He, wat zouden wij graag dat prachtige koperwerk willen zien, wij zagen zoo weinig nog maar, en dan nog wel niets bijzonders, op dat gebied.
Wat deed ons 't enthousiasme van 't Europeesch publiek voor den arbeid en de kunst van ons volk innig, innig goed! Wij zijn zoo gaarne trotsch op ons volk, zoo weinig gekend, en zooveel miskend!
Wij waren zoo kalm en gerust toen wij den heer Van Kol spraken; 't was of wij een ouden vertrouwden vriend voor onshadden en vergaten geheel, dat hij was een wildvreemde. Hij was ook zoo eenvoudig, zoo vriendelijk, zoo vaderlijk voor ons; dàt was het, dat onze harten met vol vertrouwen voor hem deed ontsluiten. Hij maakte 't ons zoo gemakkelijk, en kwam ons zoo hartelijk tegemoet. Wij hoefden niet veel te zeggen; hij begreep ons dadelijk en zoo goed!
Voor 't eerst weer, na langen, langen tijd verstomd te zijn geweest, zong 't vogeltje in onze borst jubelend liederen.
Dat waren weelde-uren, die wij met hem samen doorbrachten.
Hoe u die zielsverrukking te beschrijven, wanneer wij in een ander volle sympathie vinden voor hetgeen in ons oog mooi is, vooral wanneer dat mooi een kind is van ons eigen diep denken en voelen!
Ik dacht weer aan zekere dagen in 't najaar van 1900. Hoe had mijn vogeltje toen ook gejubeld heerlijke, schoone liederen, van weelde, geluk en dankbaarheid! Er kunnen toch ontzaglijk mooie oogenblikken in 't leven zijn! En de herinnering aan zulk een oogenblik is een schat voor 't leven; zij is een licht in donkere dagen, is een lafenis voor de ziel, wanneer zij door melancholie bevangen wordt.
't Was toch zoo innig aardig van den heer Van Kol om hier te komen, die vermoeiende reis naar ons uithoekje te maken, ter wille van hem geheel vreemde menschen. Hij vaarde niet dadelijk met ons in hetzelfde schuitje, o neen![2]
We willen van onze leerlingen volstrekt geen halve Europeanen maken, of Europeesche Javanen. Met de vrije opvoeding beoogen wij, vóór alles om van de Javanen, èchte Javanen te maken, Javanen,bezieldmetliefdeengeestdriftvoor hun land en volk, met eenopen oogenhartvoor hunne schoonheden en—nooden! Wij willen ze geven 't mooie der Europeesche beschaving, niet om hun eigen mooi te verdringen of te vervangen, maar om 't teveredelen.
Door kruising van planten en dieren van verschillende soorten verkrijgt men veredelde plant- en diersoorten. Zal 't niet even zoo gaan met de zeden der volkeren? Wanneer het goede van het eene gemengd werd met dat van een ander, zou daaruit niet veredelde zede voortspruiten?
Nu 't antwoord, "waarom 't absoluut Holland moet zijn", eene vraag verleden door u gedaan.
R. omdat voor een van beide gekozen vakken zij slechts in Holland kan worden opgeleid.
En ik, wat heb ik aan te voeren? ik kan hier even goed klaar komen als in Holland. Zeer zeker, maar wanneer ik in Holland mijne opleiding ontving, zou ik niet beter berekend kunnen zijn voor mijne taak als onderwijzeres en opvoedster? Mijn gezichtskring zou verruimd worden, mijn geest verrijkt, en dit alles zou ongetwijfeld ten goede komen aan de vervulling van mijn taak.
Europa zal mij zooveel leeren en geven, dat mijn eigen land mij niet geven en leeren kan.
Behalve de gewone vakken van 't lager onderwijs en handwerken, zou ik o zoo graag op onze school (!!!) nog één vak onderwezen zien: de kennis van ons lichaam, zijn in- en uitwendigen bouw plus den dienst, die elk onderdeel van 't menschelijk organisme te verrichten heeft voor de instandhouding van 't leven en de gezondheid. Vele ongelukken waren niet gebeurd of dan tot een minimum teruggebracht, indien die nuttige kennis 't eigendom van velen ware! Om maar iets te noemen, onlangs werd een meisje door den tram overreden. Zij werd naar de kotta getransporteerd om onder geneeskundige behandeling te worden gesteld; zij kwam er aan als lijk; 't arme kind was gewoon doodgebloed, omdat noch de politie, noch 't trampersoneel, eenig verstand had van 't samenstel der aderen, evenmin van verbinden. Die kennis van gezondheidsleer, ziekenleer en verbandleer moeten tot onze opvoeding behooren, vind ik. Eens in zijn leven moèt de mensch, inzonderheid de vrouw, voor een ziekbed staan, van dierbaren, of van vreemden; ellendig is 't dan met onze handen verkeerd te staan, wat onvermijdelijk is, als men niets geen kennis bezit op dat gebied. Die ellende heb ik diep gevoeld, toen ik een mijner dierbaren doodziek zag liggen.
Die kennis wil ik mij verwerven en ze op onze school onderwijzen; dat kan ik in Holland gemakkelijk, waar alles bij de hand is.
En waarom, nog meer, wij een tijdelijk verblijf in Europa wenschelijk voor ons achten, 't is om er ons te zuiveren van hinderlijke invloeden onzer Inlandsche opvoeding, waaraan wij niet ontsnapt zijn, helaas!
Wildvreemde Europeanen, al was 't een bataljon, beweert zusR., te ontmoeten, vinden wij niets; voor één vreemden Javaan kruipen we schuw in onze schulp.
Zoo is 't met meer dingen.
Wij willen ons geheel losmaken van de knellende banden onzer ingewortelde gebruiken, aan welker invloed wij niet hebben kunnen ontkomen; alle vooroordeel, dat ons nog aankleeft en remmend werkt, van ons afwerpen, opdat onze geest frisch en vrij, des te breeder zijn vleugels zou kunnen uitslaan, dat ten goede moet en zal komen van 't werk, dat wij willen ondernemen.
Daarvoor moeten wij in een geheel andere omgeving komen, in een ander land, met heel andere zeden, gebruiken, gewoonten en toestanden. Wij verwachten van Europa, dat het ons beter zal voorbereiden, toerusten voor 't werk, dat wij willen verrichten; dat 't ons stalen, ompantseren zal, voor menige giftige pijl, die zeker vele landgenooten op ons zullen afschieten, omdat wij anders durven zijn dan zij.
Europa zal ons leeren inderdaadvrij zijn!
Heb ik 't "waarom" goed uitgelegd? Ik hoop, dat u mij begrepen heeft.
En—kunt u met me medegaan?
Er is nog meer, waarom wij een tijdelijk verblijf in Europa voor ons wenschen, doch bovenstaande is u, hoop ik, genoeg.
[1]Deze tentoonstelling werd te Batavia gehouden om de aandacht te vestigen op de Inlandsche kunstnijverheid en kunst, welker bestaan door de meesten ontkend werd.
