Haven en visschersdorp te Japara.Haven en visschersdorp te Japara.
Wat zal dàt zijn hart zoet gestreeld, verrukt hebben! Een Javaan is zoo gevoelig voor vriendelijkheid, vooral wanneer zij komt van 't blanke ras, waartegen hij zoo hoog opziet!
Ach! wisten de blanken maar, hoe weinig ze te doen hebben om het hart van den bruinen broeder te winnen. Geef liefde en gij zult liefde terug ontvangen. Een vriendelijk woord kost niets, en kan toch zooveel uitwerken.
Uw "Wat zullen de kinderen lezen?" las ik al eens in de "Gids" nu twee jaar geleden. Toen reeds interesseerde ik mij er voor. Op dat gebied ligt in onze Inlandsche maatschappij het geheele veld nog braak; daar is nogniets, totaalnietsaan gedaan.
O! wat zijn we toch bevoorrecht, om juist in dezen tijd te leven; overal, overal is er zooveel te doen! wij hoeven slechts de hand uit te strekken, omgoed, heerlijk werkte vinden! Heerlijk! verrukkelijk! Waar zal de tijd zijn, dat onze landslieden zullen ontwaken uit hun sluimer, zich zullen werpen op de hoopen, bergen werk, die op rappe handen wachten, overal, overal! Zullen wij dien tijd nog beleven?
Neen, zóóveel nièt verlangen; laten wij al innig dankbaar zijn, als wij het onze kunnen bijdragen tot het banen van den weg daarheen.
En waar zal de tijd zijn, dat wij in werkelijkheid, oog in oog, hand in hand, u kunnen bedanken voor al 't moois dat u ons gaf en nog zooveel meer. Geduld!... wij zijn vol hoop en moed. Wij zijn o zoo dankbaar, dat wij u gevonden hebben, wij laten u nooit meer los,nooit! U wil onze vriendin, onze raadsvrouw en gidse zijn en blijven, nietwaar, altoos?
Zeg ja, het is niet voor één, niet voor twéé menschen, maar voor heel een volk, vooral voor de Javaansche vrouw!
Natuurlijk zullen wij doodbedroefd zijn, als die tijd dáár is, en wij afscheid moeten nemen, van allen en alles, die zóó lang een groot deel van ons geluk uitmaakten; maar wij zullen gaan met den zegen onzer dierbaren; die zal den donkersten nacht licht voor ons maken, den warmsten dag koel, en den storm tot zachte bries! Het ongelooflijkste, het nooit-gedachte, het nooit-gedroomde is geschied; onze Moeder, die in geheel andere begrippen, meest contra de onze, is opgevoed, gaat en voelt thansmet ons mee, ja, droomt zelfs mee met ons. Dat is een genade uit den Hooge van onzen almachtigen en algoeden Vader!
Wèl moesten wij eerst over een langen weg van dorens gaan, voor wij tot de poort kwamen, die onze ideeën toegang tot haar hart verleenden, maar eenmaal er voor ontsloten, blijft het er voor openstaan. Véél heeft onze lieve goede Moeder en hebben wij geleden, vóór wij elkaar op die punten ontmoetten.
[1]Goestikoe = mijn Goesti. Met Goesti wordt hier het Opperwezen aangeduid.
[1]Goestikoe = mijn Goesti. Met Goesti wordt hier het Opperwezen aangeduid.
[2]Van de inzending is helaas niets gekomen, gelijk mevrouw Van Kol berichtte.
[2]Van de inzending is helaas niets gekomen, gelijk mevrouw Van Kol berichtte.
28 Juli 1902. (VIII.)
Maar geen wolk is eeuwigdurend, evenmin als er een eeuwige zonneschijn is. Uit den donkersten nacht wordt dikwijls de schoonste morgen geboren. En hier troost ik me mee. Het menschelijk leven is eene getrouwe weerspiegeling van 't leven der natuur.
Waar wij God dag aan dag om moeten bidden is: kracht!
De regen, die de eene plant in blad en knop doet schieten, werpt eene andere ter aarde en doet haar verrotten.
8 Augustus 1902. (X.)
Brieven spelen een groote rol in ons leven, bijna alles hebben wij daaraan te danken; zonder onze correspondentie zouden wij nooit zoo ver gekomen zijn, dat wij breken durven met oeroude tradities en gewoonten. Je weet niet, of eigenlijk je weet wel wat de brieven onzer vrienden, superieuren naar den geest en naar de ziel, voor ons zijn. Er gaat een louterende, verheffende invloed daarvan uit; zij ontwikkelen ons naar den geest en het gemoed. Daar is zooveel moois, liefs en kostbaars door de post tot ons gekomen, paarlen, edelgesteenten voor hoofd en hart.
Mondelinge gesprekken kunnen in onze ziel gegrifd zijn, maar je zult wel toestemmen, dat de tijd menig woordje verbleken doet, al blijft de hoofdzin onaangetast; brieven nu herhalen ieder woord getrouw ten allen tijde, zoo vaak je wilt.
10 Augustus 1902. (VI.)
Wat u ons daar zegt, heeft Moeder ons zoo dikwijls gezegd: "àlle gaven zijn slechts een geschenk van Goesti Allah". "Verbeeld je nooit, wanneer je iets goeds hebt verricht, dat dat je eigen, geheel je eigen werk is; wij zijn slechts werktuigen, uitvoerders van Zijn wil. Gaven, talenten zijn ons toevertrouwd; onze plicht is daar goed voor te zorgen".
En die overtuiging is het, die Moeder, in een geheel anderen geest opgevoed dan wij, wèl na veel strijd, ons hare toestemming deed geven; wij hebben haar dienietafgedwongen. Nu berust zij er in, droomt zelfs met ons meel
Wanneer men haar over ons aanvallen zal, is haar antwoord eenvoudig: Zij zijn onze kinderen, maar niet ons eigendom. Dat zijn ze van Hem, die haar schiep; en haar Bezitter is 't, die haar leven en lot bestuurt. Er zijn vele wegen, bekende en onbekende, die naar 't Goede leiden; vreemd, onbekend, is de weg, waarover Hij onze kinderen laat gaan; wij ouders hopen en vertrouwen, dat Hij haar tot 't Goede zal leiden".
Wat zal Moeder blij zijn, als wij haar vertellen, wat u ons heeft gezegd.
Nu is Moeder niet thuis; zit bij een ziek zusje van ons. Moeder is onze Vriendin o zoo dankbaar voor hetgeen HEd. ons deed vinden. "Ik verlang zoo Mevrouw Van Kol te ontmoeten om haar te bedanken, dat zij jullie harten heeft geopend. Zij is niet van ons geloof, maar wat doet het er toe, haar God is onze God, ons aller God".
Wèl heeft u gedaan met ons te waarschuwen voor ijdelheïd; wij danken er u zeer hartelijk voor.
Doch stel u gerust. Wij, kinderen van een Vader, aan wien macht en aanzien is toebedeeld—u, die onze maatschappij kent, weet wat dat in onze Inlandsche wereld beteekent; waar macht en aanzien alles is, glans en glorie als 't toppunt van geluk worden beschouwd—wij hebben van af onze prilste jeugd aanraking met vleierij, wij hebben van ze leeren walgen. 't Doet ons o zoo'n pijn ouden van dagen, grijsaards voorkinderente zien kruipen. Het is adat! Kunnen wij niet alles afweren, wij hebbennooitgewild, dat men ons den voet kuste.
