbaasd. “Wel, lieve hemeltje, dat zijn immers windmolens, maar geen reuzen. Wat gij de armen noemt, dat zijn de wieken, die door den wind rondgedraaid worden en de molensteenen aan den gang brengen.”“Ik merk, dat gij nog heel weinig van avonturen weet,” riep Don Quichot. “Dat zijn de reuzen; en als u de angst om het hart slaat, blijf dan op een afstand en zie toe, hoe ik den geduchten en ongelijken strijd met hen wagen zal.”Met deze woorden drukte hij den mageren Rocinante de sporen in de ribben en stoorde zich niet meer aan het roepen van zijn verwonderden schildknaap, die hem nog altijd met al de kracht zijner longen naschreeuwde, dat hij gewone windmolens en geen reuzen of ridders voor zich had. Don Quichot had zich nu eens die reuzen in het hoofd gezet en zag zelfs zijne dwaling nog niet in, toen hij reeds dicht bij de molens gekomen was. Met donderende stem riep hij hun toe:“Staat, gij ellendige en lafhartige schepsels! Staat en vlucht niet! Een eenig ridder nadert, die u het hoofd biedt en u in het stof zal nederwerpen!”Op dit oogenblik stak een lichte wind op; die de wieken der molens langzaam in beweging bracht. Don Quichot hield dit voor een antwoord en eene uitdaging en schreeuwde vol strijdlust:“En al had gij ook zooveel armen, als de honderdarmige reus Briareus, toch zult gij overwonnen worden en mij aan mijne voeten om genade smeeken.”Met deze woorden maakte hij zich tot den kamp gereed, dacht aan zijn hooge gebiedster Dulcinea van Toboso, riep hare machtige bescherming tegen het dreigende gevaar in, dekte zijn borst met het schild, velde de lans, stoof in wilden galop vooruit en richtte onversaagd zijn aanval op den naastbij staanden windmolen. De scherpe lans ging door een der wieken heen, welke de wind juist op dat oogenblik met vermeerderde snelheid ronddraaide; zij brak dadelijk in stukken, terwijl ruiter en ros overhoop geworpen en, leelijk bezeerd en gekneusd, een eind ver weggeslingerd werden. Nu schoot Sancho Panza toe, zoo vlug als zijn grauwtje maar draven kon, en ontdekte met schrik, dat zijn dappere meester zulk een geweldigen smak had gekregen, dat hij geen lid meer verroeren kon.“Och lieve hemeltje!” riep Sancho, toen hij zijn edelen heer daar zoo jammerlijk vond toegetakeld. “Heb ik u niet gezeid, dat ge u in acht moest nemen? Ieder verstandig mensch moest toch zien, dat hij windmolens en geen reuzen voor zich had.”“Stil, stil, vriend Sancho!” kreunde Don Quichot met matte stem. “Ik zie wel, dat alle krijgsgeluk wisselvallig en onbestendig is. De een of ander boosaardige toovenaar, waarschijnlijk dezelfde, die mij mijne kamer en mijne boeken ontstal, moet de reuzen in windmolens hebben veranderd, om mij de eer en den roem der overwinning uit de handen te rukken. Zijne vijandigheid is groot, maar zal eindelijk toch door de voortreffelijkheid van mijn goed zwaard en door mijne dapperheid overwonnen worden.”“Dat hoop ik!” zeide Sancho Panza, terwijl hij zijn ridder overeind en weer op Rocinante hielp, die bijna de ruggegraat had gebroken.Hierop vervolgden beiden hunne reis en richtten zich naar den bergpas van Lápice, waar Don Quichot, daar het eene druk bezochte plaats was, eene menigte avonturen hoopte te beleven. Het verlies van zijne lans griefde hem uitermate zeer en hij dacht lang na, op wat wijze hij dat best kon herstellen. Eindelijk besloot hij, van den eersten den besten eik of beuk een stevigen tak af te kappen en dien dan voortaan als lans te gebruiken.Sancho Panza ontdekte met schrik, dat zijn dapperen meester een geweldigen smak had gekregen.Sancho Panza ontdekte met schrik, dat zijn dapperen meester een geweldigen smak had gekregen.“Gij zult zien, Sancho,” zeide hij, “dat ik zelf met een zoo ellendig werktuig de stoutste en ongeloofelijkste daden volvoeren zal.”“’k Mag een boontje wezen, als ik dat niet hoop, edele heer,” antwoordde de schildknaap, “Maar waarom zit gij toch zoo scheef in den zadel en hangt zoo op de eene zij van het paard? Hebt ge u misschien bij den val wat bezeerd?”“Zoo is het,” erkende de ridder, “en dat ik het niet hardop van pijn uitschreeuw, is alleen maar, omdat ik wel vaak gehoord en gelezen heb, dat zulk kermen en jammeren aan kloeke dolende ridders niet betaamt. Zij klaagden nooit over eenige kwetsuur of verwonding, al was ’t ook, dat hun de darmen uit het lijf hingen.”“Nu, ieder zijn meug, zooals mijne grootmoeder placht te zeggen,” antwoordde de schildknaap. “Ik had evenwel liever, dat gij maar schreeuwdet, edele heer, als ge pijn voelt ergens; want ik voor mijn part zal terdege een keel opzetten, als mijn arm lichaam erg schade of letsel krijgt. Of is ’t misschien ook aan de schildknapen der dolende ridders verboden, te klagen, als hun iets overkomt?”Don Quichot haalde over deze vraag van zijn dienaar de schouders op, maar gaf hem toch volle vrijheid, om bij voorkomende gelegenheid naar hartelust te kermen, te krijten en te huilebalken, daar hij nog nooit gehoord had, dat in de voorschriften voor de ridderschap iets voorkwam, dat zulks bepaald verbood. Sancho stelde zich hiermede tevreden, doch deed een poosje later opmerken, dat de etenstijd gekomen was.“Eet en drink, zoo gij wilt,” antwoordde de ridder. “Ik voor mij voel nog geen honger.”Sancho liet zich dit geen tweemaal zeggen, maar maakte ’t zich zoo gemakkelijk, als dat bovenop een ezel maar eenigszins mogelijk is; hij haalde proviand uit den welgevulden knapzak en at zich dik en zat. Vervolgens bleef hij een weinig achter, opende den bokkevellen wijnzak, bracht dien aan den mond en dronk met zulke geduchte teugen, dat de grootste nathals in heel Spanje ’t niet beter zou hebben kunnen doen.Zoo ging de reis voort. Don Quichot gaf zich aan zijn hoogvliegende gedachten over en Sancho Panza zocht zijn troost bij den wijnzak, totdat de avond hen midden in een groot bosch overviel. Zij maakten halt en sloegen onder een groep dicht gebladerde eikeboomen hun nachtleger op. Sancho, die braaf moe en wiens hoofd buitendien door de wijndampen een weinig beneveld was, lag dadelijk vast in slaap en snorkte zoo geweldig, dat de vogels en vleermuizen in den omtrek er verschrikt de vlucht voor namen. Don Quichot daarentegen deed geen enkel oog toe. Hij droomde van zijne zielekoninginne Dulcinea, tot de morgen weer aanbrak. Toen stond hij op, beroofde een der eiken van een langen, taaien tak, stak daar zijn lansijzer in en verschafte zich opnieuw een ridderlijk wapen. Vervolgens, toen de eerste gouden zonnestralen in het dichte groene bosch doordrongen en duizenden van vogels hun orgelend en schetterend morgenlied aanhieven, wekte hij zijn schildknaap, die anders een gat in den dag zou hebben geslapen, en vervolgde zijn tocht. Sancho had eerst al eens hoogte van den wijnzak genomen en tot zijn groot verdriet bevonden, dat die veel magerder dan den dag te voren was. Na eene poos noodigde hij zijn meester tot hetontbijt, maar verteerde dat alleen, daar Don Quichot, die van honger noch dorst scheen te weten, geen beet over de lippen wilde nemen. Drie uren later bereikten zij den pas van Lápice, die door den ridder met van moed en strijdlust flonkerende oogen werd begroet.“Sancho,” sprak hij, “hier op deze plaats zal het ons niet aan avonturen ontbreken, en ik reken mij dus verplicht u een bevel te geven, waaraan gij u strikt houden moet. Nooit en in geen geval namelijk moogt gij wagen, mij te hulp te komen en uw degen te trekken, behalve wanneer misschien gemeen volk en laag gepeupel zich in den strijd mocht willen mengen. Tegen ridders te kampen is u, volgens de wetten der ridderschap, ten strengste verboden, zoolang gij niet zelf tot ridder geslagen zijt.”“Ei,” antwoordde Sancho Panza, “in dit punt wil ik u dol gaarne gehoorzamen, gestrenge heer, daar ik van nature zoo vreedzaam als een pasgeboren lam ben. Wanneer mij echter iemand te lijf wil,tegen dien verweer ik mijne huid, om ’t even of ’t een ridder, een schildknaap of maar een uit het gemeene volk is.”Terwijl Sancho nog sprak, zag Don Quichot twee Benedictijner monniken aankomen. Zij reden op groote muildieren, droegen lange zwarte gewaden en dekten zich door groote schermen tegen de zonnestralen. Een weinig achter hen aan kwam eene koets, door eenige mannen te paard en een paar ezeldrijversjongens te voet begeleid. In die koets zat eene dame uit Biscaye, die naar haren gemaal te Sevilla reisde. De monniken, hoewel zij dienzelfden weg gingen, behoorden niet tot het reisgezelschap van de dame en schenen zich ook maar weinig om haar te bekommeren.Nauwelijks had Don Quichot de naderenden in het oog gekregen, of hij zeide tot zijn schildknaap:“Hoor, Sancho Panza, dat is een avontuur, als den besten ridder nog niet fraaier bejegend is. Die zwarte gedaanten daar zijn zonder twijfel twee toovenaars, die eene geschaakte prinses helpen voortsleepen, en ik reken het mijn plicht, mij tegen zulk een schandelijk bestaan met al de kracht van mijn arm te verzetten.”“Allerdapperste heer ridder,” riep Sancho Panza vol schrik, “gij bedriegt u. Die mannen in het zwart zijn eerwaardige monniken van de Benedictijner orde en hebben zeker zoomin eene prinses als eenige andere edele dame geroofd. Hoed u, dat gij door uwe inbeelding niet allerleelijkst in de klem komt.”“Sancho Panza, zwijg stil!” gebood Don Quichot op hoogen toon. “Ik heb u al eens gezegd, dat gij van hooge en merkwaardige avonturen nog heel geen begrip hebt, en gij zult spoedig zien, dat al, wat ik van die zwarte toovenaars zei, de zuivere onvervalschte waarheid is.”De schildknaap zweeg beschaamd stil, en zijn meester reed de reizigers nog een kort eind te gemoet. Midden op den weg hield hij toen zijn klepper staande, en toen de mannen dichtbij genoeg waren, om zijne woorden te kunnen verstaan, riep hij hun met luider stemme toe:“Gij verfoeilijke, heidensche snoodaards, houdt dadelijk stil en geelt terstond en zonder weigeren de doorluchtige prinses over, die gij daar in de koets in gevangenschap wilt sleepen. Draalt gij, mijnbevel te gehoorzamen, dan zult gij hier tot straffe voor uwe misdaad op staanden voet de zwarte ziel uitblazen.”De monniken hielden hunne muildieren in en wisten niet, wat zij van de wonderbaarlijke figuur van den ridder en van zijn dreigende woorden denken moesten. Eindelijk antwoordde een van hen:“Heer ridder, ik bid u, laat ons in vrede trekken! Wij zijn noch verfoeilijke, noch heidensche snoodaards, maar twee doodonschuldige dienaren des Heeren, die rustig huns weegs gaan en niet weten, of in die koets daar prinsessen of prinsen zitten.”“Gij liegt, duivelsche heksenmeesters!” riep Don Quichot woedend, velde de lans, gaf Rocinante de sporen en stoof in galop op den eersten monnik los. Hij was zoo grimmig en verwoed, dat hij den onschuldigen man doorboord zou hebben, indien deze zich niet met verwonderlijke vlugheid van zijn muildier had laten glijden. De andere monnik drukte zijn beest de hielen in de zijden en wist door overhaaste vlucht gelukkig zijn lijf te bergen.Thans viel Sancho Panza, wiens anders niet groote moed door het stoute heldenfeit van zijn meester verbazend gerezen was, op den eersten monnik aan, wierp hem ter aarde en begon hem de kleederen van het lijf te rukken. Terstond echter kwamen nu de ezeldrijversjongens toe, vroegen hem, wat kwaad de heer hem gedaan had, pakten hem in haar en baard en ranselden hem zoo ongenadig af, dat hij moord en brand begon te schreeuwen. Terwijl de jongens hem nog zoo onder hunne knuisten hadden en hem bont en blauw sloegen, wist de sidderende en bevende monnik weer in den zadel te komen, greep de teugels, bracht zijn muildier in snellen draf en haalde eerst weer adem, toen hij den onstuimigen ridder en zijn ruwen, pootigen schildknaap ver achter zich had gelaten.Intusschen was Don Quichot de koets genaderd, om de daarin zittende dame aan te spreken.Don Quichot trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los.Don Quichot trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los.“Hooge en edele prinses,” begon hij, “gij moogt nu weder naar welgevallen over uw persoon beschikken, want daareven heb ik uw belager door de kracht van mijn sterken arm ter aarde geworpen. Indien gij mijne daad beloonen wilt, zend dan een heraut aan demeesteresse mijns harten, de verhevene dame Dulcinea van Toboso, en laat haar melden, wat ik volvoerd heb en hoe ik u door mijne dapperheid uit het geweld van twee schandelijke toovenaars bevrijdde.”Deze woorden vernam een palfrenier der dame, een Biscayer van geboorte. Daar hij zag, dat Don Quichot zich niet verwijderde en dat zijne gebiedster zeer verschrikt scheen, ging hij op den dollen ridder toe, greep zijne lans en zeide:“Maak, dat je weg komt, ridder! Zoo waar als ik leef en een Biscayer ben, haal ik je van het paard, als je niet dadelijk de koets verlaat.”Don Quichot staarde den palfrenier met groote oogen aan. Daar hij nochtans zag, dat hij slechts een dienaar en niet een ridder voor zich had, antwoordde hij met de grootste bedaardheid:“Laat mij met vrede, mensch! Zoo gij een ridder waart, zou ik u tuchtigen, maar nu pak u weg, onbeschaamde lijfeigen hond!”“Wacht!” riep de Biscayer, “ge zult zien, met wien ge te doen hebt. Gooi die lans weg en trek het zwaard! We willen gauw zien, wiens haan victorie zal kraaien. Trek van leer, zeg ik, en toon wat ge kunt, kale jakhals van een edelman!”Don Quichot geraakte nu in drift. Hij wierp de lans van zich, dekte de borst met het schild, trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los, met het stellig voornemen om hem zonder barmhartigheid den schedel te klooven. De palfrenier ontblootte insgelijks zijn wapen, greep tot zijne dekking een kussen uit den wagen, hield dat als een schild voor zich, en de tweekamp begon met vreeselijk geweld. Men riep den strijdenden toe, vrede te maken; doch zij luisterden daar niet naar. De dame in de koets beval nu haren koetsier, een weinig door te rijden, waar zij op veiligen afstand ooggetuige van het gevecht kon zijn.De koetsier gehoorzaamde en de zwaarden vervolgden hun werk. De Biscayer bracht zijn vijand een houw over den schouder toe, die dezen van den romp zou gescheiden hebben, ware hij niet door schild en harnas beschut geweest. Desniettemin voelde de ridder de zwaarte van den slag, die hem door alle ribben dreunde, en riep zijne hooge patronesse Dulcinea van Toboso smeekend aan. Degedachte aan haar bezielde hem met nieuwen moed, leende zijn arm nieuwe sterkte, en vol woede drong hij op den Biscayer in. Zijne zwaardslagen kletterden op hem neer, en de arme palfrenier zag vol schrik zijne nederlaag te gemoet. Had hij een goed paard gehad, zoo zou hij gevlucht zijn; doch hij bereed een ellendigen knol, dien hij bijna niet van de plaats kon krijgen. Derhalve verweerde hij zich met de grootste vertwijfeling, waardoor ’t hem dan ook gelukte zich den razenden ridder nog een tijdlang van ’t lijf te houden. Daar hij echter ongeharnast was, terwijl Don Quichot van kop tot teen in ijzer staal stak, moest hij natuurlijk eindelijk het onderspit delven. Onze ridder richtte zich op in zijn zadel, pakte zijn zwaard met beide handen, hieuw den Biscayer over den schedel en raakte hem zoo geducht, dat het bloed hem terstond uit mond en neusgaten spoot en hij met paard en al op den grond stortte.Thans steeg Don Quichot uit den zadel, hield den gevallene de punt van zijn zwaard voor het gezicht en beval hem, zich verwonnen te verklaren. De man was evenwel te erg verbijsterd, om antwoord te kunnen geven, en de verbolgen ridder zou hem ongetwijfeld zijn zwaard door den strot gejaagd hebben, indien de dame in de koets niet vol angst tusschenbeide was gekomen en in roerende bewoordingen om het leven van haar dienaar had gesmeekt. Don Quichot liet zich vermurwen en die deemoedige bede goot water op den vlammenden gloed zijner gramschap.“Het leven zij hem dan geschonken,” riep hij; “doch slechts onder voorwaarde, dat deze ridder mij belooft, naar Toboso te trekken en mijner onvergelijkelijke meesteres, Dona Dulcinea, te verhalen, op wat heldhaftige, ridderlijke wijze ik hem met mijn zwaard heb geveld.”De arme vrouw beloofde in haar angst alles, en Don Quichot bracht zijn overwonneling dan ook geen verder leed toe. Deze kwam met moeite weer op de been en was blij, dat hij de reis met zijne meesteres kon vervolgen.In dien tusschentijd had ook Sancho Panza zich uit de handen der jonge ezeldrijvers weten los te wringen en kwam nu op zijn meester toe, die al weer hoog te paard zat en de wegrollendekoets triomfeerend naoogde. Toen deze in eene kromming van den weg verdween, keerde hij zich tot zijnen stom wachtenden schildknaap om en begon zijn nooit geëvenaard heldenfeit in klinkende woorden te verheffen.“Ja, dat alles is mooi en wel,” viel Sancho Panza hem eindelijk in de rede; “maar waar, edele heer, is het stadhouderschap, dat gij mij na uw eerste schitterende avontuur vast beloofd hebt? ’k Wil mezelf niet roemen, maar ’k geloof, dat ik zoo’n knappe, fiksche stadhouder zou wezen, als maar één denken durft.”“Sancho,” antwoordde de ridder, “toen ik dat zei, meende ik een eilandsavontuur, en dit hier is enkel een vastelandsavontuur, dat niets dan eer en roem aanbrengt. Heb geduld, mijn zoon! Als de tijd gekomen is, zult gij ook stadhouder worden. Maar verbind nu mijn oor eens, dat die booze ridder vrij erg geraakt heeft, en waar ’t bloed uitloopt.”Sancho Panza haalde aanstonds pluksel en zalf uit zijn knapzak en nam zijn meester den helm af. Deze merkte nu eerst, hoe erg gedeukt en gehavend die was, en dat ongeluk deed zijne gramschap opnieuw ontbranden. Hij rukte zich de haren uit het hoofd, schermde met beide handen in de lucht en zwoer bij kris en bij kras, niet weer van een schoon tafellaken te zullen eten, voordat hij den snooden ridder, die hem zijn ridderlijk hoofddeksel zoo had bedorven, daarvoor op schrikkelijke manier had doen boeten. Sancho kreeg hem niet zonder veel moeite tot bedaren, verbond zijn bloedend oor, en beiden gingen weer op weg, nadat zij een stuk droog brood en geitenkaas genoten hadden.Tegen den avond bereikten zij eenige hutten van geitenherders, en ofschoon vooral Sancho wel een beter dak voor den nacht gewenscht had, besloten zij toch, daar de zon onderging, hier kwartier te nemen.Vriendelijk werden zij door de herders ontvangen en onthaald, en allen behandelden vooral den geharnasten ridder met groote beleefdheid. Na een rustig doorgebrachten nacht namen zij afscheid van de herders en gingen nieuwe gevaren en avonturen te gemoet.Hoofdstuk VII.Hoe Don Quichot met paardenhoeders twist krijgt en wat hem in de herberg overkomt.Op hun verderen weg kwamen Don Quichot en Sancho Panza in een bosch, waarin zij verscheiden uren lang voortreden. Eindelijk hielden zij stil op eene open plek, die met geurig gras begroeid was. Eene heldere, liefelijk murmelende beek stroomde voorbij en ettelijke boomen gaven verkoelende schaduw, zoodat onze beide helden weldra lust gevoelden eene korte middagrust te houden. Zij stegen van hunne dieren, lieten Rocinante en grauwtje vrij rondloopen en zich op het groene gras vergasten, vlijden zich onder een boom neer, openden hun knapzak en verteerden in vrede en eensgezindheid, wat daar in te vinden was.Sancho Panza had verzuimd beide dieren de voorpooten te koppelen, daar hij ook niet verwachtte, dat Rocinante uit lust en moedwil de vette weide verlaten zou. Het trof nu echter, dat toevallig eene kudde Galicische paarden door het dal werd gedreven. De hoeders kwamen aan de plaats, waar Don Quichot zich reeds gelegerd had, en daar die plek hun beviel, besloten zij, daar met hunne dieren insgelijks middagrust te houden.De paarden verstrooiden zich over de weide en het duurde niet lang, of eenige dartele veulens begonnen den ouden Rocinante het leven lastig te maken. De dieren werden wild en gingen hem met hunne tanden en hoeven zoo ongenadig te lijf, dat zij hem al spoedig den gordel losgemaakt en den zadel van den rug gehaald hadden. Op het gerucht, dat dit veroorzaakte, kwamen toen ook de hoeders met hunne knuppels en zweepen toe en ranselden den armen Rocinante zoo erg, dat hij eindelijk neerstortte en onder de hoeven der overige viervoeters den geest scheen te zullen uitblazen.De ridder en zijn schildknaap ontdekten spoedig, op wat wijze het arme dier mishandeld werd, en schoten hijgend toe. Onder weg zeide Don Quichot tot zijn dienaar:“Hoor, vriend Sancho: naar ik zie, zijn dat geen ridders en helden, maar ze behooren tot het gemeene volk, en dus kunt gij mij zonder bedenking bijstaan, als ik voor de beschimping, Rocinante hier voor mijne oogen aangedaan, bloedig wraak neem.”“Maar hoe drommel wilt gij hier wraak nemen, gestrenge heer?” vroeg Sancho. “Zij zijn meer dan twintig sterk, en wij maar met ons tweeën.”“Ik tel voor honderd,” antwoordde de ridder en trok meteen zijn zwaard. Met onstuimigheid greep hij de hoeders aan en Sancho Panza, hierdoor krachtig aangemoedigd, volgde wakker zijn voorbeeld.Den eersten hoeder bracht Don Quichot een houw toe, die door ’s mans lederen wambuis ging en hem nog buitendien diep in den schouder drong. Toen de herders zich op die wijze door slechts twee mannen zagen aangetast, werden ook zij verstoord, namen onze beide helden in hun midden, pakten hunne knuppels en lieten eene hagelbui van forsche slagen op hen neervallen. Deze begroeting had ten gevolge, dat Sancho Panza al spoedig luid huilend op zijn dikken buik lag. Terstond daarna volgde ook zijn meester dit voorbeeld, niettegenstaande hij zich met veel kracht en vlugheid een tijdlang manmoedig verweerd had; en het toeval wilde, dat hij midden tusschen de beenen van zijn Rocinante neertuimelde, die daar nog altijd, door de vreeselijke slagen en trappen bedwelmd, als een blok neerlag en geen lid verroerde.Nadat de hoeders nog een poosje op ridder en knecht losgebeukt hadden, dreven zij met den meest mogelijken spoed hunne paarden te hoop, vervolgden hun weg en lieten de arme afgeroste helden in zeer slechten staat en in nog slechter gemoedsstemming achter. Sancho was de eerste, die weer bijkwam. Hij richtte zich met moeite en onder veel steenen en kreunen overeind, keek naar zijn heer om en zei met matte, klagende stem:“Och, och, dat hebben wij er nu van, gestrenge heer!”“Wat wilt gij van mij, Sancho?” vroeg Don Quichot op even flauwen en klagenden toon.“Ach, ach, wat hebben we daar een pak gekregen!” kreunde Sancho Panza. “Ik ben heelemaal tot stokvisch gebeukt.”“Ja, wel een pak!” stemde de ridder toe. “Als ik ongelukkige nu maar den wonderdrank van Fierabras had! Twee druppels daarvan zouden ons gezond maken, onze builen genezen en alle pijn wegnemen.”“Is er dan geen kans, dat gij dien drank krijgt, edele ridder?” vroeg Sancho.“Jawel,” antwoordde Don Quichot; “ik zweer u, bij onze dolende-riddereer, dat ik niet rusten zal, voordat het geluk mij hem in handen speelt.”“Wie was dan die Fierabras, die dien drank heeft uitgevonden?”