[1]Deze tentoonstelling werd te Batavia gehouden om de aandacht te vestigen op de Inlandsche kunstnijverheid en kunst, welker bestaan door de meesten ontkend werd.
[2]Het hier volgend overzicht van het gesprek is reeds opgenomen op blz.193e.v.
[2]Het hier volgend overzicht van het gesprek is reeds opgenomen op blz.193e.v.
17 Juni 1902. (V.)
'k Las zoo pas in de krant, dat eenige Chineesche meisjes het verzoek gedaan hadden, mede aan 't onderwijzeresexamen te mogen deelnemen! Hoera!, voor den vooruitgang! Ik was er toch zoo in mijn hum over! De Chineezen zijn heel streng, wat betreft de handhaving der oude tradities; nu zien wij maar, dat de strengste en oudste traditie toch verbreekbaar is! Dat geeft mij moed en hoop!
Wat verlang ik die dappere Chineezinnetjes te kennen! Ik zou zoo gaarne hare gedachten, ideeën, en gevoelens willen kennen, haar "ziel"!
Ik heb steeds verlangd naar een Chineesch vriendinnetje! Ik zou zoo graag het zieleleven van zoo'n Chineezinnetje willen kennen! Veel poëzie zal er zeker in zijn! Hebt ge wel eens een Chineesche bruiloft bijgewoond?
Ik eens, en zal dat zeker nooit vergeten! Ook de Chineezen gedenken in vreugde en droefheid hunne afgestorvenen.
Op Semarang heeft een Chineesche millionnair een prachtigen Chineeschen tuin aangelegd. Hij ligt op een heuvel, en is o, zoo mooi! Kunstmatige rotsen, grotten, heuveltjes, begroeid met varens, bloemen en miniatuur-vruchtboompjes worden afgewisseld door parkjes en slingerpaadjes.
Er staat een mooie koepel te midden van een veelhoekigen vijver, waarin goerami's en goudvisschen rondzwemmen; er naast staat een heuvel, waarin een grot is, met een badkamertje; door een wenteltrap, die door die grot loopt, komt men boven op 't heuveltje, waarop twee miniatuur-tempeltjes staan, vruchtboompjes en allerhande bloemen groeien en bloeien. 't Is een werkelijkheid geworden sprookje; alleen de kaboutermannetjes en zilverschitterende elfjes moeten nog uit de rotsspleten en holen te voorschijn komen om de sproke te volmaken.
De gedachte is éénpoëzieen de uitvoeringkunst! Maar wáár is dekunstzonderpoëzie? Al wat goed, wat hoog, wat heilig is, in één woord al watschoonis in 't leven, is poëzie!
Wij hebben den Chinees gezien, die dat moois schiep. Een doodgewone, sjofele baba! Beelden van pleisterwerk, menschen-draken, tijgers, staan op 't gras verspreid, die ook waren de scheppingen van dien Chinees.
't Is jammer, dat men op de poort, die toegang verleent tot dien sprookjestuin, twee beelden van Europeesche afkomst heeft geplaatst; dat verstoort de harmonie.
Zijt ge ook op Batavia geweest, om de Tentoonstelling te zien? Ja, zeker! En wat zegt gij nu wel van 't bruine ras? Wat zegt ge van zijne kunstuiting?
O! ik ben zoo gaarne trotsch op mijn volk. Het kan toch wèl wat! Maar gij, Hollanders moet hen leiden! En dat wilt gij, niet waar?
Wij zijn met kinderen te vergelijken, en gij zijt onze beschermers. Aan u om ons te leiden, te vormen tot mannen en vrouwen!
Ik geloof, dat gij géén ondankbare pupillen en leerlingen zult hebben!
21 Juni 1902. (VI.)[1]
Raden Adjeng Kartini, dochter van Raden Mas Adipati Ario Sosroningrat, Regent van Japara, 23 jaar oud, geboren op Majong, Afdeeling Japara, op 21 April 1879, zou gaarne voor hetonderwijs(hulp-enhoofdacte) willen opgeleid worden, en die opleiding inNederlandontvangen. Dit laatste, eerstens om den blik te verruimen, den geesteshorizont te verwijden, vooroordeelen, die haar nog aankleven en belemmerend werken, af te werpen, verschillende inrichtingen van onderwijs en opvoeding aldaar te bezoeken om zich op de hoogte te stellen van de wijze van opvoeding en onderwijs in Nederland; dit alles ten einde des te beter de taak te kunnen vervullen, die zij zoo gaarne op zich wilde nemen.
Tweedens, om er cursussen in gezondheidsleer, zieken- en verbandleer, zoomede eerste hulp bij ongelukken, te volgen, ten einde deze hoogst nuttige en noodige kennis aan de Javaansche vrouwen te kunnen leeren.
Het hoofddoel is: het mooie der Nederlandsche beschaving te geven aan ons volk, ten einde zijne zeden te veredelen; dàt volkte brengen tot hooger zedelijk standpunt, als middel om tot betere, gelukkiger maatschappelijke toestanden te komen. Het middel, dat wij daartoe wenschten aan te wenden is: oprichting van scholen voor Javaansche meisjes. Voorloopig als proef en voorbeeld, een school,internaat, voor dochters van Inlandsche hoofden; het doel hiermee beoogd is: Java beschaafde, ontwikkelde moeders te geven, die hare beschaving en ontwikkeling op hare kinderen zullen voortplanten; hare dochters, die weder moeders zullen zijn; haar zoons, die eenmaal geroepen zullen zijn, mede te waken over het wel en wee van 't volk!
Zoo zullen dan de moeders een groote factor zijn tot het krachtig verbreiden der Nederlandsche beschaving onder het Javaansche volk.
Mijn verzoek is, of de Regeering genegen is, mij haar steun te verleenen om bovenstaande ideeën tot werkelijkheid te brengen; nu, om de kosten der geheele opleiding (overtocht heen en terug, studie, verblijf, etc.) op zich te nemen; en later bij de beëindiging mijner studiën, mij in staat te stellen een internaat te openen voor dochters van Inlandsche hoofden.
Gaarne zouden wij willen vernemen, wat wij in deze te doen hebben. Moet er een verzoekschrift worden ingediend? Heerlijk zou 't zijn, als dat niet hoefde; maar zoo 't moet, wie moet 't doen. Vader of wij? En aan wie? den Gouverneur-Generaal of de Tweede Kamer? U dragen wij met vol vertrouwen onze belangen op. Wij weten, wijvoelenhet, dat onze zaak in u een grooten steun en warmen verdediger heeft gevonden; dat u er alles voor zal doen, wat u kan, om haar tot een goed einde te brengen; en dat zoo u ons een weg aanwijst, die de beste zal zijn, welken wij te volgen hebben, omdat het ookuw doel, uw illusieis: het volk van Java gelukkig te maken!
