Hoofdstuk XX.Het avontuur met het houten paard.Eenige dagen verliepen, zonder dat met onze beide helden iets bijzonders was voorgevallen. Op de vraag van de hertogin aan den schildknaap, of hij met het werk zijner zelfkastijding al begonnen was, antwoordde Sancho toestemmend.“En waarmee hebt gij uzelf de slagen toegedeeld?” vroeg zij verder.“Wel, hier met mijn hand,” antwoordde hij.“Ei,” sprak de hertogin, “dan zijn de slagen zeker wat heel zacht uitgevallen, en ik twijfel zeer, of de gestrenge heer Montesinos daar wel mee zal tevreden zijn. Gij moet eene stevige geeselroede of een dik touw met knoopen nemen, daar voor de verlossing van eene zoo uitstekende en schoone dame wel wat pijn mag worden geleden.”“Nu, als ’t knijpt en weer knijpt, mevrouw, geef mij dan eene roe, zooals ’t hoort, en dan wil ik mijzelf daarmee kwispelen, als ’t niet te erg zeer doet. Maar uwe doorluchtigheid mag vrij gelooven—schoon ’k maar een boer ben, zoo is mijn huid toch even gevoelig als ’t vel van den besten edelman, en mijzelf erg te pijnigen is volstrekt mijn plan niet.”“Goed, goed!” zei de dame lachend; “ge zult morgen eene roe hebben, die net voor je past en je de teêre huid niet al te erg zal havenen.”Met deze toezegging stelde Sancho zich tevreden.Eenige dagen daarna zaten de hertog en de hertogin na afgeloopen maaltijd met hunne beide gasten in den tuin en spraken over beroemde ridders van vroeger en later dagen, toen men op eens den schellen, gillende toon van eene fluit en het dof gerommel van eene oude trom vernam. Geen van allen wist eerst, wat van deze vreemde en onwelluidende muziek te denken, en Don Quichot werd zoo onrustig, dat hij op zijn stoel heen en weer schoof en van verlangen brandde, om te weten, welk nieuw avontuur hier voor hem aanstaande was. Sancho zat, als gewoonlijk, weer zoo in angst, dat hij zich zoo dicht mogelijk bij de hertogin hield en gaarne onder de plooien van haar lang sleepkleed zou zijn weggekropen.Terwijl zij met gespannen verwachting naar de treurige en zwaarmoedige tonen van die muziek luisteren, traden aan het andere eind van den tuin twee mannen in rouwkleederen binnen, welke laatste zoo lang waren, dat zij ruischend op den grond nasleepten.Die mannen sloegen op trommen, die insgelijks met zwart rouwfloers behangen waren. Aan hunne zijde stapte een pijper, en dicht achter hen volgde een reusachtig lang man, van top tot teen in het zwart gekleed en met een sleep, die ter breedte van wel ruim tien el het stof van den grond wegveegde. Over zijn kleed droeg hij aan een gordel van zwart leder een verbazend groot zwaard met zwarten greep en zwarte scheede, en zijn gezicht was met een zwarten sluier bedekt, door welken een dichte, lange, sneeuwwitte baard heenschemerde. Met deftig afgemeten passen trad hij nader en zette de voeten telkens naar de maat der trommen neer. Zijne reusachtige figuur, zijne vreemde kleedij en fiere houding brachten allen in de grootste verbazing.Na den tuin doorgegaan te zijn, trad hij regelrecht op den hertog toe, die hem met de overigen staande opwachtte, wierp zich aan diens voeten neer en wilde met zijne toespraak beginnen, toen de hertog hem beduidde, dat hij geen woord aanhooren zou, indien hij niet dadelijk weer opstond. De reus rees dus weder overeind, sloeg zijn sluier op en vertoonde zijn gezicht, dat met den diksten, langsten en witsten baard versierd was, dien ooit een menschelijk oog had aanschouwd.“Doorluchtigste heer en hooge gebieder,” begon hij met eene stem, die zwaar en diep als het rollen van den verren donder uit zijne breede borst kwam, “mijn naam is Trifaldin met den witten baard, en ik ben stalmeester van de gravin Trifaldi, die met anderen naam ook Dueña Dolorida genoemd wordt. Op last van haar verschijn ik, om uwe hoogheid een genadig gehoor te verzoeken, en om te vernemen, of zich hier op het slot ook de dappere en nooit overwonnen ridder Don Quichot van La Mancha ophoudt, om wiens wille mijne meesteres uit haar koninkrijk Candaya hierheen is gekomen. Zij wacht aan de poort van dit slot en verlangt slechts uwe vergunning, om binnen te komen en u haar ongehoord ongeluk mee te deelen.”“Mijn waarde stalmeester Trifaldin met den witten baard,” antwoordde de hertog, “wij kennen sinds lang al het ongeluk van uwe meesteres, de gravin Trifaldi, die alleen door de kunstenarijenvan snoode toovenaars Dueña Dolorida genoemd wordt. Meld haar, dat wij haar wachten, en dat zij hier ook den dapperen en vermaarden ridder van La Mancha zal vinden, van wiens grootmoedige gezindheid zij veilig alle bescherming en bijstand mag hopen.”Bij het vernemen dier blijde tijding boog de stalmeester Trifaldin tot afscheid de knie, wenkte trommelaars en pijper en verwijderde zich met dezen, even deftig en plechtstatig, als hij gekomen was. Korten tijd daarna verschenen twaalf in ’t zwart gekleede dames in den tuin en naderden twee aan twee op de maat van de muziek. Achter haar ging de gravin Trifaldi aan den arm haars stalmeesters. Een zwart kleed golfde om hare leden en drie edelknapen volgden haar, die haar den sleep nadroegen.In de nabijheid van het hertogelijk paar gekomen, schaarden de twaalf dames zich in twee rijen, tusschen welke de gravin doorging, om zich den hertog te voet te werpen, wat deze natuurlijk wist te verhinderen. Hierop sprak zij met eene eer grove en mannelijke dan fijne vrouwenstem de volgende woorden:“Doorluchtige heer, eene ongelukkige nadert u, om uwe bescherming in te roepen, die zij meer dan iemand anders ter wereld noodig heeft. Voordat ik u echter mijn ongeluk vertel, zou ik gaarne weten, of de wereldvermaarde en dappere leeuwenridder hier is en zijn getrouwen schildknaap Sancho Panza bij zich heeft.”“Hier is Sancho Panza,” riep deze, nu weer moedig voor den dag springend, “en hier is ook mijn heer, de vreeselijkste en dapperste ridder, die ooit op twee beenen stond. Zeg, wat gij begeert, betreurenswaardige jonkvrouwe Dolorida. Wij zijn steeds bereid, ongelukkigen te helpen en verongelijkten recht te verschaffen.”Voordat de dame hierop antwoorden kon, trad Don Quichot toe en zeide:“Indien uw leed zich van den arm en de kracht eens dolenden ridders eenige hoop op verzachting durft beloven, dan staat hier Don Quichot van La Mancha, over wien gij vrij beschikken kunt, zoo gij zijne diensten verlangt. Laat mij dus zonder verwijl de geschiedenis van uw ongeluk vernemen.”De dame wilde den dapperen ridder de knieën omhelzen; dochhij liet dat niet toe, maar verzocht haar bij herhaling, de oorzaak van haar leed mee te deelen.Zoo vernam hij dan, dat een schandelijke reus en toovenaar, Malambruno geheeten, haar van hare heerlijkheid beroofd en haar zelve met al hare hofdames op de afschuwelijkste wijze misvormd had door hare gladde blanke gezichten met ruige borstels te bedekken.Op een wenk der gravin sloegen hare gezellinnen hare sluiers op en lieten tronies zien, die dusdanig met dichte baardharen begroeid waren, dat Don Quichot een kreet van verbazing uitstiet en zelfs de hertog en de hertogin zich verschrikt afwendden.“Zie, heer ridder,” sprak gravin Trifaldi, “zóó heeft die kwaadaardige booswicht Malambruno ons toegetakeld. ’t Was ons allen veel liever geweest, als hij ons terstond gedood had en het hoofd afgehouwen. Maar om nu tot de hoofdzaak te komen, moet ik u zeggen, dat niemand buiten u mij helpen kan, daar nergens op aarde meer een ridder van uwe dapperheid gevonden wordt.”“Nu, aan mijn goeden wil zal het niet ontbreken,” antwoordde Don Quichot. “Beveel, wat ik verrichten moet, en uwe wenschen zullen oogenblikkelijk vervuld worden!”“Het eenige bezwaar, dat ons in den weg staat,” sprak de gravin, “is de omstandigheid, dat mijn koninkrijk over de vijfduizend mijlen van hier verwijderd ligt. Zoo gij echter, waaraan ik niet twijfel, moed genoeg bezit, om van eene reisgelegenheid gebruik te maken, die mij ieder oogenblik ten dienste staat, ben ik in een ommezien geholpen. Ik bezit namelijk het houten paard, waarop de dappere Pierres de schoone Magalona ontvoerde. Het wordt bestuurd door een kruk, die voor op den kop en ten volle de diensten van een teugel doet, en daarbij vliegt het met eene lichtheid en snelheid door de lucht, alsof de duivel zelf het medevoerde. Dit paard is, volgens echte oorkonden, door den grootmeester van alle toovenaars, den grooten Merlin, vervaardigd, die het aan zijn vriend, den dapperen Pierres ten geschenke gaf. Na dien held heeft niemand het meer bestegen, wijl ieder vreest er de lucht mee in te gaan. Evenwel is het het makste en beste dier van de wereld. Ineen ommezien brengt het zijn berijder in de verst verwijderde werelddeelen, en heeft daarbij het voordeel, dat het noch eet, noch drinkt, noch slaapt, noch ook zijne hoefijzers afslijt. Voor ’t overige heeft het zulk een aangenamen en lichten gang, dat men, terwijl men door de lucht vliegt, een boordevolle kom water in de hand kan houden, zonder een droppel te morsen. Dit was de reden, waarom de schoone Magalona het ook zoo gaarne bereed.”“Nu, wat een zacht en rustig draven aangaat,” zei Sancho, “heb ik zelf een grauwtje, dat het tegen alle telgangers van de wereld opneemt. Zijn eenige fout is maar, dat hij niet door de lucht kan vliegen.”Allen lachten over Sancho Panza’s dwaze aanmerking, en de gravin ging voort:“Zoo gij bereid zijt, heer ridder, mijne wenschen te vervullen en u aan dat wonderdadig ros toe te vertrouwen, dan zal het zich op mijn wenk een half uur voor den donker in ons midden bevinden.”“Hoeveel menschen nemen dan plaats op dat paardje?” vroeg Sancho.“Niet meer dan twee,” antwoordde jonkvrouwe Dolorida, ook gravinne Trifaldi geheeten: “Één in den zadel en de ander achterop.”“Ik ben benieuwd, wat naam dat beest heeft,” vroeg Sancho Panza. “Weet gij mij dat ook te zeggen?”“Zijn naam is niet zoo hoogdravend als Pegasus of Bucephalus, of Orelia, maar ’t is een doodeenvoudige, schoon bijzonder passende naam. Het heet Krukhout de Gevleugelde, omdat het van hout is, omdat het door een kruk bestuurd wordt en omdat het in vlugheid door geen schepsel ter wereld wordt overtroffen.”“Ei, die naam is zoo kwaad niet en bevalt mij bijzonder goed,” verklaarde Sancho. “Maar waar is de toom of halster, waardoor ’t geregeerd wordt?”“Ik heb al gezegd, dat die kruk zijn teugel is,” antwoordde de gravin Trifaldi. “Al naarmate de ridder, die het berijdt, die kruk draait, gaat het paard hoog in de lucht op of daalt weer naar de aarde neer, houdt rechts of links, of rechtuit.”“Dat moet dan al een bijzonder knap dier wezen en ’k ben verlangend, het eens te zien,” zei Sancho. “Als men zich evenwel verbeeldt, dat ik daar achterop zal kruipen, dan slaat men den bal glad mis en verwacht peren van den olijfboom. Dat zou me wat moois wezen! Ik, die mij pas op den zadel van mijn grauwtje kan houden, die toch goed gevuld en zoo week als een kussen is, zou op de harde houten bonken van een beest gaan zitten, dat met mij de lucht ingaat, zonder dat ik weet, of het ooit weer op aarde te land zal komen! Neen, neen, voor zoo’n reisje bedank ik!”“Weest gerust, mijne heeren en dames!” zeide Don Quichot, die elk woord van zijn schildknaap verstaan had. “Ik vertrouw zeker, dat Sancho mij in alles gehoorzamen zal. Had ik den reus nu maar hier! Waarachtig, ik zou hem den kop van den romp houwen, voordat hij drie kon tellen.”“Geduld, edele ridder, nog korten tijd,” zeide de gravin Trifaldi. “Zoodra de avond komt, zal ook het ros verschijnen, en gij kunt het dan terstond bestijgen. Dan zal ook mijne ellende haar einde nabij zijn; mijn baard met al de baarden mijner dames zullen spoorloos verdwijnen, en wij allen zullen u, heer ridder, eeuwige erkentelijkheid verschuldigd zijn.”Zeer spoedig kwam de avond en dus ook de tijd, dat het vliegend paard moest verschijnen. Don Quichot wachtte het met levendig ongeduld en wilde daaraan reeds in woorden lucht geven, toen op eens vier wilde, met groen klimop in plaats van met kleederen bedekte mannen in den tuin traden en een plomp houten paard op hunne schouders droegen. Zij zetten dat in de nabijheid van den ridder behoedzaam op den grond, en een hunner sprak met machtige stem: “Wie moed voelt, die bestijge den Gevleugelden Krukhout.”“Nu, ik voor mijn part heb geen moed, en zal hem dus niet bestijgen,” verklaarde Sancho op stelligen toon.“Wanneer de ridder, die dit ros bestijgt,” ging de met klimop bekleede man voort, “een schildknaap in zijn gevolg heeft, dan moet deze achterop stijgen en zijn meester vergezellen. Hij kan daarbij zonder vrees zijn, want hem zal in het minst geen kwaad overkomen. De ridder heeft niets te doen, dan aan de kruk tedraaien, die aan den hals van het paard is aangebracht, en dan zal hij zonder verwijl naar de plaats worden gedragen, waar Malambruno hem wacht. Opdat echter de ontzettende hoogte, waartoe het paard opstijgen zal, de ruiters niet duizelig make, moeten zij zich de oogen laten blinddoeken en mogen zij dien doek niet afdoen, voordat het paard luid begint te brieschen. Dit is het teeken, dat de tocht volbracht is en de ruiters hun doel hebben bereikt.”Na deze woorden bogen zich de mannen in klimop en verwijderden zich met haastigen tred. Dolorida of gravin Trifaldi echter keerde zich met tranen in de oogen tot den ridder en sprak:“Daar, dapperste aller ridders, is nu Krukhout de Gevleugelde, en niets ontbreekt meer om mij gelukkig te maken, dan dat gij met uw schildknaap opstijgt en met vroolijk harte den tocht onderneemt.”“Dat zal geschieden, edele vrouwe,” antwoordde Don Quichot, “dat zal geschieden met vroolijk harte en met den besten wil, om uw wreker te worden en u uwe vroegere schoonheid terug te verschaffen.”“Dan wensch ik u goede reis en behouden overtocht, edele heer,” zeide Sancho Panza. “Ik voor mij zal wel oppassen, dat ik mij niet in zulk een gevaar begeef, en bedank er voor, daar achter op dat harde hout te zitten. Ik blijf, waar ik ben, of als ik meega, wil ik de reis op mijn eigen grauwtje doen.”“Sancho Panza,” sprak hierop de hertog op bestraffende toon, “zoo gij uw heer in de ure des gevaars in den steek laat, reken dan niet, dat gij ooit eene stadhoudersplaats van mij krijgt. Vergezelt gij hem echter, gelijk dat een rechtschapen schildknaap betaamt, dan zal het stadhouderschap van mijn eiland Barataria uw loon zijn en kunt gij verzekerd wezen van mijne voortdurende gunst en goedwilligheid. Twijfel niet aan de waarheid dezer verzekering, maar wees overtuigd, dat wat ik zeg ernstig gemeend is.”“Goed, goed, doorluchtige heer,” zeide Sancho, op wien het beloofde stadhouderschap dadelijk krachtig werkte. “Ik ben een arme schildknaap en kan anders niet, dan voor uwe genade dankbaar zijn en uwe bevelen gehoorzamen. Laat mijn meester opstijgen,laat mij een doek voor de oogen binden, en zeg mij, of ik op onze gevaarvolle reis den hemel en de hertogin aanroepen en hun krachtigen bijstand vragen mag.”“Gerust, gerust moogt gij dat doen, vriend Sancho,” sprak Trifaldin, de stalmeester. “’t Is niet aan de tooverkracht des duivels en der helsche geesten, waaraan gij u toevertrouwt, maar ’t is eene eerlijke en behoorlijke tooverij, waartegen de goede geesten niets inbrengen kunnen.”“Nu welaan, dan ben ik bereid,” zeide Sancho, niet zonder eene zachte trilling in zijne stem.“Waarlijk,” sprak Don Quichot, “ik kan mij niet herinneren, mijn schildknaap, behalve bij dat gedenkwaardig avontuur met de molens, ooit zoo vreesachtig te hebben gezien, als heden, en indien ik maar wat bijgeloovig was, zou ik dien angst voor een slecht voorteeken houden. Maar kom eens hier, Sancho! Ik heb u een paar woorden onder vier oogen te zeggen.”Sancho kwam bij hem, en beiden gingen een weinig bezijden af in een boschje. Hier vatte de ridder zijn schildknaap bij beide handen en sprak:“Waarde vriend Sancho, wij hebben, zooals gij weet, een verren tocht te doen en het is onzeker, hoe lang wij uitblijven zullen. Daarom wensch ik zeer, dat gij terstond in uwe kamer gaat en u daar vóór ons vertrek nog een vijfhonderd of duizend slagen van de drie duizend en drie honderd toedient, die tot onttoovering van mijne gebiederes Dulcinea van Toboso noodig zijn. Wat gedaan is, is gedaan, en gij zult er mij bijzonder door verplichten. Frisch aan het werk dus, mijn vriend, want uitstel leidt tot afstel en uw woord houden moet gij toch.”“Zoo waar ik leef, heer, ’t is een onverstandig ding, dat gij daar van mij vergt,” antwoordde Sancho. “Hoe kunt gij verlangen, dat ik mijne krachten ga verzwakken op een tijd, nu ik die zoo bijzonder hoog noodig zal hebben! Waarachtig, ’t is, alsof ge niet goed bij uw hoofd zijt. Laat ons eerst de gevaarlijke reis volbrengen, en wees dan verzekerd, dat ik mijn uiterste best zal doen, om den tijd der betoovering voor u af te korten. Ik zal mij dan zoo vlugen handig van mijne verplichting zoeken te kwijten, dat gij in de hoogste mate tevreden zult wezen.”“Nu goed, vriend Sancho, ik wil op uwe belofte vertrouwen,” antwoordde Don Quichot.“Ik ben van uwe waarheidsliefde zoo volkomen overtuigd, dat ik niet aan uwe woorden twijfelen wil. Kom dan weer mee bij de overigen, en wij willen ons gereedmaken tot ons vertrek.”Zij keerden terug, en nu zou het vliegend paard terstond bestegen worden.“Bind u nu een doek voor de oogen, Sancho,” zeide Don Quichot. “Wij moeten stiptelijk volbrengen, wat men van ons verlangt.”“Ja, ja, maar doe gij dat maar eerst,” sprak de schildknaap, “Als ik achter zal zitten, dient gij natuurlijk eerst op te stijgen, en dus heb ik tijd tot gij zelf klaar zijt.”Don Quichot zag het gegronde dezer aanmerking in, haalde zijn zakdoek te voorschijn en verzocht de gravin Trifaldi, hem dien voor de oogen te binden. Zij deed dat zonder tegenspraak, en nu werd de ridder op den houten rug van het tooverpaard getild. Toen hij vast zat, onderzocht hij de kruk aan den hals en bevond, dat die zich uiterst gemakkelijk liet omdraaien en bewegen. Daar de ridder geen stijgbeugels had, hingen zijne magere beenen steil naar beneden en had hij veel van de figuur, welke men wel soms op oude behangsels ziet en die een Romeinschen triumphator moet voorstellen.Sancho volgde langzaam en met kennelijken tegenzin het voorbeeld zijns meesters en zocht het zich op het achterdeel van het paard zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Hij vond dat evenwel zoo hard, dat hij den hertog bad, hem toch een sprei of kussen te doen brengen, daar hij de bezwaarlijke reis anders onmogelijk zou kunnen uithouden. De gravin Trifaldi antwoordde, dat aan dit verzoek op geene wijze kon voldaan worden, omdat het in Krukhouts aard lag, dat hij niet de minste bedekking kon verdragen. Om meer gemak te hebben, moest hij dan maar zoo gaan zitten, als vrouwen doen, wat hem zeker wel eenige verlichting zou aanbrengen.Sancho Panza volgde dezen raad, nam afscheid van de omstanders en bond zich den doek voor de oogen. Terstond daarna maakte hij dien echter nog eens weer los, keek met tranen in de oogen rond en verzocht al de achterblijvenden, dat zij toch om hem zouden denken en zijn grauwtje goed verzorgen.“Lafhartige kerel!” riep Don Quichot hem hierop toe, “staat gij dan al onder de galg of ligt gij op uw uiterste, dat gij de menschen hier met zulke vragen lastig valt? Bind gauw den doek weer vast en leuter niet van gevaar, zoolang gij u in mijne tegenwoordigheid bevindt.”Brommend en pruttelend bond Sancho Panza zich nogmaals den doek voor, en toen Don Quichot merkte, dat alles in orde was, greep hij naar de kruk en draaide die rond op de wijze, die hem was opgegeven. Op ’tzelfde oogenblik verhieven de omstanders hunne stemmen en riepen hem na:“God geleide u, dapperste aller ridders, met u, onverschrokken schildknaap! Ha, wat vliegen zij! Dat snort als een pijl door de lucht! Een mensch wordt duizelig alleen van ’t gezicht! Houd u vast, Sancho, en pas op, dat ge niet valt, want ge zoudt in duizend stukken op den grond komen.”Sancho verstond elk woord, dat hem werd toegeroepen, en klemde zich vol zielsangst vast, waartoe hij beide armen om zijn heer sloeg.“Hoe zou het toch wel zoo wezen, heer,” vroeg hij, “dat wij alles verstaan, wat die daar beneden ons toeschreeuwen, ofschoon wij nu toch al zoo hoog in de lucht vliegen? ’t Is net, alsof ze nog dicht om ons toe stonden.”“Breek daar uw hoofd niet mee,” antwoordde de ridder. “Daar deze luchtvaart zoo geheel buiten het bereik der gewone dingen ligt, zoo moet gij op duizend mijlen afstands kunnen hooren en zien, wat ge maar verkiest. Maar pak mij niet zoo vast, of ge zult mij nog van het paard trekken. Wat zijt ge toch bang en flauwhartig! Ik begrijp volstrekt niet, hoe ge u zoo angstig maakt, daar ik zeggen moet, nog nooit een dier bereden te hebben, dat zachter gang heeft. ’t Is waarlijk, of we heel niet van de plaats kwamen.Onderdruk uwe vrees dus, mijn vriend, en vertrouw, dat alles goed af zal loopen. De wind is ons gunstig en blaast ons frischin denrug.”“Ja, dat is zoo,” erkende Sancho; “ik voel zoo’n koelte in mijn zij, alsof ’k den wind uit duizend blaasbalgen kreeg.”Sancho Panza had het rechte woord getroffen, want inderdaad waren ’t een paar groote blaasbalgen, die hem van frissche lucht in overvloed voorzagen. De hertog had alles zoo goed ingericht, dat zelfs de elementen meewerken moesten om de luchtreizigers in hun waan te versterken.Don Quichot, die ook zijn deel van de aanblazing gehad had, nam na eene poos het woord weer en zeide tegen Sancho: “wij moeten nu spoedig de tweede luchtlaag bereiken, waar de donders rollen en de bliksems als vurige slangen heen en weer schieten, en eindelijk, als wij al hooger en hooger klimmen, komen wij in het luchtgebied van het vuur. ’t Is leelijk, dat ik niet weet, hoe de kruk te draaien om ons zoo ver van dat gebied te houden, dat wij niet verbranden.”Terstond wenkte de hertog nu eenige dienaren, en men warmde de gezichten der luchtreizigers door middel van eenige bossen vlas, die, aan stokken gebonden, licht vuur vatten en ontvlamden, en ook even gemakkelijk waren uit te dooven.“Ik laat mij villen,” zei Sancho, toen hij die hitte op zijn lichaam bespeurde, “als wij niet al midden in dat vuurgebied of er althans heel dicht bij zijn. Mijn gezicht gloeit als vuur en ’t zou wel goed wezen, dat ik mijn blinddoek eens afnam, om te zien, op wat hoogte we eigenlijk zijn.”“Doe dat vooral niet!” waarschuwde Don Quichot. “Denk aan de historie, die eens met zekeren pastoor Torralva is voorgevallen. De duivels voerden hem op een bezemstok door de lucht mee en hij moest, als wij, zijne oogen toehouden. Binnen de twaalf uren kwam hij naar Rome en werd in de straat Torre de Nona neergezet, zag het tumult eener belegering, en was den volgenden morgen al weer in Madrid, waar hij alles vertelde, wat hij gezien had. Onder weg, zoo verklapte hij, hadden de duivels hem bevolen, de oogen te openen, en toen was hij zoo dicht bij de maan geweest,dat hij haar wel met de hand betasten kon. Maar naar de aarde had hij niet durven kijken, uit vrees van duizelig te worden en naar beneden te tuimelen; en daarom, Sancho, mogen ook wij onze blinddoeken niet afnemen. Misschien komen wij zoetjes aan wel zoo hoog, dat wij plotseling op het koninkrijk Candaya neervallen kunnen, als een valk op zijn prooi. In allen gevalle is Krukhouts vlucht van verbazende snelheid, en ofschoon wij nog pas een half uur uit den tuin weg zijn, kunt gij er staat op maken, dat wij reeds honderden mijlen achter den rug hebben.”