“Dat was een beroemd toovenaar, zooals in een heerlijken ridderroman beschreven staat,” antwoordde Don Quichot. “Wij moeten opbreken en hem opsporen. Zoodra wij hem vinden, zal ik hem door mijne dapperheid dwingen, ons den kostelijken balsem af te staan.”Onderwijl kwamen de beide deerlijk toegetakelde helden overeind en hielpen ook den armen Rocinante weer op de been. Met gekromden rug, want zich recht oprichten kon hij nog niet, tuigde de schildknaap zijn ezel op en drong zijn meester, op diens zadel plaats te nemen, daar het paard in zijn tegenwoordigen toestand onbekwaam was om eenigen last, hoe licht ook, op zijn gewonden rug te torsen. Don Quichot steeg op, Sancho Panza leidde den ezel bij den halster, Rocinante bij den teugel, en de avontuurzoekende helden gingen langzaam op weg. Na korte wandeling kwamen zij aan eene herberg, welke de ridder terstond weer voor een adellijken burcht aanzag, terwijl zijn metgezel strijk en zet volhield, dat het een gewone kroeg was. De strijd duurde voort totdat zij voor de deur kwamen en Sancho de dieren zonder omstandigheden in den stal bracht.Toen de waard, die dadelijk buiten trad, om zijne gasten te ontvangen, Don Quichot in zoo jammerlijken staat op den ezelmeer hangen dan zitten zag, vroeg hij aan Sancho, wat zijn heer toch wel scheelde. Sancho antwoordde, dat de arme man van eene rots was gevallen en zich daarbij de ribben wat had bezeerd. Deze mededeeling wekte het medelijden van den waard en nog meer van zijne vrouw op, die dadelijk met hare dochter aankwam, om den ongelukkige de noodige hulp te verleenen. De ridder werd, daar hij nog niet gaan kon, in huis gedragen, verbonden en toen te bed gebracht.In de kamer, waar Don Quichot, over zijn geheele lichaam met pleisters beplakt, slapen zoude, was wat meer naar achteren een tweede bed, waarvan een stevige muilezeldrijver bezit had genomen.Het werd avond en nacht; maar Don Quichot voelde zich zoo ellendig, dat hij onmogelijk slapen kon. Hij kermde en kreunde zoo luid en aanhoudend, dat de muilezeldrijver daar eindelijk door wakker werd en hem met barsche woorden verzocht, zich stil te houden en niet andere menschen in hun slaap te storen. Don Quichot antwoordde alleen met een nieuw dof gekreun, waardoor de ezeldrijver zoo boos werd, dat hij opsprong en den armen lijder zulk een duchtigen vuistslag op zijne dorre kinnebakken gaf, dat het bloed hem terstond uit den mond liep. Hiermede nog niet tevreden, stapte hij op zijn mager lichaam, trappelde daar met de voeten op, en deed hem al de ribben in het lijf kraken. Don Quichots bed, dat buitendien al op zwakke, tuitelige beenen stond, stortte in en dit veroorzaakte zulk een geraas, dat de waard wakker werd en vol schrik kwam toesnellen. Onderwijl kwam ook Sancho Panza, die aan de voeten zijns meesters sliep, op de been, en sloeg, slaapdronken, als dol en bezeten links en rechts. Zijne vuistslagen troffen de meid van het huis, Maritornes geheeten, die insgelijks op het verontrustend rumoer was toegekomen. De meid stelde zich te weer, de waard gebruikte niet minder wakker zijne knuisten, en zoo ontstond een alarm en een spektakel, waarvan men zich onmogelijk een denkbeeld kan maken. De muilezeldrijver, nog altijd op den kermenden ridder omtrappelende, sloeg op Sancho los, Sancho roste de meid, de meid roste hem, de waard roste allen zonder onderscheid, en dat alles gebeurde met zoo blindenijver en dolle drift, dat geen een er ook maar een oogenblik mee ophield. In de donkerheid vielen allen over elkaar heen en deelden rechts en links zulke zwaarwichtige stompen en slagen uit, dat, waar een vuist trof, zeker ook een blauwe plek te zien was.Toevallig had voor dien nacht ook een gerechtsdienaar zijn intrek in de herberg genomen en sliep in eene andere kamer. Het vreeselijk gerucht, dat de algemeene kloppartij veroorzaakte, schrikte ook hem uit den slaap wakker; hij sprong met beide voeten uit zijn bed, greep zijn ambtsstaf en eene blikken doos, waarin hij zijne aanstelling als koninklijk ambtenaar bewaarde, kwam in het donker in de kamer en riep met donderende stem: “Vrede in naam van de overheid! Vrede en rust!”De eerste, dien hij met de handen grijpen kon, was Don Quichot, die bewusteloos in zijn neergetrapt bed lag. Hij pakte hem bij den baard, trok hem daarbij en hield niet op te roepen: “Achting en ontzag voor de hooge overheid!”Al spoedig bemerkte hij echter, dat de man, dien hij gepakt had, geen lid verroerde, en geloofde nu, dat die dood en door de anderen in de kamer vermoord was. Nu brulde hij: “De deuren toe! Alle deuren in het huis gesloten! Geen sterveling mag in of uit, want hier is een mensch vermoord.”Deze woorden verwekten een algemeenen schrik en deden het gevecht staken. De waard sloop stilletjes weer de kamer uit, de muilezeldrijver kroop op zijn bed en hield zich slapend, de dienstmeid maakte, dat zij wegkwam, en alleen Don Quichot en Sancho Panza konden geen ander heenkomen zoeken. Onderwijl zocht de gerechtsdienaar al tastend de keuken te vinden en daar licht aan te krijgen.Terwijl de gerechtsdienaar buiten was, kwam Don Quichot weer tot bewustzijn en riep klagend: “Sancho Panza, slaapt gij? Slaapt gij, Sancho Panza?”“’t Mocht wat, slapen!” bromde de schildknaap. “Ik wou maar, dat ik sliep. Al de duivels uit de hel zijn los en hebben dezen nacht een aanval op mij, armen, ongelukkigen kerel gedaan.”“Neen, gij vergist u, vriend!” antwoordde Don Quichot. “Wijzijn in een betooverd slot; want weet, toen ik op mijn bed lag te kreunen, kwam onvoorziens, zonder dat ik wist waar vandaan, eene hand, die zeker aan den arm van een ontzettenden reus vastzat, en bracht mij een zoo geduchten slag op mijne kinnebakken toe, dat mijn aangezicht terstond één bloed was en ik bijna mijne kennis verloor. Toen stampte en beukte de reus mij met handen en voeten, en ik maak daaruit op, dat hij een allergruwelijkst en meedoogenloos monster en wangedrocht moet wezen.”“Ik heb er nog erger van gelust,” zeide Sancho Panza; “mij hebben vier- of vijfhonderd Mooren zoo onbarmhartig onder handen genomen, dat de portie slaag, waarop ons gisteren de paardenhoeders onthaalden, daar als honig en zoete koek bij was. O wee, o wee! Ik ben geen dolend ridder en toch krijg ik van alle ongeluk, dat ons overkomt, altijd dubbel en dwars mijn part.”“Dus hebben ze u ook gemolesteerd, vriend?” vroeg de ridder meelijdig.“Bont en blauw geslagen hebben ze me!” antwoordde Sancho Panza op grimmigen toon. “Geen lid aan mijn lijf, dat niet zeer doet!”“Wees maar bedaard, vriend!” troostte Don Quichot; “ik zal u den kostelijken balsem van Fierabras bereiden, die in eene minuut tijds alle pijnen en smarten wegneemt.”Hier werd hun gesprek door den gerechtsdienaar afgebroken, die met licht kwam, om den vermeenden doode nader te bezichtigen. Hij trad voor het bed en was zeer verwonderd, toen hij onze helden daar bedaard hoorde praten. Don Quichot lag nog wel altijd op den rug en kon zich van pijn en pleisters niet bewegen; maar toch scheen hij zoo goed bij zijne kennis als de beste. De gerechtsdienaar liet het licht van zijne lamp op hem vallen en vroeg deelnemend: “Nu, hoe gaat het je, goede vriend?”“Ik zou toch wat beleefder spreken,” antwoordde Don Quichot op hoogen toon. “Spreekt men dolende ridders met je en jij aan, lompe vlegel?”Toen de ambtenaar zich door iemand van zulk een jammerlijk uitzicht zoo barsch behandeld zag, werd hij driftig, nam de lampen wierp haar Don Quichot met zooveel geweld naar het hoofd, dat men een harden bons hoorde. Vervolgens liet hem in het donker liggen en ging brommend en pruttelend heen.“Ei,” sprak Sancho Panza, “als dat geen lomperd is, dan laat ik mij hangen. Die gooit iemand met de dingen naar den kop, alsof ’t maar een aardigheid was.”“Ja, ja,” kreunde Don Quichot, wien zijn hoofd bitter zeer deed; “maar sta op, Sancho, laat u door den burgtvoogd van dit slot wat olie, azijn, zout en rosmarijn geven en breng mij dat alles hier, om er den kostelijken balsem uit te bereiden, die spoedig al onze pijnen verzachten zal.”Sancho stond op, niettegenstaande al zijne ledematen geradbraakt schenen, hinkte al tastend naar de kamer van den waard, en ontmoette onder weg den gerechtsdienaar, die voor de deur stond te luisteren.“Wie gij ook zijn moogt, waarde heer,” zeide hij, “bezorg ons een weinig olie, azijn, zout en rosmarijn, om den besten dolenden ridder, dien de aarde ooit gedragen heeft, van zijn lijden te bevrijden en van den dood te redden. Hij ligt zwaar gekwetst door de hand van een betooverden Moor op zijn bed.”De gerechtsdienaar hield Sancho Panza, nu hij zoo sprak, voor stapelgek. Daar de morgen nu echter reeds begon te lichten, riep hij den herbergier en zeide dien, den knaap het verlangde te geven. De waard deed dat bereidwillig en Sancho bracht alles aan zijn heer, die van pijn lag te krimpen en zijn hoofd met beide handen vasthield. Hij nam de verschillende stoffen, mengde ze duchtig door elkaar en kookte ze toen op een komfoor, dat men hem brengen moest, tot hij dacht, dat alles goed gaar was. Hierop verlangde hij eene flesch; doch toen die in de herberg niet te vinden was, vergenoegde hij zich met eene oude blikken oliekan, goot den drank daarin en zegende hem. Nu draalde hij niet om van de kracht van dit kooksel op zichzelf de proef te nemen, en dronk er wel bijkans de helft van. Nauwelijks had hij het mengelmoes binnen, of hij begon schrikbarend over te geven. De inspanning, de angst en het gruwelijke braken brachten hem geducht aan hetzweeten, en hij verzocht, dat men hem goed toedekken en alleen laten mocht. Men voldeed aan zijn verlangen, en Don Quichot viel nu in een zachten slaap, die wel ruim drie uren aanhield. Bij zijn ontwaken voelde hij zich merkbaar verlicht en deden zijne wonden en builen hem bijna geen pijn meer. Hij achtte zichzelf dus weer ten volle hersteld, kwam tot de vaste overtuiging, dat hij werkelijk den wonderbalsem van den toovenaar Fierabras ontdekt had, en leefde in de hoop, dat hij, in ’t bezit van dit middel, in ’t vervolg alle kampen, tweestrijden en gevechten, hoe gevaarlijk die ook schijnen mochten, geheel onbezorgd te gemoet kon gaan.Zoodra Sancho Panza zijn heer zooveel beter zag, verzocht hij dringend, het overschotje van den drank te mogen opdrinken. De ridder, altijd grootmoedig, stond hem dat toe, en Sancho pakte de blikken kan met beide handen, dronk met volle teugen en liet er geen enkel droppeltje in.Maar of nu de schildknaap eene minder gevoelige maag had dan zijn meester, of om wat andere reden ook, genoeg, de drank bekwam hem zoo bitter slecht, dat de arme sukkel ieder oogenblik dacht te moeten sterven. In zijne benauwdheid verwenschte hij het venijnig goed en den spitsboef, die hem dat gegeven had, ja, hij betoonde zelfs grooten lust om zijn eigen meester voor zijne welgemeende bedoeling eens danig af te ranselen. Don Quichot zocht hem echter te troosten en tot bedaren te brengen.“Hoor, Sancho,” zeide hij, “ik geloof, dat de schuld alleen daaraan ligt, dat gij nog niet tot ridder zijt geslagen. De drank kan alleen maar een ridder helpen.”“Wat drommel, als gij dat wist, heer, waarom gaaft gij mij dien dan?” schreeuwde Sancho Panza in zijne benauwdheid.Voordat Don Quichot antwoorden kon, begon het brouwsel te werken en had bij Sancho Panza niet minder hevige braking ten gevolge dan bij zijn meester. Daarbij geraakte hij in het zweet, lag onrustig op zijn leger te woelen en kermde en jammerde op erbarmelijke manier.Twee uren lang was hij doodziek, toen die aanval voorbij was, voelde hij zich niet zoo wel en krachtig, als zijn heer, maarzoo flauw, slap en ellendig, dat hij zich nauwelijks op de been kon houden.Don Quichot liet zich aan den toestand van zijn schildknaap slechts weinig gelegen liggen. Hij zelf was nagenoeg weer hersteld, en de balsem vervulde hem met zulk een heldenmoed, dat hij vuriger dan ooit naar nieuwe avonturen haakte. Hij ging in den stal, zadelde en tuigde met eigen handen Rocinante, maakte ook het grauwtje tot de reis gereed en trad toen weer in huis, om zijn schildknaap bij het aankleeden te helpen. Met veel moeite en getob kreeg hij hem wakker en hielp hem op de beenen. Toen dit beredderd was, pakte hij uit den eersten den besten hoek een staak op, om tot lans te dienen, klom te paard en riep met luider stemme den herbergier, om afscheid van hem te nemen.“Heer slotvoogd,” sprak hij, “gij hebt mij vele en belangrijke diensten bewezen en mij daardoor tot dank verplicht. Indien ooit iemand, hij zij ridder of knecht, u onrecht wil aandoen, roep mij dan en ik wil u wreken. Zoo echter een of ander overmoedige u reeds schade of schande heeft aangedaan, noem mij zijn naam en zijne misdaad, en bij mijne riddereer zij ’t gezworen, dat ik niet rusten zal alvorens ik u volkomen voldoening heb verschaft.”“Mijn beste heer ridder,” antwoordde de waard doodbedaard, “uwe gestrengheid behoeft de moeite niet te nemen, zich voor mij met wraakneming te belasten; waar dat noodig is, weet ik mijzelf wel recht te verschaffen. Wel echter moet gij zoo goed zijn uw gelag te betalen voor nachtlogies en voêr voor uwe dieren, en ’t is daarom, dat ik u met alle beleefdheid verzoek.”“Wat!” schreeuwde Don Quichot, “’t was dus een ellendige herberg, waarin ik overnacht heb?”“Eene herberg, ja,” antwoordde de waard; “doch niet eene ellendige, maar eene zeer voorname.”“Welnu, dan moet ik bekennen, dat ik in eene groote dwaling verkeerd heb,” antwoordde Don Quichot. “Voor ’t overige zult gij maar best doen, niet op betaling van het gelag te rekenen; want nog nooit heb ik gehoord of in de boeken gelezen, dat een dolend ridder ooit in eenige herberg ook maar een penning betaald heeft.”“Dat gaat mij niets aan!” riep de waard driftig. “Betaal uwe schuld en leuter me niet met die malle ridderschap om de ooren, of ’k zal weten, wat me te doen staat, zotte kerel!”“O gij domme, ellendige schoelje en schobbejak!” schreeuwde Don Quichot; “gij gemeenste van alle herbergiers, verstout je niet, je onbeschaamde kaken weer open te doen, en maak plaats, als ik je niet onder de hoeven van mijn strijdhengst tot gruizelmenten zal trappen.”En met deze woorden velde de ridder zijne lans, gaf Rocinante de sporen en holde voort, zonder dat iemand hem dorst tegenhouden. Reeds was hij buiten het gezicht en had nog niet eens omgekeken, om zich te overtuigen, dat zijn trouwe schildknaap hem gevolgd was.De op die manier gefopte waard kwam nu als een brullende beer op Sancho Panza aanschieten en verlangde, dat die hem instaan zou voor de kosten der vertering; doch Sancho van zijn kant antwoordde heel bedaard, dat, als zijn meester niet afdokken wou, hij voor zijn part daar nog veel minder lust toe voelde. Hij was de schildknaap en wapendrager eens dolenden ridders en moest in alle dingen het doorluchtig voorbeeld van zijn heer en toonbeeld volgen.De waard liet zich nochtans met deze verklaring volstrekt niet paaien; hij werd boos, begon op zijn poot te spelen en dreigde Sancho, dat hij zich alsdan zou laten betalen op eene manier, die dezen zeker bijster weinig bevallen zou. Sancho evenwel hield voet bij stuk en verklaarde, dat hij zelfs niet het tiende part van de helft van een kwartpenning betalen zou.Nu wou echter het ongeluk, dat juist dien morgen vier lakenscheerders uit Segovia en vier wevers uit Sevilla in de herberg een uurtje waren komen pleisteren. ’t Waren vroolijke, jolige, lustige lui, die dus veel van eene grap hielden en dan nu ook terstond op Sancho Panza aanvielen en hem onder groot gejuich van zijn ezel trokken. Een hunner liep in huis, om daar een beddelaken te halen. De overigen pakten den armen schildknaap, legden hem op het beddelaken en begonnen hem in de hoogte te gooien,zooals een oud wijf doet, als ze een pannekoek in de pan ’t onderst boven wipt. Hoe harder de sukkel schreeuwde, des te hooger vloog hij in de lucht op en des te grooter was de pret. De arme Sancho meende stellig en vast, dat hij onder een troep booze duivels was vervallen, die hem tot kaatsbal gebruikten.Intusschen was Don Quichot nog niet zoo ver, dat het brullen van zijn geplaagden knecht niet zijn oor kon bereiken. Hij hield dus stil, luisterde scherp toe en geloofde reeds, dat een nieuw avontuur in aantocht was, totdat hij zich eindelijk overtuigde, dat het de huilende stem van zijn schildknaap was, die hij hoorde. Terstond wierp hij zijn paard om, keerde in strompelenden draf naar de herberg terug en reed, daar hij de hofpoort gesloten vond, rondom het huis, om ergens een ingang te vinden. Daarbij bemerkte hij, wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap gedreven werd, en dit gezicht bracht hem in de grimmigste woede. Hij zag Sancho Panza in de lucht op- en neervliegen als een bal, dien een knaap opgooit en weer opvangt, en zou zeker om dit zonderlinge schouwspel hebben moeten lachen, indien de gramschap over zulk eene mishandeling van zijn dienaar niet zoo sterk was geweest.Daar hij echter niettegenstaande al zijn zoeken geen ingang ontdekte, beproefde hij, van zijn paard op den rand van den muur te klimmen. Evenwel was hij nog altijd zoo zwak, dat hij zijne lange beenen nauwelijks bewegen kon, en dus kon hij zijne woede niet anders koelen, dan door een stroom van scheldwoorden en verwenschingen over den herbergier en zijne gasten uit te storten. Dezen lieten daarom echter den armen Sancho niet los, en beantwoordden elk nieuw schimpwoord, dat Don Quichot tegen hen uitbraakte, met schaterend gelach. Eindelijk, toen hunne armen zoo moe en lam waren, dat zij die niet meer opheffen konden, gaven zij de grap op en lieten Sancho Panza vrij. Zij brachten hem bij zijn ezel, hielpen hem daarop, pakten hem in zijn mantel en joegen hem zoo de poort uit. Zeer tevreden, dat hij er met een blauw oog was afgekomen, reed de schildknaap weg en was zelfs vrij wat trotsch, dat hij toch zijn wil doorgezet en den waard geen penning betaald had.Don Quichot bemerkte wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap werd gedreven.Don Quichot bemerkte wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap werd gedreven.De arme drommel bemerkte later eerst, dat de slimme herbergier zijn knapzak in beslag gehouden en daardoor de kosten van het gelag dubbel en dwars betaald gekregen had.Hoofdstuk VIII.Don Quichot en de schapenkudden, met nog andere avonturen.Toen Sancho Panza tot zijn heer terugkeerde, was hij zoo mat en krachteloos, dat hij zijn grauwtje maar met moeite vooruit kon krijgen. Hem in dien toestand ziende, sprak de ridder:“Nu, mijn goede Sancho, houd ik het er stellig en vast voor, dat dat kasteel of die herberg betooverd was, daar de bewoners, die u zoo gruwelijk mishandeld hebben, toch niet anders dan spoken en geesten kunnen geweest zijn.”De schildknaap antwoordde met eene diepe verzuchting, maar zei verder geen woord.Terwijl beiden nu langzaam verder reden, bemerkte de ridder, dat eene ontzettend groote en dichte stofwolk op hen toekwam. Hij zag daar met fonkelende oogen naar uit en keerde zich toen tot Sancho.“Hoor, Sancho,” sprak hij, “dit is de dag, dien de hemel tot mijn geluk heeft uitverkoren. De kracht van mijn arm zal worden op de proef gesteld en ik wil daden verrichten, waarvan de menschheid nog na honderden van jaren met bewondering spreken zal. Zie daar die stofwolk, Sancho! Een groot krijgsheir, uit velerlei volken saamgesteld, doet haar opstijgen.”“Dan moeten er twee legers zijn,” zeide Sancho. “Daar van gindschen kant komt eene tweede stofwolk op.”Don Quichot volgde met de oogen de aangewezen richting en was uitermate verheugd, toen hij de verklaring van zijn schildknaap door eigen aanschouwing bevestigd vond. Hij geloofde nu stellig, dat de twee legers elkaar op de vlakte een grooten veldslag zouden leveren; want zijn zwak hoofd was met betooveringen, avonturen, uitdagingen, gevechten en wapenfeiten geheel volgepropt en alles, wat hij sprak en dacht, placht op zulke wonderbare dingen uit te komen. Die stofwolken werden intusschen geenszins door twee gewapende legers opgejaagd, maar eenvoudig door twee groote kudden schapen, die langs den grooten weg rustig voorttrokken, doch door het dichte stof, dat zij deden opstuiven, niet duidelijk onderscheiden konden worden. Don Quichot verzekerde nochtans met zooveel drift en heftigheid, dat het oprukkende heirlegers waren, dat Sancho dit eindelijk ook geloofde en angstig de vraag opwierp, wat men dan nu in dit geval moest beginnen.“Wat te beginnen?” riep Don Quichot, zich in den zadel vastzettende. “Wij moeten de zwakken helpen en den hulpbehoevenden bijstand leenen. Weet, Sancho, dat het eerste dezer legers wordt aangevoerd door den beroemden keizer Alifanfaron, beheerscher van het eiland Trapobana, en het ander door Pentapolin met de opgestroopte mouw, die koning is van de Garamanten.”Sancho Panza keek zijn heer verwonderd aan. Hij wist niet, dat deze al zijne hoogdravende en dolle benamingen uit oude ridderromans had geput en ze nu te pas bracht, alsof die wonderbaarlijke geschiedenissen waarheid geweest waren. Zijne phantasie spiegelde hem de zotste dingen voor.“Maar wat hebben die beide legers tegen elkaar?” vroeg Sancho Panza eindelijk.“Zij bevechten elkaar, omdat Alifanfaron een heiden is en de christelijke dochter van den koning Pentapolin tot gemalinne heeft begeerd. Pentapolin zal hem haar niet geven, voordat de heiden een goed christen is geworden.”“Waarachtig, dan heeft die opgestroopte mouw gelijk,” zeide Sancho. “Als ’t van mij afhangt, staan wij hem bij, zoo goed wij maar kunnen.”“Gij hebt het rechte inzicht, vriend,” antwoordde Don Quichot; “maar wees nu stil en rijd met mij rechts die hoogte op. Van dat punt kunnen wij het krijgsvolk beter zien, en ik zal u dan meteen met de beste en dapperste ridders van beide legers bekendmaken.”Zij reden den heuvel op en kozen eene plaats, waar zij de beide kudden nauwkeurig hadden kunnen onderscheiden, als de dwarlende stofwolken niet alles als in een dichten nevel hadden gehuld. Desniettemin zag Don Quichot met behulp van zijn gloeiende verbeeldingskracht alles, wat hij maar verkoos te zien, en begon dus dadelijk met luid klinkende stem zijne inlichtingen te geven.“Die ridder daar met de gele wapens,” begon hij, “die een gekroonden leeuw in zijn schild voert, is de dappere Laucalco, de heer van de zilveren brug. Die met de gouden bloemen op zijne rusting en de drie zilveren kronen in het azuurblauwe wapenschild is de groothertog van Quirocia. Die daar aan zijne zijde met de reusachtige ledematen is de nooit overwonnen Brandabarbaran van Bolicho, heer van de drie Arabiën. Naast hem rijdt de nooitvolprezen held Timonel van Carcassonne aan de spits. Zijne rusting vertoont vier kleuren, blauw, groen, wit en geel, en in het schild draagt hij eene roode kat op donkerbruin veld met het opschrift “Miauw!” ter eere van zijne dame, die Miulina van Algarvië moet heeten. De ridder daar op het witte ros met de witte wapens is een ridder uit Frankrijk. Pierre Papin is zijn naam; en die op den gestreepten wilden zebra met de ijzeren sporen is Espartafilardo, hertog van Nervië.”Nog vele ridders en heeren noemde Don Quichot op, en ’t zou vermoeien die allen te vermelden. Sancho Panza hoorde met open mond toe en zijne verbazing steeg ten top, toen hij eindelijk zag, dat heel die schitterende ridderschap in werkelijkheid niets anders dan eene kudde vetgemeste hamels was.“Loop naar den drommel, heer!” barstte hij op eens los. “Ik zie noch reuzen, noch ridders, noch knapen, maar enkel schapen, zoo ver mijn oog reikt.”“Hoe kunt gij zulk een onzin uitkramen?” antwoordde Don Quichot. “Hoort gij dan niet het brieschen der paarden, het schetteren dertrompetten en het doffe dreunen en bommen der legerpauken?”“Ik hoor niets dan een ontzettend geblaat, heer!” verzekerde Sancho, en hij had gelijk. De beide kudden waren nu vrij dichtbij gekomen, en ieder mensch met gezonde hersens moest zien, dat het schapen en rammen waren en anders niet. Don Quichot bleef nochtans verblind.“Uwe lafhartigheid, Sancho Panza, benevelt uw verstand,” zeide hij met fierheid. “Als gij bevreesd zijt, blijf dan vrij achter en berg uw leven. Ik echter zal mij in den heeten strijd storten en de overwinning zal met mij zijn.”Zonder het antwoord van zijn schildknaap af te wachten, drukte hij Rocinante de sporen in de ribben en stoof met gevelde lans pijlsnel den heuvel af. Sancho schreeuwde hem wel na: “Blijf, blijf, heer! Zoo waar ik een zondig mensch ben, ’t zijn enkel hamels en schapen, waarop gij instormt!” Maar Don Quichot luisterde niet naar zijne stem.Onder wild krijgsgeschreeuw drong hij tot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links zulke verwoede houwen en steken uit, alsof de onnoozele schepsels zijne ergste vijanden waren. De herders en drijvers riepen hem toe, dat hij met zijne dwaasheid toch ophouden zou. Daar zij echter zagen, dat Don Quichot naar geen vermaning luisterde, maar zich steeds doller en wilder aanstelde, namen zij hunne slingers in de hand en wierpen steenen van een vuist dik naar hem. Een tijdlang deden die den dolleman geen letsel. De keien gonsden hem om de ooren, maar troffen hem niet. Eindelijk echter raakte een zware kei hem met zooveel geweld in de zijde, dat twee van zijne ribben werden gebroken en de ridder niet anders meende, dan dat zijn laatste uur gekomen was. Nu echter dacht hij aan zijn wonderdrank, zette dien aan de lippen en dronk er met gretige teugen van. Op datzelfde oogenblik kwam een tweede steen aangevlogen en richtte nog veel erger schade aan. Hij verbrijzelde de flesch met het kooksel en verlamde des ridders hand, sloeg hem drie of vier tanden uit den mond en schramde deerlijk zijne wang. De worp was zoo krachtig, dat Don Quichot zich niet meer in den zadel kon houden, maar als een blok vanhet paard op den grond plofte. De herders schoten nu ijlings toe, en daar zij meenen moesten, dat zij den onmachtige hadden omgebracht, dreven zij met den meest mogelijken spoed hunne verstrooide kudden weer bijeen, pakten de doode hamels, ten getale van zeven, op hunne schouders en lieten den schijnbaar levenloozen Don Quichot aan zijn lot over.Onder wild krijgsgeschreeuw drong Don Quichot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links verwoede houwen en steken uit.Onder wild krijgsgeschreeuw drong Don Quichot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links verwoede houwen en steken uit.Sancho Panza was al dien tijd radeloos op den heuvel blijven staan, waar hij de dolheden van zijn heer aanzag, zich de haren uit den baard rukte en het uur verwenschte, dat hem met den ongelukkigen dolenden ridder in kennis had gebracht. Toen hij echter zag, dat de herders opbraken en zijn meester alleen op het slagveld achterbleef, ging hij naar hem toe en vond hem, schoon deerlijk gekneusd en gehavend, toch weer half bij zijne bezinning.