De oude kerk te Burgund. (Phot. Wilse, Kristiania.)De oude kerk te Burgund. (Phot. Wilse, Kristiania.)Den volgenden ochtend had ik eerst eene wandeling van ongeveer een kwartier te maken van af het hotel Lindstrom tot aan de aanlegplaats der boot, en weder onder het aangenaamste zomerweêr voeren we de fjord af. Een vreemd gezicht die steile bergen, die zonder oever hunne steenmassa’s uit het water doen oprijzen! Eén van vorm en ook meestal één van kleur, met prachtige spiegeling in het stille water. De fjord werd langzaam wijder, en gaf hier en daar aardige kijkjes, bijv. op de haven Haugene, met een vriendelijk uitzicht in het Eierdal. Daar waar de Laerdalfjord uitmondt in de Sognefjord heeft men een heerlijk bergpanorama over het ruime watervlak. Niet lang daarna, aan een paar huizengroepen voorbij, draait men, indien men met mij naar Gudvangen reist, de Aurlandsfjord in. Het tafereel wordt nu oneindig grootscher. De fjord is slechts ½ kilometer breed en aan weêrszijden gaan de rotsen in zware, strakke massa’s 900 á 1200 M. omhoog. Stort zich soms een riviertje in de fjord uit, dan vormen zich aan die uitmondingen bezinkingen, waar men dan ook woningen en eenige kultuur vindt. Voor we de Aurlandsfjord invoeren, kwamen we een andere boot tegen en draaiden bij, om van haar een aantal passagiers over te nemen, allen mannen, waaronder militairen; dat was een vroolijk en druk gezelschap, dat me uitlokte om eens op het voorschip te gaan kijken. Het waren allen mannen, die de laatste, ik meen veertiendaagsche, periode van den algemeenen dienstplicht te Vossevangen gingen vervullen. Er waren verscheiden gehuwden onder; ze waren welgemoed en opgewekt. Onder het vijftigtal waren er twee die hunne opgewektheid wat te krachtig met bier steunden; voor ze ongeschikt werden voor het algemeen gezelschap, werden ze door kameraden achteraf gebracht en gehouden; natuurlijk was er onder dat gezelschap ook een met eene viool, die er dapper op losstreek; er werd ook gedanst; eerst heel aardig en kalm, toen het langzaam te wild en ongemanierd werd, was een enkel woord van den kapitein der stoomboot voldoende om er een eind aan te maken. De mannen in uniform waren onderofficieren; het dragen der uniform is een voorrecht voor hen die de onderofficiersschool doorloopen, maar men maakt geen gebruik van dat voorrecht. In die onderofficiersscholen wordt meer uitgebreid lager onderwijs gegeven en vooral veel werk gemaakt van het leeren spreken en verstaan van vreemde talen. Dat is het lokaas om onderofficieren te krijgen, want de Noren, zoowel vrouwen als mannen, zijn zeer tuk op het leeren van vreemde talen. De meerderheid der mannen maakt van de gelegenheid tot leeren in de onderofficiersschool gebruik, al is het dan ook niet om onderofficier te blijven.Gedurende dien cursus op het voordek was de stoomboot verder gevaren. Er was niet veel te zien. Hier en daar een huis als een kraaiennest, tegen een rotswand geplakt, en tal van watervallen, die echter weinig indruk maken, omdat ze te ver af zijn.Bij eene vooruitstekende rots, de Bejteln, vaart men de Naerofjord in. Die invaart is prachtig; het water is 8 à 900 meter breed; de rotsen aan weerszijden zijn even hoog en even steil, en naar voren is het uitzicht afgesloten door eene statige groep van sneeuwbergen. Denk eens hoe mooi dat was, toen de zon schel begon te schijnen en alles met gloed en licht overgoot, waardoor ook de donkere partijen in de rotsen meer tot haar recht kwamen. De watervallen zijn nog talrijker dan te voren, en worden levendiger en duidelijker, nu de fjord maar steeds door enger wordt. Op eene eeuwen geleden van de hooge wanden in het water gestorte rotsmassa ligt hetkleine kerkje van Bakke, omgeven door eenige houten woningen; de achtergrond wordt gevormd door den steilen fjordwand, waarvan de rivier de Bakke, nu goed zichtbaar en hoorbaar, als waterval omlaag stort. Op het water hier en daar visschersvaartuigen in hun bedrijf; wat dichterbij Gudvangen ook pleiziervaartuigjes en een zeer fraai engelsch jacht; deze vormden eene alleraardigste stoffeering, alleen overtroffen door het fraaie gezicht op Gudvangen zelf. Eenige huizen, eenige hotels, alleraardigst door elkaar geworpen en vooral veel boomen, en als achtergrond het beroemde Naerodal met zijnen trouwen wachter de Sjaerpennut, eene reusachtige rots uit wit graniet.Naerofjord. (Phot. Wilse, Kristiania.)Naerofjord. (Phot. Wilse, Kristiania.)Die aankomst te Vossevangen is eenig in haar soort. De landingsplaats is vol nieuwsgierigen en een aantal hotelbedienden, die in bedwang worden gehouden door een tweetal heeren, de vertegenwoordigers der reiskantoren! Deze heeren maakten groot lawaai, daarin gesteund en overtroffen door een aantal koetsiers, die met hunne rijtuigjes langs den weg gereed stonden. ’t Scheen wel of die drukte gemaakt werd als imitatie van grootere plaatsen; ze is namelijk geheel overbodig. Die agenten der reiskantoren weten precies op welken dag en hoeveel reizigers zij krijgen, en welke rijtuigen die reizigers hebben moeten en waar heen. Zij weten ook welke reizigers in de hotels afstappen, want dat wordt hun alles van dag tot dag uit het hoofdbureau gemeld. Alléén die weinigen, die, zooals ik, met zoogenaamde vrije tickets reizen, moeten naar hunnen tot nu toe onbekenden wensch vervoerd worden.Het was nog vroeg en mooi weer, zoodat ik veel lust had om dien avond wat later te Voss aan te komen, en stellig wenschte ik niet in den grooten sleep van rijtuigen opgenomen te worden; daarom bleef ik tot het laatst aan boord, gaf mijn koffer tot nader order aan den agent van “Cook” en liep Gudvangen in, om eens te zien wat daar te koop was. Het is niet veel meer dan eene groep boerderijen, waar hier en daar een hotel tusschen staat en eenige winkels met plaatselijke merkwaardigheden, meest handwerken, photo’s en briefkaarten.De rotsen die Gudvangen omgeven, gaan zoo steil omhoog, dat men er gedurende de wintermaanden de zon niet te zien krijgt. Een prachtige waterval, de Killefos, komt daar van eene hoogte van 560 M. omlaag met een vrijen val van 150 M. ’t Was merkwaardig, maar te hoog om het mooie er van goed in oogenschouw te kunnen nemen.Nadat mijne medereizigers een goed eind vooruit waren, nam ik ook een rijtuigje en reed het Naerodal in;—tot Voss is het een rit van 5 à 6 uur.Gewoonlijk wordt gezegd dat het Naerodal, als voortzetting van de fjord, zijn zelfde woeste karakter behoudt. Het was echter zoo’n heerlijke zonnige dag, dat de woestheid tot lieflijkheid werd. ’t Was er niet woest, evenmin als op de fjord; de landschappen waren trotsch, krachtig in lijnen en tinten; het groen hier en daar, op de bergen en beneden in het dal, de huizen die er in verscholen lagen, het lachende stille watervlak, alles zag er vriendelijk uit. Misschien was het te danken aan ’t heerlijke heldere weder, maar mijne herinneringen aan de Naerofjord en aan het Naerodal zijn doorgaand vriendelijk en opgewekt.Op ongeveer een kwartier rijdens van Gudvangen loopt de weg door eene groote “ur”, eene opeenhooping van bergpuin; dat is werkelijk woest; menziet echter spoedig eene fraaie boerderij tegen de berghelling; die hoeven hebben daar allen namen; deze heette Sjaerping. Een weinig verder vertoont zich de prachtige grauwe syenietkop van den Jordaelsnut, een heerlijke bergformatie, die het geheele enge dal blijft beheerschen. ’t Gaat langzaam omhoog; men gaat over de rivier, dan langs een paar boerderijen en komt vervolgens aan den voet der ontzettende Stalheimsklev, die het dal geheel afsluit. Daar verkondigt u een groot bord, dat de reizigers worden verzocht den steilen weg naar boven te voet af te leggen, ter wille van de paarden. Dat is over tal van slingerwegen een klim van drie kwartier; voor zich uit en ten laatste aan weêrskanten heeft men echter twee zeer schilderachtige watervallen, de Silvlefoss en de Stalheimsfoss, zoo frisch en dartel, dat men de warme zon gaat vergeten. Bij het rusten van tijd tot tijd is vooral het uitzicht naar beneden in het dal wondermooi. Stellig een der heerlijkste punten in Noorwegen. Ook hier wordt steeds gesproken van het uitzicht in het donkere dal en in ’t bijzonder aangeraden dit ’s namiddags te nemen. Ik zag het onder vollen zonneschijn; vooral de prachtige Jordaelsnut op den voorgrond werd prachtig beschenen, zoodat ik van een donker dal niet spreken kan en zeer dankbaar ben het zóó getroffen te hebben.Sörfjord.Sörfjord.Boven op de klev vindt men het ruime Stalheim’s Hotel, een goede inrichting, met eene pretensie van voornaamheid, die het maar slecht afgaat. Er was eene uitgebreide toko in, waar men allerlei noorsche bijzonderheden kon koopen; het hotel ligt hoog en de prijzen der uitgestalde voorwerpen zijn nog hooger boven het niveau; er waren echter prachtige noorsche weefsels tentoongesteld, in patroon en vooral in kleuren zeldzaam fraai. De table d’hôte zoude juist beginnen, maar ’t was mij nog te vroeg, en ik liet mijn rijtuigje voorkomen om in het Opheimdal af te dalen. Aanvankelijk geeft deze weg niet veel; de grond is slecht, zelfs elzenhout wil er niet behoorlijk groeien; het water is bruin en pappig van het veen. Gelukkig duurt dat niet lang en komt men door flinke bosschen en uitgestrekte weiden langzamerhand in eene meer bewoonde streek. Op eenmaal verandert het landschap van karakter; men ziet haast geen rotsformaties meer; de kultuur neemt de overhand, met vele boerderijen. Vooral is de rit lief langs het kalme meer van Opheim, waaraan het aardige kerkdorp van dien naam gelegen is; wanneer daar nu maar niet weêr zoo’n witte houten kerk van het algemeen model stond! Aan het einde van het meer een groote draai, en door een oprijlaan reden wij voor het Framnesshotel. Daar nam ik het middagmaal en zat er heel rustig in eene kalme omgeving, meest Noren, met wie spoedig een gezellig gesprek aangeknoopt werd; vooral de dames zijn gaarne bereid den vreemdeling zijne kreupele sprongen in de noorsche uitspraak te vergeven. Van uit den tuin van het hotel genoot ik nog van het schilderachtige, vreedzame uitzicht op het meer.In den avond reed ik verder. Het landschap wordt hoe langer hoe vriendelijker, het dal wordt enger; hier en daar eene brug over de rivier. Voor het eerst zie ik hier rotsen van een anderen vorm; het is lei, tot nu toewas het altijd graniet, en die afwisseling doet aangenaam aan. Bij het gehucht Tvinde een prachtige bruisende waterval; men komt nu op vlakken bodem, de grond is keurig bebouwd; overal akkers tusschen de weiden, veel en weelderig hout en dan de stad Vossevangen (meestal Voss genaamd) aan uwe voeten in een dieper, ruimer dal. Men daalt langzaam neêr en verlustigt zich in het heerlijk uitzicht. De stad is om eene oude, fraaie steenen kerk gebouwd en heeft een prachtig, niet te groot meer tot achtergrond.Men kan te Voss eene aardige wandeling maken naar een aan de overzijde van het meer op de bergen gelegen koffiehuis “Breidablik”; de uitzichten vanaf de stad, die men uit de meeste hôtels genieten kan, wedijveren met die van af Breidablik over het meer; Vangsvand is zijn naam; beiden zijn in hooge mate schilderachtig en komen overeen met de uitzichten op Opheimsvand; ze zijn onderscheiden van wat ik tot nu toe zag, evenals de geheele omtrek van Voss; daar is minder rots, al komen hier en daar nog wel eens grimmige partijen te voorschijn; meer bebouwd land en vooral prachtige weiden tegen de zachtere hellingen der bergen.Het stadje zelf is zeer levendig; er zijn in ’t oogvallend veel winkels, al staan ze niet gelijk met grootsteedsche magazijnen, maar onder meer zag men bijv. bananen uitgestald tegen lageren prijs dan te Amsterdam. Men kon aan de winkels zien, dat er meer welstand is in de omstreken van Vossevangen, dan in de streken waar ik tot nu toe geweest was. De stad ligt trouwens ook aan den spoorweg die vanaf Bergen, aangelegd wordt en gedeeltelijk dient, om over de Skandinavische Alpen verbinding te krijgen met de oostelijke lijnen en met Kristiania.Buiten de stad wandelende, kwam ik aan het militaire kamp, waar ik ook weder de reisgenooten van de Naerofjord trof, ditmaal allen in hun pakje, dat zeer eenvoudig, maar opvallend onzindelijk was. Ze waren daar gehuisvest in kleine houten barakken, waarvan er een aantal in dubbele rijen op een middenpunt uitkwamen, waar de bevelhebber en de officieren hunne gelijksoortige barakken hadden. Dit kampement was gelegen op een ruime hoogvlakte; later heb ik er nog gezien, die geheel uit tenten bestonden.In Noorwegen is elk welgeschapen, gezond man dienstplichtig, behalve wanneer hij loods of geestelijke is, en hij wordt aangewezen voor den dienst waarvoor hij het meest geschikt is. Zeelieden en visschers dienen op de vloot, handwerkslieden bij de genie en de artillerie; studenten in de medicijnen in de veldhospitalen; de landlieden gaan zooveel mogelijk bij de kavalerie. De dienstplicht begint op 22 jarigen leeftijd en duurt 10 jaar, met afloopende diensttijden en naar gelang het wapen waarbij men ingedeeld is.Voorbij het Fleischer’s Hotel te Voss brengt een zijweg, door wegwijzers voldoende aangeduid, u naar het Finneloftet, op de wegwijzers het oudste wereldsche gebouw in Noorwegen genoemd. Het is een oud boerenhuis; de naam der boerderij is Fin, en loftet beteekend een huis met eene verdieping, in tegenstelling met stue, dat een huis is zonder verdieping. In dergelijke huizen is de ruimte gelijkvloers tot berging en bediendenhuisvesting aangewezen, terwijl de in- en uitwendig met meer zorg gebouwde verdieping door den boer met zijn gezin bewoond wordt. Er is in dit gebouw eene verzameling van oudheden, of liever eene opeenhooping van oud huisraad en landbouwgereedschappen, waarvan ik geloof dat veel in de afgelegen boerderijen nog zoo heel lang niet geleden buiten gebruik is gesteld. Er zijn wel aardige dingen onder, en curieus was te zien hoe men zich bij het samenstellen van vele voorwerpen had moeten voegen naar het eenige beschikbare materiaal—hout. Als museum heeft Finneloftet maar eene zeer beperkte waarde; het was evenals de oude vrouwelijke conciërge, die mij rondleidde door de enkele kamers, erg primitief.Het had mij bij het opmaken van mijn reisplan leed gedaan, dat ik het niet zóó had kunnen inrichten, om Zondags te Odda te zijn, waar men dan volgens de Baedekers en consorten de merkwaardige kleederdrachten van het Hardangerlandschap bewonderen kan bij het uitgaan der kerk; maar ’t ongeluk werd prettig vergoed, doordat ik Zondagsmorgens te Voss was, en daar de bevolking uit den omtrek van alle kanten op hare stolkjaerre en cariolen naar de kerk zag komen. Dat was inderdaad in hooge mate schilderachtig. Veel wit, veel kleur en veel levendige gouden versieringen. Natuurlijk kan ik niet beoordeelen in hoeverre die kleederdracht al meer of min gemoderniseerd is, maar toch, naar de stoffen en den snit te oordeelen, geloof ik het niet. Ik geloof eerder dat de nieuwere modes veel van dat oude overnemen. De vrouwen en meisjes waren alleen in het costuum, dat zich nog wel lang zal handhaven, omdat het zoo uiterst kleedzaam is. De vrouwen op ’t land zijn, evenals de mannen, van groote gestalte en daarbij niet bijzonder slank; zij hebben bijna zonder uitzondering een goed figuur en een statigen, sierlijken gang. De gelaatskleur is frisch, gezond en blank; handen en armen zijn daarentegen gewoonlijk verbrand en verweerd; de oogen zijn licht staalgrijs en het haar wit blond. Zooals gelukkig overal, zijn er ook daar veel bepaalde schoonheden onder de vrouwen; het is een bijzonder knap soort van menschen. Eene uitzondering maakten daarop de oude vrouwtjes, die men dikwijls de woningen ziet bewaken. Naar kleeding, meestal zwart, en naar uiterlijk, met hunne sterk gebogen gestalte, kwamen me die schepseltjes inderdaad voor als de juiste personificatie van ’t woord “heks”.’t Was een levendig tafereel daar op dien zonnigen Zondagmorgen tusschen half tien en tien uur te Voss. Die lange rijen van lichte wagentjes, getrokken door die lichtgekleurde driftige paardjes, beladen met twee en drie keurig uitgedoste personen. De mannen allen in het donker; de vrouwen met donkere rokken en wit bovenlijf en daarover een donker, met kleuren afgezet corsage; het front met bontgekleurde koralen geborduurd en behangen met goud. De mouwen en de groote, wijd uitstaande mutsen wit. Het deed me leed, dat ik niet wachten kon tot de kerk uitging, om die optochten nog eens te zien.Dien voormiddag vertrok ik weer per stolkjaerre naar Eide, om van daar de Hardangerfjord te bereiken. Een bezoek aan Bergen moest ik, zooals reeds van te voren te voorzien was, uit gebrek aan tijd achterwege laten.Men verlaat Voss over eene lange houten brug over de Rindal, en komt spoedig in boschrijke omgeving; ditmaal is alles loofhout, pijnbosschen ziet men alleen in de verte, keurige kijkjes vanaf den hoogen weg; langzaam hooger; de woningen worden zeldzamer en blijven spoedig achterwege; ’t landschap verliest zijne bekoorlijkheid. Plotseling komt men aan eene diepte; het dal gaat hier loodrecht omlaag, en in dien steilen rotswand is met vele kronkels een weg uitgekapt. Wanneer men ongeveer halverwege beneden is, krijgt men het uitzicht op den prachtigen “Skjervetfoss”, een der mooiste watervallen die ik zag. Hij bestaat uit twee deelen; ’t bovenste valt loodrecht omlaag en de sluiervormen van het water teekenen zich keurig helder af tegen den donkeren achtergrond der rotsen. Dan stort de watermassa zich over eene