Véél heeft ons tot mijmeren en peinzen gebracht, en het wordt al klaarder en klaarder in ons: 't is plicht, dure plicht, om metalle kracht te trachten ons die volksvergoding eenigszins waard te maken.
De leus van den Inlandschen adel moet zijn: "De adel zij de volksvereering waard!"
Slechts van weinige menschen hooren wijgraagwat liefs; die, welke wij boven alle vleitaal verheven weten. Hun woorden van waardeering hebben een bezielende, voortstuwende kracht voor ons, sterkt, moedigt ons aan tot het volharden in het goede.
15 Augustus 1902. (I.)
Nellie's[1]geestdriftige woorden in Oost en West zijn hier door verschillende bladen opgenomen, en schrijft o.a. "de Echo" er een warm woord onder, voor ons de sympathie en medewerking vragend, van alle vrouwen in Indië. Het doet goed. De "Echo" plaatste evenals Nellie een woordje uit mijn brief in haar artikel en verzocht dien in zijn geheel of gedeeltelijk te mogen publiceeren. Ik vind beter van niet, één brief gepubliceerd is genoeg, en die van Nellie geeft volle licht op de zaak. Weer iemand anders vroeg mijne toestemming tot het plaatsen van een brief van me over eene Javaansche bruiloft. Hilda de Booy is het—dochter van den heer Charles Boissevain, directeur van het Algemeen Handelsblad. Zij zond de copie van dien brief naar huis, en nu schrijft haar broer, die secretaris is der directie, dat ik met het plaatsen van dien brief mijn volk goed zou doen. Beter dan uit wat ook, zullen de Nederlanders uit zulke brieven begrijpen, dat het Javaansche volk in sommige opzichten hun meerdere is, in vele opzichten hun gelijke, en slechtsmisschienin meer hun mindere is. Aldus de heer Boissevain.
Wat denk je er van, Stella?
Ik ben bezig aan een artikel voor Belang en Recht; ik hoop, dat het geplaatst zal worden! ik werk er met pleizier aan. Wordt het niet aangenomen, dan werk ik het om voor een ander blad of tijdschrift.
Voor Nellie zijn we bezig Javaansche sprookjes te verzamelen, en zusje R. is bezig met teekenen daarvoor.
O, Stella, wat een schat van moois hoorden wij uit den volksmond; wijsheden, waarheden, zoo klaar, in eenvoudige en toch o, zoo melodieuse woorden! Jou taal goed, goed onder de knie hebben, en dan die mooie, gewijde muziek verstaanbaar voor ulieden maken! Als jullie eens de ziel van ons volk kennen, hoe zal jullie je dan tot ons aangetrokken gevoelen. Wij zijn zoo dicht nog bij de natuur, den oorsprong; onze wijsheid kost geen hoofdbreken om ze te verstaan. In simpele woorden, maar o, hoe schoon van klank en rythmus.
Kon ik je maar mijn taal leeren, dat je van ons moois genieten kon in zijn oorspronkelijken staat. Hoe meer ik doordring tot de diepste diepten van de ziel van ons volk, hoe meer superieur ik ze vind. Bij jullie worden wijzen en dichters aangetroffen, meestal in zekere standen, en wordt beschaving gevonden bij zekere klassen; de groote meerderheid, dat is het volk, is, mag ik zeggen?—ruw. Er zijn superieuren bij die volksklasse, maar het gros, Stella? gij weet 't beter dan ik.
Maar ga jij eens met me ronddwalen in kampong en dessa, laten wij de schamele hutten der armen binnengaan, hoor hun spreken, hunne gedachten.... 't Zijn ongeschoolde menschen, allemaal, maar wat woordmuziek kan er uit vele monden ruischen, wat een zielemooi ligt daarin uitgedrukt. Zacht, bescheiden van aard, eenvoudig en nederig! Als ik bij je ben eenmaal, zal ik je zooveel, zooveel van ons zacht volk vertellen, van zijn denk- en zienswijze. Je moet ze kennen en liefhebben als wij.
Dichters en artisten vindt je er zooveel onder hen, en waar een volk gevoel heeft voor poëzie, het schoonst en lieflijkst in 't leven, kan hetnietlaag staan in innerlijke beschaving.
Al wat hoog en mooi is in 't leven ispoëzie. Liefde, toewijding, trouw, geloof, kunst,alleswatverheft, veredeltenvermooit, ispoëzie. En 't Javaansche volk en poëzie zijn zoo innig samengeweven. De minste, allerminste Javaan is poëtisch. Wat denk je van den roerenden eerbied, die jongeren, ouderen bewijzen? Wat denk je van de roerende piëteit van levenden voor afgestorvenen?
Geen blij gebeuren, waarbij niet onze afgestorvenen worden herdacht, hun zegen en die des hemels worden afgesmeekt. In vreugde en leed steeds gedenken wij onze dooden.
En de moedernaam, wat is hij heilig! In uren van vertwijfeling, van pijn, prevelen de bleeke lippen steeds dien naam. 't Is Moeder, en weer Moeder, die aangeroepen wordt, hebben wij hulp, hebben wij steun noodig!
In het aanroepen van haar naam in ernstige, smartelijke oogenblikken ligt de vereering van het moeder zijn. Waarom roepen wij niet onzen vader aan, waarom juist onze moeder? omdat de mensch van jongs af aan instinctmatig voelt, dat moeder beteekent een wereld van liefde en toewijding!
Elk voorwerp dat je hand ontvalt oprapen onder den uitroep: "O, Allah, mijn kind!" Wat of dat te beteekenen heeft, waar het van getuigt, hoef ik het je nog nader te verklaren?
Stella, ik leg mij ernstig toe op jou taal, dat ik haar eenmaal zoo machtig ben, dat ik al het moois van ons kan verstaanbaar maken voor ulieden. Ik leg mij ook ernstig toe op mijn eigen taal, ik wil ons volk het blanke ras leeren kennen, zooals ik het ken in zijn mooi- en edelheid. Zij moeten jullie edelen en grooten kennen, eeren en liefhebben, dat zullen zij.
Ik zou soms nog een dubbel stel handen willen hebben, om alles te kunnen doen, wat ik wil. De wil is groot, maar de kracht is klein. Ik mag er mijne gezondheid niet aan wagen, dat is het domste wat ik doen kan. En toch ben ik zoo dikwijls dom; vaak tot laat in den nacht zit ik te werken, en dat is niet goed voor me. Zoo zal ik mijn doel voorbijstreven; ik wil veel werken, en 't eind van 't lied zou kunnen zijn, dat ik niet kan werken wegens lichaamszwakte. Dat zou vreeselijk zijn. Daarom doe ik nu mijn best om me te matigen en verstandig te leven.
[1]Mevrouw N. van Kol.
[1]Mevrouw N. van Kol.
15 Augustus 1902. (X.)
Hoera! voor de Inlandsche kunst en nijverheid; ze gaan beslist een schoone toekomst tegemoet!
Ik kan je niet zeggen hoe blij, dankbaar en gelukkig ik hierover ben. Wij bewonderen zoo graag ons volk, wij zijn er zoo gaarne trotsch op! Ons volk zoo weinig gekend en ... zooveel miskend!...
De toekomst onzer Japarasche artisten is verzekerd.