“Nu,” vroeg hij, “heb ik u niet gezegd, dat gij eene kudde wolvee voor een krijgsleger aanzaagt? Had ik niet gelijk, toen ik u waarschuwde?”“Sancho, gij zijt een ezel,” antwoordde Don Quichot. “Merkt gij dan niet, dat een arglistige toovenaar al de ridders in hamels heeft veranderd? Hij deed dat, om mij te ergeren, en omdat de schurk mij de daden benijdde, die ik zou hebben uitgevoerd. Overtuig u hiervan, Sancho, door de vermeende kudde na te rijden. Dan zult gij spoedig zien, dat de betoovering verdwijnt en de ridders zich weer in hunne natuurlijke gedaante vertoonen. Vooreerst kunt gij daarmee nog wel wat wachten, want ik heb dringend uw hulp en bijstand noodig. Kijk nu maar eerst eens in mijn mond en zeg mij, hoe veel tanden mij zijn uitgeslagen. Ik zou zeggen, dat ik geen een meer heb overgehouden.”Vol ijver boog de schildknaap zich zoo dicht over den ridder, die den mond opendeed, neer, dat zijn neus bijna tusschen diens tanden verdween. Op dit oogenblik begon echter de ingezwolgen drank te werken, en terwijl Sancho in den mond keek, gaf de lijder op eens al wat hij in de maag had over en overstroomde daar den baard van zijn armen, meewarigen schildknaap mee. Deze schrikte, daar hij het hem overstelpend vocht in den beginne voor bloed hield; doch spoedig merkte bij, wat het was, en kreeg zulkeen gevoel van walging, dat hij wel genoodzaakt was zijn gestrengen heer hetzelfde te doen, wat deze hem had gedaan.De arme Sancho schudde zich als een natte poedelhond, maar was toen met een sprong op de been en liep naar zijn ezel, om uit den knapzak het een of ander te halen, waarmee hij zichzelf en zijn meester weer schoonmaken kon. Daar echter ontdekte hij, dat zijn knapzak verdwenen was, wat hem opnieuw zijn noodlot deed verwenschen, dat hem aan zulk een dolzinnigen heer gebonden had.Toen hij nog stond te klagen en te lamenteeren, kwam Don Quichot met moeite weer overeind, onderzocht met de linkerhand den toestand van zijn mond, greep met de rechter Rocinante bij den teugel en sleepte zich voort naar zijn schildknaap, die nu bedrukt op zijn grauwtje stond te leunen en in diepe gedachten voor zich neerkeek.“Sancho Panza,” sprak de edele ridder, “gij zijt bedroefd om de wederwaardigheden, die mij en dus u ook getroffen hebben. Maar klaag niet en treur niet, want op regen volgt zonneschijn, en ’t zal spoedig beter met ons gaan.”“Och wat!” bromde Sancho. “’t Lijkt wat naar zonneschijn! Gisteren gefopt en vandaag zonder knapzak, daar moet een mensch wel tureluursch onder worden.”“Wat!” riep de ridder, “de knapzak weg?”“Nergens te vinden,” antwoordde Sancho.“Maar dan hebben we ook niets meer te eten.”“Geen sikkepitje,” zei de schildknaap; “of we moeten het gras en de kruiden kauwen, die de schapen overlieten.”“Dat alles zal zich wel schikken,” troostte Don Quichot; “maar kijk nu eens naar mijne kakebeenen en vertel, hoeveel tanden ik ben kwijtgeraakt. Ik voel een moorddadige pijn op de plaats, waar ze vroeger plachten te zitten.”Sancho stak Don Quichot den vinger in den mond, tastte en voelde en vroeg: “Hoeveel kiezen hebt gij vroeger aan dezen kant gehad, gestrenge heer?”“Vier, buiten de verstandskies, en alle vier gaaf en gezond.”“Heer,” antwoordde Sancho, “bedenk wel, wat gij zegt.”“Vier zijn er geweest, zoo niet vijf,” betuigde Don Quichot opnieuw.“Nu, dan moet ik zeggen, dat ge er leelijk zijt afgekomen,” zeide de schildknaap; “want aan deze zijde hebt gij beneden nog maar twee en een halven tand en boven geen een meer: daar is alles glad weggeschoren.”“Ongelukkige, die ik ben!” riep Don Quichot bij dit bericht bedroefd uit. “Hadden ze mij toch maar liever den linkerarm afgehouwen! Een mond zonder tanden is als een molen zonder maalsteen, en een tand is meer waard dan een diamant. Maar zoo gaat het den ridders, die zich voor het heil der menschheid opofferen! Wee mij armen, ongelukkigen, dolenden held!”“Heer,” zeide Sancho Panza, na dat gejammer een poosje geduldig te hebben aangehoord, “heer, ik zou zeggen, dat ge nu lang genoeg gelamenteerd hebt. Stijg te paard en laat ons eene herberg opzoeken, want ik blaf van honger.”Don Quichot vermande zich en besteeg al zuchtend en kreunend Rocinante. “Rij voorop, vriend,” beval hij den schildknaap. “Ik wil den weg volgen, dien gij inslaan zult.”Dit liet zich Sancho geen tweemaal zeggen, maar in de hoop van spoedig eene herberg te zullen vinden draafde hij moedig op den breeden landweg voort. ’t Begon evenwel donker te worden, en geen gastvrij dak vertoonde zich. Desniettegenstaande werd nergens rust gehouden, want heer en knecht werden door een razenden honger geplaagd, en zij hoopten nog altijd eene herberg te vinden. Toen echter wachtte hen een avontuur, als nog geen van beiden ooit beleefd had.De nacht was pikdonker geworden en treurig reden de beide helden op den weg voort, toen zij op eens eene groote menigte lichten zagen flikkeren, die als dwalende sterren uit de verte op hen toekwamen. Sancho Panza werd bleek, en ook Don Quichots hart bonsde hoorbaar tegen zijne gekneusde ribben. Beiden hielden hunne dieren staande en staarden op de lichten, die van minuut tot minuut grooter en schitterender werden. Sancho Panza beefde als een riet, en den dapperen ridder begonnen de haren te berge te rijzen. Echter toonde hij zich moedig en sprak:“Sancho Panza, hier moet ik al mijne kracht en mijn moed te hulp roepen, want dit is zonder twijfel een dreigend en gevaarvol avontuur.”“O wee, o wee!” zuchtte Sancho. “Daar komen weer reuzen en gedrochten, en op mijn armen rug, die toch al bont en blauw gebeukt is, zal ’t opnieuw weer slagen regenen.”“Geloof dat niet,” antwoordde Don Quichot. “Al zijn ’t ook nog zulke grimmige geesten en spoken, ze zullen u met hand noch vinger aanraken, daar ik u beschermen zal. Hier zijn wij op het open veld, waar ik onbelemmerd mijn scherp zwaard kan gebruiken.”“Ik wil mij goed zoeken te houden,” zei Sancho Panza, hield zich dicht achter zijn heer en keek met gespannen opmerkzaamheid naar de lichten uit, om te ontdekken, hoe het daar eigenlijk mee gelegen was.Zij onderscheidden voor en na eene menigte gedaanten in witte hemden, die den armen Sancho Panza het verschrikkelijkste toeschenen, dat zijne oogen ooit nog op aarde hadden aanschouwd. Hij trilde en beefde, en zijne tanden klapperden, alsof hij eene zware koude koorts had.Toen de lichten nog nader kwamen, zagen zij bij de twintig mannen in lange, slepende tabbaarden. Zij zaten op paarden, droegen fakkels in de handen en hunne gezichten schenen spookachtig bleek. Achter hen kwam eene met een zwart laken overdekte baar, en op deze volgden zes andere ruiters, die, evenals de eersten, van het hoofd tot de voeten in lange, donkere rouwgewaden staken. Dezen zaten echter niet te paard, maar op muildieren, gelijk uit den zachten en bedaarden stap dezer dieren gemakkelijk was op te maken. Met doffe stem mompelden alle mannen onverstaanbare woorden, die wel bezweringen schenen en het hart van ridder en knecht met schrik vervulden. Daarbij het late uur, de donkere nacht en de lijkbaar,—dit een en ander had ook den dapperste kunnen verbijsteren en beangstigen.Sancho Panza was halfdood van schrik en ontzetting; doch bij Don Quichot begon de verbeelding reeds weer te werken en spiegelde hem de zonderlingste avonturen voor. Hij geloofde, dat men op debaar een zwaar gekwetsten of wel dooden ridder wegdroeg, en dat de hemel hem opzettelijk tot diens bloedwreker had uitverkoren.Zonder aarzelen omklemde hij dan ook zijne lans en stelde zich midden op den weg dreigend in postuur, om den geheimzinnigen trein op te wachten. Toen die tot op korten afstand genaderd was, verhief hij zijne stem en sprak:“Halt! Staat, gij ridders en edelen, en zegt zonder dralen, wie gij zijt, waarheen gij gaat, van waar gij komt en wie de ridder is, wiens lijk gij daar op die baar medevoert. Gij hebt òf kwaad gedaan óf kwaad geleden, en ik moet dit weten, om daarnaar mijne maatregelen te nemen.”“Heer ridder,” gaf een der mannen tot antwoord, “houd ons niet op, want wij hebben haast en mogen geen tijd verliezen met u uitvoerig rekenschap van ons doen en laten te geven.”Met deze woorden dreef hij zijn muildier aan en wilde doorrijden; maar Don Quichot gevoelde zich door dit korte bescheid in dier voege beleedigd, dat hij het dier bij den teugel greep en luid en dreigend riep: “Houd stil en leg rekenschap af! Zoo niet, dan zal ik u en al de uwen bloedig tuchtigen en kastijden.”Het muildier van den aldus bedreigden ruiter werd schuw, sprong op zij, steigerde hoog op en sloeg ruggelings achterover. Een knaap die er te voet bij liep, zag den val en begon op Don Quichot te schimpen. Dat kon deze niet dulden en de kamp begon. De ridder velde de lans, viel op een der mannen in het zwart aan en deed hem gewond van het paard tuimelen. Hierop keerde hij zich tegen de overigen. Met waarlijk verbazende vlugheid en behendigheid hieuw hij op de menschen in en ’t scheen wel, dat Rocinante vleugels had gekregen, zoo licht en snel galoppeerde hij over het slagveld heen en weer.De mannen in de witte en zwarte kleederen toonden al zeer weinig hart in het lijf te hebben en gedroegen zich jammerlijk lafhartig. Don Quichot dreef hen met weinig moeite op de vlucht, joeg hen met hunne vlammende fakkels over het veld heen en deed hen zich naar alle kanten verstrooien. Sommigen der mannen konden zich wegens de lengte hunner rouwkleeren nauwelijks bewegen, en op dezenhakte de verwoede ridder, zonder eenigen weerstand te vinden, zoo lang in, totdat zij hunne mantels wegwierpen en insgelijks de vlucht namen. De arme sukkels meenden, dat de duivel zelf hun op de hielen zat, en kruisten zich al hun best.Sancho Panza zag dit schouwspel met de grootste verbazing aan. Hij was over de stoutheid en dapperheid van zijn gebieder ten hoogste verwonderd en begon bijna te gelooven, dat Don Quichot werkelijk de machtige en geweldige held was, waarvoor hij zich uitgaf.Don Quichot greep eindelijk een der brandende fakkels, die in menigte op den grond lagen, en lichtte in het rond, of hij ook nog een vijand ontdekken kon. Hij bemerkte niemand dan den ruiter, die onder zijn muildier was geraakt, zette hem de punt zijner lans op de borst en gebood hem zich over te geven, als hij niet oogenblikkelijk een man des doods wilde zijn.“Ach, heer ridder,” stotterde de beangstigde man, “ik ben, gelijk gij ziet, onderdanig genoeg en smeek u ootmoedig om mijn beetje leven. Ik geloof, dat ik een been heb gebroken, want ik kan geen lid verroeren. Breng mij dus ook maar niet om, als gij een christelijk ridder zijt. Weet, dat ik tot den geestelijken stand behoor. Gij zoudt eene gruwelijke daad begaan door de hand aan een dienaar van de kerk te slaan.”“Maar, bij mijn zwaard,” schreeuwde Don Quichot, “als gij werkelijk een geestelijke zijt, wat heeft u dan midden in den nacht hier op den grooten weg gebracht?”“Mijn ongelukkig gesternte, heer ridder,” antwoordde de gevallene.“En dat zal u het leven kosten, als gij mij niet dadelijk antwoord op mijne eerste vraag geeft,” riep Don Quichot.“Ach, ik wil gaarne alles zeggen,” antwoordde de man. “Ik en de twaalf andere priesters, die allen gevlucht zijn, komen uit de stad Baeza, en wij dachten ons naar Segovia te begeven, om het lijk van den ridder, dat daar op de baar ligt, naar zijn eigen grafkelder te begeleiden.”“Wie heeft dien ridder omgebracht?” vroeg Don Quichot op barschen toon.“Hij is zijn natuurlijken dood gestorven ten gevolge van eene heete koorts,” was het antwoord.“Nu, dan heb ik niet de moeite te nemen om hem te wreken,” sprak de dappere dolende held. “Weet dan nu, eerwaardige heer, dat ik de hoogvermaarde en machtige ridder Don Quichot van La Mancha ben, en dat mijne roeping is de wereld te doorkruisen, om alle onrecht te keer te gaan, het kromme recht te maken en de lijdende, onderdrukte menschheid te hulp te komen.”“Ei, heer ridder,” antwoordde de geestelijke, “bij mij is u dat niet gelukt, want gij hebt veeleer het rechte krom gemaakt, gelijk mijn gebroken been u duidelijk kan bewijzen.”“Dat doet mij leed om uwentwil,” betuigde de ridder; “doch gij hebt dit ongeluk aan uzelf te wijten. Waarom gaaft gij mij niet terstond behoorlijk antwoord op mijne vraag?”“Daar het nu toch niet te veranderen is, wil ik mij in mijn lot zoeken te troosten,” zuchtte de geestelijke. “Maar, heer ridder, wilt gij mij eene gunst en weldaad bewijzen, help mij dan van onder mijn muildier weg. Een van mijne beenen zit nog tusschen zadel en stijgbeugel vastgeklemd.”“Waarom hebt gij dat niet terstond gezegd, eerwaardige heer?” riep Don Quichot. “Wacht, gij zult zonder uitstel geholpen worden.”Hij wenkte Sancho Panza nader te komen; doch deze maakte bitter weinig haast, daar hij juist bezig was, een met proviand zwaar beladen ezel, dien de geestelijke heeren bij zich hadden, van zijn vracht te bevrijden en die op zijn eigen grauwtje over te brengen. Eerst toen hij dit werk volbracht had en zich toereikend van mondvoorraad voorzien zag, kwam hij zijn meester te hulp en haalde den geestelijke onder het muildier weg. Dit richtte zich nu vanzelf op, en de geestelijke heer werd er op geholpen. Voordat hij wegreed, verzocht Don Quichot hem, zijne broeders weder bijeen te roepen en hun in zijn naam vergiffenis te vragen voor het kwaad, dat hij hun bij vergissing had aangedaan. En Sancho Panza voegde er bij:“En als uwe vrienden weten willen, wie hen zoo deerlijk toegetakeldheeft, zeg hun dan, dat het Don Quichot van La Mancha, de Ridder van de Droevige Figuur, is geweest.”Hierop reed de geestelijke weg, en nu vroeg Don Quichot zijn schildknaap, hoe die er toe gekomen was, hem den Ridder van de Droevige Figuur te noemen.“Dat zal ik u zeggen, gestrenge heer,” zeide Sancho Panza. “Kijk, toen ik u bij het licht van de fakkels zoo eens terdeeg goed bekeek, moest ik bij mijzelf zeggen, dat gij wezenlijk de jammerlijkste en droevigste figuur zijt, die ik nog ooit van mijn leven gezien heb. Dat komt denkelijk wel van het gevecht, waarin gij veel moet geleden hebben, of misschien ligt het ook daaraan, dat gij zoo’n geduchte vracht kiezen en tanden zijt kwijtgeraakt.”“Neen, dat is het zeker niet,” antwoordde Don Quichot. “Maar wat ook de reden mag wezen, ik wil den bijnaam, die u toevallig in den mond kwam, behouden en mij ten eeuwige dage den Ridder van de Droevige Figuur noemen. Om dien naam met volle recht te dragen, wil ik eene recht treurige figuur op mijn schild laten schilderen.”“Die kosten kunt gij sparen, heer ridder,” zei Sancho Panza. “Als gij maar uwe eigene figuur laat zien, kunt gij verzekerd wezen, dat de heele wereld u dadelijk voor den Ridder van de Droevige Figuur zal houden. Twijfel niet aan mijn zeggen, want ik verzeker u, dat de honger en ’t verlies van die tanden u zoo’n jammerlijk aanzien gegeven hebben, als men zich met mogelijkheid verbeelden kan.Don Quichot lachte om Sancho’s dol zeggen, maar bleef er toch bij, dat hij dien bijnaam aannemen wou en op zijn schild eene droevige figuur doen schilderen. Sancho liet hem nochtans geen tijd, om daar lang over na te denken, maar drong er op aan, dat men de reis zonder tijdverlies voortzetten zou.
Hoofdstuk VI.Don Quichot en de windmolens.Onze twee hadden reeds een goed eind weegs afgelegd, toen zij op eens dertig tot veertig windmolens op de vlakte voor zich zagen. Op dat gezicht keerde de ridder zich tot zijn schildknaap om en zeide: “Vriend, het geluk lacht ons toe, vroeger dan wij hopen of verwachten konden. Daar voor ons staan dertig en nog meer schrikbarende reuzen. Ik wil er op losgaan, op leven en dood met henkampen en hun allen het levenslicht uitblazen. Als ik hen geveld heb, zullen wij rijken buit en ik zelf onsterfelijken roem behalen, daar het een edel ridderlijk en den hemel welgevallig werk is, dat men zulke snoode reuzen van den aardbodem verdelgt.”“Wat voor reuzen dan?” vroeg Sancho Panza, verwonderd rondkijkend en niets dan die onschuldige windmolens ontdekkend.“Daar staan zij,” antwoordde Don Quichot en wees op de windmolens, “daar staan ze en zwaaien hunne geweldige armen, die wel twee mijlen en meer lang zijn.”“Die dingen daar, doorluchtige heer?” vroeg Sancho, ten uiterste verbaasd. “Wel, lieve hemeltje, dat zijn immers windmolens, maar geen reuzen. Wat gij de armen noemt, dat zijn de wieken, die door den wind rondgedraaid worden en de molensteenen aan den gang brengen.”“Ik merk, dat gij nog heel weinig van avonturen weet,” riep Don Quichot. “Dat zijn de reuzen; en als u de angst om het hart slaat, blijf dan op een afstand en zie toe, hoe ik den geduchten en ongelijken strijd met hen wagen zal.”Met deze woorden drukte hij den mageren Rocinante de sporen in de ribben en stoorde zich niet meer aan het roepen van zijn verwonderden schildknaap, die hem nog altijd met al de kracht zijner longen naschreeuwde, dat hij gewone windmolens en geen reuzen of ridders voor zich had. Don Quichot had zich nu eens die reuzen in het hoofd gezet en zag zelfs zijne dwaling nog niet in, toen hij reeds dicht bij de molens gekomen was. Met donderende stem riep hij hun toe:“Staat, gij ellendige en lafhartige schepsels! Staat en vlucht niet! Een eenig ridder nadert, die u het hoofd biedt en u in het stof zal nederwerpen!”Op dit oogenblik stak een lichte wind op; die de wieken der molens langzaam in beweging bracht. Don Quichot hield dit voor een antwoord en eene uitdaging en schreeuwde vol strijdlust:“En al had gij ook zooveel armen, als de honderdarmige reus Briareus, toch zult gij overwonnen worden en mij aan mijne voeten om genade smeeken.”Met deze woorden maakte hij zich tot den kamp gereed, dacht aan zijn hooge gebiedster Dulcinea van Toboso, riep hare machtige bescherming tegen het dreigende gevaar in, dekte zijn borst met het schild, velde de lans, stoof in wilden galop vooruit en richtte onversaagd zijn aanval op den naastbij staanden windmolen. De scherpe lans ging door een der wieken heen, welke de wind juist op dat oogenblik met vermeerderde snelheid ronddraaide; zij brak dadelijk in stukken, terwijl ruiter en ros overhoop geworpen en, leelijk bezeerd en gekneusd, een eind ver weggeslingerd werden. Nu schoot Sancho Panza toe, zoo vlug als zijn grauwtje maar draven kon, en ontdekte met schrik, dat zijn dappere meester zulk een geweldigen smak had gekregen, dat hij geen lid meer verroeren kon.“Och lieve hemeltje!” riep Sancho, toen hij zijn edelen heer daar zoo jammerlijk vond toegetakeld. “Heb ik u niet gezeid, dat ge u in acht moest nemen? Ieder verstandig mensch moest toch zien, dat hij windmolens en geen reuzen voor zich had.”“Stil, stil, vriend Sancho!” kreunde Don Quichot met matte stem. “Ik zie wel, dat alle krijgsgeluk wisselvallig en onbestendig is. De een of ander boosaardige toovenaar, waarschijnlijk dezelfde, die mij mijne kamer en mijne boeken ontstal, moet de reuzen in windmolens hebben veranderd, om mij de eer en den roem der overwinning uit de handen te rukken. Zijne vijandigheid is groot, maar zal eindelijk toch door de voortreffelijkheid van mijn goed zwaard en door mijne dapperheid overwonnen worden.”“Dat hoop ik!” zeide Sancho Panza, terwijl hij zijn ridder overeind en weer op Rocinante hielp, die bijna de ruggegraat had gebroken.Hierop vervolgden beiden hunne reis en richtten zich naar den bergpas van Lápice, waar Don Quichot, daar het eene druk bezochte plaats was, eene menigte avonturen hoopte te beleven. Het verlies van zijne lans griefde hem uitermate zeer en hij dacht lang na, op wat wijze hij dat best kon herstellen. Eindelijk besloot hij, van den eersten den besten eik of beuk een stevigen tak af te kappen en dien dan voortaan als lans te gebruiken.Sancho Panza ontdekte met schrik, dat zijn dapperen meester een geweldigen smak had gekregen.Sancho Panza ontdekte met schrik, dat zijn dapperen meester een geweldigen smak had gekregen.“Gij zult zien, Sancho,” zeide hij, “dat ik zelf met een zoo ellendig werktuig de stoutste en ongeloofelijkste daden volvoeren zal.”“’k Mag een boontje wezen, als ik dat niet hoop, edele heer,” antwoordde de schildknaap, “Maar waarom zit gij toch zoo scheef in den zadel en hangt zoo op de eene zij van het paard? Hebt ge u misschien bij den val wat bezeerd?”“Zoo is het,” erkende de ridder, “en dat ik het niet hardop van pijn uitschreeuw, is alleen maar, omdat ik wel vaak gehoord en gelezen heb, dat zulk kermen en jammeren aan kloeke dolende ridders niet betaamt. Zij klaagden nooit over eenige kwetsuur of verwonding, al was ’t ook, dat hun de darmen uit het lijf hingen.”“Nu, ieder zijn meug, zooals mijne grootmoeder placht te zeggen,” antwoordde de schildknaap. “Ik had evenwel liever, dat gij maar schreeuwdet, edele heer, als ge pijn voelt ergens; want ik voor mijn part zal terdege een keel opzetten, als mijn arm lichaam erg schade of letsel krijgt. Of is ’t misschien ook aan de schildknapen der dolende ridders verboden, te klagen, als hun iets overkomt?”Don Quichot haalde over deze vraag van zijn dienaar de schouders op, maar gaf hem toch volle vrijheid, om bij voorkomende gelegenheid naar hartelust te kermen, te krijten en te huilebalken, daar hij nog nooit gehoord had, dat in de voorschriften voor de ridderschap iets voorkwam, dat zulks bepaald verbood. Sancho stelde zich hiermede tevreden, doch deed een poosje later opmerken, dat de etenstijd gekomen was.“Eet en drink, zoo gij wilt,” antwoordde de ridder. “Ik voor mij voel nog geen honger.”Sancho liet zich dit geen tweemaal zeggen, maar maakte ’t zich zoo gemakkelijk, als dat bovenop een ezel maar eenigszins mogelijk is; hij haalde proviand uit den welgevulden knapzak en at zich dik en zat. Vervolgens bleef hij een weinig achter, opende den bokkevellen wijnzak, bracht dien aan den mond en dronk met zulke geduchte teugen, dat de grootste nathals in heel Spanje ’t niet beter zou hebben kunnen doen.Zoo ging de reis voort. Don Quichot gaf zich aan zijn hoogvliegende gedachten over en Sancho Panza zocht zijn troost bij den wijnzak, totdat de avond hen midden in een groot bosch overviel. Zij maakten halt en sloegen onder een groep dicht gebladerde eikeboomen hun nachtleger op. Sancho, die braaf moe en wiens hoofd buitendien door de wijndampen een weinig beneveld was, lag dadelijk vast in slaap en snorkte zoo geweldig, dat de vogels en vleermuizen in den omtrek er verschrikt de vlucht voor namen. Don Quichot daarentegen deed geen enkel oog toe. Hij droomde van zijne zielekoninginne Dulcinea, tot de morgen weer aanbrak. Toen stond hij op, beroofde een der eiken van een langen, taaien tak, stak daar zijn lansijzer in en verschafte zich opnieuw een ridderlijk wapen. Vervolgens, toen de eerste gouden zonnestralen in het dichte groene bosch doordrongen en duizenden van vogels hun orgelend en schetterend morgenlied aanhieven, wekte hij zijn schildknaap, die anders een gat in den dag zou hebben geslapen, en vervolgde zijn tocht. Sancho had eerst al eens hoogte van den wijnzak genomen en tot zijn groot verdriet bevonden, dat die veel magerder dan den dag te voren was. Na eene poos noodigde hij zijn meester tot hetontbijt, maar verteerde dat alleen, daar Don Quichot, die van honger noch dorst scheen te weten, geen beet over de lippen wilde nemen. Drie uren later bereikten zij den pas van Lápice, die door den ridder met van moed en strijdlust flonkerende oogen werd begroet.“Sancho,” sprak hij, “hier op deze plaats zal het ons niet aan avonturen ontbreken, en ik reken mij dus verplicht u een bevel te geven, waaraan gij u strikt houden moet. Nooit en in geen geval namelijk moogt gij wagen, mij te hulp te komen en uw degen te trekken, behalve wanneer misschien gemeen volk en laag gepeupel zich in den strijd mocht willen mengen. Tegen ridders te kampen is u, volgens de wetten der ridderschap, ten strengste verboden, zoolang gij niet zelf tot ridder geslagen zijt.”