Vanonze oudershebben wij detoestemminggekregen om ons leven te wijden aan de verwezenlijking onzer ideeën voor ons volk. Gemakkelijk was 't hun niet afgegaan ons die te geven; 't viel hun hard en zwaar ons, hun kinderen, 't dierbaarste wat hun op aarde is, af te staan aan een leven, dat wèl aan 't Schoone is gewijd, maar dat vòl moeiten zal zijn, omdat dàt nu eenmaal het lot is aller baanbrekers, op welk gebied en ten welken tijde ook.
Maar toen zij zagen, hoe ernstig en oprecht ons willen is, hoeons geluksamengeweven is metons ideaal, toen weigerdenzij niet langer, en spraken dat woord uit, dat aan ons leven en streven hoogere beteekenis gaf.
Dooronze beminde Ouderszijn we gewijd aan het heil van ons volk!—hun zegenrust op ons streven!
't Zou ontzettend hard voor ons zijn, ons leven breken, indien wij zònder dàt moesten doen; wij hebben onze Ouders zoo zielslief! Maar wij zouden nooit vrede met ons zelf hebben kunnen vinden, indien wij, toegevende aan onze kinderliefde, die krachtige roepstem in ons binnenste smoorden, die ons oproept tot arbeid en strijd, tot werken voor de Gemeenschap, voor het eeuwige doel van het Leven, dat Volmaking heet!
Daarom zijn we onze Ouders zoo innig dankbaar, dat zij ons hunne toestemming gaven.
[1]Deze brief aan den Heer Van Kol houdt in de formuleering van hetgeen de schrijfster zich voor oogen stelde.
[1]Deze brief aan den Heer Van Kol houdt in de formuleering van hetgeen de schrijfster zich voor oogen stelde.
12 Juli 1902. (II.)
Vader en Moeder hebbenbeiden hunne volle toestemminggegeven.
Wij hadden stormen verwacht, bliksemschichten en donderslagen. O! ik kan er mij nog niet goed indenken! Dat Vader zou toestaan, dàt konden wij verwachten; maar dat Mama er zich bij neerleggen zou, dat hadden wij nièt durven droomen! Wij zijnnietvan elkaar vervreemd, nu het tot een verklaring is gekomen tusschen Mama en ons; o God, wie had 't gedroomd, dat wij elkaar juist er door nader zouden komen!
Eindelijk kwam 't tot eene verklaring. Waar ik die kalmte van daan haalde, toen Mama met ons sprak, vanwaar dat kalme, bedaarde betoog, ik weet het niet. Ik had niet eerst overdacht wàt ik zeggen zou; ik kòn niet denken, ik had te veel aan 't hoofd. Maar toen 't op spreken aankwam, kwamen de juiste woorden me als van zelf over de lippen. Wie had het gedaan, mij die woorden in den mond gelegd? wie? wie?
Er is een Macht, hooger, grooter, dan al de aardsche tezamen. Goede geesten hadden ons stellig omzweefd en ons die woorden in den mond gelegd, toen wij daar opkwamen voor ons geweten, onze ideeën, ons ideaal! Nog hoor ik Mama diepbedroefd zeggen: O, kind, waarom heb je mij niet vertrouwd? Wij hebbenschuld beledenenallesMama verteld. Arme, lieve Moeder! wij zijn niet waard, om die lieve, trouwe ziel de voeten te kussen.
Kon ik u maar zeggen, wat Mama voor ons is geweest al die lange jaren; wat zij nu nòg is voor ons. Nu eerst beseffen wij ten volle, wat een schuld wij aan haar hebben, eene wereld vol liefde en dankbaarheid! 't Stemt ons zóó dankbaar, dat wij in vrede van Mama zullen gaan, in den dienst van 't Goede, dat Mama nukentenerkent. Wij zijn thans niet meer uitgelaten in onze vreugde, als vroeger, ja, als kort geleden nog; wij zijn nu stil, innig dankbaar!
En nu Vader; ik had mij op 't ergste voorbereid, toen ik naar hem ging, om zijne toestemming te vragen. O! waar ik die kalmte, die bedaardheid vandaan had, toen ik sprak, ik weet het niet! Mijzelf klonk mijne kalme, bedaarde stem vreemd in de ooren; ik, buskruit, nu zóó kalm en bedaard! Ik was onbewogen, maar toen dàt woord was uitgesproken, waarom ik kwam, en ik zag hoèveel dàt mijn lieven Vader kostte, smolt weg de ijskorst van mijn hart. O! zoo graag had ik mijn armen om hem heen geslagen, hem woorden van troost gezegd, maar mijne spieren en mijne stem weigerden nog hun dienst. Ik zat voor hem op den grond en keek hem aan, aldoor, aldoor, met een nevel voor mijne oogen! Diep voelde ik zijn smart, ik leed met hem. O! ik zou hem wel alles weer willen teruggeven!
In mijn hart rees de bede op: "Vader, vergeef me! O! mijn Vader, vergeef uw kind, zij kòn niet anders!"
't Was den21sten Juni; ik koos juistdiendag,uwgeboortedag, voor dien zwaren gang naar Vader, omdat ik U, mijn Moedertje, bij me wilde hebben in deze moeilijke oogenblikken. Goede geesten omzweefden me; mijn Hemelsche Vader stond mij bij in mijn strijd tegen mijn aardschen. Toen ik weer alleen was na dien, en had wat ik wenschte, was er géén jubel in mijn hart. 't was vol van medelijden, meevoelen met het leed van mijn dierbaren beminde. Hèm waren mijne tranen gewijd, niet der vreugde of den dank. Uit 't diepst mijner ziel steeg de bede op: "O! mogen uit 't groote offer mijner Ouders bloemen bloeien en vruchten groeien voor ons land en volk!"
Nog dienzelfden dag,21 Juni, schreven wij den heer Van Kol naar Batavia, op zijn verzoek. Die brieven bevatten eene opgave onzer namen, leeftijd, ideeën en verlangen.
Wat wij behoefden was slechts devaderlijke toestemming, zonder deze konden zij niets voor ons doen.
Nu is dit beletsel weggevallen; de rotsblok, die onzen weg versperde is weggekanteld. Nu staan we voor een tweede, d.i. 't financieele. Onze Ouders kunnen onmogelijk onze opleiding bekostigen en dat willen wij ook volstrekt niet van hen vergen.
Eergisteren kreeg ik een langen en zeer ernstigen brief van mevrouw Van Kol. Als ik hem niet nog noodig had, of het niet te veel gevergd zou zijn van mijn abnormale vingers, hem over te schrijven, dan had ik hem o zoo naar u gestuurd om hem met u te bespreken. Nu zal ik me maar bepalen tot het aanvoeren van enkele punten daarin: de globale indruk, dien we ervan kregen, is, dat wij er zoo dankbaar voor zijn! Zij heeft ons meer gegeven dan zedelijken steun; zij heeft ons iets van haar zelf gegeven, iets heel innigs, dat leeft in haar hart en hare ziel!