“Hoe het daarmee is, weet ik niet,” bromde Sancho Panza; “maar wel weet ik, dat jonkvrouwMagalona, als ze ’t hier op mijne plaats kon uithouden, zeker vrij grof van huid en van ledematen is geweest.”Al deze woorden werden door het gezelschap in den tuin duidelijk verstaan, en men vermaakte zich er natuurlijk niet weinig mee. Om echter aan de klucht een einde te maken en heel het vreemde, kunstig aangelegde avontuur met een luisterrijk slot te kronen, werd thans aan Krukhouts staart eene brandende lont vastgemaakt. Daar spatte nu de gansche buik van het holle paard met schrikbarend geknetter en gekraak uiteen en deed den dapperen held en zijn schildknaap half verzengd en geheel bedwelmd en verbijsterd op den grond tuimelen. Van dit oogenblik maakten de gravin Trifaldi en hare medebaarddraagsters, de twaalf dames, met de meeste verdere toeschouwers haastig gebruik om zich uit de voeten te maken, zoodat zij uit den tuin verdwenen waren, voordat de gefopten weer uit hunne bedwelming ontwaakten. De overigen wierpen zich op den grond en hielden zich, alsof zij ook in onmacht lagen.Toen Don Quichot en Sancho na eenigen tijd weer bijkwamen en zich vrij wat gekneusd en gehavend van den grond oprichtten, keken zij vol bevreemding naar alle kanten rond, daar zij bemerkten, dat zij zich in denzelfden tuin bevonden, waaruit zij waren opgestegen, en hunne verbazing klom nog, toen zij eenige personen als dood op den grond zagen liggen. Eindelijk zag Don Quichot aan het eind van den tuin eene lange lans staan, waaraan, met zijden snoeren vastgemaakt, een groot blad wit perkament hing. Hij gingdaarop toe en ontdekte op het perkament een opschrift in gouden letters, van den volgenden inhoud:“De groote en wereldberoemde ridder Don Quichot van La Mancha heeft het gevaarvolle avontuur ter gunste van de gravin Trifaldi bestaan alleen reeds door de bedoeling, om het te volbrengen. De gravin en hare dames zijn van hare baarden bevrijd, Malambruno is dood, en de heerschappij over het koninkrijk is aan de rechte handen teruggegeven. Zoodra de schildknaap Sancho Panza zijne zelfkastijding volbracht heeft, zal ook de schoone Dulcinea hare vroegere gedaante weder aannemen en in de armen van haren dapperen ridder en bevrijder snellen. Aldus spreekt Martino, de machtigste aller toovenaars.”Na het lezen van dit opschrift was Don Quichot zeer verheugd, met zoo gering gevaar eene zoo roemvolle daad verricht te hebben, en zijn hart klopte hoorbaar bij de gedachte, dat hij zijne verhevene Dulcinea thans wellicht spoedig onttooverd zou zien. Evenwel herstelde hij zich spoedig, bedwong zijne verrukking en trad op den hertog en de hertogin toe, die schijnbaar nog altijd in diepe onmacht op een groen grasperk lagen uitgestrekt.“Op, op, doorluchtige heer!” riep hij, de rechterhand des hertogs grijpend en duchtig schuddend. “Op, heer, en wees goedsmoeds! Het avontuur is gelukkig volbracht, zonder iemand schade gedaan te hebben, gelijk gij uit dat getuigschrift daar aan die lans met eigen oogen zien kunt.”De hertog richtte zich langzaam op en nam den schijn aan, alsof hij uit een diepen slaap ontwaakte. Evenzoo deden de hertogin en de overigen, en allen hielden zich zoo verbaasd, alsof zij van al het voorgevallene geen sikkepitje wisten. Met nog half gesloten oogen las de hertog het gouden opschrift, dat hij zelf had opgesteld, en viel toen Don Quichot om den hals, hem met gelukwenschingen overstelpend en hem wel honderdmaal verzekerend, dat hij de beste ridder was, dien het aardrijk nog ooit had gedragen.Sancho Panza vroeg intusschen naar de gravin Trifaldi en haar gevolg, en hoorde tot zijne verwondering, dat de geheele schaar verdwenen was op ’t zelfde oogenblik, toen het vliegend luchtpaardkwam aansuizen en brandend op de aarde was neergevallen.De hertogin vroeg den schildknaap, wat hem op zijne luchtreis al zoo was overgekomen.“Dat wil ik u van stukje tot beetje vertellen, doorluchtige mevrouw,” antwoordde Sancho. “Toen ik voelde, dat wij door de vuurstreek vlogen, vroeg ik mijn meester, of ik den blinddoek niet wat los mocht maken; maar die verbood mij dat. Daar ik evenwel zoo erg nieuwsgierig was, lichtte ik den doek toch zoo’n beetje op en keek door de opening bij mijn neus langs naar de aarde. Van de ontzettende hoogte, waar wij met de snelheid van den razendsten stormwind voortdreven en waar de bliksemstralen ons maar zoo om de ooren sisten, leek zij mij niet veel grooter dan een mosterdkorrel toe en de menschen, die er op omkrabbelden, leken mij pas zoo groot als een walnoot. Daaruit kunt gij opmaken, tot wat hoogte wij ’t al gebracht hadden.”“Maar, vriend Sancho,” zei de hertogin met een ernstig gezicht, schoon zij moeite had om haar lachen te verbijten, “als de aarde u maar zoo groot als een mosterdkorrel toescheen, maar de menschen zoo groot als een walnoot, dan moest immers één mensch de geheele aarde bedekt hebben?”“Dat zou men wel haast zoo zeggen,” antwoordde Sancho; “maar toch stak er een tipje van uit, en ik zag haar heelemaal.”“Sancho, dat is niet mogelijk,” verklaarde de hertogin. “Als men maar een tipje ziet, kan men onmogelijk het geheel zien.”“Och, ik kan met eene zoo verstandige en voorname dame niet redetwisten,” antwoordde de schildknaap; “maar bij dit alles moet gij toch in aanmerking nemen, dat hier overal tooverij bij in ’t spel kwam, dat wij met tooverij door de lucht vlogen, en dat ik door tooverij de heele aarde zien kon, van wat plaats ik ook uitkeek. Indien gij evenwel dit niet gelooft, dan gelooft gij misschien ook niet, wat mij nog later is overkomen. Kijk, uwe doorluchtigheid, toen ik de oogen opsloeg, streken wij al zoo dicht bij den hemel langs, dat ik hem haast met de handen aanraken kon. Hij is ontzettend groot, als men hem zoo van nabij ziet. Verder wou ’t geval, dat wij in de buurt van het zevengesterntekwamen, en daar ik in mijne jeugd geitenherder ben geweest, kreeg ik lust, om eens eventjes die zeven geitjes toe te spreken. ’t Hing er maar van af, of ik kans zou zien, om van Krukhout te komen. Wat doe ik eindelijk? Ik draai de kruk om, zonder dat mijn heer er iets van merkt; ons paard staat doodstil; ik wip er af, en houd met de geitjes een praatje van wel drie kwartier en sprong toen weer achter mijn heer op, zonder dat Krukhout in al dien tusschentijd een poot verzet had.”“Maar wat deed Don Quichot zoolang? Zeg, edele heer, hoe hebt gij u den tijd gekort?” vroeg de hertog.“Daar ik van al de dingen, die Sancho Panza gezien wil hebben, niets merkte, kan ik er ook niets van zeggen. Ik heb mijn doek geen oogenblik verschoven en dus hemel noch aarde, zee noch land gezien. Wel bemerkte ik, dat wij de streek der winden door en nabij de streek des vuurs kwamen; maar dat wij het veel verder gebracht hebben, kan ik bezwaarlijk gelooven. In aanmerking nemende, dat wij niet zonder tot asch te verbranden tot in den hemel, waar de Zeven Geitjes zijn, konden komen, moet ik zelfs denken, dat Sancho Panza òf gedroomd òf, wat nog veel erger is, schandelijk gelogen heeft.”“Daar kan men licht de proef van nemen,” zeide Sancho Panza met onverzettelijke onbeschaamdheid. “Men heeft mij maar te vragen, hoe de geitjes er hebben uitgezien. Geef ik onvoldoende antwoorden, maak mij dan maar voor een droomer en een leugenaar uit.”“Kom, beschrijf ons die geiten dan eens; we zijn nieuwsgierig,” zeide de hertogin.“Goed,” antwoordde Sancho. “Twee er van zijn groen, twee rozerood, twee hemelsblauw en een is bontgevlekt.”“Ei, dat moeten dan wel vreemde geiten zijn,” zeide de hertogin. “Bij ons te lande komen ze zoo niet voor en heb ik althans ze nooit in die kleuren gezien.”“Ik voor mijn part vind het heel natuurlijk, dat tusschen de geiten des hemels en de geiten der aarde een beetje onderscheid bestaat,” meende Sancho.“Maar zeg eens, Sancho, hebt gij onder die geiten ook een bok gezien?” vroeg de hertogin.“Neen, mevrouw, en dat zou mij ook verwonderd hebben, want dan liep hij gevaar van met zijne horens aan de horens van de maan vast te raken.”Met dit antwoord had men van de stoute leugens van den braven schildknaap vooreerst genoeg. De hertog had zich met het gansche avontuur kostelijk vermaakt en het had in hem den lust opgewekt om de klucht nog wat verder te laten voortspelen. Voortaan had hij het hoofdzakelijk op Sancho Panza gemunt, die toch eindelijk zijn gehoopt stadhouderschap moest aanvaarden.Hoofdstuk XXI.Sancho Panza op het eiland Barataria.Nadat de hertog zijn plan ontworpen en aan zijne talrijke bedienden de noodige bevelen en aanwijzingen gegeven had, liet hij op een dag, korten tijd na die wonderbaarlijke luchtvaart,Sancho Panza roepen en kondigde hem aan, dat hij zich toerusten en klaar houden moest, om zijne waardigheid als stadhouder te aanvaarden, daar zijne aanstaande onderdanen al zoo naar hem verlangden, als het dorre land naar den Meiregen.Sancho Panza boog zoo diep, dat zijn neus bijkans den grond raakte, en zeide: “Heer, sinds ik tot de Zeven Geitjes opsteeg en daar de aarde zoo klein en nietig aan mijne voeten zag liggen, is de begeerte om stadhouder te worden een weinigje afgekoeld. Indien uwe hoogheid mij een klein brokje hemel verkoos te geven, zouik dat liever nemen, dan het grootste eiland van den aardbodem.”“Vriend Sancho,” antwoordde de hertog, “gij weet wel, dat ik zoo hoog in de lucht over niets te zeggen heb, en dat ik u daar dus ook geen stadhouderschap kan aanbieden. Ik geef u, wat ik in staat ben te geven: een vruchtbaar, kostelijk bebouwd, fraai en volmaakt eiland, waar gij overvloedig gelegenheid zult vinden om u met schatten te verrijken.”“Nu, komaan,” sprak Sancho, “om uwe doorluchtigheid pleizier te doen, wil ik dan zoo’n stadhouder worden; ’t is anders niet eerzucht, die mij aandrijft mijn nederigen stand te verlaten, maar alleen de begeerte om goed te doen en te vernemen, hoe zulk een stadhouderschap eigenlijk smaakt.”“Ei, als ge daar eens van geproefd hebt, zult ge er heel den tijd van uw leven alle tien vingers naar likken,” meende de hertog. “Geen heerlijker ding, dan te bevelen en nergens verzet of weerspannigheid te vinden. Morgen al zult gij op reis gaan, en van avond nog krijgt gij uwe ambtskleeding en wat meer tot uwe uitrusting behoort.”Sancho Panza boog andermaal als een knipmes en ging heen, om aan zijn meester het groote nieuws te verkondigen, dat hem zoo pas was meegedeeld. Don Quichot gaf hem de beste lessen en vermaningen, en Sancho hoorde hem zoo aandachtig aan, dat de ridder van zijn zoo op eens tot eene hooge waardigheid verheven schilddrager de beste verwachtingen opvatte.En nu kwam de dag tot vertrekken en ging Sancho Panza met een talrijk gevolg op weg. Hij droeg de kleeding van een geleerde en daarover een mantel van donkerblauw laken. Op een muildier zat hij, en zijn grauwtje, met splinternieuw tuig en zadel, werd hem nageleid, daar hij van dat trouwe dier onmogelijk kon scheiden. Hij was zoo tevreden en gelukkig, dat hij op dat oogenblik niet met den keizer van China had willen ruilen.Na eene korte reis kwam Sancho Panza met zijn gevolg in een stadje met ongeveer duizend inwoners aan, dat eene der aanzienlijkste bezittingen van den hertog was. Men maakte hem wijs, dat dit het eiland Barataria was; en alhoewel Sancho nog over geen water wasgekomen, zoo nam hij die verzekering toch voor goede munt op en brak er verder zijn hoofd niet mee.Toen hij de poorten der kleine stad naderde, die met een ringmuur omgeven was, kwamen hem raad en overheid plechtig te gemoet, om hem te verwelkomen. De klokken werden geluid, het volk juichte en jubelde, en met veel staatsie werd hij naar de hoofdkerk geleid, om voor zijne verheffing te danken, de sleutels der stad te ontvangen en zich in zijne volle waardigheid den volke te vertoonen.De figuur, de dracht, de geheele houding en de manieren van den nieuwen stadhouder wekten bij allen, die niet in het geheim van den hertog waren ingewijd en dus de geheele ceremonie voor ernst moesten houden, niet weinig verbazing. Nadat de plechtigheid in de kerk was afgeloopen, bracht men hem buiten, deed hem plaats nemen op den rechterstoel, en de huishofmeester van den hertog, die het geheele kluchtspel bestuurde, sprak hem aan als volgt:“Eerwaarde heer stadhouder, het is een overoud gebruik op het eiland, dat ieder, die er bezit van neemt, verplicht is eene vraag te beantwoorden, die zeer moeielijk en ingewikkeld is. Dit gebruik heeft geen andere bedoeling, dan om den bewoners al dadelijk een proefje van de scherpzinnigheid van den nieuwen regent te geven. Uit diens antwoord mogen zij dan opmaken, of zij over zijne aankomst zich te verheugen of wel te beklagen hebben.”“Ei, als dat zoo is, kom dan maar met uwe vraag voor den dag, heer huishofmeester,” antwoordde de nieuwe stadhouder. “Ik wil haar beantwoorden, zoo goed als ik maar kan, en dan moet het volk zelf weten, of ’t lachen of huilen wil.”Op dit oogenblik traden twee mannen in de rechtszaal, van wie de een als boer was gekleed en de ander zich door de groote schaar, die hij in de hand hield, als snijder deed kennen.“Heer stadhouder,” begon deze laatste, “ik en die boer hier komen om eene netelige zaak voor uwen rechtsstoel. Deze goede vriend namelijk kwam gisteren in mijne werkplaats, hield mij een lap laken voor en vroeg mij, of ik kans zag, daaruit eene mutsvoor hem te maken. Ik bekeek het laken van alle kanten, keerde ’t om en om, berekende de lengte en de breedte, en toen zei ik eindelijk: “Ja, dat zou ik wel kunnen.”De nieuwe stadhouder Sancho Panza ontvangt de sleutels der stad.De nieuwe stadhouder Sancho Panza ontvangt de sleutels der stad.“Nu dacht het boertje zeker, dat ik hem een stuk van het laken ontstelen wou of stilletjes in de hel wegmoffelen, en dus vroeg hij mij, of ’t niet mogelijk was, twee mutsen van het stuk te maken.“Ik had dat gauw in den neus, en zei ja. Daarop verlangde de boer al meer mutsen, en al meer, en dat van dit ééne lapje laken, totdat we ’t eindelijk over vijf stuks eens werden, die ik hem beloofde te maken. Voor een uur komt hij bij mij, om ze af te halen, en ik geef ze hem. Maar toen hij nu de mutsen ziet, wil hij mij er geen maakloon voor geven en verlangt zelfs, dat ik hem zijn laken zal betalen of ’t hem heel en gaaf, zooals ’t geweest is, teruggeven.”“En wat hebt gij nu te zeggen, vriendje?” keerde Sancho zich tot het boertje. “Is alles zoo, als de snijder zegt?”“Ja, daar kan ik niets tegen zeggen,” antwoordde de man. “Maar laat u nu eens de vijf mutsen toonen, die de gauwdief gemaakt heeft.”De snijder stak op den wenk van den stadhouder zijne hand onder den mantel en, toen hij die weer voor den dag haalde, zag men vijf mutsjes, die hij op de vijf vingertoppen van zijne hand had gestoken.“Hier is,” zeide hij, “wat die man van mij verlangde, en ’k mag hier door den grond zinken, als ik ook maar een enkelen draad van ’t laken voor mij heb gehouden.”Al de toeschouwers lachten over die onnoozele poppenmutsjes en over heel de kluchtige rechtzaak. Sancho Panza echter dacht een poosje stil na en sprak toen:“Ik geloof niet, dat tot het uitwijzen van deze rechtspraak veel wijsheid en geleerdheid noodig is, en ik beroep mij dus enkel en alleen op het gezonde menschenverstand. Mijn vonnis luidt aldus: “De snijder, omdat hij den boer opzettelijk bij den neus nam, verliest zijn maakloon; maar de boer verliest zijn laken, omdat hij, volgens zijne eigen bekentenis, vijf mutsen heeft besteld. De mutsen echter houd ik tot vergoeding van de rechtskosten.””Deze beslissing verwekte een algemeen gelach; maar men hield zich aan het vonnis van den stadhouder, en de zaak was hiermee afgeloopen.Nauwelijks was weer stilte gevolgd, of daar traden twee oude mannen in de zaal, van wie de een op een dikken rietstok leunde. De ander, die geen stok bij zich had, trad voor en sprak:“Gestrenge heer, voor eenigen tijd leende ik dezen man, uit goedwilligheid en om hem te helpen, tien goudguldens, eenvoudig onder voorwaarde, dat hij mij die som terug zou betalen, zoodra ik die opeischte. Ik liet een geruimen tijd verloopen, voordat ik het mijne terugvroeg. Daar echter de man volstrekt niet aan terugbetaling scheen te denken, sprak ik hem eindelijk aan en verlangde het geleende geld terug. Toen hield hij zich erg boos en hield vol, dat ik hem nooit uit de verlegenheid had geholpen, en al was dat zoo, dan had hij de schuld al lang afbetaald. Nu heb ik noch een getuige, dat ik hem de tien goudguldens leende, noch ook een getuige, dat ik ze weerom kreeg, want hij heeft ze werkelijk niet terugbetaald, en ik verzoek u dus, dat gij den leugenaar den eed moogt afnemen. Als hij zweert, dat hij mij het geld terugbetaalde, dan wil ik daar in ’s hemels naam in berusten.”“Wat zegt gij van dit geval, gij oude met den stok?” vroeg Sancho.“Ei,” antwoordde deze, “ik ontken niet, dat hij mij dat geld geleend heeft, maar ik ben evenzeer bereid, er een heiligen eed op af te leggen, dat ik de tien goudguldens weer in zijne handen gaf en hem dus wis en waarachtig betaalde.”De stadhouder verlangde nu, dat de oude den eed afleggen zou, en deze was daar dadelijk toe bereid.“Houd gij zoolang mijn stok vast,” zeide hij tot den eischer en reikte hem den stok toe. Hierop stak hij zijne rechterhand op en legde den verlangden eed af, dat hij de tien goudguldens in de handen van zijn schuldeischer had teruggegeven.“Nu welaan,” zeide de eischer, “dan moet mijn zwak geheugen mij bedrogen hebben, en ik wil mij dus tevredenstellen.”De beschuldigde nam zijn stok weder aan en beide partijen verlieten de gerechtszaal.Toen nu Sancho het bescheiden gedrag en de toegevendheid van den een en de onbeschaamdheid van den ander bemerkte, liet hij zijn hoofd op de borst zakken, legde den wijsvinger aan den neus en dacht een oogenblik na. Op eens richtte hij zich op, wierp het hoofd in de hoogte, alsof hij een licht zag opgaan, en beval, dat men de partijen terstond terug zou roepen. Men bracht hen dus weder in de zaal, en Sancho sprak:“Hoor eens, oude met den stok, geef mij dien rotting eens eventjes hier.”“Met genoegen,” zei de man en gaf den stok over.Sancho nam dien, reikte hem den eischer toe en zeide tot dezen: “Ga nu in vrede, want thans zijt gij in waarheid betaald.”“Hoe zoo dat?” vroeg de man verwonderd. “Dit ding is toch geen tien goudguldens waard?”“Dat is het wel,” sprak Sancho, “of zeg anders, dat ik een ezel en een stommerik ben. Ziet toe, menschen, en oordeelt, of ik verstand genoeg heb, om uw stadhouder te blijven. Breek me dien stok eens midden door.”De stok werd in tweeën gebroken, en tot verbazing van alle verzamelden bleek, dat hij van binnen hol was en de tien goudguldens bevatte, waarover men twist had gevoerd. Iedereen verwonderde zich en hield Sancho Panza voor een tweeden Salomo in wijsheid. Men vroeg hem, hoe hij op de gedachte was gekomen, dat het geld in den rotting kon wezen.“Dat zal ik u vertellen,” antwoordde hij. “Toen die bedrieger zijn beschuldiger den stok gaf, terwijl hijzelf den eed aflegde, vermoedde ik eene list en begreep ik, dat in den rotting de betaling moest wezen.”Toen deze eerste rechtszitting zoo roemrijk en glansrijk voor hem was afgeloopen, werd Sancho Panza naar een prachtig paleis geleid, waar in eene fraaie zaal een kostelijk middagmaal bereid stond.Terstond bij zijn binnentreden liet zich eene liefelijke muziek hooren en traden vier pages toe, om hem een zilveren waschbekken voor te houden, waarin hij met veel zwier zijne handen waschte. Toen verstomde de muziek en Sancho Panza nam aan de rijkbezettetafel plaats. Hij moest evenwel alleen zitten, want er was maar één stoel en ook maar voor één persoon gedekt. Achter hem vatte een personage post, die een baleinen stokje in de hand had en zich weldra als lijfarts deed kennen.Men tilde een sneeuwwit laken op, waarmede al de kostelijke gerechten overdekt waren. Een jong mensch, die zeer veel van een student had, deed het tafelgebed; een page bond den stadhouder een kostbaar, rijk met kanten omzoomd servet om den hals, en de kok zette een schotel voor hem, waaruit hem een heerlijke geur tegensloeg.Een honger als een paard hebbende, liet Sancho een begeerigen blik over de tafel gaan, verheugde zich in den geest over de genietingen, die daar voor zijn oog uitgebreid lagen, en wilde op den eersten hap uit dien eersten schotel juist een tweeden laten volgen, toen men hem ’t lekker gerecht met de grootste snelheid voor den neus wegnam en hem een anderen schotel voorzette.Onze gewezen schildknaap verwonderde zich over dit vreemde doen en wou op den nieuwen schotel een aanval wagen, toen de dokter achter hem zijn zwart stokje uitstak en op dien schotel tikte. Als een havik uit de wolken schoot nu een page toe, pakte den schotel evenals den eersten weg en was daarmee, voordat de onthutste stadhouder een, twee, drie kon tellen, de deur uit.Sancho zette een gezicht als een oorworm, keek de omstanders stijf aan en vroeg op hoogen toon, wat voor goochelaarskunsten ’t waren, dat men hem het eten zoo voor den neus wegkaapte.“Heer stadhouder,” zeide hierop de lijfarts op plechtigen toon, “gij moet hier te lande eten, zooals het gebruik dat voorschrijft. Ik ben de lijfarts van uwe genade en word betaald, om u naar behooren te bedienen. Ik zorg voor uwe gezondheid meer dan voor mijn eigene, want ik studeer dag en nacht, om uw lichaamsgestel te leeren kennen en u, mocht ge eens ziek worden, te kunnen bijstaan en genezen. Vooral echter moet ik het oog op uwe maaltijden houden en toezien, dat gij u de maag niet bederft. Ik mag u alleen dingen laten gebruiken, die ik weet, dat u niet schaden kunnen. Al ’t overige moet ik met mijn stokje aanraken en buitenuw bereik laten brengen. Daarom gelastte ik, den eersten schotel weg te nemen, omdat hij te verkoelend is, en de tweede schotel moest verdwijnen, omdat hij te veel verhit en te veel kruiderijen bevat, die den dorst aanzetten. Wie echter te veel drinkt, mag nimmer op een lang, gelukkig en gezond leven rekenen.”“Nu,” bromde Sancho, “laat mij dan toch eens van die gebraden patrijzen proeven. Die kunnen toch wis en waarachtig geen kwaad.”“Ja, zeker wel,” riep de lijfarts; “zoolang ik in leven ben, zal mijnheer de stadhouder daar geen sikkepitje van over de lippen krijgen.”“En waarom dat niet?” vroeg Sancho Panza driftig.“Omdat,” antwoordde de dokter met de grootste bedaardheid, “omdat ons aller meester Hippocrates, de grootste medicijnmeester van alle tijden, met wijsheid gezegd heeft:Omnis saturatio mala, perdix autem pessima; wat op zijn plat Spaansch beteekent: Men mag zijn maag niet volstoppen, en te veel patrijs eten is de pest.”“Als dat waar is, zoek dan zelf uit, wat goed en dienstig voor mij is, maar poets dan de plaat en laat mij rustig eten, zonder steeds met dat verwenschte zwarte stokje te wijzen, want, zoo waar als ik leef, ik ben flauw van honger. Eten moet de mensch, en die heel niets gebruikt, zal eer aan zijn einde komen, dan die zich tienmaal op een dag de maag bederft.”“Hoogst wijs en verstandig gesproken, heer stadhouder,” zeide de dokter; “en ’k wil dus eens zien, wat hier voor uwe genade al zoo dienstig is. Deze gestoofde konijntjes zijn een geducht zwaar eten, en gij moet ze maar stilletjes laten staan. Dit kalfsvleesch zou beter gaan; maar tot mijn spijt zie ik, dat het bijzonder vet is, en dus deugt het volstrekt niet voor uwe genade.”“Maar daar dampt nog een groote schotel, zeker met olla podrida; geef dien hier, want onder al de dingen, die in zoo’n hutspot komen, is zeker toch wel een, dat goed voor mij is.”“In geen geval!” antwoordde de lijfarts. “Zoo’n olla podrida is ’t ongezondste en onverteerbaarste, dat op de wereld te bedenken is. ’t Is een kost voor boeren en schippers; maar op de tafel van een stadhouder mogen alleen de fijnste, onschuldigste, uitgezochtste hapjes verschijnen. ’k Moet uwe genade dus ernstig raden, lievereen paar van deze beschuitjes met wat kweegelei te nemen. Dit laatste vooral verwarmt de maag, bevordert de spijsvertering en is dus bijzonder aan te bevelen.”Bij het vernemen van deze woorden wierp zich Sancho Panza in zijn stoel achterover, keek den dokter een poosje stijf in de oogen en vroeg hem toen zeer ernstig, hoe hij heette en waar hij gestudeerd had.“Mijn naam, heer stadhouder,” antwoordde de arts, “is Pedro Recio d’Aguero, ik ben geboren te Tirteafuera en heb aan de hoogeschool van Osuna gestudeerd.”