hellende rotsbedding en onder eene brug in den straatweg door, verder in dichte massa’s voort het dal in. In de nabijheid van den waterval heeft zich een frisschen levendigen plantengroei ontwikkeld, en de grasplekjes hier en daar waren vroolijk met kleurige bloemen bezaaid. Een verrukkelijk tafereel! Het is eene eigenaardigheid in Noorwegen, dat de enge dalen, de verlengden of voortzettingen der Fjorden, altijd met steile reuzentrappen omlaag gaan, in stede van meer glooiend af te loopen, zooals elders.De straatweg volgt nu de rivier, die zorg draagt altijd uwe aandacht gaande te houden door het wilde bruisen en het donderend geweld, wanneer zij zich hier en daar door eene engere rotsbedding heen wringt. Het bovengedeelte van den Skjervetfoss kan men nog lang in al zijn glorie waarnemen. We rijden door een gehucht Ovre Vasenden, en bereiken den top van het Gravensvand; rondom verheffen zich vervaarlijke bergmassa’s. Verder gaat het langs het Gravensvand, wel wat eentonig, en na 3 uur rijdens stapte ik uit te Eide voor het voortreffelijke Maeland’s hotel. Daar werd het middagmaal gebruikt, daarna nog eene wandeling terug naar ’t Gravensvand gemaakt, waar ik zeer opmerkelijke inrichtingen voor de zalmvangst vond, en eindelijk de aanlegplaats der stoomboot opgezocht, om de vaart op het Sörfjord te aanvaarden.Sörfjord te Odde.Sörfjord te Odde.Een tegenslag met zeer onaangename gevolgen. De boot kwam twee uur te laat. Er waren bij het mooie weer en met den Zondag zooveel reizigers, dat men onderweg overal aanleggende, veel tijd verloren had; wachten was de boodschap, en ten laatste van wal, op eene stampvolle boot. Het begin der vaart op de Gravensfjord geeft hetzelfde te zien als bij ’t verlaten van bijna alle fjorden, maar als men op de breede Utnefjord komt en deze overvaart, dan verandert het tafereel. De Utnefjord is ongeveer het middendeel van de Hardangerfjord; een breede waterplas, omgeven door steile en hoog uit het water oprijzende rotsgevaarten, met veel schakeering van licht tot donker. De avondzon werd nog niet geheel door de bergkammen onderschept, en stortte een gouden gloed over water en land; de tegenoverliggende sneeuwvelden werden helder en schitterend verlicht. ’t Was boven alle beschrijving heerlijk mooi, levendig en toch majestueus. Alle reizigers waren onder den indruk van ’t schoone tafereel.Bij Utne voeren we de Sörfjord in, een vaarwater dat aanvankelijk nog 2 kilometer breed is, maar over eene lengte van 40 kilometer ten laatste maar enkele honderde meters tusschen de rotswanden meten kan. Langs de oostelijke oevers liggen vele dorpen en gehuchten. De bergstroomen hebben hier, nog meer dan elders, lagere landstrooken gevormd, die eene zeer beschutte ligging hebben en eene uitstekende vruchtenkultuur mogelijk maken. Langs het middengedeelte van de fjord, waar deze ook nooit bevriest vindt men tal van kersen en appelboomgaarden; de plantengroei is zeer weelderig en er heerscht groote welvaart. Aan de oostzijde openen zich ook verscheiden dalen, die fraaie uitzichten opleveren; aan de westzijde is de doorloopende bergrug getooid met tal van watervallen en op den top bedekt met eeuwigdurende sneeuw en hier en daar een gletscher. Natuurlijk was dit alles beschreven in verschillende reisboeken, en wij allen—ik was in nadere aanraking gekomen met eene duitsche en een noorsche familie—spitsten ons zeer op de heerlijkheid, die wij nog aanschouwen zouden. Maar ’t was buiten het daglicht gerekend. De vertraging, die we reeds te Eide hadden, zette zich om dezelfde reden voort en nam toe, en weldra was van al de veelgeprezen schoonheden van de Sörfjord niets meer te zien dan donkere silhouetten. De sneeuw en de gletschers daar boven op het Folgefond kwamen er wel des te meer door uit, maar die gletschers waren op zich zelf niet zeer belangrijk.We kwamen ’s nachts om 12 uur te Odde aan.’t Was in dat enge dal zeer donker; de vele reizigers maakten ook, dat men moeite had om onder dak te komen.Ik kan reizigers in Noorwegen niet genoeg aanbevelen, de fout die ik bij het bevaren der Sörfjord beging te vermijden. Toen te Eide de boot volle twee uur vertraging had, had ik daar tot den volgenden ochtend moeten blijven, en me de vaart op de Sörfjord niet door de duisternis moeten laten bederven.Skjervet-dal.Skjervet-dal.Ik moest doorreizen, want anders kwam ik over den mij toegestanen dag thuis, maar juist daardoor kom ik tot de vernieuwde gevolgtrekking, dat Noorwegen geen land is, om in een kort zomerverlof te bereizen. Die minder dan drie weken te zijner beschikking heeft, doet inderdaad beter niet naar Noorwegen te gaan.Het Hardanger Hotel te Odde is eene uitstekende inrichting. Geheel van hout in noorschen stijl gebouwd, maakt het een aangenamen indruk, vooral omdat het zeer ruim is; gangen, trappen, kamers, eetzalen, alles is groot, en de hal is van buitengewone afmetingen en loopt tot in het dak door.Odde is een zich sterk ontwikkelend kerkdorp; vele vreemdelingen kiezen het als zomerverblijf; ’t is dan ook heerlijk gelegen en biedt, wat zeldzaam is, gelegenheid tot aangename wandelingen.’s Morgens bij tijds op, wandelde ik reeds vóór het ontbijt langs de fjord, om me eenigzins schadeloos te stellen voor ’t geen ik den avond te voren door de duisternis gemist had. Na ’t ontbijt ging ik de winkels in Odde eens bekijken, die zich hier onder den invloed van ’t vreemdelingenverkeer gevestigd hadden. Verbazende keus van photo’s en briefkaarten was er, en noorsche handwerken waren in overdaad vertegenwoordigd. Aquarellen waren ook druk geëtaleerd. Ik veronderstel dat de mooie en goede reeds verkocht waren, want wat ik er nog zag, was bitter treurig. Aquarelleeren schijnt daar onder de reizigers epidemisch te heerschen, te oordeelen naar de twee uitgebreide magazijnen van teekenbehoeften die er waren; en dan was er, wat ik sedert Kristiania niet meer gezien had, een kapperswinkel; maar dien dag was de kunstenaar met zijn gezin eens voor een dagje uit, en de bediende hield nu ook maar vacantie!Al verder in het dal opgaande, begon ik last van de warmte te krijgen; de zon scheen onbarmhartig; gelukkig kwam ik weer spoedig voor een meer te staan, het Sandvenvand, en trof daar juist een man met een bootje, bereid om mij een watertochtje te doen maken; eene heerlijke verfrissching! Na een half uur varen kwamen we tegenover den ingang van het Jordal. Eenige woningen liggen daar aan den oever, en verder gaat het wild in het dal op, dat afgesloten wordt door den gletscher Buarbrae. Ik liet me aan land zetten, en trof daar eenige mannen, die bleken tot de boerderij te behooren; we raakten aan het praten en ik werd door hen binnengenoodigd.Vossevangen en het Vangsvand.Vossevangen en het Vangsvand.De boerderij was betrekkelijk nieuw gebouwd, dus zag ik geene oud-noorsche inrichting, waarop ik gehoopt had. Toch was het aardig om te zien; welstand heerschte er, een zeker soort van comfort, maar met vermijding van alle overdaad. Een boer in Noorwegen, of wat de Noren zelf onder dien naam verstaan, is eerder een grondeigenaar en dikwijls een groot grondeigenaar; maar zijne gronden, die voor ’t meerendeel uit uitgestrekte bosschen bestaan, leveren hem niet veel op. Hij bezit dikwijls een zeer grooten veestapel, maar ook die werpt hem niet zooveel af als wij daarbij gewoon zijn te denken. Het vee is onaanzienlijk, klein van gestalte en niet sterk melkgevend; de hoedanigheid der melk is voortreffelijk; de melk kan de boer ook weer niet verkoopen; boter in de meeste gevallen ook niet, om de groote afstanden naar de plaatsen van uitvoer. Het plaatselijk verbruik is gering tengevolge van de uiterst spaarzame bevolking. Behalve rundvee worden ook varkens en schapen, maar vooral veel geiten gehouden. De groote bron van inkomst op de landgoederen is het vellen van bosschen, waarbij dan dikwijls niet aan gelijken tred houdend inplanten gedacht wordt.Het volkskarakter der Noren heeft zich niet in de steden ontwikkeld. Die zijn meest allen van veel lateren datum, althans in den tegenwoordigen vorm; de Noren zijn een boerenvolk; op het platteland ziet men het type van den Noor. Dorpen zijn er niet veel, men woont er op zeer verspreide groote hoeven, en vele van die hoeven bleven, door vererving op het oudste mannelijke lid, gedurende eeuwen in dezelfde familie; dikwijls komen de zeer algemeen verspreide democratische opvattingen in strijd met de persoonlijke opvatting van zoo’n landheer, die u zijn stamboom kan toonen van eeuwen her. De afgelegenheid der hoeven, waar men gedurende een groot deel van den langen wintertijd niet op of af kan, is oorzaak dat men in allerlei opzichten zichzelf heeft leeren redden; men is er zijn eigen smid, zijn eigen timmerman, wever of kleermaker. De vrouwen evenaren daarin de mannen, ze zijn ervaren in velerlei handwerken: de kleeden, tapijten en sierbanden, die uit eigen gesponnen en geverfde wol vervaardigd worden, zijn karakteristiek en dikwijls buitengewoon smaakvol, ook kantwerk wordt veel aangetroffen. Voorts wordt er veel werk gemaakt van versiering van het huis- en landbouwgereedschap; men snijdt er figuren in en kleurt die zoo sprekend mogelijk. Ik heb hooi- en mestvorken gezien, hooiharken, schopstelen, ploegstaarten, die op deze wijze met zorg versierd waren. Men maakt, herstelt en versiert zijn dagelijksch gereedschap in den langen wintertijd. Daartoe was ook bij elke hoeve een magazijn noodig, waar alle hulpmiddelen en grondstoffen en ook eetwaren bijeen geborgen werden; want alles moet in voorraad zijn eer de winter komt, die alle verkeer stremt. Maar die menschen, die daar zoo stil en eenzaam leven, doen nog meer. Ze zijn zeer weetgierig en zetten het onderwijs, dat zij als kinderen en jongelieden genoten hebben, voort door eigen studie.Het noorsche volk is bij nadere kennismaking zeer sympathiek; men krijgt zelfs bij eene vluchtige aanraking op de reis den indruk van betrouwbaarheid en eerlijkheid. Het ruwe klimaat staalt het karakter. Daarbij zijn de menschen zacht van aard, beleefd en bescheiden. De harde strijd om het bestaan, en de groote moeite om vooruit te komen geven hun echter, bij al dat goede, ook andere eigenaardigheden. Als men met een Noor eerlijk deelen moet, dan krijgt men altijd van vier twee, maar als men vijf met hem deelen moet, dan krijgt hij gewoonlijk drie.Dat alles heb ik niet bij de vrienden aan het Sandvenvand kunnen opmerken, maar het onderhoud met hen herdenkende, gaf mij dit aanleiding tot deze verdere mededeelingen. Na een glas melk en een stuk knikkebrod, mij vriendelijk door de huisvrouw aangeboden, gebruikt te hebben, bracht de landheer mij een eind op weg in het Jordal; hij wilde mij zijne boomgaarden nog toonen, die er inderdaad zeer goed uitzagen en ditmaal veel beloofden. Men had in dezen zomer in het gure Noorwegen meer zomer dan wij in Nederland. Eerst liep de weg, die behoorlijk afgebakend is, nog langs een paar gerstenakkers, toen flink hout, berken en voornamelijk iepen; dan verder tusschen rotswanden en rotspuin omhoog; nog eene hoeve, de Buar, eene weiderij, steeds met den gletscher en het Folgefond voor zich; eindelijk staat men voor den gletscher de Buarbrae, te midden van eene verbazende massa bergpuin. Het is een zeer aangename en niet te vermoeiende bestijging, waarbij men duidelijk iets opmerkt, waarvan men zich aanvankelijk in de noorsche bergen niet goed rekenschap geeft, namenlijk hoe dichtbij de sneeuwgrens en het ijs het groen is. Hier was het verschil niet meer dan 100 meter. Er zullen hoogerop in ’t noorden van het land wel grootere gletschers zijn en ook veel massaler sneeuwvelden, maar eerlijk gezegd, wat ik tot nu toe gezien heb, en later zag, is tegenover de gletschers en de sneeuwvelden der Zwitsersche alpen slechts een mislukte namaak.De wandeling naar den Buarbrae en terug (brae is gletscher), duurde ongeveer 4 uur; daarbij had ik een goed half uur bij de hoeve getoefd, zoodat ik eerst tegen twaalf uur te Odde terug was. Nu had ik op den terugweg de zon achter mij, en kon volop genieten van het heerlijke uitzicht op het plaatsje en de Sörfjord met zijne trotsche omgeving. Ik rekende af in het hotel en bestelde een rijtuig naar ’t Breifondhotel aan den grooten straatweg in Telemarken; dit was het begin van de thuisreis, die nu in zuid-oostelijke richting weêr dwars door Noorwegen ging. Men vroeg mij of ik doorreisde naar Dalen, en ik kreeg toen een koetsier en stolkjaerre, die mede doorgingen tot die plaats. Die koetsier was een gezellige prater, en zijn paard was uitstekend; de dames en heeren met wie ik sedert twee dagen gereisd had, waren reeds vertrokken, zoodat ik, in de hoop hen in te halen, in mijn schik was met dit flink span. De weg ging eerst langs Sandvenvand; ik had dus nog eens het mooie uitzicht op den Buarbrae, en daarna, aan het einde van het meer de fraaie Espelandfoss en Lotefoss, naast vele kleinen; toen langs een wilden bergstroom in een eng dal het “Seljestadtjuvet”, een prachtig begroeid dal, dat naar mijne schatting het Naerodal tusschen Stalheim en Gudvangen ver in schoonheid overtrof. Het was een heerlijke rit, onder de grilligste afwisseling van woeste rotspartijen en prachtig groen, steeds vergezeld door den dikwijls met donderend geweld voortstuwenden bergstroom. Men bereikt aan het einde van dit dal weder eene knappe stijging; de weg is wat minder fraai in de onmiddellijke omgeving, maar wint door de prachtige uitzichten, vooral stroomafwaarts in het pas verlaten Seljestadtjuvet. Verscheiden malen heb ik mijn rijtuig verlaten, om volop te kunnen genieten van al het schoone. Te Seljestadt, waar twee goede hotels zijn, en dan behalve het postkantoor ook niets anders, moest ik mijn middageten krijgen, maar mijne groote onafhankelijkheid werd gestraft. Door mij niet aan de gebruikelijke uren van den reizigersstroom te houden, kwam ik te laat. Er was bovendien eene Cookspartij en eene van Lissone geweest,—deze laatste had ik al opgemerkt bij den Lotefoss, door de luidruchtigheid waarmede zij genoot,—en al die reizigers hadden de beide hotels ledig gegeten; ’t was alsof er een zwerm sprinkhanen over heen was gestreken. Ik dacht er al aan, mij maar met smörbrod tevreden te stellen, toen er drie jonge dames binnenstapten, die ook warm eten verlangden, en men zag toen de kans schoon, om vier personen voor hun diner te laten betalen. Betalen, want genieten deden wij het niet; ’t was een mengelmoes van veel wat slecht en slecht bereid was. De fröken, eene juf in Hardanger kleederdracht, had ook de vrijmoedigheid van te verklaren, dat het bier op was en wij dus wijn zouden moeten drinken. Afgeschrikt door de kwaliteit der spijzen, verzochten wij echter van den wijn verschoond te mogen blijven en dronken water. Dit is de eenige keer in Noorwegen geweest, dat ik slecht eten kreeg en nog afgezet werd op den koop toe. Intusschen vloog de tijd om; mijn gezelschap bestond uit onderwijzeressen uit Kopenhagen, die een onderhoudend gesprek wisten te voeren.Aan alle dingen komt een einde, ook aan ’t geduld van mijn koetsier, en we moesten verder. De weg blijft mooi en daalt eindelijk met groote slingers naar het Röldalsvand neer. Daaraan is het Breifond Hotel gelegen; de koetsier had mij bepraat om niet daar te logeeren, maar door te rijden tot Röldal, waar men even goed logeeren kan. Röldal is een aardig kerkdorp, fraai aan het tegenovergestelde einde van het meer gelegen. We kwamen aan het Röldal-hotel, en ik kreeg het bescheid, dat er geen plaats meer was. De borstaren bracht mij echter naar een kleiner hotel, waar ik dan slapen zoude, terwijl ik het avondeten en het ontbijt in het Röldalhotel gebruiken zoude. Aan de avondtafel trof ik de kennissen weêr en werd braaf uitgelachen over mijn te laat komen en over de teleurstellingen te Seljestad en nu weder te Röldal, waar ook de tafel bijna was afgeloopen. Maar ik was op Buarbrae geweest, en dat genot was de verdere tegenvallers dubbel waard. Ik had een zeer eenvoudig maar bijzonder netjes en zindelijk nachtkwartier; toen ik den volgenden ochtend—de dochter des huizes had ook nog mijne kleêren gereinigd—de gevraagde kosten (ééne kroon of ƒ 0.675) betaalde, wilde men niet eens een fooi aannemen.Na een gezellig ontbijt togen de drie gezelschappen te zamen op reis. Drie stolkjaerres en eene calèche, deze met twee paarden. Mijn harddraver had de voorhoede en ik dus geen stof. En inderdaad de stof op de wegen in Noorwegen is een bezwaar.Eerst een eind langs het meer en dan langs de bruisende Vasdal-elf al hooger en hooger op. Een flinke breede waterval, de Navlefoss; we verliezen de boomen; de weg kronkelt al maar omhoog. Hier en daar groote kudden vee, dat over niemandsland, dat is: over geen particulier bezit, maar over staatsgrond, naar de meer bevolkte omgeving van Kristiania gedreven wordt. Zoo’n tocht van dat vee duurt een geheel seizoen en is wel geen bijzonder goede, maar toch een soort van vetweiderij. Maar ook het gras houdt op en we komen in steeds woester wordende, rotsachtige omgeving, altijd naast de Vasdal-elf, die nog weinig in kracht verloren heeft. Nu weêr sterker in groote kronkels tegen de bergruggen op; we treffen nog een paar woningen, die daar in de eenzaamheid staan te vervallen, en eindelijk komen we op de pashoogte, de Dyreskard, te midden van sneeuw en ijs. ’t Is wel eenzaam en woest, maar ’t is een mooi berggezicht, zeer mooi vooral voor ons uit, waar wel veel sneeuw blijft, maar toch in de verte zich weder eenig groen