“Ei,” antwoordde Sancho Panza, “in dit punt wil ik u dol gaarne gehoorzamen, gestrenge heer, daar ik van nature zoo vreedzaam als een pasgeboren lam ben. Wanneer mij echter iemand te lijf wil,tegen dien verweer ik mijne huid, om ’t even of ’t een ridder, een schildknaap of maar een uit het gemeene volk is.”Terwijl Sancho nog sprak, zag Don Quichot twee Benedictijner monniken aankomen. Zij reden op groote muildieren, droegen lange zwarte gewaden en dekten zich door groote schermen tegen de zonnestralen. Een weinig achter hen aan kwam eene koets, door eenige mannen te paard en een paar ezeldrijversjongens te voet begeleid. In die koets zat eene dame uit Biscaye, die naar haren gemaal te Sevilla reisde. De monniken, hoewel zij dienzelfden weg gingen, behoorden niet tot het reisgezelschap van de dame en schenen zich ook maar weinig om haar te bekommeren.Nauwelijks had Don Quichot de naderenden in het oog gekregen, of hij zeide tot zijn schildknaap:“Hoor, Sancho Panza, dat is een avontuur, als den besten ridder nog niet fraaier bejegend is. Die zwarte gedaanten daar zijn zonder twijfel twee toovenaars, die eene geschaakte prinses helpen voortsleepen, en ik reken het mijn plicht, mij tegen zulk een schandelijk bestaan met al de kracht van mijn arm te verzetten.”“Allerdapperste heer ridder,” riep Sancho Panza vol schrik, “gij bedriegt u. Die mannen in het zwart zijn eerwaardige monniken van de Benedictijner orde en hebben zeker zoomin eene prinses als eenige andere edele dame geroofd. Hoed u, dat gij door uwe inbeelding niet allerleelijkst in de klem komt.”“Sancho Panza, zwijg stil!” gebood Don Quichot op hoogen toon. “Ik heb u al eens gezegd, dat gij van hooge en merkwaardige avonturen nog heel geen begrip hebt, en gij zult spoedig zien, dat al, wat ik van die zwarte toovenaars zei, de zuivere onvervalschte waarheid is.”De schildknaap zweeg beschaamd stil, en zijn meester reed de reizigers nog een kort eind te gemoet. Midden op den weg hield hij toen zijn klepper staande, en toen de mannen dichtbij genoeg waren, om zijne woorden te kunnen verstaan, riep hij hun met luider stemme toe:“Gij verfoeilijke, heidensche snoodaards, houdt dadelijk stil en geelt terstond en zonder weigeren de doorluchtige prinses over, die gij daar in de koets in gevangenschap wilt sleepen. Draalt gij, mijnbevel te gehoorzamen, dan zult gij hier tot straffe voor uwe misdaad op staanden voet de zwarte ziel uitblazen.”De monniken hielden hunne muildieren in en wisten niet, wat zij van de wonderbaarlijke figuur van den ridder en van zijn dreigende woorden denken moesten. Eindelijk antwoordde een van hen:“Heer ridder, ik bid u, laat ons in vrede trekken! Wij zijn noch verfoeilijke, noch heidensche snoodaards, maar twee doodonschuldige dienaren des Heeren, die rustig huns weegs gaan en niet weten, of in die koets daar prinsessen of prinsen zitten.”“Gij liegt, duivelsche heksenmeesters!” riep Don Quichot woedend, velde de lans, gaf Rocinante de sporen en stoof in galop op den eersten monnik los. Hij was zoo grimmig en verwoed, dat hij den onschuldigen man doorboord zou hebben, indien deze zich niet met verwonderlijke vlugheid van zijn muildier had laten glijden. De andere monnik drukte zijn beest de hielen in de zijden en wist door overhaaste vlucht gelukkig zijn lijf te bergen.Thans viel Sancho Panza, wiens anders niet groote moed door het stoute heldenfeit van zijn meester verbazend gerezen was, op den eersten monnik aan, wierp hem ter aarde en begon hem de kleederen van het lijf te rukken. Terstond echter kwamen nu de ezeldrijversjongens toe, vroegen hem, wat kwaad de heer hem gedaan had, pakten hem in haar en baard en ranselden hem zoo ongenadig af, dat hij moord en brand begon te schreeuwen. Terwijl de jongens hem nog zoo onder hunne knuisten hadden en hem bont en blauw sloegen, wist de sidderende en bevende monnik weer in den zadel te komen, greep de teugels, bracht zijn muildier in snellen draf en haalde eerst weer adem, toen hij den onstuimigen ridder en zijn ruwen, pootigen schildknaap ver achter zich had gelaten.Intusschen was Don Quichot de koets genaderd, om de daarin zittende dame aan te spreken.Don Quichot trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los.Don Quichot trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los.“Hooge en edele prinses,” begon hij, “gij moogt nu weder naar welgevallen over uw persoon beschikken, want daareven heb ik uw belager door de kracht van mijn sterken arm ter aarde geworpen. Indien gij mijne daad beloonen wilt, zend dan een heraut aan demeesteresse mijns harten, de verhevene dame Dulcinea van Toboso, en laat haar melden, wat ik volvoerd heb en hoe ik u door mijne dapperheid uit het geweld van twee schandelijke toovenaars bevrijdde.”Deze woorden vernam een palfrenier der dame, een Biscayer van geboorte. Daar hij zag, dat Don Quichot zich niet verwijderde en dat zijne gebiedster zeer verschrikt scheen, ging hij op den dollen ridder toe, greep zijne lans en zeide:“Maak, dat je weg komt, ridder! Zoo waar als ik leef en een Biscayer ben, haal ik je van het paard, als je niet dadelijk de koets verlaat.”Don Quichot staarde den palfrenier met groote oogen aan. Daar hij nochtans zag, dat hij slechts een dienaar en niet een ridder voor zich had, antwoordde hij met de grootste bedaardheid:“Laat mij met vrede, mensch! Zoo gij een ridder waart, zou ik u tuchtigen, maar nu pak u weg, onbeschaamde lijfeigen hond!”“Wacht!” riep de Biscayer, “ge zult zien, met wien ge te doen hebt. Gooi die lans weg en trek het zwaard! We willen gauw zien, wiens haan victorie zal kraaien. Trek van leer, zeg ik, en toon wat ge kunt, kale jakhals van een edelman!”Don Quichot geraakte nu in drift. Hij wierp de lans van zich, dekte de borst met het schild, trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los, met het stellig voornemen om hem zonder barmhartigheid den schedel te klooven. De palfrenier ontblootte insgelijks zijn wapen, greep tot zijne dekking een kussen uit den wagen, hield dat als een schild voor zich, en de tweekamp begon met vreeselijk geweld. Men riep den strijdenden toe, vrede te maken; doch zij luisterden daar niet naar. De dame in de koets beval nu haren koetsier, een weinig door te rijden, waar zij op veiligen afstand ooggetuige van het gevecht kon zijn.De koetsier gehoorzaamde en de zwaarden vervolgden hun werk. De Biscayer bracht zijn vijand een houw over den schouder toe, die dezen van den romp zou gescheiden hebben, ware hij niet door schild en harnas beschut geweest. Desniettemin voelde de ridder de zwaarte van den slag, die hem door alle ribben dreunde, en riep zijne hooge patronesse Dulcinea van Toboso smeekend aan. Degedachte aan haar bezielde hem met nieuwen moed, leende zijn arm nieuwe sterkte, en vol woede drong hij op den Biscayer in. Zijne zwaardslagen kletterden op hem neer, en de arme palfrenier zag vol schrik zijne nederlaag te gemoet. Had hij een goed paard gehad, zoo zou hij gevlucht zijn; doch hij bereed een ellendigen knol, dien hij bijna niet van de plaats kon krijgen. Derhalve verweerde hij zich met de grootste vertwijfeling, waardoor ’t hem dan ook gelukte zich den razenden ridder nog een tijdlang van ’t lijf te houden. Daar hij echter ongeharnast was, terwijl Don Quichot van kop tot teen in ijzer staal stak, moest hij natuurlijk eindelijk het onderspit delven. Onze ridder richtte zich op in zijn zadel, pakte zijn zwaard met beide handen, hieuw den Biscayer over den schedel en raakte hem zoo geducht, dat het bloed hem terstond uit mond en neusgaten spoot en hij met paard en al op den grond stortte.Thans steeg Don Quichot uit den zadel, hield den gevallene de punt van zijn zwaard voor het gezicht en beval hem, zich verwonnen te verklaren. De man was evenwel te erg verbijsterd, om antwoord te kunnen geven, en de verbolgen ridder zou hem ongetwijfeld zijn zwaard door den strot gejaagd hebben, indien de dame in de koets niet vol angst tusschenbeide was gekomen en in roerende bewoordingen om het leven van haar dienaar had gesmeekt. Don Quichot liet zich vermurwen en die deemoedige bede goot water op den vlammenden gloed zijner gramschap.“Het leven zij hem dan geschonken,” riep hij; “doch slechts onder voorwaarde, dat deze ridder mij belooft, naar Toboso te trekken en mijner onvergelijkelijke meesteres, Dona Dulcinea, te verhalen, op wat heldhaftige, ridderlijke wijze ik hem met mijn zwaard heb geveld.”De arme vrouw beloofde in haar angst alles, en Don Quichot bracht zijn overwonneling dan ook geen verder leed toe. Deze kwam met moeite weer op de been en was blij, dat hij de reis met zijne meesteres kon vervolgen.In dien tusschentijd had ook Sancho Panza zich uit de handen der jonge ezeldrijvers weten los te wringen en kwam nu op zijn meester toe, die al weer hoog te paard zat en de wegrollendekoets triomfeerend naoogde. Toen deze in eene kromming van den weg verdween, keerde hij zich tot zijnen stom wachtenden schildknaap om en begon zijn nooit geëvenaard heldenfeit in klinkende woorden te verheffen.“Ja, dat alles is mooi en wel,” viel Sancho Panza hem eindelijk in de rede; “maar waar, edele heer, is het stadhouderschap, dat gij mij na uw eerste schitterende avontuur vast beloofd hebt? ’k Wil mezelf niet roemen, maar ’k geloof, dat ik zoo’n knappe, fiksche stadhouder zou wezen, als maar één denken durft.”“Sancho,” antwoordde de ridder, “toen ik dat zei, meende ik een eilandsavontuur, en dit hier is enkel een vastelandsavontuur, dat niets dan eer en roem aanbrengt. Heb geduld, mijn zoon! Als de tijd gekomen is, zult gij ook stadhouder worden. Maar verbind nu mijn oor eens, dat die booze ridder vrij erg geraakt heeft, en waar ’t bloed uitloopt.”Sancho Panza haalde aanstonds pluksel en zalf uit zijn knapzak en nam zijn meester den helm af. Deze merkte nu eerst, hoe erg gedeukt en gehavend die was, en dat ongeluk deed zijne gramschap opnieuw ontbranden. Hij rukte zich de haren uit het hoofd, schermde met beide handen in de lucht en zwoer bij kris en bij kras, niet weer van een schoon tafellaken te zullen eten, voordat hij den snooden ridder, die hem zijn ridderlijk hoofddeksel zoo had bedorven, daarvoor op schrikkelijke manier had doen boeten. Sancho kreeg hem niet zonder veel moeite tot bedaren, verbond zijn bloedend oor, en beiden gingen weer op weg, nadat zij een stuk droog brood en geitenkaas genoten hadden.Tegen den avond bereikten zij eenige hutten van geitenherders, en ofschoon vooral Sancho wel een beter dak voor den nacht gewenscht had, besloten zij toch, daar de zon onderging, hier kwartier te nemen.Vriendelijk werden zij door de herders ontvangen en onthaald, en allen behandelden vooral den geharnasten ridder met groote beleefdheid. Na een rustig doorgebrachten nacht namen zij afscheid van de herders en gingen nieuwe gevaren en avonturen te gemoet.
Onze twee hadden reeds een goed eind weegs afgelegd, toen zij op eens dertig tot veertig windmolens op de vlakte voor zich zagen. Op dat gezicht keerde de ridder zich tot zijn schildknaap om en zeide: “Vriend, het geluk lacht ons toe, vroeger dan wij hopen of verwachten konden. Daar voor ons staan dertig en nog meer schrikbarende reuzen. Ik wil er op losgaan, op leven en dood met henkampen en hun allen het levenslicht uitblazen. Als ik hen geveld heb, zullen wij rijken buit en ik zelf onsterfelijken roem behalen, daar het een edel ridderlijk en den hemel welgevallig werk is, dat men zulke snoode reuzen van den aardbodem verdelgt.”
“Wat voor reuzen dan?” vroeg Sancho Panza, verwonderd rondkijkend en niets dan die onschuldige windmolens ontdekkend.
“Daar staan zij,” antwoordde Don Quichot en wees op de windmolens, “daar staan ze en zwaaien hunne geweldige armen, die wel twee mijlen en meer lang zijn.”
“Die dingen daar, doorluchtige heer?” vroeg Sancho, ten uiterste verbaasd. “Wel, lieve hemeltje, dat zijn immers windmolens, maar geen reuzen. Wat gij de armen noemt, dat zijn de wieken, die door den wind rondgedraaid worden en de molensteenen aan den gang brengen.”
“Ik merk, dat gij nog heel weinig van avonturen weet,” riep Don Quichot. “Dat zijn de reuzen; en als u de angst om het hart slaat, blijf dan op een afstand en zie toe, hoe ik den geduchten en ongelijken strijd met hen wagen zal.”
Met deze woorden drukte hij den mageren Rocinante de sporen in de ribben en stoorde zich niet meer aan het roepen van zijn verwonderden schildknaap, die hem nog altijd met al de kracht zijner longen naschreeuwde, dat hij gewone windmolens en geen reuzen of ridders voor zich had. Don Quichot had zich nu eens die reuzen in het hoofd gezet en zag zelfs zijne dwaling nog niet in, toen hij reeds dicht bij de molens gekomen was. Met donderende stem riep hij hun toe:
“Staat, gij ellendige en lafhartige schepsels! Staat en vlucht niet! Een eenig ridder nadert, die u het hoofd biedt en u in het stof zal nederwerpen!”
Op dit oogenblik stak een lichte wind op; die de wieken der molens langzaam in beweging bracht. Don Quichot hield dit voor een antwoord en eene uitdaging en schreeuwde vol strijdlust:
“En al had gij ook zooveel armen, als de honderdarmige reus Briareus, toch zult gij overwonnen worden en mij aan mijne voeten om genade smeeken.”
Met deze woorden maakte hij zich tot den kamp gereed, dacht aan zijn hooge gebiedster Dulcinea van Toboso, riep hare machtige bescherming tegen het dreigende gevaar in, dekte zijn borst met het schild, velde de lans, stoof in wilden galop vooruit en richtte onversaagd zijn aanval op den naastbij staanden windmolen. De scherpe lans ging door een der wieken heen, welke de wind juist op dat oogenblik met vermeerderde snelheid ronddraaide; zij brak dadelijk in stukken, terwijl ruiter en ros overhoop geworpen en, leelijk bezeerd en gekneusd, een eind ver weggeslingerd werden. Nu schoot Sancho Panza toe, zoo vlug als zijn grauwtje maar draven kon, en ontdekte met schrik, dat zijn dappere meester zulk een geweldigen smak had gekregen, dat hij geen lid meer verroeren kon.
“Och lieve hemeltje!” riep Sancho, toen hij zijn edelen heer daar zoo jammerlijk vond toegetakeld. “Heb ik u niet gezeid, dat ge u in acht moest nemen? Ieder verstandig mensch moest toch zien, dat hij windmolens en geen reuzen voor zich had.”
“Stil, stil, vriend Sancho!” kreunde Don Quichot met matte stem. “Ik zie wel, dat alle krijgsgeluk wisselvallig en onbestendig is. De een of ander boosaardige toovenaar, waarschijnlijk dezelfde, die mij mijne kamer en mijne boeken ontstal, moet de reuzen in windmolens hebben veranderd, om mij de eer en den roem der overwinning uit de handen te rukken. Zijne vijandigheid is groot, maar zal eindelijk toch door de voortreffelijkheid van mijn goed zwaard en door mijne dapperheid overwonnen worden.”
“Dat hoop ik!” zeide Sancho Panza, terwijl hij zijn ridder overeind en weer op Rocinante hielp, die bijna de ruggegraat had gebroken.
Hierop vervolgden beiden hunne reis en richtten zich naar den bergpas van Lápice, waar Don Quichot, daar het eene druk bezochte plaats was, eene menigte avonturen hoopte te beleven. Het verlies van zijne lans griefde hem uitermate zeer en hij dacht lang na, op wat wijze hij dat best kon herstellen. Eindelijk besloot hij, van den eersten den besten eik of beuk een stevigen tak af te kappen en dien dan voortaan als lans te gebruiken.
Sancho Panza ontdekte met schrik, dat zijn dapperen meester een geweldigen smak had gekregen.Sancho Panza ontdekte met schrik, dat zijn dapperen meester een geweldigen smak had gekregen.
Sancho Panza ontdekte met schrik, dat zijn dapperen meester een geweldigen smak had gekregen.
“Gij zult zien, Sancho,” zeide hij, “dat ik zelf met een zoo ellendig werktuig de stoutste en ongeloofelijkste daden volvoeren zal.”
“’k Mag een boontje wezen, als ik dat niet hoop, edele heer,” antwoordde de schildknaap, “Maar waarom zit gij toch zoo scheef in den zadel en hangt zoo op de eene zij van het paard? Hebt ge u misschien bij den val wat bezeerd?”
“Zoo is het,” erkende de ridder, “en dat ik het niet hardop van pijn uitschreeuw, is alleen maar, omdat ik wel vaak gehoord en gelezen heb, dat zulk kermen en jammeren aan kloeke dolende ridders niet betaamt. Zij klaagden nooit over eenige kwetsuur of verwonding, al was ’t ook, dat hun de darmen uit het lijf hingen.”
“Nu, ieder zijn meug, zooals mijne grootmoeder placht te zeggen,” antwoordde de schildknaap. “Ik had evenwel liever, dat gij maar schreeuwdet, edele heer, als ge pijn voelt ergens; want ik voor mijn part zal terdege een keel opzetten, als mijn arm lichaam erg schade of letsel krijgt. Of is ’t misschien ook aan de schildknapen der dolende ridders verboden, te klagen, als hun iets overkomt?”
Don Quichot haalde over deze vraag van zijn dienaar de schouders op, maar gaf hem toch volle vrijheid, om bij voorkomende gelegenheid naar hartelust te kermen, te krijten en te huilebalken, daar hij nog nooit gehoord had, dat in de voorschriften voor de ridderschap iets voorkwam, dat zulks bepaald verbood. Sancho stelde zich hiermede tevreden, doch deed een poosje later opmerken, dat de etenstijd gekomen was.
“Eet en drink, zoo gij wilt,” antwoordde de ridder. “Ik voor mij voel nog geen honger.”
Sancho liet zich dit geen tweemaal zeggen, maar maakte ’t zich zoo gemakkelijk, als dat bovenop een ezel maar eenigszins mogelijk is; hij haalde proviand uit den welgevulden knapzak en at zich dik en zat. Vervolgens bleef hij een weinig achter, opende den bokkevellen wijnzak, bracht dien aan den mond en dronk met zulke geduchte teugen, dat de grootste nathals in heel Spanje ’t niet beter zou hebben kunnen doen.
Zoo ging de reis voort. Don Quichot gaf zich aan zijn hoogvliegende gedachten over en Sancho Panza zocht zijn troost bij den wijnzak, totdat de avond hen midden in een groot bosch overviel. Zij maakten halt en sloegen onder een groep dicht gebladerde eikeboomen hun nachtleger op. Sancho, die braaf moe en wiens hoofd buitendien door de wijndampen een weinig beneveld was, lag dadelijk vast in slaap en snorkte zoo geweldig, dat de vogels en vleermuizen in den omtrek er verschrikt de vlucht voor namen. Don Quichot daarentegen deed geen enkel oog toe. Hij droomde van zijne zielekoninginne Dulcinea, tot de morgen weer aanbrak. Toen stond hij op, beroofde een der eiken van een langen, taaien tak, stak daar zijn lansijzer in en verschafte zich opnieuw een ridderlijk wapen. Vervolgens, toen de eerste gouden zonnestralen in het dichte groene bosch doordrongen en duizenden van vogels hun orgelend en schetterend morgenlied aanhieven, wekte hij zijn schildknaap, die anders een gat in den dag zou hebben geslapen, en vervolgde zijn tocht. Sancho had eerst al eens hoogte van den wijnzak genomen en tot zijn groot verdriet bevonden, dat die veel magerder dan den dag te voren was. Na eene poos noodigde hij zijn meester tot hetontbijt, maar verteerde dat alleen, daar Don Quichot, die van honger noch dorst scheen te weten, geen beet over de lippen wilde nemen. Drie uren later bereikten zij den pas van Lápice, die door den ridder met van moed en strijdlust flonkerende oogen werd begroet.
“Sancho,” sprak hij, “hier op deze plaats zal het ons niet aan avonturen ontbreken, en ik reken mij dus verplicht u een bevel te geven, waaraan gij u strikt houden moet. Nooit en in geen geval namelijk moogt gij wagen, mij te hulp te komen en uw degen te trekken, behalve wanneer misschien gemeen volk en laag gepeupel zich in den strijd mocht willen mengen. Tegen ridders te kampen is u, volgens de wetten der ridderschap, ten strengste verboden, zoolang gij niet zelf tot ridder geslagen zijt.”
“Ei,” antwoordde Sancho Panza, “in dit punt wil ik u dol gaarne gehoorzamen, gestrenge heer, daar ik van nature zoo vreedzaam als een pasgeboren lam ben. Wanneer mij echter iemand te lijf wil,tegen dien verweer ik mijne huid, om ’t even of ’t een ridder, een schildknaap of maar een uit het gemeene volk is.”
Terwijl Sancho nog sprak, zag Don Quichot twee Benedictijner monniken aankomen. Zij reden op groote muildieren, droegen lange zwarte gewaden en dekten zich door groote schermen tegen de zonnestralen. Een weinig achter hen aan kwam eene koets, door eenige mannen te paard en een paar ezeldrijversjongens te voet begeleid. In die koets zat eene dame uit Biscaye, die naar haren gemaal te Sevilla reisde. De monniken, hoewel zij dienzelfden weg gingen, behoorden niet tot het reisgezelschap van de dame en schenen zich ook maar weinig om haar te bekommeren.
Nauwelijks had Don Quichot de naderenden in het oog gekregen, of hij zeide tot zijn schildknaap:
“Hoor, Sancho Panza, dat is een avontuur, als den besten ridder nog niet fraaier bejegend is. Die zwarte gedaanten daar zijn zonder twijfel twee toovenaars, die eene geschaakte prinses helpen voortsleepen, en ik reken het mijn plicht, mij tegen zulk een schandelijk bestaan met al de kracht van mijn arm te verzetten.”
“Allerdapperste heer ridder,” riep Sancho Panza vol schrik, “gij bedriegt u. Die mannen in het zwart zijn eerwaardige monniken van de Benedictijner orde en hebben zeker zoomin eene prinses als eenige andere edele dame geroofd. Hoed u, dat gij door uwe inbeelding niet allerleelijkst in de klem komt.”
“Sancho Panza, zwijg stil!” gebood Don Quichot op hoogen toon. “Ik heb u al eens gezegd, dat gij van hooge en merkwaardige avonturen nog heel geen begrip hebt, en gij zult spoedig zien, dat al, wat ik van die zwarte toovenaars zei, de zuivere onvervalschte waarheid is.”
De schildknaap zweeg beschaamd stil, en zijn meester reed de reizigers nog een kort eind te gemoet. Midden op den weg hield hij toen zijn klepper staande, en toen de mannen dichtbij genoeg waren, om zijne woorden te kunnen verstaan, riep hij hun met luider stemme toe:
“Gij verfoeilijke, heidensche snoodaards, houdt dadelijk stil en geelt terstond en zonder weigeren de doorluchtige prinses over, die gij daar in de koets in gevangenschap wilt sleepen. Draalt gij, mijnbevel te gehoorzamen, dan zult gij hier tot straffe voor uwe misdaad op staanden voet de zwarte ziel uitblazen.”
De monniken hielden hunne muildieren in en wisten niet, wat zij van de wonderbaarlijke figuur van den ridder en van zijn dreigende woorden denken moesten. Eindelijk antwoordde een van hen:
“Heer ridder, ik bid u, laat ons in vrede trekken! Wij zijn noch verfoeilijke, noch heidensche snoodaards, maar twee doodonschuldige dienaren des Heeren, die rustig huns weegs gaan en niet weten, of in die koets daar prinsessen of prinsen zitten.”
“Gij liegt, duivelsche heksenmeesters!” riep Don Quichot woedend, velde de lans, gaf Rocinante de sporen en stoof in galop op den eersten monnik los. Hij was zoo grimmig en verwoed, dat hij den onschuldigen man doorboord zou hebben, indien deze zich niet met verwonderlijke vlugheid van zijn muildier had laten glijden. De andere monnik drukte zijn beest de hielen in de zijden en wist door overhaaste vlucht gelukkig zijn lijf te bergen.
Thans viel Sancho Panza, wiens anders niet groote moed door het stoute heldenfeit van zijn meester verbazend gerezen was, op den eersten monnik aan, wierp hem ter aarde en begon hem de kleederen van het lijf te rukken. Terstond echter kwamen nu de ezeldrijversjongens toe, vroegen hem, wat kwaad de heer hem gedaan had, pakten hem in haar en baard en ranselden hem zoo ongenadig af, dat hij moord en brand begon te schreeuwen. Terwijl de jongens hem nog zoo onder hunne knuisten hadden en hem bont en blauw sloegen, wist de sidderende en bevende monnik weer in den zadel te komen, greep de teugels, bracht zijn muildier in snellen draf en haalde eerst weer adem, toen hij den onstuimigen ridder en zijn ruwen, pootigen schildknaap ver achter zich had gelaten.
Intusschen was Don Quichot de koets genaderd, om de daarin zittende dame aan te spreken.
Don Quichot trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los.Don Quichot trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los.
Don Quichot trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los.
“Hooge en edele prinses,” begon hij, “gij moogt nu weder naar welgevallen over uw persoon beschikken, want daareven heb ik uw belager door de kracht van mijn sterken arm ter aarde geworpen. Indien gij mijne daad beloonen wilt, zend dan een heraut aan demeesteresse mijns harten, de verhevene dame Dulcinea van Toboso, en laat haar melden, wat ik volvoerd heb en hoe ik u door mijne dapperheid uit het geweld van twee schandelijke toovenaars bevrijdde.”
Deze woorden vernam een palfrenier der dame, een Biscayer van geboorte. Daar hij zag, dat Don Quichot zich niet verwijderde en dat zijne gebiedster zeer verschrikt scheen, ging hij op den dollen ridder toe, greep zijne lans en zeide:
“Maak, dat je weg komt, ridder! Zoo waar als ik leef en een Biscayer ben, haal ik je van het paard, als je niet dadelijk de koets verlaat.”
Don Quichot staarde den palfrenier met groote oogen aan. Daar hij nochtans zag, dat hij slechts een dienaar en niet een ridder voor zich had, antwoordde hij met de grootste bedaardheid:
“Laat mij met vrede, mensch! Zoo gij een ridder waart, zou ik u tuchtigen, maar nu pak u weg, onbeschaamde lijfeigen hond!”
“Wacht!” riep de Biscayer, “ge zult zien, met wien ge te doen hebt. Gooi die lans weg en trek het zwaard! We willen gauw zien, wiens haan victorie zal kraaien. Trek van leer, zeg ik, en toon wat ge kunt, kale jakhals van een edelman!”