“Goed, goed! heer dokter Pedro Recio,” barstte Sancho Panza thans woedend los, “goed, goed! Maar ik zeg u nu: maak oogenblikkelijk, dat ge weg komt, of ’k zweer, een stok te zullen nemen, en je daarmee zoo lang te ranselen, als mijn arm ’t maar uithouden kan. Van een verstandigen en billijken dokter wil ik raad aannemen, maar niet van een domkop, als gij zijt. Ga, zeg ik! Scheer je dadelijk de deur uit, of ik neem dezen stoel en sla hem op je dommen schedel in duizend stukken. Geen mensch zou een woord zeggen, als ik een dokter ombracht, die beul en dwingeland over anderen wil wezen. Marsch, zeg ik nog eens, en geeft mij te eten, of loopt met heel dit stadhouderschap naar de maan! Een ambt, dat zijn meester niet genoeg te eten geeft, is geen knip voor den neus waard, en ik althans dank er voor.”Toen Sancho zich zoo geweldig boos maakte, kreeg de dokter een schrik op het lijf en wou reeds heengaan, toen het luid schetteren van een posthoren hem nog even deed wachten. De hofmeester trad aan het raam, keek naar buiten en zeide: “Heer stadhouder, daar komt een bode van den hertog, die zeker gewichtige tijding brengt.”“Laat hem binnenkomen!” beval Sancho.Met zweet bedekt en half buiten adem trad de postiljon binnen, haalde een brief uit zijn tasch en reikte dien den stadhouder over, die den hofmeester beval, het adres voor te lezen.Dit luidde: “Aan Don Sancho Panza, stadhouder van het eiland Barataria. Eigenhandig of door den secretaris te openen.”“Wie is hier mijn secretaris?” vroeg Sancho, na het adres te hebben vernomen.“Ik, genadige heer,” antwoordde een der aanwezigen en trad voor. “Ik kan lezen en schrijven en ben een Biscayer.”“Nu, als dat waar is, dan kunt gij secretaris zelfs van den keizer zijn. Maak nu dien brief open en vertel mij wat er in staat.”De secretaris gehoorzaamde. Nadat hij zich met den inhoud van den brief had bekend gemaakt, zette hij echter een zeer bedenkelijk gezicht en zeide, dat het schrijven eene zaak van het uiterste gewicht betrof, die in het diepste geheim moest behandeld worden.Sancho liet nu dadelijk allen, op den hofmeester en den secretaris na, de zaal verlaten, en verzocht den laatste vervolgens, den brief hardop voor te lezen.“Mij is ter oore gekomen,” luidde de brief, “dat eenige woedende vijanden een aanval op het eiland Barataria voorhebben, en ik raad u dus, vriend Sancho Panza, toch vooral waakzaam en op uwe hoede te zijn. Ook heb ik vernomen, dat vier personen, die uwe wijsheid vreezen, eene samenspanning gemaakt hebben, om u van het leven te berooven. Houd dus uwe oogen open en eet niet van de spijzen, die men u voorzet. Ingeval gij in nood mocht geraken, zal ik u te hulp komen. Handel voor het overige, gelijk men dat van iemand van uw verstand verwachten kan, en wees gegroet.De hertog.”De stadhouder hoorde van dit schrijven niet weinig vreemd op en ook de anderen konden hunne verwondering niet verbergen.“Wat moeten wij dan doen?” vroeg Sancho, zich tot den hofmeester keerend. “Ik voor mij ben er voor, dat wij in de eerste plaats en zonder alle verwijl dien heer dokter Recio in eene diepe gevangenis werpen, omdat juist hij pogingen gedaan heeft, om mij aan den pijnlijksten en akeligsten dood, den hongerdood namelijk, over te leveren.”“Ja, maar nog noodiger reken ik, dat gij van al de gerechten, die hier op tafel staan, geen brok aanroert, heer stadhouder,” zeide de hofmeester.“Gij maakt u zeker al te bezorgd, heer,” bromde Sancho Panza; “maar toch wil ik uw raad opvolgen en niets gebruiken, dan een paar wijndruiven en een stuk brood. Geeft beiden hier, want ik val wezenlijk flauw van honger, en als wij ons, zooals de hertog schrijft, tot een veldslag moeten gereedhouden, is ’t bovenal noodig, dat wij ons hart en onze ledematen door krachtig voedsel sterken. De buik draagt het hart, zegt het spreekwoord, en niet het hart den buik. Gij, heer geheimschrijver, moogt den hertog antwoorden, dat wij zijne orders stipt opvolgen en niets verzuimen zullen, om zijne gunst en genade waardig te blijven. Nu weg met dat tafellaken, en geeft mij wat krachtigs tot hartsterking! Later zal ik ’t met alle schelmen, spionnen en moordenaars klaarspelen, al kwamen ze bij scheepsladingen vol naar ons eiland over.”Op dit oogenblik trad een edelknaap in de zaal en berichtte, dat verscheidene partijen buiten stonden, om de gerechtigheid van den heer stadhouder in te roepen en zijne beslissing over verschillende twistvragen te hooren. Zuchtend bleef Sancho zitten en liet de menschen komen, welker verhalen hij met het grootste geduld aanhoorde. Zoo goed als hij kon, deed hij uitspraak in de verschillende gevallen en zocht iedereen naar zijn beste vermogen tevreden te stellen.Eindelijk viel de avond, en nu eerst was Sancho vrij van zaken en hield, zonder door de wijze vermaningen van den lijfarts gestoord te worden, een duchtigen avondmaaltijd. Na afloop daarvan bekroop hem de lust om eens iets van het eiland te zien, en ging hij dus met den hofmeester, den secretaris, den kroniekschrijver en een talrijk gevolg van gerechtsdienaars en schrijvers op weg. Sancho Panza met den staf, die zijne waardigheid aanduidde, stapte in het midden en wel met zooveel deftigheid, dat tot de kleinste kinderen eerbied en ontzag voor hem kregen. Na zoo eenige straten doorgekuierd te zijn, vernamen zij een luid degengekletter, snelden daarop toe en bemerkten twee mannen, die woedend op elkaar inhieuwen, en eerst toen zij de hooge overheid zagen naderen, hun grimmig gevecht staakten.“Hierheen, mijne heeren!” riep een der vechtenden het hoogegezelschap toe. “Men heeft mij willen berooven en op de publieke straat aangevallen.”“Stil, stil, goede man,” antwoordde Sancho. “Zet maar zoo’n keel niet op en vertel mij de oorzaak van uwe ruzie. Ik ben de stadhouder en zal dat appeltje wel zien te schillen.”De tweede kampioen nam terstond het woord en zeide: “Heer, gij moet weten, dat deze knaap daar zoo pas in een speelhuis over de duizend realen heeft gewonnen. Ik was daarbij en besliste in twijfelachtige gevallen meermalen in zijn voordeel. Toen hij nu opstond, verwachtte ik, dat hij mij uit dankbaarheid eenige realen in de hand zou stoppen; doch hij streek zijn geld op en ging heen, zonder zelfs naar mij om te zien. Ik volgde hem en verzocht hem, mij althans acht realen af te staan, daar ik een arme drommel ben en dat geld opperbest kan gebruiken. Maar nu wou die schraalhans mij maar vier realen geven, waaruit uwe genade zien kunt, wat een gemeene en onbeschaamde rekel hij is. Ik maakte mij boos over zijne inhaligheid, wij kregen harde woorden en ’t einde van ’t lied was, dat wij de degens trokken en elkaar te lijf gingen.”“En wat hebt gij van uwen kant te zeggen?” vroeg Sancho Panza den anderen rustverstoorder.“Ik moet erkennen, dat die sinjeur over het geheel de waarheid heeft gesproken,” antwoordde gene. “Ik wou hem niet meer dan vier realen geven, omdat hij al vaak genoeg nog meer heeft gekregen en dus alles zoo nauw niet rekenen moest. En dat ik hem zijn zin niet gaf, is het beste bewijs, dat ik geen gauwdief ben, want gauwdieven zorgen wel, dat zij een ander, die hun in de kaart kijkt, met geld en goede woorden den mond stoppen.”“Dat is wel wezenlijk zoo,” zei de hofmeester tot den stadhouder. “Uwe genade mag dat wel ernstig in overweging nemen.”“Ik zal uitspraak doen naar billijkheid en recht,” antwoordde Sancho. “Gij, die eerlijk of oneerlijk gewonnen hebt, betaalt terstond honderd realen aan uw makker en dan nog dertig aan de armenkas.—En gij,” keerde hij zich tot den tweede, “steekt die som op en pakt dan zoo gauw mogelijk uwe biezen. Voor volle tien jaren zijt gij van het eiland verbannen, en als gij voor dien tijdterug mocht komen, zult gij opgeknoopt worden aan de hoogste galg, die in mijne staten te vinden is. Zoo en niet anders zal het gebeuren, en daarmee basta!”De een betaalde, de ander streek op; de een ging naar huis, de ander stapte de poort uit, en daarmee was de gansche zaak op dekortsteen beste manier afgedaan.Sancho Panza ging verder, toen daar een gerechtsdienaar aankwam, die een jongmensch bij zijn kraag voortleidde.“Heer stadhouder,” sprak de gerechtsdienaar, “zoodra deze jonkman ons van verre in het oog kreeg, keerde hij dadelijk om en ging als een haas op den loop. Wie het oog van de wet schuwt, heeft zeker wat kwaads op zijn geweten, dacht ik, zette hem na en kreeg hem, daar hij kwam te vallen, gelukkig te pakken.”“Waarom gingt gij op den loop, manneke?” vroeg Sancho.“Heer, om niet op de vele vragen te moeten antwoorden, die de gerechtigheid iedereen voorlegt,” antwoordde de vreemde.“Wat is uw beroep?”“Ik ben wever.”“Wat weeft gij?”“Lanspunten, met uwer genades permissie.”“Ei, ei, ge lijkt mij een rare snaak toe; ge wilt u er zeker met een grap afmaken,” zeide Sancho. “Maar ’t is goed.—Zeg, waarheen waart ge nu op weg?”“Ik ging alleen, om een luchtje te scheppen.”“En waar vindt men dat op dit eiland?”“Waar ’t waait, heer.”“Opperbest, mijn kereltje! Ik zie, dat ge een guit zijt. Verbeeld je dan nu maar, dat ik de frissche lucht ben en je in de gevangenisblaas. Pakt hem, mannen, en neemt hem mee. Zoo waar ik stadhouder ben, zal hij van nacht slapen, waar hij geen frissche lucht kan scheppen.”De jonge man lachte. “Gij zult mij in de gevangenis evenmin tot slapen dwingen, als gij mij tot koning kunt maken,” antwoordde hij stout.“En waarom niet?” vroeg Sancho. “Kan ik u niet in de gevangenis stoppen en vrijlaten, al naardat ik verkies?”“Ja, dat kunt gij; maar tot slapen in de gevangenis kunt gij mij niet dwingen.”“Zoo’n dekselsche jongen!” riep Sancho. “Hebt ge bij geval ook een beschermengel bij de hand, die je de boeien afneemt, die ik je misschien zal laten aanleggen?”“Neen, dat niet,” antwoordde de jonge man op luchtigen toon; “maar toch blijf ik er bij, dat gij mij niet in de gevangenis kunt doen slapen. Zie, beste heer, stel het geval, dat gij mij werkelijk in boeien liet slaan en in de gevangenis werpen, dat gij den cipier last gaaft mij ten strengste te bewaken, en dat deze werkelijk mijn ontsnappen belette, dan zou toch niemand in staat zijn, mij tot slapen te dwingen, als ik eens besloten was, mijne oogen open te houden.”“Ha, meent gij het zoo, maat?” riep Sancho en lachte hartelijk. “Ja, dat is een ander ding. Dus wilt gij dan maar niet slapen, om uw wil te hebben, maar niet, om mijne bevelen gehoorzaamheid te weigeren?”“Zoo is het,” antwoordde de jonge loshoofd.“Nu dan, slaap thuis en droom genoeglijk,” sprak Sancho. “Wees echter in ’t vervolg wat voorzichtiger met uwe tong, want niet iedereen houdt van gekscheren, en ge kondt u door die snakerijen licht wel eens een dracht slagen op den hals halen.”De jonge spotvogel ging zijns weegs en daar Sancho moe begon te worden, maakte ook hij rechtsomkeert en keerde met zijn gevolg naar het paleis terug.Den volgenden morgen, zoodra de stadhouder opgestaan was, werd hem een ontbijt voorgezet, dat, volgens de verordening van dokter Recio, eenvoudig uit wat fruit en een glas koud water bestond. Sancho had gaarne wat anders gehad; maar de lijfarts deed opmerken, dat weinig en licht voedsel den geest scherp en levendig houdt, wat vooral voor iemand, die ambt of waardigheid bekleedt een ding van uiterst groot gewicht is. De arme stadhouder moest zich met deze redeneering tevredenstellen; doch praatjesvullen geen gaatjes, en hij leed een barbaarschen honger en begon in zijn hart het geheele stadhouderschap en hem, die ’t hem had opgedragen, al half naar de maan te wenschen. Intusschen zette hij zich toch met knorrende maag in den rechterstoel en hoorde in tegenwoordigheid zijner hoogste ambtenaren de vraag aan, welke een vreemde hem tot beslissing voorlegde.“Genadige heer,” zeide deze tot hem, “uw gebied wordt door een waterrijken stroom in tweeën gescheiden. Over dien stroom ligt eene brug, aan wier eene eind een galg en een rechtshuis staan, in welk laatste zich gewoonlijk vier rechters ophouden, om eene wet te handhaven, die door den heer van den stroom is uitgevaardigd en luidt: “Indien iemand over deze brug gaat, dan moet hij vooraf zweren, waarheen en tot welk einde hij die overschrijdt. Zweert hij de waarheid, dan mag men hem ongemoeid laten gaan; doch zweert hij valsch, dan moet hij onverwijld opgehangen worden en sterven aan de galg, die bij de brug staat.”“Na het bekendmaken van deze wet gingen velen over de brug; doch iedereen zwoer de waarheid, en men liet hen dus ongehinderd trekken. Nu gebeurde het echter, dat een man, wien de eed werd afgevorderd, zwoer en beweerde, dat hij over de brug ging enkel en alleen met plan, om aan die galg opgehangen te worden en te sterven.“De rechters keken elkaar bij dien eed verbaasd aan en zeiden de een tot den ander: “Als wij dezen man ongemoeid gaan laten, dan heeft hij gelogen en moet volgens de wet wegens meineed sterven. Opknoopen mogen wij hem evenwel niet; want deden wij dat, dan had hij immers de waarheid gezeid, toen hij zwoer, dat hij enkel en alleen over de brug wilde gaan, om opgehangen te worden, en diensvolgens moet hij krachtens de letter van de wet vrij zijns weegs gaan.”“Zoo staat nu het geval, en gij, heer stadhouder, moet beslissen, wat de rechters met den man moeten aanvangen. Tot hiertoe zijn zij ’t nog altijd oneens en zitten met de handen in het haar. Zij vertrouwen op uwe scherpzinnigheid en verkeeren in de zoete hoop, dat gij die harde noot kraken en het raadsel oplossen zult.”“Hoor, goede vriend,” antwoordde Sancho, “uwe heeren rechters hadden zich de moeite kunnen besparen van u hierheen te zenden, want ik ben een man, wien de natuur een grooter portie domheid dan verstand heeft geschonken. Vertel mij ’t geval evenwel nog eens, en dan wil ik zien, of ik, zooals men wel zegt, den spijker op den kop kan treffen. Spreek op, goede vriend!”De vreemde vertelde de geheele geschiedenis nog eens, en toen nog eens, totdat Sancho Panza haar goed genoeg meende begrepen te hebben, om er zijn oordeel over te zeggen.“Mij dunkt,” sprak hij, “dat ik dat dingetje wel zal klaren. ’t Geval komt eenvoudig hierop neer: De man verklaart onder eede, dat hij over de brug wil gaan, om aan de galg te sterven. Sterft hij nu, dan heeft hij de waarheid bezworen, en moet volgens de wet worden vrijgelaten. Sterft hij evenwel niet, dan heeft hij een meineed gedaan, en moet krachtens de wet gehangen worden.”“Juist zoo is het, heer stadhouder,” zeide de vreemde.“Nu dan doe ik uitspraak,” sprak Sancho, “dat men de eene helft van den mensch, die de waarheid heeft gezegd, vrijen overgang late, maar de andere, die gelogen heeft, zonder barmhartigheid ophange. Op die manier krijgt ieder deel wat hem toekomt.”“Als wij ons aan deze uitspraak hielden, heer stadhouder,” antwoordde de vreemde, “zouden wij gedwongen zijn, den bedoelden persoon in twee helften te deelen, en de leugenachtige van de waarheidsprekende te scheiden. Deze scheiding zou het onschuldig deel echter niet kunnen overleven, en de wet zou dus niet worden gehandhaafd.”“Mijn beste vriend,” zeide Sancho Panza op deze tegenwerping, “de man, om wien ’t hier te doen is, heeft, als ik ’t wel begrijp, evenveel recht om te leven als om te sterven. De waarheid redt, de leugen veroordeelt hem. Zeg dus aan de rechters, dat zij voor ditmaal maar genade voor recht moeten laten gelden en den sukkel de vrijheid geven, omdat goeddoen altijd loffelijker is dan kwaaddoen.—En loop nu naar den drommel en meen niet, dat ik hier aangesteld ben, om raadseltjes te raden, die onmogelijk op te lossen zijn. Loop heen, zeg ik, en gij, hofmeester, bezorg mij watstevigs te eten en laat mij niet van honger en ergernis omkomen.”De vreemdeling stapte op, en de hofmeester betoonde zich genadig, daar hij Sancho naar de tafel leidde, die evenals gisteren rijkelijk bezet was. Indien niet de dokter achter hem gestaan had, zou de stadhouder als een prins gesmuld hebben; maar nu kwam telkens een tik met dat verwenschte zwarte stokje en haalde onzen hongerigen vriend de vetste happen voor den mond weg.
Hoofdstuk XX.Het avontuur met het houten paard.Eenige dagen verliepen, zonder dat met onze beide helden iets bijzonders was voorgevallen. Op de vraag van de hertogin aan den schildknaap, of hij met het werk zijner zelfkastijding al begonnen was, antwoordde Sancho toestemmend.“En waarmee hebt gij uzelf de slagen toegedeeld?” vroeg zij verder.“Wel, hier met mijn hand,” antwoordde hij.“Ei,” sprak de hertogin, “dan zijn de slagen zeker wat heel zacht uitgevallen, en ik twijfel zeer, of de gestrenge heer Montesinos daar wel mee zal tevreden zijn. Gij moet eene stevige geeselroede of een dik touw met knoopen nemen, daar voor de verlossing van eene zoo uitstekende en schoone dame wel wat pijn mag worden geleden.”“Nu, als ’t knijpt en weer knijpt, mevrouw, geef mij dan eene roe, zooals ’t hoort, en dan wil ik mijzelf daarmee kwispelen, als ’t niet te erg zeer doet. Maar uwe doorluchtigheid mag vrij gelooven—schoon ’k maar een boer ben, zoo is mijn huid toch even gevoelig als ’t vel van den besten edelman, en mijzelf erg te pijnigen is volstrekt mijn plan niet.”“Goed, goed!” zei de dame lachend; “ge zult morgen eene roe hebben, die net voor je past en je de teêre huid niet al te erg zal havenen.”Met deze toezegging stelde Sancho zich tevreden.Eenige dagen daarna zaten de hertog en de hertogin na afgeloopen maaltijd met hunne beide gasten in den tuin en spraken over beroemde ridders van vroeger en later dagen, toen men op eens den schellen, gillende toon van eene fluit en het dof gerommel van eene oude trom vernam. Geen van allen wist eerst, wat van deze vreemde en onwelluidende muziek te denken, en Don Quichot werd zoo onrustig, dat hij op zijn stoel heen en weer schoof en van verlangen brandde, om te weten, welk nieuw avontuur hier voor hem aanstaande was. Sancho zat, als gewoonlijk, weer zoo in angst, dat hij zich zoo dicht mogelijk bij de hertogin hield en gaarne onder de plooien van haar lang sleepkleed zou zijn weggekropen.Terwijl zij met gespannen verwachting naar de treurige en zwaarmoedige tonen van die muziek luisteren, traden aan het andere eind van den tuin twee mannen in rouwkleederen binnen, welke laatste zoo lang waren, dat zij ruischend op den grond nasleepten.Die mannen sloegen op trommen, die insgelijks met zwart rouwfloers behangen waren. Aan hunne zijde stapte een pijper, en dicht achter hen volgde een reusachtig lang man, van top tot teen in het zwart gekleed en met een sleep, die ter breedte van wel ruim tien el het stof van den grond wegveegde. Over zijn kleed droeg hij aan een gordel van zwart leder een verbazend groot zwaard met zwarten greep en zwarte scheede, en zijn gezicht was met een zwarten sluier bedekt, door welken een dichte, lange, sneeuwwitte baard heenschemerde. Met deftig afgemeten passen trad hij nader en zette de voeten telkens naar de maat der trommen neer. Zijne reusachtige figuur, zijne vreemde kleedij en fiere houding brachten allen in de grootste verbazing.Na den tuin doorgegaan te zijn, trad hij regelrecht op den hertog toe, die hem met de overigen staande opwachtte, wierp zich aan diens voeten neer en wilde met zijne toespraak beginnen, toen de hertog hem beduidde, dat hij geen woord aanhooren zou, indien hij niet dadelijk weer opstond. De reus rees dus weder overeind, sloeg zijn sluier op en vertoonde zijn gezicht, dat met den diksten, langsten en witsten baard versierd was, dien ooit een menschelijk oog had aanschouwd.“Doorluchtigste heer en hooge gebieder,” begon hij met eene stem, die zwaar en diep als het rollen van den verren donder uit zijne breede borst kwam, “mijn naam is Trifaldin met den witten baard, en ik ben stalmeester van de gravin Trifaldi, die met anderen naam ook Dueña Dolorida genoemd wordt. Op last van haar verschijn ik, om uwe hoogheid een genadig gehoor te verzoeken, en om te vernemen, of zich hier op het slot ook de dappere en nooit overwonnen ridder Don Quichot van La Mancha ophoudt, om wiens wille mijne meesteres uit haar koninkrijk Candaya hierheen is gekomen. Zij wacht aan de poort van dit slot en verlangt slechts uwe vergunning, om binnen te komen en u haar ongehoord ongeluk mee te deelen.”“Mijn waarde stalmeester Trifaldin met den witten baard,” antwoordde de hertog, “wij kennen sinds lang al het ongeluk van uwe meesteres, de gravin Trifaldi, die alleen door de kunstenarijenvan snoode toovenaars Dueña Dolorida genoemd wordt. Meld haar, dat wij haar wachten, en dat zij hier ook den dapperen en vermaarden ridder van La Mancha zal vinden, van wiens grootmoedige gezindheid zij veilig alle bescherming en bijstand mag hopen.”Bij het vernemen dier blijde tijding boog de stalmeester Trifaldin tot afscheid de knie, wenkte trommelaars en pijper en verwijderde zich met dezen, even deftig en plechtstatig, als hij gekomen was. Korten tijd daarna verschenen twaalf in ’t zwart gekleede dames in den tuin en naderden twee aan twee op de maat van de muziek. Achter haar ging de gravin Trifaldi aan den arm haars stalmeesters. Een zwart kleed golfde om hare leden en drie edelknapen volgden haar, die haar den sleep nadroegen.In de nabijheid van het hertogelijk paar gekomen, schaarden de twaalf dames zich in twee rijen, tusschen welke de gravin doorging, om zich den hertog te voet te werpen, wat deze natuurlijk wist te verhinderen. Hierop sprak zij met eene eer grove en mannelijke dan fijne vrouwenstem de volgende woorden:“Doorluchtige heer, eene ongelukkige nadert u, om uwe bescherming in te roepen, die zij meer dan iemand anders ter wereld noodig heeft. Voordat ik u echter mijn ongeluk vertel, zou ik gaarne weten, of de wereldvermaarde en dappere leeuwenridder hier is en zijn getrouwen schildknaap Sancho Panza bij zich heeft.”“Hier is Sancho Panza,” riep deze, nu weer moedig voor den dag springend, “en hier is ook mijn heer, de vreeselijkste en dapperste ridder, die ooit op twee beenen stond. Zeg, wat gij begeert, betreurenswaardige jonkvrouwe Dolorida. Wij zijn steeds bereid, ongelukkigen te helpen en verongelijkten recht te verschaffen.”Voordat de dame hierop antwoorden kon, trad Don Quichot toe en zeide:“Indien uw leed zich van den arm en de kracht eens dolenden ridders eenige hoop op verzachting durft beloven, dan staat hier Don Quichot van La Mancha, over wien gij vrij beschikken kunt, zoo gij zijne diensten verlangt. Laat mij dus zonder verwijl de geschiedenis van uw ongeluk vernemen.”De dame wilde den dapperen ridder de knieën omhelzen; dochhij liet dat niet toe, maar verzocht haar bij herhaling, de oorzaak van haar leed mee te deelen.Zoo vernam hij dan, dat een schandelijke reus en toovenaar, Malambruno geheeten, haar van hare heerlijkheid beroofd en haar zelve met al hare hofdames op de afschuwelijkste wijze misvormd had door hare gladde blanke gezichten met ruige borstels te bedekken.Op een wenk der gravin sloegen hare gezellinnen hare sluiers op en lieten tronies zien, die dusdanig met dichte baardharen begroeid waren, dat Don Quichot een kreet van verbazing uitstiet en zelfs de hertog en de hertogin zich verschrikt afwendden.“Zie, heer ridder,” sprak gravin Trifaldi, “zóó heeft die kwaadaardige booswicht Malambruno ons toegetakeld. ’t Was ons allen veel liever geweest, als hij ons terstond gedood had en het hoofd afgehouwen. Maar om nu tot de hoofdzaak te komen, moet ik u zeggen, dat niemand buiten u mij helpen kan, daar nergens op aarde meer een ridder van uwe dapperheid gevonden wordt.”“Nu, aan mijn goeden wil zal het niet ontbreken,” antwoordde Don Quichot. “Beveel, wat ik verrichten moet, en uwe wenschen zullen oogenblikkelijk vervuld worden!”