De Heer Zimmermann[1]was in extase over hetgeen hij hier zag van den artistieken arbeid van het zooveel gering geschatte bruine ras. Houtsnij-, goudsmeed- en textiele kunst staan hier op eene beduidende hoogte. Onze artisten hebben hier een groote bestelling gekregen van Oost en West voor St. Nicolaas. Wijgenieten; nu kunnen de knappe artisten mooie idee's ten uitvoer brengen, poëtische gedachten in schoone vormen belichamen, sierlijke lijnen, golvingen en wendingen, schitterende, gloeiende kleurschakeeringen.
O, 't is lust, 't is heerlijkheid om voor en in alles het mooie, het goede te zoeken. Die Godsvonk is er in ieder en alles, zelfs in wat oogenschijnlijk allerslechtst is. Deze waarheid moet tot velen, velen doordringen, en die velen moeten het opvatten als plicht, eene, die het leven mooi maakt èn voor anderen èn voor zichzelf.
Daar is een kind gekomen bij eene bejaarde vrouw, dat op haar vraag, wat ze hebben wilde, daar zij niets bezat, geen lekkers, geen sieraden, geen kleeren, antwoordde: "Ik verlang lekkers noch sieraden, noch kleeren. O Moeder, geef mij een bloem, die open gaat in het hart."
Hoe vindt je het?—o—en je moest het eens hooren in het oorspronkelijke, het verzoek van dat kind klinkt zoo zoet, diepe zin in bloementaal: "Njoewoen sekar melati, hingkang mekar hing poendjering ati."
En zoo iets hoor je slag op slag. Wij zijn nu bezig, alles op te schrijven, wat wij hooren, moois uit den volksmond. Het woord "gedicht" bestaat in onze taal niet, wij zeggen "bloementaal", en is het niet juist gezegd?
Wij zijn nu ook bezig zangen te leeren, geen jubelzangen; heb je die wel ooit gehoord van ons volk? De gamelan jubelt nooit; zelfs bij de dolste feesten, klinkt er weemoed in zijn zang, misschien wel dáárom. Weemoed is het leven, géén jubelzang!
De vorige bladzijden heb ik geschreven onder zoet streelend weemoedig gezang. 't Was avond; vensters en deuren stonden open; de bloeiende tjempaka voor onze kamer zond met 't zachte koeltje, dat ruischte in haar groen, ons haren geurigen adem ten groet—ik zat op den grond, zooals nu, aan een laag tafeltje, links van mij zusje Roekmini, eveneens schrijvend, rechts van mij Annie Glaser, ook op den grond, te naaien, en vóór me een vrouw, die ons voorlas uit een boek op zang. Het washeerlijk! Een droom van mooi, belichaamd in reine, serene, sonore klanken, die onze trillende zielen mee omhoog voerden in het rijk der gelukzaligen.
Hoe wenschte ik toen dat jij mede in ons kringetje aanzat, je zoudt met ons meevoelen, meegenieten, en meedroomen. Droomen! Het leven is geen droom, maar koude, nuchtere werkelijkheid, maar de werkelijkheid hoeft niet leelijk te zijn als men dat niet wil; zij is het niet, zij is mooi, altijd waar wij het mooiein onshebben.
O, daarom zou ik wenschen, dat bij de opvoeding wel degelijk werd gelet op karaktervorming, en wel in de eerste plaats op de ontwikkeling van de wilskracht. Deze moet de opvoeding in het kind ontwikkelen, aldoor, aldoor....
Doch ik ben hier op een ander terrein gekomen. Ik wilde met je spreken over ons volk, en niet over de opvoeding; daarover later, niet waar?
Er is hier een oudje aan wie ik bloemen bedelde, die geuren in het hart. Veel gaf zij mij reeds en zij heeft nog meer, veel meer, en ik wil meer, immer meer. Zij zal mij dan meer willen geven, maar ik moet het verdienen, haar bloemen moet ik koopen.... Waarmee?... Waarmee moet ik betalen?....
En hoog ernstig klonk het uit haar mond: "Vast één dag en één nacht en breng dien tijd wakend en in eenzaamheid door."
"Door nacht tot licht,Door storm tot rust,Door strijd tot eer.Door leed tot lust",
ruischte als een requiem mij in het oor.
Dat is de zin, de gedachte in de woorden dier oude vrouw. Dat vasten en waken is het symboliek van: "door ontberen, lijden, nadenken tot het licht!" Geen licht, waar niet duisternis vooraf ging; mooi vindt je niet? Onthouding is overwinning van den geest over de stof; eenzaamheid is de school van het nadenken.
Als kind deed ik al die dingen werktuigelijk, zonder vragen, omdat anderen vóór mij en met mij hetzelfde hebben gedaan. Toen kwam er een tijd, waarin mijn geest begon te vragen: "Waarom doe ik dit, waarom is dit en dat zoo?" Waarom—waarom —tot in het oneindige!
En ik verkoos toen niet meer, dingen te doen waarvan ik tekst noch uitleg kende. Ik wilde niets meer werktuigelijk doen zonder te weten waarom, waarvoor, waartoe. Ik wilde geen Koran meer leeren lezen, spreuken in een vreemde taal leeren opzeggen, waarvan ik de beteekenis niet begreep, en waarschijnlijk mijne leermeesters en leermeesteres ook niet. "Zeg mij de beteekenis en ik zal alles willen leeren." Ik had gezondigd; het boek der boeken is te heilig om verstaanbaar voor ons gemaakt te worden.
Wij verkozen niet meer te vasten en andere dingen te doen die wij eens gedachtenloos deden en die wij nu dènkend niet meer konden doen. Men was wanhopig—wij waren wanhopig—niemand wilde ons verklaren wat ons onbegrijpelijk was.
Onze God was ons geweten, onze hel en hemel waren ons geweten. Deden we kwaad, ons geweten strafte ons; deden we goed, ons geweten beloonde ons.
De jaren kwamen en zij gingen.... Wij heetten Mohammedanen, omdat wij afstammelingen daarvan zijn, en wij waren Mohammedanen in naam, meer niet. God, Allah waren voor ons een aanroep, een woord, een klank zonder zin.... Zoo leefden wij voort—totdat de dag aanbrak, die een ommekeer bracht in ons zieleleven.
Wij hebben Hem gevonden, waar onze zielen onbewust, lange, lange jaren naar smachtten.
Zóólang en zóóver hebben wij gezocht; wij wisten niet; het was zóó nabij, steeds om en bij ons.Het is in ons.
Wie ons Hem heeft doen vinden? Wel was het reeds lang aan het gisten in ons—maar die ons heeft doen vinden hetzoo lang gezochte, is: Nellie van Kol. En wie ons nu leidt en den weg wijst tot Hem, het is Mama.
Wat zijn wij toch stom, toch dom, om een heel leven lang een berg schatten naast ons te hebben en het niet te zien, niet te weten.
Domme, dwaze eigenwijze, pedante personen, die we zijn. O, je weet niet hoe gelukkig Mama en met haar àl de oudjes hier zijn om dezen ommekeer in ons gemoedsleven. Geen woord van verwijt uit hun mond, en waar wij onszelf de hevigste verwijten doen over onze inbeelding, pedanterie en eigenwijsheid, zeggen zij zacht, troostend, verzoenend: "Het heeft God nú eerst behaagd jullie harten te openen, weest daar dankbaar voor!"