vertoont. In een draai in den straatweg is een kleine sneeuwtunnel; onder de zonnewarmte was hij evenwel aan ’t doorlekken gegaan, en ik riep de dames achter mij toe haar parapluiën op te zetten. Nu nog een uur omlaag, over bruggen, langs watervallen, altijd door een eenzaam berglandschap; geen mensch, geen vee, geen vogel; en ten laatste hielden we stil voor Haukelisaeter, aan het Staavand gelegen.Haukelisaeter is een hotel in oud-Noorschen stijl gebouwd, en ook inwendig in dien stijl versierd, waardoor het zeer huiselijk is geworden; de eetzaal vooral is zeer aangenaam ingericht. Tegenover het hotel zijn de post-, telegraaf- en telefoonkantoren en een aardig gebouwd voorraadshuis of stabbur, ook ingericht voor het herbergen van reizigers. Dit hotel is nog een der weinige door den staat ondersteunde fjeldstuen, waartegenover de verplichting staat dat het ’s winters open moet blijven. Het is dan ook in het hart van Telemarken op het onherbergzame Haukelifjeld gelegen, en de eenige plaats waar men des winters in die streek een onderkomen kan vinden. De eigenaar van het hotel is ook al een boer, die wat verderop nog een aardig gelegen zomerhotel Nystöl, aan het Arrebuvand gelegen, bezit. Ik vermeld dit overigens onbelangrijk feit, om er nog eens de aandacht op te vestigen, dat een boer in Noorwegen heel iets anders is dan overal elders. Er zijn veel hotels in het bezit van boeren, en zij exploiteeren die zelf, waardoor zij genoodzaakt zijn zich in vele, aan hun hoofdbedrijf geheel vreemde zaken in te werken, onder anderen zich ook weêr voor deze ondernemingen vertrouwd te maken met vreemde talen. Maar dat kunnen we hier wel, zeide mij een Noor. Onze tegenwoordige minister van buitenlandsche zaken is ook een boer; in zijne jonge jaren had hij veel leerlust en legde zich dan ook op de vreemde talen toe, en nu hij minister is, weet hij zelf niet meer hoeveel talen hij spreekt!Dat de Haukelisaeter ook ’s winters open blijft, heeft er wederom aanleiding toe gegeven, dat de groote sportclub te Christiania daar hare groote wedstrijden voor wintersport houdt, stellig een goed veld, want zelfs in den zomer verdwijnt de sneeuw er niet, en ’s winters ligt hij er meters hoog.Voorbij Haukelisaeter wordt het landschap nog eentoniger; het blijft geheel onbewoond; zelfs de boomen sterven er af, men ziet overal half vergane boomstruiken staan. Gelukkig komen we spoedig aan het schilderachtige Voxlivand, waar we even stilhouden in het Voxli-hotel, ook nog eene exploitatie van den eigenaar van Haukelisaeter. We rijden nog altijd langs hetzelfde meer, en naderen Botten, waar een zeer eenvoudig hotel staat, met een keurig gebouwden Stabbur, zoo iets als een oud kabinet in de open lucht; natuurlijk is dit een proefje van architectuur en geen ernstig gemeende ouderwetsche stabbur. Nu krijgen we weer een gezelligen bergstroom langs den straatweg, wat weer eenige levendigheid geeft; deze rivier vormt van tijd tot tijd meer of minder uitgebreide plassen, totdat het terrein wat ongelijker wordt en er hier en daar aardige rotsvormen opduiken; de plassen worden nu watervallen; de grootste daarvan is de Lille Rjukanfos, die evenals zijn beroemde naamgenoot, na zijnen val, een groote wolk van waterdamp omhoog stuwt, waar hij zijn naam “rokende waterval” aan ontleent. We rijden steeds omlaag en de stroom is krachtiger geworden; Flaathyl-elv is nu zijn naam; de verwachting dat we weer in mooier streek zouden komen wordt teleurgesteld, ’t is weder troosteloos eenzaam. Arme, natte weiden, traag groeiende bosschen, nog een paar kleine watervallen en dan het Hotel Haukeli Graend.Er waren weinig gasten in het hotel, en dientengevolge bleef ons clubje wat meer bijeen. Dat is trouwens eene eigenaardigheid van dat gelijkmatig voortbewegen op die afgeteekende banen zonder zijwegen; men vindt altijd de menschen weer terug, die men al eens ontmoet heeft. Voor mij was dit nu een genot, maar ’t kan ook wel eens anders zijn. Dikwijls had ik op deze laatste tochten het oog op een eenvoudig echtpaar, blijkens hun dialekt uit Holstein afkomstig, en die maar niet vrij konden geraken van een heer, reizende met drie kinderen, een aankomenden jongen en meisje, beiden in de vlegeljaren, en een jonger meisje, dat de rol vanenfant terriblevervulde. Het was een Semitisch veehandelaar uit Posen, een zeer luidruchtig heer. Hij had stellig het voornemen opgevat, zich op reis eens bijzonder netjes voor te doen, en droeg daarom van den morgen tot den avond een laag uitgesneden vest en een smoking. Mijne duitsche vrienden waren doodsbang om met hem in aanraking te komen. De Noren hadden altijd plezier in hem, en wisten hem door allerlei leuke zetten dikwijls tot nog grooter luidruchtigheid te prikkelen. Eens verzekerden zij hem, dat al waren zijne manieren onberispelijk, en al was zijn uiterlijk zóó, dat men hem ook in Noorwegen, waar weinig zijner stamgenooten voorkomen, niet licht zou onderkennen, niettemin zijn dieët hem moest verraden. Dat was aan geen doove gezegd! Een der volgende dagen op eene stoomboot, ging de fröken, zooals daar gebruikelijk is, rond om te vragen of men wat gebruikenwilde, en onze man uit Posen bestelde heel kalm voor zich en zijne kinderen broodjes, maar riep toen de fröken met verheffing van stem na: “maar alles met ham”! Deze ongelukkige manifestatie had tengevolge, dat ieder die misschien nog twijfelde, nu overtuigd was. Al de reizigers keken elkander glimlachend aan.Het bovendeel van den Skjervetfoss.Het bovendeel van den Skjervetfoss.Des avonds in de veranda ontwikkelde zich in het clubje een eenigszins dieper gaand gesprek over de reis. ’t Was vooral naar aanleiding van de belangstellende vragen der Noren, en curieus was het, dat de duitsche vrienden geheel mijne opvatting deelden. We hadden prachtige natuurtafereelen gezien; dat zij wat ver en dikwijls wat heel ver uit elkaar lagen was niet prettig, maar alléén aan de groote uitgestrektheid van het land te wijten. Somber vonden wij het geen van allen; en dat in tegenstelling met de litteratuur, ook in Duitschland, over het reizen in Noorwegen, dat meestal als somber, als melancholiek afgeschilderd wordt! Dat niet, wij hadden altijd zonnig weêr gehad, en men mag dan al eens bij het rondvaren op de fjorden stilstaan bij de bergvorming en haar statig noemen, somber vonden wij het nooit. Maar we vonden iets anders. Wij vonden over ’t algemeen gesproken de lijnen van het landschap op de hoogvlakten en fjorden, die wij bezochten, eentonig. Ze waren allen dezelfden, en de coulissenvormige voorsprong, dien de eene rots op de andere had, was op de fjorden bijna altijd van dezelfde afmetingen. Op de hoogvlakten, waar in den grauwen voortijd niets dan ijs was, heeft het verplaatsen en kruien van het ijs, de rotsen glad geslepen en afgerond, en daardoor zijn de omtrekken eenvormig geworden. Dat alles geeft aan het landschap iets eentonigs en kan misschien voor reizigers, die het land met regenweêr doorkruisten tot somberheid geworden zijn. Deze Noren, die ook veel in het buitenland gereisd hadden spraken onze eenstemmige beweringen niet tegen, integendeel zij erkenden dat het noorsche landschap de bekoorlijkheid miste, die de zwitsersche Alpengroepen ontleenden aan de grootere afwisseling in de lijnen, ook veroorzaakt door meer verschil in geologische vormingen. Daarentegen waren de Duitschers het ook weder met mij eens, dat van de bescheidenheid en zachtheid van de bewoners niet genoeg goeds gezegd kan worden; opgemerkt werd daarbij hoe zij bij alle terughoudendheid toch zeer opgewekt waren, en overvloeiden van schalksche opmerkingen, die nooit nalieten sterk op de lachspieren te werken.Het had des nachts hard geregend; we hadden den vorigen dag ook eene korte maar krachtige donderbui gehad, de stof was weg en een heerlijk zonnetje scheen; ik was vroeg op, vergenoegde mij met een koud ontbijt, verzocht mijn koetsier later te vertrekken en mij op te wachten in het hotel Börte, want ik had besloten nog eene flinke wandeling te maken. En het werd niet alleen een flinke, maar zelfs een prachtige. Spoedig na het verlaten van het hotel draaide de weg en naderden wij een prachtig meer, het Grungedalsvand. De hellingen der bergen aan weêrszijden waren met berken begroeid; van tijd tot tijd schitterden de zilveren stammen door het groen heen, als de zon er juist langs gleed; de kammen der bergen waren met donkere pijnbosschen getooid. Het was matig warm en bladstil, en de gladde watervlakte weêrspiegelde alles helder en klaar. Aan de overzijde was de oever steiler, aan de zijde van den straatweg waren de hellingen zeer flauw; dichter bij het meerprachtig groene weiden. Hier en daar, waar de weg naar het meer toekronkelde eene visschershut; visschers op het kalme water met hunne netten doende; van tijd tot tijd bij het ophalen de mooie forellen, tusschen de mazen der netten te vergeefs worstelend en spartelend om de vrijheid te herwinnen. Hoogerop aan mijne zijde goed bebouwde akkers; gerst en aardappelen waren de vruchten; ook enkele kleine maar zeer welvarende hoeven. Ik kwam niet vooruit, elk oogenblik stond ik stil, om het prachtige landschap nog nauwkeuriger op te nemen. ’t Was een bijna ongestoord genot; bijna, want ik liep op een ouden noorschen weg, voortdurend elke glooiing in het terrein volgend: eene onafzienbaren reeks van bulten, die mij, zoolang ik niet telkens op een top kwam, alle uitzicht voor mij uit benamen. De oude geelbruine kerk van Grungedal voorbij, een draai in den weg en over eene brug, dan nog een blik over het Grungedalvand in zijne gansche heerlijke lengte en het Grungedalsbro-hotel noodigt mij tot rusten uit. Een klein hotel, maar vroolijk en aangenaam gelegen; als ik niet verder moest, zoude ik hier willen overnachten. Nog altijd blijft de weg hobbelend, en hoewel het landschap zeer mooi blijft, vermoeit toch dat aanhoudend klimmen en dalen, en ben ik ten slotte blijde aan een driesprong te komen, waar eene landhandleri staat, en een nieuwe beter aangelegde weg naar Börte afdraait.De Buarbrae van af het Sandvenvand.De Buarbrae van af het Sandvenvand.Eene landhandleri is een winkel ten platten lande, waar alles en nog wat te krijgen is; een voorbijganger kon mij geene goede verklaring van het woord geven; de slotsom van zijne omschrijving was altijd “eene landhandleri, wel, dat is eene landhandleri”! Eenvoudig naar binnen gaan, naar iets onmogelijks vragen, en onderwijl rondkijken, ziedaar de oplossing. Juffrouw hebt u wat engelsche pleister voor mij? ’s Morgens had ik een vinger gekneusd. En ik had nauwelijks tijd om rond te kijken en te zien, dat er koloniale waren, veevoeder, eenvoudige ellegoederen, kramerijen en licht landbouwgereedschap te koop was, toen de juffrouw, na eenige laadjes open en dicht gedaan te hebben, weer bij mij kwam en zeide: “als ’t u blieft, mijnheer.” Het was hetzelfde gevouwen papiertje waarin men jaren geleden, en misschien nog, ook thuis zijne engelsche pleister kocht! “60 öre mijnheer”.De weg gaat nu weêr langzaam omhoog; van tijd tot tijd fraaie berggezichten, maar meestal dichte bosschen, tot men op de Bortheia (hoogte van Borten) gekomen is en een mooi uitzicht krijgt op het Bortevand, een lang en smal meer. Nu door weiden en akkers omlaag; eenige hoeven tot een gehucht bijeen gebouwd; hier en daar reeksen van akkers, en dan het hotel juist aan ’t begin van het Bortevand. Een verrukkelijke omgeving!
De oude kerk te Burgund. (Phot. Wilse, Kristiania.)De oude kerk te Burgund. (Phot. Wilse, Kristiania.)Den volgenden ochtend had ik eerst eene wandeling van ongeveer een kwartier te maken van af het hotel Lindstrom tot aan de aanlegplaats der boot, en weder onder het aangenaamste zomerweêr voeren we de fjord af. Een vreemd gezicht die steile bergen, die zonder oever hunne steenmassa’s uit het water doen oprijzen! Eén van vorm en ook meestal één van kleur, met prachtige spiegeling in het stille water. De fjord werd langzaam wijder, en gaf hier en daar aardige kijkjes, bijv. op de haven Haugene, met een vriendelijk uitzicht in het Eierdal. Daar waar de Laerdalfjord uitmondt in de Sognefjord heeft men een heerlijk bergpanorama over het ruime watervlak. Niet lang daarna, aan een paar huizengroepen voorbij, draait men, indien men met mij naar Gudvangen reist, de Aurlandsfjord in. Het tafereel wordt nu oneindig grootscher. De fjord is slechts ½ kilometer breed en aan weêrszijden gaan de rotsen in zware, strakke massa’s 900 á 1200 M. omhoog. Stort zich soms een riviertje in de fjord uit, dan vormen zich aan die uitmondingen bezinkingen, waar men dan ook woningen en eenige kultuur vindt. Voor we de Aurlandsfjord invoeren, kwamen we een andere boot tegen en draaiden bij, om van haar een aantal passagiers over te nemen, allen mannen, waaronder militairen; dat was een vroolijk en druk gezelschap, dat me uitlokte om eens op het voorschip te gaan kijken. Het waren allen mannen, die de laatste, ik meen veertiendaagsche, periode van den algemeenen dienstplicht te Vossevangen gingen vervullen. Er waren verscheiden gehuwden onder; ze waren welgemoed en opgewekt. Onder het vijftigtal waren er twee die hunne opgewektheid wat te krachtig met bier steunden; voor ze ongeschikt werden voor het algemeen gezelschap, werden ze door kameraden achteraf gebracht en gehouden; natuurlijk was er onder dat gezelschap ook een met eene viool, die er dapper op losstreek; er werd ook gedanst; eerst heel aardig en kalm, toen het langzaam te wild en ongemanierd werd, was een enkel woord van den kapitein der stoomboot voldoende om er een eind aan te maken. De mannen in uniform waren onderofficieren; het dragen der uniform is een voorrecht voor hen die de onderofficiersschool doorloopen, maar men maakt geen gebruik van dat voorrecht. In die onderofficiersscholen wordt meer uitgebreid lager onderwijs gegeven en vooral veel werk gemaakt van het leeren spreken en verstaan van vreemde talen. Dat is het lokaas om onderofficieren te krijgen, want de Noren, zoowel vrouwen als mannen, zijn zeer tuk op het leeren van vreemde talen. De meerderheid der mannen maakt van de gelegenheid tot leeren in de onderofficiersschool gebruik, al is het dan ook niet om onderofficier te blijven.Gedurende dien cursus op het voordek was de stoomboot verder gevaren. Er was niet veel te zien. Hier en daar een huis als een kraaiennest, tegen een rotswand geplakt, en tal van watervallen, die echter weinig indruk maken, omdat ze te ver af zijn.Bij eene vooruitstekende rots, de Bejteln, vaart men de Naerofjord in. Die invaart is prachtig; het water is 8 à 900 meter breed; de rotsen aan weerszijden zijn even hoog en even steil, en naar voren is het uitzicht afgesloten door eene statige groep van sneeuwbergen. Denk eens hoe mooi dat was, toen de zon schel begon te schijnen en alles met gloed en licht overgoot, waardoor ook de donkere partijen in de rotsen meer tot haar recht kwamen. De watervallen zijn nog talrijker dan te voren, en worden levendiger en duidelijker, nu de fjord maar steeds door enger wordt. Op eene eeuwen geleden van de hooge wanden in het water gestorte rotsmassa ligt hetkleine kerkje van Bakke, omgeven door eenige houten woningen; de achtergrond wordt gevormd door den steilen fjordwand, waarvan de rivier de Bakke, nu goed zichtbaar en hoorbaar, als waterval omlaag stort. Op het water hier en daar visschersvaartuigen in hun bedrijf; wat dichterbij Gudvangen ook pleiziervaartuigjes en een zeer fraai engelsch jacht; deze vormden eene alleraardigste stoffeering, alleen overtroffen door het fraaie gezicht op Gudvangen zelf. Eenige huizen, eenige hotels, alleraardigst door elkaar geworpen en vooral veel boomen, en als achtergrond het beroemde Naerodal met zijnen trouwen wachter de Sjaerpennut, eene reusachtige rots uit wit graniet.Naerofjord. (Phot. Wilse, Kristiania.)Naerofjord. (Phot. Wilse, Kristiania.)Die aankomst te Vossevangen is eenig in haar soort. De landingsplaats is vol nieuwsgierigen en een aantal hotelbedienden, die in bedwang worden gehouden door een tweetal heeren, de vertegenwoordigers der reiskantoren! Deze heeren maakten groot lawaai, daarin gesteund en overtroffen door een aantal koetsiers, die met hunne rijtuigjes langs den weg gereed stonden. ’t Scheen wel of die drukte gemaakt werd als imitatie van grootere plaatsen; ze is namelijk geheel overbodig. Die agenten der reiskantoren weten precies op welken dag en hoeveel reizigers zij krijgen, en welke rijtuigen die reizigers hebben moeten en waar heen. Zij weten ook welke reizigers in de hotels afstappen, want dat wordt hun alles van dag tot dag uit het hoofdbureau gemeld. Alléén die weinigen, die, zooals ik, met zoogenaamde vrije tickets reizen, moeten naar hunnen tot nu toe onbekenden wensch vervoerd worden.Het was nog vroeg en mooi weer, zoodat ik veel lust had om dien avond wat later te Voss aan te komen, en stellig wenschte ik niet in den grooten sleep van rijtuigen opgenomen te worden; daarom bleef ik tot het laatst aan boord, gaf mijn koffer tot nader order aan den agent van “Cook” en liep Gudvangen in, om eens te zien wat daar te koop was. Het is niet veel meer dan eene groep boerderijen, waar hier en daar een hotel tusschen staat en eenige winkels met plaatselijke merkwaardigheden, meest handwerken, photo’s en briefkaarten.De rotsen die Gudvangen omgeven, gaan zoo steil omhoog, dat men er gedurende de wintermaanden de zon niet te zien krijgt. Een prachtige waterval, de Killefos, komt daar van eene hoogte van 