Don Quichot geraakte nu in drift. Hij wierp de lans van zich, dekte de borst met het schild, trok zijn zwaard en stoof op den Biscayer los, met het stellig voornemen om hem zonder barmhartigheid den schedel te klooven. De palfrenier ontblootte insgelijks zijn wapen, greep tot zijne dekking een kussen uit den wagen, hield dat als een schild voor zich, en de tweekamp begon met vreeselijk geweld. Men riep den strijdenden toe, vrede te maken; doch zij luisterden daar niet naar. De dame in de koets beval nu haren koetsier, een weinig door te rijden, waar zij op veiligen afstand ooggetuige van het gevecht kon zijn.
De koetsier gehoorzaamde en de zwaarden vervolgden hun werk. De Biscayer bracht zijn vijand een houw over den schouder toe, die dezen van den romp zou gescheiden hebben, ware hij niet door schild en harnas beschut geweest. Desniettemin voelde de ridder de zwaarte van den slag, die hem door alle ribben dreunde, en riep zijne hooge patronesse Dulcinea van Toboso smeekend aan. Degedachte aan haar bezielde hem met nieuwen moed, leende zijn arm nieuwe sterkte, en vol woede drong hij op den Biscayer in. Zijne zwaardslagen kletterden op hem neer, en de arme palfrenier zag vol schrik zijne nederlaag te gemoet. Had hij een goed paard gehad, zoo zou hij gevlucht zijn; doch hij bereed een ellendigen knol, dien hij bijna niet van de plaats kon krijgen. Derhalve verweerde hij zich met de grootste vertwijfeling, waardoor ’t hem dan ook gelukte zich den razenden ridder nog een tijdlang van ’t lijf te houden. Daar hij echter ongeharnast was, terwijl Don Quichot van kop tot teen in ijzer staal stak, moest hij natuurlijk eindelijk het onderspit delven. Onze ridder richtte zich op in zijn zadel, pakte zijn zwaard met beide handen, hieuw den Biscayer over den schedel en raakte hem zoo geducht, dat het bloed hem terstond uit mond en neusgaten spoot en hij met paard en al op den grond stortte.
Thans steeg Don Quichot uit den zadel, hield den gevallene de punt van zijn zwaard voor het gezicht en beval hem, zich verwonnen te verklaren. De man was evenwel te erg verbijsterd, om antwoord te kunnen geven, en de verbolgen ridder zou hem ongetwijfeld zijn zwaard door den strot gejaagd hebben, indien de dame in de koets niet vol angst tusschenbeide was gekomen en in roerende bewoordingen om het leven van haar dienaar had gesmeekt. Don Quichot liet zich vermurwen en die deemoedige bede goot water op den vlammenden gloed zijner gramschap.
“Het leven zij hem dan geschonken,” riep hij; “doch slechts onder voorwaarde, dat deze ridder mij belooft, naar Toboso te trekken en mijner onvergelijkelijke meesteres, Dona Dulcinea, te verhalen, op wat heldhaftige, ridderlijke wijze ik hem met mijn zwaard heb geveld.”
De arme vrouw beloofde in haar angst alles, en Don Quichot bracht zijn overwonneling dan ook geen verder leed toe. Deze kwam met moeite weer op de been en was blij, dat hij de reis met zijne meesteres kon vervolgen.
In dien tusschentijd had ook Sancho Panza zich uit de handen der jonge ezeldrijvers weten los te wringen en kwam nu op zijn meester toe, die al weer hoog te paard zat en de wegrollendekoets triomfeerend naoogde. Toen deze in eene kromming van den weg verdween, keerde hij zich tot zijnen stom wachtenden schildknaap om en begon zijn nooit geëvenaard heldenfeit in klinkende woorden te verheffen.
“Ja, dat alles is mooi en wel,” viel Sancho Panza hem eindelijk in de rede; “maar waar, edele heer, is het stadhouderschap, dat gij mij na uw eerste schitterende avontuur vast beloofd hebt? ’k Wil mezelf niet roemen, maar ’k geloof, dat ik zoo’n knappe, fiksche stadhouder zou wezen, als maar één denken durft.”
“Sancho,” antwoordde de ridder, “toen ik dat zei, meende ik een eilandsavontuur, en dit hier is enkel een vastelandsavontuur, dat niets dan eer en roem aanbrengt. Heb geduld, mijn zoon! Als de tijd gekomen is, zult gij ook stadhouder worden. Maar verbind nu mijn oor eens, dat die booze ridder vrij erg geraakt heeft, en waar ’t bloed uitloopt.”
Sancho Panza haalde aanstonds pluksel en zalf uit zijn knapzak en nam zijn meester den helm af. Deze merkte nu eerst, hoe erg gedeukt en gehavend die was, en dat ongeluk deed zijne gramschap opnieuw ontbranden. Hij rukte zich de haren uit het hoofd, schermde met beide handen in de lucht en zwoer bij kris en bij kras, niet weer van een schoon tafellaken te zullen eten, voordat hij den snooden ridder, die hem zijn ridderlijk hoofddeksel zoo had bedorven, daarvoor op schrikkelijke manier had doen boeten. Sancho kreeg hem niet zonder veel moeite tot bedaren, verbond zijn bloedend oor, en beiden gingen weer op weg, nadat zij een stuk droog brood en geitenkaas genoten hadden.
Tegen den avond bereikten zij eenige hutten van geitenherders, en ofschoon vooral Sancho wel een beter dak voor den nacht gewenscht had, besloten zij toch, daar de zon onderging, hier kwartier te nemen.
Vriendelijk werden zij door de herders ontvangen en onthaald, en allen behandelden vooral den geharnasten ridder met groote beleefdheid. Na een rustig doorgebrachten nacht namen zij afscheid van de herders en gingen nieuwe gevaren en avonturen te gemoet.
Hoofdstuk VII.Hoe Don Quichot met paardenhoeders twist krijgt en wat hem in de herberg overkomt.Op hun verderen weg kwamen Don Quichot en Sancho Panza in een bosch, waarin zij verscheiden uren lang voortreden. Eindelijk hielden zij stil op eene open plek, die met geurig gras begroeid was. Eene heldere, liefelijk murmelende beek stroomde voorbij en ettelijke boomen gaven verkoelende schaduw, zoodat onze beide helden weldra lust gevoelden eene korte middagrust te houden. Zij stegen van hunne dieren, lieten Rocinante en grauwtje vrij rondloopen en zich op het groene gras vergasten, vlijden zich onder een boom neer, openden hun knapzak en verteerden in vrede en eensgezindheid, wat daar in te vinden was.Sancho Panza had verzuimd beide dieren de voorpooten te koppelen, daar hij ook niet verwachtte, dat Rocinante uit lust en moedwil de vette weide verlaten zou. Het trof nu echter, dat toevallig eene kudde Galicische paarden door het dal werd gedreven. De hoeders kwamen aan de plaats, waar Don Quichot zich reeds gelegerd had, en daar die plek hun beviel, besloten zij, daar met hunne dieren insgelijks middagrust te houden.De paarden verstrooiden zich over de weide en het duurde niet lang, of eenige dartele veulens begonnen den ouden Rocinante het leven lastig te maken. De dieren werden wild en gingen hem met hunne tanden en hoeven zoo ongenadig te lijf, dat zij hem al spoedig den gordel losgemaakt en den zadel van den rug gehaald hadden. Op het gerucht, dat dit veroorzaakte, kwamen toen ook de hoeders met hunne knuppels en zweepen toe en ranselden den armen Rocinante zoo erg, dat hij eindelijk neerstortte en onder de hoeven der overige viervoeters den geest scheen te zullen uitblazen.De ridder en zijn schildknaap ontdekten spoedig, op wat wijze het arme dier mishandeld werd, en schoten hijgend toe. Onder weg zeide Don Quichot tot zijn dienaar:“Hoor, vriend Sancho: naar ik zie, zijn dat geen ridders en helden, maar ze behooren tot het gemeene volk, en dus kunt gij mij zonder bedenking bijstaan, als ik voor de beschimping, Rocinante hier voor mijne oogen aangedaan, bloedig wraak neem.”“Maar hoe drommel wilt gij hier wraak nemen, gestrenge heer?” vroeg Sancho. “Zij zijn meer dan twintig sterk, en wij maar met ons tweeën.”“Ik tel voor honderd,” antwoordde de ridder en trok meteen zijn zwaard. Met onstuimigheid greep hij de hoeders aan en Sancho Panza, hierdoor krachtig aangemoedigd, volgde wakker zijn voorbeeld.Den eersten hoeder bracht Don Quichot een houw toe, die door ’s mans lederen wambuis ging en hem nog buitendien diep in den schouder drong. Toen de herders zich op die wijze door slechts twee mannen zagen aangetast, werden ook zij verstoord, namen onze beide helden in hun midden, pakten hunne knuppels en lieten eene hagelbui van forsche slagen op hen neervallen. Deze begroeting had ten gevolge, dat Sancho Panza al spoedig luid huilend op zijn dikken buik lag. Terstond daarna volgde ook zijn meester dit voorbeeld, niettegenstaande hij zich met veel kracht en vlugheid een tijdlang manmoedig verweerd had; en het toeval wilde, dat hij midden tusschen de beenen van zijn Rocinante neertuimelde, die daar nog altijd, door de vreeselijke slagen en trappen bedwelmd, als een blok neerlag en geen lid verroerde.Nadat de hoeders nog een poosje op ridder en knecht losgebeukt hadden, dreven zij met den meest mogelijken spoed hunne paarden te hoop, vervolgden hun weg en lieten de arme afgeroste helden in zeer slechten staat en in nog slechter gemoedsstemming achter. Sancho was de eerste, die weer bijkwam. Hij richtte zich met moeite en onder veel steenen en kreunen overeind, keek naar zijn heer om en zei met matte, klagende stem:“Och, och, dat hebben wij er nu van, gestrenge heer!”“Wat wilt gij van mij, Sancho?” vroeg Don Quichot op even flauwen en klagenden toon.“Ach, ach, wat hebben we daar een pak gekregen!” kreunde Sancho Panza. “Ik ben heelemaal tot stokvisch gebeukt.”“Ja, wel een pak!” stemde de ridder toe. “Als ik ongelukkige nu maar den wonderdrank van Fierabras had! Twee druppels daarvan zouden ons gezond maken, onze builen genezen en alle pijn wegnemen.”“Is er dan geen kans, dat gij dien drank krijgt, edele ridder?” vroeg Sancho.“Jawel,” antwoordde Don Quichot; “ik zweer u, bij onze dolende-riddereer, dat ik niet rusten zal, voordat het geluk mij hem in handen speelt.”“Wie was dan die Fierabras, die dien drank heeft uitgevonden?”“Dat was een beroemd toovenaar, zooals in een heerlijken ridderroman beschreven staat,” antwoordde Don Quichot. “Wij moeten opbreken en hem opsporen. Zoodra wij hem vinden, zal ik hem door mijne dapperheid dwingen, ons den kostelijken balsem af te staan.”Onderwijl kwamen de beide deerlijk toegetakelde helden overeind en hielpen ook den armen Rocinante weer op de been. Met gekromden rug, want zich recht oprichten kon hij nog niet, tuigde de schildknaap zijn ezel op en drong zijn meester, op diens zadel plaats te nemen, daar het paard in zijn tegenwoordigen toestand onbekwaam was om eenigen last, hoe licht ook, op zijn gewonden rug te torsen. Don Quichot steeg op, Sancho Panza leidde den ezel bij den halster, Rocinante bij den teugel, en de avontuurzoekende helden gingen langzaam op weg. Na korte wandeling kwamen zij aan eene herberg, welke de ridder terstond weer voor een adellijken burcht aanzag, terwijl zijn metgezel strijk en zet volhield, dat het een gewone kroeg was. De strijd duurde voort totdat zij voor de deur kwamen en Sancho de dieren zonder omstandigheden in den stal bracht.Toen de waard, die dadelijk buiten trad, om zijne gasten te ontvangen, Don Quichot in zoo jammerlijken staat op den ezelmeer hangen dan zitten zag, vroeg hij aan Sancho, wat zijn heer toch wel scheelde. Sancho antwoordde, dat de arme man van eene rots was gevallen en zich daarbij de ribben wat had bezeerd. Deze mededeeling wekte het medelijden van den waard en nog meer van zijne vrouw op, die dadelijk met hare dochter aankwam, om den ongelukkige de noodige hulp te verleenen. De ridder werd, daar hij nog niet gaan kon, in huis gedragen, verbonden en toen te bed gebracht.In de kamer, waar Don Quichot, over zijn geheele lichaam met pleisters beplakt, slapen zoude, was wat meer naar achteren een tweede bed, waarvan een stevige muilezeldrijver bezit had genomen.Het werd avond en nacht; maar Don Quichot voelde zich zoo ellendig, dat hij onmogelijk slapen kon. Hij kermde en kreunde zoo luid en aanhoudend, dat de muilezeldrijver daar eindelijk door wakker werd en hem met barsche woorden verzocht, zich stil te houden en niet andere menschen in hun slaap te storen. Don Quichot antwoordde alleen met een nieuw dof gekreun, waardoor de ezeldrijver zoo boos werd, dat hij opsprong en den armen lijder zulk een duchtigen vuistslag op zijne dorre kinnebakken gaf, dat het bloed hem terstond uit den mond liep. Hiermede nog niet tevreden, stapte hij op zijn mager lichaam, trappelde daar met de voeten op, en deed hem al de ribben in het lijf kraken. Don Quichots bed, dat buitendien al op zwakke, tuitelige beenen stond, stortte in en dit veroorzaakte zulk een geraas, dat de waard wakker werd en vol schrik kwam toesnellen. Onderwijl kwam ook Sancho Panza, die aan de voeten zijns meesters sliep, op de been, en sloeg, slaapdronken, als dol en bezeten links en rechts. Zijne vuistslagen troffen de meid van het huis, Maritornes geheeten, die insgelijks op het verontrustend rumoer was toegekomen. De meid stelde zich te weer, de waard gebruikte niet minder wakker zijne knuisten, en zoo ontstond een alarm en een spektakel, waarvan men zich onmogelijk een denkbeeld kan maken. De muilezeldrijver, nog altijd op den kermenden ridder omtrappelende, sloeg op Sancho los, Sancho roste de meid, de meid roste hem, de waard roste allen zonder onderscheid, en dat alles gebeurde met zoo blindenijver en dolle drift, dat geen een er ook maar een oogenblik mee ophield. In de donkerheid vielen allen over elkaar heen en deelden rechts en links zulke zwaarwichtige stompen en slagen uit, dat, waar een vuist trof, zeker ook een blauwe plek te zien was.Toevallig had voor dien nacht ook een gerechtsdienaar zijn intrek in de herberg genomen en sliep in eene andere kamer. Het vreeselijk gerucht, dat de algemeene kloppartij veroorzaakte, schrikte ook hem uit den slaap wakker; hij sprong met beide voeten uit zijn bed, greep zijn ambtsstaf en eene blikken doos, waarin hij zijne aanstelling als koninklijk ambtenaar bewaarde, kwam in het donker in de kamer en riep met donderende stem: “Vrede in naam van de overheid! Vrede en rust!”De eerste, dien hij met de handen grijpen kon, was Don Quichot, die bewusteloos in zijn neergetrapt bed lag. Hij pakte hem bij den baard, trok hem daarbij en hield niet op te roepen: “Achting en ontzag voor de hooge overheid!”Al spoedig bemerkte hij echter, dat de man, dien hij gepakt had, geen lid verroerde, en geloofde nu, dat die dood en door de anderen in de kamer vermoord was. Nu brulde hij: “De deuren toe! Alle deuren in het huis gesloten! Geen sterveling mag in of uit, want hier is een mensch vermoord.”Deze woorden verwekten een algemeenen schrik en deden het gevecht staken. De waard sloop stilletjes weer de kamer uit, de muilezeldrijver kroop op zijn bed en hield zich slapend, de dienstmeid maakte, dat zij wegkwam, en alleen Don Quichot en Sancho Panza konden geen ander heenkomen zoeken. Onderwijl zocht de gerechtsdienaar al tastend de keuken te vinden en daar licht aan te krijgen.Terwijl de gerechtsdienaar buiten was, kwam Don Quichot weer tot bewustzijn en riep klagend: “Sancho Panza, slaapt gij? Slaapt gij, Sancho Panza?”“’t Mocht wat, slapen!” bromde de schildknaap. “Ik wou maar, dat ik sliep. Al de duivels uit de hel zijn los en hebben dezen nacht een aanval op mij, armen, ongelukkigen kerel gedaan.”“Neen, gij vergist u, vriend!” antwoordde Don Quichot. “Wijzijn in een betooverd slot; want weet, toen ik op mijn bed lag te kreunen, kwam onvoorziens, zonder dat ik wist waar vandaan, eene hand, die zeker aan den arm van een ontzettenden reus vastzat, en bracht mij een zoo geduchten slag op mijne kinnebakken toe, dat mijn aangezicht terstond één bloed was en ik bijna mijne kennis verloor. Toen stampte en beukte de reus mij met handen en voeten, en ik maak daaruit op, dat hij een allergruwelijkst en meedoogenloos monster en wangedrocht moet wezen.”“Ik heb er nog erger van gelust,” zeide Sancho Panza; “mij hebben vier- of vijfhonderd Mooren zoo onbarmhartig onder handen genomen, dat de portie slaag, waarop ons gisteren de paardenhoeders onthaalden, daar als honig en zoete koek bij was. O wee, o wee! Ik ben geen dolend ridder en toch krijg ik van alle ongeluk, dat ons overkomt, altijd dubbel en dwars mijn part.”“Dus hebben ze u ook gemolesteerd, vriend?” vroeg de ridder meelijdig.“Bont en blauw geslagen hebben ze me!” antwoordde Sancho Panza op grimmigen toon. “Geen lid aan mijn lijf, dat niet zeer doet!”“Wees maar bedaard, vriend!” troostte Don Quichot; “ik zal u den kostelijken balsem van Fierabras bereiden, die in eene minuut tijds alle pijnen en smarten wegneemt.”Hier werd hun gesprek door den gerechtsdienaar afgebroken, die met licht kwam, om den vermeenden doode nader te bezichtigen. Hij trad voor het bed en was zeer verwonderd, toen hij onze helden daar bedaard hoorde praten. Don Quichot lag nog wel altijd op den rug en kon zich van pijn en pleisters niet bewegen; maar toch scheen hij zoo goed bij zijne kennis als de beste. De gerechtsdienaar liet het licht van zijne lamp op hem vallen en vroeg deelnemend: “Nu, hoe gaat het je, goede vriend?”“Ik zou toch wat beleefder spreken,” antwoordde Don Quichot op hoogen toon. “Spreekt men dolende ridders met je en jij aan, lompe vlegel?”Toen de ambtenaar zich door iemand van zulk een jammerlijk uitzicht zoo barsch behandeld zag, werd hij driftig, nam de lampen wierp haar Don Quichot met zooveel geweld naar het hoofd, dat men een harden bons hoorde. Vervolgens liet hem in het donker liggen en ging brommend en pruttelend heen.“Ei,” sprak Sancho Panza, “als dat geen lomperd is, dan laat ik mij hangen. Die gooit iemand met de dingen naar den kop, alsof ’t maar een aardigheid was.”“Ja, ja,” kreunde Don Quichot, wien zijn hoofd bitter zeer deed; “maar sta op, Sancho, laat u door den burgtvoogd van dit slot wat olie, azijn, zout en rosmarijn geven en breng mij dat alles hier, om er den kostelijken balsem uit te bereiden, die spoedig al onze pijnen verzachten zal.”Sancho stond op, niettegenstaande al zijne ledematen geradbraakt schenen, hinkte al tastend naar de kamer van den waard, en ontmoette onder weg den gerechtsdienaar, die voor de deur stond te luisteren.“Wie gij ook zijn moogt, waarde heer,” zeide hij, “bezorg ons een weinig olie, azijn, zout en rosmarijn, om den besten dolenden ridder, dien de aarde ooit gedragen heeft, van zijn lijden te bevrijden en van den dood te redden. Hij ligt zwaar gekwetst door de hand van een betooverden Moor op zijn bed.”De gerechtsdienaar hield Sancho Panza, nu hij zoo sprak, voor stapelgek. Daar de morgen nu echter reeds begon te lichten, riep hij den herbergier en zeide dien, den knaap het verlangde te geven. De waard deed dat bereidwillig en Sancho bracht alles aan zijn heer, die van pijn lag te krimpen en zijn hoofd met beide handen vasthield. Hij nam de verschillende stoffen, mengde ze duchtig door elkaar en kookte ze toen op een komfoor, dat men hem brengen moest, tot hij dacht, dat alles goed gaar was. Hierop verlangde hij eene flesch; doch toen die in de herberg niet te vinden was, vergenoegde hij zich met eene oude blikken oliekan, goot den drank daarin en zegende hem. Nu draalde hij niet om van de kracht van dit kooksel op zichzelf de proef te nemen, en dronk er wel bijkans de helft van. Nauwelijks had hij het mengelmoes binnen, of hij begon schrikbarend over te geven. De inspanning, de angst en het gruwelijke braken brachten hem geducht aan hetzweeten, en hij verzocht, dat men hem goed toedekken en alleen laten mocht. Men voldeed aan zijn verlangen, en Don Quichot viel nu in een zachten slaap, die wel ruim drie uren aanhield. Bij zijn ontwaken voelde hij zich merkbaar verlicht en deden zijne wonden en builen hem bijna geen pijn meer. Hij achtte zichzelf dus weer ten volle hersteld, kwam tot de vaste overtuiging, dat hij werkelijk den wonderbalsem van den toovenaar Fierabras ontdekt had, en leefde in de hoop, dat hij, in ’t bezit van dit middel, in ’t vervolg alle kampen, tweestrijden en gevechten, hoe gevaarlijk die ook schijnen mochten, geheel onbezorgd te gemoet kon gaan.Zoodra Sancho Panza zijn heer zooveel beter zag, verzocht hij dringend, het overschotje van den drank te mogen opdrinken. De ridder, altijd grootmoedig, stond hem dat toe, en Sancho pakte de blikken kan met beide handen, dronk met volle teugen en liet er geen enkel droppeltje in.Maar of nu de schildknaap eene minder gevoelige maag had dan zijn meester, of om wat andere reden ook, genoeg, de drank bekwam hem zoo bitter slecht, dat de arme sukkel ieder oogenblik dacht te moeten sterven. In zijne benauwdheid verwenschte hij het venijnig goed en den spitsboef, die hem dat gegeven had, ja, hij betoonde zelfs grooten lust om zijn eigen meester voor zijne welgemeende bedoeling eens danig af te ranselen. Don Quichot zocht hem echter te troosten en tot bedaren te brengen.“Hoor, Sancho,” zeide hij, “ik geloof, dat de schuld alleen daaraan ligt, dat gij nog niet tot ridder zijt geslagen. De drank kan alleen maar een ridder helpen.”“Wat drommel, als gij dat wist, heer, waarom gaaft gij mij dien dan?” schreeuwde Sancho Panza in zijne benauwdheid.Voordat Don Quichot antwoorden kon, begon het brouwsel te werken en had bij Sancho Panza niet minder hevige braking ten gevolge dan bij zijn meester. Daarbij geraakte hij in het zweet, lag onrustig op zijn leger te woelen en kermde en jammerde op erbarmelijke manier.Twee uren lang was hij doodziek, toen die aanval voorbij was, voelde hij zich niet zoo wel en krachtig, als zijn heer, maarzoo flauw, slap en ellendig, dat hij zich nauwelijks op de been kon houden.Don Quichot liet zich aan den toestand van zijn schildknaap slechts weinig gelegen liggen. Hij zelf was nagenoeg weer hersteld, en de balsem vervulde hem met zulk een heldenmoed, dat hij vuriger dan ooit naar nieuwe avonturen haakte. Hij ging in den stal, zadelde en tuigde met eigen handen Rocinante, maakte ook het grauwtje tot de reis gereed en trad toen weer in huis, om zijn schildknaap bij het aankleeden te helpen. Met veel moeite en getob kreeg hij hem wakker en hielp hem op de beenen. Toen dit beredderd was, pakte hij uit den eersten den besten hoek een staak op, om tot lans te dienen, klom te paard en riep met luider stemme den herbergier, om afscheid van hem te nemen.“Heer slotvoogd,” sprak hij, “gij hebt mij vele en belangrijke diensten bewezen en mij daardoor tot dank verplicht. Indien ooit iemand, hij zij ridder of knecht, u onrecht wil aandoen, roep mij dan en ik wil u wreken. Zoo echter een of ander overmoedige u reeds schade of schande heeft aangedaan, noem mij zijn naam en zijne misdaad, en bij mijne riddereer zij ’t gezworen, dat ik niet rusten zal alvorens ik u volkomen voldoening heb verschaft.”“Mijn beste heer ridder,” antwoordde de waard doodbedaard, “uwe gestrengheid behoeft de moeite niet te nemen, zich voor mij met wraakneming te belasten; waar dat noodig is, weet ik mijzelf wel recht te verschaffen. Wel echter moet gij zoo goed zijn uw gelag te betalen voor nachtlogies en voêr voor uwe dieren, en ’t is daarom, dat ik u met alle beleefdheid verzoek.”“Wat!” schreeuwde Don Quichot, “’t was dus een ellendige herberg, waarin ik overnacht heb?”“Eene herberg, ja,” antwoordde de waard; “doch niet eene ellendige, maar eene zeer voorname.”“Welnu, dan moet ik bekennen, dat ik in eene groote dwaling verkeerd heb,” antwoordde Don Quichot. “Voor ’t overige zult gij maar best doen, niet op betaling van het gelag te rekenen; want nog nooit heb ik gehoord of in de boeken gelezen, dat een dolend ridder ooit in eenige herberg ook maar een penning betaald heeft.”“Dat gaat mij niets aan!” riep de waard driftig. “Betaal uwe schuld en leuter me niet met die malle ridderschap om de ooren, of ’k zal weten, wat me te doen staat, zotte kerel!”“O gij domme, ellendige schoelje en schobbejak!” schreeuwde Don Quichot; “gij gemeenste van alle herbergiers, verstout je niet, je onbeschaamde kaken weer open te doen, en maak plaats, als ik je niet onder de hoeven van mijn strijdhengst tot gruizelmenten zal trappen.”En met deze woorden velde de ridder zijne lans, gaf Rocinante de sporen en holde voort, zonder dat iemand hem dorst tegenhouden. Reeds was hij buiten het gezicht en had nog niet eens omgekeken, om zich te overtuigen, dat zijn trouwe schildknaap hem gevolgd was.De op die manier gefopte waard kwam nu als een brullende beer op Sancho Panza aanschieten en verlangde, dat die hem instaan zou voor de kosten der vertering; doch Sancho van zijn kant antwoordde heel bedaard, dat, als zijn meester niet afdokken wou, hij voor zijn part daar nog veel minder lust toe voelde. Hij was de schildknaap en wapendrager eens dolenden ridders en moest in alle dingen het doorluchtig voorbeeld van zijn heer en toonbeeld volgen.De waard liet zich nochtans met deze verklaring volstrekt niet paaien; hij werd boos, begon op zijn poot te spelen en dreigde Sancho, dat hij zich alsdan zou laten betalen op eene manier, die dezen zeker bijster weinig bevallen zou. Sancho evenwel hield voet bij stuk en verklaarde, dat hij zelfs niet het tiende part van de helft van een kwartpenning betalen zou.Nu wou echter het ongeluk, dat juist dien morgen vier lakenscheerders uit Segovia en vier wevers uit Sevilla in de herberg een uurtje waren komen pleisteren. ’t Waren vroolijke, jolige, lustige lui, die dus veel van eene grap hielden en dan nu ook terstond op Sancho Panza aanvielen en hem onder groot gejuich van zijn ezel trokken. Een hunner liep in huis, om daar een beddelaken te halen. De overigen pakten den armen schildknaap, legden hem op het beddelaken en begonnen hem in de hoogte te gooien,zooals een oud wijf doet, als ze een pannekoek in de pan ’t onderst boven wipt. Hoe harder de sukkel schreeuwde, des te hooger vloog hij in de lucht op en des te grooter was de pret. De arme Sancho meende stellig en vast, dat hij onder een troep booze duivels was vervallen, die hem tot kaatsbal gebruikten.Intusschen was Don Quichot nog niet zoo ver, dat het brullen van zijn geplaagden knecht niet zijn oor kon bereiken. Hij hield dus stil, luisterde scherp toe en geloofde reeds, dat een nieuw avontuur in aantocht was, totdat hij zich eindelijk overtuigde, dat het de huilende stem van zijn schildknaap was, die hij hoorde. Terstond wierp hij zijn paard om, keerde in strompelenden draf naar de herberg terug en reed, daar hij de hofpoort gesloten vond, rondom het huis, om ergens een ingang te vinden. Daarbij bemerkte hij, wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap gedreven werd, en dit gezicht bracht hem in de grimmigste woede. Hij zag Sancho Panza in de lucht op- en neervliegen als een bal, dien een knaap opgooit en weer opvangt, en zou zeker om dit zonderlinge schouwspel hebben moeten lachen, indien de gramschap over zulk eene mishandeling van zijn dienaar niet zoo sterk was geweest.Daar hij echter niettegenstaande al zijn zoeken geen ingang ontdekte, beproefde hij, van zijn paard op den rand van den muur te klimmen. Evenwel was hij nog altijd zoo zwak, dat hij zijne lange beenen nauwelijks bewegen kon, en dus kon hij zijne woede niet anders koelen, dan door een stroom van scheldwoorden en verwenschingen over den herbergier en zijne gasten uit te storten. Dezen lieten daarom echter den armen Sancho niet los, en beantwoordden elk nieuw schimpwoord, dat Don Quichot tegen hen uitbraakte, met schaterend gelach. Eindelijk, toen hunne armen zoo moe en lam waren, dat zij die niet meer opheffen konden, gaven zij de grap op en lieten Sancho Panza vrij. Zij brachten hem bij zijn ezel, hielpen hem daarop, pakten hem in zijn mantel en joegen hem zoo de poort uit. Zeer tevreden, dat hij er met een blauw oog was afgekomen, reed de schildknaap weg en was zelfs vrij wat trotsch, dat hij toch zijn wil doorgezet en den waard geen penning betaald had.Don Quichot bemerkte wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap werd gedreven.Don Quichot bemerkte wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap werd gedreven.De arme drommel bemerkte later eerst, dat de slimme herbergier zijn knapzak in beslag gehouden en daardoor de kosten van het gelag dubbel en dwars betaald gekregen had.