O, kon ik je maar ten volle zeggen hoe rustig en vredig het thans in ons is, hoe dankbaar en gelukkig, hoe veilig en gerust wij ons voelen, nu wij Hèm gevonden hebben; nu wij weten—voelen, dat er steeds Iemand bij ons is en over ons waakt. Die Iemand zal onze steun, onze troost, onze veilige toevlucht zijn in ons verder leven; dàt voelen wij.
[1]De heer V. Zimmermann te Batavia is een der eersten die zich krachtig en met volle toewijding lieten gelegen liggen aan de Inlandsche kunst en kunstnijverheid.
[1]De heer V. Zimmermann te Batavia is een der eersten die zich krachtig en met volle toewijding lieten gelegen liggen aan de Inlandsche kunst en kunstnijverheid.
17 Augustus 1902. (X.)
Goeden morgen; hier is zus weer om wat met je praten. 't Is een heerlijke frissche ochtend; ik zit hier in een gezellig hoekje bij 't venster, waar ik 't gezicht heb op den tuin. Een volgenden keer zal ik je toch eens onze omgeving beschrijven, ons huis, onze doenia[1]en ... ons klooster! Nu ga ik mijn praatje van gisteren vervolgen. O! aandoenlijk is de blijdschap der oudjes over den terugkeer der verdoolde schaapjes op het rechte pad.
Een oudje hier bood ons uit pure vreugde daarover, hare collectie boeken aan, oude Javaansche handschriften, vele met Arabische karakters geschreven. Dit gaan we nu weer leeren lezen en schrijven. Je weet misschien dat Javaansche boeken zeer moeilijk zijn te krijgen, doordat zij met de hand geschreven zijn; slechts enkelen zijn gedrukt. Wij zijn nu bezig een mooi gedicht te lezen, wijze lessen in bloementaal. Wat wenschte ik dat je onze taal kende; o, zoo innig graag zou ik je van al dat moois laten genieten in het oorspronkelijke; vertaald is het niet meer wat het was. Voel je iets voor 't leeren van de Javaansche taal? Moeilijk is zij zeer zeker, maar o, zoo mooi! Het is een gevoelstaal vol poëzie en ... snedigheid. Verbaasd staan wij, eigen kinderen van het land, dikwijls over de snedigheid onzer landslieden. Je kunt je niets bedenken, of zij kunnen daarvan wat maken. Noem maar iets op, in den blinde, wijs een voorwerp aan, en een geestige Javaan, die je vooral veel vindt onder het eigenlijke volk, weet daarop onmiddellijk een rijm te maken, dat verbaast door snedigheid en geestigheid. Het is aan Oostersche volken eigen denk ik. Jammer maar dat toen die kostelijke gave hier werd uitgedeeld, je zusjes heel achteraan stonden. Volstrekt geen visschen naar een complimentje hoor; wij meenen het oprecht. Om dat te bewijzen dit: Waar de feeën ons stiefmoederlijk bedeelden met geestigheid, maakte een andere zuster fee het euvel weer goed, door ons rijkelijk te schenken hare gave: gevoel. Ik denk zelfs, dat zij wel wat al te mild was. Wij moeten steeds goed toekijken en oppassen, dat die deugd niet ontaardt in ondeugd. Gevoelig is goed, maar overgevoelig is weer niet goed. Je zal vroeg of laat, nú misschien reeds, ervaren dat hetje zusjes dikwijls moeilijk is den gulden middenweg te bewaren. Voor iemand van uitersten is dat zeer, zeer moeilijk. Het je oprecht bekennen mijner fouten, sluit een bede in; heb je ze verstaan? Zij luidt: help mij mijne fouten verbeteren, overwinnen. Wil je dat?... wil je?—je zusjes wijzen op dingen, die niet goed zijn? Wil je? zal je zooals wij dat wel verwachten van een oprechten broer en vriend?
Weet je nog wel dien brief van je in Januari, waarin je sprak van toon en woordmuziek, van kunstenaar en gevoelsmenschen? Daarin heeft onze vriend, de denker en dichter, eene les zoo fijn geweven. Dat wij die ter harte nemen, zou je kunnen weten, als je dagelijks met ons omging. Je zou dan weten dat het verdrietonsnudient, en niet wij het. Wroeten in eigen zielewonden beteekent: het leed koesteren aan je hart. En onze plicht is het, om met alle kracht te trachten de meerdere te worden van het verdriet, dat ons moét dienen, opbouwen!...
Na dagen regen gehad te hebben, gingen wij eens naar onze bloemenkinderen, die zeer geleden hadden onder het overvloedige regenwater, kijken. Wij zagen onze gehavende rozenstruiken vol groene knopjes. De dagen kwamen en de dagen gingen ... onze rozen stonden volop in blad en heerlijke bloemen.... Regen, regen, hebben ze zoo noodig gehad om tot dien heerlijken bloei te komen.
Regen, regen, heeft de ziel noodig om te groeien en te bloeien.
Nu weten we het. Onze tranen van heden dienen slechts om het zaad te doen ontkiemen waaruit nieuwe, hoogere levenslust opbloeit in de toekomst.
Spartel niet tegen; klaag en verwensch niet het verdriet als het tot u komt; want het verdriet heeft recht van bestaan, heeft zijne roeping. Laat gewillig u door het verdriet opbouwen; dàt doet het, indien het hart goed is. Zoo waar is het: "hetzelfde vuur dat het goud zuivert, verteert het hout tot asch".
Nu dien ik je toch te vertellen, hoe wij aan Nellie van Kol zijn gekomen. Misschien heb je in de krant reeds het een en ander hierover gelezen. Het volgende dient je in dat geval dan tot toelichting: In de tweede helft van April kregen wij hier voor één avond den heer Van Kol over. Eene Hollandsche dame, die zeer met het streven van je zusjes sympathiseert, zond hem in dat belang hierheen. Het was een van de prettigste kennismakingen die wij ooit hadden.
Had hij reeds lang onze harten gewonnen door hetgeen hij isvoor Java en den Javaan, die persoonlijke kennismaking verzekert hem voor goed eene plaats in onze liefde en hoogachting. Het is heerlijk om superieure menschen te ontmoeten. O! het doet zoo goed, zoo goed. Dat was zoo'n groote gebeurtenis in ons leven, toen wij je lieve ouders ontmoetten—weet je dat dàt was een keerpunt in ons leven? Diè ontmoeting was een ontwaken tot werkelijk leven; voorheen hadden wij slechts geleefd in naam, inderdaad hadden wij geslapen, aldoor geslapen en gedroomd. Nú léven wij, strijden en worstelen, hopen en wanhopen, lijden en jubelen, weenen en juichen, dàt is leven! Wij zijn gestegen tot zonnehoogten van genieten, wij zijn gedaald in diepten van ellende. Je weet het alles van je Moeder, en ik ben gelukkig dat ik lééf.
Van je Moeder weet ik, dat je sympathiseert met ons streven, onze ideeën en jijzelf vertelde 't ons. 't Zal je dan zeker genoegen doen, te vernemen, dat anderen, en niet de eersten de besten, maar superieure menschen sympathiseeren met onze zaak. Die andere zijn: de heer Van Kol en zijne vrouw.
Den heer Van Kol vertelden wij alles, droegen hem onze belangen op, daarvoor was hij hier gekomen, en hij beloofde ons met alle kracht ons streven te zullen steunen, even als ook je Vader het zal doen.