Er is een Licht tot ons doorgedrongen, een hoog, heilig Licht. 't Is of wij eene wijding hebben ontvangen! Wij hebben géén angst, géén vrees meer; wij zijngerust, wijvertrouwen, wijgeloven! O! wat zijn we nog laag, o zoo laag bij den grond! O! dat wij 't eens zoover brengen mogen, datwij niet meer onszelven leven, maar den geest in ons. Geen jubelend, opbruisend geluk vervult ons, maar stille, dankbare vreugde! O! God, wij zijn zoo dankbaar, zoo dankbaar, dat wijgevondenhebben; door véél twijfel, ongeloof en materie zijn wij er gekomen. Ik kan u ons beider zieletoestand niet beschrijven, die laat zich niet beschrijven; dien moet menvoelen.
Wat ik u wel kan zeggen is, dat wij er zoo dankbaar gelukkig meê zijn, dat ons leven er mooier door is geworden, en ons streven een hoogere betekenis heeft gekregen.
Wij hebben zooveel, zooveel nagedacht in den laatsten tijd. Wij zochten zoo ver, zoo ver het Licht, en 't was zóó nabij, steeds bij ons,het is in ons!
Wij voelen ons nu zooveel sterker, en zien de dingen onder een heel ander licht. 't Was al lang aan 't werken en groeien in onze ziel, wij wisten 't niet; en Mevrouw Van Kol heeft 't gordijn voor onze oogen weggeschoven. O! daar zijn we haar zoo innig dankbaar voor, dankbaarder nog dan voor al 't andere, dat zij voor ons deed en doen zal.
Vóór ik haar brief ontving, vroeg Ma me: "Wie heeft jou op die ideeën gebracht?" en toen reeds antwoordde ik: "God heeft ze ons ingegeven".
Natuurlijk dat Ma gepoogd had ons terug te houden van ons voornemen, maar toen zij zag, dat wij ons niet lieten weerhouden, zeide zij met berusting: "Welnu kinderen, ik zal denken en gelooven, dat dàt julliebestemmingis; datGodjullie tot dat leven heeftbestemd."
Mevrouw Van Kol schreef ons: "Er zijn dingen, waarvoor we de menschen en hun steun noodig hebben, maar er zijn nog veel meer dingen, waarin wij God alléén kunnen gebruiken. Hij is 't, die, iemand tot een taak geroepen hebbend, hem daartoe deinnerlijkekracht en volharding geeft. Geloof mij, 't is de taal der innerlijke ervaring. U staat nog vóór 't leven en vóór uwe taak. Als u er eenmaal midden in zijt, zult u ervaren: "dan pas zijn wij vrij en sterk en de rechte menschenvrienden en helpers, als wij onzen steun niet uitsluitend of in de eerste plaats zoeken bij de menschen, maar bijons zelfen bijVader—God. Het stoffelijke moet er óók zijn, umoetgeholpen worden, hoe dan ook. Niet iederen dag bieden zich op de groote levensmarkt zulke frissche en reine krachten aan voor zulk goed werk. Die moeten aangenomen, en in goeden zin geexploiteerd worden. Als de Regeering niet helpt, dan moet de Vereeniging "Oost en West" het doen".
Ongevraagdzeide "Oost en West" ons hare hulp en medewerking toe. Mevrouw Van Kol zond ons de krant, waarin dit stond. De reisbeschrijving van den heer Stoll was er in opgenomen, en aan 't slot, waarin de schrijver 't over ons had, schreef "Oost en West": "Wij vertrouwen, dat de heer Van Kol, die van de oprichting af, lid is van "Oost en West", niet vergeten zal hebben haar te zeggen, dat zij bij haar edel streven ook ten volle rekenen kan op de hulp en steun onzer vereeniging."
Mevrouw Van Kol heeft naar aanleiding van het stukje, een paar woordjes ingezonden, waarin zij vertelde, hoe zij over ons dacht, naar aanleiding van onzen brief, zóó voor ons den weg banend tot 't hart van 't Javanenlievend publiek dat "Oost en West" leest.
Zij vroeg me de toestemming mijn brief in zijn geheel te mogen publiceeren in dat blad.
Ik vind 't erg naar, maar 't is inons belang. "Uit niets"schreef ze verder, "kan dat vriendenpubliek uw hart zóó goed leeren kennen en uw streven zóó waardeeren, als uit dien eenvoudigen brief, waarin de jeugdige Javaansche haar gemoed zonder voorbehoud uitstort voor eene oudere vrouw, van wie zij steun en sympathie verwacht. Er is niet één woord in dien brief, dat 't publiek niet zou mogen lezen; en werkelijk, ik weet geen beter middel om u in te leiden bij dezen kring, die 't wel meent met Java en den Javaan. Overwin uw schroom, dien ik wel begrijp en zeg, ja!"
Ik heb hieromtrent nog geen besluit genomen; ik zou eerst Vaders toestemming daartoe moeten hebben. Vader heeft juist gevraagd om de zaak zooveel mogelijk geheim te houden; als de Regeering "ja" zegt, dan mag de wereld er van hooren. Zeer waar is 't, dat wij zeer voorzichtig onzen weg moeten kiezen, maar de ondervinding van den laatsten tijd heeft ons geleerd, dat met publiciteit wij meer winnen dan met geheimzinnigheid. Als 't publiek was, wat nu 't geval is, en de Regeering weigerde, dan nog zouden wij er niets mee verliezen. Hoevele verzoeken zijn niet geketst geworden?
Dat is 't niet, waarvoor ik aarzel ja te zeggen; ook niet, omdat ik 't vreeselijk naar zou vinden, om mijn innigste gedachten voor de wereld bloot te leggen. Mijn eigen gevoelens cijfer ik geheel weg; ik houd 't oog uitsluitend gericht op onzezaak! Ik roerde in mijn schrijven een punt aan, dat onze landslieden zekernietaangenaam zal zijn: n.l. de huwelijkskwestie. Men zal er mij om verguizen misschien; mij persoonlijk zal 't niets deren, maar wel de zaak. Zal men mij later, als ik onderwijzeres zal zijn geworden, zijne kinderen ter opvoeding willen toevertrouwen, als men weet, waartegen wij ten strijde trekken? Of is 't beter om met open vizier te strijden—wij willen de Waarheid dienen—en nú reeds kleur bekennen? 't Is altijd mijn idee geweest om over dat onderwerp te schrijven, maar daarmee wilde ik wachten, tot ik mijne zelfstandigheid bevochten heb.
Onze ideeën zullen wellicht met sympathie begroet worden in Europeesche kringen; en enkele daarvan, waar wij 't over opvoeding en onderwijs hebben, misschien ook in de Javaansche wereld; maar hoe de ideeën, die op bijgaande zijdjes staan geschreven, ontvangen zullen worden, door 't publiek, voor 't welk wij bereid zijn zooveel ten offer te brengen?—ik weet 't niet!
Wat dunkt u? Geef u mij hieromtrent raad? Met Mama zal ik er ook over spreken.