560 M. omlaag met een vrijen val van 150 M. ’t Was merkwaardig, maar te hoog om het mooie er van goed in oogenschouw te kunnen nemen.Nadat mijne medereizigers een goed eind vooruit waren, nam ik ook een rijtuigje en reed het Naerodal in;—tot Voss is het een rit van 5 à 6 uur.Gewoonlijk wordt gezegd dat het Naerodal, als voortzetting van de fjord, zijn zelfde woeste karakter behoudt. Het was echter zoo’n heerlijke zonnige dag, dat de woestheid tot lieflijkheid werd. ’t Was er niet woest, evenmin als op de fjord; de landschappen waren trotsch, krachtig in lijnen en tinten; het groen hier en daar, op de bergen en beneden in het dal, de huizen die er in verscholen lagen, het lachende stille watervlak, alles zag er vriendelijk uit. Misschien was het te danken aan ’t heerlijke heldere weder, maar mijne herinneringen aan de Naerofjord en aan het Naerodal zijn doorgaand vriendelijk en opgewekt.Op ongeveer een kwartier rijdens van Gudvangen loopt de weg door eene groote “ur”, eene opeenhooping van bergpuin; dat is werkelijk woest; menziet echter spoedig eene fraaie boerderij tegen de berghelling; die hoeven hebben daar allen namen; deze heette Sjaerping. Een weinig verder vertoont zich de prachtige grauwe syenietkop van den Jordaelsnut, een heerlijke bergformatie, die het geheele enge dal blijft beheerschen. ’t Gaat langzaam omhoog; men gaat over de rivier, dan langs een paar boerderijen en komt vervolgens aan den voet der ontzettende Stalheimsklev, die het dal geheel afsluit. Daar verkondigt u een groot bord, dat de reizigers worden verzocht den steilen weg naar boven te voet af te leggen, ter wille van de paarden. Dat is over tal van slingerwegen een klim van drie kwartier; voor zich uit en ten laatste aan weêrskanten heeft men echter twee zeer schilderachtige watervallen, de Silvlefoss en de Stalheimsfoss, zoo frisch en dartel, dat men de warme zon gaat vergeten. Bij het rusten van tijd tot tijd is vooral het uitzicht naar beneden in het dal wondermooi. Stellig een der heerlijkste punten in Noorwegen. Ook hier wordt steeds gesproken van het uitzicht in het donkere dal en in ’t bijzonder aangeraden dit ’s namiddags te nemen. Ik zag het onder vollen zonneschijn; vooral de prachtige Jordaelsnut op den voorgrond werd prachtig beschenen, zoodat ik van een donker dal niet spreken kan en zeer dankbaar ben het zóó getroffen te hebben.Sörfjord.Sörfjord.Boven op de klev vindt men het ruime Stalheim’s Hotel, een goede inrichting, met eene pretensie van voornaamheid, die het maar slecht afgaat. Er was eene uitgebreide toko in, waar men allerlei noorsche bijzonderheden kon koopen; het hotel ligt hoog en de prijzen der uitgestalde voorwerpen zijn nog hooger boven het niveau; er waren echter prachtige noorsche weefsels tentoongesteld, in patroon en vooral in kleuren zeldzaam fraai. De table d’hôte zoude juist beginnen, maar ’t was mij nog te vroeg, en ik liet mijn rijtuigje voorkomen om in het Opheimdal af te dalen. Aanvankelijk geeft deze weg niet veel; de grond is slecht, zelfs elzenhout wil er niet behoorlijk groeien; het water is bruin en pappig van het veen. Gelukkig duurt dat niet lang en komt men door flinke bosschen en uitgestrekte weiden langzamerhand in eene meer bewoonde streek. Op eenmaal verandert het landschap van karakter; men ziet haast geen rotsformaties meer; de kultuur neemt de overhand, met vele boerderijen. Vooral is de rit lief langs het kalme meer van Opheim, waaraan het aardige kerkdorp van dien naam gelegen is; wanneer daar nu maar niet weêr zoo’n witte houten kerk van het algemeen model stond! Aan het einde van het meer een groote draai, en door een oprijlaan reden wij voor het Framnesshotel. Daar nam ik het middagmaal en zat er heel rustig in eene kalme omgeving, meest Noren, met wie spoedig een gezellig gesprek aangeknoopt werd; vooral de dames zijn gaarne bereid den vreemdeling zijne kreupele sprongen in de noorsche uitspraak te vergeven. Van uit den tuin van het hotel genoot ik nog van het schilderachtige, vreedzame uitzicht op het meer.In den avond reed ik verder. Het landschap wordt hoe langer hoe vriendelijker, het dal wordt enger; hier en daar eene brug over de rivier. Voor het eerst zie ik hier rotsen van een anderen vorm; het is lei, tot nu toewas het altijd graniet, en die afwisseling doet aangenaam aan. Bij het gehucht Tvinde een prachtige bruisende waterval; men komt nu op vlakken bodem, de grond is keurig bebouwd; overal akkers tusschen de weiden, veel en weelderig hout en dan de stad Vossevangen (meestal Voss genaamd) aan uwe voeten in een dieper, ruimer dal. Men daalt langzaam neêr en verlustigt zich in het heerlijk uitzicht. De stad is om eene oude, fraaie steenen kerk gebouwd en heeft een prachtig, niet te groot meer tot achtergrond.Men kan te Voss eene aardige wandeling maken naar een aan de overzijde van het meer op de bergen gelegen koffiehuis “Breidablik”; de uitzichten vanaf de stad, die men uit de meeste hôtels genieten kan, wedijveren met die van af Breidablik over het meer; Vangsvand is zijn naam; beiden zijn in hooge mate schilderachtig en komen overeen met de uitzichten op Opheimsvand; ze zijn onderscheiden van wat ik tot nu toe zag, evenals de geheele omtrek van Voss; daar is minder rots, al komen hier en daar nog wel eens grimmige partijen te voorschijn; meer bebouwd land en vooral prachtige weiden tegen de zachtere hellingen der bergen.Het stadje zelf is zeer levendig; er zijn in ’t oogvallend veel winkels, al staan ze niet gelijk met grootsteedsche magazijnen, maar onder meer zag men bijv. bananen uitgestald tegen lageren prijs dan te Amsterdam. Men kon aan de winkels zien, dat er meer welstand is in de omstreken van Vossevangen, dan in de streken waar ik tot nu toe geweest was. De stad ligt trouwens ook aan den spoorweg die vanaf Bergen, aangelegd wordt en gedeeltelijk dient, om over de Skandinavische Alpen verbinding te krijgen met de oostelijke lijnen en met Kristiania.Buiten de stad wandelende, kwam ik aan het militaire kamp, waar ik ook weder de reisgenooten van de Naerofjord trof, ditmaal allen in hun pakje, dat zeer eenvoudig, maar opvallend onzindelijk was. Ze waren daar gehuisvest in kleine houten barakken, waarvan er een aantal in dubbele rijen op een middenpunt uitkwamen, waar de bevelhebber en de officieren hunne gelijksoortige barakken hadden. Dit kampement was gelegen op een ruime hoogvlakte; later heb ik er nog gezien, die geheel uit tenten bestonden.In Noorwegen is elk welgeschapen, gezond man dienstplichtig, behalve wanneer hij loods of geestelijke is, en hij wordt aangewezen voor den dienst waarvoor hij het meest geschikt is. Zeelieden en visschers dienen op de vloot, handwerkslieden bij de genie en de artillerie; studenten in de medicijnen in de veldhospitalen; de landlieden gaan zooveel mogelijk bij de kavalerie. De dienstplicht begint op 22 jarigen leeftijd en duurt 10 jaar, met afloopende diensttijden en naar gelang het wapen waarbij men ingedeeld is.Voorbij het Fleischer’s Hotel te Voss brengt een zijweg, door wegwijzers voldoende aangeduid, u naar het Finneloftet, op de wegwijzers het oudste wereldsche gebouw in Noorwegen genoemd. Het is een oud boerenhuis; de naam der boerderij is Fin, en loftet beteekend een huis met eene verdieping, in tegenstelling met stue, dat een huis is zonder verdieping. In dergelijke huizen is de ruimte gelijkvloers tot berging en bediendenhuisvesting aangewezen, terwijl de in- en uitwendig met meer zorg gebouwde verdieping door den boer met zijn gezin bewoond wordt. Er is in dit gebouw eene verzameling van oudheden, of liever eene opeenhooping van oud huisraad en landbouwgereedschappen, waarvan ik geloof dat veel in de afgelegen boerderijen nog zoo heel lang niet geleden buiten gebruik is gesteld. Er zijn wel aardige dingen onder, en curieus was te zien hoe men zich bij het samenstellen van vele voorwerpen had moeten voegen naar het eenige beschikbare materiaal—hout. Als museum heeft Finneloftet maar eene zeer beperkte waarde; het was evenals de oude vrouwelijke conciërge, die mij rondleidde door de enkele kamers, erg primitief.Het had mij bij het opmaken van mijn reisplan leed gedaan, dat ik het niet zóó had kunnen inrichten, om Zondags te Odda te zijn, waar men dan volgens de Baedekers en consorten de merkwaardige kleederdrachten van het Hardangerlandschap bewonderen kan bij het uitgaan der kerk; maar ’t ongeluk werd prettig vergoed, doordat ik Zondagsmorgens te Voss was, en daar de bevolking uit den omtrek van alle kanten op hare stolkjaerre en cariolen naar de kerk zag komen. Dat was inderdaad in hooge mate schilderachtig. Veel wit, veel kleur en veel levendige gouden versieringen. Natuurlijk kan ik niet beoordeelen in hoeverre die kleederdracht al meer of min gemoderniseerd is, maar toch, naar de stoffen en den snit te oordeelen, geloof ik het niet. Ik geloof eerder dat de nieuwere modes veel van dat oude overnemen. De vrouwen en meisjes waren alleen in het costuum, dat zich nog wel lang zal handhaven, omdat het zoo uiterst kleedzaam is. De vrouwen op ’t land zijn, evenals de mannen, van groote gestalte en daarbij niet bijzonder slank; zij hebben bijna zonder uitzondering een goed figuur en een statigen, sierlijken gang. De gelaatskleur is frisch, gezond en blank; handen en armen zijn daarentegen gewoonlijk verbrand en verweerd; de oogen zijn licht staalgrijs en het haar wit blond. Zooals gelukkig overal, zijn er ook daar veel bepaalde schoonheden onder de vrouwen; het is een bijzonder knap soort van menschen. Eene uitzondering maakten daarop de oude vrouwtjes, die men dikwijls de woningen ziet bewaken. Naar kleeding, meestal zwart, en naar uiterlijk, met hunne sterk gebogen gestalte, kwamen me die schepseltjes inderdaad voor als de juiste personificatie van ’t woord “heks”.’t Was een levendig tafereel daar op dien zonnigen Zondagmorgen tusschen half tien en tien uur te Voss. Die lange rijen van lichte wagentjes, getrokken door die lichtgekleurde driftige paardjes, beladen met twee en drie keurig uitgedoste personen. De mannen allen in het donker; de vrouwen met donkere rokken en wit bovenlijf en daarover een donker, met kleuren afgezet corsage; het front met bontgekleurde koralen geborduurd en behangen met goud. De mouwen en de groote, wijd uitstaande mutsen wit. Het deed me leed, dat ik niet wachten kon tot de kerk uitging, om die optochten nog eens te zien.Dien voormiddag vertrok ik weer per stolkjaerre naar Eide, om van daar de Hardangerfjord te bereiken. Een bezoek aan Bergen moest ik, zooals reeds van te voren te voorzien was, uit gebrek aan tijd achterwege laten.Men verlaat Voss over eene lange houten brug over de Rindal, en komt spoedig in boschrijke omgeving; ditmaal is alles loofhout, pijnbosschen ziet men alleen in de verte, keurige kijkjes vanaf den hoogen weg; langzaam hooger; de woningen worden zeldzamer en blijven spoedig achterwege; ’t landschap verliest zijne bekoorlijkheid. Plotseling komt men aan eene diepte; het dal gaat hier loodrecht omlaag, en in dien steilen rotswand is met vele kronkels een weg uitgekapt. Wanneer men ongeveer halverwege beneden is, krijgt men het uitzicht op den prachtigen “Skjervetfoss”, een der mooiste watervallen die ik zag. Hij bestaat uit twee deelen; ’t bovenste valt loodrecht omlaag en de sluiervormen van het water teekenen zich keurig helder af tegen den donkeren achtergrond der rotsen. Dan stort de watermassa zich over eene hellende rotsbedding en onder eene brug in den straatweg door, verder in dichte massa’s voort het dal in. In de nabijheid van den waterval heeft zich een frisschen levendigen plantengroei ontwikkeld, en de grasplekjes hier en daar waren vroolijk met kleurige bloemen bezaaid. Een verrukkelijk tafereel! Het is eene eigenaardigheid in Noorwegen, dat de enge dalen, de verlengden of voortzettingen der Fjorden, altijd met steile reuzentrappen omlaag gaan, in stede van meer glooiend af te loopen, zooals elders.De straatweg volgt nu de rivier, die zorg draagt altijd uwe aandacht gaande te houden door het wilde bruisen en het donderend geweld, wanneer zij zich hier en daar door eene engere rotsbedding heen wringt. Het bovengedeelte van den Skjervetfoss kan men nog lang in al zijn glorie waarnemen. We rijden door een gehucht Ovre Vasenden, en bereiken den top van het Gravensvand; rondom verheffen zich vervaarlijke bergmassa’s. Verder gaat het langs het Gravensvand, wel wat eentonig, en na 3 uur rijdens stapte ik uit te Eide voor het voortreffelijke Maeland’s hotel. Daar werd het middagmaal gebruikt, daarna nog eene wandeling terug naar ’t Gravensvand gemaakt, waar ik zeer opmerkelijke inrichtingen voor de zalmvangst vond, en eindelijk de aanlegplaats der stoomboot opgezocht, om de vaart op het Sörfjord te aanvaarden.Sörfjord te Odde.Sörfjord te Odde.Een tegenslag met zeer onaangename gevolgen. De boot kwam twee uur te laat. Er waren bij het mooie weer en met den Zondag zooveel reizigers, dat men onderweg overal aanleggende, veel tijd verloren had; wachten was de boodschap, en ten laatste van wal, op eene stampvolle boot. Het begin der vaart op de Gravensfjord geeft hetzelfde te zien als bij ’t verlaten van bijna alle fjorden, maar als men op de breede Utnefjord komt en deze overvaart, dan verandert het tafereel. De Utnefjord is ongeveer het middendeel van de Hardangerfjord; een breede waterplas, omgeven door steile en hoog uit het water oprijzende rotsgevaarten, met veel schakeering van licht tot donker. De avondzon werd nog niet geheel door de bergkammen onderschept, en stortte een gouden gloed over water en land; de tegenoverliggende sneeuwvelden werden helder en schitterend verlicht. ’t Was boven alle beschrijving heerlijk mooi, levendig en toch majestueus. Alle reizigers waren onder den indruk van ’t schoone tafereel.Bij Utne voeren we de Sörfjord in, een vaarwater dat aanvankelijk nog 2 kilometer breed is, maar over eene lengte van 40 kilometer ten laatste maar enkele honderde meters tusschen de rotswanden meten kan. Langs de oostelijke oevers liggen vele dorpen en gehuchten. De bergstroomen hebben hier, nog meer dan elders, lagere landstrooken gevormd, die eene zeer beschutte ligging hebben en eene uitstekende vruchtenkultuur mogelijk maken. Langs het middengedeelte van de fjord, waar deze ook nooit bevriest vindt men tal van kersen en appelboomgaarden; de plantengroei is zeer weelderig en er heerscht groote welvaart. Aan de oostzijde openen zich ook verscheiden dalen, die fraaie uitzichten opleveren; aan de westzijde is de doorloopende bergrug getooid met tal van watervallen en op den top bedekt met eeuwigdurende sneeuw en hier en daar een gletscher. Natuurlijk was dit alles beschreven in verschillende reisboeken, en wij allen—ik was in nadere aanraking gekomen met eene duitsche en een noorsche familie—spitsten ons zeer op de heerlijkheid, die wij nog aanschouwen zouden. Maar ’t was buiten het daglicht gerekend. De vertraging, die we reeds te Eide hadden, zette zich om dezelfde reden voort en nam toe, en weldra was van al de veelgeprezen schoonheden van de Sörfjord niets meer te zien dan donkere silhouetten. De sneeuw en de gletschers daar boven op het Folgefond kwamen er wel des te meer door uit, maar die gletschers waren op zich zelf niet zeer belangrijk.We kwamen ’s nachts om 12 uur te Odde aan.’t Was in dat enge dal zeer donker; de vele reizigers maakten ook, dat men moeite had om onder dak te komen.Ik kan reizigers in Noorwegen niet genoeg aanbevelen, de fout die ik bij het bevaren der Sörfjord beging te vermijden. Toen te Eide de boot volle twee uur vertraging had, had ik daar tot den volgenden ochtend moeten blijven, en me de vaart op de Sörfjord niet door de duisternis moeten laten bederven.Skjervet-dal.Skjervet-dal.Ik moest doorreizen, want anders kwam ik over den mij toegestanen dag thuis, maar juist daardoor kom ik tot de vernieuwde gevolgtrekking, dat Noorwegen geen land is, om in een kort zomerverlof te bereizen. Die minder dan drie weken te zijner beschikking heeft, doet inderdaad beter niet naar Noorwegen te gaan.Het Hardanger Hotel te Odde is eene uitstekende inrichting. Geheel van hout in noorschen stijl gebouwd, maakt het een aangenamen indruk, vooral omdat het zeer ruim is; gangen, trappen, kamers, eetzalen, alles is groot, en de hal is van buitengewone afmetingen en loopt tot in het dak door.Odde is een zich sterk ontwikkelend kerkdorp; vele vreemdelingen kiezen het als zomerverblijf; ’t is dan ook heerlijk gelegen en biedt, wat zeldzaam is, gelegenheid tot aangename wandelingen.’s Morgens bij tijds op, wandelde ik reeds vóór het ontbijt langs de fjord, om me eenigzins schadeloos te stellen voor ’t geen ik den avond te voren door de duisternis gemist had. Na ’t ontbijt ging ik de winkels in Odde eens bekijken, die zich hier onder den invloed van ’t vreemdelingenverkeer gevestigd hadden. Verbazende keus van photo’s en briefkaarten was er, en noorsche handwerken waren in overdaad vertegenwoordigd. Aquarellen waren ook druk geëtaleerd. Ik veronderstel dat de mooie en goede reeds verkocht waren, want wat ik er nog zag, was bitter treurig. Aquarelleeren schijnt daar onder de reizigers epidemisch te heerschen, te oordeelen naar de twee uitgebreide magazijnen van teekenbehoeften die er waren; en dan was er, wat ik sedert Kristiania niet meer gezien had, een kapperswinkel; maar dien dag was de kunstenaar met zijn gezin eens voor een dagje uit, en de bediende hield nu ook maar vacantie!Al verder in het dal