Op hun verderen weg kwamen Don Quichot en Sancho Panza in een bosch, waarin zij verscheiden uren lang voortreden. Eindelijk hielden zij stil op eene open plek, die met geurig gras begroeid was. Eene heldere, liefelijk murmelende beek stroomde voorbij en ettelijke boomen gaven verkoelende schaduw, zoodat onze beide helden weldra lust gevoelden eene korte middagrust te houden. Zij stegen van hunne dieren, lieten Rocinante en grauwtje vrij rondloopen en zich op het groene gras vergasten, vlijden zich onder een boom neer, openden hun knapzak en verteerden in vrede en eensgezindheid, wat daar in te vinden was.
Sancho Panza had verzuimd beide dieren de voorpooten te koppelen, daar hij ook niet verwachtte, dat Rocinante uit lust en moedwil de vette weide verlaten zou. Het trof nu echter, dat toevallig eene kudde Galicische paarden door het dal werd gedreven. De hoeders kwamen aan de plaats, waar Don Quichot zich reeds gelegerd had, en daar die plek hun beviel, besloten zij, daar met hunne dieren insgelijks middagrust te houden.
De paarden verstrooiden zich over de weide en het duurde niet lang, of eenige dartele veulens begonnen den ouden Rocinante het leven lastig te maken. De dieren werden wild en gingen hem met hunne tanden en hoeven zoo ongenadig te lijf, dat zij hem al spoedig den gordel losgemaakt en den zadel van den rug gehaald hadden. Op het gerucht, dat dit veroorzaakte, kwamen toen ook de hoeders met hunne knuppels en zweepen toe en ranselden den armen Rocinante zoo erg, dat hij eindelijk neerstortte en onder de hoeven der overige viervoeters den geest scheen te zullen uitblazen.
De ridder en zijn schildknaap ontdekten spoedig, op wat wijze het arme dier mishandeld werd, en schoten hijgend toe. Onder weg zeide Don Quichot tot zijn dienaar:
“Hoor, vriend Sancho: naar ik zie, zijn dat geen ridders en helden, maar ze behooren tot het gemeene volk, en dus kunt gij mij zonder bedenking bijstaan, als ik voor de beschimping, Rocinante hier voor mijne oogen aangedaan, bloedig wraak neem.”
“Maar hoe drommel wilt gij hier wraak nemen, gestrenge heer?” vroeg Sancho. “Zij zijn meer dan twintig sterk, en wij maar met ons tweeën.”
“Ik tel voor honderd,” antwoordde de ridder en trok meteen zijn zwaard. Met onstuimigheid greep hij de hoeders aan en Sancho Panza, hierdoor krachtig aangemoedigd, volgde wakker zijn voorbeeld.
Den eersten hoeder bracht Don Quichot een houw toe, die door ’s mans lederen wambuis ging en hem nog buitendien diep in den schouder drong. Toen de herders zich op die wijze door slechts twee mannen zagen aangetast, werden ook zij verstoord, namen onze beide helden in hun midden, pakten hunne knuppels en lieten eene hagelbui van forsche slagen op hen neervallen. Deze begroeting had ten gevolge, dat Sancho Panza al spoedig luid huilend op zijn dikken buik lag. Terstond daarna volgde ook zijn meester dit voorbeeld, niettegenstaande hij zich met veel kracht en vlugheid een tijdlang manmoedig verweerd had; en het toeval wilde, dat hij midden tusschen de beenen van zijn Rocinante neertuimelde, die daar nog altijd, door de vreeselijke slagen en trappen bedwelmd, als een blok neerlag en geen lid verroerde.
Nadat de hoeders nog een poosje op ridder en knecht losgebeukt hadden, dreven zij met den meest mogelijken spoed hunne paarden te hoop, vervolgden hun weg en lieten de arme afgeroste helden in zeer slechten staat en in nog slechter gemoedsstemming achter. Sancho was de eerste, die weer bijkwam. Hij richtte zich met moeite en onder veel steenen en kreunen overeind, keek naar zijn heer om en zei met matte, klagende stem:
“Och, och, dat hebben wij er nu van, gestrenge heer!”
“Wat wilt gij van mij, Sancho?” vroeg Don Quichot op even flauwen en klagenden toon.
“Ach, ach, wat hebben we daar een pak gekregen!” kreunde Sancho Panza. “Ik ben heelemaal tot stokvisch gebeukt.”
“Ja, wel een pak!” stemde de ridder toe. “Als ik ongelukkige nu maar den wonderdrank van Fierabras had! Twee druppels daarvan zouden ons gezond maken, onze builen genezen en alle pijn wegnemen.”
“Is er dan geen kans, dat gij dien drank krijgt, edele ridder?” vroeg Sancho.
“Jawel,” antwoordde Don Quichot; “ik zweer u, bij onze dolende-riddereer, dat ik niet rusten zal, voordat het geluk mij hem in handen speelt.”
“Wie was dan die Fierabras, die dien drank heeft uitgevonden?”
“Dat was een beroemd toovenaar, zooals in een heerlijken ridderroman beschreven staat,” antwoordde Don Quichot. “Wij moeten opbreken en hem opsporen. Zoodra wij hem vinden, zal ik hem door mijne dapperheid dwingen, ons den kostelijken balsem af te staan.”
Onderwijl kwamen de beide deerlijk toegetakelde helden overeind en hielpen ook den armen Rocinante weer op de been. Met gekromden rug, want zich recht oprichten kon hij nog niet, tuigde de schildknaap zijn ezel op en drong zijn meester, op diens zadel plaats te nemen, daar het paard in zijn tegenwoordigen toestand onbekwaam was om eenigen last, hoe licht ook, op zijn gewonden rug te torsen. Don Quichot steeg op, Sancho Panza leidde den ezel bij den halster, Rocinante bij den teugel, en de avontuurzoekende helden gingen langzaam op weg. Na korte wandeling kwamen zij aan eene herberg, welke de ridder terstond weer voor een adellijken burcht aanzag, terwijl zijn metgezel strijk en zet volhield, dat het een gewone kroeg was. De strijd duurde voort totdat zij voor de deur kwamen en Sancho de dieren zonder omstandigheden in den stal bracht.
Toen de waard, die dadelijk buiten trad, om zijne gasten te ontvangen, Don Quichot in zoo jammerlijken staat op den ezelmeer hangen dan zitten zag, vroeg hij aan Sancho, wat zijn heer toch wel scheelde. Sancho antwoordde, dat de arme man van eene rots was gevallen en zich daarbij de ribben wat had bezeerd. Deze mededeeling wekte het medelijden van den waard en nog meer van zijne vrouw op, die dadelijk met hare dochter aankwam, om den ongelukkige de noodige hulp te verleenen. De ridder werd, daar hij nog niet gaan kon, in huis gedragen, verbonden en toen te bed gebracht.
In de kamer, waar Don Quichot, over zijn geheele lichaam met pleisters beplakt, slapen zoude, was wat meer naar achteren een tweede bed, waarvan een stevige muilezeldrijver bezit had genomen.
Het werd avond en nacht; maar Don Quichot voelde zich zoo ellendig, dat hij onmogelijk slapen kon. Hij kermde en kreunde zoo luid en aanhoudend, dat de muilezeldrijver daar eindelijk door wakker werd en hem met barsche woorden verzocht, zich stil te houden en niet andere menschen in hun slaap te storen. Don Quichot antwoordde alleen met een nieuw dof gekreun, waardoor de ezeldrijver zoo boos werd, dat hij opsprong en den armen lijder zulk een duchtigen vuistslag op zijne dorre kinnebakken gaf, dat het bloed hem terstond uit den mond liep. Hiermede nog niet tevreden, stapte hij op zijn mager lichaam, trappelde daar met de voeten op, en deed hem al de ribben in het lijf kraken. Don Quichots bed, dat buitendien al op zwakke, tuitelige beenen stond, stortte in en dit veroorzaakte zulk een geraas, dat de waard wakker werd en vol schrik kwam toesnellen. Onderwijl kwam ook Sancho Panza, die aan de voeten zijns meesters sliep, op de been, en sloeg, slaapdronken, als dol en bezeten links en rechts. Zijne vuistslagen troffen de meid van het huis, Maritornes geheeten, die insgelijks op het verontrustend rumoer was toegekomen. De meid stelde zich te weer, de waard gebruikte niet minder wakker zijne knuisten, en zoo ontstond een alarm en een spektakel, waarvan men zich onmogelijk een denkbeeld kan maken. De muilezeldrijver, nog altijd op den kermenden ridder omtrappelende, sloeg op Sancho los, Sancho roste de meid, de meid roste hem, de waard roste allen zonder onderscheid, en dat alles gebeurde met zoo blindenijver en dolle drift, dat geen een er ook maar een oogenblik mee ophield. In de donkerheid vielen allen over elkaar heen en deelden rechts en links zulke zwaarwichtige stompen en slagen uit, dat, waar een vuist trof, zeker ook een blauwe plek te zien was.
Toevallig had voor dien nacht ook een gerechtsdienaar zijn intrek in de herberg genomen en sliep in eene andere kamer. Het vreeselijk gerucht, dat de algemeene kloppartij veroorzaakte, schrikte ook hem uit den slaap wakker; hij sprong met beide voeten uit zijn bed, greep zijn ambtsstaf en eene blikken doos, waarin hij zijne aanstelling als koninklijk ambtenaar bewaarde, kwam in het donker in de kamer en riep met donderende stem: “Vrede in naam van de overheid! Vrede en rust!”
De eerste, dien hij met de handen grijpen kon, was Don Quichot, die bewusteloos in zijn neergetrapt bed lag. Hij pakte hem bij den baard, trok hem daarbij en hield niet op te roepen: “Achting en ontzag voor de hooge overheid!”
Al spoedig bemerkte hij echter, dat de man, dien hij gepakt had, geen lid verroerde, en geloofde nu, dat die dood en door de anderen in de kamer vermoord was. Nu brulde hij: “De deuren toe! Alle deuren in het huis gesloten! Geen sterveling mag in of uit, want hier is een mensch vermoord.”
Deze woorden verwekten een algemeenen schrik en deden het gevecht staken. De waard sloop stilletjes weer de kamer uit, de muilezeldrijver kroop op zijn bed en hield zich slapend, de dienstmeid maakte, dat zij wegkwam, en alleen Don Quichot en Sancho Panza konden geen ander heenkomen zoeken. Onderwijl zocht de gerechtsdienaar al tastend de keuken te vinden en daar licht aan te krijgen.
Terwijl de gerechtsdienaar buiten was, kwam Don Quichot weer tot bewustzijn en riep klagend: “Sancho Panza, slaapt gij? Slaapt gij, Sancho Panza?”
“’t Mocht wat, slapen!” bromde de schildknaap. “Ik wou maar, dat ik sliep. Al de duivels uit de hel zijn los en hebben dezen nacht een aanval op mij, armen, ongelukkigen kerel gedaan.”
“Neen, gij vergist u, vriend!” antwoordde Don Quichot. “Wijzijn in een betooverd slot; want weet, toen ik op mijn bed lag te kreunen, kwam onvoorziens, zonder dat ik wist waar vandaan, eene hand, die zeker aan den arm van een ontzettenden reus vastzat, en bracht mij een zoo geduchten slag op mijne kinnebakken toe, dat mijn aangezicht terstond één bloed was en ik bijna mijne kennis verloor. Toen stampte en beukte de reus mij met handen en voeten, en ik maak daaruit op, dat hij een allergruwelijkst en meedoogenloos monster en wangedrocht moet wezen.”
“Ik heb er nog erger van gelust,” zeide Sancho Panza; “mij hebben vier- of vijfhonderd Mooren zoo onbarmhartig onder handen genomen, dat de portie slaag, waarop ons gisteren de paardenhoeders onthaalden, daar als honig en zoete koek bij was. O wee, o wee! Ik ben geen dolend ridder en toch krijg ik van alle ongeluk, dat ons overkomt, altijd dubbel en dwars mijn part.”
“Dus hebben ze u ook gemolesteerd, vriend?” vroeg de ridder meelijdig.
“Bont en blauw geslagen hebben ze me!” antwoordde Sancho Panza op grimmigen toon. “Geen lid aan mijn lijf, dat niet zeer doet!”
“Wees maar bedaard, vriend!” troostte Don Quichot; “ik zal u den kostelijken balsem van Fierabras bereiden, die in eene minuut tijds alle pijnen en smarten wegneemt.”
Hier werd hun gesprek door den gerechtsdienaar afgebroken, die met licht kwam, om den vermeenden doode nader te bezichtigen. Hij trad voor het bed en was zeer verwonderd, toen hij onze helden daar bedaard hoorde praten. Don Quichot lag nog wel altijd op den rug en kon zich van pijn en pleisters niet bewegen; maar toch scheen hij zoo goed bij zijne kennis als de beste. De gerechtsdienaar liet het licht van zijne lamp op hem vallen en vroeg deelnemend: “Nu, hoe gaat het je, goede vriend?”
“Ik zou toch wat beleefder spreken,” antwoordde Don Quichot op hoogen toon. “Spreekt men dolende ridders met je en jij aan, lompe vlegel?”
Toen de ambtenaar zich door iemand van zulk een jammerlijk uitzicht zoo barsch behandeld zag, werd hij driftig, nam de lampen wierp haar Don Quichot met zooveel geweld naar het hoofd, dat men een harden bons hoorde. Vervolgens liet hem in het donker liggen en ging brommend en pruttelend heen.
“Ei,” sprak Sancho Panza, “als dat geen lomperd is, dan laat ik mij hangen. Die gooit iemand met de dingen naar den kop, alsof ’t maar een aardigheid was.”
“Ja, ja,” kreunde Don Quichot, wien zijn hoofd bitter zeer deed; “maar sta op, Sancho, laat u door den burgtvoogd van dit slot wat olie, azijn, zout en rosmarijn geven en breng mij dat alles hier, om er den kostelijken balsem uit te bereiden, die spoedig al onze pijnen verzachten zal.”
Sancho stond op, niettegenstaande al zijne ledematen geradbraakt schenen, hinkte al tastend naar de kamer van den waard, en ontmoette onder weg den gerechtsdienaar, die voor de deur stond te luisteren.
“Wie gij ook zijn moogt, waarde heer,” zeide hij, “bezorg ons een weinig olie, azijn, zout en rosmarijn, om den besten dolenden ridder, dien de aarde ooit gedragen heeft, van zijn lijden te bevrijden en van den dood te redden. Hij ligt zwaar gekwetst door de hand van een betooverden Moor op zijn bed.”
De gerechtsdienaar hield Sancho Panza, nu hij zoo sprak, voor stapelgek. Daar de morgen nu echter reeds begon te lichten, riep hij den herbergier en zeide dien, den knaap het verlangde te geven. De waard deed dat bereidwillig en Sancho bracht alles aan zijn heer, die van pijn lag te krimpen en zijn hoofd met beide handen vasthield. Hij nam de verschillende stoffen, mengde ze duchtig door elkaar en kookte ze toen op een komfoor, dat men hem brengen moest, tot hij dacht, dat alles goed gaar was. Hierop verlangde hij eene flesch; doch toen die in de herberg niet te vinden was, vergenoegde hij zich met eene oude blikken oliekan, goot den drank daarin en zegende hem. Nu draalde hij niet om van de kracht van dit kooksel op zichzelf de proef te nemen, en dronk er wel bijkans de helft van. Nauwelijks had hij het mengelmoes binnen, of hij begon schrikbarend over te geven. De inspanning, de angst en het gruwelijke braken brachten hem geducht aan hetzweeten, en hij verzocht, dat men hem goed toedekken en alleen laten mocht. Men voldeed aan zijn verlangen, en Don Quichot viel nu in een zachten slaap, die wel ruim drie uren aanhield. Bij zijn ontwaken voelde hij zich merkbaar verlicht en deden zijne wonden en builen hem bijna geen pijn meer. Hij achtte zichzelf dus weer ten volle hersteld, kwam tot de vaste overtuiging, dat hij werkelijk den wonderbalsem van den toovenaar Fierabras ontdekt had, en leefde in de hoop, dat hij, in ’t bezit van dit middel, in ’t vervolg alle kampen, tweestrijden en gevechten, hoe gevaarlijk die ook schijnen mochten, geheel onbezorgd te gemoet kon gaan.
Zoodra Sancho Panza zijn heer zooveel beter zag, verzocht hij dringend, het overschotje van den drank te mogen opdrinken. De ridder, altijd grootmoedig, stond hem dat toe, en Sancho pakte de blikken kan met beide handen, dronk met volle teugen en liet er geen enkel droppeltje in.
Maar of nu de schildknaap eene minder gevoelige maag had dan zijn meester, of om wat andere reden ook, genoeg, de drank bekwam hem zoo bitter slecht, dat de arme sukkel ieder oogenblik dacht te moeten sterven. In zijne benauwdheid verwenschte hij het venijnig goed en den spitsboef, die hem dat gegeven had, ja, hij betoonde zelfs grooten lust om zijn eigen meester voor zijne welgemeende bedoeling eens danig af te ranselen. Don Quichot zocht hem echter te troosten en tot bedaren te brengen.
“Hoor, Sancho,” zeide hij, “ik geloof, dat de schuld alleen daaraan ligt, dat gij nog niet tot ridder zijt geslagen. De drank kan alleen maar een ridder helpen.”
“Wat drommel, als gij dat wist, heer, waarom gaaft gij mij dien dan?” schreeuwde Sancho Panza in zijne benauwdheid.
Voordat Don Quichot antwoorden kon, begon het brouwsel te werken en had bij Sancho Panza niet minder hevige braking ten gevolge dan bij zijn meester. Daarbij geraakte hij in het zweet, lag onrustig op zijn leger te woelen en kermde en jammerde op erbarmelijke manier.
Twee uren lang was hij doodziek, toen die aanval voorbij was, voelde hij zich niet zoo wel en krachtig, als zijn heer, maarzoo flauw, slap en ellendig, dat hij zich nauwelijks op de been kon houden.
Don Quichot liet zich aan den toestand van zijn schildknaap slechts weinig gelegen liggen. Hij zelf was nagenoeg weer hersteld, en de balsem vervulde hem met zulk een heldenmoed, dat hij vuriger dan ooit naar nieuwe avonturen haakte. Hij ging in den stal, zadelde en tuigde met eigen handen Rocinante, maakte ook het grauwtje tot de reis gereed en trad toen weer in huis, om zijn schildknaap bij het aankleeden te helpen. Met veel moeite en getob kreeg hij hem wakker en hielp hem op de beenen. Toen dit beredderd was, pakte hij uit den eersten den besten hoek een staak op, om tot lans te dienen, klom te paard en riep met luider stemme den herbergier, om afscheid van hem te nemen.
“Heer slotvoogd,” sprak hij, “gij hebt mij vele en belangrijke diensten bewezen en mij daardoor tot dank verplicht. Indien ooit iemand, hij zij ridder of knecht, u onrecht wil aandoen, roep mij dan en ik wil u wreken. Zoo echter een of ander overmoedige u reeds schade of schande heeft aangedaan, noem mij zijn naam en zijne misdaad, en bij mijne riddereer zij ’t gezworen, dat ik niet rusten zal alvorens ik u volkomen voldoening heb verschaft.”
“Mijn beste heer ridder,” antwoordde de waard doodbedaard, “uwe gestrengheid behoeft de moeite niet te nemen, zich voor mij met wraakneming te belasten; waar dat noodig is, weet ik mijzelf wel recht te verschaffen. Wel echter moet gij zoo goed zijn uw gelag te betalen voor nachtlogies en voêr voor uwe dieren, en ’t is daarom, dat ik u met alle beleefdheid verzoek.”
“Wat!” schreeuwde Don Quichot, “’t was dus een ellendige herberg, waarin ik overnacht heb?”
“Eene herberg, ja,” antwoordde de waard; “doch niet eene ellendige, maar eene zeer voorname.”
“Welnu, dan moet ik bekennen, dat ik in eene groote dwaling verkeerd heb,” antwoordde Don Quichot. “Voor ’t overige zult gij maar best doen, niet op betaling van het gelag te rekenen; want nog nooit heb ik gehoord of in de boeken gelezen, dat een dolend ridder ooit in eenige herberg ook maar een penning betaald heeft.”
“Dat gaat mij niets aan!” riep de waard driftig. “Betaal uwe schuld en leuter me niet met die malle ridderschap om de ooren, of ’k zal weten, wat me te doen staat, zotte kerel!”
“O gij domme, ellendige schoelje en schobbejak!” schreeuwde Don Quichot; “gij gemeenste van alle herbergiers, verstout je niet, je onbeschaamde kaken weer open te doen, en maak plaats, als ik je niet onder de hoeven van mijn strijdhengst tot gruizelmenten zal trappen.”
En met deze woorden velde de ridder zijne lans, gaf Rocinante de sporen en holde voort, zonder dat iemand hem dorst tegenhouden. Reeds was hij buiten het gezicht en had nog niet eens omgekeken, om zich te overtuigen, dat zijn trouwe schildknaap hem gevolgd was.
De op die manier gefopte waard kwam nu als een brullende beer op Sancho Panza aanschieten en verlangde, dat die hem instaan zou voor de kosten der vertering; doch Sancho van zijn kant antwoordde heel bedaard, dat, als zijn meester niet afdokken wou, hij voor zijn part daar nog veel minder lust toe voelde. Hij was de schildknaap en wapendrager eens dolenden ridders en moest in alle dingen het doorluchtig voorbeeld van zijn heer en toonbeeld volgen.
De waard liet zich nochtans met deze verklaring volstrekt niet paaien; hij werd boos, begon op zijn poot te spelen en dreigde Sancho, dat hij zich alsdan zou laten betalen op eene manier, die dezen zeker bijster weinig bevallen zou. Sancho evenwel hield voet bij stuk en verklaarde, dat hij zelfs niet het tiende part van de helft van een kwartpenning betalen zou.
Nu wou echter het ongeluk, dat juist dien morgen vier lakenscheerders uit Segovia en vier wevers uit Sevilla in de herberg een uurtje waren komen pleisteren. ’t Waren vroolijke, jolige, lustige lui, die dus veel van eene grap hielden en dan nu ook terstond op Sancho Panza aanvielen en hem onder groot gejuich van zijn ezel trokken. Een hunner liep in huis, om daar een beddelaken te halen. De overigen pakten den armen schildknaap, legden hem op het beddelaken en begonnen hem in de hoogte te gooien,zooals een oud wijf doet, als ze een pannekoek in de pan ’t onderst boven wipt. Hoe harder de sukkel schreeuwde, des te hooger vloog hij in de lucht op en des te grooter was de pret. De arme Sancho meende stellig en vast, dat hij onder een troep booze duivels was vervallen, die hem tot kaatsbal gebruikten.
Intusschen was Don Quichot nog niet zoo ver, dat het brullen van zijn geplaagden knecht niet zijn oor kon bereiken. Hij hield dus stil, luisterde scherp toe en geloofde reeds, dat een nieuw avontuur in aantocht was, totdat hij zich eindelijk overtuigde, dat het de huilende stem van zijn schildknaap was, die hij hoorde. Terstond wierp hij zijn paard om, keerde in strompelenden draf naar de herberg terug en reed, daar hij de hofpoort gesloten vond, rondom het huis, om ergens een ingang te vinden. Daarbij bemerkte hij, wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap gedreven werd, en dit gezicht bracht hem in de grimmigste woede. Hij zag Sancho Panza in de lucht op- en neervliegen als een bal, dien een knaap opgooit en weer opvangt, en zou zeker om dit zonderlinge schouwspel hebben moeten lachen, indien de gramschap over zulk eene mishandeling van zijn dienaar niet zoo sterk was geweest.