Ben je niet blij, dat de zaak van je zusjes een warmen verdediger heeft gevonden in Holland, in 's lands vergaderzaal? Alles wat hij doen kan, zal hij doen om je zusjes te helpen haar ideeën tot werkelijkheid te brengen. Toen wij met hem spraken over onze harte-ideeën, vroeg hij ons telkens weer of ik zijne vrouw schrijven wilde; zij zou voor ons eene trouwe en reine raadgeefster kunnen zijn; het ontroerde me zoo. Hoe vol liefde, eerbied en vereering sprak hij van zijne vrouw, zijne leidster en raadgeefster! Dat is een man—en welk een!—die zóó sprak van eene vrouw. Voor ons waren dat oogenblikken van hoog genieten. O! en zulke mannen zijn er meer, mannen, die in de vrouw het hooge zien, haar eerbiedigen dáárom.
Ik liet er geen gras over groeien, dadelijk na 't vertrek van den heer Van Kol, schreef ik zijne vrouw. Was 't instinct, of was 't iets anders, ik weet 't niet; wat ik wèl weet, is, dat ik heelemaal geen gevoel had van mij tegenover een wildvreemde—wat 't feitelijk was—te bevinden, toen ik met haar sprak; zoo ook hier met haar man. 't Was of zij een moeder voor mij was;zonder voorbehoud stortte ik voor haar mijn gemoed uit. Tegenover haar man, kon ik onbeschroomd vertrouwelijk zijn, me wel verklaren. Hij was zoo eenvoudig, zoo vriendelijk; kwam ons zoo hartelijk tegemoet, was vaderlijk voor ons. Ik ben blij, dat ik de stem van mijn hart gevolgd had en Mevrouw Van Kol dadelijk had geschreven. We kregen een brief van haar terug, dadelijk—en o welk een! Wij voelen ons zoo rijk met de sympathie die van haar uitstroomt naar ons. God heeft ons weer een warm vriendenhart geschonken en door dat vriendenhart deed hij ons Hèm zelf vinden. Kon ik je maar zeggen, hoe gelukkig wij zijn! Wij zijn niet jubelend gelukkig om den goeden keer, dien de zaken genomen hebben, maar wij zijn stil, innig gelukkig, dankbaar, en vredig gestemd om hetgeen wij gevonden hebben. Dezer dagen kregen wij weer een brief van Nellie, een, vol mooie, heerlijke, edele gedachten. Er gaat zoo'n stroom van reinheid van haar uit. Het is een Goddelijke genade, dat wij deze reine, superieure vrouw mochten ontmoeten. "Dan zijn wij de rechte menschenvrienden en helpen", zegt ze, "als wij onzen steun niet in de eerste plaats bij de menschen zoeken, maar uitsluitend in ons zelf en bij Vader-God". Daar zijn we Nellie innig, innig, dankbaar voor, meer dankbaar dan voor al het andere, dat zij voor ons deed en doen zal. Dàt wat zij ons gaf van haarzelf, was liefde in haar hart, haar ziel. Nu weer zegt ze: "De liefste en beste menschen zijn maar zwakke, feilbare wezens. Nestel u aan het Vader-hart. Hij zal uwe wonden helen, uwe tranen drogen."
In de dagen, dat ik aan dezen brief bezig was, is ons iets zeer onaangenaams overkomen, dat ons vóór onze kennismaking met Nellie, wanhopig zou gemaakt hebben. Maar nu—wij zochten niet bij de menschen troost—wij klemden ons vast aan Zijn hand. En daar werd de duisternis licht, en de stormwind zachte bries.
Wij zijn niet bang, heusch niet bang; waar wij ook zijn, daar is een Vader, die over ons waakt, die ons gadeslaat, die over ons oordeelt met liefde.
Wat malen wij om de menschen, terwijl wij ons Godes weten!
't Is Zijn werk, dat wij doen; Hij zal ons de kracht er toe geven.
Wij zijn bereid, bereid tot alles, bereid tot geven: onszelf—tot ontvangen: hartewonden. Tranen, bloed zullen er vloeien;veel, veel, maar het is niets; dat alles zal leiden tot zegepraal. Géén licht, waar niet duisternis vooraf ging. De dageraad wordt uit den nacht geboren.
Nu wij Hem gevonden hebben, is 't ons of ons leven mooier is geworden; onze roeping schooner, heerlijker, hooger. De Geest geeft eene hooge wijding aan alles!
Hoe denk jij over dat alles, Edie?
Ik weet één ding vast en zeker: dat is, dat jeblijbent voor je zusjes om alles en alles.
Nu ga ik nog wat met je praten, en dan moet de brief weg; anders wordt hij zoo oud, en hij is al zoo lang. Misschien verveel ik je er wel geducht mee. Eerlijk zeggen, hoor! Oprechtheid moet de basis zijn onzer vriendschap. Schroom nooit mij iets te zeggen, al zal 't mij pijn doen, waar je dat heilzaam voor me weet. Zal je dat, broer? Ik zal 't juist des te meer apprecieeren.
Van jou hebben en kunnen wij niets anders verwachten, dan dat je niet kan en nooit zal kunnen toestaan, dat de arbeiders onder je bevelen geslagen worden. Wij deelen in dezen volkomen je gevoelens en opvattingen. Ik voor mij kan niet zien slaan. 't Doet zoo'n pijn, zoo'n pijn, om hetdierin den mensch te zien, ongeketend, ongetemd, om den mensch totdierverlaagd te zien worden.
Wij kunnen 't ons heelemaal niet begrijpen, hoe er menschen, ja zelfsvrouwen, naar eene strafoefening kunnen gaan kijken. Wij vinden 't min, harteloos. Je weet wel, dat gedroste ketting-gangers met rottanslagen worden gestraft. Hartelooze menschen, die zich tot 't uitvoeren van zulk een straf willen leenen. Min vind ik dit van den Javaan, nog minder van den Europeaan, die zich daartoevernedert. Ik heb gezien, hoe een volstrekt niet domme, integendeel zeer ontwikkelde Europeaan, bij een volksfeest, eerst eenkinden daarna eenvrouwenjong meisje, op eene vreeselijke manier met zijn stok deed kennis maken, omdat de stumpers niet tijdig genoeg voor dien grooten heer op zij gingen. Ik klemde mijne tanden vast op elkaar, om geen geluid te geven; iedere slag striemde mij door de ziel. O, 't deed zoo'n pijn!
't Is niet 't idee van griezeligheid, dat mij doet gruwen van lichamelijke kastijding, maar wel het diep vernederende, dat er in ligt èn voor den bestrafte, èn voor den bestraffer. Zulk soortstrafverbittert, maarverbetert niet; dit is onze overtuiging.
Als kinderen van ambtenaren in eene maatschappij, waarin het idee is vastgeroest, dat een Raden Mas of Raden Adjeng enz. absoluut een wezen is van hoogere orde, dat aanspraak,recht, heeft op goddelijke vereering, van het volk, hebben wij meer dan ons lief was scènes bijgewoond, die ons deden rillen van verontwaardiging. Bij zulke gelegenheden zijn we doodstil; kunnen praten noch lachen; verontwaardiging en meelij snoeren ons den mond. Een kennis van ons snapte dit eens, en zei: "Wij moeten het wel doen; hoe zouden wij met ons tientallen anders de orde en rust kunnen handhaven over duizenden en duizenden? Ze zouden ons reeds lang het land hebben uitgejaagd, de zee ingeworpen, zoo zij dievreesvoor ons niet hadden."