opgaande, begon ik last van de warmte te krijgen; de zon scheen onbarmhartig; gelukkig kwam ik weer spoedig voor een meer te staan, het Sandvenvand, en trof daar juist een man met een bootje, bereid om mij een watertochtje te doen maken; eene heerlijke verfrissching! Na een half uur varen kwamen we tegenover den ingang van het Jordal. Eenige woningen liggen daar aan den oever, en verder gaat het wild in het dal op, dat afgesloten wordt door den gletscher Buarbrae. Ik liet me aan land zetten, en trof daar eenige mannen, die bleken tot de boerderij te behooren; we raakten aan het praten en ik werd door hen binnengenoodigd.Vossevangen en het Vangsvand.Vossevangen en het Vangsvand.De boerderij was betrekkelijk nieuw gebouwd, dus zag ik geene oud-noorsche inrichting, waarop ik gehoopt had. Toch was het aardig om te zien; welstand heerschte er, een zeker soort van comfort, maar met vermijding van alle overdaad. Een boer in Noorwegen, of wat de Noren zelf onder dien naam verstaan, is eerder een grondeigenaar en dikwijls een groot grondeigenaar; maar zijne gronden, die voor ’t meerendeel uit uitgestrekte bosschen bestaan, leveren hem niet veel op. Hij bezit dikwijls een zeer grooten veestapel, maar ook die werpt hem niet zooveel af als wij daarbij gewoon zijn te denken. Het vee is onaanzienlijk, klein van gestalte en niet sterk melkgevend; de hoedanigheid der melk is voortreffelijk; de melk kan de boer ook weer niet verkoopen; boter in de meeste gevallen ook niet, om de groote afstanden naar de plaatsen van uitvoer. Het plaatselijk verbruik is gering tengevolge van de uiterst spaarzame bevolking. Behalve rundvee worden ook varkens en schapen, maar vooral veel geiten gehouden. De groote bron van inkomst op de landgoederen is het vellen van bosschen, waarbij dan dikwijls niet aan gelijken tred houdend inplanten gedacht wordt.Het volkskarakter der Noren heeft zich niet in de steden ontwikkeld. Die zijn meest allen van veel lateren datum, althans in den tegenwoordigen vorm; de Noren zijn een boerenvolk; op het platteland ziet men het type van den Noor. Dorpen zijn er niet veel, men woont er op zeer verspreide groote hoeven, en vele van die hoeven bleven, door vererving op het oudste mannelijke lid, gedurende eeuwen in dezelfde familie; dikwijls komen de zeer algemeen verspreide democratische opvattingen in strijd met de persoonlijke opvatting van zoo’n landheer, die u zijn stamboom kan toonen van eeuwen her. De afgelegenheid der hoeven, waar men gedurende een groot deel van den langen wintertijd niet op of af kan, is oorzaak dat men in allerlei opzichten zichzelf heeft leeren redden; men is er zijn eigen smid, zijn eigen timmerman, wever of kleermaker. De vrouwen evenaren daarin de mannen, ze zijn ervaren in velerlei handwerken: de kleeden, tapijten en sierbanden, die uit eigen gesponnen en geverfde wol vervaardigd worden, zijn karakteristiek en dikwijls buitengewoon smaakvol, ook kantwerk wordt veel aangetroffen. Voorts wordt er veel werk gemaakt van versiering van het huis- en landbouwgereedschap; men snijdt er figuren in en kleurt die zoo sprekend mogelijk. Ik heb hooi- en mestvorken gezien, hooiharken, schopstelen, ploegstaarten, die op deze wijze met zorg versierd waren. Men maakt, herstelt en versiert zijn dagelijksch gereedschap in den langen wintertijd. Daartoe was ook bij elke hoeve een magazijn noodig, waar alle hulpmiddelen en grondstoffen en ook eetwaren bijeen geborgen werden; want alles moet in voorraad zijn eer de winter komt, die alle verkeer stremt. Maar die menschen, die daar zoo stil en eenzaam leven, doen nog meer. Ze zijn zeer weetgierig en zetten het onderwijs, dat zij als kinderen en jongelieden genoten hebben, voort door eigen studie.Het noorsche volk is bij nadere kennismaking zeer sympathiek; men krijgt zelfs bij eene vluchtige aanraking op de reis den indruk van betrouwbaarheid en eerlijkheid. Het ruwe klimaat staalt het karakter. Daarbij zijn de menschen zacht van aard, beleefd en bescheiden. De harde strijd om het bestaan, en de groote moeite om vooruit te komen geven hun echter, bij al dat goede, ook andere eigenaardigheden. Als men met een Noor eerlijk deelen moet, dan krijgt men altijd van vier twee, maar als men vijf met hem deelen moet, dan krijgt hij gewoonlijk drie.Dat alles heb ik niet bij de vrienden aan het Sandvenvand kunnen opmerken, maar het onderhoud met hen herdenkende, gaf mij dit aanleiding tot deze verdere mededeelingen. Na een glas melk en een stuk knikkebrod, mij vriendelijk door de huisvrouw aangeboden, gebruikt te hebben, bracht de landheer mij een eind op weg in het Jordal; hij wilde mij zijne boomgaarden nog toonen, die er inderdaad zeer goed uitzagen en ditmaal veel beloofden. Men had in dezen zomer in het gure Noorwegen meer zomer dan wij in Nederland. Eerst liep de weg, die behoorlijk afgebakend is, nog langs een paar gerstenakkers, toen flink hout, berken en voornamelijk iepen; dan verder tusschen rotswanden en rotspuin omhoog; nog eene hoeve, de Buar, eene weiderij, steeds met den gletscher en het Folgefond voor zich; eindelijk staat men voor den gletscher de Buarbrae, te midden van eene verbazende massa bergpuin. Het is een zeer aangename en niet te vermoeiende bestijging, waarbij men duidelijk iets opmerkt, waarvan men zich aanvankelijk in de noorsche bergen niet goed rekenschap geeft, namenlijk hoe dichtbij de sneeuwgrens en het ijs het groen is. Hier was het verschil niet meer dan 100 meter. Er zullen hoogerop in ’t noorden van het land wel grootere gletschers zijn en ook veel massaler sneeuwvelden, maar eerlijk gezegd, wat ik tot nu toe gezien heb, en later zag, is tegenover de gletschers en de sneeuwvelden der Zwitsersche alpen slechts een mislukte namaak.De wandeling naar den Buarbrae en terug (brae is gletscher), duurde ongeveer 4 uur; daarbij had ik een goed half uur bij de hoeve getoefd, zoodat ik eerst tegen twaalf uur te Odde terug was. Nu had ik op den terugweg de zon achter mij, en kon volop genieten van het heerlijke uitzicht op het plaatsje en de Sörfjord met zijne trotsche omgeving. Ik rekende af in het hotel en bestelde een rijtuig naar ’t Breifondhotel aan den grooten straatweg in Telemarken; dit was het begin van de thuisreis, die nu in zuid-oostelijke richting weêr dwars door Noorwegen ging. Men vroeg mij of ik doorreisde naar Dalen, en ik kreeg toen een koetsier en stolkjaerre, die mede doorgingen tot die plaats. Die koetsier was een gezellige prater, en zijn paard was uitstekend; de dames en heeren met wie ik sedert twee dagen gereisd had, waren reeds vertrokken, zoodat ik, in de hoop hen in te halen, in mijn schik was met dit flink span. De weg ging eerst langs Sandvenvand; ik had dus nog eens het mooie uitzicht op den Buarbrae, en daarna, aan het einde van het meer de fraaie Espelandfoss en Lotefoss, naast vele kleinen; toen langs een wilden bergstroom in een eng dal het “Seljestadtjuvet”, een prachtig begroeid dal, dat naar mijne schatting het Naerodal tusschen Stalheim en Gudvangen ver in schoonheid overtrof. Het was een heerlijke rit, onder de grilligste afwisseling van woeste rotspartijen en prachtig groen, steeds vergezeld door den dikwijls met donderend geweld voortstuwenden bergstroom. Men bereikt aan het einde van dit dal weder eene knappe stijging; de weg is wat minder fraai in de onmiddellijke omgeving, maar wint door de prachtige uitzichten, vooral stroomafwaarts in het pas verlaten Seljestadtjuvet. Verscheiden malen heb ik mijn rijtuig verlaten, om volop te kunnen genieten van al het schoone. Te Seljestadt, waar twee goede hotels zijn, en dan behalve het postkantoor ook niets anders, moest ik mijn middageten krijgen, maar mijne groote onafhankelijkheid werd gestraft. Door mij niet aan de gebruikelijke uren van den reizigersstroom te houden, kwam ik te laat. Er was bovendien eene Cookspartij en eene van Lissone geweest,—deze laatste had ik al opgemerkt bij den Lotefoss, door de luidruchtigheid waarmede zij genoot,—en al die reizigers hadden de beide hotels ledig gegeten; ’t was alsof er een zwerm sprinkhanen over heen was gestreken. Ik dacht er al aan, mij maar met smörbrod tevreden te stellen, toen er drie jonge dames binnenstapten, die ook warm eten verlangden, en men zag toen de kans schoon, om vier personen voor hun diner te laten betalen. Betalen, want genieten deden wij het niet; ’t was een mengelmoes van veel wat slecht en slecht bereid was. De fröken, eene juf in Hardanger kleederdracht, had ook de vrijmoedigheid van te verklaren, dat het bier op was en wij dus wijn zouden moeten drinken. Afgeschrikt door de kwaliteit der spijzen, verzochten wij echter van den wijn verschoond te mogen blijven en dronken water. Dit is de eenige keer in Noorwegen geweest, dat ik slecht eten kreeg en nog afgezet werd op den koop toe. Intusschen vloog de tijd om; mijn gezelschap bestond uit onderwijzeressen uit Kopenhagen, die een onderhoudend gesprek wisten te voeren.Aan alle dingen komt een einde, ook aan ’t geduld van mijn koetsier, en we moesten verder. De weg blijft mooi en daalt eindelijk met groote slingers naar het Röldalsvand neer. Daaraan is het Breifond Hotel gelegen; de koetsier had mij bepraat om niet daar te logeeren, maar door te rijden tot Röldal, waar men even goed logeeren kan. Röldal is een aardig kerkdorp, fraai aan het tegenovergestelde einde van het meer gelegen. We kwamen aan het Röldal-hotel, en ik kreeg het bescheid, dat er geen plaats meer was. De borstaren bracht mij echter naar een kleiner hotel, waar ik dan slapen zoude, terwijl ik het avondeten en het ontbijt in het Röldalhotel gebruiken zoude. Aan de avondtafel trof ik de kennissen weêr en werd braaf uitgelachen over mijn te laat komen en over de teleurstellingen te Seljestad en nu weder te Röldal, waar ook de tafel bijna was afgeloopen. Maar ik was op Buarbrae geweest, en dat genot was de verdere tegenvallers dubbel waard. Ik had een zeer eenvoudig maar bijzonder netjes en zindelijk nachtkwartier; toen ik den volgenden ochtend—de dochter des huizes had ook nog mijne kleêren gereinigd—de gevraagde kosten (ééne kroon of ƒ 0.675) betaalde, wilde men niet eens een fooi aannemen.Na een gezellig ontbijt togen de drie gezelschappen te zamen op reis. Drie stolkjaerres en eene calèche, deze met twee paarden. Mijn harddraver had de voorhoede en ik dus geen stof. En inderdaad de stof op de wegen in Noorwegen is een bezwaar.Eerst een eind langs het meer en dan langs de bruisende Vasdal-elf al hooger en hooger op. Een flinke breede waterval, de Navlefoss; we verliezen de boomen; de weg kronkelt al maar omhoog. Hier en daar groote kudden vee, dat over niemandsland, dat is: over geen particulier bezit, maar over staatsgrond, naar de meer bevolkte omgeving van Kristiania gedreven wordt. Zoo’n tocht van dat vee duurt een geheel seizoen en is wel geen bijzonder goede, maar toch een soort van vetweiderij. Maar ook het gras houdt op en we komen in steeds woester wordende, rotsachtige omgeving, altijd naast de Vasdal-elf, die nog weinig in kracht verloren heeft. Nu weêr sterker in groote kronkels tegen de bergruggen op; we treffen nog een paar woningen, die daar in de eenzaamheid staan te vervallen, en eindelijk komen we op de pashoogte, de Dyreskard, te midden van sneeuw en ijs. ’t Is wel eenzaam en woest, maar ’t is een mooi berggezicht, zeer mooi vooral voor ons uit, waar wel veel sneeuw blijft, maar toch in de verte zich weder eenig groen vertoont. In een draai in den straatweg is een kleine sneeuwtunnel; onder de zonnewarmte was hij evenwel aan ’t doorlekken gegaan, en ik riep de dames achter mij toe haar parapluiën op te zetten. Nu nog een uur omlaag, over bruggen, langs watervallen, altijd door een eenzaam berglandschap; geen mensch, geen vee, geen vogel; en ten laatste hielden we stil voor Haukelisaeter, aan het Staavand gelegen.Haukelisaeter is een hotel in oud-Noorschen stijl gebouwd, en ook inwendig in dien stijl versierd, waardoor het zeer huiselijk is geworden; de eetzaal vooral is zeer aangenaam ingericht. Tegenover het hotel zijn de post-, telegraaf- en telefoonkantoren en een aardig gebouwd voorraadshuis of stabbur, ook ingericht voor het herbergen van reizigers. Dit hotel is nog een der weinige door den staat ondersteunde fjeldstuen, waartegenover de verplichting staat dat het ’s winters open moet blijven. Het is dan ook in het hart van Telemarken op het onherbergzame Haukelifjeld gelegen, en de eenige plaats waar men des winters in die streek een onderkomen kan vinden. De eigenaar van het hotel is ook al een boer, die wat verderop nog een aardig gelegen zomerhotel Nystöl, aan het Arrebuvand gelegen, bezit. Ik vermeld dit overigens onbelangrijk feit, om er nog eens de aandacht op te vestigen, dat een boer in Noorwegen heel iets anders is dan overal elders. Er zijn veel hotels in het bezit van boeren, en zij exploiteeren die zelf, waardoor zij genoodzaakt zijn zich in vele, aan hun hoofdbedrijf geheel vreemde zaken in te werken, onder anderen zich ook weêr voor deze ondernemingen vertrouwd te maken met vreemde talen. Maar dat kunnen we hier wel, zeide mij een Noor. Onze tegenwoordige minister van buitenlandsche zaken is ook een boer; in zijne jonge jaren had hij veel leerlust en legde zich dan ook op de vreemde talen toe, en nu hij minister is, weet hij zelf niet meer hoeveel talen hij spreekt!Dat de Haukelisaeter ook ’s winters open blijft, heeft er wederom aanleiding toe gegeven, dat de groote sportclub te Christiania daar hare groote wedstrijden voor wintersport houdt, stellig een goed veld, want zelfs in den zomer verdwijnt de sneeuw er niet, en ’s winters ligt hij er meters hoog.Voorbij Haukelisaeter wordt het landschap nog eentoniger; het blijft geheel onbewoond; zelfs de boomen sterven er af, men ziet overal half vergane boomstruiken staan. Gelukkig komen we spoedig aan het schilderachtige Voxlivand, waar we even stilhouden in het Voxli-hotel, ook nog eene exploitatie van den eigenaar van Haukelisaeter. We rijden nog altijd langs hetzelfde meer, en naderen Botten, waar een zeer eenvoudig hotel staat, met een keurig gebouwden Stabbur, zoo iets als een oud kabinet in de open lucht; natuurlijk is dit een proefje van architectuur en geen ernstig gemeende ouderwetsche stabbur. Nu krijgen we weer een gezelligen bergstroom langs den straatweg, wat weer eenige levendigheid geeft; deze rivier vormt van tijd tot tijd meer of minder uitgebreide plassen, totdat het terrein wat ongelijker wordt en er hier en daar aardige rotsvormen opduiken; de plassen worden nu watervallen; de grootste daarvan is de Lille Rjukanfos, die evenals zijn beroemde naamgenoot, na zijnen val, een groote wolk van waterdamp omhoog stuwt, waar hij zijn naam “rokende waterval” aan ontleent. We rijden steeds omlaag en de stroom is krachtiger geworden; Flaathyl-elv is nu zijn naam; de verwachting dat we weer in mooier streek zouden komen wordt teleurgesteld, ’t is weder troosteloos eenzaam. Arme, natte weiden, traag groeiende bosschen, nog een paar kleine watervallen en dan het Hotel Haukeli Graend.Er waren weinig gasten in het hotel, en dientengevolge bleef ons clubje wat meer bijeen. Dat is trouwens eene eigenaardigheid van dat gelijkmatig voortbewegen op die afgeteekende banen zonder zijwegen; men vindt altijd de menschen weer terug, die men al eens ontmoet heeft. Voor mij was dit nu een genot, maar ’t kan ook wel eens anders zijn. Dikwijls had ik op deze laatste tochten het oog op een eenvoudig echtpaar, blijkens hun dialekt uit Holstein afkomstig, en die maar niet vrij konden geraken van een heer, reizende met drie kinderen, een aankomenden jongen en meisje, beiden in de vlegeljaren, en een jonger meisje, dat de rol vanenfant terriblevervulde. Het was een Semitisch veehandelaar uit Posen, een zeer luidruchtig heer. Hij had stellig het voornemen opgevat, zich op reis eens bijzonder netjes voor te doen, en droeg daarom van den morgen tot den avond een laag uitgesneden vest en een smoking. Mijne duitsche vrienden waren doodsbang om met hem in aanraking te komen. De Noren hadden altijd plezier in hem, en wisten hem door allerlei leuke zetten dikwijls tot nog grooter luidruchtigheid te prikkelen. Eens verzekerden zij hem, dat al waren zijne manieren onberispelijk, en al was zijn uiterlijk zóó, dat men hem ook in Noorwegen, waar weinig zijner stamgenooten voorkomen, niet licht zou onderkennen, niettemin zijn dieët hem moest verraden. Dat was aan geen doove gezegd! Een der volgende dagen op eene stoomboot, ging de fröken, zooals daar gebruikelijk is, rond om te vragen of men wat gebruikenwilde, en onze man uit Posen bestelde heel kalm voor zich en zijne kinderen broodjes, maar riep toen de fröken met verheffing van stem na: “maar alles met ham”! Deze ongelukkige manifestatie had tengevolge, dat ieder die misschien nog twijfelde, nu overtuigd was. Al de reizigers keken elkander glimlachend aan.Het bovendeel van den Skjervetfoss.Het bovendeel van den Skjervetfoss.Des avonds in de veranda ontwikkelde zich in het clubje een eenigszins dieper gaand gesprek over de reis. ’t Was vooral naar aanleiding van de belangstellende vragen der Noren, en curieus was het, dat de duitsche vrienden geheel mijne opvatting deelden. We hadden prachtige natuurtafereelen gezien; dat zij wat ver en dikwijls wat heel ver uit elkaar lagen was niet prettig, maar alléén aan de groote uitgestrektheid van het land te wijten. Somber vonden wij het geen van allen; en dat in tegenstelling met de litteratuur, ook in