“Het eenige bezwaar, dat ons in den weg staat,” sprak de gravin, “is de omstandigheid, dat mijn koninkrijk over de vijfduizend mijlen van hier verwijderd ligt. Zoo gij echter, waaraan ik niet twijfel, moed genoeg bezit, om van eene reisgelegenheid gebruik te maken, die mij ieder oogenblik ten dienste staat, ben ik in een ommezien geholpen. Ik bezit namelijk het houten paard, waarop de dappere Pierres de schoone Magalona ontvoerde. Het wordt bestuurd door een kruk, die voor op den kop en ten volle de diensten van een teugel doet, en daarbij vliegt het met eene lichtheid en snelheid door de lucht, alsof de duivel zelf het medevoerde. Dit paard is, volgens echte oorkonden, door den grootmeester van alle toovenaars, den grooten Merlin, vervaardigd, die het aan zijn vriend, den dapperen Pierres ten geschenke gaf. Na dien held heeft niemand het meer bestegen, wijl ieder vreest er de lucht mee in te gaan. Evenwel is het het makste en beste dier van de wereld. Ineen ommezien brengt het zijn berijder in de verst verwijderde werelddeelen, en heeft daarbij het voordeel, dat het noch eet, noch drinkt, noch slaapt, noch ook zijne hoefijzers afslijt. Voor ’t overige heeft het zulk een aangenamen en lichten gang, dat men, terwijl men door de lucht vliegt, een boordevolle kom water in de hand kan houden, zonder een droppel te morsen. Dit was de reden, waarom de schoone Magalona het ook zoo gaarne bereed.”“Nu, wat een zacht en rustig draven aangaat,” zei Sancho, “heb ik zelf een grauwtje, dat het tegen alle telgangers van de wereld opneemt. Zijn eenige fout is maar, dat hij niet door de lucht kan vliegen.”Allen lachten over Sancho Panza’s dwaze aanmerking, en de gravin ging voort:“Zoo gij bereid zijt, heer ridder, mijne wenschen te vervullen en u aan dat wonderdadig ros toe te vertrouwen, dan zal het zich op mijn wenk een half uur voor den donker in ons midden bevinden.”“Hoeveel menschen nemen dan plaats op dat paardje?” vroeg Sancho.“Niet meer dan twee,” antwoordde jonkvrouwe Dolorida, ook gravinne Trifaldi geheeten: “Één in den zadel en de ander achterop.”“Ik ben benieuwd, wat naam dat beest heeft,” vroeg Sancho Panza. “Weet gij mij dat ook te zeggen?”“Zijn naam is niet zoo hoogdravend als Pegasus of Bucephalus, of Orelia, maar ’t is een doodeenvoudige, schoon bijzonder passende naam. Het heet Krukhout de Gevleugelde, omdat het van hout is, omdat het door een kruk bestuurd wordt en omdat het in vlugheid door geen schepsel ter wereld wordt overtroffen.”“Ei, die naam is zoo kwaad niet en bevalt mij bijzonder goed,” verklaarde Sancho. “Maar waar is de toom of halster, waardoor ’t geregeerd wordt?”“Ik heb al gezegd, dat die kruk zijn teugel is,” antwoordde de gravin Trifaldi. “Al naarmate de ridder, die het berijdt, die kruk draait, gaat het paard hoog in de lucht op of daalt weer naar de aarde neer, houdt rechts of links, of rechtuit.”“Dat moet dan al een bijzonder knap dier wezen en ’k ben verlangend, het eens te zien,” zei Sancho. “Als men zich evenwel verbeeldt, dat ik daar achterop zal kruipen, dan slaat men den bal glad mis en verwacht peren van den olijfboom. Dat zou me wat moois wezen! Ik, die mij pas op den zadel van mijn grauwtje kan houden, die toch goed gevuld en zoo week als een kussen is, zou op de harde houten bonken van een beest gaan zitten, dat met mij de lucht ingaat, zonder dat ik weet, of het ooit weer op aarde te land zal komen! Neen, neen, voor zoo’n reisje bedank ik!”“Weest gerust, mijne heeren en dames!” zeide Don Quichot, die elk woord van zijn schildknaap verstaan had. “Ik vertrouw zeker, dat Sancho mij in alles gehoorzamen zal. Had ik den reus nu maar hier! Waarachtig, ik zou hem den kop van den romp houwen, voordat hij drie kon tellen.”“Geduld, edele ridder, nog korten tijd,” zeide de gravin Trifaldi. “Zoodra de avond komt, zal ook het ros verschijnen, en gij kunt het dan terstond bestijgen. Dan zal ook mijne ellende haar einde nabij zijn; mijn baard met al de baarden mijner dames zullen spoorloos verdwijnen, en wij allen zullen u, heer ridder, eeuwige erkentelijkheid verschuldigd zijn.”Zeer spoedig kwam de avond en dus ook de tijd, dat het vliegend paard moest verschijnen. Don Quichot wachtte het met levendig ongeduld en wilde daaraan reeds in woorden lucht geven, toen op eens vier wilde, met groen klimop in plaats van met kleederen bedekte mannen in den tuin traden en een plomp houten paard op hunne schouders droegen. Zij zetten dat in de nabijheid van den ridder behoedzaam op den grond, en een hunner sprak met machtige stem: “Wie moed voelt, die bestijge den Gevleugelden Krukhout.”“Nu, ik voor mijn part heb geen moed, en zal hem dus niet bestijgen,” verklaarde Sancho op stelligen toon.“Wanneer de ridder, die dit ros bestijgt,” ging de met klimop bekleede man voort, “een schildknaap in zijn gevolg heeft, dan moet deze achterop stijgen en zijn meester vergezellen. Hij kan daarbij zonder vrees zijn, want hem zal in het minst geen kwaad overkomen. De ridder heeft niets te doen, dan aan de kruk tedraaien, die aan den hals van het paard is aangebracht, en dan zal hij zonder verwijl naar de plaats worden gedragen, waar Malambruno hem wacht. Opdat echter de ontzettende hoogte, waartoe het paard opstijgen zal, de ruiters niet duizelig make, moeten zij zich de oogen laten blinddoeken en mogen zij dien doek niet afdoen, voordat het paard luid begint te brieschen. Dit is het teeken, dat de tocht volbracht is en de ruiters hun doel hebben bereikt.”Na deze woorden bogen zich de mannen in klimop en verwijderden zich met haastigen tred. Dolorida of gravin Trifaldi echter keerde zich met tranen in de oogen tot den ridder en sprak:“Daar, dapperste aller ridders, is nu Krukhout de Gevleugelde, en niets ontbreekt meer om mij gelukkig te maken, dan dat gij met uw schildknaap opstijgt en met vroolijk harte den tocht onderneemt.”“Dat zal geschieden, edele vrouwe,” antwoordde Don Quichot, “dat zal geschieden met vroolijk harte en met den besten wil, om uw wreker te worden en u uwe vroegere schoonheid terug te verschaffen.”“Dan wensch ik u goede reis en behouden overtocht, edele heer,” zeide Sancho Panza. “Ik voor mij zal wel oppassen, dat ik mij niet in zulk een gevaar begeef, en bedank er voor, daar achter op dat harde hout te zitten. Ik blijf, waar ik ben, of als ik meega, wil ik de reis op mijn eigen grauwtje doen.”“Sancho Panza,” sprak hierop de hertog op bestraffende toon, “zoo gij uw heer in de ure des gevaars in den steek laat, reken dan niet, dat gij ooit eene stadhoudersplaats van mij krijgt. Vergezelt gij hem echter, gelijk dat een rechtschapen schildknaap betaamt, dan zal het stadhouderschap van mijn eiland Barataria uw loon zijn en kunt gij verzekerd wezen van mijne voortdurende gunst en goedwilligheid. Twijfel niet aan de waarheid dezer verzekering, maar wees overtuigd, dat wat ik zeg ernstig gemeend is.”“Goed, goed, doorluchtige heer,” zeide Sancho, op wien het beloofde stadhouderschap dadelijk krachtig werkte. “Ik ben een arme schildknaap en kan anders niet, dan voor uwe genade dankbaar zijn en uwe bevelen gehoorzamen. Laat mijn meester opstijgen,laat mij een doek voor de oogen binden, en zeg mij, of ik op onze gevaarvolle reis den hemel en de hertogin aanroepen en hun krachtigen bijstand vragen mag.”“Gerust, gerust moogt gij dat doen, vriend Sancho,” sprak Trifaldin, de stalmeester. “’t Is niet aan de tooverkracht des duivels en der helsche geesten, waaraan gij u toevertrouwt, maar ’t is eene eerlijke en behoorlijke tooverij, waartegen de goede geesten niets inbrengen kunnen.”“Nu welaan, dan ben ik bereid,” zeide Sancho, niet zonder eene zachte trilling in zijne stem.“Waarlijk,” sprak Don Quichot, “ik kan mij niet herinneren, mijn schildknaap, behalve bij dat gedenkwaardig avontuur met de molens, ooit zoo vreesachtig te hebben gezien, als heden, en indien ik maar wat bijgeloovig was, zou ik dien angst voor een slecht voorteeken houden. Maar kom eens hier, Sancho! Ik heb u een paar woorden onder vier oogen te zeggen.”Sancho kwam bij hem, en beiden gingen een weinig bezijden af in een boschje. Hier vatte de ridder zijn schildknaap bij beide handen en sprak:“Waarde vriend Sancho, wij hebben, zooals gij weet, een verren tocht te doen en het is onzeker, hoe lang wij uitblijven zullen. Daarom wensch ik zeer, dat gij terstond in uwe kamer gaat en u daar vóór ons vertrek nog een vijfhonderd of duizend slagen van de drie duizend en drie honderd toedient, die tot onttoovering van mijne gebiederes Dulcinea van Toboso noodig zijn. Wat gedaan is, is gedaan, en gij zult er mij bijzonder door verplichten. Frisch aan het werk dus, mijn vriend, want uitstel leidt tot afstel en uw woord houden moet gij toch.”“Zoo waar ik leef, heer, ’t is een onverstandig ding, dat gij daar van mij vergt,” antwoordde Sancho. “Hoe kunt gij verlangen, dat ik mijne krachten ga verzwakken op een tijd, nu ik die zoo bijzonder hoog noodig zal hebben! Waarachtig, ’t is, alsof ge niet goed bij uw hoofd zijt. Laat ons eerst de gevaarlijke reis volbrengen, en wees dan verzekerd, dat ik mijn uiterste best zal doen, om den tijd der betoovering voor u af te korten. Ik zal mij dan zoo vlugen handig van mijne verplichting zoeken te kwijten, dat gij in de hoogste mate tevreden zult wezen.”“Nu goed, vriend Sancho, ik wil op uwe belofte vertrouwen,” antwoordde Don Quichot.“Ik ben van uwe waarheidsliefde zoo volkomen overtuigd, dat ik niet aan uwe woorden twijfelen wil. Kom dan weer mee bij de overigen, en wij willen ons gereedmaken tot ons vertrek.”Zij keerden terug, en nu zou het vliegend paard terstond bestegen worden.“Bind u nu een doek voor de oogen, Sancho,” zeide Don Quichot. “Wij moeten stiptelijk volbrengen, wat men van ons verlangt.”“Ja, ja, maar doe gij dat maar eerst,” sprak de schildknaap, “Als ik achter zal zitten, dient gij natuurlijk eerst op te stijgen, en dus heb ik tijd tot gij zelf klaar zijt.”Don Quichot zag het gegronde dezer aanmerking in, haalde zijn zakdoek te voorschijn en verzocht de gravin Trifaldi, hem dien voor de oogen te binden. Zij deed dat zonder tegenspraak, en nu werd de ridder op den houten rug van het tooverpaard getild. Toen hij vast zat, onderzocht hij de kruk aan den hals en bevond, dat die zich uiterst gemakkelijk liet omdraaien en bewegen. Daar de ridder geen stijgbeugels had, hingen zijne magere beenen steil naar beneden en had hij veel van de figuur, welke men wel soms op oude behangsels ziet en die een Romeinschen triumphator moet voorstellen.Sancho volgde langzaam en met kennelijken tegenzin het voorbeeld zijns meesters en zocht het zich op het achterdeel van het paard zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Hij vond dat evenwel zoo hard, dat hij den hertog bad, hem toch een sprei of kussen te doen brengen, daar hij de bezwaarlijke reis anders onmogelijk zou kunnen uithouden. De gravin Trifaldi antwoordde, dat aan dit verzoek op geene wijze kon voldaan worden, omdat het in Krukhouts aard lag, dat hij niet de minste bedekking kon verdragen. Om meer gemak te hebben, moest hij dan maar zoo gaan zitten, als vrouwen doen, wat hem zeker wel eenige verlichting zou aanbrengen.Sancho Panza volgde dezen raad, nam afscheid van de omstanders en bond zich den doek voor de oogen. Terstond daarna maakte hij dien echter nog eens weer los, keek met tranen in de oogen rond en verzocht al de achterblijvenden, dat zij toch om hem zouden denken en zijn grauwtje goed verzorgen.“Lafhartige kerel!” riep Don Quichot hem hierop toe, “staat gij dan al onder de galg of ligt gij op uw uiterste, dat gij de menschen hier met zulke vragen lastig valt? Bind gauw den doek weer vast en leuter niet van gevaar, zoolang gij u in mijne tegenwoordigheid bevindt.”Brommend en pruttelend bond Sancho Panza zich nogmaals den doek voor, en toen Don Quichot merkte, dat alles in orde was, greep hij naar de kruk en draaide die rond op de wijze, die hem was opgegeven. Op ’tzelfde oogenblik verhieven de omstanders hunne stemmen en riepen hem na:“God geleide u, dapperste aller ridders, met u, onverschrokken schildknaap! Ha, wat vliegen zij! Dat snort als een pijl door de lucht! Een mensch wordt duizelig alleen van ’t gezicht! Houd u vast, Sancho, en pas op, dat ge niet valt, want ge zoudt in duizend stukken op den grond komen.”Sancho verstond elk woord, dat hem werd toegeroepen, en klemde zich vol zielsangst vast, waartoe hij beide armen om zijn heer sloeg.“Hoe zou het toch wel zoo wezen, heer,” vroeg hij, “dat wij alles verstaan, wat die daar beneden ons toeschreeuwen, ofschoon wij nu toch al zoo hoog in de lucht vliegen? ’t Is net, alsof ze nog dicht om ons toe stonden.”“Breek daar uw hoofd niet mee,” antwoordde de ridder. “Daar deze luchtvaart zoo geheel buiten het bereik der gewone dingen ligt, zoo moet gij op duizend mijlen afstands kunnen hooren en zien, wat ge maar verkiest. Maar pak mij niet zoo vast, of ge zult mij nog van het paard trekken. Wat zijt ge toch bang en flauwhartig! Ik begrijp volstrekt niet, hoe ge u zoo angstig maakt, daar ik zeggen moet, nog nooit een dier bereden te hebben, dat zachter gang heeft. ’t Is waarlijk, of we heel niet van de plaats kwamen.Onderdruk uwe vrees dus, mijn vriend, en vertrouw, dat alles goed af zal loopen. De wind is ons gunstig en blaast ons frischin denrug.”“Ja, dat is zoo,” erkende Sancho; “ik voel zoo’n koelte in mijn zij, alsof ’k den wind uit duizend blaasbalgen kreeg.”Sancho Panza had het rechte woord getroffen, want inderdaad waren ’t een paar groote blaasbalgen, die hem van frissche lucht in overvloed voorzagen. De hertog had alles zoo goed ingericht, dat zelfs de elementen meewerken moesten om de luchtreizigers in hun waan te versterken.Don Quichot, die ook zijn deel van de aanblazing gehad had, nam na eene poos het woord weer en zeide tegen Sancho: “wij moeten nu spoedig de tweede luchtlaag bereiken, waar de donders rollen en de bliksems als vurige slangen heen en weer schieten, en eindelijk, als wij al hooger en hooger klimmen, komen wij in het luchtgebied van het vuur. ’t Is leelijk, dat ik niet weet, hoe de kruk te draaien om ons zoo ver van dat gebied te houden, dat wij niet verbranden.”Terstond wenkte de hertog nu eenige dienaren, en men warmde de gezichten der luchtreizigers door middel van eenige bossen vlas, die, aan stokken gebonden, licht vuur vatten en ontvlamden, en ook even gemakkelijk waren uit te dooven.“Ik laat mij villen,” zei Sancho, toen hij die hitte op zijn lichaam bespeurde, “als wij niet al midden in dat vuurgebied of er althans heel dicht bij zijn. Mijn gezicht gloeit als vuur en ’t zou wel goed wezen, dat ik mijn blinddoek eens afnam, om te zien, op wat hoogte we eigenlijk zijn.”“Doe dat vooral niet!” waarschuwde Don Quichot. “Denk aan de historie, die eens met zekeren pastoor Torralva is voorgevallen. De duivels voerden hem op een bezemstok door de lucht mee en hij moest, als wij, zijne oogen toehouden. Binnen de twaalf uren kwam hij naar Rome en werd in de straat Torre de Nona neergezet, zag het tumult eener belegering, en was den volgenden morgen al weer in Madrid, waar hij alles vertelde, wat hij gezien had. Onder weg, zoo verklapte hij, hadden de duivels hem bevolen, de oogen te openen, en toen was hij zoo dicht bij de maan geweest,dat hij haar wel met de hand betasten kon. Maar naar de aarde had hij niet durven kijken, uit vrees van duizelig te worden en naar beneden te tuimelen; en daarom, Sancho, mogen ook wij onze blinddoeken niet afnemen. Misschien komen wij zoetjes aan wel zoo hoog, dat wij plotseling op het koninkrijk Candaya neervallen kunnen, als een valk op zijn prooi. In allen gevalle is Krukhouts vlucht van verbazende snelheid, en ofschoon wij nog pas een half uur uit den tuin weg zijn, kunt gij er staat op maken, dat wij reeds honderden mijlen achter den rug hebben.”“Hoe het daarmee is, weet ik niet,” bromde Sancho Panza; “maar wel weet ik, dat jonkvrouwMagalona, als ze ’t hier op mijne plaats kon uithouden, zeker vrij grof van huid en van ledematen is geweest.”Al deze woorden werden door het gezelschap in den tuin duidelijk verstaan, en men vermaakte zich er natuurlijk niet weinig mee. Om echter aan de klucht een einde te maken en heel het vreemde, kunstig aangelegde avontuur met een luisterrijk slot te kronen, werd thans aan Krukhouts staart eene brandende lont vastgemaakt. Daar spatte nu de gansche buik van het holle paard met schrikbarend geknetter en gekraak uiteen en deed den dapperen held en zijn schildknaap half verzengd en geheel bedwelmd en verbijsterd op den grond tuimelen. Van dit oogenblik maakten de gravin Trifaldi en hare medebaarddraagsters, de twaalf dames, met de meeste verdere toeschouwers haastig gebruik om zich uit de voeten te maken, zoodat zij uit den tuin verdwenen waren, voordat de gefopten weer uit hunne bedwelming ontwaakten. De overigen wierpen zich op den grond en hielden zich, alsof zij ook in onmacht lagen.Toen Don Quichot en Sancho na eenigen tijd weer bijkwamen en zich vrij wat gekneusd en gehavend van den grond oprichtten, keken zij vol bevreemding naar alle kanten rond, daar zij bemerkten, dat zij zich in denzelfden tuin bevonden, waaruit zij waren opgestegen, en hunne verbazing klom nog, toen zij eenige personen als dood op den grond zagen liggen. Eindelijk zag Don Quichot aan het eind van den tuin eene lange lans staan, waaraan, met zijden snoeren vastgemaakt, een groot blad wit perkament hing. Hij gingdaarop toe en ontdekte op het perkament een opschrift in gouden letters, van den volgenden inhoud:“De groote en wereldberoemde ridder Don Quichot van La Mancha heeft het gevaarvolle avontuur ter gunste van de gravin Trifaldi bestaan alleen reeds door de bedoeling, om het te volbrengen. De gravin en hare dames zijn van hare baarden bevrijd, Malambruno is dood, en de heerschappij over het koninkrijk is aan de rechte handen teruggegeven. Zoodra de schildknaap Sancho Panza zijne zelfkastijding volbracht heeft, zal ook de schoone Dulcinea hare vroegere gedaante weder aannemen en in de armen van haren dapperen ridder en bevrijder snellen. Aldus spreekt Martino, de machtigste aller toovenaars.”Na het lezen van dit opschrift was Don Quichot zeer verheugd, met zoo gering gevaar eene zoo roemvolle daad verricht te hebben, en zijn hart klopte hoorbaar bij de gedachte, dat hij zijne verhevene Dulcinea thans wellicht spoedig onttooverd zou zien. Evenwel herstelde hij zich spoedig, bedwong zijne verrukking en trad op den hertog en de hertogin toe, die schijnbaar nog altijd in diepe onmacht op een groen grasperk lagen uitgestrekt.“Op, op, doorluchtige heer!” riep hij, de rechterhand des hertogs grijpend en duchtig schuddend. “Op, heer, en wees goedsmoeds! Het avontuur is gelukkig volbracht, zonder iemand schade gedaan te hebben, gelijk gij uit dat getuigschrift daar aan die lans met eigen oogen zien kunt.”De hertog richtte zich langzaam op en nam den schijn aan, alsof hij uit een diepen slaap ontwaakte. Evenzoo deden de hertogin en de overigen, en allen hielden zich zoo verbaasd, alsof zij van al het voorgevallene geen sikkepitje wisten. Met nog half gesloten oogen las de hertog het gouden opschrift, dat hij zelf had opgesteld, en viel toen Don Quichot om den hals, hem met gelukwenschingen overstelpend en hem wel honderdmaal verzekerend, dat hij de beste ridder was, dien het aardrijk nog ooit had gedragen.Sancho Panza vroeg intusschen naar de gravin Trifaldi en haar gevolg, en hoorde tot zijne verwondering, dat de geheele schaar verdwenen was op ’t zelfde oogenblik, toen het vliegend luchtpaardkwam aansuizen en brandend op de aarde was neergevallen.De hertogin vroeg den schildknaap, wat hem op zijne luchtreis al zoo was overgekomen.“Dat wil ik u van stukje tot beetje vertellen, doorluchtige mevrouw,” antwoordde Sancho. “Toen ik voelde, dat wij door de vuurstreek vlogen, vroeg ik mijn meester, of ik den blinddoek niet wat los mocht maken; maar die verbood mij dat. Daar ik evenwel zoo erg nieuwsgierig was, lichtte ik den doek toch zoo’n beetje op en keek door de opening bij mijn neus langs naar de aarde. Van de ontzettende hoogte, waar wij met de snelheid van den razendsten stormwind voortdreven en waar de bliksemstralen ons maar zoo om de ooren sisten, leek zij mij niet veel grooter dan een mosterdkorrel toe en de menschen, die er op omkrabbelden, leken mij pas zoo groot als een walnoot. Daaruit kunt gij opmaken, tot wat hoogte wij ’t al gebracht hadden.”“Maar, vriend Sancho,” zei de hertogin met een ernstig gezicht, schoon zij moeite had om haar lachen te verbijten, “als de aarde u maar zoo groot als een mosterdkorrel toescheen, maar de menschen zoo groot als een walnoot, dan moest immers één mensch de geheele aarde bedekt hebben?”“Dat zou men wel haast zoo zeggen,” antwoordde Sancho; “maar toch stak er een tipje van uit, en ik zag haar heelemaal.”“Sancho, dat is niet mogelijk,” verklaarde de hertogin. “Als men maar een tipje ziet, kan men onmogelijk het geheel zien.”“Och, ik kan met eene zoo verstandige en voorname dame niet redetwisten,” antwoordde de schildknaap; “maar bij dit alles moet gij toch in aanmerking nemen, dat hier overal tooverij bij in ’t spel kwam, dat wij met tooverij door de lucht vlogen, en dat ik door tooverij de heele aarde zien kon, van wat plaats ik ook uitkeek. Indien gij evenwel dit niet gelooft, dan gelooft gij misschien ook niet, wat mij nog later is overkomen. Kijk, uwe doorluchtigheid, toen ik de oogen opsloeg, streken wij al zoo dicht bij den hemel langs, dat ik hem haast met de handen aanraken kon. Hij is ontzettend groot, als men hem zoo van nabij ziet. Verder wou ’t geval, dat wij in de buurt van het zevengesterntekwamen, en daar ik in mijne jeugd geitenherder ben geweest, kreeg ik lust, om eens eventjes die zeven geitjes toe te spreken. ’t Hing er maar van af, of ik kans zou zien, om van Krukhout te komen. Wat doe ik eindelijk? Ik draai de kruk om, zonder dat mijn heer er iets van merkt; ons paard staat doodstil; ik wip er af, en houd met de geitjes een praatje van wel drie kwartier en sprong toen weer achter mijn heer op, zonder dat Krukhout in al dien tusschentijd een poot verzet had.”“Maar wat deed Don Quichot zoolang? Zeg, edele heer, hoe hebt gij u den tijd gekort?” vroeg de hertog.“Daar ik van al de dingen, die Sancho Panza gezien wil hebben, niets merkte, kan ik er ook niets van zeggen. Ik heb mijn doek geen oogenblik verschoven en dus hemel noch aarde, zee noch land gezien. Wel bemerkte ik, dat wij de streek der winden door en nabij de streek des vuurs kwamen; maar dat wij het veel verder gebracht hebben, kan ik bezwaarlijk gelooven. In aanmerking nemende, dat wij niet zonder tot asch te verbranden tot in den hemel, waar de Zeven Geitjes zijn, konden komen, moet ik zelfs denken, dat Sancho Panza òf gedroomd òf, wat nog veel erger is, schandelijk gelogen heeft.”“Daar kan men licht de proef van nemen,” zeide Sancho Panza met onverzettelijke onbeschaamdheid. “Men heeft mij maar te vragen, hoe de geitjes er hebben uitgezien. Geef ik onvoldoende antwoorden, maak mij dan maar voor een droomer en een leugenaar uit.”“Kom, beschrijf ons die geiten dan eens; we zijn nieuwsgierig,” zeide de hertogin.“Goed,” antwoordde Sancho. “Twee er van zijn groen, twee rozerood, twee hemelsblauw en een is bontgevlekt.”“Ei, dat moeten dan wel vreemde geiten zijn,” zeide de hertogin. “Bij ons te lande komen ze zoo niet voor en heb ik althans ze nooit in die kleuren gezien.”“Ik voor mijn part vind het heel natuurlijk, dat tusschen de geiten des hemels en de geiten der aarde een beetje onderscheid bestaat,” meende Sancho.“Maar zeg eens, Sancho, hebt gij onder die geiten ook een bok gezien?” vroeg de hertogin.“Neen, mevrouw, en dat zou mij ook verwonderd hebben, want dan liep hij gevaar van met zijne horens aan de horens van de maan vast te raken.”Met dit antwoord had men van de stoute leugens van den braven schildknaap vooreerst genoeg. De hertog had zich met het gansche avontuur kostelijk vermaakt en het had in hem den lust opgewekt om de klucht nog wat verder te laten voortspelen. Voortaan had hij het hoofdzakelijk op Sancho Panza gemunt, die toch eindelijk zijn gehoopt stadhouderschap moest aanvaarden.
Eenige dagen verliepen, zonder dat met onze beide helden iets bijzonders was voorgevallen. Op de vraag van de hertogin aan den schildknaap, of hij met het werk zijner zelfkastijding al begonnen was, antwoordde Sancho toestemmend.
“En waarmee hebt gij uzelf de slagen toegedeeld?” vroeg zij verder.