15 Juli 1902. (VIII.)
Zusje R. heeft u reeds de blijde tijding gemeld, nietwaar, dat onze Ouders onshunne volle toestemminggaven?
't Ongelooflijkste, 't nooit verwachte is dan gebeurd: Mama heeft niet alleenvredemet onze plannen en ideeën, maar droomt nu zelfs met ons mee!
De verklaring heeft geen scheuring gebracht tusschen Mama en ons. Integendeel, wij voelen ons nauwer met elkaar verbonden, nu 't tot klaarheid is gekomen, tusschen die lieve, beste Moeder en ons. Wij zijn niet waard, om die lieve, trouwe ziel de voetzolen te kussen. Kon ik u maar zeggen, hoe en wàt zij is voor ons, al die lange jaren, en wat ze nu nog voor ons is.[1]
Neen, wij maken ons volstrektgéén illusies, maar één illusie houden wij; en laat 't ons behouden, liefste; die éénige is, dat door veel, veel leed en smart, wij iets mogen tot stand brengen, al was 't ook nog zoo gering, dat ons volk, en vooral de vrouwen daarvan, ten goede komt. En mocht dit ons niet gegeven zijn, mogen dan ons lijden en strijden slechts dit uitwerken: deaandachtder menigte te vestigen op toestanden, die zoonoodigverbetering behoeven.
En mocht óók dit ons niet gegeven zijn, welnu, wij hebben naar 't goedegestreefd, en wij zijn vast en heilig overtuigd, dat al onze tranen, nu schijnbaar nutteloos gestort, mede hetzaadzullen vormen, waaruit eenmaal genezende bloemen zullen opbloeien voor het nageslacht.
Uw beider boodschap, die Annie ons overbracht, heeft ons opnieuw in tweestrijd gebracht. Zeer, zeer waar is 't wat u beiden zegt—en wij danken er u zeer hartelijk voor—dat al mocht 'tnualles goed gaan als we naar Holland gingen, wij ons moeten bedenken, hoe onze terugkeer zou zijn. Wie zullen wij op Batavia vinden? Zeker, zeer zeker, geen één meer van hen, die nu voor ons streven zijn. Alles zal er veranderd zijn. En wat dan?
Wij zouden ongetwijfeld zonder aarzelen Batavia kiezen, al was 't maar alleen om zóó dicht bij u te zijn—wat wij heerlijkzouden vinden—ware 't niet dat mijn zusje danalleszoumoeten opgeven, wat zij zoo innig gaarne wilde. Bleven wij hier, zij zou voor 't onderwijs moeten studeeren, en daar ziet zij tegen op. En hoe treurig is 't om een taak, als die van onderwijzeres zijn, te moeten vervullen zonder liefde voor 't vak, hebben wij gezien. R. zelf zegt evenwel, "waar jij bent, daar wil ik zijn, en als ik niets anders dan onderwijzeres worden kan, welaan, ik zal trachten naar mijn beste weten, mijn taak goed te vervullen". Maar ik zou 't vreeselijk voor haar vinden, jammer èn voor haarzelf èn voor dezaak, als zij hare plannen moest opgeven. Voor de zaak zou 't eenverlieszijn; een cursus in huishoudkunde en handwerken zal ongetwijfeld een groote attractie zijn voor de Javaansche vrouwen. Van bijnaalleJavaansche moeders toch, is 't een ideaal, dat hare dochters eenmaal uitstekend zullen kunnen koken en handwerken. Hoeweinigenzullen er zijn, die inzicht zouden hebben van de taak, die ik zoo graag op mij nemen wilde, die wàt zullen kunnen gevoelen voor een geestelijke en zedelijke opvoeding.
Er moet ietsaanschouwelijkszijn, iets dat menzien, betastenenmooi vindenkan met 't bloote oog, om onze ondernemingsympathiek, begeerenswaardigte maken voor onze landslieden. Wij dienen wel degelijk rekening te houden met de wenschen en inzichten onzer landgenooten, voor wie we dit alles willen doen. De taak van aanschouwelijke kennis te onderwijzen zou zusje op zich kunnen nemen, en dat wil ze zóó graag.
Ook zouden wij gráág de huishoudkunde hier onderwezen zien, omdat daar vakken in zijn, die wij van groot nut voor onze Javaansche maatschappij achten, als b.v.administratie, gezondheidsleer, verbandleer, e.a. 't Is zoo eeuwig jammer, dat wij niet mondeling dit alles met u kunnen bespreken. Veel moet er zeker van de lijst geschrapt worden, dat is zeker, en kan 't ook niet anders zijn. Wij zijn volstrekt niet zoo verwaand om te denken, dat onze denkbeelden de beste zijn. Dolgraag zouden wij daarom de inzichten van oudere, ervaring- en ondervindingrijke personen willen vernemen, om dan aan hun hand aan 't zoeken en schiften te gaan, om 't beste er uit te pikken. O! dat wij bij u konden zijn, nu wij van onze Ouders de volle toestemming hebben om ons leven te wijden aan 't werk, waartoe wij ons geroepen voelen. Met die toestemming is een grootrotsblok van onzen weg afgewenteld; nu staan wij voor ons tweede: 't financieele en de rest!!
Doch laat ik u nu vertellen, wat ons zóó dankbaar stemt, buiten het reeds gemelde. Dezer dagen kreeg ik van Mevrouw Van Kol een langen, zeer ernstigen en o, zoo innig sympathieken brief, waarin zij ons hare ingenomenheid betuigde met ons streven en daarnaast wees op denernstdaarvan. Neen, zij spiegelt ons geen heerlijkheden voor, zoowel van den weg, dien wij kozen, als van een verblijf in Holland. "Toch zullen de moeielijkheden en de scherpe dorens u niet gespaard blijven", zegt zij, "maar geen kind van God komt er zonder smart en pijn. Die nebben wij noodig om sterk te worden, om uitsluitend te leeren vertrouwen op Hèm en op onszelf."
Mevrouw Van Kol heeft ons méér gegeven dan zedelijken steun; zij heeft ons iets van haar zelf gegeven, iets heel innigs, dat leeft in haar hart en ziel.[2]
Zeker moeten wij zeer voorzichtig zijn, maar de ondervinding der laatste tijden heeft ons geleerd, dat geheimzinnigheid tot niets leidt; wel ons van den wal in de sloot brengt, zou ik zeggen; en dat publicatie ons veel verder brengt. Ik kan mij ook begrijpen, waarom Vader voorloopig geheimhouding wenscht, omdat 't voor hem zoo naar zal zijn, als de Regeering weigert, en 't publiek zich vroolijk om ons zal maken. Daarom heb ik namens hem Mijnheer beleefd een verzoek te doen, of ZEd. niet bewerken wil, dat als Vader vandaag of morgen een request indient, dit niet ruchtbaar wordt en in de krant komt te staan. Als dit bezwaar, 't financieele, uit den weg is geruimd, dan mag de heele wereld weten, wat wij willen en van plan zijn.