Duitschland, over het reizen in Noorwegen, dat meestal als somber, als melancholiek afgeschilderd wordt! Dat niet, wij hadden altijd zonnig weêr gehad, en men mag dan al eens bij het rondvaren op de fjorden stilstaan bij de bergvorming en haar statig noemen, somber vonden wij het nooit. Maar we vonden iets anders. Wij vonden over ’t algemeen gesproken de lijnen van het landschap op de hoogvlakten en fjorden, die wij bezochten, eentonig. Ze waren allen dezelfden, en de coulissenvormige voorsprong, dien de eene rots op de andere had, was op de fjorden bijna altijd van dezelfde afmetingen. Op de hoogvlakten, waar in den grauwen voortijd niets dan ijs was, heeft het verplaatsen en kruien van het ijs, de rotsen glad geslepen en afgerond, en daardoor zijn de omtrekken eenvormig geworden. Dat alles geeft aan het landschap iets eentonigs en kan misschien voor reizigers, die het land met regenweêr doorkruisten tot somberheid geworden zijn. Deze Noren, die ook veel in het buitenland gereisd hadden spraken onze eenstemmige beweringen niet tegen, integendeel zij erkenden dat het noorsche landschap de bekoorlijkheid miste, die de zwitsersche Alpengroepen ontleenden aan de grootere afwisseling in de lijnen, ook veroorzaakt door meer verschil in geologische vormingen. Daarentegen waren de Duitschers het ook weder met mij eens, dat van de bescheidenheid en zachtheid van de bewoners niet genoeg goeds gezegd kan worden; opgemerkt werd daarbij hoe zij bij alle terughoudendheid toch zeer opgewekt waren, en overvloeiden van schalksche opmerkingen, die nooit nalieten sterk op de lachspieren te werken.Het had des nachts hard geregend; we hadden den vorigen dag ook eene korte maar krachtige donderbui gehad, de stof was weg en een heerlijk zonnetje scheen; ik was vroeg op, vergenoegde mij met een koud ontbijt, verzocht mijn koetsier later te vertrekken en mij op te wachten in het hotel Börte, want ik had besloten nog eene flinke wandeling te maken. En het werd niet alleen een flinke, maar zelfs een prachtige. Spoedig na het verlaten van het hotel draaide de weg en naderden wij een prachtig meer, het Grungedalsvand. De hellingen der bergen aan weêrszijden waren met berken begroeid; van tijd tot tijd schitterden de zilveren stammen door het groen heen, als de zon er juist langs gleed; de kammen der bergen waren met donkere pijnbosschen getooid. Het was matig warm en bladstil, en de gladde watervlakte weêrspiegelde alles helder en klaar. Aan de overzijde was de oever steiler, aan de zijde van den straatweg waren de hellingen zeer flauw; dichter bij het meerprachtig groene weiden. Hier en daar, waar de weg naar het meer toekronkelde eene visschershut; visschers op het kalme water met hunne netten doende; van tijd tot tijd bij het ophalen de mooie forellen, tusschen de mazen der netten te vergeefs worstelend en spartelend om de vrijheid te herwinnen. Hoogerop aan mijne zijde goed bebouwde akkers; gerst en aardappelen waren de vruchten; ook enkele kleine maar zeer welvarende hoeven. Ik kwam niet vooruit, elk oogenblik stond ik stil, om het prachtige landschap nog nauwkeuriger op te nemen. ’t Was een bijna ongestoord genot; bijna, want ik liep op een ouden noorschen weg, voortdurend elke glooiing in het terrein volgend: eene onafzienbaren reeks van bulten, die mij, zoolang ik niet telkens op een top kwam, alle uitzicht voor mij uit benamen. De oude geelbruine kerk van Grungedal voorbij, een draai in den weg en over eene brug, dan nog een blik over het Grungedalvand in zijne gansche heerlijke lengte en het Grungedalsbro-hotel noodigt mij tot rusten uit. Een klein hotel, maar vroolijk en aangenaam gelegen; als ik niet verder moest, zoude ik hier willen overnachten. Nog altijd blijft de weg hobbelend, en hoewel het landschap zeer mooi blijft, vermoeit toch dat aanhoudend klimmen en dalen, en ben ik ten slotte blijde aan een driesprong te komen, waar eene landhandleri staat, en een nieuwe beter aangelegde weg naar Börte afdraait.De Buarbrae van af het Sandvenvand.De Buarbrae van af het Sandvenvand.Eene landhandleri is een winkel ten platten lande, waar alles en nog wat te krijgen is; een voorbijganger kon mij geene goede verklaring van het woord geven; de slotsom van zijne omschrijving was altijd “eene landhandleri, wel, dat is eene landhandleri”! Eenvoudig naar binnen gaan, naar iets onmogelijks vragen, en onderwijl rondkijken, ziedaar de oplossing. Juffrouw hebt u wat engelsche pleister voor mij? ’s Morgens had ik een vinger gekneusd. En ik had nauwelijks tijd om rond te kijken en te zien, dat er koloniale waren, veevoeder, eenvoudige ellegoederen, kramerijen en licht landbouwgereedschap te koop was, toen de juffrouw, na eenige laadjes open en dicht gedaan te hebben, weer bij mij kwam en zeide: “als ’t u blieft, mijnheer.” Het was hetzelfde gevouwen papiertje waarin men jaren geleden, en misschien nog, ook thuis zijne engelsche pleister kocht! “60 öre mijnheer”.De weg gaat nu weêr langzaam omhoog; van tijd tot tijd fraaie berggezichten, maar meestal dichte bosschen, tot men op de Bortheia (hoogte van Borten) gekomen is en een mooi uitzicht krijgt op het Bortevand, een lang en smal meer. Nu door weiden en akkers omlaag; eenige hoeven tot een gehucht bijeen gebouwd; hier en daar reeksen van akkers, en dan het hotel juist aan ’t begin van het Bortevand. Een verrukkelijke omgeving!
De oude kerk te Burgund. (Phot. Wilse, Kristiania.)De oude kerk te Burgund. (Phot. Wilse, Kristiania.)
De oude kerk te Burgund. (Phot. Wilse, Kristiania.)
Den volgenden ochtend had ik eerst eene wandeling van ongeveer een kwartier te maken van af het hotel Lindstrom tot aan de aanlegplaats der boot, en weder onder het aangenaamste zomerweêr voeren we de fjord af. Een vreemd gezicht die steile bergen, die zonder oever hunne steenmassa’s uit het water doen oprijzen! Eén van vorm en ook meestal één van kleur, met prachtige spiegeling in het stille water. De fjord werd langzaam wijder, en gaf hier en daar aardige kijkjes, bijv. op de haven Haugene, met een vriendelijk uitzicht in het Eierdal. Daar waar de Laerdalfjord uitmondt in de Sognefjord heeft men een heerlijk bergpanorama over het ruime watervlak. Niet lang daarna, aan een paar huizengroepen voorbij, draait men, indien men met mij naar Gudvangen reist, de Aurlandsfjord in. Het tafereel wordt nu oneindig grootscher. De fjord is slechts ½ kilometer breed en aan weêrszijden gaan de rotsen in zware, strakke massa’s 900 á 1200 M. omhoog. Stort zich soms een riviertje in de fjord uit, dan vormen zich aan die uitmondingen bezinkingen, waar men dan ook woningen en eenige kultuur vindt. Voor we de Aurlandsfjord invoeren, kwamen we een andere boot tegen en draaiden bij, om van haar een aantal passagiers over te nemen, allen mannen, waaronder militairen; dat was een vroolijk en druk gezelschap, dat me uitlokte om eens op het voorschip te gaan kijken. Het waren allen mannen, die de laatste, ik meen veertiendaagsche, periode van den algemeenen dienstplicht te Vossevangen gingen vervullen. Er waren verscheiden gehuwden onder; ze waren welgemoed en opgewekt. Onder het vijftigtal waren er twee die hunne opgewektheid wat te krachtig met bier steunden; voor ze ongeschikt werden voor het algemeen gezelschap, werden ze door kameraden achteraf gebracht en gehouden; natuurlijk was er onder dat gezelschap ook een met eene viool, die er dapper op losstreek; er werd ook gedanst; eerst heel aardig en kalm, toen het langzaam te wild en ongemanierd werd, was een enkel woord van den kapitein der stoomboot voldoende om er een eind aan te maken. De mannen in uniform waren onderofficieren; het dragen der uniform is een voorrecht voor hen die de onderofficiersschool doorloopen, maar men maakt geen gebruik van dat voorrecht. In die onderofficiersscholen wordt meer uitgebreid lager onderwijs gegeven en vooral veel werk gemaakt van het leeren spreken en verstaan van vreemde talen. Dat is het lokaas om onderofficieren te krijgen, want de Noren, zoowel vrouwen als mannen, zijn zeer tuk op het leeren van vreemde talen. De meerderheid der mannen maakt van de gelegenheid tot leeren in de onderofficiersschool gebruik, al is het dan ook niet om onderofficier te blijven.
Gedurende dien cursus op het voordek was de stoomboot verder gevaren. Er was niet veel te zien. Hier en daar een huis als een kraaiennest, tegen een rotswand geplakt, en tal van watervallen, die echter weinig indruk maken, omdat ze te ver af zijn.
Bij eene vooruitstekende rots, de Bejteln, vaart men de Naerofjord in. Die invaart is prachtig; het water is 8 à 900 meter breed; de rotsen aan weerszijden zijn even hoog en even steil, en naar voren is het uitzicht afgesloten door eene statige groep van sneeuwbergen. Denk eens hoe mooi dat was, toen de zon schel begon te schijnen en alles met gloed en licht overgoot, waardoor ook de donkere partijen in de rotsen meer tot haar recht kwamen. De watervallen zijn nog talrijker dan te voren, en worden levendiger en duidelijker, nu de fjord maar steeds door enger wordt. Op eene eeuwen geleden van de hooge wanden in het water gestorte rotsmassa ligt hetkleine kerkje van Bakke, omgeven door eenige houten woningen; de achtergrond wordt gevormd door den steilen fjordwand, waarvan de rivier de Bakke, nu goed zichtbaar en hoorbaar, als waterval omlaag stort. Op het water hier en daar visschersvaartuigen in hun bedrijf; wat dichterbij Gudvangen ook pleiziervaartuigjes en een zeer fraai engelsch jacht; deze vormden eene alleraardigste stoffeering, alleen overtroffen door het fraaie gezicht op Gudvangen zelf. Eenige huizen, eenige hotels, alleraardigst door elkaar geworpen en vooral veel boomen, en als achtergrond het beroemde Naerodal met zijnen trouwen wachter de Sjaerpennut, eene reusachtige rots uit wit graniet.
Naerofjord. (Phot. Wilse, Kristiania.)Naerofjord. (Phot. Wilse, Kristiania.)
Naerofjord. (Phot. Wilse, Kristiania.)
Die aankomst te Vossevangen is eenig in haar soort. De landingsplaats is vol nieuwsgierigen en een aantal hotelbedienden, die in bedwang worden gehouden door een tweetal heeren, de vertegenwoordigers der reiskantoren! Deze heeren maakten groot lawaai, daarin gesteund en overtroffen door een aantal koetsiers, die met hunne rijtuigjes langs den weg gereed stonden. ’t Scheen wel of die drukte gemaakt werd als imitatie van grootere plaatsen; ze is namelijk geheel overbodig. Die agenten der reiskantoren weten precies op welken dag en hoeveel reizigers zij krijgen, en welke rijtuigen die reizigers hebben moeten en waar heen. Zij weten ook welke reizigers in de hotels afstappen, want dat wordt hun alles van dag tot dag uit het hoofdbureau gemeld. Alléén die weinigen, die, zooals ik, met zoogenaamde vrije tickets reizen, moeten naar hunnen tot nu toe onbekenden wensch vervoerd worden.
Het was nog vroeg en mooi weer, zoodat ik veel lust had om dien avond wat later te Voss aan te komen, en stellig wenschte ik niet in den grooten sleep van rijtuigen opgenomen te worden; daarom bleef ik tot het laatst aan boord, gaf mijn koffer tot nader order aan den agent van “Cook” en liep Gudvangen in, om eens te zien wat daar te koop was. Het is niet veel meer dan eene groep boerderijen, waar hier en daar een hotel tusschen staat en eenige winkels met plaatselijke merkwaardigheden, meest handwerken, photo’s en briefkaarten.
De rotsen die Gudvangen omgeven, gaan zoo steil omhoog, dat men er gedurende de wintermaanden de zon niet te zien krijgt. Een prachtige waterval, de Killefos, komt daar van eene hoogte van 560 M. omlaag met een vrijen val van 150 M. ’t Was merkwaardig, maar te hoog om het mooie er van goed in oogenschouw te kunnen nemen.
Nadat mijne medereizigers een goed eind vooruit waren, nam ik ook een rijtuigje en reed het Naerodal in;—tot Voss is het een rit van 5 à 6 uur.
Gewoonlijk wordt gezegd dat het Naerodal, als voortzetting van de fjord, zijn zelfde woeste karakter behoudt. Het was echter zoo’n heerlijke zonnige dag, dat de woestheid tot lieflijkheid werd. ’t Was er niet woest, evenmin als op de fjord; de landschappen waren trotsch, krachtig in lijnen en tinten; het groen hier en daar, op de bergen en beneden in het dal, de huizen die er in verscholen lagen, het lachende stille watervlak, alles zag er vriendelijk uit. Misschien was het te danken aan ’t heerlijke heldere weder, maar mijne herinneringen aan de Naerofjord en aan het Naerodal zijn doorgaand vriendelijk en opgewekt.
Op ongeveer een kwartier rijdens van Gudvangen loopt de weg door eene groote “ur”, eene opeenhooping van bergpuin; dat is werkelijk woest; menziet echter spoedig eene fraaie boerderij tegen de berghelling; die hoeven hebben daar allen namen; deze heette Sjaerping. Een weinig verder vertoont zich de prachtige grauwe syenietkop van den Jordaelsnut, een heerlijke bergformatie, die het geheele enge dal blijft beheerschen. ’t Gaat langzaam omhoog; men gaat over de rivier, dan langs een paar boerderijen en komt vervolgens aan den voet der ontzettende Stalheimsklev, die het dal geheel afsluit. Daar verkondigt u een groot bord, dat de reizigers worden verzocht den steilen weg naar boven te voet af te leggen, ter wille van de paarden. Dat is over tal van slingerwegen een klim van drie kwartier; voor zich uit en ten laatste aan weêrskanten heeft men echter twee zeer schilderachtige watervallen, de Silvlefoss en de Stalheimsfoss, zoo frisch en dartel, dat men de warme zon gaat vergeten. Bij het rusten van tijd tot tijd is vooral het uitzicht naar beneden in het dal wondermooi. Stellig een der heerlijkste punten in Noorwegen. Ook hier wordt steeds gesproken van het uitzicht in het donkere dal en in ’t bijzonder aangeraden dit ’s namiddags te nemen. Ik zag het onder vollen zonneschijn; vooral de prachtige Jordaelsnut op den voorgrond werd prachtig beschenen, zoodat ik van een donker dal niet spreken kan en zeer dankbaar ben het zóó getroffen te hebben.
Sörfjord.Sörfjord.
Sörfjord.
Boven op de klev vindt men het ruime Stalheim’s Hotel, een goede inrichting, met eene pretensie van voornaamheid, die het maar slecht afgaat. Er was eene uitgebreide toko in, waar men allerlei noorsche bijzonderheden kon koopen; het hotel ligt hoog en de prijzen der uitgestalde voorwerpen zijn nog hooger boven het niveau; er waren echter prachtige noorsche weefsels tentoongesteld, in patroon en vooral in kleuren zeldzaam fraai. De table d’hôte zoude juist beginnen, maar ’t was mij nog te vroeg, en ik liet mijn rijtuigje voorkomen om in het Opheimdal af te dalen. Aanvankelijk geeft deze weg niet veel; de grond is slecht, zelfs elzenhout wil er niet behoorlijk groeien; het water is bruin en pappig van het veen. Gelukkig duurt dat niet lang en komt men door flinke bosschen en uitgestrekte weiden langzamerhand in eene meer bewoonde streek. Op eenmaal verandert het landschap van karakter; men ziet haast geen rotsformaties meer; de kultuur neemt de overhand, met vele boerderijen. Vooral is de rit lief langs het kalme meer van Opheim, waaraan het aardige kerkdorp van dien naam gelegen is; wanneer daar nu maar niet weêr zoo’n witte houten kerk van het algemeen model stond! Aan het einde van het meer een groote draai, en door een oprijlaan reden wij voor het Framnesshotel. Daar nam ik het middagmaal en zat er heel rustig in eene kalme omgeving, meest Noren, met wie spoedig een gezellig gesprek aangeknoopt werd; vooral de dames zijn gaarne bereid den vreemdeling zijne kreupele sprongen in de noorsche uitspraak te vergeven. Van uit den tuin van het hotel genoot ik nog van het schilderachtige, vreedzame uitzicht op het meer.
In den avond reed ik verder. Het landschap wordt hoe langer hoe vriendelijker, het dal wordt enger; hier en daar eene brug over de rivier. Voor het eerst zie ik hier rotsen van een anderen vorm; het is lei, tot nu toewas het altijd graniet, en die afwisseling doet aangenaam aan. Bij het gehucht Tvinde een prachtige bruisende waterval; men komt nu op vlakken bodem, de grond is keurig bebouwd; overal akkers tusschen de weiden, veel en weelderig hout en dan de stad Vossevangen (meestal Voss genaamd) aan uwe voeten in een dieper, ruimer dal. Men daalt langzaam neêr en verlustigt zich in het heerlijk uitzicht. De stad is om eene oude, fraaie steenen kerk gebouwd en heeft een prachtig, niet te groot meer tot achtergrond.
Men kan te Voss eene aardige wandeling maken naar een aan de overzijde van het meer op de bergen gelegen koffiehuis “Breidablik”; de uitzichten vanaf de stad, die men uit de meeste hôtels genieten kan, wedijveren met die van af Breidablik over het meer; Vangsvand is zijn naam; beiden zijn in hooge mate schilderachtig en komen overeen met de uitzichten op Opheimsvand; ze zijn onderscheiden van wat ik tot nu toe zag, evenals de geheele omtrek van Voss; daar is minder rots, al komen hier en daar nog wel eens grimmige partijen te voorschijn; meer bebouwd land en vooral prachtige weiden tegen de zachtere hellingen der bergen.
Het stadje zelf is zeer levendig; er zijn in ’t oogvallend veel winkels, al staan ze niet gelijk met grootsteedsche magazijnen, maar onder meer zag men bijv. bananen uitgestald tegen lageren prijs dan te Amsterdam. Men kon aan de winkels zien, dat er meer welstand is in de omstreken van Vossevangen, dan in de streken waar ik tot nu toe geweest was. De stad ligt trouwens ook aan den spoorweg die vanaf Bergen, aangelegd wordt en gedeeltelijk dient, om over de Skandinavische Alpen verbinding te krijgen met de oostelijke lijnen en met Kristiania.