“Wel, hier met mijn hand,” antwoordde hij.
“Ei,” sprak de hertogin, “dan zijn de slagen zeker wat heel zacht uitgevallen, en ik twijfel zeer, of de gestrenge heer Montesinos daar wel mee zal tevreden zijn. Gij moet eene stevige geeselroede of een dik touw met knoopen nemen, daar voor de verlossing van eene zoo uitstekende en schoone dame wel wat pijn mag worden geleden.”
“Nu, als ’t knijpt en weer knijpt, mevrouw, geef mij dan eene roe, zooals ’t hoort, en dan wil ik mijzelf daarmee kwispelen, als ’t niet te erg zeer doet. Maar uwe doorluchtigheid mag vrij gelooven—schoon ’k maar een boer ben, zoo is mijn huid toch even gevoelig als ’t vel van den besten edelman, en mijzelf erg te pijnigen is volstrekt mijn plan niet.”
“Goed, goed!” zei de dame lachend; “ge zult morgen eene roe hebben, die net voor je past en je de teêre huid niet al te erg zal havenen.”
Met deze toezegging stelde Sancho zich tevreden.
Eenige dagen daarna zaten de hertog en de hertogin na afgeloopen maaltijd met hunne beide gasten in den tuin en spraken over beroemde ridders van vroeger en later dagen, toen men op eens den schellen, gillende toon van eene fluit en het dof gerommel van eene oude trom vernam. Geen van allen wist eerst, wat van deze vreemde en onwelluidende muziek te denken, en Don Quichot werd zoo onrustig, dat hij op zijn stoel heen en weer schoof en van verlangen brandde, om te weten, welk nieuw avontuur hier voor hem aanstaande was. Sancho zat, als gewoonlijk, weer zoo in angst, dat hij zich zoo dicht mogelijk bij de hertogin hield en gaarne onder de plooien van haar lang sleepkleed zou zijn weggekropen.
Terwijl zij met gespannen verwachting naar de treurige en zwaarmoedige tonen van die muziek luisteren, traden aan het andere eind van den tuin twee mannen in rouwkleederen binnen, welke laatste zoo lang waren, dat zij ruischend op den grond nasleepten.Die mannen sloegen op trommen, die insgelijks met zwart rouwfloers behangen waren. Aan hunne zijde stapte een pijper, en dicht achter hen volgde een reusachtig lang man, van top tot teen in het zwart gekleed en met een sleep, die ter breedte van wel ruim tien el het stof van den grond wegveegde. Over zijn kleed droeg hij aan een gordel van zwart leder een verbazend groot zwaard met zwarten greep en zwarte scheede, en zijn gezicht was met een zwarten sluier bedekt, door welken een dichte, lange, sneeuwwitte baard heenschemerde. Met deftig afgemeten passen trad hij nader en zette de voeten telkens naar de maat der trommen neer. Zijne reusachtige figuur, zijne vreemde kleedij en fiere houding brachten allen in de grootste verbazing.
Na den tuin doorgegaan te zijn, trad hij regelrecht op den hertog toe, die hem met de overigen staande opwachtte, wierp zich aan diens voeten neer en wilde met zijne toespraak beginnen, toen de hertog hem beduidde, dat hij geen woord aanhooren zou, indien hij niet dadelijk weer opstond. De reus rees dus weder overeind, sloeg zijn sluier op en vertoonde zijn gezicht, dat met den diksten, langsten en witsten baard versierd was, dien ooit een menschelijk oog had aanschouwd.
“Doorluchtigste heer en hooge gebieder,” begon hij met eene stem, die zwaar en diep als het rollen van den verren donder uit zijne breede borst kwam, “mijn naam is Trifaldin met den witten baard, en ik ben stalmeester van de gravin Trifaldi, die met anderen naam ook Dueña Dolorida genoemd wordt. Op last van haar verschijn ik, om uwe hoogheid een genadig gehoor te verzoeken, en om te vernemen, of zich hier op het slot ook de dappere en nooit overwonnen ridder Don Quichot van La Mancha ophoudt, om wiens wille mijne meesteres uit haar koninkrijk Candaya hierheen is gekomen. Zij wacht aan de poort van dit slot en verlangt slechts uwe vergunning, om binnen te komen en u haar ongehoord ongeluk mee te deelen.”
“Mijn waarde stalmeester Trifaldin met den witten baard,” antwoordde de hertog, “wij kennen sinds lang al het ongeluk van uwe meesteres, de gravin Trifaldi, die alleen door de kunstenarijenvan snoode toovenaars Dueña Dolorida genoemd wordt. Meld haar, dat wij haar wachten, en dat zij hier ook den dapperen en vermaarden ridder van La Mancha zal vinden, van wiens grootmoedige gezindheid zij veilig alle bescherming en bijstand mag hopen.”
Bij het vernemen dier blijde tijding boog de stalmeester Trifaldin tot afscheid de knie, wenkte trommelaars en pijper en verwijderde zich met dezen, even deftig en plechtstatig, als hij gekomen was. Korten tijd daarna verschenen twaalf in ’t zwart gekleede dames in den tuin en naderden twee aan twee op de maat van de muziek. Achter haar ging de gravin Trifaldi aan den arm haars stalmeesters. Een zwart kleed golfde om hare leden en drie edelknapen volgden haar, die haar den sleep nadroegen.
In de nabijheid van het hertogelijk paar gekomen, schaarden de twaalf dames zich in twee rijen, tusschen welke de gravin doorging, om zich den hertog te voet te werpen, wat deze natuurlijk wist te verhinderen. Hierop sprak zij met eene eer grove en mannelijke dan fijne vrouwenstem de volgende woorden:
“Doorluchtige heer, eene ongelukkige nadert u, om uwe bescherming in te roepen, die zij meer dan iemand anders ter wereld noodig heeft. Voordat ik u echter mijn ongeluk vertel, zou ik gaarne weten, of de wereldvermaarde en dappere leeuwenridder hier is en zijn getrouwen schildknaap Sancho Panza bij zich heeft.”
“Hier is Sancho Panza,” riep deze, nu weer moedig voor den dag springend, “en hier is ook mijn heer, de vreeselijkste en dapperste ridder, die ooit op twee beenen stond. Zeg, wat gij begeert, betreurenswaardige jonkvrouwe Dolorida. Wij zijn steeds bereid, ongelukkigen te helpen en verongelijkten recht te verschaffen.”
Voordat de dame hierop antwoorden kon, trad Don Quichot toe en zeide:
“Indien uw leed zich van den arm en de kracht eens dolenden ridders eenige hoop op verzachting durft beloven, dan staat hier Don Quichot van La Mancha, over wien gij vrij beschikken kunt, zoo gij zijne diensten verlangt. Laat mij dus zonder verwijl de geschiedenis van uw ongeluk vernemen.”
De dame wilde den dapperen ridder de knieën omhelzen; dochhij liet dat niet toe, maar verzocht haar bij herhaling, de oorzaak van haar leed mee te deelen.
Zoo vernam hij dan, dat een schandelijke reus en toovenaar, Malambruno geheeten, haar van hare heerlijkheid beroofd en haar zelve met al hare hofdames op de afschuwelijkste wijze misvormd had door hare gladde blanke gezichten met ruige borstels te bedekken.
Op een wenk der gravin sloegen hare gezellinnen hare sluiers op en lieten tronies zien, die dusdanig met dichte baardharen begroeid waren, dat Don Quichot een kreet van verbazing uitstiet en zelfs de hertog en de hertogin zich verschrikt afwendden.
“Zie, heer ridder,” sprak gravin Trifaldi, “zóó heeft die kwaadaardige booswicht Malambruno ons toegetakeld. ’t Was ons allen veel liever geweest, als hij ons terstond gedood had en het hoofd afgehouwen. Maar om nu tot de hoofdzaak te komen, moet ik u zeggen, dat niemand buiten u mij helpen kan, daar nergens op aarde meer een ridder van uwe dapperheid gevonden wordt.”
“Nu, aan mijn goeden wil zal het niet ontbreken,” antwoordde Don Quichot. “Beveel, wat ik verrichten moet, en uwe wenschen zullen oogenblikkelijk vervuld worden!”
“Het eenige bezwaar, dat ons in den weg staat,” sprak de gravin, “is de omstandigheid, dat mijn koninkrijk over de vijfduizend mijlen van hier verwijderd ligt. Zoo gij echter, waaraan ik niet twijfel, moed genoeg bezit, om van eene reisgelegenheid gebruik te maken, die mij ieder oogenblik ten dienste staat, ben ik in een ommezien geholpen. Ik bezit namelijk het houten paard, waarop de dappere Pierres de schoone Magalona ontvoerde. Het wordt bestuurd door een kruk, die voor op den kop en ten volle de diensten van een teugel doet, en daarbij vliegt het met eene lichtheid en snelheid door de lucht, alsof de duivel zelf het medevoerde. Dit paard is, volgens echte oorkonden, door den grootmeester van alle toovenaars, den grooten Merlin, vervaardigd, die het aan zijn vriend, den dapperen Pierres ten geschenke gaf. Na dien held heeft niemand het meer bestegen, wijl ieder vreest er de lucht mee in te gaan. Evenwel is het het makste en beste dier van de wereld. Ineen ommezien brengt het zijn berijder in de verst verwijderde werelddeelen, en heeft daarbij het voordeel, dat het noch eet, noch drinkt, noch slaapt, noch ook zijne hoefijzers afslijt. Voor ’t overige heeft het zulk een aangenamen en lichten gang, dat men, terwijl men door de lucht vliegt, een boordevolle kom water in de hand kan houden, zonder een droppel te morsen. Dit was de reden, waarom de schoone Magalona het ook zoo gaarne bereed.”
“Nu, wat een zacht en rustig draven aangaat,” zei Sancho, “heb ik zelf een grauwtje, dat het tegen alle telgangers van de wereld opneemt. Zijn eenige fout is maar, dat hij niet door de lucht kan vliegen.”
Allen lachten over Sancho Panza’s dwaze aanmerking, en de gravin ging voort:
“Zoo gij bereid zijt, heer ridder, mijne wenschen te vervullen en u aan dat wonderdadig ros toe te vertrouwen, dan zal het zich op mijn wenk een half uur voor den donker in ons midden bevinden.”
“Hoeveel menschen nemen dan plaats op dat paardje?” vroeg Sancho.
“Niet meer dan twee,” antwoordde jonkvrouwe Dolorida, ook gravinne Trifaldi geheeten: “Één in den zadel en de ander achterop.”
“Ik ben benieuwd, wat naam dat beest heeft,” vroeg Sancho Panza. “Weet gij mij dat ook te zeggen?”
“Zijn naam is niet zoo hoogdravend als Pegasus of Bucephalus, of Orelia, maar ’t is een doodeenvoudige, schoon bijzonder passende naam. Het heet Krukhout de Gevleugelde, omdat het van hout is, omdat het door een kruk bestuurd wordt en omdat het in vlugheid door geen schepsel ter wereld wordt overtroffen.”
“Ei, die naam is zoo kwaad niet en bevalt mij bijzonder goed,” verklaarde Sancho. “Maar waar is de toom of halster, waardoor ’t geregeerd wordt?”
“Ik heb al gezegd, dat die kruk zijn teugel is,” antwoordde de gravin Trifaldi. “Al naarmate de ridder, die het berijdt, die kruk draait, gaat het paard hoog in de lucht op of daalt weer naar de aarde neer, houdt rechts of links, of rechtuit.”
“Dat moet dan al een bijzonder knap dier wezen en ’k ben verlangend, het eens te zien,” zei Sancho. “Als men zich evenwel verbeeldt, dat ik daar achterop zal kruipen, dan slaat men den bal glad mis en verwacht peren van den olijfboom. Dat zou me wat moois wezen! Ik, die mij pas op den zadel van mijn grauwtje kan houden, die toch goed gevuld en zoo week als een kussen is, zou op de harde houten bonken van een beest gaan zitten, dat met mij de lucht ingaat, zonder dat ik weet, of het ooit weer op aarde te land zal komen! Neen, neen, voor zoo’n reisje bedank ik!”
“Weest gerust, mijne heeren en dames!” zeide Don Quichot, die elk woord van zijn schildknaap verstaan had. “Ik vertrouw zeker, dat Sancho mij in alles gehoorzamen zal. Had ik den reus nu maar hier! Waarachtig, ik zou hem den kop van den romp houwen, voordat hij drie kon tellen.”
“Geduld, edele ridder, nog korten tijd,” zeide de gravin Trifaldi. “Zoodra de avond komt, zal ook het ros verschijnen, en gij kunt het dan terstond bestijgen. Dan zal ook mijne ellende haar einde nabij zijn; mijn baard met al de baarden mijner dames zullen spoorloos verdwijnen, en wij allen zullen u, heer ridder, eeuwige erkentelijkheid verschuldigd zijn.”
Zeer spoedig kwam de avond en dus ook de tijd, dat het vliegend paard moest verschijnen. Don Quichot wachtte het met levendig ongeduld en wilde daaraan reeds in woorden lucht geven, toen op eens vier wilde, met groen klimop in plaats van met kleederen bedekte mannen in den tuin traden en een plomp houten paard op hunne schouders droegen. Zij zetten dat in de nabijheid van den ridder behoedzaam op den grond, en een hunner sprak met machtige stem: “Wie moed voelt, die bestijge den Gevleugelden Krukhout.”
“Nu, ik voor mijn part heb geen moed, en zal hem dus niet bestijgen,” verklaarde Sancho op stelligen toon.
“Wanneer de ridder, die dit ros bestijgt,” ging de met klimop bekleede man voort, “een schildknaap in zijn gevolg heeft, dan moet deze achterop stijgen en zijn meester vergezellen. Hij kan daarbij zonder vrees zijn, want hem zal in het minst geen kwaad overkomen. De ridder heeft niets te doen, dan aan de kruk tedraaien, die aan den hals van het paard is aangebracht, en dan zal hij zonder verwijl naar de plaats worden gedragen, waar Malambruno hem wacht. Opdat echter de ontzettende hoogte, waartoe het paard opstijgen zal, de ruiters niet duizelig make, moeten zij zich de oogen laten blinddoeken en mogen zij dien doek niet afdoen, voordat het paard luid begint te brieschen. Dit is het teeken, dat de tocht volbracht is en de ruiters hun doel hebben bereikt.”
Na deze woorden bogen zich de mannen in klimop en verwijderden zich met haastigen tred. Dolorida of gravin Trifaldi echter keerde zich met tranen in de oogen tot den ridder en sprak:
“Daar, dapperste aller ridders, is nu Krukhout de Gevleugelde, en niets ontbreekt meer om mij gelukkig te maken, dan dat gij met uw schildknaap opstijgt en met vroolijk harte den tocht onderneemt.”
“Dat zal geschieden, edele vrouwe,” antwoordde Don Quichot, “dat zal geschieden met vroolijk harte en met den besten wil, om uw wreker te worden en u uwe vroegere schoonheid terug te verschaffen.”
“Dan wensch ik u goede reis en behouden overtocht, edele heer,” zeide Sancho Panza. “Ik voor mij zal wel oppassen, dat ik mij niet in zulk een gevaar begeef, en bedank er voor, daar achter op dat harde hout te zitten. Ik blijf, waar ik ben, of als ik meega, wil ik de reis op mijn eigen grauwtje doen.”
“Sancho Panza,” sprak hierop de hertog op bestraffende toon, “zoo gij uw heer in de ure des gevaars in den steek laat, reken dan niet, dat gij ooit eene stadhoudersplaats van mij krijgt. Vergezelt gij hem echter, gelijk dat een rechtschapen schildknaap betaamt, dan zal het stadhouderschap van mijn eiland Barataria uw loon zijn en kunt gij verzekerd wezen van mijne voortdurende gunst en goedwilligheid. Twijfel niet aan de waarheid dezer verzekering, maar wees overtuigd, dat wat ik zeg ernstig gemeend is.”
“Goed, goed, doorluchtige heer,” zeide Sancho, op wien het beloofde stadhouderschap dadelijk krachtig werkte. “Ik ben een arme schildknaap en kan anders niet, dan voor uwe genade dankbaar zijn en uwe bevelen gehoorzamen. Laat mijn meester opstijgen,laat mij een doek voor de oogen binden, en zeg mij, of ik op onze gevaarvolle reis den hemel en de hertogin aanroepen en hun krachtigen bijstand vragen mag.”
“Gerust, gerust moogt gij dat doen, vriend Sancho,” sprak Trifaldin, de stalmeester. “’t Is niet aan de tooverkracht des duivels en der helsche geesten, waaraan gij u toevertrouwt, maar ’t is eene eerlijke en behoorlijke tooverij, waartegen de goede geesten niets inbrengen kunnen.”
“Nu welaan, dan ben ik bereid,” zeide Sancho, niet zonder eene zachte trilling in zijne stem.
“Waarlijk,” sprak Don Quichot, “ik kan mij niet herinneren, mijn schildknaap, behalve bij dat gedenkwaardig avontuur met de molens, ooit zoo vreesachtig te hebben gezien, als heden, en indien ik maar wat bijgeloovig was, zou ik dien angst voor een slecht voorteeken houden. Maar kom eens hier, Sancho! Ik heb u een paar woorden onder vier oogen te zeggen.”
Sancho kwam bij hem, en beiden gingen een weinig bezijden af in een boschje. Hier vatte de ridder zijn schildknaap bij beide handen en sprak:
“Waarde vriend Sancho, wij hebben, zooals gij weet, een verren tocht te doen en het is onzeker, hoe lang wij uitblijven zullen. Daarom wensch ik zeer, dat gij terstond in uwe kamer gaat en u daar vóór ons vertrek nog een vijfhonderd of duizend slagen van de drie duizend en drie honderd toedient, die tot onttoovering van mijne gebiederes Dulcinea van Toboso noodig zijn. Wat gedaan is, is gedaan, en gij zult er mij bijzonder door verplichten. Frisch aan het werk dus, mijn vriend, want uitstel leidt tot afstel en uw woord houden moet gij toch.”
“Zoo waar ik leef, heer, ’t is een onverstandig ding, dat gij daar van mij vergt,” antwoordde Sancho. “Hoe kunt gij verlangen, dat ik mijne krachten ga verzwakken op een tijd, nu ik die zoo bijzonder hoog noodig zal hebben! Waarachtig, ’t is, alsof ge niet goed bij uw hoofd zijt. Laat ons eerst de gevaarlijke reis volbrengen, en wees dan verzekerd, dat ik mijn uiterste best zal doen, om den tijd der betoovering voor u af te korten. Ik zal mij dan zoo vlugen handig van mijne verplichting zoeken te kwijten, dat gij in de hoogste mate tevreden zult wezen.”
“Nu goed, vriend Sancho, ik wil op uwe belofte vertrouwen,” antwoordde Don Quichot.“Ik ben van uwe waarheidsliefde zoo volkomen overtuigd, dat ik niet aan uwe woorden twijfelen wil. Kom dan weer mee bij de overigen, en wij willen ons gereedmaken tot ons vertrek.”
Zij keerden terug, en nu zou het vliegend paard terstond bestegen worden.
“Bind u nu een doek voor de oogen, Sancho,” zeide Don Quichot. “Wij moeten stiptelijk volbrengen, wat men van ons verlangt.”
“Ja, ja, maar doe gij dat maar eerst,” sprak de schildknaap, “Als ik achter zal zitten, dient gij natuurlijk eerst op te stijgen, en dus heb ik tijd tot gij zelf klaar zijt.”
Don Quichot zag het gegronde dezer aanmerking in, haalde zijn zakdoek te voorschijn en verzocht de gravin Trifaldi, hem dien voor de oogen te binden. Zij deed dat zonder tegenspraak, en nu werd de ridder op den houten rug van het tooverpaard getild. Toen hij vast zat, onderzocht hij de kruk aan den hals en bevond, dat die zich uiterst gemakkelijk liet omdraaien en bewegen. Daar de ridder geen stijgbeugels had, hingen zijne magere beenen steil naar beneden en had hij veel van de figuur, welke men wel soms op oude behangsels ziet en die een Romeinschen triumphator moet voorstellen.
Sancho volgde langzaam en met kennelijken tegenzin het voorbeeld zijns meesters en zocht het zich op het achterdeel van het paard zoo gemakkelijk mogelijk te maken. Hij vond dat evenwel zoo hard, dat hij den hertog bad, hem toch een sprei of kussen te doen brengen, daar hij de bezwaarlijke reis anders onmogelijk zou kunnen uithouden. De gravin Trifaldi antwoordde, dat aan dit verzoek op geene wijze kon voldaan worden, omdat het in Krukhouts aard lag, dat hij niet de minste bedekking kon verdragen. Om meer gemak te hebben, moest hij dan maar zoo gaan zitten, als vrouwen doen, wat hem zeker wel eenige verlichting zou aanbrengen.
Sancho Panza volgde dezen raad, nam afscheid van de omstanders en bond zich den doek voor de oogen. Terstond daarna maakte hij dien echter nog eens weer los, keek met tranen in de oogen rond en verzocht al de achterblijvenden, dat zij toch om hem zouden denken en zijn grauwtje goed verzorgen.
“Lafhartige kerel!” riep Don Quichot hem hierop toe, “staat gij dan al onder de galg of ligt gij op uw uiterste, dat gij de menschen hier met zulke vragen lastig valt? Bind gauw den doek weer vast en leuter niet van gevaar, zoolang gij u in mijne tegenwoordigheid bevindt.”
Brommend en pruttelend bond Sancho Panza zich nogmaals den doek voor, en toen Don Quichot merkte, dat alles in orde was, greep hij naar de kruk en draaide die rond op de wijze, die hem was opgegeven. Op ’tzelfde oogenblik verhieven de omstanders hunne stemmen en riepen hem na:
“God geleide u, dapperste aller ridders, met u, onverschrokken schildknaap! Ha, wat vliegen zij! Dat snort als een pijl door de lucht! Een mensch wordt duizelig alleen van ’t gezicht! Houd u vast, Sancho, en pas op, dat ge niet valt, want ge zoudt in duizend stukken op den grond komen.”
Sancho verstond elk woord, dat hem werd toegeroepen, en klemde zich vol zielsangst vast, waartoe hij beide armen om zijn heer sloeg.
“Hoe zou het toch wel zoo wezen, heer,” vroeg hij, “dat wij alles verstaan, wat die daar beneden ons toeschreeuwen, ofschoon wij nu toch al zoo hoog in de lucht vliegen? ’t Is net, alsof ze nog dicht om ons toe stonden.”
“Breek daar uw hoofd niet mee,” antwoordde de ridder. “Daar deze luchtvaart zoo geheel buiten het bereik der gewone dingen ligt, zoo moet gij op duizend mijlen afstands kunnen hooren en zien, wat ge maar verkiest. Maar pak mij niet zoo vast, of ge zult mij nog van het paard trekken. Wat zijt ge toch bang en flauwhartig! Ik begrijp volstrekt niet, hoe ge u zoo angstig maakt, daar ik zeggen moet, nog nooit een dier bereden te hebben, dat zachter gang heeft. ’t Is waarlijk, of we heel niet van de plaats kwamen.Onderdruk uwe vrees dus, mijn vriend, en vertrouw, dat alles goed af zal loopen. De wind is ons gunstig en blaast ons frischin denrug.”
“Ja, dat is zoo,” erkende Sancho; “ik voel zoo’n koelte in mijn zij, alsof ’k den wind uit duizend blaasbalgen kreeg.”
Sancho Panza had het rechte woord getroffen, want inderdaad waren ’t een paar groote blaasbalgen, die hem van frissche lucht in overvloed voorzagen. De hertog had alles zoo goed ingericht, dat zelfs de elementen meewerken moesten om de luchtreizigers in hun waan te versterken.
Don Quichot, die ook zijn deel van de aanblazing gehad had, nam na eene poos het woord weer en zeide tegen Sancho: “wij moeten nu spoedig de tweede luchtlaag bereiken, waar de donders rollen en de bliksems als vurige slangen heen en weer schieten, en eindelijk, als wij al hooger en hooger klimmen, komen wij in het luchtgebied van het vuur. ’t Is leelijk, dat ik niet weet, hoe de kruk te draaien om ons zoo ver van dat gebied te houden, dat wij niet verbranden.”
Terstond wenkte de hertog nu eenige dienaren, en men warmde de gezichten der luchtreizigers door middel van eenige bossen vlas, die, aan stokken gebonden, licht vuur vatten en ontvlamden, en ook even gemakkelijk waren uit te dooven.
“Ik laat mij villen,” zei Sancho, toen hij die hitte op zijn lichaam bespeurde, “als wij niet al midden in dat vuurgebied of er althans heel dicht bij zijn. Mijn gezicht gloeit als vuur en ’t zou wel goed wezen, dat ik mijn blinddoek eens afnam, om te zien, op wat hoogte we eigenlijk zijn.”
“Doe dat vooral niet!” waarschuwde Don Quichot. “Denk aan de historie, die eens met zekeren pastoor Torralva is voorgevallen. De duivels voerden hem op een bezemstok door de lucht mee en hij moest, als wij, zijne oogen toehouden. Binnen de twaalf uren kwam hij naar Rome en werd in de straat Torre de Nona neergezet, zag het tumult eener belegering, en was den volgenden morgen al weer in Madrid, waar hij alles vertelde, wat hij gezien had. Onder weg, zoo verklapte hij, hadden de duivels hem bevolen, de oogen te openen, en toen was hij zoo dicht bij de maan geweest,dat hij haar wel met de hand betasten kon. Maar naar de aarde had hij niet durven kijken, uit vrees van duizelig te worden en naar beneden te tuimelen; en daarom, Sancho, mogen ook wij onze blinddoeken niet afnemen. Misschien komen wij zoetjes aan wel zoo hoog, dat wij plotseling op het koninkrijk Candaya neervallen kunnen, als een valk op zijn prooi. In allen gevalle is Krukhouts vlucht van verbazende snelheid, en ofschoon wij nog pas een half uur uit den tuin weg zijn, kunt gij er staat op maken, dat wij reeds honderden mijlen achter den rug hebben.”
“Hoe het daarmee is, weet ik niet,” bromde Sancho Panza; “maar wel weet ik, dat jonkvrouwMagalona, als ze ’t hier op mijne plaats kon uithouden, zeker vrij grof van huid en van ledematen is geweest.”
Al deze woorden werden door het gezelschap in den tuin duidelijk verstaan, en men vermaakte zich er natuurlijk niet weinig mee. Om echter aan de klucht een einde te maken en heel het vreemde, kunstig aangelegde avontuur met een luisterrijk slot te kronen, werd thans aan Krukhouts staart eene brandende lont vastgemaakt. Daar spatte nu de gansche buik van het holle paard met schrikbarend geknetter en gekraak uiteen en deed den dapperen held en zijn schildknaap half verzengd en geheel bedwelmd en verbijsterd op den grond tuimelen. Van dit oogenblik maakten de gravin Trifaldi en hare medebaarddraagsters, de twaalf dames, met de meeste verdere toeschouwers haastig gebruik om zich uit de voeten te maken, zoodat zij uit den tuin verdwenen waren, voordat de gefopten weer uit hunne bedwelming ontwaakten. De overigen wierpen zich op den grond en hielden zich, alsof zij ook in onmacht lagen.