Wij streven er zóó naar, om ons boven kleinzielig- en kleingeestigheid te verheffen. Het eerste stormpje van verontwaardiging en spot is al over ons heen gevaren.
[1]Het hierna volgend gesprek van de schrijfster met hare ouders is reeds meegedeeld.
[1]Het hierna volgend gesprek van de schrijfster met hare ouders is reeds meegedeeld.
[2]gewaarwordingen naar aanleiding van den brief van mevrouw Van Kol worden hier weggelaten, omdat zij voorkomen in het aan deze dame gericht schrijven van21Juli 1902.
[2]gewaarwordingen naar aanleiding van den brief van mevrouw Van Kol worden hier weggelaten, omdat zij voorkomen in het aan deze dame gericht schrijven van21Juli 1902.
18 Juli 1902. (II.)
Moeder! wij kunnen geen woorden vinden om onze gevoelens goed te schetsen. Alles lijkt onduidelijk, kindergestamel, het hart voelt zoo rijk, zoo machtig!
O God, ik dank U, zegt aldaar mijn hart, mijn mond, mijn pen, tot ik mij waan werkelijk in de blauwe hemelen te zijn, waar Hij woont aan wien mijn dank is gewijd!
Heb ons lief, steeds heel, heel lief, dat hebben wij zoo noodig—onze weg is zóó moeielijk!
21 Juli 1902. (VII.)
Er kunnen wondermooie oogenblikken in 't leven zijn, die waarin wij ons als 't ware los van de aarde voelen, slechts leven het leven onzer ziel, opgaan in haar jubel, extase,—vooral wanneer zij gevonden heeft, wat zij behoeft, waarnaar zij hongert: het Hoogere! Zulk een oogenblik was het voor ons, toen wij in diepe ontroering uw brief lazen, waaruit zoo'n verfrisschende, versterkende en bovenal zuiverende adem van hoog ziele- en geestesschoon ons tegenwaaide!
Hoe zal ik u die gevoelens beschrijven, die onze zielen beroerden, bij 't lezen uwer gouden woorden, eene hemelsche genade, zooals wij ze noemen!
Meer, véél meer dan zedelijken steun gaf u ons, u heeft ons iets van u zelf gegeven, iets heel moois, heel innigs, dat leeft in uw hart en uwe ziel.
Zoover en zoolang zochten wij, en wij wisten het niet, 't was zóó nabij, steeds bij ons: Het is in ons!
Allah of God, het is voor ons nu geen hollen aanroep meer. Dat woord,—ach, zooveel gedachteloos gebruikt!—heeft thans voor ons een heiligen, gewijden klank. Dank, innig dank, dat u 't gordijn voor onze oogen heeft weggeschoven, ons deed vinden het làng, làng gezochte!
Kon ik maar zeggen, hoe rustig, hoe vredig het thans in ons is; hoe stil, innig gelukkig we zijn; géén angst, géén vrees meer; wij voelen ons zoo veilig, zoo gerust! Er isIemand,die over ons waakt; er isIemandsteeds bij ons, en dieIemandzal onze troost, onze steun, onze veilige toevlucht zijn in ons verder leven; datvoelenwe.
Ja, waarlijk, God woog niemands taak te zwaar. Hij geeft ieder de kracht voor het werk, waartoe Hij hem roept.
Dat wij u beiden gevonden hebben, is een Godsgeschenk, is eene beschikking des Hemels. De Almachtige zond u beiden, beproefde, ervaren strijders voor Zijn heiligen wil, Zijn hoog gebod, dat Liefde heet, tot ons, om ons, jonge, onervaren strijdsters bij te staan, te steunen, onze wankelende schreden te leiden op onzen moeilijken weg.
Dank, o Goestikoe,[1]voor deze genade! Dáárom hebben de Genestet's schoone woorden in "Terugblik" zoo'n wondere bekoring voor ons! Onze zielen hongerden, zochten ... wij wisten niet wàt!...
't Is of wij eene wijding hebben ontvangen, het leven lijkt ons mooier, ons streven heerlijker, en wij zelf voelen ons beter, sterker....
Wij hebben u niet meer kunnen vergeten, sinds wij uwe stem tot ons hoorden spreken. Nog steeds ruischt mij na, als een requiem uw woord: "die niet meer zichzelven leven, maar den geest in hen".
Dat ik de macht van 't woord bezat, voor één enkele minuut maar, om voor u mijne gevoelens, zuiver, getrouw te kunnen afbeelden!
Helaas! die macht heb ik niet, ik zal er over zwijgen.
Aan dàt woord dachten wij, toen wij uw verzoek, omtrent 't publiceeren van mijn brief herlezende, onszelf afvroegen: "Hoe zal 't zijn voor de zaak?" De vriendschappelijke uiting van "Oost en West" doet ons eene welwillende ontvangst van het Europeesche vriendenpubliek verwachten,—maar hoè zal mijn brief ontvangen worden in onze eigen wereld? Mogelijk, dat de voorstellen van onderwijs en opvoeding met sympathie zullen begroet worden door onze landslieden, maar die sympathie zal te niet gedaan worden door de verontwaardiging, die mijne uitlatingen over de huwelijksquaestie stellig zullen verwekken, en wel in de eerste plaats bij de mannen.
Ik neem er geen woord van terug; integendeel, ik heb daarovernog heel veel te zeggen, en 't is steeds mijn stellig voornemen geweest, om daarover eens luide mijne stem te verheffen, omdat alléénpublicatiezou kunnen leiden tot de gewenschte verbetering in toestanden, die verbetering zóó noodig behoeven; maar ik dacht daarmee te wachten tot ik vasten voet zou hebben verkregen op den gekozen weg, ik mijne vrijheid en zelfstandigheid zou hebben bevochten.
Doch 't is beter zoo, dadelijk met open vizier te strijden, bij 't begin af aan der Inlandsche maatschappij te zeggen geheel en al, van welken geest wij zijn.
Maar wie kaatst, moet den bal terug verwachten, nietwaar? En daarom is 't, dat ik u eenig uitstel vraag met het publiceeren van mijn brief. Niet, dat ik één woord wil terugnemen van hetgeen ik gezegd heb over het wreede mannenrecht, dat vrouwen en óók kinderen zoo lijden doet, maar ik wil mij op andere punten wapenen, waarop men mij mogelijk aanvallen zal, en dat de zaak zou kunnen schaden.
In dien brief zeide ik, dat nu hoe langer hoe meer Inlandsche ouders voor hunne dochters eene vrije opvoeding wenschen, en beriep mij op de Gouvernements- en particuliere scholen, die daarvan zouden kunnen getuigen. Dat bovenstaande een feit is, weten we, èn zelf èn door kennissen en anderen; maar wij hebben geen vaste gegevens: cijfers, en die willen we ons verschaffen.