Daar hij echter niettegenstaande al zijn zoeken geen ingang ontdekte, beproefde hij, van zijn paard op den rand van den muur te klimmen. Evenwel was hij nog altijd zoo zwak, dat hij zijne lange beenen nauwelijks bewegen kon, en dus kon hij zijne woede niet anders koelen, dan door een stroom van scheldwoorden en verwenschingen over den herbergier en zijne gasten uit te storten. Dezen lieten daarom echter den armen Sancho niet los, en beantwoordden elk nieuw schimpwoord, dat Don Quichot tegen hen uitbraakte, met schaterend gelach. Eindelijk, toen hunne armen zoo moe en lam waren, dat zij die niet meer opheffen konden, gaven zij de grap op en lieten Sancho Panza vrij. Zij brachten hem bij zijn ezel, hielpen hem daarop, pakten hem in zijn mantel en joegen hem zoo de poort uit. Zeer tevreden, dat hij er met een blauw oog was afgekomen, reed de schildknaap weg en was zelfs vrij wat trotsch, dat hij toch zijn wil doorgezet en den waard geen penning betaald had.
Don Quichot bemerkte wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap werd gedreven.Don Quichot bemerkte wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap werd gedreven.
Don Quichot bemerkte wat schandelijk spel daar met zijn schildknaap werd gedreven.
De arme drommel bemerkte later eerst, dat de slimme herbergier zijn knapzak in beslag gehouden en daardoor de kosten van het gelag dubbel en dwars betaald gekregen had.
Hoofdstuk VIII.Don Quichot en de schapenkudden, met nog andere avonturen.Toen Sancho Panza tot zijn heer terugkeerde, was hij zoo mat en krachteloos, dat hij zijn grauwtje maar met moeite vooruit kon krijgen. Hem in dien toestand ziende, sprak de ridder:“Nu, mijn goede Sancho, houd ik het er stellig en vast voor, dat dat kasteel of die herberg betooverd was, daar de bewoners, die u zoo gruwelijk mishandeld hebben, toch niet anders dan spoken en geesten kunnen geweest zijn.”De schildknaap antwoordde met eene diepe verzuchting, maar zei verder geen woord.Terwijl beiden nu langzaam verder reden, bemerkte de ridder, dat eene ontzettend groote en dichte stofwolk op hen toekwam. Hij zag daar met fonkelende oogen naar uit en keerde zich toen tot Sancho.“Hoor, Sancho,” sprak hij, “dit is de dag, dien de hemel tot mijn geluk heeft uitverkoren. De kracht van mijn arm zal worden op de proef gesteld en ik wil daden verrichten, waarvan de menschheid nog na honderden van jaren met bewondering spreken zal. Zie daar die stofwolk, Sancho! Een groot krijgsheir, uit velerlei volken saamgesteld, doet haar opstijgen.”“Dan moeten er twee legers zijn,” zeide Sancho. “Daar van gindschen kant komt eene tweede stofwolk op.”Don Quichot volgde met de oogen de aangewezen richting en was uitermate verheugd, toen hij de verklaring van zijn schildknaap door eigen aanschouwing bevestigd vond. Hij geloofde nu stellig, dat de twee legers elkaar op de vlakte een grooten veldslag zouden leveren; want zijn zwak hoofd was met betooveringen, avonturen, uitdagingen, gevechten en wapenfeiten geheel volgepropt en alles, wat hij sprak en dacht, placht op zulke wonderbare dingen uit te komen. Die stofwolken werden intusschen geenszins door twee gewapende legers opgejaagd, maar eenvoudig door twee groote kudden schapen, die langs den grooten weg rustig voorttrokken, doch door het dichte stof, dat zij deden opstuiven, niet duidelijk onderscheiden konden worden. Don Quichot verzekerde nochtans met zooveel drift en heftigheid, dat het oprukkende heirlegers waren, dat Sancho dit eindelijk ook geloofde en angstig de vraag opwierp, wat men dan nu in dit geval moest beginnen.“Wat te beginnen?” riep Don Quichot, zich in den zadel vastzettende. “Wij moeten de zwakken helpen en den hulpbehoevenden bijstand leenen. Weet, Sancho, dat het eerste dezer legers wordt aangevoerd door den beroemden keizer Alifanfaron, beheerscher van het eiland Trapobana, en het ander door Pentapolin met de opgestroopte mouw, die koning is van de Garamanten.”Sancho Panza keek zijn heer verwonderd aan. Hij wist niet, dat deze al zijne hoogdravende en dolle benamingen uit oude ridderromans had geput en ze nu te pas bracht, alsof die wonderbaarlijke geschiedenissen waarheid geweest waren. Zijne phantasie spiegelde hem de zotste dingen voor.“Maar wat hebben die beide legers tegen elkaar?” vroeg Sancho Panza eindelijk.“Zij bevechten elkaar, omdat Alifanfaron een heiden is en de christelijke dochter van den koning Pentapolin tot gemalinne heeft begeerd. Pentapolin zal hem haar niet geven, voordat de heiden een goed christen is geworden.”“Waarachtig, dan heeft die opgestroopte mouw gelijk,” zeide Sancho. “Als ’t van mij afhangt, staan wij hem bij, zoo goed wij maar kunnen.”“Gij hebt het rechte inzicht, vriend,” antwoordde Don Quichot; “maar wees nu stil en rijd met mij rechts die hoogte op. Van dat punt kunnen wij het krijgsvolk beter zien, en ik zal u dan meteen met de beste en dapperste ridders van beide legers bekendmaken.”Zij reden den heuvel op en kozen eene plaats, waar zij de beide kudden nauwkeurig hadden kunnen onderscheiden, als de dwarlende stofwolken niet alles als in een dichten nevel hadden gehuld. Desniettemin zag Don Quichot met behulp van zijn gloeiende verbeeldingskracht alles, wat hij maar verkoos te zien, en begon dus dadelijk met luid klinkende stem zijne inlichtingen te geven.“Die ridder daar met de gele wapens,” begon hij, “die een gekroonden leeuw in zijn schild voert, is de dappere Laucalco, de heer van de zilveren brug. Die met de gouden bloemen op zijne rusting en de drie zilveren kronen in het azuurblauwe wapenschild is de groothertog van Quirocia. Die daar aan zijne zijde met de reusachtige ledematen is de nooit overwonnen Brandabarbaran van Bolicho, heer van de drie Arabiën. Naast hem rijdt de nooitvolprezen held Timonel van Carcassonne aan de spits. Zijne rusting vertoont vier kleuren, blauw, groen, wit en geel, en in het schild draagt hij eene roode kat op donkerbruin veld met het opschrift “Miauw!” ter eere van zijne dame, die Miulina van Algarvië moet heeten. De ridder daar op het witte ros met de witte wapens is een ridder uit Frankrijk. Pierre Papin is zijn naam; en die op den gestreepten wilden zebra met de ijzeren sporen is Espartafilardo, hertog van Nervië.”Nog vele ridders en heeren noemde Don Quichot op, en ’t zou vermoeien die allen te vermelden. Sancho Panza hoorde met open mond toe en zijne verbazing steeg ten top, toen hij eindelijk zag, dat heel die schitterende ridderschap in werkelijkheid niets anders dan eene kudde vetgemeste hamels was.“Loop naar den drommel, heer!” barstte hij op eens los. “Ik zie noch reuzen, noch ridders, noch knapen, maar enkel schapen, zoo ver mijn oog reikt.”“Hoe kunt gij zulk een onzin uitkramen?” antwoordde Don Quichot. “Hoort gij dan niet het brieschen der paarden, het schetteren dertrompetten en het doffe dreunen en bommen der legerpauken?”“Ik hoor niets dan een ontzettend geblaat, heer!” verzekerde Sancho, en hij had gelijk. De beide kudden waren nu vrij dichtbij gekomen, en ieder mensch met gezonde hersens moest zien, dat het schapen en rammen waren en anders niet. Don Quichot bleef nochtans verblind.“Uwe lafhartigheid, Sancho Panza, benevelt uw verstand,” zeide hij met fierheid. “Als gij bevreesd zijt, blijf dan vrij achter en berg uw leven. Ik echter zal mij in den heeten strijd storten en de overwinning zal met mij zijn.”Zonder het antwoord van zijn schildknaap af te wachten, drukte hij Rocinante de sporen in de ribben en stoof met gevelde lans pijlsnel den heuvel af. Sancho schreeuwde hem wel na: “Blijf, blijf, heer! Zoo waar ik een zondig mensch ben, ’t zijn enkel hamels en schapen, waarop gij instormt!” Maar Don Quichot luisterde niet naar zijne stem.Onder wild krijgsgeschreeuw drong hij tot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links zulke verwoede houwen en steken uit, alsof de onnoozele schepsels zijne ergste vijanden waren. De herders en drijvers riepen hem toe, dat hij met zijne dwaasheid toch ophouden zou. Daar zij echter zagen, dat Don Quichot naar geen vermaning luisterde, maar zich steeds doller en wilder aanstelde, namen zij hunne slingers in de hand en wierpen steenen van een vuist dik naar hem. Een tijdlang deden die den dolleman geen letsel. De keien gonsden hem om de ooren, maar troffen hem niet. Eindelijk echter raakte een zware kei hem met zooveel geweld in de zijde, dat twee van zijne ribben werden gebroken en de ridder niet anders meende, dan dat zijn laatste uur gekomen was. Nu echter dacht hij aan zijn wonderdrank, zette dien aan de lippen en dronk er met gretige teugen van. Op datzelfde oogenblik kwam een tweede steen aangevlogen en richtte nog veel erger schade aan. Hij verbrijzelde de flesch met het kooksel en verlamde des ridders hand, sloeg hem drie of vier tanden uit den mond en schramde deerlijk zijne wang. De worp was zoo krachtig, dat Don Quichot zich niet meer in den zadel kon houden, maar als een blok vanhet paard op den grond plofte. De herders schoten nu ijlings toe, en daar zij meenen moesten, dat zij den onmachtige hadden omgebracht, dreven zij met den meest mogelijken spoed hunne verstrooide kudden weer bijeen, pakten de doode hamels, ten getale van zeven, op hunne schouders en lieten den schijnbaar levenloozen Don Quichot aan zijn lot over.Onder wild krijgsgeschreeuw drong Don Quichot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links verwoede houwen en steken uit.Onder wild krijgsgeschreeuw drong Don Quichot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links verwoede houwen en steken uit.Sancho Panza was al dien tijd radeloos op den heuvel blijven staan, waar hij de dolheden van zijn heer aanzag, zich de haren uit den baard rukte en het uur verwenschte, dat hem met den ongelukkigen dolenden ridder in kennis had gebracht. Toen hij echter zag, dat de herders opbraken en zijn meester alleen op het slagveld achterbleef, ging hij naar hem toe en vond hem, schoon deerlijk gekneusd en gehavend, toch weer half bij zijne bezinning.“Nu,” vroeg hij, “heb ik u niet gezegd, dat gij eene kudde wolvee voor een krijgsleger aanzaagt? Had ik niet gelijk, toen ik u waarschuwde?”“Sancho, gij zijt een ezel,” antwoordde Don Quichot. “Merkt gij dan niet, dat een arglistige toovenaar al de ridders in hamels heeft veranderd? Hij deed dat, om mij te ergeren, en omdat de schurk mij de daden benijdde, die ik zou hebben uitgevoerd. Overtuig u hiervan, Sancho, door de vermeende kudde na te rijden. Dan zult gij spoedig zien, dat de betoovering verdwijnt en de ridders zich weer in hunne natuurlijke gedaante vertoonen. Vooreerst kunt gij daarmee nog wel wat wachten, want ik heb dringend uw hulp en bijstand noodig. Kijk nu maar eerst eens in mijn mond en zeg mij, hoe veel tanden mij zijn uitgeslagen. Ik zou zeggen, dat ik geen een meer heb overgehouden.”Vol ijver boog de schildknaap zich zoo dicht over den ridder, die den mond opendeed, neer, dat zijn neus bijna tusschen diens tanden verdween. Op dit oogenblik begon echter de ingezwolgen drank te werken, en terwijl Sancho in den mond keek, gaf de lijder op eens al wat hij in de maag had over en overstroomde daar den baard van zijn armen, meewarigen schildknaap mee. Deze schrikte, daar hij het hem overstelpend vocht in den beginne voor bloed hield; doch spoedig merkte bij, wat het was, en kreeg zulkeen gevoel van walging, dat hij wel genoodzaakt was zijn gestrengen heer hetzelfde te doen, wat deze hem had gedaan.De arme Sancho schudde zich als een natte poedelhond, maar was toen met een sprong op de been en liep naar zijn ezel, om uit den knapzak het een of ander te halen, waarmee hij zichzelf en zijn meester weer schoonmaken kon. Daar echter ontdekte hij, dat zijn knapzak verdwenen was, wat hem opnieuw zijn noodlot deed verwenschen, dat hem aan zulk een dolzinnigen heer gebonden had.Toen hij nog stond te klagen en te lamenteeren, kwam Don Quichot met moeite weer overeind, onderzocht met de linkerhand den toestand van zijn mond, greep met de rechter Rocinante bij den teugel en sleepte zich voort naar zijn schildknaap, die nu bedrukt op zijn grauwtje stond te leunen en in diepe gedachten voor zich neerkeek.“Sancho Panza,” sprak de edele ridder, “gij zijt bedroefd om de wederwaardigheden, die mij en dus u ook getroffen hebben. Maar klaag niet en treur niet, want op regen volgt zonneschijn, en ’t zal spoedig beter met ons gaan.”“Och wat!” bromde Sancho. “’t Lijkt wat naar zonneschijn! Gisteren gefopt en vandaag zonder knapzak, daar moet een mensch wel tureluursch onder worden.”“Wat!” riep de ridder, “de knapzak weg?”“Nergens te vinden,” antwoordde Sancho.“Maar dan hebben we ook niets meer te eten.”“Geen sikkepitje,” zei de schildknaap; “of we moeten het gras en de kruiden kauwen, die de schapen overlieten.”“Dat alles zal zich wel schikken,” troostte Don Quichot; “maar kijk nu eens naar mijne kakebeenen en vertel, hoeveel tanden ik ben kwijtgeraakt. Ik voel een moorddadige pijn op de plaats, waar ze vroeger plachten te zitten.”Sancho stak Don Quichot den vinger in den mond, tastte en voelde en vroeg: “Hoeveel kiezen hebt gij vroeger aan dezen kant gehad, gestrenge heer?”“Vier, buiten de verstandskies, en alle vier gaaf en gezond.”“Heer,” antwoordde Sancho, “bedenk wel, wat gij zegt.”“Vier zijn er geweest, zoo niet vijf,” betuigde Don Quichot opnieuw.“Nu, dan moet ik zeggen, dat ge er leelijk zijt afgekomen,” zeide de schildknaap; “want aan deze zijde hebt gij beneden nog maar twee en een halven tand en boven geen een meer: daar is alles glad weggeschoren.”“Ongelukkige, die ik ben!” riep Don Quichot bij dit bericht bedroefd uit. “Hadden ze mij toch maar liever den linkerarm afgehouwen! Een mond zonder tanden is als een molen zonder maalsteen, en een tand is meer waard dan een diamant. Maar zoo gaat het den ridders, die zich voor het heil der menschheid opofferen! Wee mij armen, ongelukkigen, dolenden held!”“Heer,” zeide Sancho Panza, na dat gejammer een poosje geduldig te hebben aangehoord, “heer, ik zou zeggen, dat ge nu lang genoeg gelamenteerd hebt. Stijg te paard en laat ons eene herberg opzoeken, want ik blaf van honger.”Don Quichot vermande zich en besteeg al zuchtend en kreunend Rocinante. “Rij voorop, vriend,” beval hij den schildknaap. “Ik wil den weg volgen, dien gij inslaan zult.”Dit liet zich Sancho geen tweemaal zeggen, maar in de hoop van spoedig eene herberg te zullen vinden draafde hij moedig op den breeden landweg voort. ’t Begon evenwel donker te worden, en geen gastvrij dak vertoonde zich. Desniettegenstaande werd nergens rust gehouden, want heer en knecht werden door een razenden honger geplaagd, en zij hoopten nog altijd eene herberg te vinden. Toen echter wachtte hen een avontuur, als nog geen van beiden ooit beleefd had.De nacht was pikdonker geworden en treurig reden de beide helden op den weg voort, toen zij op eens eene groote menigte lichten zagen flikkeren, die als dwalende sterren uit de verte op hen toekwamen. Sancho Panza werd bleek, en ook Don Quichots hart bonsde hoorbaar tegen zijne gekneusde ribben. Beiden hielden hunne dieren staande en staarden op de lichten, die van minuut tot minuut grooter en schitterender werden. Sancho Panza beefde als een riet, en den dapperen ridder begonnen de haren te berge te rijzen. Echter toonde hij zich moedig en sprak:“Sancho Panza, hier moet ik al mijne kracht en mijn moed te hulp roepen, want dit is zonder twijfel een dreigend en gevaarvol avontuur.”“O wee, o wee!” zuchtte Sancho. “Daar komen weer reuzen en gedrochten, en op mijn armen rug, die toch al bont en blauw gebeukt is, zal ’t opnieuw weer slagen regenen.”“Geloof dat niet,” antwoordde Don Quichot. “Al zijn ’t ook nog zulke grimmige geesten en spoken, ze zullen u met hand noch vinger aanraken, daar ik u beschermen zal. Hier zijn wij op het open veld, waar ik onbelemmerd mijn scherp zwaard kan gebruiken.”“Ik wil mij goed zoeken te houden,” zei Sancho Panza, hield zich dicht achter zijn heer en keek met gespannen opmerkzaamheid naar de lichten uit, om te ontdekken, hoe het daar eigenlijk mee gelegen was.Zij onderscheidden voor en na eene menigte gedaanten in witte hemden, die den armen Sancho Panza het verschrikkelijkste toeschenen, dat zijne oogen ooit nog op aarde hadden aanschouwd. Hij trilde en beefde, en zijne tanden klapperden, alsof hij eene zware koude koorts had.Toen de lichten nog nader kwamen, zagen zij bij de twintig mannen in lange, slepende tabbaarden. Zij zaten op paarden, droegen fakkels in de handen en hunne gezichten schenen spookachtig bleek. Achter hen kwam eene met een zwart laken overdekte baar, en op deze volgden zes andere ruiters, die, evenals de eersten, van het hoofd tot de voeten in lange, donkere rouwgewaden staken. Dezen zaten echter niet te paard, maar op muildieren, gelijk uit den zachten en bedaarden stap dezer dieren gemakkelijk was op te maken. Met doffe stem mompelden alle mannen onverstaanbare woorden, die wel bezweringen schenen en het hart van ridder en knecht met schrik vervulden. Daarbij het late uur, de donkere nacht en de lijkbaar,—dit een en ander had ook den dapperste kunnen verbijsteren en beangstigen.Sancho Panza was halfdood van schrik en ontzetting; doch bij Don Quichot begon de verbeelding reeds weer te werken en spiegelde hem de zonderlingste avonturen voor. Hij geloofde, dat men op debaar een zwaar gekwetsten of wel dooden ridder wegdroeg, en dat de hemel hem opzettelijk tot diens bloedwreker had uitverkoren.Zonder aarzelen omklemde hij dan ook zijne lans en stelde zich midden op den weg dreigend in postuur, om den geheimzinnigen trein op te wachten. Toen die tot op korten afstand genaderd was, verhief hij zijne stem en sprak:“Halt! Staat, gij ridders en edelen, en zegt zonder dralen, wie gij zijt, waarheen gij gaat, van waar gij komt en wie de ridder is, wiens lijk gij daar op die baar medevoert. Gij hebt òf kwaad gedaan óf kwaad geleden, en ik moet dit weten, om daarnaar mijne maatregelen te nemen.”“Heer ridder,” gaf een der mannen tot antwoord, “houd ons niet op, want wij hebben haast en mogen geen tijd verliezen met u uitvoerig rekenschap van ons doen en laten te geven.”Met deze woorden dreef hij zijn muildier aan en wilde doorrijden; maar Don Quichot gevoelde zich door dit korte bescheid in dier voege beleedigd, dat hij het dier bij den teugel greep en luid en dreigend riep: “Houd stil en leg rekenschap af! Zoo niet, dan zal ik u en al de uwen bloedig tuchtigen en kastijden.”Het muildier van den aldus bedreigden ruiter werd schuw, sprong op zij, steigerde hoog op en sloeg ruggelings achterover. Een knaap die er te voet bij liep, zag den val en begon op Don Quichot te schimpen. Dat kon deze niet dulden en de kamp begon. De ridder velde de lans, viel op een der mannen in het zwart aan en deed hem gewond van het paard tuimelen. Hierop keerde hij zich tegen de overigen. Met waarlijk verbazende vlugheid en behendigheid hieuw hij op de menschen in en ’t scheen wel, dat Rocinante vleugels had gekregen, zoo licht en snel galoppeerde hij over het slagveld heen en weer.De mannen in de witte en zwarte kleederen toonden al zeer weinig hart in het lijf te hebben en gedroegen zich jammerlijk lafhartig. Don Quichot dreef hen met weinig moeite op de vlucht, joeg hen met hunne vlammende fakkels over het veld heen en deed hen zich naar alle kanten verstrooien. Sommigen der mannen konden zich wegens de lengte hunner rouwkleeren nauwelijks bewegen, en op dezenhakte de verwoede ridder, zonder eenigen weerstand te vinden, zoo lang in, totdat zij hunne mantels wegwierpen en insgelijks de vlucht namen. De arme sukkels meenden, dat de duivel zelf hun op de hielen zat, en kruisten zich al hun best.Sancho Panza zag dit schouwspel met de grootste verbazing aan. Hij was over de stoutheid en dapperheid van zijn gebieder ten hoogste verwonderd en begon bijna te gelooven, dat Don Quichot werkelijk de machtige en geweldige held was, waarvoor hij zich uitgaf.Don Quichot greep eindelijk een der brandende fakkels, die in menigte op den grond lagen, en lichtte in het rond, of hij ook nog een vijand ontdekken kon. Hij bemerkte niemand dan den ruiter, die onder zijn muildier was geraakt, zette hem de punt zijner lans op de borst en gebood hem zich over te geven, als hij niet oogenblikkelijk een man des doods wilde zijn.“Ach, heer ridder,” stotterde de beangstigde man, “ik ben, gelijk gij ziet, onderdanig genoeg en smeek u ootmoedig om mijn beetje leven. Ik geloof, dat ik een been heb gebroken, want ik kan geen lid verroeren. Breng mij dus ook maar niet om, als gij een christelijk ridder zijt. Weet, dat ik tot den geestelijken stand behoor. Gij zoudt eene gruwelijke daad begaan door de hand aan een dienaar van de kerk te slaan.”“Maar, bij mijn zwaard,” schreeuwde Don Quichot, “als gij werkelijk een geestelijke zijt, wat heeft u dan midden in den nacht hier op den grooten weg gebracht?”“Mijn ongelukkig gesternte, heer ridder,” antwoordde de gevallene.“En dat zal u het leven kosten, als gij mij niet dadelijk antwoord op mijne eerste vraag geeft,” riep Don Quichot.“Ach, ik wil gaarne alles zeggen,” antwoordde de man. “Ik en de twaalf andere priesters, die allen gevlucht zijn, komen uit de stad Baeza, en wij dachten ons naar Segovia te begeven, om het lijk van den ridder, dat daar op de baar ligt, naar zijn eigen grafkelder te begeleiden.”“Wie heeft dien ridder omgebracht?” vroeg Don Quichot op barschen toon.“Hij is zijn natuurlijken dood gestorven ten gevolge van eene heete koorts,” was het antwoord.“Nu, dan heb ik niet de moeite te nemen om hem te wreken,” sprak de dappere dolende held. “Weet dan nu, eerwaardige heer, dat ik de hoogvermaarde en machtige ridder Don Quichot van La Mancha ben, en dat mijne roeping is de wereld te doorkruisen, om alle onrecht te keer te gaan, het kromme recht te maken en de lijdende, onderdrukte menschheid te hulp te komen.”“Ei, heer ridder,” antwoordde de geestelijke, “bij mij is u dat niet gelukt, want gij hebt veeleer het rechte krom gemaakt, gelijk mijn gebroken been u duidelijk kan bewijzen.”“Dat doet mij leed om uwentwil,” betuigde de ridder; “doch gij hebt dit ongeluk aan uzelf te wijten. Waarom gaaft gij mij niet terstond behoorlijk antwoord op mijne vraag?”“Daar het nu toch niet te veranderen is, wil ik mij in mijn lot zoeken te troosten,” zuchtte de geestelijke. “Maar, heer ridder, wilt gij mij eene gunst en weldaad bewijzen, help mij dan van onder mijn muildier weg. Een van mijne beenen zit nog tusschen zadel en stijgbeugel vastgeklemd.”“Waarom hebt gij dat niet terstond gezegd, eerwaardige heer?” riep Don Quichot. “Wacht, gij zult zonder uitstel geholpen worden.”Hij wenkte Sancho Panza nader te komen; doch deze maakte bitter weinig haast, daar hij juist bezig was, een met proviand zwaar beladen ezel, dien de geestelijke heeren bij zich hadden, van zijn vracht te bevrijden en die op zijn eigen grauwtje over te brengen. Eerst toen hij dit werk volbracht had en zich toereikend van mondvoorraad voorzien zag, kwam hij zijn meester te hulp en haalde den geestelijke onder het muildier weg. Dit richtte zich nu vanzelf op, en de geestelijke heer werd er op geholpen. Voordat hij wegreed, verzocht Don Quichot hem, zijne broeders weder bijeen te roepen en hun in zijn naam vergiffenis te vragen voor het kwaad, dat hij hun bij vergissing had aangedaan. En Sancho Panza voegde er bij:“En als uwe vrienden weten willen, wie hen zoo deerlijk toegetakeldheeft, zeg hun dan, dat het Don Quichot van La Mancha, de Ridder van de Droevige Figuur, is geweest.”Hierop reed de geestelijke weg, en nu vroeg Don Quichot zijn schildknaap, hoe die er toe gekomen was, hem den Ridder van de Droevige Figuur te noemen.“Dat zal ik u zeggen, gestrenge heer,” zeide Sancho Panza. “Kijk, toen ik u bij het licht van de fakkels zoo eens terdeeg goed bekeek, moest ik bij mijzelf zeggen, dat gij wezenlijk de jammerlijkste en droevigste figuur zijt, die ik nog ooit van mijn leven gezien heb. Dat komt denkelijk wel van het gevecht, waarin gij veel moet geleden hebben, of misschien ligt het ook daaraan, dat gij zoo’n geduchte vracht kiezen en tanden zijt kwijtgeraakt.”“Neen, dat is het zeker niet,” antwoordde Don Quichot. “Maar wat ook de reden mag wezen, ik wil den bijnaam, die u toevallig in den mond kwam, behouden en mij ten eeuwige dage den Ridder van de Droevige Figuur noemen. Om dien naam met volle recht te dragen, wil ik eene recht treurige figuur op mijn schild laten schilderen.”“Die kosten kunt gij sparen, heer ridder,” zei Sancho Panza. “Als gij maar uwe eigene figuur laat zien, kunt gij verzekerd wezen, dat de heele wereld u dadelijk voor den Ridder van de Droevige Figuur zal houden. Twijfel niet aan mijn zeggen, want ik verzeker u, dat de honger en ’t verlies van die tanden u zoo’n jammerlijk aanzien gegeven hebben, als men zich met mogelijkheid verbeelden kan.Don Quichot lachte om Sancho’s dol zeggen, maar bleef er toch bij, dat hij dien bijnaam aannemen wou en op zijn schild eene droevige figuur doen schilderen. Sancho liet hem nochtans geen tijd, om daar lang over na te denken, maar drong er op aan, dat men de reis zonder tijdverlies voortzetten zou.