Toen Don Quichot en Sancho na eenigen tijd weer bijkwamen en zich vrij wat gekneusd en gehavend van den grond oprichtten, keken zij vol bevreemding naar alle kanten rond, daar zij bemerkten, dat zij zich in denzelfden tuin bevonden, waaruit zij waren opgestegen, en hunne verbazing klom nog, toen zij eenige personen als dood op den grond zagen liggen. Eindelijk zag Don Quichot aan het eind van den tuin eene lange lans staan, waaraan, met zijden snoeren vastgemaakt, een groot blad wit perkament hing. Hij gingdaarop toe en ontdekte op het perkament een opschrift in gouden letters, van den volgenden inhoud:
“De groote en wereldberoemde ridder Don Quichot van La Mancha heeft het gevaarvolle avontuur ter gunste van de gravin Trifaldi bestaan alleen reeds door de bedoeling, om het te volbrengen. De gravin en hare dames zijn van hare baarden bevrijd, Malambruno is dood, en de heerschappij over het koninkrijk is aan de rechte handen teruggegeven. Zoodra de schildknaap Sancho Panza zijne zelfkastijding volbracht heeft, zal ook de schoone Dulcinea hare vroegere gedaante weder aannemen en in de armen van haren dapperen ridder en bevrijder snellen. Aldus spreekt Martino, de machtigste aller toovenaars.”
Na het lezen van dit opschrift was Don Quichot zeer verheugd, met zoo gering gevaar eene zoo roemvolle daad verricht te hebben, en zijn hart klopte hoorbaar bij de gedachte, dat hij zijne verhevene Dulcinea thans wellicht spoedig onttooverd zou zien. Evenwel herstelde hij zich spoedig, bedwong zijne verrukking en trad op den hertog en de hertogin toe, die schijnbaar nog altijd in diepe onmacht op een groen grasperk lagen uitgestrekt.
“Op, op, doorluchtige heer!” riep hij, de rechterhand des hertogs grijpend en duchtig schuddend. “Op, heer, en wees goedsmoeds! Het avontuur is gelukkig volbracht, zonder iemand schade gedaan te hebben, gelijk gij uit dat getuigschrift daar aan die lans met eigen oogen zien kunt.”
De hertog richtte zich langzaam op en nam den schijn aan, alsof hij uit een diepen slaap ontwaakte. Evenzoo deden de hertogin en de overigen, en allen hielden zich zoo verbaasd, alsof zij van al het voorgevallene geen sikkepitje wisten. Met nog half gesloten oogen las de hertog het gouden opschrift, dat hij zelf had opgesteld, en viel toen Don Quichot om den hals, hem met gelukwenschingen overstelpend en hem wel honderdmaal verzekerend, dat hij de beste ridder was, dien het aardrijk nog ooit had gedragen.
Sancho Panza vroeg intusschen naar de gravin Trifaldi en haar gevolg, en hoorde tot zijne verwondering, dat de geheele schaar verdwenen was op ’t zelfde oogenblik, toen het vliegend luchtpaardkwam aansuizen en brandend op de aarde was neergevallen.
De hertogin vroeg den schildknaap, wat hem op zijne luchtreis al zoo was overgekomen.
“Dat wil ik u van stukje tot beetje vertellen, doorluchtige mevrouw,” antwoordde Sancho. “Toen ik voelde, dat wij door de vuurstreek vlogen, vroeg ik mijn meester, of ik den blinddoek niet wat los mocht maken; maar die verbood mij dat. Daar ik evenwel zoo erg nieuwsgierig was, lichtte ik den doek toch zoo’n beetje op en keek door de opening bij mijn neus langs naar de aarde. Van de ontzettende hoogte, waar wij met de snelheid van den razendsten stormwind voortdreven en waar de bliksemstralen ons maar zoo om de ooren sisten, leek zij mij niet veel grooter dan een mosterdkorrel toe en de menschen, die er op omkrabbelden, leken mij pas zoo groot als een walnoot. Daaruit kunt gij opmaken, tot wat hoogte wij ’t al gebracht hadden.”
“Maar, vriend Sancho,” zei de hertogin met een ernstig gezicht, schoon zij moeite had om haar lachen te verbijten, “als de aarde u maar zoo groot als een mosterdkorrel toescheen, maar de menschen zoo groot als een walnoot, dan moest immers één mensch de geheele aarde bedekt hebben?”
“Dat zou men wel haast zoo zeggen,” antwoordde Sancho; “maar toch stak er een tipje van uit, en ik zag haar heelemaal.”
“Sancho, dat is niet mogelijk,” verklaarde de hertogin. “Als men maar een tipje ziet, kan men onmogelijk het geheel zien.”
“Och, ik kan met eene zoo verstandige en voorname dame niet redetwisten,” antwoordde de schildknaap; “maar bij dit alles moet gij toch in aanmerking nemen, dat hier overal tooverij bij in ’t spel kwam, dat wij met tooverij door de lucht vlogen, en dat ik door tooverij de heele aarde zien kon, van wat plaats ik ook uitkeek. Indien gij evenwel dit niet gelooft, dan gelooft gij misschien ook niet, wat mij nog later is overkomen. Kijk, uwe doorluchtigheid, toen ik de oogen opsloeg, streken wij al zoo dicht bij den hemel langs, dat ik hem haast met de handen aanraken kon. Hij is ontzettend groot, als men hem zoo van nabij ziet. Verder wou ’t geval, dat wij in de buurt van het zevengesterntekwamen, en daar ik in mijne jeugd geitenherder ben geweest, kreeg ik lust, om eens eventjes die zeven geitjes toe te spreken. ’t Hing er maar van af, of ik kans zou zien, om van Krukhout te komen. Wat doe ik eindelijk? Ik draai de kruk om, zonder dat mijn heer er iets van merkt; ons paard staat doodstil; ik wip er af, en houd met de geitjes een praatje van wel drie kwartier en sprong toen weer achter mijn heer op, zonder dat Krukhout in al dien tusschentijd een poot verzet had.”
“Maar wat deed Don Quichot zoolang? Zeg, edele heer, hoe hebt gij u den tijd gekort?” vroeg de hertog.
“Daar ik van al de dingen, die Sancho Panza gezien wil hebben, niets merkte, kan ik er ook niets van zeggen. Ik heb mijn doek geen oogenblik verschoven en dus hemel noch aarde, zee noch land gezien. Wel bemerkte ik, dat wij de streek der winden door en nabij de streek des vuurs kwamen; maar dat wij het veel verder gebracht hebben, kan ik bezwaarlijk gelooven. In aanmerking nemende, dat wij niet zonder tot asch te verbranden tot in den hemel, waar de Zeven Geitjes zijn, konden komen, moet ik zelfs denken, dat Sancho Panza òf gedroomd òf, wat nog veel erger is, schandelijk gelogen heeft.”
“Daar kan men licht de proef van nemen,” zeide Sancho Panza met onverzettelijke onbeschaamdheid. “Men heeft mij maar te vragen, hoe de geitjes er hebben uitgezien. Geef ik onvoldoende antwoorden, maak mij dan maar voor een droomer en een leugenaar uit.”
“Kom, beschrijf ons die geiten dan eens; we zijn nieuwsgierig,” zeide de hertogin.
“Goed,” antwoordde Sancho. “Twee er van zijn groen, twee rozerood, twee hemelsblauw en een is bontgevlekt.”
“Ei, dat moeten dan wel vreemde geiten zijn,” zeide de hertogin. “Bij ons te lande komen ze zoo niet voor en heb ik althans ze nooit in die kleuren gezien.”
“Ik voor mijn part vind het heel natuurlijk, dat tusschen de geiten des hemels en de geiten der aarde een beetje onderscheid bestaat,” meende Sancho.
“Maar zeg eens, Sancho, hebt gij onder die geiten ook een bok gezien?” vroeg de hertogin.
“Neen, mevrouw, en dat zou mij ook verwonderd hebben, want dan liep hij gevaar van met zijne horens aan de horens van de maan vast te raken.”
Met dit antwoord had men van de stoute leugens van den braven schildknaap vooreerst genoeg. De hertog had zich met het gansche avontuur kostelijk vermaakt en het had in hem den lust opgewekt om de klucht nog wat verder te laten voortspelen. Voortaan had hij het hoofdzakelijk op Sancho Panza gemunt, die toch eindelijk zijn gehoopt stadhouderschap moest aanvaarden.
Hoofdstuk XXI.Sancho Panza op het eiland Barataria.Nadat de hertog zijn plan ontworpen en aan zijne talrijke bedienden de noodige bevelen en aanwijzingen gegeven had, liet hij op een dag, korten tijd na die wonderbaarlijke luchtvaart,Sancho Panza roepen en kondigde hem aan, dat hij zich toerusten en klaar houden moest, om zijne waardigheid als stadhouder te aanvaarden, daar zijne aanstaande onderdanen al zoo naar hem verlangden, als het dorre land naar den Meiregen.Sancho Panza boog zoo diep, dat zijn neus bijkans den grond raakte, en zeide: “Heer, sinds ik tot de Zeven Geitjes opsteeg en daar de aarde zoo klein en nietig aan mijne voeten zag liggen, is de begeerte om stadhouder te worden een weinigje afgekoeld. Indien uwe hoogheid mij een klein brokje hemel verkoos te geven, zouik dat liever nemen, dan het grootste eiland van den aardbodem.”“Vriend Sancho,” antwoordde de hertog, “gij weet wel, dat ik zoo hoog in de lucht over niets te zeggen heb, en dat ik u daar dus ook geen stadhouderschap kan aanbieden. Ik geef u, wat ik in staat ben te geven: een vruchtbaar, kostelijk bebouwd, fraai en volmaakt eiland, waar gij overvloedig gelegenheid zult vinden om u met schatten te verrijken.”“Nu, komaan,” sprak Sancho, “om uwe doorluchtigheid pleizier te doen, wil ik dan zoo’n stadhouder worden; ’t is anders niet eerzucht, die mij aandrijft mijn nederigen stand te verlaten, maar alleen de begeerte om goed te doen en te vernemen, hoe zulk een stadhouderschap eigenlijk smaakt.”“Ei, als ge daar eens van geproefd hebt, zult ge er heel den tijd van uw leven alle tien vingers naar likken,” meende de hertog. “Geen heerlijker ding, dan te bevelen en nergens verzet of weerspannigheid te vinden. Morgen al zult gij op reis gaan, en van avond nog krijgt gij uwe ambtskleeding en wat meer tot uwe uitrusting behoort.”Sancho Panza boog andermaal als een knipmes en ging heen, om aan zijn meester het groote nieuws te verkondigen, dat hem zoo pas was meegedeeld. Don Quichot gaf hem de beste lessen en vermaningen, en Sancho hoorde hem zoo aandachtig aan, dat de ridder van zijn zoo op eens tot eene hooge waardigheid verheven schilddrager de beste verwachtingen opvatte.En nu kwam de dag tot vertrekken en ging Sancho Panza met een talrijk gevolg op weg. Hij droeg de kleeding van een geleerde en daarover een mantel van donkerblauw laken. Op een muildier zat hij, en zijn grauwtje, met splinternieuw tuig en zadel, werd hem nageleid, daar hij van dat trouwe dier onmogelijk kon scheiden. Hij was zoo tevreden en gelukkig, dat hij op dat oogenblik niet met den keizer van China had willen ruilen.Na eene korte reis kwam Sancho Panza met zijn gevolg in een stadje met ongeveer duizend inwoners aan, dat eene der aanzienlijkste bezittingen van den hertog was. Men maakte hem wijs, dat dit het eiland Barataria was; en alhoewel Sancho nog over geen water wasgekomen, zoo nam hij die verzekering toch voor goede munt op en brak er verder zijn hoofd niet mee.Toen hij de poorten der kleine stad naderde, die met een ringmuur omgeven was, kwamen hem raad en overheid plechtig te gemoet, om hem te verwelkomen. De klokken werden geluid, het volk juichte en jubelde, en met veel staatsie werd hij naar de hoofdkerk geleid, om voor zijne verheffing te danken, de sleutels der stad te ontvangen en zich in zijne volle waardigheid den volke te vertoonen.De figuur, de dracht, de geheele houding en de manieren van den nieuwen stadhouder wekten bij allen, die niet in het geheim van den hertog waren ingewijd en dus de geheele ceremonie voor ernst moesten houden, niet weinig verbazing. Nadat de plechtigheid in de kerk was afgeloopen, bracht men hem buiten, deed hem plaats nemen op den rechterstoel, en de huishofmeester van den hertog, die het geheele kluchtspel bestuurde, sprak hem aan als volgt:“Eerwaarde heer stadhouder, het is een overoud gebruik op het eiland, dat ieder, die er bezit van neemt, verplicht is eene vraag te beantwoorden, die zeer moeielijk en ingewikkeld is. Dit gebruik heeft geen andere bedoeling, dan om den bewoners al dadelijk een proefje van de scherpzinnigheid van den nieuwen regent te geven. Uit diens antwoord mogen zij dan opmaken, of zij over zijne aankomst zich te verheugen of wel te beklagen hebben.”“Ei, als dat zoo is, kom dan maar met uwe vraag voor den dag, heer huishofmeester,” antwoordde de nieuwe stadhouder. “Ik wil haar beantwoorden, zoo goed als ik maar kan, en dan moet het volk zelf weten, of ’t lachen of huilen wil.”Op dit oogenblik traden twee mannen in de rechtszaal, van wie de een als boer was gekleed en de ander zich door de groote schaar, die hij in de hand hield, als snijder deed kennen.“Heer stadhouder,” begon deze laatste, “ik en die boer hier komen om eene netelige zaak voor uwen rechtsstoel. Deze goede vriend namelijk kwam gisteren in mijne werkplaats, hield mij een lap laken voor en vroeg mij, of ik kans zag, daaruit eene mutsvoor hem te maken. Ik bekeek het laken van alle kanten, keerde ’t om en om, berekende de lengte en de breedte, en toen zei ik eindelijk: “Ja, dat zou ik wel kunnen.”De nieuwe stadhouder Sancho Panza ontvangt de sleutels der stad.De nieuwe stadhouder Sancho Panza ontvangt de sleutels der stad.“Nu dacht het boertje zeker, dat ik hem een stuk van het laken ontstelen wou of stilletjes in de hel wegmoffelen, en dus vroeg hij mij, of ’t niet mogelijk was, twee mutsen van het stuk te maken.“Ik had dat gauw in den neus, en zei ja. Daarop verlangde de boer al meer mutsen, en al meer, en dat van dit ééne lapje laken, totdat we ’t eindelijk over vijf stuks eens werden, die ik hem beloofde te maken. Voor een uur komt hij bij mij, om ze af te halen, en ik geef ze hem. Maar toen hij nu de mutsen ziet, wil hij mij er geen maakloon voor geven en verlangt zelfs, dat ik hem zijn laken zal betalen of ’t hem heel en gaaf, zooals ’t geweest is, teruggeven.”“En wat hebt gij nu te zeggen, vriendje?” keerde Sancho zich tot het boertje. “Is alles zoo, als de snijder zegt?”“Ja, daar kan ik niets tegen zeggen,” antwoordde de man. “Maar laat u nu eens de vijf mutsen toonen, die de gauwdief gemaakt heeft.”De snijder stak op den wenk van den stadhouder zijne hand onder den mantel en, toen hij die weer voor den dag haalde, zag men vijf mutsjes, die hij op de vijf vingertoppen van zijne hand had gestoken.“Hier is,” zeide hij, “wat die man van mij verlangde, en ’k mag hier door den grond zinken, als ik ook maar een enkelen draad van ’t laken voor mij heb gehouden.”Al de toeschouwers lachten over die onnoozele poppenmutsjes en over heel de kluchtige rechtzaak. Sancho Panza echter dacht een poosje stil na en sprak toen:“Ik geloof niet, dat tot het uitwijzen van deze rechtspraak veel wijsheid en geleerdheid noodig is, en ik beroep mij dus enkel en alleen op het gezonde menschenverstand. Mijn vonnis luidt aldus: “De snijder, omdat hij den boer opzettelijk bij den neus nam, verliest zijn maakloon; maar de boer verliest zijn laken, omdat hij, volgens zijne eigen bekentenis, vijf mutsen heeft besteld. De mutsen echter houd ik tot vergoeding van de rechtskosten.””Deze beslissing verwekte een algemeen gelach; maar men hield zich aan het vonnis van den stadhouder, en de zaak was hiermee afgeloopen.Nauwelijks was weer stilte gevolgd, of daar traden twee oude mannen in de zaal, van wie de een op een dikken rietstok leunde. De ander, die geen stok bij zich had, trad voor en sprak:“Gestrenge heer, voor eenigen tijd leende ik dezen man, uit goedwilligheid en om hem te helpen, tien goudguldens, eenvoudig onder voorwaarde, dat hij mij die som terug zou betalen, zoodra ik die opeischte. Ik liet een geruimen tijd verloopen, voordat ik het mijne terugvroeg. Daar echter de man volstrekt niet aan terugbetaling scheen te denken, sprak ik hem eindelijk aan en verlangde het geleende geld terug. Toen hield hij zich erg boos en hield vol, dat ik hem nooit uit de verlegenheid had geholpen, en al was dat zoo, dan had hij de schuld al lang afbetaald. Nu heb ik noch een getuige, dat ik hem de tien goudguldens leende, noch ook een getuige, dat ik ze weerom kreeg, want hij heeft ze werkelijk niet terugbetaald, en ik verzoek u dus, dat gij den leugenaar den eed moogt afnemen. Als hij zweert, dat hij mij het geld terugbetaalde, dan wil ik daar in ’s hemels naam in berusten.”“Wat zegt gij van dit geval, gij oude met den stok?” vroeg Sancho.“Ei,” antwoordde deze, “ik ontken niet, dat hij mij dat geld geleend heeft, maar ik ben evenzeer bereid, er een heiligen eed op af te leggen, dat ik de tien goudguldens weer in zijne handen gaf en hem dus wis en waarachtig betaalde.”De stadhouder verlangde nu, dat de oude den eed afleggen zou, en deze was daar dadelijk toe bereid.“Houd gij zoolang mijn stok vast,” zeide hij tot den eischer en reikte hem den stok toe. Hierop stak hij zijne rechterhand op en legde den verlangden eed af, dat hij de tien goudguldens in de handen van zijn schuldeischer had teruggegeven.“Nu welaan,” zeide de eischer, “dan moet mijn zwak geheugen mij bedrogen hebben, en ik wil mij dus tevredenstellen.”De beschuldigde nam zijn stok weder aan en beide partijen verlieten de gerechtszaal.Toen nu Sancho het bescheiden gedrag en de toegevendheid van den een en de onbeschaamdheid van den ander bemerkte, liet hij zijn hoofd op de borst zakken, legde den wijsvinger aan den neus en dacht een oogenblik na. Op eens richtte hij zich op, wierp het hoofd in de hoogte, alsof hij een licht zag opgaan, en beval, dat men de partijen terstond terug zou roepen. Men bracht hen dus weder in de zaal, en Sancho sprak:“Hoor eens, oude met den stok, geef mij dien rotting eens eventjes hier.”“Met genoegen,” zei de man en gaf den stok over.Sancho nam dien, reikte hem den eischer toe en zeide tot dezen: “Ga nu in vrede, want thans zijt gij in waarheid betaald.”“Hoe zoo dat?” vroeg de man verwonderd. “Dit ding is toch geen tien goudguldens waard?”“Dat is het wel,” sprak Sancho, “of zeg anders, dat ik een ezel en een stommerik ben. Ziet toe, menschen, en oordeelt, of ik verstand genoeg heb, om uw stadhouder te blijven. Breek me dien stok eens midden door.”De stok werd in tweeën gebroken, en tot verbazing van alle verzamelden bleek, dat hij van binnen hol was en de tien goudguldens bevatte, waarover men twist had gevoerd. Iedereen verwonderde zich en hield Sancho Panza voor een tweeden Salomo in wijsheid. Men vroeg hem, hoe hij op de gedachte was gekomen, dat het geld in den rotting kon wezen.“Dat zal ik u vertellen,” antwoordde hij. “Toen die bedrieger zijn beschuldiger den stok gaf, terwijl hijzelf den eed aflegde, vermoedde ik eene list en begreep ik, dat in den rotting de betaling moest wezen.”Toen deze eerste rechtszitting zoo roemrijk en glansrijk voor hem was afgeloopen, werd Sancho Panza naar een prachtig paleis geleid, waar in eene fraaie zaal een kostelijk middagmaal bereid stond.Terstond bij zijn binnentreden liet zich eene liefelijke muziek hooren en traden vier pages toe, om hem een zilveren waschbekken voor te houden, waarin hij met veel zwier zijne handen waschte. Toen verstomde de muziek en Sancho Panza nam aan de rijkbezettetafel plaats. Hij moest evenwel alleen zitten, want er was maar één stoel en ook maar voor één persoon gedekt. Achter hem vatte een personage post, die een baleinen stokje in de hand had en zich weldra als lijfarts deed kennen.Men tilde een sneeuwwit laken op, waarmede al de kostelijke gerechten overdekt waren. Een jong mensch, die zeer veel van een student had, deed het tafelgebed; een page bond den stadhouder een kostbaar, rijk met kanten omzoomd servet om den hals, en de kok zette een schotel voor hem, waaruit hem een heerlijke geur tegensloeg.Een honger als een paard hebbende, liet Sancho een begeerigen blik over de tafel gaan, verheugde zich in den geest over de genietingen, die daar voor zijn oog uitgebreid lagen, en wilde op den eersten hap uit dien eersten schotel juist een tweeden laten volgen, toen men hem ’t lekker gerecht met de grootste snelheid voor den neus wegnam en hem een anderen schotel voorzette.Onze gewezen schildknaap verwonderde zich over dit vreemde doen en wou op den nieuwen schotel een aanval wagen, toen de dokter achter hem zijn zwart stokje uitstak en op dien schotel tikte. Als een havik uit de wolken schoot nu een page toe, pakte den schotel evenals den eersten weg en was daarmee, voordat de onthutste stadhouder een, twee, drie kon tellen, de deur uit.Sancho zette een gezicht als een oorworm, keek de omstanders stijf aan en vroeg op hoogen toon, wat voor goochelaarskunsten ’t waren, dat men hem het eten zoo voor den neus wegkaapte.“Heer stadhouder,” zeide hierop de lijfarts op plechtigen toon, “gij moet hier te lande eten, zooals het gebruik dat voorschrijft. Ik ben de lijfarts van uwe genade en word betaald, om u naar behooren te bedienen. Ik zorg voor uwe gezondheid meer dan voor mijn eigene, want ik studeer dag en nacht, om uw lichaamsgestel te leeren kennen en u, mocht ge eens ziek worden, te kunnen bijstaan en genezen. Vooral echter moet ik het oog op uwe maaltijden houden en toezien, dat gij u de maag niet bederft. Ik mag u alleen dingen laten gebruiken, die ik weet, dat u niet schaden kunnen. Al ’t overige moet ik met mijn stokje aanraken en buitenuw bereik laten brengen. Daarom gelastte ik, den eersten schotel weg te nemen, omdat hij te verkoelend is, en de tweede schotel moest verdwijnen, omdat hij te veel verhit en te veel kruiderijen bevat, die den dorst aanzetten. Wie echter te veel drinkt, mag nimmer op een lang, gelukkig en gezond leven rekenen.”“Nu,” bromde Sancho, “laat mij dan toch eens van die gebraden patrijzen proeven. Die kunnen toch wis en waarachtig geen kwaad.”“Ja, zeker wel,” riep de lijfarts; “zoolang ik in leven ben, zal mijnheer de stadhouder daar geen sikkepitje van over de lippen krijgen.”“En waarom dat niet?” vroeg Sancho Panza driftig.“Omdat,” antwoordde de dokter met de grootste bedaardheid, “omdat ons aller meester Hippocrates, de grootste medicijnmeester van alle tijden, met wijsheid gezegd heeft:Omnis saturatio mala, perdix autem pessima; wat op zijn plat Spaansch beteekent: Men mag zijn maag niet volstoppen, en te veel patrijs eten is de pest.”“Als dat waar is, zoek dan zelf uit, wat goed en dienstig voor mij is, maar poets dan de plaat en laat mij rustig eten, zonder steeds met dat verwenschte zwarte stokje te wijzen, want, zoo waar als ik leef, ik ben flauw van honger. Eten moet de mensch, en die heel niets gebruikt, zal eer aan zijn einde komen, dan die zich tienmaal op een dag de maag bederft.”“Hoogst wijs en verstandig gesproken, heer stadhouder,” zeide de dokter; “en ’k wil dus eens zien, wat hier voor uwe genade al zoo dienstig is. Deze gestoofde konijntjes zijn een geducht zwaar eten, en gij moet ze maar stilletjes laten staan. Dit kalfsvleesch zou beter gaan; maar tot mijn spijt zie ik, dat het bijzonder vet is, en dus deugt het volstrekt niet voor uwe genade.”“Maar daar dampt nog een groote schotel, zeker met olla podrida; geef dien hier, want onder al de dingen, die in zoo’n hutspot komen, is zeker toch wel een, dat goed voor mij is.”“In geen geval!” antwoordde de lijfarts. “Zoo’n olla podrida is ’t ongezondste en onverteerbaarste, dat op de wereld te bedenken is. ’t Is een kost voor boeren en schippers; maar op de tafel van een stadhouder mogen alleen de fijnste, onschuldigste, uitgezochtste hapjes verschijnen. ’k Moet uwe genade dus ernstig raden, lievereen paar van deze beschuitjes met wat kweegelei te nemen. Dit laatste vooral verwarmt de maag, bevordert de spijsvertering en is dus bijzonder aan te bevelen.”Bij het vernemen van deze woorden wierp zich Sancho Panza in zijn stoel achterover, keek den dokter een poosje stijf in de oogen en vroeg hem toen zeer ernstig, hoe hij heette en waar hij gestudeerd had.“Mijn naam, heer stadhouder,” antwoordde de arts, “is Pedro Recio d’Aguero, ik ben geboren te Tirteafuera en heb aan de hoogeschool van Osuna gestudeerd.”