Dan maakte ik melding van een Europeesche school voor dochters van den adel in de Preanger (Manondjaja). Dit heugelijk bericht las ik in "de Echo", maar ik kan dat nummer niet weer vinden, wel een ander waarin staat, dat die Europeesche school voorkinderenvan den Inlandschen adel door de Regeering gesubsidieerd wordt. Daarnaar wil ik informeeren.
Vindt u 't ook niet beter zoo? De gevraagde toestemming om den brief te publiceeren, heeft u, doch wil u met de uitvoering daarvan nog wat wachten, tot ik nader bericht zal hebben gezonden?
Dat men mij persoonlijk hard vallen zal om hetgeen ik zeg van die instelling, zóó gemakkelijk voor den man, maar, o zoo wreed en hard voor de vrouw, isniets; daar ben ik wel op voorbereid, ik verwachtnietsanders. Wij houden slechts opde zaak, uitsluitend daarop, het oog gericht, en wat haar zou kunnen schaden,moetenwij voorkomen, niet waar?
Intusschen het eerste buitje van verontwaardiging en spot,spotvooral, is reeds over ons heengevaren, naar aanleiding van 't artikel van den heer Stoll in "de Locomotief". Maar 't liet ons koud: Wij doen zóó ons best om ons te verheffen boven alles wat klein is, kleinzieligheid, kleingeestigheid e.a.
De spot der menschen deert ons niet, werkelijk!—maar wat ons wèl verdriet deed enheel ergook, was, dat wij onze lieve Ouders zooveel leed moesten doen met ons trouw blijven aan ons ideaal! Maar wij konden en kunnen niet anders.
't Is wel te begrijpen, dat 't hun hard en zwaar valt, ons, hun kinderen, het dierbaarste wat hun op aarde is, af te staan aan een leven, dat wel aan een mooi doel is gewijd, maar datvol moeitenzal zijn, omdat dit nu eenmaal het lot aller baanbrekers is, op welk gebied en ten welken tijde ook. Goddank! Goddank! dat zij nu eindelijk in vrede ons hunne toestemming hebben gegeven, om ons leven te wijden aan de bereiking van ons ideaal.
Hoe dankbaar wij hiervoor zijn, kan ik u niet zeggen! Die toestemming heeft hun en ons zoo ontzettend veel strijd gekost; een heele geschiedenis van worstelen, hopen en wanhopen, strijd, moeite, lijden en smart ligt achter ons! Wij zijn o zoo dankbaar, dat wij in vrede van onze dierbaren zullen gaan; dathun zegenop ons streven rust en ons overal heen vergezellen zal, waar wij gaan in den dienst van hetGoede. 't Zou ontzettendhardzijn voor ons, om zonder dien onzen weg te gaan; 't zou voor immer eene schaduw op ons leven werpen; wij hebben onze ouders zoo zielslief, en wijmoetendien weg gaan; wij zoudennooitvrede met ons zelf hebben kunnen vinden, indien wij, toegevende aan onze kinderliefde, de krachtige roepstem in ons binnenste smoorden, die ons oproept tot arbeid en strijd, tot werken voor de Eeuwigheid!
Ik hoor Moeder nog zeggen: "Welnu kinderen, ik zal gelooven, dat dàt julliebestemmingis, datGod't is, die jullie tot dat leven heeftbestemd". Er klonk zoo'n berusting en weemoed ook in haar stem; dat woord zal ons steeds bijblijven, ten steun en troost op ons pad. En Vader!
Diepvoelde ik zijn smart, en leed met hem.
O! Vader, mijn Vader, kreet mijne ziel, vergeef mij, vergeef uw kind ... zij kon niet anders.
Die strijd, voor ons het zwaarste, is achter ons. Hoe dankbaar wij zijn, kunt u zich voorstellen, vooral nu hun toestemminggeen scheuring heeft gebracht tusschen onze lieven en ons, maar de band tusschen ons juist hechter maakt en nauwer toehaalt.
Dit is een genade Gods!
Wij staan nog voor het leven, maar ons is 't, of wij al een heel leven achter ons hebben, een leven vol innerlijken strijd en lijden. 't Zal boekdeelen vullen, u dat alles te vertellen, maar eens zal u het hooren, hetzij schriftelijk dan wel mondeling.
Als vriendin,onze vriendin, in den volsten zin, de mooiste beteekenis van 't woord, heeft u recht ons geheele leven te kennen, en dat zal u.
Nu ik terugblik op 't verleden, zie ik daar vooral Gods hand, en met groote dankbaarheid erken en gedenk ik, dat in de moeilijkste oogenblikken onze Vader ons niet heeft verlaten.
Wie zond ons te rechtertijd vrienden, toen wij, geheel alleen kampend en worstelend, dreigden onder te gaan in wanhoop? Wie voerde geheel vreemde menschen van hun verre woon hierheen, naar dat vergeten uithoekje, om moed en hoop weder te wekken in wanhopige harten?
Toeval!—néén, géén toeval, 't was een beschikking van God. 't Was God, onze Vader, die hen hier zond, om de jonge, worstelende zielen frissche kracht en moed te geven. Die ontmoeting was een keerpunt in ons leven. Tevoren weifelden wij nog, maar daarna waren wevastbesloten ons ideaal te bereiken, wat 't ons ook kosten moge.
't Leek vroeger zoo mysterieus; thans is 't klaar, helder,
God alleen kent 't wereldraadsel; Zijne hand bestuurt het Al; Hij is het, die wegen ver uiteen, bijeenvoegt ter vorming van nieuwe wegen.
Zoo voerde Hij den weg dier vrienden naar den onze, opdat wij gesterkt door eene ontmoeting, vereeniging met groote, sterke zielen, een nieuwen weg konden banen voor hen, die achter ons staan. Wij kenden elkaar heelemaal niet, en wij wisten niets van hen af. Daar ineens stonden wij voor elkander, en de zielen tot dusver elkaar vreemd, straalden dadelijk groote sympathie voor elkander uit. Enkele uren slechts bleven wij in elkaars gezelschap; toen wij scheidden, wisten wij, dat wij vrienden voor 't leven zouden zijn.
Het wonder was begonnen, en het zette zich voort! Eene maand na die ontmoeting gebeurde iets, dat wij nooit dachten,nooit droomden dat gebeuren zou. U weet, nietwaar, dat uitgaan voor Javaansche jonge meisjes géénadatis, dat zij eigenlijk aldoor achter de muren of bamboezen wanden behooren te zitten, zoolang tot een onbekende "door God voor haar bestemden echtgenoot" haar komt opeischen en meevoeren naar zijne woning.
Zoo kort nog maar kennen wij de wereld of vrijheid, hoe u 't noemen wil, van met den stroom meê te vliegen over ijzeren banen.
Het nooit verwachte gebeurde: wij kwamen op Batavia bij onze nieuwe vrienden.
"'t Is of ik heel Java doorkruisen moet alléén om jullie te vinden, jullie zocht ik, jullie mòest ik vinden. En toen ik jullie gevonden had, was ik zóó voldaan".
Wij waren bestemd om elkaar te ontmoeten, zij, om grooten invloed te oefenen op ons leven.