Toen Sancho Panza tot zijn heer terugkeerde, was hij zoo mat en krachteloos, dat hij zijn grauwtje maar met moeite vooruit kon krijgen. Hem in dien toestand ziende, sprak de ridder:
“Nu, mijn goede Sancho, houd ik het er stellig en vast voor, dat dat kasteel of die herberg betooverd was, daar de bewoners, die u zoo gruwelijk mishandeld hebben, toch niet anders dan spoken en geesten kunnen geweest zijn.”
De schildknaap antwoordde met eene diepe verzuchting, maar zei verder geen woord.
Terwijl beiden nu langzaam verder reden, bemerkte de ridder, dat eene ontzettend groote en dichte stofwolk op hen toekwam. Hij zag daar met fonkelende oogen naar uit en keerde zich toen tot Sancho.
“Hoor, Sancho,” sprak hij, “dit is de dag, dien de hemel tot mijn geluk heeft uitverkoren. De kracht van mijn arm zal worden op de proef gesteld en ik wil daden verrichten, waarvan de menschheid nog na honderden van jaren met bewondering spreken zal. Zie daar die stofwolk, Sancho! Een groot krijgsheir, uit velerlei volken saamgesteld, doet haar opstijgen.”
“Dan moeten er twee legers zijn,” zeide Sancho. “Daar van gindschen kant komt eene tweede stofwolk op.”
Don Quichot volgde met de oogen de aangewezen richting en was uitermate verheugd, toen hij de verklaring van zijn schildknaap door eigen aanschouwing bevestigd vond. Hij geloofde nu stellig, dat de twee legers elkaar op de vlakte een grooten veldslag zouden leveren; want zijn zwak hoofd was met betooveringen, avonturen, uitdagingen, gevechten en wapenfeiten geheel volgepropt en alles, wat hij sprak en dacht, placht op zulke wonderbare dingen uit te komen. Die stofwolken werden intusschen geenszins door twee gewapende legers opgejaagd, maar eenvoudig door twee groote kudden schapen, die langs den grooten weg rustig voorttrokken, doch door het dichte stof, dat zij deden opstuiven, niet duidelijk onderscheiden konden worden. Don Quichot verzekerde nochtans met zooveel drift en heftigheid, dat het oprukkende heirlegers waren, dat Sancho dit eindelijk ook geloofde en angstig de vraag opwierp, wat men dan nu in dit geval moest beginnen.
“Wat te beginnen?” riep Don Quichot, zich in den zadel vastzettende. “Wij moeten de zwakken helpen en den hulpbehoevenden bijstand leenen. Weet, Sancho, dat het eerste dezer legers wordt aangevoerd door den beroemden keizer Alifanfaron, beheerscher van het eiland Trapobana, en het ander door Pentapolin met de opgestroopte mouw, die koning is van de Garamanten.”
Sancho Panza keek zijn heer verwonderd aan. Hij wist niet, dat deze al zijne hoogdravende en dolle benamingen uit oude ridderromans had geput en ze nu te pas bracht, alsof die wonderbaarlijke geschiedenissen waarheid geweest waren. Zijne phantasie spiegelde hem de zotste dingen voor.
“Maar wat hebben die beide legers tegen elkaar?” vroeg Sancho Panza eindelijk.
“Zij bevechten elkaar, omdat Alifanfaron een heiden is en de christelijke dochter van den koning Pentapolin tot gemalinne heeft begeerd. Pentapolin zal hem haar niet geven, voordat de heiden een goed christen is geworden.”
“Waarachtig, dan heeft die opgestroopte mouw gelijk,” zeide Sancho. “Als ’t van mij afhangt, staan wij hem bij, zoo goed wij maar kunnen.”
“Gij hebt het rechte inzicht, vriend,” antwoordde Don Quichot; “maar wees nu stil en rijd met mij rechts die hoogte op. Van dat punt kunnen wij het krijgsvolk beter zien, en ik zal u dan meteen met de beste en dapperste ridders van beide legers bekendmaken.”
Zij reden den heuvel op en kozen eene plaats, waar zij de beide kudden nauwkeurig hadden kunnen onderscheiden, als de dwarlende stofwolken niet alles als in een dichten nevel hadden gehuld. Desniettemin zag Don Quichot met behulp van zijn gloeiende verbeeldingskracht alles, wat hij maar verkoos te zien, en begon dus dadelijk met luid klinkende stem zijne inlichtingen te geven.
“Die ridder daar met de gele wapens,” begon hij, “die een gekroonden leeuw in zijn schild voert, is de dappere Laucalco, de heer van de zilveren brug. Die met de gouden bloemen op zijne rusting en de drie zilveren kronen in het azuurblauwe wapenschild is de groothertog van Quirocia. Die daar aan zijne zijde met de reusachtige ledematen is de nooit overwonnen Brandabarbaran van Bolicho, heer van de drie Arabiën. Naast hem rijdt de nooitvolprezen held Timonel van Carcassonne aan de spits. Zijne rusting vertoont vier kleuren, blauw, groen, wit en geel, en in het schild draagt hij eene roode kat op donkerbruin veld met het opschrift “Miauw!” ter eere van zijne dame, die Miulina van Algarvië moet heeten. De ridder daar op het witte ros met de witte wapens is een ridder uit Frankrijk. Pierre Papin is zijn naam; en die op den gestreepten wilden zebra met de ijzeren sporen is Espartafilardo, hertog van Nervië.”
Nog vele ridders en heeren noemde Don Quichot op, en ’t zou vermoeien die allen te vermelden. Sancho Panza hoorde met open mond toe en zijne verbazing steeg ten top, toen hij eindelijk zag, dat heel die schitterende ridderschap in werkelijkheid niets anders dan eene kudde vetgemeste hamels was.
“Loop naar den drommel, heer!” barstte hij op eens los. “Ik zie noch reuzen, noch ridders, noch knapen, maar enkel schapen, zoo ver mijn oog reikt.”
“Hoe kunt gij zulk een onzin uitkramen?” antwoordde Don Quichot. “Hoort gij dan niet het brieschen der paarden, het schetteren dertrompetten en het doffe dreunen en bommen der legerpauken?”
“Ik hoor niets dan een ontzettend geblaat, heer!” verzekerde Sancho, en hij had gelijk. De beide kudden waren nu vrij dichtbij gekomen, en ieder mensch met gezonde hersens moest zien, dat het schapen en rammen waren en anders niet. Don Quichot bleef nochtans verblind.
“Uwe lafhartigheid, Sancho Panza, benevelt uw verstand,” zeide hij met fierheid. “Als gij bevreesd zijt, blijf dan vrij achter en berg uw leven. Ik echter zal mij in den heeten strijd storten en de overwinning zal met mij zijn.”
Zonder het antwoord van zijn schildknaap af te wachten, drukte hij Rocinante de sporen in de ribben en stoof met gevelde lans pijlsnel den heuvel af. Sancho schreeuwde hem wel na: “Blijf, blijf, heer! Zoo waar ik een zondig mensch ben, ’t zijn enkel hamels en schapen, waarop gij instormt!” Maar Don Quichot luisterde niet naar zijne stem.
Onder wild krijgsgeschreeuw drong hij tot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links zulke verwoede houwen en steken uit, alsof de onnoozele schepsels zijne ergste vijanden waren. De herders en drijvers riepen hem toe, dat hij met zijne dwaasheid toch ophouden zou. Daar zij echter zagen, dat Don Quichot naar geen vermaning luisterde, maar zich steeds doller en wilder aanstelde, namen zij hunne slingers in de hand en wierpen steenen van een vuist dik naar hem. Een tijdlang deden die den dolleman geen letsel. De keien gonsden hem om de ooren, maar troffen hem niet. Eindelijk echter raakte een zware kei hem met zooveel geweld in de zijde, dat twee van zijne ribben werden gebroken en de ridder niet anders meende, dan dat zijn laatste uur gekomen was. Nu echter dacht hij aan zijn wonderdrank, zette dien aan de lippen en dronk er met gretige teugen van. Op datzelfde oogenblik kwam een tweede steen aangevlogen en richtte nog veel erger schade aan. Hij verbrijzelde de flesch met het kooksel en verlamde des ridders hand, sloeg hem drie of vier tanden uit den mond en schramde deerlijk zijne wang. De worp was zoo krachtig, dat Don Quichot zich niet meer in den zadel kon houden, maar als een blok vanhet paard op den grond plofte. De herders schoten nu ijlings toe, en daar zij meenen moesten, dat zij den onmachtige hadden omgebracht, dreven zij met den meest mogelijken spoed hunne verstrooide kudden weer bijeen, pakten de doode hamels, ten getale van zeven, op hunne schouders en lieten den schijnbaar levenloozen Don Quichot aan zijn lot over.
Onder wild krijgsgeschreeuw drong Don Quichot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links verwoede houwen en steken uit.Onder wild krijgsgeschreeuw drong Don Quichot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links verwoede houwen en steken uit.
Onder wild krijgsgeschreeuw drong Don Quichot midden in de kudde schapen door en deelde rechts en links verwoede houwen en steken uit.
Sancho Panza was al dien tijd radeloos op den heuvel blijven staan, waar hij de dolheden van zijn heer aanzag, zich de haren uit den baard rukte en het uur verwenschte, dat hem met den ongelukkigen dolenden ridder in kennis had gebracht. Toen hij echter zag, dat de herders opbraken en zijn meester alleen op het slagveld achterbleef, ging hij naar hem toe en vond hem, schoon deerlijk gekneusd en gehavend, toch weer half bij zijne bezinning.
“Nu,” vroeg hij, “heb ik u niet gezegd, dat gij eene kudde wolvee voor een krijgsleger aanzaagt? Had ik niet gelijk, toen ik u waarschuwde?”
“Sancho, gij zijt een ezel,” antwoordde Don Quichot. “Merkt gij dan niet, dat een arglistige toovenaar al de ridders in hamels heeft veranderd? Hij deed dat, om mij te ergeren, en omdat de schurk mij de daden benijdde, die ik zou hebben uitgevoerd. Overtuig u hiervan, Sancho, door de vermeende kudde na te rijden. Dan zult gij spoedig zien, dat de betoovering verdwijnt en de ridders zich weer in hunne natuurlijke gedaante vertoonen. Vooreerst kunt gij daarmee nog wel wat wachten, want ik heb dringend uw hulp en bijstand noodig. Kijk nu maar eerst eens in mijn mond en zeg mij, hoe veel tanden mij zijn uitgeslagen. Ik zou zeggen, dat ik geen een meer heb overgehouden.”
Vol ijver boog de schildknaap zich zoo dicht over den ridder, die den mond opendeed, neer, dat zijn neus bijna tusschen diens tanden verdween. Op dit oogenblik begon echter de ingezwolgen drank te werken, en terwijl Sancho in den mond keek, gaf de lijder op eens al wat hij in de maag had over en overstroomde daar den baard van zijn armen, meewarigen schildknaap mee. Deze schrikte, daar hij het hem overstelpend vocht in den beginne voor bloed hield; doch spoedig merkte bij, wat het was, en kreeg zulkeen gevoel van walging, dat hij wel genoodzaakt was zijn gestrengen heer hetzelfde te doen, wat deze hem had gedaan.
De arme Sancho schudde zich als een natte poedelhond, maar was toen met een sprong op de been en liep naar zijn ezel, om uit den knapzak het een of ander te halen, waarmee hij zichzelf en zijn meester weer schoonmaken kon. Daar echter ontdekte hij, dat zijn knapzak verdwenen was, wat hem opnieuw zijn noodlot deed verwenschen, dat hem aan zulk een dolzinnigen heer gebonden had.
Toen hij nog stond te klagen en te lamenteeren, kwam Don Quichot met moeite weer overeind, onderzocht met de linkerhand den toestand van zijn mond, greep met de rechter Rocinante bij den teugel en sleepte zich voort naar zijn schildknaap, die nu bedrukt op zijn grauwtje stond te leunen en in diepe gedachten voor zich neerkeek.
“Sancho Panza,” sprak de edele ridder, “gij zijt bedroefd om de wederwaardigheden, die mij en dus u ook getroffen hebben. Maar klaag niet en treur niet, want op regen volgt zonneschijn, en ’t zal spoedig beter met ons gaan.”
“Och wat!” bromde Sancho. “’t Lijkt wat naar zonneschijn! Gisteren gefopt en vandaag zonder knapzak, daar moet een mensch wel tureluursch onder worden.”
“Wat!” riep de ridder, “de knapzak weg?”
“Nergens te vinden,” antwoordde Sancho.
“Maar dan hebben we ook niets meer te eten.”
“Geen sikkepitje,” zei de schildknaap; “of we moeten het gras en de kruiden kauwen, die de schapen overlieten.”
“Dat alles zal zich wel schikken,” troostte Don Quichot; “maar kijk nu eens naar mijne kakebeenen en vertel, hoeveel tanden ik ben kwijtgeraakt. Ik voel een moorddadige pijn op de plaats, waar ze vroeger plachten te zitten.”
Sancho stak Don Quichot den vinger in den mond, tastte en voelde en vroeg: “Hoeveel kiezen hebt gij vroeger aan dezen kant gehad, gestrenge heer?”
“Vier, buiten de verstandskies, en alle vier gaaf en gezond.”
“Heer,” antwoordde Sancho, “bedenk wel, wat gij zegt.”
“Vier zijn er geweest, zoo niet vijf,” betuigde Don Quichot opnieuw.
“Nu, dan moet ik zeggen, dat ge er leelijk zijt afgekomen,” zeide de schildknaap; “want aan deze zijde hebt gij beneden nog maar twee en een halven tand en boven geen een meer: daar is alles glad weggeschoren.”
“Ongelukkige, die ik ben!” riep Don Quichot bij dit bericht bedroefd uit. “Hadden ze mij toch maar liever den linkerarm afgehouwen! Een mond zonder tanden is als een molen zonder maalsteen, en een tand is meer waard dan een diamant. Maar zoo gaat het den ridders, die zich voor het heil der menschheid opofferen! Wee mij armen, ongelukkigen, dolenden held!”
“Heer,” zeide Sancho Panza, na dat gejammer een poosje geduldig te hebben aangehoord, “heer, ik zou zeggen, dat ge nu lang genoeg gelamenteerd hebt. Stijg te paard en laat ons eene herberg opzoeken, want ik blaf van honger.”
Don Quichot vermande zich en besteeg al zuchtend en kreunend Rocinante. “Rij voorop, vriend,” beval hij den schildknaap. “Ik wil den weg volgen, dien gij inslaan zult.”
Dit liet zich Sancho geen tweemaal zeggen, maar in de hoop van spoedig eene herberg te zullen vinden draafde hij moedig op den breeden landweg voort. ’t Begon evenwel donker te worden, en geen gastvrij dak vertoonde zich. Desniettegenstaande werd nergens rust gehouden, want heer en knecht werden door een razenden honger geplaagd, en zij hoopten nog altijd eene herberg te vinden. Toen echter wachtte hen een avontuur, als nog geen van beiden ooit beleefd had.
De nacht was pikdonker geworden en treurig reden de beide helden op den weg voort, toen zij op eens eene groote menigte lichten zagen flikkeren, die als dwalende sterren uit de verte op hen toekwamen. Sancho Panza werd bleek, en ook Don Quichots hart bonsde hoorbaar tegen zijne gekneusde ribben. Beiden hielden hunne dieren staande en staarden op de lichten, die van minuut tot minuut grooter en schitterender werden. Sancho Panza beefde als een riet, en den dapperen ridder begonnen de haren te berge te rijzen. Echter toonde hij zich moedig en sprak:
“Sancho Panza, hier moet ik al mijne kracht en mijn moed te hulp roepen, want dit is zonder twijfel een dreigend en gevaarvol avontuur.”
“O wee, o wee!” zuchtte Sancho. “Daar komen weer reuzen en gedrochten, en op mijn armen rug, die toch al bont en blauw gebeukt is, zal ’t opnieuw weer slagen regenen.”
“Geloof dat niet,” antwoordde Don Quichot. “Al zijn ’t ook nog zulke grimmige geesten en spoken, ze zullen u met hand noch vinger aanraken, daar ik u beschermen zal. Hier zijn wij op het open veld, waar ik onbelemmerd mijn scherp zwaard kan gebruiken.”
“Ik wil mij goed zoeken te houden,” zei Sancho Panza, hield zich dicht achter zijn heer en keek met gespannen opmerkzaamheid naar de lichten uit, om te ontdekken, hoe het daar eigenlijk mee gelegen was.
Zij onderscheidden voor en na eene menigte gedaanten in witte hemden, die den armen Sancho Panza het verschrikkelijkste toeschenen, dat zijne oogen ooit nog op aarde hadden aanschouwd. Hij trilde en beefde, en zijne tanden klapperden, alsof hij eene zware koude koorts had.
Toen de lichten nog nader kwamen, zagen zij bij de twintig mannen in lange, slepende tabbaarden. Zij zaten op paarden, droegen fakkels in de handen en hunne gezichten schenen spookachtig bleek. Achter hen kwam eene met een zwart laken overdekte baar, en op deze volgden zes andere ruiters, die, evenals de eersten, van het hoofd tot de voeten in lange, donkere rouwgewaden staken. Dezen zaten echter niet te paard, maar op muildieren, gelijk uit den zachten en bedaarden stap dezer dieren gemakkelijk was op te maken. Met doffe stem mompelden alle mannen onverstaanbare woorden, die wel bezweringen schenen en het hart van ridder en knecht met schrik vervulden. Daarbij het late uur, de donkere nacht en de lijkbaar,—dit een en ander had ook den dapperste kunnen verbijsteren en beangstigen.
Sancho Panza was halfdood van schrik en ontzetting; doch bij Don Quichot begon de verbeelding reeds weer te werken en spiegelde hem de zonderlingste avonturen voor. Hij geloofde, dat men op debaar een zwaar gekwetsten of wel dooden ridder wegdroeg, en dat de hemel hem opzettelijk tot diens bloedwreker had uitverkoren.
Zonder aarzelen omklemde hij dan ook zijne lans en stelde zich midden op den weg dreigend in postuur, om den geheimzinnigen trein op te wachten. Toen die tot op korten afstand genaderd was, verhief hij zijne stem en sprak:
“Halt! Staat, gij ridders en edelen, en zegt zonder dralen, wie gij zijt, waarheen gij gaat, van waar gij komt en wie de ridder is, wiens lijk gij daar op die baar medevoert. Gij hebt òf kwaad gedaan óf kwaad geleden, en ik moet dit weten, om daarnaar mijne maatregelen te nemen.”
“Heer ridder,” gaf een der mannen tot antwoord, “houd ons niet op, want wij hebben haast en mogen geen tijd verliezen met u uitvoerig rekenschap van ons doen en laten te geven.”
Met deze woorden dreef hij zijn muildier aan en wilde doorrijden; maar Don Quichot gevoelde zich door dit korte bescheid in dier voege beleedigd, dat hij het dier bij den teugel greep en luid en dreigend riep: “Houd stil en leg rekenschap af! Zoo niet, dan zal ik u en al de uwen bloedig tuchtigen en kastijden.”
Het muildier van den aldus bedreigden ruiter werd schuw, sprong op zij, steigerde hoog op en sloeg ruggelings achterover. Een knaap die er te voet bij liep, zag den val en begon op Don Quichot te schimpen. Dat kon deze niet dulden en de kamp begon. De ridder velde de lans, viel op een der mannen in het zwart aan en deed hem gewond van het paard tuimelen. Hierop keerde hij zich tegen de overigen. Met waarlijk verbazende vlugheid en behendigheid hieuw hij op de menschen in en ’t scheen wel, dat Rocinante vleugels had gekregen, zoo licht en snel galoppeerde hij over het slagveld heen en weer.
De mannen in de witte en zwarte kleederen toonden al zeer weinig hart in het lijf te hebben en gedroegen zich jammerlijk lafhartig. Don Quichot dreef hen met weinig moeite op de vlucht, joeg hen met hunne vlammende fakkels over het veld heen en deed hen zich naar alle kanten verstrooien. Sommigen der mannen konden zich wegens de lengte hunner rouwkleeren nauwelijks bewegen, en op dezenhakte de verwoede ridder, zonder eenigen weerstand te vinden, zoo lang in, totdat zij hunne mantels wegwierpen en insgelijks de vlucht namen. De arme sukkels meenden, dat de duivel zelf hun op de hielen zat, en kruisten zich al hun best.
Sancho Panza zag dit schouwspel met de grootste verbazing aan. Hij was over de stoutheid en dapperheid van zijn gebieder ten hoogste verwonderd en begon bijna te gelooven, dat Don Quichot werkelijk de machtige en geweldige held was, waarvoor hij zich uitgaf.
Don Quichot greep eindelijk een der brandende fakkels, die in menigte op den grond lagen, en lichtte in het rond, of hij ook nog een vijand ontdekken kon. Hij bemerkte niemand dan den ruiter, die onder zijn muildier was geraakt, zette hem de punt zijner lans op de borst en gebood hem zich over te geven, als hij niet oogenblikkelijk een man des doods wilde zijn.
“Ach, heer ridder,” stotterde de beangstigde man, “ik ben, gelijk gij ziet, onderdanig genoeg en smeek u ootmoedig om mijn beetje leven. Ik geloof, dat ik een been heb gebroken, want ik kan geen lid verroeren. Breng mij dus ook maar niet om, als gij een christelijk ridder zijt. Weet, dat ik tot den geestelijken stand behoor. Gij zoudt eene gruwelijke daad begaan door de hand aan een dienaar van de kerk te slaan.”
“Maar, bij mijn zwaard,” schreeuwde Don Quichot, “als gij werkelijk een geestelijke zijt, wat heeft u dan midden in den nacht hier op den grooten weg gebracht?”
“Mijn ongelukkig gesternte, heer ridder,” antwoordde de gevallene.
“En dat zal u het leven kosten, als gij mij niet dadelijk antwoord op mijne eerste vraag geeft,” riep Don Quichot.
“Ach, ik wil gaarne alles zeggen,” antwoordde de man. “Ik en de twaalf andere priesters, die allen gevlucht zijn, komen uit de stad Baeza, en wij dachten ons naar Segovia te begeven, om het lijk van den ridder, dat daar op de baar ligt, naar zijn eigen grafkelder te begeleiden.”
“Wie heeft dien ridder omgebracht?” vroeg Don Quichot op barschen toon.
“Hij is zijn natuurlijken dood gestorven ten gevolge van eene heete koorts,” was het antwoord.
“Nu, dan heb ik niet de moeite te nemen om hem te wreken,” sprak de dappere dolende held. “Weet dan nu, eerwaardige heer, dat ik de hoogvermaarde en machtige ridder Don Quichot van La Mancha ben, en dat mijne roeping is de wereld te doorkruisen, om alle onrecht te keer te gaan, het kromme recht te maken en de lijdende, onderdrukte menschheid te hulp te komen.”
“Ei, heer ridder,” antwoordde de geestelijke, “bij mij is u dat niet gelukt, want gij hebt veeleer het rechte krom gemaakt, gelijk mijn gebroken been u duidelijk kan bewijzen.”
“Dat doet mij leed om uwentwil,” betuigde de ridder; “doch gij hebt dit ongeluk aan uzelf te wijten. Waarom gaaft gij mij niet terstond behoorlijk antwoord op mijne vraag?”
“Daar het nu toch niet te veranderen is, wil ik mij in mijn lot zoeken te troosten,” zuchtte de geestelijke. “Maar, heer ridder, wilt gij mij eene gunst en weldaad bewijzen, help mij dan van onder mijn muildier weg. Een van mijne beenen zit nog tusschen zadel en stijgbeugel vastgeklemd.”
“Waarom hebt gij dat niet terstond gezegd, eerwaardige heer?” riep Don Quichot. “Wacht, gij zult zonder uitstel geholpen worden.”
Hij wenkte Sancho Panza nader te komen; doch deze maakte bitter weinig haast, daar hij juist bezig was, een met proviand zwaar beladen ezel, dien de geestelijke heeren bij zich hadden, van zijn vracht te bevrijden en die op zijn eigen grauwtje over te brengen. Eerst toen hij dit werk volbracht had en zich toereikend van mondvoorraad voorzien zag, kwam hij zijn meester te hulp en haalde den geestelijke onder het muildier weg. Dit richtte zich nu vanzelf op, en de geestelijke heer werd er op geholpen. Voordat hij wegreed, verzocht Don Quichot hem, zijne broeders weder bijeen te roepen en hun in zijn naam vergiffenis te vragen voor het kwaad, dat hij hun bij vergissing had aangedaan. En Sancho Panza voegde er bij:
“En als uwe vrienden weten willen, wie hen zoo deerlijk toegetakeldheeft, zeg hun dan, dat het Don Quichot van La Mancha, de Ridder van de Droevige Figuur, is geweest.”
Hierop reed de geestelijke weg, en nu vroeg Don Quichot zijn schildknaap, hoe die er toe gekomen was, hem den Ridder van de Droevige Figuur te noemen.
“Dat zal ik u zeggen, gestrenge heer,” zeide Sancho Panza. “Kijk, toen ik u bij het licht van de fakkels zoo eens terdeeg goed bekeek, moest ik bij mijzelf zeggen, dat gij wezenlijk de jammerlijkste en droevigste figuur zijt, die ik nog ooit van mijn leven gezien heb. Dat komt denkelijk wel van het gevecht, waarin gij veel moet geleden hebben, of misschien ligt het ook daaraan, dat gij zoo’n geduchte vracht kiezen en tanden zijt kwijtgeraakt.”
“Neen, dat is het zeker niet,” antwoordde Don Quichot. “Maar wat ook de reden mag wezen, ik wil den bijnaam, die u toevallig in den mond kwam, behouden en mij ten eeuwige dage den Ridder van de Droevige Figuur noemen. Om dien naam met volle recht te dragen, wil ik eene recht treurige figuur op mijn schild laten schilderen.”
“Die kosten kunt gij sparen, heer ridder,” zei Sancho Panza. “Als gij maar uwe eigene figuur laat zien, kunt gij verzekerd wezen, dat de heele wereld u dadelijk voor den Ridder van de Droevige Figuur zal houden. Twijfel niet aan mijn zeggen, want ik verzeker u, dat de honger en ’t verlies van die tanden u zoo’n jammerlijk aanzien gegeven hebben, als men zich met mogelijkheid verbeelden kan.
Don Quichot lachte om Sancho’s dol zeggen, maar bleef er toch bij, dat hij dien bijnaam aannemen wou en op zijn schild eene droevige figuur doen schilderen. Sancho liet hem nochtans geen tijd, om daar lang over na te denken, maar drong er op aan, dat men de reis zonder tijdverlies voortzetten zou.