Buiten de stad wandelende, kwam ik aan het militaire kamp, waar ik ook weder de reisgenooten van de Naerofjord trof, ditmaal allen in hun pakje, dat zeer eenvoudig, maar opvallend onzindelijk was. Ze waren daar gehuisvest in kleine houten barakken, waarvan er een aantal in dubbele rijen op een middenpunt uitkwamen, waar de bevelhebber en de officieren hunne gelijksoortige barakken hadden. Dit kampement was gelegen op een ruime hoogvlakte; later heb ik er nog gezien, die geheel uit tenten bestonden.
In Noorwegen is elk welgeschapen, gezond man dienstplichtig, behalve wanneer hij loods of geestelijke is, en hij wordt aangewezen voor den dienst waarvoor hij het meest geschikt is. Zeelieden en visschers dienen op de vloot, handwerkslieden bij de genie en de artillerie; studenten in de medicijnen in de veldhospitalen; de landlieden gaan zooveel mogelijk bij de kavalerie. De dienstplicht begint op 22 jarigen leeftijd en duurt 10 jaar, met afloopende diensttijden en naar gelang het wapen waarbij men ingedeeld is.
Voorbij het Fleischer’s Hotel te Voss brengt een zijweg, door wegwijzers voldoende aangeduid, u naar het Finneloftet, op de wegwijzers het oudste wereldsche gebouw in Noorwegen genoemd. Het is een oud boerenhuis; de naam der boerderij is Fin, en loftet beteekend een huis met eene verdieping, in tegenstelling met stue, dat een huis is zonder verdieping. In dergelijke huizen is de ruimte gelijkvloers tot berging en bediendenhuisvesting aangewezen, terwijl de in- en uitwendig met meer zorg gebouwde verdieping door den boer met zijn gezin bewoond wordt. Er is in dit gebouw eene verzameling van oudheden, of liever eene opeenhooping van oud huisraad en landbouwgereedschappen, waarvan ik geloof dat veel in de afgelegen boerderijen nog zoo heel lang niet geleden buiten gebruik is gesteld. Er zijn wel aardige dingen onder, en curieus was te zien hoe men zich bij het samenstellen van vele voorwerpen had moeten voegen naar het eenige beschikbare materiaal—hout. Als museum heeft Finneloftet maar eene zeer beperkte waarde; het was evenals de oude vrouwelijke conciërge, die mij rondleidde door de enkele kamers, erg primitief.
Het had mij bij het opmaken van mijn reisplan leed gedaan, dat ik het niet zóó had kunnen inrichten, om Zondags te Odda te zijn, waar men dan volgens de Baedekers en consorten de merkwaardige kleederdrachten van het Hardangerlandschap bewonderen kan bij het uitgaan der kerk; maar ’t ongeluk werd prettig vergoed, doordat ik Zondagsmorgens te Voss was, en daar de bevolking uit den omtrek van alle kanten op hare stolkjaerre en cariolen naar de kerk zag komen. Dat was inderdaad in hooge mate schilderachtig. Veel wit, veel kleur en veel levendige gouden versieringen. Natuurlijk kan ik niet beoordeelen in hoeverre die kleederdracht al meer of min gemoderniseerd is, maar toch, naar de stoffen en den snit te oordeelen, geloof ik het niet. Ik geloof eerder dat de nieuwere modes veel van dat oude overnemen. De vrouwen en meisjes waren alleen in het costuum, dat zich nog wel lang zal handhaven, omdat het zoo uiterst kleedzaam is. De vrouwen op ’t land zijn, evenals de mannen, van groote gestalte en daarbij niet bijzonder slank; zij hebben bijna zonder uitzondering een goed figuur en een statigen, sierlijken gang. De gelaatskleur is frisch, gezond en blank; handen en armen zijn daarentegen gewoonlijk verbrand en verweerd; de oogen zijn licht staalgrijs en het haar wit blond. Zooals gelukkig overal, zijn er ook daar veel bepaalde schoonheden onder de vrouwen; het is een bijzonder knap soort van menschen. Eene uitzondering maakten daarop de oude vrouwtjes, die men dikwijls de woningen ziet bewaken. Naar kleeding, meestal zwart, en naar uiterlijk, met hunne sterk gebogen gestalte, kwamen me die schepseltjes inderdaad voor als de juiste personificatie van ’t woord “heks”.
’t Was een levendig tafereel daar op dien zonnigen Zondagmorgen tusschen half tien en tien uur te Voss. Die lange rijen van lichte wagentjes, getrokken door die lichtgekleurde driftige paardjes, beladen met twee en drie keurig uitgedoste personen. De mannen allen in het donker; de vrouwen met donkere rokken en wit bovenlijf en daarover een donker, met kleuren afgezet corsage; het front met bontgekleurde koralen geborduurd en behangen met goud. De mouwen en de groote, wijd uitstaande mutsen wit. Het deed me leed, dat ik niet wachten kon tot de kerk uitging, om die optochten nog eens te zien.
Dien voormiddag vertrok ik weer per stolkjaerre naar Eide, om van daar de Hardangerfjord te bereiken. Een bezoek aan Bergen moest ik, zooals reeds van te voren te voorzien was, uit gebrek aan tijd achterwege laten.
Men verlaat Voss over eene lange houten brug over de Rindal, en komt spoedig in boschrijke omgeving; ditmaal is alles loofhout, pijnbosschen ziet men alleen in de verte, keurige kijkjes vanaf den hoogen weg; langzaam hooger; de woningen worden zeldzamer en blijven spoedig achterwege; ’t landschap verliest zijne bekoorlijkheid. Plotseling komt men aan eene diepte; het dal gaat hier loodrecht omlaag, en in dien steilen rotswand is met vele kronkels een weg uitgekapt. Wanneer men ongeveer halverwege beneden is, krijgt men het uitzicht op den prachtigen “Skjervetfoss”, een der mooiste watervallen die ik zag. Hij bestaat uit twee deelen; ’t bovenste valt loodrecht omlaag en de sluiervormen van het water teekenen zich keurig helder af tegen den donkeren achtergrond der rotsen. Dan stort de watermassa zich over eene hellende rotsbedding en onder eene brug in den straatweg door, verder in dichte massa’s voort het dal in. In de nabijheid van den waterval heeft zich een frisschen levendigen plantengroei ontwikkeld, en de grasplekjes hier en daar waren vroolijk met kleurige bloemen bezaaid. Een verrukkelijk tafereel! Het is eene eigenaardigheid in Noorwegen, dat de enge dalen, de verlengden of voortzettingen der Fjorden, altijd met steile reuzentrappen omlaag gaan, in stede van meer glooiend af te loopen, zooals elders.
De straatweg volgt nu de rivier, die zorg draagt altijd uwe aandacht gaande te houden door het wilde bruisen en het donderend geweld, wanneer zij zich hier en daar door eene engere rotsbedding heen wringt. Het bovengedeelte van den Skjervetfoss kan men nog lang in al zijn glorie waarnemen. We rijden door een gehucht Ovre Vasenden, en bereiken den top van het Gravensvand; rondom verheffen zich vervaarlijke bergmassa’s. Verder gaat het langs het Gravensvand, wel wat eentonig, en na 3 uur rijdens stapte ik uit te Eide voor het voortreffelijke Maeland’s hotel. Daar werd het middagmaal gebruikt, daarna nog eene wandeling terug naar ’t Gravensvand gemaakt, waar ik zeer opmerkelijke inrichtingen voor de zalmvangst vond, en eindelijk de aanlegplaats der stoomboot opgezocht, om de vaart op het Sörfjord te aanvaarden.
Sörfjord te Odde.Sörfjord te Odde.
Sörfjord te Odde.
Een tegenslag met zeer onaangename gevolgen. De boot kwam twee uur te laat. Er waren bij het mooie weer en met den Zondag zooveel reizigers, dat men onderweg overal aanleggende, veel tijd verloren had; wachten was de boodschap, en ten laatste van wal, op eene stampvolle boot. Het begin der vaart op de Gravensfjord geeft hetzelfde te zien als bij ’t verlaten van bijna alle fjorden, maar als men op de breede Utnefjord komt en deze overvaart, dan verandert het tafereel. De Utnefjord is ongeveer het middendeel van de Hardangerfjord; een breede waterplas, omgeven door steile en hoog uit het water oprijzende rotsgevaarten, met veel schakeering van licht tot donker. De avondzon werd nog niet geheel door de bergkammen onderschept, en stortte een gouden gloed over water en land; de tegenoverliggende sneeuwvelden werden helder en schitterend verlicht. ’t Was boven alle beschrijving heerlijk mooi, levendig en toch majestueus. Alle reizigers waren onder den indruk van ’t schoone tafereel.
Bij Utne voeren we de Sörfjord in, een vaarwater dat aanvankelijk nog 2 kilometer breed is, maar over eene lengte van 40 kilometer ten laatste maar enkele honderde meters tusschen de rotswanden meten kan. Langs de oostelijke oevers liggen vele dorpen en gehuchten. De bergstroomen hebben hier, nog meer dan elders, lagere landstrooken gevormd, die eene zeer beschutte ligging hebben en eene uitstekende vruchtenkultuur mogelijk maken. Langs het middengedeelte van de fjord, waar deze ook nooit bevriest vindt men tal van kersen en appelboomgaarden; de plantengroei is zeer weelderig en er heerscht groote welvaart. Aan de oostzijde openen zich ook verscheiden dalen, die fraaie uitzichten opleveren; aan de westzijde is de doorloopende bergrug getooid met tal van watervallen en op den top bedekt met eeuwigdurende sneeuw en hier en daar een gletscher. Natuurlijk was dit alles beschreven in verschillende reisboeken, en wij allen—ik was in nadere aanraking gekomen met eene duitsche en een noorsche familie—spitsten ons zeer op de heerlijkheid, die wij nog aanschouwen zouden. Maar ’t was buiten het daglicht gerekend. De vertraging, die we reeds te Eide hadden, zette zich om dezelfde reden voort en nam toe, en weldra was van al de veelgeprezen schoonheden van de Sörfjord niets meer te zien dan donkere silhouetten. De sneeuw en de gletschers daar boven op het Folgefond kwamen er wel des te meer door uit, maar die gletschers waren op zich zelf niet zeer belangrijk.
We kwamen ’s nachts om 12 uur te Odde aan.’t Was in dat enge dal zeer donker; de vele reizigers maakten ook, dat men moeite had om onder dak te komen.
Ik kan reizigers in Noorwegen niet genoeg aanbevelen, de fout die ik bij het bevaren der Sörfjord beging te vermijden. Toen te Eide de boot volle twee uur vertraging had, had ik daar tot den volgenden ochtend moeten blijven, en me de vaart op de Sörfjord niet door de duisternis moeten laten bederven.
Skjervet-dal.Skjervet-dal.
Skjervet-dal.
Ik moest doorreizen, want anders kwam ik over den mij toegestanen dag thuis, maar juist daardoor kom ik tot de vernieuwde gevolgtrekking, dat Noorwegen geen land is, om in een kort zomerverlof te bereizen. Die minder dan drie weken te zijner beschikking heeft, doet inderdaad beter niet naar Noorwegen te gaan.
Het Hardanger Hotel te Odde is eene uitstekende inrichting. Geheel van hout in noorschen stijl gebouwd, maakt het een aangenamen indruk, vooral omdat het zeer ruim is; gangen, trappen, kamers, eetzalen, alles is groot, en de hal is van buitengewone afmetingen en loopt tot in het dak door.
Odde is een zich sterk ontwikkelend kerkdorp; vele vreemdelingen kiezen het als zomerverblijf; ’t is dan ook heerlijk gelegen en biedt, wat zeldzaam is, gelegenheid tot aangename wandelingen.
’s Morgens bij tijds op, wandelde ik reeds vóór het ontbijt langs de fjord, om me eenigzins schadeloos te stellen voor ’t geen ik den avond te voren door de duisternis gemist had. Na ’t ontbijt ging ik de winkels in Odde eens bekijken, die zich hier onder den invloed van ’t vreemdelingenverkeer gevestigd hadden. Verbazende keus van photo’s en briefkaarten was er, en noorsche handwerken waren in overdaad vertegenwoordigd. Aquarellen waren ook druk geëtaleerd. Ik veronderstel dat de mooie en goede reeds verkocht waren, want wat ik er nog zag, was bitter treurig. Aquarelleeren schijnt daar onder de reizigers epidemisch te heerschen, te oordeelen naar de twee uitgebreide magazijnen van teekenbehoeften die er waren; en dan was er, wat ik sedert Kristiania niet meer gezien had, een kapperswinkel; maar dien dag was de kunstenaar met zijn gezin eens voor een dagje uit, en de bediende hield nu ook maar vacantie!
Al verder in het dal opgaande, begon ik last van de warmte te krijgen; de zon scheen onbarmhartig; gelukkig kwam ik weer spoedig voor een meer te staan, het Sandvenvand, en trof daar juist een man met een bootje, bereid om mij een watertochtje te doen maken; eene heerlijke verfrissching! Na een half uur varen kwamen we tegenover den ingang van het Jordal. Eenige woningen liggen daar aan den oever, en verder gaat het wild in het dal op, dat afgesloten wordt door den gletscher Buarbrae. Ik liet me aan land zetten, en trof daar eenige mannen, die bleken tot de boerderij te behooren; we raakten aan het praten en ik werd door hen binnengenoodigd.
Vossevangen en het Vangsvand.Vossevangen en het Vangsvand.
Vossevangen en het Vangsvand.
De boerderij was betrekkelijk nieuw gebouwd, dus zag ik geene oud-noorsche inrichting, waarop ik gehoopt had. Toch was het aardig om te zien; welstand heerschte er, een zeker soort van comfort, maar met vermijding van alle overdaad. Een boer in Noorwegen, of wat de Noren zelf onder dien naam verstaan, is eerder een grondeigenaar en dikwijls een groot grondeigenaar; maar zijne gronden, die voor ’t meerendeel uit uitgestrekte bosschen bestaan, leveren hem niet veel op. Hij bezit dikwijls een zeer grooten veestapel, maar ook die werpt hem niet zooveel af als wij daarbij gewoon zijn te denken. Het vee is onaanzienlijk, klein van gestalte en niet sterk melkgevend; de hoedanigheid der melk is voortreffelijk; de melk kan de boer ook weer niet verkoopen; boter in de meeste gevallen ook niet, om de groote afstanden naar de plaatsen van uitvoer. Het plaatselijk verbruik is gering tengevolge van de uiterst spaarzame bevolking. Behalve rundvee worden ook varkens en schapen, maar vooral veel geiten gehouden. De groote bron van inkomst op de landgoederen is het vellen van bosschen, waarbij dan dikwijls niet aan gelijken tred houdend inplanten gedacht wordt.
Het volkskarakter der Noren heeft zich niet in de steden ontwikkeld. Die zijn meest allen van veel lateren datum, althans in den tegenwoordigen vorm; de Noren zijn een boerenvolk; op het platteland ziet men het type van den Noor. Dorpen zijn er niet veel, men woont er op zeer verspreide groote hoeven, en vele van die hoeven bleven, door vererving op het oudste mannelijke lid, gedurende eeuwen in dezelfde familie; dikwijls komen de zeer algemeen verspreide democratische opvattingen in strijd met de persoonlijke opvatting van zoo’n landheer, die u zijn stamboom kan toonen van eeuwen her. De afgelegenheid der hoeven, waar men gedurende een groot deel van den langen wintertijd niet op of af kan, is oorzaak dat men in allerlei opzichten zichzelf heeft leeren redden; men is er zijn eigen smid, zijn eigen timmerman, wever of kleermaker. De vrouwen evenaren daarin de mannen, ze zijn ervaren in velerlei handwerken: de kleeden, tapijten en sierbanden, die uit eigen gesponnen en geverfde wol vervaardigd worden, zijn karakteristiek en dikwijls buitengewoon smaakvol, ook kantwerk wordt veel aangetroffen. Voorts wordt er veel werk gemaakt van versiering van het huis- en landbouwgereedschap; men snijdt er figuren in en kleurt die zoo sprekend mogelijk. Ik heb hooi- en mestvorken gezien, hooiharken, schopstelen, ploegstaarten, die op deze wijze met zorg versierd waren. Men maakt, herstelt en versiert zijn dagelijksch gereedschap in den langen wintertijd. Daartoe was ook bij elke hoeve een magazijn noodig, waar alle hulpmiddelen en grondstoffen en ook eetwaren bijeen geborgen werden; want alles moet in voorraad zijn eer de winter komt, die alle verkeer stremt. Maar die menschen, die daar zoo stil en eenzaam leven, doen nog meer. Ze zijn zeer weetgierig en zetten het onderwijs, dat zij als kinderen en jongelieden genoten hebben, voort door eigen studie.
Het noorsche volk is bij nadere kennismaking zeer sympathiek; men krijgt zelfs bij eene vluchtige aanraking op de reis den indruk van betrouwbaarheid en eerlijkheid. Het ruwe klimaat staalt het karakter. Daarbij zijn de menschen zacht van aard, beleefd en bescheiden. De harde strijd om het bestaan, en de groote moeite om vooruit te komen geven hun echter, bij al dat goede, ook andere eigenaardigheden. Als men met een Noor eerlijk deelen moet, dan krijgt men altijd van vier twee, maar als men vijf met hem deelen moet, dan krijgt hij gewoonlijk drie.
Dat alles heb ik niet bij de vrienden aan het Sandvenvand kunnen opmerken, maar het onderhoud met hen herdenkende, gaf mij dit aanleiding tot deze verdere mededeelingen. Na een glas melk en een stuk knikkebrod, mij vriendelijk door de huisvrouw aangeboden, gebruikt te hebben, bracht de landheer mij een eind op weg in het Jordal; hij wilde mij zijne boomgaarden nog toonen, die er inderdaad zeer goed uitzagen en ditmaal veel beloofden. Men had in dezen zomer in het gure Noorwegen meer zomer dan wij in Nederland. Eerst liep de weg, die behoorlijk afgebakend is, nog langs een paar gerstenakkers, toen flink hout, berken en voornamelijk iepen; dan verder tusschen rotswanden en rotspuin omhoog; nog eene hoeve, de Buar, eene weiderij, steeds met den gletscher en het Folgefond voor zich; eindelijk staat men voor den gletscher de Buarbrae, te midden van eene verbazende massa bergpuin. Het is een zeer aangename en niet te vermoeiende bestijging, waarbij men duidelijk iets opmerkt, waarvan men zich aanvankelijk in de noorsche bergen niet goed rekenschap geeft, namenlijk hoe dichtbij de sneeuwgrens en het ijs het groen is. Hier was het verschil niet meer dan 100 meter. Er zullen hoogerop in ’t noorden van het land wel grootere gletschers zijn en ook veel massaler sneeuwvelden, maar eerlijk gezegd, wat ik tot nu toe gezien heb, en later zag, is tegenover de gletschers en de sneeuwvelden der Zwitsersche alpen slechts een mislukte namaak.