Vóór hun komst zweefden wij reeds, doch 't was nog zoo duister om ons heen. Onbewust, zonder het te willen, hebben zij eene vaste richting gegeven aan ons nog onbestemd zweven. Daar moesten wij heen, dien weg op naar het Ideaal!
Over godsdienst hoop ik u een volgenden brief uitvoerig te schrijven. Heerlijk, dat u daarover met ons praten wil en wij met u vrijelijk er over mogen spreken. Laat ik u nu slechts dit zeggen ter geruststelling: U kan er zeker van zijn, dat wij steeds zullen blijven wat wij zijn. Vurig hopen we met u, dat 't ons gegeven moge zijn eens onzen godsdienstvorm beminnelijk te maken in de oogen van andersdenkenden.
Steeds hebben wij verstaan en begrepen, dat dekernvan alle godsdiensten is hetGoede, dat alle godsdiensten goed en mooi zijn. Maar o! menschen, wat hebt gij daarvan gemaakt!
Godsdienst is bedoeld als zegen, om een band te vormen tusschen alle schepselen Gods, blank of bruin, van welken stand, sexe, geloof, allen zijn wij kinderen van één Vader, van één God!
Er is geen God dan God! zeggen wij Mohammedanen, en met ons alle geloovigen, monotheïsten; God is de Heer, de Schepper van het Al.
Kinderen van één Vader, broeders en zusters dus, moeten elkander liefhebben, d.i. helpen, steunen. Elkander helpen en steunen, liefhebben, dàt is de grondtoon van alle godsdiensten.
Och, werd 't maar verstaan en nageleefd, de godsdienst zouvoor de menschheid zijn, wat zijne oorspronkelijke, goddelijke bedoeling is: een zegen!
Dàt had ons zoo in 't harnas gejaagd tegen den godsdienst, dat de belijders van de eene leer, die eener andere minachten, haten, ja vervolgen zelfs soms. Doch nu genoeg hierover.
Neen, helaas!—Hollandsch is de eenige Europeesche taal, die wij lezen, wat eengroot verdrietis voor ons. Dolgaarne willen wij de moderne talen leeren; 't is eene groote illusie van ons, om mooie werken van buitenlandsche schrijvers eens te kunnen genieten in 't oorspronkelijke. Er is hier geen gelegenheid geweest om talen te leeren. Nu zouden wij gaarne met het Fransch beginnen, waarin een vriendinnetje van ons, eene onderwijzeres, die uw echtgenoot hier ook ontmoette, ons gaarne helpen wil.
Zijn er geen Hollandsche vertalingen van Lessing's werk, 't welk u bedoelde, en van de levensbeschrijving van Pundita Ramabai? Van deze moedige Indische hebben wij meer gehoord. Ik ging naar school, toen ik voor 't eerst van die dappere hoorde. O! ik weet het nog zoo goed; ik was nog heel jong, een kind van 10 of 11 jaar, toen ik gloeiend van geestdrift in de krant van haar las. Ik beefde van opgewondenheid: dus niet alleen voor de blanke vrouw is 't mogelijk zich een zelfstandig bestaan te veroveren!—óók de bruine Indische vrouw kan zich vrij, onafhankelijk maken.
Dagen lang dacht ik aan haar, en nooit heb ik haar kunnen vergeten. Wat eengoed, moedig voorbeeldtoch kan, vermag!—zóó ver gaat en werkt zijn invloed.
En nu uw zeer vereerend verzoek om onze medewerking voor uw Volks-kinderbibliotheek. Van ganscher harte ja: zusje en ik vinden 't heerlijk, een voorrecht, om met u te mogen meewerken, ergo u een genoegen te kunnen doen; wij hopen maar ten zeerste, dat wij het zullen kunnen. Wij zullen er ons best op doen, en als er niets tusschenbeide komt, hopen wij vóór het einde van dit jaar u onze kleine bijdrage voor uw mooi werk te kunnen aanbieden.[2]
't Is toch zoo aardig; 't was of we al een voorgevoel hadden, dat u ons dàt vragen zou. Een week of wat vóór de ontvangst van uw brief zaten we op een avond buiten in den tuin, 't washeldere maneschijn. U weet wel, niet waar, dat Javaansche kinderen, bij voorkeur de vollemaan-avonden kiezen, om buiten op 't erf hun spelletje te spelen en liedjes te zingen. Vóór ons speelde een troepje van dat kleine grut. Onze eigen kinderjaren leefden weer voor ons op. Daar kreeg ik op eens eene ingeving, om dien gelukkigen tijd altoos levendig in onze herinnering te bewaren. Ik haalde papier en potlood, en schreef in 't heldere maanlicht de spelletjes en zangen zóó uit den mond der kinderen op. Aardig toch, vindt u niet, en kort daarop kreeg ik uw schrijven met dàt verzoek.
En nu dank ik u hartelijk, ook namens zusje, voor de werkjes, die u ons zond. Weet u, wat wij elkaar zeiden, na de lezing daarvan? "Die werkjes zijn voor kinderen bestemd, maar ouders mogen ze wèl lezen, ze moèten het, ze zullen er zooveel uit leeren".
't Zou mij te ver voeren om u over elk werkje afzonderlijk onze gedachten te zeggen, doch geloof ons, zèlden lazen wij met zoo'n innig genot eenig werk. Het is niet iets om door te vliegen, even te genieten en dan weer te vergeten, maar iets, dat men in zijn ziel prent en niet weer vergeet.
Verrukkelijk, dat u ons eene verzameling van uwe gedachten wil zenden; wij danken u daar innig hartelijk voor! Wij zullen er zeker veel, veel uit leeren. "Een ernstig woord over ernstige dingen" beschouwen we als een vervolg op eenige punten in uw brief. Beide zijn ze voor ons eene openbaring!
O! wij danken u zoo innig, innig voor al de schatten en parelen, die u ons gaf. Kon u mij maar zien, terwijl ik dit schrijf! mijne oogen zouden u veel, veel meer zeggen, dan mijne pen of mijn mond 't ooit zou kunnen, van hetgeen ik zoo diep in mijn hart voel voor u.
Iets bijzonder liefelijks, en waarmee u onze Javaansche harten voorgoed aan het uwe heeft vastgesmeed is uw "Van de reis mee thuisgebracht". Wij vinden dat een juweeltje; ik zou u niet kunnen zeggen, hoeveel keeren ik dat stukje wel "opgepeuzeld" heb en telkens met nieuw genot. Ik kan mij zoo geheel in de gevoelens van dien bruinen vader verplaatsen, wiens hart u stal door uwe hartelijkheid voor zijn schat. Ik zie hem voor mij met zijn mooi kindje op den arm; ik zie de blanke vrouw, die't niet beneden zich achtte, een Javaansch volkskind op hare knie te nemen, te liefkoozen, zoenen; een eenvoudigen dessaman de handdrukken, zijn dronk van gastvrijheid uit zulk een simpele drinkschaal drinken!