Gehoorzaam uitvrees! Waar zal de tijd zijn, dat 't Goddelijk gebod, dat Liefde heet, zal doordringen tot millioenen en millioenen harten? Duizend negen honderd en twee jaren is de schoone liefdeleer gepredikt, nog hoeveel honderdduizenden jaren moeten er komen, vóór Liefde het eigendom wordt, niet van bijzondere harten alleen, maar van de groote menigte?
Je moeder kent ons heele leven; heeft zij je wel eens wat verteld van onze kinderjaren, toen wij leden onder een despotische regeering van oudere broers en zusters?
Bij ons geldt het alswet; jongeren moeten ouderen gehoorzamen in alles. Dat was heelemaal niets voor zusje Kartini, bij wie al heel vroeg de vrijheidsdrang is ontwaakt. Het gevolg daarvan was, dat ik steeds overhoop lag met mijne oudere broers en zuster, omdat ik niet verkoos te gehoorzamen, wat hun goed dunkte, dan alleen wanneer ik de billijkheid er van inzag. Zoo stond ik daar, een kind van even 12 jaar, alleen tegenover eene vijandelijke macht. Ook toen had God mij niet verlaten. Hij hielp mij dien moeilijken tijd doorkomen. Bittere, bittere tranen werden door ons kinderen geschreid. Weet je wie altijd een vriend van ons is geweest? onze hulp en bijstand? Kartono, maar hij was meestentijds niet thuis, zat op Semarang. Onze vriendschap is dus al heel oud, zij dateert uit onze vroegste jeugd. Mijn oudste zus trouwde, mijn oudste broer ging hier vandaan, en van dien stond af begonnen wij hier een nieuw leven. De leus was: "vrijheid, gelijkheid enzusterschap! Wij willen geliefd zijn, bemind en niètgevreesd.
't Is niet om er op te bluffen, maar alles wijst er op, dat onze kleintjes liever met en bij ons zijn, dan met en bij de anderen. Orde is er, harmonie, en géénvrees. Liefde is de band, die het geheel bijeenhoudt. Wat een liefs hebben wij van onze kleintjes ondervonden! Zij hebben ons veel geleerd. Ook zij, die ons kinderleven jaren verbitterden, waren onze leermeesters. Zij hebben ons geleerd, hoe wij doen moesten, d.i. niet als zij. Weer een bewijs, dat leed recht heeft van bestaan.
Zij, die ons vroeger heftig bestreden, komen nu tot ons met liefde en vriendschap. Zij zeggen het niet in woorden, maar daden getuigen daarvan. In iederen brief vraagt onze schoonzus ons over te komen; ons zijn bij hen doet goed aan haar en haar huis, zegt ze telkens.
God is groot, God is machtig!
Zou dat stukje leven, onze geschiedenis, niet de levensgeschiedenis kunnen worden van twee volken, het Hollandsche en het Javaansche volk?
Zou 't mogelijk zijn dat eens wederzijdsche achting en liefde Java en Nederland verbinden?
Hoe wij 't hebben aangelegd om tot dat heerlijks te komen, weten wij heusch niet. Meermalen werd ons de vraag gedaan. Wij weten alleen maar, dat wijliefhebben, heel lief nebben. En dit is het geheele geheim, geloof ik.
Nu, beste broer, ik hoop hartelijk, dat deze lange praat je niet zal afschrikken van eene verdere correspondentie met je zusjes, maar dat hij je een bewijs en eene bevestiging zal zijn van ons oprecht meenen, waar wij je zeggen, dat wij je geheel als broer en vriend beschouwen. Hartelijk hopen wij, dat meer brieven van Sawah Loento de bestemming Japara zullen hebben te volgen. Spreek met ons over alles, vertel ons van alles, van je werk, het leven, je omgeving.
't Is jammer, dat fotografeeren zoo'n dure liefhebberij is; wij zouden er anders dolgraag aan doen, om typische, echt Javaansche kiekjes te maken. Wij, als landskinderen, hebben overal toegang tot ons volk; waar gij lieden niet kunt komen, daar kunnen wij wel komen.
[1]Doenia = gewoonlijk aarde in tegenstelling van het hiernamaals; hier is blijkbaar bedoeld onze "wereld".
[1]Doenia = gewoonlijk aarde in tegenstelling van het hiernamaals; hier is blijkbaar bedoeld onze "wereld".
20 Augustus 1902. (VII.)
Wij kregen menschen van Batavia over, die met hart en ziel de kunst van ons volk minnen en er veel voor willen en kunnen doen. 't Waren leden van 't hoofdbestuur van Oost en West in Indië, die tegen Sinterklaas gaarne een etalage van voorwerpen van Inlandsche kunst en nijverheid had, en gaarne zou willen dat daarbij de volkskunst in Japara goed vertegenwoordigd was.
De voorbereiding van dat werkje, dat wij zoo gaarne op ons namen, was oorzaak, dat ik niet reeds veel eerder weer praatte met onze vriendin te Princenhage. Uw man zal u later wel vertellen op welk eene beduidende hoogte hier houtsnij- en textiele kunst staan. Het is voor ons zoo'n genot om mede te mogen werken aan de bekendmaking van onze volkskunst.
Wij achten 't een groot voorrecht de tusschenpersonen te mogen zijn, door wier handen sommige zieleuitingen van ons volk hun weg vinden in een nieuwe wereld; kunstvoorwerpen, die bewondering en eerbied afdwingen voor het kunnen van hun simpelen vervaardiger, den zooveel gering geschatten Javaan.
Als men die prachtige voorwerpen beschouwt, en daarnaast hun uiterst eenvoudigen maker ziet, en de uiterst primitieve werktuigen, waarmee hij arbeidt, dan krijgt men haast een gevoel van diepen eerbied en bewondering voor zijn kunst, de innige overtuiging, dat men hier te doen heeft met eenwarenkunstenaar. Eens, dat we in extase waren over zijn kunst, vroegen we hem: "Hè man, waar haal je al dat moois toch vandaan?" Even werden de naar beneden kijkende oogen tot ons opgeslagen, een beschroomd lachje speelde hem om den mond en eenvoudig antwoordde hij: "Uit mijn hart, bendoro!"[1]
We warenverrukt, en daarnaast hadden we zóó 't land aan ons zelven, dat wij daar op den stoep zaten en hij voor ons op den grond in eene deemoedige houding, zich klein makend voor ons, aan wie hij honderdvoud superieur is.
Waarom? Waarom? omdat wij nu toevallig kinderen zijn van een vader, aan wien macht en aanzien is toebedeeld. O! hoe prullerig! * * * * * Heerlijk! dat door uw en enkele anderer onvermoeid streven en werken de oogen van Groot-Nederland zich beginnen te openenvoor dit belangrijke punt in de kinderopvoeding: de kinderliteratuur.
Gelukkig mag Nederland zich achten, dat het zulke voortreffelijke krachten bezit, die zich met hart en ziel gelegen laten liggen aan de vorming naar hart en geest der Nederlandsche jeugd. En bevoorrecht is in dat opzicht het Hollandsche kind boven het Javaansche, dat geen enkel boek bezit, dan de leerboeken der schoolgaande kinderen. Een man, die veel wil en kan doen voor de opvoeding der Inlandsche jeugd, heeft daarover eens zijne gedachten laten gaan. Het is al jaren geleden, en wij hooren er niets meer van.