De wandeling naar den Buarbrae en terug (brae is gletscher), duurde ongeveer 4 uur; daarbij had ik een goed half uur bij de hoeve getoefd, zoodat ik eerst tegen twaalf uur te Odde terug was. Nu had ik op den terugweg de zon achter mij, en kon volop genieten van het heerlijke uitzicht op het plaatsje en de Sörfjord met zijne trotsche omgeving. Ik rekende af in het hotel en bestelde een rijtuig naar ’t Breifondhotel aan den grooten straatweg in Telemarken; dit was het begin van de thuisreis, die nu in zuid-oostelijke richting weêr dwars door Noorwegen ging. Men vroeg mij of ik doorreisde naar Dalen, en ik kreeg toen een koetsier en stolkjaerre, die mede doorgingen tot die plaats. Die koetsier was een gezellige prater, en zijn paard was uitstekend; de dames en heeren met wie ik sedert twee dagen gereisd had, waren reeds vertrokken, zoodat ik, in de hoop hen in te halen, in mijn schik was met dit flink span. De weg ging eerst langs Sandvenvand; ik had dus nog eens het mooie uitzicht op den Buarbrae, en daarna, aan het einde van het meer de fraaie Espelandfoss en Lotefoss, naast vele kleinen; toen langs een wilden bergstroom in een eng dal het “Seljestadtjuvet”, een prachtig begroeid dal, dat naar mijne schatting het Naerodal tusschen Stalheim en Gudvangen ver in schoonheid overtrof. Het was een heerlijke rit, onder de grilligste afwisseling van woeste rotspartijen en prachtig groen, steeds vergezeld door den dikwijls met donderend geweld voortstuwenden bergstroom. Men bereikt aan het einde van dit dal weder eene knappe stijging; de weg is wat minder fraai in de onmiddellijke omgeving, maar wint door de prachtige uitzichten, vooral stroomafwaarts in het pas verlaten Seljestadtjuvet. Verscheiden malen heb ik mijn rijtuig verlaten, om volop te kunnen genieten van al het schoone. Te Seljestadt, waar twee goede hotels zijn, en dan behalve het postkantoor ook niets anders, moest ik mijn middageten krijgen, maar mijne groote onafhankelijkheid werd gestraft. Door mij niet aan de gebruikelijke uren van den reizigersstroom te houden, kwam ik te laat. Er was bovendien eene Cookspartij en eene van Lissone geweest,—deze laatste had ik al opgemerkt bij den Lotefoss, door de luidruchtigheid waarmede zij genoot,—en al die reizigers hadden de beide hotels ledig gegeten; ’t was alsof er een zwerm sprinkhanen over heen was gestreken. Ik dacht er al aan, mij maar met smörbrod tevreden te stellen, toen er drie jonge dames binnenstapten, die ook warm eten verlangden, en men zag toen de kans schoon, om vier personen voor hun diner te laten betalen. Betalen, want genieten deden wij het niet; ’t was een mengelmoes van veel wat slecht en slecht bereid was. De fröken, eene juf in Hardanger kleederdracht, had ook de vrijmoedigheid van te verklaren, dat het bier op was en wij dus wijn zouden moeten drinken. Afgeschrikt door de kwaliteit der spijzen, verzochten wij echter van den wijn verschoond te mogen blijven en dronken water. Dit is de eenige keer in Noorwegen geweest, dat ik slecht eten kreeg en nog afgezet werd op den koop toe. Intusschen vloog de tijd om; mijn gezelschap bestond uit onderwijzeressen uit Kopenhagen, die een onderhoudend gesprek wisten te voeren.
Aan alle dingen komt een einde, ook aan ’t geduld van mijn koetsier, en we moesten verder. De weg blijft mooi en daalt eindelijk met groote slingers naar het Röldalsvand neer. Daaraan is het Breifond Hotel gelegen; de koetsier had mij bepraat om niet daar te logeeren, maar door te rijden tot Röldal, waar men even goed logeeren kan. Röldal is een aardig kerkdorp, fraai aan het tegenovergestelde einde van het meer gelegen. We kwamen aan het Röldal-hotel, en ik kreeg het bescheid, dat er geen plaats meer was. De borstaren bracht mij echter naar een kleiner hotel, waar ik dan slapen zoude, terwijl ik het avondeten en het ontbijt in het Röldalhotel gebruiken zoude. Aan de avondtafel trof ik de kennissen weêr en werd braaf uitgelachen over mijn te laat komen en over de teleurstellingen te Seljestad en nu weder te Röldal, waar ook de tafel bijna was afgeloopen. Maar ik was op Buarbrae geweest, en dat genot was de verdere tegenvallers dubbel waard. Ik had een zeer eenvoudig maar bijzonder netjes en zindelijk nachtkwartier; toen ik den volgenden ochtend—de dochter des huizes had ook nog mijne kleêren gereinigd—de gevraagde kosten (ééne kroon of ƒ 0.675) betaalde, wilde men niet eens een fooi aannemen.
Na een gezellig ontbijt togen de drie gezelschappen te zamen op reis. Drie stolkjaerres en eene calèche, deze met twee paarden. Mijn harddraver had de voorhoede en ik dus geen stof. En inderdaad de stof op de wegen in Noorwegen is een bezwaar.
Eerst een eind langs het meer en dan langs de bruisende Vasdal-elf al hooger en hooger op. Een flinke breede waterval, de Navlefoss; we verliezen de boomen; de weg kronkelt al maar omhoog. Hier en daar groote kudden vee, dat over niemandsland, dat is: over geen particulier bezit, maar over staatsgrond, naar de meer bevolkte omgeving van Kristiania gedreven wordt. Zoo’n tocht van dat vee duurt een geheel seizoen en is wel geen bijzonder goede, maar toch een soort van vetweiderij. Maar ook het gras houdt op en we komen in steeds woester wordende, rotsachtige omgeving, altijd naast de Vasdal-elf, die nog weinig in kracht verloren heeft. Nu weêr sterker in groote kronkels tegen de bergruggen op; we treffen nog een paar woningen, die daar in de eenzaamheid staan te vervallen, en eindelijk komen we op de pashoogte, de Dyreskard, te midden van sneeuw en ijs. ’t Is wel eenzaam en woest, maar ’t is een mooi berggezicht, zeer mooi vooral voor ons uit, waar wel veel sneeuw blijft, maar toch in de verte zich weder eenig groen vertoont. In een draai in den straatweg is een kleine sneeuwtunnel; onder de zonnewarmte was hij evenwel aan ’t doorlekken gegaan, en ik riep de dames achter mij toe haar parapluiën op te zetten. Nu nog een uur omlaag, over bruggen, langs watervallen, altijd door een eenzaam berglandschap; geen mensch, geen vee, geen vogel; en ten laatste hielden we stil voor Haukelisaeter, aan het Staavand gelegen.
Haukelisaeter is een hotel in oud-Noorschen stijl gebouwd, en ook inwendig in dien stijl versierd, waardoor het zeer huiselijk is geworden; de eetzaal vooral is zeer aangenaam ingericht. Tegenover het hotel zijn de post-, telegraaf- en telefoonkantoren en een aardig gebouwd voorraadshuis of stabbur, ook ingericht voor het herbergen van reizigers. Dit hotel is nog een der weinige door den staat ondersteunde fjeldstuen, waartegenover de verplichting staat dat het ’s winters open moet blijven. Het is dan ook in het hart van Telemarken op het onherbergzame Haukelifjeld gelegen, en de eenige plaats waar men des winters in die streek een onderkomen kan vinden. De eigenaar van het hotel is ook al een boer, die wat verderop nog een aardig gelegen zomerhotel Nystöl, aan het Arrebuvand gelegen, bezit. Ik vermeld dit overigens onbelangrijk feit, om er nog eens de aandacht op te vestigen, dat een boer in Noorwegen heel iets anders is dan overal elders. Er zijn veel hotels in het bezit van boeren, en zij exploiteeren die zelf, waardoor zij genoodzaakt zijn zich in vele, aan hun hoofdbedrijf geheel vreemde zaken in te werken, onder anderen zich ook weêr voor deze ondernemingen vertrouwd te maken met vreemde talen. Maar dat kunnen we hier wel, zeide mij een Noor. Onze tegenwoordige minister van buitenlandsche zaken is ook een boer; in zijne jonge jaren had hij veel leerlust en legde zich dan ook op de vreemde talen toe, en nu hij minister is, weet hij zelf niet meer hoeveel talen hij spreekt!
Dat de Haukelisaeter ook ’s winters open blijft, heeft er wederom aanleiding toe gegeven, dat de groote sportclub te Christiania daar hare groote wedstrijden voor wintersport houdt, stellig een goed veld, want zelfs in den zomer verdwijnt de sneeuw er niet, en ’s winters ligt hij er meters hoog.
Voorbij Haukelisaeter wordt het landschap nog eentoniger; het blijft geheel onbewoond; zelfs de boomen sterven er af, men ziet overal half vergane boomstruiken staan. Gelukkig komen we spoedig aan het schilderachtige Voxlivand, waar we even stilhouden in het Voxli-hotel, ook nog eene exploitatie van den eigenaar van Haukelisaeter. We rijden nog altijd langs hetzelfde meer, en naderen Botten, waar een zeer eenvoudig hotel staat, met een keurig gebouwden Stabbur, zoo iets als een oud kabinet in de open lucht; natuurlijk is dit een proefje van architectuur en geen ernstig gemeende ouderwetsche stabbur. Nu krijgen we weer een gezelligen bergstroom langs den straatweg, wat weer eenige levendigheid geeft; deze rivier vormt van tijd tot tijd meer of minder uitgebreide plassen, totdat het terrein wat ongelijker wordt en er hier en daar aardige rotsvormen opduiken; de plassen worden nu watervallen; de grootste daarvan is de Lille Rjukanfos, die evenals zijn beroemde naamgenoot, na zijnen val, een groote wolk van waterdamp omhoog stuwt, waar hij zijn naam “rokende waterval” aan ontleent. We rijden steeds omlaag en de stroom is krachtiger geworden; Flaathyl-elv is nu zijn naam; de verwachting dat we weer in mooier streek zouden komen wordt teleurgesteld, ’t is weder troosteloos eenzaam. Arme, natte weiden, traag groeiende bosschen, nog een paar kleine watervallen en dan het Hotel Haukeli Graend.
Er waren weinig gasten in het hotel, en dientengevolge bleef ons clubje wat meer bijeen. Dat is trouwens eene eigenaardigheid van dat gelijkmatig voortbewegen op die afgeteekende banen zonder zijwegen; men vindt altijd de menschen weer terug, die men al eens ontmoet heeft. Voor mij was dit nu een genot, maar ’t kan ook wel eens anders zijn. Dikwijls had ik op deze laatste tochten het oog op een eenvoudig echtpaar, blijkens hun dialekt uit Holstein afkomstig, en die maar niet vrij konden geraken van een heer, reizende met drie kinderen, een aankomenden jongen en meisje, beiden in de vlegeljaren, en een jonger meisje, dat de rol vanenfant terriblevervulde. Het was een Semitisch veehandelaar uit Posen, een zeer luidruchtig heer. Hij had stellig het voornemen opgevat, zich op reis eens bijzonder netjes voor te doen, en droeg daarom van den morgen tot den avond een laag uitgesneden vest en een smoking. Mijne duitsche vrienden waren doodsbang om met hem in aanraking te komen. De Noren hadden altijd plezier in hem, en wisten hem door allerlei leuke zetten dikwijls tot nog grooter luidruchtigheid te prikkelen. Eens verzekerden zij hem, dat al waren zijne manieren onberispelijk, en al was zijn uiterlijk zóó, dat men hem ook in Noorwegen, waar weinig zijner stamgenooten voorkomen, niet licht zou onderkennen, niettemin zijn dieët hem moest verraden. Dat was aan geen doove gezegd! Een der volgende dagen op eene stoomboot, ging de fröken, zooals daar gebruikelijk is, rond om te vragen of men wat gebruikenwilde, en onze man uit Posen bestelde heel kalm voor zich en zijne kinderen broodjes, maar riep toen de fröken met verheffing van stem na: “maar alles met ham”! Deze ongelukkige manifestatie had tengevolge, dat ieder die misschien nog twijfelde, nu overtuigd was. Al de reizigers keken elkander glimlachend aan.
Het bovendeel van den Skjervetfoss.Het bovendeel van den Skjervetfoss.
Het bovendeel van den Skjervetfoss.
Des avonds in de veranda ontwikkelde zich in het clubje een eenigszins dieper gaand gesprek over de reis. ’t Was vooral naar aanleiding van de belangstellende vragen der Noren, en curieus was het, dat de duitsche vrienden geheel mijne opvatting deelden. We hadden prachtige natuurtafereelen gezien; dat zij wat ver en dikwijls wat heel ver uit elkaar lagen was niet prettig, maar alléén aan de groote uitgestrektheid van het land te wijten. Somber vonden wij het geen van allen; en dat in tegenstelling met de litteratuur, ook in Duitschland, over het reizen in Noorwegen, dat meestal als somber, als melancholiek afgeschilderd wordt! Dat niet, wij hadden altijd zonnig weêr gehad, en men mag dan al eens bij het rondvaren op de fjorden stilstaan bij de bergvorming en haar statig noemen, somber vonden wij het nooit. Maar we vonden iets anders. Wij vonden over ’t algemeen gesproken de lijnen van het landschap op de hoogvlakten en fjorden, die wij bezochten, eentonig. Ze waren allen dezelfden, en de coulissenvormige voorsprong, dien de eene rots op de andere had, was op de fjorden bijna altijd van dezelfde afmetingen. Op de hoogvlakten, waar in den grauwen voortijd niets dan ijs was, heeft het verplaatsen en kruien van het ijs, de rotsen glad geslepen en afgerond, en daardoor zijn de omtrekken eenvormig geworden. Dat alles geeft aan het landschap iets eentonigs en kan misschien voor reizigers, die het land met regenweêr doorkruisten tot somberheid geworden zijn. Deze Noren, die ook veel in het buitenland gereisd hadden spraken onze eenstemmige beweringen niet tegen, integendeel zij erkenden dat het noorsche landschap de bekoorlijkheid miste, die de zwitsersche Alpengroepen ontleenden aan de grootere afwisseling in de lijnen, ook veroorzaakt door meer verschil in geologische vormingen. Daarentegen waren de Duitschers het ook weder met mij eens, dat van de bescheidenheid en zachtheid van de bewoners niet genoeg goeds gezegd kan worden; opgemerkt werd daarbij hoe zij bij alle terughoudendheid toch zeer opgewekt waren, en overvloeiden van schalksche opmerkingen, die nooit nalieten sterk op de lachspieren te werken.
Het had des nachts hard geregend; we hadden den vorigen dag ook eene korte maar krachtige donderbui gehad, de stof was weg en een heerlijk zonnetje scheen; ik was vroeg op, vergenoegde mij met een koud ontbijt, verzocht mijn koetsier later te vertrekken en mij op te wachten in het hotel Börte, want ik had besloten nog eene flinke wandeling te maken. En het werd niet alleen een flinke, maar zelfs een prachtige. Spoedig na het verlaten van het hotel draaide de weg en naderden wij een prachtig meer, het Grungedalsvand. De hellingen der bergen aan weêrszijden waren met berken begroeid; van tijd tot tijd schitterden de zilveren stammen door het groen heen, als de zon er juist langs gleed; de kammen der bergen waren met donkere pijnbosschen getooid. Het was matig warm en bladstil, en de gladde watervlakte weêrspiegelde alles helder en klaar. Aan de overzijde was de oever steiler, aan de zijde van den straatweg waren de hellingen zeer flauw; dichter bij het meerprachtig groene weiden. Hier en daar, waar de weg naar het meer toekronkelde eene visschershut; visschers op het kalme water met hunne netten doende; van tijd tot tijd bij het ophalen de mooie forellen, tusschen de mazen der netten te vergeefs worstelend en spartelend om de vrijheid te herwinnen. Hoogerop aan mijne zijde goed bebouwde akkers; gerst en aardappelen waren de vruchten; ook enkele kleine maar zeer welvarende hoeven. Ik kwam niet vooruit, elk oogenblik stond ik stil, om het prachtige landschap nog nauwkeuriger op te nemen. ’t Was een bijna ongestoord genot; bijna, want ik liep op een ouden noorschen weg, voortdurend elke glooiing in het terrein volgend: eene onafzienbaren reeks van bulten, die mij, zoolang ik niet telkens op een top kwam, alle uitzicht voor mij uit benamen. De oude geelbruine kerk van Grungedal voorbij, een draai in den weg en over eene brug, dan nog een blik over het Grungedalvand in zijne gansche heerlijke lengte en het Grungedalsbro-hotel noodigt mij tot rusten uit. Een klein hotel, maar vroolijk en aangenaam gelegen; als ik niet verder moest, zoude ik hier willen overnachten. Nog altijd blijft de weg hobbelend, en hoewel het landschap zeer mooi blijft, vermoeit toch dat aanhoudend klimmen en dalen, en ben ik ten slotte blijde aan een driesprong te komen, waar eene landhandleri staat, en een nieuwe beter aangelegde weg naar Börte afdraait.
De Buarbrae van af het Sandvenvand.De Buarbrae van af het Sandvenvand.
De Buarbrae van af het Sandvenvand.
Eene landhandleri is een winkel ten platten lande, waar alles en nog wat te krijgen is; een voorbijganger kon mij geene goede verklaring van het woord geven; de slotsom van zijne omschrijving was altijd “eene landhandleri, wel, dat is eene landhandleri”! Eenvoudig naar binnen gaan, naar iets onmogelijks vragen, en onderwijl rondkijken, ziedaar de oplossing. Juffrouw hebt u wat engelsche pleister voor mij? ’s Morgens had ik een vinger gekneusd. En ik had nauwelijks tijd om rond te kijken en te zien, dat er koloniale waren, veevoeder, eenvoudige ellegoederen, kramerijen en licht landbouwgereedschap te koop was, toen de juffrouw, na eenige laadjes open en dicht gedaan te hebben, weer bij mij kwam en zeide: “als ’t u blieft, mijnheer.” Het was hetzelfde gevouwen papiertje waarin men jaren geleden, en misschien nog, ook thuis zijne engelsche pleister kocht! “60 öre mijnheer”.
De weg gaat nu weêr langzaam omhoog; van tijd tot tijd fraaie berggezichten, maar meestal dichte bosschen, tot men op de Bortheia (hoogte van Borten) gekomen is en een mooi uitzicht krijgt op het Bortevand, een lang en smal meer. Nu door weiden en akkers omlaag; eenige hoeven tot een gehucht bijeen gebouwd; hier en daar reeksen van akkers, en dan het hotel juist aan ’t begin van het Bortevand. Een verrukkelijke omgeving!