“Goed, goed! heer dokter Pedro Recio,” barstte Sancho Panza thans woedend los, “goed, goed! Maar ik zeg u nu: maak oogenblikkelijk, dat ge weg komt, of ’k zweer, een stok te zullen nemen, en je daarmee zoo lang te ranselen, als mijn arm ’t maar uithouden kan. Van een verstandigen en billijken dokter wil ik raad aannemen, maar niet van een domkop, als gij zijt. Ga, zeg ik! Scheer je dadelijk de deur uit, of ik neem dezen stoel en sla hem op je dommen schedel in duizend stukken. Geen mensch zou een woord zeggen, als ik een dokter ombracht, die beul en dwingeland over anderen wil wezen. Marsch, zeg ik nog eens, en geeft mij te eten, of loopt met heel dit stadhouderschap naar de maan! Een ambt, dat zijn meester niet genoeg te eten geeft, is geen knip voor den neus waard, en ik althans dank er voor.”Toen Sancho zich zoo geweldig boos maakte, kreeg de dokter een schrik op het lijf en wou reeds heengaan, toen het luid schetteren van een posthoren hem nog even deed wachten. De hofmeester trad aan het raam, keek naar buiten en zeide: “Heer stadhouder, daar komt een bode van den hertog, die zeker gewichtige tijding brengt.”“Laat hem binnenkomen!” beval Sancho.Met zweet bedekt en half buiten adem trad de postiljon binnen, haalde een brief uit zijn tasch en reikte dien den stadhouder over, die den hofmeester beval, het adres voor te lezen.Dit luidde: “Aan Don Sancho Panza, stadhouder van het eiland Barataria. Eigenhandig of door den secretaris te openen.”“Wie is hier mijn secretaris?” vroeg Sancho, na het adres te hebben vernomen.“Ik, genadige heer,” antwoordde een der aanwezigen en trad voor. “Ik kan lezen en schrijven en ben een Biscayer.”“Nu, als dat waar is, dan kunt gij secretaris zelfs van den keizer zijn. Maak nu dien brief open en vertel mij wat er in staat.”De secretaris gehoorzaamde. Nadat hij zich met den inhoud van den brief had bekend gemaakt, zette hij echter een zeer bedenkelijk gezicht en zeide, dat het schrijven eene zaak van het uiterste gewicht betrof, die in het diepste geheim moest behandeld worden.Sancho liet nu dadelijk allen, op den hofmeester en den secretaris na, de zaal verlaten, en verzocht den laatste vervolgens, den brief hardop voor te lezen.“Mij is ter oore gekomen,” luidde de brief, “dat eenige woedende vijanden een aanval op het eiland Barataria voorhebben, en ik raad u dus, vriend Sancho Panza, toch vooral waakzaam en op uwe hoede te zijn. Ook heb ik vernomen, dat vier personen, die uwe wijsheid vreezen, eene samenspanning gemaakt hebben, om u van het leven te berooven. Houd dus uwe oogen open en eet niet van de spijzen, die men u voorzet. Ingeval gij in nood mocht geraken, zal ik u te hulp komen. Handel voor het overige, gelijk men dat van iemand van uw verstand verwachten kan, en wees gegroet.De hertog.”De stadhouder hoorde van dit schrijven niet weinig vreemd op en ook de anderen konden hunne verwondering niet verbergen.“Wat moeten wij dan doen?” vroeg Sancho, zich tot den hofmeester keerend. “Ik voor mij ben er voor, dat wij in de eerste plaats en zonder alle verwijl dien heer dokter Recio in eene diepe gevangenis werpen, omdat juist hij pogingen gedaan heeft, om mij aan den pijnlijksten en akeligsten dood, den hongerdood namelijk, over te leveren.”“Ja, maar nog noodiger reken ik, dat gij van al de gerechten, die hier op tafel staan, geen brok aanroert, heer stadhouder,” zeide de hofmeester.“Gij maakt u zeker al te bezorgd, heer,” bromde Sancho Panza; “maar toch wil ik uw raad opvolgen en niets gebruiken, dan een paar wijndruiven en een stuk brood. Geeft beiden hier, want ik val wezenlijk flauw van honger, en als wij ons, zooals de hertog schrijft, tot een veldslag moeten gereedhouden, is ’t bovenal noodig, dat wij ons hart en onze ledematen door krachtig voedsel sterken. De buik draagt het hart, zegt het spreekwoord, en niet het hart den buik. Gij, heer geheimschrijver, moogt den hertog antwoorden, dat wij zijne orders stipt opvolgen en niets verzuimen zullen, om zijne gunst en genade waardig te blijven. Nu weg met dat tafellaken, en geeft mij wat krachtigs tot hartsterking! Later zal ik ’t met alle schelmen, spionnen en moordenaars klaarspelen, al kwamen ze bij scheepsladingen vol naar ons eiland over.”Op dit oogenblik trad een edelknaap in de zaal en berichtte, dat verscheidene partijen buiten stonden, om de gerechtigheid van den heer stadhouder in te roepen en zijne beslissing over verschillende twistvragen te hooren. Zuchtend bleef Sancho zitten en liet de menschen komen, welker verhalen hij met het grootste geduld aanhoorde. Zoo goed als hij kon, deed hij uitspraak in de verschillende gevallen en zocht iedereen naar zijn beste vermogen tevreden te stellen.Eindelijk viel de avond, en nu eerst was Sancho vrij van zaken en hield, zonder door de wijze vermaningen van den lijfarts gestoord te worden, een duchtigen avondmaaltijd. Na afloop daarvan bekroop hem de lust om eens iets van het eiland te zien, en ging hij dus met den hofmeester, den secretaris, den kroniekschrijver en een talrijk gevolg van gerechtsdienaars en schrijvers op weg. Sancho Panza met den staf, die zijne waardigheid aanduidde, stapte in het midden en wel met zooveel deftigheid, dat tot de kleinste kinderen eerbied en ontzag voor hem kregen. Na zoo eenige straten doorgekuierd te zijn, vernamen zij een luid degengekletter, snelden daarop toe en bemerkten twee mannen, die woedend op elkaar inhieuwen, en eerst toen zij de hooge overheid zagen naderen, hun grimmig gevecht staakten.“Hierheen, mijne heeren!” riep een der vechtenden het hoogegezelschap toe. “Men heeft mij willen berooven en op de publieke straat aangevallen.”“Stil, stil, goede man,” antwoordde Sancho. “Zet maar zoo’n keel niet op en vertel mij de oorzaak van uwe ruzie. Ik ben de stadhouder en zal dat appeltje wel zien te schillen.”De tweede kampioen nam terstond het woord en zeide: “Heer, gij moet weten, dat deze knaap daar zoo pas in een speelhuis over de duizend realen heeft gewonnen. Ik was daarbij en besliste in twijfelachtige gevallen meermalen in zijn voordeel. Toen hij nu opstond, verwachtte ik, dat hij mij uit dankbaarheid eenige realen in de hand zou stoppen; doch hij streek zijn geld op en ging heen, zonder zelfs naar mij om te zien. Ik volgde hem en verzocht hem, mij althans acht realen af te staan, daar ik een arme drommel ben en dat geld opperbest kan gebruiken. Maar nu wou die schraalhans mij maar vier realen geven, waaruit uwe genade zien kunt, wat een gemeene en onbeschaamde rekel hij is. Ik maakte mij boos over zijne inhaligheid, wij kregen harde woorden en ’t einde van ’t lied was, dat wij de degens trokken en elkaar te lijf gingen.”“En wat hebt gij van uwen kant te zeggen?” vroeg Sancho Panza den anderen rustverstoorder.“Ik moet erkennen, dat die sinjeur over het geheel de waarheid heeft gesproken,” antwoordde gene. “Ik wou hem niet meer dan vier realen geven, omdat hij al vaak genoeg nog meer heeft gekregen en dus alles zoo nauw niet rekenen moest. En dat ik hem zijn zin niet gaf, is het beste bewijs, dat ik geen gauwdief ben, want gauwdieven zorgen wel, dat zij een ander, die hun in de kaart kijkt, met geld en goede woorden den mond stoppen.”“Dat is wel wezenlijk zoo,” zei de hofmeester tot den stadhouder. “Uwe genade mag dat wel ernstig in overweging nemen.”“Ik zal uitspraak doen naar billijkheid en recht,” antwoordde Sancho. “Gij, die eerlijk of oneerlijk gewonnen hebt, betaalt terstond honderd realen aan uw makker en dan nog dertig aan de armenkas.—En gij,” keerde hij zich tot den tweede, “steekt die som op en pakt dan zoo gauw mogelijk uwe biezen. Voor volle tien jaren zijt gij van het eiland verbannen, en als gij voor dien tijdterug mocht komen, zult gij opgeknoopt worden aan de hoogste galg, die in mijne staten te vinden is. Zoo en niet anders zal het gebeuren, en daarmee basta!”De een betaalde, de ander streek op; de een ging naar huis, de ander stapte de poort uit, en daarmee was de gansche zaak op dekortsteen beste manier afgedaan.Sancho Panza ging verder, toen daar een gerechtsdienaar aankwam, die een jongmensch bij zijn kraag voortleidde.“Heer stadhouder,” sprak de gerechtsdienaar, “zoodra deze jonkman ons van verre in het oog kreeg, keerde hij dadelijk om en ging als een haas op den loop. Wie het oog van de wet schuwt, heeft zeker wat kwaads op zijn geweten, dacht ik, zette hem na en kreeg hem, daar hij kwam te vallen, gelukkig te pakken.”“Waarom gingt gij op den loop, manneke?” vroeg Sancho.“Heer, om niet op de vele vragen te moeten antwoorden, die de gerechtigheid iedereen voorlegt,” antwoordde de vreemde.“Wat is uw beroep?”“Ik ben wever.”“Wat weeft gij?”“Lanspunten, met uwer genades permissie.”“Ei, ei, ge lijkt mij een rare snaak toe; ge wilt u er zeker met een grap afmaken,” zeide Sancho. “Maar ’t is goed.—Zeg, waarheen waart ge nu op weg?”“Ik ging alleen, om een luchtje te scheppen.”“En waar vindt men dat op dit eiland?”“Waar ’t waait, heer.”“Opperbest, mijn kereltje! Ik zie, dat ge een guit zijt. Verbeeld je dan nu maar, dat ik de frissche lucht ben en je in de gevangenisblaas. Pakt hem, mannen, en neemt hem mee. Zoo waar ik stadhouder ben, zal hij van nacht slapen, waar hij geen frissche lucht kan scheppen.”De jonge man lachte. “Gij zult mij in de gevangenis evenmin tot slapen dwingen, als gij mij tot koning kunt maken,” antwoordde hij stout.“En waarom niet?” vroeg Sancho. “Kan ik u niet in de gevangenis stoppen en vrijlaten, al naardat ik verkies?”“Ja, dat kunt gij; maar tot slapen in de gevangenis kunt gij mij niet dwingen.”“Zoo’n dekselsche jongen!” riep Sancho. “Hebt ge bij geval ook een beschermengel bij de hand, die je de boeien afneemt, die ik je misschien zal laten aanleggen?”“Neen, dat niet,” antwoordde de jonge man op luchtigen toon; “maar toch blijf ik er bij, dat gij mij niet in de gevangenis kunt doen slapen. Zie, beste heer, stel het geval, dat gij mij werkelijk in boeien liet slaan en in de gevangenis werpen, dat gij den cipier last gaaft mij ten strengste te bewaken, en dat deze werkelijk mijn ontsnappen belette, dan zou toch niemand in staat zijn, mij tot slapen te dwingen, als ik eens besloten was, mijne oogen open te houden.”“Ha, meent gij het zoo, maat?” riep Sancho en lachte hartelijk. “Ja, dat is een ander ding. Dus wilt gij dan maar niet slapen, om uw wil te hebben, maar niet, om mijne bevelen gehoorzaamheid te weigeren?”“Zoo is het,” antwoordde de jonge loshoofd.“Nu dan, slaap thuis en droom genoeglijk,” sprak Sancho. “Wees echter in ’t vervolg wat voorzichtiger met uwe tong, want niet iedereen houdt van gekscheren, en ge kondt u door die snakerijen licht wel eens een dracht slagen op den hals halen.”De jonge spotvogel ging zijns weegs en daar Sancho moe begon te worden, maakte ook hij rechtsomkeert en keerde met zijn gevolg naar het paleis terug.Den volgenden morgen, zoodra de stadhouder opgestaan was, werd hem een ontbijt voorgezet, dat, volgens de verordening van dokter Recio, eenvoudig uit wat fruit en een glas koud water bestond. Sancho had gaarne wat anders gehad; maar de lijfarts deed opmerken, dat weinig en licht voedsel den geest scherp en levendig houdt, wat vooral voor iemand, die ambt of waardigheid bekleedt een ding van uiterst groot gewicht is. De arme stadhouder moest zich met deze redeneering tevredenstellen; doch praatjesvullen geen gaatjes, en hij leed een barbaarschen honger en begon in zijn hart het geheele stadhouderschap en hem, die ’t hem had opgedragen, al half naar de maan te wenschen. Intusschen zette hij zich toch met knorrende maag in den rechterstoel en hoorde in tegenwoordigheid zijner hoogste ambtenaren de vraag aan, welke een vreemde hem tot beslissing voorlegde.“Genadige heer,” zeide deze tot hem, “uw gebied wordt door een waterrijken stroom in tweeën gescheiden. Over dien stroom ligt eene brug, aan wier eene eind een galg en een rechtshuis staan, in welk laatste zich gewoonlijk vier rechters ophouden, om eene wet te handhaven, die door den heer van den stroom is uitgevaardigd en luidt: “Indien iemand over deze brug gaat, dan moet hij vooraf zweren, waarheen en tot welk einde hij die overschrijdt. Zweert hij de waarheid, dan mag men hem ongemoeid laten gaan; doch zweert hij valsch, dan moet hij onverwijld opgehangen worden en sterven aan de galg, die bij de brug staat.”“Na het bekendmaken van deze wet gingen velen over de brug; doch iedereen zwoer de waarheid, en men liet hen dus ongehinderd trekken. Nu gebeurde het echter, dat een man, wien de eed werd afgevorderd, zwoer en beweerde, dat hij over de brug ging enkel en alleen met plan, om aan die galg opgehangen te worden en te sterven.“De rechters keken elkaar bij dien eed verbaasd aan en zeiden de een tot den ander: “Als wij dezen man ongemoeid gaan laten, dan heeft hij gelogen en moet volgens de wet wegens meineed sterven. Opknoopen mogen wij hem evenwel niet; want deden wij dat, dan had hij immers de waarheid gezeid, toen hij zwoer, dat hij enkel en alleen over de brug wilde gaan, om opgehangen te worden, en diensvolgens moet hij krachtens de letter van de wet vrij zijns weegs gaan.”“Zoo staat nu het geval, en gij, heer stadhouder, moet beslissen, wat de rechters met den man moeten aanvangen. Tot hiertoe zijn zij ’t nog altijd oneens en zitten met de handen in het haar. Zij vertrouwen op uwe scherpzinnigheid en verkeeren in de zoete hoop, dat gij die harde noot kraken en het raadsel oplossen zult.”“Hoor, goede vriend,” antwoordde Sancho, “uwe heeren rechters hadden zich de moeite kunnen besparen van u hierheen te zenden, want ik ben een man, wien de natuur een grooter portie domheid dan verstand heeft geschonken. Vertel mij ’t geval evenwel nog eens, en dan wil ik zien, of ik, zooals men wel zegt, den spijker op den kop kan treffen. Spreek op, goede vriend!”De vreemde vertelde de geheele geschiedenis nog eens, en toen nog eens, totdat Sancho Panza haar goed genoeg meende begrepen te hebben, om er zijn oordeel over te zeggen.“Mij dunkt,” sprak hij, “dat ik dat dingetje wel zal klaren. ’t Geval komt eenvoudig hierop neer: De man verklaart onder eede, dat hij over de brug wil gaan, om aan de galg te sterven. Sterft hij nu, dan heeft hij de waarheid bezworen, en moet volgens de wet worden vrijgelaten. Sterft hij evenwel niet, dan heeft hij een meineed gedaan, en moet krachtens de wet gehangen worden.”“Juist zoo is het, heer stadhouder,” zeide de vreemde.“Nu dan doe ik uitspraak,” sprak Sancho, “dat men de eene helft van den mensch, die de waarheid heeft gezegd, vrijen overgang late, maar de andere, die gelogen heeft, zonder barmhartigheid ophange. Op die manier krijgt ieder deel wat hem toekomt.”“Als wij ons aan deze uitspraak hielden, heer stadhouder,” antwoordde de vreemde, “zouden wij gedwongen zijn, den bedoelden persoon in twee helften te deelen, en de leugenachtige van de waarheidsprekende te scheiden. Deze scheiding zou het onschuldig deel echter niet kunnen overleven, en de wet zou dus niet worden gehandhaafd.”“Mijn beste vriend,” zeide Sancho Panza op deze tegenwerping, “de man, om wien ’t hier te doen is, heeft, als ik ’t wel begrijp, evenveel recht om te leven als om te sterven. De waarheid redt, de leugen veroordeelt hem. Zeg dus aan de rechters, dat zij voor ditmaal maar genade voor recht moeten laten gelden en den sukkel de vrijheid geven, omdat goeddoen altijd loffelijker is dan kwaaddoen.—En loop nu naar den drommel en meen niet, dat ik hier aangesteld ben, om raadseltjes te raden, die onmogelijk op te lossen zijn. Loop heen, zeg ik, en gij, hofmeester, bezorg mij watstevigs te eten en laat mij niet van honger en ergernis omkomen.”De vreemdeling stapte op, en de hofmeester betoonde zich genadig, daar hij Sancho naar de tafel leidde, die evenals gisteren rijkelijk bezet was. Indien niet de dokter achter hem gestaan had, zou de stadhouder als een prins gesmuld hebben; maar nu kwam telkens een tik met dat verwenschte zwarte stokje en haalde onzen hongerigen vriend de vetste happen voor den mond weg.
Nadat de hertog zijn plan ontworpen en aan zijne talrijke bedienden de noodige bevelen en aanwijzingen gegeven had, liet hij op een dag, korten tijd na die wonderbaarlijke luchtvaart,Sancho Panza roepen en kondigde hem aan, dat hij zich toerusten en klaar houden moest, om zijne waardigheid als stadhouder te aanvaarden, daar zijne aanstaande onderdanen al zoo naar hem verlangden, als het dorre land naar den Meiregen.
Sancho Panza boog zoo diep, dat zijn neus bijkans den grond raakte, en zeide: “Heer, sinds ik tot de Zeven Geitjes opsteeg en daar de aarde zoo klein en nietig aan mijne voeten zag liggen, is de begeerte om stadhouder te worden een weinigje afgekoeld. Indien uwe hoogheid mij een klein brokje hemel verkoos te geven, zouik dat liever nemen, dan het grootste eiland van den aardbodem.”
“Vriend Sancho,” antwoordde de hertog, “gij weet wel, dat ik zoo hoog in de lucht over niets te zeggen heb, en dat ik u daar dus ook geen stadhouderschap kan aanbieden. Ik geef u, wat ik in staat ben te geven: een vruchtbaar, kostelijk bebouwd, fraai en volmaakt eiland, waar gij overvloedig gelegenheid zult vinden om u met schatten te verrijken.”
“Nu, komaan,” sprak Sancho, “om uwe doorluchtigheid pleizier te doen, wil ik dan zoo’n stadhouder worden; ’t is anders niet eerzucht, die mij aandrijft mijn nederigen stand te verlaten, maar alleen de begeerte om goed te doen en te vernemen, hoe zulk een stadhouderschap eigenlijk smaakt.”
“Ei, als ge daar eens van geproefd hebt, zult ge er heel den tijd van uw leven alle tien vingers naar likken,” meende de hertog. “Geen heerlijker ding, dan te bevelen en nergens verzet of weerspannigheid te vinden. Morgen al zult gij op reis gaan, en van avond nog krijgt gij uwe ambtskleeding en wat meer tot uwe uitrusting behoort.”
Sancho Panza boog andermaal als een knipmes en ging heen, om aan zijn meester het groote nieuws te verkondigen, dat hem zoo pas was meegedeeld. Don Quichot gaf hem de beste lessen en vermaningen, en Sancho hoorde hem zoo aandachtig aan, dat de ridder van zijn zoo op eens tot eene hooge waardigheid verheven schilddrager de beste verwachtingen opvatte.
En nu kwam de dag tot vertrekken en ging Sancho Panza met een talrijk gevolg op weg. Hij droeg de kleeding van een geleerde en daarover een mantel van donkerblauw laken. Op een muildier zat hij, en zijn grauwtje, met splinternieuw tuig en zadel, werd hem nageleid, daar hij van dat trouwe dier onmogelijk kon scheiden. Hij was zoo tevreden en gelukkig, dat hij op dat oogenblik niet met den keizer van China had willen ruilen.
Na eene korte reis kwam Sancho Panza met zijn gevolg in een stadje met ongeveer duizend inwoners aan, dat eene der aanzienlijkste bezittingen van den hertog was. Men maakte hem wijs, dat dit het eiland Barataria was; en alhoewel Sancho nog over geen water wasgekomen, zoo nam hij die verzekering toch voor goede munt op en brak er verder zijn hoofd niet mee.
Toen hij de poorten der kleine stad naderde, die met een ringmuur omgeven was, kwamen hem raad en overheid plechtig te gemoet, om hem te verwelkomen. De klokken werden geluid, het volk juichte en jubelde, en met veel staatsie werd hij naar de hoofdkerk geleid, om voor zijne verheffing te danken, de sleutels der stad te ontvangen en zich in zijne volle waardigheid den volke te vertoonen.
De figuur, de dracht, de geheele houding en de manieren van den nieuwen stadhouder wekten bij allen, die niet in het geheim van den hertog waren ingewijd en dus de geheele ceremonie voor ernst moesten houden, niet weinig verbazing. Nadat de plechtigheid in de kerk was afgeloopen, bracht men hem buiten, deed hem plaats nemen op den rechterstoel, en de huishofmeester van den hertog, die het geheele kluchtspel bestuurde, sprak hem aan als volgt:
“Eerwaarde heer stadhouder, het is een overoud gebruik op het eiland, dat ieder, die er bezit van neemt, verplicht is eene vraag te beantwoorden, die zeer moeielijk en ingewikkeld is. Dit gebruik heeft geen andere bedoeling, dan om den bewoners al dadelijk een proefje van de scherpzinnigheid van den nieuwen regent te geven. Uit diens antwoord mogen zij dan opmaken, of zij over zijne aankomst zich te verheugen of wel te beklagen hebben.”
“Ei, als dat zoo is, kom dan maar met uwe vraag voor den dag, heer huishofmeester,” antwoordde de nieuwe stadhouder. “Ik wil haar beantwoorden, zoo goed als ik maar kan, en dan moet het volk zelf weten, of ’t lachen of huilen wil.”
Op dit oogenblik traden twee mannen in de rechtszaal, van wie de een als boer was gekleed en de ander zich door de groote schaar, die hij in de hand hield, als snijder deed kennen.
“Heer stadhouder,” begon deze laatste, “ik en die boer hier komen om eene netelige zaak voor uwen rechtsstoel. Deze goede vriend namelijk kwam gisteren in mijne werkplaats, hield mij een lap laken voor en vroeg mij, of ik kans zag, daaruit eene mutsvoor hem te maken. Ik bekeek het laken van alle kanten, keerde ’t om en om, berekende de lengte en de breedte, en toen zei ik eindelijk: “Ja, dat zou ik wel kunnen.”
De nieuwe stadhouder Sancho Panza ontvangt de sleutels der stad.De nieuwe stadhouder Sancho Panza ontvangt de sleutels der stad.
De nieuwe stadhouder Sancho Panza ontvangt de sleutels der stad.
“Nu dacht het boertje zeker, dat ik hem een stuk van het laken ontstelen wou of stilletjes in de hel wegmoffelen, en dus vroeg hij mij, of ’t niet mogelijk was, twee mutsen van het stuk te maken.
“Ik had dat gauw in den neus, en zei ja. Daarop verlangde de boer al meer mutsen, en al meer, en dat van dit ééne lapje laken, totdat we ’t eindelijk over vijf stuks eens werden, die ik hem beloofde te maken. Voor een uur komt hij bij mij, om ze af te halen, en ik geef ze hem. Maar toen hij nu de mutsen ziet, wil hij mij er geen maakloon voor geven en verlangt zelfs, dat ik hem zijn laken zal betalen of ’t hem heel en gaaf, zooals ’t geweest is, teruggeven.”
“En wat hebt gij nu te zeggen, vriendje?” keerde Sancho zich tot het boertje. “Is alles zoo, als de snijder zegt?”
“Ja, daar kan ik niets tegen zeggen,” antwoordde de man. “Maar laat u nu eens de vijf mutsen toonen, die de gauwdief gemaakt heeft.”
De snijder stak op den wenk van den stadhouder zijne hand onder den mantel en, toen hij die weer voor den dag haalde, zag men vijf mutsjes, die hij op de vijf vingertoppen van zijne hand had gestoken.
“Hier is,” zeide hij, “wat die man van mij verlangde, en ’k mag hier door den grond zinken, als ik ook maar een enkelen draad van ’t laken voor mij heb gehouden.”
Al de toeschouwers lachten over die onnoozele poppenmutsjes en over heel de kluchtige rechtzaak. Sancho Panza echter dacht een poosje stil na en sprak toen:
“Ik geloof niet, dat tot het uitwijzen van deze rechtspraak veel wijsheid en geleerdheid noodig is, en ik beroep mij dus enkel en alleen op het gezonde menschenverstand. Mijn vonnis luidt aldus: “De snijder, omdat hij den boer opzettelijk bij den neus nam, verliest zijn maakloon; maar de boer verliest zijn laken, omdat hij, volgens zijne eigen bekentenis, vijf mutsen heeft besteld. De mutsen echter houd ik tot vergoeding van de rechtskosten.””
Deze beslissing verwekte een algemeen gelach; maar men hield zich aan het vonnis van den stadhouder, en de zaak was hiermee afgeloopen.
Nauwelijks was weer stilte gevolgd, of daar traden twee oude mannen in de zaal, van wie de een op een dikken rietstok leunde. De ander, die geen stok bij zich had, trad voor en sprak:
“Gestrenge heer, voor eenigen tijd leende ik dezen man, uit goedwilligheid en om hem te helpen, tien goudguldens, eenvoudig onder voorwaarde, dat hij mij die som terug zou betalen, zoodra ik die opeischte. Ik liet een geruimen tijd verloopen, voordat ik het mijne terugvroeg. Daar echter de man volstrekt niet aan terugbetaling scheen te denken, sprak ik hem eindelijk aan en verlangde het geleende geld terug. Toen hield hij zich erg boos en hield vol, dat ik hem nooit uit de verlegenheid had geholpen, en al was dat zoo, dan had hij de schuld al lang afbetaald. Nu heb ik noch een getuige, dat ik hem de tien goudguldens leende, noch ook een getuige, dat ik ze weerom kreeg, want hij heeft ze werkelijk niet terugbetaald, en ik verzoek u dus, dat gij den leugenaar den eed moogt afnemen. Als hij zweert, dat hij mij het geld terugbetaalde, dan wil ik daar in ’s hemels naam in berusten.”