Wij waren nog kinderen, toen een inspecteur van het Inlandsch onderwijs ons verzocht, kleine verhaaltjes uit 't Inlandsche kinderleven voor Inlandsche kinderen te schrijven, die geïllustreerd bij wijze van prentenboekjes zouden verschijnen. Niet 't minste vermoeden hadden wij, toen wij die lesjes schreven, dat eens de pionierster dier edele beweging in Nederland: der jeugd opvoedende lectuur te geven, ons zou vragen, een steentje bij te dragen voor den bouw van den hoogen, slanken toren, hoog oprijzend in reine lucht; een toren met veel vensters, uitkijkende naar alle hemelstreken,—vensters van klaar en onbedriegelijk glas ... dien zij optrok voor hare lievelingen: de jeugd, den mensch van de toekomst! Wij bidden God, dat wij het gevraagde steentje zullen kunnen bijdragen.
Wij zijn nog steeds bezig sprookjes, sagen, spelletjes en liedjes te verzamelen voor dat doel. Het zal echter niet gemakkelijk gaan, denk ik, om de wijsjes der spelletjes en sprookjes op notenschrift te brengen. Eerstens, doen wij, hoewel groote muziekliefhebsters, tot onzen grooten spijt, zelf niet aan muziek, daar wij nooit in de gelegenheid zijn geweest daarin onderwijs te krijgen. Maar dit is zoo erg niet, het kan wel verholpen worden; de grootste moeilijkheid ligt hierin, dat wij een geheel anderen toonladder hebben dan u, en daarin tonen voorkomen, die wij vergeefs zoeken in Europeesche muziek.
Verleden week nog spraken wij een Europeaan, die reeds 20 jaar lang kunstuitingen van 't Inlandsche volk, in alle denkbare vormen verzamelt, o.a. ook pantoens; en nu wilde hij graag eenige Javaansche liederen, gamelanmuziek, bij zijne collectie hebben, en tot dusver is 't hem nog niet gelukt, er een op notenschrift te zetten, vanwege genoemde moeilijkheid.
Maar nu is gamelanmuziek dan ook ontegenzeggelijk moeilijk, en daartegenover de kinderzangen bij spelen en sprookjes zeer eenvoudig.
Een paar probeerden wij op de piano en het ging vrijwel; alle kruisen en mollen.
't Schijnt, dat er onzichtbare telefoondraden van Lalie Djawa naar hier loopen en daarvan druk gebruik gemaakt wordt door ons onzienlijk ik. Wij begrijpen anders niet, hoe menig punt in uw brief, ongeveer op denzelfden tijd, dat u hem schreef, door ons werd gedacht en besproken en zelf geschreven. In mijn brief, die den uwen heeft gekruist, zal u menig punt hierin, beantwoord vinden. Zelfs dat idee om de wijsjes, de spelletjes en sprookjes er bij te geven, bespraken wij reeds vóór de ontvangst van uw schrijven. Wij zouden het zoo jammer vinden als 't niet kon, want juist de zangen geven bekoring aan de spelletjes en sprookjes. Als kinderen vonden wij 't niet aardig, als onze sprookjesvertelster onder 't verhalen niet zong, waar dat te pas kwam.
Dezer dagen hebben wij een warmen woordenstrijd gevoerd over den invloed van boeken. Onze tegenpartij vond alles onzin; idealen, poëzie waren idiotisme; het boek nul, van niet de minste waarde.
Hoe ontroerd waren wij, toen wij den volgenden morgen het Amsterdammer (blad) openslaande, uw mooi artikel over den invloed van boeken vonden.
Wij zijn leeken, prullen, ons oordeel is nul; maar nu is een autoriteit aan het woord.
Het is een zeer eigenaardig mensch, daarom voor ons interessant hem gade te slaan en er onze gevolgtrekkingen uit te maken. Een mensch metvele goedeeigenschappen, maar o zóózwak.
Door hem zien wij nog duidelijker, wat er in 't kind vooral moet ontwikkeld worden:wilskracht. Zonder deze, zijn alle andere goede eigenschappen van weinig of geen waarde.
O! ik kan u niet zeggen, hoe dankbaar wij u zijn, dat u ons den weg heeft gewezen totwaar geluk, totware vrijheid, totGod.
Wie Godwaarlijkdient, isvrij; hij is aan geen mensch gevangen.
Steunenopmenschenis zichgevangengeven aanmenschen.
Het is zoo iets heerlijks, zoo iets grootsch, waarop u ons gewezen heeft.
Hetwaar geluk, waar is het?
Het is niet ver, maar o zoo moeilijk te bereiken; men kan er niet komen per tram, per spoor of per boot, en geen goud brengt er ons heen. Het reisgeld isbitter duur; het zijn tranen, hartebloed en nadenken. Waar of het is?In ons zèlf. Men kan in de wereld véél vinden, dat ons verrukt, in vervoering brengt, dat men denkt dàt is het, het langgezochte, het geluk! Even dikwijls als men dàt vindt, zal men ervaren, vaak met bitterheid, dat hetgeen men voor geluk heeft gehouden, maar ijdel schijn is.
Het waar geluk, dat blijvende is en in ons woont, heetzielevrede. Ik heb het reeds lànggevoeld; u heeft 't mij leerenzeggen.
God is naijverig, zegt men; Hij duldt niet, dat men andere goden aanbidt dan Hem en straft daarom den mensch met bittere ontgoocheling, die zich goden schept en hen aanbidt met goddelijke vereering.
Maar wij vinden: "Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben" een gebod zóó liefdevol. Ligt daarin niet eene even ernstige als humane waarschuwing: de mensch ismensch—een feilbaar wezen....
Ach, werd 't maar beter verstaan; zooveel bitter leed zou de menschheid zijn bespaard gebleven!
Het moge dan waar zijn, dat wij door velerlei omstandigheden er op voorbereid zijn geworden, het neemt niet weg, datu het is, die in deze licht heeft ontstoken voor onze zielen.
Moeder is zoo blij en dankbaar voor dezen ommekeer in ons gemoedsleven.
Zij zou dolgraag u willen ontmoeten, om u persoonlijk te bedanken voor het wonder, dat u aan hare kinderen heeft verricht: ons het hart geopend voor den Vader van Liefde!
Wat ons tot ongeloovigen maakte? 't Was véél, wat we zagen onder den dekmantel Godsdienst.
O! en dan die onverdraagzaamheid van zoo menig streng geloovige!...
Wij waren kinderen, hoever reiken de gedachten van een kind?
Wij konden niet weten, begrijpen, dat hetmenschenzijn, die leelijke dingen doen, Gods naam ijdelijk gebruiken tot dekking van kwade practijken. Wij konden niet weten, dat oorspronkelijkalles mooiwas, maar dat de menschen het mooie leelijk maakten.
Wij vroegen en vragen nog steeds, niet wàt is uw geloof? maar, hoè is uw levenswandel?
Het Goede, dat was onze God, dien wij steeds getracht hadden te dienen; nu wèten we: het Goede en God zijn Eén!
Nu zijn we bezig een mooi gedicht te lezen, wijze lessen in bloementaal: Het woord gedicht is er in onze taal niet, wij zeggen bloementaal, en is 't niet juist?
Herinnert u zich de koele, heldere, tropische avonden, als alles in rust is, en stilte door niets verbroken dan door wind-geruisch in de klapperkronen, de frissche avondwind op zijn adem u toevoert zachte, zoete geuren van kemoening, tjempaka en melati? Was niet wel eens een droomerige zang tot u doorgedrongen? De zang van een Javaan, die zijn gezin en buren voorzingt van liefde, heldenfeiten, schitterende pracht, mooie, wijze, alvermogende mannen en vrouwen, prinsen en prinsessen uit het làng, làng verleden?
Al onze boeken zijn in dichtmaat geschreven en worden gelezen op zang.
't Is het liefelijkste uur, als de Javaan, moe van de volbrachte dagtaak, verpoozing zoekt in zang, alle zorgen van zich wegdroomend, geheel opgaande in het schitterend vèr verleden, waarvan hij zingt en waar zijn zang zijn ziele henen voert. "Het Javaansche volk is een volk van herinnering", zegt terecht een jonge vriend van ons. "Het is schoon in den ziele-droom van zijn eeuwenslaap".
Zeer juist, maar wij lèven en moèten lèven, dat is ons steeds bewegen en in vooruitgaande richting!
Dat zegt onze vriend ook: "tot een werkzaam, krachtig naar buiten zich uitend geheel moeten wij je volk doen ontwaken!"
Menig liefs zal daardoor zeker op den achtergrond geraken, maar mogen wij daarom ons laten weerhouden te ontwaken?
Droomenisheerlijk, droomenzijnmooi, maar wat heeft men er aan, als zijdroomblijven? men moet ze nog schooner, heerlijker maken, door te trachten ze tot werkelijkheid te brengen.
Er is zooveel moois in 't Javaansche volk! Door u hoorden wij in de laatste dagen veel moois uit den volksmond. Het verzamelen van sprookjes brengt ons in aanraking met velerlei menschen, en 't is voor ons zoo'n groot genot om hunne gedachten te hooren.
In eenvoudige, maar o zoo gracieuse taal worden de mooiste gedachten gezegd, die ontroeren door de treffende waarheid en wijsheid er in.
Wat zou ik u graag eenige mooie gedachten in die gracieuse en melodieuse taal willen zenden; vertaald zijn ze niet meer, wat ze zijn.
Wij mogen u veel van ons volk vertellen, niet waar? Wat een vraag toch, het spreekt immers vanzelf, dat u er gaarne over hoort spreken, u beiden, die ons volk zoo hartelijk liefheeft. En aan die liefde, danken wij dit mooie in ons leven.
Wij gelooven met u: hetwezenlijkeis in dengeest, en niet in dewereld.
Wij zijn zoo rijk en zoo gelukkig met de geestesvrienden, die wij hebben. Is 't zelfzuchtig, dat wij van iedereen willen leeren?—en bij voorkeur met menschen correspondeeren, die onzen geest voeden en verruimen?
O! wij vinden 't zoo afschuwelijk om nietszeggende brieven te ontvangen en ze te moeten beantwoorden; epistels, die ons doen vragen "waarom wòrden ze geschreven?"
Wij zijn waarlijk bevoorrechte menschen, om voeling te hebben met eenige superieure geesten.
Diep in het hartje van Celebes hebben wij een vriend zitten, eenedel mannaar hart en geest. O! wij bewonderen hem zoo innig, om zijn edel werk. 't Is voor ons een feest, als wij brieven krijgen van Dr. Adriani, die even interessant als leerrijk zijn. 't Was zoo'n groote vreugde voor ons, toen wij hem bij de familie Abendanon ontmoetten. Mevrouw had ons bijelkaar gebracht, wetende hoeveel we aan die kennismaking zouden hebben. De gedachte aan hem en zijn werk is ons een troost, als wij hier zooveel liefdeloosheid en egoïsme zien, of er van hooren. 't Meeste pijn doet ons de zelfzucht der menschen, die dikwijls grenzeloos is.
O! hoe zoet streelt 't ons, om te midden van koude, lauwe, onverschillige menschen, vélen zonder hart en hoofd, nu en daneens een wezen te ontmoeten, één liefde en geestdrift en heldengeest!
God lof, dat wij zulke menschen kennen van verre en van nabij. * * * * * Wat spijt 't ons, dat u ons niet kende in den bloei van ons verbond. U zou er zeker schik in gehad hebben.
Drie samengestemde zielen in 't leven naast elkaar geplaatst als zusters?
Stormen zijn er over die jonge hoofden gegaan, stormen hebben in die jonge harten gewoed.
Ik denk aan u, "om zijn ideaal te bereiken, moet men menige illusie afleggen".
Uit den dood van jonge lentebloesems rijpte echter menige vrucht; zoo ook in 't menschenleven, nietwaar?—uit den dood van jonge illusies kunnen somtijds andere, rijpere, verrijzen, die tot vrucht kunnen rijpen....
Een gróóte illusie hebben wij afgelegd. In het bittere, ellendige uur, toen wij met hartebloed haar begroeven, voelden wij op eenmaal als een stroom door ons gaan, en in ons verrijzen, nieuw, frisch, krachtig leven!
Wij weten en voelen het: nog véél, véél tranen en hartebloed moeten en zullen er vloeien om de jonge vrucht te laven en haar tot vollen wasdom te brengen.
Véél, véél geduld! Wij beginnen nu te begrijpen, wat Mr. Abendanon bedoelde, toen hij ons dat door zijn vrouw liet zeggen. Veel, wat vroeger klànk voor ons was, krijgt nubeteekenis. Ja, wij kunnen en moeten slechts zeer langzaam gaan; de reis is zoo ver en zoo lang, en de weg zoo steil en moeilijk! Zelf lijden is zoo erg niet, maar de zaak belemmeren in haar gang, zullen wijverschrikkelijkvinden.
Ik denk aan een zekeren avond in 't jong verleden. Een kennis nam ons beiden mee naar een concert in den schouwburg op Semarang. 't Was voor 't eerst in ons heele leven, dat wij beiden, zonder zusje, zonder Vader, zonder Moeder ons bevonden in een groote menschenzee. Wij beiden heel, heel alleen tusschen al die vreemde gezichten. En opeens dachten wij: Zoo zal ons leven in de toekomst zijn! Wij beiden alleen op de groote levenszee! Doch wij zijngerust! er is een God, die over ons waakt!
Den 20endezer waren we in onze gedachten op Tandjong Priok; wij zagen de Willem II van Java's kust wegstoomen, met zich voerend een kostbaren last: Java's grooten vriend en warmen verdediger, naar 't verre Nederland, waar in 's Lands vergaderzaal hij nu, door zijn nobele daad van liefde, met des te meer gezag en kracht zal opkomen voor de belangen van millioenen kinderen van deze landen.
Breng hem veilig over, Willem II, voor deze landen en voor zijn lief gezin!
Er was dankbaarheid, er was weemoed, er was hoop in 't hart, maar boven alles een gevoel van groote verteedering. Menschenmin, liefde voor 't recht ... het zijngeengroote, ijdele woorden, geen bleeke hersenschim....
Wijgeloovenin deLiefde!
En nu lieve, trouwe en reine raadgeefster, onze hooggeachte en hartelijk geliefde vriendin, danken wij u met een warmen handdruk voor uwen brief, die ons zoo in alle opzichten goed deed. Hij stemde ons tot ernstig nadenken, sterkte ons en opende ons weer nieuwe gezichtspunten.