“Wat zegt gij van dit geval, gij oude met den stok?” vroeg Sancho.
“Ei,” antwoordde deze, “ik ontken niet, dat hij mij dat geld geleend heeft, maar ik ben evenzeer bereid, er een heiligen eed op af te leggen, dat ik de tien goudguldens weer in zijne handen gaf en hem dus wis en waarachtig betaalde.”
De stadhouder verlangde nu, dat de oude den eed afleggen zou, en deze was daar dadelijk toe bereid.
“Houd gij zoolang mijn stok vast,” zeide hij tot den eischer en reikte hem den stok toe. Hierop stak hij zijne rechterhand op en legde den verlangden eed af, dat hij de tien goudguldens in de handen van zijn schuldeischer had teruggegeven.
“Nu welaan,” zeide de eischer, “dan moet mijn zwak geheugen mij bedrogen hebben, en ik wil mij dus tevredenstellen.”
De beschuldigde nam zijn stok weder aan en beide partijen verlieten de gerechtszaal.
Toen nu Sancho het bescheiden gedrag en de toegevendheid van den een en de onbeschaamdheid van den ander bemerkte, liet hij zijn hoofd op de borst zakken, legde den wijsvinger aan den neus en dacht een oogenblik na. Op eens richtte hij zich op, wierp het hoofd in de hoogte, alsof hij een licht zag opgaan, en beval, dat men de partijen terstond terug zou roepen. Men bracht hen dus weder in de zaal, en Sancho sprak:
“Hoor eens, oude met den stok, geef mij dien rotting eens eventjes hier.”
“Met genoegen,” zei de man en gaf den stok over.
Sancho nam dien, reikte hem den eischer toe en zeide tot dezen: “Ga nu in vrede, want thans zijt gij in waarheid betaald.”
“Hoe zoo dat?” vroeg de man verwonderd. “Dit ding is toch geen tien goudguldens waard?”
“Dat is het wel,” sprak Sancho, “of zeg anders, dat ik een ezel en een stommerik ben. Ziet toe, menschen, en oordeelt, of ik verstand genoeg heb, om uw stadhouder te blijven. Breek me dien stok eens midden door.”
De stok werd in tweeën gebroken, en tot verbazing van alle verzamelden bleek, dat hij van binnen hol was en de tien goudguldens bevatte, waarover men twist had gevoerd. Iedereen verwonderde zich en hield Sancho Panza voor een tweeden Salomo in wijsheid. Men vroeg hem, hoe hij op de gedachte was gekomen, dat het geld in den rotting kon wezen.
“Dat zal ik u vertellen,” antwoordde hij. “Toen die bedrieger zijn beschuldiger den stok gaf, terwijl hijzelf den eed aflegde, vermoedde ik eene list en begreep ik, dat in den rotting de betaling moest wezen.”
Toen deze eerste rechtszitting zoo roemrijk en glansrijk voor hem was afgeloopen, werd Sancho Panza naar een prachtig paleis geleid, waar in eene fraaie zaal een kostelijk middagmaal bereid stond.
Terstond bij zijn binnentreden liet zich eene liefelijke muziek hooren en traden vier pages toe, om hem een zilveren waschbekken voor te houden, waarin hij met veel zwier zijne handen waschte. Toen verstomde de muziek en Sancho Panza nam aan de rijkbezettetafel plaats. Hij moest evenwel alleen zitten, want er was maar één stoel en ook maar voor één persoon gedekt. Achter hem vatte een personage post, die een baleinen stokje in de hand had en zich weldra als lijfarts deed kennen.
Men tilde een sneeuwwit laken op, waarmede al de kostelijke gerechten overdekt waren. Een jong mensch, die zeer veel van een student had, deed het tafelgebed; een page bond den stadhouder een kostbaar, rijk met kanten omzoomd servet om den hals, en de kok zette een schotel voor hem, waaruit hem een heerlijke geur tegensloeg.
Een honger als een paard hebbende, liet Sancho een begeerigen blik over de tafel gaan, verheugde zich in den geest over de genietingen, die daar voor zijn oog uitgebreid lagen, en wilde op den eersten hap uit dien eersten schotel juist een tweeden laten volgen, toen men hem ’t lekker gerecht met de grootste snelheid voor den neus wegnam en hem een anderen schotel voorzette.
Onze gewezen schildknaap verwonderde zich over dit vreemde doen en wou op den nieuwen schotel een aanval wagen, toen de dokter achter hem zijn zwart stokje uitstak en op dien schotel tikte. Als een havik uit de wolken schoot nu een page toe, pakte den schotel evenals den eersten weg en was daarmee, voordat de onthutste stadhouder een, twee, drie kon tellen, de deur uit.
Sancho zette een gezicht als een oorworm, keek de omstanders stijf aan en vroeg op hoogen toon, wat voor goochelaarskunsten ’t waren, dat men hem het eten zoo voor den neus wegkaapte.
“Heer stadhouder,” zeide hierop de lijfarts op plechtigen toon, “gij moet hier te lande eten, zooals het gebruik dat voorschrijft. Ik ben de lijfarts van uwe genade en word betaald, om u naar behooren te bedienen. Ik zorg voor uwe gezondheid meer dan voor mijn eigene, want ik studeer dag en nacht, om uw lichaamsgestel te leeren kennen en u, mocht ge eens ziek worden, te kunnen bijstaan en genezen. Vooral echter moet ik het oog op uwe maaltijden houden en toezien, dat gij u de maag niet bederft. Ik mag u alleen dingen laten gebruiken, die ik weet, dat u niet schaden kunnen. Al ’t overige moet ik met mijn stokje aanraken en buitenuw bereik laten brengen. Daarom gelastte ik, den eersten schotel weg te nemen, omdat hij te verkoelend is, en de tweede schotel moest verdwijnen, omdat hij te veel verhit en te veel kruiderijen bevat, die den dorst aanzetten. Wie echter te veel drinkt, mag nimmer op een lang, gelukkig en gezond leven rekenen.”
“Nu,” bromde Sancho, “laat mij dan toch eens van die gebraden patrijzen proeven. Die kunnen toch wis en waarachtig geen kwaad.”
“Ja, zeker wel,” riep de lijfarts; “zoolang ik in leven ben, zal mijnheer de stadhouder daar geen sikkepitje van over de lippen krijgen.”
“En waarom dat niet?” vroeg Sancho Panza driftig.
“Omdat,” antwoordde de dokter met de grootste bedaardheid, “omdat ons aller meester Hippocrates, de grootste medicijnmeester van alle tijden, met wijsheid gezegd heeft:Omnis saturatio mala, perdix autem pessima; wat op zijn plat Spaansch beteekent: Men mag zijn maag niet volstoppen, en te veel patrijs eten is de pest.”
“Als dat waar is, zoek dan zelf uit, wat goed en dienstig voor mij is, maar poets dan de plaat en laat mij rustig eten, zonder steeds met dat verwenschte zwarte stokje te wijzen, want, zoo waar als ik leef, ik ben flauw van honger. Eten moet de mensch, en die heel niets gebruikt, zal eer aan zijn einde komen, dan die zich tienmaal op een dag de maag bederft.”
“Hoogst wijs en verstandig gesproken, heer stadhouder,” zeide de dokter; “en ’k wil dus eens zien, wat hier voor uwe genade al zoo dienstig is. Deze gestoofde konijntjes zijn een geducht zwaar eten, en gij moet ze maar stilletjes laten staan. Dit kalfsvleesch zou beter gaan; maar tot mijn spijt zie ik, dat het bijzonder vet is, en dus deugt het volstrekt niet voor uwe genade.”
“Maar daar dampt nog een groote schotel, zeker met olla podrida; geef dien hier, want onder al de dingen, die in zoo’n hutspot komen, is zeker toch wel een, dat goed voor mij is.”
“In geen geval!” antwoordde de lijfarts. “Zoo’n olla podrida is ’t ongezondste en onverteerbaarste, dat op de wereld te bedenken is. ’t Is een kost voor boeren en schippers; maar op de tafel van een stadhouder mogen alleen de fijnste, onschuldigste, uitgezochtste hapjes verschijnen. ’k Moet uwe genade dus ernstig raden, lievereen paar van deze beschuitjes met wat kweegelei te nemen. Dit laatste vooral verwarmt de maag, bevordert de spijsvertering en is dus bijzonder aan te bevelen.”
Bij het vernemen van deze woorden wierp zich Sancho Panza in zijn stoel achterover, keek den dokter een poosje stijf in de oogen en vroeg hem toen zeer ernstig, hoe hij heette en waar hij gestudeerd had.
“Mijn naam, heer stadhouder,” antwoordde de arts, “is Pedro Recio d’Aguero, ik ben geboren te Tirteafuera en heb aan de hoogeschool van Osuna gestudeerd.”
“Goed, goed! heer dokter Pedro Recio,” barstte Sancho Panza thans woedend los, “goed, goed! Maar ik zeg u nu: maak oogenblikkelijk, dat ge weg komt, of ’k zweer, een stok te zullen nemen, en je daarmee zoo lang te ranselen, als mijn arm ’t maar uithouden kan. Van een verstandigen en billijken dokter wil ik raad aannemen, maar niet van een domkop, als gij zijt. Ga, zeg ik! Scheer je dadelijk de deur uit, of ik neem dezen stoel en sla hem op je dommen schedel in duizend stukken. Geen mensch zou een woord zeggen, als ik een dokter ombracht, die beul en dwingeland over anderen wil wezen. Marsch, zeg ik nog eens, en geeft mij te eten, of loopt met heel dit stadhouderschap naar de maan! Een ambt, dat zijn meester niet genoeg te eten geeft, is geen knip voor den neus waard, en ik althans dank er voor.”
Toen Sancho zich zoo geweldig boos maakte, kreeg de dokter een schrik op het lijf en wou reeds heengaan, toen het luid schetteren van een posthoren hem nog even deed wachten. De hofmeester trad aan het raam, keek naar buiten en zeide: “Heer stadhouder, daar komt een bode van den hertog, die zeker gewichtige tijding brengt.”
“Laat hem binnenkomen!” beval Sancho.
Met zweet bedekt en half buiten adem trad de postiljon binnen, haalde een brief uit zijn tasch en reikte dien den stadhouder over, die den hofmeester beval, het adres voor te lezen.
Dit luidde: “Aan Don Sancho Panza, stadhouder van het eiland Barataria. Eigenhandig of door den secretaris te openen.”
“Wie is hier mijn secretaris?” vroeg Sancho, na het adres te hebben vernomen.
“Ik, genadige heer,” antwoordde een der aanwezigen en trad voor. “Ik kan lezen en schrijven en ben een Biscayer.”
“Nu, als dat waar is, dan kunt gij secretaris zelfs van den keizer zijn. Maak nu dien brief open en vertel mij wat er in staat.”
De secretaris gehoorzaamde. Nadat hij zich met den inhoud van den brief had bekend gemaakt, zette hij echter een zeer bedenkelijk gezicht en zeide, dat het schrijven eene zaak van het uiterste gewicht betrof, die in het diepste geheim moest behandeld worden.
Sancho liet nu dadelijk allen, op den hofmeester en den secretaris na, de zaal verlaten, en verzocht den laatste vervolgens, den brief hardop voor te lezen.
“Mij is ter oore gekomen,” luidde de brief, “dat eenige woedende vijanden een aanval op het eiland Barataria voorhebben, en ik raad u dus, vriend Sancho Panza, toch vooral waakzaam en op uwe hoede te zijn. Ook heb ik vernomen, dat vier personen, die uwe wijsheid vreezen, eene samenspanning gemaakt hebben, om u van het leven te berooven. Houd dus uwe oogen open en eet niet van de spijzen, die men u voorzet. Ingeval gij in nood mocht geraken, zal ik u te hulp komen. Handel voor het overige, gelijk men dat van iemand van uw verstand verwachten kan, en wees gegroet.
De hertog.”
De stadhouder hoorde van dit schrijven niet weinig vreemd op en ook de anderen konden hunne verwondering niet verbergen.
“Wat moeten wij dan doen?” vroeg Sancho, zich tot den hofmeester keerend. “Ik voor mij ben er voor, dat wij in de eerste plaats en zonder alle verwijl dien heer dokter Recio in eene diepe gevangenis werpen, omdat juist hij pogingen gedaan heeft, om mij aan den pijnlijksten en akeligsten dood, den hongerdood namelijk, over te leveren.”
“Ja, maar nog noodiger reken ik, dat gij van al de gerechten, die hier op tafel staan, geen brok aanroert, heer stadhouder,” zeide de hofmeester.
“Gij maakt u zeker al te bezorgd, heer,” bromde Sancho Panza; “maar toch wil ik uw raad opvolgen en niets gebruiken, dan een paar wijndruiven en een stuk brood. Geeft beiden hier, want ik val wezenlijk flauw van honger, en als wij ons, zooals de hertog schrijft, tot een veldslag moeten gereedhouden, is ’t bovenal noodig, dat wij ons hart en onze ledematen door krachtig voedsel sterken. De buik draagt het hart, zegt het spreekwoord, en niet het hart den buik. Gij, heer geheimschrijver, moogt den hertog antwoorden, dat wij zijne orders stipt opvolgen en niets verzuimen zullen, om zijne gunst en genade waardig te blijven. Nu weg met dat tafellaken, en geeft mij wat krachtigs tot hartsterking! Later zal ik ’t met alle schelmen, spionnen en moordenaars klaarspelen, al kwamen ze bij scheepsladingen vol naar ons eiland over.”
Op dit oogenblik trad een edelknaap in de zaal en berichtte, dat verscheidene partijen buiten stonden, om de gerechtigheid van den heer stadhouder in te roepen en zijne beslissing over verschillende twistvragen te hooren. Zuchtend bleef Sancho zitten en liet de menschen komen, welker verhalen hij met het grootste geduld aanhoorde. Zoo goed als hij kon, deed hij uitspraak in de verschillende gevallen en zocht iedereen naar zijn beste vermogen tevreden te stellen.
Eindelijk viel de avond, en nu eerst was Sancho vrij van zaken en hield, zonder door de wijze vermaningen van den lijfarts gestoord te worden, een duchtigen avondmaaltijd. Na afloop daarvan bekroop hem de lust om eens iets van het eiland te zien, en ging hij dus met den hofmeester, den secretaris, den kroniekschrijver en een talrijk gevolg van gerechtsdienaars en schrijvers op weg. Sancho Panza met den staf, die zijne waardigheid aanduidde, stapte in het midden en wel met zooveel deftigheid, dat tot de kleinste kinderen eerbied en ontzag voor hem kregen. Na zoo eenige straten doorgekuierd te zijn, vernamen zij een luid degengekletter, snelden daarop toe en bemerkten twee mannen, die woedend op elkaar inhieuwen, en eerst toen zij de hooge overheid zagen naderen, hun grimmig gevecht staakten.
“Hierheen, mijne heeren!” riep een der vechtenden het hoogegezelschap toe. “Men heeft mij willen berooven en op de publieke straat aangevallen.”
“Stil, stil, goede man,” antwoordde Sancho. “Zet maar zoo’n keel niet op en vertel mij de oorzaak van uwe ruzie. Ik ben de stadhouder en zal dat appeltje wel zien te schillen.”
De tweede kampioen nam terstond het woord en zeide: “Heer, gij moet weten, dat deze knaap daar zoo pas in een speelhuis over de duizend realen heeft gewonnen. Ik was daarbij en besliste in twijfelachtige gevallen meermalen in zijn voordeel. Toen hij nu opstond, verwachtte ik, dat hij mij uit dankbaarheid eenige realen in de hand zou stoppen; doch hij streek zijn geld op en ging heen, zonder zelfs naar mij om te zien. Ik volgde hem en verzocht hem, mij althans acht realen af te staan, daar ik een arme drommel ben en dat geld opperbest kan gebruiken. Maar nu wou die schraalhans mij maar vier realen geven, waaruit uwe genade zien kunt, wat een gemeene en onbeschaamde rekel hij is. Ik maakte mij boos over zijne inhaligheid, wij kregen harde woorden en ’t einde van ’t lied was, dat wij de degens trokken en elkaar te lijf gingen.”
“En wat hebt gij van uwen kant te zeggen?” vroeg Sancho Panza den anderen rustverstoorder.
“Ik moet erkennen, dat die sinjeur over het geheel de waarheid heeft gesproken,” antwoordde gene. “Ik wou hem niet meer dan vier realen geven, omdat hij al vaak genoeg nog meer heeft gekregen en dus alles zoo nauw niet rekenen moest. En dat ik hem zijn zin niet gaf, is het beste bewijs, dat ik geen gauwdief ben, want gauwdieven zorgen wel, dat zij een ander, die hun in de kaart kijkt, met geld en goede woorden den mond stoppen.”
“Dat is wel wezenlijk zoo,” zei de hofmeester tot den stadhouder. “Uwe genade mag dat wel ernstig in overweging nemen.”
“Ik zal uitspraak doen naar billijkheid en recht,” antwoordde Sancho. “Gij, die eerlijk of oneerlijk gewonnen hebt, betaalt terstond honderd realen aan uw makker en dan nog dertig aan de armenkas.—En gij,” keerde hij zich tot den tweede, “steekt die som op en pakt dan zoo gauw mogelijk uwe biezen. Voor volle tien jaren zijt gij van het eiland verbannen, en als gij voor dien tijdterug mocht komen, zult gij opgeknoopt worden aan de hoogste galg, die in mijne staten te vinden is. Zoo en niet anders zal het gebeuren, en daarmee basta!”
De een betaalde, de ander streek op; de een ging naar huis, de ander stapte de poort uit, en daarmee was de gansche zaak op dekortsteen beste manier afgedaan.
Sancho Panza ging verder, toen daar een gerechtsdienaar aankwam, die een jongmensch bij zijn kraag voortleidde.
“Heer stadhouder,” sprak de gerechtsdienaar, “zoodra deze jonkman ons van verre in het oog kreeg, keerde hij dadelijk om en ging als een haas op den loop. Wie het oog van de wet schuwt, heeft zeker wat kwaads op zijn geweten, dacht ik, zette hem na en kreeg hem, daar hij kwam te vallen, gelukkig te pakken.”
“Waarom gingt gij op den loop, manneke?” vroeg Sancho.
“Heer, om niet op de vele vragen te moeten antwoorden, die de gerechtigheid iedereen voorlegt,” antwoordde de vreemde.
“Wat is uw beroep?”
“Ik ben wever.”
“Wat weeft gij?”
“Lanspunten, met uwer genades permissie.”
“Ei, ei, ge lijkt mij een rare snaak toe; ge wilt u er zeker met een grap afmaken,” zeide Sancho. “Maar ’t is goed.—Zeg, waarheen waart ge nu op weg?”
“Ik ging alleen, om een luchtje te scheppen.”
“En waar vindt men dat op dit eiland?”
“Waar ’t waait, heer.”
“Opperbest, mijn kereltje! Ik zie, dat ge een guit zijt. Verbeeld je dan nu maar, dat ik de frissche lucht ben en je in de gevangenisblaas. Pakt hem, mannen, en neemt hem mee. Zoo waar ik stadhouder ben, zal hij van nacht slapen, waar hij geen frissche lucht kan scheppen.”
De jonge man lachte. “Gij zult mij in de gevangenis evenmin tot slapen dwingen, als gij mij tot koning kunt maken,” antwoordde hij stout.
“En waarom niet?” vroeg Sancho. “Kan ik u niet in de gevangenis stoppen en vrijlaten, al naardat ik verkies?”
“Ja, dat kunt gij; maar tot slapen in de gevangenis kunt gij mij niet dwingen.”
“Zoo’n dekselsche jongen!” riep Sancho. “Hebt ge bij geval ook een beschermengel bij de hand, die je de boeien afneemt, die ik je misschien zal laten aanleggen?”
“Neen, dat niet,” antwoordde de jonge man op luchtigen toon; “maar toch blijf ik er bij, dat gij mij niet in de gevangenis kunt doen slapen. Zie, beste heer, stel het geval, dat gij mij werkelijk in boeien liet slaan en in de gevangenis werpen, dat gij den cipier last gaaft mij ten strengste te bewaken, en dat deze werkelijk mijn ontsnappen belette, dan zou toch niemand in staat zijn, mij tot slapen te dwingen, als ik eens besloten was, mijne oogen open te houden.”
“Ha, meent gij het zoo, maat?” riep Sancho en lachte hartelijk. “Ja, dat is een ander ding. Dus wilt gij dan maar niet slapen, om uw wil te hebben, maar niet, om mijne bevelen gehoorzaamheid te weigeren?”
“Zoo is het,” antwoordde de jonge loshoofd.
“Nu dan, slaap thuis en droom genoeglijk,” sprak Sancho. “Wees echter in ’t vervolg wat voorzichtiger met uwe tong, want niet iedereen houdt van gekscheren, en ge kondt u door die snakerijen licht wel eens een dracht slagen op den hals halen.”
De jonge spotvogel ging zijns weegs en daar Sancho moe begon te worden, maakte ook hij rechtsomkeert en keerde met zijn gevolg naar het paleis terug.
Den volgenden morgen, zoodra de stadhouder opgestaan was, werd hem een ontbijt voorgezet, dat, volgens de verordening van dokter Recio, eenvoudig uit wat fruit en een glas koud water bestond. Sancho had gaarne wat anders gehad; maar de lijfarts deed opmerken, dat weinig en licht voedsel den geest scherp en levendig houdt, wat vooral voor iemand, die ambt of waardigheid bekleedt een ding van uiterst groot gewicht is. De arme stadhouder moest zich met deze redeneering tevredenstellen; doch praatjesvullen geen gaatjes, en hij leed een barbaarschen honger en begon in zijn hart het geheele stadhouderschap en hem, die ’t hem had opgedragen, al half naar de maan te wenschen. Intusschen zette hij zich toch met knorrende maag in den rechterstoel en hoorde in tegenwoordigheid zijner hoogste ambtenaren de vraag aan, welke een vreemde hem tot beslissing voorlegde.
“Genadige heer,” zeide deze tot hem, “uw gebied wordt door een waterrijken stroom in tweeën gescheiden. Over dien stroom ligt eene brug, aan wier eene eind een galg en een rechtshuis staan, in welk laatste zich gewoonlijk vier rechters ophouden, om eene wet te handhaven, die door den heer van den stroom is uitgevaardigd en luidt: “Indien iemand over deze brug gaat, dan moet hij vooraf zweren, waarheen en tot welk einde hij die overschrijdt. Zweert hij de waarheid, dan mag men hem ongemoeid laten gaan; doch zweert hij valsch, dan moet hij onverwijld opgehangen worden en sterven aan de galg, die bij de brug staat.”
“Na het bekendmaken van deze wet gingen velen over de brug; doch iedereen zwoer de waarheid, en men liet hen dus ongehinderd trekken. Nu gebeurde het echter, dat een man, wien de eed werd afgevorderd, zwoer en beweerde, dat hij over de brug ging enkel en alleen met plan, om aan die galg opgehangen te worden en te sterven.
“De rechters keken elkaar bij dien eed verbaasd aan en zeiden de een tot den ander: “Als wij dezen man ongemoeid gaan laten, dan heeft hij gelogen en moet volgens de wet wegens meineed sterven. Opknoopen mogen wij hem evenwel niet; want deden wij dat, dan had hij immers de waarheid gezeid, toen hij zwoer, dat hij enkel en alleen over de brug wilde gaan, om opgehangen te worden, en diensvolgens moet hij krachtens de letter van de wet vrij zijns weegs gaan.”
“Zoo staat nu het geval, en gij, heer stadhouder, moet beslissen, wat de rechters met den man moeten aanvangen. Tot hiertoe zijn zij ’t nog altijd oneens en zitten met de handen in het haar. Zij vertrouwen op uwe scherpzinnigheid en verkeeren in de zoete hoop, dat gij die harde noot kraken en het raadsel oplossen zult.”
“Hoor, goede vriend,” antwoordde Sancho, “uwe heeren rechters hadden zich de moeite kunnen besparen van u hierheen te zenden, want ik ben een man, wien de natuur een grooter portie domheid dan verstand heeft geschonken. Vertel mij ’t geval evenwel nog eens, en dan wil ik zien, of ik, zooals men wel zegt, den spijker op den kop kan treffen. Spreek op, goede vriend!”
De vreemde vertelde de geheele geschiedenis nog eens, en toen nog eens, totdat Sancho Panza haar goed genoeg meende begrepen te hebben, om er zijn oordeel over te zeggen.
“Mij dunkt,” sprak hij, “dat ik dat dingetje wel zal klaren. ’t Geval komt eenvoudig hierop neer: De man verklaart onder eede, dat hij over de brug wil gaan, om aan de galg te sterven. Sterft hij nu, dan heeft hij de waarheid bezworen, en moet volgens de wet worden vrijgelaten. Sterft hij evenwel niet, dan heeft hij een meineed gedaan, en moet krachtens de wet gehangen worden.”
“Juist zoo is het, heer stadhouder,” zeide de vreemde.
“Nu dan doe ik uitspraak,” sprak Sancho, “dat men de eene helft van den mensch, die de waarheid heeft gezegd, vrijen overgang late, maar de andere, die gelogen heeft, zonder barmhartigheid ophange. Op die manier krijgt ieder deel wat hem toekomt.”
“Als wij ons aan deze uitspraak hielden, heer stadhouder,” antwoordde de vreemde, “zouden wij gedwongen zijn, den bedoelden persoon in twee helften te deelen, en de leugenachtige van de waarheidsprekende te scheiden. Deze scheiding zou het onschuldig deel echter niet kunnen overleven, en de wet zou dus niet worden gehandhaafd.”
“Mijn beste vriend,” zeide Sancho Panza op deze tegenwerping, “de man, om wien ’t hier te doen is, heeft, als ik ’t wel begrijp, evenveel recht om te leven als om te sterven. De waarheid redt, de leugen veroordeelt hem. Zeg dus aan de rechters, dat zij voor ditmaal maar genade voor recht moeten laten gelden en den sukkel de vrijheid geven, omdat goeddoen altijd loffelijker is dan kwaaddoen.—En loop nu naar den drommel en meen niet, dat ik hier aangesteld ben, om raadseltjes te raden, die onmogelijk op te lossen zijn. Loop heen, zeg ik, en gij, hofmeester, bezorg mij watstevigs te eten en laat mij niet van honger en ergernis omkomen.”
De vreemdeling stapte op, en de hofmeester betoonde zich genadig, daar hij Sancho naar de tafel leidde, die evenals gisteren rijkelijk bezet was. Indien niet de dokter achter hem gestaan had, zou de stadhouder als een prins gesmuld hebben; maar nu kwam telkens een tik met dat verwenschte zwarte stokje en haalde onzen hongerigen vriend de vetste happen voor den mond weg.